Document 54K1584/002

🏛️ KAMER Legislatuur 54 📁 1584 Verslag 🌐 NL

Inhoud

CHAMBRE DES REPRÉSENTANTS DE BELGIQUE BELGISCHE KAMER VAN VOLKSVERTEGENWOORDIGERS 3274 DOC 54 1584/002 DOC 54 1584/002 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 PROJET DE LOI PARTIE II WETSONTWERP DEEL II op het statuut van en het toezicht op de verzekerings- of herverzekeringsondernemingen relatif au statut et au contrôle des entreprises d’assurance ou de réassurance 13 janvier 2016 13 januari 2016 Voir: Doc 54 1584/ (2015/2016): 001: Projet de loi (partie I). Voir aussi: 003: Projet de loi (partie III). Zie: Doc 54 1584/ (2015/2016): 001: Wetsontwerp (deel I). Zie ook: 003: Wetsontwerp (deel III). SOMMAIRE Résumé ................................................................. Exposé des motifs ................................................. Avant-projet ........................................................... Analyse d’impact ................................................... Avis du Conseil d’État ........................................... Projet de loi (DOC 54 1584/002) ......................... Annexes I à V à la loi (DOC 1584/002) ............... Annexe (DOC 54 1584/003) .................................. INHOUD Samenvatting ........................................................ Memorie van toelichting ........................................ Voorontwerp .......................................................... Impactanalyse ....................................................... Advies van de Raad van State .............................. Wetsontwerp (DOC 54 1584/002) ....................... Bijlagen I tot V bij de wet (DOC 1584/002) ........ Bijlage (DOC 54 1584/003) ................................... 3 4 374 727 739 765 1184 1199 Blz. Pages 3 4 374 733 739 765 1184 1199 764 1584/002 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 Abréviations dans la numérotation des publications: DOC 54 0000/000: Document parlementaire de la 54e législature, suivi du n° de base et du n° consécutif QRVA: Questions et Réponses écrites CRIV: Version Provisoire du Compte Rendu intégral CRABV: Compte Rendu Analytique CRIV: Compte Rendu Intégral, avec, à gauche, le compte rendu intégral et, à droite, le compte rendu analy tique traduit des interventions (avec les an- nexes) PLEN: Séance plénière COM: Réunion de commission MOT: Motions déposées en conclusion d’interpellations (papier beige) Publications officielles éditées par la Chambre des représentants Commandes: Place de la Nation 2 1008 Bruxelles Tél. : 02/ 549 81 60 Fax : 02/549 82 74 www.lachambre.be courriel : publications@lachambre.be Les publications sont imprimées exclusivement sur du papier certifi é FSC Officiële publicaties, uitgegeven door de Kamer van volksvertegenwoordigers Bestellingen: Natieplein 2 1008 Brussel Tel. : 02/ 549 81 60 Fax : 02/549 82 74 www.dekamer.be e-mail : publicaties@dekamer.be De publicaties worden uitsluitend gedrukt op FSC gecertifi ceerd papier Afkortingen bij de nummering van de publicaties: DOC 54 0000/000: Parlementair document van de 54e zittingsperiode + basisnummer en volgnummer QRVA: Schriftelijke Vragen en Antwoorden CRIV: Voorlopige versie van het Integraal Verslag CRABV: Beknopt Verslag CRIV: Integraal Verslag, met links het defi nitieve integraal verslag en rechts het vertaald beknopt verslag van de toespraken (met de bijlagen) PLEN: Plenum COM: Commissievergadering MOT: Moties tot besluit van interpellaties (beigekleurig papier) N-VA : Nieuw-Vlaamse Alliantie PS : Parti Socialiste MR : Mouvement Réformateur CD&V : Christen-Democratisch en Vlaams Open Vld : Open Vlaamse liberalen en democraten sp.a : socialistische partij anders Ecolo-Groen : Ecologistes Confédérés pour l’organisation de luttes originales – Groen cdH : centre démocrate Humaniste VB : Vlaams Belang PTB-GO! : Parti du Travail de Belgique – Gauche d’Ouverture DéFI : Démocrate Fédéraliste Indépendant PP : Parti Populaire De regering heeft dit wetsontwerp op 13 januari 2016 ingediend. Le gouvernement a déposé ce projet de loi le 13 janvier 2016. De “goedkeuring tot drukken” werd op 13 januari 2016 door de Kamer ontvangen. Le “bon à tirer” a été reçu à la Chambre le 13 janvier 2016. 765 1584/002 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 WETSONTWERP FILIP, KONING DER BELGEN, Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, ONZE GROET. Op de voordracht van de minister van Economie en Consumenten, de minister van Justitie, de minister van Financiën, de minister van Binnenlandse Zaken, de mi- nister van Sociale Zaken en de minister van Pensioenen, HEBBEN WIJ BESLOTEN EN BESLUITEN WIJ: De minister van Economie en Consumenten, de mi- nister van Justitie, de minister van Financiën, de minister van Binnenlandse Zaken, de minister van Sociale Zaken en de minister van Pensioenen zijn ermee belast het ontwerp van wet waarvan de tekst hierna volgt in onze naam aan de Wetgevende Kamers voor te leggen en bij de Kamer van volksvertegenwoordigers in te dienen: BOEK I ALGEMENE BEPALINGEN TITEL I Doel Artikel 1 De artikelen 692, 708 en 712 van deze wet regelen een aangelegenheid als bedoeld in artikel 78 van de Grondwet. De overige bepalingen van deze wet, met inbegrip van de Bijlagen ervan, regelen een aangelegenheid als bedoeld in artikel 74 van de Grondwet. Art. 2 Deze wet zorgt voor de gedeeltelijke omzetting van: 1° Richtlijn 2009/138/EG van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2009 betreffende de toegang tot en uitoefening van het verzekerings- en het herverzekeringsbedrijf (Solvabiliteit II); 2° Richtlijn 2011/89/EU van het Europees Parlement en de Raad van 16 november 2011 houdende wijziging PROJET DE LOI PHILIPPE, ROI DES BELGES, À tous, présents et à venir, SALUT. Sur la proposition du ministre de l’Economie et des Consommateurs, du ministre de la Justice, du ministre des Finances, du ministre de l’Intérieur, du ministre des Affaires sociales et du ministre des Pensions, NOUS AVONS ARRÊTÉ ET ARRÊTONS: Le ministre de l’Economie et des Consommateurs, le ministre de la Justice, le ministre des Finances, le ministre de l’Intérieur, le ministre des Affaires sociales et le ministre des Pensions sont chargés de présenter en notre nom aux Chambres législatives et de déposer à la Chambre des représentants le projet de loi dont la teneur suit: LIVRE IER DISPOSITIONS GÉNÉRALES TITRE IER Objet Article 1er Les articles 692, 708 et 712 de la présente loi règlent une matière visée à l’article 78 de la Constitution. Les autres dispositions de la présente loi, en ce com- pris ses Annexes, règlent une matière visée à l’article 74 de la Constitution. Art. 2 La présente loi assure la transposition partielle: 1° de la directive 2009/138/CE du Parlement euro- péen et du Conseil du 25 novembre 2009 sur l’accès aux activités de l’assurance et de la réassurance et leur exercice (Solvabilité II); 2° de la directive 2011/89/UE du Parlement euro- péen et du Conseil du 16 novembre 2011 modifiant 766 1584/002 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 van de Richtlijnen 98/78/EG, 2002/87/EG, 2006/48/EG en 2009/138/EG betreffende het aanvullende toezicht op financiële entiteiten in een financieel conglomeraat, wat de verzekerings- of herverzekeringsondernemingen betreft; 3° Richtlijn 2013/36/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende toegang tot het bedrijf van kredietinstellingen en het prudentieel toezicht op kredietinstellingen en beleggingsondernemingen, tot wijziging van Richtlijn 2002/87/EG en tot intrekking van de Richtlijnen 2006/48/EG en 2006/49/EG, in het bijzonder artikel 71 ervan; 4° Richtlijn 2014/51/EU van het Europees Parlement en de Raad van 16  april  2014  tot wijziging van de Richtlijnen 2003/71/EG en 2009/138/EG, als- mede de Verordeningen (EG) nr. 1060/2009, (EU) nr. 1094/2010 en (EU) nr. 1095/2010 wat de bevoegd- heden van de Europese toezichthoudende autoriteit (Europese Autoriteit voor verzekeringen en bedrijfspen- sioenen) en de Europese toezichthoudende autoriteit (Europese Autoriteit voor effecten en markten) betreft. 5° Richtlijn 2014/59/EU van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 betreffende de totstand- brenging van een kader voor het herstel en de afwik- keling van kredietinstellingen en beleggingsonderne- mingen en tot wijziging van Richtlijn 82/891/EEG van de Raad en de Richtlijnen 2001/24/EG, 2002/47/EG, 2004/25/EG, 2005/56/EG, 2007/36/EG, 2011/35/EU, 2012/30/EU en 2013/36/EU en de Verordeningen (EU) nr. 1093/2010 en (EU) nr. 648/2012, van het Europees Parlement en de Raad, in het bijzonder de artikelen 84 en 90 ervan. Art. 3 Om de verzekeringnemers, de verzekerden en de begunstigden van verzekeringsovereenkomsten en -verrichtingen te beschermen en om de soliditeit en de goede werking van het financiële stelsel te verzekeren, regelt deze wet de vestiging en de activiteiten van, alsook het toezicht op de verzekerings- of herverzeke- ringsondernemingen die in België werkzaam zijn, met inbegrip van bepaalde modaliteiten en voorwaarden die specifiek zijn voor verzekerings- of herverzekeringsover- eenkomsten en -verrichtingen. Art. 4 Deze wet doet geen afbreuk aan de verplichtingen die voor de verzekerings- of herverzekeringsondernemingen les directives 98/78/CE, 2002/87/CE, 2006/48/CE et 2009/138/CE en ce qui concerne la surveillance com- plémentaire des entités financières des conglomérats financiers, pour ce qui concerne les entreprises d’assu- rance ou de réassurance; 3° de la directive 2013/36/UE du Parlement européen et du Conseil du 26 juin 2013 concernant l’accès des établissements de crédit et la surveillance pruden- tielle des établissements de crédit et des entreprises d’investissement modifiant la Directive 2002/87/CE et abrogeant les Directives 2006/48/CE et 2006/49/CE, en particulier son article 71; 4° de la Directive 2014/51/UE du Parlement euro- péen et du Conseil du 16  avril  2014  modifiant les Directives 2003/71/CE et 2009/138/CE et les règle- ments (CE) n° 1060/2009, (UE) n° 1094/2010 et (UE) n° 1095/2010  en ce qui concerne les compétences de l’Autorité européenne de surveillance (Autorité européenne des assurances et des pensions profes- sionnelles) et de l’Autorité européenne de surveillance (Autorité européenne des marchés financiers). 5° de la Directive 2014/59/UE du Parlement européen et du Conseil du 15 mai 2014 établissant un cadre pour le redressement et la résolution des établissements de crédit et des entreprises d’investissement et modifiant la Directive 82/891/CEE du Conseil ainsi que les direc- tives du Parlement européen et du Conseil 2001/24/ CE, 2002/47/CE, 2004/25/CE, 2005/56/CE, 2007/36/ CE, 2011/35/UE, 2012/30/UE et 2013/36/UE et les règlements du Parlement européen et du Conseil (UE) n° 1093/2010 et (UE) n° 648/2012, en particulier ses articles 84 et 90. Art. 3 La présente loi a pour objet de régler, dans l’objectif de garantir la protection des preneurs d’assurance, des assurés et des bénéficiaires de contrats et d’opérations d’assurance, et d’assurer la solidité et le bon fonctionnement du système financier, en particulier, l’établissement, l’activité et le contrôle des entreprises d’assurance ou de réassurance opérant en Belgique, en ce compris certaines modalités et conditions inhé- rentes aux contrats et opérations d’assurance ou de réassurance. Art. 4 La présente loi est sans préjudice des obligations qui incombent aux entreprises d’assurance ou de 767 1584/002 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 voortvloeien uit de bijzondere wetten die hun werkzaam- heden regelen. Art. 5 Voor de toepassing van deze wet en haar uitvoe- ringsbesluiten en -reglementen wordt verstaan onder: 1°  verzekeringsonderneming: onderneming die voor eigen rekening het verzekeringsbedrijf uitoefent, namelijk het bedrijf dat bestaat in het sluiten van verzekeringsovereenkomsten of het uitvoeren van verzekeringsverrichtingen; 2° herverzekeringsonderneming: onderneming die voor eigen rekening het herverzekeringsbedrijf uitoefent, namelijk: a) het bedrijf dat bestaat in het overnemen van risico’s die door een verzekeringsonderneming of een andere herverzekeringsonderneming worden overgedragen; b) in het geval van de groep van “underwriters” be- kend onder de naam “Lloyd’s”: het bedrijf dat er voor een andere verzekerings- of herverzekeringsonderneming dan Lloyd’s in bestaat de risico’s over te nemen die door een lid van Lloyd’s worden overgedragen. Met het herverzekeringsbedrijf wordt gelijkge- steld de dekking die een herverzekeringsonderne- ming voor eigen rekening biedt aan een instelling voor bedrijfspensioenvoorziening die onder de toepassing valt van de titels II en III van de wet van 27 oktober 2006 betreffende het toezicht op de instel- lingen voor bedrijfspensioenvoorziening. TITEL II Toepassingsgebied HOOFDSTUK I Algemene bepalingen Art. 6 Deze wet is van toepassing op verzekerings- of herverzekeringsondernemingen naar Belgisch of bui- tenlands recht die in België werkzaam zijn of willen zijn, via een bijkantoor of zonder er gevestigd te zijn. réassurance en application des lois particulières régis- sant les opérations qu’elles pratiquent. Art. 5 Pour l’application de la présente loi et des arrêtés et règlements pris pour son exécution, est définie comme: 1° entreprise d’assurance, l’entreprise qui, pour son compte propre, exerce l’activité d’assurance, à savoir l’activité qui consiste à conclure des contrats ou à effectuer des opérations d’assurance; 2° entreprise de réassurance, l’entreprise qui, pour son compte propre, exerce l’activité de réassurance, à savoir: a) l’activité qui consiste à accepter des risques cédés par une entreprise d’assurance ou une autre entreprise de réassurance; b)  s’agissant de l’association de souscripteurs dénommée “Lloyd’s”, l’activité consistant, pour une entreprise d’assurance ou de réassurance autre que la Lloyd’s, à accepter les risques cédés par tout membre de la Lloyd’s. Est assimilée à une activité de réassurance la cou- verture, par une entreprise de réassurance, pour son propre compte, d’une institution de retraite profession- nelle relevant du champ d’application des titres II et III de la loi du 27 octobre 2006 relative au contrôle des institutions de retraite professionnelle. TITRE II Champ d’application CHAPITRE IER Dispositions générales Art. 6 La présente loi est applicable aux entreprises d’assu- rance ou de réassurance de droit belge ou de droit étranger qui opèrent ou souhaitent opérer en Belgique, par la voie d’une succursale ou sans y être établies. 768 1584/002 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 Art. 7 § 1. Wat het niet-levensverzekeringsbedrijf en het le- vensverzekeringsbedrijf betreft, is deze wet van toepas- sing op de activiteiten van de takken die respectievelijk vermeld zijn in Bijlage I en Bijlage II bij deze wet. § 2. Onder het niet-levensverzekeringsbedrijf valt ook de activiteit van hulpverlening aan in moeilijkheden verkerende personen die op reis zijn of zich buiten hun woonplaats of gewone verblijfplaats bevinden. Deze activiteit bestaat erin dat tegen voorafgaande betaling van een premie de verbintenis wordt aangegaan om onmiddellijke hulp te verlenen aan de begunstigde van een hulpverleningsovereenkomst wanneer deze in moeilijkheden verkeert ten gevolge van het zich voor- doen van een onzeker voorval, in de gevallen en onder de voorwaarden die in de overeenkomst zijn bepaald. De hulp kan bestaan uit prestaties in geld of in natura. De prestaties in natura kunnen ook worden verstrekt met gebruikmaking van eigen personeel of uitrusting van de prestatieverstrekker. Onderhoudsdiensten, dienstverlening na verkoop en de loutere aanwijzing omtrent of terbeschikkingstel- ling van hulp als tussenpersoon vallen niet onder de hulpverleningsactiviteit. HOOFDSTUK II Uitsluitingen Afdeling I Wettelijke regelingen Art. 8 Deze wet is niet van toepassing op verzekeringsover- eenkomsten en -verrichtingen die deel uitmaken van een wettelijke socialezekerheidsregeling en waarvoor de ondernemingen niet voor eigen risico handelen. Meer in het bijzonder is deze wet niet van toepas- sing op: 1° de maatschappijen van onderlinge bijstand die erkend zijn overeenkomstig de wet van 23 juni 1894 en die niet onder de wet van 6 augustus 1990 betreffende de ziekenfondsen en de landsbonden van ziekenfond- sen vallen; 2° de ziekenfondsen, de landsbonden van ziekenfond- sen en de maatschappijen van onderlinge bijstand als Art. 7 §  1er. En ce qui concerne l’activité d’assurance non-vie et l’activité d’assurance-vie, la présente loi s’applique aux activités des branches mentionnées res- pectivement à l’Annexe I et à l’Annexe II à la présente loi. §  2. L’activité d’assurance non-vie inclut égale- ment l’activité consistant à fournir une assistance aux personnes en difficulté au cours de déplacements, d’absences de leur domicile ou de leur résidence habituelle. Cette activité comporte, moyennant le paie- ment préalable d’une prime, l’engagement de mettre immédiatement une aide à la disposition du bénéficiaire d’un contrat d’assistance lorsque celui-ci se trouve en difficulté par suite d’un événement fortuit, dans les cas et dans les conditions prévus par le contrat. L’aide peut comporter des prestations en espèces ou en nature. Les prestations en nature peuvent également être fournies par l’utilisation du personnel ou du matériel propres au prestataire. L’activité d’assistance ne couvre pas les services d’entretien ou de maintenance, les services après-vente ou la simple indication ou mise à disposition, en tant qu’intermédiaire, d’une aide. CHAPITRE II Exclusions Section Ire Régimes légaux Art. 8 La présente loi n’est pas applicable aux contrats et opérations d’assurance faisant partie d’un régime légal de sécurité sociale pour lesquels les entreprises n’opèrent pas à leurs propres risques. En particulier, la présente loi n’est pas applicable: 1°  aux sociétés mutualistes qui sont reconnues conformément à la loi du 23 juin 1894 et qui ne sont pas visées par la loi du 6 août 1990 relative aux mutualités et aux unions nationales de mutualités; 2° aux mutualités, aux unions nationales de mutua- lités et aux sociétés mutualistes visées par la loi du 769 1584/002 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 bedoeld in de voornoemde wet van 6 augustus 1990 die geen verzekeringen mogen aanbieden en waarvan de diensten als bedoeld in artikel 3, eerste lid, b) en c), van de voornoemde wet van 6 augustus 1990 voldoen aan elk van de voorwaarden van artikel 67, eerste lid, van de wet van 26 april 2010 houdende diverse bepalingen inzake de organisatie van de aanvullende ziekteverze- kering (I); 3° de gemeenschappelijke fondsen, private onder- nemingen met vaste premies en openbare instellin- gen, voor wat betreft de verrichtingen bedoeld in de wetten betreffende de rust- en overlevingspensioenen van arbeiders, bedienden, mijnwerkers, zeelieden en zelfstandigen. Afdeling II Niet-levensverzekering Art. 9 Wat het niet-levensverzekeringsbedrijf betreft, is deze wet niet van toepassing op de ondernemingen die de volgende verrichtingen uitvoeren: 1° verrichtingen van voorzorgs- en bijstandsinstellin- gen waarvan de prestaties verschillen naargelang van de beschikbare middelen en waarvan de ledenbijdrage forfaitair wordt bepaald; 2° verrichtingen van een organisatie die geen rechts- persoonlijkheid bezit, die de onderlinge waarborg van haar leden tot doel hebben, zonder tot de betaling van premies of de vorming van technische reserves aanlei- ding te geven; 3° verrichtingen op het gebied van exportkredietver- zekering voor rekening of met garantie van de staat, of wanneer de staat de verzekeraar is. Art. 10 § 1. Deze wet is niet van toepassing op ondernemin- gen die een hulpverleningsactiviteit uitoefenen die aan alle volgende voorwaarden voldoet: 1° de hulp wordt verleend bij een ongeval met of de- fect aan een wegvoertuig dat zich voordoet op Belgisch grondgebied; 2° de verplichting tot hulpverlening blijft beperkt tot de volgende verrichtingen: 6  août  1990  précitée qui ne peuvent pas proposer des assurances et dont les services visés à l’article 3, alinéa 1er, b) et c), de la loi du 6 août 1990 précitée répondent à chacune des conditions prévues à l’article 67, alinéa 1er, de la loi du 26 avril 2010 portant des dispositions diverses en matière de l’organisation de l’assurance maladie complémentaire (I); 3°  aux caisses communes, entreprises privées à primes fixes et institutions publiques, pour ce qui concerne les opérations visées par les lois relatives au régime de retraite et de survie des ouvriers, des employés, des ouvriers mineurs, des marins et des travailleurs indépendants. Section II Assurance non-vie Art. 9 En ce qui concerne l’activité d’assurance non-vie, la présente loi n’est pas applicable aux entreprises qui effectuent les opérations suivantes: 1° les opérations des organismes de prévoyance et de secours dont les prestations sont variables selon les ressources disponibles et qui exigent de chacun de leurs adhérents une contribution forfaitaire appropriée; 2° les opérations effectuées par une organisation n’ayant pas la personnalité juridique et qui ont pour objet la garantie mutuelle de ses membres, sans donner lieu au paiement de primes ni à la constitution de réserves techniques; 3° les opérations d’assurance-crédit à l’exportation pour le compte ou avec la garantie de l’État, ou lorsque l’État est l’assureur. Art. 10  § 1er. La présente loi n’est pas applicable aux entre- prises qui exercent une activité d’assistance pour autant que celle-ci remplisse toutes les conditions suivantes: 1° l’assistance est fournie à l’occasion d’un accident ou d’une panne affectant un véhicule routier, lorsque l’accident ou la panne survient sur le territoire belge; 2° l’engagement au titre de l’assistance est limité aux opérations suivantes: 770 1584/002 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 a) technische hulp ter plaatse, waarvoor de verlener van de dekking in de meeste gevallen eigen personeel en uitrusting gebruikt; b) het vervoer van het voertuig naar de plaats van reparatie die het dichtst bij is of het meest geschikt is voor het uitvoeren van de reparatie, alsmede het even- tuele vervoer van bestuurder en passagiers, normaliter met hetzelfde hulpmiddel, naar de dichtstbijzijnde plaats van waaruit zij hun reis met andere middelen kunnen voortzetten; c) het vervoer van het voertuig, eventueel begeleid door bestuurder en passagiers, naar hun woonplaats, hun vertrekpunt of hun oorspronkelijke bestemming binnen het Belgische grondgebied; 3° de hulpverlening wordt niet uitgevoerd door een onderneming die aan deze wet is onderworpen wegens andere activiteiten die rechtvaardigen dat zij aan deze wet is onderworpen. § 2. In de gevallen bedoeld in paragraaf 1, 2°, a) en b), is de voorwaarde dat het ongeval of het defect zich heeft voorgedaan op Belgisch grondgebied, niet van toepassing wanneer de onderneming een instelling is waarvan de begunstigde lid is, en de hulpverlening of het vervoer van het voertuig enkel op vertoon van de lidmaatschapskaart, zonder betaling van een ex- tra premie, wordt uitgevoerd door een soortgelijke instelling van het betrokken land op grond van een reciprociteitsovereenkomst. Art. 11 Deze wet is niet van toepassing op onderlinge ver- zekeringsverenigingen die niet-levensverzekeringsac- tiviteiten uitoefenen en die met een andere onderlinge verzekeringsvereniging een overeenkomst hebben gesloten die voorziet in de volledige herverzekering van de door hen gesloten verzekeringsovereenkomsten of in de overdracht van de contractuele verplichtingen die de vervanging tot gevolg heeft van de cederende onderneming door de overnemende onderneming voor de nakoming van de uit deze overeenkomsten voortvloeiende verplichtingen. In dit geval is de overne- mende onderneming onderworpen aan de bepalingen van deze wet. a) le dépannage sur place, pour lequel le fournisseur de la garantie utilise, dans la plupart des circonstances, son personnel et son matériel propres; b)  l’acheminement du véhicule jusqu’au lieu de réparation le plus proche ou le plus approprié où la réparation pourra être effectuée, ainsi que l’éventuel accompagnement, normalement par le même moyen de secours, du conducteur et des passagers, jusqu’au lieu le plus proche d’où ils pourront poursuivre leur voyage par d’autres moyens; c)  l’acheminement du véhicule, éventuellement accompagné par le conducteur et les passagers, jusqu’à leur domicile, leur point de départ ou leur destination originelle à l’intérieur du territoire belge; 3° l’assistance n’est pas fournie par une entreprise soumise à la présente loi en raison d’autres activités justifiant son assujettissement à la présente loi. § 2. Dans les cas visés au paragraphe 1er, 2°, a) et b), la condition que l’accident ou la panne soient survenu sur le territoire belge n’est pas requise lorsque l’entre- prise est un organisme dont le bénéficiaire est membre et que le dépannage ou l’acheminement du véhicule est effectué sur simple présentation de la carte de membre, sans paiement de surprime, par un organisme similaire du pays concerné sur la base d’un accord de réciprocité. Art. 11 La présente loi n’est pas applicable aux associations d’assurance mutuelle exerçant des activités d’assu- rance non-vie qui ont conclu avec une autre associa- tion mutuelle d’assurance une convention comportant la réassurance intégrale des contrats d’assurance qu’elles souscrivent ou la cession des engagements contractuels impliquant la substitution de l’entreprise cessionnaire à l’entreprise cédante pour l’exécution des engagements résultant desdits contrats. Dans ce cas, l’entreprise cessionnaire est assujettie aux dispositions de la présente loi. 771 1584/002 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 Afdeling III Levensverzekering Art. 12 Wat het levensverzekeringsbedrijf betreft, is deze wet niet van toepassing op de volgende ondernemingen: 1° voorzorgs- en bijstandsinstellingen waarvan de prestaties verschillen naargelang van de beschikbare middelen en waarvan de ledenbijdrage forfaitair wordt bepaald; 2° andere organisaties dan de in artikel 6 bedoelde ondernemingen die ten doel hebben aan al dan niet in loondienst werkzame personen, die in het kader van een onderneming of van een groep van ondernemingen of van een beroep of meerdere beroepen omvattende sector zijn gegroepeerd, uitkeringen te verstrekken bij overlijden, bij leven of bij beëindiging of vermindering van de activiteiten, ongeacht of de uit deze verrichtingen voortvloeiende verplichtingen al dan niet volledig en voortdurend door wiskundige voorzieningen zijn gedekt; 3° organisaties die uitsluitend uitkeringen bij overlij- den waarborgen, wanneer het bedrag van deze uitke- ringen niet groter is dan het gemiddelde bedrag van de begrafeniskosten voor een sterfgeval of wanneer deze uitkeringen in natura geschieden. Afdeling IV Herverzekering Art. 13 Deze wet is niet van toepassing op de herverzeke- ringsactiviteit die een lidstaat om belangrijke redenen van openbaar belang uitoefent of volledig garandeert in de hoedanigheid van herverzekeraar in laatste instantie en wanneer een situatie op de markt, waarin het onmo- gelijk is om een adequate herverzekeringsdekking te verkrijgen, een dergelijk optreden noodzakelijk maakt. Art. 14 Deze wet is niet van toepassing op herverzekerings- ondernemingen die op 10 december 2007 het sluiten van nieuwe herverzekeringsovereenkomsten hebben gestaakt en uitsluitend hun bestaande portefeuille be- heren met het oog op de beëindiging van hun activiteit. Deze ondernemingen dienen zich aan te mel- den bij de Bank en op te geven onder welk soort Section III Assurance-vie Art. 12 En ce qui concerne l’activité d’assurance-vie, la pré- sente loi n’est pas applicable aux entreprises suivantes: 1°  les organismes de prévoyance et de secours qui accordent des prestations variables selon les ressources disponibles et exigent de chacun de leurs adhérents une contribution forfaitaire appropriée; 2° les organisations, autres que les entreprises visées à l’article 6, qui ont pour objet de fournir aux travailleurs, salariés ou non, groupés dans le cadre d’une entreprise ou d’un groupement d’entreprises ou d’un secteur pro- fessionnel ou interprofessionnel, des prestations en cas de décès, en cas de vie ou en cas de cessation ou de réduction d’activités, que les engagements résultant de ces opérations soient ou non couverts intégralement et à tout moment par des provisions mathématiques; 3° les organisations qui garantissent uniquement des prestations en cas de décès, lorsque le montant de ces prestations n’excède pas la valeur moyenne des frais funéraires pour un décès ou lorsque ces prestations sont fournies en nature. Section IV Réassurance Art. 13 La présente loi n’est pas applicable à l’activité de réassurance exercée ou totalement garantie par un État membre agissant, pour des raisons relevant d’un intérêt public important, en qualité de réassureur en dernier ressort, y compris lorsque ce rôle est rendu nécessaire par une situation où il est impossible d’obtenir une cou- verture de réassurance adéquate sur le marché. Art. 14 La présente loi n’est pas applicable aux entreprises de réassurance qui, au 10 décembre 2007, ont cessé de souscrire de nouveaux contrats de réassurance et se limitent à administrer leur portefeuille existant en vue de mettre un terme à leur activité. Ces entreprises sont tenues de se faire connaître auprès de la Banque, en précisant le type d’activité de 772 1584/002 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 herverzekeringsactiviteit de door hen beheerde verze- keringsportefeuille valt. De Bank maakt een lijst op van de in dit artikel bedoel- de herverzekeringsondernemingen en deelt deze lijst mee aan de toezichthouders van de andere lidstaten. TITEL III Definities Art. 15 Voor de toepassing van deze wet en haar uitvoe- ringsbesluiten en -reglementen wordt verstaan onder: 1°  “Verordening 1094/2010”: Verordening (EU) nr. 1094/2010 van het Europees Parlement en de Raad van 24 november 2010 tot oprichting van een Europese toezichthoudende autoriteit (Europese Autoriteit voor verzekeringen en bedrijfspensioenen), tot wijziging van Besluit nr. 716/2009/EG en tot intrekking van Besluit 2009/79/EG van de Commissie; 2° “Verordening 2015/35”: Gedelegeerde Verordening (EU) 2015/35 van de Commissie van 10 oktober 2014 tot aanvulling van Richtlijn 2009/138/EG van het Europees Parlement en de Raad betreffende de toegang tot en uitoefening van het verzekerings- en het herverzeke- ringsbedrijf (Solvabiliteit II); 3°  “Richtlijn 2002/87/EG”: Richtlijn 2002/87/ EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2002 betreffende het aanvullende toezicht op kredietinstellingen, verzekeringsondernemingen en beleggingsondernemingen in een financieel conglo- meraat en tot wijziging van de Richtlijnen 73/239/EEG, 79/267/EEG, 92/49/EEG, 92/96/EEG, 93/6/EEG en 93/22/EEG van de Raad en van de Richtlijnen 98/78/ EG en 2000/12/EG van het Europees Parlement en de Raad; 4° “Richtlijn 2009/65/EG”: Richtlijn 2009/65/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 juli 2009 tot coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende bepaalde instellingen voor col- lectieve belegging in effecten (icbe’s); 5°  “Richtlijn 2009/103/EG”: Richtlijn 2009/103/ EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 september 2009 betreffende de verzekering tegen de wettelijke aansprakelijkheid waartoe de deelneming aan het verkeer van motorrijtuigen aanleiding kan geven en de controle op de verzekering tegen deze aansprakelijkheid; réassurance relatif au portefeuille de contrats qu’elles administrent. La Banque dresse une liste des entreprises de réas- surance visées au présent article et la communique aux autorités de contrôle des autres États membres. TITRE III Définitions Art. 15 Aux fins de l’application de la présente loi et des arrê- tés et règlements pris pour son exécution, on entend par: 1°  “Règlement  1094/2010”: le Règlement (UE) n° 1094/2010 du Parlement européen et du Conseil du 24 novembre 2010 instituant une Autorité européenne de surveillance (Autorité européenne des assurances et des pensions professionnelles), modifiant la décision n° 716/2009/CE et abrogeant la décision 2009/79/CE de la Commission; 2° “Règlement 2015/35”: le règlement délégué (UE) 2015/35 de la Commission du 10 octobre 2014 complé- tant la directive 2009/138/CE du Parlement européen et du Conseil sur l’accès aux activités de l’assurance et de la réassurance et leur exercice (Solvabilité II); 3°  “Directive 2002/87/CE”: la directive 2002/87/ CE du Parlement européen et du Conseil du 16 décembre 2002 relative à la surveillance complé- mentaire des établissements de crédit, des entreprises d’assurance et des entreprises d’investissement appartenant à un conglomérat financier, et modifiant les directives 73/239/CEE, 79/267/CEE, 92/49/CEE, 92/96/CEE, 93/6/CEE et 93/22/CEE du Conseil et les directives 98/78/CE et 2000/12/CE du Parlement euro- péen et du Conseil; 4° “Directive 2009/65/CE”: la directive 2009/65/CE du Parlement européen et du Conseil du 13 juillet 2009 por- tant coordination des dispositions législatives, réglemen- taires et administratives concernant certains organismes de placement collectif en valeurs mobilières (OPCVM); 5° “Directive 2009/103/CE”: la directive 2009/103/CE du Parlement et du Conseil du 16 septembre 2009 concer- nant l’assurance de la responsabilité civile résultant de la circulation de véhicules automobiles et le contrôle de l’obligation d’assurer cette responsabilité; 773 1584/002 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 6°  “Richtlijn 2009/138/EG”: Richtlijn 2009/138/ EG van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2009 betreffende de toegang tot en uit- oefening van het verzekerings- en het herverzekerings- bedrijf (Solvabiliteit II); 7° “uitvoeringsmaatregelen van Richtlijn 2009/138/ EG”: het geheel van uitvoeringsmaatregelen genomen ter uitvoering van Richtlijn 2009/138/EG; 8° “Richtlijn 2013/36/EU”: Richtlijn 2013/36/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 be- treffende toegang tot het bedrijf van kredietinstellingen en het prudentieel toezicht op kredietinstellingen en beleggingsondernemingen, tot wijziging van Richtlijn 2002/87/EG en tot intrekking van de Richtlijnen 2006/48/ EG en 2006/49/EG; 9° “Hypotheekwet”: de wet van 16 december 1851 die Titel XVIII van Boek III van het Burgerlijk Wetboek vormt; 10° “wet van 6 april 1995”: de wet van 6 april 1995 in- zake het statuut van en het toezicht op de beleggingsondernemingen; 11°  “wet van 22  februari  1998”: de wet van 22 februari 1998 tot vaststelling van het organiek statuut van de Nationale Bank van België; 12°  “wet van 2  augustus  2002”: de wet van 2 augustus 2002 betreffende het toezicht op de finan- ciële sector en de financiële diensten; 13° “Wet Verzekeringen”: de wet van 4 april 2014 be- treffende de verzekeringen; 14° “wet van 25 april 2014”: de wet van 25 april 2014 op het statuut van en het toezicht op kredietinstellingen; 15° “verzekeringsovereenkomst”: a) hetzij een overeenkomst als gedefinieerd in artikel 5, 14° van de Wet Verzekeringen, met uitzondering van de kapitalisatieovereenkomsten die onder tak 26 als vermeld in Bijlage II vallen; b) hetzij een overeenkomst die onder de takken 24 tot 28 als vermeld in Bijlage II valt; c) hetzij een verrichting die onder tak 29 als vermeld in Bijlage II valt; d) hetzij elke verbintenis die door een verzekerings- onderneming wordt aangegaan en die een soortgelijke 6° “Directive 2009/138/CE”: la directive 2009/138/ CE du Parlement européen et du Conseil du 25 novembre 2009 sur l’accès aux activités de l’assu- rance et de la réassurance et leur exercice (Solvabilité II); 7° “mesures d’exécution de la Directive 2009/138/ CE”: l’ensemble des mesures d’exécution prises en exécution de la Directive 2009/138/CE; 8°  “Directive 2013/36/UE”: la directive 2013/36/ UE du Parlement européen et du Conseil du 26 juin 2013 concernant l’accès des établissements de crédit et la surveillance prudentielle des établissements de crédit et des entreprises d’investissement modifiant la directive 2002/87/CE et abrogeant les directives 2006/48/CE et 2006/49/CE; 9° “Loi hypothécaire”: la loi du 16 décembre 1851 for- mant le Titre XVIII du Livre III du Code civil;  10° “loi du 6 avril 1995”: la loi du 6 avril 1995 relative au statut et au contrôle des entreprises d’investissement; 11° “loi du 22 février 1998”: la loi du 22 février 1998 fixant le statut organique de la Banque nationale de Belgique; 12° “loi du 2 août 2002”: la loi du 2 août 2002 relative à la surveillance du secteur financier et aux services financiers; 13° “Loi assurances”: la loi du 4 avril 2014 relative aux assurances; 14° “loi du 25 avril 2014”: la loi du 25 avril 2014 relative au statut et au contrôle des établissements de crédit; 15° “contrat d’assurance”: a) soit un contrat tel que défini à l’article 5, 14° de la Loi assurances, à l’exception des contrats de capitalisa- tion relevant de la branche 26 mentionnée à l’Annexe II; b) soit un contrat relevant des branches 24 à 28 men- tionnées à l’Annexe II; c) soit une opération relevant de la branche 29 men- tionnée à l’Annexe II; d)  soit tout engagement pris par une entreprise d’assurance et comportant une prestation similaire à 774 1584/002 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 prestatie omvat als deze waarin de overeenkomsten en verrichtingen die onder de takken 21 tot 29 als vermeld in Bijlage II vallen, voorzien; 16° “niet-levensverzekering”: de verzekeringsactiviteit die betrekking heeft op de takken 1 tot 18 als vermeld in Bijlage I; 17° “levensverzekering”: de verzekeringsactiviteit die betrekking heeft op de takken 21 tot 29 als vermeld in Bijlage II; 18° “verzekeringnemer”: de persoon die de overeen- komst sluit met de verzekeringsonderneming; 19°  “verzekerde”: de persoon als gedefinieerd in artikel 5, 17° van de Wet Verzekeringen; 20° “begunstigde”: de persoon in wiens voordeel de verzekeringsprestaties zijn bedongen; 21°  “verzekeringscaptive”: een verzekeringson- derneming die hetzij eigendom is van een financiële onderneming die noch een verzekerings- of herverzeke- ringsonderneming, noch een groep van verzekerings- of herverzekeringsondernemingen in de zin van artikel 339, 2° is, hetzij eigendom is van een niet-financiële onderneming, en die tot doel heeft uitsluitend voor de risico’s van de onderneming of de ondernemingen waartoe zij behoort of voor de risico’s van een of meer andere ondernemingen van de groep waarvan zij deel uitmaakt, verzekeringsdekking te bieden; 22° “herverzekeringscaptive”: een herverzekerings- onderneming die hetzij eigendom is van een financiële onderneming die noch een verzekerings- of herverzeke- ringsonderneming, noch een groep van verzekerings- of herverzekeringsondernemingen in de zin van artikel 339, 2° is, hetzij eigendom is van een niet-financiële onderneming, en die tot doel heeft uitsluitend voor de risico’s van de onderneming of de ondernemingen waartoe zij behoort of voor de risico’s van een of meer ondernemingen van de groep waarvan zij deel uitmaakt, herverzekeringsdekking te bieden; 23° “herverzekering “niet-leven””: de herverzekerings- activiteiten die betrekking hebben op de takken 1 tot 18 als vermeld in Bijlage I; 24° “herverzekering “leven””: de herverzekeringsacti- viteiten die betrekking hebben op de takken 21 tot 29 als vermeld in Bijlage II; 25°  “effectiseringsvehikel” (“special purpose ve- hicle”): een onderneming, al dan niet met een eigen rechtspersoonlijkheid en anders dan een bestaande celles prévues par les contrats et opérations relevant des branches 21 à 29 mentionnées à l’Annexe II; 16° “assurance non-vie”: l’activité d’assurance se rap- portant aux branches 1 à 18 mentionnées à l’Annexe I; 17° “assurance-vie”: l’activité d’assurance se rappor- tant aux branches 21 à 29 mentionnées à l’Annexe II; 18° “preneur d’assurance”: la personne qui conclut le contrat avec l’entreprise d’assurance; 19° “assuré”: la personne telle que définie à l’article 5, 17° de la Loi assurances; 20° “bénéficiaire”: la personne en faveur de laquelle sont stipulées les prestations d’assurance; 21° “entreprise captive d’assurance”: une entreprise d’assurance qui est détenue soit par une entreprise financière autre qu’une entreprise d’assurance ou de réassurance ou qu’un groupe d’entreprises d’assu- rance ou de réassurance au sens de l’article 339, 2°, soit par une entreprise non financière et qui a pour objet la fourniture d’une couverture d’assurance por- tant exclusivement sur les risques de l’entreprise ou des entreprises auxquelles elle appartient, ou bien les risques d’une ou plusieurs autres entreprises du groupe dont elle fait partie; 22° “entreprise captive de réassurance”: une entre- prise de réassurance détenue soit par une entreprise financière autre qu’une entreprise d’assurance ou de réassurance ou qu’un groupe d’entreprises d’assurance ou de réassurance au sens de l’article 339, 2°, soit par une entreprise non financière et qui a pour objet la four- niture d’une couverture de réassurance portant exclu- sivement les risques de l’entreprise ou des entreprises auxquelles elle appartient, ou bien les risques d’une ou de plusieurs entreprises du groupe dont elle fait partie; 23° “réassurance non-vie”: les activités de réassu- rance se rapportant aux branches 1 à 18 mentionnées à l’Annexe I; 24° “réassurance vie”: les activités de réassurance se rapportant aux branches 21 à 29 mentionnées à l’Annexe II; 25° “véhicule de titrisation” (“special purpose vehi- cle”): toute entreprise, qu’elle soit dotée de la per- sonnalité juridique ou non, autre qu’une entreprise 775 1584/002 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 verzekerings- of herverzekeringsonderneming, die risico’s van verzekerings- of herverzekeringsonderne- mingen overneemt en die zijn blootstelling aan deze risico’s volledig financiert door emissieprocedures of andere financieringsmechanismen waarbij de terugbe- talingsrechten van de geldgevers van dit soort emissies of financieringsmechanismen achtergesteld zijn bij de herverzekeringsverplichtingen van de onderneming; 26° “onderlinge verzekeringsvereniging”: een verze- kerings- of herverzekeringsonderneming die de rechts- vorm als bedoeld in de artikelen 244 tot 271 van deze wet heeft aangenomen; 27° “lidstaat”: een staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte (EER); 28° “derde land””: een staat die geen partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte; 29° “lidstaat van herkomst”: een van de volgende lidstaten: a) bij niet-levensverzekeringen: de lidstaat waar de zetel is gevestigd van de verzekeringsonderneming die het risico dekt; b) bij levensverzekeringen: de lidstaat waar de zetel is gevestigd van de verzekeringsonderneming die de verbintenis aangaat; c) bij herverzekeringen: de lidstaat waar de zetel van de herverzekeringsonderneming is gevestigd; 30° “land van herkomst”: een van de volgende derde landen: a) bij niet-levensverzekeringen: het derde land waar de zetel is gevestigd van de verzekeringsonderneming die het risico dekt; b) bij levensverzekeringen: het derde land waar de zetel is gevestigd van de verzekeringsonderneming die de verbintenis aangaat; c) bij herverzekeringen: het derde land waar de zetel van de herverzekeringsonderneming is gevestigd; 31° “lidstaat van ontvangst”: de lidstaat waar een verzekerings- of herverzekeringsonderneming een bijkantoor heeft of verzekerings- of herverzekerings- diensten verricht en die niet de lidstaat van herkomst is; in het geval van levens- en niet-levensverzekeringen d’assurance ou de réassurance existante, qui prend en charge les risques transférés par des entreprises d’assurance ou de réassurance et qui finance en totalité son exposition à ces risques par l’émission d’une dette ou tout autre mécanisme de financement, où les droits au remboursement de ceux ayant fait un versement dans le cadre de cette dette ou de cet autre mécanisme de financement sont subordonnés aux obligations de réassurance d’une telle entreprise; 26° “association d’assurance mutuelle”: une entre- prise d’assurance ou de réassurance qui a adopté la forme sociale visée aux articles 244 à 271 de la pré- sente loi; 27°  “État membre”: un État partie à l’Accord sur l’Espace économique européen (EEE); 28° “pays tiers”: un État qui n’est pas partie à l’accord sur l’Espace économique européen; 29° “État membre d’origine”: l’un des États membres suivants: a) en matière d’assurance non-vie, l’État membre dans lequel est situé le siège social de l’entreprise d’assurance qui couvre le risque; b) en matière d’assurance-vie, l’État membre dans lequel est situé le siège social de l’entreprise d’assu- rance qui prend l’engagement; c) en matière de réassurance, l’État membre dans lequel est situé le siège social de l’entreprise de réassurance; 30° “pays d’origine”: l’un des pays tiers suivants: a) en matière d’assurance non-vie, le pays tiers dans lequel est situé le siège social de l’entreprise d’assu- rance qui couvre le risque; b) en matière d’assurance-vie, le pays tiers dans lequel est situé le siège social de l’entreprise d’assu- rance qui prend l’engagement; c) en matière de réassurance, le pays tiers dans lequel est situé le siège social de l’entreprise de réassurance; 31° “État membre d’accueil”: l’État membre, autre que l’État membre d’origine, dans lequel une entre- prise d’assurance ou de réassurance a une succursale ou fournit des services d’assurance ou de réassu- rance; pour l’assurance-vie et pour l’assurance non-vie, 776 1584/002 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 wordt onder “lidstaat van dienstverrichting” verstaan respectievelijk de lidstaat van de verbintenis of de lid- staat van het risico, wanneer de verbintenis of het risico wordt gedekt door een verzekeringsonderneming of een bijkantoor in een andere lidstaat; 32° “land van ontvangst”: het derde land waar een ver- zekerings- of herverzekeringsonderneming een bijkan- toor heeft of verzekerings- of herverzekeringsdiensten verricht en die niet de lidstaat of het land van herkomst is; in het geval van levens- en niet-levensverzekeringen wordt onder “derde land van dienstverrichting” verstaan respectievelijk het derde land van de verbintenis of het derde land van het risico, wanneer de verbintenis of het risico wordt gedekt door een verzekeringsonderneming of een bijkantoor in een ander land; 33° “bijkantoor”: een agentschap of bijkantoor van een verzekerings- of herverzekeringsonderneming die gevestigd is op het grondgebied van een andere lidstaat dan de lidstaat van herkomst of op het grondgebied van een derde land; Wordt met een bijkantoor gelijkgesteld, elke duur- zame aanwezigheid van een onderneming op het grondgebied van een andere lidstaat dan haar lidstaat van herkomst of op het grondgebied van een derde land, ook indien die aanwezigheid niet de vorm heeft van een bijkantoor, maar enkel bestaat uit een bureau, beheerd door eigen personeel van de onderneming of door een zelfstandig persoon die echter gemachtigd is om duurzaam voor die onderneming op te treden zoals een agentschap zou doen. 34° “vestiging” van een verzekerings- of herverze- keringsonderneming: de zetel van een onderneming of een van haar bijkantoren; 35° “vrije dienstverrichting”: de activiteit waarbij een verzekerings- of herverzekeringsonderneming vanuit haar zetel of vanuit een in een lidstaat of een derde land gelegen bijkantoor, in een andere lidstaat of in een ander derde land gelegen risico’s dekt; 36° “lidstaat of derde land van het risico”: naargelang van het geval, een van de volgende lidstaten of derde landen: a) de lidstaat of het derde land waar de goederen zich bevinden, wanneer de verzekering betrekking heeft hetzij op onroerend goed, hetzij op onroerend goed en op de inhoud daarvan, voor zover deze door dezelfde verzekeringsovereenkomst wordt gedekt; on entend par l’État membre de fourniture des services, respectivement, l’État membre de l’engagement ou l’État membre où le risque est situé, lorsque ledit engagement ou risque est couvert par une entreprise d’assurance ou une succursale située dans un autre État membre; 32° “pays d’accueil”: le pays tiers, autre que l’État membre ou le pays d’origine, dans lequel une entreprise d’assurance ou de réassurance a une succursale ou fournit des services d’assurance ou de réassurance; pour l’assurance-vie et pour l’assurance non-vie, on entend par le pays tiers de fourniture des services, res- pectivement, le pays tiers de l’engagement ou le pays tiers où le risque est situé, lorsque ledit engagement ou risque est couvert par une entreprise d’assurance ou une succursale située dans un autre pays; 33° “succursale”: toute agence ou succursale d’une entreprise d’assurance ou de réassurance qui est située sur le territoire d’un État membre autre que son État membre d’origine ou sur le territoire d’un pays tiers; Est assimilée à une succursale toute présence permanente d’une entreprise sur le territoire d’un État membre autre que son État membre d’origine ou sur le territoire d’un pays tiers, même lorsque cette présence n’a pas pris la forme d’une succursale mais s’exerce par le moyen d’un simple bureau géré par le personnel propre de l’entreprise ou par une personne indépen- dante mais mandatée pour agir en permanence pour l’entreprise comme le ferait une agence. 34° “établissement” d’une entreprise d’assurance ou de réassurance: son siège ou une de ses succursales; 35° “libre prestation de services”: l’activité par laquelle une entreprise d’assurance ou de réassurance couvre, à partir de son siège social ou d’une succursale située dans un État membre ou un pays tiers, des risques situés dans un autre État membre ou un autre pays tiers; 36°  “État membre ou pays tiers où le risque est situé”: selon le cas, l’un des États membres ou pays tiers suivants: a)  l’État membre ou le pays tiers où se trouvent les biens, lorsque l’assurance est relative soit à des immeubles, soit à des immeubles et à leur contenu, dans la mesure où celui-ci est couvert par la même police d’assurance; 777 1584/002 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 b) de lidstaat of het derde land van registratie, wan- neer de verzekering betrekking heeft op voer- en vaar- tuigen van om het even welk type; In afwijking van het voorgaande lid wordt, wanneer een motorrijtuig als bedoeld in artikel 1 van de wet van 21 november 1989 betreffende de verplichte aanspra- kelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen vanuit een lidstaat naar een andere lidstaat wordt verzonden, de lidstaat van bestemming, vanaf de aanvaarding van de levering door de koper, gedurende een periode van dertig dagen beschouwd als de lidstaat van het risico, zelfs indien het motorrijtuig in de lidstaat van bestem- ming niet officieel is geregistreerd; c) de lidstaat of het derde land waar de verzekering- nemer de overeenkomst heeft gesloten, indien het een overeenkomst betreft met een looptijd van vier maanden of minder die betrekking heeft op tijdens een reis of vakantie gelopen risico’s, ongeacht de tak; d) in alle gevallen die niet uitdrukkelijk zijn genoemd in a), b) of c): de lidstaat of het derde land waar een van de volgende elementen zich bevindt: i) de gewone verblijfplaats van de verzekeringnemer; ii) indien de verzekeringnemer een rechtspersoon is: de vestiging van die verzekeringnemer waarop de overeenkomst betrekking heeft; 37° lidstaat of derde land van de verbintenis: naar- gelang van het geval, de lidstaat of het derde land waar een van de volgende elementen zich bevindt: a) de gewone verblijfplaats van de verzekeringnemer; b) indien de verzekeringnemer een rechtspersoon is: de vestiging van die verzekeringnemer waarop de overeenkomst betrekking heeft; 38° “algemeen lasthebber”: een natuurlijke persoon aan wie voldoende bevoegdheden zijn verleend om de verzekerings- of herverzekeringsonderneming of, in het geval van Lloyd’s, de betrokken “underwriters” te verbin- den ten opzichte van derden en om haar of hen tegen- over de autoriteiten en de rechterlijke instanties van de lidstaat of het land van ontvangst te vertegenwoordigen; 39°  “moederonderneming”: een onderneming die de kenmerken bezit van een moedervennootschap als gedefinieerd in artikel 6  van het Wetboek van Vennootschappen; 40°  “dochteronderneming”: een onderneming die de kenmerken bezit van een dochtervennootschap b) l’État membre ou le pays tiers d’immatriculation, lorsque l’assurance est relative à des véhicules de toute nature; Par dérogation à l’alinéa précédent, lorsqu’un véhicule automoteur visé à l’article 1er de la loi du 21 novembre 1989 relative à l’assurance obligatoire de la responsabilité en matière de véhicules automo- teurs, est expédié d’un État membre dans un autre État membre, l’État membre de destination est réputé être celui où le risque est situé, dès acceptation de la livraison par l’acheteur, pour une période de trente jours, même si le véhicule n’a pas été officiellement immatri- culé dans l’État membre de destination; c) l’État membre ou le pays tiers où le preneur a souscrit la police, s’il s’agit d’un contrat d’une durée inférieure ou égale à quatre mois, relatif à des risques encourus au cours d’un voyage ou de vacances, quelle que soit la branche concernée; d) dans tous les cas non expressément couverts sous a), b) ou c), l’État membre ou le pays tiers où l’un des éléments suivants est situé: i) la résidence habituelle du preneur; ii) l’établissement du preneur auquel le contrat se rapporte si le preneur est une personne morale; 37° État membre ou pays tiers de l’engagement: selon le cas, l’État membre ou le pays tiers où l’un des éléments suivants est situé: a) la résidence habituelle du preneur; b) l’établissement du preneur auquel le contrat se rapporte si le preneur est une personne morale; 38° “mandataire général”: une personne physique dotée des pouvoirs suffisants pour engager l’entreprise d’assurance ou de réassurance à l’égard des tiers ou, dans le cas du Lloyd’s, des souscripteurs intéressés, et pour la ou les représenter dans les relations avec les autorités et les juridictions de l’État membre ou du pays d’accueil; 39° “entreprise mère”: une entreprise qui répond aux conditions de la société mère telle que définie à l’article 6 du Code des sociétés; 40° “filiale”: une entreprise qui répond aux conditions de la société filiale telle que définie à l’article 6 du Code 778 1584/002 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 als gedefinieerd in artikel 6  van het Wetboek van Vennootschappen; elke dochteronderneming van een dochteronderneming wordt ook beschouwd als een dochteronderneming van de moederonderneming die aan het hoofd van deze ondernemingen staat; 41° “nauwe banden”: een situatie waarbij twee of meer natuurlijke of rechtspersonen verbonden zijn door zeggenschap of deelneming, of een situatie waarin twee of meer natuurlijke of rechtspersonen via een zeggen- schapsband duurzaam verbonden zijn met eenzelfde persoon; 42° “zeggenschapsband”: de band die bestaat tus- sen een moederonderneming en een dochteronder- neming, als bedoeld in artikel 5 van het Wetboek van Vennootschappen, of een gelijkaardige band tussen een natuurlijke of rechtspersoon en een onderneming; 43° “deelneming”: het rechtstreeks of door middel van een zeggenschapsband in bezit hebben van ten minste 20 % van de stemrechten of het kapitaal van een onderneming; 44° “gekwalificeerde deelneming”: het rechtstreeks of onrechtstreeks bezit van ten minste 10 % van het kapitaal van een vennootschap of van de stemrechten die zijn verbonden aan de door deze vennootschap uitgegeven effecten, dan wel elke andere mogelijkheid om een invloed van betekenis uit te oefenen op het be- leid van de vennootschap waarin wordt deelgenomen; de stemrechten worden berekend overeenkomstig de bepalingen van de wet van 2 mei 2007 op de open- baarmaking van belangrijke deelnemingen en haar uitvoeringsbesluiten; er wordt geen rekening gehouden met stemrechten of aandelen die worden gehouden als gevolg van het vast overnemen van financiële instru- menten en/of het plaatsen van financiële instrumenten met plaatsingsgarantie, tenzij die rechten worden uitge- oefend of anderszins worden gebruikt om inspraak uit te oefenen in het bestuur van de uitgevende instelling, en mits ze binnen één jaar na hun verwerving worden overgedragen; 45° “intragroeptransactie”: een verrichting waarbij een verzekerings- of herverzekeringsonderneming direct of indirect steunt op andere ondernemingen in dezelfde groep of op een natuurlijke of rechtspersoon die door nauwe banden verbonden is met de ondernemingen in die groep, om te voldoen aan een verplichting, al dan niet contractueel en al dan niet tegen betaling; 46° “gereglementeerde markt”: een van de volgende markten: des sociétés; toute filiale d’une filiale est également considérée comme une filiale de l’entreprise mère qui est à la tête de ces entreprises; 41° “liens étroits”: une situation dans laquelle deux personnes physiques ou morales ou plus sont liées par un lien de contrôle ou une participation, ou une situation dans laquelle deux personnes physiques ou morales ou plus sont liées de manière permanente à une seule et même personne par un lien de contrôle; 42° “lien de contrôle”: le lien qui existe entre une entreprise mère et une entreprise filiale, tel que visé à l’article 5 du Code des sociétés, ou une relation de même nature entre toute personne physique ou morale et une entreprise; 43° “participation”: le fait de détenir, directement ou par le biais d’un lien de contrôle, au moins 20 % des droits de vote ou du capital d’une entreprise; 44° “participation qualifiée”: la détention, directe ou indirecte, de 10 % au moins du capital d’une société ou des droits de vote attachés aux titres émis par cette so- ciété, ou toute autre possibilité d’exercer une influence notable sur la gestion de la société dans laquelle est détenue une participation; le calcul des droits de vote s’établit conformément aux dispositions de la loi du 2 mai 2007 relative à la publicité des participations importantes, ainsi qu’à celles de ses arrêtés d’exé- cution; il n’est pas tenu compte des droits de vote ou des actions détenues à la suite de la prise ferme d’ins- truments financiers et/ou du placement d’instruments financiers avec engagement ferme, pour autant que, d’une part, ces droits ne soient pas exercés ni utilisés autrement pour intervenir dans la gestion de l’émetteur et que, d’autre part, ils soient cédés dans un délai d’un an après leur acquisition; 45° “transaction intragroupe”: toute transaction par laquelle une entreprise d’assurance ou de réassurance recourt directement ou indirectement à d’autres entre- prises du même groupe ou à toute personne physique ou morale liée aux entreprises de ce groupe par des liens étroits, pour l’exécution d’une obligation, contractuelle ou non, à titre onéreux ou non; 46° “marché réglementé”: l’un des marchés suivants: 779 1584/002 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 a) in het geval van een markt in een lidstaat: een gereglementeerde markt in de zin van artikel 2, eerste lid, 5° of 6° van de wet van 2 augustus 2002; b) in het geval van een markt in een derde land: een financiële markt die aan de volgende voorwaarden voldoet: — de markt is erkend door de lidstaat van herkomst van de verzekeringsonderneming en beantwoordt aan vereisten die vergelijkbaar zijn met die van Richtlijn 2004/39/EG van het Europees Parlement en de Raad van 21 april 2004 betreffende markten voor financiële in- strumenten, tot wijziging van de Richtlijnen 85/611/EEG en 93/6/EEG van de Raad en van Richtlijn 2000/12/EG van het Europees Parlement en de Raad en houdende intrekking van Richtlijn 93/22/EEG van de Raad; en — de financiële instrumenten die op deze markt worden verhandeld, zijn van een hoedanigheid die vergelijkbaar is met die van de instrumenten die op de gereglementeerde markt(en) van de lidstaat van her- komst worden verhandeld; 47°  “beleggingsonderneming”: een beleggings- onderneming in de zin van artikel 44 van de wet van 6 april 1995; 48° “financiële instelling”: een onderneming die geen kredietinstelling is en waarvan de hoofdbedrijvigheid bestaat in het verwerven van deelnemingen of het uit- oefenen van een of meer van de werkzaamheden als bedoeld in de punten 2 tot 12 en 15 van de lijst opgeno- men in artikel 4 van de wet van 25 april 2014; 49° “financiële onderneming”: een van de volgende entiteiten: a) een verzekerings- of herverzekeringsonderneming of een verzekeringsholding in de zin van artikel 338, 5° of een gemengde financiële holding in de zin van artikel 2, punt 15) van Richtlijn 2002/87/EG; b) een kredietinstelling in de zin van artikel 1, § 3, van de wet van 25 april 2014, een financiële instel- ling of een onderneming die nevendiensten van het bankbedrijf verricht in de zin van artikel 89, lid 1, onder b) ii), van Verordening nr. 575/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende prudentiële vereisten voor kredietinstellingen en beleg- gingsondernemingen en tot wijziging van Verordening (EU) nr. 648/2012; c) een beleggingsonderneming; a)  dans le cas d’un marché situé dans un État membre, un marché réglementé au sens de l’article 2, alinéa 1er, 5° ou 6°, de la loi du 2 août 2002; b) dans le cas d’un marché situé dans un pays tiers, un marché financier qui remplit les conditions suivantes: — il est reconnu par l’État membre d’origine de l’entreprise d’assurance et satisfait à des exi- gences comparables à celles prévues par la directive 2004/39/CE du Parlement européen et du Conseil du 21 avril 2004 concernant les marchés d’instruments financiers, modifiant les directives 85/611/CEE et 93/6/ CEE du Conseil et la directive 2000/12/CE du Parlement européen et du Conseil et abrogeant la directive 93/22/ CEE; et — les instruments financiers qui y sont négociés sont d’une qualité comparable à celle des instruments négociés sur le marché ou les marchés réglementés de l’État membre d’origine; 47°  “entreprise d’investissement”: une entreprise d’investissement au sens de l’article 44 de la loi du 6 avril 1995; 48° “établissement financier”: une entreprise autre qu’un établissement de crédit, dont l’activité principale consiste à prendre des participations ou à exercer une ou plusieurs des activités visées aux points 2 à 12 et 15 de la liste reprise à l’article 4 de la loi du 25 avril 2014; 49° “entreprise financière”: l’une des entités suivantes: a) une entreprise d’assurance ou de réassurance ou une société holding d’assurance au sens de l’article 338, 5°, ou une compagnie financière mixte au sens de l’article 2, point 15) de la Directive 2002/87/CE; b) un établissement de crédit au sens de l’article 1er, § 3 de la loi du 25 avril 2014, un établissement financier, ou une entreprise de services bancaires auxiliaires au sens de l’article 89, paragraphe 1er, b), ii), du Règlement n°575/2013 du Parlement européen et du Conseil du 26 juin 2013 concernant les exigences prudentielles applicables aux établissements de crédit et aux entre- prises d’investissement et modifiant le règlement (UE) n°648/2012; c) une entreprise d’investissement; 780 1584/002 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 50° “collectieve beleggingsonderneming”: een col- lectieve beleggingsonderneming in de zin van artikel 3, 1° van de wet van 3 augustus 2012 betreffende de instellingen voor collectieve belegging die voldoen aan de voorwaarden van Richtlijn 2009/65/EG en de instel- lingen voor belegging in schuldvorderingen; 51° “beheervennootschap van instellingen voor col- lectieve belegging”: een beheervennootschap van instel- lingen voor collectieve belegging in de zin van artikel 3, 12° van de wet van 3 augustus 2012 betreffende de instellingen voor collectieve belegging die voldoen aan de voorwaarden van Richtlijn 2009/65/EG en de instel- lingen voor belegging in schuldvorderingen; 52° “alternatieve instelling voor collectieve belegging of “AICB””: een instelling voor collectieve belegging in de zin van artikel 3, 2° van de wet van 19 april 2014 be- treffende de alternatieve instellingen voor collectieve belegging en hun beheerders; 53°  “beheerder van alternatieve instellingen voor collectieve belegging”: een beheerder van alternatieve instellingen voor collectieve belegging in de zin van artikel 3, 13° van de wet van 19 april 2014 betreffende al- ternatieve instellingen voor collectieve belegging en hun beheerders, hierna ook “AICB-beheerder” genoemd; 54° “uitbesteding”: een overeenkomst van om het even welke vorm tussen een verzekerings- of herver- zekeringsonderneming en een al dan niet onder toe- zicht staande dienstverlener op grond waarvan deze dienstverlener hetzij rechtstreeks hetzij door middel van onderuitbesteding een proces, een dienst of een acti- viteit uitvoert die anders door de verzekerings- of her- verzekeringsonderneming zelf zou worden uitgevoerd; 55°  “functie”: in een governancesysteem: een in- terne capaciteit om praktische taken uit te voeren; een governancesysteem omvat de risicobeheerfunctie, de compliancefunctie, de interneauditfunctie en de actua- riële functie; 56° “verzekeringstechnisch risico”: het risico op ver- liezen of op een ongunstige verandering in de waarde van verzekeringsverplichtingen door een ondeugdelijke prijsstelling en inadequate hypothesen met betrekking tot de voorzieningen; 57° “marktrisico”: het risico op verliezen of op een ongunstige verandering in de financiële positie als direct of indirect gevolg van schommelingen in het niveau en in de volatiliteit van de marktprijzen van activa, verplich- tingen en financiële instrumenten; 50°  “organisme de placement collectif”: un orga- nisme de placement collectif au sens de l’article 3, 1° de la loi du 3 août 2012 relative aux organismes de placement collectif répondant aux conditions de la Directive 2009/65/CE et aux organismes de placement en créances; 51° “société de gestion d’organismes de placement collectif”: une société de gestion d’organismes de pla- cement collectif au sens de l’article 3, 12° de la loi du 3 août 2012 relative aux organismes de placement col- lectif répondant aux conditions de la directive 2009/65/ CE et aux organismes de placement en créances; 52° “organisme de placement collectif alternatif ou “OPCA””: un organisme de placement collectif au sens de l’article 3, 2° de la loi du 19 avril 2014 relative aux organismes de placement collectif alternatifs et à leurs gestionnaires; 53° “gestionnaire d’organismes de placement collectif alternatifs”: un gestionnaire d’organismes de placement collectif alternatifs au sens de l’article 3, 13° de la loi du 19 avril 2014 relative aux organismes de placement collectif alternatifs et à leurs gestionnaires, ci-après également “gestionnaire d’OPCA”;  54° “sous-traitance”: un accord, quelle que soit sa forme, conclu entre une entreprise d’assurance ou de réassurance et un prestataire de services, soumis ou non à un contrôle, en vertu duquel ce prestataire de services exécute, soit directement, soit en recourant lui-même à la sous-traitance, un processus, un ser- vice ou une activité qui, autrement, serait exécuté par l’entreprise d’assurance ou de réassurance elle-même; 55° “fonction” dans un système de gouvernance: une capacité interne d’accomplir des tâches concrètes; un système de gouvernance comprend la fonction de ges- tion des risques, la fonction de vérification de la confor- mité, la fonction d’audit interne et la fonction actuarielle; 56° “risque de souscription”: le risque de perte ou de changement défavorable de la valeur des engagements d’assurance en raison d’hypothèses inadéquates en matière de tarification et de provisionnement; 57° “risque de marché”: le risque de perte ou de chan- gement défavorable de la situation financière résultant, directement ou indirectement, de fluctuations affectant le niveau et la volatilité de la valeur de marché des actifs, des passifs et des instruments financiers; 781 1584/002 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 58° “kredietrisico”: het risico op verliezen of op een ongunstige verandering in de financiële positie als ge- volg van schommelingen in de kredietwaardigheid van emittenten van effecten, tegenpartijen en debiteuren waaraan verzekerings- of herverzekeringsondernemin- gen in de vorm van een tegenpartijrisico, spreadrisico of marktrisicoconcentraties blootstaan; 59°  “gekwalificeerde centrale tegenpartij”: een centrale tegenpartij waaraan een vergunning is ver- leend overeenkomstig artikel 14 van Verordening (EU) nr. 648/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 4 juli 2012 betreffende otc-derivaten, centrale te- genpartijen en transactieregisters of die overeenkomstig artikel 25 van die Verordening erkend is; 60° “operationeel risico”: het risico op verliezen door inadequate of falende interne procedures, personeel of systemen of door externe gebeurtenissen; 61° “liquiditeitsrisico”: “het risico dat verzekerings- of herverzekeringsondernemingen geen beleggingen en andere activa te gelde kunnen maken om aan hun financiële verplichtingen te voldoen wanneer deze op- eisbaar worden; 62° “concentratierisico”: alle risicoposities waaraan een potentieel verlies verbonden is dat groot genoeg is om de solvabiliteit of de financiële positie van verze- kerings- of herverzekeringsondernemingen in gevaar te brengen; 63°  “risicomatigingstechnieken”: alle technieken waarmee verzekerings- of herverzekeringsonderne- mingen hun risico’s deels of in hun geheel kunnen overdragen aan een andere partij; 64° “diversificatie-effecten”: de vermindering van de risicopositie van verzekerings- of herverzekeringson- dernemingen en -groepen die verband houdt met de diversificatie van hun activiteiten en die voortvloeit uit het feit dat het tegenvallende resultaat uit hoofde van het ene risico kan worden gecompenseerd met het meeval- lende resultaat uit hoofde van een ander risico, wanneer er geen volledige correlatie tussen deze risico’s bestaat; 65° “kansverdelingsprognose”: een wiskundige func- tie waarbij een volledige reeks van elkaar uitsluitende toekomstige gebeurtenissen wordt gekoppeld aan een kans dat deze zich daadwerkelijk voordoen; 66° “risicomaatstaf”: een wiskundige functie waar- bij een financieel bedrag wordt gekoppeld aan een bepaalde kansverdelingsprognose en die monotoon 58°  “risque de crédit”: le risque de perte, ou de changement défavorable de la situation financière, résultant de fluctuations affectant la qualité de crédit d’émetteurs de valeurs mobilières, de contreparties ou de tout débiteur auquel les entreprises d’assurance ou de réassurance sont exposées sous forme de risque de contrepartie, de risque lié à la fluctuation de la marge ou de concentration du risque de marché; 59° “contrepartie centrale éligible”: une contrepartie centrale qui a été soit agréée conformément à l’article 14 du règlement (UE) n° 648/2012 du Parlement euro- péen et du Conseil du 4 juillet 2012 sur les produits dérivés de gré à gré, les contreparties centrales et les référentiels centraux, soit reconnue conformément à l’article 25 dudit règlement; 60° “risque opérationnel”: le risque de perte résultant de processus ou procédures internes, de membres du personnel ou de systèmes inadéquats ou défaillants, ou d’événements extérieurs; 61° “risque de liquidité”: le risque, pour les entreprises d’assurance ou de réassurance, de ne pas pouvoir réaliser leurs investissements et autres actifs en vue d’honorer leurs engagements financiers au moment où ceux-ci deviennent exigibles; 62° “risque de concentration”: toutes les expositions au risque qui sont assorties d’un potentiel de perte suffisamment important pour menacer la solvabilité ou la situation financière des entreprises d’assurance ou de réassurance; 63° “techniques d’atténuation du risque”: toutes les techniques qui permettent aux entreprises d’assurance ou de réassurance de transférer tout ou partie de leurs risques à une autre partie; 64° “effets de diversification”: la réduction de l’exposi- tion au risque qu’entraîne le fait, pour les entreprises et groupes d’assurance ou de réassurance, de diversifier leurs activités, dès lors que le résultat défavorable d’un risque peut être compensé par le résultat plus favorable d’un autre risque, lorsque ces risques ne sont pas par- faitement corrélés; 65° “distribution de probabilité prévisionnelle”: une fonction mathématique qui affecte à un ensemble exhaustif d’événements futurs mutuellement exclusifs une probabilité de réalisation; 66° “mesure de risque”: une fonction mathématique qui affecte un montant monétaire à une distribution de probabilité prévisionnelle donnée et qui augmente 782 1584/002 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 toeneemt met de omvang van de risicopositie die aan deze kansverdelingsprognose ten grondslag ligt; 67° “externe kredietbeoordelingsinstelling” of “EKBI”: een ratingbureau dat overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1060/2009 van het Europees Parlement en de Raad geregistreerd of gecertificeerd is, of een centrale bank die kredietbeoordelingen afgeeft die van de toepassing van die Verordening zijn ontheven; 68° “technische voorzieningen”: reserves aangelegd door de onderneming ter nakoming van de verzekerings- of herverzekeringsverplichtingen die op haar rusten ten aanzien van de verzekeringnemers, de verzekerden of de begunstigden van verzekerings- of herverzeke- ringsovereenkomsten betreffende zowel de lopende als de vervallen overeenkomsten die nog niet volledig vereffend zijn; 69° “financiële informatie”: de kwantitatieve gegevens die met toepassing van deze wet of de uitvoeringsmaat- regelen van Richtlijn 2009/138/EG worden opgevraagd, met inbegrip van de boekhoudkundige gegevens; 70°  “saneringsmaatregelen”: de maatregelen die bestemd zijn om de financiële positie van een verzeke- ringsonderneming in stand te houden of te herstellen en die de bestaande rechten van andere partijen dan de verzekeringsonderneming zelf aantasten. Voor de ondernemingen naar Belgisch recht bestaan deze maatregelen in: a) de daden van beschikking als bedoeld in artikel 519 van deze wet; b) de in artikel 517, § 1, 4° en 7° van deze wet be- doelde maatregelen; c) de in de artikelen 546 en 547 bedoelde maatrege- len die buiten een liquidatieprocedure zijn vastgesteld; 71° “liquidatieprocedure”: een collectieve procedure die het te gelde maken van de activa van een verzeke- ringsonderneming en het verdelen van de opbrengst onder de schuldeisers, aandeelhouders of vennoten behelst, en die noodzakelijkerwijs een optreden van ad- ministratieve of rechterlijke instanties behelst, ongeacht of de procedure op insolventie berust en of de procedure vrijwillig dan wel verplicht is. Voor de ondernemingen naar Belgisch recht stemt deze procedure overeen met een faillissement als geregeld bij de faillissementswet van 8 augustus 1997 en met de collectieve liquidatie- procedures als bedoeld in Boek IV, Titel IX, van het Wetboek van Vennootschappen; de façon monotone avec le niveau d’exposition au risque sous-tendant cette distribution de probabilité prévisionnelle; 67° “établissement externe d’évaluation du crédit” ou “EEEC”: une agence de notation de crédit qui est enre- gistrée ou certifiée conformément au Règlement (CE) n° 1060/2009 du Parlement européen et du Conseil ou une banque centrale émettant des notations de crédit qui sont dispensées de l’application dudit règlement; 68° “provisions techniques”: réserves constituées par l’entreprise pour faire face à ses engagements d’assu- rance ou de réassurance vis-à-vis des preneurs, des assurés et des bénéficiaires des contrats d’assurance ou bénéficiaires des contrats de réassurance, concer- nant tant les contrats en cours que les contrats échus et non entièrement liquidés; 69° “informations financières”: les données quanti- tatives exigées en application de la présente loi ou des mesures d’exécution de la Directive 2009/138/CE, en ce compris les données comptables; 70° “mesures d’assainissement”: les mesures des- tinées à préserver ou à rétablir la situation financière d’une entreprise d’assurance et qui affectent les droits préexistants des parties autres que l’entreprise d’assu- rance elle-même. Pour les entreprises de droit belge, ces mesures correspondent. a) aux actes de disposition visés à l’article 519 de la présente loi; b) aux mesures visées à l’article 517, § 1er, 4° et 7° de la présente loi; c) aux mesures visées aux articles 546 et 547 adop- tées en dehors d’une procédure de liquidation; 71° “procédure de liquidation”: une procédure col- lective entraînant la réalisation des actifs d’une entre- prise d’assurance et la répartition du produit entre les créanciers, les actionnaires ou associés et entraînant nécessairement une intervention d’autorités adminis- tratives ou judiciaires, que la procédure soit fondée ou non sur l’insolvabilité et que la procédure soit volontaire ou obligatoire. Pour les entreprises de droit belge, une telle procédure correspond à la faillite régie par la loi du 8 août 1997 sur les faillites et aux procédures collectives de liquidation visées au Livre IV, Titre IX, du Code des sociétés; 783 1584/002 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 72°  “saneringsautoriteiten”: de administratieve of rechterlijke autoriteiten die bevoegd zijn op het vlak van saneringsmaatregelen. Voor de ondernemingen naar Belgisch recht zijn dit de Koning en de Bank wat hun respectieve bevoegdheden inzake saneringsmaat- regelen betreft; 73°  “liquidatieautoriteiten”: de administratieve of rechterlijke autoriteiten die bevoegd zijn op het vlak van liquidatieprocedures. Voor de ondernemingen naar Belgisch recht is dit de rechtbank van koophandel wat haar bevoegdheid op het gebied van faillissementen en gedwongen ontbindingen betreft en de Bank wat haar bevoegdheid in alle andere liquidatieprocedures betreft; 74°  “saneringscommissaris”: elke persoon of elk orgaan aangesteld door een saneringsautoriteit om saneringsmaatregelen te beheren; 75° “liquidateur”: elke persoon of elk orgaan aan- gesteld door een liquidatieautoriteit of aangewezen overeenkomstig de wettelijke of statutaire regels om liquidatieprocedures te beheren; 76° “schuldvordering uit hoofde van verzekering”: ieder bedrag dat door een verzekeringsonderneming verschuldigd is aan verzekerden, verzekeringnemers, begunstigden of benadeelden die een rechtstreekse vordering hebben tegen de verzekeringsonderneming en dat uit een verzekeringsovereenkomst voortvloeit, met inbegrip van de gereserveerde bedragen voor de voornoemde personen, zolang niet alle elementen van de schuld bekend zijn. De terug te betalen premies die een verzekeringsonderneming als gevolg van de niet-sluiting, de annulering of de opzegging van die verzekeringsovereenkomsten overeenkomstig het op die overeenkomsten toepasselijke recht verschuldigd is vóór de opening van de liquidatieprocedure, worden ook beschouwd als schuldvorderingen uit hoofde van verzekering; 77°  “strategische beslissing”: een beslissing die een zeker belang heeft en daardoor een globalere impact kan hebben op de onderneming, in de mate dat zij gevolgen heeft voor verschillende functies van de verzekerings- of herverzekeringsonderneming, en die betrekking heeft op elke investering, desinvestering, deelneming of strategische samenwerkingsrelatie van de onderneming, met name een beslissing tot aankoop of oprichting van een andere onderneming, tot oprich- ting van een joint venture, tot vestiging in een andere lidstaat of derde land, tot het sluiten van een samenwer- kingsovereenkomst, tot het inbrengen of het kopen van een bedrijfstak, tot het aangaan van een fusie of een splitsing. Bij reglement vastgesteld met toepassing van 72° “autorités d’assainissement”: les autorités admi- nistratives ou judiciaires compétentes en matière de mesures d’assainissement. Pour les entreprises de droit belge, ces autorités sont le Roi et la Banque en ce qui concerne leurs compétences respectives en matière de mesures d’assainissement; 73°  “autorités de liquidation”: les autorités admi- nistratives ou judiciaires compétentes en matière de procédure de liquidation. Pour les entreprises de droit belge, une telle autorité correspond au tribunal de com- merce en ce qui concerne sa compétence en matière de faillite et de dissolution forcée et à la Banque pour ce qui concerne sa compétence dans toutes les autres procédures de liquidation; 74° “commissaire à l’assainissement”: toute personne ou tout organe nommé par une autorité d’assainisse- ment en vue de gérer des mesures d’assainissement; 75°  “liquidateur”: toute personne ou tout organe nommé par une autorité de liquidation ou désigné conformément aux règles légales et statutaires en vue de gérer des procédures de liquidation; 76° “créance d’assurance”: tout montant qui est dû par une entreprise d’assurance à des assurés, des preneurs d’assurance, des bénéficiaires ou à toute personne lésée disposant d’un droit d’action direct à l’encontre de l’entreprise d’assurance et qui résulte d’un contrat d’assurance, y compris les montants mis en réserve pour les personnes précitées, tant que tous les éléments de la dette ne sont pas encore connus. Les primes à rembourser dues par une entreprise d’assu- rance par suite de la non-conclusion, de l’annulation ou de la résiliation de contrats d’assurance, conformément à la loi applicable à ces contrats, avant l’ouverture de la procédure de liquidation, sont aussi considérées comme des créances d’assurance; 77° “décision stratégique”: , une décision, dès lors qu’elle est d’une certaine importance et dès lors sus- ceptible d’avoir un impact plus global sur l’entreprise dans la mesure où différentes fonctions de l’entreprise d’assurance ou de réassurance seraient touchées ou remises en question à la suite de pareille décision, qui concerne tout investissement, désinvestissement, participation ou relation de coopération stratégique de l’entreprise, notamment, une décision d’acquisition ou de constitution d’une autre entreprise, de constitution d’une joint venture, d’établissement dans un autre État membre ou pays tiers, de conclusion d’accords de coopération, d’apport ou d’acquisition d’une branche d’activité, de fusion ou de scission. La Banque, par voie 784 1584/002 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 artikel 12bis, § 2 van de wet van 22 februari 1998 kan de Bank nader bepalen welke beslissingen als strategisch moeten worden beschouwd in de zin van deze wet, met name rekening houdend met het risicoprofiel en de aard van de activiteiten van de ondernemingen. Zij maakt deze nadere bepalingen openbaar; 78° “winstdeling”: bedrag van alle of een deel van de winst van de verzekeringsonderneming die aan de verzekeringsovereenkomsten wordt toegekend; 79°  “verzekeringsmaatschappij van onderlinge bijstand”: een maatschappij als bedoeld in de arti- kelen 43bis, § 5 en 70, § § 6, 7 en 8 van de wet van 6 augustus 1990 betreffende de ziekenfondsen en de landsbonden van ziekenfondsen; 80° “toezichthouder”: de overheidsinstantie of over- heidsinstanties die op grond van het nationaal recht van een lidstaat met toepassing van Richtlijn 2009/138/CE gemachtigd is of zijn toezicht uit te oefenen op verze- kerings- of herverzekeringsondernemingen; 81° “autoriteit van een derde land”: autoriteit die belast is het toezicht op de verzekerings- of herverzekerings- ondernemingen in een derde land; 82° “de Bank”: de Nationale Bank van België, als bedoeld in de wet van 22 februari 1998; 83° “de FSMA”, de Autoriteit voor Financiële Diensten en Markten, als bedoeld in artikel 44 van de wet van 2 augustus 2002; 84° “de Controledienst voor de ziekenfondsen”: de Controledienst voor de ziekenfondsen en de landsbon- den van ziekenfondsen als bedoeld in artikel 49 van de wet van 6 augustus 1990 betreffende de ziekenfondsen en de landsbonden van ziekenfondsen; 85° “Belgisch Gemeenschappelijk Waarborgfonds”: het Gemeenschappelijk Waarborgfonds als bedoeld in artikel 19bis-2 van de wet van 21 november 1989 be- treffende de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen; 86° “Belgisch Bureau”: het Belgisch nationaal ver- zekeringsbureau als bedoeld in artikel 19bis-1 van de wet van 21 november 1989 betreffende de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen; 87° “Fonds voor arbeidsongevallen”: het Fonds voor arbeidsongevallen als bedoeld in artikel 57 van de wet van 10 april 1971 betreffende de arbeidsongevallen; de règlement pris en application de l’article 12bis, § 2 de la loi du 22 février 1998, peut préciser les décisions qui sont à considérer comme stratégiques au sens de la présente loi en tenant notamment compte du profil de risque et de la nature des activités des entreprises. Elle publie ces précisions; 78° “participation bénéficiaire”: montant de tout ou partie des bénéfices de l’entreprise d’assurance qui est octroyé aux contrats d’assurance; 79° “société mutualiste d’assurance”: une société visée aux articles 43bis, § 5, et 70, § § 6, 7 et 8, de la loi du 6 août 1990 relative aux mutualités et aux unions nationales de mutualités; 80° “autorité de contrôle”: l’autorité publique ou les autorités publiques habilitées, en vertu du droit natio- nal d’un État membre en application de la Directive 2009/138/CE, à contrôler les entreprises d’assurance ou de réassurance; 81° “autorité de pays tiers”: une autorité en charge du contrôle des entreprises d’assurance ou de réassurance au sein d’un pays tiers; 82° “la Banque”: la Banque nationale de Belgique, visée dans la loi du 22 février 1998; 83° “la FSMA”: l’Autorité des services et marchés financiers, visée à l’article 44 de la loi du 2 août 2002; 84°  “l’Office de contrôle des mutualités”: l’Office de contrôle des mutualités et des unions nationales de mutualités, tel que visé à l’article 49 de la loi du 6 août 1990 relative aux mutualités et aux unions natio- nales de mutualités; 85° “Fonds commun de garantie belge”: le Fonds commun de Garantie visé à l’article 19bis-2 de la loi du 21 novembre 1989 relative à l’assurance obligatoire de la responsabilité en matière de véhicules automoteurs; 86°  “Bureau belge”: le Bureau national belge d’assurance visé à l’article 19bis-1  de la loi du 21 novembre 1989 relative à l’assurance obligatoire de la responsabilité en matière de véhicules automoteurs; 87°  “Fonds des accidents du travail”: le Fonds des accidents du travail visé à l’article 57 de la loi du 10 avril 1971 relative aux accidents du travail; 785 1584/002 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 88°  “ESRB”: het Europees Comité voor Systeemrisico’s opgericht bij Verordening (EU) nr. 1092/2010 van het Europees Parlement en de Raad van 24 november 2010 betreffende macroprudentieel toezicht van de Europese Unie op het financiële stel- sel en tot oprichting van een Europees Comité voor systeemrisico’s; 89°  “EIOPA”: de Europese Autoriteit voor ver- zekeringen en bedrijfspensioenen als bedoeld in Verordening 1094/2010; 90°  “EBA”: de Europese Bankautoriteit opgericht bij Verordening (EU) nr. 1093/2010 van het Europees Parlement en de Raad van 24 november 2010 tot op- richting van een Europese toezichthoudende autoriteit (Europese Bankautoriteit), tot wijziging van Besluit nr. 716/2009/EG en tot intrekking van Besluit 2009/78/ EG van de Commissie; 91° “financiële holding”: een financiële instelling waarvan de dochterondernemingen uitsluitend of hoofdzakelijk één of meer kredietinstellingen of finan- ciële instellingen zijn, waarbij ten minste een van die dochterondernemingen een kredietinstelling is, en die geen gemengde financiële holding is.  TITEL IV Gereserveerde namen Art. 16 In België mogen alleen de volgende ondernemingen publiekelijk gebruikmaken van de termen “verzekerings- onderneming”, “herverzekeringsonderneming”, “verze- keraar” of “herverzekeraar” of meer in het algemeen van de termen die verwijzen naar het statuut van verzeke- rings- of herverzekeringsonderneming, inzonderheid in hun naam, in de opgave van hun doel, in hun effecten, waarden, stukken of reclame: 1°  in België gevestigde verzekerings- of herverzekeringsondernemingen; 2° verzekerings- of herverzekeringsondernemingen naar buitenlands recht die in België werkzaam zijn overeenkomstig de artikelen 556 en 600. Evenwel, 1° geldt het eerste lid, wat de termen “verzekering” en “herverzekering” betreft, niet voor de organisaties naar internationaal publiekrecht die actief zijn in de 88° “CERS”: le Comité européen du risque systémique institué par le Règlement (UE) n° 1092/2010 du Parlement européen et du Conseil du 24 novembre 2010 relatif à la surveillance macroprudentielle du système financier dans l’Union européenne et instituant un Comité euro- péen du risque systémique; 89° “EIOPA”, l’Autorité européenne des assurances et des pensions professionnelles, instituée par le Règlement 1094/2010; 90° “ABE”: l’Autorité bancaire européenne instituée dans le règlement (UE) n° 1093/2010 du Parlement euro- péen et du Conseil du 24 novembre 2010 instituant une Autorité européenne de surveillance (Autorité bancaire européenne), modifiant la décision n° 716/2009/CE et abrogeant la décision 2009/78/CE de la Commission; 91° “compagnie financière”: un établissement finan- cier dont les filiales sont exclusivement ou principa- lement un ou plusieurs établissements de crédit ou établissements financiers, l’une au moins de ces filiales étant un établissement de crédit, et qui n’est pas une compagnie financière mixte. TITRE IV Dénominations réservées Art. 16 Peuvent seuls faire usage public en Belgique des termes “entreprise d’assurance”, “entreprise de réassu- rance”, “assureur” ou “réassureur” ou plus généralement des termes faisant référence au statut d’entreprise d’assurance ou de réassurance, notamment dans leur dénomination sociale, dans la désignation de leur objet, dans leurs titres, effets ou documents ou dans leur publicité: 1° les entreprises d’assurance ou de réassurance établies en Belgique; 2° les entreprises d’assurance ou de réassurance de droit étranger opérant en Belgique conformément aux articles 556 et 600. Toutefois, 1° l’alinéa 1er n’est pas applicable, en ce qui concerne les termes “assurance” et “réassurance” aux organi- sations de droit international public actives dans le 786 1584/002 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 verzekerings- of herverzekeringssector en waarbij een of meer lidstaten zijn aangesloten; 2°  geldt het eerste lid, wat de termen “verzeke- ringsonderneming” en “herverzekeringsonderneming” betreft, niet voor verzekerings- of herverzekerings- ondernemingen die onder een buitenlands recht ressorteren en die in België geen verzekerings- of herverzekeringsactiviteiten mogen uitoefenen en die openbaar beleggingsinstrumenten aanbieden of die verzoeken om beleggingsinstrumenten toe te laten tot de verhandeling op een gereglementeerde markt in de zin van de wet van 16 juni 2006 op de openbare aanbieding van beleggingsinstrumenten en de toelating van beleggingsinstrumenten tot de verhandeling op een gereglementeerde markt, voor wat de voornoemde openbare aanbiedingen of verzoeken tot toelating van beleggingsinstrumenten betreft; 3° mogen verzekeringsholdings gebruikmaken van de term “verzekering” in de uitdrukking “verzekerings- holding” of in soortgelijke uitdrukkingen; ook gemengde financiële holdings en gemengde verzekeringsholdings mogen van de term “verzekering” gebruikmaken in de uitdrukkingen “bankverzekeringsholding” of “verzeke- ringsbankieren” of in soortgelijke uitdrukkingen. Bij gevaar voor verwarring kan de Bank van verze- kerings- of herverzekeringsondernemingen die onder een buitenlands recht ressorteren en die gerechtigd zijn om in België de in het eerste lid bedoelde termen te gebruiken, eisen dat er aan hun naam een verklarende vermelding wordt toegevoegd. Dit artikel doet geen afbreuk aan artikel 265 van de wet van 4 april 2014 betreffende de verzekeringen. secteur de l’assurance ou de la réassurance dont un ou plusieurs des États membres sont membres; 2° l’alinéa 1er n’est pas applicable, en ce qui concerne les termes “entreprise d’assurance” et “entreprise de réassurance”, aux entreprises d’assurance ou de réas- surance relevant d’un droit étranger et non autorisées à exercer des activités d’assurance ou de réassurance en Belgique et qui procèdent à des offres publiques d’instruments de placement ou à des admissions d’ins- truments de placement à la négociation sur un marché réglementé au sens de la loi du 16 juin 2006 relative aux offres publiques d’instruments de placement et aux admissions d’instruments de placement à la négocia- tion sur un marché réglementé, et ce, pour les besoins des offres et admissions d’instruments de placement précitées; 3° les sociétés holding d’assurance peuvent faire usage du terme “assurance” dans l’expression “holding d’assurance” ou dans des expressions similaires; les compagnies financières mixtes et les sociétés holding mixtes d’assurance peuvent, de leur côté, faire usage du terme “assurance” dans les expressions “holding de bancassurance” ou “assurfinance” ou dans des expressions similaires. Dans les cas où il y aurait un risque de confusion, la Banque peut imposer aux entreprises d’assurance ou de réassurance relevant d’un droit étranger habilités à user en Belgique des termes prévus à l’alinéa 1er, l’adjonction à leur dénomination d’une mention explicative. Le présent article est sans préjudice de l’article 265 de la loi du 4 avril 2014 relative aux assurances. 787 1584/002 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 BOEK II VERZEKERINGS- OF HERVERZEKERINGS- ONDERNEMINGEN NAAR BELGISCH RECHT TITEL I Toegang tot het bedrijf HOOFDSTUK I Vergunning Afdeling I Vergunningsplicht Art. 17 Iedere verzekerings- of herverzekeringsonderneming die in België een onder deze wet vallende verzeke- ringsactiviteit of herverzekeringsactiviteit wenst uit te oefenen, moet, vooraleer deze aan te vatten, een vergunning verkrijgen. Art. 18 De in artikel 17 bedoelde vergunning wordt verleend: 1° wat het verzekeringsbedrijf betreft, voor een of meer takken als vermeld in Bijlage I of Bijlage II; de ver- gunning geldt voor de volledige tak, tenzij de aanvrager slechts een gedeelte van de tot deze tak behorende risico’s wenst te dekken; 2° wat het herverzekeringsbedrijf betreft, voor de herverzekeringsactiviteit “niet-leven”, voor de her- verzekeringsactiviteit “leven” of voor beide types van herverzekeringsactiviteiten. De vergunning bedoeld in het eerste lid, 1° kan bin- nen de door de Bank bepaalde grenzen gecumuleerd worden met de vergunning bedoeld in het eerste lid, 2°. Art. 19 Iedere verzekerings- of herverzekeringsonderneming die overeenkomstig artikel 17 een vergunning heeft ver- kregen, dient voorafgaandelijk een uitbreiding van haar vergunning aan te vragen wanneer zij haar activiteiten wenst uit te breiden, respectievelijk: 1° tot een of meer andere verzekeringstakken; LIVRE II DES ENTREPRISES D’ASSURANCE OU DE RÉASSURANCE DE DROIT BELGE TITRE IER De l’accès à l’activité CHAPITRE IER Agrément Section Ire Obligation d’agrément Art. 17 Les entreprises d’assurance ou de réassurance qui entendent exercer en Belgique une activité d’assu- rance ou de réassurance relevant de la présente loi sont tenues, avant de commencer leur activité, de se faire agréer. Art. 18 L’agrément visé à l’article 17 est accordé: 1° en ce qui concerne l’activité d’assurance, pour une ou plusieurs branches mentionnées à l’Annexe I ou à l’Annexe II; il couvre la branche entière sauf si le demandeur ne désire garantir qu’une partie des risques relevant de cette branche; 2°  en ce qui concerne l’activité de réassurance, pour l’activité de réassurance non-vie, pour l’activité de réassurance vie ou pour les deux types d’activité de réassurance. L’agrément visé à l’alinéa 1er, 1° peut, dans les limites fixées par la Banque, être cumulé avec celui visé à l’alinéa 1er, 2°. Art. 19 Toute entreprise d’assurance ou de réassurance agréée conformément à l’article  17, est tenue de solliciter préalablement une extension de son agré- ment lorsqu’elle souhaite étendre ses activités, respectivement: 1° à une ou plusieurs autres branches d’assurance; 788 1584/002 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 2° tot andere delen van verzekeringstakken; 3° tot andere herverzekeringsactiviteiten, dan deze die door de eerder verleende vergunning zijn gedekt. Art. 20 De verzekeringsondernemingen die onder de toe- passing van deze wet vallen, mogen onverminderd artikel 21, § 2, de in artikel 10 bedoelde hulpverlenings- activiteit slechts uitoefenen indien zij een vergunning hebben verkregen voor tak 18 als vermeld in Bijlage I. In dat geval is deze wet van toepassing op die activiteit. Art. 21 § 1. De risico’s die tot een tak behoren kunnen niet in een andere tak worden ingedeeld, met uitzondering van de in dit artikel vermelde gevallen. § 2. Een verzekeringsonderneming die een vergun- ning heeft verkregen voor een hoofdrisico dat tot een in Bijlage I vermelde tak behoort, mag ook risico’s verze- keren die tot een andere tak behoren zonder dat voor deze risico’s een vergunning is vereist, mits deze risico’s als bijkomende risico’s kunnen worden beschouwd en aan alle volgende voorwaarden voldoen: 1° deze risico’s hangen samen met het hoofdrisico; 2° ze hebben betrekking op een persoon, een goed of een object die of dat verzekerd is tegen het hoofdrisico; 3° ze zijn gedekt door de dezelfde overeenkomst als een hoofdrisico of door een samenhangende over- eenkomst die slechts bestaat en uitwerking heeft voor zover de hoofdverzekeringsovereenkomst zelf bestaat en uitwerking heeft. § 3. In afwijking van paragraaf 2 mogen de risico’s die tot de in Bijlage I vermelde takken 14, 15 en 17 behoren, niet als bijkomende risico’s van andere takken worden beschouwd. De rechtsbijstandsverzekering bedoeld in tak 17 als vermeld in Bijlage I kan echter als een bijkomend risico van tak 18 worden beschouwd wanneer de voorwaarden van paragraaf 2 en een van de volgende twee voorwaar- den vervuld zijn: 2° à d’autres parties de branches d’assurance; 3° à d’autres activités de réassurance, que celles couvertes par l’agrément antérieurement accordé. Art. 20 Les entreprises d’assurance soumises à la présente loi ne peuvent pratiquer l’activité d’assistance visée à l’article 10 qu’à la condition qu’elles aient reçu un agrément pour la branche 18 mentionnée à l’Annexe I et ce sans préjudice de l’article 21, § 2. Dans ce cas, la présente loi s’applique à cette activité. Art. 21 § 1er. Les risques compris dans une branche ne peuvent être classés dans une autre branche, sauf les cas prévus au présent article. §  2. Une entreprise d’assurance qui a obtenu l’agrément pour un risque principal appartenant à une branche mentionnée à l’Annexe I peut également garantir des risques compris dans une autre branche sans avoir besoin d’obtenir l’agrément pour ces risques, dès lors que ceux-ci peuvent être considérés comme accessoires moyennant le respect de l’ensemble des conditions suivantes: 1° ces risques sont liés au risque principal; 2° ils concernent une personne, un bien ou un objet qui est couvert contre le risque principal; 3° ils sont garantis par le même contrat qu’un risque principal ou par un contrat connexe qui n’a d’existence et d’effet que dans la mesure où le contrat d’assurance principal a lui-même existence et effet. § 3. Par dérogation au paragraphe 2, les risques compris dans les branches 14, 15 et 17 mentionnées à l’Annexe I ne peuvent être considérés comme des risques accessoires d’autres branches. Toutefois, l’assurance protection juridique visée à la branche 17  mentionnée à l’Annexe  I peut être considérée comme un risque accessoire de la branche 18 lorsque les conditions énoncées au paragraphe 2 et l’une des deux conditions suivantes sont remplies: 789 1584/002 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 1° het hoofdrisico heeft alleen betrekking op het bie- den van hulp aan in moeilijkheden verkerende personen die op reis zijn of zich buiten hun woonplaats of gewone verblijfplaats bevinden; 2° de verzekering heeft betrekking op geschillen of risico’s die voortvloeien uit of samenhangen met het gebruik van zeeschepen. Afdeling II Procedure Art. 22 Bij de vergunningsaanvraag die aan de Bank wordt voorgelegd, wordt een administratief dossier gevoegd dat voldoet aan de door de Bank gestelde voorwaarden en dat met name het in artikel 35 bedoelde programma van werkzaamheden bevat, alsook een beschrijving van het governancesysteem van de verzekerings- of herver- zekeringsonderneming en van de nauwe banden die zij met andere personen heeft. De aanvragers verstrekken alle inlichtingen die nodig zijn om hun aanvraag te kun- nen beoordelen. Bij het bepalen van de in het eerste lid bedoelde voor- waarden houdt de Bank rekening met de voorwaarden die de FSMA stelt aangaande de organisatie en de pro- cedures waarop zij overeenkomstig artikel 45, § 1, eerste lid, 3°, en § 2 van de wet van 2 augustus 2002 toezicht houdt. Art. 23 De aanvrager stelt de Bank tevens in kennis van de identiteit van de natuurlijke of rechtspersonen die, al- leen of in onderling overleg handelend, rechtstreeks of onrechtstreeks, een al dan niet stemrechtverlenende gekwalificeerde deelneming bezitten in het kapitaal van de verzekerings- of herverzekeringsonderneming. De kennisgeving moet vermelden welke kapitaalfracties en hoeveel stemrechten deze personen bezitten. Bij gebreke van gekwalificeerde deelneming heeft de in het eerste lid bedoelde kennisgeving betrekking op de identiteit van de twintig grootste aandeelhouders en hun kapitaalfractie. 1° le risque principal ne concerne que l’assistance fournie aux personnes en difficulté au cours de déplace- ments, d’absences de leur domicile ou de leur résidence habituelle; 2° l’assurance concerne des litiges ou des risques qui résultent de l’utilisation de navires maritimes ou qui sont en rapport avec cette utilisation. Section II Procédure Art. 22 La demande d’agrément est soumise à la Banque, accompagnée d’un dossier administratif répondant aux conditions qu’elle fixe et qui comporte notamment le programme d’activités visé à l’article 35 ainsi que la description du système de gouvernance de l’entreprise d’assurance ou de réassurance et de ses liens étroits avec d’autres personnes. Les demandeurs fournissent tous renseignements nécessaires à l’appréciation de leur demande. La Banque fixe les conditions visées à l’alinéa 1er en tenant compte des conditions que la FSMA impose en ce qui concerne l’organisation et les procédures dont elle assure le contrôle conformément à l’article 45, § 1er, alinéa 1er, 3°, et § 2, de la loi du 2 août 2002. Art. 23 Le demandeur communique également à la Banque l’identité des personnes physiques ou morales qui, directement ou indirectement, agissant seules ou de concert avec d’autres, détiennent dans le capital de l’entreprise d’assurance ou de réassurance une parti- cipation qualifiée, conférant ou non le droit de vote. La communication comporte l’indication des quotités du ca- pital et des droits de vote détenues par ces personnes. À défaut de participation qualifiée, la communication visée à l’alinéa 1er porte sur l’identité des vingt princi- paux actionnaires et leur quotité dans le capital. 790 1584/002 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 Art. 24 § 1. Wanneer de te dekken risico’s behoren tot tak 10 als vermeld in Bijlage I, voegt de onderneming die de vergunning aanvraagt, bij haar aanvraag eveneens: 1° het bewijs van haar aansluiting bij het Belgisch Bureau en bij het Gemeenschappelijk Waarborgfonds; 2° voor zover de te dekken risico’s niet alleen betrek- king hebben op de aansprakelijkheid van de vervoer- der, de naam en het adres van alle schaderegelaars die overeenkomstig artikel  12  van de voornoemde wet van 21 november 1989 in elke andere lidstaat zijn aangewezen, evenals het bewijs dat deze schaderege- laars voldoen aan de voorwaarden van artikel 12, § 1, tweede lid in fine en § 5 van de voornoemde wet van 21 november 1989. § 2. Wanneer de te dekken risico’s betrekking hebben op arbeidsongevallen als bedoeld in de arbeidsonge- vallenwet van 10 april 1971, voegt de onderneming bij haar aanvraag: 1° het bewijs dat het Fonds voor arbeidsongevallen in kennis werd gesteld van de voorgenomen activiteit; 2° het bewijs dat aan het Fonds voor arbeidsonge- vallen een verklaring werd overgemaakt waaruit blijkt dat de onderneming op het eerste verzoek van het Fonds voor arbeidsongevallen een bankgarantie als bedoeld in artikel 60 van de arbeidsongevallenwet van 10 april 1971 zal vestigen. Art. 25 Indien de onderneming vóór de vergunningsaanvraag een verzekeringsactiviteit uitoefende waarvoor overeen- komstig deze wet geen vergunning is vereist, voegt zij bij haar aanvraag ook de volgende documenten: 1° een gedetailleerde staat van de technische reser- ves en overeenstemmende beleggingen op het ogenblik van de indiening van de vergunningsaanvraag; 2° een staat van de nog niet geregelde schadegeval- len die aangegeven zijn vóór het begin van het kalen- derjaar tijdens hetwelk de aanvraag wordt ingediend. Indien de onderneming vóór de aanvraag een andere activiteit uitoefende, kan de Bank alle inlichtingen verlan- gen over haar financiële positie en haar verrichtingen, van welke aard die ook zijn. Art. 24 § 1er. Lorsque les risques à couvrir relèvent de la branche 10 mentionnée à l’Annexe I, l’entreprise qui sollicite l’agrément joint également à sa demande: 1° la preuve de son affiliation au Bureau belge et au Fonds commun de garantie; 2° pour autant que les risques à couvrir ne concernent pas uniquement la responsabilité du transporteur, le nom et l’adresse de tous les représentants chargés du règlement des sinistres désignés dans chaque autre État membre, conformément à l’article 12 de la loi du 21 novembre 1989 précitée, ainsi que la preuve que ces représentants répondent aux conditions visées à l’article 12, § 1er, alinéa 2 in fine et § 5, de la loi du 21 novembre 1989 précitée. § 2. Lorsque les risques à couvrir concernent les accidents du travail visés par la loi du 10 avril 1971 sur les accidents du travail, l’entreprise joint à sa demande: 1° la preuve que le Fonds des accidents du travail a été informé de l’activité envisagée; 2° la preuve qu’une déclaration a été transmise au Fonds des accidents du travail aux termes de laquelle l’entreprise constituera, à la première demande du Fonds des accidents du travail, la garantie bancaire visée à l’article 60 de la loi du 10 avril 1971 sur les accidents du travail. Art. 25 Si l’entreprise exerçait avant la demande d’agrément une activité d’assurance qui ne requiert pas un agré- ment conformément à la présente loi, elle joint en outre à sa demande les documents suivants: 1° un état détaillé des réserves techniques et des placements correspondants au moment de l’introduction de la demande d’agrément; 2°  un état des sinistres déclarés avant le début de l’année civile au cours de laquelle est déposée la demande, et non encore réglés. Si l’entreprise exerçait avant la demande une autre activité, la Banque peut exiger tous renseignements au sujet de la situation financière et de ses opérations quelles qu’elles soient. 791 1584/002 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 Art. 26 De Bank raadpleegt de FSMA vooraleer te beslissen over een vergunningsaanvraag die uitgaat van een ver- zekerings- of herverzekeringsonderneming die hetzij de dochteronderneming is van een onderneming die van de FSMA een vergunning heeft verkregen, hetzij de doch- teronderneming van de moederonderneming van een onderneming die van de FSMA een vergunning heeft verkregen, hetzij onder de controle staat van dezelfde natuurlijke of rechtspersonen als een onderneming die van de FSMA een vergunning heeft verkregen. Wanneer de vergunningsaanvraag uitgaat van een verzekerings- of herverzekeringsonderneming die hetzij de dochteronderneming is van een andere verzeke- rings- of herverzekeringsonderneming, van een kre- dietinstelling, een beleggingsonderneming, een AICB- beheerder of een beheervennootschap van instellingen voor collectieve belegging, waaraan een vergunning is verleend overeenkomstig het recht van een andere lidstaat, hetzij de dochteronderneming van de moeder- onderneming van een andere verzekerings- of herver- zekeringsonderneming, van een kredietinstelling, een beleggingsonderneming, een AICB-beheerder of een beheervennootschap van instellingen voor collectieve belegging, waaraan overeenkomstig het recht van een andere lidstaat een vergunning is verleend, hetzij onder de controle staat van dezelfde natuurlijke of rechtsper- sonen als deze die de controle hebben over een andere verzekerings- of herverzekeringsonderneming, een kre- dietinstelling, een beleggingsonderneming, een AICB- beheerder of een beheervennootschap van instellingen voor collectieve belegging, waaraan overeenkomstig het recht van een andere lidstaat een vergunning is verleend, raadpleegt de Bank, vooraleer te beslissen over de aanvraag, de bevoegde autoriteiten die in deze andere lidstaten bevoegd zijn voor het toezicht op de verzekerings- of herverzekeringsondernemingen, de kredietinstellingen, de beleggingsondernemingen, de AICB-beheerders of de beheervennootschappen van instellingen voor collectieve belegging. De Bank raadpleegt eveneens vooraf de autoriteiten als bedoeld in het eerste of tweede lid voor het beoor- delen van de geschiktheid van de aandeelhouders, de leiding en de verantwoordelijken voor de onafhankelijke controlefuncties, overeenkomstig de artikelen 39 en 40, wanneer deze aandeelhouder een onderneming is als bedoeld in het eerste of tweede lid of de bij de leiding van de verzekerings- of herverzekeringsonderneming betrokken persoon eveneens betrokken is bij de leiding van een van de in het eerste of tweede lid bedoelde ondernemingen of van een onderneming die tot de- zelfde groep behoort, of wanneer de verantwoordelijke voor een onafhankelijke controlefunctie een dergelijke Art. 26 La Banque consulte la FSMA avant de se prononcer sur la demande d’agrément sollicité par une entreprise d’assurance ou de réassurance qui est soit la filiale d’une entreprise agréée par la FSMA, soit la filiale de l’entreprise mère d’une entreprise agréée par la FSMA, soit encore contrôlée par les mêmes personnes physiques ou morales qu’une entreprise agréée par la FSMA. Lorsque l’agrément est sollicité par une entreprise d’assurance ou de réassurance qui est soit la filiale d’une autre entreprise d’assurance ou de réassurance, d’un établissement de crédit, d’une entreprise d’inves- tissement, d’un gestionnaire d’OPCA ou d’une société de gestion d’organismes de placement collectif, agréé conformément au droit d’un autre État membre, soit la filiale de l’entreprise mère d’une autre entreprise d’assu- rance ou de réassurance, d’un établissement de crédit, d’une entreprise d’investissement, d’un gestionnaire d’OPCA ou d’une société de gestion d’organismes de placement collectif, agréé conformément au droit d’un autre État membre, soit encore contrôlé par les mêmes personnes physiques ou morales que celles qui contrôlent une autre entreprise d’assurance ou de réassurance, un établissement de crédit, une entreprise d’investissement, un gestionnaire d’OPCA ou une société de gestion d’organismes de placement collectif, agréé conformément au droit d’un autre État membre, avant de se prononcer sur la demande, la Banque consulte les autorités compétentes de ces autres États membres qui contrôlent les entreprises d’assurance ou de réassurance, les établissements de crédit, les entreprises d’investissement, les gestionnaires d’OPCA ou les sociétés de gestion d’organismes de placement collectif. De même, la Banque consulte préalablement les autorités visées à l’alinéa 1er ou à l’alinéa 2, aux fins d’évaluer les qualités requises des actionnaires, des dirigeants et des responsables des fonctions de contrôle indépendantes conformément aux articles 39 et 40, lorsque l’actionnaire est une entreprise visée à l’ali- néa 1er ou à l’alinéa 2 ou que la personne participant à la direction de l’entreprise d’assurance ou de réassu- rance prend part également à la direction de l’une des entreprises visées à l’alinéa 1er ou à l’alinéa 2 ou d’une entreprise qui appartient au même groupe, ou que le responsable d’une fonction de contrôle indépendante exerce une telle fonction au sein de l’une des entreprises 792 1584/002 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 functie uitoefent bij een van de ondernemingen bedoeld in het eerste of tweede lid of bij een onderneming die tot dezelfde groep behoort. Deze autoriteiten delen elkaar alle informatie mee die relevant is voor het beoordelen van de geschiktheid van de in dit lid bedoelde aandeel- houders, bij de leiding betrokken personen en verant- woordelijken voor de onafhankelijke controlefuncties. Art. 27 § 1. Op advies van de FSMA beslist de Bank over de vergunningsaanvraag, voor wat betreft: 1° het passende karakter van de organisatie van de verzekerings- of herverzekeringsonderneming, met name van haar integriteitsbeleid, als bedoeld in de artikelen 42 tot 60, vanuit het oogpunt van de naleving van de regels bedoeld in artikel 45, § 1, eerste lid, 3°, en § 2 van de wet van 2 augustus 2002; 2° de professionele betrouwbaarheid van de perso- nen die lid zijn van het wettelijk bestuursorgaan van de verzekerings- of herverzekeringsonderneming, van het directiecomité of, bij ontstentenis van een directieco- mité, van de personen die belast zijn met de effectieve leiding, evenals van de personen die verantwoordelijk zijn voor de onafhankelijke controlefuncties, indien zij voor het eerst voor een dergelijke functie worden voor- gedragen bij een onderneming die met toepassing van artikel 36/2 van de wet van 22 februari 1998 onder het toezicht staat van de Bank. De FSMA verstrekt haar advies over de voornoemde aangelegenheden binnen een termijn van een maand te rekenen vanaf de ontvangst van de door de Bank geformuleerde adviesaanvraag, waarbij alle van de vergunningaanvragende onderneming ontvangen stuk- ken zijn gevoegd. Afwezigheid van advies binnen deze termijn geldt als positief advies. Vóór het verstrijken van de termijn van een maand kan de FSMA de Bank er evenwel van in kennis stellen dat zij haar advies uiterlijk binnen 15 dagen na het verstrijken van deze termijn zal verstrekken. § 2. Indien de Bank geen rekening houdt met het advies van de FSMA over de in paragraaf 1, eerste lid bedoelde aangelegenheden, wordt dat met de redenen voor de afwijking vermeld in de motivering van de beslis- sing over de vergunningsaanvraag. Het voornoemde advies van de FSMA over punt 1° van paragraaf 1, eerste lid, wordt gevoegd bij de kennisgeving van de beslissing over de vergunningsaanvraag. visées à l’alinéa 1er ou à l’alinéa 2 ou au sein d’une entre- prise qui appartient au même groupe. Ces autorités se communiquent mutuellement toutes informations utiles pour l’évaluation des qualités requises des actionnaires et des personnes participant à la direction ainsi que des responsables des fonctions de contrôle indépendantes visés au présent alinéa. Art. 27 § 1er. La Banque se prononce sur la demande d’agré- ment sur avis de la FSMA en ce qui concerne: 1° le caractère adéquat de l’organisation de l’entre- prise d’assurance ou de réassurance, notamment de sa politique d’intégrité, telle que visée aux articles 42 à 60, sous l’angle du respect des règles visées à l’article 45, § 1er, alinéa 1er, 3°, et § 2, de la loi du 2 août 2002; 2°  l’honorabilité professionnelle des personnes appelées à être membres de l’organe légal d’adminis- tration de l’entreprise d’assurance ou de réassurance, du comité de direction ou, en l’absence de comité de direction, des personnes appelées à être chargées de la direction effective, ainsi que des personnes appelées à être responsables des fonctions de contrôle indé- pendantes, si ces personnes sont proposées pour la première fois pour une telle fonction dans une entreprise relevant du contrôle de la Banque par application de l’article 36/2 de la loi du 22 février 1998. La FSMA rend son avis sur les questions précitées dans un délai d’un mois à compter de la réception de la demande d’avis formulée par la Banque, accompagnée de toutes les pièces reçues de l’entreprise qui sollicite l’agrément. L’absence d’avis dans ce délai est consi- déré comme un avis positif. Avant l’expiration du délai d’un mois, la FSMA peut cependant informer la Banque qu’elle communiquera son avis au plus tard dans les 15 jours qui suivent l’expiration dudit délai.  § 2. Si la Banque ne tient pas compte de l’avis de la FSMA sur les questions visées au paragraphe 1er, alinéa 1er, elle en fait état et en mentionne les raisons dans la motivation de la décision relative à la demande d’agrément. L’avis précité de la FSMA relatif au point 1° du paragraphe 1er, alinéa 1er est joint à la notification de la décision relative à la demande d’agrément. 793 1584/002 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 Art. 28 De Bank verleent een vergunning aan de verzeke- rings- en herverzekeringsondernemingen die voldoen aan de voorwaarden van Hoofdstuk II van deze Titel. De Bank spreekt zich uit over de aanvraag binnen zes maanden na de indiening van een volledig dossier. De beslissingen inzake vergunning worden binnen vijftien dagen ter kennis gebracht van de aanvragers met een aangetekende brief of een brief met ontvangst- bewijs, met inachtneming van de termijnen bedoeld in het tweede lid. Art. 29 Gelet op de noodzaak van een gezond en voorzich- tig beleid kan de Bank voorwaarden verbinden aan de vergunning voor de uitoefening van bepaalde van de voorgenomen activiteiten en, onder meer, de vergunning die voor een tak is aangevraagd, beperken tot sommige van de activiteiten die in het in artikel 35 bedoelde pro- gramma van werkzaamheden zijn opgenomen. Art. 30 Wanneer een verzekerings- of herverzekeringson- derneming een vergunning verkrijgt, stelt de Bank de gegevens bedoeld in artikel 22 en de eventuele wijzigin- gen daarin ter beschikking van de FSMA, om haar toe te laten de bevoegdheden bedoeld in artikel 45, § 1, 3° en § 2 van de wet van 2 augustus 2002 uit te oefenen. Art. 31 De Bank maakt een lijst op van de verzekerings- of herverzekeringsondernemingen waaraan krachtens dit Boek een vergunning is verleend. Die lijst en alle daarin aangebrachte wijzigingen worden op haar website bekendgemaakt en ter kennis gebracht van EIOPA en de FSMA. De bekendmaking vermeldt de verzekeringstakken of delen van verzekeringstakken of de herverzekeringsac- tiviteiten waarvoor de vergunning wordt verleend en, in voorkomend geval, de met toepassing van artikel 29 op- gelegde beperkingen. Wanneer de vergunning wordt verleend aan een verzekerings- of herverzekeringsonderneming die een rechtstreekse of onrechtstreekse dochteronderneming is van een verzekerings- of herverzekeringsonderneming Art. 28 La Banque agrée les entreprises d’assurance et de réassurance répondant aux conditions fixées au Chapitre II du présent Titre. La Banque statue sur la demande dans les six mois de l’introduction d’un dossier complet. Sans excéder les délais visés à l’alinéa 2, les déci- sions en matière d’agrément sont notifiées aux deman- deurs dans les quinze jours par lettre recommandée à la poste ou avec accusé de réception. Art. 29 La Banque peut en vue d’une gestion saine et prudente assortir l’agrément de conditions relatives à l’exercice de certaines des activités projetées et, entre autres, limiter l’agrément demandé pour une branche à certaines des activités reprises dans le programme d’activités visé à l’article 35. Art. 30 Lorsqu’une entreprise d’assurance ou de réassu- rance est agréée, la Banque met à la disposition de la FSMA, de manière à lui permettre d’exercer les com- pétences visées à l’article 45, § 1er, 3°, et § 2, de la loi du 2 août 2002, les informations visées à l’article 22, ainsi que toute modification apportée à ces informations. Art. 31 La Banque établit une liste des entreprises d’assu- rance ou de réassurance agréées en vertu du présent Livre. Cette liste et toutes les modifications qui y sont apportées sont publiées sur son site internet et notifiées à l’EIOPA et à la FSMA. La publication mentionne les branches ou les par- ties de branche d’assurance ou les activités de réas- surance pour lesquelles l’agrément est octroyé et, le cas échéant, les limites imposées en application de l’article 29. Lorsque l’agrément est octroyé à une entreprise d’assurance ou de réassurance qui est la filiale directe ou indirecte d’une entreprise d’assurance ou de réassu- rance relevant du droit d’un État tiers, la Banque informe 794 1584/002 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 die onder het recht van een derde land ressorteert, stelt de Bank ook de Europese Commissie, EIOPA en de toezichthouders van de andere lidstaten in kennis. Deze kennisgeving bevat de structuur van de betrokken groep. HOOFDSTUK II Vergunningsvoorwaarden Afdeling I Algemene bepalingen Art. 32 Behalve met de voorwaarden van dit Hoofdstuk houdt de Bank ook rekening met het vermogen van de onder- neming die de vergunning aanvraagt om te voldoen aan de in Titel II van dit Boek bedoelde bedrijfsuitoefenings- voorwaarden en om haar ontwikkelingsdoelstellingen te verwezenlijken onder de voorwaarden die nodig zijn voor de goede werking van de sector van de verzekerings- of herverzekeringsondernemingen en van het financiële stelsel evenals voor de bescherming van de verzeke- ringnemers, de verzekerden en de begunstigden. Afdeling II Vennootschapsvorm en doel Art. 33 Een verzekerings- of herverzekeringsonderneming wordt opgericht in de vorm van een naamloze vennoot- schap, een coöperatieve vennootschap, een onderlinge verzekeringsvereniging, een Europese vennootschap of een Europese coöperatieve vennootschap. Verzekeringsondernemingen die overeenkomstig artikel 34, § 2 een niet-levensverzekeringsactiviteit uit- oefenen mogen ook worden opgericht in de vorm van een verzekeringsmaatschappij van onderlinge bijstand. Voor de verzekerings- of herverzekeringsonderne- mingen die opgericht zijn in een van de in dit artikel bedoelde vormen zonder onderworpen te zijn aan het Wetboek van Vennootschappen, gelden niettemin de verplichtingen die rusten op naamloze vennootschappen uit hoofde van de artikelen 67, 68, 73, 74, 75, 76, 98, 100, 101, 102, 173, 179, 195 en 1012 van het Wetboek van Vennootschappen. également la Commission européenne, l’EIOPA et les autorités de contrôle des autres États membres. Cette information comprend la structure du groupe concerné. CHAPITRE II Conditions d’agrément Section Ire Généralités Art. 32 Outre les conditions prévues par le présent Chapitre, la Banque tient également compte de l’aptitude de l’entreprise qui sollicite l’agrément à satisfaire aux conditions d’exercice de l’activité visées au Titre II du présent Livre ainsi qu’à réaliser ses objectifs de déve- loppement dans les conditions que requièrent le bon fonctionnement du secteur des entreprises d’assurance ou de réassurance et du système financier ainsi que la protection des preneurs d’assurance, des assurés et des bénéficiaires. Section II Forme sociétaire et objet Art. 33 Les entreprises d’assurance ou de réassurance sont constituées sous la forme d’une société anonyme, d’une société coopérative, d’une association d’assurance mutuelle, d’une société européenne ou d’une société coopérative européenne. En outre, les entreprises d’assurance qui exercent une activité d’assurance non-vie conformément à l’article 34, § 2, peuvent être constituées sous la forme d’une société mutualiste d’assurance. Les entreprises d’assurance ou de réassurance constituées sous une des formes visées au présent article sans être régies par le Code des sociétés, sont néanmoins soumises aux obligations qui incombent aux sociétés anonymes en vertu des articles 67, 68, 73, 74, 75, 76, 98, 100, 101, 102, 173, 179, 195, et 1012 du Code des sociétés. 795 1584/002 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 Art. 34 § 1. Onverminderd artikel 18, tweede lid, 1° beperken de verzekeringsondernemingen hun doel tot de verzekeringsactiviteit en de verrichtingen die daar rechtstreeks uit voortvloeien, met uitsluiting van elke andere handelsactiviteit; 2°  beperken de herverzekeringsondernemingen hun doel tot het herverzekeringsbedrijf en de daarmee samenhangende verrichtingen, met inbegrip van de functie van holding en activiteiten met betrekking tot de financiële sector, in de zin van artikel 2, punt 8, van Richtlijn 2002/87/EG. § 2. In afwijking van paragraaf 1 beperken de ver- zekeringsmaatschappijen van onderlinge bijstand hun activiteiten tot de ziekteverzekeringen in de zin van tak 2 als vermeld in Bijlage I en, aanvullend, tot de hulp- verlening die behoort tot tak 18 als vermeld in Bijlage I. Aansluiting bij de in het eerste lid bedoelde verze- keringen is voorbehouden aan de volgende personen: 1° wat de maatschappijen van onderlinge bijstand betreft die met toepassing van artikel 43bis, § 5 van de wet van 6 augustus 1990 betreffende de ziekenfondsen en de landsbonden van ziekenfondsen zijn opgericht, de personen die zijn aangesloten bij het ziekenfonds of de ziekenfondsen die bij de verzekeringsmaatschappij van onderlinge bijstand zijn aangesloten; 2°  wat de verzekeringsmaatschappijen van on- derlinge bijstand betreft die met toepassing van artikel 70, § § 6, 7 en 8 van de voormelde wet van 6 augustus 1990 zijn opgericht, de in diezelfde para- grafen bedoelde personen. Afdeling III Programma van werkzaamheden Art. 35 §  1. Het in artikel  22  bedoelde programma van werkzaamheden bevat gegevens of bewijsstukken betreffende: 1° de aard van de risico’s of de verbintenissen die de verzekerings- of herverzekeringsonderneming voorne- mens is te dekken; Art. 34  § 1er. Sans préjudice de l’article 18, alinéa 2, 1° les entreprises d’assurance limitent leur objet à l’activité d’assurance et aux opérations qui en découlent directement, à l’exclusion de toute autre activité commerciale; 2° les entreprises de réassurance limitent leur objet à l’activité de réassurance et aux opérations liées, en ce compris une fonction de société holding et des activités liées au secteur financier, au sens de l’article 2, point 8) de la directive 2002/87/CE. § 2. Par dérogation au paragraphe 1er, les sociétés mutualistes d’assurance limitent leurs activités aux as- surances maladies au sens de la branche 2 mentionnée à l’Annexe I et, à titre complémentaire, à l’assistance relevant de la branche 18 mentionnée à l’Annexe I. L’affiliation aux assurances visées à l’alinéa 1er est réservée aux personnes suivantes: 1°  en ce qui concerne les sociétés mutualistes créées en application de l’article 43bis, § 5, de la loi du 6 août 1990 relative aux mutualités et aux unions natio- nales de mutualités, les personnes affiliées auprès de la ou des mutualité(s) affiliée(s) à la société mutualiste d’assurance; 2°  en ce qui concerne les sociétés mutualistes d’assurance créées en application de l’article 70, § § 6, 7 et 8, de la loi du 6 août 1990 précitée, les personnes visées dans ces mêmes paragraphes. Section III Programme d’activités Art. 35 § 1er. Le programme d’activités visé à l’article 22 com- prend les indications ou justifications concernant les éléments suivants: 1° la nature des risques ou des engagements que l’entreprise d’assurance ou de réassurance se propose de couvrir; 796 1584/002 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 2° de aard van de herverzekeringsovereenkomsten die de herverzekeringsonderneming voornemens is te sluiten met cederende ondernemingen; 3° de leidende beginselen van de verzekeringson- derneming op het gebied van herverzekering en van de herverzekeringsonderneming op het gebied van retrocessie; 4° de kernvermogensbestanddelen die de absolute ondergrens van het minimumkapitaalvereiste vormen; 5° de te verwachten kosten voor de tenuitvoerleg- ging van het governancesysteem, met name de inrich- tingskosten van de administratieve diensten en van het productienet, de technische en financiële middelen ter dekking daarvan en, indien de te dekken risico’s behoren tot tak 18 als vermeld in Bijlage I, de middelen waarover de verzekeringsonderneming beschikt om de beloofde hulp te verlenen. § 2. Naast de vereisten van paragraaf 1 bevat het programma van werkzaamheden voor de eerste drie boekjaren: 1° een balansprognose; 2° een raming van het solvabiliteitskapitaalvereiste als bepaald in artikel 151, op basis van de in 1° bedoelde balansprognose, evenals de voor deze raming gehan- teerde berekeningsmethode; 3° een raming van het minimumkapitaalvereiste als bepaald in artikel 189, op basis van de in 1° bedoelde balansprognose, evenals de voor deze raming gehan- teerde berekeningsmethode; 4° een raming van de financiële middelen ter dekking van de technische voorzieningen, het minimumkapitaal- vereiste en het solvabiliteitskapitaalvereiste; 5° voor niet-levensverzekeringen en herverzekerin- gen ook het volgende: a) een raming van de beheerkosten, met uitzondering van de inrichtingskosten, met name de lopende alge- mene kosten en de provisies; b) een raming van de premies of bijdragen en van de schadegevallen; 6° voor levensverzekeringen ook een gedetailleerde prognose van de vermoedelijke ontvangsten en uitga- ven, zowel voor het directe verzekeringsbedrijf als voor 2° le type de contrats de réassurance que l’entre- prise de réassurance se propose de conclure avec des entreprises cédantes; 3° les principes directeurs de l’entreprise d’assurance en matière de réassurance et de l’entreprise de réas- surance en matière de rétrocession; 4° les éléments des fonds propres de base corres- pondant au seuil absolu du minimum de capital requis; 5° les prévisions relatives aux frais nécessaires à la mise en œuvre du système de gouvernance, notam- ment les frais d’installation des services administratifs et du réseau de production, les moyens techniques et financiers destinés à faire face à ces frais et, si les risques à couvrir relèvent de la branche 18 mentionnée à l’Annexe I, les moyens dont l’entreprise d’assurance dispose pour la fourniture de l’assistance promise. § 2. Outre les éléments requis au paragraphe 1er, le programme d’activités contient, pour les trois premiers exercices: 1° un bilan prévisionnel; 2° les prévisions relatives au capital de solvabilité requis, tel que prévu à l’article 151, sur la base du bilan prévisionnel visé au 1°, ainsi que la méthode de calcul utilisée pour établir ces prévisions; 3° les prévisions relatives au minimum de capital requis, tel que prévu à l’article 189, sur la base du bilan prévisionnel visé au 1°, ainsi que la méthode de calcul utilisée pour établir ces prévisions; 4°  les prévisions relatives aux moyens financiers destinés à la couverture des provisions techniques, du minimum de capital requis et du capital de solvabilité requis; 5° pour l’assurance non-vie et la réassurance: a) les prévisions relatives aux frais de gestion autres que les frais d’installation, notamment les frais généraux courants et les commissions; b) les prévisions relatives aux primes ou aux cotisa- tions et aux sinistres; 6° pour l’assurance-vie: un plan faisant apparaître d’une manière détaillée les prévisions de recettes et de dépenses tant pour les opérations directes que 797 1584/002 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 aangenomen herverzekering en overdrachten uit hoofde van herverzekering. Art. 36 Wanneer een verzekerings- of herverzekeringson- derneming waaraan een vergunning is verleend, een vergunning aanvraagt voor de uitbreiding van haar activiteiten met toepassing van artikel 19, legt zij over- eenkomstig artikel 35 een programma van werkzaam- heden voor. Afdeling IV Eigen vermogen Art. 37 De verzekerings- of herverzekeringsonderneming toont aan: 1° dat zij voldoende in aanmerking komend kern- vermogen aanhoudt om de absolute ondergrens te dekken van het in artikel  189, §  1, 4° bepaalde minimumkapitaalvereiste; 2° dat zij in staat is om voldoende in aanmerking komend eigen vermogen aan te houden om doorlopend het solvabiliteitskapitaalvereiste te dekken, overeen- komstig artikel 151; 3° dat zij in staat is om voldoende in aanmerking komend kernvermogen aan te houden om doorlopend het in artikel 189 bepaalde minimumkapitaalvereiste te dekken. Art. 38 § 1. Iedere verzekerings- of herverzekeringsonderne- ming die een vergunning aanvraagt voor de uitbreiding van haar activiteiten overeenkomstig artikel 19, toont aan dat zij beschikt over voldoende in aanmerking komend eigen vermogen om het respectievelijk in de artike- len 151 en 189 bepaalde solvabiliteitskapitaalvereiste en minimumkapitaalvereiste aan te houden. § 2. Onverminderd paragraaf 1 toont iedere verze- keringsonderneming die levensverzekeringsactiviteiten uitoefent en die een vergunning aanvraagt voor de uitbreiding van haar activiteiten, overeenkomstig arti- kel 223, tweede lid, tot de risico’s die behoren tot de takken 1 of 2 als vermeld in Bijlage I, het volgende aan: 1° dat zij beschikt over voldoende in aanmerking komend kernvermogen om de absolute ondergrens pour les acceptations en réassurance et les cessions en réassurance. Art. 36 L’entreprise d’assurance ou de réassurance agréée présente un programme d’activités conformément à l’article 35 lorsqu’elle sollicite un agrément pour l’exten- sion de ses activités en application de l’article 19.  Section IV Fonds propres Art. 37 L’entreprise d’assurance ou de réassurance démontre: 1° qu’elle détient les fonds propres de base éligibles nécessaires pour atteindre le seuil absolu du minimum de capital requis prévu à l’article 189, § 1er, 4°; 2° qu’elle est en mesure de détenir les fonds propres éligibles nécessaires pour couvrir en permanence le ca- pital de solvabilité requis, conformément à l’article 151; 3° qu’elle est en mesure de détenir les fonds propres de base éligibles nécessaires pour couvrir en perma- nence le minimum de capital requis prévu à l’article 189. Art. 38 § 1er. L’entreprise d’assurance ou de réassurance, qui sollicite un agrément pour l’extension de ses activités conformément à l’article 19, apporte la preuve qu’elle dispose des fonds propres éligibles nécessaires pour détenir le capital de solvabilité requis et le minimum de capital requis respectivement prévus aux articles 151 et 189. § 2. Sans préjudice du paragraphe 1er, l’entreprise d’assurance exerçant des activités d’assurance-vie qui sollicite un agrément pour l’extension de ses activités aux risques compris dans les branches 1 ou 2 men- tionnées à l’Annexe I conformément à l’article 223, alinéa 2, démontre: 1° qu’elle détient les fonds propres de base éligibles nécessaires pour atteindre à la fois le seuil absolu du 798 1584/002 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 van het minimumkapitaalvereiste voor levensverzeke- ringsondernemingen en de absolute ondergrens van het minimumkapitaalvereiste voor niet-levensverzeke- ringsondernemingen, als bedoeld in artikel 189, § 1, 4°, d), te dekken; 2° dat zij zich ertoe verbindt doorlopend te voldoen aan de minimumverplichtingen van punt 1°, in overeen- stemming met artikel 225, § 2, tweede lid. § 3. Onverminderd paragraaf 1 toont iedere verzeke- ringsonderneming die niet-levensverzekeringsactivitei- ten uitoefent voor de risico’s die behoren tot de takken 1 of 2 als vermeld in Bijlage I, en die een vergunning aanvraagt voor de uitbreiding van haar activiteiten tot levensverzekeringsrisico’s, overeenkomstig artikel 223, tweede lid, het volgende aan: 1° dat zij beschikt over voldoende in aanmerking komend kernvermogen om de absolute ondergrens van het minimumkapitaalvereiste voor levensverzeke- ringsondernemingen en de absolute ondergrens van het minimumkapitaalvereiste voor niet-levensverzeke- ringsondernemingen, als bedoeld in artikel 189, § 1, 4°, d), te dekken; 2° dat zij zich ertoe verbindt doorlopend te voldoen aan de minimumverplichtingen van punt 1°, in overeen- stemming met artikel 225, § 2, tweede lid. Afdeling V Aandeelhouders of vennoten Art. 39 De vergunning wordt geweigerd wanneer de Bank niet overtuigd is van de geschiktheid van de in arti- kel 23 bedoelde natuurlijke of rechtspersonen om een gezond en voorzichtig beleid van de verzekerings- of herverzekeringsonderneming te garanderen. De beoordeling van de geschiktheid om een gezond en voorzichtig beleid van de verzekerings- of herver- zekeringsonderneming te garanderen, gebeurt aan de hand van de volgende criteria: 1° de betrouwbaarheid van de in artikel 23 bedoelde natuurlijke of rechtspersonen; 2° de professionele betrouwbaarheid en deskundig- heid van elke in artikel 40 bedoelde persoon die het bedrijf van de verzekerings- of herverzekeringsonder- neming feitelijk gaat leiden; minimum de capital requis dans le cas des entreprises d’assurance-vie et le seuil absolu du minimum de capital requis dans le cas des entreprises d’assurance non-vie, tels que visés à l’article 189, § 1er, 4°, d); 2° qu’elle s’engage à respecter en permanence les obligations minimales visées au 1° en conformité avec l’article 225, § 2, alinéa 2. § 3. Sans préjudice du paragraphe 1er, l’entreprise d’assurance exerçant des activités d’assurance non-vie pour les risques compris dans les branches 1 ou 2 men- tionnées à l’Annexe I, qui sollicite un agrément pour l’extension de ses activités aux risques d’assurance-vie conformément à l’article 223, alinéa 2, démontre: 1° qu’elle détient les fonds propres de base éligibles nécessaires pour atteindre à la fois le seuil absolu du minimum de capital requis dans le cas des entreprises d’assurance-vie et le seuil absolu du minimum de capital requis dans le cas des entreprises d’assurance non-vie, tels que visés à l’article 189, § 1er, 4°, d); 2° qu’elle s’engage à respecter en permanence les obligations minimales visées au 1° en conformité avec l’article 225, § 2, alinéa 2. Section V Détenteurs du capital Art. 39 L’agrément est refusé si la Banque a des raisons de considérer que les personnes physiques ou morales visées à l’article  23  ne présentent pas les qualités nécessaires en vue de garantir une gestion saine et pru- dente de l’entreprise d’assurance ou de réassurance. L’appréciation des qualités nécessaires en vue de garantir une gestion saine et prudente de l’entreprise d’assurance ou de réassurance s’effectue au regard des critères suivants: 1° l’honorabilité des personnes physiques ou morales visées à l’article 23; 2°  l’honorabilité professionnelle et l’expertise de toute personne visée à l’article  40  qui assurera la direction des activités de l’entreprise d’assurance ou de réassurance; 799 1584/002 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 3° de financiële soliditeit van de in artikel 23 be- doelde natuurlijke of rechtspersonen, met name in het licht van de aard van de uitgeoefende en voor- genomen activiteiten binnen de verzekerings- of herverzekeringsonderneming; 4° of de verzekerings- of herverzekeringsonderne- ming zal kunnen voldoen en blijven voldoen aan de prudentiële verplichtingen die voortvloeien uit deze wet, haar uitvoeringsbesluiten en -reglementen en de maatregelen tot uitvoering van Richtlijn 2009/138/EG, inzonderheid of de groep waarvan zij deel zal uitmaken zo gestructureerd is dat effectief toezicht en effectieve uitwisseling van informatie tussen de toezichthouders mogelijk zijn, en dat de verdeling van de verantwoor- delijkheden tussen de toezichthouders kan worden bepaald; 5° of er gegronde redenen zijn om te vermoeden dat geld wordt of werd witgewassen of terrorisme wordt of werd gefinancierd dan wel dat gepoogd wordt of werd geld wit te wassen of terrorisme te financieren in verband met de voorgenomen verwerving, of dat de voorgeno- men verwerving het risico daarop zou kunnen vergroten. Afdeling VI Leiding Art. 40 § 1. De leden van het wettelijk bestuursorgaan en van het directiecomité van de verzekerings- of herverzeke- ringsonderneming, de personen belast met de effectieve leiding en de verantwoordelijken voor de onafhankelijke controlefuncties zijn uitsluitend natuurlijke personen. De in het eerste lid bedoelde personen moeten permanent over de voor de uitoefening van hun functie vereiste professionele betrouwbaarheid en passende deskundigheid beschikken. § 2. De effectieve leiding van de verzekerings- of her- verzekeringsonderneming moet worden toevertrouwd aan ten minste twee natuurlijke personen. Art. 41 Artikel 20 van de wet van 25 april 2014 is van toepas- sing op de in artikel 40 bedoelde personen. 3° la solidité financière des personnes physiques ou morales visées à l’article 23, au regard notamment du type d’activités exercées et envisagées au sein de l’entreprise d’assurance ou de réassurance; 4°  la capacité de l’entreprise d’assurance ou de réassurance de satisfaire et de continuer à satisfaire aux obligations prudentielles découlant de la présente loi, des arrêtés et règlements pris pour son exécution et des mesures d’exécution de la Directive 2009/138/ CE, en particulier l’existence, au sein du groupe auquel elle appartiendra, d’une structure qui permet d’exercer une surveillance effective, d’échanger réellement des informations entre les autorités de contrôle et de déter- miner le partage des responsabilités entre les autorités de contrôle; 5° l’existence de motifs raisonnables de soupçonner qu’une opération ou une tentative de blanchiment de capitaux ou de financement du terrorisme est en cours ou a eu lieu en rapport avec l’acquisition envisagée, ou que l’acquisition envisagée pourrait en augmenter le risque. Section VI Dirigeants Art. 40  § 1er. Les membres de l’organe légal d’administration et du comité de direction des entreprises d’assurance ou de réassurance, les personnes chargées de la direction effective ainsi que les responsables des fonctions de contrôle indépendantes sont exclusivement des per- sonnes physiques. Les personnes visées à l’alinéa 1er doivent dispo- ser en permanence de l’honorabilité professionnelle nécessaire et de l’expertise adéquate à l’exercice de leur fonction. § 2. La direction effective des entreprises d’assu- rance ou de réassurance doit être confiée à deux per- sonnes physiques au moins. Art. 41 L’article 20 de la loi du 25 avril 2014 est applicable aux personnes visées à l’article 40. 800 1584/002 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 Afdeling VII Organisatie Onderafdeling I Algemene beginselen Art. 42 § 1. Om een doeltreffend en voorzichtig beleid te garanderen, beschikt iedere verzekerings- of herver- zekeringsonderneming over een passend governan- cesysteem, waaronder toezichtsmaatregelen, dat met name berust op: 1° een passende beleidsstructuur die op het hoog- ste niveau gebaseerd is op een duidelijk onderscheid tussen, enerzijds, de effectieve leiding van de verzeke- rings- of herverzekeringsonderneming en, anderzijds, het toezicht op die leiding, en die binnen de onderne- ming voorziet in een passende functiescheiding en in een duidelijk omschreven, transparante en coherente regeling voor de toewijzing van verantwoordelijkheden; 2° een passende administratieve en boekhoudkun- dige organisatie en interne controle, waaronder met name controleprocedures die een redelijke mate van zekerheid verschaffen over de betrouwbaarheid van de het verslaggevingsproces; 3° doeltreffende procedures voor de identificatie, de meting, het beheer en de opvolging van en de interne verslaggeving over de risico’s waaraan de onderneming blootstaat of zou kunnen blootstaan, met inbegrip van de voorkoming van belangenconflicten; 4° onafhankelijke controlefuncties, namelijk passende onafhankelijke sleutelfuncties inzake interne audit, risi- cobeheer, compliance en actuariaat; 5° een passend integriteitsbeleid; 6° een beloningsbeleid dat een gezond en doeltref- fend risicobeheer garandeert en dat voorkomt dat de mate waarin er risico’s worden genomen, het door de onderneming vastgestelde tolerantieniveau te boven gaat; 7°  voor de activiteiten van de onderneming pas- sende controle- en beveiligingsmaatregelen op informaticagebied; 8° een passend intern waarschuwingssysteem dat met name voorziet in een specifieke onafhankelijke en Section VII Organisation Sous-section Ire Principes généraux Art. 42 § 1er. Toute entreprise d’assurance ou de réassu- rance dispose d’un système de gouvernance adéquat, dont des mesures de surveillance, en vue de garantir une gestion efficace et prudente de l’entreprise, repo- sant notamment sur: 1° une structure de gestion adéquate basée, au plus haut niveau, sur une distinction claire entre la direction effective de l’entreprise d’assurance ou de réassurance d’une part, et le contrôle sur cette direction d’autre part, et prévoyant, au sein de l’entreprise, une séparation adéquate des fonctions et un dispositif d’attribution des responsabilités qui est bien défini, transparent et cohérent; 2° une organisation administrative et comptable et un contrôle interne adéquats, impliquant notamment des procédures de contrôle procurant un degré de certitude raisonnable quant à la fiabilité du processus de reporting de l’information 3°  des procédures efficaces d’identification, de mesure, de gestion, de suivi et de reporting interne des risques auxquels l’entreprise est ou pourrait être exposée , y compris la prévention des conflits d’intérêts; 4° des fonctions de contrôle indépendantes, à savoir des fonctions clés d’audit interne, de gestion des risques, de vérification de la conformité (compliance) et actuarielle indépendantes adéquates; 5° une politique d’intégrité adéquate; 6° une politique de rémunération assurant une ges- tion saine et efficace des risques, prévenant la prise de risques excédant le niveau de tolérance fixé par l’entreprise; 7° des mécanismes de contrôle et de sécurité dans le domaine informatique appropriés aux activités de l’entreprise; 8° un système adéquat d’alerte interne prévoyant notamment un mode de transmission spécifique, 801 1584/002 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 autonome melding van inbreuken op de normen en de gedragscodes van de onderneming; 9° de invoering van passende maatregelen op het vlak van de bedrijfscontinuïteit om te garanderen dat de gegevens en de kritieke functies kunnen worden behouden of zo spoedig mogelijk kunnen worden her- steld en dat de normale activiteit binnen een redelijke tijdspanne kan worden hervat; 10° de invoering van passende structuren en syste- men om te voldoen aan de verzoeken om informatie die de Bank aan de onderneming richt met toepassing van de artikelen 201 en 312. 11° de invoering van procedures om een verslechte- ring van de financiële omstandigheden vast te stellen en om de Bank onmiddellijk in kennis te stellen wanneer zo’n verslechtering zich voordoet. § 2. Het in paragraaf 1 bedoelde governancesysteem is uitputtend uitgewerkt en staat in verhouding tot de aard, de omvang en de complexiteit van de risico’s die aan het bedrijfsmodel en aan de activiteiten van de verzekerings- of herverzekeringsonderneming zijn verbonden. § 3. De verzekerings- of herverzekeringsonderne- ming stelt een governancememorandum op dat voor de betrokken onderneming en, in voorkomend geval, de groep of subgroep waarvan zij de uiteindelijke moeder- onderneming is, het volledige in paragraaf 1 bedoelde governancesysteem bevat en, in het bijzonder, schrif- telijk vastgelegde beleidslijnen voor het risicobeheer, de interne controle, de interne audit en, in voorkomend geval, de uitbesteding. Indien de verzekerings- of herverzekeringsonderne- ming deel uitmaakt van een groep die onder het toezicht staat van de Bank, mag het memorandum dat op het niveau van de verzekerings- of herverzekeringsonder- neming wordt opgesteld, deel uitmaken van het memo- randum van die groep, onverminderd de maatregelen tot uitvoering van Richtlijn 2009/138/EG. § 4. In de Onderafdelingen II tot IV wordt bepaald welke de reikwijdte is van de in de paragrafen 1 en 2 be- doelde algemene verplichtingen in specifieke domeinen. Art. 43 Indien de verzekerings- of herverzekeringsonder- neming nauwe banden heeft met andere natuurlijke of rechtspersonen, of indien de verzekerings- of herver- zekeringsonderneming deel uitmaakt van een groep, indépendant et autonome, des infractions aux normes et aux codes de conduite de l’entreprise; 9° la mise en place de mesures adéquates de conti- nuité de l’activité afin d’assurer le maintien des données et des fonctions critiques ou leur rétablissement le plus rapidement possible ainsi que la reprise dans un délai raisonnable de l’exercice des activités normales; 10° la mise en place de structures et systèmes appro- priés en vue de satisfaire aux demandes d’informations requises par la Banque en application des articles 201 et 312. 11° la mise en place de procédures permettant de détecter une détérioration des conditions financières et d’informer immédiatement la Banque lorsque celle- ci se produit. § 2. Le système de gouvernance visé au paragraphe 1er présente un caractère exhaustif et est proportionné à la nature, à l’ampleur et à la complexité des risques inhérents au modèle d’entreprise et aux activités de l’entreprise d’assurance ou de réassurance. §  3. L’entreprise d’assurance ou de réassurance établit un mémorandum de gouvernance qui inclut pour l’entreprise concernée et, le cas échéant, le groupe ou sous-groupe dont elle est l’entreprise mère supé- rieure, l’ensemble du système de gouvernance visé au paragraphe 1er et, en particulier des politiques écrites relatives à la gestion des risques, au contrôle interne, à l’audit interne et, le cas échéant, à la sous-traitance. Sans préjudice des mesures d’exécution de la Directive 2009/138/CE, si l’entreprise d’assurance ou de réassurance fait partie d’un groupe soumis au contrôle de la Banque, le mémorandum établi au niveau de l’entreprise d’assurance ou de réassurance peut faire partie du mémorandum de ce groupe. § 4. Les dispositions des Sous-sections II à IV, pré- cisent, dans des domaines particuliers, la portée des obligations générales visées aux paragraphes 1er et 2. Art. 43 S’il existe des liens étroits entre l’entreprise d’assu- rance ou de réassurance et d’autres personnes phy- siques ou morales, ou si l’entreprise d’assurance ou de réassurance fait partie d’un groupe, ces liens ou la 802 1584/002 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 mogen die banden of de juridische structuur van de groep geen belemmering vormen voor het individueel prudentieel toezicht op de onderneming of voor het toezicht op de groep waarvan de onderneming deel uitmaakt. Indien de verzekerings- of herverzekeringsonder- neming nauwe banden heeft met een natuurlijke of rechtspersoon die onder het recht van een derde land ressorteert, mogen de voor die persoon geldende wet- telijke en bestuursrechtelijke bepalingen of de tenuit- voerlegging ervan geen belemmering vormen voor het individueel prudentieel toezicht op de onderneming of voor het toezicht op de groep waarvan de onderneming deel uitmaakt. Onderafdeling II Vennootschapsorganen Art. 44 Het wettelijk bestuursorgaan draagt de eind- verantwoordelijkheid voor de verzekerings- of herverzekeringsonderneming. Hiertoe bepaalt en controleert het wettelijk bestuurs- orgaan met name: 1°  de strategie en de doelstellingen van de onderneming; 2° het risicobeleid, met inbegrip van de algemene risicotolerantielimieten. Art. 45 § 1. Iedere verzekerings- of herverzekeringsonder- neming die is opgericht als naamloze vennootschap richt een directiecomité op in de zin van artikel 524bis van het Wetboek van Vennootschappen, waaraan alle bestuursbevoegdheden van de raad van bestuur wor- den overgedragen. Deze bevoegdheidsdelegatie kan evenwel niet slaan op de vaststelling van het algemeen beleid noch op de handelingen die bij andere bepalingen van het Wetboek van Vennootschappen of bij deze wet zijn voorbehouden aan de raad van bestuur. Behoudens toepassing van artikel 56, § 3, is het di- rectiecomité samengesteld uit minstens drie personen die lid zijn van de raad van bestuur. structure juridique du groupe ne peuvent entraver l’exer- cice du contrôle prudentiel individuel de l’entreprise ou du contrôle du groupe dont fait partie l’entreprise. Si l’entreprise d’assurance ou de réassurance a des liens étroits avec une personne physique ou morale relevant du droit d’un pays tiers, les dispositions légis- latives, réglementaires et administratives applicables à cette personne ou leur mise en oeuvre ne peuvent entraver l’exercice du contrôle prudentiel individuel de l’entreprise ou du contrôle du groupe dont fait partie l’entreprise. Sous-section II Organes sociétaires Art. 44 L’organe légal d’administration assume la res- ponsabilité finale de l’entreprise d’assurance ou de réassurance. À cette fin, l’organe légal d’administration définit et supervise, notamment: 1° la stratégie et les objectifs de l’entreprise; 2° la politique en matière de risques, en ce compris les limites de tolérance générale aux risques. Art. 45 § 1er. Les entreprises d’assurance ou de réassu- rance constituées sous la forme de société anonyme mettent en place un comité de direction au sens de l’article 524bis du Code des sociétés auquel est délégué l’ensemble des pouvoirs de gestion du conseil d’admi- nistration. Cette délégation ne peut toutefois porter ni sur la détermination de la politique générale, ni sur les actes réservés au conseil d’administration par les autres dispositions du Code des sociétés ou par la présente loi. Le comité de direction est composé, sauf application de l’article 56, § 3, d’au moins trois personnes qui sont membres du conseil d’administration. 803 1584/002 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 § 2. De meerderheid van de bestuurders van de raad van bestuur zijn geen lid van het directiecomité. § 3. De functie van voorzitter van de raad van be- stuur mag niet worden uitgeoefend door een lid van het directiecomité. §  4. Het dagelijks bestuur als bedoeld in arti- kel 525 van het Wetboek van Vennootschappen mag niet worden opgedragen aan een niet-uitvoerend lid van de raad van bestuur. Art. 46 § 1. De statuten van de verzekerings- of herverze- keringsondernemingen die anders dan als naamloze vennootschap zijn opgericht, voorzien in de oprichting, binnen het wettelijk bestuursorgaan, van een orgaan, “directiecomité” genaamd, waaraan alle bestuursbe- voegdheden van het wettelijk bestuursorgaan worden overgedragen, met uitsluiting van de vaststelling van het algemeen beleid en van de handelingen die bij het Wetboek van Vennootschappen of bij deze wet zijn voorbehouden aan het wettelijk bestuursorgaan. Behoudens toepassing van artikel 56, § 3 is het di- rectiecomité samengesteld uit minstens drie personen die lid zijn van het wettelijk bestuursorgaan. § 2. De meerderheid van de leden van het wettelijk bestuursorgaan zijn geen lid van het in paragraaf 1 be- doelde directiecomité. § 3. De functie van voorzitter van het wettelijk be- stuursorgaan mag niet worden uitgeoefend door een lid van het directiecomité. § 4. Het dagelijks bestuur mag aan een niet-uitvoe- rend lid van het wettelijk bestuursorgaan niet worden opgedragen. Art. 47 De Bank kan op grond van de omvang en het risico- profiel van een verzekerings- of herverzekeringsonder- neming, met name ten opzichte van de groep waarvan ze deel uitmaakt, toestaan dat geheel of gedeeltelijk wordt afgeweken van de verplichtingen van de artike- len 45 en 46. De afwijking kan met name betrekking hebben op: § 2. Le conseil d’administration compte une majorité d’administrateurs qui ne sont pas membres du comité de direction. § 3. La fonction de président du conseil d’adminis- tration ne peut être exercée par un membre du comité de direction. § 4. La gestion journalière visée à l’article 525 du Code des sociétés ne peut être confiée à un membre non exécutif du conseil d’administration. Art. 46 § 1er. Les statuts des entreprises d’assurance ou de réassurance constituées sous une autre forme que celle de société anonyme prévoient la constitution, au sein de l’organe légal d’administration, d’un organe dénommé “comité de direction”, auquel est délégué l’ensemble des pouvoirs de gestion de l’organe légal d’administration à l’exclusion de la détermination de la politique générale, des actes réservés à l’organe légal d’administration par le Code des sociétés ou par la présente loi. Le comité de direction est composé, sauf application de l’article 56, § 3, d’au moins trois personnes qui sont membres de l’organe légal d’administration. § 2. L’organe légal d’administration compte une majo- rité de membres qui ne sont pas membres du comité de direction visé au paragraphe 1er. §  3.  La fonction de président de l’organe légal d’administration ne peut être exercée par un membre du comité de direction. § 4. La gestion journalière ne peut être confiée à un membre non exécutif de l’organe légal d’administration. Art. 47 La Banque peut, en fonction de la taille et du profil de risques d’une entreprise d’assurance ou de réas- surance, notamment au regard du groupe dont elle fait partie, autoriser celle-ci à déroger, en tout ou en partie, aux obligations prévues par les articles 45 et 46. La dérogation peut notamment porter: 804 1584/002 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 1° de verplichting om een directiecomité op te rich- ten, onverminderd de naleving van artikel 40, § 2; in dit geval worden de verplichtingen die door of krachtens deze wet zijn opgelegd aan het directiecomité en zijn leden, uitgevoerd door de personen die belast zijn met de effectieve leiding; 2°  het combineren van de functies van lid van het directiecomité en voorzitter van het wettelijk bestuursorgaan. Onderafdeling III Oprichting van comités binnen het wettelijk bestuursorgaan Art. 48 Onverminderd de taken van het wettelijk bestuursor- gaan richt iedere verzekerings- of herverzekeringson- derneming binnen dit orgaan de volgende comités op: 1° een auditcomité; 2° een remuneratiecomité; 3° een risicocomité, die uitsluitend zijn samengesteld uit leden van het wettelijk bestuursorgaan die er geen uitvoerend lid van zijn en waarvan minstens één lid onafhankelijk is in de zin van artikel 526ter van het Wetboek van Vennootschappen. Art. 49 § 1. Naast de vereisten van artikel 48 beschikken de leden van het auditcomité over een collectieve deskun- digheid op het gebied van de activiteiten van de betrok- ken verzekerings- of herverzekeringsonderneming en op het gebied van boekhouding en audit. Minstens één lid van het auditcomité beschikt over deskundigheid op het gebied van boekhouding en/of audit. § 2. Het auditcomité heeft minstens de volgende taken: 1° monitoring van het financiële verslaggevingsproces; 2° monitoring van de doeltreffendheid van de sys- temen voor interne controle en risicobeheer van de verzekerings- of herverzekeringsonderneming; 1° sur l’obligation de constituer un comité de direction, sans préjudice du respect de l’article 40, § 2; dans ce cas, les obligations incombant, par ou en vertu de la présente loi, au comité de direction et à ses membres sont assumées par les personnes chargées de la direc- tion effective; 2°  sur un cumul des fonctions de membre du comité de direction et de président de l’organe légal d’administration. Sous-section III Mise en place de comités au sein de l’organe légal d’administration Art. 48 Sans préjudice des missions de l’organe légal d’administration, les entreprises d’assurance ou de réassurance constituent, au sein de cet organe, les comités suivants: 1° un comité d’audit; 2° un comité de rémunération; 3° un comité des risques, exclusivement composés de membres de l’organe légal d’administration qui n’en sont pas membres exécutifs et dont au moins un membre est indépendant au sens de l’article 526ter du Code des sociétés. Art. 49 § 1er. Outre les exigences prévues à l’article 48, les membres du comité d’audit disposent d’une com- pétence collective dans le domaine d’activités de l’entreprise d’assurance ou de réassurance concernée et en matière de comptabilité et d’audit. Au moins un membre du comité d’audit est compétent en matière de comptabilité et/ou d’audit. § 2. Le comité d’audit est au moins chargé des mis- sions suivantes: 1° le suivi du processus d’élaboration de l’information financière; 2° le suivi de l’efficacité des systèmes de contrôle interne et de gestion des risques de l’entreprise d’assurance ou de réassurance; 805 1584/002 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 3° monitoring van de interne audit en van de desbe- treffende activiteiten; 4° monitoring van de wettelijke controle van de jaar- rekening en de geconsolideerde jaarrekening, met inbe- grip van de opvolging van de vragen en aanbevelingen geformuleerd door de erkend commissaris; 5° beoordeling en monitoring van de onafhankelijk- heid van de erkend commissaris, waarbij inzonderheid wordt gelet op de verlening van bijkomende diensten aan de verzekerings- of herverzekeringsonderneming of aan een persoon waarmee zij een nauwe band heeft. Het auditcomité brengt bij het wettelijk bestuursor- gaan geregeld verslag uit over de uitoefening van zijn taken, ten minste wanneer het wettelijk bestuursorgaan de in artikel 199, tweede lid en artikel 201 bedoelde jaarrekening en geconsolideerde jaarrekening en periodieke informatie opstelt die de verzekerings- of herverzekeringsonderneming respectievelijk aan het einde van het boekjaar en aan het einde van het eerste halfjaar overmaakt. De Bank kan, bij reglement vastgesteld overeenkom- stig artikel 12bis, § 2 van de wet van 22 februari 1998, de elementen in de in deze paragraaf opgenomen lijst op technische punten preciseren en aanvullen. § 3. De erkend commissaris: 1° meldt aan het auditcomité jaarlijks alle bijkomende diensten die voor de verzekerings- of herverzekerings- onderneming en voor de vennootschappen waarmee de verzekerings- of herverzekeringsonderneming een nauwe band heeft, werden verricht; 2° voert met het auditcomité overleg over de bedrei- gingen voor zijn onafhankelijkheid en de veiligheids- maatregelen die zijn genomen om deze bedreigingen in te perken, zoals door hem onderbouwd; 3° bevestigt zijn onafhankelijkheid van de verzeke- rings- of herverzekeringsonderneming jaarlijks schrifte- lijk aan het auditcomité. Art. 50 § 1. Het remuneratiecomité is zodanig samengesteld dat het een kundig en onafhankelijk oordeel kan geven over het beloningsbeleid en de beloningspraktijken en de prikkels die daarvan uitgaan voor de risicobeheersing, de eigenvermogensbehoeften en de liquiditeitspositie. 3° le suivi de l’audit interne et de ses activités; 4° le suivi du contrôle légal des comptes annuels et des comptes consolidés, en ce compris le suivi des questions et recommandations formulées par le com- missaire agréé; 5°  l’examen et suivi de l’indépendance du com- missaire agréé, en particulier pour ce qui concerne la fourniture de services complémentaires à l’entreprise d’assurance ou de réassurance ou à une personne avec laquelle elle a un lien étroit. Le comité d’audit fait régulièrement rapport à l’organe légal d’administration sur l’exercice de ses missions, au moins lors de l’établissement par celui-ci des comptes annuels et consolidés et des informations périodiques visées aux articles 199, alinéa 2 et 201 respectivement transmis par l’entreprise d’assurance ou de réassur- ance à la fin de l’exercice social et à la fin du premier semestre social. La Banque peut, par voie de règlement pris conformé- ment à l’article 12bis, § 2, de la loi du 22 février 1998, préciser et compléter sur des points d’ordre technique les éléments énumérés dans la liste reprise au présent paragraphe. § 3. Le commissaire agréé: 1° communique chaque année au comité d’audit les services additionnels fournis à l’entreprise d’assurance ou de réassurance et aux sociétés avec lesquelles l’entreprise d’assurance ou de réassurance a un lien étroit; 2° examine avec le comité d’audit les risques pesant sur son indépendance et les mesures de sauvegarde prises pour atténuer ces risques, consignés par lui; 3° confirme chaque année par écrit son indépen- dance au comité d’audit par rapport à l’entreprise d’assurance ou de réassurance. Art. 50 § 1er. Le comité de rémunération est composé de manière à lui permettre d’exercer un jugement compé- tent et indépendant sur les politiques et les pratiques de rémunération et sur les incitants créés au regard de la maîtrise des risques, des besoins en fonds propres et de la position de liquidité. 806 1584/002 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 § 2. Het remuneratiecomité verstrekt een advies over het beloningsbeleid dat door het wettelijk bestuurs- orgaan moet worden vastgesteld en over elke daarin aangebrachte wijziging. § 3. Het remuneratiecomité is belast met het voor- bereiden van beslissingen over beloning, met name beslissingen die gevolgen hebben voor de risico’s en het risicobeheer van de betrokken verzekerings- of her- verzekeringsonderneming en waarover het wettelijk be- stuursorgaan zich moet uitspreken. Bij de voorbereiding van dergelijke beslissingen houdt het remuneratiecomité rekening met de langetermijnbelangen van aandeelhou- ders, investeerders en andere belanghebbenden van de verzekerings- of herverzekeringsonderneming, alsook met het algemeen belang. Het eerste lid is eveneens van toepassing op beslis- singen over de beloning van de personen die verant- woordelijk zijn voor de onafhankelijke controlefuncties. Bovendien oefent het remuneratiecomité rechtstreeks toezicht uit op de beloning van de verantwoordelijken voor de onafhankelijke controlefuncties. Art. 51 De leden van het risicocomité bezitten individueel de nodige kennis, deskundigheid, ervaring en vaar- digheden om de strategie en de risicotolerantie van de verzekerings- of herverzekeringsonderneming te begrijpen en te bevatten. Het risicocomité verstrekt advies aan het wettelijk be- stuursorgaan over de huidige en toekomstige strategie en risicotolerantie. Het staat het wettelijk bestuursor- gaan bij in de uitoefening van het toezicht op de tenuit- voerlegging van deze strategie door het directiecomité. Art. 52 § 1. Een verzekerings- of herverzekeringsonderne- ming die op geconsolideerde basis voldoet aan ten minste twee van de volgende drie criteria: a) gemiddeld aantal werknemers gedurende het be- trokken boekjaar van minder dan 250 personen, b)  balanstotaal van minder dan of gelijk aan 43 000 000 euro, § 2. Le comité de rémunération émet un avis sur la politique de rémunération à adopter par l’organe légal d’administration ainsi que sur toute modification qui y est apportée. § 3. Le comité de rémunération est chargé de prépa- rer les décisions concernant les rémunérations, notam- ment celles qui ont des répercussions sur le risque et la gestion des risques dans l’entreprise d’assurance ou de réassurance concernée et sur lesquelles l’organe légal d’administration est appelé à se prononcer. Lors de la préparation de ces décisions, le comité de rémunération tient compte des intérêts à long terme des actionnaires, des investisseurs et des autres parties prenantes de l’entreprise d’assurance ou de réassurance ainsi que de l’intérêt public. L’alinéa  1er est également d’application pour les décisions concernant les rémunérations des personnes en charge des fonctions de contrôle indépendantes. Le comité de rémunération assure, en outre, une super- vision directe en ce qui concerne les rémunérations allouées aux responsables des fonctions de contrôle indépendantes. Art. 51 Les membres du comité des risques disposent indi- viduellement des connaissances, des compétences, de l’expérience et des aptitudes nécessaires pour leur permettre de comprendre et d’appréhender la straté- gie et le niveau de tolérance au risque de l’entreprise d’assurance ou de réassurance. Le comité des risques conseille l’organe légal d’admi- nistration pour les aspects concernant la stratégie et le niveau de tolérance en matière de risques, tant actuels que futurs. Il assiste l’organe légal d’administration lorsque celui-ci supervise la mise en œuvre de cette stratégie par le comité de direction. Art. 52 § 1er. Dans les entreprises d’assurance ou de réassu- rance répondant sur base consolidée à au moins deux des trois critères suivants: a) un nombre moyen de salariés inférieur à 250 per- sonnes sur l’ensemble de l’exercice concerné, b) un total du bilan inférieur ou égal à 43 000 000 euros, 807 1584/002 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 c) jaarlijkse netto-omzet van minder dan of gelijk aan 50 000 000 euro, is niet verplicht de in artikel 48 bedoelde comités op te richten binnen haar wettelijk bestuursorgaan maar in dat geval moeten de aan die comités toegewezen taken worden uitgevoerd door het wettelijk bestuursorgaan als geheel. Wanneer de voorzitter van dit orgaan ingevolge een met toepassing van artikel 47 toegestane afwijking, een uitvoerend lid is, neemt hij het voorzitterschap van het wettelijk bestuursorgaan niet waar als dit optreedt in de hoedanigheid van één van de in artikel 48 bedoelde comités. § 2. De Bank kan aan ondernemingen die niet vol- doen aan de voorwaarde van paragraaf 1 maar die zo georganiseerd zijn dat het wettelijk bestuursorgaan en het directiecomité voldoende ondersteund worden bij hun respectieve taken inzake beloningsbeleid als be- doeld in de artikelen 77, § 5 en 80, § 3, een vrijstelling verlenen van de verplichting om binnen het wettelijk bestuursorgaan een remuneratiecomité op te richten. § 3. De Bank kan toestaan dat een verzekerings- of herverzekeringsonderneming die een dochteronder- neming of een kleindochteronderneming is van een gemengde financiële holding, van een gemengde ver- zekeringsholding, van een verzekeringsholding, van een financiële holding, van een andere verzekerings- of her- verzekeringsonderneming, van een kredietinstelling, van een beleggingsonderneming, van een AICB-beheerder of van een beheervennootschap van instellingen voor collectieve belegging, afwijkt van de bepalingen van deze Onderafdeling en kan specifieke voorwaarden vastleggen voor het verlenen van deze afwijkingen, voor zover er binnen de betrokken groepen of subgroepen één of meer comités zijn opgericht in de zin van de artikelen 49 tot 51, die bevoegd zijn voor de verzeke- rings- of herverzekeringsonderneming en voldoen aan de vereisten van deze wet. § 4. Onverminderd de artikelen 49, § 1 en 51, eerste lid, kunnen de verzekerings- of herverzekeringsonder- nemingen bepalen dat één enkel comité instaat voor de taken van het risicocomité en het auditcomité. Art. 53 De bepalingen van deze Onderafdeling doen geen afbreuk aan de bepalingen van het Wetboek van Vennootschappen over het auditcomité en het remune- ratiecomité in genoteerde vennootschappen in de zin van artikel 4 van dat Wetboek. c) un chiffre d’affaires net annuel inférieur ou égal à 50 000 000 euros, la constitution des comités visés à l’article 48 au sein de l’organe légal d’administration n’est pas obligatoire, mais les fonctions attribuées à ces comités sont alors exercées par l’organe légal d’administration dans son ensemble. Lorsque, suite à une dérogation accordée en application de l’article 47, le président de cet organe est un membre exécutif, il ne préside pas l’organe légal d’administration lorsque celui-ci agit en qualité d’un des comités visés à l’article 48. § 2. La Banque peut octroyer une dérogation à l’obli- gation d’établir un comité de rémunération au sein de l’organe légal d’administration aux entreprises qui ne répondent pas à la condition visée au paragraphe 1er mais dont l’organisation permet un support adéquat de l’organe légal d’administration et du comité de direction dans leurs tâches respectives en matière de politique de rémunération telles que visées aux articles 77, § 5 et 80, § 3. §  3. La Banque peut, à l’égard des entreprises d’assurance ou de réassurance qui sont filiales ou sous-filiales d’une compagnie financière mixte, d’une société holding mixte d’assurance, d’une société hol- ding d’assurance, d’une compagnie financière, d’une autre entreprise d’assurance ou de réassurance, d’un établissement de crédit, d’une entreprise d’investisse- ment, d’un gestionnaire d’OPCA ou d’une société de gestion d’organismes de placement collectif, accorder des dérogations aux dispositions de la présente Sous- section et fixer des conditions spécifiques à l’octroi de ces dérogations, pour autant qu’aient été constitués au sein des groupes ou sous-groupes concernés un ou plusieurs comités au sens des articles 49 à 51 dont les attributions s’étendent à l’entreprise d’assurance ou de réassurance et répondent aux exigences de la présente loi. § 4. Sans préjudice des articles 49, § 1er et 51, ali- néa 1er, les entreprises d’assurance ou de réassurance peuvent prévoir qu’un seul comité assure les missions dévolues au comité des risques et au comité d’audit. Art. 53 Les dispositions de la présente Sous-section sont sans préjudice des dispositions du Code des sociétés relatives au comité d’audit et au comité de rémunération au sein de sociétés cotées au sens de l’article 4 de ce Code. 808 1584/002 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 Onderafdeling IV Onafhankelijke controlefuncties Art. 54 § 1. Iedere verzekerings- of herverzekeringsonder- neming neemt de nodige maatregelen om blijvend te beschikken over de volgende passende onafhankelijke controlefuncties: 1° een compliancefunctie; 2° een risicobeheerfunctie; 3° een interneauditfunctie; 4° een actuariële functie. De personen die de in het eerste lid bedoelde functies uitoefenen zijn onafhankelijk van de bedrijfseenheden en operationele functies van de onderneming en be- schikken over de nodige bevoegdheden en middelen om hun functie naar behoren te kunnen uitoefenen. De beloning van deze personen wordt vastgesteld volgens de verwezenlijking van de doelstellingen waar hun func- tie op gericht is, onafhankelijk van de resultaten van de activiteiten waarop toezicht wordt gehouden. De personen die verantwoordelijk zijn voor de in het eerste lid bedoelde functies rapporteren minstens eenmaal per jaar rechtstreeks aan het wettelijk bestuurs- orgaan over de uitvoering van hun taak, en lichten het directiecomité in; voor de interneauditfunctie kan dit in voorkomend geval via het auditcomité gebeuren. § 2. Bij zijn beoordeling van het passende karakter van de in paragraaf 1 bedoelde functies houdt de Bank rekening met de bepalingen van artikel 42, § 2. Art. 55 § 1. De compliancefunctie moet ervoor zorgen dat de onderneming, de leden van haar wettelijk bestuursor- gaan, de leden van haar directiecomité, haar effectieve leiding, werknemers, gevolmachtigden en verzeke- rings- of herverzekeringsagenten en -subagenten, de wettelijke en reglementaire bepalingen die de verzeke- rings- of herverzekeringsactiviteit regelen, inzonderheid de regels inzake integriteit en gedrag die van toepassing zijn op die activiteit, naleven. Sous-section IV Fonctions de contrôle indépendantes Art. 54 § 1er. Les entreprises d’assurance ou de réassurance prennent les mesures nécessaires pour disposer en permanence des fonctions de contrôle indépendantes adéquates suivantes: 1°  une fonction de vérification de la conformité (compliance); 2° une fonction de gestion des risques; 3° une fonction d’audit interne; 4° une fonction actuarielle. Les personnes qui assurent l’exercice des fonctions visées à l’alinéa 1er sont indépendantes des unités et fonctions opérationnelles de l’entreprise et disposent des prérogatives et ressources nécessaires au bon accomplissement de leurs fonctions. La rémunération de ces personnes est fixée en fonction de la réalisation des objectifs liés à leurs fonctions, indépendamment des performances des domaines d’activités contrôlés. Les personnes responsables des fonctions visées à l’alinéa 1er font directement rapport à l’organe lé- gal d’administration au moins une fois par an, sur l’exécution de leur mission, avec information du comité de direction et, pour la fonction d’audit interne le cas échéant via le comité d’audit. § 2. Dans son évaluation du caractère adéquat des fonctions visées au paragraphe  1er, la Banque tient compte des dispositions de l’article 42, § 2. Art. 55 § 1er. La fonction de vérification de la conformité (compliance) est destinée à assurer le respect, par l’entreprise, les membres de son organe légal d’administration, les membres de son comité de direc- tion, ses dirigeants effectifs, ses salariés, ses man- dataires et agents et sous-agents d’assurance ou de réassurance, des dispositions légales et réglementaires régissant l’activité d’assurance ou de réassurance, en particulier les règles d’intégrité et de conduite qui s’appliquent à cette activité. 809 1584/002 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 De compliancefunctie beoordeelt ook de moge- lijke gevolgen van wijzigingen in het rechtskader voor de activiteiten van de verzekerings- of herver- zekeringsonderneming en identificeert en beoordeelt compliancerisico’s. Het eerste lid doet geen afbreuk aan de bepalingen van artikel 87bis van de wet van 2 augustus 2002. § 2. Naast de in artikel 54, § 1, derde lid bedoelde rapportering, licht de persoon die verantwoordelijk is voor de compliancefunctie het wettelijk bestuursorgaan en het directiecomité regelmatig in over de naleving van de in paragraaf 1 bedoelde wettelijke en reglementaire bepalingen en richt deze persoon daarover aanbeve- lingen aan deze organen. Art. 56 § 1. De risicobeheerfunctie wordt zo opgezet dat het in het tweede lid bedoelde risicobeheersysteem ten uitvoer kan worden gelegd. Het risicobeheersysteem bestaat uit strategieën, pro- cessen en rapporteringsprocedures die nodig zijn om op individueel en geaggregeerd niveau de risico’s waaraan de onderneming blootstaat of zou kunnen blootstaan, alsook de onderlinge afhankelijkheid tussen die risico’s voortdurend te onderkennen, te meten, te bewaken, te beheren en te rapporteren. § 2. Het risicobeheersysteem is doeltreffend en goed geïntegreerd in de organisatiestructuur en de besluitvor- mingsprocedures van de verzekerings- of herverzeke- ringsonderneming en wordt op passende wijze in acht genomen door de personen die de onderneming daad- werkelijk besturen of andere sleutelfuncties vervullen. Meer in het bijzonder zijn de personen die belast zijn met de risicobeheerfunctie actief betrokken bij de uitstip- peling van de risicostrategie van de onderneming en bij alle beleidsbeslissingen die een significante invloed hebben op de risico’s en kunnen zij een volledig beeld geven van het hele scala van risico’s die de onderne- ming loopt. § 3. Het hoofd van de risicobeheerfunctie is een lid van het directiecomité waarvan de risicobeheerfunctie de enige functie is waarvoor hij individueel verantwoor- delijk is. In afwijking van het eerste lid, La fonction de vérification de la conformité comprend également l’évaluation de l’impact possible de tout changement de l’environnement juridique sur les ac- tivités de l’entreprise d’assurance ou de réassurance, ainsi que l’identification et l’évaluation du risque de non-conformité. L’alinéa 1er ne porte pas préjudice aux dispositions de l’article 87bis de la loi du 2 août 2002. §  2. Outre la communication visée à l’article  54, § 1er, alinéa 3, la personne responsable de la fonction de vérification de la conformité (compliance) informe régulièrement et émet des recommandations à l’organe légal d’administration et au comité de direction sur le respect des dispositions légales et réglementaires vi- sées au paragraphe 1er. Art. 56 § 1er. La fonction de gestion des risques est struc- turée de manière à permettre la mise en œuvre du système de gestion des risques visé à l’alinéa 2. Le système de gestion des risques comprend les stratégies, processus et procédures d’information nécessaires pour déceler, mesurer, contrôler, gérer et déclarer, en permanence, les risques, aux niveaux individuel et agrégé, auxquels l’entreprise est ou pour- rait être exposée ainsi que les interdépendances entre ces risques. § 2. Le système de gestion des risques est efficace et correctement intégré à la structure organisationnelle et aux procédures de prise de décision de l’entreprise d’assurance ou de réassurance et dûment pris en compte par les personnes qui dirigent effectivement l’entreprise ou qui occupent d’autres fonctions clés. En particulier, les personnes qui assurent la fonc- tion de gestion des risques participent activement à l’élaboration de la stratégie en matière de risque de l’entreprise ainsi qu’à toutes les décisions de gestion ayant une incidence significative en matière de risque et peuvent fournir une vue complète de toute la gamme des risques auxquels est exposée l’entreprise. § 3. La fonction de gestion des risques est dirigée par un membre du comité de direction dont c’est la seule fonction particulière pour laquelle il est individuellement responsable. Par dérogation à l’alinéa 1er, 810 1584/002 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 1° op grond van de aard, de omvang en de complexi- teit van de risico’s die inherent zijn aan de activiteiten van de verzekerings- of herverzekeringsonderneming, en rekening houdend met een passende organisatie van de risicobeheerfunctie op het niveau van de groep waarvan de onderneming deel uitmaakt, kan de Bank toestaan dat een lid van het hoger kaderpersoneel bin- nen de onderneming de risicobeheerfunctie vervult, mits er in hoofde van deze persoon geen belangenconflict bestaat; 2° mag het lid van het directiecomité dat verantwoor- delijk is voor de risicobeheerfunctie, ook de verantwoor- delijkheid op zich nemen voor de compliancefunctie evenals voor de taken van de actuariële functie die geen risico’s kunnen opleveren, op voorwaarde dat de drie onafhankelijke controlefuncties los van elkaar worden uitgeoefend en dat dit geen belangenconflicten doet rijzen. Voor verzekerings- herverzekeringsondernemingen met een balanstotaal van meer dan 3 miljard euro, dient voor de toepassing van het tweede lid, 2°, de vooraf- gaande toestemming van de Bank te worden gevraagd. Art. 57 Naast de rapportering bedoeld in de artikelen 54, § 1, derde lid en 55, § 2, lichten de personen die ver- antwoordelijk zijn voor de risicobeheerfunctie en de compliancefunctie, zonder dit aan het directiecomité te moeten voorleggen, uit eigen beweging het wettelijk bestuursorgaan in over hun bezorgdheid en waar- schuwen zij het in voorkomend geval indien specifieke risico-ontwikkelingen een negatieve invloed op de on- derneming hebben of zouden kunnen hebben, met name haar reputatie zouden kunnen schaden. Het eerste lid doet geen afbreuk aan de verant- woordelijkheden die voor het wettelijk bestuursorgaan voortvloeien uit deze wet en de Europese regelgeving. Art. 58 § 1. De interneauditfunctie bezorgt aan het wettelijk bestuursorgaan en aan het directiecomité een onafhan- kelijke beoordeling van de kwaliteit en de doeltreffend- heid van de interne controle, het risicobeheer en het governancesysteem van de onderneming. Iedere verzekerings- of herverzekeringsonderne- ming waarborgt in een auditcharter ten minste dat de interneauditfunctie onafhankelijk is en dat haar taken 1° eu égard à la nature, à l’ampleur et à la complexité des risques inhérents à l’activité de l’entreprise d’assu- rance ou de réassurance, et compte tenu du caractère approprié de l’organisation de la fonction de gestion des risques au niveau du groupe dont fait partie l’entreprise concernée, la Banque peut autoriser qu’un membre du personnel de l’entreprise faisant partie de l’encadrement supérieur assume la fonction de gestion des risques à condition qu’il n’existe dans son chef aucun conflit d’intérêts; 2° le membre du comité de direction responsable de la fonction de gestion des risques peut assurer égale- ment la responsabilité de la fonction de vérification de la conformité (compliance) ainsi que la responsabilité des tâches de la fonction actuarielle qui ne sont pas génératrices de risques, à la condition que l’exercice des trois fonctions de contrôle indépendantes demeure assuré distinctement et ne soit pas générateur de conflits d’intérêts. Dans les entreprises d’assurance ou de réassurance qui présentent un total de bilan supérieur à 3 milliards d’euros, le bénéfice de l’alinéa 2, 2°, est subordonné à l’autorisation préalable de la Banque. Art. 57 Outre la communication visée aux articles 54, § 1er, alinéa 3 et 55, § 2, les personnes responsables des fonctions de gestion des risques et de vérification de la conformité (compliance) font part d’initiative à l’organe légal d’administration, sans devoir en référer au comité de direction, de préoccupations et l’avertissent, le cas échéant, en cas d’évolution des risques affectant ou susceptible d’affecter l’entreprise, notamment de porter atteinte à sa réputation. L’alinéa 1er ne porte pas préjudice aux responsabi- lités de l’organe légal d’administration en vertu de la présente loi et de la réglementation européenne. Art. 58 § 1er. La fonction d’audit interne a pour objet de fournir à l’organe légal d’administration et au comité de direction une évaluation indépendante de la qualité et de l’efficience du contrôle interne, de la gestion des risques et du système de gouvernance de l’entreprise. Les entreprises d’assurance ou de réassurance garantissent dans une charte d’audit, au minimum, l’in- dépendance de la fonction d’audit interne et l’étendue 811 1584/002 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 betrekking hebben op alle activiteiten en entiteiten van de onderneming, ook in geval van uitbesteding. §  2. De persoon die verantwoordelijk is voor de interneauditfunctie deelt zijn bevindingen en aanbe- velingen mee aan het wettelijk bestuursorgaan en aan het directiecomité. Art. 59 § 1. De actuariële functie heeft de volgende taken: 1° coördineren van de berekening van de technische voorzieningen; 2° ervoor zorgen dat de methodologieën, onderlig- gende modellen en hypothesen die gehanteerd worden voor de berekening van de technische voorzieningen, adequaat zijn; 3° beoordelen van de toereikendheid en de kwaliteit van de gegevens die gebruikt worden bij de berekening van de technische voorzieningen; 4° toetsen van de beste schattingen aan de ervaring; 5° informatie verstrekken aan het wettelijk bestuursor- gaan en aan het directiecomité over de betrouwbaarheid en geschiktheid van de berekening van de technische voorzieningen; 6°  toezien op de berekening van de technische voorzieningen in de gevallen bedoeld in artikel 137, tweede lid; 7°  advies uitbrengen over het algemeen onderschrijvingsbeleid; 8° advies uitbrengen over de geschiktheid van de herverzekeringsregelingen; 9°  ertoe bijdragen dat het in artikel  84  bedoelde risicobeheersysteem doeltreffend wordt toegepast, in het bijzonder wat betreft de risicomodellering die ten grondslag ligt aan de berekening van de kapitaalvereis- ten als bedoeld in de artikelen 74 en 75, en wat betreft de in artikel 91 bedoelde beoordeling; 10° advies uitbrengen over het winstdelings- en res- tornobeleid evenals over de naleving van de regelgeving ter zake. § 2. De actuariële functie wordt uitgeoefend door personen die kennis hebben van actuariële en financiële de ses missions à toute activité et entité de l’entreprise, y compris en cas de sous-traitance. § 2. La personne responsable de la fonction d’audit interne communique ses conclusions et recommanda- tions à l’organe légal d’administration et au comité de direction. Art. 59 § 1er. La fonction actuarielle a pour tâche de: 1° coordonner le calcul des provisions techniques; 2° garantir le caractère approprié des méthodologies, des modèles sous- jacents et des hypothèses utilisés pour le calcul des provisions techniques; 3° apprécier la suffisance et la qualité des données utilisées dans le calcul des provisions techniques; 4° comparer les meilleures estimations aux observa- tions empiriques; 5° informer l’organe légal d’administration et le comité de direction de la fiabilité et du caractère adéquat du calcul des provisions techniques; 6° superviser le calcul des provisions techniques dans les cas visés à l’article 137, alinéa 2; 7°  émettre un avis sur la politique globale de souscription; 8° émettre un avis sur l’adéquation des dispositions prises en matière de réassurance; 9° contribuer à la mise en œuvre effective du système de gestion des risques visé à l’article 84, en particulier pour ce qui concerne la modélisation des risques sous- tendant le calcul des exigences de capital prévu aux articles 74 et 75, et pour ce qui concerne l’évaluation visée à l’article 91; 10° émettre un avis sur la politique de participations bénéficiaires et de ristournes ainsi que sur le respect de la réglementation en la matière. § 2. La fonction actuarielle est exercée par des per- sonnes qui ont une connaissance des mathématiques 812 1584/002 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 wiskunde die in verhouding staat tot de aard, de omvang en de complexiteit van de risico’s die aan de activiteiten van de verzekerings- of herverzekeringsonderneming zijn verbonden, en die kunnen aantonen dat zij over relevante ervaring met de toepasselijke beroeps- en andere normen beschikken. Art. 60 Onverminderd de bepalingen van de artikelen 48 tot 59  kan de Bank, bij reglement vastgesteld met toepassing van artikel 12bis, §  2  van de wet van 22  februari  1998, nader bepalen wat moet worden verstaan onder een passende beleidsstructuur, een passende interne controle, een passende onafhanke- lijke risicobeheerfunctie, een passende onafhankelijke interneauditfunctie, een passende actuariële functie, en, op advies van de FSMA, een passende onafhankelijke compliancefunctie, en nadere regels vaststellen over- eenkomstig de Europese regelgeving. Afdeling VII Hoofdbestuur Art. 61 Het hoofdbestuur van een verzekerings- of herverze- keringsonderneming is in België gevestigd. Afdeling IX Bescherming van de schuldeisers uit hoofde van verzekering Art. 62 De verzekeringsondernemingen sluiten zich aan bij een regeling voor de bescherming van levensverzekerin- gen die door hen gefinancierd wordt en die bij in gebreke blijven garandeert dat de schuldeisers uit hoofde van verzekering met betrekking tot levensverzekeringsover- eenkomsten met gewaarborgd rendement die vallen onder tak 21 als vermeld in Bijlage II of met betrekking tot alle andere categorieën van overeenkomsten die vallen onder een dergelijke, door of krachtens de wet ingestelde regeling, schadeloos worden gesteld onder de voorwaarden van deze regelingen. actuarielles et financières à la mesure de la nature, de l’ampleur et de la complexité des risques inhérents à l’activité de l’entreprise d’assurance ou de réassurance et qui peuvent démontrer une expérience pertinente à la lumière des normes professionnelles et autres normes applicables. Art. 60 La Banque peut, sans préjudice des dispositions des articles 48 à 59, préciser, par voie de règlement pris en application de l’article 12bis, § 2 de la loi du 22 février 1998, ce qu’il y a lieu d’entendre par structure de gestion adéquate, contrôle interne adéquat, fonction de gestion des risques indépendante adéquate, fonc- tion d’audit interne indépendante adéquate, fonction actuarielle adéquate et, sur avis de la FSMA, fonction de vérification de la conformité (compliance) indépen- dante adéquate, et élaborer des règles plus précises conformément à la réglementation européenne. Section VII Administration centrale Art. 61 L’administration centrale des entreprises d’assurance ou de réassurance est située en Belgique. Section IX Protection des créanciers d’assurance Art. 62 Les entreprises d’assurance adhèrent à un système de protection des assurances sur la vie financé par elles et visant à assurer, en cas de défaillance, une indemnisation des créanciers d’assurance en ce qui concerne les contrats d’assurance sur la vie avec ren- dement garanti relevant de la branche 21 mentionnée à l’Annexe II ou toute autre catégorie de contrats couverts par un tel système mis en place par ou vertu de la loi, et ce aux conditions déterminées par les règles régissant ces systèmes. 813 1584/002 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 TITEL II Bedrijfsuitoefeningsvoorwaarden HOOFDSTUK I Algemene bepalingen Art. 63 Iedere verzekerings- of herverzekeringsonderne- ming moet blijvend voldoen aan de door of krachtens Hoofdstuk  II van Titel  I van dit Boek vastgelegde voorwaarden. HOOFDSTUK II Wijzigingen in de kapitaalstructuur Art. 64 Onverminderd de wet van 2 mei 2007 op de open- baarmaking van belangrijke deelnemingen, moet iedere alleen of in onderling overleg handelende natuurlijke of rechtspersoon die besloten heeft om, rechtstreeks of onrechtstreeks, een gekwalificeerde deelneming in een verzekerings- of herverzekeringsonderneming naar Belgisch recht te verwerven of te vergroten, waardoor het percentage van de gehouden stemrechten of aande- len in het kapitaal de drempel van 20 %, 30 % of 50 % zou bereiken of overschrijden, dan wel de verzekerings- of herverzekeringsonderneming zijn dochteronderne- ming zou worden, de Bank daarvan vooraf schriftelijk kennis geven met vermelding van de omvang van de beoogde deelneming en de in het tweede lid bedoelde relevante informatie. De Bank publiceert op haar website een lijst met de voor de beoordeling vereiste relevante informatie die in verhouding staat tot en afgestemd is op de aard van de kandidaat-verwerver en de voorgenomen verwerving en die haar samen met de in het eerste lid bedoelde kennisgeving moet worden verstrekt. Art. 65 § 1. De Bank zendt de kandidaat-verwerver snel en in elk geval binnen twee werkdagen na ontvangst van de kennisgeving en van alle in artikel 64 bedoelde infor- matie, alsook na de eventuele ontvangst, op een later tijdstip, van de in paragraaf 2 bedoelde informatie, een TITRE II Des conditions d’exercice de l’activité CHAPITRE IER Généralités Art. 63 Les entreprises d’assurance ou de réassurance doivent en permanence satisfaire aux conditions prévues par ou en vertu du Chapitre II du Titre Ier du présent Livre. CHAPITRE II Modifications dans la structure du capital Art. 64 Sans préjudice de la loi du 2 mai 2007 relative à la publicité des participations importantes, toute personne physique ou morale agissant seule ou de concert avec d’autres, qui a pris la décision soit d’acquérir, directe- ment ou indirectement, une participation qualifiée dans une entreprise d’assurance ou de réassurance de droit belge, soit de procéder, directement ou indirectement, à une augmentation de cette participation qualifiée dans une entreprise d’assurance ou de réassurance de droit belge, de telle façon que la proportion de droits de vote ou de parts de capital détenue atteigne ou dépasse les seuils de 20 %, de 30 % ou de 50 % ou que l’entreprise d’assurance ou de réassurance devienne sa filiale, est tenue de notifier par écrit au préalable à la Banque le montant envisagé de sa participation et les informations pertinentes visées à l’alinéa 2. La Banque publie sur son site internet une liste spécifiant les informations pertinentes, proportionnées et adaptées à la nature du candidat acquéreur et de l’acquisition envisagée, qui sont nécessaires pour pro- céder à l’évaluation et qui doivent lui être communiquées au moment de la notification visée à l’alinéa 1er. Art. 65 § 1er. Diligemment, et en toute hypothèse dans un délai de deux jours ouvrables après la réception de la notification et des informations complètes visées à l’ar- ticle 64, ainsi qu’après l’éventuelle réception ultérieure des informations visées au paragraphe 2, la Banque 814 1584/002 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 schriftelijke ontvangstbevestiging. Zij vermeldt daarin de datum waarop de beoordelingsperiode afloopt. De beoordelingsperiode waarover de Bank beschikt om de in artikel 66 bedoelde beoordeling te verrichten, bedraagt ten hoogste zestig werkdagen te rekenen vanaf de datum van de ontvangstbevestiging van de kennisgeving en van alle documenten die vereist zijn op basis van de in artikel 64, tweede lid bedoelde lijst. § 2. De Bank kan tijdens de beoordelingsperiode, doch niet na de vijftigste werkdag daarvan, aanvullende informatie opvragen die noodzakelijk is om haar beoor- deling af te ronden. Dit verzoek wordt schriftelijk gedaan en vermeldt welke aanvullende informatie nodig is. Vanaf de datum van het verzoek van de Bank om in- formatie tot de ontvangst van een antwoord daarop van de kandidaat-verwerver wordt de beoordelingsperiode onderbroken. De onderbreking duurt ten hoogste twintig werkdagen. Het staat de Bank vrij om na het verstrijken van de uiterste datum die overeenkomstig het vorige lid is vastgesteld, aanvullende verzoeken ter vervollediging of verduidelijking van de informatie te formuleren, maar deze verzoeken mogen geen onderbreking van de be- oordelingsperiode tot gevolg hebben. § 3. De Bank kan de in paragraaf 2, tweede lid be- doelde onderbreking verlengen tot ten hoogste dertig werkdagen: 1° indien de kandidaat-verwerver buiten de Europese Economische Ruimte is gevestigd of aan een niet- communautaire reglementering onderworpen is; of 2° indien de kandidaat-verwerver een natuurlijke of rechtspersoon is die niet aan toezicht onderworpen is krachtens: a) Richtlijn 2009/138/EG; b) Richtlijn 2009/65/EG; c) Richtlijn 2011/61/EU van het Europees Parlement en de Raad van 8 juni 2011 inzake beheerders van alternatieve beleggingsinstellingen en tot wijziging van de Richtlijnen 2003/41/EG en 2009/65/EG en van de Verordeningen (EG) nr. 1060/2009  en (EU) nr. 1095/2010; d) Richtlijn 2014/65/EU van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 betreffende markten voor en accuse réception par écrit au candidat acquéreur. L’accusé de réception indique la date d’expiration de la période d’évaluation. La période d’évaluation dont dispose la Banque pour procéder à l’évaluation visée à l’article 66 est de maximum soixante jours ouvrables à compter de la date de l’accusé de réception de la notification et de tous les documents requis sur la base de la liste visée à l’article 64, alinéa 2. § 2. La Banque peut, pendant la période d’évalua- tion, et au plus tard le cinquantième jour ouvrable de la période d’évaluation, demander un complément d’information nécessaire pour mener à bien son éva- luation. Cette demande est faite par écrit et précise les informations complémentaires nécessaires. Pendant la période comprise entre la date de la demande d’informations par la Banque et la réception d’une réponse du candidat acquéreur à cette demande, la période d’évaluation est suspendue. Cette suspen- sion ne peut excéder vingt jours ouvrables. La Banque peut formuler, au-delà de la date limite déterminée conformément à l’alinéa précédent, d’autres demandes visant à recueillir des informations complémentaires ou des clarifications, sans que ces demandes ne donnent toutefois lieu à une suspension de la période d’évaluation. § 3. La Banque peut porter la suspension visée au paragraphe 2, alinéa 2, à trente jours ouvrables: 1°  si le candidat acquéreur est établi hors de la l’Espace économique européen ou relève d’une régle- mentation non communautaire; ou 2° si le candidat acquéreur est une personne phy- sique ou morale qui n’est pas soumise à une surveil- lance en vertu de: a) la Directive 2009/138/CE; b) la Directive 2009/65/CE; c) la Directive 2011/61/UE du Parlement européen et du Conseil du 8 juin 2011 sur les gestionnaires de fonds d’investissement alternatifs et modifiant les directives 2003/41/CE et 2009/65/CE ainsi que les règlements (CE) n° 1060/2009 et (UE) n° 1095/2010; d) la Directive 2014/65/UE du parlement européen et du Conseil du 15 mai 2014 concernant les marchés 815 1584/002 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 financiële instrumenten en tot wijziging van Richtlijn 2002/92/EG en Richtlijn 2011/61/EU; e) Richtlijn 2013/36/EU. Art. 66 Bij de beoordeling van de in artikel  64  bedoelde kennisgeving en informatie, en van de in artikel 65, § 2 bedoelde aanvullende informatie, toetst de Bank, met het oog op een gezond en voorzichtig beleid van de verzekerings- of herverzekeringsonderneming die het doelwit is van de voorgenomen verwerving en rekening houdend met de vermoedelijke invloed van de kandidaat-verwerver op de verzekerings- of her- verzekeringsonderneming, de geschiktheid van de kandidaat-verwerver en de financiële soliditeit van de voorgenomen verwerving aan alle in artikel 39, tweede lid bedoelde criteria. De Bank kan zich in de loop van de in artikel 65 be- doelde beoordelingsperiode verzetten tegen de voorge- nomen verwerving indien zij gegronde redenen heeft om aan te nemen, op grond van de criteria van artikel 39, tweede lid, dat de kandidaat-verwerver niet geschikt is om een gezond en voorzichtig beleid van de verzeke- rings- of herverzekeringsonderneming te waarborgen, of indien de informatie die de kandidaat-verwerver heeft verstrekt onvolledig is. Wanneer de Bank na voltooiing van de beoordeling besluit zich tegen de voorgenomen verwerving te ver- zetten, stelt zij de kandidaat-verwerver daarvan schrif- telijk in kennis binnen twee werkdagen en zonder de beoordelingsperiode te overschrijden. Op verzoek van de kandidaat-verwerver kan een passende motivering van het besluit voor het publiek toegankelijk worden gemaakt. Indien de Bank zich na afloop van de beoordelings- periode niet heeft verzet tegen de voorgenomen verwer- ving, wordt deze geacht te zijn goedgekeurd. De Bank mag voor de voltooiing van de voorgenomen verwerving een maximumtermijn vaststellen en deze in voorkomend geval verlengen. d’instruments financiers et modifiant la directive 2002/92/CE et la directive 2011/61/UE; e) la Directive 2013/36/UE. Art. 66 En procédant à l’évaluation de la notification et des informations visées à l’article 64 et des informations complémentaires visées à l’article 65, § 2, la Banque apprécie, afin de garantir une gestion saine et prudente de l’entreprise d’assurance ou de réassurance visée par l’acquisition envisagée et en tenant compte de l’influence probable du candidat acquéreur sur l’entre- prise d’assurance ou de réassurance, le caractère approprié du candidat acquéreur et la solidité financière de l’acquisition envisagée en appliquant l’ensemble des critères visés à l’article 39, alinéa 2. La Banque peut, dans le courant de la période d’éva- luation visée à l’article 65, s’opposer à la réalisation de l’acquisition si elle a des motifs raisonnables de considérer, sur la base des critères fixés à l’article 39, alinéa 2, que le candidat acquéreur ne présente pas les qualités nécessaires en vue de garantir une ges- tion saine et prudente de l’entreprise d’assurance ou de réassurance ou si les informations fournies par le candidat acquéreur sont incomplètes. Si la Banque décide, au terme de l’évaluation, de s’opposer à l’acquisition envisagée, elle le notifie par écrit au candidat acquéreur, dans un délai de deux jours ouvrables et sans dépasser la période d’évaluation. Un exposé approprié des motifs de la décision peut être rendu accessible au public à la demande du candidat acquéreur. Si, au terme de la période d’évaluation, la Banque ne s’est pas opposée à l’acquisition envisagée, celle-ci est réputée approuvée. La Banque peut fixer un délai maximal pour la conclu- sion de l’acquisition envisagée et, le cas échéant, le prolonger. 816 1584/002 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 Art. 67 Voor het verrichten van de in artikel 65 bedoelde beoordeling werkt de Bank in nauw overleg samen met iedere andere betrokken toezichthouder en, in voorko- mend geval, met de FSMA, indien de kandidaat-ver- werver een van de volgende personen of instellingen is: 1°  een verzekeringsonderneming, een herverze- keringsonderneming, een kredietinstelling, een be- leggingsonderneming, een AICB-beheerder of een beheervennootschap van instellingen voor collectieve belegging waaraan een vergunning is verleend volgens het recht van een andere lidstaat, of, al naargelang het geval, door de FSMA; 2° de moederonderneming van een van de in punt 1° bedoelde ondernemingen; 3°  een natuurlijke of rechtspersoon die de con- trole heeft over een van de in punt 1° bedoelde ondernemingen. Hiertoe wisselt de Bank met deze autoriteiten zo spoedig mogelijk alle informatie uit die relevant of van essentieel belang is voor de beoordeling. In dit verband verstrekt zij op verzoek alle relevante informatie en, uit eigen beweging, alle essentiële informatie. In de in het eerste lid bedoelde gevallen vermeldt de Bank in haar besluit steeds de eventuele standpunten of bedenkingen van de bevoegde autoriteit die verantwoor- delijk is voor de kandidaat-verwerver of, al naargelang het geval, van de FSMA. Art. 68 Iedere natuurlijke of rechtspersoon die besloten heeft om niet langer een rechtstreekse of onrechtstreekse gekwalificeerde deelneming in een verzekerings- of herverzekeringsonderneming te bezitten, stelt de Bank daarvan vooraf schriftelijk in kennis met vermelding van het bedrag van de voorgenomen deelneming na de afstoting. Een dergelijke persoon stelt de Bank evenzo in kennis van zijn beslissing om de omvang van zijn gekwalificeerde deelneming zodanig te verkleinen dat het percentage van de door hem gehouden stemrech- ten of aandelen in het kapitaal onder de drempel van 20 %, 30 % of 50 % daalt of dat de verzekerings- of herverzekeringsonderneming ophoudt zijn dochteron- derneming te zijn. Art. 67 La Banque procède à l’évaluation visée à l’ar- ticle 65 en pleine concertation avec toute autre autorité de contrôle concernée et, le cas échéant, avec la FSMA si le candidat acquéreur est: 1° une entreprise d’assurance, une entreprise de réassurance, un établissement de crédit, une entreprise d’investissement, un gestionnaire d’OPCA ou une société de gestion d’organismes de placement collectif agréés selon le droit d’un autre État membre, ou, selon le cas, par la FSMA; 2° l’entreprise mère d’une entreprise ayant une des qualités visées au 1°; 3° une personne physique ou morale contrôlant une entreprise ayant une des qualités visées au 1°. À cette fin, la Banque échange, dans les meilleurs délais, avec ces autorités toute information essentielle ou pertinente pour l’évaluation. Dans ce cadre, elle communique sur demande toute information pertinente et, de sa propre initiative, toute information essentielle. Dans les cas visés à l’alinéa 1er, toute décision de la Banque mentionne les éventuels avis ou réserves formulés par l’autorité compétente responsable du candidat acquéreur ou, selon le cas, par la FSMA. Art. 68 Toute personne physique ou morale qui a pris la décision de cesser de détenir, directement ou indirec- tement, une participation qualifiée dans une entreprise d’assurance ou de réassurance le notifie par écrit au préalable à la Banque et lui communique le montant envisagé de sa participation après la cession. Une telle personne notifie de même à la Banque sa décision de diminuer sa participation qualifiée de telle façon que la proportion de droits de vote ou de parts de capital détenue descende en dessous des seuils de 20 %, de 30 % ou de 50 %, ou que l’entreprise d’assurance ou de réassurance cesse d’être sa filiale après la cession. 817 1584/002 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 Art. 69 Indien de bij de artikelen 64 of 68 voorgeschreven voorafgaande kennisgevingen niet worden verricht of indien een deelneming wordt verworven of vergroot on- danks het in artikel 66, tweede lid bedoelde verzet, kan de voorzitter van de rechtbank van koophandel van het rechtsgebied waar de verzekerings- of herverzekerings- onderneming haar zetel heeft, uitspraak doende als in kort geding, de in artikel 516, § § 1 en 4 van het Wetboek van Vennootschappen bedoelde maatregelen nemen. De procedure wordt ingeleid bij dagvaarding door de Bank. Artikel 516, § 3, van het Wetboek van Vennootschappen is van toepassing. Art. 70 Onverminderd de wet van 2 mei 2007 op de open- baarmaking van belangrijke deelnemingen, moet iedere alleen of in onderling overleg handelende natuurlijke of rechtspersoon die, rechtstreeks of onrechtstreeks, een deelneming heeft verworven in een verzekerings- of herverzekeringsonderneming naar Belgisch recht, dan wel zijn deelneming in een verzekerings- of herverze- keringsonderneming naar Belgisch recht rechtstreeks of onrechtstreeks heeft vergroot, waardoor het percen- tage van de gehouden stemrechten of aandelen in het kapitaal de drempel van 5 % van de stemrechten of het kapitaal bereikt of overschrijdt zonder dat hij aldus een gekwalificeerde deelneming verkrijgt, de Bank daarvan schriftelijk kennis geven binnen een termijn van tien werkdagen na de verwerving of de vergroting van de deelneming. Iedere alleen of in onderling overleg handelende natuurlijke of rechtspersoon die niet langer een recht- streekse of onrechtstreekse deelneming bezit van meer dan 5 % van de stemrechten of het kapitaal in een verzekerings- of herverzekeringsonderneming, die geen gekwalificeerde deelneming was, dient binnen een termijn van tien werkdagen eenzelfde kennisgeving te verrichten. De kennisgevingen bedoeld in het eerste en tweede lid vermelden de exacte identiteit van de verwerver of verwervers, het aantal verworven of vervreemde aan- delen en het percentage van de stemrechten en van het kapitaal van de verzekerings- of herverzekeringsonder- neming die na de verwerving of vervreemding worden gehouden, alsook de vereiste informatie als opgegeven in de lijst die de Bank overeenkomstig artikel 64, tweede lid, op haar website publiceert. Art. 69 En cas d’abstention de procéder aux notifications préalables prescrites par les articles 64 ou 68 ou en cas d’acquisition ou d’accroissement d’une participation en dépit de l’opposition visée à l’article 66, alinéa 2, le président du tribunal de commerce dans le ressort duquel l’entreprise d’assurance ou de réassurance a son siège, statuant comme en référé, peut prendre les mesures visées à l’article 516, § § 1er et 4 du Code des sociétés. La procédure est engagée par citation émanant de la Banque. L’article  516, §  3, du Code des sociétés est d’application. Art. 70 Sans préjudice de la loi du 2 mai 2007 relative à la publicité des participations importantes, toute personne physique ou morale agissant seule ou de concert avec d’autres, qui a acquis, directement ou indirectement, une participation dans une entreprise d’assurance ou de réassurance de droit belge, ou qui a procédé, directement ou indirectement, à une augmentation de sa participation dans une entreprise d’assurance ou de réassurance de droit belge, de telle façon que la pro- portion de droits de vote ou de parts de capital détenue atteigne ou dépasse le seuil de 5 % des droits de vote ou du capital, sans pour autant détenir une participation qualifiée, est tenue de le notifier par écrit à la Banque dans un délai de dix jours ouvrables après l’acquisition ou l’augmentation de la participation. La même notification est requise dans un délai de dix jours ouvrables de toute personne physique ou morale qui a cessé de détenir, directement ou indirectement, seul ou agissant de concert avec d’autres personnes, une participation de plus de 5 % du capital ou des droits de vote d’une entreprise d’assurance ou de réassu- rance, qui ne constituait pas une participation qualifiée. Les notifications visées aux alinéas 1er et 2 indiquent l’identité précise du ou des acquéreurs, le nombre de titres acquis ou cédés et le pourcentage des droits de vote et du capital de l’entreprise d’assurance ou de réassurance détenus suite à l’acquisition ou à la cession, ainsi que les informations nécessaires dont la liste est publiée par la Banque sur son site internet conformément à l’article 64, alinéa 2. 818 1584/002 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 Art. 71 Zodra zij daarvan kennis hebben, stellen de verze- kerings- of herverzekeringsondernemingen de Bank in kennis van de verwervingen of vervreemdingen van hun aandelen die een stijging boven of daling onder een van de drempels bedoeld in artikel 64 tot gevolg hebben. Tevens delen zij aan de Bank onmiddellijk alle infor- matie mee waarvan zij kennis hebben en die een invloed kan hebben op de situatie van hun aandeelhouders of vennoten ten aanzien van de in artikel 39, tweede lid be- doelde beoordelingscriteria. Deze informatieverplichting geldt eveneens voor de in artikel 23 bedoelde personen. Onder dezelfde voorwaarden delen zij de Bank ten minste eens per jaar de identiteit mee van de alleen of in onderling overleg handelende aandeelhouders of vennoten die rechtstreeks of onrechtstreeks een gekwalificeerde deelneming bezitten in hun kapitaal, alsook welke kapitaalfractie en hoeveel stemrechten zij aldus bezitten. Zij delen de Bank evenzo mee voor hoeveel aandelen en voor hoeveel hieraan verbonden stemrechten zij een kennisgeving van verwerving of vervreemding hebben ontvangen overeenkomstig arti- kel 515 van het Wetboek van Vennootschappen, ingeval een dergelijke kennisgeving aan de Bank niet statutair is voorgeschreven. Art. 72 Indien de Bank grond heeft om aan te nemen dat de invloed van een natuurlijke of rechtspersoon die rechtstreeks of onrechtstreeks een gekwalificeerde deelneming bezit in een verzekerings- of herverzeke- ringsonderneming, een gezond en voorzichtig beleid van die verzekerings- of herverzekeringsonderneming kan belemmeren, kan zij, onverminderd de andere bij deze wet bepaalde maatregelen: 1°  de uitoefening schorsen van de stemrechten verbonden aan de aandelen die in het bezit zijn van de betrokken aandeelhouder of vennoot; zij kan, op ver- zoek van elke belanghebbende, toestaan dat de door hem bevolen maatregelen worden opgeheven; haar beslissing wordt op de meest geschikte wijze ter kennis gebracht van de betrokken aandeelhouder of vennoot; haar beslissing is uitvoerbaar zodra zij ter kennis is ge- bracht; de Bank kan haar beslissing openbaar maken; 2° de betrokken aandeelhouder of vennoot aanmanen om, binnen de termijn die zij bepaalt, de aandeelhou- dersrechten in zijn bezit over te dragen. Art. 71 Les entreprises d’assurance ou de réassurance communiquent à la Banque, dès qu’elles en ont connais- sance, les acquisitions ou aliénations de leurs titres ou parts qui entraînent le franchissement vers le haut ou vers le bas de l’un des seuils visés à l’article 64. De même elles communiquent immédiatement à la Banque toutes informations dont elles ont connaissance, de nature à influencer la situation de leurs actionnaires ou associés au regard des critères d’appréciation visés à l’article 39, alinéa 2. La même obligation d’information incombe aux personnes visées à l’article 23. Dans les mêmes conditions et au moins une fois par an, elles communiquent à la Banque l’identité des actionnaires ou associés qui possèdent, directement ou indirectement, agissant seuls ou de concert, des participations qualifiées dans leur capital, ainsi que la quotité du capital et celle des droits de vote ainsi détenus. Elles communiquent de même à la Banque la quotité des actions ou parts ainsi que celle des droits de vote y afférents dont l’acquisition ou l’aliénation leur est déclarée conformément à l’article 515 du Code des sociétés dans le cas où les statuts ne prescrivent pas leur déclaration à la Banque. Art. 72 Lorsque la Banque a des raisons de considérer que l’influence exercée par une personne physique ou morale détenant, directement ou indirectement, une participation qualifiée dans une entreprise d’assurance ou de réassurance est de nature à compromettre la gestion saine et prudente de cette entreprise, et sans préjudice des autres mesures prévues par la présente loi, elle peut: 1° suspendre l’exercice des droits de vote attachés aux actions ou parts détenues par l’actionnaire ou l’associé en question; elle peut, à la demande de tout intéressé, accorder la levée des mesures ordonnées par elle; sa décision est notifiée de la manière la plus appropriée à l’actionnaire ou à l’associé en cause; sa décision est exécutoire dès qu’elle a été notifiée; la Banque peut rendre sa décision publique; 2° donner injonction à l’actionnaire ou à l’associé en cause de céder, dans le délai qu’elle fixe, les droits d’associé qu’il détient. 819 1584/002 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 Als zij binnen de vastgestelde termijn niet worden overgedragen, kan de Bank bevelen de aandeelhou- dersrechten te sekwestreren bij de instelling of de persoon die zij bepaalt. Het sekwester brengt dit ter kennis van de verzekerings- of herverzekeringson- derneming die het register van de aandelen op naam dienovereenkomstig wijzigt en de uitoefening van de hieraan verbonden rechten enkel aanvaardt vanwege het sekwester. Het sekwester handelt in het belang van een gezond en voorzichtig beleid van de verzekerings- of herverzekeringsonderneming en in het belang van de houder van de gesekwestreerde aandeelhoudersrech- ten. Het oefent alle rechten uit die aan de aandelen zijn verbonden. De bedragen die het sekwester als dividend of anderszins int, worden slechts aan de voornoemde houder overgemaakt indien deze gevolg heeft gegeven aan de in het eerste lid, 2° bedoelde aanmaning. Om in te schrijven op kapitaalverhogingen of an- dere al dan niet stemrechtverlenende effecten, om te kiezen voor dividenduitkering in aandelen van de ven- nootschap, om in te gaan op openbare overname- of ruilaanbiedingen en om nog niet volgestorte aandelen vol te storten, is de instemming van de voornoemde houder vereist. De aandeelhoudersrechten die zijn verworven in het kader van dergelijke verrichtingen worden van rechts- wege toegevoegd aan het voornoemde sekwester. De vergoeding van het sekwester wordt vastgesteld door de Bank en betaald door de voornoemde houder. Het sekwester kan zijn vergoeding aftrekken van de bedragen die hem worden gestort in zijn hoedanigheid van sekwester of die hem worden gestort door de voor- noemde houder in het vooruitzicht of na uitvoering van de in dit artikel bedoelde verrichtingen. Indien na afloop van de overeenkomstig het eerste lid, 2°, eerste zin, vastgestelde termijn, stemrechten werden uitgeoefend door de oorspronkelijke houder of door een andere persoon, buiten het sekwester, die optreedt voor rekening van deze houder, of niettegenstaande een schorsing van hun uitoefening overeenkomstig het eerste lid, 1°, kan de rechtbank van koophandel van het rechtsgebied waar de verzekeringsonderneming haar zetel heeft, op verzoek van de Bank, alle of een deel van de beslissingen van de algemene vergadering nietig verklaren wanneer het aanwezigheids- of meerderheids- quorum dat is vereist voor de genoemde beslissingen, zonder de onwettig uitgeoefende stemrechten niet zou zijn bereikt. À défaut de cession dans le délai fixé, la Banque peut ordonner la mise sous séquestre des droits d’associés auprès de telle institution ou personne qu’elle détermine. Le séquestre en donne connaissance à l’entreprise d’assurance ou de réassurance qui modifie en consé- quence le registre des actions ou parts d’associés nomi- natives et qui n’accepte l’exercice des droits qui y sont attachés que par le seul séquestre. Celui-ci agit dans l’intérêt d’une gestion saine et prudente de l’entreprise d’assurances ou de réassurance et dans celui du déten- teur des droits d’associés ayant fait l’objet du séquestre. Il exerce tous les droits attachés aux actions ou parts d’associés Les sommes encaissées par le séquestre au titre de dividende ou à un autre titre ne sont remises par lui au détenteur précité que si celui-ci a satisfait à l’injonction à l’alinéa 1er, 2°. La souscription à des augmentations de capital ou à d’autres titres conférant ou non le droit de vote, l’option en matière de dividende payable en titres de la société, la réponse à des offres publiques d’acquisition ou d’échange et la libération de titres non entièrement libé- rés sont subordonnés à l’accord du détenteur précité. Les droits d’associés acquis en vertu de ces opé- rations font, de plein droit, l’objet du séquestre prévu ci-dessus. La rémunération du séquestre est fixée par la Banque et est à charge du détenteur précité. Le séquestre peut imputer sa rémunération sur les sommes qui lui sont versées en sa qualité de séquestre ou par le détenteur précité aux fins ou comme conséquence des opérations visées par le présent article. Lorsque des droits de vote ont été exercés par le détenteur originaire ou par une personne, autre que le séquestre, agissant pour le compte de ce détenteur après l’échéance du délai fixé conformément à l’ali- néa 1er, 2°, première phrase, ou nonobstant une sus- pension de leur exercice prononcée conformément à l’alinéa 1er, 1°, le tribunal de commerce dans le ressort duquel l’entreprise d’assurances a son siège peut, sur requête de la Banque, prononcer la nullité de tout ou partie des délibérations de l’assemblée générale si, sans les droits de vote illégalement exercés, les quo- rums de présence ou de majorité requis par lesdites délibérations n’auraient pas été réunis. 820 1584/002 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 Art. 73 Indien de deelneming in een verzekerings- of her- verzekeringsonderneming wordt verworven door een onderneming die onder het recht van een derde land ressorteert, waardoor de verzekerings- of herverze- keringsonderneming een dochteronderneming van deze onderneming wordt, stelt de Bank de Europese Commissie, EIOPA en de toezichthouders van de an- dere lidstaten daarvan in kennis. HOOFDSTUK III Algemene werkingsvoorwaarden Afdeling I Minimum eigen vermogen Art. 74 Iedere verzekerings- of herverzekeringsonderneming houdt in aanmerking komend eigen vermogen aan in de zin van de artikelen 140 tot 150, om permanent het overeenkomstig artikel 151 vastgestelde solvabiliteits- kapitaalvereiste te dekken. Art. 75 Iedere verzekerings- of herverzekeringsonderneming houdt bovendien in aanmerking komend kernvermogen aan in de zin van de artikelen 140 tot 150, om permanent het overeenkomstig artikel 189 vastgestelde minimum- kapitaalvereiste te dekken. Afdeling II Bewaring van documenten Art. 76 Iedere verzekerings- of herverzekeringsonderneming bewaart alle documenten die betrekking hebben op haar activiteiten op haar zetel of op elke andere plaats die vooraf door de Bank is goedgekeurd in overleg met de FSMA. Onverminderd andere wettelijke bepalingen betref- fende de bewaring van documenten, kan de Bank bij reglement vastgesteld overeenkomstig artikel 12bis, § 2 van de wet van 22 februari 1998 de termijn en de modaliteiten bepalen voor de bewaring van de in het eerste lid bedoelde documenten. Art. 73 Lorsque l’acquisition d’une participation dans une entreprise d’assurance ou de réassurance est effec- tuée par une entreprise relevant du droit d’un pays tiers, de telle sorte que l’entreprise d’assurance ou de réassurance en devient la filiale, la Banque en informe la Commission européenne, l’EIOPA et les autorités de contrôle des autres États membres. CHAPITRE III Conditions générales de fonctionnement Section Ire Fonds propres minimum Art. 74 Les entreprises d’assurance ou de réassurance détiennent des fonds propres éligibles au sens des articles 140 à 150 couvrant en permanence le capital de solvabilité requis fixé conformément à l’article 151. Art. 75 Les entreprises d’assurance ou de réassurance détiennent en outre des fonds propres de base éligibles au sens des articles 140 à 150 couvrant en permanence le minimum de capital requis fixé conformément à l’article 189. Section II Conservation de documents Art. 76 Les entreprises d’assurance et de réassurance conservent les documents relatifs à leurs activités à leur siège ou en tout autre lieu préalablement autorisé par la Banque en concertation avec la FSMA. Sans préjudice d’autres dispositions légales régissant la conservation de documents, la Banque peut fixer, par voie de règlement pris conformément à l’article 12bis, § 2 de la loi du 22 février 1998, le délai et les modalités de conservation des documents visés à l’alinéa 1er. 821 1584/002 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 Afdeling III Leiding en leiders Onderafdeling I Toezicht en beoordeling door het wettelijk bestuursorgaan Art. 77 § 1. Het wettelijk bestuursorgaan beoordeelt perio- diek en minstens eenmaal per jaar de doeltreffendheid van het in artikel 42 bedoelde governancesysteem van de onderneming en de mate waarin het voldoet aan de verplichtingen die door of krachtens deze wet en, in voorkomend geval, door de maatregelen tot uitvoering van Richtlijn 2009/138/EG zijn opgelegd. Het ziet erop toe dat het directiecomité de nodige maatregelen neemt om eventuele tekortkomingen aan te pakken. § 2. Het wettelijk bestuursorgaan oefent effectief toe- zicht uit op het directiecomité en is verantwoordelijk voor het toezicht op de beslissingen die door het directieco- mité en door de effectieve leiding van de onderneming worden genomen. § 3. Het wettelijk bestuursorgaan beoordeelt in het bij- zonder de goede werking van de in artikel 54 bedoelde onafhankelijke controlefuncties. § 4. In het jaarlijks verslag van het wettelijk bestuurs- orgaan wordt de individuele en collectieve deskundig- heid van de leden van de in artikel 48 bedoelde comités gerechtvaardigd. § 5. Het wettelijk bestuursorgaan legt de algemene beginselen van het beloningsbeleid vast en beoordeelt deze regelmatig, en minstens eenmaal per jaar, en is verantwoordelijk voor het toezicht op de tenuitvoerleg- ging ervan. Voor die beoordeling kan het een beroep doen op de onafhankelijke controlefuncties. § 6. Het wettelijk bestuursorgaan waakt erover dat het in artikel 42, § 3 bedoelde governancememorandum geactualiseerd wordt en dat het geactualiseerde gover- nancememorandum aan de Bank wordt overgemaakt. § 7. Het wettelijk bestuursorgaan keurt een schriftelijk vastgelegd beleid goed dat waarborgt dat de informatie die met toepassing van de artikelen 312 tot 316 aan de Bank wordt meegedeeld, altijd adequaat is; § 8. Het wettelijk bestuursorgaan keurt het in ar- tikel 95 bedoelde verslag over de solvabiliteit en de financiële positie goed voordat het gepubliceerd wordt. Section III Direction et dirigeants Sous-section Ire Contrôle et évaluation par l’organe légal d’administration Art. 77 §  1er. L’organe légal d’administration évalue périodiquement, et au moins une fois par an, l’effica- cité du système de gouvernance de l’entreprise visé à l’article 42 et sa conformité aux obligations prévues par ou en vertu de la présente loi et, le cas échéant, par les mesures d’exécution de la Directive 2009/138/ CE. Il veille à ce que le comité de direction prenne les mesures nécessaires pour remédier aux éventuels manquements. § 2. L’organe légal d’administration exerce un contrôle effectif sur le comité de direction et assure la surveil- lance des décisions prises par le comité de direction et les dirigeants effectifs de l’entreprise. § 3. L’organe légal d’administration évalue en parti- culier le bon fonctionnement des fonctions de contrôle indépendantes visées à l’article 54. § 4. Le rapport annuel de l’organe légal d’administra- tion justifie la compétence individuelle et collective des membres des comités visés à l’article 48. § 5. L’organe légal d’administration adopte et évalue régulièrement, et au moins une fois par an, les principes généraux de la politique de rémunération et assure la surveillance de sa mise en oeuvre. Dans le cadre de cette évaluation, il peut recourir aux fonctions de contrôle indépendantes. § 6. L’organe légal d’administration s’assure de la mise à jour du mémorandum de gouvernance visé à l’article 42, § 3, et de la transmission à la Banque du mémorandum de gouvernance actualisé. § 7. L’organe légal d’administration approuve une politique écrite garantissant l’adéquation permanente des informations communiquées à la Banque en appli- cation des articles 312 à 316; § 8. L’organe légal d’administration approuve, avant sa publication, le rapport sur la solvabilité et la situation financière visé à l’article 95. Il s’assure de la mise à jour 822 1584/002 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 Het waakt erover dat dit verslag jaarlijks geactualiseerd wordt en dat het geactualiseerde verslag aan de Bank wordt overgemaakt. § 9. Het wettelijk bestuursorgaan besluit welke maat- regelen moeten worden getroffen naar aanleiding van de bevindingen en aanbevelingen van de interne audit en zorgt ervoor dat deze maatregelen worden uitgevoerd. Art. 78 § 1. Het wettelijk bestuursorgaan ziet in het bijzonder toe op de integriteit van de boekhoudsystemen en van de systemen voor financiële verslaggeving, met inbegrip van de regelingen voor de operationele en financiële controle. Het beoordeelt de werking van de interne controle minstens eenmaal per jaar en waakt erover dat deze controle een redelijke mate van zekerheid verschaft over de betrouwbaarheid van het verslag- gevingsproces, zodat met name de jaarrekening en de financiële informatie in overeenstemming zijn met de geldende regelgeving. §  2.  Het wettelijk bestuursorgaan houdt toezicht op het publicatie- en communicatieproces dat door of krachtens deze wet en, in voorkomend geval, door de Europese regelgeving is opgelegd. Art. 79 De erkend commissaris brengt verslag uit bij het wettelijk bestuursorgaan, in voorkomend geval via het auditcomité, over belangrijke kwesties die bij de uitoe- fening van zijn wettelijke controle van de jaarrekening naar voren zijn gekomen, en inzonderheid over ernstige tekortkomingen in de interne controle met betrekking tot het financiëleverslaggevingsproces. Onderafdeling II Door het directiecomité te nemen maatregelen Art. 80 § 1. Onverminderd de bevoegdheden van het wet- telijk bestuursorgaan neemt het directiecomité onder toezicht van het wettelijk bestuursorgaan de nodige maatregelen voor de naleving en de tenuitvoerlegging van de bepalingen van artikel 42. § 2. Het directiecomité brengt minstens eenmaal per jaar verslag uit aan het wettelijk bestuursorgaan, de erkend commissaris en de Bank, over de beoordeling annuelle de ce rapport et de la transmission à la Banque du rapport actualisé. § 9. L’organe légal d’administration détermine quelles actions doivent être prises à la suite des conclusions et recommandations de l’audit interne et veille à ce que ces actions soient menées à bien. Art. 78 § 1er. L’organe légal d’administration veille en parti- culier à l’intégrité des systèmes de comptabilité et de déclaration de l’information financière, en ce compris les dispositifs de contrôle opérationnel et financier. Il évalue le fonctionnement du contrôle interne au moins une fois par an et s’assure que ce contrôle procure un degré de certitude raisonnable quant à la fiabilité du processus de reporting de l’information, de manière à ce que, notamment, les comptes annuels et l’informa- tion financière soient conformes à la réglementation en vigueur. § 2. L’organe légal d’administration supervise le pro- cessus de publication et de communication requis par ou en vertu de la présente loi et, le cas échéant, par la réglementation européenne. Art. 79 Le commissaire agréé fait rapport à l’organe légal d’administration, le cas échéant, par l’intermédiaire du comité d’audit sur les questions importantes apparues dans l’exercice de sa mission de contrôle légal des comptes, et en particulier sur les faiblesses significatives du contrôle interne au regard du processus de reporting de l’information financière. Sous-section II Mesures à prendre par le comité de direction Art. 80 § 1er. Sans préjudice des pouvoirs dévolus à l’organe légal d’administration et sous sa surveillance, le comité de direction prend les mesures nécessaires pour assu- rer le respect et la mise en œuvre des dispositions de l’article 42. § 2. Le comité de direction fait rapport au moins une fois par an à l’organe légal d’administration, au com- missaire agréé et à la Banque concernant l’évaluation 823 1584/002 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 van de doeltreffendheid van het in artikel 42 bedoelde governancesysteem en over de maatregelen die in voorkomend geval worden genomen om eventuele te- kortkomingen aan te pakken. Het verslag rechtvaardigt waarom deze maatregelen voldoen aan de wettelijke en reglementaire bepalingen. § 3. Onverminderd zijn andere taken, voert het direc- tiecomité het beloningsbeleid uit dat door het wettelijk bestuursorgaan wordt vastgelegd. § 4. Het directiecomité neemt ook de nodige maat- regelen om ervoor te zorgen dat de verzekerings- of herverzekeringsonderneming de risico’s bedoeld in Afdeling IV van dit Hoofdstuk beheerst. § 5. Het directiecomité van de verzekerings- of her- verzekeringsonderneming verklaart aan de Bank dat de informatie die haar wordt bezorgd overeenkomstig de artikelen 312 tot 316 volledig is en de situatie van de onderneming correct weergeeft, rekening houdend met haar risicoprofiel, en dat zij is opgesteld volgens de voorschriften die door of krachtens deze wet, de uitvoeringsmaatregelen van Richtlijn 2009/138/EG en de instructies van de Bank zijn vastgesteld. Onderafdeling III Benoemingen, ontslagen en uitoefening van externe functies Art. 81 § 1. De verzekerings- of herverzekeringsondernemin- gen stellen de Bank voorafgaandelijk in kennis van het voorstel tot benoeming van de leden van het wettelijk be- stuursorgaan en van de leden van het directiecomité of, bij ontstentenis van een directiecomité, van de personen belast met de effectieve leiding, evenals van de verant- woordelijken voor de onafhankelijke controlefuncties. In het kader van de krachtens het eerste lid vereiste kennisgeving delen de verzekerings- of herverzeke- ringsondernemingen aan de Bank alle documenten en informatie mee die haar toelaten te beoordelen of de personen waarvan de benoeming wordt voorgesteld, overeenkomstig artikel 41 over de voor de uitoefening van hun functie vereiste professionele betrouwbaarheid en passende deskundigheid beschikken. Het eerste lid is eveneens van toepassing op het voorstel tot hernieuwing van de benoeming van de in het eerste lid bedoelde personen, evenals op de de l’efficacité du système de gouvernance visé à l’article 42 et les mesures prises le cas échéant pour remédier aux déficiences qui auraient été constatées. Le rapport justifie en quoi ces mesures satisfont aux dispositions légales et réglementaires. § 3. Sans préjudice de ses autres tâches, il met en œuvre la politique de rémunération adoptée par l’organe légal d’administration. § 4. Le comité de direction met également en œuvre les mesures nécessaires pour assurer la maîtrise des risques visés à la Section IV du présent Chapitre. § 5. Le comité de direction de l’entreprise d’assu- rance ou de réassurance déclare à la Banque que les informations qui lui sont transmises conformément aux articles 312 à 316 sont complètes et reflètent correc- tement la situation de l’entreprise compte tenu de son profil de risque et qu’elles sont établies conformément aux prescriptions prévues par ou en vertu de la présente loi, aux mesures d’exécution de la Directive 2009/138/ CE et aux instructions de la Banque. Sous-section III Nominations, démissions et exercice de fonctions extérieures Art. 81 § 1er. Les entreprises d’assurance ou de réassurance informent préalablement la Banque de la proposition de nomination des membres de l’organe légal d’adminis- tration et des membres du comité de direction ou, en l’absence de comité de direction, des personnes char- gées de la direction effective, ainsi que des personnes responsables des fonctions de contrôle indépendantes. Dans le cadre de l’information requise en vertu de l’alinéa 1er, les entreprises d’assurance ou de réassu- rance communiquent à la Banque tous les documents et informations lui permettant d’évaluer si les personnes dont la nomination est proposée disposent de l’hono- rabilité professionnelle nécessaire et de l’expertise adéquate à l’exercice de leur fonction conformément à l’article 41. L’alinéa 1er est également applicable à la proposition de renouvellement de la nomination des personnes qui y sont visées ainsi qu’au non-renouvellement de leur 824 1584/002 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 niet-hernieuwing van hun benoeming, hun afzetting of hun ontslag. § 2. De benoeming van de in paragraaf 1 bedoelde personen wordt voorafgaandelijk ter goedkeuring voor- gelegd aan de Bank. Wanneer het de benoeming betreft van een per- soon die voor het eerst voor een functie als bedoeld in paragraaf 1 wordt voorgedragen bij een onderneming die met toepassing van artikel 36/2 van de wet van 22 februari 1998 onder het toezicht staat van de Bank, raadpleegt de Bank eerst de FSMA. De FSMA deelt haar advies mee aan de Bank binnen een termijn van een week na ontvangst van het verzoek om advies. § 3. De verzekerings- of herverzekeringsondernemin- gen stellen de Bank in kennis van de eventuele taakver- deling tussen de leden van het wettelijk bestuursorgaan, tussen de leden van het directiecomité of, bij ontstente- nis van een directiecomité, tussen de personen belast met de effectieve leiding. Belangrijke wijzigingen in de taakverdeling als be- doeld in het eerste lid, geven aanleiding tot de toepas- sing van de paragrafen 1 en 2. Art. 82 De personen die verantwoordelijk zijn voor de in arti- kel 54 bedoelde onafhankelijke controlefuncties kunnen niet zonder voorafgaande goedkeuring van het wettelijk bestuursorgaan uit hun functie worden verwijderd. Art. 83 § 1. De leden van het wettelijk bestuursorgaan, de leden van het directiecomité, en, bij ontstentenis van een directiecomité, de personen belast met de effectieve leiding, besteden de nodige tijd aan de uitoefening van hun functies in de onderneming. § 2. Onverminderd paragraaf 1 en artikel 42 mogen de leden van de organen van de verzekerings- of herverze- keringsonderneming en alle personen die, onder welke benaming of in welke hoedanigheid ook, deelnemen aan het bestuur of het beleid van de onderneming, al dan niet ter vertegenwoordiging van de verzekerings- of herverzekeringsonderneming, onder de voorwaarden en binnen de grenzen vastgesteld in dit artikel, manda- ten als bestuurder of zaakvoerder waarnemen in dan wel deelnemen aan het bestuur of het beleid van een nomination, à leur révocation, à leur licenciement ou à leur démission. § 2. La nomination des personnes visées au para- graphe 1er est soumise à l’approbation préalable de la Banque. Lorsqu’il s’agit de la nomination d’une personne qui est proposée pour la première fois à une fonction visée au paragraphe 1er dans une entreprise relevant du contrôle de la Banque par application de l’article 36/2 de la loi du 22 février 1998, la Banque consulte préalablement la FSMA. La FSMA communique son avis à la Banque dans un délai d’une semaine à compter de la réception de la demande d’avis. § 3. Les entreprises d’assurance ou de réassurance informent la Banque de la répartition éventuelle des tâches entre les membres de l’organe légal d’adminis- tration, entre les membres du comité de direction ou, en l’absence de comité de direction, entre les personnes chargées de la direction effective. Les modifications importantes intervenues dans la répartition des tâches visée à l’alinéa 1er, donnent lieu à l’application des paragraphes 1er et 2. Art. 82 Les personnes qui sont responsables des fonctions de contrôle indépendantes visées à l’article  54  ne peuvent être démises de leur fonction sans l’accord préalable de l’organe légal d’administration. Art. 83 § 1er. Les membres de l’organe légal d’administration, les membres du comité de direction et, en l’absence de comité de direction, les personnes en charge de la direction effective consacrent le temps nécessaire à l’exercice de leurs fonctions au sein de l’entreprise. § 2. Sans préjudice du paragraphe 1er et de l’ar- ticle  42, les membres des organes de l’entreprise d’assurance ou de réassurance et toutes personnes qui, sous quelque dénomination et en quelque qualité que ce soit, prennent part à son administration ou sa gestion peuvent, en représentation ou non de l’entre- prise d’assurance ou de réassurance, exercer des mandats d’administrateur ou de gérant ou prendre part à l’administration ou à la gestion au sein d’une société commerciale ou à forme commerciale, d’une 825 1584/002 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 handelsvennootschap of een vennootschap met han- delsvorm, een onderneming met een andere Belgische of buitenlandse rechtsvorm of een Belgische of buiten- landse openbare instelling die industriële, commerciële of financiële activiteiten uitoefent. § 3. De externe functies als bedoeld in paragraaf 2 worden beheerst door de interne regels die de ver- zekerings- of herverzekeringsonderneming invoert en doet naleven teneinde: 1° te vermijden dat personen die deelnemen aan de effectieve leiding van de verzekerings- of herverzeke- ringsonderneming, door de uitoefening van die functies niet langer voldoende beschikbaar zouden zijn om de effectieve leiding waar te nemen; 2° te voorkomen dat bij de verzekerings- of herver- zekeringsonderneming belangenconflicten zouden optreden alsook risico’s die gepaard gaan met de uit- oefening van die functies, onder andere op het vlak van transacties van ingewijden; 3° te zorgen voor een passende openbaarmaking van die functies. De Bank bepaalt, bij reglement vastgesteld met toepassing van artikel 12bis, §  2  van de wet van 22 februari 1998, hoe die verplichtingen ten uitvoer moeten worden gelegd. § 4. De mandatarissen van een vennootschap die worden benoemd op voordracht van de verzekerings- of herverzekeringsonderneming, moeten leden van het directiecomité van de verzekerings- of herverzeke- ringsonderneming zijn, dan wel personen die door het directiecomité zijn aangewezen. § 5. De leden van het wettelijk bestuursorgaan die geen lid zijn van het directiecomité van de verzekerings- of herverzekeringsonderneming, mogen geen mandaat uitoefenen in een vennootschap waarin de verzekerings- of herverzekeringsonderneming een deelneming bezit, tenzij zij niet deelnemen aan het dagelijks bestuur van die vennootschap. § 6. De leden van het directiecomité, of, bij ontsten- tenis van een directiecomité, de personen die deelne- men aan de effectieve leiding van de verzekerings- of herverzekeringsonderneming, mogen geen mandaat uitoefenen dat een deelname aan het dagelijks bestuur inhoudt, tenzij in: 1° een vennootschap als bedoeld in artikel 89, lid 1, van Verordening (EU) nr. 575/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende entreprise d’une autre forme de droit belge ou étranger ou d’une institution publique belge ou étrangère, ayant une activité industrielle, commerciale ou financière, aux conditions et dans les limites prévues au présent article. §  3.  Les fonctions extérieures visées au para- graphe  2  sont régies par des règles internes que l’entreprise d’assurance ou de réassurance adopte et fait respecter en vue de poursuivre les objectifs suivants: 1°  éviter que l’exercice de ces fonctions par des personnes participant à la direction effective de l’entre- prise d’assurance ou de réassurance ne porte atteinte à la disponibilité requise pour l’exercice de la direction effective; 2° prévenir dans le chef de l’entreprise d’assurance ou de réassurance la survenance de conflits d’intérêts ainsi que les risques qui s’attachent à l’exercice de ces fonctions, notamment sur le plan des opérations d’initiés; 3° assurer une publicité adéquate de ces fonctions. La Banque fixe les modalités de ces obligations par voie de règlement adopté en application de l’article 12bis, § 2, de la loi du 22 février 1998. § 4. Les mandataires sociaux nommés sur présen- tation de l’entreprise d’assurance ou de réassurance doivent être des membres du comité de direction de l’entreprise d’assurance ou de réassurance ou des personnes désignées par le comité de direction. § 5. Les membres de l’organe légal d’administration qui ne sont pas membres du comité de direction de l’entreprise d’assurance ou de réassurance ne peuvent exercer un mandat dans une société dans laquelle l’entreprise d’assurance ou de réassurance détient une participation que s’ils ne participent pas à la gestion courante de cette société. § 6. Les membres du comité de direction ou, en l’absence de comité de direction, les personnes qui participent à la direction effective de l’entreprise d’assu- rance ou de réassurance ne peuvent exercer un mandat comportant une participation à la gestion courante que s’il s’agit: 1° d’une société visée à l’article 89, paragraphe 1er, du règlement (UE) n° 575/2013 du Parlement européen et du Conseil du 26 juin 2013 concernant les exigences 826 1584/002 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 prudentiële vereisten voor kredietinstellingen en beleg- gingsondernemingen en tot wijziging van Verordening (EU) nr. 648/2012, waarmee de verzekerings- of herver- zekeringsonderneming nauwe banden heeft; 2° een instelling voor belegging in schuldvorderingen die geregeld is bij statuten in de zin van de wet van 3 augustus 2012 betreffende de instellingen voor col- lectieve belegging die voldoen aan de voorwaarden van Richtlijn 2009/65/EG en de instellingen voor belegging in schuldvorderingen of een instelling voor collectieve belegging die geregeld is bij statuten in de zin van de voornoemde wet van 3 augustus 2012 of de wet van 19 april 2014 betreffende de alternatieve instellingen voor collectieve belegging en hun beheerders; 3° een onderneming met een activiteit in het ver- lengde van het verzekerings- of herverzekeringsbedrijf, zoals verzekeringsbemiddeling of schaderegeling; 4° een patrimoniumvennootschap waarin zij of hun familie, in het kader van het normale beheer van hun vermogen, een significant belang bezitten. De personen die deelnemen aan de effectieve leiding van een verzekeringsmaatschappij van onderlinge bij- stand, mogen daarenboven deelnemen aan het dage- lijks bestuur van een ziekenfonds, van een landsbond van ziekenfondsen of van een andere maatschappij van onderlinge bijstand als bedoeld in de voornoemde wet van 6 augustus 1990 waarbij de leden van deze verzekeringsmaatschappij van onderlinge bijstand zich kunnen aansluiten. § 7. De verzekerings- of herverzekeringsondernemin- gen brengen de functies die buiten de verzekerings- of herverzekeringsonderneming worden uitgeoefend door de in paragraaf 1 bedoelde personen, zonder uitstel ter kennis van de Bank, ten behoeve van het toezicht op de naleving van de bepalingen van dit artikel. De Bank bepaalt de modaliteiten van de in het eerste lid bedoelde kennisgeving. Afdeling IV Risicobeheer Art. 84 Iedere verzekerings- of herverzekeringsonderneming zorgt ervoor dat haar risico’s worden beheerst overeen- komstig de bepalingen van deze Afdeling. prudentielles applicables aux établissements de crédit et aux entreprises d’investissement et modifiant le règlement (UE) n° 648/2012, avec laquelle l’entreprise d’assurance a des liens étroits; 2° d’un organisme de placement en créance à forme statutaire au sens de la loi du 3 août 2012 relative aux organismes de placement collectif qui répondent aux conditions de la directive 2009/65/CE et aux organismes de placement en créances ou d’un organisme de pla- cement collectif à forme statutaire au sens de la loi du 3 août 2012 précitée ou de la loi du 19 avril 2014 relative aux organismes de placement collectif alternatifs et à leurs gestionnaires; 3° d’une entreprise dont l’activité se situe dans le pro- longement de l’activité d’assurance ou de réassurance, telle l’intermédiation en assurances et en réassurance ou le règlement de sinistres; 4° d’une société patrimoniale dans laquelle de telles personnes ou leur famille détiennent, dans le cadre de la gestion normale de leur patrimoine, un intérêt significatif. Les personnes qui participent à la direction effective d’une société mutualiste d’assurance, peuvent en outre participer à la gestion journalière d’une mutualité, d’une union nationale de mutualités ou d’une autre société mutualiste visée par la loi du 6 août 1990 précitée auprès de laquelle les membres de cette société mutualiste d’assurance, peuvent s’affilier. § 7. Les entreprises d’assurance ou de réassurance notifient sans délai à la Banque les fonctions exercées en dehors de l’entreprise d’assurance ou de réassu- rance par les personnes visées au paragraphe 1er aux fins du contrôle du respect des dispositions prévues au présent article. La Banque précise les modalités de la communication prévue à l’alinéa 1er. Section IV Gestion des risques Art. 84 Les entreprises d’assurance ou de réassurance assurent la maîtrise de leurs risques conformément aux dispositions de la présente Section. 827 1584/002 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 Art. 85 § 1. Het risicobeheersysteem waarin artikel 56 voor- ziet, bestrijkt de risico’s waarmee rekening moet worden gehouden bij de berekening van het solvabiliteitskapi- taalvereiste overeenkomstig artikel 151, § 4, alsook de risico’s waarmee bij die berekening niet of onvolledig rekening wordt gehouden. §  2.  Bovendien bestrijkt het risicobeheersysteem minstens de volgende gebieden: 1° onderschrijving en reservering; 2° beheer van activa/passiva (asset-liability manage- ment – ALM); 3° beleggingen, in het bijzonder in afgeleide instru- menten en vergelijkbare verbintenissen; 4° beheer van het liquiditeits- en concentratierisico; 5° beheer van het operationeel risico; 6° herverzekering en andere risicomatigingstechnieken. De in artikel 42, § 3 bedoelde schriftelijk vastgelegde beleidslijnen voor het risicobeheer bestaan uit beleids- lijnen voor de in deze paragraaf opgesomde gebieden. Art. 86 Wanneer de verzekerings- of herverzekeringsonder- nemingen de in artikel 129 bedoelde matchingopslag of de in artikel  131  bedoelde volatiliteitsaanpassing toepassen, stellen zij een liquiditeitsplan op met een raming van de inkomende en uitgaande kasstromen in verband met de activa en passiva waarop die opslagen en aanpassingen worden toegepast. Art. 87 Met betrekking tot het beheer van activa/passiva voe- ren de verzekerings- of herverzekeringsondernemingen een regelmatige beoordeling uit van: 1° de gevoeligheid van hun technische voorzieningen en hun in aanmerking komend eigen vermogen voor de hypothesen die ten grondslag liggen aan de extrapolatie van de relevante risicovrije rentetermijnstructuur als bedoeld in artikel 126, § 2; Art. 85 § 1er. Le système de gestion des risques prévu à l’ar- ticle 56, couvre les risques à prendre en considération dans le calcul du capital de solvabilité requis conformé- ment à l’article 151, § 4, ainsi que les risques n’entrant pas ou n’entrant pas pleinement dans ce calcul. § 2. En outre, le système de gestion des risques couvre au moins les domaines suivants: 1° la souscription et le provisionnement; 2° la gestion actif-passif (asset-liability management – ALM); 3° les investissements, en particulier dans les instru- ments dérivés et engagements similaires; 4° la gestion du risque de liquidité et de concentration; 5° la gestion du risque opérationnel; 6° la réassurance et les autres techniques d’atténua- tion du risque. Les politiques écrites concernant la gestion des risques visées à l’article 42, § 3, comprennent des politiques couvrant les domaines énumérés au présent paragraphe. Art. 86 Lorsque les entreprises d’assurance ou de réas- surance appliquent l’ajustement égalisateur visé à l’article  129  ou la correction pour volatilité visée à l’article 131, elles établissent un plan de liquidité com- portant une prévision des flux de trésorerie entrants et sortants au regard des actifs et passifs faisant l’objet de ces ajustements et corrections. Art. 87 En ce qui concerne la gestion des actifs et des pas- sifs, les entreprises d’assurance ou de réassurance évaluent régulièrement: 1° la sensibilité de leurs provisions techniques et de leurs fonds propres éligibles aux hypothèses sous-ten- dant l’extrapolation de la courbe pertinente des taux d’intérêt sans risque visée à l’article 126, § 2; 828 1584/002 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 2°  bij toepassing van de in artikel  129  bedoelde matchingsopslag: a) de gevoeligheid van hun technische voorzieningen en hun in aanmerking komend eigen vermogen voor de hypothesen die ten grondslag liggen aan de bere- kening van de matchingsopslag, met inbegrip van de berekening van de fundamentele spread als bedoeld in artikel 130, § 1, 2°, en het mogelijke effect van een gedwongen verkoop van activa op hun in aanmerking komend eigen vermogen; b) de gevoeligheid van hun technische voorzieningen en hun in aanmerking komend eigen vermogen voor wijzigingen in de samenstelling van de toegewezen activaportefeuille; c) het effect dat een verlaging van de matchingopslag tot nul zal teweegbrengen; 3° bij toepassing van de in artikel 131 genoemde volatiliteitsaanpassing: a) de gevoeligheid van hun technische voorzieningen en hun in aanmerking komend eigen vermogen voor de hypothesen die ten grondslag liggen aan de berekening van de volatiliteitsaanpassing, en het mogelijke effect van een gedwongen verkoop van activa op hun in aan- merking komend eigen vermogen; b) het effect dat een verlaging van de volatiliteitsaan- passing tot nul zal teweegbrengen. De verzekerings- of herverzekeringsondernemingen leggen de in het eerste lid bedoelde beoordelingen jaarlijks voor aan de Bank in het kader van de informa- tieverstrekking bedoeld in artikel 312. Indien de verlaging van de matchingopslag of de volatiliteitsaanpassing tot nul, zou resulteren in niet-naleving van het solvabiliteits- kapitaalvereiste, dient de onderneming ook een analyse in van de maatregelen die zij zou kunnen nemen om het niveau van het in aanmerking komend eigen vermogen ter dekking van het solvabiliteitskapitaalvereiste te her- stellen of het risicoprofiel te verlagen om te garanderen dat het solvabiliteitskapitaalvereiste wordt nageleefd. Wanneer de in artikel  131  bedoelde volatiliteits- aanpassing wordt toegepast, omvat het schriftelijk vastgelegde beleid inzake risicobeheer als bedoeld in artikel 42, § 3, een beleid inzake de criteria voor de toepassing van de volatiliteitsaanpassing. 2° en cas d’application de l’ajustement égalisateur visé à l’article 129: a) la sensibilité de leurs provisions techniques et de leurs fonds propres éligibles aux hypothèses sous-ten- dant le calcul de l’ajustement égalisateur, y compris le calcul de la marge fondamentale visé à l’article 130, §  1er, 2°, et les effets potentiels d’une vente forcée d’actifs sur leurs fonds propres éligibles; b) la sensibilité de leurs provisions techniques et de leurs fonds propres éligibles aux modifications de la composition du portefeuille assigné d’actifs; c) les conséquences d’une réduction de l’ajustement égalisateur à zéro; 3° en cas d’application de la correction pour volatilité visée à l’article 131: a) la sensibilité de leurs provisions techniques et de leurs fonds propres éligibles aux hypothèses sous- tendant le calcul de la correction pour volatilité et les conséquences potentielles d’une vente forcée d’actifs sur leurs fonds propres éligibles; b) les conséquences d’une réduction de la correction pour volatilité à zéro. Les entreprises d’assurance ou de réassurance soumettent chaque année les évaluations visées à l’ali- néa 1er, à la Banque dans le cadre de la communication d’informations visée à l’article 312. Dans le cas où la réduction de l’ajustement égalisateur ou de la correction pour volatilité à zéro aurait pour effet le non-respect du capital de solvabilité requis, l’entreprise soumet égale- ment une analyse des mesures qu’elle pourrait prendre en vue de rétablir le niveau de fonds propres éligibles correspondant au capital de solvabilité requis ou de réduire le profil de risque afin de garantir la conformité du capital de solvabilité requis. Lorsque la correction pour volatilité visée à l’ar- ticle 131 est appliquée, la politique écrite en matière de gestion du risque visée à l’article 42, § 3, comprend une politique sur les critères d’application de la correction pour volatilité. 829 1584/002 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 Art. 88 Wat het beleggingsrisico betreft, tonen de verzeke- rings- of herverzekeringsondernemingen aan dat zij voldoen aan de bepalingen van de artikelen 190 tot 198. Art. 89 Om overmatig vertrouwen in externe kredietbe- oordelingsinstellingen te vermijden, beoordelen de verzekerings- of herverzekeringsondernemingen bij het gebruik van externe kredietbeoordelingen bij de berekening van de technische voorzieningen en het solvabiliteitskapitaalvereiste de geschiktheid van deze externe kredietbeoordelingen, in het kader van hun risi- cobeheer, door in voorkomend geval gebruik te maken van aanvullende beoordelingen teneinde te voorkomen dat zij zich automatisch laten leiden door deze externe beoordelingen. Art. 90 Bij verzekerings- of herverzekeringsondernemin- gen die gebruikmaken van een geheel of gedeeltelijk intern model dat goedgekeurd is overeenkomstig de artikelen 167 en 168, vervult de risicobeheerfunctie de volgende extra taken: 1° ontwerpen en toepassen van het interne model; 2° toetsen en valideren van het interne model; 3° bijhouden van informatie over het interne model en over de daarin aangebrachte wijzigingen; 4° analyseren van de werking van het interne model en opstellen van samenvattende verslagen daarover. 5° verstrekken van informatie aan het wettelijk be- stuursorgaan en het directiecomité over de werking van het interne model en daarbij aangeven waar verbeterin- gen noodzakelijk zijn, en op de hoogte houden van deze organen van de vorderingen die gemaakt zijn bij het verhelpen van eerder geconstateerde zwakke punten. Art. 88 En ce qui concerne le risque d’investissement, les entreprises d’assurance ou de réassurance démontrent qu’elles satisfont aux dispositions des articles 190 à 198. Art. 89 Afin de se prémunir d’un excès de confiance dans les établissements externes d’évaluation du crédit lorsqu’elles utilisent les évaluations externes du crédit pour le calcul des provisions techniques et du capital de solvabilité requis, les entreprises d’assurance ou de réassurance vérifient, dans le cadre de leur gestion des risques, le bien-fondé des évaluations externes de crédit en usant, le cas échéant, d’évaluations supplémentaires afin de se préserver d’une dépendance automatique à l’égard de ces évaluations externes. Art. 90 Pour les entreprises d’assurance ou de réassurance utilisant un modèle interne partiel ou intégral qui a été approuvé conformément aux articles  167  et 168, la fonction de gestion des risques recouvre les tâches supplémentaires suivantes: 1° la conception et la mise en œuvre du modèle interne; 2° le test et la validation du modèle interne; 3° le suivi documentaire du modèle interne et de toute modification qui lui est apportée; 4° l’analyse de la performance du modèle interne et la production de rapports de synthèse concernant cette analyse; 5° l’information de l’organe légal d’administration et du comité de direction sur la performance du modèle interne en suggérant les éléments à améliorer, et la com- munication à ces organes de l’état d’avancement des efforts déployés pour remédier aux faiblesses détectées. 830 1584/002 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 Afdeling V Beoordeling van het eigen risico en de solvabiliteit (Own Risk and Solvency Assessment) Art. 91 §  1. In het kader van haar risicobeheersysteem beoordeelt elke verzekerings- of herverzekeringson- derneming haar eigen risico en solvabiliteit (Own Risk and Solvency Assessment of “ORSA”). Deze beoordeling heeft minstens betrekking op: 1° de algehele solvabiliteitsbehoeften, waarbij reke- ning wordt gehouden met het specifieke risicoprofiel evenals met de algemene risicotolerantielimieten en de strategie van de onderneming, die goedgekeurd zijn door het wettelijk bestuursorgaan; 2° of de in Afdeling II van Hoofdstuk VI vastgelegde kapitaalvereisten en de in Afdeling I, Onderafdeling II van Hoofdstuk VI vastgelegde vereisten inzake techni- sche voorzieningen permanent worden nageleefd; 3° de mate waarin het risicoprofiel van de onderne- ming afwijkt van de hypothesen die ten grondslag liggen aan het solvabiliteitskapitaalvereiste zoals vastgelegd in artikel 151 en berekend met de standaardformule overeenkomstig de artikelen 153 tot 166, of met een geheel of gedeeltelijk intern model overeenkomstig de artikelen 167 tot 188. § 2. Voor de toepassing van paragraaf 1, tweede lid, 1°, beschikt de onderneming over procedures die in ver- houding staan tot de aard, de omvang en de complexiteit van de risico’s die aan haar activiteiten verbonden zijn en waarmee zij de korte- en langetermijnrisico’s waaraan zij blootstaat of zou kunnen blootstaan, op adequate wijze kan identificeren en beoordelen. De onderneming toont de relevantie aan van de methodes die zij gebruikt voor deze beoordeling. § 3. Wanneer de verzekerings- of herverzekeringson- derneming de in artikel 129 bedoelde matchingopslag, de in artikel 131 bedoelde volatiliteitsaanpassing of de in de artikelen 668 en 669 bedoelde overgangsmaat- regelen toepast, beoordeelt zij de naleving van de kapitaalvereisten, als bedoeld in paragraaf 1, tweede lid, 2°, waarbij deze opslagen, aanpassingen en over- gangsmaatregelen zowel wel als niet in aanmerking worden genomen. Section V Évaluation interne des risques et de la solvabilité (Own Risk and Solvency Assessment) Art. 91 § 1er. Dans le cadre de son système de gestion des risques, l’entreprise d’assurance ou de réassurance procède à une évaluation interne des risques et de la solvabilité (Own Risk and Solvency Assessment ou “ORSA”). Cette évaluation porte au moins sur les éléments suivants: 1° le besoin global de solvabilité, compte tenu du profil de risque spécifique ainsi que des limites générales de la tolérance au risque et de la stratégie de l’entreprise, approuvées par l’organe légal d’administration; 2° le respect permanent des exigences de capital prévues à la Section II du Chapitre VI et des exigences concernant les provisions techniques prévues à la Section Ire, Sous-section II du Chapitre VI; 3° la mesure dans laquelle le profil de risque de l’entreprise s’écarte des hypothèses qui sous-tendent le capital de solvabilité requis prévu à l’article  151, qu’il soit calculé à l’aide de la formule standard confor- mément aux articles 153 à 166 ou en recourant à un modèle interne, partiel ou intégral, conformément aux articles 167 à 188. § 2. Aux fins du paragraphe 1er, alinéa 2, 1°, l’entre- prise concernée met en place des procédures propor- tionnées à la nature, à l’ampleur et à la complexité des risques inhérents à son activité et qui lui permettent d’identifier et d’évaluer de manière adéquate les risques auxquels elle est ou pourrait être exposée à court et long termes. L’entreprise démontre la pertinence des méthodes qu’elle utilise pour cette évaluation. §  3.  Lorsque l’entreprise d’assurance ou de réassurance applique l’ajustement égalisateur visé à l’article  129, la correction pour volatilité visée à l’article  131  ou les mesures transitoires visées aux articles 668 et 669, elle évalue la conformité avec les exigences de capital visées au paragraphe 1er, alinéa 2, 2°, à la fois en tenant compte et sans tenir compte de ces ajustements et corrections et mesures transitoires. 831 1584/002 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 § 4. Bij gebruikmaking van een intern model wordt de beoordeling in het in paragraaf 1, tweede lid, 3° bedoelde geval samen met de herkalibratie verricht waarbij de resultaten van het interne model worden afgestemd op de risicomaatstaf en de kalibratie van het solvabiliteitskapitaalvereiste. § 5. De beoordeling van het eigen risico en de sol- vabiliteit maakt integraal deel uit van de strategie van de onderneming en wordt systematisch in aanmerking genomen bij de strategische beslissingen van de onderneming. § 6. De verzekerings- of herverzekeringsondernemin- gen verrichten de in paragraaf 1 bedoelde beoordeling minstens eenmaal per jaar en verrichten deze onverwijld na een significante wijziging in hun risicoprofiel. § 7. De verzekerings- of herverzekeringsondernemin- gen stellen de Bank in het kader van de informatiever- strekking met toepassing van artikel 312 in kennis van de conclusies van elke beoordeling van het eigen risico en de solvabiliteit. § 8. De beoordeling van het eigen risico en de solva- biliteit dient niet om een kapitaalvereiste te berekenen. Het solvabiliteitskapitaalvereiste mag alleen worden aangepast overeenkomstig de artikelen 323, 373 tot 379 en 383. Afdeling VI Uitbesteding Art. 92 Iedere verzekerings- of herverzekeringsonderneming die functies, activiteiten of operationele taken uitbe- steedt, blijft volledig verantwoordelijk voor de nakoming van al haar verplichtingen uit hoofde van deze wet of de maatregelen tot uitvoering van Richtlijn 2009/138/EG. De uitbesteding van operationele taken mag niet tot het volgende leiden: 1° er wordt wezenlijk afbreuk gedaan aan de kwaliteit van het governancesysteem van de verzekerings- of herverzekeringsonderneming; 2° het operationele risico neemt onnodig toe; 3° er wordt afbreuk gedaan aan het vermogen van de Bank om na te gaan of de verzekerings- of herverzeke- ringsonderneming de verplichtingen nakomt die door of § 4. Dans le cas visé au paragraphe 1er, alinéa 2, 3°, lorsqu’un modèle interne est utilisé, l’évaluation est effectuée parallèlement au recalibrage qui aligne les résultats du modèle interne sur la mesure de risque et le calibrage qui sous-tendent le capital de solvabilité requis. § 5. L’évaluation interne des risques et de la solvabilité fait partie intégrante de la stratégie d’entreprise et il en est tenu systématiquement compte dans les décisions stratégiques de l’entreprise. § 6. Les entreprises d’assurance ou de réassurance procèdent à l’évaluation visée au paragraphe 1er au moins une fois par an, ainsi qu’immédiatement à la suite de toute évolution notable de leur profil de risque. § 7. Les entreprises d’assurance ou de réassurance informent la Banque des conclusions de chaque évalua- tion interne des risques et de la solvabilité, dans le cadre des informations à fournir en application de l’article 312. § 8. L’évaluation interne des risques et de la solvabilité ne sert pas à calculer un montant de capital requis. Le capital de solvabilité requis n’est ajusté que conformé- ment aux articles 323, 373 à 379 et 383. Section VI Recours à la sous-traitance Art. 92 L’entreprise d’assurance ou de réassurance qui sous-traite des fonctions, activités ou tâches opéra- tionnelles conserve l’entière responsabilité du respect de l’ensemble des obligations qui lui incombe en vertu de la présente loi ou des mesures d’exécution de la Directive 2009/138/CE. La sous-traitance de tâches opérationnelles ne peut pas entraîner l’une des conséquences suivantes: 1° compromettre gravement la qualité du système de gouvernance de l’entreprise d’assurance ou de réassurance; 2° accroître indûment le risque opérationnel; 3° compromettre la capacité de la Banque de véri- fier que l’entreprise d’assurance ou de réassurance respecte ses obligations prévues par ou en vertu de 832 1584/002 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 krachtens deze wet of door de maatregelen tot uitvoering van Richtlijn 2009/138/EG zijn opgelegd; 4° de continuïteit en de toereikendheid van de dienst- verlening aan de verzekeringnemers, de verzekerden en de begunstigden van verzekeringsovereenkomsten of de personen die bij de uitvoering van de herverzeke- ringsovereenkomsten zijn betrokken, wordt ondermijnd. Vóór de uitbesteding van functies, activiteiten of operationele taken die belangrijk of kritiek zijn, stellen de verzekerings- of herverzekeringsondernemingen de Bank tijdig in kennis daarvan en van latere belangrijke ontwikkelingen met betrekking tot deze taken. Afdeling VII Verrichtingen die beperkt of verboden zijn en betalingen die nietig kunnen worden verklaard Art. 93 § 1. Verzekerings- of herverzekeringsondernemin- gen mogen rechtstreeks of onrechtstreeks leningen, kredieten of borgstellingen verlenen aan en verzeke- ringsovereenkomsten sluiten voor 1° de leden van hun wettelijk bestuursorgaan, de leden van hun directiecomité of alle personen die deelnemen aan hun effectieve leiding, en de algemene lasthebbers; 2° de in artikel 23, eerste lid bedoelde personen en de leden van hun verschillende organen en de personen die deelnemen aan hun effectieve leiding; 3° de ondernemingen of instellingen waarin de in 1° bedoelde personen een gekwalificeerde deelneming bezitten of een functie uitoefenen als bedoeld in 1°; 4° personen die verbonden zijn met de in 1° bedoelde personen. Worden in dit verband als “verbonden perso- nen” beschouwd: echtgenoten, partners die volgens hun nationaal recht als gelijkwaardig met een echtgenoot of echtgenote worden aangemerkt en bloedverwanten in de eerste graad, onder de voorwaarden, ten belope van de bedragen en met de normale marktwaarborgen. Van de in het eerste lid bedoelde leningen, kre- dieten en borgstellingen moet uitdrukkelijk kennis worden gegeven binnen een termijn die het wettelijk bestuursorgaan in staat stelt zich ertegen te verzetten, la présente loi ou par les mesures d’exécution de la Directive 2009/138/CE; 4° nuire à la prestation continue d’un niveau de ser- vice satisfaisant à l’égard des preneurs d’assurance, des assurés et des bénéficiaires de contrats d’assu- rance ou des personnes concernées par l’exécution des contrats de réassurance. Les entreprises d’assurance ou de réassurance informent préalablement et en temps utile la Banque de leur intention de sous-traiter des fonctions, activités ou tâches opérationnelles, qui sont importantes ou cri- tiques, ainsi que de toute évolution ultérieure importante concernant ces tâches. Section VII Opérations sujettes à limitations ou à interdiction et paiements sujets à nullité Art. 93 § 1er. Les entreprises d’assurance ou de réassurance ne peuvent consentir, directement ou indirectement, des prêts, des crédits ou des garanties et des contrats d’assurance 1° aux membres de leur organe légal d’administration, aux membres de leur comité de direction ou à toutes personnes participant à leur direction effective ainsi qu’aux mandataires généraux; 2° aux personnes visées à l’article 23, alinéa 1er ainsi qu’aux membres de leurs différents organes et aux personnes participant à leur direction effective; 3° aux entreprises ou institutions dans lesquelles les personnes visées au 1° détiennent une participation qualifiée ou exercent une fonction visée au 1°; 4° aux personnes apparentées aux personnes visées au 1°. Sont considérées, à cette fin, comme “personnes apparentées”, les conjoints, les partenaires considé- rés selon leur droit national comme l’équivalent d’un conjoint et les parents au premier degré, qu’aux conditions, à concurrence des montants et moyennant les garanties normales du marché. Les prêts, crédits et garanties visés à l’alinéa 1er doivent faire l’objet d’une information expresse, dans un délai permettant à l’organe légal d’administration de s’y opposer, lorsqu’ils excèdent, sur base cumulée pour 833 1584/002 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 wanneer zij op cumulatieve basis voor een bepaalde persoon, onderneming of instelling meer bedragen dan 100 000 euro. Ongeacht het orgaan dat moet beslissen, mogen de leden die een rechtstreeks of onrechtstreeks persoonlijk of functioneel belang hebben, geen zitting hebben. De in het tweede lid bedoelde leningen, kredieten en borgstellingen worden ter kennis gebracht van de Bank volgens de frequentie en de regels die zij bepaalt. Wanneer de in het eerste lid bedoelde verrichtingen niet tegen de normale marktvoorwaarden worden gesloten, kan de Bank eisen dat de overeengekomen voorwaarden worden aangepast op de datum waarop deze verrichtingen uitwerking hadden. Zo niet zijn de leden van het wettelijk bestuursorgaan die de beslissing hebben genomen, tegenover de onderneming hoofdelijk aansprakelijk voor het verschil. § 2. In afwijking van de bepalingen van het Wetboek van Vennootschappen en niettegenstaande paragraaf 1, mogen rechtstreeks of onrechtstreeks geen leningen, kredieten of borgstellingen worden verleend, ook niet via een krediet- of een borgtochtverzekeringsovereen- komst, aan personen om hen in staat te stellen recht- streeks of onrechtstreeks in te schrijven op aandelen of andere effecten die recht geven op dividenden van de verzekerings- of herverzekeringsonderneming of van een vennootschap waarmee er een nauwe band bestaat of die het recht verlenen om dergelijke effecten te verwerven, of om dergelijke aandelen of andere ef- fecten te verwerven. Art. 94 In geval van faillissement van een verzekerings- of herverzekeringsonderneming zijn, met betrekking tot de boedel, alle betalingen nietig en zonder gevolg die deze onderneming, hetzij in contanten, hetzij anderszins, heeft gedaan aan de leden van haar wettelijk bestuurs- orgaan en de leden van haar directiecomité, in de vorm van tantièmes of andere winstdeelnemingen, in de loop van de twee jaren die voorafgaan aan het tijdstip dat door de rechtbank is vastgesteld als het ogenblik waarop zij haar betalingen heeft gestaakt. Het eerste lid is niet van toepassing wanneer de rechtbank erkent dat geen enkele door deze personen begane kennelijk grove fout tot het faillissement heeft bijgedragen. une personne, une entreprise ou une institution donnée, le montant de 100 000 euros. Quel que soit l’organe appelé à statuer, les membres ayant un intérêt person- nel ou fonctionnel direct ou indirect ne peuvent siéger. Les prêts, crédits et garanties visés à l’alinéa 2 sont notifiés à la Banque selon la périodicité et les modalités que celle-ci détermine. La Banque peut, si les opérations visées à l’alinéa 1er, n’ont pas été conclues aux conditions normales du mar- ché, exiger l’adaptation des conditions convenues à la date où ces opérations ont sorti leurs effets. À défaut, les membres de l’organe légal d’administration qui ont pris la décision sont solidairement responsables de la différence envers l’entreprise. § 2. Par dérogation aux dispositions du Code des sociétés et nonobstant le paragraphe 1er, aucun prêt, crédit ou garantie, en ce compris par la voie d’un contrat d’assurance-crédit ou d’assurance-caution, ne peut être consenti, directement ou indirectement, à une personne en vue de lui permettre, directement ou indirectement, d’acquérir ou de souscrire des actions ou parts ou tous autres titres conférant un droit aux dividendes, de l’entreprise d’assurance ou de réassurance ou d’une société avec laquelle il existe un lien étroit, ou conférant le droit d’acquérir de tels titres. Art. 94 En cas de faillite d’une entreprise d’assurance ou de réassurance, sont nuls et sans effet relativement à la masse, les paiements effectués par cette entreprise, soit en espèces, soit autrement, à ses membres de l’organe légal d’administration et ses membres du comité de direction, à titre de tantièmes ou autres participations aux bénéfices, au cours des deux années qui précèdent l’époque déterminée par le tribunal comme étant celle de la cessation de ses paiements. L’alinéa 1er ne s’applique pas si le tribunal reconnaît qu’aucune faute grave et caractérisée de ces personnes n’a contribué à la faillite. 834 1584/002 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 Afdeling VII Mededeling van informatie over de situatie van de verzekerings- of herverzekeringsonderneming Art. 95 Rekening houdend met de informatie vereist in artikel 312, § 3 en de beginselen van artikel 312, § 4, publiceren de verzekerings- of herverzekeringsonder- nemingen jaarlijks een verslag over hun solvabiliteit en financiële positie (Solvency and Financial condition Report of “SFCR” ). Art. 96 §  1. Het in artikel  95  bedoelde verslag over de solvabiliteit en de financiële positie bevat de volgende informatie: 1° een beschrijving van de activiteiten en de resulta- ten van de onderneming; 2° een beschrijving van het governancesysteem en een beoordeling van de mate waarin het is afgestemd op het risicoprofiel van de onderneming; 3° een beschrijving, voor elke risicocategorie afzon- derlijk, van de risicopositie, -concentratie, -matiging en -gevoeligheid; 4° een beschrijving, voor de activa, technische voor- zieningen en andere passiva afzonderlijk, van de voor de waardering ervan gehanteerde grondslagen en metho- des, met een uitleg over de belangrijkste verschillen met de grondslagen en methodes die voor de waardering ervan worden gehanteerd in de financiële staten; 5° een beschrijving van de wijze waarop het regle- mentair kapitaal wordt beheerd, waaronder minstens de volgende elementen: a) de structuur en het bedrag van het kapitaal, alsook de kwaliteit ervan; b) het bedrag van het solvabiliteitskapitaalvereiste en van het minimumkapitaalvereiste; c) de in artikel 162 bedoelde optie voor de berekening van het solvabiliteitskapitaal-vereiste; d) informatie die inzicht verschaft in de belangrijkste verschillen tussen de hypothesen die ten grondslag liggen aan respectievelijk de standaardformule en enig Section VII Communication d’informations sur la situation de l’entreprise d’assurance ou de réassurance Art. 95 Les entreprises d’assurance ou de réassurance pu- blient annuellement, en tenant compte des informations requises à l’article 312, § 3, et des principes énoncés à l’article 312, § 4, un rapport sur leur solvabilité et leur situation financière (Solvency and Financial Condition Report ou “SFCR” ). Art. 96 §  1er. Le rapport sur la solvabilité et la situation financière visé à l’article 95 contient les informations suivantes: 1° une description de l’activité et des résultats de l’entreprise; 2° une description du système de gouvernance et une appréciation de son adéquation au profil de risque de l’entreprise; 3°  une description, effectuée séparément pour chaque catégorie de risque, de l’exposition au risque, des concentrations de risque, de l’atténuation du risque et de la sensibilité au risque; 4° une description, effectuée séparément pour les actifs, les provisions techniques et les autres passifs, des bases et méthodes utilisées aux fins de leur éva- luation, assortie d’une explication de toute différence majeure existant dans les bases et méthodes utilisées aux fins de leur évaluation dans les états financiers; 5° une description de la façon dont le capital régle- mentaire est géré, comprenant au moins les éléments suivants: a) la structure et le montant du capital, ainsi que sa qualité; b) les montants du capital de solvabilité requis et du minimum de capital requis; c) l’option visée à l’article 162 qui est utilisée pour le calcul du capital de solvabilité requis; d) des informations permettant de bien comprendre les principales différences existant entre les hypothèses sous-jacentes de la formule standard et celles de tout 835 1584/002 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 door de onderneming gehanteerd intern model voor de berekening van haar solvabiliteitskapitaalvereiste; e) wanneer tijdens de rapporteringsperiode niet wordt voldaan aan het minimumkapitaalvereiste of duidelijk niet is voldaan aan het solvabiliteitskapitaalvereiste, en zelfs als de problemen inmiddels zijn opgelost: het bedrag van het tekort, met een uitleg over de oorzaak en de gevolgen ervan, waarbij ook wordt vermeld welke corrigerende maatregelen zijn getroffen. §  2.  Wanneer de matchingopslag als bedoeld in artikel 129 wordt toegepast, bevat de in paragraaf 1, 4° bedoelde beschrijving ook een beschrijving van de matchingopslag en van de portefeuille van verplichtin- gen en toegewezen activa waarop de matchingopslag wordt toegepast, alsook een kwantificering van het effect van een wijziging van de matchingopslag tot nul op de financiële positie van de onderneming. De in paragraaf 1, 4° bedoelde beschrijving bevat ook een verklaring waarin wordt aangegeven of de in arti- kel 131 bedoelde volatiliteitsaanpassing wordt toegepast door de onderneming, evenals een kwantificering van het effect van een wijziging van de volatiliteitsaanpas- sing tot nul op de financiële positie van de onderneming. § 3. De in paragraaf 1, 5°, a) bedoelde beschrijving bevat een analyse van alle belangrijke veranderingen ten opzichte van de vorige rapporteringsperiode en een uitleg over alle belangrijke verschillen in de waarde van de betrokken elementen in de financiële staten, evenals een korte beschrijving van de overdraagbaarheid van het kapitaal. § 4. In de in paragraaf 1, 5°, b) bedoelde informatie over het solvabiliteitskapitaalvereiste worden het be- drag dat overeenkomstig de bepalingen van Afdeling II van Hoofdstuk VI is berekend, en het bedrag van de eventuele kapitaalopslagfactor die overeenkomstig artikel 323 is opgelegd, of het effect van de specifieke parameters die de verzekerings- of herverzekerings- onderneming krachtens artikel 166 dient te hanteren, afzonderlijk vermeld. Daarbij wordt beknopte informatie gevoegd over de reden waarom de Bank die kapitaal- opslagfactor heeft opgelegd. In de informatie over het solvabiliteitskapitaalvereiste wordt in voorkomend geval vermeld dat het definitieve bedrag ervan beoordeeld moet worden in het kader van het toezicht dat door de Bank wordt uitgeoefend. § 5. De krachtens dit artikel vereiste informatie wordt integraal gepubliceerd of, mits de Bank dit toestaat, on- der verwijzing naar informatie die qua aard en strekking modèle interne utilisé par l’entreprise pour calculer son capital de solvabilité requis; e)  en cas de manquement à l’exigence de mini- mum de capital requis ou de manquement significatif à l’exigence de capital de solvabilité requis, survenu durant la période examinée et nonobstant le fait que le problème aurait été résolu par la suite, le montant de l’écart constaté assorti d’une explication relative à son origine et à ses conséquences, ainsi qu’à toute mesure corrective qui aurait été prise. § 2. Dans le cas où l’ajustement égalisateur visé à l’article 129 est appliqué, la description visée au para- graphe 1er, 4° inclut une description de l’ajustement égalisateur et du portefeuille d’obligations ainsi que des actifs du portefeuille assigné auxquels s’applique l’ajustement égalisateur, ainsi qu’une quantification des effets d’une annulation de l’ajustement égalisateur sur la situation financière de l’entreprise. La description visée au paragraphe 1er, 4° comprend également une déclaration indiquant si la correction pour volatilité visée à l’article 131 est utilisée par l’entreprise concernée ainsi qu’une quantification des effets d’une annulation de la correction pour volatilité sur la situation financière de l’entreprise. § 3. La description visée au paragraphe 1er, 5°, a), comprend une analyse de tout changement important survenu par rapport à la précédente période exami- née et une explication de toute différence importante observée, dans les états financiers, dans la valeur des éléments considérés, ainsi qu’une brève description de la transférabilité du capital. § 4. La publication du capital de solvabilité requis visée au paragraphe 1er, 5°, b), indique séparément le montant calculé conformément aux dispositions de la Section II du Chapitre VI, et le montant de toute exigence de capital supplémentaire imposée conformément à l’article 323, ou l’effet des paramètres spécifiques que l’entreprise d’assurance ou de réassurance est tenue d’utiliser en vertu de l’article 166. Cette publication est assortie d’une information concise quant à la raison pour laquelle la Banque a imposé cette exigence de capital supplémentaire. La publication du capital de solvabilité requis est assortie, le cas échéant, d’une indication selon laquelle son montant définitif reste subordonné à une évaluation dans le cadre du contrôle exercé par la Banque. § 5. Les informations exigées en vertu du présent article sont publiées in extenso ou, moyennant l’autori- sation de la Banque, par référence à des informations 836 1584/002 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 gelijkwaardig is en die in het kader van andere wettelijke of reglementaire bepalingen gepubliceerd is. Art. 97 § 1. Bij belangrijke ontwikkelingen die duidelijk van invloed zijn op de relevantie van de informatie die krach- tens de artikelen 95 en 96 wordt meegedeeld, maken de verzekerings- of herverzekeringsondernemingen pas- sende informatie bekend over de aard en de gevolgen van die belangrijke ontwikkeling. § 2. Voor de toepassing van paragraaf 1 worden in elk geval als belangrijke ontwikkelingen aangemerkt: 1° de vaststelling dat het minimumkapitaalvereiste niet wordt nageleefd en het feit dat de Bank de onder- neming niet in staat acht om haar een realistisch plan inzake financiering op korte termijn voor te leggen of dat zij dit plan niet ontvangt binnen een maand na de datum waarop de niet-naleving werd vastgesteld; 2° de vaststelling dat het solvabiliteitskapitaalvereiste duidelijk niet wordt nageleefd en het feit dat de Bank geen realistisch saneringsplan ontvangt binnen twee maanden na de datum waarop de niet-naleving werd vastgesteld. In het geval bedoeld in het eerste lid, 1°, maakt de onderneming onmiddellijk het tekortschietende bedrag bekend en geeft zij daarbij uitleg over de oorzaak en de gevolgen ervan, waarbij ook wordt vermeld welke cor- rigerende maatregelen zijn getroffen. Wanneer ondanks een in eerste instantie realistisch geacht plan inzake financiering op korte termijn, de niet-naleving van het mi- nimumkapitaalvereiste drie maanden na de vaststelling ervan nog niet is verholpen, wordt het tekortschietende bedrag aan het eind van deze periode bekendgemaakt en wordt daarbij uitleg gegeven over de oorzaak en de gevolgen ervan, waarbij ook wordt vermeld welke cor- rigerende maatregelen zijn getroffen en welke verdere corrigerende maatregelen zijn gepland. In het geval bedoeld in het eerste lid, 2°, maakt de onderneming onmiddellijk het tekortschietende bedrag bekend en geeft zij daarbij uitleg over de oorzaak en de gevolgen ervan, waarbij ook wordt vermeld welke cor- rigerende maatregelen zijn getroffen. Wanneer ondanks een in eerste instantie realistisch geacht saneringsplan de duidelijke niet-naleving van het solvabiliteitskapitaal- vereiste zes maanden na de vaststelling ervan nog niet is verholpen, wordt het tekortschietende bedrag aan het eind van deze periode bekendgemaakt en wordt daarbij équivalentes, dans leur nature et dans leur portée, publiées en vertu d’autres dispositions légales ou réglementaires. Art. 97 § 1er. En cas d’événement majeur affectant significa- tivement la pertinence des informations communiquées en vertu des articles 95 et 96, les entreprises d’assu- rance ou de réassurance publient des informations appropriées sur la nature et les effets dudit événement majeur. § 2. Aux fins du paragraphe 1er, sont au moins consi- dérées comme un événement majeur les circonstances suivantes: 1° l’observation d’un écart par rapport au minimum de capital requis et le fait que la Banque considère que l’entreprise ne sera pas en mesure de lui soumettre un plan réaliste de financement à court terme ou qu’elle n’obtient pas ce plan dans un délai d’un mois à compter de la date où l’écart a été observé; 2°  l’observation d’un écart important par rapport au capital de solvabilité requis et le fait que la Banque n’obtient pas de programme réaliste de rétablissement dans un délai de deux mois à compter de la date où l’écart a été observé. Dans le cas visé à l’alinéa 1er, 1°, l’entreprise publie immédiatement le montant de l’écart constaté, assorti d’une explication quant à son origine et ses consé- quences et quant à toute mesure corrective qui aurait été prise. Si, en dépit d’un plan de financement à court terme initialement considéré comme réaliste, un écart par rapport au minimum de capital requis n’a pas été corrigé trois mois après qu’il a été constaté, le montant de cet écart est publié à l’expiration de ce délai, avec une explication quant à son origine et ses conséquences y compris quant aux mesures correctives prises et à toute nouvelle mesure corrective prévue. Dans le cas visé à l’alinéa 1er, 2°, l’entreprise publie immédiatement le montant de l’écart constaté, assorti d’une explication quant à son origine et ses consé- quences et quant à toute mesure corrective qui aurait été prise. Si, en dépit d’un programme de rétablissement ini- tialement considéré comme réaliste, un écart important par rapport au capital de solvabilité requis n’a pas été corrigé six mois après qu’il a été constaté, le montant de cet écart est publié à l’expiration de ce délai, avec une explication quant à son origine et ses conséquences, y 837 1584/002 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 uitleg gegeven over de oorzaak en de gevolgen ervan, waarbij ook wordt vermeld welke corrigerende maat- regelen zijn getroffen en welke verdere corrigerende maatregelen zijn gepland. Art. 98 Naast de al krachtens de artikelen 95 tot 97 verplicht bekend te maken informatie of uitleg over hun solvabi- liteit en hun financiële positie mogen verzekerings- of herverzekeringsondernemingen uit eigen beweging ook alle andere informatie en uitleg hierover bekendmaken. Art. 99 De verzekerings- of herverzekeringsondernemingen beschikken over passende structuren en systemen om aan de vereisten van de artikelen 95 tot 97 te voldoen, en over een schriftelijk vastgelegd beleid dat waarborgt dat de overeenkomstig de artikelen 95 tot 97 bekend- gemaakte informatie altijd adequaat is. Art. 100 De Bank kan toestaan dat een verzekerings- of herverzekeringsonderneming informatie als bedoeld in artikel 96, § 1, 1° tot 4°, en § 2, niet bekendmaakt indien: 1°  door de bekendmaking van die informatie de concurrenten van de onderneming duidelijk onterecht worden bevoordeeld; 2° de onderneming wegens verplichtingen jegens de verzekeringnemers of relaties met andere tegenpartijen, een geheimhoudingsplicht heeft. Wanneer de Bank heeft toegestaan dat bepaalde informatie niet bekend wordt gemaakt, vermeldt de betrokken onderneming dit in haar verslag over haar solvabiliteit en haar financiële positie, met opgave van de redenen hiervoor. In het geval van een verzekeringsonderneming kan de in dit artikel bedoelde toestemming maar worden verleend of geweigerd nadat de Bank het advies van de FSMA heeft gevraagd. Deze laatste verleent haar advies binnen vijftien dagen na de ontvangst van het verzoek. Afwezigheid van advies binnen deze termijn geldt als een gunstig advies. compris quant aux mesures correctives prises et à toute nouvelle mesure corrective prévue. Art. 98 Les entreprises d’assurance ou de réassurance peuvent publier à leur initiative toute information ou explication relative à leur solvabilité et à leur situation financière dont la publication n’est pas déjà exigée en vertu des articles 95 à 97. Art. 99 Les entreprises d’assurance ou de réassurance mettent en place des structures et des systèmes appropriés pour satisfaire aux exigences énoncées aux articles 95 à 97 , ainsi qu’une politique écrite visant à garantir l’adéquation permanente de toute information publiée conformément aux articles 95 à 97. Art. 100 La Banque peut autoriser une entreprise d’assurance ou de réassurance à ne pas publier une information visée à l’article 96, § 1er, 1° à 4°, et § 2, dans les cas où: 1° la publication de cette information conférerait aux concurrents de l’entreprise concernée un avantage indu important; 2° l’entreprise est tenue à une obligation de confi- dentialité en raison d’obligations à l’égard des preneurs d’assurance ou de relations avec d’autres contreparties. Lorsque la non-publication d’une information est autorisée par la Banque, l’entreprise concernée l’in- dique dans son rapport sur sa solvabilité et sa situation financière et en explique les raisons. Dans le cas d’une entreprise d’assurance, l’autorisa- tion visée au présent article n’est accordée ou refusée qu’après que la Banque ait sollicité l’avis de la FSMA. Cette dernière rend son avis dans les quinze jours de la réception de la demande. L’absence d’avis endéans ce délai équivaut à un avis favorable. 838 1584/002 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 Art. 101 De Bank kan de inhoud en de wijze van indiening van de in deze Afdeling bedoelde informatie preciseren bij reglement vastgesteld met toepassing van artikel 12bis, § 2 van de wet van 22 februari 1998. HOOFDSTUK IV Portefeuilleoverdracht en andere bijzondere verrichtingen Art. 102 De voorafgaande toestemming van de Bank is vereist voor: 1° de strategische beslissingen van een verzekerings- of herverzekeringsonderneming; 2° fusies waarbij een verzekerings- of herverzeke- ringsonderneming is betrokken, evenals splitsingen van verzekerings- of herverzekeringsondernemingen; 3° de overdracht van alle of een deel van de activi- teiten, met inbegrip van de volledige of de gedeeltelijke overdracht van een portefeuille, waardoor de rechten en verplichtingen die voortvloeien uit de verzekerings- of herverzekeringsovereenkomsten worden overgedragen. De Bank beslist binnen drie maanden na ontvangst van een volledig dossier van het project. Zij mag haar toestemming enkel weigeren om redenen die verband houden met het vermogen van de onderneming om te voldoen aan de bepalingen die door of krachtens deze wet of de maatregelen tot uitvoering van Richtlijn 2009/138/EG zijn opgelegd of die verband houden met een gezond en voorzichtig beleid van de onderneming of indien de beslissing de stabiliteit van het financiële stelsel ernstig zou kunnen aantasten. Als zij niet binnen de voornoemde termijn optreedt, wordt de toestemming geacht te zijn verkregen, onverminderd artikel 104, § 1, 2°. Wanneer ze betrekking hebben op verzekeringsover- eenkomsten ter dekking van in België gelegen risico’s of verbintenissen, zijn de in het eerste lid, 3° bedoelde overdrachten ten gunste van een verzekeringsonderne- ming van een derde land slechts toegestaan indien het Belgische bijkantoor van die verzekeringsonderneming als overnemer optreedt en daardoor gehouden is tot naleving van de wettelijke en reglementaire beperkin- gen die inherent zijn aan de overgedragen risico’s en verbintenissen. Art. 101 La Banque peut préciser le contenu et les modalités de présentation des informations prévues à la présente Section, par voie de règlement adopté en application de l’article 12bis, § 2 de la loi du 22 février 1998. CHAPITRE IV Transfert de portefeuille et autres opérations particulières Art. 102 Sont soumises à l’autorisation préalable de la Banque: 1°  les décisions stratégiques d’une entreprise d’assurance ou de réassurance; 2° les fusions impliquant une entreprise d’assurance ou de réassurance ainsi que les scissions d’entreprises d’assurance ou de réassurance; 3° la cession de tout ou partie des activités, en ce compris tout ou partie d’un portefeuille impliquant la cession des droits et obligations découlant des contrats d’assurance ou de réassurance. La Banque se prononce dans les trois mois de la réception d’un dossier complet du projet. Elle ne peut refuser son autorisation que pour des motifs tenant à la capacité de l’entreprise à satisfaire aux disposi- tions prévues par ou en vertu de la présente loi ou des mesures d’exécution de la Directive 2009/138/CE ou tenant à la gestion saine et prudente de l’entreprise ou si la décision est susceptible d’affecter de façon signifi- cative la stabilité du système financier. Sans préjudice de l’article 104, § 1er, 2°, si elle n’intervient pas dans le délai fixé ci-dessus, l’autorisation est réputée acquise. En outre, lorsqu’elles portent sur des contrats d’assurance relatifs à des risques ou des engagements situés en Belgique, les cessions visées à l’alinéa 1er, 3° au bénéfice d’une entreprise d’assurance d’un pays tiers ne sont autorisées que si la succursale belge de cette entreprise d’assurance intervient en qualité de cessionnaire impliquant le respect dans son chef des contraintes légales et réglementaires inhérentes aux risques et engagements cédés. 839 1584/002 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 Art. 103 De Bank bepaalt per geval, naargelang van de spe- cifieke kenmerken van de verrichting en van de betrok- ken onderneming of de betrokken ondernemingen, de inhoud van het dossier over de in artikel 102 bedoelde verrichtingen. Het dossier over de in artikel 102, eerste lid, 3° bedoelde verrichtingen bevat ten minste: 1° de identificatie van de tegenpartij bij de overeen- komst tot overdracht; 2°  een beschrijving van de over te dragen overeenkomsten; 3° de over te dragen actief- en passiefbestanddelen; 4° de vermelding van de lidstaten en de derde lan- den waar de over te dragen risico’s en verbintenissen gelegen zijn; 5° de vermelding van de lidstaten waar de overdra- gende onderneming een bijkantoor heeft dat bij de overdracht betrokken is; 6° alle andere informatie die door de Bank wordt opgevraagd in het kader van de goedkeuring van de overdracht. Art. 104 § 1. Behoudens de in artikel 102, tweede lid bedoelde voorwaarden kan de toestemming van de Bank maar worden verleend voor verrichtingen als bedoeld in arti- kel 102, eerste 1, 3°, indien voldaan is aan de volgende voorwaarden: 1° indien de overnemende onderneming onder het recht van een andere lidstaat ressorteert, dienen de toezichthouders van die lidstaat te hebben verklaard dat deze onderneming, mede gelet op de voorgenomen overdracht, het vereiste in aanmerking komend eigen vermogen bezit ter dekking van het solvabiliteitskapi- taalvereiste als bedoeld in de wetgeving die op deze onderneming van toepassing is; 2° wanneer de toestemming wordt gevraagd door een verzekeringsonderneming, in haar hoedanigheid van overdragende onderneming, is voor de gehele of de gedeeltelijke overdracht van een portefeuille van ver- zekeringsovereenkomsten die afgesloten zijn via een in een andere lidstaat gevestigd bijkantoor of in het kader van het vrij verrichten van diensten, bovendien de voor- afgaande instemming vereist van de toezichthouders van de betrokken lidstaten van ontvangst. Hiertoe deelt Art. 103 La Banque détermine, au cas par cas, en fonction des particularités de l’opération et de l’entreprise con- cernée ou des entreprises concernées, le contenu du dossier relatif aux opérations visées à l’article 102. À tout le moins, le dossier relatif aux opérations visées à l’article 102, alinéa 1er, 3° contient: 1° l’identification de la contrepartie à la convention de cession; 2° une description des contrats à transférer; 3° les éléments d’actif et de passif à transférer; 4° l’indication des États membres et des pays tiers où les risques et les engagements à transférer sont situés; 5°  l’indication des États membres dans lesquels l’entreprise cédante possède une succursale concernée par le transfert; 6° toute autre information demandée par la Banque en vue de l’autorisation de la cession. Art. 104 § 1er. Outre les conditions visées à l’article 102, alinéa 2, l’accord de la Banque ne peut être donné concernant des opérations visées à l’article 102, alinéa 1er, 3°, que s’il est satisfait aux conditions suivantes: 1° si l’entreprise cessionnaire relève du droit d’un autre État membre, les autorités de contrôle de cet État ont attesté que cette entreprise possède, compte tenu de la cession envisagée, les fonds propres éligibles nécessaires pour couvrir le capital de solvabilité requis en vertu de la législation dont cette entreprise relève; 2° lorsque l’autorisation est demandée par une entre- prise d’assurance, en qualité d’entreprise cédante, la cession de tout ou partie d’un portefeuille de contrats d’assurance souscrits par la voie d’une succursale située dans une autre État membre ou du régime de libre prestation de services, requiert, en outre, l’accord préalable des autorités de contrôle des États membres d’accueil concernés. À cette fin, la Banque communique sans délai le projet de cession aux autorités de contrôle 840 1584/002 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 de Bank onverwijld het voorstel van overdracht mee aan de toezichthouders van de betrokken lidstaten. Indien die toezichthouders niet gereageerd hebben binnen een termijn van drie maanden na hun raadpleging, worden zij geacht te hebben ingestemd. § 2. Wanneer de Bank geraadpleegd wordt door de toezichthouders van een lidstaat over een verrichting als bedoeld in artikel 102, eerste lid, 3° waarbij een verzekerings- of herverzekeringsonderneming naar Belgisch recht als overnemer optreedt, levert de Bank binnen drie maanden na de ontvangst van het verzoek, een attest af waarin al dan niet bevestigd wordt dat de overnemende onderneming, mede gelet op de voorge- nomen overdracht, het vereiste in aanmerking komend eigen vermogen ter dekking van het solvabiliteitskapi- taalvereiste als bedoeld in artikel 151 bezit. Art. 105 De Bank stelt de FSMA in kennis van de aanvragen tot goedkeuring van overdrachten van verzekerings- overeenkomsten die zij ontvangt met toepassing van artikel 102, eerste lid, 3°, alsook van haar beslissingen daarover. Art. 106 De Bank publiceert in het Belgisch Staatsblad een uittreksel van elke beslissing tot goedkeuring, met toe- passing van artikel 102, eerste lid, 2° en 3°, van een fusie of een overdracht van rechten en verplichtingen die voortvloeien uit verzekerings- of herverzekeringsover- eenkomsten. Onverminderd de artikelen 17 en 18 van de Wet Verzekeringen is elke gehele of gedeeltelijke over- dracht van de rechten en verplichtingen die voortvloeien uit deze verrichtingen tegenwerpbaar aan derden, met name aan de verzekeringnemers, de verzekerden en de begunstigden, zodra de goedkeuring van de Bank in het Belgisch Staatsblad gepubliceerd is. De in het eerste lid bedoelde uittreksels worden ter informatie ook op de website van de Bank gepubliceerd. Het is niet mogelijk om de overdrachten die de Bank heeft goedgekeurd krachtens artikel 102, eerste lid, 2° en 3°, nietig of niet-tegenwerpbaar te verklaren krach- tens artikel 1167 van het Burgerlijk Wetboek of van de artikelen 17, 18 of 20 van de faillissementswet van 8 augustus 1997. des États membres concernés. En l’absence de réaction de ces autorités dans un délai de trois mois suivant leur consultation, l’accord de ces autorités est présumé. § 2. Lorsque la Banque est consultée par les autorités de contrôle d’un État membre concernant une opération visée à l’article 102, alinéa 1er, 3° à laquelle une entre- prise d’assurance ou de réassurance de droit belge intervient en qualité de cessionnaire, la Banque émet, dans les trois mois de la réception de la demande, une attestation indiquant si l’entreprise cessionnaire pos- sède, compte tenu de la cession envisagée, les fonds propres éligibles nécessaires pour couvrir le capital de solvabilité requis visé à l’article 151. Art. 105 La Banque informe la FSMA des demandes d’auto- risation de cession de contrats d’assurance dont elle est saisie en application de l’article 102, alinéa 1er, 3°, ainsi que des décisions qu’elle prend les concernant. Art. 106 La Banque procède à la publication au Moniteur belge d’un extrait de toute décision d’autorisation, en application de l’article 102, alinéa 1er, 2° et 3°, d’une fusion ou d’une cession de droits et obligations décou- lant de contrats d’assurance ou de réassurance. Sans préjudice des articles 17 et 18 de la Loi assurances, toute cession totale ou partielle des droits et obligations résultant de ces opérations est opposable aux tiers, notamment les preneurs d’assurance, les assurés et les bénéficiaires, dès la publication au Moniteur belge de l’autorisation de la Banque. Les extraits visés à l’alinéa 1er font également l’objet d’une publicité à titre d’information sur le site internet de la Banque. Les cessions autorisées par la Banque en vertu de l’article 102, alinéa 1er, 2° et 3°, ne peuvent faire l’objet d’une nullité ou inopposabilité en vertu de l’ar- ticle 1167 du Code civil ou des articles 17, 18 ou 20 de la loi du 8 août 1997 sur les faillites. 841 1584/002 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 HOOFDSTUK V Uitoefening van verzekerings- of herverzekeringsactiviteiten in het buitenland Afdeling I Oprichting of verwerving van dochterondernemingen in het buitenland Art. 107 Iedere verzekerings- of herverzekeringsonderneming die voornemens is om rechtstreeks of onrechtstreeks, in het buitenland een dochteronderneming te verwerven of op te richten die het verzekerings- of herverzeke- ringsbedrijf uitoefent, stelt de Bank daarvan in kennis. De betrokken verzekerings- of herverzekeringsonder- neming voegt bij de in het eerste lid bedoelde kennisge- ving informatie over de activiteiten, de organisatie, de leiding en de aandeelhoudersstructuur van de betrokken onderneming. Afdeling II Opening van bijkantoren in het buitenland Onderafdeling I Opening van bijkantoren in het buitenland door een verzekeringsonderneming Art. 108 § 1. Iedere verzekeringsonderneming die op het grondgebied van een andere lidstaat een bijkantoor wenst te vestigen om er een verzekeringsactiviteit uit te oefenen waarvoor zij in België een vergunning heeft verkregen, stelt de Bank daarvan in kennis. Bij deze kennisgeving wordt een dossier gevoegd met de volgende gegevens: 1° de lidstaat op het grondgebied waarvan de ver- zekeringsonderneming voornemens is het bijkantoor te vestigen; 2°  het programma van werkzaamheden, waarin minstens de aard van de voorgenomen verrichtingen en de organisatiestructuur van het bijkantoor worden beschreven; 3° de naam, het adres en de bevoegdheden van de in paragraaf 2 bedoelde algemene lasthebber van het bijkantoor, en, in voorkomend geval, van de andere CHAPITRE V Exercice d’activités d’assurance ou de réassurance à l’étranger Section Ire Constitution ou acquisition de filiales à l’étranger Art. 107 L’entreprise d’assurance ou de réassurance qui projette d’acquérir ou de constituer, directement ou indirectement, une filiale à l’étranger exerçant l’activité d’assurance ou de réassurance notifie son intention à la Banque. L’entreprise d’assurance ou de réassurance joint à la notification visée à l’alinéa 1er une information sur les activités, l’organisation, les dirigeants et la structure de l’actionnariat de l’entreprise concernée. Section II Ouverture de succursales à l’étranger Sous-section Ire Ouverture de succursales à l’étranger par une entreprise d’assurance Art. 108 § 1er. L’entreprise d’assurance qui projette d’établir une succursale sur le territoire d’un autre État membre en vue d’exercer une activité d’assurance pour laquelle elle est agréée en Belgique notifie son intention à la Banque. Cette notification est assortie d’un dossier compor- tant les informations suivantes: 1° l’État membre sur le territoire duquel l’entreprise d’assurance envisage d’établir la succursale; 2° le programme d’activités, dans lequel sont au moins décrits le type d’opérations envisagées et la structure de l’organisation de la succursale; 3° le nom, l’adresse et les pouvoirs du mandataire général de la succursale visé au paragraphe 2 et, le cas échéant, des autres personnes chargées de la 842 1584/002 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 personen die met de effectieve leiding van het bijkantoor zijn belast, evenals van de verantwoordelijken voor de onafhankelijke controlefuncties van het bijkantoor; 4° het adres in de lidstaat van ontvangst waar docu- menten kunnen worden opgevraagd en afgeleverd bij de verzekeringsonderneming, met name de mededelingen aan de algemene lasthebber; 5° ingeval de verzekeringsonderneming haar bijkan- toor de risico’s wil laten dekken die behoren tot tak 10 als vermeld in Bijlage I, met uitzondering van de aansprake- lijkheid van de vervoerder, een verklaring waarin staat dat zij is toegetreden tot het nationaal bureau en het nationaal waarborgfonds van de lidstaat van ontvangst; 6° ingeval de verzekeringsonderneming door haar bijkantoor de arbeidsongevallenrisico’s wil laten dek- ken, het bewijs, indien dit van de lidstaat van ontvangst wordt verlangd, dat de specifieke voorschriften die in het nationaal recht van die lidstaat zijn opgenomen met betrekking tot de dekking van dit type risico’s, worden nageleefd. § 2. De in paragraaf 1 bedoelde verzekeringsonder- neming wijst een algemene lasthebber aan voor het bijkantoor. In geval van verzaking aan het mandaat of afzetting van de algemene lasthebber, of in geval van zijn overlijden, neemt de verzekeringsonderneming de nodige maatregelen om binnen een maand in zijn vervanging te voorzien. De algemene lasthebber, evenals, in voorkomend ge- val, de overige personen die belast zijn met de effectieve leiding van het bijkantoor en de verantwoordelijken voor de onafhankelijke controlefuncties van het bijkantoor beschikken permanent over de vereiste professionele betrouwbaarheid en de passende deskundigheid voor de uitoefening van hun functie. De artikelen 41, 81 en 82 zijn op hen van overeenkomstige toepassing. § 3. De Bank kan zich verzetten tegen de uitvoering van het project bij beslissing die is ingegeven door de niet-naleving van de vereisten van paragraaf 2 of door de nadelige gevolgen voor het governancesysteem, de financiële positie, met name gelet op de risico’s die verbonden zijn aan de voorgenomen activiteit, of het toezicht op de verzekeringsonderneming. De beslissing van de Bank wordt uiterlijk drie maan- den na ontvangst van het volledige dossier met alle in paragraaf 1, tweede lid bedoelde gegevens, met een aangetekende brief of een brief met ontvangstbewijs ter kennis gebracht van de verzekeringsonderneming. direction effective de la succursale ainsi que des res- ponsables des fonctions de contrôle indépendantes de la succursale; 4° l’adresse à laquelle les documents peuvent être réclamés et délivrés à l’entreprise d’assurance dans l’État membre d’accueil, notamment les communica- tions au mandataire général; 5° dans le cas où l’entreprise d’assurance entend faire couvrir par sa succursale les risques relevant de la branche 10 mentionnée à l’Annexe I, à l’exclusion de la responsabilité du transporteur, une déclaration selon laquelle elle est devenue membre du bureau national et du fonds national de garantie de l’État membre d’accueil; 6° dans le cas où l’entreprise d’assurance entend faire couvrir par sa succursale les risques d’accident du travail, la preuve, si elle est exigée par l’État membre d’accueil, du respect des dispositions spécifiques pré- vues par le droit national de cet État membre en ce qui concerne la couverture de ce type de risques. § 2. L’entreprise d’assurance visée au paragraphe 1er désigne un mandataire général de la succursale. En cas de renonciation au mandat ou de révocation du mandataire général ou en cas de son décès, l’entre- prise d’assurance prend les mesures nécessaires pour pourvoir à son remplacement dans le mois. Le mandataire général ainsi que, le cas échéant, les autres personnes chargées de la direction effective de la succursale et les responsables des fonctions de contrôle indépendantes de la succursale disposent en perma- nence de l’honorabilité professionnelle nécessaire et de l’expertise adéquate à l’exercice de leur fonction. Les articles 41, 81 et 82 leur sont applicables par analogie. § 3. La Banque peut s’opposer à la réalisation du projet par décision motivée par le non-respect des exi- gences prévues au paragraphe 2 ou par les répercus- sions préjudiciables sur le système de gouvernance, la situation financière, notamment compte tenu des risques inhérents à l’activité projetée, ou le contrôle de l’entreprise d’assurance. La décision de la Banque est notifiée à l’entreprise d’assurance par lettre recommandée à la poste ou avec accusé de réception au plus tard trois mois après la ré- ception du dossier complet comprenant les informations prévues au paragraphe 1er, alinéa 2. Si la Banque n’a 843 1584/002 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 Indien de Bank haar beslissing niet binnen deze termijn ter kennis heeft gebracht, wordt zij geacht geen bezwaar te hebben tegen het project van de verzekeringsonderneming. § 4. De Bank stelt de Europese Commissie en EIOPA in kennis van het aantal en de aard van de gevallen waarin een definitieve beslissing tot verzet werd geno- men met toepassing van paragraaf 3. § 5. Met uitzondering van paragraaf 4 is dit artikel mutatis mutandis van toepassing op de opening van bijkantoren in een derde land, met dien verstande dat de Bank zich ook kan verzetten tegen de uitvoering van het project van de verzekeringsonderneming indien zij redenen heeft om te twijfelen aan de naleving van de regels voor de toegang tot het bedrijf waarin de wetge- ving van het derde land voorziet, of, rekening houdend met de voorgenomen activiteit en met de regeling betref- fende de samenwerking met de toezichthouders van het derde land, aan de mogelijkheid om effectief toezicht uit te oefenen op het bijkantoor dat op het grondgebied van dit derde land is gevestigd. Art. 109 Wanneer het vestigingsland van het bijkantoor een lidstaat is, deelt de Bank, indien zij zich niet tegen de uitvoering van het project heeft verzet overeenkomstig artikel 108, § 3, aan de bevoegde autoriteit van de be- trokken lidstaat van ontvangst, binnen drie maanden na ontvangst ervan, alle in artikel 108, § 1, tweede lid vereiste gegevens mee, evenals een verklaring dat de verzekeringsonderneming het solvabiliteitskapitaalver- eiste en minimum-kapitaalvereiste dekt zoals berekend overeenkomstig de artikelen 100 en 129 van Richtlijn 2009/138/EG. De Bank brengt de betrokken verzekeringsonderne- ming schriftelijk op de hoogte van de mededeling van het in het eerste lid bedoelde dossier en van de datum waarop de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van ontvangst er de ontvangst van hebben bevestigd. Wanneer de toezichthouders van de lidstaat van ontvangst aan de Bank de voorwaarden hebben mee- gedeeld waaronder de activiteiten van het bijkantoor om redenen van algemeen belang in die lidstaat mogen worden uitgeoefend, deelt de Bank deze informatie mee aan de betrokken verzekeringsonderneming. pas notifié de décision dans ce délai, elle est réputée ne pas s’opposer au projet de l’entreprise. § 4. La Banque communique à la Commission eu- ropéenne et à l’EIOPA le nombre et la nature des cas dans lesquels une décision définitive d’opposition a été prise en application du paragraphe 3. § 5. Le présent article, à l’exception du paragraphe 4, s’applique mutatis mutandis à l’ouverture de succur- sales dans un pays tiers, étant entendu que la Banque peut également s’opposer à la réalisation du projet de l’entreprise d’assurance si elle a des raisons de douter du respect des règles d’accès à l’activité prescrites sous la législation du pays tiers ou, compte tenu de l’activité envisagée et du régime de coopération avec les autorités de contrôle du pays tiers, de la possibilité d’exercer un contrôle effectif de la succursale sur le territoire de ce pays tiers. Art. 109 Lorsque l’État d’implantation de la succursale est un État membre, la Banque, si elle ne s’est pas opposée à la réalisation du projet conformément à l’article 108,§ 3, communique à l’autorité compétente de l’État membre d’accueil concerné dans les trois mois de leur récep- tion, toutes les informations requises par l’article 108, § 1er, alinéa 2 ainsi qu’une attestation indiquant que l’entreprise d’assurance dispose du capital de solva- bilité requis et du minimum de capital requis calculés conformément aux articles 100 et 129 de la Directive 2009/138/CE. La Banque avise par écrit l’entreprise d’assurance concernée de la communication du dossier visée à l’alinéa 1er et de la date à laquelle les autorités com- pétentes de l’État membre d’accueil en ont accusé réception. Lorsque les autorités de contrôle de l’État membre d’accueil lui ont transmis les conditions dans lesquelles, pour des raisons d’intérêt général, les activités de la suc- cursale peuvent être exercées dans cet État membre, la Banque communique ces informations à l’entreprise d’assurance concernée. 844 1584/002 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 Art. 110 Wanneer het vestigingsland van het bijkantoor een derde land is, kan de Bank in overleg met de betrokken autoriteit van het derde land, regels vaststellen voor de opening van en het toezicht op het bijkantoor, alsook voor de wenselijke informatie-uitwisseling, met inacht- neming van de bepalingen van Hoofdstuk IV/1, Afdeling 4 van de wet van 22 februari 1998. Art. 111 Wanneer het vestigingskantoor van het bijkantoor een lidstaat is, mogen de activiteiten van het bijkantoor aanvangen vanaf de datum waarop de Bank de in arti- kel 109, derde lid bedoelde mededeling heeft ontvangen en uiterlijk bij het verstrijken van een termijn van twee maanden die aanvangt op de datum van ontvangst door de toezichthouders van de lidstaat van ontvangst van de met toepassing van artikel 109, eerste lid meegedeelde informatie. Wanneer het vestigingsland van het bijkantoor een derde land is, mogen de activiteiten van het bijkantoor aanvangen vanaf de datum waarop geen verzet is aangetekend overeenkomstig artikel 108, § 3 tegen het voornemen om een bijkantoor te openen, onverminderd de naleving van de wettelijke bepalingen van dit land inzake de toegang tot het verzekeringsbedrijf. Art. 112 De verzekeringsonderneming stelt de Bank en, in voorkomend geval, de toezichthouders van de betrok- ken lidstaten van ontvangst minstens een maand op voorhand in kennis van alle wijzigingen die zij wenst aan te brengen in de informatie die met toepassing van artikel 108, § 1, tweede lid, 2°, 3°et 4° werd meegedeeld. Artikel 108, § 3 is van toepassing op deze wijzigingen. Onderafdeling II Opening van een bijkantoor in het buitenland door een herverzekeringsonderneming Art. 113 Iedere herverzekeringsonderneming die op het grondgebied van een andere lidstaat een bijkantoor wenst te vestigen om er een herverzekeringsactiviteit uit te oefenen waarvoor zij in België een vergunning heeft, stelt de Bank daarvan in kennis. Art. 110 Lorsque l’État d’implantation de la succursale est un pays tiers, la Banque peut convenir avec l’autorité du pays tiers concernée, des modalités d’ouverture et de contrôle de la succursale ainsi que des échanges d’in- formations souhaitables dans le respect des dispositions du Chapitre IV/1, Section 4, de la loi du 22 février 1998. Art. 111 Lorsque l’État d’implantation de la succursale est un État membre, les activités de la succursale peuvent débuter à partir de la date à laquelle la Banque a reçu la communication visée à l’article 109, alinéa 3 et au plus tard à l’échéance d’un délai de deux mois prenant cours à la date de la réception par les autorités de contrôle de l’État membre d’accueil des informations communiquées en application de l’article 109, alinéa 1er. Lorsque l’État d’implantation de la succursale est un pays tiers, sans préjudice du respect des disposi- tions légales de ce pays en matière d’accès à l’activité d’assurance, les activités de la succursale peuvent débuter à partir de la date à laquelle le projet d’ouverture de la succursale n’a pas fait l’objet d’une opposition conformément à l’article 108, § 3. Art. 112 L’entreprise d’assurance notifie à la Banque et, le cas échéant, aux autorités de contrôle des États membres d’accueil concernées toutes modifications qu’elle entend apporter aux informations communiquées en application de l’article 108, § 1er, alinéa 2, 2°, 3°et 4° et ce, un mois au moins avant qu’elles ne soient effectuées. L’article 108, § 3 est applicable en ce qui concerne ces modifications. Sous-section II Ouverture d’une succursale à l’étranger par une entreprise de réassurance Art. 113 L’entreprise de réassurance qui projette d’établir une succursale sur le territoire d’un autre État membre ou d’un pays tiers en vue d’y exercer une activité de réassurance pour laquelle elle dispose d’un agrément en Belgique, notifie son intention à la Banque. 845 1584/002 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 Art. 114 De artikelen 108, § 1, tweede lid, 1° tot 4° en § § 2, 3 en 5, 110, 111, tweede lid en 112 zijn mutatis mutandis van toepassing op de opening van bijkantoren in het buitenland door een herverzekeringsonderneming, met dien verstande dat: 1° door de Bank ook samenwerkingsakkoorden als bedoeld in artikel 110 kunnen worden gesloten met de toezichthouders van de lidstaten van ontvangst; 2° artikel 111, tweede lid ook van toepassing is wan- neer het vestigingsland van het bijkantoor een lidstaat is. Afdeling III Verrichten van verzekerings- of herverzekeringsdiensten in het buitenland Onderafdeling I Verrichten van diensten in het buitenland door een verzekeringsonderneming Art. 115 § 1. Iedere verzekeringsonderneming die op het grondgebied van een andere lidstaat een verzekerings- activiteit wenst uit te oefenen waarvoor zij in België een vergunning heeft verkregen, zonder er een bijkantoor te vestigen, stelt de Bank daarvan in kennis. Bij deze kennisgeving wordt een dossier gevoegd met de volgende gegevens: 1° de lidstaat op het grondgebied waarvan de ver- zekeringsonderneming voornemens is haar activiteit uit te oefenen; 2°  het type verzekeringsverrichtingen dat zij van plan is uit te oefenen in het kader van het vrij verrichten van diensten en de takken waartoe deze verrichtingen behoren; 3° ingeval de verzekeringsonderneming in het kader van het vrij verrichten van diensten de risico’s wil laten dekken die behoren tot tak 10 als vermeld in Bijlage I, met uitzondering van de aansprakelijkheid van de ver- voerder, en indien de lidstaat van ontvangst verlangt dat deze gegevens worden meegedeeld, een verkla- ring waarin staat dat de verzekeringsonderneming is toegetreden tot het nationaal bureau en het nationaal waarborgfonds van de lidstaat van ontvangst. Art. 114 Les articles 108, § 1er, alinéa 2, 1° à 4° et § § 2, 3 et 5, 110, 111, alinéa 2 et 112 s’appliquent mutatis mutan- dis à l’ouverture de succursales à l’étranger par une entreprise de réassurance, étant entendu que: 1°  des accords de coopération visés à l’ar- ticle 110 peuvent également être conclus par la Banque avec les autorités de contrôle des États membres d’accueil; 2°  l’article  111, alinéa  2  s’applique également lorsque l’État d’implantation de la succursale est un État membre. Section III Prestation de services d’assurance ou de réassurance à l’étranger Sous-section Ire Prestation de services à l’étranger par une entreprise d’assurance Art. 115 § 1er. L’entreprise d’assurance qui projette d’exercer sur le territoire d’un autre État membre, sans y établir de succursale, une activité d’assurance pour laquelle elle est agréée en Belgique, notifie son intention à la Banque. Cette notification est assortie d’un dossier compor- tant les informations suivantes: 1° l’État membre sur le territoire duquel l’entreprise d’assurance envisage d’exercer son activité; 2° le type d’opérations d’assurance qu’elle compte exercer dans le cadre de la libre prestation de services et les branches dont ces opérations relèvent; 3° dans le cas où l’entreprise d’assurance entend faire couvrir, dans le cadre de la libre prestation de services, les risques relevant de la branche 10 men- tionnée à l’Annexe I, à l’exclusion de la responsabilité du transporteur, et si l’État membre d’accueil exige la communication de ces informations, une déclaration selon laquelle l’entreprise d’assurance est devenue membre du bureau national et du fonds national de garantie de l’État membre d’accueil. 846 1584/002 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 § 2. De Bank kan zich verzetten tegen de uitvoering van het project bij beslissing die is ingegeven door de na- delige gevolgen van het grensoverschrijdend verrichten van de verzekeringsactiviteit voor het governancesys- teem, de financiële positie, met name gelet op de risico’s die verbonden zijn aan de voorgenomen activiteit, of het toezicht op de verzekeringsonderneming. De beslissing van de Bank wordt uiterlijk een maand na ontvangst van het volledige dossier met alle in para- graaf 1, tweede lid bedoelde gegevens, met een aange- tekende brief of een brief met ontvangstbewijs ter kennis gebracht van de verzekeringsonderneming. Indien de Bank haar beslissing niet binnen deze termijn ter kennis heeft gebracht, wordt zij geacht geen bezwaar te heb- ben tegen het project van de verzekeringsonderneming. § 3. De Bank stelt de Europese Commissie en EIOPA in kennis van het aantal en de aard van de gevallen waarin een definitieve beslissing tot verzet werd geno- men met toepassing van paragraaf 2. § 4. Met uitzondering van paragraaf 3 is dit artikel mutatis mutandis van toepassing op de uitoefening van het verzekeringsbedrijf op het grondgebied van een derde land zonder er een bijkantoor te vestigen, met dien verstande dat 1° de Bank zich ook kan verzetten tegen de uitvoering van het project van de verzekeringsonderneming indien zij redenen heeft om te twijfelen aan de naleving van de regels voor de toegang tot het bedrijf waarin de wetge- ving van het derde land voorziet, of, rekening houdend met de voorgenomen activiteit en met de regeling betref- fende de samenwerking met de toezichthouders van het derde land, aan de mogelijkheid om effectief toezicht uit te oefenen op de grensoverschrijdende activiteit die op het grondgebied van dit derde land wordt uitgeoefend; 2° de in paragraaf 2, tweede lid bedoelde termijn in dit geval drie maanden bedraagt. Art. 116 Wanneer de staat op het grondgebied waarvan de grensoverschrijdende verzekeringsactiviteit wordt uitge- oefend, een lidstaat is, deelt de Bank, indien zij zich niet tegen de uitvoering van het project heeft verzet over- eenkomstig artikel 115, § 2, aan de toezichthouder van de betrokken lidstaat van ontvangst, binnen een maand na ontvangst ervan, alle in artikel 115, § 1, tweede lid vereiste gegevens mee, evenals een verklaring dat de verzekeringsonderneming het solvabiliteitskapitaalver- eiste en minimumkapitaalvereiste dekt zoals berekend overeenkomstig de artikelen 100 en 129 van Richtlijn § 2. La Banque peut s’opposer à la réalisation du projet par décision motivée par les répercussions pré- judiciables de la prestation transfrontalière de l’activité d’assurance sur le système de gouvernance, la situation financière, notamment compte tenu des risques inhé- rents à l’activité projetée, ou le contrôle de l’entreprise d’assurance. La décision de la Banque est notifiée à l’entreprise d’assurance par lettre recommandée à la poste ou avec accusé de réception au plus tard un mois après la récep- tion du dossier complet comprenant les informations prévues au paragraphe 1er, alinéa 2. Si la Banque n’a pas notifié de décision dans ce délai, elle est réputée ne pas s’opposer au projet de l’entreprise d’assurance. § 3 . La Banque communique à la Commission euro- péenne et à l’EIOPA le nombre et la nature des cas dans lesquels une décision définitive d’opposition a été prise en application du paragraphe 2. § 4. Le présent article, à l’exception du paragraphe 3, s’applique mutatis mutandis à l’exercice de l’activité d’assurance sur le territoire d’un pays tiers, sans y établir de succursale, étant entendu que  1° la Banque peut également s’opposer à la réali- sation du projet de l’entreprise d’assurance si elle a des raisons de douter du respect des règles d’accès à l’activité prescrites sous la législation du pays tiers ou, compte tenu de l’activité envisagée et du régime de coopération avec les autorités de contrôle du pays tiers, de la possibilité d’exercer un contrôle effectif en ce qui concerne l’activité transfrontalière exercée sur le territoire de ce pays tiers; 2° le délai visé au paragraphe 2, alinéa 2 est porté à trois mois. Art. 116 Lorsque l’État sur le territoire duquel l’activité d’assu- rance transfrontalière s’exerce est un État membre, la Banque, si elle ne s’est pas opposée à la réalisation du projet conformément à l’article 115, § 2, communique à l’autorité de contrôle de l’État d’accueil concerné dans le mois de leur réception, toutes les informations requises par l’article 115, § 1er, alinéa 2 ainsi qu’une attestation indiquant que l’entreprise d’assurance dis- pose du capital de solvabilité requis et du minimum de capital requis calculés conformément aux articles 100 et 129  de la Directive 2009/138/CE. Elle communique 847 1584/002 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 2009/138/EG. Zij deelt eveneens de verzekeringstak- ken mee waarvoor de verzekeringsonderneming een vergunning heeft verkregen van de Bank. De Bank brengt de betrokken verzekeringsonderne- ming schriftelijk op de hoogte van de in het eerste lid bedoelde mededeling. Wanneer de toezichthouders van de lidstaat van ontvangst aan de Bank de voorwaarden hebben mee- gedeeld waaronder de grensoverschrijdende activiteiten om redenen van algemeen belang in die lidstaat mogen worden uitgeoefend, deelt de Bank deze informatie mee aan de betrokken verzekeringsonderneming. Art. 117 Wanneer de staat op het grondgebied waarvan de grensoverschrijdende verzekeringsactiviteit wordt uit- geoefend, een derde land is, kan de Bank in overleg met de betrokken autoriteit van het derde land, regels vaststellen voor het toezicht op die activiteit, alsook voor de wenselijke informatie-uitwisseling, met inachtneming van de bepalingen van Hoofdstuk IV/1, Afdeling 4 van de wet van 22 februari 1998. Art. 118 Wanneer de staat op het grondgebied waarvan de grensoverschrijdende verzekeringsactiviteit wordt uitgeoefend, een lidstaat is, mogen de grensoverschrij- dende activiteiten aanvangen vanaf de datum waarop de onderneming in kennis werd gesteld door de Bank van de in artikel 116, eerste lid bedoelde mededeling. Wanneer de staat op het grondgebied waarvan de grensoverschrijdende verzekeringsactiviteit wordt uitge- oefend, een derde land is, mogen de grensoverschrij- dende activiteiten aanvangen vanaf de datum waarop geen verzet is aangetekend overeenkomstig artikel 115, § 2 tegen het voornemen om grensoverschrijdende ac- tiviteiten uit te oefenen, onverminderd de naleving van de wettelijke bepalingen van dit land inzake de toegang tot het verzekeringsbedrijf. Art. 119 Iedere verzekeringsonderneming die op het grondge- bied van een andere lidstaat of van een derde land een verzekeringsactiviteit uitoefent zonder er een bijkantoor te vestigen, stelt de Bank op voorhand in kennis van alle wijzigingen die zij wenst aan te brengen in de informatie également les branches d’assurance pour lesquelles l’entreprise d’assurance a été agréée par la Banque. La Banque avise par écrit l’entreprise d’assurance concernée de la communication visée à l’alinéa 1er. Lorsque les autorités de contrôle de l’État membre d’accueil lui ont transmis les conditions dans les- quelles, pour des raisons d’intérêt général, les activités transfrontalières peuvent être exercées dans cet État membre, la Banque communique ces informations à l’entreprise d’assurance concernée. Art. 117 Lorsque l’État sur le territoire duquel l’activité d’assurance transfrontalière s’exerce est un pays tiers, la Banque peut convenir avec l’autorité du pays tiers concernée, des modalités de contrôle de cette activité ainsi que des échanges d’informations souhaitables dans le respect des dispositions du Chapitre IV/1, Section 4, de la loi du 22 février 1998. Art. 118 Lorsque l’État sur le territoire duquel l’activité d’assu- rance transfrontalière s’exerce est un État membre, les activités transfrontalières peuvent débuter à partir de la date à laquelle l’entreprise a été avisée par la Banque de la communication prévue à l’article 116, alinéa 1er. Lorsque l’État sur le territoire duquel l’activité d’assu- rance transfrontalière s’exerce est un pays tiers, sans préjudice du respect des dispositions légales de ce pays en matière d’accès à l’activité d’assurance, les activités transfrontalières peuvent débuter à partir de la date à laquelle le projet d’activités transfrontalières n’a pas fait l’objet d’une opposition conformément à l’article 115, § 2. Art. 119 L’entreprise d’assurance qui exerce sur le territoire d’un autre État membre ou d’un pays tiers, sans y établir de succursale, une activité d’assurance, notifie préalablement à la Banque toutes modifications qu’elle entend apporter aux informations communiquées en 848 1584/002 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 die met toepassing van artikel 115, § 1, tweede lid werd meegedeeld. Artikel 115, § 2 is van toepassing op deze wijzigingen. Onderafdeling II Verrichten van diensten in het buitenland door een herverzekeringsonderneming Art. 120 Iedere herverzekeringsonderneming die op het grondgebied van een andere lidstaat of van een derde land een herverzekeringsactiviteit wenst uit te oefenen waarvoor zij in België een vergunning heeft, zonder er een bijkantoor te vestigen, stelt de Bank daarvan in kennis. Art. 121 De artikelen 115, § 1, tweede lid, en § § 2 en 4, 117, 118, tweede lid en 119 zijn mutatis mutandis van toepas- sing op de uitoefening van een grensoverschrijdende herverzekeringsactiviteit in het buitenland, zonder er een bijkantoor te vestigen, met dien verstande dat: 1° door de Bank ook samenwerkingsakkoorden als bedoeld in artikel 117 kunnen worden gesloten met de toezichthouders van de lidstaten van ontvangst waar de grensoverschrijdende herverzekeringsactiviteit wordt uitgeoefend; 2° de in artikel 115, § 2, tweede lid bedoelde termijn in dit geval drie maanden bedraagt; 3° artikel 118, tweede lid ook van toepassing is wan- neer de staat waarin de grensoverschrijdende herver- zekeringsactiviteit wordt uitgeoefend, een lidstaat is. Afdeling IV Gemeenschappelijke bepalingen betreffende de bedrijfsuitoefening in een andere lidstaat Art. 122 Iedere verzekerings- of herverzekeringsonderneming stelt de Bank, afzonderlijk voor verrichtingen die in het kader van de opening van een bijkantoor worden uit- gevoerd en deze die in het kader van het vrij verrichten van diensten worden uitgevoerd, in kennis van het be- drag aan premies, schadegevallen en provisies, zonder aftrek van herverzekering, per vestigingsland van een bijkantoor en per lidstaat op het grondgebied waarvan application de l’article 115, § 1er, alinéa 2. L’article 115, § 2 est applicable en ce qui concerne ces modifications. Sous-section II Prestation de services à l’étranger par une entreprise de réassurance Art. 120 L’entreprise de réassurance qui projette d’exercer sur le territoire d’un autre État membre ou d’un pays tiers, sans y établir de succursale, une activité de réassurance pour laquelle elle dispose d’un agrément en Belgique, notifie son intention à la Banque. Art. 121 Les articles 115, § 1er, alinéa 2, et § § 2 et 4, 117, 118, alinéa 2 et 119 s’appliquent mutatis mutandis à l’exercice d’une activité de réassurance transfronta- lière à l’étranger, sans y établir une succursale, étant entendu que: 1°  des accords de coopération visés à l’ar- ticle 117 peuvent également être conclus par la Banque avec les autorités de contrôle des États membres d’accueil dans lesquels l’activité de réassurance trans- frontalière est exercée; 2° le délai visé à l’article 115, § 2, alinéa 2 est porté à trois mois; 3° l’article 118, alinéa 2 s’applique également lorsque l’État dans lequel l’activité de réassurance transfronta- lière est exercée est un État membre. Section IV Dispositions communes à l’exercice de l’activité dans un autre État membre Art. 122 Chaque entreprise d’assurance ou de réassurance communique à la Banque, de manière distincte pour les opérations effectuées dans le cadre de l’ouverture d’une succursale et pour celles effectuées dans le cadre de la libre prestation de services, le montant des primes, sinistres et commissions, sans déduction de la réassu- rance, par État membre d’implantation d’une succursale et par État membre sur le territoire duquel une activité 849 1584/002 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 een grensoverschrijdende verzekerings- of herverzeke- ringsactiviteit wordt uitgeoefend, en wel als volgt: 1° voor niet-levensverzekeringen: per business line, overeenkomstig de uitvoeringsmaatregelen van Richtlijn 2009/138/EG; 2° voor levensverzekeringen: per business line, over- eenkomstig de uitvoeringsmaatregelen van Richtlijn 2009/138/EG; 3° voor herverzekeringen “niet-leven”; 4° voor herverzekeringen “leven”. Wat betreft tak 10 als vermeld in Bijlage I, met uitzon- dering van de aansprakelijkheid van de vervoerder, stelt de betrokken verzekeringsonderneming de Bank ook in kennis van de frequentie en de gemiddelde kosten van de schadegevallen. De Bank deelt de in het eerste en tweede lid bedoelde informatie binnen een redelijke termijn in geaggregeerde vorm mee aan de toezichthouders van elke van de be- trokken lidstaten die daarom verzoeken. HOOFDSTUK VI Reglementaire normen en verplichtingen Afdeling I Waarderingsregels Onderafdeling I Algemene regels Art. 123 Met het oog op de naleving van de door of krachtens dit Hoofdstuk opgelegde vereisten, waarderen de verze- kerings- of herverzekeringsondernemingen hun activa en passiva als volgt: 1° de activa worden gewaardeerd tegen het bedrag waarvoor ze kunnen worden geruild in het kader van een afgesloten transactie, bij normale concurrentievoor- waarden, tussen goed geïnformeerde, tot een transactie bereid zijnde partijen; 2° de passiva worden gewaardeerd tegen het be- drag waarvoor ze kunnen worden overgedragen of afgewikkeld in het kader van een afgesloten transactie, d’assurance ou de réassurance transfrontalière est exercée. Cette communication s’effectue comme suit: 1° pour l’assurance non-vie, par lignes d’activité, conformément aux mesures d’exécution de la Directive 2009/138/CE; 2° pour l’assurance vie, par lignes d’activité, confor- mément aux mesures d’exécution de la Directive 2009/138/CE; 3° pour la réassurance non-vie; 4° pour la réassurance vie. En ce qui concerne la branche 10  mentionnée à l’Annexe I, à l’exclusion de la responsabilité du trans- porteur, l’entreprise d’assurance concernée informe également la Banque de la fréquence et du coût moyen des sinistres. La Banque communique les informations visées aux alinéas 1er et 2 dans un délai raisonnable et sous une forme agrégée aux autorités de contrôle de chacun des États membres concernés qui lui en font la demande. CHAPITRE VI Normes et obligations réglementaires Section Ire Règles de valorisation Sous-section Ire Règles générales Art. 123 Aux fins du respect des exigences prévues par ou en vertu du présent Chapitre, les entreprises d’assurance ou de réassurance valorisent leurs actifs et leurs passifs comme suit: 1° les actifs sont valorisés au montant pour lequel ils pourraient être échangés dans le cadre d’une tran- saction conclue, dans des conditions de concurrence normales, entre des parties informées et consentantes; 2° les passifs sont valorisés au montant pour lequel ils pourraient être transférés ou réglés dans le cadre d’une transaction conclue, dans des conditions de 850 1584/002 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 bij normale concurrentievoorwaarden, tussen goed geïnformeerde, tot een transactie bereid zijnde partijen. Bij de waardering van de in punt 2° bedoelde passiva wordt niet gecorrigeerd voor de eigen kredietwaardigheid van de verzekerings- of herverzekeringsonderneming. Onderafdeling II Regels betreffende de technische voorzieningen § 1 – Algemene bepalingen Art. 124 De verzekerings- of herverzekeringsondernemingen berekenen en boeken onder de benaming techni- sche voorzieningen al hun verzekerings- of herver- zekeringsverplichtingen jegens verzekeringnemers, verzekerden en begunstigden van verzekerings- of herverzekeringsovereenkomsten. De technische voorzieningen hebben zowel betrek- king op de lopende als op de vervallen overeenkomsten die nog niet volledig vereffend zijn. Art. 125 Technische voorzieningen worden op een prudente, betrouwbare en objectieve wijze berekend. De waarde van de technische voorzieningen stemt overeen met het huidige bedrag dat een verzekerings- of herverzekeringsonderneming zou moeten betalen indien zij haar verzekerings- of herverzekeringsverplichtingen met onmiddellijke ingang aan een andere verzekerings- of herverzekeringsonderneming zou overdragen. De berekening van de technische voorzieningen maakt gebruik van en strookt met de informatie van de financiële markten en de algemeen beschik- bare gegevens over verzekerings technische risico’s (marktconsistentie). De berekening van de technische voorzieningen wordt uitgevoerd overeenkomstig de artikelen 126 tot 137, de ter uitvoering ervan genomen maatregelen en de uitvoeringsverordeningen van Richtlijn 2009/138/EG, uitgaande van de beginselen die zijn vastgesteld in dit artikel en rekening houdend met de beginselen die zijn vastgesteld in artikel 123. concurrence normales, entre des parties informées et consentantes. Lors de la valorisation des passifs au titre du 2°, aucun ajustement visant à tenir compte de la qualité de crédit propre à l’entreprise d’assurance ou de réassurance n’est effectué. Sous-section II Règles relatives aux provisions techniques § 1er – Dispositions générales Art. 124 Les entreprises d’assurance ou de réassurance calculent et comptabilisent, sous le nom de provisions techniques, tous leurs engagements d’assurance ou de réassurance vis-à-vis des preneurs d’assurance, des assurés et des bénéficiaires des contrats d’assurance ou bénéficiaires des contrats de réassurance. Les provisions techniques concernent tant les contrats en cours que les contrats échus et non entiè- rement liquidés. Art. 125 Les provisions techniques sont calculées d’une manière prudente, fiable et objective. La valeur des provisions techniques correspond au montant actuel que les entreprises d’assurance ou de réassurance devraient payer si elles transféraient avec effet immédiat leurs engagements d’assurance ou de réassurance à une autre entreprise d’assurance ou de réassurance. Le calcul des provisions techniques utilise, en étant cohérent avec elles, les informations fournies par les marchés financiers et les données généralement dis- ponibles sur les risques de souscription (cohérence avec le marché). Suivant les principes énoncés au présent article et compte tenu de ceux énoncés à l’article 123, le calcul des provisions techniques est effectué conformément aux articles 126 à 137, aux règles prises pour leur exé- cution et aux Règlements d’exécution de la Directive 2009/138/CE. 851 1584/002 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 Art. 126 § 1. De waarde van de technische voorzieningen is gelijk aan de som van de beste schatting (best estimate) en de risicomarge (risk margin) zoals respectievelijk beschreven in de paragrafen 2 en 3. § 2. De beste schatting stemt overeen met het kans- gewogen gemiddelde van de toekomstige kasstromen, waarbij rekening wordt gehouden met de tijdswaarde van geld (verwachte contante waarde van de toekom- stige kasstromen) en gebruik wordt gemaakt van de relevante risicovrije rentetermijnstructuur. Bij de berekening van de beste schatting wordt uitgegaan van geactualiseerde en betrouwbare infor- matie en realistische hypothesen en worden adequate, toepasselijke en relevante actuariële en statistische methodes gebruikt. De kasstroomprognose die bij de berekening van de beste schatting wordt gebruikt, houdt rekening met alle instroom en uitstroom van kasmiddelen die nodig zijn om te voldoen aan de verzekerings- of herverzekerings- verplichtingen gedurende de looptijd ervan. De beste schatting wordt bruto berekend, zonder aftrek van de schuldvorderingen die voortvloeien uit herverzekerings-overeenkomsten en effectiseringsvehi- kels. Overeenkomstig artikel 136 worden deze bedragen apart berekend. §  3.  De risicomarge wordt zodanig berekend dat de waarde van de technische voorzieningen gelijk is aan het bedrag dat verzekerings- of herverze- keringsondernemingen zouden vragen voor de overname en de nakoming van de verzekerings- of herverzekeringsverplichtingen. Art. 127 § 1. De verzekerings- of herverzekeringsondernemin- gen waarderen de beste schatting en de risicomarge afzonderlijk. Wanneer de toekomstige kasstromen in verband met verzekerings- of herverzekeringsverplichtingen echter op betrouwbare wijze kunnen worden gerepliceerd met behulp van financiële instrumenten met een waar- neembare betrouwbare marktwaarde, wordt de waarde van de technische voorzieningen voor die toekomstige kasstromen bepaald op basis van de marktwaarde van deze financiële instrumenten. In dit geval zijn geen afzonderlijke berekeningen van de beste schatting en de risicomarge vereist. Art. 126  § 1er. La valeur des provisions techniques est égale à la somme de la meilleure estimation (best estimate) et de la marge de risque (risk margin) respectivement décrites aux paragraphes 2 et 3. § 2. La meilleure estimation correspond à la moyenne pondérée par leur probabilité des flux de trésorerie futurs, compte tenu de la valeur temporelle de l’argent (valeur actuelle attendue des flux de trésorerie futurs), estimée sur la base de la courbe pertinente des taux d’intérêt sans risque. Le calcul de la meilleure estimation est fondé sur des informations actualisées et crédibles et sur des hypothèses réalistes et il fait appel à des méthodes actuarielles et statistiques adéquates, applicables et pertinentes. La projection en matière de flux de trésorerie utilisée dans le calcul de la meilleure estimation tient compte de toutes les entrées et sorties de trésorerie nécessaires pour faire face aux engagements d’assurance ou de réassurance pendant toute la durée de ceux-ci. La meilleure estimation est calculée brute, sans déduction des créances découlant des contrats de réas- surance et des véhicules de titrisation. Ces montants sont calculés séparément, conformément à l’article 136. § 3. La marge de risque est calculée de manière à garantir que la valeur des provisions techniques est équivalente au montant que des entreprises d’assurance ou de réassurance demanderaient pour reprendre et honorer les engagements d’assurance ou de réassurance. Art. 127  § 1er. Les entreprises d’assurance ou de réassurance procèdent à une évaluation séparée de la meilleure estimation et de la marge de risque. Cependant, lorsque les flux futurs de trésorerie liés aux engagements d’assurance ou de réassurance peuvent être, de manière fiable, répliqués au moyen d’instruments financiers pour lesquels il existe une valeur de marché fiable observable, la valeur des pro- visions techniques liées à ces futurs flux de trésorerie est déterminée à l’aide de la valeur de marché de ces instruments financiers. Dans ce cas, il n’est pas néces- saire de procéder à un calcul séparé de la meilleure estimation et de la marge de risque. 852 1584/002 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 § 2. Wanneer de verzekerings- of herverzekerings- ondernemingen de beste schatting en de risicomarge afzonderlijk ramen, wordt de risicomarge berekend door vaststelling van de kosten om een bedrag aan in aanmerking komend eigen vermogen te verschaffen dat gelijk is aan het solvabiliteitskapitaalvereiste dat nodig is om te voldoen aan de verzekerings- of herverzeke- ringsverplichtingen gedurende de looptijd ervan. Voor alle verzekerings- of herverzekeringsonderne- mingen wordt bij de bepaling van de kosten voor het verschaffen van dit bedrag hetzelfde percentage gehan- teerd (kapitaalkostenpercentage – Cost-of-Capital rate). Een verordening tot uitvoering van Richtlijn 2009/138/ EG legt dit percentage vast en herziet het periodiek. Het gehanteerde kapitaalkostenpercentage is gelijk aan de opslag op de relevante risicovrije rente die een verzekerings- of herverzekeringsonderneming zou betalen die overeenkomstig Onderafdeling III van dit Hoofdstuk een bedrag aan in aanmerking komend eigen vermogen aanhoudt dat gelijk is aan het solvabiliteits- kapitaalvereiste dat nodig is om te voldoen aan de ver- zekerings- of herverzekeringsverplichtingen gedurende de volledige looptijd ervan. § 2 – Extrapolatie van de relevante risicovrije rente- termijnstructuur (risk-free interest rate term structure) Art. 128 Bij de bepaling van de relevante risicovrije rente- termijnstructuur als bedoeld in artikel 126, § 2 wordt gebruikgemaakt van informatie van relevante financiële instrumenten, en deze relevante risicovrije rentetermijn- structuur dient met die informatie consistent te zijn. De markten voor de desbetreffende relevante financiële instrumenten en voor obligaties dienen zodanige loop- tijden te hebben dat zij kunnen worden beschouwd als diepe, liquide en transparante markten. Wanneer het looptijden betreft waarbij de markten voor zowel de re- levante financiële instrumenten als voor obligaties niet langer als diep, liquide en transparant kunnen worden beschouwd, wordt de relevante risicovrije rentetermijn- structuur geëxtrapoleerd. Het geëxtrapoleerde deel van de relevante risicovrije rentetermijnstructuur is gebaseerd op forward rates die vloeiend van een forward rate of een reeks forward rates voor de langste looptijden waartegen de relevante finan- ciële instrumenten en obligaties in een diepe, liquide en transparante markt te vinden zijn, convergeren naar een ultimate forward rate. § 2. Lorsqu’elles procèdent à une évaluation séparée de la meilleure estimation et de la marge de risque, les entreprises d’assurance ou de réassurance calculent la marge de risque en déterminant le coût que représente la mobilisation d’un montant de fonds propres éligibles égal au capital de solvabilité requis pour faire face aux engagements d’assurance ou de réassurance pendant toute la durée de ceux-ci. Le taux utilisé pour déterminer le coût que représente la mobilisation de ce montant de fonds propres éligibles (taux du coût du capital) est le même pour toutes les entreprises d’assurance ou de réassurance. Un règle- ment d’exécution de la Directive 2009/138/CE fixe et révise périodiquement ce taux. Le taux du coût du capital utilisé est égal au taux supplémentaire, s’ajoutant au taux d’intérêt sans risque pertinent, que supporterait une entreprise d’assurance ou de réassurance détenant un montant de fonds propres éligibles, conformément à la Sous-section III du présent Chapitre égal au capital de solvabilité requis qui est nécessaire pour faire face aux engagements d’assurance ou de réassurance pendant toute la durée de ceux-ci. §  2  – Extrapolation de la courbe pertinente des taux d’intérêt sans risque (risk-free interest rate term structure) Art. 128 La détermination de la courbe pertinente des taux d’intérêt sans risque visée à l’article 126, § 2, fait usage des informations tirées d’instruments financiers perti- nents et reste cohérente avec elles. Cette détermina- tion tient compte des instruments financiers pertinents pour les échéances auxquelles les marchés desdits instruments financiers, y compris les marchés obliga- taires, sont profonds, liquides et transparents. Pour les échéances auxquelles les marchés des instruments financiers pertinents ou des obligations ne sont plus profonds, liquides et transparents, la courbe pertinente des taux d’intérêt sans risque est extrapolée. La partie extrapolée de la courbe pertinente des taux d’intérêt sans risque se fonde sur des taux à terme convergents sans à-coups depuis un taux, ou un ensemble de taux à terme, pour les échéances les plus longues auxquelles il est possible d’observer l’instru- ment financier pertinent et les obligations libellés, sur un marché profond, liquide et transparent, jusqu’à l’ultime taux à terme (ultimate forward rate). 853 1584/002 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 § 3 – Matchingopslag (matching adjustment) in ver- band met de relevante risicovrije rentetermijnstructuur Art. 129 § 1. Verzekerings- of herverzekeringsondernemingen kunnen een matchingopslag in verband met de relevante risicovrije rentetermijnstructuur toepassen voor de bere- kening van de beste schatting van een portefeuille van levensverzekerings- of herverzekeringsverplichtingen, met inbegrip van lijfrenten die voortvloeien uit niet-le- vensverzekerings- of -herverzekeringsovereenkomsten, mits de Bank hiervoor voorafgaandelijk toestemming heeft verleend, indien aan de volgende voorwaarden wordt voldaan: 1° de verzekerings- of herverzekeringsondernemin- gen hebben een uit obligaties of andere effecten met vergelijkbare kasstroomkarakteristieken samengestelde activaportefeuille toegewezen ter dekking van de beste schatting van de portefeuille van verzekerings- of her- verzekeringsverplichtingen, en behouden die toewijzing gedurende de looptijd van de verplichtingen, tenzij het de bedoeling is de replicatie van de verwachte kasstro- men tussen activa en passiva te behouden wanneer die kasstromen wezenlijk zijn veranderd; 2° de portefeuille van verzekerings- of herverzeke- ringsverplichtingen waarvoor de matchingopslag wordt toegepast en de toegewezen activaportefeuille worden afzonderlijk van de andere activiteiten van de onderne- mingen geïdentificeerd, beheerd en georganiseerd, en de toegewezen activaportefeuille kan niet worden ge- bruikt ter dekking van verliezen die ontstaan bij andere activiteiten van de ondernemingen; 3° de verwachte kasstromen uit de toegewezen acti- vaportefeuille corresponderen met elk van de verwachte kasstromen uit de portefeuille van verzekerings- of herverzekeringsverplichtingen in dezelfde valuta, en een eventuele mismatch levert geen wezenlijke risico’s op in verhouding tot de risico’s die eigen zijn aan de verzekerings- of herverzekeringsactiviteit waarop een matchingsopslag wordt toegepast; 4°  de overeenkomsten die ten grondslag liggen aan de portefeuille van verzekerings- of herverze- keringsverplichtingen, resulteren niet in toekomstige premiebetalingen; 5° de enige aan de portefeuille van verzekerings- of herverzekeringsverplichtingen verbonden verzekerings- technische risico’s zijn het langleven-, het kosten-, het herzienings- en het overlijdensrisico; § 3 – Ajustement égalisateur (Matching adjustment) de la courbe pertinente des taux d’intérêt sans risque Art. 129  § 1er. Les entreprises d’assurance ou de réassu- rance peuvent appliquer un ajustement égalisateur de la courbe pertinente des taux d’intérêt sans risque pour calculer la meilleure estimation d’un portefeuille d’engagements d’assurance ou de réassurance vie, y compris les rentes découlant de contrats d’assurance ou de réassurance non-vie, sous réserve de l’accord préalable la Banque, lorsque les conditions suivantes sont remplies: 1° les entreprises d’assurance ou de réassurance ont assigné un portefeuille d’actifs, composé d’obligations ou d’autres titres ayant des caractéristiques similaires en flux de trésorerie, en couverture de la meilleure esti- mation du portefeuille d’engagements d’assurance ou de réassurance et conservent cette affectation jusqu’à l’échéance desdits engagements, sauf à vouloir mainte- nir l’équivalence des flux de trésorerie escomptés entre actifs et passifs si ces flux ont sensiblement changé; 2°  le portefeuille d’engagements d’assurance ou de réassurance auquel l’ajustement égalisateur est appliqué et le portefeuille affecté d’actifs sont identifiés, gérés et organisés séparément des autres activités des entreprises, et le portefeuille affecté d’actifs ne peut être utilisé pour couvrir les pertes résultant d’autres activités des entreprises; 3° les flux de trésorerie escomptés du portefeuille affecté d’actifs répondent dans la même devise, point par point, aux flux de trésorerie escomptés du porte- feuille d’engagements d’assurance ou de réassurance et aucune rupture d’équivalence ne donne lieu à des risques qui sont réels par rapport aux risques inhérents à l’activité d’assurance ou de réassurance auxquels l’ajustement égalisateur s’applique; 4° les contrats sous-jacents du portefeuille d’enga- gements d’assurance ou de réassurance ne donnent pas droit au versement de primes futures; 5° les seuls risques de souscription liés au portefeuille d’engagements d’assurance ou de réassurance sont le risque de longévité, le risque de dépenses, le risque de révision et le risque de mortalité; 854 1584/002 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 6° indien het aan de portefeuille van verzekerings- of herverzekeringsverplichtingen verbonden verzekerings- technische risico het overlijdensrisico omvat, neemt de beste schatting van de portefeuille van verzekerings- of herverzekeringsverplichtingen in het geval van een overeenkomstig artikel 151, § § 2 tot 5 gekalibreerde overlijdensrisicostress met niet meer dan 5 % toe; 7° de overeenkomsten die ten grondslag liggen aan de portefeuille van verzekerings- of herverzekerings- verplichtingen, voorzien enkel in een afkoopoptie op voorwaarde dat de afkoopwaarde niet hoger is dan de waarde van de activa die beschikbaar zijn ter dekking van de verzekerings- of herverzekerings-verplichtingen op het moment dat de afkoopoptie wordt uitgeoefend, berekend overeenkomstig artikel 123; 8° de kasstromen uit de toegewezen activaportefeuille zijn vastgelegd en kunnen niet door de emittenten van de effecten of door derden worden gewijzigd; 9°  de aan verzekerings- of herverzekeringsover- eenkomsten verbonden verzekerings- of herverzeke- ringsverplichtingen worden niet in afzonderlijke delen opgesplitst wanneer ze voor de toepassing van deze paragraaf deel uitmaken van de portefeuille van verze- kerings- of herverzekeringsverplichtingen. Onverminderd het eerste lid, 8°, kunnen verzekerings- of herverzekeringsondernemingen gebruikmaken van activa met vastgelegde maar inflatiegebonden kasstro- men, op voorwaarde dat deze activa de inflatiegebonden kasstromen van de portefeuille van verzekerings- of herverzekerings-verplichtingen repliceren. Indien emittenten of derde partijen de kasstromen van activa mogen wijzigen op voorwaarde dat beleggers met de compensatie die ze via herinvesteringen in activa van eenzelfde of een betere kredietkwaliteitscategorie ontvangen, dezelfde kasstromen kunnen genereren, sluit dit recht de activa niet uit van toegang tot de toe- gewezen portefeuille als bedoeld in het eerste lid, 8°. § 2. Verzekerings- of herverzekeringsondernemingen die de matchingopslag op een portefeuille van verze- kerings- of herverzekeringsverplichtingen toepassen, mogen niet opnieuw teruggrijpen naar een methode waarbij geen matchingopslag wordt gebruikt. Wanneer een verzekerings- of herverzekeringsonderneming die een matchingopslag toepast, niet meer in staat is om te voldoen aan de voorwaarden van paragraaf 1, stelt zij de Bank daarvan onverwijld in kennis en treft zij de nodige maatregelen om weer aan die voorwaarden te voldoen. Indien de onderneming niet in staat is om binnen twee maanden na de datum van niet-naleving 6° lorsque le risque de souscription lié au porte- feuille d’engagements d’assurance ou de réassurance inclut le risque de mortalité, la meilleure estimation du portefeuille des engagements d’assurance ou de réassurance ne doit pas augmenter de plus de 5 % dans le cadre d’un choc de risque de mortalité calibré conformément à l’article 151, § § 2 à 5; 7°  les contrats sous-jacents des portefeuilles d’engagements d’assurance ou de réassurance ne comprennent qu’une option de rachat à la condition que la valeur de rachat n’excède pas la valeur des actifs, évaluée conformément à l’article 123, couvrant les engagements d’assurance ou de réassurance à la date où s’exerce l’option de rachat; 8° les flux de trésorerie des actifs constituant le por- tefeuille affecté d’actifs sont fixes et ne peuvent être modifiés par les émetteurs des titres ni par des tiers; 9° les engagements d’assurance ou de réassurance d’un contrat d’assurance ou de réassurance ne sont pas divisés en différentes parties lors de la composition du portefeuille des engagements d’assurance ou de réassurance aux fins du présent paragraphe. Nonobstant l’alinéa 1er, 8°, l’entreprise d’assurance ou de réassurance peut utiliser des actifs dont les flux de trésorerie sont fixes, à part une indexation sur l’infla- tion, pourvu que ces actifs correspondent aux flux de trésorerie du portefeuille d’engagements d’assurance ou de réassurance, qui sont fonction de l’inflation. Dans le cas où les émetteurs ou des tierces parties ont le droit de modifier les flux d’un actif de manière telle que l’investisseur reçoive une indemnisation suffisante pour lui permettre d’obtenir les mêmes flux de trésorerie en réinvestissant dans des actifs d’un niveau de qualité de crédit équivalent ou meilleur, le droit de modifier les flux de trésorerie n’exclut pas que l’actif soit éligible au portefeuille assigné conformément à l’alinéa 1er, 8°. § 2. Les entreprises d’assurance ou de réassurance qui appliquent l’ajustement égalisateur à un portefeuille d’engagements d’assurance ou de réassurance ne peuvent revenir à une méthode qui ignore l’ajustement égalisateur. Si une entreprise d’assurance ou de réas- surance qui applique l’ajustement égalisateur n’est plus capable de remplir les conditions prévues au para- graphe 1er, elle en informe immédiatement la Banque et prend les mesures nécessaires pour revenir au respect de ces conditions. Si elle se montre incapable de revenir au respect des conditions dans un délai de deux mois à compter de la date du non-respect, l’entreprise cesse 855 1584/002 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 opnieuw aan deze voorwaarden te voldoen, past zij de matchingsopslag niet meer toe op haar verzekerings- of herverzekeringsverplichtingen en mag zij deze mat- chingsopslag pas opnieuw toepassen na een periode van nog eens 24 maanden. § 3. De matchingopslag wordt niet op verzekerings- of herverzekeringsverplichtingen toegepast indien de relevante risicovrije rentetermijnstructuur voor de bere- kening van de beste schatting van die verplichtingen een volatiliteitsaanpassing als bedoeld in artikel 131 omvat of een overgangsmaatregel ten aanzien van de risicovrije rentevoeten als bedoeld in artikel 668. Art. 130 § 1. Voor elke munteenheid wordt de matchingopslag als bedoeld in artikel 129 berekend in overeenstemming met de volgende beginselen: 1° de matchingopslag is gelijk aan het verschil tussen: a)  de jaarlijkse effectieve rente, berekend als de unieke discontovoet die, wanneer hij wordt toegepast op de kasstromen uit de portefeuille van verzekerings- of herverzekeringsverplichtingen, resulteert in een waarde die gelijk is aan de overeenkomstig artikel 123 bere- kende waarde van de toegewezen activaportefeuille; b)  de jaarlijkse effectieve rente, berekend als de unieke discontovoet die, wanneer hij wordt toegepast op de kasstromen uit de portefeuille van verzekerings- of herverzekeringsverplichtingen, resulteert in een waarde die gelijk is aan de waarde van de beste schatting van de portefeuille van verzekerings- of herverzekeringsver- plichtingen, met inachtneming van de tijdswaarde van geld en met gebruikmaking van de relevante risicovrije rentetermijnstructuur; 2° in de matchingopslag mag niet de fundamentele spread zijn verrekend die de risico’s weerspiegelt die door de verzekerings- of herverzekeringsonderneming worden gedragen; 3° niettegenstaande punt 1°, wordt de fundamentele spread in voorkomend geval verhoogd om te waarbor- gen dat de matchingopslag voor activa waarvan de kwaliteit lager is dan die van activa van hoge kwaliteit niet groter is dan de matchingopslag voor activa van hoge kwaliteit en dezelfde looptijd, en uit dezelfde activacategorie; 4°  het gebruik van externe kredietbeoordelin- gen bij de berekening van de matchingopslag is in d’appliquer l’ajustement égalisateur à ses engagements d’assurance ou de réassurance et ne peut appliquer à nouveau un tel ajustement qu’après un délai de 24 mois supplémentaires. § 3. L’ajustement égalisateur n’est pas appliqué aux engagements d’assurance ou de réassurance lorsque la courbe pertinente des taux d’intérêt sans risque utilisée pour calculer la meilleure estimation desdits engagements fait intervenir une correction pour volatilité en vertu de l’article 131 ou une mesure transitoire sur les taux d’intérêt sans risque en vertu de l’article 668. Art. 130 § 1er. Dans chaque devise, l’ajustement égalisateur visé à l’article 129 est calculé conformément aux prin- cipes suivants: 1° l’ajustement égalisateur est égal à la différence entre les montants suivants: a)  le taux annuel effectif, calculé comme le taux unique d’actualisation qui, s’il était appliqué aux flux de trésorerie du portefeuille d’engagements d’assurance ou de réassurance, donnerait une valeur égale à la valeur calculée conformément à l’article 123 du porte- feuille assigné d’actifs; b)  le taux annuel effectif, calculé comme le taux unique d’actualisation qui, s’il était appliqué aux flux de trésorerie du portefeuille d’engagements d’assu- rance ou de réassurance, donnerait une valeur égale à la valeur de la meilleure estimation du portefeuille d’engagements d’assurance ou de réassurance pour laquelle la valeur temporelle de l’argent est prise en compte en suivant la courbe pertinente des taux d’intérêt sans risque; 2° l’ajustement égalisateur ne peut pas inclure la marge fondamentale (fundamental spread) reflétant les risques assumés par l’entreprise d’assurance ou de réassurance; 3° nonobstant le 1°, la marge fondamentale (fun- damental spread) est augmentée, le cas échéant, de manière à ce que l’ajustement égalisateur pour les actifs dont la qualité est inférieure à celle des actifs de bonne qualité ne dépasse pas l’ajustement égalisateur pour les actifs de bonne qualité et de même durée et de même catégorie; 4° le recours à des évaluations externes de crédit dans le calcul de l’ajustement égalisateur est conforme 856 1584/002 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 overeenstemming met de specificaties die met toepas- sing van artikel 111, lid 1, onder n) van Richtlijn 2009/138/ EG zijn vastgelegd. § 2. Voor de toepassing van paragraaf 1, 2°, dient de fundamentele spread: 1° gelijk te zijn aan de som van: a) de kredietspread die de kans op wanbetaling voor de activa weerspiegelt; b) de kredietspread die het verwachte verlies als gevolg van de afwaardering van de activa weergeeft; 2° voor vorderingen op de centrale overheden en centrale banken van lidstaten, niet lager te zijn dan 30 % van het langetermijngemiddelde van de spread ten opzichte van de risicovrije rentevoet voor activa met dezelfde looptijd en dezelfde kredietwaardigheid en uit dezelfde activacategorie, zoals gemeten op de financiële markten; 3° voor andere activa dan vorderingen op de cen- trale overheden en centrale banken van lidstaten, niet lager te zijn dan 35 % van het langetermijngemiddelde van de spread ten opzichte van de risicovrije rentevoet voor activa met dezelfde looptijd en dezelfde krediet- waardigheid en uit dezelfde activacategorie, zoals gemeten op de financiële markten. De kans op wanbetaling als bedoeld in het eerste lid, 1°, a), wordt berekend op basis van de langetermijnwan- betalingsstatistieken die voor het bewuste actief relevant zijn in verhouding tot de looptijd, de krediet waardigheid en de betrokken activacategorie. Indien uit de wanbetalingsstatistieken als bedoeld in het tweede lid geen betrouwbare kredietspread kan worden afgeleid, is de fundamentele spread gelijk aan het deel van het langetermijngemiddelde van de spread ten opzichte van de risicovrije rentevoet als bedoeld in de punten 2° en 3°. § 4 – Volatiliteitsaanpassing (volatility adjustment) van de relevante risicovrije rentetermijnstructuur Art. 131 §  1. Wanneer een verzekerings- of herverzeke- ringsonderneming een volatiliteitsaanpassing van de relevante risicovrije rentetermijnstructuur wil toepassen bij de berekening van de beste schatting als bedoeld in artikel 126, § 2, brengt zij de Bank daarvan voorafgaan- delijk op de hoogte. aux spécifications définies en application de l’article 111, paragraphe 1er, n) de la Directive 2009/138/CE. § 2. Aux fins du paragraphe 1er, 2°, la marge fonda- mentale (fundamental spread) est: 1° égale à la somme des éléments suivants: a) la marge de crédit correspondant à la probabilité de défaut des actifs; b) la marge de crédit correspondant à la perte atten- due d’une dégradation des actifs; 2° pour les expositions sur les administrations cen- trales et les banques centrales des États membres, supérieure ou égale à 30 % de la moyenne à longue échéance de la marge par rapport au taux d’intérêt sans risque d’actifs de même durée, de même qualité de crédit et de même catégorie, telle qu’elle s’observe sur les marchés financiers; 3° pour les actifs autres que les expositions sur les administrations centrales et les banques centrales des États membres, supérieure ou égale à 35 % de la moyenne à longue échéance de la marge par rapport au taux d’intérêt sans risque d’actifs de même durée, de même qualité de crédit et de même catégorie, telle qu’elle s’observe sur les marchés financiers. La probabilité de défaut visée à l’alinéa 1er, 1°, a), est fondée sur des statistiques de défaut à longue échéance qui sont pertinentes pour l’actif en question, selon sa durée, sa qualité de crédit et sa catégorie. Lorsqu’aucune marge de crédit fiable ne peut être tirée des statistiques de défaut visées au deuxième alinéa, la marge fondamentale est égale à la part de la moyenne à longue échéance de la marge par rapport au taux d’intérêt sans risque que fixent les 2° et 3°. § 4 – Correction pour volatilité (Volatility adjustment) de la courbe pertinente des taux d’intérêt sans risque Art. 131  § 1er. Une entreprise d’assurance ou de réassurance qui a l’intention d’utiliser la correction pour volatilité de la courbe pertinente des taux d’intérêt sans risque pour calculer la meilleure estimation visée à l’article 126, § 2 en informe préalablement la Banque. 857 1584/002 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 De Bank kan de toepassing van de in het eerste lid bedoelde volatiliteitsaanpassing te allen tijde verbieden of beperken of er voorwaarden aan verbinden indien zij vaststelt dat de verzekerings- of herverzekeringsonder- neming niet voldoet aan de voorwaarden van dit artikel of van de Europese verordeningen die met toepassing van artikel 86, lid 1, onder i), van Richtlijn 2009/138/ EG zijn vastgesteld of dat haar risicoprofiel wezenlijk verschilt van de voorwaarden voor de toepassing van de volatiliteitsaanpassing waarin de bepalingen van de genoemde verordeningen voorzien. § 2. Voor elke betrokken munteenheid is de volatili- teitsaanpassing van de relevante risicovrije rentetermijn- structuur gebaseerd op de spread tussen de rentevoet die verdiend kan worden op de activa die deel uitmaken van een referentieportefeuille voor die munteenheid en de rentevoeten die gelden voor de relevante risicovrije rentetermijnstructuur voor die munteenheid. De referentieportefeuille voor een munteenheid is representatief voor de activa in die munteenheid waar de verzekerings- of herverzekeringsondernemingen in hebben belegd ter dekking van de beste schatting van verzekerings- of herverzekeringsverplichtingen in die munteenheid. § 3. De volatiliteitsaanpassing die op de relevante risicovrije rentetermijnstructuur wordt toegepast, komt overeen met 65 % van de voor risico’s gecorrigeerde spread voor die munteenheid. De voor risico’s gecorrigeerde spread voor die munteenheid wordt berekend als het verschil tussen de spread als bedoeld in paragraaf 2 en het deel van die spread dat terug te voeren is op een realistische inschat- ting van te verwachten verliezen of op een onverwacht kredietrisico, of andere aan de activa verbonden risico’s. De volatiliteitsaanpassing wordt alleen toegepast op de rentevoeten van de relevante risicovrije renteter- mijnstructuur die niet worden berekend via extrapolatie overeenkomstig artikel  128. De extrapolatie van de relevante risicovrije rentetermijnstructuur is gebaseerd op deze aangepaste risicovrije rentevoeten. § 4. Voor elk betrokken land wordt de volatiliteitsaan- passing van de risicovrije rentevoeten als bedoeld in paragraaf 3 voor de munteenheid van dat land, vóór toe- passing van de 65 %-factor, verhoogd met het verschil tussen de voor risico’s gecorrigeerde spread voor dat land en tweemaal de voor risico’s gecorrigeerde spread voor die munteenheid, op voorwaarde dat het verschil positief is en de voor risico’s gecorrigeerde spread voor dat land meer dan 100 basispunten bedraagt. La Banque peut, à tout moment, interdire, restreindre ou conditionner l’usage de la correction pour volati- lité visée à l’alinéa 1er si elle constate que l’entreprise d’assurance ou de réassurance ne respecte pas les conditions prévues par le présent article ou par les règlements européens pris en application de l’article 86, paragraphe 1er, i), de la Directive 2009/138/CE ou que son profil de risque diffère substantiellement des conditions d’application de la correction de volatilité telle que prévues par les dispositions desdits règlements. § 2. Pour chaque devise concernée, la correction pour volatilité de la courbe pertinente des taux d’intérêt sans risque est fonction de l’écart entre le taux d’intérêt qu’il serait possible de tirer des actifs inclus dans un portefeuille de référence dans cette devise et les taux de la courbe pertinente des taux d’intérêt sans risque correspondante dans cette devise. Le portefeuille de référence dans une devise est représentatif des actifs qui sont libellés dans ladite devise et dans lesquels les entreprises d’assurance ou de réassurance ont investi pour couvrir la meilleure estimation des engagements d’assurance ou de réas- surance libellés dans cette devise. § 3. Le montant de la correction pour volatilité de la courbe pertinente des taux d’intérêt sans risque corres- pond à 65 % de l’écart “devises” moyennant correction du risque. L’écart “devises” moyennant correction du risque est calculé sur la base de la différence entre l’écart visé au paragraphe 2 et la partie de cet écart imputable à une évaluation réaliste des pertes escomptées, du risque de crédit non escompté ou de tout autre risque lié aux actifs. La correction pour volatilité n’est applicable qu’aux taux de la courbe pertinente des taux d’intérêt sans risque qui ne sont pas calculés au moyen d’une extra- polation conformément à l’article 128. L’extrapolation de la courbe pertinente des taux d’intérêt sans risque est fonction des taux d’intérêt sans risque ajustés. § 4. Pour chaque pays concerné, la correction pour volatilité des taux d’intérêt sans risque visés au para- graphe 3 dans la devise de ce pays est, avant applica- tion du facteur de 65 %, augmentée de la différence entre l’écart “pays” moyennant correction du risque et le double de l’écart “devises” moyennant correction du risque, lorsque cette différence est positive et que l’écart “pays” moyennant correction du risque est supérieur à 100 points de base. 858 1584/002 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 De verhoogde volatiliteitsaanpassing wordt toegepast op de berekening van de beste schatting van verzeke- rings- of herverzekeringsverplichtingen van producten die op de verzekerings- of herverzekeringsmarkt van het betrokken land worden verkocht. De voor risico’s gecorrigeerde spread voor dat land wordt op dezelfde manier berekend als de voor risico’s gecorrigeerde spread voor die munteenheid van het betrokken land, met dien verstande dat hij gebaseerd is op een refe- rentieportefeuille die representatief is voor de activa waar verzekerings- of herverzekeringsondernemingen in hebben belegd ter dekking van de beste schatting van de verzekerings- of herverzekeringsverplichtingen van producten die op de verzekerings- of herverzeke- ringsmarkt van het betrokken land worden verkocht en uitgedrukt zijn in de munteenheid van dat land. § 5. De volatiliteitsaanpassing wordt niet op de ver- zekeringsverplichtingen toegepast indien de relevante risicovrije rentetermijnstructuur voor het berekenen van de beste schatting van die verplichtingen een matching- opslag als bedoeld in artikel 129 omvat. § 6. Bij wijze van uitzondering op artikel 151 heeft het solvabiliteitskapitaalvereiste geen betrekking op het risico op verlies van het kernvermogen ten gevolge van wijzigingen in de volatiliteitsaanpassing. § 5 – Overige bepalingen betreffende de technische voorzieningen Art. 132 Indien de technische informatie als bedoeld in arti- kel 77sexies, lid 1 van Richtlijn 2009/138/EG door de Europese Commissie in overeenstemming met lid 2 van hetzelfde artikel is vastgesteld, gebruiken de verzeke- rings- of herverzekeringsondernemingen die technische informatie voor het berekenen van de beste schatting overeenkomstig de artikelen 126 en 127, het berekenen van de matchingopslag overeenkomstig artikel 130, en het berekenen van de volatiliteitsaanpassing overeen- komstig artikel 131. Indien met betrekking tot munteenheden en natio- nale markten de in artikel 77sexies, lid 1, onder c), van Richtlijn 2009/138/EG bedoelde aanpassing niet in de uitvoeringshandelingen als bedoeld in lid 2 van hetzelfde artikel is opgenomen, wordt geen volatiliteitsaanpas- sing van de relevante risicovrije rentetermijnstructuur toegepast voor het berekenen van de beste schatting. L’augmentation de la correction pour volatilité s’ap- plique au calcul de la meilleure estimation des enga- gements d’assurance ou de réassurance de produits vendus sur le marché de l’assurance ou de la réassu- rance de ce pays. L’écart “pays” moyennant correction du risque est calculé de la même manière que l’écart “devises” moyennant correction du risque de ce pays mais sur la base d’un portefeuille de référence qui est représentatif du portefeuille d’actifs dans lesquels les entreprises d’assurance ou de réassurance ont investi pour couvrir la meilleure estimation des engagements d’assurance ou de réassurance de produits vendus sur le marché de l’assurance ou de la réassurance de ce pays et libellés dans la devise de ce pays. § 5. La correction pour volatilité ne s’applique pas aux engagements d’assurance si la courbe pertinente des taux d’intérêt sans risque à utiliser pour calculer la meilleure estimation de ces engagements fait intervenir l’ajustement égalisateur prévu à l’article 129. §  6.  Par dérogation à l’article  151, le capital de solvabilité requis ne couvre pas le risque de perte de fonds propres de base découlant d’une variation de la correction pour volatilité. § 5 – Autres dispositions relatives aux provisions techniques Art. 132 Lorsque les informations techniques visées à l’article 77sexies, paragraphe 1er de la Directive 2009/138/CE sont adoptées par la Commission européenne confor- mément au paragraphe 2 du même article, les entre- prises d’assurance ou de réassurance font usage de ces informations techniques pour calculer la meilleure estimation conformément aux articles 126 et 127, l’ajus- tement égalisateur conformé ment à l’article 130, et la correction pour volatilité conformément à l’article 131. En ce qui concerne les devises pour lesquelles et les marchés nationaux sur lesquels l’ajustement visé à l’article 77sexies, paragraphe 1er, c) de la Directive 2009/138/CE, n’est pas prévu dans les actes d’exécu- tion visés au paragraphe 2 du même article, aucune correction pour volatilité n’est appliquée à la courbe pertinente des taux d’intérêts sans risque à utiliser pour calculer la meilleure estimation. 859 1584/002 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 Art. 133 Naast hetgeen in de artikelen 126 en 127 is bepaald, nemen verzekerings- of herverzekeringsondernemingen bij de berekening van hun technische voorzieningen het volgende in aanmerking: 1° alle kosten die worden gemaakt bij het nakomen van verzekerings- of herverzekeringsverplichtingen; 2° inflatie, waaronder kosten- en schadegevalleninflatie; 3° alle door de verzekerings- of herverzekerings- ondernemingen verwachte betalingen aan verzeke- ringnemers en begunstigden, waaronder toekomstige discretionaire winstdelingen, ongeacht of deze beta- lingen contractueel gegarandeerd zijn, tenzij ze onder artikel 145, tweede lid vallen. Art. 134 Bij de berekening van hun technische voorzienin- gen houden de verzekerings- of herverzekeringson- dernemingen rekening met de waarde van financiële garanties en contractuele opties in verzekerings- of herverzekeringsovereenkomsten. De verzekerings- of herverzekeringsondernemingen hanteren met betrekking tot de kans dat de verzeke- ringnemers gebruik zullen maken van de contractuele opties die hen worden geboden, zoals het recht op re- ductie van de prestaties en het afkooprecht, realistische hypothesen die uitgaan van actuele en betrouwbare informatie. In de hypothesen wordt expliciet dan wel impliciet rekening gehouden met de mogelijke gevolgen van toekomstige veranderingen in de financiële en niet- financiële omstandigheden voor de gebruikmaking van deze opties. Art. 135 Bij de berekening van hun technische voorzieningen delen de verzekerings- of herverzekeringsondernemin- gen hun verzekerings- of herverzekeringsverplichtingen op in homogene risicogroepen en ten minste in business lines. Art. 136 Wanneer de verzekerings- of herverzekeringson- dernemingen de schuldvorderingen berekenen die Art. 133 Outre les dispositions des articles 126 et 127, les entreprises d’assurance ou de réassurance tiennent compte des éléments suivants lorsqu’elles calculent leurs provisions techniques: 1°  toutes les dépenses qui seront engagées aux fins d’honorer les engagements d’assurance ou de réassurance; 2° l’inflation, y compris l’inflation relative aux dé- penses et aux sinistres; 3° l’ensemble des paiements aux preneurs d’assu- rance et bénéficiaires, y compris les participations discrétionnaires que les entreprises d’assurance ou de réassurance prévoient de verser dans l’avenir, que ces paiements soient ou non garantis contractuellement, à moins qu’ils ne relèvent de l’article 145, alinéa 2. Art. 134 Lorsqu’elles calculent leurs provisions techniques, les entreprises d’assurance ou de réassurance tiennent compte de la valeur des garanties financières et de toute option contractuelle incluses dans les contrats d’assurance ou de réassurance. Toute hypothèse retenue par les entreprises d’assu- rance ou de réassurance concernant la probabilité que les preneurs d’assurance exercent les options contrac- tuelles qui leur sont offertes, y compris le droit de réduc- tion des prestations et le droit de rachat, est réaliste et fondée sur des informations actuelles et crédibles. Elle tient compte, explicitement ou implicitement, de l’impact que pourraient avoir d’éventuels changements des conditions financières et non financières sur l’exercice de ces options. Art. 135 Lorsqu’elles calculent leurs provisions techniques, les entreprises d’assurance ou de réassurance segmentent leurs engagements d’assurance ou de réassurance en groupes de risques homogènes et, au minimum, par ligne d’activité. Art. 136 Lorsqu’elles calculent les créances découlant des contrats de réassurance et des véhicules de titrisation, 860 1584/002 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 voortvloeien uit herverzekeringsovereenkomsten en effectiseringsvehikels, nemen zij de artikelen 125 tot 135 in acht. Bij de berekening van de schuldvorderingen die voortvloeien uit herverzekeringsovereenkomsten en ef- fectiseringsvehikels, houden de verzekerings- of herver- zekeringsondernemingen rekening met het tijdsverschil tussen de verhaalde bedragen en de rechtstreekse betalingen. De uitkomst van deze berekening wordt gecorrigeerd voor de verwachte verliezen door wanbetaling van de tegenpartij. Deze correctie wordt gebaseerd op een beoordeling van de kans op wanbetaling door de te- genpartij en het daaruit resulterende gemiddelde verlies (“loss-given-default”). Art. 137 De verzekerings- of herverzekeringsondernemingen beschikken over interne processen en procedures om de adequaatheid, volledigheid en juistheid te waarborgen van de gegevens waarvan gebruik wordt gemaakt bij de berekening van hun technische voorzieningen. Indien de verzekerings- of herverzekeringsonderne- mingen in specifieke omstandigheden over onvoldoende degelijke gegevens beschikken om een betrouwbare actuariële methode toe te passen op een set of subset van hun verzekerings- of herverzekeringsverplichtingen of op schuldvorderingen die voortvloeien uit herverzeke- ringsovereenkomsten en effectiseringsvehikels, mogen passende benaderingen, met inbegrip van ad-hocbe- naderingen, worden gebruikt voor de berekening van de beste schatting. Art. 138 De verzekerings- of herverzekeringsondernemingen beschikken over processen en procedures die ervoor zorgen dat hun beste schattingen en de hypothesen voor de berekening van de beste schattingen regelmatig worden getoetst aan de praktijkervaring. Wanneer bij deze toetsing blijkt dat de door de ver- zekerings- of herverzekeringsonderneming verrichte berekeningen van de beste schatting systematisch af- wijken van de praktijkervaring, corrigeert de betrokken onderneming de gehanteerde actuariële methodes en/ of hypothesen naar behoren. les entreprises d’assurance ou de réassurance se conforment aux articles 125 à 135. Lorsqu’elles calculent les créances découlant des contrats de réassurance et des véhicules de titrisation, les entreprises d’assurance ou de réassurance tiennent compte de la différence temporelle qui existe entre les recouvrements et les paiements directs. Le résultat de ce calcul est ajusté afin de tenir compte des pertes probables pour défaut de la contrepartie. Cet ajustement est fondé sur une évaluation de la probabilité de défaut de la contrepartie et de la perte moyenne en résultant (perte en cas de défaut). Art. 137 Les entreprises d’assurance ou de réassurance mettent en place des processus et procédures internes de nature à garantir le caractère approprié, l’exhaustivité et l’exactitude des données utilisées dans le calcul de leurs provisions techniques. Lorsque, dans des circonstances particulières, les entreprises d’assurance ou de réassurance ne dis- posent pas de suffisamment de données d’une qualité appropriée pour appliquer une méthode actuarielle fiable à un ensemble ou à un sous-ensemble de leurs engagements d’assurance ou de réassurance, ou de créances découlant de contrats de réassurance et de véhicules de titrisation, des approximations adéquates, y compris par approches au cas par cas, peuvent être utilisées pour le calcul de la meilleure estimation. Art. 138 Les entreprises d’assurance ou de réassurance mettent en place des processus et procédures en vue d’assurer une comparaison régulière de leurs meilleures estimations et des hypothèses sous-tendant le calcul de ces dernières avec les données tirées de l’expérience. Lorsque cette comparaison met en évidence un écart systématique entre les données tirées de l’expérience et les calculs des meilleures estimations de l’entreprise d’assurance ou de réassurance, l’entreprise concernée apporte les ajustements qu’il convient aux méthodes actuarielles utilisées et/ou aux hypothèses retenues. 861 1584/002 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 Art. 139 Op verzoek van de Bank tonen de verzekerings- of herverzekeringsondernemingen aan dat hun technische voorzieningen toereikend zijn, dat de gehanteerde me- thodes toepasselijk en relevant zijn en dat de onderlig- gende statistische gegevens adequaat zijn. Onderafdeling III Eigen vermogen Art. 140 Het eigen vermogen is de som van het in arti- kel 141 bedoelde kernvermogen en het in artikel 142 be- doelde aanvullend eigen vermogen. Art. 141 Kernvermogen bestaat uit de volgende bestanddelen: 1° het positieve verschil van de activa ten opzichte van de opeisbare passiva (liabilities), die gewaardeerd worden overeenkomstig artikel 123 en Onderafdeling II van deze Afdeling; 2° achtergestelde passiva. Het in 1° bedoelde verschil wordt verminderd met het bedrag van de eigen aandelen die door de verzekerings- of herverzekeringsonderneming worden aangehouden. Art. 142 § 1. Aanvullend eigen vermogen bestaat uit bestand- delen die geen kernvermogen vormen en die kunnen worden opgevraagd om verliezen te compenseren. Aanvullend eigen vermogen kan bestaan uit de volgende bestanddelen, voor zover deze geen kern- vermogen vormen: 1° het niet-gestorte gedeelte van het maatschappelijk kapitaal of van het maatschappelijk fonds dat niet is opgevraagd; 2° kredietbrieven en garanties; Art. 139 Sur demande de la Banque, les entreprises d’assu- rance ou de réassurance démontrent le caractère approprié du niveau de leurs provisions techniques, ainsi que l’applicabilité et la pertinence des méthodes qu’elles appliquent et l’adéquation des données statis- tiques sous-jacentes. Sous-section III Fonds propres Art. 140 Les fonds propres correspondent à la somme des fonds propres de base visés à l’article 141 et des fonds propres auxiliaires visés à l’article 142. Art. 141 Les fonds propres de base se composent des élé- ments suivants: 1°  l’excédent des actifs par rapport aux passifs exigibles (liabilities), évalués conformément à l’ar- ticle 123 et à la Sous-section II de la présente Section; 2° les passifs subordonnés. L’excédent visé au 1° est diminué du montant de ses propres actions que l’entreprise d’assurance ou de réassurance détient. Art. 142  § 1er. Les fonds propres auxiliaires se composent d’éléments, autres que les fonds propres de base, qui peuvent être appelés pour absorber des pertes. Les fonds propres auxiliaires peuvent inclure les éléments suivants, dans la mesure où il ne s’agit pas d’éléments de fonds propres de base: 1° la fraction non versée du capital social ou le fonds initial qui n’a pas été appelé; 2° les lettres de crédit et les garanties; 862 1584/002 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 3° andere juridisch bindende verplichtingen jegens de verzekerings- of herverzekeringsonderneming. Bij onderlinge verzekeringsverenigingen met varia- bele bijdragen kan het aanvullend eigen vermogen ook de suppletiebijdragen omvatten die zij van hun leden kunnen eisen in de volgende twaalf maanden. § 2. Wanneer een bestanddeel van het aanvullend eigen vermogens gestort of opgevraagd is, wordt het behandeld als een actief en maakt het geen deel meer uit van het aanvullend eigen vermogen. Art. 143 § 1. Het bedrag aan aanvullend eigen vermogen dat bij de bepaling van het eigen vermogen in aanmerking wordt genomen, dient vooraf door de Bank te worden goedgekeurd. § 2. Het bedrag toegewezen aan elk bestanddeel van het aanvullend eigen vermogen weerspiegelt het vermogen van het betrokken bestanddeel om verliezen te compenseren en is gebaseerd op prudente en rea- listische hypothesen. Indien een bestanddeel van het aanvullend eigen vermogen een vaste nominale waarde heeft, is het bedrag van dat bestanddeel gelijk aan zijn nominale waarde, mits het het vermogen van het be- standdeel om verliezen te compenseren weerspiegelt. § 3. De Bank verleent haar goedkeuring aan een van de volgende elementen: 1° een financieel bedrag voor elk bestanddeel van het aanvullend eigen vermogen; 2° een methode om het bedrag van elk bestanddeel van het aanvullend eigen vermogen te bepalen. In dit ge- val verleent de Bank slechts voor een bepaalde periode haar goedkeuring aan het bedrag dat overeenkomstig deze methode is vastgesteld. § 4. Bij elk bestanddeel van het aanvullend eigen vermogen baseert de Bank haar goedkeuring op de beoordeling van het volgende: 1° de positie van de betrokken tegenpartijen, in ver- band met hun mogelijkheid en bereidheid te betalen; 2°  de invorderbaarheid van het vermogens- bestanddeel, waarbij rekening wordt gehouden met de 3°  tout autre engagement, juridiquement contrai- gnant, reçu par les entreprises d’assurance ou de réassurance. Dans le cas d’une association d’assurance mutuelle à cotisations variables, les fonds propres auxiliaires peuvent également inclure toute créance future que cette association d’assurance mutuelle peut détenir sur ses membres par voie de rappel de cotisations durant les douze mois à venir. § 2. Lorsqu’un élément des fonds propres auxiliaires a été payé ou appelé, il est assimilé à un actif et cesse de faire partie des fonds propres auxiliaires. Art. 143  § 1er. Le montant des éléments des fonds propres auxiliaires à prendre en considération pour déterminer les fonds propres sont soumis à l’approbation préalable de la Banque. § 2. Le montant attribué à chaque élément de fonds propres auxiliaires reflète la capacité d’absorption des pertes de l’élément concerné et est fondé sur des hypothèses prudentes et réalistes. Lorsqu’une valeur nominale fixe est attachée à un élément de fonds propres auxiliaires, le montant de cet élément est égal à sa valeur nominale, pourvu que celle-ci reflète conve- nablement sa capacité d’absorption des pertes. § 3. La Banque approuve l’un ou l’autre des éléments suivants: 1° un montant monétaire pour chaque élément de fonds propres auxiliaires; 2° une méthode de calcul du montant de chaque élément de fonds propres auxiliaires, auquel cas l’approbation par la Banque du montant ainsi calculé est donnée pour une période déterminée. § 4. Pour chaque élément de fonds propres auxi- liaires, la Banque fonde son approbation sur l’évaluation des éléments suivants: 1° le statut des contreparties concernées, eu égard à leur capacité et à leur disposition à payer; 2° la possibilité de récupération de l’élément de fonds propres, compte tenu de la forme juridique de l’élément 863 1584/002 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 rechtsvorm van het betrokken bestanddeel en met de omstandigheden waaronder het bestanddeel niet zal kunnen worden gestort of opgevraagd; 3° informatie over de afloop van eerdere opvragingen door de verzekerings- of herverzekeringsondernemin- gen van dergelijk aanvullend eigen vermogen, voor zover die informatie op betrouwbare wijze kan worden gebruikt om de verwachte afloop van toekomstige op- vragingen te beoordelen. Art. 144 Naast de vereisten van ar tikel  68  van Verordening  2015/35, wordt direct, indirect en syn- thetisch bezit van eigenvermogensinstrumenten van entiteiten uit de financiële sector afgetrokken van de eigenvermogensbestanddelen van een verzekerings- of herverzekeringsonderneming indien deze entiteiten een wederzijdse deelneming hebben in de verzekerings- of herverzekeringsonderneming, die volgens de Bank be- doeld is om het eigen vermogen van de verzekerings- of herverzekeringsonderneming kunstmatig te verhogen. Voor de toepassing van dit artikel wordt verstaan onder: 1° “financiële sector”: de financiële sector als gede- finieerd in artikel 338, 9°; 2° “synthetisch bezit”: een belegging in een financieel instrument waarvan de waarde rechtstreeks verband houdt met de waarde van de door een entiteit uit de financiële sector uitgegeven kapitaalinstrumenten. Art. 145 Surplusfondsen zijn geaccumuleerde winsten die nog niet beschikbaar zijn gesteld voor uitkering aan de verzekeringnemers en de begunstigden. Surplusfondsen worden niet als verzekerings- of her- verzekeringsverplichtingen beschouwd wanneer deze voldoen aan de criteria van artikel 147, § 1. Art. 146 § 1. Eigenvermogensbestanddelen worden in drie tiers ingedeeld. De indeling van deze bestanddelen is afhankelijk van de vraag of ze kernvermogens- of considéré, ainsi que toute circonstance qui pourrait empêcher qu’il soit payé ou appelé avec succès; 3°  toute information sur l’issue des appels émis dans le passé par les entreprises d’assurance ou de réassurance pour des fonds propres auxiliaires sem- blables, dans la mesure où cette information peut être raisonnablement utilisée pour estimer l’issue attendue de futurs appels. Art. 144 Outre les exigences prévues par l’article  68  du Règlement 2015/35, les détentions directes, indirectes et synthétiques, détenues par une entreprise d’assu- rance ou de réassurance dans des instruments de fonds propres d’entités du secteur financier sont déduites de ses éléments de fonds propres lorsqu’il existe une détention croisée entre ces entités et l’entreprise d’assurance ou de réassurance et que la Banque estime que cette participation vise à accroître artificiellement les fonds propres de l’entreprise d’assurance ou de réassurance. Pour l’application du présent article, on entend: 1° “secteur financier” au sens défini par l’article 338, 9°; 2°  par “détention synthétique”, un investissement effectué dans un instrument financier dont la valeur est directement liée à la valeur des instruments de capital émis par une entité du secteur financier. Art. 145 Les fonds excédentaires sont constitués de bénéfices accumulés qui n’ont pas encore été rendus disponibles pour distribution aux preneurs d’assurance et aux bénéficiaires. Les fonds excédentaires ne sont pas considérés comme des engagements d’assurance ou de réas- surance dans la mesure où ils satisfont aux critères énoncés à l’article 147, § 1er. Art. 146 § 1er. Les éléments de fonds propres sont classés en trois niveaux. Le classement de ces éléments est fonction de leur caractère de fonds propres de base 864 1584/002 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 aanvullendeigenvermogensbestanddelen zijn en de mate waarin ze de volgende kenmerken bezitten: 1° het bestanddeel blijft, ook bij liquidatie, beschik- baar of kan op verzoek opgevraagd worden om verliezen volledig te compenseren (permanente beschikbaarheid); 2° bij liquidatie is het totale bedrag van het bestand- deel beschikbaar om verliezen te compenseren en wordt de terugbetaling van het bestanddeel aan de houder ervan geweigerd totdat alle andere verplichtingen, waaronder verzekerings- of herverzekeringsverplich- tingen jegens verzekeringnemers en begunstigden van verzekerings- of herverzekeringsovereenkomsten, zijn nagekomen (achterstelling). § 2. Bij de beoordeling van de mate waarin de ei- genvermogensbestanddelen op dit moment en in de toekomst de kenmerken bezitten die zijn vastgelegd in paragraaf 1, 1° en 2°, wordt voldoende rekening ge- houden met de duur van het bestanddeel, inzonderheid of het bestanddeel gedateerd is of niet. Wanneer een eigenvermogensbestanddeel gedateerd is, wordt reke- ning gehouden met de relatieve duur van het bestand- deel in vergelijking met de duur van de verzekerings- of herverzekeringsverplichtingen van de onderneming (voldoende looptijd). Bovendien wordt rekening gehouden met de volgende elementen: 1° of het bestanddeel vrij is van vereisten of stimulan- sen om de nominale som terug te betalen (afwezigheid van stimulansen voor terugbetaling); 2°  of het bestanddeel vrij is van verplichte vaste kosten (afwezigheid van verplichte inherente kosten); 3° of het bestanddeel niet bezwaard is (afwezigheid van bezwaringen). Art. 147 § 1. Kernvermogensbestanddelen worden ingedeeld in Tier 1 wanneer zij in hoge mate de kenmerken van artikel 146, § 1, 1° en 2° bezitten, rekening houdend met de elementen bedoeld in artikel 146, § 2. § 2. Kernvermogensbestanddelen worden ingedeeld in Tier 2 wanneer zij in hoge mate de kenmerken van artikel 146, § 1, 2° bezitten, rekening houdend met de elementen bedoeld in artikel 146, § 2. ou de fonds propres auxiliaires et de la mesure dans laquelle ils présentent les caractéristiques suivantes: 1° l’élément est disponible, ou peut être appelé sur demande pour absorber complètement des pertes, que ce soit dans le cadre d’une exploitation continue ou en cas de liquidation (disponibilité permanente); 2° en cas de liquidation, le montant total de l’élément est disponible pour l’absorption des pertes et le rem- boursement de l’élément est refusé à son détenteur jusqu’à ce que tous les autres engagements, y compris les engagements d’assurance ou de réassurance vis- à-vis des preneurs d’assurance et des bénéficiaires des contrats d’assurance ou de réassurance, aient été honorés (subordination). § 2. Pour évaluer dans quelle mesure les éléments de fonds propres présentent les caractéristiques définies au paragraphe 1er, 1° et 2°, au moment considéré et à l’avenir, il importe de prendre dûment en considération la durée de l’élément, en particulier s’il a une durée déterminée ou non. Lorsque l’élément de fonds propres a une durée déterminée, sa durée relative, en compa- raison de la durée des engagements d’assurance ou de réassurance de l’entreprise, est prise en considération (durée suffisante). Les facteurs suivants sont, en outre, pris en considé- ration, à savoir si l’élément est exempt: 1° de toute obligation de rembourser ou incitation à rembourser son montant nominal (absence d’incitation à rembourser); 2° de charges fixes obligatoires (absence de charges financières obligatoires inhérentes); 3° de contraintes (absence de contraintes). Art. 147  § 1er. Les éléments des fonds propres de base sont classés au niveau 1 lorsqu’ils présentent, en substance, les caractéristiques exposées à l’article 146, § 1er, 1° et 2°, compte tenu des facteurs visés à l’article 146, § 2. § 2. Les éléments des fonds propres de base sont classés au niveau 2 lorsqu’ils présentent, en substance, la caractéristique exposée à l’article 146, § 1er, 2°, en tenant compte des facteurs visés à l’article 146, § 2. 865 1584/002 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 Aanvullendeigenvermogensbestanddelen worden ingedeeld in Tier 2 wanneer zij in hoge mate de ken- merken van artikel 146, § 1, 1° et 2° bezitten, rekening houdend met de elementen bedoeld in artikel 146, § 2. § 3. Kern- en aanvullendeigenvermogens-bestandde- len die niet onder de paragrafen 1 en 2 vallen, worden ingedeeld in Tier 3. Art. 148 De verzekerings- of herverzekeringsondernemingen delen hun eigenvermogensbestanddelen in op basis van de criteria van artikel 147. Daartoe verwijzen de verzekerings- of herverzeke- ringsondernemingen in voorkomend geval naar de lijst van eigenvermogensbestanddelen als bedoeld in de artikelen 69, 72, 74, 76 en 78 van Verordening 2015/35. Wanneer een eigenvermogensbestanddeel niet in deze lijst voorkomt, wordt het overeenkomstig het eerste lid beoordeeld en ingedeeld door de verzekerings- of herverzekeringsondernemingen. Deze indeling wordt ter goedkeuring voorgelegd aan de Bank. Art. 149 Onverminderd artikel 148 en de lijst van eigenver- mogensbestanddelen als bedoeld in de artikelen 69, 72, 74, 76 en 78 van Verordening 2015/35, gelden de volgende indelingen voor het verzekeringsspecifieke eigen vermogen: 1° surplusfondsen die onder artikel 145, tweede lid vallen, worden ingedeeld in Tier 1; 2° kredietbrieven en garanties die door een onafhan- kelijke trustee ten behoeve van schuldeisers uit hoofde van verzekering in trust worden gehouden en afgegeven zijn door kredietinstellingen waaraan overeenkomstig Richtlijn 2013/36/EU een vergunning is verleend, worden ingedeeld in Tier 2; 3° suppletiebijdragen die onderlinge verzekerings- verenigingen van reders met variabele bijdragen die uitsluitend de risico’s verzekeren die ingedeeld zijn in de takken 6, 12 en 17 als vermeld in Bijlage I, van hun leden kunnen eisen in de volgende twaalf maanden, worden ingedeeld in Tier 2. Overeenkomstig artikel 147, § 2, tweede lid, worden sup- pletiebijdragen die onderlinge verzekeringsverenigingen Les éléments des fonds propres auxiliaires sont clas- sés au niveau 2 lorsqu’ils présentent, en substance, les caractéristiques exposées à l’article 146, § 1er, 1° et 2°, en tenant compte des facteurs visés à l’article 146, § 2. § 3. Tout élément des fonds propres de base ou auxiliaires qui ne relève pas des paragraphes 1er et 2 est classé au niveau 3. Art. 148 Les entreprises d’assurance ou de réassurance classent leurs éléments de fonds propres sur la base des critères énoncés à l’article 147. À cet effet, les entreprises d’assurance ou de réassu- rance se réfèrent, le cas échéant, à la liste des éléments de fonds propres prévue aux articles 69, 72, 74, 76 et 78 du Règlement 2015/35. Lorsqu’un élément de fonds propres ne relève pas de cette liste, il est évalué et classé par les entreprises d’assurance ou de réassurance conformément à l’ali- néa 1er. Ce classement est soumis à l’approbation de la Banque. Art. 149 Sans préjudice de l’article  148  et de la liste des éléments de fonds propres prévue aux articles 69, 72, 74, 76 et 78 du Règlement 2015/35, les classements suivants sont appliqués en ce qui concerne les fonds propres spécifiques à l’assurance: 1° les fonds excédentaires relevant de l’article 145, alinéa 2 sont classés au niveau 1; 2° les lettres de crédit et les garanties détenues en fiducie par un fiduciaire indépendant au bénéfice de créanciers d’assurance et fournies par des établisse- ments de crédit agréés conformément à la Directive 2013/36/UE sont classées au niveau 2; 3° toute créance future que les associations d’assu- rance mutuelle à cotisations variables de propriétaires de navires, qui assurent uniquement les risques classés sous les branches 6, 12 et 17 mentionnées à l’Annexe I, peuvent détenir sur leurs membres par voie de rappel de cotisations durant les douze mois à venir, est classée au niveau 2. Conformément à l’article 147, § 2, alinéa 2, toute créance future que les associations d’assurance 866 1584/002 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 met variabele bijdragen van hun leden kunnen eisen in de volgende twaalf maanden en die niet onder het eerste lid, 3° vallen, ingedeeld in Tier 2, wanneer zij in hoge mate de kenmerken van artikel 146, § 1, 1° en 2° bezitten, rekening houdend met de elementen bedoeld in artikel 146, § 2. Art. 150 § 1. Wat de naleving van het solvabiliteitskapitaal- vereiste betreft, gelden voor de in aanmerking ko- mende bedragen van de bestanddelen van Tier 2 en Tier 3 kwantitatieve grenzen. Die grenzen zijn zodanig dat gewaarborgd wordt dat ten minste aan de volgende voorwaarden wordt voldaan: 1° het aandeel van Tier 1-bestanddelen in het in aanmerking komend eigen vermogen is meer dan een derde van het totale bedrag van het in aanmerking ko- mend eigen vermogen; 2° het in aanmerking komende bedrag van Tier 3-be- standdelen is minder dan een derde van het totale bedrag van het in aanmerking komend eigen vermogen. § 2. Wat de naleving van het minimumkapitaalvereiste betreft, geldt dat het bedrag van de in Tier 2 ingedeelde in aanmerking komende kernvermogensbestanddelen ter dekking van het minimumkapitaalvereiste is gebon- den aan kwantitatieve grenzen. Die grenzen zijn zodanig dat ten minste gewaarborgd wordt dat het aandeel van Tier 1-bestanddelen in het in aanmerking komend kern- vermogen meer is dan de helft van het totale bedrag van het in aanmerking komend kernvermogen. § 3. Het in aanmerking komend bedrag van het eigen vermogen ter dekking van het solvabiliteitskapitaalver- eiste zoals vastgelegd in artikel 151 is gelijk aan de som van het bedrag van Tier 1, het in aanmerking komend bedrag van Tier 2 en het in aanmerking komend bedrag van Tier 3. §  4.  Het in aanmerking komend bedrag van het kernvermogen ter dekking van het minimumkapi- taalvereiste zoals vastgelegd in artikel  189  is gelijk aan de som van het bedrag van Tier 1 en het in aan- merking komend bedrag van de in Tier 2 ingedeelde kernvermogensbestanddelen. mutuelle à cotisations variables peuvent détenir sur leurs membres par voie de rappel de cotisations durant les douze mois à venir et qui n’est pas couverte par l’alinéa 1er, 3°, est classée au niveau 2 lorsqu’elle présente, en substance, les caractéristiques exposées à l’article 146, § 1er, 1° et 2°, en tenant compte des facteurs visés à l’article 146, § 2. Art. 150  § 1er. Pour ce qui concerne la conformité au capital de solvabilité requis, les montants éligibles des éléments de niveau 2 et de niveau 3 sont soumis à des limites quan- titatives. Ces limites sont telles qu’elles garantissent, au moins, que les conditions suivantes sont réunies: 1° la part des éléments de niveau 1 compris dans les fonds propres éligibles représente plus du tiers du montant total des fonds propres éligibles; 2° le montant éligible des éléments de niveau 3 repré- sente moins du tiers du montant total des fonds propres éligibles. § 2. Pour ce qui concerne la conformité au minimum de capital requis, le montant des éléments de fonds propres de base éligibles pour couvrir le minimum de capital requis qui sont classés au niveau 2 est soumis à des limites quantitatives. Ces limites sont telles qu’elles garantissent, au moins, que la part des éléments de niveau 1 compris dans les fonds propres de base éli- gibles représente plus de la moitié du montant total des fonds propres de base éligibles. § 3. Le montant des fonds propres éligible pour cou- vrir le capital de solvabilité requis prévu à l’article 151 est égal à la somme du montant des éléments de niveau 1, du montant éligible des éléments de niveau 2 et du montant éligible des éléments de niveau 3. § 4. Le montant des fonds propres de base éligible pour couvrir le minimum de capital requis prévu à l’ar- ticle 189 est égal à la somme du montant des éléments de niveau 1 et du montant éligible des éléments de fonds propres de base classés au niveau 2. 867 1584/002 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 Afdeling II Kapitaalvereisten Onderafdeling I Algemene bepalingen betreffende het solvabiliteitskapitaalvereiste Art. 151 §  1. Het solvabiliteitskapitaalvereiste waaraan de verzekerings- of herverzekeringsondernemingen moe- ten voldoen, wordt overeenkomstig de paragrafen 2 tot 5 berekend. § 2. Het solvabiliteitskapitaalvereiste wordt berekend op basis van de veronderstelling dat de betrokken on- derneming haar bedrijf blijvend zal uitoefenen. Het solvabiliteitskapitaalvereiste kan worden bere- kend aan de hand van de standaardmethode of aan de hand van interne modellen, volgens de regels die respectievelijk zijn vastgesteld in de Onderafdelingen II en III. §  3.  Het solvabiliteitskapitaalvereiste wordt zo gekalibreerd dat rekening gehouden wordt met alle kwantificeerbare risico’s waaraan de verzekerings- of herverzekeringsonderneming blootstaat. Het dekt bestaande verzekeringen, alsmede nieuwe verzekeringen die naar verwachting in de volgende twaalf maanden zullen worden afgesloten. Wat de bestaande verzekeringen betreft, dekt het uitsluitend onverwachte verliezen Het solvabiliteitskapitaalvereiste stemt overeen met de Value at Risk (VaR) van het kernvermogen van de verzekerings- of herverzekeringsonderneming, met een betrouwbaarheidsgraad van 99,5 % over een periode van één jaar. § 4. Het solvabiliteitskapitaalvereiste omvat ten minste de volgende risico’s: 1° het verzekeringstechnisch risico “niet-leven”; 2° het verzekeringstechnisch risico “leven”; 3° het verzekeringstechnisch risico “ziektekosten”; 4° het marktrisico; 5° het kredietrisico; 6° het operationeel risico. Section II Exigences de capital Sous-Section Ire Dispositions générales concernant le capital de solvabilité requis Art. 151  § 1er. Le capital de solvabilité requis que les entre- prises d’assurance ou de réassurance détiennent est calculé conformément aux paragraphes 2 à 5. § 2. Le calcul du capital de solvabilité requis se fonde sur l’hypothèse d’une continuité de l’exploitation de l’entreprise concernée. Le capital de solvabilité requis peut être calculé au moyen de la méthode standard ou au moyen de modèles internes selon les modalités respectivement précisées aux Sous-sections II et III. § 3. Le capital de solvabilité requis est calibré de manière à garantir que tous les risques quantifiables auxquels l’entreprise d’assurance ou de réassurance est exposée soient pris en considération. Il couvre le portefeuille en cours, ainsi que le nouveau portefeuille dont la souscription est attendue dans les douze mois à venir. Pour ce qui concerne le portefeuille en cours, il couvre seulement les pertes non anticipées. Le capital de solvabilité requis correspond à la valeur en risque (Value-at-Risk) des fonds propres de base de l’entreprise d’assurance ou de réassurance, avec un niveau de confiance de 99,5 % à l’horizon d’un an. § 4. Le capital de solvabilité requis couvre au mini- mum les risques suivants: 1° le risque de souscription en non-vie; 2° le risque de souscription en vie; 3° le risque de souscription en santé; 4° le risque de marché; 5° le risque de crédit; 6° le risque opérationnel. 868 1584/002 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 Tot het in het eerste lid, 6°, bedoelde operationele risico worden ook juridische risico’s gerekend, maar niet de risico’s die voortvloeien uit strategische beslissingen en reputatierisico’s. De Koning kan bij een in Ministerraad overlegd ko- ninklijk besluit bepalen dat het solvabiliteitskapitaalver- eiste andere risico’s dient te omvatten dan deze bedoeld in het eerste lid. § 5. Bij de berekening van hun solvabiliteitskapitaal- vereiste houden de verzekerings- of herverzekerings- ondernemingen rekening met het effect van risicomati- gingstechnieken, mits in het solvabiliteitskapitaalvereiste afdoende rekening wordt gehouden met krediet- en andere risico’s die voortvloeien uit het gebruik van dergelijke technieken. Art. 152 § 1. De verzekerings- of herverzekeringsonderne- mingen berekenen hun solvabiliteitskapitaalvereiste ten minste eenmaal per jaar en melden de uitkomst van deze berekening aan de Bank. Om te voldoen aan de bepalingen van de artike- len  74  en 151  controleren de verzekerings- of her- verzekeringsondernemingen het bedrag van hun in aanmerking komend eigen vermogen en hun solvabili- teitskapitaalvereiste continu. Indien het risicoprofiel van een verzekerings- of herverzekeringsonderneming duidelijk afwijkt van de hypothesen die ten grondslag lagen aan het gemelde solvabiliteitskapitaalvereiste, berekent deze onder- neming het solvabiliteitskapitaalvereiste onverwijld opnieuw en meldt zij dit aan de Bank. § 2. Wanneer er aanwijzingen zijn dat het risicoprofiel van een verzekerings- of herverzekeringsonderneming duidelijk veranderd is sinds de datum waarop het solva- biliteitskapitaalvereiste voor het laatst is gemeld, mag de Bank deze onderneming verplichten het solvabili- teitskapitaalvereiste opnieuw te berekenen. Le risque opérationnel visé à l’alinéa 1er, 6°, comprend les risques juridiques, mais ne comprend ni les risques découlant des décisions stratégiques, ni les risques de réputation. Le Roi, par arrêté royal délibéré en Conseil des mi- nistres, peut imposer que le capital de solvabilité requis couvre d’autres risques que ceux visés à l’alinéa 1er. § 5. Lorsqu’elles calculent leur capital de solvabilité requis, les entreprises d’assurance ou de réassurance tiennent compte de l’impact des techniques d’atténua- tion des risques, sous réserve que le risque de crédit et les autres risques inhérents à l’emploi de ces techniques soient pris en considération de manière adéquate dans le capital de solvabilité requis. Art. 152  § 1er. Les entreprises d’assurance ou de réassurance calculent leur capital de solvabilité requis au moins une fois par an et notifient le résultat de ce calcul à la Banque. Aux fins du respect des articles 74 et 151, les entre- prises d’assurance ou de réassurance surveillent en permanence le montant de leurs fonds propres éligibles et leur capital de solvabilité requis. Si le profil de risque d’une entreprise d’assurance ou de réassurance s’écarte significativement des hypo- thèses qui sous-tendent le capital de solvabilité requis notifié, cette entreprise recalcule sans délai son capital de solvabilité requis et le notifie à la Banque. § 2. Lorsque des éléments semblent indiquer que le profil de risque d’une entreprise d’assurance ou de réassurance a changé significativement depuis la date de la dernière notification du capital de solvabilité requis, la Banque peut exiger de cette entreprise qu’elle recalcule le capital de solvabilité requis. 869 1584/002 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 Onderafdeling II Solvabiliteitskapitaalvereiste berekend volgens de standaardformule Art. 153 Het solvabiliteitskapitaalvereiste berekend volgens de standaardformule is de som van de volgende bestanddelen: 1° het kernsolvabiliteitskapitaalvereiste (Basic sol- vency capital requirement) als bedoeld in artikel 154; 2° het kapitaalvereiste voor het operationele risico (Capital requirement for operational risk), als bedoeld in artikel 163; 3° de correctie voor het vermogen van de technische voorzieningen en de uitgestelde belastingen (deferred taxes) om verliezen te compenseren (adjustment for the loss-absorbing capacity), als bedoeld in artikel 164. Art. 154 § 1. Het kernsolvabiliteitskapitaalvereiste bestaat uit afzonderlijke risicomodules die overeenkomstig punt 1 van Bijlage III geaggregeerd worden. Het bestaat uit ten minste de volgende risicomodules: 1° het verzekeringstechnisch risico “niet-leven”; 2° het verzekeringstechnisch risico “leven”; 3° het verzekeringstechnisch risico “ziektekosten”; 4° het marktrisico; 5° het tegenpartijrisico. De Koning kan bij een in Ministerraad overlegd ko- ninklijk besluit bepalen dat andere modules dan deze bedoeld in het eerste lid dienen te worden gebruikt. § 2. Voor de toepassing van paragraaf 1, 1°, 2° en 3°, worden de verzekerings- of herverzekeringsverrichtin- gen ondergebracht in de verzekeringstechnische risico- module die het best rekening houdt met de technische aard van de onderliggende risico’s. §  3.  De correlatiecoëfficiënten voor de aggrega- tie van de in paragraaf  1  bedoelde risicomodules, en de kalibratie van de kapitaalvereisten voor elke risicomodule afzonderlijk resulteren in een algeheel Sous-section II Capital de solvabilité requis calculé selon la formule standard Art. 153 Le capital de solvabilité requis calculé selon la formule standard est la somme des éléments suivants: 1°  le capital de solvabilité requis de base (Basic solvency capital requirement), prévu à l’article 154; 2°  l’exigence de capital pour risque opérationnel (Capital requirement for operational risk), prévue à l’article 163; 3°  l’ajustement pour tenir compte de la capacité d’absorption (Adjustment for the loss-absorbing capa- city) de pertes des provisions techniques et des impôts différés (Deferred taxes), prévu à l’article 164. Art. 154  § 1er. Le capital de solvabilité requis de base se com- pose de modules de risque individuels qui sont agrégés conformément au point 1 de l’Annexe III. Il comprend au moins les modules de risque suivants: 1° le risque de souscription en non-vie; 2° le risque de souscription en vie; 3° le risque de souscription en santé; 4° le risque de marché; 5° le risque de contrepartie. Le Roi, par arrêté royal délibéré en Conseil des ministres, peut imposer l’usage d’autres modules que ceux visés à l’alinéa 1er. § 2. Aux fins du paragraphe 1er, 1°, 2° et 3°, les opé- rations d’assurance ou de réassurance sont affectées au module de risque de souscription qui reflète le mieux la nature technique des risques sous-jacents. § 3. Les coefficients de corrélation appliqués aux fins de l’agrégation des modules de risque visés au paragraphe 1er, ainsi que le calibrage des exigences de capital pour chaque module de risque aboutissent 870 1584/002 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 solvabiliteitskapitaalvereiste dat voldoet aan de begin- selen van artikel 151. § 4. Elk van de in paragraaf 1 bedoelde risicomodules wordt gekalibreerd aan de hand van een VaR-maatstaf met een betrouwbaarheidsgraad van 99,5 % over een periode van één jaar. In voorkomend geval wordt bij de opzet van een risico- module rekening gehouden met diversificatie-effecten. § 5. Voor alle verzekerings- of herverzekeringson- dernemingen worden voor de risicomodules dezelfde opzet en specificaties gebruikt, zowel wat het kernsol- vabiliteitskapitaalvereiste als de in artikel 165 bedoelde vereenvoudigde berekeningen betreft. § 6. Wat de risico’s betreft die voortvloeien uit catas- trofes, mogen geografische specificaties in voorkomend geval worden gebruikt voor de berekening van de modu- les “verzekeringstechnisch risico “leven””, “verzekerings- technisch risico “niet-leven”” en “verzekeringstechnisch risico “ziektekosten””. § 7. Mits de Bank hiermee instemt, mogen de verze- kerings- of herverzekeringsondernemingen bij de bere- kening van de modules “verzekeringstechnisch risico “leven””, “verzekeringstechnisch risico “niet-leven”” en “verzekeringstechnisch risico “ziektekosten”” binnen de opzet van de standaardformule een subset van de para- meters ervan vervangen door parameters die specifiek zijn voor de betrokken onderneming. Dergelijke parameters worden gekalibreerd op basis van de interne gegevens van de betrokken onderneming of van gegevens die rechtstreeks relevantie hebben voor de verrichtingen van die onderneming, met gebruikma- king van standaardmethodes. Bij het verlenen van haar goedkeuring controleert de Bank de volledigheid, juistheid en adequaatheid van de gebruikte gegevens. Art. 155 Het kernsolvabiliteitskapitaalvereiste wordt overeen- komstig de artikelen 156 tot 160 berekend. Art. 156 § 1. De module “verzekerings-technisch risico “niet- leven””, (Non-life underwriting risk) heeft betrekking op het risico dat voortvloeit uit verzekerings verplichtingen à un capital de solvabilité requis global satisfaisant aux principes énoncés à l’article 151. § 4. Chacun des modules de risque visés au para- graphe 1er est calibré sur la base d’une mesure de la valeur en risque (Value-at-Risk), avec un niveau de confiance de 99,5 % à l’horizon d’un an. S’il y a lieu, il est tenu compte des effets de diversifi- cation dans la conception de chaque module de risque. § 5. Pour toutes les entreprises d’assurance ou de réassurance, la même conception et les mêmes spéci- fications sont utilisées pour les modules de risque, tant pour le capital de solvabilité requis de base que pour tout calcul simplifié prévu à l’article 165. § 6. En ce qui concerne les risques résultant de catas- trophes, des spécifications géographiques peuvent, s’il y a lieu, être utilisées aux fins du calcul des modules “risque de souscription en vie”, “risque de souscription en non-vie” et “risque de souscription en santé”. §  7.  Sous réserve de l’accord de la Banque, les entreprises d’assurance ou de réassurance peuvent, lorsqu’elles calculent les modules “risque de sous- cription en vie”, “risque de souscription en non-vie” et “risque de souscription en santé”, remplacer, dans la conception de la formule standard, un sous-ensemble des paramètres de celle-ci par des paramètres propres à l’entreprise concernée. Ces paramètres sont calibrés sur la base des don- nées internes de l’entreprise concernée ou de données directement pertinentes pour les opérations de cette entreprise, sur la base de méthodes standardisées. Avant de donner son accord, la Banque vérifie l’exhaustivité, l’exactitude et le caractère approprié des données utilisées. Art. 155 Le capital de solvabilité requis de base est calculé conformément aux articles 156 à 160. Art. 156  § 1er. Le module “risque de souscription en non-vie” (Non-life underwriting risk) reflète le risque découlant des engagements d’assurance non-vie, compte tenu 871 1584/002 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 “niet-leven” en houdt rekening met de gedekte gevaren en de processen die in het kader van de bedrijfsuitoe- fening worden toegepast. Deze module houdt rekening met de onzekerheid in de resultaten van de verzekerings- of herverzekerings- ondernemingen met betrekking tot hun bestaande ver- zekerings- of herverzekeringsverplichtingen, alsmede met betrekking tot de nieuwe verzekeringen die naar verwachting in de komende twaalf maanden zullen worden afgesloten. § 2. Overeenkomstig punt 2 van Bijlage III wordt de module berekend als een combinatie van de kapitaal- vereisten voor ten minste de volgende submodules: 1° het risico op verliezen (risk of loss) of op een on- gunstige verandering (adverse change) in de waarde van de verzekeringsverplichtingen door schommelingen in het tijdstip, de frequentie en de ernst van de verze- kerde gebeurtenissen en in het tijdstip en het bedrag van schaderegelingen (premie- en voorzieningenrisico “niet-leven”); 2° het risico op verliezen (risk of loss) of op een on- gunstige verandering (adverse change) in de waarde van de verzekeringsverplichtingen door duidelijke onze- kerheid over de hypothesen voor de prijsstelling en de voorzieningen die verband houdt met extreme of uitzon- derlijke gebeurtenissen (catastroferisico “niet-leven”). Art. 157 De module “verzekeringstechnisch risico “leven”” (life underwriting risk) heeft betrekking op het risico dat voortvloeit uit levensverzekeringsverplichtingen en houdt rekening met de gedekte gevaren en de proces- sen die in het kader van de bedrijfsuitoefening worden toegepast. Overeenkomstig punt 3 van Bijlage III wordt de modu- le berekend als een combinatie van de kapitaalvereisten voor ten minste de volgende submodules: 1° het risico op verliezen (risk of loss) of op een ongun- stige verandering (adverse change) in de waarde van de verzekeringsverplichtingen door schommelingen in het niveau, de trend of de volatiliteit van de sterftecijfers, wanneer een stijging van het sterftecijfer leidt tot een stijging van de waarde van verzekeringsverplichtingen (overlijdensrisico – mortality risk); des périls couverts et des procédés appliqués dans l’exercice de cette activité. Il tient compte de l’incertitude pesant sur les résultats des entreprises d’assurance ou de réassurance dans le cadre de leurs engagements d’assurance ou de réassu- rance existants, ainsi que du nouveau portefeuille dont la souscription est attendue dans les douze mois à venir. § 2. Le module est calculé, conformément au point 2 de l’Annexe III, sous la forme d’une combinaison des exigences de capital applicables aux sous-modules suivants au moins: 1° le risque de perte (risk of loss), ou de changement défavorable (adverse change) de la valeur des engage- ments d’assurance, résultant de fluctuations affectant la date de survenance, la fréquence et la gravité des événements assurés, ainsi que la date et le montant des règlements de sinistres (risque de primes et de réserve en non-vie); 2° le risque de perte (risk of loss), ou de changement défavorable (adverse change) de la valeur des engage- ments d’assurance, résultant de l’incertitude importante, liée aux événements extrêmes ou exceptionnels, qui pèse sur les hypothèses retenues en matière de prix et de provisionnement (risque de catastrophe en non-vie). Art. 157 Le module “risque de souscription en vie” (life underwriting risk) reflète le risque découlant des engagements d’assurance vie, compte tenu des périls couverts et des procédés appliqués dans l’exercice de cette activité. Il est calculé, conformément au point 3 de l’Annexe III, comme résultant de la combinaison des exigences de capital applicables au moins aux sous-modules suivants: 1° le risque de perte (risk of loss), ou de changement défavorable (adverse change) de la valeur des engage- ments d’assurance, résultant de fluctuations affectant le niveau, l’évolution tendancielle ou la volatilité des taux de mortalité, lorsqu’une augmentation de ces taux entraîne une augmentation de la valeur des engage- ments d’assurance (risque de mortalité – mortality risk); 872 1584/002 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 2° het risico op verliezen (risk of loss) of op een on- gunstige verandering (adverse change) in de waarde van de verzekeringsverplichtingen door schommelingen in het niveau, de trend of de volatiliteit van sterftecijfers, wanneer een daling van het sterftecijfer leidt tot een stijging van de waarde van verzekeringsverplichtingen (langlevenrisico); 3° het risico op verliezen (risk of loss) of op een on- gunstige verandering (adverse change) in de waarde van de verzekeringsverplichtingen door schommelingen in het niveau, de trend of de volatiliteit van invaliditeits-, ziekte- en morbiditeitscijfers (invaliditeits- en morbidi- teitsrisico – disability and morbidity risk); 4° het risico op verliezen (risk of loss) of op een ongun- stige verandering (adverse change) in de waarde van de verzekeringsverplichtingen door schommelingen in het niveau, de trend of de volatiliteit van de kosten voor het beheer van verzekerings- of herverzekeringsover- eenkomsten (kostenrisico “leven” – life expense risk); 5° het risico op verliezen (risk of loss) of op een on- gunstige verandering (adverse change) in de waarde van de verzekeringsverplichtingen door schommelin- gen in het niveau, de trend of de volatiliteit van de op de lijfrente toegepaste herzieningspercentages, als gevolg van veranderingen in het wettelijk kader of in de gezondheidstoestand van de verzekerde (herzienings- risico – revision risk); 6° het risico op verliezen (risk of loss) of op een on- gunstige verandering (adverse change) in de waarde van de verzekeringsverplichtingen door schommelin- gen in het niveau of de volatiliteit van de percentages van voortijdige beëindiging, beëindiging, verlenging of afkoop van de overeenkomsten (risico van voortijdige beëindiging – lapse risk); 7° het risico op verliezen (risk of loss) of op een on- gunstige verandering (adverse change) in de waarde van de verzekeringsverplichtingen door duidelijke onzekerheid over de hypothesen voor de prijsstelling en de voorzieningen die verband houdt met extreme of onregelmatige gebeurtenissen (catastroferisico “leven” – life catastrophe risk). Art. 158 De module “verzekeringstechnisch risico “ziektekos- ten”” (health underwriting risk) heeft betrekking op het risico dat voortvloeit uit ziektekostenverzekeringsver- plichtingen, ongeacht of hij een soortgelijke technische 2° le risque de perte (risk of loss), ou de changement défavorable (adverse change) de la valeur des engage- ments d’assurance, résultant de fluctuations affectant le niveau, l’évolution tendancielle ou la volatilité des taux de mortalité, lorsqu’une baisse de ces taux entraîne une augmentation de la valeur des engagements d’assu- rance (risque de longévité); 3° le risque de perte (risk of loss), ou de changement défavorable (adverse change) de la valeur des engage- ments d’assurance, résultant de fluctuations affectant le niveau, l’évolution tendancielle ou la volatilité des taux d’invalidité, de maladie et de morbidité (risque d’inva- lidité et de morbidité – disability and morbidity risk); 4° le risque de perte (risk of loss), ou de change- ment défavorable (adverse change) de la valeur des engagements d’assurance, résultant de fluctuations affectant le niveau, l’évolution tendancielle ou la volatilité des dépenses encourues pour la gestion des contrats d’assurance ou de réassurance (risque de dépenses en vie – life expense risk); 5° le risque de perte (risk of loss), ou de changement défavorable (adverse change) de la valeur des engage- ments d’assurance, résultant de fluctuations affectant le niveau, l’évolution tendancielle ou la volatilité des taux de révision applicables aux rentes, sous l’effet d’un changement de l’environnement juridique ou de l’état de santé de la personne assurée (risque de révision – revision risk); 6° le risque de perte (risk of loss), ou de changement défavorable (adverse change) de la valeur des engage- ments d’assurance, résultant de fluctuations affectant le niveau ou la volatilité des taux de cessation, d’échéance, de renouvellement et de rachat des polices (risque de cessation – lapse risk); 7° le risque de perte (risk of loss), ou de changement défavorable (adverse change) de la valeur des engage- ments d’assurance, résultant de l’incertitude importante, liée aux événements extrêmes ou irréguliers, qui pèse sur les hypothèses retenues en matière de prix et de provisionnement (risque de catastrophe en vie – life catastrophe risk). Art. 158 Le module “risque de souscription en santé” (health underwriting risk) reflète le risque découlant de la souscription d’engagements d’assurance santé, qu’il s’exerce ou non sur une base technique similaire à celle 873 1584/002 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 grondslag heeft als die van levensverzekeringen, en houdt rekening met zowel de gedekte gevaren als de processen die in het kader van de bedrijfsuitoefening worden toegepast. De module dekt minstens de volgende risico’s: 1°  het risico op verliezen (risk of loss) of op een ongunstige verandering (adverse change) in de waarde van de verzekeringsverplichtingen door schommelingen in het niveau, de trend of de volatiliteit van de kosten voor het beheer van verzekerings- of herverzekeringsovereenkomsten; 2° het risico op verliezen (risk of loss) of op een on- gunstige verandering (adverse change) in de waarde van de verzekeringsverplichtingen door schommelingen in het tijdstip, de frequentie en de ernst van de verze- kerde gebeurtenissen en in het tijdstip en het bedrag van schaderegelingen ten tijde van de vorming van de voorzieningen; 3° het risico op verliezen (risk of loss) of op een on- gunstige verandering (adverse change) in de waarde van de verzekeringsverplichtingen door duidelijke onze- kerheid over de hypothesen voor de prijsstelling en de voorzieningen door de uitbraak van grote epidemieën en door een ongebruikelijke accumulatie van risico’s onder dergelijke extreme omstandigheden. Art. 159 De module “marktrisico” (market risk) heeft betrekking op het risico dat voortvloeit uit het niveau of de volatiliteit van de marktprijzen van financiële instrumenten die van invloed zijn op de waarde van de activa en passiva van de betrokken onderneming. Het houdt naar behoren rekening met elke structurele mismatch tussen activa en passiva, inzonderheid wat betreft de looptijd ervan. Overeenkomstig punt 4 van Bijlage III wordt de modu- le berekend als een combinatie van de kapitaalvereisten voor ten minste de volgende submodules: 1° de gevoeligheid van de waarde van de activa, pas- siva en financiële instrumenten voor veranderingen in de rentetermijnstructuur of in de volatiliteit van de rente (renterisico – interest rate risk); 2° de gevoeligheid van de waarde van de activa, passiva en financiële instrumenten voor veranderingen in het niveau of in de volatiliteit van de marktprijzen van aandelen (aandelenrisico – equity risk); de l’assurance vie, compte tenu des périls couverts et des procédés appliqués dans l’exercice de cette activité. Il couvre au moins les risques suivants: 1° le risque de perte (risk of loss), ou de change- ment défavorable (adverse change) de la valeur des engagements d’assurance, résultant de fluctuations affectant le niveau, l’évolution tendancielle ou la volatilité des dépenses encourues pour la gestion des contrats d’assurance ou de réassurance; 2° le risque de perte (risk of loss), ou de changement défavorable (adverse change) de la valeur des engage- ments d’assurance, résultant de fluctuations affectant la date de survenance, la fréquence et la gravité des événements assurés, ainsi que la date et le montant des règlements de sinistres au moment du provisionnement; 3° le risque de perte (risk of loss), ou de changement défavorable (adverse change) de la valeur des engage- ments d’assurance, résultant de l’incertitude importante, liée aux épidémies majeures et à l’accumulation inhabi- tuelle de risques qui se produit dans ces circonstances extrêmes, qui pèse sur les hypothèses retenues en matière de prix et de provisionnement. Art. 159 Le module “risque de marché” (market risk) reflète le risque lié au niveau ou à la volatilité de la valeur de marché des instruments financiers ayant un impact sur la valeur des actifs et des passifs de l’entreprise concernée. Il reflète correctement toute inadéquation structurelle entre les actifs et les passifs, en particulier au regard de leur duration. Il est calculé, conformément au point 4 de l’Annexe III, comme résultant de la combinaison des exigences de capital applicables au moins aux sous-modules suivants: 1° la sensibilité de la valeur des actifs, des passifs et des instruments financiers aux changements de la courbe des taux d’intérêt ou de la volatilité des taux d’intérêt (risque de taux d’intérêt – interest rate risk); 2° la sensibilité de la valeur des actifs, des passifs et des instruments financiers aux changements du niveau ou de la volatilité de la valeur de marché des actions (risque sur actions – equity risk); 874 1584/002 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 3° de gevoeligheid van de waarde van de activa, passiva en financiële instrumenten voor veranderingen in het niveau of in de volatiliteit van de marktprijzen van vastgoed (vastgoedrisico – property risk); 4° de gevoeligheid van de waarde van de activa, passiva en financiële instrumenten voor veranderingen in het niveau of in de volatiliteit van de kredietspreads ten opzichte van de risicovrije rentetermijnstructuur (spreadrisico – spread risk); 5° de gevoeligheid van de waarde van de activa, passiva en financiële instrumenten voor veranderingen in het niveau of in de volatiliteit van wisselkoersen (va- lutarisico – currency risk); 6° extra risico’s die een verzekerings- of herverze- keringsonderneming loopt hetzij door een gebrek aan diversificatie in de activaportefeuille, hetzij door een sterke blootstelling aan het risico van wanbetaling van een enkele emittent van effecten of een groep van ver- bonden emittenten (marktrisicoconcentraties – market risk concentrations). Art. 160 De module “tegenpartijrisico” (counterparty default risk) heeft betrekking op potentiële verliezen als gevolg van onverwachte wanbetaling of een verslechtering van de kredietwaardigheid van de tegenpartijen en debiteuren van de verzekerings- of herverzekeringson- derneming in de volgende twaalf maanden. De module “tegenpartijrisico” omvat risicomatigings- overeenkomsten, zoals herverzekeringsregelingen, effectiseringen en afgeleide instrumenten, alsook vor- deringen op tussenpersonen en andere kredietrisico’s die niet onder de submodule “spreadrisico” vallen. De module houdt op passende wijze rekening met waarbor- gen of andere zekerheden die worden gehouden door of voor rekening van de verzekerings- of herverzeke- ringsonderneming en de daaraan verbonden risico’s. De module “tegenpartijrisico” houdt voor elke te- genpartij rekening met de algehele blootstelling van de verzekerings- of herverzekeringsonderneming aan het tegenpartijrisico, ongeacht de rechtsvorm van diens contractuele verplichtingen jegens deze onderneming. Art. 161 De submodule “aandelenrisico”  (equity risk) die wordt berekend volgens de standaardformule omvat 3° la sensibilité de la valeur des actifs, des passifs et des instruments financiers aux changements du niveau ou de la volatilité de la valeur de marché des actifs immo- biliers (risque sur actifs immobiliers – property risk); 4° la sensibilité de la valeur des actifs, des passifs et des instruments financiers aux changements du niveau ou de la volatilité des marges (“spreads”) de crédit par rapport à la courbe des taux d’intérêt sans risque (risque de marge – spread risk); 5° la sensibilité de la valeur des actifs, des passifs et des instruments financiers aux changements du niveau ou de la volatilité des taux de change (risque de change – currency risk); 6° les risques supplémentaires supportés par l’entre- prise d’assurance ou de réassurance du fait soit d’un manque de diversification de son portefeuille d’actifs, soit d’un exposition importante au risque de défaut d’un seul émetteur de valeurs mobilières ou d’un groupe d’émetteurs liés (concentrations du risque de marché – market risk concentrations). Art. 160 Le module “risque de contrepartie” (counterparty default risk) reflète les pertes possibles suite au défaut inattendu ou la détérioration de la qualité de crédit des contreparties et débiteurs de l’entreprise d’assurance ou de réassurance durant les douze mois à venir. Le module “risque de contrepartie” couvre les contrats d’atténuation des risques, tels que les accords de réas- surance, les titrisations et les instruments dérivés, et les paiements à recevoir des intermédiaires ainsi que tout autre risque de crédit ne relevant pas du sous-module “risque de marge”. Il prend en compte, de manière appropriée, les garanties ou autres sûretés détenues par l’entreprise d’assurance ou de réassurance ou pour son compte, et les risques qui y sont liés. Pour chaque contrepartie, le module “risque de contrepartie” tient compte de l’exposition globale au risque de contrepartie encourue par l’entreprise d’assu- rance ou de réassurance concernée à l’égard de cette contrepartie, indépendamment de la forme juridique de ses obligations contractuelles envers cette entreprise. Art. 161 Le sous-module “risque sur actions” (equity risk) cal- culé selon la formule standard comprend un mécanisme 875 1584/002 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 een symmetrische aanpassing van het aandelenkapi- taalvereiste om het risico te dekken dat voortvloeit uit veranderingen in de aandelenprijzen. De symmetrische aanpassing van het standaardver- eiste voor aandelenkapitaal, dat gekalibreerd is in over- eenstemming met artikel 154, § 4, om de risico’s te dekken die voortvloeien uit veranderingen in de aandelenprijzen, is gebaseerd op een functie van de huidige stand van een passende aandelenindex en het gewogen gemid- delde van die index. Het gewogen gemiddelde wordt berekend over een passende periode die dezelfde is voor alle verzekerings- of herverzekeringsondernemingen. De symmetrische aanpassing van het standaardver- eiste voor aandelenkapitaal, ter dekking van de risico’s die voortvloeien uit veranderingen in de aandelen- prijzen, mag niet resulteren in de toepassing van een aandelenkapitaalvereiste dat meer dan 10 procentpun- ten lager of hoger is dan het standaardvereiste voor aandelenkapitaal. Art. 162 § 1. Levensverzekeringsondernemingen mogen voor de berekening van het solvabiliteitskapitaalvereiste een submodule “aandelenrisico op basis van looptijd” toepas- sen (duration-based equity risk), wanneer: 1° hetzij deze ondernemingen pensioenuitkeringen verlenen die worden uitbetaald tegen de datum van pensionering of te verwachten pensionering, waarbij de voor deze uitkeringen betaalde premies voor de verze- keringnemers van de belasting aftrekbaar zijn volgens de nationale wetgeving van de lidstaat die aan de on- derneming een vergunning heeft verleend; 2° en wanneer aan alle volgende voorwaarden is voldaan: a) alle met die activiteiten overeenkomende activa en verplichtingen zijn afgescheiden en worden gescheiden van de overige activiteiten van de verzekeringsonderne- mingen beheerd en georganiseerd, zonder dat er enige mogelijkheid tot overdracht bestaat; b) de activiteiten van de onderneming als bedoeld in 1° en 2°, ten aanzien waarvan de in dit artikel bedoelde benadering wordt gevolgd, worden alleen uitgeoefend in de lidstaat waar de betrokken onderneming een vergun- ning heeft verkregen; c) de gemiddelde looptijd van de aan deze activiteiten verbonden verplichtingen van de onderneming bedraagt meer dan twaalf jaar. d’ajustement symétrique de l’exigence de capital pour actions qui sert à couvrir le risque découlant des varia- tions du cours des actions. L’ajustement symétrique de l’exigence standard de capital pour actions, calibrée conformément à l’article 154, § 4, qui couvre le risque découlant des variations du cours des actions est fonction du niveau actuel d’un indice approprié du cours des actions et de la moyenne pondérée de cet indice. La moyenne pondérée est calculée sur une période appropriée, qui est la même pour toutes les entreprises d’assurance ou de réassurance. L’ajustement symétrique de l’exigence standard de capital pour actions qui couvre le risque découlant des variations du cours des actions ne peut pas entraîner l’application d’une exigence de capital pour actions qui soit supérieure ou inférieure de plus de dix points de pourcentage à l’exigence standard de capital pour actions. Art. 162   §  1er. Les entreprises d’assurance vie peuvent appliquer au calcul du capital de solvabilité requis un sous-module “risque sur actions fondé sur la durée” (duration-based equity risk), lorsque: 1° soit ces entreprises fournissent des prestations de retraite versées en référence à la mise à la retraite, ou à l’approche de la mise à la retraite, si les primes versées au titre de ces prestations bénéficient d’une déduction d’impôt accordée aux preneurs d’assurance par la législation nationale de l’État membre ayant agréé l’entreprise d’assurance; 2° et lorsque toutes les conditions suivantes sont remplies: a) tous les actifs et engagements correspondant à ces activités sont cantonnés, gérés et organisés séparément des autres activités des entreprises d’assurance, sans aucune possibilité de transfert; b) les activités de l’entreprise visées aux 1° et 2°, aux- quelles s’applique l’approche visée au présent article, ne sont exercées que dans l’État membre ayant agréé ladite entreprise; c) la durée moyenne des engagements de l’entreprise correspondant à ces activités excède douze ans. 876 1584/002 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 § 2. De in dit artikel bedoelde submodule “aandelen- risico op basis van looptijd” (duration-based equity risk) wordt gekalibreerd aan de hand van een VaR-maatstaf , over een periode die strookt met de voor de betrokken onderneming typische aanhoudingsperiode van aande- lenbeleggingen, met een betrouwbaarheidsgraad die de verzekeringnemers en begunstigden een bescherming biedt die gelijkwaardig is aan die van artikel 151, indien de in dit artikel voorgeschreven benadering alleen wordt gevolgd ten aanzien van de activa en verplichtingen bedoeld in paragraaf 1, 2°, a). Bij de berekening van het solvabiliteitskapitaalvereiste worden deze activa en verplichtingen volledig in aanmerking genomen voor de beoordeling van de diversificatie-effecten, onver- minderd de noodzaak om de belangen van de verze- keringnemers en de begunstigden in andere lidstaten te beschermen. Onder voorbehoud van de goedkeuring van de Bank wordt de benadering van het eerste lid alleen gebruikt indien de solvabiliteits- en de liquiditeitspositie, alsmede de strategieën, processen en verslaggevingsprocedures van de betrokken onderneming met betrekking tot haar beheer van activa en verplichtingen van zodanige aard zijn dat doorlopend vaststaat dat de onderneming in staat is aandelenbeleggingen aan te houden gedurende een periode die strookt met de voor die onderneming ty- pische aanhoudingsperiode van aandelenbeleggingen. De onderneming moet in staat zijn om ten behoeve van de Bank aan te tonen dat deze voorwaarde vervuld is met een betrouwbaarheidsgraad die verzekeringnemers en begunstigden een bescherming biedt die gelijkwaar- dig is aan die van artikel 151. De verzekerings- of herverzekeringsondernemingen die gebruikmaken van de bepalingen van dit artikel, val- len niet terug op de benadering van de artikelen 155 tot 160, behalve onder naar behoren gemotiveerde om- standigheden en onder voorbehoud van goedkeuring door de Bank. Art. 163 Het kapitaalvereiste voor het operationele risico (ope- rational risk) houdt rekening met de operationele risico’s, voor zover daarmee al geen rekening is gehouden in de risicomodules bedoeld in artikel 154. Dit vereiste wordt gekalibreerd overeenkomstig artikel 151, § 3. Bij levensverzekeringsovereenkomsten waarbij het beleggingsrisico wordt gedragen door de verzekering- nemer, wordt in de berekening van het kapitaalvereiste voor het operationele risico rekening gehouden met het bedrag aan jaarlijkse kosten dat voor deze verzekerings- verplichtingen wordt gemaakt. § 2. Le sous-module “risque sur actions fondé sur la durée” (duration-based equity risk) visé au présent article est calibré en usant d’une mesure de la valeur en risque, sur une période donnée adaptée à la période typique de conservation des placements en actions par l’entreprise concernée, avec un niveau de confiance assurant aux preneurs d’assurance et aux bénéficiaires un niveau de protection équivalent au niveau prévu à l’article 151, sous réserve que l’approche prévue au pré- sent article ne soit utilisée que pour des actifs et engage- ments visés au paragraphe 1er, 2°, a). Lors du calcul du capital de solvabilité requis, ces actifs et engagements sont pleinement pris en compte dans l’évaluation des effets de diversification, sans préjudice de la nécessité de préserver les intérêts des preneurs d’assurance et des bénéficiaires dans d’autres États membres. Sous réserve de l’approbation de la Banque, l’approche exposée au premier alinéa n’est utilisée que lorsque la position en matière de solvabilité et de liquidité, ainsi que les stratégies, les processus et les procédures de déclaration de l’entreprise concernée au regard de sa gestion des actifs et des engagements, sont de nature à garantir, en permanence, que celle-ci est en mesure de conserver des placements en actions pendant une période adaptée à la période typique de conservation des placements en actions par cette entre- prise. L’entreprise doit être en mesure de démontrer à la Banque que cette condition est vérifiée avec le niveau de confiance nécessaire pour assurer aux preneurs d’assurance et aux bénéficiaires un niveau de protection équivalant au niveau prévu à l’article 151. Les entreprises d’assurance ou de réassurance qui font usage des dispositions du présent article ne reviennent pas à l’approche énoncée aux articles 155 à 160, sauf dans des circonstances dûment justifiées et à condition que la Banque l’autorise. Art. 163 L’exigence de capital pour risque opérationnel (ope- rational risk) reflète les risques opérationnels, dans la mesure où ceux-ci ne sont pas déjà pris en considération dans les modules de risque visés à l’article 154. Cette exigence est calibrée conformément à l’article 151, § 3. Dans le cas des contrats d’assurance vie où le risque d’investissement est supporté par le preneur d’assu- rance, le calcul de l’exigence de capital pour risque opérationnel tient compte du montant des dépenses annuelles encourues aux fins de ces engagements d’assurance. 877 1584/002 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 Bij andere dan de in het tweede lid bedoelde verze- kerings- of herverzekeringsverrichtingen wordt bij de berekening van het kapitaalvereiste voor het operati- onele risico rekening gehouden met het volume van deze verrichtingen wat betreft verdiende premies en technische voorzieningen die voor deze verzekerings- of herverzekeringsverplichtingen worden aange houden. In dit geval bedraagt het kapitaalvereiste voor het operationele risico niet meer dan 30 % van het kern- solvabiliteitskapitaalvereiste voor deze verzekerings- of herverzekeringsverrichtingen. Art. 164 Bij de in artikel 153, 3°, bedoelde correctie voor het vermogen van de technische voorzieningen en de uitgestelde belastingen (deferred taxes) om verliezen te compenseren (adjustment for the loss-absorbing capacity), wordt rekening gehouden met de potentiële compensatie van onverwachte verliezen door middel van een gelijktijdige verlaging van de technische voorzieningen of uitgestelde belastingen dan wel een combinatie van de twee. Bij deze correctie wordt rekening gehouden met het risicomatigingseffect van toekomstige discretionaire uitkeringen uit hoofde van verzekeringsovereenkomsten, voor zover de verzekerings- of herverzekeringsonder- nemingen kunnen aantonen dat dergelijke uitkeringen mogen worden verlaagd om onverwachte verliezen te dekken. Het risicomatigingseffect van de toekomstige discretionaire uitkeringen bedraagt niet meer dan de som van de technische voorzieningen en uitgestelde belastingen in verband met deze toekomstige discreti- onaire uitkeringen. Voor de toepassing van het tweede lid wordt de waarde van de toekomstige discretionaire uitkeringen onder ongunstige omstandigheden vergeleken met de waarde van dergelijke uitkeringen volgens de hypothe- sen die aan de berekening van de beste schatting ten grondslag liggen. Art. 165 De verzekerings- of herverzekeringsondernemingen mogen voor een bepaalde submodule of risicomodule een vereenvoudigde berekening toepassen wanneer dit op grond van de aard, de omvang en de complexiteit van de risico’s waaraan ze blootstaan gerechtvaardigd is en het onevenredig zou zijn om alle verzekerings- of herverzekeringsondernemingen te verplichten de stan- daardberekening toe te passen. Dans le cas des opérations d’assurance ou de réassurance autres que celles visées à l’alinéa 2, le calcul de l’exigence de capital pour risque opérationnel tient compte du volume de ces opérations, en termes d’encaissement de primes et de provisions techniques détenues pour faire face aux engagements d’assurance ou de réassurance correspondants. L’exigence de capi- tal pour risque opérationnel ne dépasse alors pas 30 % du capital de solvabilité requis de base afférent aux opérations d’assurance ou de réassurance concernées. Art. 164 L’ajustement visant à tenir compte de la capacité d’absorption des pertes (Adjustment for the loss-absor- bing capacity) des provisions techniques et des impôts différés (deferred taxes), visé à l’article 153, 3°, reflète la compensation potentielle de pertes non anticipées par une baisse simultanée des provisions techniques ou des impôts différés ou d’une combinaison des deux. Cet ajustement tient compte de l’effet d’atténuation des risques inhérent aux prestations discrétionnaires futures des contrats d’assurance, dans la mesure où les entreprises d’assurance ou de réassurance peuvent démontrer qu’elles ont la possibilité de réduire ces prestations pour couvrir des pertes non anticipées au moment où celles-ci surviennent. L’effet d’atténuation des risques inhérent aux prestations discrétionnaires futures n’excède pas la somme des provisions tech- niques et des impôts différés afférents auxdites pres- tations discrétionnaires futures. Aux fins de l’alinéa 2, la valeur des prestations discré- tionnaires futures dans des circonstances défavorables est comparée à la valeur de telles prestations selon les hypothèses qui sous-tendent le calcul de la meilleure estimation. Art. 165 Les entreprises d’assurance ou de réassurance peuvent procéder à un calcul simplifié pour un sous- module ou module de risque spécifique dès lors que la nature, l’ampleur et la complexité des risques auxquels elles sont confrontées le justifient et qu’il serait dispro- portionné d’exiger de toutes les entreprises d’assurance ou de réassurance qu’elles se conforment au calcul standard. 878 1584/002 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 Vereenvoudigde berekeningen worden gekali breerd overeenkomstig artikel 151, § 3. Art. 166 Wanneer het solvabiliteitskapitaal-vereiste beter niet kan worden berekend volgens de standaardformule bedoeld in Onderafdeling  II, omdat het risicoprofiel van de betrokken verzekerings- of herverzekeringson- derneming duidelijk afwijkt van de hypothesen die ten grondslag liggen aan de berekening volgens de stan- daardformule, mag de Bank de betrokken onderneming bij een met redenen omkleed besluit verplichten bij de berekening van de modules “verzekeringstechnisch ri- sico “leven””, “verzekeringstechnisch risico “niet-leven”” en verzekeringstechnisch risico “ziektekosten”” volgens de standaardformule, een subset van de parameters er- van te vervangen door parameters die specifiek zijn voor die onderneming (undertaking-specific parameters), als bepaald in artikel 154, § 7. Die specifieke parameters worden zodanig berekend dat gewaarborgd wordt dat de onderneming voldoet aan artikel 151, § 3. Onderafdeling III Solvabiliteitskapitaalvereiste berekend aan de hand van geheel of gedeeltelijk interne modellen Art. 167 § 1. De verzekerings- of herverzekeringsondernemin- gen mogen hun solvabiliteitskapitaalvereiste berekenen aan de hand van een geheel of gedeeltelijk intern model dat goedgekeurd is door de Bank. § 2. De verzekerings- of herverzekeringsonderne- mingen mogen gedeeltelijk interne modellen gebruiken voor de berekening van een of meer van de volgende elementen: 1° een of meer risicomodules of submodules van het kernsolvabiliteitskapitaalvereiste als bedoeld in de artikelen 154 tot 160; 2° het kapitaalvereiste voor het operationele risico als beschreven in artikel 163; 3° de in artikel 164 bedoelde correctie. Voorts mogen deelmodellen worden gebruikt voor het gehele bedrijf van de verzekerings- of herverzekerings- ondernemingen of voor slechts een of meer belangrijke bedrijfsonderdelen. Les calculs simplifiés sont calibrés conformément à l’article 151, § 3. Art. 166 Lorsqu’il n’est pas approprié de calculer le capital de solvabilité requis conformément à la formule standard telle que visée à la Sous-section II, parce que le profil de risque de l’entreprise d’assurance ou de réassurance concernée s’écarte significativement des hypothèses qui sous-tendent le calcul selon cette formule, la Banque peut, par décision motivée, exiger de l’entre- prise concernée qu’elle remplace un sous-ensemble de paramètres utilisés dans le calcul selon la formule standard par des paramètres propres à cette entreprise (undertaking-specific parameters) au moment de cal- culer, conformément à l’article 154, § 7, les modules “risque de souscription en vie”, “risque de souscription en non-vie” et “risque de souscription en santé”. Ces paramètres particuliers sont calculés de façon à garantir que l’entreprise se conforme à l’article 151, § 3. Sous-section III Capital de solvabilité equis calculé selon des modèles internes intégraux ou partiels Art. 167  § 1er. Les entreprises d’assurance ou de réassurance peuvent calculer leur capital de solvabilité requis à l’aide d’un modèle interne intégral ou partiel approuvé par la Banque. § 2. Les entreprises d’assurance ou de réassurance peuvent utiliser des modèles internes partiels pour cal- culer un ou plusieurs des éléments suivants: 1° un ou plusieurs des modules ou sous-modules de risque du capital de solvabilité requis de base prévus aux articles 154 à 160; 2°  l’exigence de capital pour risque opérationnel définie à l’article 163; 3° l’ajustement prévu à l’article 164. Une modélisation partielle peut, en outre, être appliquée à l’ensemble de l’activité de l’entreprise d’assurance ou de réassurance concernée, ou seule- ment à une ou plusieurs de ses unités opérationnelles majeures. 879 1584/002 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 § 3. Bij een goedkeuringsaanvraag dienen de verze- kerings- of herverzekeringsondernemingen ten minste gegevens te voegen die bewijzen dat het interne model voldoet aan de vereisten van de artikelen 174 tot 187. Wanneer de goedkeuringsaanvraag betrekking heeft op een gedeeltelijk intern model, worden de vereisten van de artikelen 174 tot 187 aangepast om rekening te houden met het beperkte toepassingsgebied van het model. § 4. De Bank neemt binnen zes maanden na ont- vangst van de volledige aanvraag een beslissing over de goedkeuringsaanvraag. § 5. De Bank verleent alleen haar goedkeuring als zij ervan overtuigd is dat de systemen voor de iden- tificering, de meting, de bewaking, het beheer en de melding van de risico’s waaraan de verzekerings- of herverzekeringsonderneming blootstaat, passend zijn, en zij er inzonderheid van overtuigd is dat het interne model aan de vereisten van paragraaf 3 voldoet. § 6. Een beslissing van de Bank om de aanvraag voor het gebruik van een intern model af te wijzen, wordt met redenen omkleed. § 7. Na van de Bank de goedkeuring te hebben ver- kregen voor het gebruik van een intern model, kan van de verzekerings- of herverzekeringsondernemingen, bij een met redenen omkleed besluit, worden verlangd dat zij een schatting verstrekken van hun solvabiliteitskapi- taalvereiste als berekend volgens de standaardformule, overeenkomstig Onderafdeling II. Art. 168 § 1. Bij een gedeeltelijk intern model verleent de Bank alleen goedkeuring als dit model voldoet aan de vereisten van artikel 167 en aan de volgende aanvul- lende voorwaarden: 1° de betrokken onderneming geeft een goede ver- klaring voor het beperkte toepassingsgebied van het model; 2° het solvabiliteitskapitaalvereiste dat eruit voort- vloeit, vormt een betere afspiegeling van het risicoprofiel van de betrokken onderneming en voldoet inzonderheid aan de beginselen van Onderafdeling I; 3°  de opzet ervan sluit zodanig aan bij de be- ginselen van Onderafdeling  I, dat het gedeeltelijk § 3. À toute demande d’approbation, les entreprises d’assurance ou de réassurance joignent au minimum la documentation prouvant que le modèle interne satisfait aux exigences énoncées aux articles 174 à 187. Lorsque la demande d’approbation concerne un modèle interne partiel, les exigences énoncées aux articles 174 à 187 sont adaptées afin de tenir compte du champ d’application limité du modèle. § 4. La Banque prend une décision sur toute demande d’approbation dans un délai de six mois suivant la réception de la demande complète. § 5. La Banque ne donne son approbation que si elle a l’assurance que les systèmes d’identification, de mesure, de contrôle, de gestion et de déclaration des risques de l’entreprise d’assurance ou de réassurance sont adéquats et, en particulier, que le modèle interne satisfait aux exigences visées au paragraphe 3. § 6. Toute décision de rejet d’une demande d’appro- bation d’un modèle interne prise par la Banque est motivée. § 7. Après approbation de leur modèle interne par la Banque, les entreprises d’assurance ou de réassurance peuvent être tenues, par décision motivée, de commu- niquer à la Banque une estimation de leur capital de solvabilité requis calculé en application de la formule standard, conformément à la Sous-section II. Art. 168 § 1er. Un modèle interne partiel n’est approuvé par la Banque que lorsqu’il satisfait aux exigences énoncées à l’article 167 et aux conditions additionnelles suivantes: 1° son champ d’application limité est dûment justifié par l’entreprise concernée; 2° le capital de solvabilité requis qui en résulte reflète mieux le profil de risque de l’entreprise concernée et, en particulier, satisfait aux principes énoncés à la Sous-section Ire; 3° sa conception est conforme aux principes énoncés à la Sous-section Ire, de manière à permettre sa pleine 880 1584/002 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 interne model volledig kan worden geïntegreerd in de standaardformule voor de berekening van het solvabiliteitskapitaal-vereiste. § 2. Bij de beoordeling van een aanvraag voor het gebruik van een gedeeltelijk intern model dat slechts bepaalde submodules van een bepaalde risicomodule, of een aantal bedrijfs onderdelen van een verzekerings- of herverzekeringsonderneming met betrekking tot een bepaalde risicomodule of delen van beide bestrijkt, mag de Bank de betrokken verzekerings- of herverzekerings- onderneming verplichten een realistisch overgangsplan in te dienen om het toepassingsgebied van haar model uit te breiden. Het overgangsplan vermeldt hoe de verzekerings- of herverzekeringsonderneming het toepassingsgebied van haar model zodanig denkt uit te breiden tot andere submodules of bedrijfsonderdelen dat daarmee het belangrijkste deel van haar verzekeringsverrichtingen met betrekking tot deze specifieke risicomodule wordt bestreken. Art. 169 In het kader van de eerste goedkeuringsprocedure voor een intern model keurt de Bank de beleidslijn voor de wijziging van het model van de verzekerings- of herverzekeringsonderneming goed. De verzekerings- of herverzekeringsondernemingen mogen hun interne model overeenkomstig deze beleidslijn wijzigen. In de beleidslijn wordt aangegeven welke wijzigingen in het interne model ingrijpend en welke niet-ingrijpend zijn. Ingrijpende wijzigingen in het interne model en wijzi- gingen in de beleidslijn voor de wijziging van het model moeten systematisch vooraf door de Bank worden goedgekeurd overeenkomstig artikel 167. Niet-ingrijpende wijzigingen in het interne model moe- ten niet vooraf door de Bank worden goedgekeurd, voor zover deze in overeen stemming zijn met de genoemde beleidslijn. Art. 170 Het wettelijk bestuursorgaan van de verzekerings- of herverzekeringsonderneming verleent goedkeuring voor de indiening bij de Bank van de in artikel 167 bedoelde aanvraag voor goedkeuring van het interne model en intégration à la formule standard de calcul du capital de solvabilité requis. § 2. Lorsqu’elle évalue une demande d’utilisation d’un modèle interne partiel ne couvrant que certains sous-modules d’un module de risque donné ou que certaines unités opérationnelles de l’entreprise d’assu- rance ou de réassurance en ce qui concerne un module de risque donné, ou l’un et l’autre pour partie, la Banque peut exiger de cette entreprise d’assurance ou de réas- surance qu’elle soumette un plan de transition réaliste en vue d’étendre le champ d’application de son modèle. Le plan de transition expose comment l’entreprise d’assurance ou de réassurance projette d’étendre le champ d’application de son modèle à d’autres sous- modules ou unités opérationnelles, de façon à garantir que le modèle couvre une part prédominante de ses opérations d’assurance en ce qui concerne le module de risque donné. Art. 169 Dans le cadre de la procédure d’approbation initiale d’un modèle interne, la Banque approuve la politique de modification du modèle de l’entreprise d’assurance ou de réassurance. Les entreprises d’assurance ou de réassurance peuvent modifier leur modèle interne conformément à cette politique. Cette politique comprend une spécification des modifications mineures et des modifications majeures du modèle interne. Les modifications majeures du modèle interne, ainsi que les changements apportés à la politique de modi- fication de celui-ci, sont systématiquement soumis à l’autorisation préalable de la Banque, conformément à l’article 167. Les modifications mineures du modèle interne ne sont pas soumises à l’autorisation préalable de la Banque, dans la mesure où elles sont élaborées conformément à ladite politique. Art. 170 L’organe légal d’administration de l’entreprise d’assurance ou de réassurance avalise la demande d’approbation du modèle interne par la Banque visée à l’article 167, ainsi que la demande d’approbation de 881 1584/002 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 de aanvraag voor goedkeuring van latere ingrijpende wijzigingen in dit model. Het wettelijk bestuursorgaan draagt de verantwoor- delijkheid voor de invoering van systemen die ervoor zorgen dat het interne model naar behoren blijft werken. Art. 171 Na overeenkomstig artikel 167 goedkeuring te hebben verkregen, vallen de verzekerings- of herverzekerings- ondernemingen voor de berekening van het gehele of een deel van het solvabiliteitskapitaalvereiste niet terug op de standaardformule van Onderafdeling II, behalve onder naar behoren gemotiveerde omstandigheden en onder voorbehoud van goedkeuring door de Bank. Art. 172 Indien een verzekerings- of herverzekeringsonderne- ming nadat ze van de Bank goedkeuring heeft verkregen voor het gebruik van een intern model, de vereisten van de artikelen 174 tot 187 niet meer naleeft, dient zij bij de Bank onverwijld hetzij een plan in om de situatie binnen een redelijke termijn te herstellen, hetzij informatie waar- uit blijkt dat dit geen noemenswaardige gevolgen heeft. Ingeval de verzekerings- of herverzekeringsonderne- ming het in het eerste lid bedoelde plan niet uitvoert, mag de Bank deze onderneming verplichten om het solvabiliteitskapitaalvereiste weer volgens de standaard- formule van Onderafdeling II te berekenen. Art. 173 Wanneer het solvabiliteitskapitaalvereiste beter niet kan worden berekend volgens de standaardformule van Onderafdeling II, omdat het risicoprofiel van de verzekerings- of herverzekeringsonderneming duidelijk afwijkt van de hypothesen die ten grondslag liggen aan de berekening volgens de standaardformule , mag de Bank de betrokken onderneming bij een met redenen omkleed besluit verplichten om een intern model te gebruiken voor de berekening van haar solvabiliteits- kapitaalvereiste of de relevante risicomodules daarvan. Art. 174 De verzekerings- of herverzekeringsondernemin- gen tonen aan dat hun interne model algemeen wordt toute modification majeure ultérieurement apportée à ce modèle. Il incombe à l’organe légal d’administration de mettre en place des systèmes garantissant le bon fonctionne- ment du modèle interne de manière continue. Art. 171 Une fois reçue l’approbation demandée conformé- ment à l’article 167, les entreprises d’assurance ou de réassurance ne reviennent pas à la formule standard pour calculer l’ensemble de leur capital de solvabilité requis ou une partie quelconque de celui-ci, comme prévu à la Sous-section II, sauf circonstances dûment justifiées et sous réserve de l’approbation de la Banque. Art. 172 Si, après avoir reçu de la Banque l’approbation nécessaire à l’utilisation d’un modèle interne, une entreprise d’assurance ou de réassurance cesse de se conformer aux exigences énoncées aux articles 174 à 187, elle présente sans délai à la Banque un plan de retour à la conformité dans un délai raisonnable ou elle démontre sans délai que la non-conformité n’a qu’un effet négligeable. Lorsque l’entreprise d’assurance ou de réassurance ne met pas en œuvre le plan visé à l’alinéa 1er, la Banque peut exiger que cette entreprise en revienne à la formule standard pour calculer son capital de solvabilité requis, conformément à la Sous-section II. Art. 173 Lorsqu’il n’est pas approprié de calculer le capital de solvabilité requis en application de la formule standard conformément à la Sous-section II, parce que le profil de risque de l’entreprise d’assurance ou de réassurance concernée s’écarte significativement des hypothèses qui sous-tendent le calcul selon la formule standard, la Banque peut, par décision motivée, exiger de l’entre- prise concernée qu’elle utilise un modèle interne pour calculer son capital de solvabilité requis ou les modules de risque pertinents de celui-ci. Art. 174 Les entreprises d’assurance ou de réassurance dé- montrent qu’elles utilisent largement leur modèle interne 882 1584/002 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 gebruikt in en een belangrijke rol speelt in hun gover- nancesysteem als bedoeld in artikel 42, en inzonderheid: 1° in hun risicobeheersysteem als bedoeld in arti- kel 84 en in hun besluitvormings procedures; 2° in hun processen voor de beoordeling en allocatie van het economisch en solvabiliteitskapitaal, waaronder de in artikel 91 bedoelde beoordeling. Voorts tonen de verzekerings- of herverzekerings- ondernemingen aan dat de frequentie waarmee het solvabiliteitskapitaalvereiste met het interne model wordt berekend, aansluit bij de frequentie waarmee zij hun interne model gebruiken voor de andere in het eerste lid vermelde doeleinden. Het wettelijk bestuursorgaan is er verantwoordelijk voor dat de opzet en de werking van het interne model adequaat blijft en dat het risicoprofiel van de betrokken verzekerings- of herverzekeringsonderneming correct tot uiting blijft komen in het interne model. Art. 175 Het interne model, en inzonderheid de berekening van de kansverdelingsprognose die eraan ten grondslag ligt, voldoen aan de criteria van de artikelen 176 tot 183. Art. 176 De methodes die gebruikt worden voor de berekening van de kansverdelingsprognose, berusten op adequate, toepasselijke en relevante actuariële en statistische me- thodes en sluiten aan bij de methodes die gebruikt wor- den voor de berekening van technische voorzieningen. De methodes die gebruikt worden voor de berekening van de kansverdelingsprognose, berusten op actuele en betrouwbare informatie en op realistische hypothesen. De verzekerings- of herverzekeringsondernemingen kunnen tegenover de Bank de juistheid aantonen van de hypothesen die aan hun interne model ten grondslag liggen. Art. 177 Voor het interne model worden juiste, volledige en gepaste gegevens gebruikt. et que celui-ci joue un rôle important dans leur système de gouvernance visé à l’article 42, en particulier: 1° dans leur système de gestion des risques prévu à l’article 84 et dans leurs processus décisionnels; 2° dans leurs processus d’évaluation et d’allocation du capital économique et du capital de solvabilité, y compris l’évaluation visée à l’article 91. Les entreprises d’assurance ou de réassurance démontrent en outre que la fréquence à laquelle le capi- tal de solvabilité requis est calculé à l’aide du modèle interne est cohérente avec la fréquence à laquelle leur modèle interne est utilisé aux autres fins visées à l’alinéa 1er. Il incombe à l’organe légal d’administration de garantir l’adéquation permanente de la conception et du fonctionnement du modèle interne et de veiller à ce que le modèle interne continue à refléter de manière adéquate le profil de risque de l’entreprise d’assurance ou de réassurance concernée. Art. 175 Le modèle interne et, en particulier, le calcul de la distribution de probabilité prévisionnelle qui le sous- tendent satisfont aux critères fixés aux articles 176 à 183. Art. 176 Les méthodes utilisées pour calculer la distribution de probabilité prévisionnelle sont fondées sur des techniques actuarielles et statistiques adéquates, applicables et pertinentes et elles sont cohérentes avec les méthodes utilisées pour calculer les provisions techniques. Les méthodes utilisées pour calculer la distribution de probabilité prévisionnelle sont fondées sur des informa- tions actuelles crédibles et sur des hypothèses réalistes. Les entreprises d’assurance ou de réassurance sont en mesure de justifier, auprès de la Banque, les hypo- thèses qui sous-tendent leur modèle interne. Art. 177 Les données utilisées aux fins du modèle interne sont exactes, exhaustives et appropriées. 883 1584/002 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 De verzekerings- of herverzekeringsondernemingen werken de bij de berekening van de kansverdelings- prognose gebruikte gegevensbestanden ten minste eenmaal per jaar bij. Art. 178 Voor de berekening van de kansverdelingsprognose wordt geen specifieke methode voorgeschreven. Ongeacht de gekozen berekeningsmethode is het interne model voldoende in staat om risico’s zodanig te classificeren dat gewaarborgd is dat het overeenkomstig artikel 174 algemeen wordt gebruikt in en een belangrijke rol speelt in het governancesysteem van de betrokken verzekerings- of herverzekeringsonderneming, en met name in haar risicobeheersysteem en besluitvormings- procedures en bij de allocatie van haar kapitaal. Het interne model bestrijkt alle materiële risico’s waar- aan de betrokken verzekerings- of herverzekeringson- derneming blootstaat. Het bestrijkt minstens de risico’s die in artikel 151, § 4, zijn opgesomd. Art. 179 Wat de diversificatie-effecten betreft, mogen de ver- zekerings- of herverzekeringsondernemingen in hun interne model rekening houden met afhankelijkheden binnen de risicocategorieën en dwars door risicocate- gorieën heen, mits de Bank overtuigd is van de deug- delijkheid van het systeem dat gebruikt wordt voor de meting van deze diversificatie-effecten. Art. 180 De verzekerings- of herverzekeringsondernemingen mogen ten volle rekening houden met het effect van risicomatigingstechnieken op hun interne model, zolang de krediet- en andere risico’s die voortvloeien uit het gebruik van deze risicomatigingstechnieken correct tot uiting komen in het interne model. Art. 181 De verzekerings- of herverzekeringsondernemingen beoordelen in hun model nauwkeurig de bijzondere risico’s die verbonden zijn aan financiële garanties en contractuele opties, wanneer deze van wezenlijk belang zijn. Ook beoordelen zij de risico’s die verbonden zijn aan de opties die aan de verzekeringnemer worden Les entreprises d’assurance ou de réassurance actualisent au moins une fois par an les séries de don- nées qu’elles utilisent aux fins du calcul de la distribution de probabilité prévisionnelle. Art. 178 Aucune méthode particulière n’est prescrite pour le calcul de la distribution de probabilité prévisionnelle. Indépendamment de la méthode de calcul retenue, la capacité du modèle interne à classer les risques est suffisante pour garantir qu’il est largement utilisé et qu’il joue un rôle important dans le système de gouvernance de l’entreprise d’assurance ou de réassurance concer- née, et notamment dans son système de gestion des risques et ses processus décisionnels, ainsi que dans l’allocation de son capital conformément à l’article 174. Le modèle interne couvre tous les risques importants auxquels l’entreprise d’assurance ou de réassurance concernée est exposée. Il couvre au minimum les risques répertoriés à l’article 151, § 4. Art. 179 Pour ce qui concerne les effets de diversification, les entreprises d’assurance ou de réassurance peuvent tenir compte dans leur modèle interne des dépendances existant au sein de catégories de risques données, ainsi qu’entre catégories de risques, sous réserve que la Banque juge adéquat le système utilisé pour mesurer ces effets de diversification. Art. 180 Les entreprises d’assurance ou de réassurance peuvent tenir pleinement compte de l’effet des tech- niques d’atténuation du risque dans leur modèle interne, pour autant que le risque de crédit et les autres risques découlant de l’utilisation des techniques d’atténuation du risque soient pris en considération de manière adé- quate dans le modèle interne. Art. 181 Les entreprises d’assurance ou de réassurance évaluent avec précision, dans leur modèle interne, les risques particuliers liés aux garanties financières et à toute option contractuelle lorsqu’ils ne sont pas négli- geables. Elles évaluent également les risques liés aux options offertes au preneur d’assurance, ainsi qu’aux 884 1584/002 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 geboden, en aan de contractuele opties voor verze- kerings- of herverzekeringsondernemingen. Daartoe houden zij rekening met de mogelijke gevolgen van toekomstige veranderingen in de financiële en niet- financiële omstandigheden voor de gebruikmaking van deze opties. Art. 182 In hun interne model mogen de verzekerings- of herverzekeringsondernemingen rekening houden met beheeractiviteiten waarvan redelijkerwijs mag worden aangenomen dat zij die onder bepaalde omstandighe- den zullen verrichten. In het in het eerste lid bedoelde geval houdt de be- trokken onderneming rekening met de tijd die nodig is voor de uitvoering van dergelijke activiteiten. Art. 183 In hun interne model houden de verzekerings- of herverzekeringsondernemingen rekening met alle door hen verwachte betalingen aan verzekeringnemers en begunstigden, ongeacht of deze contractueel gega- randeerd zijn. Art. 184 De verzekerings- of herverzekeringsondernemingen mogen voor de interne modellering een andere periode of risicomaatstaf hanteren dan die waarin artikel 151, § 3 voorziet, op voorwaarde dat de resultaten van hun interne model hen in staat stellen het solvabiliteitska- pitaalvereiste te berekenen op een wijze die verzeke- ringnemers en begunstigden een bescherming biedt die gelijkwaardig is aan die van artikel 151. Waar dit uitvoerbaar is, leiden de verzekerings- of herverzekeringsondernemingen aan de hand van de VaR-maatstaf als bedoeld in artikel 151, § 3, het solva- biliteitskapitaalvereiste rechtstreeks af uit de kansver- delingsprognose die hun interne model oplevert. Wanneer de verzekerings- of herverzekeringsonder- nemingen hun solvabiliteitskapitaalvereiste niet recht- streeks kunnen afleiden uit de kansverdelingsprognose die hun interne model oplevert, mag de Bank toestaan dat bij de berekening van het solvabiliteitskapitaalver- eiste benaderingen gebruikt worden, voor zover deze onder nemingen tegenover de Bank kunnen aantonen options contractuelles qui sont offertes aux entre- prises d’assurance ou de réassurance. À cet effet, elles tiennent compte de l’impact que pourraient avoir d’éventuels changements des conditions financières et non financières sur l’exercice de ces options. Art. 182 Les entreprises d’assurance ou de réassurance peuvent tenir compte, dans leur modèle interne, des décisions futures de gestion qu’elles pourraient raison- nablement mettre en œuvre dans des circonstances particulières. Dans le cas prévu à l’alinéa 1er, l’entreprise concernée tient compte du temps nécessaire à la mise en œuvre de ces décisions. Art. 183 Les entreprises d’assurance ou de réassurance tiennent compte, dans leur modèle interne, de tous les paiements aux preneurs d’assurance et aux bénéfi- ciaires qu’elles s’attendent à devoir effectuer, que ces paiements soient ou non contractuellement garantis. Art. 184 Les entreprises d’assurance ou de réassurance peuvent, à des fins de modélisation interne, se référer à un autre horizon temporel ou utiliser une autre mesure du risque que ceux prévus à l’article 151, § 3, à condi- tion que les résultats produits par leur modèle interne leur permettent de procéder à un calcul du capital de solvabilité requis garantissant aux preneurs d’assurance et aux bénéficiaires un niveau de protection équivalent à celui prévu à l’article 151. Lorsque c’est possible, les entreprises d’assurance ou de réassurance déduisent directement leur capital de solvabilité requis de la distribution de probabilité prévisionnelle générée par leur modèle interne, sur la base de la mesure de la valeur en risque prévue à l’article 151, § 3. Lorsque les entreprises d’assurance ou de réas- surance ne peuvent déduire directement leur capital de solvabilité requis de la distribution de probabi- lité prévisionnelle générée par leur modèle interne, la Banque peut autoriser l’emploi d’approximations dans le processus de calcul du capital de solvabilité requis, pour autant que ces entreprises soient en mesure de 885 1584/002 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 dat de verzekeringnemers een bescherming wordt geboden die gelijkwaardig is aan die van artikel 151. De Bank mag de verzekerings- of herverzekerings- ondernemingen verplichten hun interne model toe te passen op relevante benchmarkportefeuilles en daarbij gebruik te maken van hypothesen die niet zozeer op interne als wel op externe gegevens berusten, teneinde de kalibratie van het interne model te controleren en na te gaan of de specificaties ervan in overeenstemming zijn met de vaste marktpraktijk. Art. 185 De verzekerings- of herverzekeringsondernemingen beoordelen ten minste eenmaal per jaar voor elk be- langrijk bedrijfsonderdeel de oorzaken en bronnen van winsten en verliezen. Zij tonen aan op welke wijze de categorisatie van risico’s in hun interne model de oorzaken en bronnen van winsten en verliezen verklaart. De categorisatie van risico’s en de toeschrijving van winsten en verliezen weerspiegelen het risicoprofiel van de verzekerings- of herverzekeringsondernemingen. Art. 186 De verzekerings- of herverzekeringsondernemingen voorzien in een regelmatige modelvalideringscyclus waarbij de werking van het interne model wordt ge- controleerd, de voortdurende deugdelijkheid van de specificaties ervan wordt beoordeeld en de resultaten ervan aan de praktijkervaring worden getoetst. Het modelvalideringsproces omvat een doeltreffende statistische procedure voor de validering van het interne model, waarmee de verzekerings- of herverzekerings- ondernemingen tegenover de Bank kunnen aantonen dat de resulterende kapitaalvereisten deugdelijk zijn. De toegepaste statistische methodes toetsen de deugdelijkheid van de kansverdelingsprognose niet al- leen aan de feitelijke verlieservaring, maar ook aan alle materiële nieuwe gegevens en informatie die daaraan gerelateerd zijn. Het modelvalideringsproces omvat een analyse van de stabiliteit van het interne model en inzonderheid een toetsing van de gevoeligheid van de resultaten van het interne model voor wijzigingen in de voornaamste onderliggende hypothesen. Het proces omvat ook démontrer à la Banque que les preneurs d’assurance bénéficient d’un niveau de protection équivalent à celui prévu à l’article 151. La Banque peut exiger des entreprises d’assurance ou de réassurance qu’elles appliquent leur modèle interne à des portefeuilles de référence pertinents, en utilisant des hypothèses fondées sur des données externes plutôt qu’internes, afin de contrôler le calibrage du modèle interne et de vérifier que ses spécifications correspondent bien aux pratiques du marché généra- lement admises. Art. 185 Les entreprises d’assurance ou de réassurance examinent, au moins une fois par an, les origines et les causes des profits et pertes enregistrés par chacune de leurs unités opérationnelles majeures. Elles démontrent comment la catégorisation des risques retenue dans leur modèle interne explique les origines et les causes de ces profits et pertes. La catégorisation des risques et l’attribution des profits et des pertes reflètent le profil de risque des entreprises d’assurance ou de réassurance. Art. 186 Les entreprises d’assurance ou de réassurance mettent en place un cycle régulier de validation de leur modèle, qui comprend un suivi du fonctionnement du modèle interne, un contrôle de l’adéquation permanente de ses spécifications et une confrontation des résultats qu’il produit aux données tirées de l’expérience. Le processus de validation du modèle comporte la validation du modèle interne par un procédé statistique efficace permettant aux entreprises d’assurance ou de réassurance de démontrer à la Banque que les exi- gences de capital en résultant sont appropriées. Les méthodes statistiques utilisées servent à vérifier le caractère approprié de la distribution de probabilité prévisionnelle par rapport non seulement à l’historique des pertes, mais aussi à toutes les données et informa- tions nouvelles non négligeables y afférentes. Le processus de validation du modèle comporte une analyse de la stabilité du modèle interne et, en particu- lier, un test de la sensibilité des résultats qu’il produit à une modification des hypothèses fondamentales qui le sous-tendent. Il comprend également une évaluation de 886 1584/002 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 een beoordeling van de juistheid, volledigheid en ade- quaatheid van de gegevens waarvan het interne model gebruik maakt. Art. 187 De verzekerings- of herverzekeringsondernemingen documenteren de opzet en operationele bijzonderheden van hun interne model. Uit die documentatie blijkt dat de artikelen 174 tot 186 worden nageleefd. In de documentatie wordt een gedetailleerde be- schrijving gegeven van de theorie, de hypothesen en de wiskundige en empirische grondslagen van het interne model. Eventuele omstandigheden waaronder het interne model niet doeltreffend werkt, worden in de documen- tatie vermeld. De verzekerings- of herverzekeringsondernemingen documenteren alle overeenkomstig artikel 169 aange- brachte ingrijpende wijzigingen in hun interne model. Art. 188 Het gebruik van een model of gegevens van een der- de partij wordt niet als een goede reden beschouwd om af te wijken van de vereisten waaraan het interne model moet voldoen overeenkomstig de artikelen 174 tot 187. Onderafdeling IV Minimumkapitaalvereiste Art. 189 § 1. De verzekerings- of herverzekeringsondernemin- gen voldoen aan een minimumkapitaalvereiste dat be- rekend wordt overeenkomstig de volgende beginselen: 1° het wordt op een duidelijke en eenvoudige wijze berekend, en wel zodanig dat de berekening kan worden gecontroleerd; 2° het komt overeen met een bedrag aan in aan- merking komend kernvermogen waaronder de verze- keringnemers en de begunstigden blootstaan aan een l’exactitude, de l’exhaustivité et du caractère approprié des données utilisées dans le modèle interne. Art. 187 Les entreprises d’assurance ou de réassurance éta- blissent une documentation décrivant les détails de la conception et du fonctionnement de leur modèle interne. Cette documentation démontre qu’il est satisfait aux articles 174 à 186. La documentation fournit une description détaillée de la théorie, des hypothèses et des fondements mathéma- tiques et empiriques qui sous-tendent le modèle interne. La documentation fait mention de toutes les circons- tances dans lesquelles le modèle interne ne fonction- nerait pas efficacement. Les entreprises d’assurance ou de réassurance assurent le suivi documentaire de toute modification majeure apportée à leur modèle interne, conformément à l’article 169. Art. 188 L’utilisation d’un modèle ou de données provenant d’un tiers n’est pas considérée comme un motif d’exo- nération des exigences auxquelles le modèle interne doit répondre conformément aux articles 174 à 187. Sous-section IV Minimum de capital requis Art. 189 § 1er. Les entreprises d’assurance ou de réassu- rance détiennent un minimum de capital requis calculé conformément aux principes suivants: 1° il est calculé d’une manière claire et simple, et de telle sorte que son calcul puisse faire l’objet d’un audit; 2° il correspond à un montant de fonds propres de base éligibles en-deçà duquel les preneurs d’assurance et les bénéficiaires seraient exposés à un niveau de 887 1584/002 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 ontoelaatbaar risiconiveau, indien de verzekerings- of herverzekeringsonderneming haar activiteiten zou mo- gen voortzetten; 3° de in paragraaf 2 bedoelde lineaire functie die wordt gebruikt voor de berekening van het minimumka- pitaalvereiste, wordt gekalibreerd volgens de VaR van het kernvermogen van de betrokken verzekerings- of herverzekeringsonderneming, met een betrouwbaar- heidsgraad van 85 % over een periode van één jaar; 4° het heeft een absolute ondergrens: a) van 2 500 000 EUR voor niet-levensverzekerings- ondernemingen, met inbegrip van verzekeringscaptives, behalve wanneer alle of sommige van de risico’s van een van de takken 10 tot 15 als vermeld in Bijlage I worden gedekt, in welk geval de ondergrens niet lager mag zijn dan 3 700 000 EUR, b) van 3 700 000 EUR voor levensverzekeringson- dernemingen, met inbegrip van verzekeringscaptives, c)  van 3  600  000  EUR voor herverzekeringson- dernemingen, behalve voor herverzekeringscaptives, in welk geval de ondergrens niet lager mag zijn dan 1 200 000 EUR, d) die gelijk is aan de som van de in a) en b) vermelde bedragen voor de verzekeringsondernemingen bedoeld in artikel 223, eerste lid. § 2. Onverminderd paragraaf 3, wordt het minimumka- pitaalvereiste berekend als een lineaire functie van een set of subset van de volgende variabelen: de technische voorzieningen van de onderneming, de geschreven premies, het risicokapitaal, de uitgestelde belastingen en de administratieve uitgaven. De gebruikte variabelen worden gemeten onder aftrek van herverzekering. § 3. Onverminderd paragraaf 1, 4°, mag het minimum- kapitaalvereiste niet dalen onder 25 %, noch uitstijgen boven 45 % van het solvabiliteitskapitaalvereiste van de onder neming, berekend overeenkomstig Onderafdeling II of Onderafdeling III van deze Afdeling, met inbegrip van de eventueel overeenkomstig artikel 323 opgelegde opslagfactor. § 4. De verzekerings- of herverzekeringsondernemin- gen berekenen hun minimumkapitaalvereiste ten minste eenmaal per kwartaal en melden de uitkomst van deze berekening aan de Bank. Indien het minimumkapitaalvereiste van een on- derneming wordt bepaald door een van beide in risque inacceptable si l’entreprise d’assurance ou de réassurance était autorisée à poursuivre son activité; 3° la fonction linéaire, visée au paragraphe 2, utilisée pour calculer le minimum de capital requis est calibrée selon la valeur en risque des fonds propres de base de l’entreprise d’assurance ou de réassurance concernée, avec un niveau de confiance de 85 % à l’horizon d’un an; 4° il a un seuil absolu: a) de 2 500 000 EUR pour les entreprises d’assu- rance non-vie, y compris les entreprises captives d’as- surance, sauf dans le cas où tout ou partie des risques visés dans l’une des branches 10 à 15 mentionnées à l’Annexe I sont couverts, auquel cas il ne peut être inférieur à 3 700 000 EUR; b) de 3 700 000 EUR pour les entreprises d’assurance vie, y compris les entreprises captives d’assurance; c) de 3 600 000 EUR pour les entreprises de réas- surance, sauf dans le cas des entreprises captives de réassurance, auquel cas il ne peut être inférieur à 1 200 000 EUR; d) correspondant à la somme des montants énoncés aux a) et b) pour les entreprises d’assurance visées à l’article 223, alinéa 1er. § 2. Sous réserve du paragraphe 3, le minimum de capital requis est calculé comme la fonction linéaire d’un ensemble ou d’un sous-ensemble des variables suivantes: provisions techniques de l’entreprise, primes souscrites, capital sous risque, impôts différés et dépenses administratives. Les variables utilisées sont mesurées déduction faite de la réassurance. § 3. Sans préjudice du paragraphe 1er, 4°, le minimum de capital requis ne descend pas au-dessous de 25 % et ne dépasse pas 45 % du capital de solvabilité requis de l’entreprise, calculé conformément à la Sous-section II ou à la Sous-section III de la présente Section, y com- pris tout capital supplémentaire imposé conformément à l’article 323. § 4. Les entreprises d’assurance ou de réassurance calculent leur minimum de capital requis au moins une fois par trimestre et notifient le résultat de ce calcul à la Banque. Lorsque l’une des limites visées au paragraphe 3 dé- termine le minimum de capital requis d’une entreprise, 888 1584/002 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 paragraaf  3  bedoelde grenswaarden, verstrekt de onderneming aan de Bank de informatie die nodig is voor een deugdelijk inzicht in de redenen die hieraan ten grondslag liggen. Afdeling III Beleggingen Onderafdeling I Prudent person”-beginsel Art. 190 De verzekerings- of herverzekeringsondernemingen beleggen al hun activa overeenkomstig het in deze Onderafdeling beschreven “prudent person”-beginsel. De Bank kan bij reglement vastgesteld overeenkom- stig artikel 12bis, § 2 van de wet van 22 februari 1998 en na advies van de FSMA voor wat betreft tak 23 als vermeld in Bijlage II, verduidelijken wat moet worden verstaan onder “prudent person”. Art. 191 Wat de gehele activaportefeuille betreft, beleggen de verzekerings- of herverzekeringsondernemingen alleen in activa en instrumenten waarvan zij de risico’s goed kunnen identificeren, meten, bewaken, beheren, beheer- sen en rapporteren en op adequate wijze in aanmerking kunnen nemen bij de beoordeling van hun algehele solvabiliteitsbehoefte overeenkomstig artikel 91, § 1, tweede lid, 1°. Alle activa, met inbegrip van de activa ter dekking van het minimumkapitaalvereiste en het solvabiliteitskapi- taalvereiste, worden zodanig belegd dat de veiligheid, de kwaliteit, de liquiditeit, het rendement en de congru- entie van de portefeuille als geheel gewaarborgd zijn. Bovendien worden de activa zodanig gelokaliseerd dat hun beschikbaarheid gewaarborgd is. De activa die tegenover de technische voorzienin- gen staan, worden eveneens belegd op een wijze die strookt met de aard en looptijd van de verzekerings- of herverzekeringsverplichtingen. Deze activa worden belegd in het beste belang van alle verzekeringnemers en begunstigden waarbij rekening wordt gehouden met alle verwoorde beleidsdoelstellingen. Bij een belangenconflict zorgen de verzekeringson- dernemingen of de entiteit die hun activaportefeuille cette dernière fournit à la Banque des informations permettant de bien en comprendre les raisons. Section III Investissements Sous-section Ie Principe de la personne prudente Art. 190 Les entreprises d’assurance ou de réassurance investissent tous leurs actifs conformément au principe de la “personne prudente”, comme indiqué à la présente Sous-section. La Banque peut, par voie de règlement pris conformé- ment à l’article 12bis, § 2, de la loi du 22 février 1998 et sur avis de la FSMA en ce qui concerne la branche 23 mentionnée à l’Annexe II, préciser ce qu’il y a lieu d’entendre par “personne prudente”. Art. 191 Pour l’ensemble du portefeuille d’actifs, les entre- prises d’assurance ou de réassurance n’investissent que dans des actifs et instruments présentant des risques qu’elles peuvent identifier, mesurer, suivre, gérer, contrôler et déclarer de manière adéquate ainsi que prendre en compte de manière appropriée dans l’évaluation de leur besoin global de solvabilité confor- mément à l’article 91, § 1er, alinéa 2, 1°. Tous les actifs, en ce compris les actifs couvrant le minimum de capital requis et le capital de solvabilité requis, sont investis de façon à garantir la sécurité, la qualité, la liquidité, la rentabilité et la congruence du portefeuille dans son ensemble. En outre, la localisation de ces actifs est telle qu’elle garantit leur disponibilité. Les actifs détenus aux fins de la couverture des pro- visions techniques sont également investis d’une façon adaptée à la nature et à la durée des engagements d’assurance ou de réassurance. Ils sont investis au mieux des intérêts de tous les preneurs d’assurance et de tous les bénéficiaires, compte tenu de tout objectif publié. En cas de conflit d’intérêts, les entreprises d’as- surance, ou les entités qui gèrent leur portefeuille 889 1584/002 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 beheert, ervoor dat de belegging in het beste belang van de verzekeringnemers en de begunstigden wordt gedaan. Art. 192 De bepalingen van dit artikel zijn van toepassing op de activa die aangehouden worden voor levensverze- keringsovereenkomsten waarbij het beleggingsrisico door de verzekeringnemer wordt gedragen, onvermin- derd artikel 191 en de artikelen 19 en 20 van de Wet Verzekeringen. Indien de uitkeringen waarin een overeenkomst voorziet, rechtstreeks gekoppeld zijn aan de waarde van rechten van deelneming in een ICBE in de zin van Richtlijn 2009/65/EG, of aan de waarde van activa die zijn opgenomen in een door de verzekeringsonderne- ming gehouden intern fonds, dat gewoonlijk in fracties is verdeeld, worden de technische voorzieningen met betrekking tot deze uitkeringen zo exact mogelijk gedekt door deze rechten van deelneming of fracties, dan wel, indien er geen fracties zijn gecreëerd, door deze activa. Indien de uitkeringen waarin een overeenkomst voor- ziet, rechtstreeks gekoppeld zijn aan een aandelenindex of aan een andere referentiewaarde dan die bedoeld in het tweede lid, worden de technische voorzieningen met betrekking tot deze uitkeringen zo exact mogelijk gedekt door de fracties die geacht worden de referentiewaarde te vertegenwoordigen of, indien er geen fracties zijn ge- creëerd, door activa met een toereikende veiligheid en verhandelbaarheid die zo nauw mogelijk aansluiten bij die waarop de betrokken referentiewaarde is gebaseerd. Wanneer de uitkeringen als bedoeld in het tweede en derde lid een gegarandeerd rendement of een andere gegarandeerde uitkering behelzen, is artikel 193 van toepassing op de activa die tegenover de desbetref- fende aanvullende technische voorzieningen staan. Art. 193 Onverminderd artikel 191 zijn het tweede tot vijfde lid van dit artikel van toepassing op de andere activa dan die welke onder artikel 192 vallen. Het gebruik van afgeleide instrumenten is toege- staan, voor zover deze bijdragen tot een vermindering van de risico’s of een doeltreffend portefeuillebeheer vergemakkelijken. d’actifs, veillent à ce que l’investissement soit réalisé au mieux des intérêts des preneurs d’assurance et des bénéficiaires. Art. 192 Les dispositions du présent article s’appliquent aux actifs détenus en représentation des contrats d’assu- rance vie dans le cadre desquels le risque d’investis- sement est supporté par le preneur d’assurance, sans préjudice de l’article 191 et des articles 19 et 20 de la Loi assurances. Lorsque les prestations prévues par un contrat sont directement liées à la valeur de parts d’un OPCVM au sens de la Directive 2009/65/CE ou à la valeur d’actifs contenus dans un fonds interne détenu par l’entreprise d’assurance, généralement divisé en parts, les provi- sions techniques concernant ces prestations sont repré- sentées le plus étroitement possible par ces parts ou, lorsque des parts ne sont pas établies, par ces actifs. Lorsque les prestations prévues par un contrat sont directement liées à un indice d’actions ou à une valeur de référence autre que celles visées à l’alinéa 2, les provisions techniques afférentes à ces prestations sont représentées aussi étroitement que possible soit par les parts réputées représenter la valeur de référence, soit, lorsque des parts ne sont pas établies, par des actifs d’une sûreté et d’une négociabilité appropriées correspondant le plus étroitement possible à ceux sur lesquels se fonde la valeur de référence en question. Lorsque les prestations visées aux alinéas 2  et 3 comprennent une garantie de performance financière ou toute autre prestation garantie, les actifs détenus pour couvrir les provisions techniques supplémen- taires correspondantes sont soumis aux dispositions de l’article 193. Art. 193 Sans préjudice de l’article 191, les alinéas 2 à 5 du présent article sont applicables en ce qui concerne les actifs autres que ceux relevant de l’article 192. L’utilisation d’instruments dérivés est possible dans la mesure où ils contribuent à réduire les risques ou favorisent une gestion efficace du portefeuille. 890 1584/002 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 Beleggingen en activa die niet zijn toegelaten tot de handel op een gereglementeerde financiële markt, worden tot een prudent niveau beperkt. De activa worden naar behoren gediversifieerd zodanig dat een bovenmatige afhankelijkheid van een bepaald actief, een bepaalde emittent of groep van ondernemingen, of een bepaald geografisch gebied en bovenmatige risicoaccumulatie in de portefeuille als geheel worden vermeden. Beleggingen in activa uitgegeven door dezelfde emittent of door emittenten die tot dezelfde groep behoren, mogen de verzekerings- of herverzekerings- ondernemingen niet blootstellen aan bovenmatige risicoconcentratie. Onderafdeling II Bijhouden van een doorlopende inventaris  Art. 194 De verzekeringsondernemingen houden te allen tijde activa aan die vrij zijn van alle lasten en die gewaardeerd worden overeenkomstig artikel 123, voor een bedrag dat de verplichtingen jegens de schuldeisers uit hoofde van verzekering dekt zoals die verschuldigd zouden zijn in het geval van een liquidatieprocedure waarbij de ver- zekeringsovereenkomsten beëindigd zouden worden. Voor de overeenkomsten die vallen onder de takken als vermeld in Bijlage II stemt dit bedrag overeen met de inventariswaarde waarvan de Koning, op advies van de Bank en de FSMA, ieder wat hun bevoegdheden betreft, de berekeningswijze kan bepalen. Art. 195 De verzekeringsondernemingen houden op hun zetel een speciaal register bij, “doorlopende inventaris” genoemd, van de activa bedoeld in artikel 194, voor elk afzonderlijk beheer als bedoeld in artikel 230. Wanneer de in de doorlopende inventaris opgenomen activa bezwaard zijn met een ten gunste van een derde gevestigd zakelijk recht waardoor een gedeelte van het bedrag van die activa niet beschikbaar is voor de dekking van de verplichtingen, wordt daarvan melding gemaakt in het register en wordt het niet-beschikbare bedrag niet meegeteld bij de berekening van het in artikel 194 bedoelde vereiste. De verzekeringsondernemingen delen de toestand van de doorlopende inventaris van elk afzonderlijk Les investissements et les actifs qui ne sont pas admis à la négociation sur un marché financier régle- menté sont maintenus à des niveaux prudents. Les actifs font l’objet d’une diversification appropriée de façon à éviter une dépendance excessive vis-à-vis d’un actif, d’un émetteur ou d’un groupe d’entreprises donnés ou d’une zone géographique donnée et à évi- ter un cumul excessif de risques dans l’ensemble du portefeuille. Les investissements dans des actifs émis par un même émetteur ou par des émetteurs appartenant à un même groupe ne peuvent pas exposer les entreprises d’assurance ou de réassurance à une concentration excessive de risques. Sous-section II Tenue d’un inventaire permanent  Art. 194 Les entreprises d’assurance détiennent, à tout mo- ment, des actifs libres de toute charge, évalués confor- mément à l’article 123, pour un montant qui couvre les engagements à l’égard des créanciers d’assurance tels qu’ils seraient dus dans l’hypothèse d’une procédure de liquidation lors de laquelle il serait mis fin aux contrats d’assurance. Ce montant correspond pour les contrats relevant des branches mentionnées à l’Annexe II à la valeur d’inventaire dont le Roi est habilité, sur avis de la Banque et de la FSMA, chacune dans son domaine de compétence, à déterminer les modalités de calcul. Art. 195 Les entreprises d’assurance tiennent à leur siège un registre spécial, appelé “inventaire permanent”, des actifs visés à l’article 194 selon les gestions distinctes visées à l’article 230. Lorsque les actifs inscrits à l’inventaire permanent sont grevés d’un droit réel au profit d’un tiers avec pour conséquence de rendre indisponible une partie du mon- tant de ces actifs pour la couverture des engagements, il est fait état de cette situation dans le registre et il n’est pas tenu compte du montant non disponible dans le calcul de l’exigence visée à l’article 194. Les entreprises d’assurance communiquent la situation de l’inventaire permanent de chaque gestion 891 1584/002 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 beheer aan de Bank mee met inachtneming van de vorm en de inhoud die door haar zijn voorgeschreven en op de drager en binnen de termijn die door haar zijn bepaald. Onderafdeling III Lokalisatie van de activa Art. 196 De activa van de verzekerings- of herverzekerings- ondernemingen zijn binnen of buiten de Europese Economische Ruimte gelokaliseerd. Art. 197 § 1. In afwijking van artikel 196 mogen de verzeke- rings- of herverzekeringsondernemingen de activa die zij aanhouden ter dekking van de technische voorzie- ningen met betrekking tot risico’s die in de Europese Economische Ruimte zijn gelegen, slechts buiten die Ruimte lokaliseren wanneer het gaat om: 1° onroerende goederen; 2° effecten en wanneer a) de rechten die voor de verzekerings- of herverzeke- ringsonderneming voortvloeien uit de bewaargeving van deze effecten bij een in bewaring nemende tussenper- soon vormen een zakelijk recht op grond waarvan zij op deze effecten aanspraak kunnen maken, met uitsluiting van het eenvoudige vorderingsrecht; en b) de betrokken in bewaring nemende tussenpersoon geeft aan de Bank een verklaring af dat hij zich ertoe verbindt gevolg te geven aan alle beslissingen om de vrije beschikking over de activa van de verzekerings- of herverzekeringsonderneming te beperken of te ontne- men, die met toepassing van de artikelen 513 en 517, § 1, 6° zijn genomen. § 2. In afwijking van artikel 196 kan de Bank bij regle- ment vastgesteld overeenkomstig artikel 12bis, § 2 van de wet van 22 februari 1998 eisen dat de activa die worden aangehouden ter dekking van de technische voorzieningen met betrekking tot de verzekeringsrisico’s die buiten de Europese Economische Ruimte zijn aan- gegaan, binnen die Ruimte gelokaliseerd zijn. Zo niet worden de regels betreffende de dekking van de technische voorzieningen voor deze risico’s en betreffende de lokalisatie ervan vastgesteld volgens de regels van het land van het risico. distincte à la Banque en respectant la forme et le contenu prescrits par celle-ci et sur le support et dans le délai qu’elle fixe. Sous-section III Localisation des actifs Art. 196 Les actifs des entreprises d’assurance ou de réas- surance sont localisés dans ou en dehors de l’Espace économique européen. Art. 197 § 1er. Par dérogation à l’article 196, les entreprises d’assurance ou de réassurance ne peuvent localiser les actifs détenus pour couvrir les provisions tech- niques afférentes à des risques situés dans l’Espace économique européen en dehors de cet Espace que lorsqu’il s’agit: 1° de biens immobiliers; 2° de valeurs mobilières et que a) les droits conférés à l’entreprise d’assurance ou de réassurance à la suite du dépôt de ces valeurs auprès d’un intermédiaire dépositaire sont constitutifs d’un droit réel permettant l’exercice d’une revendication sur ces valeurs, à l’exclusion d’un simple droit de créance; et b) l’intermédiaire dépositaire concerné fournit à la Banque une attestation selon laquelle il s’engage à faire suite à toutes décisions de restreindre ou interdire la libre disposition des actifs de l’entreprise d’assurance ou de réassurance prononcées en application des articles 513 et 517, § 1er, 6°. § 2. Par dérogation à l’article 196, la Banque peut, par voie de règlement pris conformément à l’article 12bis, § 2, de la loi du 22 février 1998, imposer que les actifs détenus pour couvrir les provisions techniques afférentes aux risques d’assurance souscrits en dehors de l’Espace économique européen soient localisés dans cet Espace. À défaut, les règles afférentes à la représentation des provisions techniques de ces risques et à leur localisa- tion sont déterminées selon les règles du pays du risque. 892 1584/002 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 Art. 198 Voor herverzekeringsovereenkomsten die worden gesloten met een onderneming die ressorteert onder het recht van een derde land met een toezichtsregeling die niet gelijkwaardig wordt geacht in de zin van artikel 600, kan de Bank bij reglement vastgesteld overeenkomstig artikel 12bis, § 2 van de wet van 22 februari 1998 ver- langen dat: 1° de technische voorzieningen zonder aftrek van herverzekering worden gevormd en dat de activa ter dekking van de technische voorzieningen als zekerhe- den worden verstrekt of dat de cederende onderneming een gelijkwaardige waarborg verleent; 2° de activa ter dekking van de schuldvorderingen uit hoofde van deze overeenkomsten, in de Europese Economische Ruimte zijn gelegen. HOOFDSTUK VII Periodieke informatieverstrekking en boekhoudregels Art. 199 De verzekerings- of herverzekeringsondernemingen leggen hun jaarrekening neer bij de Bank. Onverminderd artikel  200  bepaalt de Koning, op advies van de Bank en de FSMA, ieder voor wat zijn bevoegdheden betreft: 1° de regels op grond waarvan de verzekerings- of herverzekeringsondernemingen hun boekhouding voe- ren, de diverse balansposten ramen en hun jaarrekening opstellen en hun jaarverslag opmaken; 2° de regels die de verzekerings- of herverzekerings- ondernemingen in acht moeten nemen bij de opstelling, de controle en de openbaarmaking van hun geconso- lideerde jaarrekening, evenals bij de opstelling en de openbaarmaking van de verslagen over het beheer en de controle van die geconsolideerde jaarrekening. De Bank kan, bij reglement vastgesteld met toepassing van artikel 12bis, §  2  van de wet van 22 februari 1998, de toepassingsmodaliteiten vastleg- gen van de regels bepaald in de in het tweede lid be- doelde koninklijke besluiten. Art. 198 En ce qui concerne les contrats de réassurance conclus avec une entreprise qui relève du droit d’un pays tiers et dont le régime de contrôle n’est pas réputé équivalent au sens de l’article 600, la Banque peut, par voie de règlement pris conformément à l’article 12bis, § 2 de la loi du 22 février 1998, exiger que: 1° les provisions techniques soient constituées brutes de réassurance et que les actifs représentatifs fassent l’objet d’un nantissement ou que l’entreprise cédante fournisse une garantie équivalente; 2° les actifs représentatifs des créances détenues au titre de ces contrats soient situés dans l’Espace économique européen. CHAPITRE VII Informations périodiques et règles comptables Art. 199 Les entreprises d’assurance ou de réassurance dé- posent leurs comptes annuels à la Banque. Sans préjudice de l’article 200, le Roi détermine, sur avis de la Banque et de la FSMA, chacune dans son domaine de compétence: 1°  les règles selon lesquelles les entreprises d’assurance ou de réassurance tiennent leur compta- bilité, procèdent aux évaluations des divers postes de bilan et établissent leurs comptes annuels et présentent leur rapport annuel; 2°  les règles à respecter par les entreprises d’assurance ou de réassurance pour l’établissement, le contrôle et la publication de leurs comptes consolidés, ainsi que pour l’établissement et la publication des rap- ports de gestion et de contrôle relatifs à ces comptes consolidés. La Banque peut, par voie de règlement pris en appli- cation de l’article 12bis, § 2 de la loi du 22 février 1998, préciser les modalités d’application des règles définies par les arrêtés royaux visés à l’alinéa 2. 893 1584/002 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 Art. 200 De in artikel  223  bedoelde verzekeringsonderne- mingen stellen hun jaarrekening zodanig op dat de bronnen van de resultaten van levensverzekeringen en niet-levensverzekeringen gescheiden tot uiting komen. Alle opbrengsten, met name premies, uitbetalingen van herverzekeraars, inkomsten uit beleggingen, en uitga- ven, met name verzekeringsuitkeringen, toevoegingen aan de technische voorzieningen, herverzekerings- premies en werkingskosten voor de verzekerings- en herverzekeringsverrichtingen, worden op basis van hun oorsprong onderverdeeld. De bestanddelen die beide activiteiten gemeen hebben, worden geboekt volgens kostenverdelingsmethodes die door de Bank moeten zijn aanvaard. Art. 201 Naast de verplichtingen inzake verslaggeving waarin de uitvoeringsmaatregelen van Richtlijn 2009/138/EG voorzien, en onverminderd de artikelen 312 tot 316, leg- gen de verzekerings- of herverzekeringsondernemingen aan de Bank periodiek de financiële informatie voor die zij bepaalt en die wordt opgemaakt overeenkomstig de regels die zijn vastgesteld door de Bank, die ook de rapporteringsfrequentie bepaalt. Bovendien kan de Bank voorschrijven dat haar geregeld eventuele andere cijfergegevens of uitleg worden verstrekt om te kunnen nagaan of de voorschriften van deze wet, van de uitvoeringsbesluiten en -reglementen ervan of van de maatregelen tot uitvoering van Richtlijn 2009/138/ EG zijn nageleefd. Art. 202 Onverminderd artikel 80, § 5, verklaart het directie- comité of, bij ontstentenis van een directiecomité, de personen belast met de effectieve leiding van de verze- kerings- of herverzekeringsonderneming, aan de Bank dat de in artikel 201 bedoelde periodieke informatie die haar aan het einde van het eerste halfjaar en aan het einde van het boekjaar wordt bezorgd door de onder- neming, opgesteld is volgens de voorschriften die door of krachtens de wet, de uitvoeringsmaatregelen van Richtlijn 2009/138/EG en de instructies van de Bank zijn vastgesteld. Daartoe is vereist dat de periodieke informatie, voor wat de boekhoudkundige gegevens betreft: Art. 200 Les entreprises d’assurances visées à l’ar- ticle 223 établissent leurs comptes annuels de façon à faire apparaître séparément les sources de résultats pour l’assurance et la réassurance vie et non-vie. L’ensemble des produits, notamment les primes, les interventions des réassureurs et les revenus financiers, et des charges, notamment les prestations d’assurance, les dotations aux provisions techniques, les primes de réassurance et les frais de fonctionnement pour les opérations d’assurance et de réassurance, est ventilé en fonction de leur origine. Les éléments communs aux deux activités sont comptabilisés selon des méthodes de répartition qui sont acceptées par la Banque. Art. 201 Outre les obligations en matière de communication d’informations prévues par les mesures d’exécution de la Directive 2009/138/CE et sans préjudice des articles 312 à 316, les entreprises d’assurance ou de réassu- rance communiquent périodiquement à la Banque les informations financières qu’elle détermine et qui sont établies conformément aux règles fixées par la Banque, qui en détermine également la fréquence. La Banque peut, en outre, prescrire la transmission régulière de toutes autres informations chiffrées ou descriptives nécessaires à la vérification du respect des dispositions de la présente loi, des arrêtés et règlements pris en exécution de celles-ci ou des mesures d’exécution de la Directive 2009/138/CE. Art. 202 Sans préjudice de l’article 80, §  5, le comité de direction ou, en l’absence de comité de direction, les personnes chargées la direction effective de l’entre- prise d’assurance ou de réassurance, déclare à la Banque que les informations périodiques visées à l’ar- ticle 201 qui lui sont transmises par l’entreprise à la fin du premier semestre social et à la fin de l’exercice social, sont établies conformément aux prescriptions prévues par ou en vertu de la loi, aux mesures d’exécution de la Directive 2009/138/CE et aux instructions de la Banque. Il est à cet effet requis que les informations pério- diques soient pour ce qui concerne les données comp- tables qui y figurent: 894 1584/002 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 1° volledig is, d.w.z. dat zij alle gegevens bevat uit de boekhouding en de inventarissen op basis waarvan zij wordt opgesteld, 2° juist is, d.w.z. dat zij exact overeenstemt met de gegevens uit de boekhouding en de inventarissen op basis waarvan de periodieke informatie wordt opgesteld. Art. 203 Voor bepaalde categorieën van verzekerings- of her- verzekeringsondernemingen of in specifieke gevallen kan de Bank afwijkingen toestaan van de in artikel 199, tweede lid en artikel 201 bedoelde regels. HOOFDSTUK VII Herstelplannen Afdeling I Opmaak van herstelplannen Art. 204 Indien ze dit gerechtvaardigd acht in het licht van mogelijke risico’s op een aanzienlijke verslechtering van de financiële positie van een verzekerings- of herverzekeringsonderneming, met name op grond van haar bedrijfsmodel, haar juridische structuur, inherente kenmerken van de groep waarvan ze deel uitmaakt, haar risicoprofiel, de kenmerken van de door haar in de handel gebrachte producten, kan de Bank de ver- zekerings- of herverzekeringsonderneming verplichten een herstelplan op te stellen met maatregelen die door de onderneming kunnen worden uitgevoerd voor het herstel van haar financiële positie na een aanzienlijke verslechtering ervan, en dit plan te actualiseren. Het herstelplan houdt rekening met verschillende scenario’s van ernstige macro-economische of finan- ciële crisis, waaronder systeembrede gebeurtenissen, crises die specifiek zijn voor de onderneming, en, in voorkomend geval, crises waarbij entiteiten van de groep waarvan de verzekerings- of herverzekeringsonderne- ming deel uitmaakt, betrokken zijn. Het herstelplan dekt de verzekerings- of herverzeke- ringsonderneming en haar Belgische en buitenlandse dochterondernemingen. Wanneer ze een dergelijk plan oplegt, houdt de Bank rekening met het feit dat de verzekerings- of herverze- keringsonderneming in voorkomend geval betrokken is 1° complètes, c’est-à-dire qu’elles mentionnent toutes les données figurant dans la comptabilité et dans les inventaires sur la base desquels elles sont établies; 2° correctes, c’est-à-dire qu’elles concordent exac- tement avec la comptabilité et avec les inventaires sur la base desquels elles sont établies. Art. 203 La Banque peut, pour certaines catégories d’entre- prises d’assurance ou de réassurance ou dans des cas particuliers, autoriser des dérogations aux règles prévues aux articles 199, alinéa 2 et 201. CHAPITRE VII Plans de redressement Section Ire Etablissement des plans de redressement Art. 204 Lorsqu’elle l’estime justifié au regard de risques potentiels d’une dégragation significative de la situa- tion financière d’une entreprise d’assurance ou de réassurance, notamment sur la base de son modèle d’entreprise, de sa structure juridique, de caractéris- tiques inhérentes au groupe dont elle fait partie, de son profil de risque, des caractéristiques des produits commercialisés, la Banque peut imposer à l’entreprise d’assurance ou de réassurance d’établir et de mettre à jour un plan de redressement prévoyant les mesures susceptibles d’être mises en oeuvre par l’entreprise afin de rétablir sa situation financière à la suite d’une détérioration significative de celle-ci. Le plan de redressement envisage différents scéna- rios de crise macro-économique ou financière grave, y compris des événements d’ampleur systémique, des crises spécifiques à l’entreprise et, le cas échéant, des crises impliquant des entités du groupe dont l’entreprise d’assurance ou de réassurance fait partie. Le plan de redressement couvre l’entreprise d’as- surance ou de réassurance et ses filiales belges et étrangères. Lorsqu’elle impose un tel plan, la Banque tient compte de ce que l’entreprise d’assurance ou de réassurance est, le cas échéant, incluse dans un contrôle de groupe 895 1584/002 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 in een groepstoezicht in de zin van artikel 343 of in een aanvullend toezicht op een financieel conglomeraat in de zin van artikel 451, op een andere verzekerings- of herverzekeringsonderneming, een verzekerings-hol- ding, een gemengde verzekeringsholding of een ge- mengde financiële holding, die onder het recht van een andere lidstaat ressorteert en waarvoor een herstelplan is goedgekeurd door de betrokken bevoegde autoriteit. Art. 205 De verzekerings- of herverzekeringsonderneming neemt in het herstelplan de nodige voorwaarden en procedures op om de snelle en doeltreffende uitvoering van de maatregelen te verzekeren en zodoende haar financiële positie te herstellen, zonder dat dit voor het Belgische of internationale financiële stelsel significante negatieve gevolgen heeft. Het herstelplan bevat kwalitatieve en kwantitatieve indicatoren van een potentiële verslechtering van de financiële positie van de onderneming, met aanduiding van de tijdstippen waarop ze onderzoekt of in het plan opgenomen corrigerende maatregelen ten uitvoer moe- ten worden gelegd. Te dien einde bepaalt het herstelplan passende procedures voor de periodieke monitoring van de in het tweede lid bedoelde indicatoren, alsook voor het onderzoek van de in overweging te nemen corrigerende maatregelen, met inbegrip van de eventueel te volgen escalatieprocedure. Het herstelplan houdt geen rekening met enige uit- zonderlijke overheidssteun. Art. 206 De verzekerings- of herverzekeringsonderneming actualiseert het herstelplan ten minste eenmaal per jaar en in ieder geval na elke wijziging in haar juridische of organisatiestructuur, haar activiteiten of haar financiële positie, die een aanzienlijke invloed kan hebben op de uitvoering van het plan. De Bank kan eisen dat de onderneming het herstel- plan vaker actualiseert. Art. 207 Naargelang het geval kan de Bank nadere regels bepalen voor: au sens de l’article 343 ou d’une surveillance com- plémentaire d’un conglomérat financier au sens de l’article 451 , d’une autre entreprise d’assurance ou de réassurance, d’une société holding d’assurance, d’une société holding mixte d’assurance ou d’une compa- gnie financière mixte relevant du droit d’un autre État membre, pour laquelle un plan de redressement a été approuvé par l’autorité compétente concernée. Art. 205 L’entreprise d’assurance ou de réassurance prévoit dans le plan de redressement les conditions et procé- dures nécessaires pour assurer la mise en oeuvre rapide et efficace des mesures propres à rétablir sa situation financière, et ce, sans effets négatifs significatifs sur le système financier belge ou international. Le plan de redressement comporte des indicateurs quantitatifs et qualitatifs d’une détérioration potentielle de la situation financière de l’entreprise, avec l’indication des moments auxquels elle examine si des mesures correctrices prévues dans le plan doivent être mises en œuvre. À cet effet, le plan de redressement définit des procédures appropriées pour le suivi régulier de l’évo- lution des indicateurs visés à l’alinéa 2, ainsi que pour l’examen des mesures correctrices à envisager, en ce compris l’éventuel processus d’escalade à suivre. Le plan de redressement n’envisage aucun soutien financier exceptionnel des pouvoirs publics. Art. 206 L’entreprise d’assurance ou de réassurance actualise le plan de redressement au moins une fois par an et, en toute hypothèse, après toute modification de sa structure juridique ou organisationnelle, de ses activités ou de sa situation financière, susceptible d’avoir un impact significatif sur la mise en oeuvre du plan. La Banque peut exiger que l’entreprise actualise plus fréquemment le plan de redressement. Art. 207 Selon les cas d’espèce, la Banque peut préciser: 896 1584/002 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 1° de minimuminhoud van het herstelplan; 2° de informatie die door de verzekerings- of her- verzekeringsonderneming aan de Bank moet worden meegedeeld, en de frequentie waarmee dit dient te gebeuren. Afdeling II Beoordeling van herstelplannen Art. 208 § 1. Het herstelplan dat met toepassing van arti- kel 204 is vereist, wordt door het wettelijk bestuursor- gaan van de verzekerings- of herverzekeringsonderne- ming onderzocht en goedgekeurd vooraleer het aan de Bank wordt voorgelegd. § 2. De verzekerings- of herverzekeringsonderneming legt het herstelplan als bedoeld in paragraaf 1 aan de Bank voor binnen vier maanden te rekenen vanaf de beslissing waarvan zij met toepassing van artikel 204 in kennis werd gesteld. Onder voorbehoud van wat in het derde lid is bepaald, legt de verzekerings- of herverzekeringsonderneming aan de Bank een geactualiseerd plan voor binnen twee maanden volgend op het feit dat aanleiding heeft gegeven tot het ontstaan van de verplichting tot actua- lisering van het plan, met dien verstande dat de Bank deze termijn kan verlengen tot maximum zes maanden. Indien het feit dat aanleiding heeft gegeven tot de verplichting tot actualisering van het plan, een wijziging is in de financiële positie van de verzekerings- of her- verzekeringsonderneming die het plan aanmerkelijk kan beïnvloeden, stelt de verzekerings- of herverzekerings- onderneming de Bank hiervan onverwijld in kennis en legt zij een geactualiseerd plan voor binnen de termijn die haar door de Bank wordt meegedeeld. Art. 209 § 1. Binnen drie maanden na ontvangst van het her- stelplan onderzoekt de Bank dit plan en beoordeelt zij of het voldoet aan de vereisten bepaald door of krachtens de artikelen 204 tot 207. Hierbij evalueert de Bank inzonderheid of het herstel- plan toelaat redelijkerwijze te verwachten dat: 1° le contenu minimal du plan de redressement; 2°  les informations à transmettre par l’entreprise d’assurance ou de réassurance à la Banque et la fré- quence à laquelle celles-ci lui sont transmises. Section II Evaluation des plans de redressement Art. 208 § 1er. Le plan de redressement requis en application de l’article 204 est examiné et approuvé par l’organe légal d’administration de l’entreprise d’assurance ou de réassurance avant qu’il ne soit soumis à la Banque. § 2. L’entreprise d’assurance ou de réassurance sou- met le plan de redressement visé au paragraphe 1er à la Banque dans les quatre mois à compter de la décision qui lui a été notifiée en application de l’article 204. Sous réserve de ce qui est prévu à l’alinéa 3, l’entre- prise d’assurance ou de réassurance soumet un plan actualisé à la Banque dans les deux mois qui suivent le fait ayant donné naissance à l’obligation de mise à jour du plan, étant entendu que la Banque peut étendre ce délai jusqu’à six mois. Dans l’hypothèse où le fait ayant donné naissance à l’obligation de mise à jour du plan est une modification de la situation financière de l’entreprise d’assurance ou de réassurance susceptible d’avoir un impact significatif sur le plan, celle-ci en informe la Banque sans délai et soumet un plan actualisé dans le délai que lui commu- nique la Banque. Art. 209  § 1er. Dans les trois mois de la réception du plan de redressement, la Banque examine ce plan et évalue s’il satisfait aux exigences prévues par ou en vertu des articles 204 à 207. À cet effet, la Banque évalue notamment si le plan de redressement permet de raisonnablement s’attendre à ce que: 897 1584/002 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 1°  de uitvoering van de in het plan opgenomen maatregelen van aard is om de levensvatbaarheid en de financiële positie van de verzekerings- of herver- zekeringsonderneming of de groep waarvan ze deel uitmaakt, in stand te houden of te herstellen; 2° het plan en de verschillende opties die daarin zijn opgenomen, snel en doeltreffend kunnen worden uit- gevoerd in situaties van financiële stress, waarbij in de mate van het mogelijke significante negatieve gevolgen voor het financiële stelsel worden vermeden, mede in scenario’s van gelijktijdige uitvoering van herstelplannen van andere ondernemingen. Bij haar evaluatie van het herstelplan besteedt de Bank bijzondere aandacht aan de toereikendheid van de financiering van de verzekerings- of herverzeke- ringsonderneming, in het bijzonder aan de structuur van haar eigen vermogen, in verhouding tot de graad van complexiteit van haar organisatiestructuur en tot haar risicoprofiel. § 2. Indien de Bank oordeelt dat het herstelplan we- zenlijke tekortkomingen vertoont of dat er significante belemmeringen zijn voor de tenuitvoerlegging ervan, stelt zij de verzekerings- of herverzekeringsonderneming daarvan in kennis en, nadat zij haar de gelegenheid heeft gegeven om haar standpunt te formuleren, nodigt zij haar uit om binnen twee maanden een herzien plan in te dienen waarin de tekortkomingen of belemmeringen zijn verholpen. De Bank kan de voornoemde termijn met maximum één maand verlengen. § 3. Indien de Bank oordeelt dat de door haar geïden- tificeerde tekortkomingen of belemmeringen niet naar behoren zijn verholpen in het overeenkomstig paragraaf 2 herziene plan, kan zij de verzekerings- of herverze- keringsonderneming gelasten om binnen dertig dagen vanaf de kennisgeving van deze bevinding specifieke wijzigingen in het herstelplan aan te brengen. Art. 210 Indien de verzekerings- of herverzekeringsonder- neming binnen de gestelde termijn geen gevolg geeft aan de uitnodiging bedoeld in artikel 209, § 2, of indien de Bank oordeelt dat het herziene herstelplan dat werd ingediend overeenkomstig artikel 209, § 2, de door haar geïdentificeerde tekortkomingen of belemmeringen niet verhelpt of het onmogelijk is om deze naar behoren te verhelpen middels een aanmaning overeenkomstig ar- tikel 209, § 3, of nog indien geen gevolg werd gegeven 1° la mise en œuvre des mesures prévues dans le plan est de nature à maintenir ou rétablir la viabilité et la position financière de l’entreprise d’assurance ou de réassurance ou du groupe dont elle fait partie; 2° le plan et les différentes options qui y sont prévues sont susceptibles d’être mis en œuvre rapidement et de manière efficace dans des situations de crise finan- cière, en évitant, dans toute la mesure du possible, des effets négatifs significatifs sur le système financier, en ce compris dans des scénarios impliquant la mise en œuvre concomitante de plans de redressement d’autres entreprises. Dans son évaluation du plan de redressement, la Banque porte une attention particulière sur l’adéquation du financement de l’entreprise d’assurance ou de réas- surance, en particulier la structure de ses fonds propres, par rapport au degré de complexité de sa structure organisationnelle et à son profil de risque. § 2. Si la Banque considère qu’un plan de redresse- ment présente des lacunes importantes ou qu’il existe des obstacles significatifs à sa mise en œuvre, elle en informe l’entreprise d’assurance ou de réassurance et, après lui avoir donné l’opportunité d’exprimer son point de vue, l’invite à soumettre, dans les deux mois, un plan révisé dans lequel il est remédié à ces lacunes ou obstacles. La Banque peut prolonger le délai précité d’un mois au maximum. § 3. Si la Banque considère que le plan révisé confor- mément au paragraphe 2 ne permet pas de remédier efficacement aux lacunes ou obstacles qu’elle a iden- tifiés, elle peut enjoindre à l’entreprise d’assurance ou de réassurance d’apporter, dans les trente jours de la notification de ce constat, des modifications spécifiques au plan de redressement. Art. 210 Si l’entreprise d’assurance ou de réassurance ne donne pas suite, dans le délai imparti, à l’invitation visée à l’article 209, § 2, ou si la Banque considère que le plan de redressement révisé soumis conformément à l’article 209, § 2, ne permet pas de remédier aux lacunes ou obstacles qu’elle a identifiés ou qu’il n’est pas possible d’y remédier efficacement par une injonc- tion donnée conformément à l’article 209, § 3 ou encore qu’il n’a pas été donné suite à l’injonction donnée en 898 1584/002 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 aan de aanmaning die met toepassing van artikel 209, § 3 werd verricht, stelt de Bank de verzekerings- of herverzekeringsonderneming daarvan in kennis. In deze gevallen kan de Bank de verzekerings- of herverzekeringsonderneming gelasten elke maatre- gel te treffen die ze noodzakelijk en evenredig acht om een einde te maken aan deze tekortkomingen of belemmeringen en kan ze inzonderheid eisen dat de verzekerings- of herverzekeringsonderneming maatre- gelen treft om: 1° haar risicoprofiel aan te passen, met name door haar tariferingsbeleid en/of haar onderschrijvingsbeleid of nog haar herverzekerings- en retrocessiebeleid te wijzigen; 2° een snelle herkapitalisatie mogelijk te maken; 3° wijzigingen aan te brengen in haar financierings- strategie en/of in haar beleggingsbeleid; 4°  wijzigingen aan te brengen in haar governancesysteem. De beslissing van de Bank wordt ter kennis gebracht van de verzekerings- of herverzekeringsonderneming. Afdeling III Uitvoering van herstelplannen Art. 211 § 1. De verzekerings- of herverzekeringsonderneming stelt de Bank onverwijld in kennis van elke beslissing naar aanleiding van het onderzoek dat met toepassing van artikel 205 werd gevoerd om een corrigerende maat- regel te nemen in het kader van de, in voorkomend geval gedeeltelijke, tenuitvoerlegging van haar herstelplan en van elke beslissing om dit niet te doen. § 2. Onverminderd de andere bevoegdheden die deze wet haar toekent, kan de Bank de verzekerings- of herverzekeringsonderneming opdragen om een of meer in haar herstelplan opgenomen corrigerende maatre- gelen te nemen indien ze nalaat om uit eigen initiatief passende maatregelen te nemen. application de l’article 209, § 3, la Banque en informe l’entreprise d’assurance ou de réassurance. La Banque peut alors enjoindre à l’entreprise d’assu- rance ou de réassurance de prendre toute mesure qu’elle juge nécessaire et proportionnée pour mettre fin à ces lacunes ou obstacles et notamment requérir que l’entreprise d’assurance ou de réassurance prenne des mesures pour: 1°  adapter son profil de risque, notamment en modifiant sa politique tarifaire et/ou sa politique de souscription ou encore sa politique de réassurance et de rétrocession; 2° permettre une recapitalisation rapide; 3°  modifier sa stratégie de financement et/ou sa politique d’investissement; 4° modifier son système de gouvernance.  La décision de la Banque est notifiée à l’entreprise d’assurance ou de réassurance. Section III Mise en œuvre des plans de redressement Art. 211 § 1er. L’entreprise d’assurance ou de réassurance informe la Banque sans délai de toute décision faisant suite à l’examen mené en application de l’article 205 de prendre une mesure correctrice dans le cadre de la mise en œuvre, le cas échéant partielle, de son plan de redressement ou de s’abstenir de prendre une telle mesure. § 2. Sans préjudice des autres pouvoirs qui lui sont conférés par la présente loi, la Banque peut enjoindre à l’entreprise d’assurance ou de réassurance de prendre une ou plusieurs mesures correctrices prévues dans son plan de redressement si elle reste en défaut de prendre les mesures adéquates de sa propre initiative. 899 1584/002 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 HOOFDSTUK IX Specifieke bepalingen met betrekking tot het verzekerings- of herverzekeringsbedrijf Afdeling I Bijzondere bepalingen met betrekking tot verzekeringen Onderafdeling I Bijzondere bepalingen met betrekking tot niet-levensverzekeringen Art. 212 Geen enkele winstdeling of restorno mag, op welke wijze ook, worden gewaarborgd vóór de datum van de verdeling van de winst. De Koning kan, op advies van de Bank en de FSMA, de regels bepalen die de verzekeringsondernemingen in acht moeten nemen voor de winstverdeling en -toeken- ning, met inbegrip van de groepen van overeenkomsten of verplichtingen waarop die regels van toepassing zijn, evenals de voor toezichtsdoeleinden benodigde informatie die de verzekeringsondernemingen aan de Bank moeten verstrekken. De Bank kan deze groepen van overeenkomsten of verplichtingen aanvullen bij reglement vastgesteld overeenkomstig artikel 12bis, § 2 van de wet van 22 februari 1998. Onderafdeling II Bijzondere bepalingen met betrekking tot levensverzekeringen Art. 213 Voor de toepassing van deze Onderafdeling en van de ter uitvoering ervan genomen besluiten en reglementen wordt verstaan onder: 1° technische rentevoet: een jaarlijkse rentevoet van een beleggingswet tegen samengestelde intrest, die gebruikt wordt voor de bepaling van de actuele waarde van een uitgestelde premie of prestatie; 2° voorvalswet (van een verzekerde gebeurtenis): een wet met betrekking tot de waarschijnlijkheid dat de verzekerde gebeurtenis zich voordoet; 3°  toeslag: elk ander tariferingselement dan de technische rentevoet en de voorvalswetten van de verzekerde gebeurtenissen waarmee rekening wordt CHAPITRE IX Dispositions spécifiques liées à l’activité d’assurance ou de réassurance Section Ire Dispositions particulières relatives à l’assurance Sous-section Ire Dispositions particulières en matière d’assurance non-vie Art. 212 Aucune participation bénéficiaire ni ristourne ne peut être garantie, de quelque manière que ce soit, avant la date de la répartition du bénéfice. Le Roi peut, sur avis de la Banque et de la FSMA, déterminer les règles à suivre par les entreprises d’assurance en ce qui concerne la répartition et l’attri- bution des participations bénéficiaires en ce compris les groupes de contrats ou d’engagements auxquels ces règles s’appliquent, ainsi que les informations que les entreprises d’assurance fournissent à la Banque aux fins de leur contrôle. La Banque peut, par la voie d’un règlement pris conformément à l’article 12bis, § 2 de la loi du 22 février 1998, compléter lesdits groupes de contrats ou d’engagements. Sous-section II Dispositions particulières en matière d’assurance-vie Art. 213 Aux fins de la présente Sous-section et des arrêtés et règlements pris pour son exécution, on entend par: 1° taux d’intérêt technique: un taux annuel d’une loi de placement à intérêts composés, utilisée pour déter- miner la valeur actuelle d’une prime ou d’une prestation différées; 2° loi de survenance (d’un événement assuré): une loi de probabilité de réalisation de l’événement assuré; 3°  chargement: tout élément tarifaire intervenant dans le rapport entre les engagements de l’entreprise d’assurance et les primes qui en sont les contreparties, 900 1584/002 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 gehouden in de verhouding tussen de verplichtingen van de verzekeringsonderneming en de premies die daar tegenover staan; 4° technische grondslagen: het geheel van de tech- nische rentevoeten, de voorvalswetten en de toeslagen waarmee rekening wordt gehouden bij de opstelling van de tarieven of de vorming van de reserves; 5° afkoop (van een overeenkomst): opzegging van de overeenkomst door de verzekering nemer; 6° reductie (van een overeenkomst): vermindering van de actuele waarde van de verzekerde prestaties ten gevolge van de stopzetting van de premiebetaling; 7° afkoopwaarde (op een bepaald ogenblik): door de verzekeringsonderneming te storten uitkering bij afkoop van de overeenkomst; 8° reductiewaarde (op een bepaald ogenblik): uitke- ring die bij reductie verzekerd blijft; 9° winstverdeling: afstand van winstdeling aan de overeenkomsten; 10° winsttoekenning: definitieve maar, in voorkomend geval, voorwaardelijke, toewijzing van de winstdeling aan bepaalde overeenkomsten. Art. 214 Voor elk type van product dat het voorwerp uitmaakt van haar activiteit, deelt de verzekeringsonderneming vóór de toepassing ervan, aan de Bank de grondslagen en de methodes mee die zij gebruikt voor het opstellen van haar tarifering, de berekening van de afkoopwaar- den, de reductiewaarden en de technische voorzienin- gen, alsook de vergoedingen die ze toepast. De Bank bezorgt deze informatie aan de FSMA. De Bank kan bij reglement vastgesteld met toepassing van artikel 12bis, § 2 van de wet van 22 februari 1998 de in het eerste lid bedoelde types van producten bepalen. Art. 215 De premies voor nieuwe zaken zijn op basis van redelijke actuariële hypothesen voldoende om de le- vensverzekeringsonderneming in staat te stellen aan al haar verplichtingen te voldoen en met name toereikende technische voorzieningen te vormen. autre que les taux d’intérêts techniques et les lois de survenance des événements assurés; 4° bases techniques: l’ensemble des taux d’intérêt techniques, des lois de survenance et des chargements intervenant dans la détermination des tarifs ou la consti- tution des réserves; 5° rachat (d’un contrat): résiliation du contrat par le preneur d’assurance; 6° réduction (d’un contrat): diminution de la valeur actuelle des prestations assurées consécutive à la cessation de paiement des primes; 7° valeur de rachat (à un instant déterminé): pres- tation à verser par l’entreprise d’assurance en cas de rachat du contrat; 8° valeur de réduction (à un instant déterminé): pres- tation restant assurée en cas de réduction; 9° répartition de la participation bénéficiaire: cession, au profit de contrats, d’une participation bénéficiaire; 10° attribution de la participation bénéficiaire: octroi définitif mais, le cas échéant, conditionnel de la partici- pation bénéficiaire à des contrats déterminés. Art. 214 Pour chaque type de produits faisant l’objet de son activité, l’entreprise d’assurance communique à la Banque, préalablement à leur mise en application, les bases et méthodes utilisées pour l’établissement de la tarification, le calcul des valeurs de rachat, de réduction et des provisions techniques, ainsi que les indemnités qu’elle applique. La Banque communique ces informa- tions à la FSMA. La Banque peut déterminer, par la voie d’un règle- ment pris en application de l’article 12bis, § 2 de la loi du 22 février 1998, les types de produits visés à l’alinéa 1er. Art. 215 Les primes pour les affaires nouvelles doivent être suffisantes, selon des hypothèses actuarielles raison- nables, pour permettre à l’entreprise d’assurance vie de satisfaire à l’ensemble de ses engagements, et notam- ment de constituer les provisions techniques adéquates. 901 1584/002 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 Hiertoe kan rekening worden gehouden met alle aspecten van de financiële positie van de levensverze- keringsonderneming, zonder dat de inbreng van andere middelen dan de premies en de opbrengst daarvan een systematisch en permanent karakter heeft, op een wijze waardoor de solvabiliteit van de betrokken onderneming op termijn in gevaar zou kunnen komen. Art. 216 § 1. Voor levensverzekerings overeen komsten mo- gen de verzekerings ondernemingen geen technische rentevoet waarborgen die hoger is dan een maximum dat overeenkomstig de bepalingen van deze paragraaf is vastgesteld. De maximale technische rentevoet is gelijk aan 85 % van het gemiddelde over de laatste 24 maanden van de rendementen van lineaire Belgische overheidsobligaties op 10 jaar, waarbij het resultaat op de dichtstbijzijnde 25  bp (basispunten) wordt afgerond. De maximale technische rentevoet wordt berekend op 1 juni van elk jaar. Hij mag niet hoger zijn dan 3,75 % en niet lager dan 0,75 %. Indien de overeenkomstig het tweede lid berekende maximale technische rentevoet minstens 25 bp hoger of lager is dan de geldende maximale technische rentevoet, stelt de Bank de FSMA daarvan in kennis. De FSMA verstrekt aan de Bank binnen vijftien dagen haar advies over de wijziging van de maximale tech- nische rentevoet voor de in het eerste lid bedoelde overeenkomsten. Binnen vijftien dagen na ontvangst van het advies van de FMSA of, bij gebreke van advies, binnen vijf- tien dagen na het verstrijken van de in het derde lid bedoelde termijn, legt de Bank aan de minister tot wiens bevoegdheid de verzekeringen behoren, een gemotiveerd voorstel voor tot wijziging van de maximale technische rentevoet voor de in het eerste lid bedoelde overeenkomsten. Het advies van de FSMA wordt bij het voorstel van de Bank gevoegd. Binnen twee maanden na ontvangst van het voorstel van de Bank, kan de minister tot wiens bevoegdheid de verzekeringen behoren, de door de Bank voorgestelde maximale technische rentevoet afwijzen of wijzigen in een met redenen omkleed besluit. In geval van afwijzing is de maximale technische rentevoet die welke op het tijdstip van de afwijzing van kracht is. Zodra zij de beslissing van de minister heeft ontvan- gen, of, bij gebreke van beslissing, bij het verstrijken van de in het vijfde lid bedoelde termijn, publiceert de À cet effet, il peut être tenu compte de tous les aspects de la situation financière de l’entreprise d’assurance vie sans que l’apport de ressources étrangères à ces primes et à leurs produits revête un caractère systéma- tique et permanent susceptible de mettre en cause à long terme la solvabilité de cette entreprise. Art. 216 § 1er. Pour ce qui concerne les contrats d’assurance sur la vie, les entreprises d’assurance ne peuvent garantir un taux d’intérêt technique supérieur à un maximum fixé conformément aux dispositions du pré- sent paragraphe. Le taux technique maximum est égal à 85 % de la moyenne sur les 24  derniers mois des rendements des obligations linéaires de l’État belge à 10 ans, le résultat étant arrondi aux 25 pdb (point de base) les plus proches. Le taux technique maximum est calculé le 1er juin de chaque année. Il ne peut être supérieur à 3,75 % ni inférieur à 0,75 %. Si le taux technique maximum calculé conformément à l’alinéa 2 est supérieur ou inférieur d’au moins 25 pdb au taux technique maximum en vigueur, la Banque en informe la FSMA. Dans les quinze jours, celle-ci trans- met à la Banque son avis sur la modification du taux technique maximum des contrats visés à l’alinéa 1er. Dans les quinze jours de la réception de l’avis de la FMSA ou, à défaut d’avis, dans les quinze jours de l’ex- pération du délai visé à l’alinéa 3, la Banque transmet au ministre ayant les assurances dans ses attributions une proposition motivée de modification du taux technique maximum des contrats visés à l’alinéa 1er, L’avis de la FSMA est joint à la proposition de la Banque. Dans les deux mois de la réception de la proposition de la Banque, le ministre ayant les assurances dans ses attributions peut, par décision motivée, rejeter ou modifier le taux technique maximum proposé par la Banque. En cas de rejet, le taux technique maximum est celui en vigueur au moment dudit rejet. Dès réception de la décision du ministre ou, à défaut de décision, à l’expiration du délai visé à l’alinéa 5, la Banque publie au Moniteur belge et sur son site Internet 902 1584/002 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 Bank in het Belgisch Staatsblad en op haar website de nieuwe maximale technische rentevoet voor de in het eerste lid bedoelde verzekeringsovereenkomsten. Deze rentevoet is van kracht vanaf 1 januari na die publicatie. § 2. In afwijking van paragraaf 1 mogen de verzeke- ringsondernemingen gedurende een periode van ten hoogste acht jaar en voor een welbepaalde, op de datum van de verbintenis gevestigde prestatie, een technische rentevoet waarborgen die hoger is dan de in paragraaf 1 bedoelde maximale technische rentevoet, voor zover de looptijd van en de inkomsten uit de activa van de onderneming dit toelaten. De Koning bepaalt op advies van de Bank en de FSMA de voorwaarden voor de toepassing van deze paragraaf. § 3. Indien de maximale technische rentevoet wordt gewijzigd met toepassing van paragraaf 1, is die rente- voet van toepassing: 1° op de overeenkomsten die vanaf de datum van inwerkingtreding van de nieuwe rentevoet zijn gesloten; 2° op de overeenkomsten die vóór de datum van inwerkingtreding van de nieuwe rentevoet zijn gesloten, waarvoor de te vestigen prestatie niet bepaald wordt bij het sluiten ervan, voor wat betreft de premies die vanaf de datum van inwerkingtreding van de nieuwe rentevoet worden gestort; 3° op de overeenkomsten die vóór de datum van inwerkingtreding van de nieuwe rentevoet zijn geslo- ten, waarvoor de te vestigen prestatie bepaald wordt bij het sluiten ervan, voor wat betreft de premies die vanaf de datum van inwerkingtreding van de nieuwe rentevoet worden gestort en die overeenstemmen met een verhoging of een herziening van de waarborg die vanaf die datum geldt. Wanneer de overeenkomst tot verschillende van de in het eerste lid bedoelde categorieën behoort of wanneer de te vestigen prestatie enkel wordt bepaald voor een duur die korter is dan de totale duur van de overeenkomst, zijn de bepalingen van het eerste lid van toepassing op elke bij deze overeenkomst betrokken partij alsof het om één enkele overeenkomst ging. § 4. De verrichtingen met flexibele premies worden voor de tarifering als een geheel van verrichtingen tegen koopsom beschouwd en geen enkele waarborg inzake tarief mag worden toegekend voor flexibele premies vóór hun storting. le nouveau taux technique maximum des contrats d’assurance visés à l’alinéa 1er. Ce taux est applicable à partir du 1er janvier qui suit cette publication. § 2. Par dérogation au paragraphe 1er, les entreprises d’assurance peuvent garantir, pour une durée n’excé- dant pas huit ans et pour une prestation déterminée et constituée à la date de l’engagement, un taux technique supérieur au taux technique maximum visé au para- graphe 1er dans la mesure où la durée et les revenus des actifs de l’entreprise le permettent. Le Roi détermine, sur avis de la Banque et de la FSMA, les conditions d’application du présent paragraphe. § 3. Dans le cas où le taux d’intérêt technique maxi- mum est modifié en application du paragraphe 1er, ce taux est applicable: 1° aux contrats souscrits à partir de la date d’entrée en vigueur du nouveau taux; 2° aux contrats souscrits avant la date d’entrée en vigueur du nouveau taux pour lesquels la prestation à constituer n’est pas déterminée lors de leur conclusion, pour ce qui concerne les primes versées à partir de la date d’entrée en vigueur du nouveau taux; 3° aux contrats souscrits avant la date d’entrée en vigueur du nouveau taux pour lesquels la prestation à constituer est déterminée lors de leur conclusion, pour ce qui concerne les primes versées à partir de la date d’entrée en vigueur du nouveau taux et qui cor- respondent à une augmentation ou une révision de la garantie intervenue à partir de cette même date. Lorsque le contrat relève de plusieurs des catégories visées à l’alinéa 1er ou que la prestation à constituer n’est déterminée que pour une durée inférieure à la durée totale du contrat, les dispositions de l’alinéa 1er s’appliquent à chaque partie du contrat concernée comme s’il s’agissait d’un seul contrat. § 4. Les opérations à primes flexibles sont consi- dérées, quant à la tarification, comme un ensemble d’opérations à prime unique et aucune garantie tarifaire ne peut être consentie pour des primes flexibles avant leur versement. 903 1584/002 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 Art. 217 Geen enkele winstdeling of restorno mag, op welke wijze ook, worden gewaarborgd vóór de datum van de verdeling van de winst. Art. 218 Een levensverzekeringsovereenkomst mag met een of meer fondsen met aangewezen activa verbonden zijn. In dat geval verbindt de verzekeringsonderneming zich ertoe om bovenop de tariefgrondslagen, een deel van de gerealiseerde winst afkomstig uit beleggingen in deze aangewezen activa, als winstdeling te verdelen en toe te kennen. Art. 219 Een levensverzekeringsovereenkomst mag met een of meer beleggingsfondsen die door een of meer ver- zekeringsondernemingen worden beheerd, verbonden zijn. In dat geval wordt het beleggingsrisico gedragen door de verzekeringnemer en mag er geen winstdeling worden toegekend die afkomstig is van winst op de beleggingen. Art. 220 In het kader van het beheer van collectieve pensioen- fondsen die behoren tot tak 27 als vermeld in Bijlage II, mag een verzekeringsonderneming enkel fondsen met betrekking tot pensioenverplichtingen en solidariteits- toezeggingen beheren van: 1°  een instelling voor bedrijfspensioenvoorzie- ning als bedoeld in artikel 2, 1°, van de wet van 27 oktober 2006 betreffende het toezicht op de instel- lingen voor bedrijfspensioenvoorziening; 2° een openbaar bestuur als bedoeld in artikel 134, 1°, van de voornoemde wet van 27 oktober 2006; 3° een overheidsbedrijf als bedoeld in artikel 138, eerste lid, van de voornoemde wet van 27 oktober 2006; 4° een instelling of externe dienst van een openbaar bestuur of een overheidsbedrijf opgericht overeenkom- stig de artikelen 136, § 1, en 138, van de voornoemde wet van 27 oktober 2006; 5° een rechtspersoon belast met de uitvoering van een solidariteitstoezegging, als bedoeld in artikel 47 van de wet van 28 april 2003 betreffende de aanvullende Art. 217 Aucune participation bénéficiaire ni ristourne ne peut être garantie, de quelque manière que ce soit, avant la date de la répartition du bénéfice. Art. 218 Un contrat d’assurance vie peut être lié à un ou plu- sieurs fonds à actifs dédiés. Dans ce cas, l’entreprise d’assurance s’engage, en plus des bases tarifaires, à répartir et à attribuer, sous la forme de participation bénéficiaire, une part du bénéfice réalisé provenant des placements de ces actifs dédiés. Art. 219 Un contrat d’assurance vie peut être lié à un ou plusieurs fonds d’investissement gérés par une ou plu- sieurs entreprises d’assurance. Dans ce cas, le risque d’investissement est supporté par le preneur d’assu- rance et aucune participation bénéficiaire ne peut être octroyée provenant d’un bénéfice sur les placements. Art. 220 Dans le cadre de la gestion de fonds collectifs de retraite relevant de la branche 27 mentionnée à l’Annexe II, l’entreprise d’assurance ne peut gérer que les fonds relatifs aux engagements de pension et aux engagements de solidarité: 1° d’une institution de retraite professionnelle visée à l’article 2, 1°, de la loi du 27 octobre 2006 relative au contrôle des institutions de retraite professionnelle; 2° d’une administration publique visée à l’article 134, 1°, de la loi du 27 octobre 2006 précitée; 3° d’un organisme public visé à l’article 138, ali- néa 1er, de la loi du 27 octobre 2006 précitée; 4° d’une institution ou d’un service externe d’une administration publique ou d’un organisme public créé conformément aux articles 136, § 1er, et 138, de la loi du 27 octobre 2006 précitée; 5° d’une personne morale chargée de la gestion d’un engagement de solidarité, telle que visée à l’ar- ticle 47 de la loi loi du 28 avril 2003 relative aux pensions 904 1584/002 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 pensioenen en het belastingstelsel van die pensioenen en van sommige aanvullende voordelen inzake sociale zekerheid; 6° een rechtspersoon belast met de uitvoering van een solidariteitsstelsel, als bedoeld in artikel 56 van de programmawet (I) van 24 december 2002. De verzekeringsonderneming kan aan het beheer van collectieve pensioenfondsen een waarborg verbinden met betrekking tot het rendement of het behoud van het kapitaal. Art. 221 Met het oog op de toepassing van deze wet bepaalt de Koning, op advies van de Bank en de FSMA, de re- gels die de verzekeringsondernemingen moeten volgen voor wat betreft de uitoefening van de levensverzeke- ringsactiviteiten als vermeld in Bijlage II. In bijzonder stelt de Koning regels vast voor: 1°  de bestanddelen van de technische grondsla- gen en de wijze waarop deze bestanddelen worden vastgesteld; 2° de begrippen “afkoopwaarde” en “reductiewaarde”, evenals de berekeningswijze ervan; 3° de berekening van de prestatie bij opzegging of afkoop van de overeenkomst; 4° de berekening van de prestatie bij overlijden ten gevolge van een niet-gedekt risico; 5° de beperkingen van het voorschot op en de in- pandgeving van de verzekerde prestaties; 6° de winstverdeling en -toekenning alsook de toe- kenning van restorno’s, met inbegrip van het bepalen van de groepen van overeenkomsten of verplichtingen waarop deze regels van toepassing zijn, evenals de voor toezichtsdoeleinden benodigde informatie die de verzekeringsondernemingen aan de Bank moeten verstrekken. De Bank kan deze groepen van over- eenkomsten of verplichtingen aanvullen bij reglement vastgesteld overeenkomstig artikel 12bis, § 2 van de wet van 22 februari 1998; 7° de inventaris van de samenstelling van elk fonds met aangewezen activa; 8°  de verzekeringsovereenkomsten voor de toe- kenning van buitenwettelijke voordelen aan de complémentaires et au régime fiscal de celles-ci et de certains avantages en matière de sécurité sociale; 6° d’une personne morale chargée de la gestion d’un régime de solidarité, telle que visée à l’article 56 de la loi-programme (I) du 24 décembre 2002. L’entreprise d’assurance peut assortir la gestion des fonds collectifs de retraite d’une garantie de rendement ou de conservation du capital. Art. 221 En vue de l’application de la présente loi, le Roi détermine, sur avis de la Banque et de la FSMA, les règles à suivre par les entreprises d’assurance en ce qui concerne l’exercice des activités d’assurance sur la vie mentionnées à l’Annexe II. En particulier, le Roi fixe les règles concernant: 1° les éléments constituant les bases techniques et la manière dont ils sont établis; 2° les notions de valeur de rachat et de valeur de réduction, ainsi que leur mode de calcul; 3° le calcul de la prestation en cas de résiliation ou de rachat du contrat; 4° le calcul de la prestation en cas de décès lors de la survenance d’un risque non couvert; 5° les limites concernant l’avance sur et la mise en gage des prestations assurées; 6° la répartition et l’attribution des participations bé- néficiaires, ainsi que l’octroi de ristournes, en ce compris la détermination des groupes de contrats ou d’engage- ments auxquels ces règles s’appliquent, ainsi que les in- formations que les entreprises d’assurance fournissent à la Banque aux fins de leur contrôle; La Banque peut, par la voie d’un règlement pris conformément à l’article 12bis, § 2 de la loi du 22 février 1998, compléter lesdits groupes de contrats ou d’engagements; 7° l’inventaire de la composition de chaque fonds à actifs dédiés; 8° les contrats d’assurance relatifs à l’octroi d’avan- tages extra-légaux aux travailleurs salariés visés par 905 1584/002 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 werknemers bedoeld bij koninklijk besluit nr. 50 van 24 oktober 1967 betreffende het rust- en overlevings- pensioen voor werknemers. Onderafdeling III Gelijktijdige uitoefening van levens- en niet-levensverzekeringsactiviteiten Art. 222 Het is verzekeringsondernemingen niet toegestaan gelijktijdig de in Bijlage I bedoelde niet-levensverzeke- ringsactiviteiten en de in Bijlage II bedoelde levensver- zekeringsactiviteiten uit te oefenen. Art. 223 In afwijking van artikel 222 mogen de verzekerings- ondernemingen die op 15 maart 1979 gelijktijdig niet- levens- en levensverzekeringsactiviteiten uitoefenden, deze activiteiten voortzetten. In afwijking van artikel 222 kunnen de ondernemingen waaraan een vergunning is verleend om levensverze- keringsactiviteiten uit te oefenen, ook een vergunning verkrijgen voor niet-levensverzekeringsactiviteiten die betrekking hebben op de risico’s van de takken 1 en 2 als vermeld in Bijlage I. Evenzo kunnen ondernemingen waaraan uitsluitend voor de risico’s van de takken 1 en 2 als vermeld in Bijlage I, een vergunning is verleend, tevens een ver- gunning verkrijgen om levensverzekeringsactiviteiten uit te oefenen. Art. 224 De in artikel 223 bedoelde ondernemingen voeren een gescheiden beheer voor levensverzekeringsactivi- teiten en niet-levensverzekeringsactiviteiten. Indien deze ondernemingen ook herverzekerings- activiteiten uitoefenen, voeren zij bovendien een ge- scheiden beheer voor enerzijds de verzekerings- en -herverzekeringsactiviteiten “niet-leven” en anderzijds de verzekerings- en herverzekeringsactiviteiten “leven”. De in artikel 223 bedoelde ondernemingen zien erop toe dat zij de respectieve belangen van levensverzeke- ringnemers en niet-levensverzekeringnemers respec- teren. Dit houdt inzonderheid in dat zij slechts winstde- ling, een premierestorno of een gelijkwaardig voordeel l’arrêté royal n°50 du 24 octobre 1967 relatif à la pension de retraite et de survie des travailleurs salariés. Sous-section III Exercice simultané des activités d’assurance vie et non-vie Art. 222 Il est interdit à toute entreprise d’assurance d’exercer simultanément les activités d’assurance non-vie visées à l’Annexe I et les activités d’assurance vie visées à l’Annexe II. Art. 223 Par dérogation à l’article  222, les entreprises d’assurance qui, à la date du 15 mars 1979, exerçaient simultanément les activités d’assurance vie et non-vie peuvent poursuivre ces activités. Par dérogation à l’article 222, les entreprises qui ont reçu l’agrément pour l’exercice de l’activité d’assurance vie peuvent obtenir un agrément pour l’exercice d’acti- vités d’assurance non-vie restreintes aux risques visés aux branches 1 et 2 mentionnées à l’Annexe I. De même, les entreprises agréées uniquement pour les risques visés aux branches 1 et 2 mentionnées à l’Annexe I peuvent obtenir un agrément pour l’exercice de l’activité d’assurance vie. Art. 224 Les entreprises visées à l’article 223 gèrent séparé- ment les activités vie et les activités non-vie. En outre, si ces entreprises exercent également des activités de réassurance, elles gèrent séparément, d’une part, les activités d’assurance et de réassurance non-vie et, d’autre part, les activités d’assurance et de réassurance vie. Les entreprises visées à l’article 223 veillent à respec- ter les intérêts respectifs des preneurs d’assurance vie et d’assurance non-vie. En particulier, elles n’accordent de participation bénéficiaire, de ristourne de prime ou d’avantage équivalent aux contrats d’assurance sur 906 1584/002 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 toekennen aan levensverzekeringsovereenkomsten op grond van de inkomsten die aan de levensverzekerings- activiteit zijn verbonden, alsof de onderneming uitslui- tend deze activiteit zou uitoefenen. Dit geldt eveneens voor de niet-levensverzekeringsactiviteit. Art. 225 § 1. Onverminderd artikel 37, 2° en 3°, berekenen de in artikel 223 bedoelde verzekerings ondernemingen: 1° een theoretisch minimumkapitaalvereiste “leven” voor hun levensverzekerings- of -herverzekeringsactivi- teiten, alsof de betrokken onderneming uitsluitend deze activiteiten zou uitoefenen; 2° een theoretisch minimumkapitaalvereiste “niet- leven” voor hun niet-levensverzekerings- of -herver- zekeringsactiviteiten, alsof de betrokken onderneming uitsluitend deze activiteiten zou uitoefenen. §  2.  De in artikel  223, bedoelde verzekerings- ondernemingen dekken ten minste het geheel van de volgende vereisten met een overeenkomstig bedrag aan in aanmerking komende kernvermogensbestanddelen: 1° het theoretisch minimumkapitaalvereiste “leven” voor hun verzekerings- en -herverzekeringsactiviteit “leven”; 2°  het theoretisch minimumkapitaalvereiste “niet- leven” voor hun verzekerings- en herverzekeringsacti- viteit “niet-leven”. De in de eerste lid bedoelde financiële minimum- verplichtingen respectievelijk voor de levens- en niet- levensverzekeringsactiviteit mogen niet door de andere activiteit worden gedragen. § 3. Zolang aan de in paragraaf 2 bedoelde financiële minimumverplichtingen is voldaan en onder voorbehoud van kennisgeving ervan aan de Bank, mag de onder- neming ter dekking van het in artikel 37, 2° bedoelde solvabiliteitskapitaalvereiste de nog beschikbare in aanmerking komende eigenvermogensbestanddelen voor de ene of voor de andere activiteit gebruiken. Art. 226 De in artikel 223 bedoelde verzekeringsondernemin- gen stellen een document op waarin de in aanmerking komende kernvermogensbestanddelen ter dekking van elk van beide in artikel 225 bedoelde theoretische la vie qu’en fonction des revenus liés à cette activité comme si l’entreprise n’exerçait que cette activité. Il en va de même pour ce qui concerne l’activité d’assurance non-vie. Art. 225 § 1er. Sans préjudice de l’article 37, 2° et 3°, les entreprises d’assurance visées à l’article 223 calculent: 1° un montant notionnel du minimum de capital requis en vie, pour ce qui concerne leurs activités d’assurance ou de réassurance vie, calculé comme si l’entreprise concernée n’exerçait que ces activités; 2°  un montant notionnel du minimum de capital requis en non-vie, pour ce qui concerne leurs activités d’assurance ou de réassurance non-vie, calculé comme si l’entreprise concernée n’exerçait que ces activités. §  2.  Les entreprises d’assurance visées à l’ar- ticle 223, couvrent au minimum le total des exigences suivantes par un montant équivalent d’éléments de fonds propres de base éligibles: 1° le montant notionnel du minimum de capital requis en vie, pour l’activité d’assurance et de réassurance vie; 2° le montant notionnel du minimum de capital requis en non-vie, pour l’activité d’assurance et de réassu- rance non-vie. Les obligations financières minimales visées à l’ali- néa 1er se rapportant respectivement à l’activité vie et à l’activité non-vie ne peuvent être supportées par l’autre activité. § 3. Aussi longtemps que sont remplies les obliga- tions financières minimales visées au paragraphe 2 et sous réserve d’en informer la Banque, l’entreprise peut utiliser, pour couvrir le capital de solvabilité requis visé à l’article 37, 2°, les éléments de fonds propres éligibles encore disponibles pour l’une ou l’autre activité. Art. 226 Les entreprises d’assurance visées à l’article 223 éta- blissent un document dans lequel les éléments de fonds propres de base éligibles couvrant chaque montant notionnel du minimum de capital requis visé à 907 1584/002 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 minimumkapitaalvereisten duidelijk zijn onderscheiden, overeenkomstig artikel 150, § 4. De Bank kan bij reglement vastgesteld overeenkom- stig artikel 12bis, § 2 van de wet van 22 februari 1998, de vorm en inhoud bepalen van het in het eerste lid bedoelde document. Art. 227 Wanneer het bedrag aan in aanmerking komende kernvermogensbestanddelen voor één van de activitei- ten ontoereikend is voor de dekking van de in artikel 225, § 1, bedoelde financiële minimumverplichtingen, mag de Bank op de betrokken activiteit de maatregelen als bedoeld in de artikelen 508 tot 517, met uitzondering van artikel 510, toepassen, ongeacht de resultaten van de andere activiteit. In afwijking van artikel 225, § 2, kunnen deze maatre- gelen een goedkeuring tot overdracht van in aanmerking komende kernvermogensbestanddelen van de ene activiteit naar de andere inhouden. Art. 228 Wanneer een niet-levensverzekeringsonderneming financiële, commerciële of administratieve banden heeft met een levensverzekeringsonderneming, ziet de Bank erop toe dat de verdeling van de kosten en inkomsten tussen de niet-levens- en de levensverzekeringsactivi- teiten niet wordt vertekend ten gevolge van overeenkom- sten of afspraken tussen deze ondernemingen. Art. 229 De Bank kan bij reglement vastgesteld overeenkom- stig artikel 12bis, § 2 van de wet van 22 februari 1998 ver- langen dat de verzekeringsondernemingen alle docu- menten of staten bijhouden die het haar mogelijk maken toe te zien op de naleving van de vereisten van de artikelen 224 tot 228. Onderafdeling IV Afzonderlijke beheren Art. 230 Naast de verplichting om overeenkomstig arti- kel  224  een gescheiden beheer te voeren voor le- vens- en niet-levensverzekeringsactiviteiten, voeren l’article 225 sont clairement identifiés, conformément à l’article 150, § 4. La Banque peut préciser, par la voie d’un règlement pris conformément à l’article 12bis, § 2 de la loi du 22 février 1998, la forme et le contenu du document visé à l’alinéa 1er. Art. 227 Si le montant des éléments de fonds propres de base éligibles affectés à l’une des activités ne suffit pas à couvrir les obligations financières minimales visées à l’article 225, § 1er, la Banque peut appliquer à l’activité déficitaire les mesures prévues aux articles 508 à 517 à l’exception de l’article 510 quels que soient les résultats obtenus dans l’autre activité. Par dérogation à l’article  225, §  2, ces mesures peuvent comporter l’autorisation d’un transfert d’élé- ments de fonds propres de base éligibles d’une activité à l’autre. Art. 228 Lorsqu’une entreprise d’assurance non-vie a des liens financiers, commerciaux ou administratifs avec une entreprise d’assurance vie, la Banque veille à ce que la répartition des frais et des revenus entre les activités vie et non-vie ne soient pas faussée par des conventions ou des arrangements passés entre ces entreprises. Art. 229 La Banque peut imposer aux entreprises d’assu- rance, par la voie d’un règlement pris conformément à l’article 12bis, § 2 de la loi du 22 février 1998, la tenue de tout document ou état lui permettant de contrôler le respect des exigences énoncées aux articles 224 à 228. Sous-section IV Gestions distinctes Art. 230 Outre l’obligation de gérer séparément les activités vie et non-vie conformément à l’article 224, les entre- prises d’assurance établissent des gestions distinctes 908 1584/002 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 de verzekerings ondernemingen afzonderlijke beheren waarbij per beleggingsfonds een onderscheid wordt gemaakt tussen de verzekeringsactiviteiten die beho- ren tot de takken 23, 26 en 27 als vermeld in Bijlage II, waarbij het beleggingsrisico wordt gedragen door de verzekeringnemer, en de andere activiteiten die in de genoemde Bijlage zijn opgenomen en die één enkel afzonderlijk beheer vormen. Art. 231 De verzekerings- of herverzekeringsonderneming vermeldt te allen tijde tot welke afzonderlijk beheer of tot welke afzonderlijke beheren elke overeenkomst en elk schadegeval behoort. De Koning bepaalt na advies van de Bank en de FSMA voor wat hun respectieve bevoegdheden betreft, de verplichtingen van de verzekerings- of herverze- keringsondernemingen inzake de verzameling van gegevens over de afzonderlijke beheren, met inbegrip van de methodes voor de uitsplitsing van de technische voorzieningen en de activa over de verschillende af- zonderlijke beheren en de voorwaarden waaronder de activa ter dekking van de technische voorzieningen van een afzonderlijk beheer mogen worden overgedragen naar een ander afzonderlijk beheer. Onderafdeling V Communautaire medeverzekering § 1 – Toepassingsgebied Art. 232 Deze Onderafdeling is van toepassing op commu- nautaire medeverzekerings-verrichtingen die betrekking hebben op een of meer risico’s die ingedeeld zijn in de takken 3 tot 16 als vermeld in Bijlage I en die voldoen aan de volgende voorwaarden: 1° het risico is een groot risico als gedefinieerd in artikel 233; 2°  het risico wordt gedekt door verscheide- ne, als “medeverzekeraars” optredende verze- keringsondernemingen zonder hoofdelijke aanspra- kelijkheid, door middel van één enkele overeenkomst tegen één premie voor het gehele risico, en voor de- zelfde tijdsduur; één van hen is de eerste verzekeraar; identifiant séparément, par fonds d’investissement, les activités d’assurance qui ressortissent des branches 23, 26 et 27 mentionnées à l’Annexe II, pour lesquelles le risque d’investissement est supporté par le preneur, des autres activités qui ressortissent de ladite Annexe et qui constituent une seule gestion distincte. Art. 231 L’entreprise d’assurance ou de réassurance identifie à tout moment la ou les gestions distinctes auxquelles appartiennent chaque contrat et chaque sinistre. Le Roi détermine sur avis de la Banque et de la FSMA en ce qui concerne leur domaine de compétence respectif, les obligations des entreprises d’assurance ou de réassurance en matière de collecte de données relativement aux gestions distinctes, en ce compris les méthodes de ventilation des provisions techniques et des actifs entre les différentes gestions distinctes et les conditions dans lesquelles les actifs représentatifs des provisions techniques d’une gestion distincte peuvent être transférés à une autre gestion distincte. Sous-section V Coassurance communautaire § 1er – Champ d’application Art. 232 La présente Sous-section s’applique aux opérations de coassurance communautaire qui concernent un ou plusieurs risques classés dans les branches 3 à 16 men- tionnées à l’Annexe I et qui répondent aux conditions suivantes: 1°  le risque est un grand risque  tel que défini à l’article 233; 2° le risque est couvert par plusieurs entreprises d’assurance en qualité de “coassureurs”, dont un est l’apériteur, sans qu’il y ait de solidarité entre eux, au moyen d’un contrat unique, moyennant une prime glo- bale et pour une même durée; 909 1584/002 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 3° het risico is gelegen op het Belgische grondge- bied of op het grondgebied van verscheidene lidstaten, waarvan er één België is; 4° voor de dekking van het risico wordt de eerste verzekeraar behandeld als ware hij de verzekeringson- derneming die het volledige risico dekt; 5° ten minste één van de medeverzekeraars neemt deel aan de overeenkomst via zijn zetel of een bijkan- toor dat in een andere lidstaat dan die van de eerste verzekeraar is gevestigd; 6° de eerste verzekeraar neemt de leidende rol die hem volgens de geldende gebruiken inzake medever- zekering toekomt, volledig op zich; hij stelt inzonderheid de verzekerings- en tariferingsvoorwaarden vast. Art. 233 Voor de toepassing van artikel 232 wordt verstaan onder grote risico’s: 1° de risico’s die ingedeeld zijn in de takken 4, 5, 6, 7, 11 en 12 als vermeld in Bijlage I; 2° de risico’s die ingedeeld zijn in de takken 14 en 15 als vermeld in Bijlage I, wanneer de verzekering- nemer beroepshalve een industriële of commerciële activiteit dan wel een vrij beroep uitoefent en de risico’s op die activiteit betrekking hebben; 3° de risico’s die ingedeeld zijn in de takken 3, 8, 9, 10, 13 en 16 als vermeld in Bijlage I, voor zover de verzekeringnemer ten minste twee van de drie volgende criteria overschrijdt: a) een balanstotaal van 6 200 000 EUR; b) een netto-omzet van 12 800 000 EUR; c) een personeelsbestand van gemiddeld 250 perso- neelsleden gedurende het boekjaar. Wanneer de verzekeringnemer deel uitmaakt van een groep ondernemingen waarvan de geconsoli- deerde jaarrekening overeenkomstig Richtlijn 83/349/ EEG wordt opgesteld, worden de in het eerste lid, 3°, vermelde criteria op basis van de geconsolideerde jaar- rekening toegepast. 3° le risque est situé sur le territoire de la Belgique ou de plusieurs États membres dont l’un est la Belgique; 4° pour garantir le risque, l’apériteur est traité comme s’il était l’entreprise d’assurance qui couvre la totalité du risque; 5° au moins un des coassureurs participe au contrat par l’intermédiaire de son siège ou d’une succur- sale établi dans un État membre autre que celui de l’apériteur; 6° l’apériteur assume pleinement le rôle directeur qui lui revient dans la pratique de la coassurance et, en particulier, détermine les conditions d’assurance et de tarification. Art. 233 Par grands risques aux fins de l’article  232, on entend: 1° les risques classés sous les branches 4, 5, 6, 7, 11 et 12 mentionnées à l’Annexe I; 2°  les risques classés sous les branches 14  et 15 mentionnées à l’Annexe I lorsque le preneur d’assu- rance exerce à titre professionnel une activité indus- trielle, commerciale ou libérale et que les risques sont relatifs à cette activité; 3° les risques classés sous les branches 3, 8, 9, 10, 13 et 16 mentionnées à l’Annexe I, pour autant que le preneur d’assurance dépasse les limites chiffrées d’au moins deux des critères suivants: a) un total de bilan de 6 200 000 EUR; b)  un montant net du chiffre d ’affaires de 12 800 000 EUR; c) un nombre de 250 employés en moyenne au cours de l’exercice. Si le preneur d’assurance fait partie d’un ensemble d’entreprises pour lequel des comptes consolidés sont établis conformément à la directive 83/349/CEE, les critères énoncés à l’alinéa 1er, 3°, sont appliqués sur la base des comptes consolidés. 910 1584/002 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 Art. 234 Op medeverzekeringsverrichtingen die niet aan de voorwaarden van artikel 232 voldoen, blijven de bepa- lingen van deze wet, met uitzondering van die van deze Onderafdeling, van toepassing. § 2 – Uitoefening van het bedrijf Art. 235 De artikelen 556 tot 561 zijn enkel van toepassing op de eerste verzekeraar die in België communautaire medeverzekeringsverrichtingen wenst uit te oefenen als bedoeld in deze Onderafdeling. Art. 236 Het bedrag van de technische voorzieningen wordt door de in België gevestigde medeverzekeraars bepaald volgens de regels die door of krachtens deze wet zijn vastgesteld. De technische voorzieningen zijn echter ten minste gelijk aan die welke door de eerste verzekeraar zijn bepaald volgens de regels die gelden in zijn lidstaat van herkomst. Art. 237 De in België gevestigde medeverzekeraars bezorgen aan de Bank, per betrokken land, statistische gegevens waaruit de omvang blijkt van de communautaire verze- keringsverrichtingen waaraan zij deelnemen. De Bank bepaalt bij reglement vastgesteld overeenkomstig artikel 12bis, §  2  van de wet van 22 februari 1998 de aard van de voornoemde gegevens, evenals de frequentie waarmee en de drager waarop ze zullen worden meegedeeld. Art. 238 In geval van vereffening van een verzekeringson- derneming worden de verplichtingen die voortvloeien uit de deelneming aan een communautaire medever- zekeringsovereenkomst op dezelfde wijze nagekomen als de verplichtingen die voortvloeien uit de andere verzekerings overeenkomsten van deze onderneming, zonder onderscheid naar nationaliteit van verzekerden en begunstigden. Art. 234 Les opérations de coassurance qui ne répondent pas aux conditions de l’article 232 demeurent soumises aux dispositions de la présente loi, à l’exclusion de celles figurant dans la présente Sous-section. § 2 – Exercice de l’activité Art. 235 Les articles 556 à 561 ne sont applicables qu’à l’apé- riteur qui désire exercer en Belgique des opérations de coassurance communautaire visées par la présente Sous-section. Art. 236 Le montant des provisions techniques est déterminé par les coassureurs établis en Belgique suivant les règles fixées par ou en vertu de la présente loi. Toutefois, les provisions techniques sont au moins égales à celles déterminées par l’apériteur suivant les règles de son État membre d’origine. Art. 237 Les coassureurs établis en Belgique fournissent à la Banque, par pays concerné, les éléments statistiques faisant apparaître l’importance des opérations de coassurance communautaire auxquelles ils participent. La Banque détermine, par la voie d’un règlement pris conformément à l’article 12bis, § 2 de la loi du 22 février 1998, la nature des éléments précités, ainsi que la fréquence à laquelle et le support sur lequel ils lui sont communiqués. Art. 238 En cas de liquidation d’une entreprise d’assurance, les engagements résultant de la participation à un contrat de coassurance communautaire sont exécu- tés de la même façon que les engagements résultant des autres contrats d’assurance de cette entreprise, sans distinction selon la nationalité des assurés et des bénéficiaires. 911 1584/002 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 Afdeling II Bijzondere bepalingen met betrekking tot herverzekeringen Onderafdeling I Finite herverzekering Art. 239 Voor de toepassing van deze Onderafdeling wordt onder “finite herverzekering” verstaan een herver- zekering krachtens dewelke het expliciete maximale verliespotentieel, uitgedrukt als hoogste overgedragen economisch risico, dat voortvloeit uit een significante overdracht van zowel verzekeringstechnische risico’s als tijdsrisico, hoger is, voor een beperkt maar signifi- cant bedrag, dan de premie die geldt voor de volledige looptijd van de overeenkomst, in combinatie met ten minste een van de volgende twee kenmerken: 1° op expliciete en concrete wijze rekening houden met de tijdswaarde van het geld; 2° contractuele bepalingen die tot doel hebben de verdeling van de economische effecten tussen de twee partijen in de tijd te effenen met het oog op het bereiken van het nagestreefde niveau van risico-overdracht. Art. 240 De verzekerings- of herverzekeringsondernemingen kunnen slechts finite herverzekeringsovereenkomsten sluiten of finite herverzekeringsactiviteiten uitoefenen, wanneer ze in staat zijn de uit deze overeenkomsten of activiteiten voortvloeiende risico’s naar behoren te identificeren, te meten, te bewaken, te beheren, te be- heersen en te rapporteren. Art. 241 §  1.  Onverminderd de bevoegdheden van de Europese Commissie als bepaald in artikel 210, lid 2 van Richtlijn 2009/138/EG, kan de Koning de in ar- tikel 240 bedoelde vereisten preciseren en aanvullen. § 2. Onder dezelfde voorwaarden kan de Koning op advies van de Bank specifieke bepalingen voor de uitoe- fening van finite herverzekeringsactiviteiten vaststellen die betrekking hebben op: 1° de verplichte voorwaarden die in alle afgesloten overeenkomsten moeten worden opgenomen; Section II Dispositions particulières relatives à la réassurance Sous-section Ire Réassurance finite Art. 239 Aux fins de l’application de la présente Sous-section, on entend par “réassurance finite” toute réassurance en vertu de laquelle la perte maximale potentielle, expri- mée comme le risque économique maximal transféré, découlant d’un transfert significatif à la fois du risque de souscription et du risque de timing, excède la prime sur toute la durée du contrat, pour un montant limité, mais important, conjointement avec l’une au moins des deux caractéristiques suivantes: 1° la prise en considération explicite et matérielle de la valeur temporelle de l’argent; 2°  des dispositions contractuelles visant à lisser dans le temps un partage des effets économiques entre les deux parties en vue d’atteindre un niveau cible de transfert de risque. Art. 240 Les entreprises d’assurance ou de réassurance ne peuvent conclure des contrats de réassurance finite ou exercer des activités de réassurance finite que si elles sont en mesure de déceler, de mesurer, de surveiller, de gérer, de contrôler et de signaler de manière appropriée les risques découlant de ces contrats ou activités. Art. 241 §  1er. Sans préjudice des compétences de la Commission européenne telles que prévues par l’article 210, paragraphe  2, de la Directive 2009/138/CE, le Roi peut, préciser et compléter les exigences visées à l’article 240. § 2. Dans les mêmes conditions, le Roi, sur avis de la Banque, peut arrêter des dispositions spécifiques pour l’exercice d’activités de réassurance finite dans les domaines suivants: 1° les conditions obligatoires devant être incluses dans tous les contrats conclus; 912 1584/002 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 2° deugdelijke administratieve en boekhoud kundige procedures, adequate internecontrolemechanismen en de vereisten op het gebied van risicobeheer; 3° de boekhoudkundige vereisten, de prudentiële vereisten en de statistische-informatievereisten; 4°  de vorming van technische voorzienin gen om ervoor te zorgen dat deze adequaat, betrouwbaar en objectief zijn; 5° de beleggingen in activa ter dekking van de tech- nische voorzieningen om ervoor te zorgen dat rekening wordt gehouden met de aard van de door de herver- zekeringsonderneming verrichte activiteiten, inzonder- heid de aard, het bedrag en de duur van de verwachte betalingen in verband met schade gevallen, om de toe- reikendheid, de liquiditeit, de veiligheid, het rendement en de congruentie van haar activa te waarborgen; 6°  de regels betreffende het eigen vermogen en betreffende het solvabiliteitskapitaalvereiste en het minimumkapitaalvereiste waaraan de herverzekerings- onderneming moet voldoen met betrekking tot haar finite herverzekeringsactiviteiten. Onderafdeling II Effectiseringsvehikels Art. 242 De effectiseringsvehikels die zich op het Belgische grondgebied wensen te vestigen, dienen daarvoor voor- afgaandelijk een vergunning te verkrijgen van de Bank. Art. 243 Onverminderd de bevoegdheden van de Europese Commissie als bepaald in artikel 211, lid 2, van Richtlijn 2009/138/EG, kan de Koning, op advies van de Bank, de voorwaarden vaststellen voor de verlening van vergun- ningen aan effectiseringsvehikels. De Koning kan inzonderheid bepalingen vaststellen met betrekking tot: 1° de reikwijdte van de vergunning; 2° de verplichte voorwaarden die in alle afgesloten overeenkomsten moeten worden opgenomen; 2°  les procédures administratives et comptables saines, les mécanismes de contrôle interne appropriés et les exigences en matière de gestion des risques; 3° les exigences en matière comptable, prudentielle et d’informations statistiques; 4° l’établissement de provisions techniques afin de garantir leur adéquation, leur fiabilité et leur objectivité; 5° l’investissement d’actifs couvrant les provisions techniques de manière à garantir qu’il est tenu compte du type d’opérations effectuées par l’entreprise de réassurance, et en particulier de la nature, du montant et de la durée des sinistres attendus, afin de garantir la suffisance, la liquidité, la sécurité, la rentabilité et la congruence de ses actifs; 6° les règles relatives aux fonds propres, ainsi qu’aux exigences de capital de solvabilité requis et au minimum de capital requis que doit détenir l’entreprise de réas- surance en relation avec des activités de réassurance finite. Sous-section II Véhicules de titrisation Art. 242 Les véhicules de titrisation qui entendent s’établir sur le territoire belge sont tenus de se faire préalablement agréer par la Banque. Art. 243 Sans préjudice des compétences de la Commission européenne prévues par l’article 211, paragraphe 2, de la Directive 2009/138/CE, le Roi peut, sur avis de la Banque, fixer les conditions de l’agrément des véhicules de titrisation. En particulier, le Roi peut arrêter des dispositions dans les domaines suivants: 1° la portée de l’agrément; 2° les conditions obligatoires devant être incluses dans tous les contrats conclus; 913 1584/002 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 3° de deskundigheids- en betrouwbaarheidsvereisten als bedoeld in artikel 40, voor de personen die het ef- fectiseringsvehikel leiden; 4° de deskundigheids- en betrouwbaarheidsvereisten voor de aandeelhouders of vennoten die een gekwalifi- ceerde deelneming bezitten in het effectiseringsvehikel; 5° deugdelijke administratieve en boekhoud kundige procedures, adequate internecontrolemechanismen en de vereisten op het gebied van risicobeheer; 6° de boekhoudkundige vereisten, de prudentiële vereisten en de statistische-informatievereisten; 7° de solvabiliteitsvereisten voor effectiseringsvehikels. Bij reglement vastgesteld overeenkomstig artikel 12bis, § 2 van de wet van 22 februari 1998 kan de Bank de in dit artikel bedoelde vereisten op technische en niet-essentiële punten preciseren en aanvullen. TITEL III Bijzondere bepalingen betreffende bepaalde categorieën van verzekeringsondernemingen HOOFDSTUK I Onderlinge verzekeringsverenigingen Afdeling I Algemene bepalingen Art. 244 Dit Hoofdstuk is van toepassing op verzekerings- of herverzekeringsondernemingen naar Belgisch recht die de rechtsvorm van een onderlinge verzekeringsvereni- ging hebben aangenomen. Art. 245 Onderlinge verzekeringsverenigingen hebben een burgerlijk karakter. Ze hebben rechtspersoonlijkheid. Deze is verworven vanaf de dag waarop hun statuten worden bekendge- maakt op de in artikel 247 voorschreven wijze. De bevoegdheden die door deze wet aan de recht- bank van koophandel worden toegekend worden in 3° les exigences de compétence et d’honorabilité visées à l’article 40 pour les personnes gérant le véhi- cule de titrisation; 4° les exigences de compétence et d’honorabilité pour les actionnaires ou associés détenant une partici- pation qualifiée dans le véhicule de titrisation; 5°  les procédures administratives et comptables saines, les mécanismes de contrôle interne appropriés et les exigences en matière de gestion des risques; 6° les exigences en matière comptable, prudentielle et d’informations statistiques; 7°  les exigences de solvabilité des véhicules de titrisation. Par voie de règlement pris conformément à l’article 12bis, § 2 de la loi du 22 février 1998, la Banque peut, sur des points techniques et non essentiels, préciser et compléter les exigences visées au présent article. TITRE III Dispositions particulières relatives à certaines catégories d’entreprises d’assurance CHAPITRE IER Associations d’assurance mutuelle Section Ire Dispositions générales Art. 244 Le présent Chapitre est applicable aux entreprises d’assurance ou de réassurance de droit belge qui ont adopté la forme d’association d’assurance mutuelle. Art. 245 Les associations d’assurance mutuelle ont un carac- tère civil. Elles jouissent de la personnalité juridique. Celle-ci leur est acquise à compter du jour où leurs statuts sont publiés de la manière prescrite à l’article 247. Les compétences conférées par la présente loi au tribunal de commerce sont, dans le cas des associations 914 1584/002 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 het geval van de onderlinge verzekeringsverenigingen uitgeoefend door de rechtbank van eerste aanleg. Art. 246 Een onderlinge verzekeringsvereniging mag “ge- meenschappelijke verzekeringskas” worden genoemd wanneer zij verrichtingen uitvoert die geregeld worden door: 1° de arbeidsongevallenwet van 10 april 1971; 2° de wet van 3 juli 1967 betreffende de preventie van of de schadevergoeding voor arbeidsongevallen, voor ongevallen op de weg naar en van het werk en voor beroepsziekten in de overheidssector; 3° het koninklijk besluit van 14 november 2003 betref- fende de toekenning van buitenwettelijke voordelen aan de werknemers bedoeld bij koninklijk besluit nr. 50 van 24 oktober 1967 betreffende het rust- en overlevings- pensioen voor werknemers en aan de personen bedoeld in artikel 32, eerste lid, 1° en 2° van het Wetboek van Inkomstenbelastingen 1992, tewerkgesteld buiten een arbeidsovereenkomst. Art. 247 De statuten van de onderlinge verzekeringsvereni- gingen vermelden op straffe van nietigheid: 1° de naam en de zetel van de vereniging; 2° het doel waarvoor de vereniging is opgericht; 3° de voorwaarden en de wijze van toelating, ontslag en uitsluiting van de vennoten; 4° de omvang van de persoonlijke verbintenissen die door de vennoten worden aangegaan met betrekking tot de vorming en instandhouding van een maatschap- pelijk fonds; 5° het feit dat er vanaf de rekeningen van de venno- ten alleen betalingen aan leden mogen worden verricht indien dit verenigbaar is met de kapitaalvereisten die vastgesteld zijn met toepassing van de artikelen 151 tot 189 of, na ontbinding van de onderneming, indien alle andere schulden zijn voldaan; 6° het feit dat de Bank ten minste een maand van tevoren in kennis wordt gesteld van elke betaling vanaf de rekeningen van de vennoten voor andere doeleinden d’assurance mutuelle, exercées par le tribunal de pre- mière instance. Art. 246 Les associations d’assurance mutuelle peuvent porter le nom de “caisse commune d’assurance” lorsqu’elles effectuent les opérations régies par: 1° la loi du 10 avril 1971 sur les accidents du travail; 2° la loi du 3 juillet 1967 sur la prévention et la répa- ration des dommages résultant des accidents du travail, des accidents survenus sur le chemin du travail et des maladies professionnelles dans le secteur public; 3° l’arrêté royal du 14 novembre 2003 concernant l’octroi d’avantages extra-légaux aux travailleurs sala- riés visés par l’arrêté royal n° 50 du 24 octobre 1967 re- latif à la pension de retraite et de survie des travailleurs salariés et aux personnes visées à l’article 32, alinéa 1er, 1° et 2° du Code des Impôts sur les Revenus 1992, occupées en dehors d’un contrat de travail. Art. 247 Les statuts des associations d’assurance mutuelle mentionnent à peine de nullité: 1° la dénomination et le siège de l’association; 2° l’objet en vue duquel l’association est instituée; 3° les conditions et le mode d’admission, de démis- sion et d’exclusion des associés; 4° l’étendue des engagements personnels assumés par les associés quant à la constitution et au maintien d’un fonds social; 5° le fait qu’il n’est possible d’effectuer des paiements en faveur des membres à partir des comptes des asso- ciés que si cela ne contrevient pas aux exigences de capital fixées en application des articles 151 à 189 ou, après dissolution de l’entreprise, que si toutes ses autres dettes ont été réglées; 6°  le fait que la Banque est avertie au moins un mois à l’avance de tout paiement effectué à partir des comptes des associés à d’autres fins que la résiliation 915 1584/002 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 dan de individuele opzegging van het lidmaatschap en dat zij gedurende deze termijn de voorgenomen beta- ling kan verbieden; 7° de organisatie en het bestuur van de vereniging, de wijze van benoeming, de bevoegdheden en de duur van het mandaat van de personen die met dat bestuur belast zijn; 8° de wijze van vaststelling en inning van de bijdragen of de premies, evenals van de eventuele supplementen voor de afwikkeling van de schadegevallen; 9° de wijze waarop de rekeningen worden opgemaakt en goedgekeurd; 10° de procedure die gevolgd moet worden in geval van wijzigingen in de statuten of van vereffening van de vereniging, onverminderd de bepalingen van deze wet. Op advies van de Bank en de FSMA kan de Koning alle andere bepalingen vaststellen die moeten worden opgenomen in de statuten van Belgische onderlinge verzekeringsverenigingen. De statuten en de wijzigingen erin worden in de Bijlagen bij het Belgisch Staatsblad bekendgemaakt. Afdeling II Omzetting van onderlinge verzekeringsverenigingen Art. 248 Een onderlinge verzekeringsvereniging kan gebruik- maken van de mogelijkheid die in de artikelen 774 en 775  van het Wetboek van Vennootschappen wordt geboden om een andere rechtsvorm aan te nemen. Wanneer een onderlinge verzekeringsvereniging gebruikmaakt van de voornoemde mogelijkheid, zijn de bepalingen van deze Afdeling van toepassing. Deze be- palingen zijn van toepassing in afwijking van de artikelen 776 tot 788 van hetzelfde Wetboek, behalve wanneer er uitdrukkelijk naar verwezen wordt in deze Afdeling. Art. 249 Een onderlinge verzekeringsvereniging kan enkel worden omgezet in een van de rechtsvormen van han- delsvennootschappen, als bedoeld in artikel 33. individuelle de l’affiliation et qu’elle peut, pendant ce délai, interdire le paiement; 7° l’organisation et l’administration de l’association, le mode de nomination, les pouvoirs et la durée du mandat des personnes chargées de cette administration; 8°  le mode de fixation et de recouvrement des cotisations ou des primes ainsi que des suppléments éventuels en vue du règlement des sinistres; 9° le mode d’établissement et d’approbation des comptes; 10° la procédure à suivre en cas de modification des statuts ou de liquidation de l’association, sans préjudice des dispositions de la présente loi. Le Roi peut, sur avis de la Banque et de la FSMA, déterminer toutes autres dispositions que doivent conte- nir les statuts des associations belges d’assurance mutuelle. Les statuts et leurs modifications sont publiés aux Annexes du Moniteur belge. Section II Transformation des associations d’assurance mutuelle Art. 248 Une association d’assurance mutuelle peut faire usage de la faculté prévue aux articles 774 et 775 du Code des sociétés d’adopter une autre forme juridique. Lorsqu’une association d’assurance mutuelle fait usage de la faculté précitée, les dispositions de la présente Section sont d’application. Ces dispositions s’appliquent par dérogation aux articles 776 à 788 du même Code, sauf dans la mesure où il y est fait expres- sément référence dans la présente Section. Art. 249 Une association d’assurance mutuelle ne peut être transformée que dans l’une des formes de société à forme commerciale visées à l’article 33. 916 1584/002 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 Art. 250 Het voorstel tot omzetting wordt toegelicht in een verslag dat door het wettelijk bestuursorgaan wordt opgemaakt en wordt vermeld in de agenda van de al- gemene vergadering die een besluit moet nemen over de omzetting. Dit verslag bevat tevens een nauwkeurige beschrijving en een verantwoording: 1° van de maatregelen die de rechten van de leden van de vennootschap in haar nieuwe vorm regelen; 2°  onverminderd de wet van 4  april  2014  betref- fende de verzekeringen, van de aanpassingen die in dit verband in de verzekerings- of herverzekerings- overeenkomsten moeten worden aangebracht; 3° van de wijze van verdeling van de aandelen of de deelbewijzen die het maatschappelijk kapitaal van de vennootschap in haar nieuwe vorm vertegenwoordigen. Bij dat verslag worden ontwerpstatuten van de ven- nootschap in haar nieuwe vorm gevoegd, evenals een staat van activa en passiva van de vereniging, die niet meer dan drie maanden voordien is vastgesteld en waarin aangegeven wordt hoeveel het maatschappelijk kapitaal van de vereniging na haar omzetting in een vennootschap bedraagt. Het maatschappelijk kapitaal mag niet hoger zijn dan het nettoactief, zoals dat blijkt uit het voornoemde verslag. Het bedrag van het nettoactief mag bij de omzetting niet worden terugbetaald aan of verdeeld worden onder de aandeelhouders of vennoten. Art. 251 De erkend commissaris van de onderlinge verze- keringsvereniging brengt verslag uit over de in arti- kel 250 bedoelde staat en vermeldt met name of deze de toestand van de vereniging op volledige, getrouwe en juiste wijze weergeeft. Art. 252 De ontwerpverslagen bedoeld in de artikelen 250 en 251 worden overgemaakt aan de Bank. Wanneer de betrokken onderlinge verzekeringsver- eniging een verzekerings onderneming is, maakt de Bank de in het eerste lid bedoelde verslagen onverwijld over aan de FSMA voor advies. Deze laatste bezorgt Art. 250 La proposition de transformation fait l’objet d’un rapport justificatif établi par l’organe légal d’adminis- tration et qui est inscrit à l’ordre du jour de l’assemblée générale appelée à statuer sur la transformation. Ce rapport contient également une description précise et une justification: 1° des mesures réglant les droits des membres dans la société sous sa nouvelle forme; 2° sans préjudice de la loi du 4 avril 2014 relative aux assurances, des adaptations devant être apportées aux contrats d’assurance ou de réassurance dans ce cadre; 3°  du mode de répartition des actions ou parts représentatives du capital social de la société sous sa nouvelle forme. A ce rapport sont joints un projet de statuts de la société sous sa nouvelle forme et un état résumant la situation active et passive de l’association, arrêté à une date ne remontant pas à plus de trois mois et indiquant quel sera le capital social après la transformation en société. Le capital social ne pourra être supérieur à l’actif net tel qu’il résulte de l’état précité. Le montant de l’actif net ne peut faire l’objet d’aucun remboursement ou distribution aux actionnaires ou associés à l’occasion de la transformation. Art. 251 Le commissaire agréé de l’association d’assurance mutuelle fait rapport sur l’état visé à l’article 250 et indique notamment s’il traduit d’une manière complète, fidèle et correcte la situation de l’association. Art. 252 Les projets de rapports visés aux articles 250 et 251 sont communiqués à la Banque. Lorsque l’association d’assurance mutuelle concer- née est une entreprise d’assurance, la Banque transmet, sans délai, les rapports visés à l’alinéa 1er, à la FSMA pour avis. Cette dernière remet son avis à la Banque 917 1584/002 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 haar advies aan de Bank binnen twee maanden na de ontvangst van de in het eerste lid bedoelde verslagen. Indien er binnen deze termijn geen advies wordt ver- leend, wordt de FSMA geacht geen bezwaar te hebben tegen de voorgenomen omzetting. Binnen drie maanden na de ontvangst van de in het eerste lid bedoelde verslagen verzet de Bank zich tegen de voorgenomen omzetting wanneer: 1° in het advies van de FSMA wordt geconcludeerd dat de voorgenomen omzetting afbreuk doet aan de rechten van de verzekerden, van de verzekeringnemers of van de begunstigden; 2° de Bank van oordeel is dat de verzekerings- of herverzekeringsonderneming door de voorgenomen omzetting niet langer voldoet aan de verplichtingen die haar door of krachtens deze wet zijn opgelegd. De Bank maakt haar bezwaar kenbaar met een aangetekende brief, waarbij zij de motivering van haar besluit voegt, en, in voorkomend geval, het advies van de FSMA. Art. 253 De leden van de onderlinge verzekeringsvereniging worden, met inachtneming van de statutaire regels voor statutenwijzigingen, of, indien deze strenger zijn, voor de vereffening, opgeroepen tot een algemene vergadering die moet beraadslagen over het besluit tot omzetting. In geval van oproeping per brief wordt een afschrift van de verslagen van het wettelijk bestuursorgaan en van de commissaris bij de oproepingsbrief gevoegd. Deze documenten worden eveneens kosteloos verstrekt aan de leden van de vereniging die hiertoe een schrif- telijke aanvraag indienen. Art. 254 Tot omzetting van de onderlinge verzekeringsver- eniging wordt besloten door de algemene vergadering. Behalve indien de statuten strengere voorschriften inzake quorum en meerderheid bevatten, kan de alge- mene vergadering enkel geldig beraadslagen indien minstens de helft van de leden met stemrecht aanwezig of vertegenwoordigd zijn op de vergadering, en indien het besluit minstens vier vijfden van de uitgebrachte stemmen verkrijgt. dans les deux mois de la réception des rapports visés à l’alinéa 1er. A défaut d’avis dans ce délai, la FSMA est réputée ne pas s’opposer au projet de transformation. Dans les trois mois de la réception des rapports visés à l’alinéa 1er, la Banque s’oppose au projet de transformation lorsque: 1°  l’avis de la FSMA conclut que ce projet porte préjudice aux droits des assurés, des preneurs ou des bénéficaires; 2° la Banque estime que, par ce projet, l’entreprise d’assurance ou de réassurance ne satisfait plus aux obligations qui lui sont imposées par ou en vertu de la présente loi. La Banque notifie l’opposition par lettre recomman- dée à la poste en y joignant les motifs de sa décision et, le cas échéant, l’avis de la FSMA. Art. 253 Les membres de l’association d’assurance mutuelle sont convoqués à une assemblée générale appelée à délibérer sur la décision de transformation dans le respect des règles statutaires prévues pour les modifi- cations aux statuts ou, si elles sont plus strictes, pour la mise en liquidation. En cas de convocation par lettre, une copie des rapports de l’organe légal d’administration et du com- missaire est annexée à la convocation. Ces documents sont également transmis gratuitement aux membres de l’association qui en formulent la demande par écrit. Art. 254 La transformation de l’association d’assurance mutuelle est décidée par l’assemblée générale. Sauf si les statuts prévoient des conditions de quorum et de majorité plus strictes, l’assemblée générale ne peut valablement délibérer que si au moins la moitié des membres titulaires d’un droit de vote sont présents ou représentés à la réunion et si la décision recueille au moins quatre cinquièmes des voix émises. 918 1584/002 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 Indien het door de statuten of de wet vereiste quorum niet wordt bereikt, wordt overgegaan tot een tweede bijeenroeping. Deze tweede bijeenroeping voldoet aan de regels van artikel 253. De tweede algemene vergade- ring beraadslaagt volgens dezelfde stemvoorwaarden, ongeacht het aantal aanwezige of vertegenwoordigde leden met stemrecht. In de oproeping tot de algemene vergadering wordt de tekst van dit artikel opgenomen. Art. 255 De omzetting vereist de eenparige instemming van de aanwezige leden indien de onderlinge verzekerings- vereniging niet ten minste twee jaar bestaat of indien in de statuten is bepaald dat zij geen andere rechtsvorm mag aannemen. Zodanige bepaling van de statuten kan enkel onder dezelfde voorwaarden worden gewijzigd. Art. 256 Onmiddellijk na het besluit tot omzetting worden de statuten van de vennootschap in haar nieuwe vorm, met inbegrip van de bepalingen tot wijziging van haar doel en van de oorspronkelijke samenstelling van de organen, vastgesteld volgens dezelfde regels inzake aanwezigheid en meerderheid als die welke voor de omzetting voorgeschreven zijn. Gebeurt dit niet, dan blijft de omzetting zonder gevolg. Art. 257 Zodra de besluiten als bedoeld in de artikelen 253 tot 256 zijn goedgekeurd: 1° is de onderlinge verzekeringsvereniging omgezet en worden haar leden van rechtswege en met onmid- dellijke ingang aandeelhouders of vennoten van de vennootschap in haar nieuwe vorm, op de wijze die is voorgesteld in het verslag bedoeld in artikel 250, waarbij de leden geacht worden van rechtswege te voldoen aan alle eventuele voorwaarden om vennoot of aandeelhouder van de vennootschap in haar nieuwe vorm te worden; 2° verliezen de leden van de vereniging alle rechten die zij nog zouden kunnen hebben, zelfs voor de toe- komst of onder voorwaarde, ingevolge hun vroegere hoedanigheid van lid; 3°  behouden de verzekeringnemers, de ver- zekerden en alle derden bij de verzekerings- of herverzekeringsovereenkomsten evenwel hun op die datum in het kader van de verzekerings- of Si le quorum requis par les statuts ou par la loi n’est pas atteint, il est procédé à une seconde convocation. Cette seconde convocation satisfait aux règles visées à l’article 253. La deuxième assemblée générale délibère quel que soit le nombre de membres titulaires d’un droit de vote présents ou représentés, aux mêmes conditions de vote. Les convocations à l’assemblée générale reproduisent le texte du présent article. Art. 255 La transformation requiert l’accord unanime des membres présents si l’association d’assurance mutuelle n’existe pas depuis deux ans au moins ou si les statuts prévoient qu’elle ne pourra adopter une autre forme. Une telle clause des statuts ne peut être modifiée que dans les mêmes conditions. Art. 256 Immédiatement après la décision de transformation, les statuts de la société sous sa nouvelle forme, en ce compris les clauses qui modifieraient son objet social ainsi que la composition initiale des organes, sont arrê- tés aux mêmes conditions de présence et de majorité que celles requises pour la transformation. A défaut, la transformation est sans effet. Art. 257 Dès l’approbation des décisions visées aux ar- ticles 253 à 256: 1° l’association d’assurance mutuelle est transformée et ses membres deviennent de plein droit et avec effet immédiat actionnaires ou associés de la société sous sa nouvelle forme de la manière proposée dans le rapport visé à l’article 250, ces membres étant réputés satisfaire de plein droit à toutes les conditions éventuellement requises pour devenir associés ou actionnaires de la société sous sa nouvelle forme; 2° les membres de l’association perdent tous les droits qu’ils pourraient encore avoir, même à l’avenir ou sous condition, en raison de leur ancienne qualité de membre; 3° les preneurs d’assurance, assurés et tout tiers aux contrats d’assurance ou de réassurance conservent cependant les droits acquis à cette date en vertu des contrats d’assurance ou de réassurance, ces contrats 919 1584/002 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 herverzekerings-overeenkomsten verworven rechten; deze overeenkomsten worden voor de toekomst van rechtswege aangepast op de wijze die voorgesteld is in het verslag bedoeld in artikel 250; 4° voor zover de vennootschap de wettelijke en re- glementaire vereisten ter zake vervult of blijft vervullen, behoudt zij in haar nieuwe vorm alle vergunningen voor de uitoefening van verzekerings- of herverzekeringsac- tiviteiten waarvan de vereniging houder was vóór haar omzetting. Art. 258 Ieder besluit tot omzetting wordt, op straffe van nietigheid, bij authentieke akte vastgesteld. In die au- thentieke akte wordt de conclusie overgenomen van het verslag dat door de erkend commissaris werd opgesteld overeen komstig artikel 251. De authentieke akte van omzetting en de statuten van de vennootschap in haar nieuwe vorm worden tegelijk bekendgemaakt overeenkomstig de artike- len  67, paragrafen  1  tot 3, en 73  van het Wetboek van Vennootschappen. De akte van omzetting wordt bekendgemaakt in haar geheel; de statuten worden bij uittreksel bekendgemaakt overeenkomstig de artike- len 67 tot 69 en 72 van hetzelfde Wetboek. Onverminderd de onmiddellijke tegenwerpbaarheid van de in artikel 257, 3° bedoelde contractuele aanpas- singen, kan de omzetting aan derden worden tegenge- worpen volgens de bepalingen van artikel 76 van het Wetboek van Vennootschappen. Van de volmachten, alsook van de verslagen van het wettelijk bestuursorgaan en van de erkend commissaris, wordt het origineel dan wel een expeditie neergelegd tegelijk met de akte waarop zij betrekking hebben. Eenieder kan daarvan kennis nemen of een afschrift verkrijgen volgens de voorwaarden van artikel  67, paragraaf 3, van het Wetboek van Vennootschappen. Art. 259 De bepalingen van artikel 784 van het Wetboek van Vennootschappen zijn van toepassing, met uitzondering van het eerste lid. Art. 260 De leden van het wettelijk bestuursorgaan van de on- derlinge verzekeringsvereniging die wordt omgezet, zijn, étant, pour l’avenir, adaptés de plein droit de la manière proposée dans le rapport visé à l’article 250; 4° pour autant qu’elle respecte ou continue à res- pecter les exigences légales et réglementaires en la matière, la société sous sa nouvelle forme continue à bénéficier des agréments pour exercer des activités d’assurance ou de réassurance dont l’association était titulaire avant sa transformation. Art. 258 Toute décision de transformation est, à peine de nul- lité, constatée par acte authentique. L’acte authentique reproduit la conclusion du rapport du commissaire agréé établi conformément à l’article 251. L’acte authentique de transformation et les statuts de la société sous sa nouvelle forme sont publiés simulta- nément conformément aux articles 67, paragraphes 1er à 3, et 73, du Code des sociétés. L’acte de transforma- tion est publié en entier; les statuts le sont par extrait conformément aux articles 67 à 69 et 72 du même Code. Sans préjudice de l’opposabilité immédiate des adaptations contractuelles visées à l’article 257, 3°, la transformation est opposable aux tiers aux conditions prévues à l’article 76 du Code des sociétés. Les procurations, ainsi que les rapports de l’organe légal d’administration et du commissaire agréé, sont déposés en expédition ou en original en même temps que l’acte auquel ils se rapportent. Chacun pourra en prendre connaissance ou en obtenir copie aux condi- tions prévues à l’article 67, paragraphe 3, du Code des sociétés. Art. 259 Les dispositions de l’article 784 du Code des sociétés sont applicables, à l’exception de l’alinéa 1er. Art. 260 Les membres de l’organe légal d’administration de l’association d’assurance mutuelle qui est transformée 920 1584/002 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 niettegenstaande enig anders luidend beding, jegens de belang hebbenden hoofdelijk gehouden: 1° tot betaling van het eventuele verschil tussen het nettoactief dat opgenomen is in de in artikel 250 be- doelde staat en het maatschappelijk kapitaal van de vennootschap in haar nieuwe vorm; 2° voor de overwaardering van het nettoactief dat opgenomen is in de in artikel 250 bedoelde staat; 3° tot vergoeding van de schade die het onmiddellijk en rechtstreeks gevolg is, hetzij van de nietigheid van de omzettingsverrichting wegens niet-naleving van de regels bepaald in de artikelen 403, 2° tot 4° en 454, 2° tot 4° van het Wetboek van Vennootschappen, die van naar analogie worden toegepast, of in artikel 258, eerste lid, hetzij van het ontbreken of de onjuistheid van de vermeldingen voor geschreven in artikel 453, eerste lid, met uitzondering van 6° en 9° tot 12° van hetzelfde Wetboek of van artikel 258, eerste lid. Afdeling III Fusie door overneming van onderlinge verzekeringsverenigingen Art. 261 Onverminderd de artikelen 102 tot 106 kan een onder- linge verzekeringsvereniging door overneming fuseren met een andere onderlinge verzekeringsvereniging. Wanneer een onderlinge verzekeringsvereniging door overneming fuseert met een andere onderlinge verzeke- ringsvereniging, zijn de in boek XI van het Wetboek van Vennootschappen vervatte bepalingen betreffende fusie door overneming van toepassing. Deze bepalingen zijn van toepassing onder voorbehoud van de afwijkingen en met inachtneming van de nadere bepalingen die in deze Afdeling zijn opgenomen. In dat geval wordt onder de in het genoemde Wetboek gebruikte termen “vennoot- schap” en “venno(o)t(en)” respectie velijk de “onderlinge verzekeringsvereniging” en haar “leden” verstaan. Art. 262 In afwijking van artikel 671 van het Wetboek van Vennootschappen is fusie door overneming van on- derlinge verzekeringsverenigingen de rechtshandeling waarbij het gehele vermogen van één of meer onder- linge verzekeringsverenigingen, zowel de rechten als de verplichtingen, als gevolg van ontbin ding zonder veref- fening op een andere onderlinge verzekeringsvereniging sont tenus solidairement envers les intéressés, nonobs- tant toute stipulation contraire: 1° de la différence éventuelle entre l’actif net repris à l’état prévu à l’article 250 et le capital social de la société sous sa nouvelle forme; 2° de la surévaluation de l’actif net repris à l’état prévu à l’article 250; 3° de la réparation du préjudice qui est une suite immédiate et directe soit de la nullité de l’opération de transformation en raison de la violation des règles prévues aux articles 403, 2° à 4°, et 454, 2° à 4°, du Code des sociétés, appliquées par analogie, ou de l’article 258, alinéa 1er, soit de l’absence ou du caractère erronné des énonciations prescrites par l’article 453, alinéa 1er, à l’exception des 6° et 9° à 12°, du même Code ou de l’article 258, alinéa 1er. Section III Fusion par absorption d’associations d’assurance mutuelle Art. 261 Sans préjudice des articles 102 à 106, une associa- tion d’assurance mutuelle peut fusionner par absorption avec une autre association d’assurance mutuelle. Lorsqu’une association d’assurance mutuelle fusionne par absorption avec une autre association d’assurance mutuelle, les dispositions du livre XI du Code des sociétés qui régissent la fusion par absorption sont d’application. Ces dispositions s’appliquent sous réserve des dérogations et moyennant les précisions mentionnées à la présente Section. Dans ce cas, les termes “société” et “associé(s)” utilisés dans ledit Code s’entendent respectivement de l’“association d’assu- rance mutuelle” et de ses “membres”. Art. 262 Par dérogation à l’article 671 du Code des sociétés, la fusion par absorption d’associations d’assurance mutuelle est l’opération par laquelle une ou plusieurs associations d’assurance mutuelle transfèrent à une autre association d’assurance mutuelle, par suite d’une dissolution sans liquidation, l’intégralité de leur patrimoine, activement et passivement, moyennant 921 1584/002 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 overgaat en waarbij de leden van de overgenomen vereniging(en) als tegenprestatie de hoedanig heid verkrijgen van leden van de overnemende onderlinge verzekeringsvereniging. Art. 263 De rechtbank van eerste aanleg is bevoegd om ken- nis te nemen van de in artikel 689 van het Wetboek van Vennootschappen bedoelde vorderingen betreffende de fusie van onderlinge verzekeringsverenigingen. Art. 264 In afwijking van artikel  693, tweede lid, van het Wetboek van Vennootschappen wordt in het fusievoor- stel ten minste vermeld: 1° de rechtsvorm, de naam, het doel en de zetel van de te fuseren onderlinge verzekeringsverenigingen; 2° een nauwkeurige omschrijving van en een ver- antwoording voor de maatregelen tot regeling van de rechten en verplichtingen van de leden van de overge- nomen vereniging binnen de overnemende vereniging, alsmede een nauwkeurige omschrijving van en een verantwoording voor de financiële gevolgen van de fusie voor de leden van de overgenomen en de overnemende vereniging, met name met betrekking tot het recht van de leden op restorno’s, de verplichting tot betaling van bijkomende bijdragen in geval van deficit en het recht van de leden op het verenigingsvermogen; 3° de datum vanaf dewelke de rechten en verplich- tingen van de leden van de overgenomen vereniging binnen de overnemende vereniging ingaan; 4° onverminderd de wet van 4 april 2014 betreffende de verzekeringen, een nauwkeurige omschrijving van en een verantwoording voor de aanpassingen die in het kader van de fusie in de verzekerings- of herverze- keringsovereenkomsten moeten worden aangebracht; 5° de datum vanaf dewelke de handelingen van de overgenomen vereniging boekhoudkundig geacht wor- den te zijn verricht voor rekening van de overnemende vereniging; 6° de rechten die de overnemende vereniging toekent aan de leden van de over te nemen vereniging die bij- zondere rechten hebben, of de jegens hen voorgestelde maatregelen; l’acquisition, par les membres de la ou des associations absorbées, de la qualité de membres de l’association d’assurance mutuelle absorbante. Art. 263 Le tribunal de première instance est compétent pour connaître des actions visées à l’article 689 du Code des sociétés relatives à la fusion d’associations d’assurance mutuelle. Art. 264 Par dérogation à l’article 693, alinéa 2, du Code des sociétés, le projet de fusion mentionne au moins: 1° la forme, la dénomination, l’objet et le siège social des associations d’assurance mutuelle appelées à fusionner; 2° une description précise et une justification des mesures réglant les droits et les obligations des membres de l’association absorbée dans l’association absorbante, et des conséquences financières de la fusion pour les membres des associations absorbée et absorbante, notamment en ce qui concerne le droit des membres aux ristournes, l’obligation au paiement de contributions complémentaires en cas de déficit et le droit des membres sur l’avoir social; 3° la date à partir de laquelle les droits et obligations des membres de l’association absorbée dans l’asso- ciation absorbante prennent cours; 4° sans préjudice de la loi du 4 avril 2014 relative aux assurances, une description précise et une justification des adaptations devant être apportées aux contrats d’assurance ou de réassurance dans le cadre de la fusion; 5°  la date à partir de laquelle les opérations de l’association absorbée sont, du point de vue comptable, considérées comme accomplies pour le compte de l’association absorbante; 6° les droits que l’association absorbante reconnaît aux membres de l’association à absorber qui ont des droits spéciaux ou les mesures proposées à leur égard; 922 1584/002 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 7° de bezoldiging die wordt toegekend aan de er- kend commissarissen voor het opstellen van het in artikel 266 bedoelde verslag; 8° ieder bijzonder voordeel toegekend aan de leden van de beheers- en bestuursorganen van de te fuseren verenigingen. Het fusievoorstel wordt door elke vereniging die bij de fusie betrokken is, uiterlijk zes weken voor de algemene vergadering die over de fusie moet besluiten, ter griffie van de rechtbank van eerste aanleg neergelegd. Art. 265 In afwijking van artikel 694 van het Wetboek van Vennootschappen wordt in het omstandig schriftelijk verslag dat door het wettelijk bestuursorgaan van elke onderlinge verzekeringsvereniging wordt opgesteld, de stand van het vermogen van de te fuseren vereni- gingen uiteen gezet en worden tevens uit een juridisch en economisch oogpunt toegelicht en verantwoord: de wenselijkheid van de fusie, de voorwaarden en de wijze waarop ze zal geschieden en de gevolgen ervan, alsook de maatregelen tot regeling van de rechten van de leden van de overgenomen vereniging binnen de overnemende vereniging, inzonderheid het recht op restorno’s, de verplichting tot betaling van bijko- mende bijdragen in geval van deficit en het recht op het verenigingsvermogen. Art. 266 In afwijking van artikel 695, tweede en derde lid van het Wetboek van Vennootschappen brengt de erkend commissaris met name verslag uit over de financiële ge- volgen van de fusie voor de leden van de overgenomen en de overnemende onderlinge verzekeringsvereniging. Dit verslag moet ten minste: 1° aangeven of de financiële en boekhoud kundige gegevens uit het in artikel 265 bedoelde verslag van het wettelijk bestuursorgaan waarheidsgetrouw en toerei- kend zijn om de algemene vergadering die over het fu- sievoorstel moet stemmen, duidelijkheid te verschaffen; 2° beschrijven welke gevolgen de fusie heeft voor het recht van de leden op restorno’s, voor hun verplichting tot betaling van bijkomende bijdragen in geval van deficit en voor hun recht op het verenigingsvermogen. 7°  les émoluments attribués aux commissaires agréés chargés de la rédaction du rapport prévu à l’article 266; 8° tout avantage particulier attribué aux membres des organes de gestion et d’administration des associations appelées à fusionner. Six semaines au moins avant l’assemblée générale appelée à se prononcer sur la fusion, le projet de fusion est déposé au greffe du tribunal de première instance par chacune des associations appelées à fusionner. Art. 265 Par dérogation à l’article 694 du Code des sociétés, le rapport écrit et circonstancié établi par l’organe légal d’administration de chaque association d’assurance mutuelle expose la situation patrimoniale des asso- ciations appelées à fusionner et explique et justifie, du point de vue juridique et économique, l’opportunité, les conditions, les modalités et les conséquences de la fusion, ainsi que les mesures réglant les droits des membres de l’association absorbée dans l’association absorbante, en particulier le droit aux ristournes, l’obli- gation au paiement de contributions complémentaires en cas de déficit et le droit sur l’avoir social. Art. 266 Par dérogation à l’article 695, alinéas 2 et 3 du Code des sociétés, le commissaire agréé fait notamment rapport sur les conséquences financières de la fusion pour les membres de l’association d’assurance mutuelle absorbée et de l’association d’assurance mutuelle absorbante. Ce rapport doit au moins: 1° indiquer si les informations financières et comp- tables contenues dans le rapport de l’organe légal d’administration visé à l’article 265 sont fidèles et suf- fisantes pour éclairer l’assemblée générale appelée à voter sur le projet de fusion; 2° décrire les conséquences de la fusion sur le droit des membres aux ristournes, sur leurs obligations au paiement de contributions complémentaires en cas de déficit et sur leur droit sur l’avoir social. 923 1584/002 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 Art. 267 In elke onderlinge verzekeringsvereniging worden de leden van de vereniging, met inachtneming van de statutaire regels voor statutenwijzigingen, of, indien deze strenger zijn, voor de vereffening, opgeroepen tot een algemene vergadering die moet beraadslagen over het besluit tot fusie. Artikel 697, § 1, tweede lid, en § 2, eerste lid, 4°, van het Wetboek van Vennootschappen is van toepassing op de onderlinge verzekeringsverenigingen. Art. 268 Voor fusies door overneming van onderlinge verze- keringsverenigingen zijn de in artikel 699, § 1, 1°, van het Wetboek van Vennootschappen bedoelde regels inzake quorum en meerderheid van toepassing, met dien verstande dat de woorden “maatschappelijk kapi- taal” en “kapitaal” door de woorden “maatschappelijk fonds” moeten worden vervangen. Artikel 699, § 3, van het Wetboek van Vennootschappen is niet van toepassing op fusies door overneming van onderlinge verzekeringsverenigingen. Art. 269 In afwijking van artikel 701 van het Wetboek van Vennootschappen worden eventuele wijzigingen in de statuten van de overnemende onderlinge verzekerings- vereniging, met inbegrip van de bepalingen tot wijziging van haar doel, vastgesteld volgens de regels inzake aanwezigheid en meerderheid die krachtens de statuten van de overnemende vereniging vereist zijn. Art. 270 Voor de toepassing van artikel 704, eerste lid, van het Wetboek van Vennootschappen geldt voor de fusie door overneming van onderlinge verzekeringsverenigingen de in artikel 264, 5°, bedoelde datum als de in artikel 693, tweede lid, 5°, van hetzelfde Wetboek bedoelde datum. Art. 271 Artikel 211 van het WIB 1992 is van toepassing op fusies door overneming van onderlinge verzekerings- verenigingen, in de mate dat de betrokken verenigingen onderworpen zijn aan de vennootschaps belasting. Art. 267 Dans chaque association d’assurance mutuelle, les membres de l’association sont convoqués à une assemblée générale appelée à délibérer sur la décision de fusion, dans le respect des règles statutaires prévues pour la modification aux statuts ou, si elles sont plus strictes, pour la mise en liquidation. L’article 697, § 1er, alinéa 2, et § 2, alinéa 1er, 4°, du Code des sociétés est applicable aux associations d’assurance mutuelle. Art. 268 Pour la fusion par absorption d’associations d’assu- rance mutuelle, les conditions de quorum et de majorité visées à l’article 699, § 1er, 1°, du Code des sociétés s’appliquent étant entendu qu’il faut substituer aux mots “capital social” et “capital” les mots “fonds social”. L’article 699, § 3, du Code des sociétés n’est pas applicable à la fusion par absorption d’associations d’assurance mutuelle. Art. 269 Par dérogation à l’article 701 du Code des sociétés, les modifications éventuelles des statuts de l’association d’assurance mutuelle absorbante, y compris les clauses qui modifieraient son objet social, sont arrêtées aux conditions de présence et de majorité requises par les statuts de l’association absorbante. Art. 270 Pour l’application de l’article 704, alinéa 1er, du Code des sociétés, la date visée à l’article 693, alinéa 2, 5°, du même Code est, pour la fusion par absorption d’associations d’assurance mutuelle, la date visée à l’article 264, 5°. Art. 271 L’article 211 du CIR 1992 est applicable à la fusion par absorption d’associations d’assurance mutuelle dans la mesure où les associations concernées sont soumises à l’impôt des sociétés. 924 1584/002 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 HOOFDSTUK II Ondernemingen die wegens hun omvang aan een bijzondere regeling zijn onderworpen Afdeling I Toepassingsgebied Art. 272 Dit Hoofdstuk is van toepassing op de verzeke- ringsondernemingen die voldoen aan de volgende voorwaarden: 1°  de jaarlijkse inkomsten uit de geboekte bruto- premies van de onderneming bedragen niet meer dan 5 000 000 EUR; 2° de totale technische voorzieningen van de on- derneming, of van de groep in de zin van artikel 339, 2° waarvan ze deel uitmaakt, zonder aftrek van de schuldvorderingen die voortvloeien uit herverzekerings- overeenkomsten en effectiseringsvehikels, als bedoeld in artikel 125, bedragen niet meer dan 25 000 000 EUR; 3° het bedrijf van de onderneming omvat geen verze- keringsactiviteiten ter dekking van aansprakelijkheids-, krediet- en borgtocht verzekeringsrisico’s, tenzij deze bijkomende risico’s vormen in de zin van artikel 21, § 2; 4°  het bedrijf van de onderneming omvat geen herverzekeringsverrichtingen; 5° de onderneming oefent noch rechtstreeks, noch onrechtstreeks, activiteiten uit in het buitenland. Art. 273 Een verzekerings onderneming die gedurende drie achtereenvolgende jaren een van de in artikel 272 be- doelde bedragen overschrijdt, kan zich niet langer beroepen op de bepalingen van dit Hoofdstuk. Een onderneming die overeenkomstig Hoofdstuk I van Titel II van dit Boek een vergunning als verzeke- ringsonderneming aanvraagt, kan zich niet beroepen op de bepalingen van dit Hoofdstuk indien een van de in artikel 272 genoemde bedragen naar verwachting in de volgende vijf jaar zal worden overschreden. CHAPITRE II Entreprises soumises à un régime particulier en raison de leur taille Section Ire Champ d’application Art. 272 Le présent Chapitre s’applique aux entreprises d’assurance qui satisfont aux conditions suivantes: 1° l’encaissement annuel de primes brutes émises par l’entreprise n’excède pas 5 000 000 EUR; 2° le total des provisions techniques de l’entreprise, ou du groupe au sens de l’article 339, 2° dont elle fait partie, déduction non faite des créances découlant des contrats de réassurance et des véhicules de titrisation, visées à l’article 125, n’excède pas 25 000 000 EUR; 3° l’activité de l’entreprise ne comporte pas d’activi- tés d’assurance couvrant les risques de responsabilité civile, de crédit et de caution, sauf si ceux-ci constituent des risques accessoires au sens de l’article 21, § 2; 4° l’activité de l’entreprise ne comporte pas d’opéra- tions de réassurance; 5° l’entreprise n’exerce, directement ou indirecte- ment, aucune activité à l’étranger. Art. 273 Les entreprises d’assurance qui, pendant trois années consécutives, dépassent l’un des montants visés à l’article 272 ne peuvent plus se prévaloir des dispositions du présent Chapitre. Une entreprise qui sollicite l’agrément en qualité d’entreprise d’assurance conformément au Chapitre Ier du Titre II du présent Livre ne peut se prévaloir des dis- positions du présent Chapitre si, selon les prévisions, l’un des seuils énoncés à l’article 272 est susceptible d’être dépassé au cours des cinq années suivantes. 925 1584/002 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 Art. 274 Een verzekeringsonderneming die overeenkomstig Hoofdstuk I van Titel II van dit Boek een vergunning heeft verkregen, kan om de toepassing verzoeken van de bepalingen van dit Hoofdstuk wanneer de Bank van oordeel is dat deze onderneming naast de voorwaarden van artikel 272 ook de volgende voorwaarden vervult: 1° geen van de in artikel 272 genoemde bedragen werd in de drie jaar vóór het verzoek overschreden; 2° naar verwachting zal geen van de in artikel 272 ge- noemde bedragen worden overschreden in de vijf jaar na het verzoek. Tot staving van haar verzoek verstrekt de onder- neming de informatie die vereist is om na te gaan of voldaan is aan de voorwaarden van het eerste lid. Afdeling II Ondernemingen die een overeenkomst hebben gesloten die voorziet in de volledige en systematische herverzekering van de verzekeringsovereenkomsten of in de overdracht van de verplichtingen Art. 275 § 1. Deze wet, met uitzondering van de in deze Afdeling bedoelde bepalingen en de Boeken IV en V, is niet van toepassing op niet-levensverzekeringson- dernemingen die voldoen aan de voorwaarden van de artikelen 272 en 273 en die met een verzekerings- of herverzekeringsonderneming waaraan met toepassing van Titel II van dit Boek een vergunning is verleend of waaraan met toepassing van Titel I van Boek III toestemming is verleend, een overeenkomst hebben gesloten die voorziet in de volledige en systematische herverzekering van de door hen gesloten verzekerings- overeenkomsten of in de overdracht van de contractuele verplichtingen die de vervanging tot gevolg heeft van de cederende onderneming door de overnemende onderneming voor de nakoming van de uit deze over- eenkomsten voortvloeiende verplichtingen. Die overeenkomst bevat de verplichting, voor de overnemende onderneming, om de Bank minstens drie maanden voor de vervaldag in kennis te stellen van de beëindiging of de niet-verlenging ervan, evenals van elke bepaling die tot gevolg zou hebben dat de cederende overneming het voordeel van de toepassing van deze paragraaf verliest. Art. 274 Une entreprise d’assurance agréée conformément au Chapitre Ier du Titre II du présent Livre peut demander à bénéficier des dispositions du présent Chapitre lorsque, outre les conditions de l’article 272, elle satisfait, à l’appréciation de la Banque, aux conditions suivantes: 1° aucun des seuils énoncés à l’article 272 n’a été dé- passé pendant les trois années précédant la demande; 2° aucun des seuils énoncés à l’article 272 n’est, selon les prévisions, susceptible d’être dépassé au cours des cinq années suivant la demande. L’entreprise fournit, à l’appui de sa demande, les informations nécessaires à la vérification des conditions prévues à l’alinéa 1er. Section II Entreprises qui ont conclu une convention comportant la réassurance intégrale et systématique des contrats d’assurance ou la cession des engagements Art. 275 § 1er. La présente loi, à l’exception des dispositions visées à la présente Section et des Livres IV et V, n’est pas applicable aux entreprises d’assurance non-vie qui satisfont aux conditions des articles 272 et 273 et qui ont conclu avec une entreprise d’assurance ou de réassurance agréée en application du Titre II du présent Livre ou autorisée en application du Titre Ier du Livre III une convention comportant la réassurance intégrale et systématique des contrats d’assurance qu’elles sous- crivent ou la cession des engagements contractuels impliquant la substitution de l’entreprise cessionnaire à l’entreprise cédante pour l’exécution des engagements résultant desdits contrats. Cette convention mentionne l’obligation, pour l’entre- prise cessionnaire, d’avertir la Banque, au moins trois mois avant l’échéance, de sa résiliation ou de son non-renouvellement, ainsi que de toute disposition qui aurait pour effet de faire perdre à l’entreprise cédante le bénéfice du présent paragraphe. 926 1584/002 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 §  2.  Het voordeel van de bepalingen van para- graaf  1  kan maar worden toegekend indien er een voorafgaande inschrijving heeft plaatsgevonden. Bij de inschrijvingsaanvraag die aan de Bank wordt gericht, wordt een administratief dossier gevoegd dat voldoet aan de door de Bank gestelde voorwaarden en dat met name het bewijs bevat dat voldaan is aan de voorwaarden van paragraaf 1, alsook een kopie van de overeenkomst met de identiteitsgegevens van de overnemende onderneming. De Bank spreekt zich uit over de inschrijvingsaan- vraag binnen twee maanden na indiening van een volledig dossier. De beslissingen inzake inschrijving worden binnen vijftien dagen ter kennis gebracht van de aanvragers met een aangetekende brief of een brief met ontvangst- bewijs, met inachtneming van de termijn bedoeld in het derde lid. De Bank maakt een lijst op van de verzekerings- ondernemingen die met toepassing van dit artikel zijn ingeschreven. Die lijst en alle daarin aangebrachte wijzigingen worden op haar website bekendgemaakt. De artikelen 22, 23, 27 en 30 zijn van toepassing. §  3.  De in deze Afdeling bedoelde verzekerings- ondernemingen verstrekken aan de Bank, op haar verzoek, alle informatie die nodig is om na te gaan of voldaan is aan de in deze Afdeling bedoelde inschrijvingsvoorwaarden. Voor de toepassing van het eerste lid kan de Bank op individuele basis of bij reglement vastgesteld over- eenkomstig artikel 12bis, paragraaf 2 van de wet van 22 februari 1998, de aard, de omvang, het formaat, de frequentie en de wijze van indiening bepalen van de informatie die haar door de lokale verzekerings- ondernemingen moet worden verstrekt. De ondernemingen delen aan de Bank op eigen initiatief en onverwijld alle factoren mee die tot gevolg zouden kunnen hebben dat niet langer voldaan is aan de inschrijvingsvoorwaarden. De artikelen 304, tweede lid, 1° en 305 tot 307 zijn van toepassing. §  4.  Wanneer de Bank vaststelt dat een in deze Afdeling bedoelde verzekerings onderneming niet werkt overeenkomstig de bepalingen van dit artikel of de ter uitvoering ervan genomen maatregelen, of wanneer zij over gegevens beschikt waaruit blijkt dat het gevaar § 2. Le bénéfice des dispositions du paragraphe 1er est subordonné à l’octroi d’une inscription préalable. La demande d’inscription est adressée à la Banque, accompagnée d’un dossier administratif répondant aux conditions fixées par la Banque et qui comporte notamment la preuve que les conditions prévues par la paragraphe 1er sont satisfaites, ainsi qu’une copie de la convention identifiant l’entreprise cessionnaire. La Banque statue sur la demande d’inscription dans les deux mois de l’introduction d’un dossier complet. Sans excéder le délai visé à l’alinéa 3, les décisions en matière d’inscription sont notifiées aux demandeurs dans les quinze jours par lettre recommandée à la poste ou avec accusé de réception. La Banque établit une liste des entreprises d’assu- rance inscrites en application du présent article. Cette liste et toutes les modifications qui y sont apportées sont publiées sur son site Internet. Les articles 22, 23, 27 et 30 sont d’application. § 3. Les entreprises visées à la présente Section fournissent à la Banque, à sa demande, toutes les infor- mations nécessaires en vue de vérifier le respect des conditions d’inscription prévues à la présente Section. Aux fins de l’alinéa 1er, la Banque peut définir, sur une base individuelle ou par voie de règlement pris conformément à l’article 12bis, paragraphe 2 de la loi du 22 février 1998, la nature, la portée, le format, la fréquence et les modalités de transmission des infor- mations dont elle exige la communication de la part des entreprises locales d’assurance. Les entreprises communiquent à la Banque d’initia- tive, sans délai, tout élément susceptible de conduire au non-respect des conditions d’inscription. Les articles 304, alinéa  2, 1° et 305  à 307  sont applicables. § 4. Lorsque la Banque constate qu’une entreprise d’assurance visée à la présente Section ne fonctionne pas en conformité avec les dispositions du présent article ou des mesures prises pour son exécution, ou qu’elle dispose d’éléments indiquant que cette 927 1584/002 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 bestaat dat deze onderneming in de komende twaalf maanden niet meer zal werken overeenkomstig deze bepalingen, stelt zij de termijn vast waarbinnen deze toestand moet worden verholpen. Indien de onderneming de toestand niet heeft ver- holpen bij het verstrijken van de met toepassing van het eerste lid vastgestelde termijn, kan de Bank een of meer van de maatregelen nemen die opgesomd zijn in artikel 517, § 1, 1° tot 7°. De paragrafen 2 tot 7 van hetzelfde artikel en artikel 518, eerste lid, zijn van over- eenkomstige toepassing. Artikel 293 is van toepassing. § 5. Artikel 102, eerste lid, 2° en 3° en tweede lid en de artikelen 105 en 106 zijn van toepassing. Afdeling III Andere verzekeringsondernemingen Art. 276 Voor de in dit Hoofdstuk bedoelde verzekerings- ondernemingen die niet in aanmerking komen voor de toepassing van de bepalingen van artikel 275, zijn de bepalingen van deze wet van toepassing onder de voorwaarden en met inachtneming van de preciseringen en beperkingen die in deze Afdeling zijn opgenomen. Bovendien bepaalt de Koning, met inachtneming van de preciseringen en beperkingen die Hij vastlegt, welke bepalingen van de maatregelen tot uitvoering van Richtlijn 2009/138/EG van toepassing zijn op de in dit Hoofdstuk bedoelde verzekerings ondernemingen. De in dit artikel bedoelde ondernemingen worden afzonderlijk vermeld in de lijst bedoeld in artikel 31. Art. 277 De artikelen 37 en 38 zijn van toepassing met dien verstande dat verwijzingen naar de artikelen 151 en 189  moeten worden opgevat als verwijzingen naar respectievelijk de artikelen 286 en 287. Art. 278 De artikelen 45 en 46 zijn niet van toepassing. De effectieve leiding wordt toevertrouwd aan ten minste twee natuurlijke personen. entreprise risque de ne plus fonctionner en conformité avec ces dispositions au cours des douze prochains mois, elle fixe le délai dans lequel il doit être remédié à cette situation. Si, à l’issue du délai fixé en application de l’alinéa 1er, l’entreprise n’a pas remédié à la situation, la Banque peut prendre une ou plusieurs des mesures énumérées à l’article 517, § 1er, 1° à 7°. Les paragraphes 2 à 7 du même article et l’article 518, alinéa 1er, sont applicables par analogie. L’article 293 est applicable. § 5. L’article 102, alinéa 1er, 2° et 3° et alinéa 2 et les articles 105 et 106 sont applicables. Section III Autres entreprises d’assurance Art. 276 Pour les entreprises d’assurance visées au présent Chapitre qui ne bénéficient pas des dispositions de l’article 275, les dispositions de la présente loi sont appli- cables dans les conditions et moyennant les précisions et restrictions prévues à la présente Section. Le Roi détermine en outre, moyennant les préci- sions et restrictions qu’Il spécifie, les dispositions des mesures d’exécution de la Directive 2009/138/CE qui sont applicables aux entreprises d’assurance visées au présent Chapitre. La liste visée à l’article 31 mentionne distinctement les entreprises visées au présent article. Art. 277 Les articles 37 et 38 sont d’application étant entendu que les références aux articles  151  et 189  doivent être entendues comme l’étant respectivement aux articles 286 et 287. Art. 278 Les articles 45 et 46 ne sont pas d’application. La direction effective est confiée à deux personnes physiques au moins. 928 1584/002 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 De verplichtingen die door of krachtens deze wet zijn opgelegd aan het directiecomité, rusten op de personen die belast zijn met de effectieve leiding. In afwijking van het eerste lid kan de Bank, op grond van de omvang en het risicoprofiel van de verzekerings- onderneming, verlangen dat een directiecomité wordt opgericht overeenkomstig de artikelen 45 en 46. Art. 279 Onverminderd de verplichtingen waarin het Wetboek van Vennootschappen voorziet voor genoteerde ven- nootschappen, zijn de artikelen 48 tot 53 en 56, § 3, niet van toepassing. De taken die door de artikelen 49 tot 51 zijn toege- wezen aan het auditcomité, het remuneratiecomité en het risicocomité, worden uitgevoerd door het wettelijk bestuursorgaan als geheel, met uitzondering van de leden ervan die belast zijn met de effectieve leiding of, in voorkomend geval, van de uitvoerende leden ervan. Art. 280 De artikelen 74 en 75 zijn van toepassing met dien verstande dat de verwijzingen naar de artikelen 151 en 189 moeten worden opgevat als verwijzingen naar res- pectievelijk de artikelen 285 en 286. Art. 281 § 1. Artikel 83 is niet van toepassing. § 2. De in deze Afdeling bedoelde ondernemingen zien erop toe dat de leden van het wettelijk bestuurs- orgaan, van de effectieve leiding en, in voorkomend geval, van het directiecomité, blijk geven van voldoende beschikbaarheid bij de uitvoering van hun taken, re- kening houdend met de omvang en de complexiteit van de verrichtingen die door de onderneming worden uitgevoerd, en zich niet in een belangenconflictsituatie bevinden, rekening houdend met de diverse mandaten of functies die zij bekleden. De onderneming stelt interne regels vast en ziet toe op de naleving van die regels, met het oog op de naleving van de doelstellingen van het eerste lid en op de openbaarmaking van de uitoefening van externe functies door de in het eerste lid bedoelde personen. De Bank kan bij reglement vastgesteld met toepassing van artikel 12bis, § 2 van de wet van 22 februari 1998 de Les obligations incombant, par ou en vertu de la présente loi, au comité de direction sont assumées par les personnes chargées de la direction effective. Par dérogation à l’alinéa  1er, la Banque peut, en fonction de la taille et du profil de risque de l’entreprise d’assurance, imposer la constitution d’un comité de direction conformément aux articles 45 et 46. Art. 279 Sans préjudice des obligations prévues par le Code des sociétés en ce qui concerne les sociétés cotées, les articles 48 à 53 et 56, § 3, ne sont pas d’application. Les fonctions attribuées au comité d’audit, au comité de rémunération et au comité des risques par les articles 49 à 51 sont exercées par l’organe légal d’administration dans son ensemble, à l’exclusion de ses membres qui sont chargés de la direction effective ou, le cas échéant, de ses membres exécutifs. Art. 280 Les articles 74 et 75 sont d’application étant entendu que les références aux articles  151  et 189  doivent être entendues comme l’étant respectivement aux articles 285 et 286. Art. 281 § 1er. L’article 83 n’est pas d’application. § 2. Les entreprises visées à la présente Section veillent à ce que les membres de l’organe légal d’admi- nistration, de la direction effective et, le cas échéant, du comité de direction, fassent preuve d’une disponibilité suffisante dans l’exercice de leurs fonctions compte tenu de l’ampleur et de la complexité des opérations effectuées par l’entreprise et ne soient pas dans des situations de conflit d’intérêts compte tenu des divers mandats ou fonctions qu’ils exercent. L’entreprise adopte et fait respecter des règles in- ternes en vue du respect des objectifs visés à l’alinéa 1er et de la publication de l’exercice de fonctions extérieures par les personnes visées à l’alinéa 1er. La Banque peut fixer les modalités des obligations visées au présent paragraphe par la voie de règlement 929 1584/002 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 wijze bepalen waarop de in deze paragraaf bedoelde verplichtingen moeten worden uitgevoerd. Art. 282 De artikelen 86 tot 91 zijn niet van toepassing. Art. 283 De artikelen 95 tot 97 en 99 tot 101 zijn niet van toepassing. De Bank kan, bij reglement vastgesteld met toepassing van artikel  12bis, §  2  van de wet van 22 februari 1998, eisen dat de in deze Afdeling bedoelde ondernemingen, volgens de frequentie die zij bepaalt, informatie bekendmaken over hun solvabiliteit en hun financiële positie. Art. 284 De artikelen 107 tot 122 zijn niet van toepassing. Art. 285 § 1. In afwijking van de artikelen 151 tot 188 is het sol- vabiliteitskapitaalvereiste waaraan de in deze Afdeling bedoelde ondernemingen moeten voldoen, minstens gelijk aan de som van de volgende bedragen: 1° voor niet-levensverzekeringsactiviteiten, met uit- zondering van die welke betrekking hebben op lopende renten en op de dekking van natuurrampen, stormen, hagel of vorst: 25 % van de gemiddelde schadelast van de laatste drie afgesloten boekjaren; 2° voor niet-levensverzekeringsactiviteiten die betrek- king hebben op de dekking van natuurrampen, stormen, hagel en vorst: 25 % van de gemiddelde schadelast van de laatste zeven afgesloten boekjaren; 3° voor levensverzekeringsactiviteiten, met uitzon- dering van die welke betrekking hebben op de dekking van bijkomende risico’s in de zin van artikel 21, § 2, en voor de lopende renten van de niet-levensverzekerings- activiteiten, de som van: a)  4  % van de technische voorzieningen van het vorige boekjaar, met dien verstande dat dit percentage verminderd wordt tot 1 % voor de activiteiten waarvoor adopté en application de l’article 12bis, § 2 de la loi du 22 février 1998. Art. 282 Les articles 86 à 91 ne sont pas d’application. Art. 283 Les articles  95  à 97  et 99  à 101  ne sont pas d’application. La Banque peut, par la voie de règlement adopté en application de l’article 12bis, §  2  de la loi du 22 février 1998, imposer aux entreprises visées par la présente Section, selon la fréquence qu’elle détermine, la publication d’informations relatives à leur solvabilité et leur situation financière. Art. 284 Les articles 107 à 122 ne sont pas d’application. Art. 285 § 1er. Par dérogation aux articles 151 à 188, le capital de solvabilité requis que les entreprises visées à la pré- sente Section détiennent est au moins égal à la somme des montants suivants: 1° pour les activités d’assurances non-vie à l’excep- tion de celles relatives aux rentes en cours et à la couverture des risques de catastrophes naturelles, tem- pêtes, grêle ou gelées: 25 % de la moyenne de la charge des sinistres des trois derniers exercices clôturés; 2° pour les activités d’assurance non-vie relatives à la couverture des risques de catastrophes naturelles, de tempêtes, grêle et gelées: 25 % de la moyenne de la charge des sinistres des sept derniers exercices clôturés; 3° pour les activités d’assurance-vie, à l’exception de celles relatives à la couverture de risques accessoires au sens de l’article 21, § 2, et pour les rentes en cours des activités d’assurance non-vie, la somme de: a) 4 % des provisions techniques de l’exercice précé- dent, ce pourcentage étant réduit à 1 % pour les activités pour lesquelles le risque de placement est supporté par 930 1584/002 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 het beleggingsrisico wordt gedragen door de verze- keringnemer en voor de activiteiten die tot tak 25 van Bijlage II behoren; b) 0,3 % van de niet-negatieve risicokapitalen van het voorbije boekjaar. 4° voor de levensverzekeringsactiviteiten die betrek- king hebben op de dekking van bijkomende risico’s in de zin van artikel 21, § 2: 25 % van de gemiddelde schadelast van de laatste drie afgesloten boekjaren. Het solvabiliteitskapitaalvereiste is minstens gelijk aan het bedrag dat met toepassing van artikel 189, § 1, 4° is vastgesteld, ongeacht het bedrag dat met toepas- sing van het eerste lid is vastgesteld. § 2. Voor de toepassing van dit artikel bepaalt de Bank, bij reglement vastgesteld met toepassing van artikel 12bis, § 2 van de wet van 22 februari 1998: 1° de wijze van berekening van de schadelast; 2° de limieten waarbinnen met de uitbetalingen van de herverzekeringsondernemingen en de effectiserings- vehikels rekening wordt gehouden bij de berekening van de bedoelde schadelast, de technische voorzieningen en de risicokapitalen. Art. 286 In afwijking van artikel  189  voldoen de in deze Afdeling bedoelde ondernemingen aan een mi- nimumkapitaalvereiste dat minstens gelijk is aan 60 % van het overeenkomstig artikel 285 berekende solvabiliteitskapitaalvereiste. Art. 287 § 1. De artikelen 140 tot 150 zijn niet van toepassing. § 2. De volgende elementen worden in aanmerking genomen voor de samenstelling van het in artikel 285 bedoelde solvabiliteitskapitaalvereiste: 1° het gestort maatschappelijk kapitaal, verhoogd met de uitgiftepremies, of, voor de onderlinge verzekerings- verenigingen, het gestorte deel van het maatschappelijk fonds plus de ledenrekeningen; 2° de (wettelijke en vrije) reserves die niet tegenover de verplichtingen staan of die niet zijn ingedeeld als voorzieningen voor egalisatie en catastrofen; le preneur d’assurance et les activités relevant de la branche 25 de l’Annexe II; b) 0,3 % des capitaux sous risque non négatifs de l’exercice précédent. 4°  pour les activités d’assurance-vie relatives à la couverture des risques accessoires au sens de l’article 21, § 2: 25 % de la moyenne de la charge des sinistres des trois derniers exercices clôturés. Quel que soit le montant déterminé en application de l’alinéa 1er, le capital de solvabilité requis est au moins égal au montant déterminé en application de l’article 189, § 1er, 4°. § 2. Aux fins du présent article, la Banque précise, par la voie d’un règlement adopté en application de l’article 12bis, § 2 de la loi du 22 février 1998: 1° le mode de calcul de la charge des sinistres; 2° les limites endéans lesquelles les interventions des entreprises de réassurance et des véhicules de titrisation sont prises en compte dans le calcul de la charge des sinistres visée, des provisions techniques et des capitaux sous risques. Art. 286 Par dérogation à l’article 189, les entreprises visées par la présente Section détiennent un minimum de capi- tal requis au moins égal à 60 % du capital de solvabilité requis calculé conformément à l’article 285. Art. 287 § 1er. Les articles 140 à 150 ne sont pas applicables. § 2. Les éléments suivants sont pris en considération pour la constitution du capital de solvabilité requis visé à l’article 285: 1° le capital social versé, majoré des primes d’émis- sion ou, s’il s’agit d’associations d’assurance mutuelle, le fonds initial effectif versé additionné des comptes de sociétaires; 2° les réserves (légales et libres) ne correspondant pas aux engagements ou qui ne sont pas classées comme provisions pour égalisation et catastrophes; 931 1584/002 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 3° de overgebrachte resultaten; 4° het fonds voor toekomstige toewijzingen wanneer dit kan worden gebruikt ter dekking van eventuele ver- liezen en wanneer het niet beschikbaar is gesteld voor uitkering aan de verzekeringnemers; 5° de achtergestelde leningen; 6° de helft van het niet-gestorte gedeelte van het maatschappelijk kapitaal of van het maatschappelijk fonds, zodra het gestorte gedeelte 25 % van dat kapitaal of fonds bedraagt; 7° bij onderlinge verzekeringsverenigingen met vari- abele bijdragen, de suppletiebijdragen die zij van hun leden kunnen eisen in de volgende twaalf maanden; 8°  de latente nettomeerwaarden die voortvloeien uit de waardering van activa, voor zover deze latente nettomeerwaarden geen uitzonderlijk karakter hebben. Van de in het eerste lid bedoelde elementen worden de eigen aandelen van de verzekeringsonderneming evenals de in het eerste lid, 5° bedoelde elementen afgetrokken die uitgegeven zijn door en rechtstreeks worden gehouden door de verzekeringsonderneming. De in het eerste lid, 5° tot 8° bedoelde elementen mogen enkel in aanmerking worden genomen mits de Bank daarvoor voorafgaandelijk haar toestemming heeft verleend en indien het totaal van die elementen niet meer bedraagt dan 60 % van het solvabiliteitska- pitaalvereiste. De Bank verleent haar goedkeuring op grond van: 1° de positie van de betrokken tegenpartijen, in ver- band met hun vermogen en bereidheid om te betalen; 2°  de invorderbaarheid van het vermogensbe- standdeel, waarbij rekening wordt gehouden met de rechtsvorm van het betrokken bestanddeel en met alle omstandigheden die zouden kunnen beletten dat het bestanddeel wordt gestort of opgevraagd; 3° informatie over de afloop van eerdere opvragingen door de verzekerings-ondernemingen van dergelijk aan- vullend eigen vermogen, voor zover die informatie op be- trouwbare wijze kan worden gebruikt om de verwachte afloop van toekomstige opvragingen te beoordelen. § 3. Voor de samenstelling van het minimumkapitaal- vereiste mogen de in paragraaf 1, eerste lid, 1° tot 4° bedoelde elementen in aanmerking worden genomen. 3° les résultats reportés; 4° le fonds pour dotations futures lorsqu’il peut être utilisé pour couvrir des pertes éventuelles et qu’il n’a pas été affecté à la participation des preneurs d’assurance; 5° les emprunts subordonnés; 6° la moitié de la fraction non versée du capital social ou du fonds initial, dès que la partie versée atteint 25 % de ce capital ou de ce fonds; 7° dans le cas d’une association d’assurance mu- tuelle à cotisations variables, toute créance future que cette association peut détenir sur ses membres par voie de rappel de cotisations durant les douze mois à venir; 8°  les plus-values latentes nettes provenant de l’évaluation d’éléments d’actif, dans la mesure où ces plus-values latentes nettes n’ont pas un caractère exceptionnel. Il est déduit des éléments visés à l’alinéa 1er, les actions propres de l’entreprise d’assurance, ainsi que les éléments visés au 5°, de l’alinéa 1er émis par et détenus directement par l’entreprise d’assurance. Les éléments visés aux 5° à 8° de l’alinéa 1er, ne peuvent être pris en considération que moyennant l’accord préalable de la Banque et à la condition que le total de ces éléments n’excède pas la 60 % du capital de solvabilité requis. La Banque fonde son approbation sur: 1° le statut des contreparties concernées, eu égard à leur capacité et à leur disposition à payer; 2° la possibilité de récupération de l’élément de fonds propres, compte tenu de la forme juridique de l’élément considéré, ainsi que de toute circonstance qui pourrait empêcher qu’il soit payé ou appelé avec succès; 3° toute information sur l’issue des appels émis dans le passé par les entreprises d’assurance pour des élé- ments de fonds propres semblables, dans la mesure où cette information peut être raisonnablement utilisée pour estimer l’issue attendue des futurs appels. § 3. Peuvent être pris en considération pour la consti- tution du minimum de capital requis, les éléments visés au paragraphe 1er, alinéa 1er, 1° à 4°. 932 1584/002 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 §  4.  De Bank kan bij reglement vastgesteld overeenkomstig artikel 12bis, §  2  van de wet van 22 februari 1998 de overige voorwaarden bepalen waar- aan de in dit artikel bedoelde eigenvermogensbestand- delen moeten voldoen. Art. 288 In afwijking van de artikelen 125  tot 139  be- rekenen en boeken de in deze Afdeling bedoel- de ondernemingen hun technische voorzieningen volgens de regels van het koninklijk besluit van 17 november 1994 op de jaarrekening van de verzeke- rings- en herverzekeringsondernemingen. De in het eerste lid bedoelde technische voorzienin- gen moeten op elk ogenblik gedekt zijn door gelijkwaar- dige activa die de verzekeringsonderneming in volle eigendom toebehoren. In afwijking van artikel 123 kan de Bank, bij reglement vastgesteld overeenkomstig artikel 12bis, § 2 van de wet van 22 februari 1998, de regels voor de waardering van de dekkingswaarden bepalen. Artikel 194 is van toepassing met dien verstande dat de activa overeenkomstig het derde lid worden gewaardeerd. Art. 289 De artikelen 204 tot 211 zijn niet van toepassing. Art. 290 De artikelen 313 tot 316 zijn niet van toepassing. Voor de toepassing van artikel 312 gelden de vol- gende regels: 1° de frequentie van de van tevoren bepaalde tijdstip- pen als bedoeld in paragraaf 2, 1°, a) van het genoemde artikel 312 mag niet hoger zijn dan jaarlijks; 2° de Bank kan het regelmatig verstrekken van voor toezichtsdoeleinden benodigde informatie beperken; 3° De Bank kan een onderneming vrijstellen van de verplichting om itemgewijs informatie als bedoeld in het genoemde artikel 312 te verstrekken, op voorwaarde dat de onderneming in staat is om haar deze informatie op eerste verzoek te verstrekken. § 4. La Banque peut, par la voie d’un règlement pris conformément à l’article 12bis, § 2 de la loi du 22 février 1998, déterminer les autres conditions aux- quelles les éléments de fonds propres visés au présent article doivent répondre. Art. 288 Par dérogation aux articles 125 à 139, les entreprises visées par la présente Section calculent et comptabi- lisent leurs provisions techniques selon les règles de l’arrêté royal du 17 novembre 1994 relatif aux comptes annuels des entreprises d’assurance et de réassurance. Les provisions techniques visées à l’alinéa 1er sont représentées à tout moment par des actifs équiva- lents appartenant en pleine propriété à l’entreprise d’assurance. Par dérogation à l’article 123, la Banque peut, par voie de règlement pris conformément à l’article 12bis, § 2 de la loi du 22 février 1998 déterminer les règles d’évaluation des valeurs représentatives. L’article 194 est applicable étant entendu que les actifs sont évalués conformément à l’alinéa 3. Art. 289 Les articles 204 à 211 ne sont pas d’application. Art. 290 Les articles 313 à 316 ne sont pas d’application. Pour l’application de l’article 312, les règles suivantes sont applicables: 1° les moments prédéfinis visés au paragraphe 2, 1°, a) dudit article 312, ne peuvent avoir une fréquence supérieure à un an; 2° la Banque peut limiter la communication régulière des informations requises à des fins de contrôle; 3° la Banque peut dispenser une entreprise de l’obli- gation de communiquer des informations visées audit article 312 poste par poste à condition que l’entreprise soit en mesure de lui fournir ces informations à la pre- mière demande. 933 1584/002 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 Art. 291 Artikel 324 is niet van toepassing. Art. 292 De artikelen 510 en 511 zijn van toepassing met dien verstande dat de verwijzingen naar de artikelen 151 en 189 moeten worden opgevat als verwijzingen naar res- pectievelijk de artikelen 285 en 286. Art. 293 Indien een onderneming waarop de bepalingen van deze Afdeling van toepassing zijn, niettegenstaande de geografische beperking van haar activiteiten, ac- tiviteiten uitoefent in het buitenland, stelt de Bank de toezichthouders van de lidstaten waarin activiteiten worden uitgeoefend, daarvan in kennis en verzoekt zij hen passende maatregelen te treffen om te beletten dat de onderneming deze activiteiten blijft uitoefenen op hun grondgebied. HOOFDSTUK III Lokale verzekeringsondernemingen Afdeling I Toepassingsgebied Art. 294 Dit Hoofdstuk is van toepassing op de verzekerings- ondernemingen die hun verzekeringsactiviteiten beper- ken tot de gemeente waar hun zetel is gevestigd of tot die gemeente en de omliggende Belgische gemeenten. Deze ondernemingen worden “lokale verzekeringson- dernemingen” genoemd. Art. 295 Met uitzondering van de bepalingen van dit hoofdstuk en van de Boeken IV en V zijn de lokale verzekerings- ondernemingen vrijgesteld van de toepassing van deze wet. Art. 291 L’article 324 n’est pas d’application. Art. 292 Les articles 510 et 511 sont applicables étant entendu que les références aux articles 151  et 189  doivent s’entendre comme étant faites respectivement aux articles 285 et 286. Art. 293 Si, en violation de la limitation géographique de ses activités, une entreprise bénéficiant des dispositions de la présente Section exerce des activités à l’étranger, la Banque informe les autorités de contrôle des États membres dans lesquels des activités sont exercées et leur demande de prendre les mesures appropriées pour empêcher l’entreprise de poursuivre ces opérations sur leur territoire. CHAPITRE III Entreprises locales d’assurance Section Ire Champ d’application Art. 294 Le présent Chapitre est applicable aux entreprises d’assurance qui restreignent leurs activités d’assurance à la commune de leur siège et aux communes belges limitrophes. Ces entreprises sont dénommées “entre- prises locales d’assurance”. Art. 295 À l’exception de celles prévues par le présent Chapitre et des dispositions des Livres  IV et V, les entreprises locales d’assurance sont dispensées de l’application de la présente loi. 934 1584/002 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 Afdeling II Inschrijving Art. 296 De toegang tot het verzekeringsbedrijf voor een lokale verzekeringsonderneming wordt afhankelijk gesteld van het verkrijgen van een voorafgaandelijke inschrijving. Bij de inschrijvingsaanvraag die aan de Bank wordt gericht, wordt een administratief dossier gevoegd dat voldoet aan de door de Bank gestelde voorwaarden en dat met name een beschrijving bevat van de beleids- structuur van de onderneming en het bewijs dat voldaan is aan de voorwaarden van artikel 298. De Bank spreekt zich uit over de inschrijvingsaan- vraag binnen zes maanden na indiening van een vol- ledig dossier. De beslissingen inzake inschrijving worden binnen vijftien dagen ter kennis gebracht van de aanvragers met een aangetekende brief of een brief met ontvangst- bewijs, met inachtneming van de termijnen bedoeld in het derde lid. De Bank maakt een lijst op van de lokale verze- keringsondernemingen die met toepassing van dit Hoofdstuk zijn ingeschreven. Die lijst en alle daarin aangebrachte wijzigingen worden op haar website bekendgemaakt. De artikelen 22, 23, 27 en 30 zijn van toepassing. Art. 297 Een verzekeringsonderneming die overeenkomstig Titel I van dit Boek een vergunning heeft verkregen, kan afstand doen van haar vergunning en vragen om ingeschreven te worden overeenkomstig dit Hoofdstuk, indien: 1°  zij voldoet aan alle in artikel  298  opgesomde voorwaarden; 2° de in artikel 298, 3°, d) genoemde ondergrens in de laatste drie jaar vóór de aanvraag niet werd overschre- den en naar verwachting niet zal worden overschreden in de vijf jaar na de aanvraag; 3° zij afstand doet van haar vergunning overeenkom- stig artikel 538, met dien verstande dat paragraaf 6 van Section II Inscription Art. 296 L’accès aux activités d’assurance par une entreprise locale d’assurance est subordonné à l’octroi d’une inscription préalable. La demande d’inscription est adressée à la Banque, accompagnée d’un dossier administratif répondant aux conditions fixées par la Banque et qui comporte notamment la description de la structure de gestion de l’entreprise et la preuve que les conditions prévues par l’article 298 sont satisfaites. La Banque statue sur la demande d’inscription dans les six mois de l’introduction d’un dossier complet. Sans excéder le délai visé à l’alinéa 3, les décisions en matière d’inscription sont notifiées aux demandeurs dans les quinze jours par lettre recommandée à la poste ou avec accusé de réception. La Banque établit une liste des entreprises locales d’assurance inscrites en application du présent Chapitre. Cette liste et toutes les modifications qui y sont apportées sont publiées sur son site Internet. Les articles 22, 23, 27 et 30 sont d’application. Art. 297 Une entreprise d’assurance agréée conformément au Titre Ier du présent Livre peut renoncer à son agrément et demander son inscription conformément au présent Chapitre si: 1° elle remplit toutes les conditions énumérées à l’article 298; 2° le seuil énoncé à l’article 298, 3°, d) n’a pas été dépassé durant les trois années précédant la demande et, selon les prévisions, n’est pas susceptible d’être dépassé au cours des cinq années suivant la demande; 3° elle renonce à son agrément conformément à l’article 538, le paragraphe 6 dudit article 538 n’étant 935 1584/002 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 het genoemde artikel 538 niet van toepassing is wan- neer de onderneming met toepassing van dit Hoofdstuk is ingeschreven. Afdeling III Voorwaarden voor de toekenning en het behoud van de inschrijving Art. 298 Om ingeschreven te kunnen worden moeten lokale verzekeringsondernemingen aan de volgende voor- waarden voldoen: 1° opgericht zijn in de vorm van een onderlinge ver- zekeringsvereniging of een coöperatieve vennootschap; 2° een effectieve leiding hebben ingesteld die uit ten minste twee personen bestaat die gezamenlijk optreden en waarop artikel 40, § 1, tweede lid van deze wet en ar- tikel 20 van de wet van 25 april 2014 van toepassing zijn; 3° hun activiteiten op de volgende wijze beperken: a) de verzekerde goederen beantwoorden aan de definitie van eenvoudige risico’s als bedoeld in arti- kel 5 van het koninklijk besluit van 24 december 1992 tot uitvoering van de wet van 25 juni 1992 op de landverze- keringsovereenkomst, en zijn gelegen in de gemeente waar de lokale verzekeringsonderneming haar zetel heeft of in de omliggende Belgische gemeenten; b)  de verzekerde gevaren behoren tot de takken 8, 9 en 16 als vermeld in Bijlage I en, op voorwaarde dat zij in de zin van artikel 21, § 2 bijkomend zijn bij de voornoemde gevaren, tot de takken 1, 3, 13, 17 en 18 als vermeld in dezelfde Bijlage; c) zij beperken hun doel tot de directe verzekerings- verrichtingen als bedoeld in a) en b) en de verrichtingen die daar rechtstreeks uit voortvloeien, met uitsluiting van elke andere handelsactiviteit; d) het jaarlijks incasso voor de verrichtingen bedoeld in a) en b) bedraagt niet meer dan één miljoen euro. 4° al hun directe verzekeringsactiviteiten herverzeke- ren bij een onderneming die in België het herverzeke- ringsbedrijf mag uitoefenen, ten belope van minstens 90  %, of 100  % voor aansprakelijkheidsrisico’s en natuurrampen; pas applicable dès lors que l’entreprise est inscrite en application du présent Chapitre. Section III Conditions d’octroi et de maintien de l’inscription Art. 298 L’inscription des entreprises locales d’assurance est subordonnée au respect des conditions suivantes: 1° être constituée sous la forme d’association d’assu- rance mutuelle ou de société coopérative; 2° avoir mis en place une direction effective consti- tuée de deux personnes au moins agissant conjointe- ment, l’article 40, § 1er, alinéa 2 de la présente loi et l’article 20 de la loi du 25 avril 2014 leur étant applicable; 3° limiter leurs activités de la manière suivante: a) les biens assurés répondent à la définition des risques simples visée à l’article 5  de l’arrêté royal du 24 décembre 1992 portant exécution de la loi du 25 juin 1992 sur le contrat d’assurance terrestre, et sont situés dans la commune où l’entreprise locale d’assurance a son siège ou dans les communes belges limitrophes; b) les périls assurés relèvent des branches 8, 9 et 16 mentionnées à l’Annexe I et, à condition qu’ils soient accessoires au sens de l’article 21, § 2, aux périls pré- cités, des branches 1, 3, 13, 17 et 18 mentionnées à la même Annexe; c) limiter leur objet aux opérations d’assurance directe telles que visées aux a) et b) et aux opérations qui en découlent directement à l’exclusion de toute autre acti- vité commerciale; d)  limiter l’encaissement annuel concernant les opérations visées aux a) et b) à un montant d’un million d’euros. 4° faire réassurer l’ensemble de leurs activités d’as- surance directe par une entreprise autorisée à exercer l’activité de réassurance en Belgique à concurrence d’au moins 90 %, ce pourcentage étant porté à 100 % pour les risques de responsabilité et catastrophes naturelles; 936 1584/002 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 5° de verzekeringsactiviteiten vóór 1 januari 2016 over- eenkomstig de bepalingen onder 3° en 4° uitoefenen. Afdeling IV Toezicht Art. 299 § 1. De lokale verzekeringsondernemingen verstrek- ken aan de Bank, op haar verzoek, alle informatie die nodig is om na te gaan of voldaan is aan de in arti- kel 298 bedoelde inschrijvingsvoorwaarden. Voor de toepassing van het eerste lid kan de Bank op individuele basis of bij reglement vastgesteld over- eenkomstig artikel 12bis, paragraaf 2 van de wet van 22 februari 1998, de aard, de omvang, het formaat, de frequentie en de wijze van indiening bepalen van de informatie die haar door de lokale verzekeringsonder- nemingen moet worden verstrekt. De lokale verzekeringsondernemingen delen aan de Bank op eigen initiatief en onverwijld alle factoren mee die tot gevolg zouden kunnen hebben dat niet langer voldaan is aan de inschrijvingsvoorwaarden. De artikelen 304, tweede lid, 1° en 305 tot 307 zijn van toepassing. § 2. Artikel 102, eerste lid, 2° en 3° en tweede lid en de artikelen 105 en 106 zijn van toepassing. Afdeling V Uitzonderingsmaatregelen Art. 300 Wanneer de Bank vaststelt dat een lokale verze- keringsonderneming niet werkt overeenkomstig de bepalingen van dit Hoofdstuk of de ter uitvoering ervan genomen maatregelen, of wanneer zij over gegevens beschikt waaruit blijkt dat het gevaar bestaat dat deze onderneming in de komende twaalf maanden niet meer zal werken overeenkomstig deze bepalingen, stelt zij de termijn vast waarbinnen deze toestand moet worden verholpen. Indien de lokale verzekeringsonderneming de toe- stand niet heeft verholpen bij het verstrijken van de met toepassing van het eerste lid vastgestelde termijn, kan de Bank een of meer van de maatregelen nemen die 5° exercer les activités d’assurance conformément aux 3° et 4° antérieurement au 1er janvier 2016. Section IV Contrôle Art. 299 § 1er. Les entreprises locales d’assurance fournissent à la Banque, à sa demande, toutes les informations nécessaires en vue de vérifier le respect des conditions d’inscription prévues à l’article 298. Aux fins de l’alinéa 1er, la Banque peut définir, sur une base individuelle ou par voie de règlement pris conformément à l’article 12bis, paragraphe 2 de la loi du 22 février 1998, la nature, la portée, le format, la fréquence et les modalités de transmission des infor- mations dont elle exige la communication de la part des entreprises locales d’assurance. Les entreprises locales d’assurance communiquent à la Banque d’initiative, sans délai, tout élément sus- ceptible de conduire au non-respect des conditions d’inscription. Les articles 304, alinéa  2, 1° et 305  à 307  sont applicables. § 2. L’article 102, alinéa 1er, 2° et 3° et alinéa 2 et les articles 105 et 106 sont applicables. Section V Mesures exceptionnelles Art. 300 Lorsque la Banque constate qu’une entreprise d’as- surance locale ne fonctionne pas en conformité avec les dispositions du présent Chapitre ou des mesures prises pour son exécution, ou qu’elle dispose d’éléments indi- quant que cette entreprise risque de ne plus fonctionner en conformité avec ces dispositions au cours des douze prochains mois, elle fixe le délai dans lequel il doit être remédié à cette situation. Si, à l’issue du délai fixé en application de l’alinéa 1er, l’entreprise locale d’assurance n’a pas remédié à la situation, la Banque peut prendre une ou plusieurs des mesures énumérées à l’article 517, § 1er, 1° à 7°. 937 1584/002 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 opgesomd zijn in artikel 517, § 1, 1° tot 7°. De paragra- fen 2 tot 7 van hetzelfde artikel en artikel 518, eerste lid zijn van overeenkomstige toepassing. Afdeling VI Beëindiging van de inschrijving Art. 301 § 1. Een ingeschreven lokale verzekeringsonderne- ming kan afstand doen van de inschrijving voor al haar activiteiten. Artikel  538, §  §  2  tot 5  is van overeenkomstige toepassing. § 2. Indien de lokale verzekeringsonderneming de toestand niet heeft verholpen bij het verstrijken van de met toepassing van artikel 300, eerste lid vastgestelde termijn, kan de Bank de inschrijving herroepen voor alle verzekeringstakken die zij uitoefent. In het geval bedoeld in het eerste lid wordt de lokale verzekeringsonderneming van rechtswege ontbonden en in vereffening gesteld overeenkomstig de artikelen 183 en volgende van het Wetboek van Vennootschappen. § 3. Het faillissement of de vrijwillige of gerechtelijke ontbinding, in de zin van de artikelen 181 en 182 van het Wetboek van Vennootschappen, van een lokale verzekeringsonderneming heeft de doorhaling van haar inschrijving tot gevolg voor alle verzekeringstakken die zij uitoefent. Art. 302 § 1. Het is verboden nieuwe verzekeringsovereen- komsten te sluiten wanneer de inschrijving is beëindigd. Overeenkomstig het eerste lid en artikel 301, § 3, staan artikel 187 van het Wetboek van Vennootschappen en ar- tikel 46 van de faillissementswet van 8 augustus 1997 en- kel toe dat de lopende verzekeringsovereenkomsten worden uitgevoerd, met uitzondering van het sluiten van nieuwe verzekeringsovereenkomsten. §  2.  Indien de lokale verzekeringsonderneming, niettegenstaande de geografische beperking van haar activiteiten, activiteiten uitoefent in het buitenland, stelt de Bank de toezichthouders van de lidstaten waarin activiteiten worden uitgeoefend, daarvan in kennis en verzoekt zij hen passende maatregelen te treffen om te Les paragraphes 2 à 7 du même article et l’article 518, alinéa 1er sont applicables par analogie. Section VI Fin de l’inscription Art. 301 § 1er. Une entreprise d’assurance locale inscrite a la faculté de renoncer à l’inscription pour l’ensemble de ses activités. L’article 538, § § 2 à 5 est applicable par analogie. §  2. Si, à l’issue du délai fixé en application de l’article 300, alinéa 1er, l’entreprise locale d’assurance n’a pas remédié à la situation, la Banque peut révoquer l’inscription pour l’ensemble des branches d’assurance pratiquées. Dans le cas visé à l’alinéa 1er, l’entreprise locale d’assurance est dissoute de plein droit et entre en liquidation conformément aux articles 183 et suivants du Code des sociétés. § 3. La faillite ou la dissolution volontaire ou judiciaire au sens des articles 181 et 182 du Code des sociétés d’une entreprise locale d’assurance entraîne la radia- tion de son inscription pour l’ensemble des branches d’assurance pratiquées. Art. 302 § 1er. La fin de l’inscription emporte interdiction de souscrire de nouveaux contrats d’assurance. Conformément à l’alinéa 1er et à l’article 301, § 3, l’article 187 du Code des sociétés et l’article 46 de la loi du 8 août 1997 sur les faillites ne permettent que l’exécu- tion de contrats d’assurance en cours, à l’exclusion de la conclusion de tous nouveaux contrats d’assurance. § 2. Si, en violation de la limitation géographique de ses activités, l’entreprise d’assurance locale exerce des activités à l’étranger, la Banque informe les autori- tés de contrôle des États membres dans lesquels des activités sont exercées et leur demande de prendre les mesures appropriées pour empêcher l’entreprise 938 1584/002 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 beletten dat de lokale verzekeringsonderneming deze activiteiten blijft uitoefenen op hun grondgebied. § 3. Artikel 545 is van overeenkomstige toepassing. TITEL IV Toezicht op de ondernemingen HOOFDSTUK I Toezicht door de Bank Afdeling I Algemene beginselen Art. 303 § 1. De Bank waakt erover dat elke verzekerings- of herverzekeringsonderneming werkt overeenkomstig de bepalingen van deze wet, haar uitvoeringsbesluiten en -reglementen en de rechtstreeks toepasbare Europese verordeningen, onverminderd de bevoegdheden die aan de FSMA zijn toegekend op grond van artikel 45, § 1, eerste lid, 3°, en § 2 van de wet van 2 augustus 2002. § 2. Bij de uitoefening van haar algemene taken 1° houdt de Bank afdoende rekening met de gevolgen die haar besluiten, inzonderheid in noodsituaties, kun- nen hebben voor de stabiliteit van het financiële stelsel van alle andere betrokken lidstaten, uitgaande van de op het betrokken tijdstip beschikbare informatie; wan- neer zich uitzonderlijke bewegingen op de financiële markten voordoen, moet de Bank rekening houden met de mogelijke procyclische effecten van haar optreden; 2° baseert haar toezicht op een toekomstgerichte, risicogebaseerde benadering; 3° past zij overeenkomstig het evenredigheidsbegin- sel de wettelijke en reglementaire vereisten toe, rekening houdend met de aard, de omvang en de complexiteit van de risico’s die inherent zijn aan de activiteit van de verzekerings- of herverzekeringsonderneming. § 3. In afwijking van paragraaf 1, worden de door deze wet opgelegde toezichtstaak en de desbetreffende prerogatieven die door of krachtens deze wet en de uitvoeringsmaatregelen van Richtlijn 2009/138/EG zijn vastgelegd, toevertrouwd aan de Controledienst voor de locale d’assurance de poursuivre ces opérations sur leur territoire. § 3. L’article 545 est d’application par analogie. TITRE IV DU Contrôle des entreprises CHAPITRE IER Contrôle par la Banque Section Ire Principes généraux Art. 303 § 1er. La Banque veille à ce que chaque entreprise d’assurance ou de réassurance opère conformément aux dispositions de la présente loi, des arrêtés et rè- glements pris en exécution de celle-ci ainsi que des règlements européens directement applicables, sans préjudice des compétences dévolues à la FSMA en vertu de l’article 45, § 1er, alinéa 1er, 3°, et § 2, de la loi du 2 août 2002. § 2. Dans l’exercice de ses missions générales, la Banque 1° tient dûment compte de l’incidence potentielle de ses décisions sur la stabilité du système financier de tous les autres États membres concernés, en particulier dans les situations d’urgence et ce, en se fondant sur les informations disponibles au moment considéré; à cet égard, dans les périodes d’extrêmes instabilité des marchés financiers, la Banque prend en compte les éventuels effets procycliques de son action; 2° fonde son contrôle sur une approche prospective et basée sur les risques; 3° conformément au principe de proportionnalité, applique les exigences légales et réglementaires eu égard à la nature, à l’ampleur et à la complexité des risques inhérents à l’activité de l’entreprise d’assurance ou de réassurance. § 3. Par dérogation au paragraphe 1er, la mission de contrôle prévue par la présente loi et les prérogatives y afférentes prévues par ou en vertu de la présente loi et par les mesures d’exécution de la Directive 2009/138/CE, sont confiées à l’Office de contrôle des 939 1584/002 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 ziekenfondsen voor wat de verzekeringsmaatschappijen van onderlinge bijstand betreft. Art. 304 Met het oog op haar opdracht kan de Bank zich naast de informatie die de verzekerings- of herver- zekeringsondernemingen overeenkomstig de bepa- lingen van Afdeling III verstrekken, alle inlichtingen doen verstrekken over de organisatie, de werking, de positie en de verrichtingen van de verzekerings- of herverzekeringsondernemingen. Zij kan ter plaatse inspecties verrichten en ter plaatse kennis nemen en een kopie maken van elk gegeven in bezit van de onderneming, 1° om na te gaan of de wettelijke en reglementaire bepalingen en de bepalingen van de rechtstreeks toe- pasbare Europese verordeningen die betrekking hebben op het statuut van de verzekerings- of herverzekerings- ondernemingen, inzonderheid de bepalingen inzake de solvabiliteitsvereisten, de technische voorzieningen, de activa en het in aanmerking komend eigen vermogen, zijn nageleefd en of de boekhouding en jaarrekening, alsmede de haar door de onderneming voorgelegde staten en inlichtingen, juist en waarheidsgetrouw zijn; 2°  om het passende karakter te toetsen van het governancesysteem en inzonderheid van de beleids- structuren, de administratieve en boekhoudkundige organisatie, de interne controle en het beleid inzake het prospectieve beheer van de eigenvermogensbehoeften en de liquiditeit van de onderneming; 3° om zich ervan te vergewissen dat het beleid van de onderneming gezond en voorzichtig is en dat haar positie of haar verrichtingen haar liquiditeit, rendabiliteit of solvabiliteit niet in gevaar kunnen brengen. De in het eerste en tweede lid bedoelde prerogatieven omvatten ook de toegang tot de agenda’s en de notulen van de vergaderingen van de verschillende organen van de onderneming en van hun interne comités, evenals tot de bijbehorende documenten en tot de resultaten van de interne en/of externe beoordeling van de werking van de genoemde organen. Art. 305 In het kader van het door de Bank uitgeoefende toezicht en met name van de inspecties, zijn de per- soneelsleden van de Bank gemachtigd om van de leiders en de werknemers van de verzekerings- of mutualités en ce qui concerne les sociétés mutualistes d’assurance. Art. 304 Aux fins de sa mission, outre les informations que les entreprises d’assurance ou de réassurance commu- niquent conformément aux dispositions de la Section III, la Banque peut se faire communiquer toutes informa- tions relatives à l’organisation, au fonctionnement, à la situation et aux opérations des entreprises d’assurance ou de réassurance. Elle peut procéder à des inspections sur place et prendre connaissance et copie, sans déplacement, de toute information détenue par l’entreprise, en vue 1° de vérifier le respect des dispositions légales et réglementaires et des règlements européens directe- ment applicables, relatives au statut des entreprises d’assurance ou de réassurance, en particulier les dispositions relatives aux exigences en matière de sol- vabilité, de provisions techniques, d’actifs et de fonds propres éligibles, ainsi que l’exactitude et la sincérité de la comptabilité et des comptes annuels de même que des états et autres informations qui lui sont transmis par l’entreprise; 2° de vérifier le caractère adéquat du système de gouvernance, et en particulier des structures de ges- tion, de l’organisation administrative et comptable, du contrôle interne et de la politique en matière de gestion prospective des besoins en fonds propres et de la liqui- dité de l’entreprise; 3° de s’assurer que la gestion de l’entreprise est saine et prudente et que sa situation ou ses opérations ne sont pas de nature à mettre en péril sa liquidité, sa rentabilité ou sa solvabilité. Les prérogatives visées aux alinéas 1er et 2 couvrent également l’accès aux ordres du jour et aux procès-ver- baux des réunions des différents organes de l’entreprise et de leurs comités internes, ainsi qu’aux documents y afférents et aux résultats de l’évaluation interne et/ou externe du fonctionnement desdits organes. Art. 305 Dans le cadre de son contrôle et notamment des inspections, les agents de la Banque sont habilités à recevoir des dirigeants et des employés de l’entreprise d’assurance ou de réassurance toutes informations et 940 1584/002 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 herverzekeringsonderneming alle inlichtingen en uitleg te verkrijgen die zij nodig achten voor de uitvoering van hun opdrachten en kunnen zij te dien einde eisen dat er gesprekken plaatsvinden met leiders of personeelsleden van de onderneming die zij aanduiden. Art. 306 De inspectieverslagen en meer in het algemeen alle documenten die uitgaan van de Bank, waarvan zij aangeeft dat ze vertrouwelijk zijn, mogen niet openbaar worden gemaakt door de verzekerings- of herverzeke- ringsondernemingen zonder uitdrukkelijke toestemming van de Bank. De niet-naleving van deze verplichting wordt bestraft met de straffen waarin voorzien is in artikel 458 van het Strafwetboek. Art. 307 Onverminderd artikel 92, tweede lid, 3°, kan de Bank in geval van uitbesteding ook haar inspectiepreroga- tieven uitoefenen als bedoeld in artikel 304, tweede lid, bij de ondernemingen waarop de verzekerings- of herverzekeringsondernemingen een beroep doen als dienstverleners (uitbesteding – outsourcing) om na te gaan of de voorwaarden voor die dienstverlening geen afbreuk doen aan de naleving door de verzekerings- of herverzekeringsondernemingen van hun wettelijke en reglementaire verplichtingen. De in de artikelen 305 en 310 bedoelde prerogatieven kunnen, naar analogie, ook worden uitgeoefend ten aanzien van die dienstverleners. De toezichthouders van een andere lidstaat waarvan de verzekerings- of herverzekeringsondernemingen die onder hun toezichtsbevoegdheid vallen, een be- roep doen op in België gevestigde dienstverlenende ondernemingen (uitbesteding – outsourcing), mogen ten aanzien van die dienstverleners de in het eerste lid bedoelde prerogatieven uitoefenen, in voorkomend geval door middel van personen die zij daartoe machti- gen. Wanneer zij daarom verzoeken kan de Bank haar prerogatieven namens deze toezichthouders uitoefenen. Art. 308 Met het oog op een efficiënt en gecoördineerd toe- zicht op de verzekeringsondernemingen sluiten de Bank en de FSMA enerzijds en de Bank en de Controledienst explications qu’ils estiment nécessaires pour l’exercice de leurs missions et peuvent, à cette fin, requérir la tenue d’entretiens avec des dirigeants ou membres du personnel de l’entreprise qu’ils désignent. Art. 306 Les rapports d’inspection et plus généralement tous les documents émanant de la Banque dont elle indique qu’ils sont confidentiels ne peuvent être divulgués par les entreprises d’assurance ou de réassurance sans le consentement exprès de la Banque. Le non-respect de cette obligation est puni des peines prévues par l’article 458 du Code pénal. Art. 307 Sans préjudice de l’article 92, alinéa 2, 3°, en cas de recours à la sous-traitance, la Banque peut également exercer ses prérogatives d’inspection visées à l’ar- ticle 304, alinéa 2 auprès des entreprises auxquelles les entreprises d’assurance ou de réassurance recourent en qualité de prestataires de services (sous-traitance – outsourcing) afin de vérifier si les conditions de ces prestations ne sont pas de nature à porter atteinte au respect par les entreprises d’assurance ou de réassu- rance de leurs obligations légales et réglementaires. Les prérogatives visées aux articles 305 et 310 peuvent également, par analogie, être exercées à l’égard de ces prestataires de services. Les autorités de contrôle d’un autre État membre dont les entreprises d’assurance ou de réassurance qui ressortissent de leurs compétences de contrôle recourent à des entreprises en qualité de prestataires de services (sous-traitance – outsourcing) situées en Belgique peuvent exercer à l’égard de ces prestataires de services les prérogatives prévues à l’alinéa 1er , le cas échéant par l’intermédiaire des personnes qu’elles mandatent à cet effet. À leur demande, la Banque peut exercer ces prérogatives pour le compte de de ces autorités. Art. 308 En vue d’assurer un contrôle efficace et coordonné des entreprises d’assurance, la Banque et la FSMA, d’une part, la Banque et l’Office de contrôle des 941 1584/002 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 voor de ziekenfondsen anderzijds, een overeenkomst. Zij maken deze overeenkomst bekend op hun respec- tieve websites. Deze overeenkomsten bepalen de modaliteiten van de samenwerking tussen, respectievelijk, de Bank en de FSMA, en de Bank en de Controledienst voor de ziekenfondsen in alle gevallen waar de wet voorziet in een advies, raadpleging, informatie of ander contact tussen deze instellingen of waar overleg tussen deze instellingen noodzakelijk is om een eenvormige toepas- sing van de wetgeving te verzekeren. Art. 309 Relaties tussen een verzekerings- of herverzekerings- onderneming en een bepaalde cliënt behoren niet tot de bevoegdheid van de Bank tenzij het toezicht op die onderneming dit vergt. Afdeling II Toezicht op in een andere lidstaat uitgeoefende activiteiten Art. 310  § 1. De Bank kan bij de bijkantoren van verzeke- rings- of herverzekeringsondernemingen naar Belgisch recht die in een andere lidstaat zijn gevestigd, na voorafgaande kennisgeving aan de toezichthouders van die staat, de in artikel 304, tweede lid bedoelde inspecties verrichten, alsook alle inspecties met als doel ter plaatse gegevens te verzamelen of te toetsen over de leiding en het beleid van het bijkantoor, alsook alle gegevens die het toezicht op de verzekerings- of herverzekeringsonderneming kunnen vergemakkelijken. De toezichthouders van de lidstaat van ontvangst kun- nen aan die toetsing deelnemen. Met hetzelfde doel en na kennisgeving aan de in het eerste lid bedoelde autoriteiten, kan de Bank een deskundige die zij aanstelt, gelasten met alle nuttige controles en onderzoeken. De bezoldiging en de kosten van deze deskundige worden door de onderneming gedragen. Evenzo kan zij deze autoriteiten verzoeken bepaalde van de in het eerste lid bedoelde controles en onder- zoeken te verrichten. Wanneer de autoriteiten van de lidstaat van ont- vangst haar echter verhinderen haar recht op die controles uit te oefenen of indien de autoriteiten van die lidstaat niet kunnen deelnemen aan die mutualités, d’autre part, concluent un protocole. Elles publient ce protocole sur leur site internet respectif. Ces protocoles déterminent les modalités de la colla- boration entre, respectivement, la Banque et la FSMA, et la Banque et l’Office de contrôle des mutualités dans tous les cas où la loi prévoit un avis, une consul- tation, une information ou tout autre contact entre ces institutions, ainsi que dans les cas où une concertation entre ces institutions est nécessaire pour assurer une application uniforme de la législation. Art. 309 La Banque ne connaît des relations entre une entreprise d’assurance ou de réassurance et un client déterminé que dans la mesure requise pour le contrôle de cette entreprise. Section II Contrôle des activités exercées dans un autre État membre Art. 310  § 1er. La Banque peut procéder auprès des succur- sales des entreprises d’assurance ou de réassurance de droit belge établies dans un autre État membre, moyennant l’information préalable des autorités de contrôle de cet État, aux inspections visées à l’ar- ticle 304, alinéa 2, ainsi qu’à toute inspection en vue de recueillir ou de vérifier sur place les informations relatives à la direction et à la gestion de la succursale ainsi que toutes informations susceptibles de faciliter le contrôle de l’entreprise d’assurance ou de réassurance. Les autorités de contrôle de l’État membre d’accueil peuvent participer à cette vérification. La Banque peut, aux mêmes fins, et après en avoir avisé les autorités visées à l’alinéa  1er, charger un expert, qu’elle désigne, d’effectuer les vérifications et expertises utiles. La rémunération et les frais de l’expert sont à charge de l’entreprise. Elle peut, de même, demander à ces autorités de procéder aux vérifications et expertises visées à l’ali- néa 1er qu’elle leur précise. Lorsqu’il lui est néanmoins interdit par les autorités de l’État membre d’accueil d’exercer son droit à ces vérifications ou que les autorités de cet État ne sont pas en mesure de participer à ces vérifications, la Banque 942 1584/002 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 controles, kan de Bank overeenkomstig artikel 19 van Verordening 1094/2010 de zaak aan EIOPA voorleggen en om haar bijstand verzoeken. § 2. Wanneer de in artikel 307, eerste lid bedoelde dienstverleners in een andere lidstaat zijn gevestigd, is paragraaf 1 van overeenkomstige toepassing op de bij hen verrichte controles.  Art. 311 Wanneer de toezichthouders van een lidstaat van ontvangst vaststellen dat een verzekerings- of herver- zekeringsonderneming dat op haar grondgebied een bijkantoor heeft of aldaar werkzaam is in het kader van het vrij verrichten van diensten, de op haar toepasse- lijke wettelijke bepalingen van die lidstaat niet naleeft, neemt de Bank op verzoek van deze toezichthouders onverwijld alle passende maatregelen om ervoor te zorgen dat de onderneming een einde maakt aan deze onregelmatige situatie. De Bank kan inzonderheid een of meer van de in de artikelen 517 en 603 bedoelde maatregelen nemen. De Bank brengt de toezichthouders van de lid- staat van ontvangst op de hoogte van de getroffen maatregelen. In de gevallen bedoeld in artikel 155, lid 3 van Richtlijn 2009/138/EG kan de Bank de zaak aan EIOPA voorleg- gen en om haar bijstand verzoeken overeenkomstig artikel 19 van Verordening 1094/2010. Afdeling III Voor toezichtsdoeleinden te verstrekken informatie Art. 312 § 1. De verzekerings- of herverzekeringsondernemin- gen verstrekken aan de Bank alle voor toezichtsdoel- einden benodigde informatie, rekening houdend met de doelstellingen van het toezicht die vastgelegd zijn in artikel 303. Deze informatie bevat ten minste de gege- vens die nodig zijn voor de uitvoering van de volgende taken in het kader van de tenuitvoerlegging van het in Afdeling IV bedoelde toezichtsproces: 1° beoordelen van het door de ondernemingen toe- gepaste governancesysteem, de door hen uitgeoefende activiteiten, de voor solvabiliteitsdoeleinden gehan- teerde waarderingsgrondslagen, de risico’s waaraan zij peut saisir l’EIOPA, et solliciter son aide conformément à l’article 19 du Règlement 1094/2010. § 2. Lorsque les prestataires de services visés à l’article 307, alinéa 1er sont situés dans un autre État membre, le paragraphe 1er est applicable par analogie en ce qui concerne les vérifications à leur égard.  Art. 311 À la demande des autorités de contrôle d’un État membre d’accueil qui constatent qu’une entreprise d’assurance ou de réassurance ayant une succursale ou opérant dans le cadre de la libre prestation de ser- vices sur son territoire ne respecte pas les dispositions légales de cet État membre qui lui sont applicables, la Banque prend, dans les plus brefs délais, toutes les mesures appropriées pour que l’entreprise mette fin à cette situation irrégulière. En particulier, la Banque peut prendre une ou plu- sieurs des mesures visées aux articles 517 et 603. La Banque informe les autorités de contrôle de l’État membre d’accueil des mesures qui ont été prises. Dans les cas visés à l’article 155, paragraphe 3 de la Directive 2009/138/CE, la Banque peut saisir l’EIOPA, et solliciter son aide conformément à l’article 19 du Règlement 1094/2010. Section III Informations aux fins du contrôle Art. 312 § 1er. Les entreprises d’assurance ou de réassurance fournissent à la Banque toutes les informations néces- saires aux fins du contrôle, compte tenu des objectifs du contrôle établis à l’article 303. Ces informations comprennent au minimum les informations nécessaires à l’exécution des tâches suivantes, dans le cadre de la mise en œuvre du processus de contrôle visé à la Section IV: 1° évaluer le système de gouvernance appliqué par les entreprises, leurs activités, les principes d’évaluation qu’elles appliquent à des fins de solvabilité, les risques auxquels elles sont exposées et leurs systèmes de 943 1584/002 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 blootstaan en hun risicobeheersystemen, hun kapitaal- structuur, kapitaalbehoeften en kapitaalbeheer; 2° in het kader van de uitoefening van haar rechten en functies met betrekking tot het toezicht elke passende beslissing nemen. § 2. Voor de toepassing van paragraaf 1 kan de Bank: 1° de aard, de omvang, het formaat, de frequentie en de wijze van indiening van de in paragraaf 1 be- doelde informatie vaststellen, op individuele basis of bij reglement vastgesteld overeenkomstig artikel 12bis, § 2 van de wet van 22 februari 1998, en deze informatie bij de verzekerings- en herverzekeringsondernemingen opvragen: a) op van tevoren bepaalde tijdstippen; b) wanneer er zich van tevoren omschreven gebeur- tenissen voordoen; c) bij onderzoek naar de situatie van een verzeke- rings- of herverzekeringsonderneming; 2° alle informatie inwinnen over overeen komsten die in het bezit zijn van tussenpersonen, of over overeen- komsten die met derden worden aangegaan; 3° informatie opvragen bij externe deskundigen; 4° eisen dat haar geregeld andere cijfergegevens of uitleg dan deze bedoeld in paragraaf 1 worden verstrekt, indien zij deze gegevens nodig heeft om te kunnen nagaan of de bepalingen van deze wet of van de ter uitvoering ervan genomen besluiten en reglementen en van de uitvoeringsmaatregelen van Richtlijn 2009/138/ EG zijn nageleefd. § 3. De in de paragrafen 1 en 2 bedoelde informatie bestaat uit: 1°  kwalitatieve of kwantitatieve elementen of een passende combinatie daarvan; 2° historische, huidige of prospectieve elementen of een passende combinatie daarvan; 3° gegevens uit interne of externe bronnen of een passende combinatie daarvan. § 4. Voor de in de paragrafen 1 en 2 bedoelde infor- matie worden de volgende beginselen in acht genomen: gestion des risques, la structure de leur capital, leurs besoins en capital et la gestion de leur capital; 2°  prendre toute décision appropriée qu’appelle l’exercice de ses droits et fonctions en matière de contrôle. § 2. Aux fins du paragraphe 1er, la Banque peut: 1° définir, sur une base individuelle ou par voie d’un règlement pris conformément à l’article 12bis, § 2, de la loi du 22 février 1998, la nature, la portée, le format, la fréquence et les modalités de transmission des informations visées au paragraphe 1er, dont elle exige la communication de la part des entreprises d’assurance ou de réassurance aux moments suivants: a) à des moments prédéfinis; b) lorsque des événements prédéfinis se produisent; c)  lors d’enquêtes concernant la situation d’une entreprise d’assurance ou de réassurance; 2°  obtenir toute information relative aux contrats détenus par des intermédiaires ou aux contrats conclus avec des tiers; 3°  exiger des informations de la part d’experts externes; 4° prescrire la transmission régulière d’informations chiffrées ou descriptives autres que celles visées au paragraphe 1er, lorsque ces informations sont néces- saires à la vérification du respect des dispositions de la présente loi ou des arrêtés et règlements pris en exécution de celle-ci ainsi que des mesures d’exécution de la Directive 2009/138/CE. § 3. Les informations visées aux paragraphes 1er et 2 comprennent: 1° des éléments qualitatifs ou quantitatifs, ou toute combinaison appropriée de ces éléments; 2° des éléments historiques, actuels ou prospectifs, ou toute combinaison appropriée de ces éléments; 3° des données provenant de sources internes ou externes, ou toute combinaison appropriée de ces données. § 4. Les informations visées aux paragraphes 1er et 2 respectent les principes suivants: 944 1584/002 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 1° er moet rekening worden gehouden met de aard, de omvang en de complexiteit van de activiteiten van de betrokken onderneming, en met name met de risico’s die aan die activiteit verbonden zijn; 2° zij is toegankelijk, in alle essentiële opzichten vol- ledig, vergelijkbaar en in de tijd gezien consistent; 3° zij is relevant, betrouwbaar en begrijpelijk. Art. 313 Niettegenstaande de van tevoren bepaalde tijdstip- pen als bedoeld in artikel 312, § 2, 1°, a) maar onver- minderd artikel 189, § 4, kan de Bank toestaan dat een verzekerings- of herverzekeringsonderneming de voor toezichtsdoeleinden benodigde informatie niet vaker dan eenmaal per jaar meedeelt wanneer het verstrek- ken van die informatie een belasting zou vormen die niet in verhouding staat tot de aard, de omvang en de complexiteit van de risico’s die verbonden zijn aan de activiteit van de onderneming. Art. 314 De Bank kan het regelmatig verstrekken van voor toezichtsdoeleinden benodigde informatie beperken of de verzekerings- of herverzekeringsondernemingen vrijstellen van deze verplichting om itemgewijs informatie te verstrekken wanneer: 1° het verstrekken van die informatie een belasting zou vormen die niet in verhouding staat tot de aard, de omvang en de complexiteit van de risico’s die verbonden zijn aan de activiteit van de onderneming; 2° het verstrekken van die informatie niet nodig is voor het effectieve toezicht op de onderneming; 3° de vrijstelling niet schadelijk is voor de stabiliteit van de betrokken financiële stelsels in de Europese Unie; en 4° de onderneming informatie op ad-hocbasis kan verstrekken. Art. 315 De artikelen 313 en 314, voor zover zij het itemge- wijs verstrekken van informatie betreffen, zijn niet van toepassing wanneer de verzekerings- of herverzeke- ringsonderneming deel uitmaakt van een groep in de zin van artikel 339, 2°, tenzij die onderneming tegenover 1° elles reflètent la nature, l’ampleur et la complexité des activités de l’entreprise concernée et notamment les risques inhérents à cette activité; 2° elles sont accessibles, complètes pour tout ce qui est important, comparables et cohérentes dans la durée; 3° elles sont pertinentes, fiables et compréhensibles. Art. 313 Nonobstant les moments prédéfinis visés à l’ar- ticle 312, § 2, 1°, a) mais sans préjudice de l’article 189, § 4, la Banque peut autoriser une entreprise d’assurance ou de réassurance à ne communiquer les informations à des fins de contrôle qu’une fois par an au maximum lorsque la fourniture de ces informations représenterait une charge disproportionnée compte tenu de la nature, de l’ampleur et de la complexité des risques inhérents à l’activité de l’entreprise. Art. 314 La Banque peut limiter la communication régulière des informations requises à des fins de contrôle ou dis- penser des entreprises d’assurance ou de réassurance de cette obligation de communication d’informations poste par poste, lorsque: 1° la fourniture de ces informations représenterait une charge disproportionnée compte tenu de la nature, de l’ampleur et de la complexité des risques inhérents à l’activité de l’entreprise; 2° la fourniture de ces informations n’est pas néces- saire au contrôle effectif de l’entreprise; 3° la dispense ne nuit pas à la stabilité des systèmes financiers concernés dans l’Union européenne; et 4° l’entreprise est en mesure de fournir des informa- tions de façon ad hoc. Art. 315 Les articles 313 et 314, en ce qu’ils concernent la communication d’informations poste par poste, ne sont pas applicables lorsque l’entreprise d’assurance ou de réassurance fait partie d’un groupe au sens de l’article 339, 2°, à moins que cette entreprise démontre 945 1584/002 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 de Bank aantoont dat het frequenter verstrekken van informatie dan eenmaal per jaar of het itemgewijs ver- strekken van informatie niet aangewezen is, gelet op de aard, de omvang en de complexiteit van de risico’s die verbonden zijn aan de activiteit van de groep en rekening houdend met de doelstelling van financiële stabiliteit. De vrijstelling bedoeld in het eerste lid kan enkel aan de volgende ondernemingen worden verleend: 1° ondernemingen die samen niet meer dan 20 % van de Belgische verzekerings- of herverzekeringsmarkt “niet-leven” vertegenwoordigen, waarbij het markt- aandeel van die ondernemingen gebaseerd is op de geboekte brutopremies; 2° ondernemingen die samen niet meer dan 20 % van de Belgische verzekerings- of herverzekeringsmarkt “leven” vertegenwoordigen, waarbij het marktaandeel van die ondernemingen gebaseerd is op de bruto tech- nische voorzieningen. Bij het bepalen of ondernemingen voor die vrijstel- lingen in aanmerking komen, geeft de Bank voorrang aan de kleinste ondernemingen. Art. 316 Voor de toepassing van de artikelen 313 en 314 be- oordeelt de Bank in het kader van het prudentieel toezichtsproces of het verstrekken van informatie een belasting vormt die niet in verhouding staat tot de aard, de omvang en de complexiteit van de risico’s waaraan de onderneming blootstaat, waarbij ten minste rekening wordt gehouden met: 1° het volume van de premies, de technische voor- zieningen en de activa van de onderneming; 2° de volatiliteit van de schadegevallen en schade- vergoedingen die gedekt worden door de onderneming; 3° de marktrisico’s die voortvloeien uit de beleggingen van de onderneming; 4° de risicoconcentratie; 5° het totaal aantal levens- en niet-levensverzeke- ringstakken waarvoor een vergunning is verleend; 6° mogelijke effecten van het beheer van de activa van de onderneming op de financiële stabiliteit; à la Banque que la communication d’informations à une fréquence supérieure à une fois l’an ou poste par poste est inappropriée, eu égard à la nature, à l’ampleur et à la complexité des risques inhérents à l’activité du groupe et compte tenu de l’objectif de stabilité financière. La dispense visée à l’alinéa 1er n’est permise qu’aux entreprises suivantes: 1° les entreprises qui, ensemble, ne représentent pas plus de 20 % du marché belge d’assurance ou de réas- surance non-vie, étant entendu que la part de marché de ces entreprises repose sur des primes brutes émises; 2° les entreprises qui, ensemble, ne représentent pas plus de 20 % du marché belge de l’assurance ou de la réassurance vie, étant entendu que la part de marché de ces entreprises repose sur les provisions techniques brutes. La Banque donne priorité aux plus petites entreprises lorsqu’elle détermine l’éligibilité de ces entreprises à ces dispenses. Art. 316 Aux fins des articles 313 et 314, dans le cadre du processus de contrôle prudentiel, la Banque évalue si la fourniture d’informations représente une charge disproportionnée eu égard à la nature, à l’ampleur et à la complexité des risques à laquelle l’entreprise est exposée, compte tenu, au moins: 1° du volume des primes, des provisions techniques et des actifs de l’entreprise; 2° de la volatilité des sinistres et des indemnisations couverts par l’entreprise; 3° des risques de marché auxquels les investisse- ments de l’entreprise donnent lieu; 4° du niveau de concentrations du risque; 5° du nombre total de branches d’assurance-vie et non-vie pour lesquelles l’agrément est accordé; 6° des effets potentiels de la gestion des actifs de l’entreprise sur la stabilité financière; 946 1584/002 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 7° de systemen en structuren van de onderneming om informatie te verstrekken voor toezichtsdoeleinden, en de schriftelijk vast gelegde beleidslijn bedoeld in artikel 77, § 7; 8° de geschiktheid van het governancesysteem van de onderneming; 9°  het niveau van het eigen vermogen ter dek- king van het solvabiliteitskapitaalvereiste en van het minimumkapitaalvereiste; 10° het feit of de onderneming al dan niet een verze- keringscaptive of herverzekeringscaptive is die uitslui- tend de risico’s dekt van de industriële of commerciële groep waartoe zij behoort. Art. 317 § 1. Ten minste drie weken vóór de bijeenkomst van de algemene vergadering of, bij ontstentenis ervan, van het beslissingsorgaan van de onderneming, stellen de verzekerings- of herverzekeringsondernemingen de Bank in kennis van de ontwerpen van wijzigingen in de statuten, alsook van de beslissingen die zij van plan zijn tijdens die vergadering te nemen en die een weerslag zouden kunnen hebben op de overeenkomsten in het algemeen. De Bank kan eisen dat de door haar geformuleerde opmerkingen over die ontwerpen ter kennis worden ge- bracht van de algemene vergadering of, bij ontstentenis ervan, van het beslissingsorgaan van de onderneming. § 2. Binnen een maand na de goedkeuring ervan door de algemene vergadering, of, bij ontstentenis, door het bevoegde besluitvormingsorgaan, stellen de verzekerings- of herverzekeringsondernemingen de Bank in kennis van de wijzigingen in de statuten en van de beslissingen die een weerslag kunnen hebben op de overeenkomsten. Binnen een termijn van een maand te rekenen vanaf de datum waarop zij er kennis van heeft gekregen, kan de Bank zich verzetten tegen de uitvoering van alle beslissingen of wijzigingen als bedoeld in het eerste lid die strijdig zouden zijn met de bepalingen van deze wet of haar uitvoeringsmaatregelen of de uitvoeringsmaat- regelen van Richtlijn 2009/138/EG. 7° des systèmes et structures de l’entreprise lui per- mettant de communiquer des informations aux fins du contrôle et de la politique écrite visée à l’article 77, § 7; 8° de l’adéquation du système de gouvernance de l’entreprise; 9° du niveau des fonds propres couvrant le capital de solvabilité requis et le minimum de capital requis; 10° du fait que l’entreprise est ou non une entreprise captive d’assurance ou de réassurance couvrant uni- quement les risques associés au groupe commercial ou industriel auquel elle appartient. Art. 317 § 1er. Les entreprises d’assurance ou de réassurance communiquent à la Banque au moins trois semaines avant la réunion de l’assemblée générale ou, à son défaut, de l’organe de décision de l’entreprise, les pro- jets de modifications aux statuts, ainsi que les décisions qu’elles se proposent de prendre lors de cette réunion et qui sont susceptibles d’avoir une incidence sur les contrats en général. La Banque peut exiger que les observations qu’elle formule concernant ces projets soient portées à la connaissance de l’assemblée générale ou, à son défaut, de l’organe de décision de l’entreprise. § 2. Les entreprises d’assurance ou de réassurance communiquent à la Banque dans le mois suivant leur approbation par l’assemblée générale ou, à son défaut, par l’organe de décision compétent, les modifications aux statuts ainsi que les décisions qui peuvent avoir une incidence sur les contrats. La Banque peut, dans un délai d’un mois à partir de la date où elle en a eu connaissance, s’opposer à l’exécution de toutes décisions ou modifications visées à l’alinéa 1er, qui violeraient les dispositions de la présente loi ou de ses mesures d’exécution ou des mesures d’exécution de la Directive 2009/138/CE. 947 1584/002 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 Afdeling IV Procedure van prudentieel toezicht Onderafdeling I Procedure van prudentiële toetsing en evaluatie Art. 318 In het kader van haar opdracht als bedoeld in arti- kel 303 onderzoekt en evalueert de Bank op regelmatige basis de strategieën, processen en rapporteringspro- cedures die de verzekerings- of herverzekeringsonder- nemingen hebben vastgesteld om te voldoen aan de bepalingen die door of krachtens deze wet zijn opgelegd en aan de bepalingen van de maatregelen tot uitvoering van Richtlijn 2009/138/EG. Daarbij worden de kwalitatieve vereisten inzake het governancesysteem beoordeeld, worden de risico’s beoordeeld waaraan de betrokken ondernemingen blootstaan of zouden kunnen blootstaan en wordt het vermogen van deze ondernemingen beoordeeld om deze risico’s te beoordelen rekening houdend met de omgeving waarin zij werkzaam zijn. Art. 319 De Bank onderzoekt en evalueert met name, over- eenkomstig de maatregelen tot uitvoering van Richtlijn 2009/138/EG, of voldaan is aan: 1° de in artikel 42 beschreven vereisten inzake het governancesysteem, met name de interne beoordeling van het eigen risico en de solvabiliteit; 2° de vereisten inzake de technische voorzieningen, als beschreven in de artikelen 124 tot 139; 3° de kapitaalvereisten als beschreven in de artike- len 151 tot 189; 4° de beleggingsvoorschriften als beschreven in de artikelen 190 tot 198; 5° de vereisten inzake de kwantiteit en de kwaliteit van het eigen vermogen, als beschreven in de artikelen 140 tot 150; 6°  wanneer de verzekerings- of herverzekerings- onderneming een volledig of gedeeltelijk intern model gebruikt: de vereisten die gesteld worden aan volledig of gedeeltelijk interne modellen, als beschreven in de artikelen 167 tot 188. Section IV Processus de surveillance prudentielle Sous-section Ire Procédure de contrôle et d’évaluation prudentiels Art. 318 Dans le cadre de sa mission visée à l’article 303, la Banque examine et évalue, sur une base régulière, les stratégies, les processus et les procédures de com- munication d’informations établis par les entreprises d’assurance ou de réassurance en vue de se conformer aux dispositions prévues par ou en vertu de la présente loi ainsi qu’aux dispositions des mesures d’exécution de la Directive 2009/138/CE. Cet examen et cette évaluation comprennent l’appré- ciation des exigences qualitatives relatives au système de gouvernance, l’appréciation des risques auxquels les entreprises concernées sont exposées ou pour- raient être exposées et l’appréciation de leur capacité à mesurer ces risques compte tenu de l’environnement dans lequel elles opèrent. Art. 319 En particulier, la Banque examine et évalue, confor- mément aux mesures d’exécution de la Directive 2009/138/CE, s’il est satisfait: 1° aux exigences concernant le système de gouver- nance prévues à l’article 42, notamment l’évaluation interne des risques et de la solvabilité; 2° aux exigences concernant les provisions tech- niques prévues aux articles 124 à 139; 3° aux exigences de capital prévues aux articles 151 à 189; 4°  aux règles d’investissement prévues aux ar- ticles 190 à 198; 5° aux exigences concernant la quantité et la qualité des fonds propres prévues aux articles 140 à 150; 6° lorsque l’entreprise d’assurance ou de réassu- rance utilise un modèle interne intégral ou partiel, aux exigences applicables aux modèles internes intégraux et partiels prévues aux articles 167 à 188. 948 1584/002 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 In dit verband zorgt de Bank voorpassende monito- ringinstrumenten waarmee ze een verslechtering van de financiële positie van een verzekerings- of herver- zekeringsonderneming kan detecteren en waarmee ze kan nagaan hoe deze verslechtering wordt verholpen. Art. 320 De Bank beoordeelt ook de adequaatheid van de methodes en praktijken van de verzekerings- of herver- zekeringsondernemingen om mogelijke gebeurtenissen of toekomstige veranderingen in de economische con- junctuur in kaart te brengen die de algehele financiële positie van de betrokken onderneming zouden kunnen aantasten. Ze beoordeelt het vermogen van de ondernemin- gen om het hoofd te bieden aan dergelijke mogelijke gebeurtenissen of toekomstige veranderingen in de economische conjunctuur. Art. 321 De Bank bepaalt de frequentie en de omvang van de in de artikelen 318 tot 320 bedoelde onderzoeken en evaluaties en houdt daarbij rekening met de omvang van de betrokken verzekerings- of herverzekeringsonderne- mingen, en met de aard, de omvang en de complexiteit van hun activiteiten. Onderafdeling II Stresstests Art. 322 Indien zij van oordeel is dat de stresstests die overeen- komstig artikel 23 van Verordening 1094/2010 worden uitgevoerd, onvoldoende resultaten opleveren, onder- werpt de Bank de verzekerings- of herverzekeringson- dernemingen aan specifieke prudentiële stresstests, rekening houdend met de bijzondere kenmerken van de verzekerings- en herverzekeringssector in België, om de in de artikelen 318 tot 321 bedoelde toetsings- en evaluatieprocedure en de uitoefening van het groepstoezicht als bedoeld in Hoofdstuk II van Titel V te vergemakkelijken. À cet égard, la Banque met en place les outils de suivi appropriés, qui lui permettent de détecter toute détérioration de la situation financière d’une entreprise d’assurance ou de réassurance et de vérifier de quelle manière il y est porté remède. Art. 320 La Banque évalue également l’adéquation des méthodes et pratiques appliquées par les entreprises d’assurance ou de réassurance en vue de détecter les éventuels aléas ou changements de la conjoncture éco- nomique qui pourraient avoir un impact défavorable sur la situation financière globale de l’entreprise concernée. Elle évalue la capacité desdites entreprises à sur- monter ces éventuels aléas ou changements de la conjoncture économique. Art. 321 La Banque détermine la fréquence et l’ampleur des examens et évaluations visés aux articles 318 à 320 en tenant compte de la taille des entreprises d’assurance ou de réassurance concernées, et de la nature, du volume et de la complexité de leurs activités. Sous-section II Tests de résistance Art. 322 Si elle estime que les tests de résistance effectués conformément à l’article 23 du Règlement 1094/2010 ne fournissent pas des résultats suffisants, la Banque peut soumettre les entreprises d’assurance ou de réassu- rance à des tests de résistance prudentiels spécifiques prenant en compte les particularités du secteur de l’assurance et de la réassurance en Belgique, aux fins de faciliter la procédure de contrôle et d’évaluation visée aux articles 318 à 321 ainsi que l’exercice du contrôle de groupe visé au Chapitre II du Titre V. 949 1584/002 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 Onderafdeling III Prudentiële maatregelen – Opslagfactor van het kapitaalvereiste Art. 323 § 1. Op grond van de resultaten van de toetsings- en evaluatieprocedure of van de stresstests die overeen- komstig de artikelen 318 tot 322 worden uitgevoerd, kan de Bank voor een verzekerings- of herverzekeringson- derneming een specifieke kapitaalopslagfactor van het kapitaalvereiste opleggen bovenop de vereisten die door of krachtens deze wet of de uitvoeringsmaatregelen van Richtlijn 2009/138/EG zijn opgelegd, om rekening te houden met de risico’s waaraan deze onderneming blootstaat of zou kunnen blootstaan. § 2. De kapitaalopslagfactor als bedoeld in paragraaf 1 kan enkel worden opgelegd in de volgende uitzonder- lijke gevallen: 1° de Bank is van oordeel dat het risicoprofiel van de verzekerings- of herverzekeringsonderneming signifi- cant afwijkt van de hypothesen die ten grondslag liggen aan het solvabiliteitskapitaalvereiste zoals dit met de standaardformule overeenkomstig de artikelen 153 tot 166 is berekend, en: a) dat het vereiste om op grond van artikel 173 een intern model te gebruiken, niet is aangewezen of dat het gebruik ervan ondoeltreffend is gebleken; of b)  dat overeenkomstig artikel 170  een volledig of gedeeltelijk intern model wordt ontwikkeld, dat echter nog niet operationeel is; 2° de Bank is van oordeel dat het risicoprofiel van de verzekerings- of herverzekeringsonderneming sig- nificant afwijkt van de hypothesen die ten grondslag liggen aan het solvabiliteitskapitaalvereiste zoals dit met een intern model of een gedeeltelijk intern model overeenkomstig de artikelen 167 tot 188 is berekend, omdat met bepaalde kwantificeerbare risico’s onvol- doende rekening wordt gehouden en het niet binnen een passend tijdskader gelukt is om het model beter af te stemmen op het gegeven risicoprofiel; 3° de Bank is van oordeel dat het governancesysteem van de verzekerings- of herverzekeringsonderneming significant afwijkt van de normen van artikel 42, dat de verzekerings- of herverzekeringsonderneming door deze afwijkingen niet in staat is de risico’s waaraan zij blootstaat of zou kunnen blootstaan, adequaat te onderkennen, te meten, te bewaken, te beheren en te rapporteren, en dat er geen andere maatregelen zijn Sous-section III Mesures prudentielles – Exigence de capital supplémentaire Art. 323 § 1er. Sur la base des résultats de la procédure de contrôle et d’évaluation ou des tests de résistance effectués conformément aux articles  318  à 322, la Banque peut imposer à une entreprise d’assurance ou de réassurance une exigence spécifique de capital, qui s’ajoute aux exigences requises par ou en vertu de la présente loi ou des mesures d’exécution de la Directive 2009/138/CE, afin de tenir compte des risques auxquels cette entreprise est ou pourrait être exposée. § 2. L’exigence de capital supplémentaire prévue au paragraphe 1er ne peut être imposée que dans les cas exceptionnels suivants: 1° la Banque estime que le profil de risque de l’entre- prise d’assurance ou de réassurance s’écarte significa- tivement des hypothèses qui sous-tendent le capital de solvabilité requis, calculé à l’aide de la formule standard conformément aux articles 153 à 166 et a) que l’exigence de recourir à un modèle interne en vertu de l’article 173 est inappropriée ou que son utilisation s’est révélée inefficace; ou b) qu’un modèle interne, partiel ou intégral, est en cours de développement conformément à l’article 170, sans toutefois être encore effectif; 2°  la Banque estime que le profil de risque de l’entreprise d’assurance ou de réassurance s’écarte significativement des hypothèses qui sous-tendent le capital de solvabilité requis, calculé à l’aide d’un modèle interne ou d’un modèle interne partiel conformément aux articles 167 à 188, parce que certains risques quan- tifiables sont insuffisamment pris en compte et que le modèle n’a pas été adapté dans un délai approprié de manière à mieux refléter le profil de risque; 3° la Banque estime que le système de gouvernance de l’entreprise d’assurance ou de réassurance s’écarte significativement des normes prévues à l’article 42, que l’entreprise d’assurance ou de réassurance n’est de ce fait pas en mesure de déceler, de mesurer, de contrôler, de gérer et de déclarer de manière adéquate les risques auxquels elle est ou pourrait être exposée et que l’application d’autres mesures n’est pas, en soi, 950 1584/002 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 die binnen een passend tijdskader tot voldoende ver- betering zouden leiden; 4° de verzekerings- of herverzekeringsonderneming past de in artikel 129 bedoelde matchingopslag, de in artikel 131 bedoelde volatiliteitsaanpassing of de in de artikelen 668 en 669 bedoelde overgangsmaatregelen toe, en de Bank is van oordeel dat het risicoprofiel van die onderneming significant afwijkt van de hypothesen die ten grondslag liggen aan die aanpassingen en overgangsmaatregelen. § 3. In de gevallen bedoeld in paragraaf 2, 1° en 2° wordt de kapitaalopslagfactor zo berekend dat gewaar- borgd is dat de onderneming voldoet aan artikel 151, § 3. In de gevallen bedoeld in paragraaf 2, 3° staat de ka- pitaalopslagfactor in verhouding tot de materiële risico’s die voortvloeien uit de tekortkomingen die aanleiding hebben gegeven tot het besluit van de Bank om de opslagfactor op te leggen. In de gevallen bedoeld in paragraaf 2, 4° staat de kapitaalopslagfactor in verhouding tot de materiële risico’s die voortvloeien uit de afwijking met betrekking tot het risicoprofiel. § 4. In de gevallen bedoeld in paragraaf 2, 2° en 3° zorgt de Bank ervoor dat de verzekerings- of herver- zekeringsonderneming alles in het werk stelt om de tekortkomingen te verhelpen die tot de toepassing van een kapitaalopslagfactor hebben geleid. § 5. De kapitaalopslagfactoren die met toepassing van dit artikel zijn opgelegd, worden ten minste eenmaal per jaar door de Bank geëvalueerd. Zij worden opge- heven wanneer de onderneming de tekortkomingen heeft verholpen die tot de toepassing van deze factoren hebben geleid. § 6. Behalve voor wat betreft de berekening van de risicomarge als bedoeld in artikel 127, § 2 wanneer de kapitaalopslagfactor werd opgelegd in de gevallen be- doeld in paragraaf 2, 3°, wordt het solvabiliteitsvereiste opgevat als het bedrag van dit vereiste, vermeerderd met de kapitaalopslagfactor die met toepassing van dit artikel wordt opgelegd. susceptible de remédier suffisamment aux carences constatées dans un délai approprié; 4°  l’entreprise d’assurance ou de réassurance applique l’ajustement égalisateur visé à l’article 129, la correction pour volatilité visée à l’article 131 ou les mesures transitoires visées aux articles 668 et 669 et la Banque estime que le profil de risque de cette entreprise s’écarte significativement des hypothèses sous-tendant ces ajustements et corrections et mesures transitoires. § 3. Dans les cas visés au paragraphe 2, 1° et 2°, l’exi- gence de capital supplémentaire est calculée de façon à garantir que l’entreprise se conforme à l’article 151, § 3. Dans les cas visés au paragraphe 2, 3°, l’exigence de capital supplémentaire est proportionnée aux risques importants découlant des carences qui ont fondé la Banque à prendre la décision de l’imposer. Dans les cas visés au paragraphe 2, 4°, l’exigence de capital supplémentaire est proportionnée aux risques importants découlant de l’écart constaté concernant le profil de risque. § 4. Dans les cas visés au paragraphe 2, 2° et 3°, la Banque veille à ce que l’entreprise d’assurance ou de réassurance mette tout en oeuvre pour remédier aux carences qui ont justifié de lui imposer une exigence de capital supplémentaire. § 5. La Banque revoit les exigences de capital supplé- mentaire imposées en application du présent article, au moins une fois par an. Elle y met fin lorsque l’entreprise a remédié aux carences qui ont conduit à la lui imposer. § 6. Sauf pour ce qui concerne le calcul de la marge de risque visée à l’article 127, § 2 lorsque l’exigence de capital supplémentaire a été imposée dans les cas visés au paragraphe 2, 3°, le capital de solvabilité requis s’entend de son montant majoré de l’exigence de capital supplémentaire imposée en application du présent article. 951 1584/002 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 Afdeling V Informatieverstrekking aan EIOPA Art. 324 Onverminderd artikel 35 van Verordening 1094/2010, verstrekt de Bank jaarlijks de volgende informatie aan EIOPA: 1° de gemiddelde kapitaalopslagfactor per onder- neming en de verdeling van de kapitaalopslagfactoren zoals de Bank deze in het voorgaande jaar heeft opge- legd, berekend als een percentage van het solvabiliteits- kapitaalvereiste en afzonderlijk aangegeven voor: a) verzekerings- of herverzekeringsondernemingen; b) levensverzekeringsondernemingen; c) niet-levensverzekeringsondernemingen; d)  verzekeringsondernemingen die zowel levens- verzekerings- als niet-levens verzekeringsactiviteiten uitoefenen; e) herverzekeringsondernemingen; 2° voor alle in punt 1° van deze paragraaf genoemde gegevens: de verdeling van de kapitaalopslagfactoren die respectievelijk op grond van artikel 323, § 2, 1°, 2° of 3° , zijn opgelegd; 3° het aantal verzekerings- of herverzekeringson- dernemingen dat gedeeltelijk is vrijgesteld van de verplichting om regelmatig informatie te verstrekken en het aantal verzekerings- of herverzekeringsonder- nemingen dat is vrijgesteld van de verplichting om itemgewijs informatie te verstrekken met toepassing van de artikelen 313 en 314 , alsmede het volume van hun kapitaalvereisten, premies, technische voorzieningen en activa, respectievelijk gemeten als een percentage van het totale volume van de kapitaalvereisten, premies, technische voorzieningen en activa van de verzekerings- of herverzekeringsondernemingen naar Belgisch recht; 4° het aantal groepen dat gedeeltelijk is vrijgesteld van de verplichting om regelmatig informatie te verstrekken en het aantal groepen dat overeenkomstig artikel 423 is vrijgesteld van de verplichting om itemgewijs de in- formatie te verstrekken, alsmede het volume van hun kapitaalvereisten, premies, technische voorzieningen en activa, respectievelijk gemeten als een percentage van het totale volume van de kapitaalvereisten, premies, technische voorzieningen en activa van alle groepen. Section V Informations à fournir à l’EIOPA Art. 324 Sans préjudice de l’article 35 du Règlement 1094/2010, la Banque fournit annuellement les informations sui- vantes à l’EIOPA: 1° le montant moyen des exigences de capital supplé- mentaire par entreprise et la répartition des exigences de capital supplémentaire imposées par la Banque durant l’année précédente, en pourcentage du capital de solvabilité requis et selon la ventilation suivante: a) les entreprises d’assurance ou de réassurance; b) les entreprises d’assurance vie; c) les entreprises d’assurance non-vie; d) les entreprises d’assurance exerçant leurs activités à la fois en vie et en non-vie;  e) les entreprises de réassurance; 2° pour chacune des publications prévues au 1° du présent paragraphe, la proportion d’exigences de capital supplémentaire imposées respectivement en vertu de l’article 323, § 2, 1°, 2° ou 3°; 3° le nombre d’entreprises d’assurance ou de réas- surance qui bénéficient de la limitation à l’obligation de donner régulièrement des informations et le nombre d’entreprises d’assurance ou de réassurance qui béné- ficient de l’exemption de fournir des informations poste par poste en application des articles 313 et 314, ainsi que leur volume d’exigences de capital, primes, provi- sions techniques et actifs, respectivement exprimés en pourcentage du volume total des exigences de capital, primes, provisions techniques et actifs des entreprises d’assurance ou de réassurance de droit belge; 4° le nombre de groupes qui bénéficient de la limi- tation à l’obligation de donner régulièrement des infor- mations et le nombre de groupes qui bénéficient de l’exemption de donner des informations poste par poste prévue à l’article 423, ainsi que leur volume d’exigences de capital, primes, provisions techniques et actifs, res- pectivement exprimés en pourcentage du volume total des exigences de capital, primes, provisions techniques et actifs de l’ensemble des groupes. 952 1584/002 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 HOOFDSTUK II Revisoraal toezicht Afdeling I Aanstelling en erkenning van de commissarissen Art. 325 §  1. Onverminderd artikel 87ter van de wet van 2 augustus 2002 mag de opdracht van commissaris als bedoeld in het Wetboek van Vennootschappen, in een verzekerings- of herverzekeringsonderneming enkel worden toevertrouwd aan een of meer revisoren of een of meer revisorenvennootschappen die daartoe zijn erkend door de Bank overeenkomstig artikel 327. In verzekerings- of herverzekeringsondernemingen die met toepassing van het voornoemde Wetboek geen commissaris moeten hebben, stelt de algemene verga- dering van vennoten een of meer erkend revisoren of erkende revisorenvennootschappen aan als bedoeld in het eerste lid. Zij nemen de taak waar van commissaris en dra- gen die titel. De voorschriften van het Wetboek van Vennootschappen met betrekking tot de commissaris- sen-revisoren van naamloze vennootschappen zijn van toepassing op de aanstelling en de opdracht van com- missaris in deze ondernemingen. Voor de toepassing van het Wetboek van Vennootschappen met betrekking tot wat voorafgaat, vervangt de algemene vergadering van vennoten de algemene vergadering van aandeel- houders in vennootschappen waar de wet die niet instelt. § 2. De verzekerings- of herverzekeringsonderne- mingen mogen plaatsvervangende commissarissen aanstellen, die in geval van langdurige verhindering van de commissaris diens taak waarnemen. De voorschrif- ten van dit artikel en van artikel 326 zijn van toepassing op deze plaatsvervangers. Art. 326 Een erkende revisorenvennootschap doet voor de uit- oefening van de opdracht van commissaris als bedoeld in artikel 325, een beroep op een erkend revisor die zij aanstelt overeenkomstig artikel 132 van het Wetboek van Vennootschappen. De voorschriften van deze wet en haar uitvoeringsbesluiten, die de aanstelling, de opdracht, de verplichtingen en de verbodsbepalingen voor commissarissen alsmede de voor hen geldende, andere dan strafrechtelijke sancties regelen, gelden CHAPITRE II Contrôle revisoral Section Ire Désignation et agrément des commissaires Art. 325 § 1er. Sans préjudice de l’article 87ter de la loi du 2 août 2002, les fonctions de commissaire prévues par le Code des sociétés ne peuvent être confiées, dans les entreprises d’assurance ou de réassurance, qu’à un ou plusieurs réviseurs ou à une ou plusieurs sociétés de réviseurs agréés par la Banque conformément à l’article 327. Dans les entreprises d’assurance ou de réassurance qui ne sont pas tenues d’avoir un commissaire en appli- cation dudit Code, l’assemblée générale des associés nomme un ou plusieurs réviseurs ou une ou plusieurs sociétés de réviseurs agréés comme prévu à l’alinéa 1er. Ils exercent les fonctions et portent le titre de commis- saire. Les dispositions du Code des sociétés relatives aux commissaires-reviseurs de sociétés anonymes sont applicables à la désignation et aux fonctions de commissaire exercées dans ces entreprises. Pour l’application du Code des sociétés relativement à ce qui précède, l’assemblée générale des associés remplace l’assemblée générale des actionnaires dans les sociétés où la loi n’organise pas celle-ci. § 2. Les entreprises d’assurance ou de réassurance peuvent désigner des commissaires suppléants qui exercent les fonctions de commissaire en cas d’empê- chement durable de leur titulaire. Les dispositions du présent article et de l’article 326 sont applicables à ces suppléants. Art. 326 Les sociétés de réviseurs agréées exercent les fonctions de commissaire prévues à l’article 325 par l’intermédiaire d’un réviseur agréé qu’elles désignent conformément à l’article 132 du Code des sociétés. Les dispositions de la présente loi et des arrêtés pris pour son exécution et qui sont relatives à la désignation, aux fonctions, aux obligations et aux interdictions des com- missaires ainsi qu’aux sanctions, autres que pénales, qui sont applicables à ces derniers sont applicables 953 1584/002 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 zowel voor de erkende revisorenvennootschappen als voor de erkend revisoren die hen vertegen woordigen. Een erkende revisorenvennootschap mag een plaats- vervangend vertegenwoordiger aanstellen onder haar leden die voldoen aan de aanstellingsvoorwaarden. Art. 327 De Bank legt bij reglement vastgesteld met toepassing van artikel 12bis, § 2 van de wet van 22 februari 1998 het reglement vast voor de erkenning van revisoren en revisorenvennootschappen. Het erkenningsreglement wordt uitgevaardigd na raadpleging van de erkend revisoren via hun represen- tatieve beroepsvereniging. Het Instituut der Bedrijfsrevisoren brengt de Bank op de hoogte telkens als een tuchtprocedure wordt ingeleid tegen een erkend revisor of een erkende revisorenven- nootschap wegens een tekortkoming in de uitoefening van zijn opdracht bij een verzekerings- of herverzeke- ringsonderneming alsook telkens als een tuchtmaatregel wordt genomen tegen een erkend revisor of een erkende revisorenvennootschap, met opgave van de motivering. Art. 328 Voor de aanstelling van erkend commissarissen en plaatsvervangend erkend commissarissen bij ver- zekerings- of herverzekeringsondernemingen is de voorafgaande instemming vereist van de Bank. Deze instemming moet worden gevraagd door het vennoot- schapsorgaan dat de aanstelling voorstelt. Bij aanstel- ling van een erkende revisorenvennootschap slaat deze instemming zowel op de vennootschap als op haar vertegenwoordiger. Deze instemming is ook vereist voor de hernieuwing van een opdracht. Wanneer de aanstelling van de commissaris krach- tens de wet geschiedt door de voorzitter van de recht- bank van koophandel of het hof van beroep, kiest deze uit een lijst van erkend revisoren waaraan de Bank haar goedkeuring heeft gehecht. Art. 329 De Bank kan haar instemming overeenkom- stig artikel  328  met een erkend commissaris, een plaatsvervangend erkend commissaris, een erkende simultanément aux sociétés de réviseurs et aux révi- seurs agréés qui les représentent. Une société de réviseurs agréée peut désigner un représentant suppléant parmi ses membres remplissant les conditions pour être désignés. Art. 327 La Banque arrête, par voie de règlement pris en appli- cation de l’article 12bis, § 2 de la loi du 22 février 1998, le règlement d’agrément des réviseurs et des sociétés de réviseurs. Le règlement d’agrément est pris après consultation des réviseurs agréés représentés par leur organisation professionnelle. L’Institut des Réviseurs d’Entreprises informe la Banque de l’ouverture de toute procédure disciplinaire à l’encontre d’un réviseur agréé ou d’une société de révi- seurs agréée pour manquement commis dans l’exercice de ses fonctions auprès d’une entreprise d’assurance ou de réassurance ainsi que de toute mesure discipli- naire prise à l’encontre d’un réviseur agréé ou d’une société de réviseurs agréée et de ses motifs. Art. 328 La désignation des commissaires agréés et des commissaires agréés suppléants auprès des entreprises d’assurance ou de réassurance est subordonnée à l’accord préalable de la Banque. Cet accord doit être recueilli par l’organe social qui fait la proposition de désignation. En cas de désignation d’une société de réviseurs agréée, l’accord porte conjointement sur la société et son représentant. Le même accord est requis pour le renouvellement du mandat. Lorsque, en vertu de la loi, la nomination du commis- saire est faite par le Président du Tribunal de Commerce ou la Cour d’appel, ceux-ci font leur choix sur une liste de réviseurs agréés sur laquelle la Banque a donné son accord. Art. 329 La Banque peut, en tout temps, révoquer, par déci- sion motivée par des raisons tenant à leur statut ou à l’exercice de leurs fonctions de réviseur agréé ou de 954 1584/002 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 revisorenvennootschap of een vertegenwoordiger of plaatsvervangende vertegenwoordiger van een der- gelijke vennootschap, steeds herroepen bij beslissing die gemotiveerd is door redenen die verband houden met hun statuut of hun opdracht als erkend revisor of erkende revisorenvennootschap, zoals bepaald door of krachtens deze wet. Met deze herroeping eindigt de opdracht van commissaris. Wanneer een erkend commissaris ontslag neemt, worden de Bank en de verzekerings- of herverzeke- ringsonderneming hiervan vooraf in kennis gesteld, met opgave van de motivering. Het erkenningsreglement regelt de procedure. Bij afwezigheid van een plaatsvervangend erkend commissaris of een plaatsvervangende vertegenwoor- diger van een erkende revisorenvennootschap, zorgt de verzekerings- of herverzekeringsonderneming of de erkende revisorenvennootschap, met inachtneming van artikel 328, binnen twee maanden voor zijn vervanging. Het voorstel om een erkend commissaris in een verzekerings- of herverzekeringsonderneming van zijn opdracht te ontslaan, zoals geregeld bij de artikelen 135 en 136 van het Wetboek van Vennootschappen, wordt ter advies voorgelegd aan de Bank. Dit advies wordt meegedeeld aan de algemene vergadering. Afdeling II Opdracht van de erkend commissarissen Art. 330 De erkend commissarissen als bedoeld in Afdeling I verlenen hun medewerking aan het toezicht van de Bank, op hun eigen en uitsluitende verantwoordelijkheid en overeenkomstig deze Afdeling, volgens de regels van het vak en de richtlijnen van de Bank. De erkend commissarissen en de erkende revisoren- vennootschappen mogen bij de buitenlandse bijkantoren van de onderneming waarop zij toezicht houden, het toezicht uitoefenen en de onderzoeken verrichten die bij hun opdracht horen. Art. 331 De erkend commissarissen beoordelen de in- ternecontrolemaatregelen die de verzekerings- of herverzekeringsondernemingen hebben getroffen société de réviseurs agréée, tels que prévus par ou en vertu de la présente loi, l’accord donné, conformément à l’article 328, à un commissaire agréé, un commissaire agréé suppléant, une société de réviseurs agréée ou un représentant ou représentant suppléant d’une telle société. Cette révocation met fin aux fonctions de commissaire. En cas de démission d’un commissaire agréé, la Banque et l’entreprise d’assurance ou de réassurance sont préalablement informées de cette démission, ainsi que de ses motifs. Le règlement d’agrément règle, pour le surplus, la procédure. En l’absence d’un commissaire agréé suppléant ou d’un représentant suppléant d’une société de réviseurs agréée l’entreprise d’assurance ou de réassurance ou la société de réviseurs agréée pourvoit, dans le respect de l’article 328, au remplacement dans les deux mois. La proposition de révocation des mandats de com- missaire agréé dans les entreprises d’assurance ou de réassurance, telle que réglée par les articles 135 et 136 du Code des sociétés, est soumise à l’avis de la Banque. Cet avis est communiqué à l’assemblée générale. Section II Mission des commissaires agréés Art. 330 Les commissaires agréés visés à la Section Ire col- laborent au contrôle exercé par la Banque sous leur responsabilité personnelle et exclusive et conformément à la présente Section, aux règles de la profession et aux instructions de la Banque. Les commissaires agréés et les sociétés de réviseurs agréées peuvent effectuer les vérifications et expertises relevant de leurs fonctions auprès des succursales à l’étranger de l’entreprise qu’ils contrôlent. Art. 331 Les commissaires agréés évaluent les mesures de contrôle interne adoptées par les entreprises d’assu- rance ou de réassurance conformément à l’article 42, 955 1584/002 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 overeenkomstig artikel 42, § 1, 2°, en delen hun bevin- dingen ter zake mee aan de Bank. Art. 332 De erkend commissarissen brengen verslag uit bij de Bank over de resultaten van het beperkt nazicht van de periodieke financiële informatie die de verzekerings- of herverzekeringsondernemingen aan het einde van het eerste halfjaar aan de Bank bezorgt, waarin bevestigd wordt dat zij geen kennis hebben van feiten waaruit zou blijken dat deze periodieke informatie per einde halfjaar niet in alle materieel belangrijke opzichten is opgesteld volgens de voorschriften die door of krachtens deze wet, de uitvoeringsmaatregelen van Richtlijn 2009/138/EG en de instructies van de Bank zijn vastgesteld . Bovendien bevestigen zij dat de periodieke financiële informatie per einde halfjaar, voor wat de boekhoud- kundige gegevens betreft, in alle materieel belangrijke opzichten in overeenstemming is met de boekhouding en de inventarissen inzake: 1° volledigheid, wat wil zeggen dat ze alle gegevens bevat uit de boekhouding en de inventarissen op ba- sis waarvan de periodieke financiële informatie wordt opgesteld, 2° juistheid, wat wil zeggen dat ze de gegevens cor- rect weergeeft uit de boekhouding en de inventarissen op basis waarvan de periodieke financiële informatie wordt opgesteld. Zij bevestigen geen kennis te hebben van feiten waaruit zou blijken dat de periodieke financiële infor- matie per einde halfjaar niet is opgesteld, voor wat de boekhoudkundige gegevens betreft, met toepassing van de boeking- en waarderingsregels voor de opstelling van de periodieke informatie met betrekking tot het laatste boekjaar. De Bank kan de hier bedoelde periodieke informatie nader bepalen. Art. 333 De erkend commissarissen brengen eveneens ver- slag uit bij de Bank over de resultaten van de controle van de periodieke financiële informatie die de verze- kerings- of herverzekeringsondernemingen aan het einde van het boekjaar aan de Bank bezorgen, waarin bevestigd wordt dat deze periodieke informatie in alle materieel belangrijke opzichten werd opgesteld volgens § 1er, 2°, et ils communiquent leurs conclusions en la matière à la Banque. Art. 332 Les commissaires agréés font rapport à la Banque sur les résultats de l’examen limité des informations financières périodiques transmises par les entreprises d’assurance ou de réassurance à la Banque à la fin du premier semestre social, confirmant qu’ils n’ont pas connaissance de faits dont il apparaîtrait que ces informations périodiques n’ont pas, sous tous égards significativement importants, été établies conformément aux prescriptions prévues par ou en vertu de la loi, aux mesures d’exécution de la Directive 2009/138/CE et aux instructions de la Banque. Ils confirment en outre que les informations finan- cières périodiques arrêtés en fin de semestre sont, pour ce qui est des données comptables y figurant, , sous tous égards significativement importants, conformes à la comptabilité et aux inventaires, en ce sens qu’elles sont: 1° complètes, c’est-à-dire qu’elles mentionnent toutes les données figurant dans la comptabilité et dans les inventaires sur la base desquels elles sont établies, 2° correctes, c’est-à-dire qu’elles concordent exac- tement avec la comptabilité et avec les inventaires sur la base desquels elles sont établies. Ils confirment également n’avoir pas connaissance de faits dont il apparaîtrait que les informations financières périodiques arrêtées en fin de semestre n’ont pas été établies, pour ce qui est des données comptables y figurant, par application des règles de comptabilisation et d’évaluation qui ont présidé à l’établissement des informations périodiques afférentes au dernier exercice. La Banque peut préciser quels sont en l’occurrence les informations périodiques visées. Art. 333 Les commissaires agréés font également rapport à la Banque sur les résultats du contrôle des informations financières périodiques transmises par les entreprises d’assurance ou de réassurance à la Banque à la fin de l’exercice social, confirmant que ces informations périodiques sont, sous tous égards significativement importants, établies conformément aux prescriptions 956 1584/002 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 de voorschriften die door of krachtens de wet, de uit- voeringsmaatregelen van Richtlijn 2009/138/EG en de instructies van de Bank zijn vastgesteld. Bovendien bevestigen zij dat de periodieke financi- ele informatie per einde van het boekjaar, voor wat de boekhoudkundige gegevens betreft, in alle materieel belangrijke opzichten in overeenstemming is met de boekhouding en de inventarissen, inzake: 1° volledigheid, wat wil zeggen dat ze alle gegevens bevat uit de boekhouding en de inventarissen op ba- sis waarvan de periodieke financiële informatie wordt opgesteld, 2° juistheid, wat wil zeggen dat ze de gegevens cor- rect weergeeft uit de boekhouding en de inventarissen op basis waarvan de periodieke financiële informatie wordt opgesteld. Zij bevestigen dat de periodieke financiële informatie per einde van het boekjaar werd opgesteld, voor wat de boekhoudkundige gegevens betreft, met toepassing van de boekings- en waarderingsregels voor de opstelling van de jaarrekening. De Bank kan de hier bedoelde periodieke informatie nader bepalen. Art. 334 De erkend commissarissen brengen bij de Bank op haar verzoek een bijzonder verslag uit over de orga- nisatie, de activiteiten en de financiële structuur van de onderneming; de kosten voor de opstelling van dit verslag worden door de verzekerings- of herverzeke- ringsonderneming gedragen. Art. 335 In het kader van hun opdracht bij een verzekerings- of herverzekeringsonderneming of een revisorale opdracht bij een met een verzekerings- of herverzekeringsonder- neming verbonden onderneming, brengen de erkend commissarissen op eigen initiatief verslag uit bij de Bank zodra zij kennis krijgen van beslissingen, feiten of, in voorkomend geval, ontwikkelingen: 1° die de positie van de onderneming financieel of op het vlak van haar administratieve en boekhoudkundige organisatie of van haar interne controle, op betekenis- volle wijze beïnvloeden of kunnen beïnvloeden; prévues par ou en vertu de la loi, aux mesures d’exé- cution de la Directive 2009/138/CE et aux instructions de la Banque. Ils confirment en outre que les informations finan- cières périodiques arrêtées en fin d’exercice sont, pour ce qui est des données comptables y figurant, sous tous égards significativement importants, conformes à la comptabilité et aux inventaires, en ce sens qu’elles sont: 1° complètes, c’est-à-dire qu’elles mentionnent toutes les données figurant dans la comptabilité et dans les inventaires sur la base desquels elles sont établies, 2° correctes, c’est-à-dire qu’elles concordent exac- tement avec la comptabilité et avec les inventaires sur la base desquels elles sont établies. Ils confirment également que les informations finan- cières périodiques arrêtées en fin d’exercice ont été établies, pour les données comptables y figurant, par application des règles de comptabilisation et d’évalua- tion présidant à l’établissement des comptes annuels. La Banque peut préciser quels sont en l’occurrence les informations périodiques visés. Art. 334 Les commissaires agréés font à la Banque, à sa demande, des rapports spéciaux portant sur l’organisa- tion, les activités et la structure financière de l’entreprise, rapports dont les frais d’établissement sont supportés par l’entreprise d’assurance ou de réassurance en question. Art. 335 Dans le cadre de leur mission auprès d’une entre- prise d’assurance ou de réassurance, ou d’une mission révisorale auprès d’une entreprise liée à une entreprise d’assurance ou de réassurance, les commissaires agréés font d’initiative rapport à la Banque dès qu’ils constatent des décisions, des faits ou, le cas échéant, des évolutions: 1° qui influencent ou peuvent influencer de façon significative la situation de l’entreprise sous l’angle financier ou sous l’angle de son organisation adminis- trative et comptable ou de son contrôle interne; 957 1584/002 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 2° die de bedrijfscontinuïteit van de verzekerings- of herverzekeringsonderneming kunnen aantasten; 3° die tot de niet-naleving van de voorschriften inzake het solvabiliteitskapitaalvereiste kunnen leiden; 4° die tot de niet-naleving van de voorschriften inzake het minimumkapitaalvereiste kunnen leiden; 5°  die een overtreding van het Wetboek van Vennootschappen, de statuten, deze wet en de ter uitvoering ervan genomen besluiten en reglementen kunnen vormen; 6° die kunnen leiden tot een weigering van de cer- tificering van de jaarrekening of tot het formuleren van voorbehoud. Art. 336 De erkend commissarissen delen aan het directie- comité van de verzekerings- of herverzekeringsonder- neming of, bij ontstentenis van een directiecomité, aan de personen belast met de effectieve leiding, de ver- slagen mee die zij aan de Bank richten overeenkomstig artikel 334. Artikel 306 is op deze mededelingen van toepassing. Zij bezorgen de Bank een kopie van de mededelingen die zij aan het directiecomité van de verzekerings- of herverzekeringsonderneming of, bij ontstentenis van een directiecomité, aan de personen belast met de effectieve leiding, richten en die betrekking hebben op zaken die van belang kunnen zijn voor het toezicht dat zij uitoefent. Art. 337 Tegen erkend commissarissen die te goeder trouw informatie hebben verstrekt als bedoeld in artikel 335, kunnen geen burger rechtelijke, strafrechtelijke of tucht- rechtelijke vorderingen worden ingesteld, noch profes- sionele sancties worden uitgesproken. 2°  qui peuvent porter atteinte à la continuité de l’exploitation de l’entreprise d’assurance ou de réassurance; 3° qui peuvent entraîner le non-respect des disposi- tions relatives au capital de solvabilité requis; 4° qui peuvent entraîner le non-respect des disposi- tions relatives au minimum de capital requis; 5° qui peuvent constituer des violations du Code des sociétés, des statuts, de la présente loi et des arrêtés et règlements pris pour son exécution; 6° qui sont de nature à entraîner le refus ou des réserves en matière de certification des comptes. Art. 336 Les commissaires agréés communiquent au comité de direction de l’entreprise d’assurance ou de réassu- rance ou, en l’absence de comité de direction, aux per- sonnes en charge de la direction effective, les rapports qu’ils adressent à la Banque conformément à l’article 334. Ces communications sont soumises à l’article 306. Ils transmettent à la Banque copie des communica- tions qu’ils adressent au comité de direction de l’entre- prise d’assurance ou de réassurance ou, en l’absence de comité de direction, aux personnes en charge de la direction effective, et qui portent sur des questions de nature à intéresser le contrôle exercé par elle. Art. 337 Aucune action civile, pénale ou disciplinaire ne peut être intentée ni aucune sanction professionnelle pro- noncée contre les commissaires agréés qui ont procédé de bonne foi à une information visée sous l’article 335. 958 1584/002 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 TITEL V Toezicht op verzekerings- en herverzekeringsgroepen en aanvullend toezicht op financiële conglomeraten HOOFDSTUK I Definities Art. 338 Onverminderd artikel 15 wordt voor de toepassing van deze Titel en van de uitvoeringsbesluiten en -re- glementen ervan verstaan onder: 1° moederonderneming: een moederonderneming in de zin van artikel 15, 39°, alsmede iedere onderneming die, naar de mening van de Bank, feitelijk een overheer- sende invloed op een andere onderneming uitoefent; 2° dochteronderneming: een dochteronderneming in de zin van artikel 15, 40°, alsmede iedere onderneming waarop, naar de mening van de Bank, een moederon- derneming feitelijk een overheersende invloed uitoefent. Alle dochterondernemingen van dochterondernemingen worden eveneens geacht dochterondernemingen te zijn van de moederonderneming die aan het hoofd staat van die ondernemingen; 3° deelneming: een deelneming in de zin van artikel 15, 43°, alsmede het rechtstreeks of onrechtstreeks in bezit hebben van stemrechten of kapitaal van een andere onderneming waarop naar de mening van de Bank feitelijk een aanzienlijke invloed wordt uitgeoefend; 4° verbonden onderneming: een dochteronderneming of iedere andere onderneming waarin een deelneming bestaat, of een onderneming waarmee een consortium wordt gevormd in de zin van artikel 10 van het Wetboek van Vennootschappen; 5° verzekeringsholding: een moederonderneming die geen gemengde financiële holding is, en waarvan de hoofdactiviteit bestaat uit het verkrijgen en houden van deelnemingen in dochterondernemingen die uitsluitend of hoofdzakelijk verzekerings- of herverzekeringsonder- nemingen of verzekerings- of herverzekeringsonder- nemingen van derde landen zijn, van welke dochter- ondernemingen er ten minste één een verzekerings- of herverzekeringsonderneming is; 6°  gemengde verzekeringsholding: een moeder- onderneming die geen verzekerings- of herverzeke- ringsonderneming, verzekerings- of herverzekerings- onderneming van een derde land, verzekeringsholding TITRE V Du contrôle des groupes d’assurance et de réassurance et de la surveillance complémentaire des conglomérats financiers CHAPITRE IER Définitions Art. 338 Sans préjudice de l’article 15, pour l’application du présent Titre et des arrêtés et règlements pris pour son exécution, il y a lieu d’entendre par: 1° entreprise mère: outre une entreprise mère au sens de l’article 15, 39°, toute entreprise qui exerce effectivement, de l’avis de la Banque, une influence dominante sur une autre entreprise; 2° entreprise filiale: outre une entreprise filiale au sens de l’article 15, 40°, toute entreprise sur laquelle une entreprise mère exerce effectivement, de l’avis de la Banque, une influence dominante. Toute entreprise filiale d’une entreprise filiale est également considérée comme filiale de l’entreprise mère qui est à la tête de ces entreprises; 3° participation: outre une participation au sens de l’article 15, 43°, le fait de détenir directement ou indi- rectement des droits de vote ou du capital dans une autre entreprise sur laquelle, de l’avis de la Banque, une influence notable est effectivement exercée; 4° entreprise liée: une entreprise qui est soit une entreprise filiale, soit une autre entreprise dans laquelle une participation est détenue, soit une entreprise avec laquelle un consortium est formé au sens de l’article 10 du Code des sociétés; 5° société holding d’assurance: une entreprise mère qui n’est pas une compagnie financière mixte et dont l’activité principale consiste à acquérir et à détenir des participations dans des entreprises filiales lorsque ces entreprises filiales sont exclusivement ou principale- ment des entreprises d’assurance ou de réassurance, ou des entreprises d’assurance ou de réassurance de pays tiers, l’une au moins de ces entreprises filiales étant une entreprise d’assurance ou de réassurance; 6°  société holding mixte d’assurance: une entre- prise mère, autre qu’une entreprise d’assurance ou de réassurance, qu’une entreprise d’assurance ou de réassurance d’un pays tiers, qu’une société holding 959 1584/002 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 of gemengde financiële holding is, en die onder haar dochterondernemingen ten minste één verzekerings- of herverzekeringsonderneming telt; 7°  gemengde financiële holding: een moeder- onderneming die geen gereglementeerde onderneming is en die aan het hoofd van een financieel conglomeraat staat; 8°  gereglementeerde onderneming: een verzeke- rings- of herverzekeringsonderneming, een kredietin- stelling, een beleggingsonderneming, een beheerven- nootschap van instellingen voor collectieve belegging of een beheerder van alternatieve instellingen voor collectieve belegging; 9° financiële sector: de sector die bestaat uit een of meer van de volgende ondernemingen: a) een gereglementeerde onderneming die een kre- dietinstelling is, een financiële instelling in de zin van artikel 3, 41° van de wet van 25 april 2014, een onder- neming die nevendiensten verricht in de zin van artikel 164, § 1, 4° van diezelfde wet; deze ondernemingen behoren tot eenzelfde financiële sector, die “de bank- sector” wordt genoemd; b)  een gereglementeerde onderneming die een verzekerings- of herverzekeringsonderneming is, een verzekeringsholding; deze ondernemingen behoren tot eenzelfde financiële sector, die “de verzekeringssector” wordt genoemd; c)  een gereglementeerde onderneming die een beleggingsonderneming is, een onderneming die ne- vendiensten verricht in de zin van artikel 46, 2°, van de wet van 6 april 1995, een financiële instelling in de zin van artikel 46, 29°, van diezelfde wet; deze onderne- mingen behoren tot eenzelfde financiële sector, die “de beleggings dienstensector” wordt genoemd. 10° financiële instelling: worden met financiële in- stellingen als bedoeld in artikel 15, 48° gelijkgesteld, de instellingen voor postcheque- en girodiensten, de AICB-beheerders, de beheervennootschappen van instellingen voor collectieve belegging, de vereffenings- instellingen bedoeld in artikel 36/1, 14° van de wet van 22 februari 1998 en de instellingen waarvan het bedrijf bestaat uit het gehele of gedeeltelijke operationele be- heer van diensten die verstrekt worden door dergelijke vereffeningsinstellingen. d’assurance ou qu’une compagnie financière mixte, qui compte parmi ses filiales au moins une entreprise d’assurance ou de réassurance; 7° compagnie financière mixte: une entreprise mère, autre qu’une entreprise réglementée, qui est à la tête d’un conglomérat financier; 8° entreprise réglementée: une entreprise d’assu- rance ou de de réassurance, un établissement de crédit, une entreprise d’investissement, une société de gestion d’organismes de placement collectif, un gestionnaire d’organismes de placement collectif alternatifs; 9° secteur financier: le secteur composé d’une ou de plusieurs des entreprises suivantes: a) une entreprise réglementée ayant le statut d’éta- blissement de crédit, un établissement financier au sens de l’article 3, 41° de la loi du 25 avril 2014, une entreprise de services auxiliaires au sens de l’article 164, § 1er, 4° de cette même loi; ces entreprises font toutes partie du même secteur financier qualifié de “secteur bancaire”; b) une entreprise réglementée ayant le statut d’en- treprise d’assurance ou de réassurance, une société holding d’assurance; ces entreprises font toutes partie du même secteur financier qualifié de “secteur des assurances”; c) une entreprise réglementée ayant le statut d’entre- prise d’investissement, une entreprise qui fournit des services auxiliaires au sens de l’article 46, 2°, de la loi du 6 avril 1995, un établissement financier au sens de l’article 46, 29°, de la même loi; ces entreprises font toutes partie du même secteur financier qualifié de “secteur des services d’investissement”. 10° établissement financier: sont assimilés à des établissements financiers au sens de l’article 15, 48°, les offices de chèques postaux, les gestionnaires d’OPCA, les sociétés de gestion d’organismes de placement collectif, les organismes de liquidation visés à l’article 36/1,14°, de la loi du 22 février 1998 ainsi que les orga- nismes dont l’activité consiste à assurer, en tout ou en partie, la gestion opérationnelle de services fournis par de tels organismes de liquidation. 960 1584/002 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 Art. 339 Onverminderd de artikelen 15 en 338, wordt voor de toepassing van Hoofdstuk II van deze Titel en van de uitvoeringsbesluiten en -reglementen ervan verstaan onder: 1° deelnemende onderneming: een onderneming die een moederonderneming is of een andere onderneming die een deelneming bezit, of een onderneming waarmee een consortium wordt gevormd in de zin van artikel 10 van het Wetboek van Vennootschappen; 2° groep: een groep ondernemingen, a) die bestaat uit een deelnemende onderneming, haar dochterondernemingen en de entiteiten waarin de deelnemende onderneming of haar dochteronderne- mingen een deelneming aanhouden, alsook onderne- mingen die een consortium vormen in de zin van artikel 10 van het Wetboek van Vennootschappen; b) die stoelt op de totstandbrenging, middels contract of op een andere wijze, van nauwe en duurzame finan- ciële banden tussen die ondernemingen, met inbegrip van onderlinge waarborgmaatschappijen of onderlinge verzekeringsverenigingen, waarbij: i. een van deze ondernemingen via centrale coördi- natie feitelijk een overheersende invloed uitoefent op de besluiten, ook financiële besluiten, van de andere on- dernemingen die deel uitmaken van de groep; alsmede ii. voor de vorming en ontbinding van dergelijke ban- den ter wille van deze Titel vooraf toestemming moet worden verleend door de groepstoezichthouder, met dien verstande dat de onderneming die de gecen- traliseerde coördinatie uitoefent, wordt beschouwd als de moederonderneming en de andere ondernemingen als dochterondernemingen; 3°  groepstoezichthouder: de toezichthouder die verantwoordelijk is voor het toezicht op het niveau van de verzekerings- of herverzekeringsgroep en overeen- komstig artikel 406 is aangewezen; 4°  college van toezichthouders: een permanente maar flexibele structuur voor samenwerking en coör- dinatie tussen de toezichthouders van de betrokken lidstaten en voor de vergemakkelijking van de besluit- vorming met betrekking tot groepstoezicht; Art. 339 Sans préjudice des articles 15 et 338, pour l’appli- cation du Chapitre II du présent Titre et des arrêtés et règlements pris pour son exécution, il y a lieu d’entendre par: 1° entreprise participante: une entreprise qui est soit une entreprise mère, soit une autre entreprise qui détient une participation, soit une entreprise avec laquelle un consortium est formé au sens de l’article 10 du Code des sociétés; 2° groupe: un groupe d’entreprises, a) soit composé d’une entreprise participante, de ses filiales et des entités dans lesquelles l’entreprise participante ou ses filiales détiennent une participation, ainsi que des entreprises qui forment un consortium au sens de l’article 10 du Code des sociétés; b) soit fondé sur l’établissement, par voie contrac- tuelle ou sous une autre forme, de relations financières fortes et durables entre ces entreprises et qui peut inclure des mutuelles ou des associations de type mutuel, à condition: i. qu’une de ces entreprises exerce effectivement, au moyen d’une coordination centralisée, une influence dominante sur les décisions, y compris les décisions financières, des autres entreprises faisant partie du groupe, et ii. que l’établissement et la suppression desdites relations, aux fins du présent Titre, soient soumis à l’approbation préalable du contrôleur du groupe, étant entendu que l’entreprise qui exerce la coordina- tion centralisée est considérée comme l’entreprise mère et les autres entreprises comme des filiales; 3° contrôleur du groupe: l’autorité de contrôle chargée d’exercer le contrôle au niveau du groupe d’assurance ou de réassurance, déterminée conformément à l’article 406; 4°  collège des contrôleurs: une structure perma- nente, mais souple, de coopération et de coordination entre les autorités de contrôle des États membres con- cernés visant à faciliter la prise de décisions relatives au contrôle d’un groupe; 961 1584/002 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 5° betrokken toezichthouder: de toezichthouder van een lidstaat waar een dochteronderneming haar zetel heeft. Art. 340 Onverminderd de artikelen 15 en 338, wordt voor de toepassing van Hoofdstuk III van deze Titel en van de uitvoeringsbesluiten en -reglementen ervan verstaan onder: 1° groep: een geheel van ondernemingen dat ge- vormd wordt door een moederonderneming, haar dochterondernemingen, de ondernemingen waarin de moederonderneming of haar dochter ondernemingen rechtstreeks of onrecht streeks een deelneming aan- houden, alsook de onder nemingen waarmee een con- sortium wordt gevormd en de ondernemingen die door deze laatste ondernemingen worden gecontroleerd of waarin deze laatste ondernemingen een deel neming aanhouden; 2° financieel conglomeraat: een groep of subgroep waarvan ten minste één van de dochterondernemingen een gereglementeerde onderneming is en die aan de volgende voorwaarden voldoet: a) wanneer een gereglementeerde onderneming aan het hoofd van de groep of subgroep staat: i.  is deze onderneming de moederonderneming van een onderneming in de financiële sector, een onderneming die houdster is van een deelneming in een onderneming in de financiële sector, dan wel een onderneming die met een onderneming in de financiële sector verbonden is onder de vorm van een consortium; ii. is ten minste één van de entiteiten in de groep of subgroep een onderneming uit de verzekeringssector en is ten minste één van de entiteiten in de groep of subgroep een onderneming uit de banksector of de beleggingsdienstensector, en iii.  zijn de geconsolideerde en/of geaggregeerde activiteiten van de tot de groep of subgroep behorende entiteiten uit de verzekeringssector en van de entitei- ten uit de banksector en de beleggingsdienstensector significant in de zin van artikel 452, § 3; of b) wanneer aan het hoofd van de groep of subgroep geen gereglementeerde onderneming staat: i. vinden de activiteit van de groep of subgroep in hoofdzaak plaats in de financiële sector in de zin van artikel 452, § 2; 5° autorité de contrôle concernée: l’autorité de con- trôle d’un État membre dans lequel une entreprise filiale a son siège social. Art. 340 Sans préjudice des articles 15 et 338, pour l’application du Chapitre III du présent Titre et des arrêtés et règle- ments pris pour son exécution, il y a lieu d’entendre par:  1° groupe: l’ensemble des entreprises constitué par l’entreprise mère, ses filiales, les entreprises dans les- quelles l’entreprise mère ou ses filiales détiennent une participation directe ou indirecte, ainsi que les entre- prises qui constituent un consortium et les entreprises contrôlées par ces dernières ou dans lesquelles elles détiennent une participation; 2° conglomérat financier: un groupe ou un sous- groupe dans lequel l’une au moins des filiales est une entreprise réglementée et qui satisfait aux conditions suivantes: a) lorsqu’une entreprise réglementée est à la tête du groupe ou du sous-groupe: i. cette entreprise est l’entreprise mère d’une entre- prise du secteur financier, ou d’une entreprise qui détient une participation dans une entreprise du secteur financier, ou d’une entreprise liée à une entreprise du secteur financier sous la forme d’un consortium; ii. l’une au moins des entités du groupe ou du sous- groupe est une entreprise du secteur de l’assurance et l’une au moins des entités du groupe ou du sous-groupe est une entreprise du secteur bancaire ou du secteur des services d’investissement; et iii.  les activités consolidées et/ou agrégées des entités du groupe ou du sous-groupe qui font partie du secteur de l’assurance, et des entités du secteur ban- caire et du secteur des services d’investissement sont importantes au sens de l’article 452, § 3; ou b) lorsqu’il n’y a pas d’entreprise réglementée à la tête du groupe ou du sous-groupe: i.  les activités du groupe ou du sous-groupe s’exercent principalement dans le secteur financier au sens de l’article 452, § 2; 962 1584/002 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 ii. is ten minste één van de entiteiten in de groep of subgroep een onderneming uit de verzekeringssector en ten minste één van de entiteiten in de groep of subgroep een onderneming uit de banksector of de beleggings- dienstensector, en iii.  zijn de geconsolideerde en/of geaggregeerde activiteiten van de tot de groep of subgroep behorende entiteiten uit de verzekeringssector en van de entitei- ten uit de banksector en de beleggingsdienstensector significant in de zin van artikel 452, § 3; 3° bevoegde autoriteiten: de nationale autoriteiten van de lidstaten die krachtens wettelijke of reglementaire bepalingen gemachtigd zijn om toezicht uit te oefenen op gereglementeerde ondernemingen, hetzij op indivi- duele, hetzij op groepswijde basis; 4° relevante bevoegde autoriteiten: a) de bevoegde autoriteiten die verantwoordelijk zijn voor het sectorale groepstoezicht op gereglementeerde ondernemingen die deel uitmaken van een financieel conglomeraat, en met name op de moederneming die aan het hoofd van een sector staat; b) de coördinator, indien deze niet behoort tot de onder a) bedoelde autoriteiten; c) in voorkomend geval, andere betrokken bevoegde autoriteiten die naar het oordeel van de onder a) en onder b) bedoelde autoriteiten relevant zijn. Tot de inwerkingtreding van overeenkomstig artikel 21bis, lid 1, onder b) van Richtlijn 2002/87/EG vast te stellen technische reguleringsnormen, wordt in het punt c) bedoelde oordeel in het bijzonder rekening gehouden met het marktaandeel dat de gereglementeerde onder- nemingen van het financieel conglomeraat in andere lidstaten hebben, inzonderheid indien dit meer dan 5 % bedraagt, en met het belang van iedere in een andere lidstaat gevestigde gereglementeerde onderneming in het financieel conglomeraat; 5°  coördinator: de bevoegde autoriteit die be- last is met het uitoefenen van het aanvullende conglomeraatstoezicht; 6°  Gemengd Comité: het comité bedoeld in artikel 54  van respectievelijk Verordening (EU) nr. 1093/2010 van het Europees Parlement en de Raad van 24 november 2010 tot oprichting van een Europese toezichthoudende autoriteit (Europese Bankautoriteit), tot wijziging van Besluit nr. 716/2009/EG en tot in- trekking van Besluit 2009/78/EG van de Commissie, Verordening (EU) nr. 1094/2010 en Verordening (EU) ii. l’une au moins des entités du groupe ou du sous- groupe est une entreprise du secteur de l’assurance et l’une au moins des entités du groupe ou du sous-groupe est une entreprise du secteur bancaire ou du secteur des services d’investissement; et iii.  les activités consolidées et/ou agrégées des entités du groupe ou du sous-groupe qui font partie du secteur de l’assurance, et des entités du secteur ban- caire et du secteur des services d’investissement sont importantes au sens de l’article 452, § 3; 3° autorités compétentes: les autorités nationales des États membres habilitées, en vertu de dispositions légales ou réglementaires, à surveiller les entreprises réglementées, que ce soit sur une base individuelle ou à l’échelle du groupe; 4° autorités compétentes relevantes: a)  les autorités compétentes responsables du contrôle du groupe sectoriel applicable aux entreprises réglementées qui font partie d’un conglomérat financier, et en particulier à l’entreprise mère à la tête d’un secteur; b) le coordinateur, s’il ne figure pas parmi les autorités visées au point a); c) le cas échéant, d’autres autorités compétentes concernées qui, de l’avis des autorités visées aux points a) et b), sont pertinentes. Jusqu’à l’entrée en vigueur de normes techniques de réglementation adoptées conformément à l’article 21bis, paragraphe 1, point b) de la Directive 2002/87/CE, l’avis visé au point c) tient compte en particulier de la part de marché détenue par les entreprises réglementées du conglomérat financier dans les autres États membres, en particulier si elle dépasse 5 %, ainsi que de l’impor- tance au sein du conglomérat financier de toute entre- prise réglementée établie dans un autre État membre; 5° coordinateur: l’autorité compétente chargée d’as- surer la surveillance complémentaire des conglomérats; 6° comité mixte: le comité visé à l’article 54 respecti- vement du Règlement (UE) n° 1093/2010 du Parlement européen et du Conseil du 24 novembre 2010 instituant une Autorité européenne de surveillance (Autorité européenne des banques), modifiant la décision n° 716/2009/CE et abrogeant la décision 2009/78/CE de la Commission, du Règlement (UE) n° 1094/2010 et du Règlement (UE) n°1095/2010 du Parlement européen 963 1584/002 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 nr. 1095/2010 van het Europees Parlement en de Raad van 24 november 2010 tot oprichting van een Europese toezichthoudende autoriteit (Europese Autoriteit voor ef- fecten en markten), tot wijziging van Besluit nr. 716/2009/ EG en tot intrekking van Besluit 2009/77/EG van de Commissie. 7° Europees Comité voor Financiële Conglomeraten: het comité ingesteld bij artikel 21 van Richtlijn 2002/87/ EG; 8°  sectorale regelgeving: deze wet, de wet van 25  april  2014, de wet van 6  april  1995, de wet van 3 augustus 2012 betreffende bepaalde vormen van col- lectief beheer van beleggingsportefeuilles, evenals de uitvoeringsbesluiten en – reglementen van deze wetten, met uitsluiting van de bepalingen inzake het aanvullende conglomeraatstoezicht op gereglementeerde onderne- mingen in een financieel conglomeraat; de vergelijkbare nationale regelgevingen en toezichtspraktijken in andere lidstaten; 9°  intragroeptransacties: verrichtingen die recht- streeks of onrechtstreeks worden uitgevoerd, al dan niet tegen betaling, tussen gereglementeerde ondernemingen en andere ondernemingen die deel uitmaken van hetzelfde financieel conglomeraat of met die ondernemingen door nauwe banden verbonden natuurlijke personen of rechtspersonen, en die al dan niet betrekking hebben op de uitvoering van een con- tractuele verplichting; 10° risicoconcentratie: het geheel van de posities ingenomen door ondernemingen in een financieel con- glomeraat, die potentieel tot verlies aanleiding kunnen geven en die groot genoeg zijn om de financiële positie in het algemeen en de solvabiliteit in het bijzonder van de gereglementeerde ondernemingen in het financieel conglomeraat in gevaar te brengen, en die voortvloeien uit tegenpartij- of kredietrisico’s, beleggingsrisico’s, verzekeringsrisico’s, marktrisico’s, of andere belangrijke risico’s, of een combinatie of wisselwerking van deze risico’s; 11° sectoraal groepstoezicht: het toezicht op geregle- menteerde ondernemingen in uitvoering van Hoofdstuk II van deze Titel, de artikelen 165 tot 184 van de wet van 25 april 2014, artikel 95 van de wet van 6 april 1995 of artikel 241 van de wet betreffende bepaalde vormen van collectief beheer van beleggingsportefeuilles, en het toezicht in uitvoering van vergelijkbare nationale regelgevingen en toezichtspraktijken in andere lidstaten; 12°  Verordening  342/2014: Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 342/2014 van de Commissie van et du Conseil du 24  novembre  2010  instituant une Autorité européenne de surveillance (Autorité euro- péenne des marchés financiers), modifiant la décision n° 716/2009/CE et abrogeant la décision 2009/77/CE de la Commission; 7° Comité européen des conglomérats financiers: le comité institué par l’article 21 de la Directive 2002/87/ CE; 8°  réglementation sectorielle: la présente loi, la loi du 25 avril 2014, la loi du 6 avril 1995, la loi du 3 août 2012 relative à certaines formes de gestion col- lective de portefeuilles d’investissement, ainsi que les arrêtés et règlements pris en exécution de ces lois, à l’exception des dispositions relatives à la surveillance complémentaire des entreprises réglementées faisant partie d’un conglomérat; les réglementations et pra- tiques de contrôle nationales comparables en vigueur dans d’autres États; 9°  transactions intragroupe: les opérations effec- tuées directement ou indirectement, à titre onéreux ou non, entre des entreprises réglementées et d’autres entreprises faisant partie du même conglomérat finan- cier ou des personnes physiques ou morales liées à ces entreprises par des liens étroits, que ces opéra- tions concernent ou non l’exécution d’une obligation contractuelle; 10°  concentration des risques: l’ensemble des positions qui ont été prises par des entreprises d’un conglomérat financier, qui sont susceptibles de donner lieu à des pertes, qui sont suffisamment importantes pour compromettre la situation financière en général et la solvabilité en particulier des entreprises réglementées faisant partie dudit conglomérat financier, et qui résultent de risques de contrepartie/de crédit, d’investissement, d’assurance, de marché ou d’autres risques impor- tants, ou d’une combinaison ou d’une interaction de ces risques; 11° surveillance sectorielle du groupe: la surveillance exercée sur les entreprises réglementées en applica- tion du Chapitre II du présent Titre, les articles 165 à 184 de la loi du 25 avril 2014, l’article 95 de la loi du 6 avril 1995 ou l’article 241 de la loi relative à certaines formes de gestion collective de portefeuilles d’inves- tissement, ainsi que la surveillance exercée en appli- cation de réglementations et de pratiques de contrôle nationales comparables en vigueur dans d’autres États; 12°  Règlement  342/2014: le règlement délé- gué (UE) n° 342/2014  de la Commission du 964 1584/002 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 21 januari 2014 tot aanvulling van Richtlijn 2002/87/EG van het Europees Parlement en de Raad en Verordening (EU) nr. 575/2013 van het Europees Parlement en de Raad ten aanzien van technische reguleringsnormen voor de toepassing van de berekeningsmethoden voor kapitaaltoereikendheidsvereisten voor financiële conglomeraten. 13° Verordening  2015/2303: Gedelegeerde Verordening (EU) 2015/2303 van de Commissie van 28 juli 2015 tot aanvulling van Richtlijn 2002/87/EG van het Europees Parlement en de Raad met betrekking tot technische reguleringsnormen tot specificering van de definities van en coördinering van het aanvullende toezicht op risicoconcentratie en intragroepstransacties. Art. 341 Met het oog op een zo efficiënt mogelijk groepstoe- zicht en een zo efficiënt mogelijk aanvullend conglo- meraatstoezicht, kan de Bank individuele afwijkingen toestaan op de bepalingen van deze Titel en, in voor- komend geval, op de met toepassing van artikel 12bis, § 2 van de wet van 22 februari 1998 vastgestelde regle- menten, voor zover deze in lijn blijven met de ter zake relevante bepalingen van, naargelang van het geval, Richtlijn 2009/138/EG en Richtlijn 2002/87/EG. In dat geval stelt zij de Europese Commissie daarvan in kennis. Art. 342 De Bank kan, in voorkomend geval bij reglement vastgesteld met toepassing van artikel 12bis, § 2 van de wet van 22 februari 1998, de praktische modaliteiten van het groepstoezicht zoals opgenomen in Hoofdstuk II van deze Titel en van het aanvullende conglomeraat- stoezicht, zoals opgenomen in Hoofdstuk III van deze titel, nader bepalen. 21  janvier  2014  complétant la directive 2002/87/CE du Parlement européen et du Conseil et le règlement (UE) n° 575/2013 du Parlement européen et du Conseil par des normes techniques de la réglementation pour l’application aux conglomérats financiers des méthodes de calcul des exigences en matière d’adéquation des fonds propres. 13° Règlement 2015/2303: le règlement délégué (UE) 2015/2303 de la Commission du 28 juillet 2015 complé- tant la directive 2002/87/CE du Parlement européen et du Conseil par des normes techniques de réglementation précisant les définitions de la concentration de risques et des transactions intragroupe et coordonnant leur surveillance complémentaire. Art. 341 En vue d’un contrôle de groupe et d’une surveillance complémentaire des conglomérats aussi efficaces que possible, la Banque peut autoriser des dérogations individuelles aux dispositions du présent Titre, ainsi que, le cas échéant, aux règlements pris en application de l’article 12bis, § 2 de la loi du 22 février 1998, pour autant qu’elles restent conformes aux dispositions pertinentes en la matière de, selon le cas, la Directive 2009/138/CE et la Directive 2002/87/CE. Dans ce cas, elle en informe la Commission européenne. Art. 342 La Banque peut, le cas échéant par voie de règle- ment pris en application de l’article 12bis, § 2, de la loi du 22 février 1998, préciser les modalités pratiques du contrôle de groupe telles que prévues au Chapitre II du présent Titre, et de la surveillance complémentaire des conglomérats telles que prévues au Chapitre III du présent Chapitre. 965 1584/002 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 HOOFDSTUK II Toezicht op verzekerings- of herverzekeringsondernemingen die deel uitmaken van een verzekerings- of herverzekeringsgroep Afdeling I Toepassingsgevallen, reikwijdte en niveaus van het groepstoezicht Onderafdeling I Toepassingsgevallen van het groepstoezicht Art. 343 Verzekerings- of herverzekeringsondernemingen naar Belgisch recht die deel uitmaken van een groep, zijn onderworpen aan een toezicht op groepsniveau, overeenkomstig dit Hoofdstuk, de uitvoeringsbesluiten en -reglementen ervan en de uitvoeringsmaatregelen van Richtlijn 2009/138/EG. Het toezicht op groepsniveau wordt uitgeoefend op verzekerings- of herverzekeringsondernemingen naar Belgisch recht: 1° die een deelnemende onderneming in ten minste één verzekerings- of herverzekeringsonderneming in de Europese Economische Ruimte of van een derde land zijn, overeenkomstig de Afdelingen I tot IV van dit Hoofdstuk; 2° waarvan de moederonderneming een verzeke- ringsholding of een gemengde financiële holding in de Europese Economische Ruimte is, overeenkomstig de Afdelingen I tot IV van dit Hoofdstuk; 3° waarvan de moederonderneming een verzeke- ringsholding of een gemengde financiële holding van een derde land of een verzekerings- of herverzekerings- onderneming van een derde land is, overeenkomstig Afdeling V van dit Hoofdstuk; 4° waarvan de moederonderneming een gemengde verzekeringsholding in de Europese Economische Ruimte of van een derde land is, overeenkomstig Afdeling VI van dit Hoofdstuk. Het toezicht op groepsniveau doet geen afbreuk aan het toezicht dat op individuele basis wordt uitgeoefend op verzekerings- of herverzekeringsondernemingen die betrokken zijn in het toezicht op groepsniveau, behou- dens andersluidende bepalingen die door of krachtens dit Hoofdstuk of de uitvoeringsmaatregelen van Richtlijn 2009/138/EG zijn vastgelegd. De Bank kan evenwel CHAPITRE II Contrôle des entreprises d’assurance ou de réassurance faisant partie d’un groupe d’assurance ou de réassurance Section Ire Cas d’application, portée et niveaux du contrôle de groupe Sous-section Ire Cas d’application du contrôle de groupe Art. 343 Les entreprises d’assurance ou de réassurance de droit belge qui font partie d’un groupe sont soumises à un contrôle au niveau du groupe, conformément au présent Chapitre, aux arrêtés et règlements pris pour son exécution ainsi qu’aux mesures d’exécution de la Directive 2009/138/CE. Le contrôle au niveau du groupe s’exerce sur les entreprises d’assurance ou de réassurance de droit belge: 1° qui sont une entreprise participante dans au moins une entreprise d’assurance ou de réassurance dans l’Espace économique européen ou d’un pays tiers, conformément aux Sections Ire à IV du présent Chapitre; 2° dont l’entreprise mère est une société holding d’assurance ou une compagnie financière mixte dans l’Espace économique européen, conformément aux Sections Ire à IV du présent Chapitre; 3° dont l’entreprise mère est une société holding d’assurance ou une compagnie financière mixte d’un pays tiers ou une entreprise d’assurance ou de réas- surance d’un pays tiers, conformément à la Section V du présent Chapitre; 4° dont l’entreprise mère est une société holding mixte d’assurance dans l’Espace économique euro- péen ou d’un pays tiers, conformément à la Section VI du présent Chapitre. Le contrôle au niveau du groupe ne porte pas préjudice au contrôle, sur une base individuelle, des entreprises d’assurance ou de réassurance incluses dans le contrôle au niveau d’un groupe, sauf dispo- sitions contraires prévues par ou en vertu du présent Chapitre ou par les mesures d’exécution de la Directive 2009/138/CE. La Banque peut toutefois tenir compte des 966 1584/002 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 rekening houden met de implicaties van het toezicht op groepsniveau bij de bepaling van de inhoud en de modaliteiten van het toezicht op individuele basis op verzekerings- of herverzekeringsondernemingen. Art. 344 In de gevallen bedoeld in artikel 343, tweede lid, 1° en 2°, waarin de deelnemende verzekerings- of herverze- keringsonderneming, de verzekeringsholding of de ge- mengde financiële holding in de Europese Economische Ruimte hetzij een verbonden onderneming van een gereglementeerde entiteit of een gemengde financiële holding is die overeenkomstig artikel 5, lid 2 van Richtlijn 2002/87/EG aan aanvullend toezicht is onderworpen, hetzij zelf een gereglementeerde entiteit of een ge- mengde financiële holding is die aan hetzelfde toezicht is onderworpen, kan de groepstoezichthouder, na over- leg met de andere betrokken toezichthouders, besluiten op het niveau van deze deelnemende verzekerings- of herverzekeringsonderneming, deze verzekeringsholding of deze gemengde financiële holding het in de artikelen 388 en 389 bedoelde toezicht op de risicoconcentratie of het in de artikelen 390 en 391 bedoelde toezicht op intragroeptransacties of beide niet uit te oefenen. Art. 345 Alle bepalingen van dit Hoofdstuk die van toepas- sing zijn op groepsniveau wegens de positie van de verzekeringsholding naar Belgisch recht, zijn ook van toepassing op het niveau van een gemengde financiële holding naar Belgisch recht voor zover: 1° de verzekeringssector de belangrijkste sector is binnen het financieel conglomeraat; 2° minstens één van de dochterondernemingen een verzekerings- of herverzekeringsonderneming is; 3° de Bank zowel het toezicht op groepsniveau als het aanvullende conglomeraatstoezicht uitoefent. Voor de toepassing van het eerste lid wordt de om- vang van de verzekeringssector gemeten overeenkom- stig artikel 452, § 3. Voor de toepassing van dit artikel overlegt de Bank, in haar hoedanigheid van groepstoezichthouder, met de betrokken toezichthouders die belast zijn met het toezicht op de dochterondernemingen en verkrijgt zij de instemming van de consoliderende toezichthouder van de banksector en de beleggingsdienstensector. implications du contrôle au niveau du groupe dans la détermination du contenu et des modalités du contrôle sur une base individuelle des entreprises d’assurance ou de réassurance. Art. 344 Dans les cas visés à l’article 343, alinéa 2, 1° et 2°, lorsque l’entreprise d’assurance ou de réassurance participante, la société holding d’assurance ou la com- pagnie financière mixte dans l’Espace économique européen est soit une entreprise liée d’une entité régle- mentée ou d’une compagnie financière mixte assujettie à une surveillance complémentaire conformément à l’article 5, § 2, de la directive 2002/87/CE, soit elle-même une entité réglementée ou une compagnie financière mixte assujettie à la même surveillance, le contrôleur du groupe, peut, après consultation des autres autorités de contrôle concernées, décider de ne pas effectuer le contrôle de la concentration de risques visé aux articles 388 et 389, le contrôle des transactions intragroupe visé aux articles 390 et 391 ou les deux, au niveau de cette entreprise d’assurance ou de réassurance participante, de cette société holding d’assurance ou de cette com- pagnie financière mixte. Art. 345 Toute disposition du présent Chapitre qui s’applique au niveau du groupe en raison de la situation de la société holding d’assurance de droit belge s’applique également au niveau d’une compagnie financière mixte de droit belge pour autant que: 1° le secteur des assurances soit le principal secteur au sein du conglomérat financier; 2° l’une des filiales au moins soit une entreprise d’assurance ou de réassurance; 3° la Banque exerce aussi bien le contrôle au niveau du groupe que la surveillance complémentaire du conglomérat. Pour l’application de l’alinéa  1er, l’importance du secteur des assurances est mesurée conformément à l’article 452, § 3. Pour l’application du présent article, la Banque, en sa qualité de contrôleur du groupe, se concerte avec les autorités de contrôle concernées chargées du contrôle des filiales et obtient l’accord de l’autorité de surveil- lance sur base consolidée du secteur bancaire et du secteur des services d’investissement. 967 1584/002 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 In haar hoedanigheid van groepstoezichthouder stelt de Bank de EBA en EIOPA in kennis van de krachtens dit artikel genomen besluiten. Art. 346 Onverminderd artikel 347 kan de Bank, wanneer een verzekerings- of herverzekeringsonderneming die aan het hoofd staat van een financieel conglomeraat of wan- neer een gemengde financiële holding naar Belgisch recht onderworpen is aan gelijkwaardige bepalingen van Hoofdstuk II en Hoofdstuk III van deze Titel, met name als het gaat om risicogebaseerd toezicht, in haar hoe- danigheid van groepstoezichthouder besluiten op deze gemengde financiële holding alleen de relevante bepa- lingen van Hoofdstuk III van deze Titel toe te passen. Voor de toepassing van dit artikel overlegt de Bank, in haar hoedanigheid van groepstoezichthouder, met de betrokken toezichthouders die belast zijn met het toe- zicht op de dochterondernemingen en, in voorkomend geval, met de consoliderende toezichthouder van de banksector en de beleggingsdienstensector. In haar hoedanigheid van groepstoezichthouder stelt de Bank de EBA en EIOPA in kennis van de krachtens dit artikel genomen besluiten. Art. 347 Wanneer een verzekerings- of herverzekeringsonder- neming deel uitmaakt van een financieel conglomeraat waarin de verzekeringssector de belangrijkste sector is en waarover de Bank zowel het toezicht op groepsniveau als het aanvullende conglomeraatstoezicht uitoefent, kan deze besluiten, na overleg met de bevoegde au- toriteiten in de zin van artikel 340, 3°, dat de volgende maatregelen van toepassing zijn: 1° wat betreft de verplichtingen en bevoegdheden inzake risicogebaseerd toezicht, zoals neergelegd in de artikelen 383 tot 401 en 417 tot 424, of onderdelen daarvan, zal bij wijze van afwijking de groep als gedefi- nieerd in artikel 340, 1° die het financieel conglomeraat vormt, in aanmerking worden genomen als relevante reikwijdte voor het toezicht op groepsniveau; 2° voor de naleving van de artikelen 459 tot 466 wor- den de groepsrisico’s die voortvloeien uit intragroep- transacties en risicoconcentratie binnen het financieel conglomeraat, als een bijkomende risicocategorie behandeld. Deze risico’s worden voldoende speci- fiek behandeld, met inachtneming van de richtlijnen of standaarden die de Europese toezichthoudende La Banque, en sa qualité de contrôleur du groupe, informe l’ABE et l’EIOPA des décisions arrêtées en vertu du présent article. Art. 346 Sans préjudice de l’article 347, lorsqu’une entreprise d’assurance ou de réassurance à la tête d’un conglomé- rat financier ou lorsqu’une compagnie financière mixte de droit belge est soumise à des dispositions équiva- lentes du Chapitre II et du Chapitre III du présent Titre, plus particulièrement en termes de surveillance fondée sur le risque, la Banque, en sa qualité de contrôleur du groupe peut décider de n’appliquer à cette compagnie financière mixte que les dispositions pertinentes du Chapitre III du présent Titre. Pour l’application du présent article, la Banque, en sa qualité de contrôleur de groupe, se concerte avec les autorités de contrôle concernées chargées du contrôle des filiales et, le cas échéant, avec l’autorité de surveil- lance sur base consolidée du secteur bancaire et du secteur des services d’investissement. La Banque, en sa qualité de contrôleur du groupe, informe l’ABE et l’EIOPA des décisions arrêtées en vertu du présent article. Art. 347 Lorsqu’une entreprise d’assurance ou de réassu- rance fait partie d’un conglomérat financier dans lequel le secteur des assurances est le principal secteur et sur lequel la Banque exerce tant le contrôle au niveau du groupe que la surveillance complémentaire du conglo- mérat, celle-ci peut décider, après concertation avec les autorités compétentes au sens de l’article 340, 3°, que les mesures suivantes sont d’application: 1° en ce qui concerne les obligations et compétences relatives au contrôle fondé sur les risques, telles que décrites aux articles 383 à 401 et 417 à 424, ou des parties de ceux-ci, le groupe, tel que défini à l’article 340, 1° et qui constitue le conglomérat financier, sera, par dérogation, pris en considération au titre de la portée pertinente pour le contrôle au niveau du groupe; 2° pour le respect des articles 459 à 466, les risques de groupe qui découlent des transactions intragroupe et de la concentration des risques au sein du conglomérat financier sont traités comme une catégorie de risques supplémentaires. Ces risques sont traités de façon suf- fisamment spécifique, tout en respectant les directives ou normes édictées par les Autorités européennes de 968 1584/002 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 autoriteiten uitvaardigen en van de kwantitatieve of kwalitatieve maatregelen waarnaar verwezen wordt in de voornoemde artikelen; 3° voor de naleving van artikel 467 kunnen de be- doelde stresstests op het niveau van het financieel conglomeraat worden geïntegreerd in de stresstests die vereist zijn op basis van artikel 322. De praktische modaliteiten voor de toepassing van het eerste lid worden schriftelijk vastgelegd in een coördinatieregeling die met de relevante bevoegde au- toriteiten in de zin van artikel 340, 4° is gesloten binnen het college dat op de vereiste wijze is samengesteld op basis van artikel 474. In haar hoedanigheid van groepstoezichthouder stelt de Bank de EBA en EIOPA in kennis van de krachtens het eerste lid genomen besluiten. Onderafdeling II Reikwijdte van het groepstoezicht Art. 348 De uitoefening van het groepstoezicht overeenkom- stig dit Hoofdstuk betekent niet dat toezicht op individu- ele basis moet worden uitgeoefend op de verzekerings- of herverzekeringsondernemingen van een derde land, op de verzekeringsholding, op de gemengde financiële holding of op de gemengde verzekeringsholding die on- der het toezicht op groepsniveau vallen, onverminderd Afdeling IV van dit Hoofdstuk wat verzekeringsholdings en gemengde financiële holdings betreft. Art. 349 § 1. De groepstoezichthouder kan per geval besluiten om bij het in artikel 343 bedoelde toezicht op groeps- niveau een onderneming niet in aanmerking te nemen: 1° indien de onderneming gevestigd is in een derde land waar er juridische belemmeringen bestaan voor het doorgeven van de benodigde informatie, onverminderd het bepaalde in artikel 371; 2° indien de bij het toezicht te betrekken onderneming in het licht van de doeleinden van het groepstoezicht van te verwaarlozen betekenis is; of surveillance, ainsi que les mesures quantitatives et qualitatives auxquelles il est fait référence dans les articles précités; 3° pour le respect de l’article 467, les tests de résis- tance visés peuvent être intégrés au niveau du conglo- mérat financier dans les tests de résistance requis sur la base de l’article 322. Les modalités pratiques relatives à l’application de l’alinéa 1er sont consignées par écrit dans un règlement de coordination conclu avec les autorités compétentes relevantes au sens de l’article 340, 4°, au sein du col- lège constitué de la manière requise sur la base de l’article 474. La Banque, en sa qualité de contrôleur du groupe, informe l’ABE et l’EIOPA des décisions arrêtées en vertu de l’alinéa 1er. Sous-section II Portée du contrôle de groupe Art. 348 L’exercice du contrôle du groupe conformément au présent Chapitre n’implique pas le contrôle sur une base individuelle des entreprises d’assurance ou de réassurance d’un pays tiers, de la société holding d’assurance, de la compagnie financière mixte ou de la société holding mixte d’assurance incluses dans le contrôle au niveau du groupe, sans préjudice de la Section IV du présent Chapitre en ce qui concerne les sociétés holding d’assurance ou les compagnies financières mixtes. Art. 349 § 1er. Le contrôleur du groupe peut décider, au cas par cas, de ne pas inclure une entreprise dans le contrôle au niveau du groupe visé à l’article 343: 1° lorsque l’entreprise est située dans un pays tiers où des obstacles de nature juridique empêchent le transfert des informations nécessaires, sans préjudice de l’article 371; 2° lorsque l’entreprise à inclure ne présente qu’un intérêt négligeable au regard des objectifs du contrôle de groupe; ou 969 1584/002 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 3° indien het in aanmerking nemen van de onderne- ming in het licht van de doeleinden van het groepstoe- zicht ongepast of misleidend zou zijn. Wanneer verscheidene ondernemingen van dezelfde groep individueel genomen buiten beschouwing mogen worden gelaten op grond van het eerste lid, 2°, moeten deze toch bij het toezicht op groepsniveau in aanmer- king worden genomen indien zij gezamenlijk van niet te verwaarlozen betekenis zijn. § 2. Indien de Bank, in haar hoedanigheid van groeps- toezichthouder, in de in paragraaf 1, eerste lid, 2° of 3° bedoelde gevallen van mening is dat een verzekerings- of herverzekeringsonderneming niet bij het toezicht op groepsniveau in aanmerking moet worden genomen, raadpleegt zij de andere betrokken toezichthouders alvorens een besluit te nemen. Art. 350 Wanneer een verzekerings- of herverzekeringson- derneming op grond van artikel 349, § 1, eerste lid, 2° of 3° of van een bepaling van het recht van een andere lidstaat die voorziet in de omzetting van artikel 214, lid 2, eerste alinea, onder b) of c), van Richtlijn 2009/138/EG, niet bij het groepstoezicht in aanmerking wordt geno- men, dient de onderneming naar Belgisch recht die aan het hoofd van de groep staat, aan de toezichthouders van de lidstaat waar deze niet in het groepstoezicht opgenomen onderneming is gevestigd, alle informatie te verstrekken die naar haar mening het toezicht op de betrokken verzekerings- of herverzekeringsonderne- ming kan vergemakkelijken. Onderafdeling III Niveaus § 1 – Uiteindelijke moederonderneming op het niveau van de Europese Economische Ruimte Art. 351 Wanneer de in artikel 343, tweede lid, 1° en 2° bedoelde deelnemende verzekerings- of herverzeke- ringsonderneming, verzekeringsholding of gemengde financiële holding zelf een dochteronderneming van een andere verzekerings- of herverzekeringsonderne- ming, een andere verzekeringsholding of een andere gemengde financiële holding met zetel in de Europese Economische Ruimte is, zijn de bepalingen die door of krachtens de Afdelingen II tot IV van dit Hoofdstuk zijn vastgelegd, alleen van toepassing op het niveau 3° lorsque l’inclusion de l’entreprise est inappropriée ou pourrait constituer une source de confusion, au regard des objectifs du contrôle de groupe. Lorsque plusieurs entreprises du même groupe, considérées individuellement, peuvent être exclues sur la base de l’alinéa 1er, 2°, il y a lieu de les inclure dans le contrôle au niveau du groupe dès lors que, collec- tivement, elles présentent un intérêt non négligeable. § 2. Lorsque la Banque, en sa qualité de contrôleur du groupe, estime qu’une entreprise d’assurance ou de réassurance ne devrait pas être incluse dans le contrôle au niveau du groupe par application du paragraphe 1er, alinéa 1er, 2° ou 3°, elle consulte les autres autorités de contrôle concernées avant d’arrêter une décision. Art. 350 Lorsqu’en application de l’article 349, § 1er, alinéa 1er, 2° ou 3° ou d’une disposition du droit d’un autre État membre assurant la transposition de l’article 214, paragraphe 2, alinéa 1er, point b) ou c), de la Directive 2009/138/CE, une entreprise d’assurance ou de réas- surance n’est pas incluse dans le contrôle du groupe, l’entreprise de droit belge qui se trouve à la tête du groupe est tenue de fournir à l’autorité de contrôle de l’État membre où cette entreprise non incluse dans le contrôle du groupe est située, toute information que celle-ci estime de nature à faciliter le contrôle de l’entreprise d’assurance ou de réassurance concernée. Sous-section III Niveaux §  1er – Entreprise mère supérieure au niveau de l’Espace économique européen Art. 351 Lorsque l’entreprise d’assurance ou de réassurance participante, la société holding d’assurance ou la com- pagnie financière mixte visée à l’article 343, alinéa 2, 1° et 2°, est elle-même une entreprise filiale d’une autre entreprise d’assurance ou de réassurance, d’une autre société holding d’assurance ou d’une autre compagnie financière mixte ayant son siège social dans l’Espace économique européen, les dispositions prévues par ou en vertu des Sections II à IV du présent Chapitre ne s’appliquent qu’au niveau de l’entreprise d’assurance 970 1584/002 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 van de uiteindelijke moederverzekerings- of -herver- zekeringsonderneming in de Europese Economische Ruimte, de uiteindelijke moederverzekeringsholding of de uiteindelijke gemengde financiële moederholding in de Europese Economische Ruimte. Art. 352 Wanneer de in artikel 351  bedoelde uiteindelijke moederverzekerings- of -herverzekeringsonderneming op het niveau van de Europese Economische Ruimte, de uiteindelijke moederverzekeringsholding of de uiteindelijke gemengde financiële moederholding op het niveau van de Europese Economische Ruimte een dochteronderneming van een overeenkomstig artikel 5, lid 2, van Richtlijn 2002/87/EG aan aanvullend toezicht onderworpen onderneming is, kan de groepstoezicht- houder, na overleg met de andere betrokken toezicht- houders, besluiten op het niveau van deze uiteindelijke moederonderneming, moederverzekeringsholding of moederholding het in de artikelen 388 en 389 bedoelde toezicht op de risicoconcentratie of het in de artikelen 390 en 391 bedoelde toezicht op intragroeptransacties of beide niet uit te oefenen. § 2 – Uiteindelijke moederonderneming op Belgisch niveau Art. 353 § 1. Onverminderd de artikelen 351 en 352, wanneer de zetel van de in artikel 351 bedoelde uiteindelijke moederonderneming op het niveau van de Europese Economische Ruimte niet in België is gelegen, kan de Bank, na raadpleging van de groepstoezichthouder en deze uiteindelijke moederonderneming op het niveau van de Europese Economische Ruimte, besluiten de in artikel 343, tweede lid, 1° en 2° bedoelde verzekerings- of herverzekeringsonderneming, verzekeringsholding of gemengde financiële holding aan het toezicht op groepsniveau te onderwerpen overeenkomstig de be- palingen die door of krachtens dit Hoofdstuk en door de uitvoeringsmaatregelen van Richtlijn 2009/138/EG zijn vastgelegd. De in het eerste lid bedoelde verzekerings- of her- verzekeringsonderneming, verzekeringsholding of gemengde financiële holding, wordt als uiteindelijke moederonderneming op Belgisch niveau aangemerkt. De Bank legt haar besluit uit aan de groepstoezicht- houder en aan de uiteindelijke moederonderneming op het niveau van de Europese Economische Ruimte. ou de réassurance mère supérieure dans l’Espace éco- nomique européen, de la société holding d’assurance mère supérieure ou de la compagnie financière mixte mère supérieure dans l’Espace économique européen. Art. 352 Lorsque l’entreprise d’assurance ou de réassurance mère supérieure au niveau de l’Espace économique européen, la société holding d’assurance mère supé- rieure ou la compagnie financière mixte mère supérieure au niveau de l’Espace économique européen, visée à l’article 351 est une entreprise filiale d’une entreprise assujettie à une surveillance complémentaire confor- mément à l’article 5, § 2, de la Directive 2002/87/CE, le contrôleur du groupe, peut, après consultation des autres autorités de contrôle concernées, décider de ne pas effectuer le contrôle de la concentration de risques visé aux articles 388 et 389 ou le contrôle des transactions intragroupe visé aux articles 390 et 391 ou les deux, au niveau de cette entreprise, société ou compagnie mère supérieure. § 2 – Entreprise mère supérieure au niveau belge Art. 353 § 1er. Sans préjudice des articles 351 et 352, lorsque l’entreprise mère supérieure au niveau de l’Espace économique européen visée à l’article  351  n’a pas son siège social en Belgique, la Banque peut décider, après consultation du contrôleur du groupe et de cette entreprise mère supérieure au niveau de l’Espace éco- nomique européen, d’assujettir l’entreprise d’assurance ou de réassurance ou la société holding d’assurance ou la compagnie financière mixte visée à l’article 343, alinéa 2, 1° et 2°, au contrôle au niveau du groupe conformément aux dispositions prévues par ou en vertu du présent Chapitre et par les mesures d’exécution de la Directive 2009/138/CE. Cette entreprise d’assurance ou de réassurance, la société holding d’assurance ou la compagnie financière mixte visée à l’alinéa 1er est qualifiée d’entreprise mère supérieure au niveau belge. La Banque explique sa décision au contrôleur du groupe et à l’entreprise mère supérieure au niveau de l’Espace économique européen. 971 1584/002 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 § 2. De Bank mag paragraaf 1 niet toepassen en mag geen besluiten handhaven die met toepassing van paragraaf 1 zijn genomen wanneer de in artikel 351 be- doelde uiteindelijke moederonderneming op het niveau van de Europese Economische Ruimte overeenkomstig artikel 237 of 243 van Richtlijn 2009/138/EG toestem- ming heeft verkregen om haar dochteronderneming, die de uiteindelijke moederonderneming op Belgisch niveau is, aan de artikelen 238 en 239 van Richtlijn 2009/138/ EG te onderwerpen. Art. 354 § 1. Wanneer zij artikel 353 toepast, kan de Bank het groepstoezicht op de uiteindelijke moederonder- neming op Belgisch niveau beperken tot een of meer van de Onderafdelingen I, II of III van Afdeling II van dit Hoofdstuk. § 2. Wanneer de Bank besluit de bepalingen van Onderafdeling 1 van Afdeling II van dit Hoofdstuk op de uiteindelijke moederonderneming op Belgisch niveau toe te passen, wordt de keuze van de methode voor de berekening van de solvabiliteit op het niveau van de groep die overeenkomstig artikel 220 van Richtlijn 2009/138/EG door de groepstoezichthouder met be- trekking tot de in artikel 351  bedoelde uiteindelijke moederonderneming op het niveau van de Europese Economische Ruimte wordt gemaakt, als definitief er- kend en door de Bank toegepast. § 3. Wanneer de Bank besluit de bepalingen van Onderafdeling 1 van Afdeling II van dit Hoofdstuk op de uiteindelijke moederonderneming op Belgisch niveau toe te passen en de in artikel 351 bedoelde uiteindelijke moederonderneming op het niveau van de Europese Economische Ruimte overeenkomstig artikel 231  of artikel 233, lid 5 van Richtlijn 2009/138/EG toestemming heeft verkregen om het solvabiliteitskapitaalvereiste van de groep en het solvabiliteitskapitaalvereiste van de ver- zekerings- of herverzekeringsondernemingen die deel uitmaken van die groep, op basis van een intern model te berekenen, wordt dit besluit als definitief erkend en door de Bank toegepast. Wanneer de Bank in een dergelijke situatie van mening is dat het risicoprofiel van de uiteindelijke moe- deronderneming op Belgisch niveau duidelijk afwijkt van het op het niveau van de Europese Economische Ruimte goedgekeurde interne model, en zolang deze onderneming niet afdoende tegemoet komt aan de be- zorgdheden van de Bank, kan zij besluiten een opslag- factor toe te passen op het solvabiliteitskapitaalvereiste van de groep dat voor de uiteindelijke moederonder- neming op Belgisch niveau uit de toepassing van dit § 2. La Banque n’est pas autorisée à faire application du paragraphe 1er ou à maintenir une décision prise en application du paragraphe 1er lorsque l’entreprise mère supérieure au niveau de l’Espace économique européen visée à l’article 351 a obtenu, conformément aux articles 237 ou 243 de la Directive 2009/138/CE, l’autorisation d’assujettir sa filiale entreprise mère supérieure au niveau belge aux articles 238 et 239 de la Directive 2009/138/CE. Art. 354 § 1er. Lorsqu’elle fait application de l’article 353, la Banque peut limiter le contrôle de groupe de l’entreprise mère supérieure au niveau belge à une ou plusieurs des Sous-sections Ire, II ou III de la Section II du présent Chapitre. §  2. Lorsque la Banque décide d’appliquer à l’entreprise mère supérieure au niveau belge les dis- positions de la Sous-section  1re de la Section II du présent Chapitre, le choix de la méthode de calcul de la solvabilité au niveau du groupe, effectué conformé- ment à l’article 220 de la Directive 2009/138/CE par le contrôleur du groupe en ce qui concerne l’entreprise mère supérieure au niveau de l’Espace économique européen visée à l’article 351, est considéré comme déterminant et est appliqué par la Banque. § 3. Lorsque la Banque décide d’appliquer à l’entre- prise mère supérieure au niveau belge les dispositions de la Sous-section  1re de la Section II du présent Chapitre et que l’entreprise mère supérieure au niveau de l’Espace économique européen visée à l’article 351 a obtenu, conformément à l’article 231 ou 233, paragraphe 5 de la Directive 2009/138/CE, l’autorisation de calculer sur la base d’un modèle interne le capital de solvabilité requis du groupe et le capital de solvabilité requis des entreprises d’assurance ou de réassurance faisant partie du groupe, cette décision est considérée comme déterminante et est appliquée par la Banque. Dans ce cas, lorsque la Banque considère que le profil de risque de l’entreprise mère supérieure au niveau belge s’écarte significativement du modèle interne approuvé au niveau de l’Espace économique européen, elle peut décider d’imposer à l’entreprise mère supérieure au niveau belge, en conséquence de l’application de ce modèle et aussi longtemps que cette entreprise ne répond pas de manière satisfaisante aux préoccupations de la Banque, une exigence de capital supplémentaire en ce qui concerne le capital 972 1584/002 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 model voortvloeit, of, in uitzonderlijke omstandigheden waarin de toepassing van een dergelijke opslagfactor niet gepast is, verlangen dat deze onderneming het solvabiliteitskapitaalvereiste van de groep op basis van de standaardformule berekent. De Bank legt de krachtens het tweede lid genomen besluiten uit aan de groepstoezichthouder en aan de uiteindelijke moederonderneming op Belgisch niveau. § 4. Wanneer de Bank besluit de bepalingen van Onderafdeling 1 van Afdeling II van dit Hoofdstuk op de uiteindelijke moederonderneming op Belgisch niveau toe te passen, is het deze onderneming niet toegestaan overeenkomstig artikel 382 een aanvraag in te dienen om één of meer van haar dochterondernemingen aan de artikelen 384 en 385 te onderwerpen. Art. 355 Wanneer een toezichthouder de Bank, in haar hoeda- nigheid van groepstoezichthouder, ervan in kennis stelt dat zij artikel 216, lid 1 of lid 4 van Richtlijn 2009/138/ EG heeft toepast, deelt de Bank dit mee aan het college van toezichthouders overeenkomstig artikel 409, § 1. § 3 – Moederonderneming die meerdere lidstaten bestrijkt Art. 356 § 1. In geval van toepassing van artikel 353, mag de Bank een overeenkomst sluiten met toezichthouders van andere lidstaten waar een andere verbonden uiteinde- lijke moederonderneming op nationaal niveau aanwezig is, teneinde groepstoezicht uit te oefenen op het niveau van een subgroep die meerdere lidstaten bestrijkt. Wanneer er overeenkomstig het eerste lid een over- eenkomst is gesloten, mag geen groepstoezicht worden uitgeoefend op het niveau van de uiteindelijke moe- derondernemingen op nationaal niveau die in andere lidstaten aanwezig zijn dan de lidstaat waar de in het eerste lid bedoelde subgroep is gevestigd. § 2. De Bank en de toezichthouders die partij zijn bij de in paragraaf 1 bedoelde overeenkomst kunnen overeenkomen het groepstoezicht op het niveau van de subgroep die meerdere lidstaten bestrijkt, te beperken tot een of meer afdelingen van Hoofdstuk II van Titel III van Richtlijn 2009/138/EG. Wanneer de Bank en de toezichthouders die partij zijn bij de in paragraaf 1 bedoelde overeenkomst besluiten de solvabilité requis du groupe de cette entreprise ou, dans des circonstances exceptionnelles, lorsque cette exigence de capital supplémentaire serait inappropriée, exiger de cette entreprise qu’elle calcule le capital de solvabilité requis du groupe sur la base de la formule standard. La Banque explique les décisions prises en vertu de l’alinéa 2 au contrôleur du groupe et à l’entreprise mère supérieure au niveau belge. §  4.  Lorsque la Banque décide d’appliquer à l’entreprise mère supérieure au niveau belge les dis- positions de la Sous-section 1re de la Section II du présent Chapitre, cette entreprise n’est pas autorisée à demander, conformément à l’article 382, l’autorisation d’assujettir l’une quelconque de ses filiales aux articles 384 et 385. Art. 355 Lorsqu’une autorité de contrôle informe la Banque, en qualité de contrôleur du groupe, qu’elle a fait application de l’article 216, paragraphe 1er ou paragraphe 4 de la Directive 2009/138/CE, la Banque en informe le collège des contrôleurs conformément à l’article 409, § 1er. §  3  – Entreprise mère couvrant plusieurs États membres Art. 356 § 1er. En cas d’application de l’article 353, la Banque peut conclure un accord avec les autorités de contrôle dans les autres États membres où se trouve une autre entreprise mère supérieure liée au niveau national, en vue d’exercer un contrôle du groupe au niveau d’un sous-groupe couvrant plusieurs États membres. En cas de conclusion d’un accord conformément à l’alinéa 1er, aucun contrôle du groupe n’est effectué au niveau des entreprises mères supérieures au niveau national qui se trouvent dans des États membres dif- férents de l’État membre où est situé le sous-groupe visé à l’alinéa 1er. § 2. La Banque et les autorités de contrôle parties à l’accord visé au paragraphe 1er peuvent convenir de limiter le contrôle du groupe au niveau du sous-groupe couvrant plusieurs États membres, à une ou plusieurs sections du Chapitre  II du Titre  III de la Directive 2009/138/CE. Lorsque la Banque et les autorités de contrôle parties à l’accord visé au paragraphe 1er décident d’appliquer 973 1584/002 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 de artikelen 218 tot 243 van Richtlijn 2009/138/EG toe te passen, wordt de keuze van de methode voor de be- rekening van de solvabiliteit op het niveau van de groep, die overeenkomstig artikel 220 van Richtlijn 2009/138/ EG door de groepstoezichthouder met betrekking tot de uiteindelijke moederonderneming op het niveau van de Europese Economische Ruimte wordt gemaakt, als definitief erkend en door de Bank en de toezichthouders die partij zijn bij de in paragraaf 1 bedoelde overeen- komst toegepast. Ingeval de Bank en de toezichthouders die partij zijn bij de in paragraaf 1 bedoelde overeenkomst besluiten de artikelen 218 tot 243 van Richtlijn 2009/138/EG te passen en ingeval de uiteindelijke moederonderneming op het niveau van de Europese Economische Ruimte overeenkomstig artikel 231 of artikel 233, lid 5, van Richtlijn 2009/138/EG toestemming heeft verkregen om het solvabiliteitskapitaalvereiste van de groep en het solvabiliteitskapitaalvereiste van de verzekerings- of herverzekeringsondernemingen die deel uitmaken van de groep op basis van een intern model te berekenen, wordt dat besluit als definitief erkend en door de Bank en de toezichthouders die partij zijn bij de in paragraaf 1 bedoelde overeenkomst toegepast. Wanneer de Bank en de toezichthouders die partij zijn bij de in paragraaf 1 bedoelde overeenkomst, in het in het derde lid bedoelde geval van mening zijn dat het risicoprofiel van de subgroep die meerdere lid- staten bestrijkt, duidelijk afwijkt van het op het niveau van de Europese Economische Ruimte goedgekeurde interne model, en zolang deze subgroep niet afdoende tegemoet komt aan de bezorgdheden van de Bank en van de toezichthouders die partij zijn bij de in paragraaf 1 bedoelde overeenkomst, kunnen zij besluiten op het uit de toepassing van dit model voortvloeiende solva- biliteitskapitaalvereiste van de subgroep die meerdere lidstaten bestrijkt, een opslagfactor toe te passen of, in uitzonderlijke omstandigheden waarin de toepassing van een dergelijke opslagfactor niet gepast is, verlangen dat deze subgroep die meerdere lidstaten bestrijkt, het solvabiliteitskapitaalvereiste van de subgroep op basis van de standaardformule berekent. De Bank legt de krachtens het vierde lid genomen besluiten uit aan de groepstoezichthouder en aan de uiteindelijke moederonderneming op het niveau van de Europese Economische Ruimte. § 3. De Bank en de toezichthouders die partij zijn bij de met toepassing van dit artikel gesloten over- eenkomst, leggen de genoemde overeenkomst uit les articles 218 à 243 de la Directive 2009/138/CE, le choix de la méthode de calcul de la solvabilité au niveau du groupe, effectué conformément à l’article 220 de la Directive 2009/138/CE par le contrôleur du groupe en ce qui concerne l’entreprise mère supérieure au niveau de l’Espace économique européen, est considéré comme déterminant et est appliqué par la Banque et les autorités de contrôle parties à l’accord visé au paragraphe 1er. Lorsque la Banque et les autorités de contrôle parties à l’accord visé au paragraphe 1er décident d’appliquer les articles 218 à 243 de la Directive 2009/138/CE, et que l’entreprise mère supérieure au niveau de l’Espace éco- nomique européen a obtenu, conformément à l’article 231 ou 233, paragraphe 5 de la Directive 2009/138/CE, l’autorisation de calculer sur la base d’un modèle interne le capital de solvabilité requis du groupe et le capital de solvabilité requis des entreprises d’assurance ou de réassurance faisant partie du groupe, cette décision est considérée comme déterminante et est appliquée par la Banque et les autorités de contrôle parties à l’accord visé au paragraphe 1er. Dans le cas visé à l’alinéa 3, lorsque la Banque et les autorités de contrôle parties à l’accord visé au paragraphe 1er considèrent que le profil de risque du sous-groupe couvrant plusieurs États membres s’écarte significativement du modèle interne approuvé au niveau de l’Espace économique européen, elles peuvent décider d’imposer au sous-groupe couvrant plusieurs États membres, en conséquence de l’application de ce modèle et aussi longtemps que ce sous-groupe ne répond pas de manière satisfaisante aux préoccupa- tions de la Banque et des autorités de contrôle parties à l’accord visé au paragraphe 1er , une exigence de capital supplémentaire en ce qui concerne le capital de solvabilité requis du sous-groupe couvrant plusieurs États membres ou, dans des circonstances exception- nelles, lorsque cette exigence de capital supplémentaire serait inappropriée, exiger de ce sous-groupe couvrant plusieurs États membres qu’il calcule le capital de sol- vabilité requis du sous-groupe sur la base de la formule standard. La Banque explique les décisions prises en vertu de l’alinéa 4 au contrôleur du groupe et à l’entreprise mère supérieure au niveau de l’Espace économique européen. § 3. La Banque et les autorités de contrôle parties à l’accord conclu en application du présent article, exposent ledit accord au contrôleur du groupe et à 974 1584/002 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 aan de groepstoezichthouder en aan de uiteindelijke moederonderneming op het niveau van de Europese Economische Ruimte. § 4. De in dit artikel bedoelde overeenkomst mag geen betrekking hebben op een uiteindelijke moe- deronderneming op Belgisch niveau of op een ander nationaal niveau die met toepassing van de artikelen 237 of 243 van Richtlijn 2009/138/EG onderworpen is aan de artikelen 238 en 239 van Richtlijn 2009/138/EG. Art. 357 Wanneer een toezichthouder de Bank, in haar hoeda- nigheid van groepstoezichthouder, ervan in kennis stelt dat zij artikel 217, lid 1 of artikel 217, lid 2 juncto artikel 216, lid 4, tweede alinea van Richtlijn 2009/138/EG heeft toegepast, deelt de Bank dit mee aan het college van toezichthouders overeenkomstig artikel 409, § 1. Afdeling II Domeinen van het groepstoezicht Onderafdeling I Groepssolvabiliteit § 1– Algemene bepalingen Art. 358 § 1. Op de groepssolvabiliteit wordt toezicht uitge- oefend overeenkomstig dit artikel en Onderafdeling III van deze Afdeling. § 2. In het in artikel 343, tweede lid, 1° bedoelde geval zorgt de deelnemende verzekerings- of herver- zekeringsonderneming ervoor dat er in de groep in aanmerking komend eigen vermogen beschikbaar is dat altijd ten minste gelijk is aan het solvabiliteitskapi- taalvereiste van de groep als berekend overeenkomstig de artikelen 361 tot 380. In het in artikel 343, tweede lid, 2° bedoelde geval zorgt de verzekerings- of herverzekeringsonderneming die deel uitmaakt van de groep ervoor dat er in de groep in aanmerking komend eigen vermogen beschikbaar is dat altijd ten minste gelijk is aan het solvabiliteitskapi- taalvereiste van de groep als berekend overeenkomstig artikel 381. l’entreprise mère supérieure au niveau de l’Espace économique européen. § 4. L’accord visé au présent article ne peut pas porter sur une entreprise mère supérieure au niveau belge ou à un autre niveau national qui est assujettie aux articles 238 et 239 de la Directive 2009/138/CE par application des articles 237 ou 243 de la Directive 2009/138/CE. Art. 357 Lorsqu’une autorité de contrôle informe la Banque, en sa qualité de contrôleur du groupe, qu’elle a fait appli- cation de l’article 217, paragraphe 1er ou de l’article 217, paragraphe 2 juncto article 216, paragraphe 4, alinéa 2 de la Directive 2009/138/CE, la Banque en informe le collège des contrôleurs conformément à l’article 409, § 1er. Section II Domaines du contrôle de groupe Sous-section Ire Solvabilité du groupe § 1er– Dispositions générales Art. 358 § 1er. Le contrôle de la solvabilité du groupe est exercé conformément au présent article, ainsi qu’à la Sous- Section III de la présente Section. § 2. Dans le cas visé à l’article 343, alinéa 2, 1°, l’entreprise d’assurance ou de réassurance participante veille à ce que le groupe dispose en permanence d’un montant de fonds propres éligibles au moins égal au capital de solvabilité requis du groupe calculé confor- mément aux articles 361 à 380. Dans le cas visé à l’article 343, alinéa 2, 2°, l’entre- prise d’assurance ou de réassurance faisant partie du groupe veille à ce que le groupe dispose en permanence d’un montant de fonds propres éligibles au moins égal au capital de solvabilité requis du groupe calculé confor- mément à l’article 381. 975 1584/002 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 De in deze paragraaf bedoelde vereisten zijn overeen- komstig Afdeling III van dit Hoofdstuk aan het toezicht van de groepstoezichthouder onderworpen. § 3. De deelnemende verzekerings- of herverzeke- ringsonderneming die zich in het in artikel 343, tweede lid, 1° bedoelde geval bevindt, en, indien aan het hoofd van de groep geen verzekerings- of herverzekerings- onderneming staat, de verzekeringsholding of de ge- mengde financiële holding die zich in het in artikel 343, tweede lid, 2° bedoelde geval bevindt, beschikken over procedures om een verslechtering van de vereisten als respectievelijk bedoeld in het eerste lid en het tweede lid vast te stellen en om de groepstoezichthouder onmid- dellijk in kennis te stellen wanneer zo’n verslechtering zich voordoet. Zodra zij vaststelt dat het solvabiliteitskapitaalvereiste van de groep niet meer wordt nageleefd of dat het ge- vaar dreigt dat het in de komende drie maanden niet meer wordt nageleefd, stelt de in het eerste lid bedoelde onderneming de groepstoezichthouder daarvan onmid- dellijk in kennis. Binnen twee maanden na de in het tweede lid bedoelde vaststelling of de kennisgeving door de groepstoezichthouder van het feit dat hij een dergelijke vaststelling heeft gedaan, dient de in het eerste lid bedoelde onderneming bij de groepstoezichthouder ter goedkeuring een realistisch saneringsplan in, dat het solvabiliteitskapitaalvereiste van de groep weer op peil beoogt te brengen binnen uiterlijk zes maanden. Na overleg met de betrokken toezichthouders kan de groepstoezichthouder deze termijn met drie maanden verlengen indien hij dit nodig acht. Artikel 510, § § 2 en 3 is van overeenkomstige toepassing. Art. 359 Wanneer de Bank, in haar hoedanigheid van groeps- toezichthouder, ervan in kennis wordt gesteld dat het solvabiliteitskapitaalvereiste van de groep niet meer wordt nageleefd of dat het gevaar dreigt dat het in de komende drie maanden niet meer wordt nageleefd, deelt zij dit mee aan de betrokken toezichthouders in het college van toezichthouders, dat de situatie van de groep vervolgens analyseert. Art. 360 § 1. De deelnemende verzekerings- of herverzeke- ringsonderneming of, indien aan het hoofd van de groep geen verzekerings- of herverzekeringsonderneming Les exigences visées au présent paragraphe sont soumises au contrôle prudentiel du contrôleur du groupe, conformément à la Section III du présent Chapitre. §  3. L’entreprise d’assurance ou de réassurance participante dans le cas visé à l’article  343, alinéa 2, 1°, et, lorsque le groupe n’est pas dirigé par une entreprise d’assurance ou de réassurance, la société holding d’assurance ou la compagnie financière mixte dans le cas visé à l’article 343, alinéa 2, 2°, mettent en place des procédures leur permettant de détecter une détérioration des exigences visées, respectivement, à l’alinéa 1er et à l’alinéa 2, et d’informer immédiatement le contrôleur du groupe lorsqu’une telle détérioration se produit. Dès qu’elle constate que le capital de solvabilité requis du groupe n’est plus atteint, ou qu’il risque de ne plus l’être dans les trois mois à venir, l’entreprise visée à l’alinéa 1er en informe immédiatement le contrôleur du groupe. Dans les deux mois du constat visé à l’alinéa 2, ou de la notification par le contrôleur du groupe qu’il a procédé à un tel constat, l’entreprise visée à l’alinéa 1er soumet au contrôleur du groupe, pour approbation, un programme de rétablissement réaliste visant à rétablir la capital de solvabilité requis du groupe dans un délai n’excédant pas six mois. Le contrôleur du groupe peut, s’il l’estime nécessaire et après concertation avec les autorités de contrôle concernées, prolonger ce délai de trois mois. L’article 510, § § 2 et 3 est applicable par analogie. Art. 359 Lorsque la Banque, en sa qualité de contrôleur du groupe, est informée que le capital de solvabilité requis du groupe n’est plus atteint, ou qu’il risque de ne plus l’être dans les trois mois à venir, elle en informe les autorités de contrôle concernées au sein du collège des contrôleurs, qui analyse la situation du groupe. Art. 360 § 1er. L’entreprise d’assurance ou de réassurance par- ticipante ou, lorsque le groupe n’est pas dirigé par une entreprise d’assurance ou de réassurance, la société 976 1584/002 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 staat, de verzekeringsholding of de gemengde financiële holding voeren de in artikel 358, § 2 bedoelde bereke- ningen minstens eenmaal per jaar uit. De voor de berekening benodigde gegevens en de resultaten van de berekening worden aan de groepstoe- zichthouder voorgelegd door de deelnemende verzeke- rings- of herverzekeringsonderneming of, indien aan het hoofd van de groep geen verzekerings- of herverzeke- ringsonderneming staat, door de verzekeringsholding, de gemengde financiële holding of de tot de groep behorende verzekerings- of herverzekeringsonderne- ming die door de groepstoezichthouder na overleg met de betrokken toezichthouders en met de groep zelf is aangewezen. § 2. Het solvabiliteitskapitaalvereiste van de groep wordt continu bewaakt door de verzekerings- of herver- zekeringsonderneming of, indien aan het hoofd van de groep geen verzekerings- of herverzekeringsonderne- ming staat, door de verzekeringsholding of de gemeng- de financiële holding. Wanneer het risicoprofiel van de groep in significante mate. afwijkt van de hypothesen die aan het laatst gemelde solvabiliteitskapitaalvereiste van de groep ten grondslag liggen, wordt dit solvabili- teitskapitaalvereiste onmiddellijk herberekend en aan de groepstoezichthouder meegedeeld. Indien er aanwijzingen zijn dat het risicoprofiel van de groep in significante mate is gewijzigd sinds de datum waarop de laatste melding van het solvabiliteitskapi- taalvereiste van de groep heeft plaatsgevonden, kan de groepstoezichthouder een herberekening van het dit solvabiliteitskapitaalvereiste verlangen. § 2 – Keuze van de methode voor de berekening van de groepssolvabiliteit en algemene beginselen Art. 361 De solvabiliteit op het niveau van de groep van een deelnemende verzekerings- of herverzekeringsonder- neming wordt berekend overeenkomstig de technische beginselen die in de artikelen 362 tot 371 zijn beschre- ven en volgens berekeningsmethode 1 als bedoeld in de artikelen 372 tot 376 en in de uitvoeringsmaatregelen van Richtlijn 2009/138/EG. In afwijking van het eerste lid kan de groepstoezicht- houder, na overleg met de betrokken toezichthouders en de groep zelf, besluiten om voor deze groep berekenings- methode 2 als bedoeld in de artikelen 377 tot 380 en in de uitvoeringsmaatregelen van Richtlijn 2009/138/EG, of een combinatie van de berekeningsmethodes 1 en 2 toe te passen indien de uitsluitende toepassing van methode 1 ongepast zou zijn. holding d’assurance ou la compagnie financière mixte effectuent au moins une fois par an les calculs visés à l’article 358, § 2. Les données nécessaires à ce calcul et les résul- tats obtenus sont fournis au contrôleur du groupe, par l’entreprise d’assurance ou de réassurance participante ou, lorsque le groupe n’est pas dirigé par une entreprise d’assurance ou de réassurance, par la société holding d’assurance, par la compagnie financière mixte ou par l’entreprise d’assurance ou de réassurance du groupe désignée à cette fin par le contrôleur du groupe après consultation des autorités de contrôle concernées et du groupe lui-même. § 2. L’entreprise d’assurance ou de réassurance, ou, lorsque le groupe n’est pas dirigé par une entreprise d’assurance ou de réassurance, la société holding d’assurance ou la compagnie financière mixte sur- veillent en permanence le montant du capital de solva- bilité requis du groupe. Lorsque le profil de risque du groupe s’écarte significativement des hypothèses qui sous-tendaient le dernier capital de solvabilité requis notifié par le groupe, ce capital est recalculé sans délai et notifié au contrôleur du groupe. Lorsque des éléments semblent indiquer que le profil de risque du groupe a significativement changé depuis la date de la dernière notification du capital de solvabilité requis du groupe, le contrôleur du groupe peut exiger que ce capital soit recalculé. § 2 – Choix de la méthode de calcul de la solvabilité du groupe et principes généraux Art. 361 Le calcul de la solvabilité au niveau du groupe d’une entreprise d’assurance ou de réassurance participante est effectué conformément aux principes techniques énoncés aux articles 362 à 371 et selon la première méthode de calcul définie aux articles 372 à 376 et par les mesures d’exécution de la Directive 2009/138/CE. Par dérogation à l’alinéa 1er, le contrôleur du groupe, peut décider, après consultation des autorités de contrôle concernées et du groupe lui-même, d’appliquer à ce groupe la seconde méthode de calcul définie aux articles 377 à 380 et par les mesures d’exécution de la Directive 2009/138/CE, ou une combinaison des pre- mière et seconde méthodes de calcul, si l’application exclusive de la première méthode est inappropriée. 977 1584/002 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 Art. 362 § 1. Bij de berekening van de groepssolvabiliteit van een deelnemende verzekerings- of herverzekeringson- derneming wordt rekening gehouden met het propor- tionele deel dat de deelnemende onderneming in met haar verbonden ondernemingen bezit. Voor de toepassing van het eerste lid wordt onder “proportioneel deel” het volgende verstaan: 1° ofwel, bij toepassing van methode 1 voor de be- rekening van de groepssolvabiliteit, de percentages die worden gebruikt voor de opstelling van de geconsoli- deerde jaarrekening; 2° ofwel, bij toepassing van methode 2 voor de bere- kening van de groepssolvabiliteit, het gedeelte van het geplaatste kapitaal dat rechtstreeks of onrechtstreeks het eigendom is van de deelnemende onderneming. Ongeacht welke methode wordt toegepast voor de berekening van de groepssolvabiliteit, wordt echter, indien de verbonden onderneming een dochteronderne- ming is die onvoldoende in aanmerking komend eigen vermogen bezit om haar solvabiliteitskapitaalvereiste te dekken, het totale solvabiliteitstekort van de dochteron- derneming in aanmerking genomen. In afwijking van het derde lid kan de groepstoe- zichthouder toestaan dat het solvabiliteitstekort van de dochteronderneming op proportionele grondslag in aanmerking wordt genomen indien hij na overleg met de betrokken toezichthouders van oordeel is dat de aansprakelijkheid van de moederonderneming die een gedeelte van het kapitaal in eigendom heeft, strikt tot dat gedeelte van het kapitaal is beperkt. § 2. In de onderstaande gevallen bepaalt de groeps- toezichthouder, na overleg met de betrokken toezicht- houders en de groep zelf, het proportionele deel dat in aanmerking wordt genomen: 1° indien tussen sommige van de ondernemingen in een groep geen kapitaalbanden bestaan; 2° indien de Bank of een andere toezichthouder heeft bepaald dat het rechtstreekse of onrechtstreekse bezit van stemrechten of kapitaal van een onderneming als een deelneming moet worden aangemerkt, omdat naar haar mening feitelijk een aanzienlijke invloed op deze onderneming wordt uitgeoefend; 3° indien de Bank of een andere toezichthouder heeft bepaald dat een onderneming een moederonderneming Art. 362 § 1er. Le calcul de la solvabilité du groupe d’une entre- prise d’assurance ou de réassurance participante tient compte de la part proportionnelle détenue par l’entre- prise participante dans ses entreprises liées. Aux fins de l’alinéa 1er, la part proportionnelle correspond: 1° lorsque la première méthode de calcul de la solva- bilité du groupe est utilisée, aux pourcentages retenus pour l’établissement des comptes consolidés; ou 2° lorsque la seconde méthode de calcul de la sol- vabilité du groupe est utilisée, à la fraction du capital souscrit qui est détenue, directement ou indirectement, par l’entreprise participante. Toutefois, indépendamment de la méthode de calcul de la solvabilité du groupe utilisée, lorsque l’entreprise liée est une entreprise filiale qui ne dispose pas de fonds propres éligibles suffisants pour couvrir son capital de solvabilité requis, la totalité du déficit de solvabilité de la filiale doit être prise en compte. Par dérogation à l’alinéa 3, le contrôleur du groupe peut autoriser qu’il soit tenu compte du déficit de sol- vabilité de la filiale sur une base proportionnelle s’il estime, après consultation des autorités de contrôle concernées, que la responsabilité de l’entreprise mère détenant une part de capital est limitée strictement à cette part de capital. § 2. Le contrôleur du groupe détermine, après consul- tation des autorités de contrôle concernées et du groupe lui-même, la part proportionnelle qui doit être prise en considération dans les cas suivants: 1° lorsqu’il n’y a pas de lien en capital entre certaines des entreprises appartenant à un groupe; 2°  lorsque la Banque ou une autre autorité de contrôle a établi que le fait de détenir, directement ou indirectement, des droits de vote ou du capital dans une entreprise est assimilable à une participation car elle estime qu’une influence notable est effectivement exercée sur cette entreprise; 3° lorsque la Banque ou une autre autorité de contrôle a établi qu’une entreprise est l’entreprise mère d’une 978 1584/002 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 van een andere onderneming is, omdat de Bank of die andere toezichthouder van oordeel is dat die onderne- ming feitelijk een overheersende invloed op die andere onderneming uitoefent. Art. 363 § 1. Het is niet toegestaan eigen vermogen dat voor de dekking van het solvabiliteitskapitaalvereiste in aan- merking komt, meerdere malen te gebruiken voor de verschillende verzekerings- of herverzekeringsonderne- mingen die bij de berekening van de groepssolvabiliteit van een deelnemende verzekerings- of herverzekerings- onderneming betrokken zijn. Daartoe worden bij de berekening van de groepssol- vabiliteit en voor zover de in de artikelen 372 tot 380 en in de uitvoeringsmaatregelen van Richtlijn 2009/138/EG beschreven berekeningsmethodes daarin niet voorzien, de volgende bedragen van de berekening uitgesloten: 1°  de waarde van activa van de deelnemende verzekerings- of herverzekeringsonderneming die de financiering vertegenwoordigen van eigen vermogen dat in aanmerking komt voor de dekking van het solvabili- teitskapitaalvereiste van één van de met haar verbonden verzekerings- of herverzekeringsondernemingen; 2° de waarde van activa van een met de deelne- mende verzekerings- of herverzekeringsonderneming verbonden verzekerings- of herverzekeringsonderne- ming die de financiering vertegenwoordigen van eigen vermogen dat in aanmerking komt voor de dekking van het solvabiliteitskapitaalvereiste van die deelnemende verzekerings- of herverzekeringsonderneming; 3° de waarde van activa van een met de deelnemende verzekerings- of herverzekeringsonderneming verbon- den verzekerings- of herverzekeringsonderneming die de financiering vertegenwoordigen van eigen vermogen dat in aanmerking komt voor de dekking van het solvabi- liteitskapitaalvereiste van andere met die deelnemende verzekerings- of herverzekeringsonderneming verbon- den verzekerings- of herverzekeringsondernemingen. § 2. Onverminderd paragraaf 1 mogen de onder- staande vermogensbestanddelen alleen in de bereke- ning van de groepssolvabiliteit worden betrokken voor zover zij in aanmerking komen voor de dekking van het solvabiliteitskapitaalvereiste van de betrokken verbon- den onderneming: 1° surplusfondsen uit hoofde van artikel 145, tweede lid, die gegenereerd worden in een verbonden levens- verzekerings- of herverzekeringsonderneming van de autre entreprise, car elle estime que la première exerce effectivement une influence dominante sur la seconde. Art. 363 § 1er. Le double emploi des fonds propres éligibles en couverture du capital de solvabilité requis des dif- férentes entreprises d’assurance ou de réassurance prises en compte dans le calcul de la solvabilité du groupe d’une entreprise d’assurance ou de réassurance participante est interdit. À cet effet, lors du calcul de la solvabilité du groupe, si les méthodes de calcul définies aux articles 372 à 380 et par les mesures d’exécution de la Directive 2009/138/CE ne le prévoient pas, les montants suivants sont exclus: 1° la valeur de tout actif de l’entreprise d’assurance ou de réassurance participante qui correspond au finan- cement de fonds propres éligibles couvrant le capital de solvabilité requis d’une de ses entreprises d’assurance ou de réassurance liées; 2° la valeur de tout actif d’une entreprise d’assurance ou de réassurance liée de l’entreprise d’assurance ou de réassurance participante qui correspond au finan- cement de fonds propres éligibles couvrant le capital de solvabilité requis de cette entreprise d’assurance ou de réassurance participante; 3° la valeur de tout actif d’une entreprise d’assurance ou de réassurance liée de l’entreprise d’assurance ou de réassurance participante qui correspond au finance- ment de fonds propres éligibles couvrant le capital de solvabilité requis de toute autre entreprise d’assurance ou de réassurance liée de cette entreprise d’assurance ou de réassurance participante. § 2. Sans préjudice du paragraphe 1er, les éléments suivants peuvent être pris en compte dans le calcul de la solvabilité du groupe dans la mesure où ils sont éligibles pour couvrir le capital de solvabilité requis de l’entreprise liée concernée: 1° les fonds excédentaires relevant de l’article 145, alinéa  2, d’une entreprise d’assurance-vie ou de réassurance liée de l’entreprise d’assurance ou de 979 1584/002 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 deelnemende verzekerings- of herverzekeringsonder- neming waarvoor de groepssolvabiliteit wordt berekend; 2° het geplaatste maar niet-gestorte aandelenkapitaal van een verbonden verzekerings- of herverzekerings- onderneming van de deelnemende verzekerings- of herverzekeringsonderneming waarvoor de groepssol- vabiliteit wordt berekend. De volgende bestanddelen worden in elk geval van de berekening van de groepssolvabiliteit uitgesloten: 1° geplaatst maar niet-gestort aandelenkapitaal dat een potentiële verplichting van de zijde van de deelne- mende onderneming vormt; 2° geplaatst maar niet-gestort aandelenkapitaal van de deelnemende verzekerings- of herverzekeringson- derneming dat een potentiële verplichting van de zijde van een verbonden verzekerings- of herverzekerings- onderneming vormt; 3° geplaatst maar niet-gestort aandelenkapitaal van een verbonden verzekerings- of herverzekeringsonder- neming dat een potentiële verplichting van de zijde van een andere met dezelfde deelnemende verzekerings- of herverzekeringsonderneming verbonden verzekerings- of herverzekeringsonderneming vormt. § 3. Indien de Bank of een andere toezichthouder van mening is dat bepaald ander dan in paragraaf 2 bedoeld eigen vermogen dat voor de dekking van het solvabili- teitskapitaalvereiste van een verbonden verzekerings- of herverzekeringsonderneming in aanmerking komt, niet effectief beschikbaar mag worden gesteld voor de dek- king van het solvabiliteitskapitaalvereiste van de deel- nemende verzekerings- of herverzekeringsonderneming waarvoor de groepssolvabiliteit wordt berekend, mag dat eigen vermogen slechts in de berekening worden opgenomen voor zover het in aanmerking komt voor de dekking van het solvabiliteitskapitaalvereiste van de verbonden onderneming. § 4. De som van de in de paragrafen 2 en 3 bedoelde eigenvermogensbestanddelen mag het solvabiliteits- kapitaalvereiste van de verbonden verzekerings- of herverzekeringsonderneming niet overschrijden. § 5. In aanmerking komend eigen vermogen van een verbonden verzekerings- of herverzekeringsonderne- ming van de deelnemende verzekerings- of herverze- keringsonderneming waarvoor de groepssolvabiliteit wordt berekend, en waarvan de inaanmerkingneming voorafgaande toestemming vereist, naargelang van het geval, van de Bank, overeenkomstig artikel 143, of van een andere toezichthouder, overeenkomstig réassurance participante pour laquelle la solvabilité du groupe est calculée; 2° les fractions souscrites mais non versées du capital d’une entreprise d’assurance ou de réassurance liée de l’entreprise d’assurance ou de réassurance participante pour laquelle la solvabilité du groupe est calculée. Toutefois, les éléments suivants doivent dans tous les cas être exclus du calcul de la solvabilité du groupe: 1° les fractions souscrites mais non versées du capital qui représentent une obligation potentielle incombant à l’entreprise participante; 2°  les fractions souscrites mais non versées du capital de l’entreprise d’assurance ou de réassurance participante qui représentent une obligation potentielle incombant à une entreprise d’assurance ou de réas- surance liée; 3° les fractions souscrites mais non versées du capital d’une entreprise d’assurance ou de réassurance liée qui représentent une obligation potentielle incombant à une autre entreprise d’assurance ou de réassurance liée de la même entreprise d’assurance ou de réassurance participante. § 3. Lorsque, la Banque ou une autre autorité de contrôle considère que certains fonds propres éligibles pour couvrir le capital de solvabilité requis d’une entre- prise d’assurance ou de réassurance liée, autres que ceux visés au paragraphe 2, ne peuvent être effecti- vement rendus disponibles pour couvrir le capital de solvabilité requis de l’entreprise d’assurance ou de réassurance participante pour laquelle la solvabilité du groupe est calculée, ces fonds propres ne peuvent être inclus dans le calcul que dans la mesure où ils sont éligibles pour couvrir le capital de solvabilité requis de l’entreprise liée. § 4. La somme des fonds propres visés aux para- graphes 2  et  3  ne peut pas dépasser le capital de solvabilité requis de l’entreprise d’assurance ou de réassurance liée. § 5. Les fonds propres éligibles d’une entreprise d’assurance ou de réassurance liée à l’entreprise d’assurance ou de réassurance participante pour laquelle la solvabilité du groupe est calculée, lorsqu’ils sont soumis à l’approbation préalable, selon le cas, de la Banque, conformément à l’article 143, ou d’une autre autorité de contrôle conformément à l’article 90 de la Directive 2009/138/CE, ne peuvent être inclus dans le 980 1584/002 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 artikel 90 van Richtlijn 2009/138/EG, mag alleen in de berekening worden betrokken voor zover daarvoor toe- stemming is verkregen, naargelang van het geval, van de Bank of van de toezichthouder die voor het toezicht op die verbonden onderneming verantwoordelijk is. Art. 364 Bij de berekening van de groepssolvabiliteit van een deelnemende verzekerings- of herverzekerings- onderneming wordt geen rekening gehouden met het voor de dekking van het solvabiliteitskapitaalvereiste in aanmerking komend eigen vermogen dat afkomstig is van de wederzijdse financiering tussen de deelnemende verzekerings- of herverzekeringsonderneming en: 1° een daarmee verbonden onderneming; 2° een daarin deelnemende onderneming; 3° een andere verbonden onderneming van een van haar deelnemende ondernemingen. Bij de berekening van de groepssolvabiliteit wordt geen rekening gehouden met het voor de dekking van het solvabiliteitskapitaalvereiste in aanmerking komend eigen vermogen van een verbonden verzekerings- of herverzekeringsonderneming van de deelnemende verzekerings- of herverzekeringsonderneming waarvoor de groepssolvabiliteit wordt berekend, wanneer het desbetreffende eigen vermogen afkomstig is van de wederzijdse financiering met een andere met die deel- nemende verzekerings- of herverzekeringsonderneming verbonden onderneming. Er wordt ten minste geacht van wederzijdse finan- ciering sprake te zijn wanneer een verzekerings- of herverzekeringsonderneming of een van de met haar verbonden ondernemingen houdster is van aandelen in, of leningen verstrekt aan een andere onderneming die, rechtstreeks of onrechtstreeks, houdster is van voor de dekking van het solvabiliteitskapitaalvereiste in aanmerking komend eigen vermogen van de eerste onderneming. Art. 365 De activa en passiva worden gewaardeerd overeen- komstig artikel 123. calcul que dans la mesure où ils ont été dûment approu- vés, selon le cas, par la Banque ou par l’autorité de contrôle en charge du contrôle de cette entreprise liée. Art. 364 Dans le calcul de la solvabilité du groupe d’une entreprise d’assurance ou de réassurance participante, il n’est tenu compte d’aucun élément de fonds propres éligibles pour couvrir le capital de solvabilité requis qui proviendrait d’un financement réciproque entre l’entre- prise d’assurance ou de réassurance participante et: 1° une entreprise liée; 2° une entreprise participante; 3° une autre entreprise liée de l’une quelconque de ses entreprises participantes. Dans le calcul de la solvabilité du groupe, il n’est tenu compte d’aucun élément de fonds propres éligibles pour couvrir le capital de solvabilité requis d’une entreprise d’assurance ou de réassurance liée de l’entreprise d’as- surance ou de réassurance participante pour laquelle la solvabilité du groupe est calculée lorsque l’élément en question provient d’un financement réciproque avec une autre entreprise liée de cette entreprise d’assurance ou de réassurance participante. Le financement réciproque est réputé exister au moins lorsqu’une entreprise d’assurance ou de réas- surance, ou l’une quelconque de ses entreprises liées, détient des parts dans une autre entreprise qui, direc- tement ou indirectement, détient des fonds propres éligibles en couverture du capital de solvabilité requis de la première entreprise, ou lorsqu’elle accorde des prêts à cette autre entreprise. Art. 365 Les actifs et passifs sont évalués conformément à l’article 123. 981 1584/002 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 § 3 – Toepassing van de methodes voor de bereke- ning van de groepssolvabiliteit Art. 366 Wanneer meerdere verzekerings- of herverzekerings- ondernemingen met de deelnemende verzekerings- of herverzekeringsonderneming verbonden zijn, wordt elk van deze verbonden verzekerings- of herverzekerings- ondernemingen in aanmerking genomen bij de bere- kening van de groepssolvabiliteit van de deelnemende verzekerings- of herverzekeringsonderneming. Wanneer de verbonden verzekerings- of herverze- keringsonderneming haar zetel in een andere lidstaat dan België heeft, wordt bij de berekening van de groepssolvabiliteit van de deelnemende verzekerings- of herverzekeringsonderneming met betrekking tot de verbonden onderneming rekening gehouden met het solvabiliteitskapitaalvereiste en met het voor de dekking van dat vereiste in aanmerking komend eigen vermogen als voorgeschreven in die andere lidstaat. Art. 367 § 1. Bij de berekening van de groepssolvabiliteit van de deelnemende verzekerings- of herverzekeringson- derneming die middels een verzekeringstussenholding of een gemengde financiële holding een deelneming bezit in een verbonden verzekerings- of herverzeke- ringsonderneming of in een verzekerings- of herverze- keringsonderneming van een derde land, wordt met de positie van die verzekeringsholding of die gemengde financiële holding rekening gehouden. Louter voor deze berekening wordt de verzekerings- tussenholding of de gemengde financiële tussenhol- ding behandeld als betrof het een verzekerings- of herverzekeringsonderneming die onderworpen is aan de voorschriften van de artikelen 151 tot 188 met betrekking tot het solvabiliteitskapitaalvereiste en aan dezelfde voorwaarden als die van de artikelen 140 tot 150 met betrekking tot het voor de dekking van het solvabiliteitskapitaalvereiste in aanmerking komend eigen vermogen. § 2. Indien de verzekeringstussenholding of de ge- mengde financiële tussenholding in het in paragraaf 1 bedoelde geval achtergestelde schuldvorderingen of ander in aanmerking komend eigen vermogen bezit waarvoor overeenkomstig artikel 150 een begrenzing geldt, worden deze bestanddelen slechts als in aan- merking komend eigen vermogen erkend ten belope van het bedrag dat wordt verkregen door de in artikel § 3 – Application des méthodes de calcul de la sol- vabilité du groupe Art. 366 Lorsque plusieurs entreprises d’assurance ou de réassurance sont liées à l’entreprise d’assurance ou de réassurance participante, il est tenu compte de chacune d’elles dans le calcul de la solvabilité du groupe de l’en- treprise d’assurance ou de réassurance participante. Lorsque l’entreprise d’assurance ou de réassurance liée à son siège social dans un État membre autre que la Belgique, le calcul de la solvabilité du groupe de l’entreprise d’assurance ou de réassurance participante tient compte, en ce qui concerne cette entreprise liée, du capital de solvabilité requis et des fonds propres éligibles pour le couvrir, tels que définis dans cet autre État membre. Art. 367 § 1er. Pour le calcul de la solvabilité du groupe de l’entreprise d’assurance ou de réassurance participante qui détient, par l’intermédiaire d’une société holding d’assurance ou d’une compagnie financière mixte, une participation dans une entreprise d’assurance ou de réassurance liée ou dans une entreprise d’assurance ou de réassurance d’un pays tiers, la situation de cette société holding d’assurance ou de cette compagnie financière mixte est prise en compte. Aux seules fins de ce calcul, la société holding d’assurance intermédiaire ou la compagnie financière mixte intermédiaire est traitée comme une entreprise d’assurance ou de réassurance soumise aux règles énoncées aux articles 151 à 188 en ce qui concerne le capital de solvabilité requis, et aux mêmes conditions que celles énoncées aux articles 140 à 150 en ce qui concerne les fonds propres éligibles pour couvrir le capital de solvabilité requis. § 2. Dans le cas visé au paragraphe 1er, si la société holding d’assurance intermédiaire ou la compagnie financière mixte intermédiaire détient des créances subordonnées ou d’autres fonds propres éligibles soumis aux limites prévues par l’article 150, ceux-ci sont considérés comme des fonds propres éligibles à concurrence des montants résultant de l’application des limites prévues par l’article 150 à l’encours total des 982 1584/002 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 150 vastgelegde begrenzing toe te passen op het totale in aanmerking komend eigen vermogen op groepsni- veau in vergelijking met het solvabiliteitskapitaalvereiste op groepsniveau. In aanmerking komend eigen vermogen van een ver- zekeringstussenholding of van een gemengde financiële tussenholding dat de voorafgaande toestemming van de Bank overeenkomstig artikel 143 of van een andere toezichthouder overeenkomstig artikel 90 van Richtlijn 2009/138/EG zou vereisen, indien het in bezit van een verzekerings- of herverzekeringsonderneming zou zijn, mag alleen in de berekening van de groepssolvabiliteit worden betrokken voor zover daarvoor toestemming is verkregen van de groepstoezichthouder. Art. 368 § 1. Bij de berekening overeenkomstig de artikelen 377 tot 380 van de groepssolvabiliteit van een deelne- mende verzekerings- of herverzekeringsonderneming van een verzekerings- of herverzekeringsonderneming van een derde land, wordt louter voor deze bereke- ning de onderneming van het derde land op dezelfde wijze behandeld als een verbonden verzekerings- of herverzekeringsonderneming. Wanneer het derde land waar deze onderneming haar zetel heeft, de betrokken onderneming onderwerpt aan een vergunning en haar een solvabiliteitsregeling oplegt die ten minste gelijkwaardig is aan die van de artikelen 75 tot 135 van Richtlijn 2009/138/EG, wordt bij de berekening van de groepssolvabiliteit met betrek- king tot deze onderneming rekening gehouden met het solvabiliteitskapitaalvereiste en met het voor de dekking van dat vereiste in aanmerking komend eigen vermogen, als voorgeschreven door het betrokken derde land. § 2. Indien de Europese Commissie geen gedele- geerde handeling heeft vastgesteld met toepassing van artikel 227, lid 4 of lid 5 van Richtlijn 2009/138/EG, om de gelijkwaardigheid te erkennen van de solvabiliteitsrege- ling van een derde land met die van Richtlijn 2009/138/ EG, verifieert de groepstoezichthouder, op verzoek van de deelnemende onderneming of op eigen initiatief, of de regeling van het derde land ten minste gelijkwaardig is. Hierbij raadpleegt de groepstoezichthouder, hierin bijgestaan door EIOPA, de betrokken toezichthouders alvorens een besluit over de gelijkwaardigheid te nemen. Dit besluit wordt genomen op grond van de criteria die krachtens artikel 227, lid 3 van Richtlijn 2009/138/EG zijn vastgesteld. fonds propres au niveau du groupe rapporté au capital de solvabilité requis au niveau du groupe. Les fonds propres éligibles d’une société holding d’assurance intermédiaire ou d’une compagnie finan- cière mixte intermédiaire, qui nécessiteraient l’appro- bation préalable de la Banque conformément à l’article 143, ou d’une autre autorité de contrôle conformément à l’article 90 de la Directive 2009/138/CE s’ils étaient détenus par une entreprise d’assurance ou de réassu- rance, ne peuvent être pris en compte dans le calcul de la solvabilité du groupe que dans la mesure où ils ont été dûment approuvés par le contrôleur du groupe. Art. 368 § 1er. Pour le calcul, conformément aux articles 377 à 380, de la solvabilité du groupe d’une entreprise d’assu- rance ou de réassurance participante d’une entreprise d’assurance ou de réassurance d’un pays tiers, cette dernière est traitée, aux seules fins de ce calcul, comme une entreprise d’assurance ou de réassurance liée. Toutefois, lorsque le pays tiers dans lequel cette entreprise a son siège social la soumet à un régime d’agrément et lui impose un régime de solvabilité au moins équivalent à celui établi par les articles 75 à 135 de la Directive 2009/138/CE, le calcul de la solva- bilité du groupe tient compte, en ce qui concerne cette entreprise, du capital de solvabilité requis et des fonds propres éligibles pour le couvrir tels que définis par le pays tiers concerné. § 2. Si la Commission européenne n’a pas adopté d’acte délégué, en application de l’article 227, para- graphe 4 ou paragraphe 5 de la Directive 2009/138/CE, reconnaissant l’équivalence du régime de solvabilité d’un pays tiers à celui instauré par la Directive 2009/138/ CE, le contrôleur du groupe vérifie, à la demande de l’entreprise participante ou de sa propre initiative, si le régime du pays tiers est au moins équivalent. Pour ce faire, le contrôleur du groupe, assisté par l’EIOPA, consulte les autorités de contrôle concernées, avant de se prononcer sur l’équivalence. La décision est prise sur la base des critères adoptés en vertu de l’article 227, paragraphe 3 de la Directive 2009/138/CE. 983 1584/002 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 De groepstoezichthouder neemt ten aanzien van een derde land geen enkel besluit dat indruist tegen eventueel in een eerder stadium ten aanzien van dat derde land genomen besluiten, tenzij zulks noodzakelijk is als gevolg van belangrijke wijzigingen in de toezichts- regeling die is vastgelegd in de artikelen 75 tot 135 van Richtlijn 2009/138/EG en in de toezichtsregeling van het derde land. § 3. Wanneer de Europese Commissie met toepas- sing van artikel 227, lid 5 van Richtlijn 2009/138/EG een gedelegeerde handeling heeft vastgesteld waarin de toezichtsregeling van een derde land als voorlopig gelijkwaardig wordt aangemerkt, wordt dat derde land geacht gelijkwaardig te zijn voor de toepassing van paragraaf 1, tweede lid. Art. 369 Indien de Bank het oneens is met het krachtens artikel 227, lid 2 van Richtlijn 2009/138/EG genomen besluit, kan zij binnen drie maanden na kennisgeving van het besluit door de groepstoezichthouder de zaak aan EIOPA voorleggen en om haar bijstand verzoeken over- eenkomstig artikel 19 van Verordening nr. 1094/2010. Art. 370 Bij de berekening van de groepssolvabiliteit van een deelnemende verzekerings- of herverzekeringsonder- neming in een kredietinstelling, beleggingsonderneming of financiële instelling, mag de deelnemende verzeke- rings- of herverzekeringsonderneming mutatis mutandis de methodes 1 of 2 van Bijlage V toepassen. Methode 1 van deze Bijlage wordt echter alleen toe- gepast mits de groepstoezichthouder daarmee heeft ingestemd gelet op het bevredigende niveau van ge- integreerd beheer en interne controle van de entiteiten die onder de consolidatie zouden vallen. De gekozen methode wordt consequent toegepast in de tijd. De groepstoezichthouder mag evenwel op verzoek van de deelnemende onderneming of uit eigen bewe- ging een in het eerste lid bedoelde deelneming van het voor de dekking van de groepssolvabiliteit van de deelnemende onderneming in aanmerking komend eigen vermogen aftrekken. Le contrôleur du groupe ne prend aucune décision à l’égard d’un pays tiers qui contredise une décision prise antérieurement à l’égard dudit pays tiers, à moins qu’il ne soit nécessaire de prendre en compte des modifications significatives apportées au régime de contrôle instauré par les articles 75 à 135 de la Directive 2009/138/CE, et au régime de contrôle du pays tiers. § 3. Lorsque la Commission européenne a adopté, en application de l’article 227, paragraphe 5 de la Directive 2009/138/CE, un acte délégué déterminant que le régime de contrôle d’un pays tiers est provisoirement équivalent, ce pays tiers est réputé équivalent aux fins de l’application du paragraphe 1er, alinéa 2. Art. 369 Si la Banque est en désaccord avec la décision prise en vertu de l’article 227, paragraphe 2 de la Directive 2009/128/CE, elle peut, dans un délai de trois mois à compter de la notification de la décision du contrôleur du groupe, saisir l’EIOPA et solliciter son aide confor- mément à l’article 19 du Règlement n° 1094/2010. Art. 370 Pour le calcul de la solvabilité du groupe d’une entreprise d’assurance ou de réassurance participante d’un établissement de crédit, d’une entreprise d’inves- tissement ou d’un établissement financier, l’entreprise d’assurance ou de réassurance participante peut appli- quer mutatis mutandis la méthode n° 1 ou la méthode n° 2 énoncées à l’Annexe V. Toutefois, la méthode n° 1 décrite dans cette Annexe ne peut être appliquée qu’à la condition que le contrôleur du groupe y ait marqué son accord en raison du niveau satisfaisant de gestion intégrée et de contrôle interne des entités qui relèveraient de la consolidation. La méthode choisie est appliquée d’une manière constante dans le temps. Le contrôleur du groupe peut, à la demande de l’en- treprise participante ou de sa propre initiative, déduire toute participation visée à l’alinéa 1er des fonds propres éligibles en couverture de la solvabilité du groupe de l’entreprise participante. 984 1584/002 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 Art. 371 Wanneer, naargelang van het geval, de Bank of een andere toezichthouder niet beschikt over de voor de berekening van de groepssolvabiliteit van een deelne- mende verzekerings- of herverzekeringsonderneming benodigde informatie over een verbonden onderneming, wordt de boekwaarde van deze onderneming in de deelnemende verzekerings- of herverzekeringsonder- neming in mindering gebracht op het voor de dekking van de groepssolvabiliteit in aanmerking komend eigen vermogen. In dat geval worden met deze deelneming verband houdende latente meerwaarden niet als voor de dekking van de groepssolvabiliteit in aanmerking komend eigen vermogen aanvaard. § 4 – Methode voor de berekening van de groepssol- vabiliteit op basis van consolidatie van jaarrekeningen Art. 372 De berekening van de groepssolvabiliteit van de deel- nemende verzekerings- of herverzekeringsonderneming aan de hand van de berekeningsmethode op basis van consolidatie van jaarrekeningen, of “methode 1 voor de berekening van de groepssolvabiliteit”, wordt uitgevoerd aan de hand van de geconsolideerde jaarrekening. De groepssolvabiliteit van de deelnemende verze- kerings- of herverzekeringsonderneming is het verschil tussen: 1° het eigen vermogen dat in aanmerking komt voor de dekking van het op basis van geconsolideerde gegevens berekende solvabiliteitskapitaalvereiste; en 2° het op basis van geconsolideerde gegevens be- rekende solvabiliteitskapitaalvereiste op groepsniveau. De voorschriften van de artikelen 140 tot 150 en van de artikelen 151 tot 188, zijn respectievelijk van toepas- sing voor de berekening van het voor de dekking van het solvabiliteitskapitaalvereiste in aanmerking komend ei- gen vermogen en van het op basis van geconsolideerde gegevens berekende solvabiliteitskapitaalvereiste op groepsniveau. Art. 373 Het op basis van geconsolideerde gegevens berekende solvabiliteitskapitaalvereiste op groeps- niveau van de deelnemende verzekerings- of her- verzekeringsonderneming, of het “geconsolideerde Art. 371 Lorsque, selon le cas, la Banque ou une autre autorité de contrôle ne dispose pas des informations relatives à une entreprise liée, nécessaires au calcul de la sol- vabilité du groupe d’une entreprise d’assurance ou de réassurance participante, la valeur comptable de cette entreprise dans l’entreprise d’assurance ou de réassurance participante est déduite des fonds propres éligibles à la couverture de la solvabilité du groupe. Dans ce cas, aucune plus-value latente associée à cette participation n’est considérée comme un élément des fonds propres éligibles pour couvrir la solvabilité du groupe. § 4 – Méthode de calcul de la solvabilité du groupe fondée sur la consolidation comptable Art. 372 Le calcul de la solvabilité du groupe de l’entreprise d’assurance ou de réassurance participante sur base de la méthode de calcul fondée sur la consolidation comptable, ou “première méthode de calcul de la solva- bilité du groupe”, est effectué sur la base des comptes consolidés. La solvabilité du groupe de l’entreprise d’assurance ou de réassurance participante est égale à la différence entre: 1° les fonds propres éligibles pour couvrir le capital de solvabilité requis, calculés sur la base de données consolidées; et 2° le capital de solvabilité requis au niveau du groupe, calculé sur la base de données consolidées. Les règles énoncées aux articles 140 à 150 et aux articles 151  à 188  s’appliquent, respectivement, au calcul des fonds propres éligibles pour couvrir le capital de solvabilité requis et au calcul du capital de solvabilité requis au niveau du groupe sur la base de données consolidées. Art. 373 Le capital de solvabilité requis au niveau du groupe de l’entreprise d’assurance ou de réassurance partici- pante sur la base de données consolidées, ou “capital de solvabilité requis du groupe sur une base consolidée”, 985 1584/002 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 solvabiliteitskapitaalvereiste van de groep”, wordt be- rekend aan de hand van de standaardformule of van een goedgekeurd intern model. Deze berekening moet stroken met de algemene beginselen vervat in de arti- kelen 151 en 152 en in de artikelen 153 tot 166 indien de standaardformule wordt gehanteerd, of in de artikelen 167 tot 188 indien een intern model wordt gebruikt, evenals in de uitvoeringsmaatregelen van Richtlijn 2009/138/EG. Het geconsolideerde solvabiliteitskapitaal-vereiste van de groep is ten minste gelijk aan de som van: 1° het in artikel 189 bedoelde minimumkapitaalver- eiste van de deelnemende verzekerings- of herverze- keringsonderneming; en 2°  het proportionele deel van de minimumka- pitaalvereiste van de verbonden verzekerings- en herverzekeringsondernemingen. Dit minimum wordt gedekt door het in aanmerking komend eigen kernvermogen dat overeenkomstig artikel 150, § 4, is bepaald. Om uit te maken of dit in aanmerking komend eigen vermogen het minimale geconsolideerde solvabiliteits- kapitaalvereiste van de groep kan dekken, zijn de begin- selen van de paragrafen 2 en 3 van deze Onderafdeling van overeenkomstige toepassing. Artikel 511  is van overeenkomstige toepassing. Art. 374 §  1. Indien een deelnemende verzekerings- of herverzekeringsonderneming en haar verbonden on- dernemingen, of de verbonden ondernemingen van een verzekeringsholding of een gemengde financiële holding gezamenlijk een aanvraag indienen om zowel het geconsolideerde solvabiliteitskapitaalvereiste van de groep als het solvabiliteitskapitaalvereiste van de tot de groep behorende verzekerings- of herverzekeringson- dernemingen op basis van een intern model te mogen berekenen, bepalen de Bank en de betrokken toezicht- houders in onderling overleg of zij deze aanvraag al dan niet inwilligen en onder welke eventuele voorwaarden deze aanvraag wordt ingewilligd. De in de eerste lid bedoelde aanvraag wordt bij de groepstoezichthouder ingediend. De groepstoezichthouder stelt de betrokken toe- zichthouders onverwijld in kennis en bezorgt hen de volledige aanvraag. est calculé sur la base de la formule standard ou d’un modèle interne approuvé. Ce calcul doit être compatible avec les principes généraux énoncés aux articles 151 et 152 et aux articles 153 à 166 en cas de recours à la formule standard, ou aux articles 167 à 188 en cas de recours à un modèle interne, ainsi que par les mesures d’exécution de la Directive 2009/138/CE. Le capital de solvabilité requis du groupe sur une base consolidée est au moins égal à la somme: 1° du minimum de capital requis, visé à l’article 189, de l’entreprise d’assurance ou de réassurance parti- cipante; et 2° de la part proportionnelle du minimum de capital requis des entreprises d’assurance et de réassurance liées. Ce minimum doit être couvert par les fonds propres de base éligibles fixés par l’article 150, § 4. Afin de déterminer si ces fonds propres éligibles per- mettent d’assurer la couverture du minimum de capital de solvabilité requis du groupe sur une base consolidée, les principes énoncés aux paragraphes 2 et 3 de la présente Sous-section sont applicables par analogie. L’article 511 est applicable par analogie. Art. 374 § 1er. Dans le cas où une entreprise d’assurance ou de réassurance participante et ses entreprises liées, ou l’ensemble des entreprises liées d’une société holding d’assurance ou d’une compagnie financière mixte, demandent l’autorisation de calculer, sur la base d’un modèle interne, le capital de solvabilité requis du groupe sur base consolidée et le capital de solvabilité requis des entreprises d’assurance ou de réassurance du groupe, la Banque coopère avec les autorités de contrôle concernées pour décider d’accorder ou non cette autorisation et, le cas échéant, pour en définir les conditions. La demande visée à l’alinéa 1er est adressée au contrôleur du groupe. Le contrôleur du groupe informe sans délai les auto- rités de contrôle concernées et leur communique la demande complète. 986 1584/002 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 De Bank doet alles wat in haar vermogen ligt om bin- nen zes maanden na de datum van ontvangst door de groepstoezichthouder van de volledige aanvraag, met de betrokken toezichthouders een gezamenlijk besluit over de aanvraag te nemen. De groepstoezichthouder bezorgt aan de aanvrager een document met een vol- ledige opgave van de redenen waarop dit gezamenlijk besluit is gebaseerd. § 2. Indien er binnen zes maanden na de ontvangst door de groepstoezichthouder van de volledige aan- vraag geen gezamenlijk besluit is genomen, neemt de groepstoezichthouder op eigen gezag een besluit over de aanvraag, onverminderd paragraaf 3. De groepstoezichthouder houdt naar behoren re- kening met de standpunten en voorbehouden die de betrokken toezichthouders binnen de termijn van zes maanden hebben geuit. De groepstoezichthouder bezorgt aan de aanvrager en aan de betrokken toezichthouders een document met een volledige opgave van de redenen waarop zijn besluit is gebaseerd. Dit besluit wordt als definitief erkend en door de be- trokken toezichthouders toegepast. § 3. Tijdens de in paragraaf 1, vierde lid bedoelde pe- riode van zes maanden, en zolang er geen gezamenlijk besluit is genomen, kan de Bank de zaak aan EIOPA voorleggen overeenkomstig artikel 19 van Verordening nr. 1094/2010. De groepstoezichthouder schort zijn besluit op en wacht het besluit af dat EIOPA eventueel overeenkom- stig artikel 19, lid 3, van de genoemde verordening neemt; vervolgens neemt hij zijn besluit in overeen- stemming met het eventuele besluit van EIOPA. Dit besluit wordt als definitief erkend en door de Bank en de betrokken toezichthouders toegepast. EIOPA neemt haar besluit binnen één maand. Indien het door het panel voorgestelde besluit met toepassing van artikel 41, leden 2 en 3, en artikel 44, lid 1, derde alinea van Verordening nr. 1094/2010 wordt afgewezen, neemt de groepstoezichthouder een defini- tief besluit. Dit besluit wordt als definitief erkend en door de Bank en de betrokken toezichthouders toegepast. De termijn van zes maanden wordt beschouwd als de verzoeningsperiode in de zin van artikel 19, lid 2, van de genoemde verordening. La Banque fait tout ce qui est en son pouvoir pour parvenir, avec les autorités de contrôle concernées, à une décision conjointe sur la demande dans un délai de six mois à compter de la réception de la demande complète par le contrôleur du groupe. Le contrôleur du groupe fournit au demandeur un document précisant l’ensemble des motivations de cette décision conjointe. § 2. Sans préjudice du paragraphe 3, à défaut d’adop- tion d’une décision conjointe dans les six mois suivant la réception par le contrôleur du groupe de la demande complète, le contrôleur du groupe se prononce lui-même sur la demande. Le contrôleur du groupe tient dûment compte de l’avis et des réserves exprimés par les autorités de contrôle concernées dans le délai de six mois. Le contrôleur du groupe transmet au demandeur et aux autorités de contrôle concernées un document précisant la motivation complète de sa décision. Cette décision est considérée comme déterminante et est appliquée par les autorités de contrôle concernées. § 3. Pendant la période de six mois visée au para- graphe 1er, alinéa 4, et aussi longtemps qu’une déci- sion conjointe n’a pas été prise, la Banque peut saisir l’EIOPA conformément à l’article  19  du Règlement no 1094/2010. Le contrôleur du groupe diffère sa décision en attendant une éventuelle décision de l’EIOPA arrêtée conformément à l’article 19, paragraphe 3, dudit règle- ment et arrête sa propre décision en se conformant à la décision de l’EIOPA. Cette décision est considérée comme déterminante et est appliquée par la Banque et les autorités de contrôle concernées. L’EIOPA arrête sa décision dans un délai d’un mois. Si, en application de l’article 41, paragraphes 2 et 3, et de l’article 44, paragraphe 1er, alinéa 3 du Règlement n° 1094/2010, la décision proposée par le groupe d’experts est rejetée, le contrôleur du groupe prend une décision définitive. Cette décision est considérée comme déterminante et est appliquée par la Banque et les autorités de contrôle concernées. La période de six mois est le délai de conciliation au sens de l’article 19, § 2, dudit règlement. 987 1584/002 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 Art. 375 Wanneer de Bank, bij toepassing van artikel 374, van mening is dat het risicoprofiel van een onder haar toezicht staande verzekerings- of herverzekeringson- derneming duidelijk afwijkt van de hypothesen die ten grondslag liggen aan het op het niveau van de groep van de deelnemende verzekerings- of herverzekerings- onderneming goedgekeurde interne model, en zolang deze onderneming niet afdoende tegemoet komt aan de bezorgdheden van de Bank, kan zij overeenkomstig artikel 323 besluiten een opslagfactor toe te passen op het solvabiliteitskapitaalvereiste dat voor deze onder- neming uit de toepassing van het genoemde interne model voortvloeit. In uitzonderlijke omstandigheden waarin de toepas- sing van de in het eerste lid bedoelde opslagfactor niet gepast is, kan de Bank verlangen dat de betrokken on- derneming haar solvabiliteitskapitaalvereiste berekent op basis van de in de artikelen 151 tot 166 bedoelde standaardformule. Overeenkomstig artikel 323, § 2, kan de Bank op het uit de toepassing van de standaardfor- mule voortvloeiende solvabiliteitskapitaalvereiste van de betrokken verzekerings- of herverzekeringsonder- neming een kapitaalopslagfactor toepassen. De Bank legt eventuele in het eerste en het tweede lid bedoelde besluiten uit aan zowel de verzekerings- of herverzekeringsonderneming als aan de andere leden van het college van toezichthouders. Art. 376 Bij het bepalen of het geconsolideerde solvabiliteits- kapitaalvereiste van de groep van de deelnemende verzekerings- of herverzekeringsonderneming het risi- coprofiel van de groep adequaat weergeeft, besteedt de Bank, in haar hoedanigheid van groepstoezichthouder, bijzondere aandacht aan elk geval waarin de in artikel 323, § 2 bedoelde omstandigheden zich op groepsni- veau kunnen voordoen, met name indien: 1° specifieke risico’s op groepsniveau onvoldoende gedekt zouden zijn door de standaardformule of het gebruikte interne model omdat deze moeilijk te kwan- tificeren zijn; 2°  een kapitaalopslagfactor die met toepassing van artikel 323 of 374, of van artikel 37 van Richtlijn 2009/138/EG naargelang van het geval door de Bank of door een andere toezichthouder op het solvabiliteits- kapitaalvereiste van de verbonden verzekerings- of herverzekeringsondernemingen is toegepast. Art. 375 En cas d’application de l’article 374, lorsque la Banque considère que le profil de risque d’une entre- prise d’assurance ou de réassurance qu’elle est chargée de contrôler s’écarte significativement des hypothèses qui sous-tendent le modèle interne approuvé au niveau du groupe de l’entreprise d’assurance ou de réassu- rance participante, elle peut imposer à cette entreprise, conformément à l’article 323 et aussi longtemps que l’entreprise ne répond pas de manière satisfaisante aux préoccupations de la Banque, une exigence de capital supplémentaire s’ajoutant à son capital de solvabilité requis tel qu’il résulte de l’application dudit modèle. Dans des circonstances exceptionnelles, lorsque l’exigence de capital supplémentaire visée à l’alinéa 1er serait inappropriée, la Banque peut exiger de l’entre- prise concernée qu’elle calcule son capital de solvabilité requis sur la base de la formule standard visée aux articles 151 à 166. Conformément à l’article 323, § 2, la Banque peut imposer une exigence de capital sup- plémentaire s’ajoutant au capital de solvabilité requis de cette entreprise d’assurance ou de réassurance résultant de l’application de la formule standard. La Banque explique toute décision visée aux alinéas 1er et 2 à l’entreprise d’assurance ou de réassurance ainsi qu’aux autres membres du collège des contrôleurs. Art. 376 Pour déterminer si le capital de solvabilité du groupe de l’entreprise d’assurance ou de réassurance par- ticipante, requis sur une base consolidée, reflète de manière appropriée le profil de risque du groupe, la Banque, en sa qualité de contrôleur du groupe, accorde une attention particulière à toute situation où les circons- tances visées à l’article 323, § 2, sont susceptibles de se présenter au niveau du groupe et, notamment, aux cas où: 1° un risque spécifique existant au niveau du groupe ne serait, du fait qu’il est difficilement quantifiable, pas suffisamment pris en compte par la formule standard ou par le modèle interne utilisé; 2° une exigence de capital supplémentaire s’ajoutant à leur capital de solvabilité requis est imposée aux entre- prises d’assurance ou de réassurance liées par, selon le cas, la Banque ou une autre autorité de contrôle en application, respectivement, de l’article 323 ou 374, ou de l’article 37 de la Directive 2009/138/CE. 988 1584/002 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 Wanneer het risicoprofiel van de groep niet adequaat wordt weergegeven, kan op het geconsolideerde solva- biliteitskapitaalvereiste van de groep een opslagfactor worden toegepast. Artikel 323 en de uitvoeringsmaatregelen van Richtlijn 2009/138/EG zijn van overeenkomstige toepassing. § 5 – Methode voor de berekening van de groeps- solvabiliteit op basis van aftrek en aggregatie Art. 377 § 1. In geval van toepassing van de berekeningsme- thode op basis van aftrek en aggregatie, of “methode 2 voor de berekening van de groepssolvabiliteit”, is de groepssolvabiliteit van de deelnemende verzekerings- of herverzekeringsonderneming het verschil tussen: 1° het geaggregeerde in aanmerking komend eigen vermogen van de groep als bepaald in paragraaf 2; en 2° de waarde in de deelnemende verzekerings- of herverzekeringsonderneming van de verbonden ver- zekerings- of herverzekeringsondernemingen en het geaggregeerde solvabiliteitskapitaalvereiste van de groep als bepaald in paragraaf 3. § 2. Het geaggregeerde in aanmerking komend eigen vermogen van de groep is gelijk aan de som van: 1° het eigen vermogen dat in aanmerking komt voor de dekking van het solvabiliteitskapitaalvereiste van de deelnemende verzekerings- of herverzekeringsonder- neming; en 2° het proportionele deel van de deelnemende ver- zekerings- of herverzekeringsonderneming in het eigen vermogen dat in aanmerking komt voor de dekking van het solvabiliteitskapitaalvereiste van de verbonden ver- zekerings- of herverzekeringsondernemingen. § 3. Het geaggregeerde solvabiliteitskapitaalvereiste van de groep is gelijk aan de som van: 1° het solvabiliteitskapitaalvereiste van de deelne- mende verzekerings- of herverzekeringsonderneming; en 2°  het proportionele deel van het solvabiliteits- kapitaalvereiste van de verbonden verzekerings- of herverzekeringsondernemingen. Lorsque le profil de risque du groupe n’est pas suffisamment pris en compte, une exigence de capital supplémentaire s’ajoutant au capital de solvabilité requis du groupe sur une base consolidée peut être imposée. L’article 323 ainsi que les mesures d’exécution de la Directive 2009/138/CE, sont applicables par analogie. § 5 – Méthode de calcul de la solvabilité du groupe fondée sur la déduction et l’agrégation Art. 377 § 1er. En cas d’application de la méthode de calcul fondée sur la déduction et l’agrégation, ou “seconde méthode de calcul de la solvabilité du groupe”, la sol- vabilité du groupe de l’entreprise d’assurance ou de réassurance participante, est égale à la différence entre: 1° les fonds propres éligibles du groupe sur une base agrégée, tels que définis au paragraphe 2, et 2° la somme de la valeur des entreprises d’assurance ou de réassurance liées dans l’entreprise d’assurance ou de réassurance participante et du capital de solva- bilité requis du groupe sur une base agrégée tel que défini au paragraphe 3. § 2. Les fonds propres éligibles du groupe sur une base agrégée correspondent à la somme: 1° des fonds propres éligibles pour couvrir le capital de solvabilité requis de l’entreprise d’assurance ou de réassurance participante; et 2° de la part proportionnelle de l’entreprise d’assu- rance ou de réassurance participante dans les fonds propres éligibles pour couvrir le capital de solvabilité requis des entreprises d’assurance ou de réassurance liées. § 3. Le capital de solvabilité requis du groupe sur une base agrégée correspond à la somme: 1°  du capital de solvabilité requis de l’entreprise d’assurance ou de réassurance participante; et 2° de la part proportionnelle du capital de solvabilité requis des entreprises d’assurance ou de réassurance liées. 989 1584/002 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 Art. 378 Wanneer de deelneming in de verbonden verzeke- rings- of herverzekeringsondernemingen geheel of ten dele bestaat in de vorm van onrechtstreekse eigendom, dan wordt in de waarde in de deelnemende verzeke- rings- of herverzekeringsonderneming van de verbon- den verzekerings- of herverzekeringsondernemingen de waarde van die onrechtstreekse eigendom meegeno- men, met inachtneming van de desbetreffende succes- sieve belangen, en worden in de in artikel 377, § 2, 2°, en § 3, 2°, bedoelde bestanddelen de overeenkomstige proportionele delen meegenomen van respectievelijk het eigen vermogen dat in aanmerking komt voor de dek- king van het solvabiliteitskapitaalvereiste van de verbon- den verzekerings- of herverzekeringsondernemingen en het solvabiliteitskapitaalvereiste van de verbonden verzekerings- of herverzekeringsondernemingen. Art. 379 Indien een verzekerings- of herverzekeringsonder- neming en haar verbonden ondernemingen, of de ver- bonden ondernemingen van een verzekeringsholding of een gemengde financiële holding gezamenlijk een aanvraag indienen om het solvabiliteitskapitaalvereiste van de verzekerings- of herverzekeringsondernemingen in de groep op basis van een intern model te mogen berekenen, zijn de artikelen 374 en 375 van overeen- komstige toepassing. Art. 380 Bij het bepalen of het overeenkomstig artikel 377, § 3 berekende geaggregeerde solvabiliteitskapitaal- vereiste van de groep van de deelnemende verzeke- rings- of herverzekeringsonderneming het risicoprofiel van de groep adequaat weergeeft, besteden de Bank en de betrokken toezichthouders bijzondere aandacht aan eventuele specifieke risico’s op groepsniveau die onvoldoende gedekt zouden zijn omdat ze moeilijk te kwantificeren zijn. Wanneer het risicoprofiel van de groep duidelijk afwijkt van de hypothesen die aan het geaggregeerde solvabiliteitskapitaalvereiste van de groep ten grondslag liggen, kan op het geaggregeerde solvabiliteitskapi- taalvereiste van de groep een opslagfactor worden toegepast. Artikel 323 en de uitvoeringsmaatregelen van Richtlijn 2009/138/EG zijn van overeenkomstige toepassing. Art. 378 Lorsque la participation dans les entreprises d’assu- rance ou de réassurance liées correspond, intégra- lement ou partiellement, à une propriété indirecte, la valeur dans l’entreprise d’assurance ou de réassurance participante des entreprises d’assurance ou de réassu- rance liées intègre la valeur de cette propriété indirecte, compte tenu des intérêts successifs pertinents, et les éléments visés à l’article 377, § 2, 2°, et § 3, 2°, com- prennent les parts proportionnelles correspondantes, respectivement, des fonds propres éligibles pour couvrir le capital de solvabilité requis des entreprises d’assurance ou de réassurance liées et du capital de solvabilité requis des entreprises d’assurance ou de réassurance liées. Art. 379 Dans le cas où une entreprise d’assurance ou de réassurance et ses entreprises liées, ou l’ensemble des entreprises liées d’une société holding d’assurance ou d’une compagnie financière mixte, demandent l’auto- risation de calculer le capital de solvabilité requis des entreprises d’assurance ou de réassurance du groupe sur la base d’un modèle interne, les articles 374 et 375 sont applicables par analogie. Art. 380 Pour déterminer si le capital de solvabilité requis du groupe de l’entreprise d’assurance ou de réassurance participante sur une base agrégée, calculé conformé- ment à l’article 377, § 3, reflète de manière adéquate le profil de risque du groupe, la Banque et les autorités de contrôle concernées accordent une attention particulière aux risques spécifiques existant au niveau du groupe qui, du fait qu’ils sont difficilement quantifiables, ne seraient pas suffisamment pris en compte. Lorsque le profil de risque du groupe s’écarte signifi- cativement des hypothèses qui sous-tendent le capital de solvabilité requis du groupe sur une base agrégée, une exigence de capital supplémentaire s’ajoutant au capital de solvabilité requis du groupe sur une base agrégée peut être imposée. L’article 323 ainsi que les mesures d’exécution de la Directive 2009/138/CE, sont applicables par analogie. 990 1584/002 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 § 6 – Berekening van de groepssolvabiliteit voor verzekerings- of herverzekeringsondernemingen die dochteronderneming zijn van een verzekeringsholding of een gemengde financiële holding Art. 381 Wanneer de verzekerings- of herverzekeringson- derneming de dochteronderneming van een verzeke- ringsholding of een gemengde financiële holding is, wordt de solvabiliteit van de groep op het niveau van de verzekeringsholding of de gemengde financiële holding berekend overeenkomstig de bepalingen van deze Onderafdeling en de uitvoeringsmaatregelen van Richtlijn 2009/138/EG. Bij de in het eerste lid bedoelde berekening wordt de moederonderneming behandeld als betrof het een ver- zekerings- of herverzekeringsonderneming die onder- worpen is aan de voorschriften van de artikelen 151 tot 188 met betrekking tot het solvabiliteitskapitaalvereiste en aan dezelfde voorwaarden als die van de artikelen 140 tot 150 met betrekking tot het voor de dekking van het solvabiliteitskapitaalvereiste in aanmerking komend eigen vermogen. § 7 – Berekening van de solvabiliteit van groepen met een gecentraliseerd risicobeheer Art. 382 De artikelen 384 en 385 zijn van toepassing op elke verzekerings- of herverzekeringsonderneming die de dochteronderneming van een verzekerings- of herver- zekeringsonderneming is of die de dochteronderne- ming van een verzekeringsholding of een gemengde financiële holding is, indien aan alle onderstaande voorwaarden is voldaan: 1° de dochteronderneming ten aanzien waarvan de groepstoezichthouder geen besluit overeenkomstig artikel 349, heeft genomen, valt onder het toezicht op groepsniveau dat overeenkomstig Titel III van Richtlijn 2009/138/EG door de groepstoezichthouder op het niveau van de moederonderneming wordt uitgeoefend; 2° de risicobeheerprocedures en de internecontrole- mechanismen van de moederonderneming bestrijken de dochteronderneming, en de moederonderneming toont ten genoegen van de Bank aan dat er van een prudente bedrijfsvoering van de dochterverzekerings- of herverzekeringsonderneming sprake is; 3°  de moederonderneming heeft de instemming verkregen als bedoeld in artikel 397; § 6 – Calcul de la solvabilité du groupe pour les entreprises d’assurance ou de réassurance filiales d’une société holding d’assurance ou d’une compa- gnie financière mixte Art. 381 Lorsque l’entreprise d’assurance ou de réassurance est la filiale d’une société holding d’assurance ou d’une compagnie financière mixte, la solvabilité du groupe est calculée au niveau de la société holding d’assurance ou de la compagnie financière mixte conformément aux dispositions de la présente Sous-section et aux mesures d’exécution de la Directive 2009/138/CE. Aux fins du calcul visé à l’alinéa 1er, l’entreprise mère est traitée comme une entreprise d’assurance ou de réassurance soumise aux règles énoncées aux articles 151 à 188 en ce qui concerne le capital de solvabilité requis, et aux mêmes conditions que celles énoncées aux articles 140 à 150 en ce qui concerne les fonds propres éligibles pour couvrir le capital de solvabilité requis. § 7 – Calcul de la solvabilité des groupes à gestion centralisée des risques Art. 382 Les articles 384 et 385 s’appliquent à toute entreprise d’assurance ou de réassurance qui est la filiale d’une entreprise d’assurance ou de réassurance ou qui est la filiale d’une société holding d’assurance ou d’une com- pagnie financière mixte, lorsque toutes les conditions suivantes sont réunies: 1° la filiale, à l’égard de laquelle le contrôleur du groupe n’a pas pris la décision visée à l’article 349, est incluse dans le contrôle au niveau du groupe réalisé par ce contrôleur au niveau de l’entreprise mère conformé- ment au Titre III de la Directive 2009/138/CE; 2°  les procédures de gestion des risques et les mécanismes de contrôle interne de l’entreprise mère couvrent la filiale et la Banque est satisfaite de la gestion prudente de l’entreprise d’assurance ou de réassurance filiale par l’entreprise mère; 3° l’entreprise mère a reçu l’accord visé à l’article 397; 991 1584/002 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 4°  de moederonderneming heeft de instemming verkregen als bedoeld in artikel 405; 5°  de moederonderneming heeft een aanvraag ingediend om aan de artikelen 384 en 385 te worden onderworpen en deze aanvraag is ingewilligd volgens de procedure van artikel 383. Art. 383 §  1. Bij een aanvraag van toestemming om een verzekerings- of herverzekeringsonderneming die de dochteronderneming is van een verzekerings- of her- verzekeringsonderneming of de dochteronderneming van een verzekerings- of herverzekeringsholding, aan de voorschriften van de artikelen 384 en 385 te onder- werpen, bepaalt de Bank in het college van toezicht- houders, in overleg met de betrokken toezichthouders, of de aanvraag al dan niet wordt ingewilligd en onder welke eventuele voorwaarden deze aanvraag wordt ingewilligd. De in het eerste lid bedoelde aanvraag wordt inge- diend bij de Bank. Zij stelt de toezichthouders in het college van toezichthouders in kennis en bezorgt hen onverwijld de volledige aanvraag. § 2. De Bank doet alles wat in haar vermogen ligt om binnen drie maanden na de datum van ontvangst van de volledige aanvraag door de toezichthouders in het college van toezichthouders, met die toezichthouders een gezamenlijk besluit over de aanvraag te nemen. Wanneer de Bank en de betrokken toezichthouders een gezamenlijk besluit hebben genomen als bedoeld in het eerste lid, bezorgt de Bank aan de aanvrager het besluit met een volledige opgave van de redenen waarop het is gebaseerd. Het gezamenlijk besluit wordt als definitief erkend en door de Bank en de betrokken toezichthouders toegepast. § 3. Indien er binnen drie maanden na de ontvangst van de volledige aanvraag door de toezichthouders in het college van toezichthouders geen gezamenlijk besluit is genomen, neemt de groepstoezichthouder op eigen gezag een besluit over de aanvraag, onvermin- derd paragraaf 4. De groepstoezichthouder houdt naar behoren re- kening met de standpunten en voorbehouden die de Bank en de toezichthouders van de lidstaten waar een dochteronderneming haar zetel heeft, hebben geuit, en met de door de andere toezichthouders in het college van toezichthouders geuite voorbehouden. 4° l’entreprise mère a reçu l’accord visé à l’article 405; 5° l’entreprise mère a demandé l’autorisation d’être assujettie aux articles 384 et 385 et sa demande a fait l’objet d’une décision favorable prise conformément à la procédure prévue à l’article 383. Art. 383 §  1er. En cas de demande d’autorisation d’assu- jettissement d’une entreprise d’assurance ou de réassurance filiale d’une entreprise d’assurance ou de réassurance ou filiale d’une société holding d’assurance ou de réassurance, aux règles énoncées aux articles 384 et 385, la Banque travaille au sein du collège des contrôleurs, en pleine concertation avec les autorités de contrôle concernées, en vue de décider s’il convient ou non d’accorder l’autorisation demandée et, le cas échéant, pour en définir les conditions. La demande visée à l’alinéa 1er est adressée à la Banque. Elle informe les autorités de contrôle au sein du collège des contrôleurs et leur communique la demande complète sans délai. § 2. La Banque fait tout ce qui est en son pouvoir pour parvenir, avec les autorités de contrôle au sein du collège des contrôleurs, à une décision conjointe sur la demande dans un délai de trois mois à compter de la réception de la demande complète par les autorités de contrôle au sein du collège des contrôleurs. Lorsque la Banque et les autorités de contrôle concernées sont arrivées à la décision conjointe visée à l’alinéa 1er, la Banque fournit au demandeur la décision précisant l’ensemble des motivations. Cette décision conjointe est considérée comme déterminante et est appliquée par la Banque et les autorités de contrôle concernées. § 3. Sans préjudice du paragraphe 4, à défaut d’adop- tion d’une décision conjointe dans les trois mois de la réception de de la demande complète par les autorités de contrôle au sein du collège des contrôleurs, le contrô- leur du groupe se prononce lui-même sur la demande. Le contrôleur du groupe tient dûment compte de l’avis et des réserves exprimés par la Banque et les autorités de contrôle des États membres dans lequel une filiale à son siège social, ainsi que des réserves exprimées par les autres autorités de contrôle au sein du collège des contrôleurs. 992 1584/002 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 Het besluit bevat een volledige opgave van de re- denen waarop het is gebaseerd en een uitleg van elke aanzienlijke afwijking van de voorbehouden van de Bank of van de toezichthouders. De groepstoezicht- houder bezorgt een kopie van het besluit aan de Bank en aan de betrokken toezichthouders. Dit besluit wordt als definitief erkend en door de Bank en de betrokken toezichthouders toegepast. §  4. Tijdens de in paragraaf 2  bedoelde periode van drie maanden, en zolang er geen gezamenlijk besluit is genomen, kan de Bank de zaak aan EIOPA voorleggen overeenkomstig artikel 19 van Verordening nr. 1094/2010. De groepstoezichthouder schort zijn besluit op en wacht het besluit af dat EIOPA eventueel overeenkom- stig artikel 19, lid 3, van de genoemde verordening neemt; vervolgens neemt hij zijn besluit in overeen- stemming met het eventuele besluit van EIOPA. Dit besluit wordt als definitief erkend en door de Bank en de betrokken toezichthouders toegepast. EIOPA neemt haar besluit binnen één maand. Indien het door het panel voorgestelde besluit met toepassing van artikel 41, leden 2 en 3, en artikel 44, lid 1, derde alinea van Verordening nr. 1094/2010 wordt afgewezen, neemt de groepstoezichthouder een defini- tief besluit. Dit besluit wordt als definitief erkend en door de Bank en de betrokken toezichthouders toegepast. De termijn van drie maanden wordt beschouwd als de verzoeningsperiode in de zin van artikel 19, lid 2, van de genoemde verordening. Art. 384 § 1. Onverminderd de artikelen 374 en 375, wordt het solvabiliteitskapitaalvereiste van de dochterverze- kerings- of herverzekeringsonderneming waarvoor de in artikel 383 bedoelde aanvraag is ingewilligd, berekend overeenkomstig dit artikel. § 2. Wanneer het solvabiliteitskapitaalvereiste van de in paragraaf 1 bedoelde dochterverzekerings- of herverzekeringsonderneming wordt berekend op basis van een overeenkomstig de artikelen 374 en 375 op groepsniveau goedgekeurd intern model en indien de Bank van mening is dat het risicoprofiel van deze onder haar toezicht staande onderneming duidelijk afwijkt van dit model, en zolang deze onderneming niet afdoende tegemoet komt aan de bezorgdheden van de Bank, kan de Bank in de in artikel 323 bedoelde gevallen voorstel- len een opslagfactor toe te passen op het solvabiliteits- kapitaalvereiste dat voor deze dochteronderneming uit La décision est dûment motivée et comporte une explication de toute divergence importante par rapport aux réserves exprimées par la Banque ou les autorités de contrôle. Le contrôleur du groupe transmet une copie de la décision à la Banque et aux autorités de contrôle concernées. La décision est considérée comme déter- minante et est appliquée par la Banque et les autorités de contrôle concernées. § 4. Pendant la période de trois mois visée au para- graphe 2, et aussi longtemps qu’une décision conjointe n’a pas été prise, la Banque peut saisir l’EIOPA confor- mément à l’article 19 du Règlement no 1094/2010. Le contrôleur du groupe diffère sa décision en attendant une éventuelle décision de l’EIOPA arrêtée conformément à l’article 19, paragraphe 3, dudit règle- ment et arrête sa propre décision en se conformant à la décision de l’EIOPA. Cette décision est considérée comme déterminante et est appliquée par la Banque et les autorités de contrôle concernées. L’EIOPA arrête sa décision dans un délai d’un mois. Si, en application de l’article 41, paragraphes 2 et 3, et de l’article 44, paragraphe 1er, alinéa 3 du Règlement n° 1094/2010, la décision proposée par le groupe d’experts est rejetée, le contrôleur du groupe prend une décision définitive. Cette décision est considérée comme déterminante et est appliquée par la Banque et les autorités de contrôle concernées. La période de trois mois est le délai de conciliation au sens de l’article 19, § 2, dudit règlement. Art. 384 § 1er. Sans préjudice des articles 374 et 375, le capital de solvabilité requis de l’entreprise d’assurance ou de réassurance filiale qui fait l’objet de l’autorisation visée à l’article 383, est calculé conformément au présent article. § 2. Lorsque le capital de solvabilité requis de l’entre- prise d’assurance ou de réassurance filiale visée au paragraphe 1er est calculé sur la base d’un modèle interne approuvé au niveau du groupe conformément aux articles 374 et 375 et que la Banque considère que le profil de risque de cette entreprise qu’elle est chargée de contrôler s’écarte significativement de ce modèle, elle peut, dans les cas visés à l’article 323 et aussi longtemps que cette entreprise ne répond pas de manière satisfaisante aux préoccupations de la Banque, proposer d’établir une exigence de capital supplémen- taire s’ajoutant au capital de solvabilité requis de cette 993 1584/002 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 de toepassing van dit model voortvloeit, of, in uitzon- derlijke omstandigheden waarin de toepassing van een dergelijke opslagfactor niet gepast is, verlangen dat deze onderneming haar solvabiliteitskapitaalvereiste berekent op basis van de standaardformule als bedoeld in de artikelen 151 tot 166. De Bank bespreekt dit voorstel in het college van toezichthouders en deelt de redenen waarom zij een dergelijk voorstel doet, aan zowel de dochterverze- kerings- of herverzekeringsonderneming als aan het college van toezichthouders mee. § 3. Wanneer het solvabiliteitskapitaalvereiste van de in paragraaf 1 bedoelde dochterverzekerings- of herver- zekeringsonderneming wordt berekend op basis van de in de artikelen 151 tot 166 bedoelde standaardformule en indien de Bank van mening is dat het risicoprofiel van die onderneming duidelijk afwijkt van de hypothe- sen die aan de standaardformule ten grondslag liggen, en zolang deze onderneming niet afdoende tegemoet komt aan de bezorgdheden van de Bank, kan de Bank in uitzonderlijke omstandigheden voorstellen dat de onderneming een subset van de parameters die in de standaardformule voor de berekening worden gebruikt, vervangt door parameters die kenmerkend zijn voor die onderneming bij de berekening van de modules “verzekeringstechnisch risico leven”, “verzekeringstech- nisch risico niet-leven” en “verzekeringstechnisch risico ziektekosten”, zoals uiteengezet in artikel 166, of, in de in artikel 323 bedoelde gevallen, op het solvabiliteits- kapitaalvereiste van die onderneming een opslagfactor toepassen. De Bank bespreekt dit voorstel in het college van toezichthouders en deelt de redenen waarom zij een dergelijk voorstel doet, aan zowel de dochterverze- kerings- of herverzekeringsonderneming als aan het college van toezichthouders mee. § 4. De Bank doet alles wat in haar vermogen ligt om met de toezichthouders in het college van toezichthou- ders tot overeenstemming te komen over het voorstel dat zij overeenkomstig paragraaf 1 of 2 heeft gedaan, of over andere mogelijke maatregelen. Dit besluit wordt als definitief erkend en door de Bank en de betrokken toezichthouders toegepast. §  5. Tijdens een termijn van een maand na de formulering van het voorstel als bedoeld in paragraaf 1 of 2, en zolang er geen overeenkomst is gesloten in het college van toezichthouders, kan de Bank, in- dien zij het oneens is met de groepstoezichthouder, de zaak aan EIOPA voorleggen en om haar bijstand filiale résultant de l’application de ce modèle ou, dans des circonstances exceptionnelles où l’exigence de capital supplémentaire ne serait pas appropriée, exiger de l’entreprise qu’elle calcule son capital de solvabilité requis sur la base de la formule standard visée aux articles 151 à 166. La Banque discute de sa proposition au sein du collège des contrôleurs et en communique les raisons à l’entreprise d’assurance ou de réassurance filiale et au collège des contrôleurs. § 3. Lorsque le capital de solvabilité requis de l’entre- prise d’assurance ou de réassurance filiale visée au paragraphe 1er est calculé sur la base de la formule standard visée aux articles 151 à 166 et que la Banque considère que son profil de risque s’écarte significati- vement des hypothèses qui sous-tendent cette formule, elle peut, dans des circonstances exceptionnelles et aussi longtemps que l’entreprise ne répond pas de manière satisfaisante aux préoccupations de la Banque, proposer que l’entreprise remplace un sous-ensemble de paramètres utilisés dans le calcul selon la formule standard par des paramètres spécifiques à cette entre- prise lors du calcul des modules “risque de souscription en vie”, “risque de souscription en non-vie”, et “risque de souscription en santé”, comme indiqué à l’article 166, ou, dans les cas visés à l’article 323, lui imposer une exigence de capital supplémentaire s’ajoutant au capital de solvabilité requis de cette entreprise. La Banque discute de sa proposition au sein du collège des contrôleurs et en communique les raisons à l’entreprise d’assurance ou de réassurance filiale et au collège des contrôleurs. § 4. La Banque fait tout ce qui est en son pouvoir pour parvenir, avec les autorités de contrôle au sein du collège des contrôleurs, à un accord sur la proposition qu’elle a formulée conformément au paragraphe 1er ou 2, ou sur d’autres mesures éventuelles. Cet accord est considéré comme déterminant et est appliqué par la Banque et les autorités de contrôle concernées. § 5. Pendant un délai d’un mois à compter de formu- lation de la proposition visée au paragraphe 1er ou 2, et aussi longtemps qu’un accord n’a pas été conclu au sein du collège des contrôleurs, la Banque peut, en cas de désaccord avec le contrôleur du groupe, saisir l’EIOPA et solliciter son aide conformément à l’article 19 du 994 1584/002 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 verzoeken overeenkomstig artikel 19 van Verordening nr. 1094/2010. EIOPA neemt haar besluit binnen een maand nadat de zaak aan haar is voorgelegd. De termijn van een maand wordt beschouwd als de verzoenings- periode in de zin van artikel 19, lid 2 van Verordening nr.1094/2010. De Bank schort haar besluit op en wacht het besluit af dat EIOPA eventueel overeenkomstig artikel 19 van Verordening nr. 1094/2010 neemt; vervolgens neemt zij haar besluit in overeenstemming met het eventuele besluit van EIOPA. Dit besluit wordt als definitief erkend en door de Bank en de betrokken toezichthouders toegepast. Het besluit bevat een volledige opgave van de rede- nen waarop het is gebaseerd en wordt voorgelegd aan de dochterverzekerings- of herverzekeringsonderne- ming en aan het college van toezichthouders. Art. 385 §  1. In geval van niet-naleving van het solvabili- teitskapitaalvereiste van een dochterverzekerings- of herverzekeringsonderneming waarvoor de in artikel 383 bedoelde aanvraag is ingewilligd, en onverminderd artikel 510, bezorgt de Bank aan het college van toezicht- houders onverwijld het saneringsplan dat de dochter- onderneming heeft ingediend om binnen zes maanden na de vaststelling dat het solvabiliteitskapitaalvereiste niet wordt nageleefd, het in aanmerking komend eigen vermogen weer op peil te brengen of haar risicoprofiel zodanig te verlagen dat het solvabiliteitskapitaalvereiste weer wordt nageleefd. De Bank doet alles wat in haar vermogen ligt om met de toezichthouders in het college van toezichthouders tot overeenstemming te komen over het voorstel dat zij met het oog op de goedkeuring van het saneringsplan heeft geformuleerd, en dit binnen vier maanden na de datum waarop voor het eerst is vastgesteld dat het sol- vabiliteitskapitaalvereiste niet wordt nageleefd. Indien geen overeenstemming wordt bereikt, beslist de Bank over de goedkeuring van het saneringsplan, waarbij naar behoren rekening wordt gehouden met de standpunten en voorbehouden van de toezichthouders in het college van toezichthouders, onverminderd het vierde lid. Tijdens de in het tweede lid bedoelde termijn van vier maanden, en zolang er geen overeenkomst is gesloten in het college van toezichthouders, kan de Bank, indien Règlement no 1094/2010. L’EIOPA arrête sa décision dans un délai d’un mois à compter de cette saisine. La période d’un mois est le délai de conciliation au sens de l’article 19, paragraphe 2, du Règlement no 1094/2010. La Banque diffère sa décision en attendant une éventuelle décision de l’EIOPA arrêtée conformément à l’article 19 du Règlement no 1094/2010 et arrête sa propre décision en se conformant à cette décision de l’EIOPA. Cette décision est considérée comme déterminante et est appliquée par la Banque et les autorités de contrôle concernées. La décision est dûment motivée et transmise à l’entreprise d’assurance ou de réassurance filiale et au collège des contrôleurs. Art. 385 § 1er. En cas de non-conformité au capital de solva- bilité requis d’une entreprise d’assurance ou de réas- surance filiale qui fait l’objet de l’autorisation visée à l’article 383 et sans préjudice de l’article 510, la Banque communique sans délai au collège des contrôleurs le programme de rétablissement soumis par la filiale en vue, dans un délai de six mois après la constatation de sa non-conformité au capital de solvabilité requis, de rétablir le niveau de fonds propres éligibles ou de réduire son profil de risque afin d’assurer sa conformité au capital de solvabilité requis. La Banque fait tout ce qui est en son pouvoir pour parvenir, avec les autorités de contrôle au sein du collège des contrôleurs, à un accord sur la proposition qu’elle a formulée quant à l’approbation du programme de rétablissement, et ce, dans un délai de quatre mois à compter du premier constat de non-conformité au capital de solvabilité requis. Sans préjudice à l’alinéa 4, à défaut d’un tel accord, la Banque décide si le programme de rétablissement doit être approuvé, en tenant dûment compte de l’avis et des réserves exprimés par les autorités de contrôle au sein du collège des contrôleurs. Pendant le délai de quatre mois visé à l’alinéa 2, et aussi longtemps qu’un accord n’a pas été conclu au sein du collège des contrôleurs, en cas de désaccord avec 995 1584/002 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 zij het oneens is met de groepstoezichthouder over de goedkeuring van het saneringsplan, met name over de verlenging van de herstelperiode, de zaak aan EIOPA voorleggen en om haar bijstand verzoeken overeenkom- stig artikel 19 van Verordening nr. 1094/2010. EIOPA neemt haar besluit binnen een maand nadat de zaak aan haar is voorgelegd. De termijn van vier maanden maand wordt beschouwd als de verzoeningsperiode in de zin van artikel 19, lid 2 van Verordening nr.1094/2010. De Bank schort haar besluit op en wacht het besluit af dat EIOPA eventueel overeenkomstig artikel 19 van Verordening nr. 1094/2010 neemt; vervolgens neemt zij haar besluit in overeenstemming met het eventuele besluit van EIOPA. Dit besluit wordt als definitief erkend en door de Bank en de betrokken toezichthouders toegepast. Het besluit bevat een volledige opgave van de rede- nen waarop het is gebaseerd en wordt voorgelegd aan de dochterverzekerings- of herverzekeringsonderne- ming en aan het college van toezichthouders. § 2. Indien de Bank bij een in paragraaf 1 bedoelde dochterverzekerings- of herverzekeringsonderneming overeenkomstig artikel 510 een verslechtering van de financiële omstandigheden vaststelt, stelt zij het college van toezichthouders onverwijld in kennis van de maatre- gelen die zij voorstelt te nemen. Behalve in noodsituaties moeten de te nemen maatregelen worden besproken in het college van toezichthouders. De Bank doet alles wat in haar vermogen ligt om met de toezichthouders in het college van toezichthou- ders tot overeenstemming te komen over de te nemen maatregelen die zij heeft voorgesteld, en dit binnen één maand na het tijdstip van de inkennisstelling. Indien geen overeenstemming wordt bereikt, beslist de Bank over de goedkeuring van de voorgestelde maatregelen, waarbij naar behoren rekening wordt gehouden met de standpunten en voorbehouden van de toezichthouders in het college van toezichthouders, onverminderd het vierde lid. Behalve in noodsituaties geldt dat de Bank, tijdens de in het tweede lid bedoelde termijn van een maand, en zolang er geen overeenkomst is gesloten in het college van toezichthouders, indien zij het oneens is met de groepstoezichthouder over de goedkeuring van de krachtens het eerste lid voorgestelde maatrege- len, de zaak aan EIOPA kan voorleggen en om haar bijstand kan verzoeken overeenkomstig artikel 19 van Verordening nr. 1094/2010. EIOPA neemt haar besluit le contrôleur du groupe sur l’approbation du programme de rétablissement, notamment une prolongation du délai de rétablissement, la Banque peut saisir l’EIOPA et solliciter son assistance conformément à l’article 19 du Règlement no 1094/2010. L’EIOPA arrête sa décision dans un délai d’un mois à compter de cette saisine. La période de quatre mois est le délai de conciliation au sens de l’article 19, paragraphe 2, du Règlement no 1094/2010. La Banque diffère sa décision en attendant une éventuelle décision de l’EIOPA arrêtée conformément à l’article 19 du Règlement no 1094/2010 et arrête sa propre décision en se conformant à cette décision de l’EIOPA. Cette décision est considérée comme déterminante et est appliquée par la Banque et les autorités de contrôle concernées. La décision est dûment motivée et transmise à l’entreprise d’assurance ou de réassurance filiale et au collège des contrôleurs. §  2.  Si la Banque détecte une dégradation des conditions financières dans une entreprise d’assu- rance ou de réassurance filiale visée au paragraphe 1er, conformément à l’article 510, elle notifie sans délai au collège des contrôleurs les mesures qu’elle propose de prendre. Sauf dans des situations d’urgence, les mesures à prendre sont débattues au sein du collège des contrôleurs. La Banque fait tout ce qui est en son pouvoir pour parvenir, avec les autorités de contrôle au sein du col- lège des contrôleurs, à un accord sur les mesures à prendre qu’elle a proposées, et ce, dans un délai d’un mois à compter de la notification. Sans préjudice à l’alinéa 4, à défaut d’un tel accord, la Banque décide si les mesures proposées doivent être approuvées, en tenant dûment compte de l’avis et des réserves exprimés par les autorités de contrôle au sein du collège des contrôleurs. Sauf situations d’urgence, pendant le délai d’un mois visé à l’alinéa 2, et aussi longtemps qu’un accord n’a pas été conclu au sein du collège des contrôleurs, en cas de désaccord avec le contrôleur du groupe sur l’approbation des mesures proposées en vertu de l’ali- néa 1er, la Banque peut saisir l’EIOPA et solliciter son assistance conformément à l’article 19 du Règlement no 1094/2010. L’EIOPA arrête sa décision dans un délai d’un mois à compter de cette saisine. La période d’un 996 1584/002 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 binnen een maand nadat de zaak aan haar is voorge- legd. De termijn van een maand wordt beschouwd als de verzoeningsperiode in de zin van artikel 19, lid 2 van Verordening nr. 1094/2010. De Bank schort haar besluit op en wacht het besluit af dat EIOPA eventueel overeenkomstig artikel 19 van Verordening nr. 1094/2010 neemt; vervolgens neemt zij haar besluit in overeenstemming met het eventuele besluit van EIOPA. Dit besluit wordt als definitief erkend en door de Bank en de betrokken toezichthouders toegepast. Het besluit bevat een volledige opgave van de rede- nen waarop het is gebaseerd en wordt voorgelegd aan de dochterverzekerings- of herverzekeringsonderne- ming en aan het college van toezichthouders. § 3. In geval van niet-naleving van het minimum- kapitaalvereiste van een in paragraaf 1  bedoelde dochterverzekerings- of herverzekeringsonderneming, en onverminderd artikel 511, bezorgt de Bank aan het college van toezichthouders onverwijld het plan inzake financiering op korte termijn dat de dochterverzeke- rings- of herverzekeringsonderneming heeft ingediend om binnen drie maanden na de datum waarop voor het eerst is vastgesteld dat het minimumkapitaalvereiste niet wordt nageleefd, het in aanmerking komend eigen vermogen ter dekking van het minimumkapitaalvereiste weer op peil te brengen of haar risicoprofiel zodanig te verlagen dat het minimumkapitaalvereiste weer wordt nageleefd. Ook het college van toezichthouders moet in kennis worden gesteld van alle maatregelen die worden genomen om toe te zien op de naleving van het minimumkapitaalvereiste op het niveau van de dochteronderneming. Art. 386 Overeenkomstig artikel 239, lid 4  van Richtlijn 2009/138/EG kan de Bank, in haar hoedanigheid van groepstoezichthouder, indien zij het oneens is over de elementen bedoeld in artikel 239, lid 4, eerste alinea van Richtlijn 2009/138/EG, met de toezichthouder van een dochterverzekerings- of herverzekeringsonderneming met zetel in een andere lidstaat en waarvoor de in arti- kel 237 bedoelde aanvraag is ingewilligd, de zaak aan EIOPA voorleggen en om haar bijstand verzoeken over- eenkomstig artikel 19 van Verordening nr. 1094/2010. mois est le délai de conciliation au sens de l’article 19, paragraphe 2, du Règlement no 1094/2010. La Banque diffère sa décision en attendant une éventuelle décision de l’EIOPA arrêtée conformément à l’article 19 du Règlement no 1094/2010 et arrête sa propre décision en se conformant à cette décision de l’EIOPA. Cette décision est considérée comme déterminante et est appliquée par la Banque et les autorités de contrôle concernées. La décision est dûment motivée et transmise à l’entreprise d’assurance ou de réassurance filiale et au collège des contrôleurs. § 3. En cas de non-conformité au minimum de capital requis d’une entreprise d’assurance ou de réassurance filiale visée au paragraphe 1er et sans préjudice de l’ar- ticle 511, la Banque communique sans délai au collège des contrôleurs le plan de financement à court terme soumis par l’entreprise d’assurance ou de réassurance filiale en vue, dans un délai de trois mois après la pre- mière constatation de sa non-conformité au minimum de capital requis, de rétablir le niveau de fonds propres éligibles permettant d’atteindre le minimum de capital requis ou de réduire son profil de risque afin d’assurer sa conformité au minimum de capital requis. Le collège des contrôleurs est aussi tenu informé de toute mesure prise pour faire appliquer le minimum de capital requis au niveau de la filiale. Art. 386 Conformément à l’article 239, paragraphe 4 de la Directive 2009/138/CE, la Banque, en sa qualité de contrôleur du groupe, peut, en cas de désaccord sur les points visés à l’article 239, paragraphe 4, alinéa 1er, de la Directive 2009/138/CE avec l’autorité de contrôle d’une entreprise d’assurance ou de réassurance filiale ayant son siège social dans un autre État membre et qui fait l’objet de l’autorisation visée à l’article 237 de la Directive 2009/138/CE, saisir l’EIOPA et solliciter son assistance, conformément à l’article 19 du Règlement no 1094/2010. 997 1584/002 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 Art. 387 § 1. De voorschriften waarin de artikelen 384 en 385 voorzien, zijn niet meer van toepassing indien: 1° niet meer wordt voldaan aan de voorwaarde van artikel 382, 1°; 2° niet meer wordt voldaan aan de voorwaarde van artikel 382, 2°, en de groep nalaat om binnen een pas- sende termijn weer aan deze voorwaarde te voldoen; 3° niet meer wordt voldaan aan de voorwaarden van artikel 382, 3° en 4°. Indien de groepstoezichthouder in het in het eerste lid, 1° bedoelde geval na raadpleging van het college van toezichthouders besluit de dochteronderneming niet langer in het door hem uitgeoefende groepstoezicht te betrekken, stelt hij de Bank en de moederonderneming onmiddellijk daarvan in kennis. Voor de toepassing van artikel 382, 2°, 3° en 4°, behoort het tot de verantwoordelijkheid van de moe- deronderneming om ervoor te zorgen dat doorlopend aan de voorwaarden wordt voldaan. Indien niet aan de voorwaarden wordt voldaan, stelt zij de groepstoezicht- houder en de Bank daar onverwijld van in kennis. De moederonderneming legt een plan voor opdat binnen een passende termijn weer aan de voorwaarden wordt voldaan. Onverminderd het derde lid verifieert de groeps- toezichthouder ten minste eenmaal per jaar uit eigen beweging of nog steeds aan de voorwaarden van artikel 382, 2°, 3° en 4° is voldaan. De groepstoezichthouder verricht een dergelijke verificatie ook op verzoek van de Bank wanneer deze zich ernstig zorgen maakt over de vraag of nog steeds aan deze voorwaarden is voldaan. Wanneer de verrichte verificatie tekortkomingen aan het licht brengt, verlangt de groepstoezichthouder van de moederonderneming dat deze een plan voorlegt opdat binnen een passende termijn weer aan de voor- waarden wordt voldaan. Indien de groepstoezichthouder na raadpleging van het college van toezichthouders vaststelt dat het in het derde of vijfde lid bedoelde plan ontoereikend is, of later constateert dat het niet binnen de overeengekomen termijn wordt uitgevoerd, concludeert hij dat niet langer aan de voorwaarden van artikel 382, 2°, 3° en 4° is vol- daan en stelt hij de Bank daar onverwijld van in kennis. §  2.  De regeling waarin de artikelen 384  en 385 voorzien, wordt opnieuw van toepassing indien de Art. 387 §  1er. Les règles énoncées aux articles  384  et 385 cessent d’être applicables dans les cas suivants: 1° la condition visée à l’article 382, 1° n’est plus respectée; 2° la condition visée à l’article 382, 2° n’est plus res- pectée et le groupe ne rétablit pas le respect de cette condition dans un délai approprié; 3° les conditions visées à l’article 382, 3° et 4° ne sont plus respectées. Dans le cas visé à l’alinéa 1er, 1°, lorsque le contrôleur du groupe décide, après avoir consulté le collège des contrôleurs, de ne plus inclure la filiale dans le contrôle du groupe qu’il effectue, il en informe immédiatement la Banque et l’entreprise mère. Aux fins de l’article 382, 2°, 3° et 4°, l’entreprise mère a la responsabilité de veiller à ce que les conditions soient respectées en permanence. Si ce n’est pas le cas, l’entreprise mère en informe sans délai le contrôleur du groupe et la Banque. L’entreprise mère présente un plan visant à rétablir le respect des conditions dans un délai approprié. Sans préjudice de l’alinéa 3, le contrôleur du groupe vérifie au moins une fois par an, de sa propre initiative, que les conditions visées à l’article 382, 2°, 3° et 4° continuent d’être respectées. Le contrôleur du groupe procède également à cette vérification à la demande de la Banque, lorsque cette dernière a de sérieux doutes concernant le respect permanent de ces conditions. Lorsque la vérification fait apparaître des déficiences, le contrôleur du groupe impose à l’entreprise mère de présenter un plan visant à rétablir le respect des condi- tions dans un délai approprié. Lorsque, après avoir consulté le collège des contrô- leurs, le contrôleur du groupe estime que le plan visé à l’alinéa 3 ou à l’alinéa 5 est insuffisant ou, ultérieu- rement, qu’il n’est pas mis en œuvre dans le délai convenu, il en conclut que les conditions visées à l’article 382, 2°, 3° et 4° ne sont plus respectées et il en informe sans délai la Banque. § 2. Le régime prévu aux articles 384 et 385 s’ap- plique à nouveau lorsque l’entreprise mère présente 998 1584/002 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 moederonderneming een nieuwe aanvraag indient en de aanvraag volgens de procedure van artikel 382 wordt ingewilligd. Onderafdeling II Risicoconcentratie en intragroeptransacties § 1 – Risicoconcentratie Art. 388 §  1. Het toezicht op de risicoconcentratie op het niveau van de verzekerings- of herverzekeringsgroep wordt uitgeoefend overeenkomstig dit artikel en artikel 389, en overeenkomstig Onderafdeling III van deze Afdeling. § 2. De verzekerings- of herverzekeringsonderne- mingen, de verzekeringsholdings en de gemengde financiële holdings rapporteren regelmatig en ten minste eenmaal per jaar iedere significante risicoconcentratie op het niveau van de groep aan de groepstoezichthou- der, tenzij artikel 352 van toepassing is. De benodigde informatie wordt aan de groepstoe- zichthouder meegedeeld door de deelnemende verze- kerings- of herverzekeringsonderneming of, indien aan het hoofd van de groep geen verzekerings- of herverze- keringsonderneming staat, door de verzekeringsholding, de gemengde financiële holding of de verzekerings- of herverzekeringsonderneming in de groep die daartoe door de groepstoezichthouder na overleg met de be- trokken toezichthouders en de groep is aangewezen. De in het eerste lid bedoelde risicoconcentraties zijn overeenkomstig Afdeling III van dit Hoofdstuk aan het prudentieel toezicht van de groepstoezichthouder onderworpen. Art. 389 Na overleg met de betrokken toezichthouders en de groep bepaalt de groepstoezichthouder welke types risico’s in elk geval moeten worden gerapporteerd. Bij het bepalen van, of het geven van een oordeel over de types risico’s houden de groepstoezichthouder en de betrokken toezichthouders rekening met de specifieke groeps- en risicobeheerstructuur van de groep. Met het oog op de aanmerking als significante risi- coconcentratie die moet worden gerapporteerd, stelt une nouvelle demande et obtient une décision favorable conformément à la procédure prévue à l’article 382. Sous-Section II Concentration de risques et transactions intragroupe § 1er – Concentration des risques Art. 388 § 1er. Le contrôle de la concentration de risques au niveau du groupe d’assurance ou de réassurance est exercé conformément au présent article et à l’article 389, ainsi qu’à la Sous-Section III de la présente Section. § 2. Les entreprises d’assurance ou de réassurance, les sociétés holding d’assurance et les compagnies financières mixtes déclarent régulièrement, et au moins annuellement, au contrôleur du groupe toute concen- tration de risques significatives au niveau du groupe, à moins que l’article 352 ne s’applique. Les informations nécessaires sont soumises au contrôleur du groupe par l’entreprise d’assurance ou de réassurance participante ou, lorsque le groupe n’est pas dirigé par une entreprise d’assurance ou de réassurance, par la société holding d’assurance, par la compagnie financière mixte ou par l’entreprise d’assu- rance ou de réassurance du groupe désignée à cette fin par le contrôleur du groupe après consultation des autorités de contrôle concernées et du groupe. Les concentrations de risques visées à l’alinéa 1er sont soumises au contrôle prudentiel du contrôleur du groupe conformément à la Section III du présent Chapitre. Art. 389 Le contrôleur du groupe, identifie, après avoir consulté les autorités de contrôle concernées ainsi que le groupe, le type de risque qui doit être déclaré en toutes circonstances. Pour définir le type de risque ou donner leur avis sur celui-ci, le contrôleur du groupe et les autorités de contrôle concernées tiennent compte du groupe concerné et de sa structure de gestion des risques. Pour identifier les concentrations de risques signifi- catives à déclarer, le contrôleur du groupe, après avoir 999 1584/002 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 de groepstoezichthouder, na overleg met de betrokken toezichthouders en de groep, passende drempels vast op basis van het solvabiliteitskapitaalvereiste, de tech- nische voorzieningen, of beide. Bij het toezicht op de risicoconcentraties let de groepstoezichthouder vooral op mogelijke besmettings- risico’s in de groep, op het risico van belangenconflicten en op het niveau of het volume van de risico’s. § 2 – Intragroeptransacties Art. 390 § 1. Het toezicht op de intragroeptransacties wordt uitgeoefend overeenkomstig dit artikel en artikel 391, en overeenkomstig Onderafdeling III van deze Afdeling. § 2. De verzekerings- of herverzekeringsonderne- mingen, de verzekeringsholdings en de gemengde financiële holdings rapporteren regelmatig en ten minste eenmaal per jaar alle significante intragroeptransacties door verzekerings- of herverzekeringsondernemingen in een groep aan de groepstoezichthouder, met inbegrip van verrichtingen met een natuurlijke persoon die nauwe banden heeft met een onderneming van die groep, tenzij artikel 352 van toepassing is. Bovendien moeten zeer significante intragroeptrans- acties zo spoedig mogelijk worden gerapporteerd. De benodigde informatie wordt aan de groepstoe- zichthouder meegedeeld door de deelnemende verze- kerings- of herverzekeringsonderneming of, indien aan het hoofd van de groep geen verzekerings- of herverze- keringsonderneming staat, door de verzekeringsholding, de gemengde financiële holding of de verzekerings- of herverzekeringsonderneming in de groep die door de groepstoezichthouder na overleg met de betrokken toezichthouders en de groep is aangewezen. De intragroeptransacties zijn overeenkomstig Afdeling III van dit Hoofdstuk aan het prudentieel toezicht van de groepstoezichthouder onderworpen. Art. 391 Na overleg met de betrokken toezichthouders en de groep bepaalt de groepstoezichthouder welke ty- pes intragroeptransacties in elk geval moeten worden gerapporteerd. consulté les autorités de contrôle concernées et le groupe, impose des seuils appropriés basés sur le capi- tal de solvabilité requis, sur les provisions techniques ou sur les deux. Lors du contrôle des concentrations de risques, le contrôleur du groupe est particulièrement attentif au risque possible de contagion dans le groupe, au risque de conflit d’intérêts et au niveau ou au volume des risques. § 2 – Transactions intragroupe Art. 390 § 1er. Le contrôle des transactions intragroupe est exercé conformément au présent article et à l’article 391, ainsi qu’à la Sous-Section III de la présente Section. § 2. Les entreprises d’assurance ou de réassurance, les sociétés holding d’assurance et les compagnies financières mixtes déclarent régulièrement, et au moins annuellement, au contrôleur du groupe toutes les tran- sactions intragroupe significatives effectuées par les entreprises d’assurance ou de réassurance du groupe, y compris celles effectuées avec une personne physique ayant des liens étroits avec une entreprise du groupe, à moins que l’article 352 ne s’applique. En outre, les transactions intragroupe très signifi- catives doivent être déclarées aussi rapidement que possible. Les informations nécessaires sont soumises au contrôleur du groupe par l’entreprise d’assurance ou de réassurance participante ou, lorsque le groupe n’est pas dirigé par une entreprise d’assurance ou de réassurance, par la société holding d’assurance, par la compagnie financière mixte ou par l’entreprise d’assu- rance ou de réassurance du groupe désignée à cette fin par le contrôleur du groupe après consultation des autorités de contrôle concernées et du groupe. Les transactions intragroupes sont soumises au contrôle prudentiel du contrôleur du groupe conformé- ment à la Section III du présent Chapitre. Art. 391 Le contrôleur du groupe identifie, après avoir consulté les autorités de contrôle concernées ainsi que le groupe, le type de transactions intragroupe qui doivent être déclarées en toutes circonstances. 1000 1584/002 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 Bij het bepalen van, of het geven van een oordeel over de types intragroeptransacties houden de groepstoe- zichthouder en de betrokken toezichthouders rekening met de specifieke groeps- en risicobeheerstructuur van de groep. Met het oog op de aanmerking als intragroep- transacties die moet worden gerapporteerd, stelt de groepstoezichthouder, na overleg met de betrokken toezichthouders en de groep, passende drempels vast op basis van het solvabiliteitskapitaalvereiste, de tech- nische voorzieningen, of beide. Bij het toezicht op de intragroeptransacties let de groepstoezichthouder vooral op mogelijke besmettings- risico’s in de groep, op het risico van belangenconflicten en op het niveau of het volume van de risico’s. Onderafdeling III Governancesysteem op het niveau van de verzekerings- of herverzekeringsgroep § 1 – Algemene bepalingen Art. 392 De deelnemende verzekerings- of herverzekerings- ondernemingen en de verzekerings- of herverzeke- ringsondernemingen waarvan de moederonderneming een verzekeringsholding of een gemengde financiële holding in de Europese Economische Ruimte is, moet op het niveau van de groep voldoen aan de vereisten van Afdeling VII, Hoofdstuk II, Titel I van dit Boek en aan Afdeling III, Hoofdstuk III, Titel II van dit Boek, zodat de regelingen, procedures en mechanismen die zij krach- tens deze bepalingen moeten opzetten, samenhang ver- tonen en goed geïntegreerd zijn, de invloed van de in het toezicht op de verzekerings- of herverzekeringsgroep betrokken ondernemingen op andere ondernemingen kan beoordeeld worden en alle gegevens en informatie die voor de uitoefening van het groepstoezicht nodig zijn, onderling uitgewisseld kunnen worden, en dat kan worden ingegaan op de informatieverzoeken van de groepstoezichthouder. Zij passen die regelingen, procedures en mechanismen eveneens toe in hun niet onder deze wet vallende dochterondernemingen. Ook deze regelingen, procedures en mechanismen zijn samenhangend en goed geïntegreerd, en ook deze dochterondernemingen moeten de voor de uitoefening van het groepstoezicht relevante gegevens en informatie kunnen verstrekken. Pour définir le type de transactions intragroupe ou donner leur avis sur celui-ci, le contrôleur du groupe et les autorités de contrôle concernées tiennent compte du groupe concerné et de sa structure de gestion des risques. Pour identifier les transactions intragroupe à décla- rer, le contrôleur du groupe, après avoir consulté les autorités de contrôle concernées et le groupe, impose des seuils appropriés basés sur le capital de solvabilité requis, sur les provisions techniques ou sur les deux. Lors du contrôle des transactions intragroupe, le contrôleur du groupe est particulièrement attentif au risque possible de contagion dans le groupe, au risque de conflit d’intérêts et au niveau ou au volume des risques. Sous-Section III Système de gouvernance au niveau du groupe d’assurance ou de réassurance § 1er – Généralités Art. 392 Les entreprises d’assurance ou de réassurance participantes ainsi que les entreprises d’assurance ou de réassurance dont l’entreprise mère est une société holding d’assurance ou une compagnie financière mixte dans l’Espace économique européen doivent satisfaire au niveau du groupe aux exigences prévues à la Section VII, Chapitre II, Titre Ier du présent Livre ainsi qu’à la Section III, Chapitre III, Titre II du présent Livre, de manière à assurer la cohérence et la bonne intégration des dispositifs, processus et mécanismes qu’elle sont tenues de mettre en place en vertu de ces dispositions, à évaluer l’influence des entreprises incluses dans le contrôle du groupe d’assurance ou de réassurance sur d’autres entreprises et à échan- ger entre elles toutes les données et informations nécessaires à l’exercice du contrôle du groupe, ainsi qu’à satisfaire aux demandes d’informations requises par le contrôleur du groupe. Elles mettent en oeuvre ces dispositifs, processus et mécanismes également dans leurs filiales qui ne relèvent pas de la présente loi. Lesdits dispositifs, processus et mécanismes sont cohérents et bien intégrés et lesdites filiales doivent être en mesure de fournir toute donnée et toute information utiles à l’exercice du contrôle du groupe. 1001 1584/002 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 Art. 393 De verzekerings- of herverzekeringsonderneming waarvan de moederonderneming een verzekerings- holding of een gemengde financiële holding is waar- van de zetel buiten België is gevestigd, ziet toe op de naleving door haar moederonderneming van de verplichtingen met betrekking tot het groepstoezicht die voor die verzekeringsholding of gemengde financiële holding voortvloeien uit Richtlijn 2008/139/EG en haar uitvoeringsmaatregelen. De verzekerings- of herverzekeringsonderneming moet van de in het eerste lid bedoelde moederonder- neming de medewerking verkrijgen voor het opzetten van een passende beleidsstructuur die ertoe bijdraagt dat het groepstoezicht zo efficiënt mogelijk kan worden uitgeoefend en waakt erover dat de invloed van de moederonderneming niet in strijd is met het Wetboek van Vennootschappen en zijn uitvoeringsbesluiten en geen afbreuk doet aan het toezicht op individuele basis of aan het toezicht op groepsniveau dat van toepassing is op de verzekerings- of herverzekeringsonderneming. In het krachtens artikel 42, § 3 vereiste governance- memorandum dient, wat betreft het toezicht op groeps- niveau, te worden uitgewerkt hoe voldaan wordt aan het bepaalde in het eerste en het tweede lid. § 2 – Risicobeheer en interne controle Art. 394 Onverminderd artikel 392 worden de risicobeheer- en internecontrolesystemen en verslaggevingsprocedures in alle ondernemingen die overeenkomstig dit Hoofdstuk in het groepstoezicht zijn betrokken, consequent toege- past, zodat deze systemen en procedures op het niveau van de groep kunnen worden gecontroleerd. Onverminderd artikel 392 omvat de internecontrole- systeem van de groep ten minste het volgende: 1° adequate procedures met betrekking tot de groeps- solvabiliteit om alle bestaande materiële risico’s te be- palen en te meten en het in aanmerking komend eigen vermogen naar behoren af te stemmen op de risico’s; 2°  gedegen rapporterings- en boekhoudkundige systemen om de intragroeptransacties en de risicocon- centratie te bewaken en te beheren. Art. 393 L’entreprise d’assurance ou de réassurance dont l’entreprise mère est une société holding d’assurance ou une compagnie financière mixte dont le siège social est établi en dehors de la Belgique, veille au respect par son entreprise mère des obligations relatives au contrôle du groupe, qui incombent à cette société hol- ding d’assurance ou cette compagnie financière mixte conformément à la Directive 2008/139/CE et à ses mesures d’exécution. L’entreprise d’assurance ou de réassurance doit obtenir la coopération de l’entreprise mère visée à l’alinéa 1er afin de mettre en place une structure de gestion adéquate qui contribue à ce que le contrôle du groupe puisse être exercé de la manière la plus efficace possible, et veille à ce que l’influence de l’entreprise mère ne soit pas contraire au Code des sociétés et ses arrêtés d’exécution et ne porte pas préjudice au contrôle sur base individuelle ou au contrôle au niveau du groupe applicable à l’entreprise d’assurance ou de réassurance. Dans le mémorandum de gouvernance requis en vertu de l’article 42, § 3, il convient d’établir, en ce qui concerne le contrôle au niveau du groupe, comment il est satisfait aux alinéas 1er et 2. § 2 – Gestion des risques et contrôle interne Art. 394 Sans préjudice de l’article 392, les systèmes de gestion des risques et de contrôle interne ainsi que les procédures de déclaration sont appliqués de façon cohérente dans toutes les entreprises incluses dans le contrôle de groupe conformément au présent Chapitre afin que ces systèmes et procédures puissent être contrôlés au niveau du groupe. Sans préjudice de l’article 392, le système de contrôle interne d’un groupe comporte au moins les éléments suivants: 1° des procédures adéquates en ce qui concerne la solvabilité du groupe, permettant d’identifier et de mesurer tous les risques importants encourus et de rattacher d’une manière appropriée les fonds propres éligibles aux risques; 2°  des procédures saines de déclaration et de comptabilité pour contrôler et gérer les transactions intragroupe ainsi que la concentration de risques. 1002 1584/002 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 Art. 395 De in de artikelen 392 en 394 bedoelde verslag- gevingssystemen en -procedures zijn overeenkomstig Afdeling III van dit Hoofdstuk aan het prudentieel toezicht van de groepstoezichthouder onderworpen. § 3 –Beoordeling van het eigen risico en de solva- biliteit van de groep Art. 396 De deelnemende verzekerings- of herverzekerings- onderneming of, indien aan het hoofd van de groep geen verzekerings- of herverzekeringsonderneming staat, de verzekeringsholding of de gemengde financiële holding voert de bij artikel 91 voorgeschreven beoordeling op het niveau van de groep uit. Wanneer de berekening van de solvabiliteit op het niveau van de groep wordt uitgevoerd volgens bereke- ningsmethode 1 als bedoeld in de artikelen 372 en 373, dan zorgt de deelnemende verzekerings- of herverze- keringsonderneming, de verzekeringsholding of de ge- mengde financiële holding ervoor dat de groepstoezicht- houder een helder inzicht heeft in het verschil tussen de som van de verschillende solvabiliteitskapitaalvereisten van alle verbonden verzekerings- of herverzekerings- ondernemingen van de groep en het geconsolideerde solvabiliteitskapitaalvereiste van de groep. Art. 397 De deelnemende verzekerings- of herverzekerings- onderneming, de verzekeringsholding of de gemengde financiële holding mag, als de groepstoezichthouder daarmee instemt, alle bij artikel 91  voorgeschreven beoordelingen tegelijkertijd op het niveau van de groep en op het niveau van een dochteronderneming van de groep uitvoeren en mag één enkel document opstellen dat op alle beoordelingen betrekking heeft. Alvorens overeenkomstig het eerste lid zijn instem- ming te geven, raadpleegt de groepstoezichthouder de leden van het college van toezichthouders, waarbij hij naar behoren rekening houdt met hun standpunten en voorbehouden. De instemming die overeenkomstig het eerste lid door de groepstoezichthouder wordt gegeven, ontslaat de betrokken dochterondernemingen niet van de ver- plichting om ervoor te zorgen dat aan de vereisten van artikel 91 is voldaan. Art. 395 Les systèmes et les procédures de déclaration visés aux articles 392 et 394 sont soumis au contrôle pruden- tiel du contrôleur du groupe conformément à la Section III du présent Chapitre. § 3 – Evaluation interne des risques et de la solvabilité du groupe Art. 396 L’entreprise d’assurance ou de réassurance parti- cipante ou, lorsque le groupe n’est pas dirigé par une entreprise d’assurance ou de réassurance, la société holding d’assurance ou la compagnie financière mixte procède au niveau du groupe à l’évaluation requise par l’article 91. Lorsque le calcul de solvabilité est mené au niveau du groupe selon la première méthode de calcul défi- nie aux articles 372 et 373, l’entreprise d’assurance ou de réassurance participante, la société holding d’assurance ou la compagnie financière mixte fournit au contrôleur du groupe une analyse appropriée de la différence entre la somme des différents montants de capital de solvabilité requis pour toutes les entreprises d’assurance ou de réassurance liées appartenant au groupe et le capital de solvabilité requis pour le groupe sur une base consolidée. Art. 397 L’entreprise d’assurance ou de réassurance partici- pante, la société holding d’assurance ou la compagnie financière mixte peut, moyennant l’accord du contrôleur du groupe, procéder en même temps à toutes les éva- luations imposées conformément à l’article 91 au niveau du groupe et au niveau de toute filiale du groupe et rédi- ger un document unique couvrant toutes les évaluations. Avant de donner l’accord prévu à l’alinéa  1er, le contrôleur du groupe consulte les membres du collège des contrôleurs et tient dûment compte de leurs avis et de leurs réserves. L’accord donné par le contrôleur du groupe conformé- ment à l’alinéa 1er n’exempte pas les filiales concernées de l’obligation de veiller au respect des exigences de l’article 91. 1003 1584/002 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 In geval van toepassing van dit artikel, doet de deelne- mende verzekerings- of herverzekeringsonderneming, de verzekeringsholding of de gemengde financiële hol- ding het enig document tegelijkertijd aan alle betrokken toezichthouders toekomen. Art. 398 De op groepsniveau uitgevoerde beoordeling van het eigen risico en de solvabiliteit is overeenkomstig Afdeling III van dit Hoofdstuk aan het prudentieel toezicht van de groepstoezichthouder onderworpen. Onderafdeling IV Bekendmaking van informatie § 1– Verslag over de solvabiliteit en de financiële positie van de groep Art. 399 De deelnemende verzekerings- of herverzekerings- onderneming of, indien aan het hoofd van de groep geen verzekerings- of herverzekeringsonderneming staat, de verzekeringsholding of de gemengde financiële holding maakt jaarlijks een verslag over de solvabiliteit en de financiële positie op het niveau van de groep openbaar. Dit verslag bevat de informatie die krachtens Verordening 2015/35 en de andere uitvoeringsmaat- regelen van Richtlijn 2009/138/EG is vereist. Deze informatie wordt integraal gepubliceerd of, mits de groepstoezichthouder dit toestaat, onder verwijzing naar informatie die qua aard en strekking gelijkwaardig is en die in het kader van andere wettelijke of reglementaire bepalingen gepubliceerd is. Art. 400 § 1. Bij belangrijke ontwikkelingen die duidelijk van invloed zijn op de relevantie van de informatie die in het verslag over de solvabiliteit en de financiële positie van de groep is opgenomen, maakt de deelnemende verzekerings- of herverzekeringsonderneming of, indien aan het hoofd van de groep geen verzekerings- of her- verzekeringsonderneming staat, de verzekeringsholding of de gemengde financiële holding passende informatie bekend over de aard en de gevolgen van die belangrijke ontwikkelingen. § 2. Voor de toepassing van paragraaf 1 worden in elk geval als belangrijke ontwikkelingen aangemerkt: En cas d’application du présent article, l’entreprise d’assurance ou de réassurance participante, la société holding d’assurance ou la compagnie financière mixte soumet le document unique simultanément à toutes les autorités de contrôle concernées. Art. 398 L’évaluation interne des risques et de la solvabilité menée au niveau du groupe est soumise au contrôle prudentiel du contrôleur du groupe conformément à la Section III du présent Chapitre. Sous-section IV Informations à destination du public § 1er– Rapport sur la solvabilité et la situation finan- cière du groupe Art. 399 L’entreprise d’assurance ou de réassurance parti- cipante ou, lorsque le groupe n’est pas dirigé par une entreprise d’assurance ou de réassurance, la société holding d’assurance ou la compagnie financières mixte publie annuellement un rapport sur la solvabilité et la situation financière au niveau du groupe. Ce rapport comprend les informations exigées par le Règlement 2015/35 et par les autres mesures d’exé- cution de la Directive 2009/138/CE. Elles sont publiées in extenso ou, moyennant l’autorisation du contrôleur du groupe, par référence à des informations équiva- lentes, dans leur nature et leur portée, publiées en vertu d’autres dispositions légales ou réglementaires. Art. 400 § 1er. En cas d’événement majeur affectant significa- tivement la pertinence des informations comprises dans le rapport sur la solvabilité et la situation financière du groupe, l’entreprise d’assurance ou de réassurance par- ticipante ou, lorsque le groupe n’est pas dirigé par une entreprise d’assurance ou de réassurance, la société holding d’assurance ou la compagnie financière mixte publient des informations appropriées sur la nature et les effets dudit événement majeur. § 2. Aux fins du paragraphe 1er, sont au moins consi- dérés comme un événement majeur l’observation d’un 1004 1584/002 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 een significante niet-naleving van het solvabiliteitskapi- taalvereiste van de groep en het feit dat de groepstoe- zichthouder binnen twee maanden na de datum waarop de niet-naleving werd vastgesteld, geen realistisch saneringsplan ontvangt. In het in het eerste lid bedoelde geval maakt de onder- neming onmiddellijk het tekortschietende bedrag bekend en geeft zij daarbij uitleg over de oorzaak en de gevolgen ervan, waarbij ook wordt vermeld welke corrigerende maatregelen zijn getroffen. Wanneer ondanks een in eerste instantie realistisch geacht saneringsplan, de significante niet-naleving van het solvabiliteitskapitaal- vereiste van de groep zes maanden na de vaststelling ervan nog niet is verholpen, wordt het tekortschietende bedrag aan het eind van deze periode bekendgemaakt en wordt daarbij uitleg gegeven over de oorzaak en de gevolgen ervan, waarbij ook wordt vermeld welke cor- rigerende maatregelen zijn getroffen en welke verdere corrigerende maatregelen zijn gepland. Art. 401 Naast de al krachtens de artikelen 383 et 384 ver- plicht bekend te maken informatie of uitleg over de solvabiliteit en de financiële positie van de groep mag de deelnemende verzekerings- of herverzekeringson- derneming, of, indien aan het hoofd van de groep geen verzekerings- of herverzekeringsonderneming staat, de verzekeringsholding of de gemengde financiële holding op eigen initiatief ook alle andere informatie en uitleg hierover bekendmaken. Art. 402 Onverminderd de artikelen 392 en 394 beschikt de verzekerings- of herverzekeringsonderneming of, indien aan het hoofd van de groep geen verzekerings- of her- verzekeringsonderneming staat, de verzekeringsholding of de gemengde financiële holding, over passende structuren en systemen om aan de vereisten van de artikelen 399 en 400 te voldoen, en over een schriftelijk vastgelegd beleid dat waarborgt dat de overeenkomstig de artikelen 399 en 400 bekendgemaakte informatie altijd adequaat is. Art. 403 De groepstoezichthouder kan toestaan dat een deelnemende verzekerings- of herverzekeringsonder- neming, een verzekeringsholding of een gemengde fi- nanciële holding informatie als bedoeld in artikel 399 niet bekendmaakt indien: écart important par rapport au capital de solvabilité requis du groupe et le fait que le contrôleur du groupe n’obtient pas de programme réaliste de rétablissement dans un délai de deux mois à compter de la date où l’écart a été observé. Dans le cas visé à l’alinéa 1er, l’entreprise publie immédiatement le montant de l’écart constaté, assorti d’une explication quant à son origine et ses consé- quences et quant à toute mesure corrective qui aurait été prise. Si, en dépit d’un programme de rétablissement initialement considéré comme réaliste, un écart impor- tant par rapport au capital de solvabilité requis du groupe n’a pas été corrigé six mois après qu’il a été constaté, le montant de cet écart est publié à l’expiration de ce délai, avec une explication quant à son origine et ses conséquences, y compris quant aux mesures correc- tives prises et à toute nouvelle mesure corrective prévue. Art. 401 L’entreprise d’assurance ou de réassurance parti- cipante ou, lorsque le groupe n’est pas dirigé par une entreprise d’assurance ou de réassurance, la société holding d’assurance ou la compagnie financière mixte peut publier à son initiative toute information ou expli- cation relative à la solvabilité et à la situation financière du groupe dont la publication n’est pas déjà exigée en vertu des articles 383 et 384. Art. 402 Sans préjudice des articles 392 et 394, l’entreprise d’assurance ou de réassurance ou, lorsque le groupe n’est pas dirigé par une entreprise d’assurance ou de réassurance, la société holding d’assurance ou la com- pagnie financière mixte met en place des structures et des systèmes appropriés pour satisfaire aux exigences énoncées aux articles 399 et 400, ainsi qu’une politique écrite visant à garantir l’adéquation permanente de toute information publiée conformément aux articles 399 et 400. Art. 403 Le contrôleur du groupe peut autoriser une entre- prise d’assurance ou de réassurance participante, une société holding d’assurance ou une compagnie financière mixte à ne pas publier une information visée à l’article 399, dans les cas où: 1005 1584/002 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 1°  door de bekendmaking van die informatie de concurrenten van de betrokken onderneming duidelijk onterecht worden bevoordeeld; 2° de onderneming wegens verplichtingen jegens de verzekeringnemers of relaties met andere tegenpartijen, een geheimhoudingsplicht heeft. Wanneer de groepstoezichthouder heeft toegestaan dat bepaalde informatie niet bekend wordt gemaakt, vermeldt de verzekerings- of herverzekeringsonderne- ming, de verzekeringsholding of de gemengde finan- ciële holding dit in het verslag over de solvabiliteit en de financiële positie van de groep, met opgave van de redenen hiervoor. Art. 404 De Bank kan de inhoud en de wijze van indiening van de in deze Onderafdeling bedoelde informatie precise- ren bij reglement vastgesteld met toepassing van artikel 12bis, § 2, van de wet van 22 februari 1998. § 2 – Enig verslag over de solvabiliteit en de finan- ciële positie Art. 405 Een deelnemende verzekerings- of herverzekerings- onderneming, een verzekeringsholding of, indien aan het hoofd van de groep geen verzekerings- of herver- zekeringsonderneming staat, een gemengde financiële holding kan, mits de groepstoezichthouder daarmee instemt, één enkel verslag over haar solvabiliteit en haar financiële positie verstrekken, dat het volgende bevat: 1° de informatie op het niveau van de groep die over- eenkomstig artikel 399 openbaar moet worden gemaakt; 2° de informatie voor elk van de dochterondernemin- gen binnen de groep, die individueel te identificeren moet zijn en die naargelang van het geval overeen- komstig de artikelen 95 tot 101 van deze wet of de artikelen 51, 53, 54 en 55 van Richtlijn 2009/138/EG, en overeenkomstig de uitvoeringsmaatregelen van deze richtlijn openbaar moet worden gemaakt. Alvorens overeenkomstig het eerste lid zijn instem- ming te geven, raadpleegt de groeps-toezichthouder de leden van het college van toezichthouders, waarbij hij naar behoren rekening houdt met hun standpunten en voorbehouden. 1° la publication de cette information conférerait aux concurrents de l’entreprise concernée un avantage indu important; 2° l’entreprise est tenue à une obligation de confi- dentialité en raison d’obligations à l’égard des preneurs d’assurance ou de relations avec d’autres contreparties. Lorsque la non-publication d’une information est au- torisée par le contrôleur du groupe, l’entreprise d’assu- rance ou de réassurance participante, la société holding d’assurance ou la compagnie financière l’indique dans son rapport sur la solvabilité et la situation financière du groupe et en explique les raisons. Art. 404 La Banque peut préciser le contenu et les modalités de présentation des informations prévues à la présente Sous-section, par voie de règlement adopté en applica- tion de l’article 12bis, § 2, de la loi du 22 février 1998. § 2 – Rapport unique sur la solvabilité et la situation financière Art. 405 Une entreprise d’assurance ou de réassurance parti- cipante, une société holding d’assurance ou, lorsque le groupe n’est pas dirigé par une entreprise d’assurance ou de réassurance, une compagnie financière mixte peut, moyennant l’accord du contrôleur du groupe, publier un rapport unique sur sa solvabilité et sa situation financière contenant les éléments suivants 1° les informations au niveau du groupe qui sont à publier conformément à l’article 399; 2° les informations pour toute filiale du groupe qui doivent être individuellement indentifiables et qui doivent être publiées conformément, selon le cas, aux articles 95 à 101 de la présente loi ou aux articles 51, 53, 54 et 55 de la Directive 2009/138/CE, ainsi qu’aux mesures d’exécution de cette directive. Avant de donner l’accord prévu à l’alinéa  1er, le contrôleur du groupe consulte les membres du collège des contrôleurs et tient dûment compte de leurs avis et réserves. 1006 1584/002 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 Art. 406 Indien het in artikel 405 bedoelde verslag niet de infor- matie bevat die de Bank van een dochterverzekerings- of herverzekeringsonderneming naar Belgisch recht van de groep verlangt, en indien wezenlijke informatie ontbreekt, kan de Bank van de betrokken dochteron- derneming verlangen dat zij de nodige aanvullende informatie openbaar maakt. Afdeling III Uitoefening van het groepstoezicht Onderafdeling I Aanwijzing van de groepstoezichthouder Art. 407 § 1. Onder de betrokken toezichthouders wordt één enkele toezichthouder aangewezen die verantwoordelijk is voor de coördinatie en uitoefening van het groeps- toezicht, hierna de “groepstoezichthouder” genoemd. § 2. Het toezicht op het niveau van een verzekerings- of herverzekeringsgroep wordt uitgeoefend door de Bank wanneer zij de toezichthouder is van alle verze- kerings- of herverzekeringsondernemingen in de groep. In alle andere gevallen wordt, behoudens het bepaal- de in artikel 408, de functie van groepstoezichthouder als volgt uitgeoefend:  1° indien aan het hoofd van de groep een verzeke- rings- of herverzekeringsonderneming naar Belgisch recht staat, door de Bank;  2° indien aan het hoofd van een groep geen verze- kerings- of herverzekeringsonderneming naar Belgisch recht staat: a) indien de moederonderneming van de verzeke- rings- of herverzekeringsonderneming een verzeke- ringsholding of een gemengde financiële holding is, door de Bank; b)  indien meerdere verzekerings- of herverzeke- ringsondernemingen in de Europese Economische Ruimte, waaronder een verzekerings- of herverze- keringsonderneming naar Belgisch recht, dezelfde verzekeringsholding of gemengde financiële holding als moederonderneming hebben en aan een van deze ondernemingen een vergunning is verleend in de lidstaat waar de verzekeringsholding of de gemengde financiële Art. 406 Lorsque le rapport visé à l’article 405 ne contient pas les informations que la Banque demande d’une entreprise d’assurance ou de réassurance de droit belge filiale du groupe, elle peut, si cette omission est subs- tantielle, exiger que cette entreprise filiale concernée publie les informations complémentaires nécessaires. Section III Exercice du contrôle du groupe Sou-section Ire Détermination du contrôleur du groupe Art. 407 § 1er. Un contrôleur unique, responsable de la coordi- nation et de l’exercice du contrôle du groupe, dénommé “contrôleur du groupe”, est désigné parmi les autorités de contrôle concernées. § 2. Le contrôle au niveau d’un groupe d’assurance ou de réassurance est exercé par la Banque lorsqu’elle est l’autorité de contrôle de toutes les entreprises d’assurance ou de réassurance du groupe. Dans tous les autres cas et sous réserve de l’article 408, la tâche de contrôleur de groupe est exercée comme suit:  1° dans le cas où le groupe est dirigé par une entre- prise d’assurance ou de réassurance de droit belge, par la Banque;  2° dans le cas où le groupe n’est pas dirigé par une entreprise d’assurance ou de réassurance de droit belge: a)  lorsque l’entreprise d’assurance ou de réas- surance a pour entreprise mère une société holding d’assurance ou une compagnie financière mixte, par la Banque; b) lorsque plusieurs entreprises d’assurance ou de réassurance dans l’Espace économique européen, dont une entreprise d’assurance ou de réassurance de droit belge, ont pour entreprise mère la même société holding d’assurance ou compagnie financière mixte et que l’une de ces entreprises a été agréée dans l’État membre dans lequel la société holding d’assurance ou la compagnie financière mixte a son siège social, par 1007 1584/002 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 holding haar zetel heeft, door de toezichthouder van de verzekerings- of herverzekeringsonderneming in die lidstaat; c) indien meerdere verzekeringsholdings of gemeng- de financiële holdings met zetel in verschillende lidstaten aan het hoofd van de groep staan en er in elk van deze lidstaten, waaronder België, een verzekerings- of her- verzekeringsonderneming is, door de toezichthouder van de verzekerings- of herverzekeringsonderneming met het hoogste balanstotaal; d) indien meerdere verzekerings- of herverzekerings- ondernemingen in de Europese Economische Ruimte, waaronder België, dezelfde verzekeringsholding of gemengde financiële holding als moederonderneming hebben en aan geen van deze ondernemingen een vergunning is verleend in de lidstaat waar de verzeke- ringsholding of de gemengde financiële holding haar zetel heeft, door de toezichthouder van de verzeke- rings- of herverzekeringsonderneming met het hoogste balanstotaal; of e) indien de groep een groep is zonder moederonder- neming, of in elk geval dat niet bedoeld is in de punten a) tot d), door de toezichthouder die een vergunning heeft verleend aan de verzekerings- of herverzekeringsonder- neming met het hoogste balanstotaal. Art. 408 § 1. In bijzondere gevallen kunnen de Bank en de betrokken toezichthouders gezamenlijk besluiten om af te wijken van de criteria van artikel 407 indien de toepas- sing ervan, gelet op de structuur van de groep en het relatieve belang van de activiteiten van de verzekerings- of herverzekeringsondernemingen in de verschillende landen, ongepast zou zijn, en een andere toezichthouder als groepstoezichthouder aanwijzen. De Bank kan verzoeken om een discussie te openen over de vraag of de in artikel 407 bedoelde criteria ge- past zijn. Een dergelijke discussie vindt niet vaker dan eenmaal per jaar plaats, op initiatief van de Bank of van de betrokken toezichthouder. De Bank doet alles wat in haar vermogen ligt om binnen drie maanden na het verzoek om opening van een discussie, met de betrokken toezichthouders een gezamenlijk besluit over de keuze van de groepstoe- zichthouder te nemen. Alvorens hun besluit te nemen, bieden de Bank en de betrokken toezichthouders de groep de gelegenheid haar standpunt kenbaar te maken. l’autorité de contrôle de l’entreprise d’assurance ou de réassurance dans cet État membre; c) lorsque le groupe est dirigé par plusieurs sociétés holding d’assurance ou compagnies financières mixtes ayant leur siège social dans différents États membres, et qu’il y a une entreprise d’assurance ou de réassurance dans chacun de ces États membres, dont la Belgique, par l’autorité de contrôle de l’entreprise d’assurance ou de réassurance affichant le total du bilan le plus élevé; d) lorsque plusieurs entreprises d’assurance ou de réassurance dans l’Espace économique européen, dont la Belgique, ont pour entreprise mère la même société holding d’assurance ou compagnie financière mixte et qu’aucune de ces entreprises n’a été agréée dans l’État membre dans lequel la société holding d’assurance ou compagnie financière mixte a son siège social, par l’autorité de contrôle de l’entreprise d’assurance ou de réassurance affichant le total du bilan le plus élevé; ou e) lorsque le groupe n’a pas d’entreprise mère, ou dans des circonstances qui ne sont pas visées aux points a) à d), par l’autorité de contrôle qui a agréé l’entreprise d’assurance ou de réassurance affichant le total du bilan le plus élevé. Art. 408 § 1er. Dans des cas particuliers, la Banque et les autorités de contrôle concernées peuvent prendre conjointement la décision de déroger aux critères men- tionnés à l’article 407 lorsqu’il apparaît inapproprié de les appliquer compte tenu de la structure du groupe et de l’importance relative des activités des entreprises d’assurance ou de réassurance dans les différents pays, et désigner une autre autorité de contrôle comme contrôleur du groupe. La Banque peut exiger l’ouverture d’une discussion quant au point de savoir si les critères visés à l’article 407 sont appropriés. Ce type de discussion, à l’initiative de la Banque ou d’une autorité de contrôle concernée, a lieu au maximum une fois par an. La Banque fait tout ce qui est en son pouvoir pour par- venir, avec les autorités de contrôle concernées, à une décision conjointe sur le choix du contrôleur du groupe au plus tard trois mois après la demande d’ouverture de la discussion. Avant de prendre leur décision, la Banque et les autorités de contrôle concernées donnent au groupe la possibilité d’exprimer son avis. 1008 1584/002 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 Indien de Bank met toepassing van deze paragraaf als groepstoezichthouder is aangewezen, legt zij het ge- zamenlijk besluit met volledige opgave van de redenen waarop het is gebaseerd, voor aan de groep. § 2. Tijdens de in paragraaf 1, derde lid bedoelde ter- mijn van drie maanden, en zolang er geen gezamenlijk besluit is genomen, kan de Bank de zaak aan EIOPA voorleggen overeenkomstig artikel 19 van Verordening nr. 1094/2010. In geval van toepassing van het eerste lid schorten de Bank en de betrokken toezichthouders hun gezamenlijk besluit op en wachten zij het besluit af dat EIOPA even- tueel overeenkomstig artikel 19, lid 3, van Verordening nr. 1094/2010 neemt. De in paragraaf 1, derde lid be- doelde termijn van drie maanden wordt beschouwd als de verzoeningsperiode in de zin van artikel 19, lid 2, van Verordening nr. 1094/2010. De Bank en de betrokken toezichthouders nemen hun gezamenlijk besluit in overeenstemming met het besluit van EIOPA. Dit gezamenlijk besluit wordt als definitief erkend en wordt door de Bank en de betrokken toezichthouders toegepast. Indien de Bank met toepassing van deze paragraaf als groepstoezichthouder is aangewezen, legt zij het ge- zamenlijk besluit met volledige opgave van de redenen waarop het is gebaseerd, voor aan de groep en aan het college van toezichthouders. § 3. Indien er met toepassing van dit artikel geen gezamenlijk besluit is genomen, wordt de functie van groepstoezichthouder uitgeoefend door de toezichthou- der die overeenkomstig artikel 407 is bepaald. Onderafdeling II Rechten en plichten van de groepstoezichthouder en van de betrokken toezichthouders – College van toezichthouders Art. 409 §  1. Onverminderd de andere bevoegdheden en taken die haar door of krachtens deze wet en door de uitvoeringsmaatregelen van Richtlijn 2009/138/EG zijn opgelegd, verricht de Bank, in haar hoedanigheid van groepstoezichthouder, de volgende taken: 1° zij coördineert de vergaring en verspreiding van informatie die relevant of essentieel is in normale om- standigheden en in noodsituaties, met inbegrip van de Si la Banque est désignée contrôleur du groupe par application du présent paragraphe, elle communique au groupe la décision conjointe avec sa motivation complète. § 2. Pendant le délai de trois mois visé au para- graphe 1er, alinéa 3, et aussi longtemps qu’une déci- sion commune n’a pas été prise, la Banque peut saisir l’EIOPA conformément à l’article  19  du Règlement no 1094/2010. En cas d’application de l’alinéa 1er, la Banque et les autorités de contrôle concernées diffèrent leur décision conjointe en attendant une éventuelle décision de l’EIO- PA arrêtée conformément à l’article 19, paragraphe 3, du Règlement no 1094/2010. Le délai de trois mois visé au paragraphe 1er, alinéa 3, est le délai de conciliation au sens de l’article 19, paragraphe 2 du Règlement no 1094/2010. La Banque et les autorités de contrôle concernées arrêtent leur propre décision conjointe en se conformant à la décision de l’EIOPA. Cette décision conjointe est considérée comme déterminante et est appliquée par la Banque et les autorités de contrôle concernées. Si la Banque est désignée contrôleur du groupe par application du présent paragraphe, elle communique au groupe et au collège des contrôleurs la décision commune avec sa motivation complète. § 3. Si aucune décision conjointe n’a été prise en application du présent article, la tâche du contrôleur du groupe est exercée par l’autorité de contrôle définie conformément à l’article 407. Sous-section II Droits et obligations du contrôleur du groupe et des autorités de contrôle concernées – Collège des contrôleurs Art. 409 §  1er. Sans préjudice des autres compétences et tâches qui lui sont dévolues par ou en vertu de la pré- sente loi ainsi que par les mesures d’exécution de la Directive 2009/138/CE, la Banque assure, en sa qualité de contrôleur du groupe, les tâches suivantes: 1° elle coordonne la collecte et la diffusion des infor- mations utiles ou essentielles, dans la marche normale des affaires comme dans les situations d’urgence, y 1009 1584/002 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 verspreiding van informatie die van belang is voor het toezicht door een betrokken toezichthouder; 2° zij oefent het prudentieel toezicht uit op en beoor- deelt de financiële positie van de groep; 3° zij beoordeelt de naleving door de groep van de voorschriften inzake solvabiliteit, risicoconcentratie en intragroeptransacties, die door of krachtens Afdeling II van dit Hoofdstuk en door de uitvoeringsmaatregelen van Richtlijn 2009/138/EG zijn opgelegd; 4°  zij beoordeelt het governancesysteem van de groep, overeenkomstig Onderafdeling III van Afdeling II van dit Hoofdstuk, en de vraag of de leden van het wet- telijk bestuursorgaan, het directiecomité of, in voorko- mend geval, de effectieve leiding van de deelnemende onderneming naar Belgisch recht aan de vereisten van de artikelen 40, 81 en 443, eerste lid voldoen; 5° zij plant en coördineert, aan de hand van regel- matige bijeenkomsten die minstens eenmaal per jaar plaatsvinden, of aan de hand van andere passende middelen, de toezichtsactiviteiten in normale omstan- digheden en in noodsituaties, in samenwerking met de betrokken toezichthouders en rekening houdend met de aard, de omvang en de complexiteit van de risico’s die verbonden zijn aan de activiteiten van alle onderne- mingen die deel uitmaken van de groep; 6° zij voert de andere taken uit en neemt de andere maatregelen en besluiten die door of krachtens deze wet en door de uitvoeringsmaatregelen van Richtlijn 2009/138/EG aan de groepstoezichthouder zijn toege- wezen, met name het leiden van het validatieproces van een intern model op groepsniveau overeenkomstig de artikelen 374 en 377 tot 380 en het leiden van het proces voor het toestaan van de toepassing van de in de artikelen 383 tot 387 vastgelegde regeling. §  2. Wanneer een betrokken toezichthouder niet samenwerkt met de Bank, in haar hoedanigheid van groepstoezichthouder, in de mate die voor de uitvoering van de in paragraaf 1 bedoelde taken wordt vereist, kan de Bank de zaak aan EIOPA voorleggen en om haar bijstand verzoeken overeenkomstig artikel 19 van Verordening nr. 1094/2010. Art. 410 Om de uitvoering van de groepstoezichtstaken als be- doeld in artikel 409 te vergemakkelijken, richt de Bank, in haar hoedanigheid van groepstoezichthouder, een door haar voorgezeten college van toezichthouders op. compris la diffusion des informations importantes pour le contrôle exercé par une autorité de contrôle concernée; 2° elle assure le contrôle prudentiel et l’évaluation de la situation financière du groupe; 3° elle évalue le respect, par le groupe, des règles relatives à la solvabilité, à la concentration de risques et aux transactions intragroupe prévues par ou en vertu de la Section II du présent Chapitre ainsi que par les mesures d’exécution de la Directive 2009/138/CE; 4° elle évalue le système de gouvernance du groupe, conformément à la Sous-Section III de la Section II du présent Chapitre, ainsi que le respect, par les membres de l’organe légal d’administration, du comité de direc- tion ou, le cas échéant, de la direction effective de l’entreprise participante de droit belge, des exigences énoncées aux articles 40, 81 et 443, alinéa 1er; 5° elle planifie et coordonne, par des réunions régu- lières se tenant au moins une fois l’an ou par tout autre moyen approprié, les activités de contrôle, dans la marche normale des affaires comme dans les situations d’urgence, en coopération avec les autorités de contrôle concernées, en tenant compte de la nature, de l’ampleur et de la complexité des risques inhérents à l’activité de toutes les entreprises faisant partie du groupe; 6° elle effectue les autres tâches et prend les autres mesures et décisions incombant au contrôleur du groupe par ou en vertu de la présente loi ainsi que par les mesures d’exécution de la Directive 2009/138/CE, notamment mener le processus de validation de tout modèle interne au niveau du groupe conformément aux articles 374 et 377 à 380 et mener le processus conduisant à autoriser l’application du régime prévu par les articles 383 à 387. § 2. Lorsqu’une autorité de contrôle concernée ne coopère pas avec la Banque, en sa qualité de contrôleur du groupe, dans la mesure exigée aux fins de l’exécution des tâches visées au paragraphe 1er, la Banque peut saisir l’EIOPA et demander son assistance conformé- ment à l’article 19 du Règlement n° 1094/2010. Art. 410 Afin de faciliter l’exercice des tâches de contrôle du groupe visées à l’article 409, la Banque, en sa qua- lité de contrôleur du groupe, constitue un collège des contrôleurs qu’elle préside. 1010 1584/002 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 Dit college van toezichthouders zorgt ervoor dat de samenwerking, de informatie-uitwisseling en de onderlinge raadpleging tussen de toezichthouders die lid zijn van het college van toezichthouders verlopen overeenkomstig de bepalingen van Titel III van Richtlijn 2009/138/EG en haar uitvoeringsmaatregelen, teneinde de convergentie van hun besluiten en activiteiten te bevorderen. Art. 411 Het college van toezichthouders is samengesteld uit: 1°  de Bank, in haar hoedanigheid van groepstoezichthouder; 2° de betrokken toezichthouders; 3° EIOPA, overeenkomstig artikel 21 van Verordening nr. 1094/2010; 4° op de voorwaarden die door de uitvoeringsmaat- regelen van Richtlijn 2009/138/EG zijn vastgelegd, de toezichthouders die belast zijn met het toezicht op een belangrijk bijkantoor of een verbonden onderneming in de groep, met dien verstande dat hun deelname zich beperkt tot het doel van een efficiënte uitwisseling van informatie tussen toezichthouders. EIOPA wordt voor de toepassing van deze Onderafdeling als een betrokken toezichthouder beschouwd. Met het oog op de doeltreffende werking van het col- lege van toezichthouders kan het nodig zijn dat bepaalde activiteiten door een beperkt aantal toezichthouders van het college worden uitgevoerd. Art. 412 Onverminderd de bepalingen die door of krachtens deze wet en de uitvoeringsmaatregelen van Richtlijn 2009/138/EG zijn vastgelegd, stoelt de oprichting en werking van het college van toezichthouders op coördinatieafspraken tussen de Bank, in haar hoeda- nigheid van groepstoezichthouder, en de betrokken toezichthouders. Onverminderd de bepalingen die door of krachtens deze wet en de uitvoeringsmaatregelen van Richtlijn 2009/138/EG zijn vastgelegd, worden in de in het eer- ste lid bedoelde coördinatieafspraken de procedures gespecificeerd voor: Dans le but de promouvoir la convergence de leurs activités et décisions respectives, le collège des contrôleurs veille à ce que la coopération, les échanges d’informations et les consultations entre les autorités de contrôle membres du collège des contrôleurs se déroulent conformément aux dispositions du Titre III de la Directive 2009/138/CE ainsi qu’à ses mesures d’exécution. Art. 411 Le collège des contrôleurs est composé: 1°  de la Banque, en sa qualité de contrôleur du groupe; 2° des autorités de contrôle concernées; 3°  de l’EIOPA conformément à l’article 21  du Règlement n° 1094/2010; 4°  dans les conditions définies par les mesures d’exécution de la Directive 2009/138/CE, les autorités de contrôle chargées du contrôle d’une succursale impor- tante ou d’une entreprise liée au sein du groupe, étant entendu que leur participation se limite à la réalisation de l’objectif consistant à assurer un échange efficace des informations entre autorités de contrôle. L’EIOPA est considérée comme une autorité de contrôle concernée pour l’application de la présente Sous-section. Le bon fonctionnement du collège des contrôleurs peut exiger que certaines activités soient menées par un nombre réduit d’autorités de contrôle au sein de celui-ci. Art. 412 Sans préjudice des dispositions prévues par ou en vertu de la présente loi et des mesures d’exécution de la Directive 2009/138/CE, la création et le fonctionne- ment du collège des contrôleurs sont basés sur des accords de coordination conclus par la Banque, en sa qualité de contrôleur du groupe, et les autorités de contrôle concernées. Sans préjudice des dispositions prévues par ou en vertu de la présente loi et des mesures d’exécution de la Directive 2009/138/CE, les accords de coordination visés à l’alinéa 1er précisent les procédures à suivre: 1011 1584/002 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 1° het besluitvormingsproces tussen de Bank, in haar hoedanigheid van groepstoezichthouder, en de betrok- ken toezichthouders, overeenkomstig de artikelen 374, 376, 407 en 408; 2° het overleg uit hoofde van de artikelen 359 en 413; 3° het overleg tussen de Bank, in haar hoedanigheid van groepstoezichthouder, en de betrokken toezicht- houders, met name als in de gevallen bedoeld in de artikelen 343 tot 357, 360 tot 362, 368, 369, 388 tot 406, 421, 445 tot 448; 4° de samenwerking met andere toezichthouders dan de betrokken toezichthouders. Onverminderd de rechten en plichten die door of krachtens deze wet en door de uitvoeringsmaatregelen van Richtlijn 2009/138/EG zijn vastgelegd voor de Bank, in haar hoedanigheid van groepstoezichthouder, en voor de betrokken toezichthouders, kunnen in de coördina- tieafspraken nog andere taken worden toevertrouwd aan de Bank, in haar hoedanigheid van groepstoezicht- houder, of aan andere toezichthouders of aan EIOPA, ingeval dit leidt tot een efficiënter toezicht op de groep en het geen afbreuk doet aan de toezichtsactiviteiten van de leden van het college van toezichthouders ten opzichte van hun individuele verantwoordelijkheden. Art. 413 Wanneer een betrokken toezichthouder de zaak heeft voorgelegd aan EIOPA met toepassing van artikel 248, lid 4, tweede alinea van Richtlijn 2009/138/EG, neemt de Bank, in haar hoedanigheid van groepstoezichtouder, haar definitieve besluit over het meningsverschil over een met toepassing van artikel 412 gemaakte coördi- natieafspraak, binnen een termijn van twee maanden na de ontvangst van het advies van EIOPA. Zij neemt haar definitieve besluit in overeenstemming met het eventuele besluit van EIOPA. Zij bezorgt haar besluit aan de betrokken toezichthouders. Art. 414 In haar hoedanigheid van groepstoezichthouder belegt de Bank ten minste in de volgende geval- len onverwijld een vergadering van alle betrokken toezichthouders: 1°  wanneer zij kennis heeft dat in belangrijke mate wordt afgeweken van het solvabiliteitskapi- taalvereiste of niet langer wordt voldaan aan het 1° par la Banque, en sa qualité de contrôleur du groupe, et les autorités de contrôle concernées pour prendre les décisions visées aux articles  374, 376, 407 et 408; 2° pour la consultation requise par les articles 359 et 413; 3°  pour la consultation entre la Banque, en sa qualité de contrôleur du groupe, et les autorités de contrôle concernées, notamment dans les cas visés aux articles 343 à 357, 360 à 362, 368, 369, 388 à 406, 421, 445 à 448; 4° en matière de coopération avec d’autres autorités de contrôle que les autorités de contrôle concernées. Sans préjudice des droits et devoirs conférés à la Banque, en sa qualité de contrôleur du groupe, et aux autorités de contrôle concernées, par ou en vertu de la présente loi et par les mesures d’exécution de la Directive 2009/138/CE, les accords de coordination peuvent confier des tâches supplémentaires à la Banque, en sa qualité de contrôleur du groupe, ou à d’autres autorités de contrôle ou à l’EIOPA lorsqu’il en résulte un contrôle plus efficace du groupe et pour autant que les activités de contrôle des membres du collège des contrôleurs, pour ce qui relève de leur responsabilité individuelle, ne s’en trouvent pas entravées. Art. 413 Lorsqu’une autorité de contrôle concerné a saisi l’EIOPA en application de l’article 248, paragraphe 4, alinéa 2 de la Directive 2009/138/CE, la Banque, en sa qualité de contrôleur du groupe, arrête sa décision finale sur la divergence de vues concernant un accord de coordination conclu en application de l’article 412, dans un délai de deux mois à compter de la réception de l’avis de l’EIOPA. Elle prend sa décision finale en se conformant à la décision de l’EIOPA. Elle transmet sa décision aux autorités de contrôle concernées. Art. 414 La Banque, en sa qualité de contrôleur du groupe, convoque immédiatement une réunion de toutes les autorités de contrôle concernées au moins dans les circonstances suivantes: 1° lorsqu’elle a connaissance de l’existence d’une violation sérieuse de l’exigence relative au capital de solvabilité requis ou d’une violation de l’exigence 1012 1584/002 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 minimumkapitaalvereiste van een verzekerings- of herverzekeringsonderneming die onder het toezicht op groepsniveau valt; 2° wanneer zij vaststelt dat in belangrijke mate wordt afgeweken van het op basis van geconsolideerde gege- vens berekende solvabiliteitskapitaalvereiste op groeps- niveau of van het geaggregeerde solvabiliteitskapitaal- vereiste van de groep, naargelang van de methode die overeenkomstig de artikelen 372 tot 380 wordt gebruikt; 3° wanneer zij kennis heeft van andere uitzonderlijke omstandigheden. Art. 415 De Bank verstrekt in haar hoedanigheid van groeps- toezichthouder informatie aan EIOPA die van belang is voor de evaluatie van de werking van de colleges van toezichthouders, die EIOPA uitvoert overeenkomstig artikel 248, lid 6 van Richtlijn 2009/138/EG. Zij verstrekt ook informatie over de in het kader van deze werking gerezen moeilijkheden. Art. 416  § 1. De Bank neemt in haar hoedanigheid van be- trokken toezichthouder deel aan het college van toe- zichthouders dat overeenkomstig artikel 248, lid 2 van Richtlijn 2009/138/EG is opgericht door een toezicht- houder van een andere lidstaat in zijn hoedanigheid van groepstoezichthouder. Zij werkt samen met de groepstoezichthouder, in de mate die vereist is voor de uitvoering van de taken die hem met toepassing van artikel 248, lid 1 van Richtlijn 2009/138/EG en haar uitvoeringsmaatregelen zijn opge- legd. Wanneer de groepstoezichthouder de voornoemde taken niet vervult, kan de Bank de zaak aan EIOPA voor- leggen en om haar bijstand verzoeken overeenkomstig artikel 19 van Verordening nr. 1094/2010. Bij verschil van mening met de groepstoezichthouder of een andere betrokken toezichthouder over de coör- dinatieafspraak over de oprichting en de werking van het college van toezichthouders waaraan zij deelneemt, kan de Bank, in haar hoedanigheid van betrokken toezichthouder, de zaak voorleggen aan EIOPA en om haar bijstand verzoeken overeenkomstig artikel 19 van Verordening nr. 1094/2010. Bovendien kan de Bank, in haar hoedanigheid van toezichthouder belast met het toezicht op een belangrijk bijkantoor of op een verbonden onderneming van de relative au minimum de capital requis, dans le chef d’une entreprise d’assurance ou de réassurance incluse dans le contrôle au niveau du groupe; 2° lorsqu’elle constate un écart important par rapport au capital de solvabilité requis au niveau du groupe, cal- culé sur la base des données consolidées, ou au capital de solvabilité requis du groupe sur une base agrégée, selon la méthode de calcul appliquée conformément aux articles 372 à 380; 3° lorsqu’elle a connaissance de toute autre circons- tance exceptionnelle. Art. 415 La Banque, en sa qualité de contrôleur du groupe, transmet à l’EIOPA les informations pertinentes pour l’examen du fonctionnement des collèges des contrô- leurs, auquel l’EIOPA procède conformément à l’article 248, paragraphe 6 de la Directive 2009/138/CE. Elle transmet également des informations sur les difficultés rencontrées dans ce fonctionnement. Art. 416 § 1er. La Banque, en sa qualité d’autorité de contrôle concernée, participe au collège des contrôleurs consti- tué, conformément à l’article 248, paragraphe 2 de la Directive 2009/138/CE, par une autorité de contrôle d’un autre État membre en qualité de contrôleur du groupe. Elle coopère avec le contrôleur du groupe dans la mesure exigée aux fins de l’exécution des tâches qui incombent à celui-ci en application de l’article 248, paragraphe 1er de la Directive 2009/138/CE et de ses mesures d’exécution. Lorsque le contrôleur du groupe ne s’acquitte pas des tâches précitées, la Banque peut saisir l’EIOPA et demander son assistance conformé- ment à l’article 19 du Règlement n° 1094/2010. En cas de divergence de vues avec le contrôleur du groupe ou une autre autorité de contrôle concer- née concernant l’accord de coordination régissant la création et le fonctionnement du collège de contrô- leurs auquel elle participe, la Banque, en sa qualité d’autorité de contrôle concernée, peut saisir l’EIOPA et solliciter son assistance conformément à l’article 19 du Règlement n° 1094/2010. En outre, la Banque, en sa qualité d’autorité de contrôle chargée du contrôle d’une succursale impor- tante ou d’une entreprise liée au sein du groupe peut, 1013 1584/002 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 groep, op de voorwaarden vastgelegd in de uitvoerings- maatregelen van Richtlijn 2009/138/EG, deelnemen aan het college van toezichthouders dat is opgericht om het toezicht op het niveau van de genoemde groep te verge- makkelijken. In dat geval beperkt haar deelneming zich tot het doel van een efficiënte uitwisseling van informatie tussen toezichthouders. § 2. De Bank belegt ten minste in de volgende ge- vallen onverwijld een vergadering van het college van toezichthouders: 1° wanneer zij vaststelt dat in belangrijke mate wordt afgeweken van het solvabiliteitskapitaalvereiste of niet langer wordt voldaan aan het minimumkapitaalvereiste van een verzekerings- of herverzekeringsonderneming naar Belgisch recht die onder het toezicht op groeps- niveau valt; 2° wanneer zij kennis heeft van andere uitzonderlijke omstandigheden. Onderafdeling III Samenwerking en uitwisseling van informatie tussen toezichthouders Art. 417 De Bank werkt zowel in haar hoedanigheid van groepstoezichthouder als van betrokken toezichthouder nauw samen met de toezichthouders van de verze- kerings- of herverzekeringsondernemingen die deel uitmaken van verzekerings- of herverzekeringsgroep, met name in gevallen waarin een verzekerings- of her- verzekeringsonderneming met financiële moeilijkheden wordt geconfronteerd. Zij kan op eigen initiatief of op verzoek vertrouwelijke informatie meedelen aan deze toezichthouders of hen vragen haar relevante informatie mee te delen, wanneer deze informatie van belang is om de uitoefening van de toezichtstaken die aan haar of aan deze toezichthou- ders zijn opgelegd krachtens Richtlijn 2009/138/EG of haar uitvoeringsmaatregelen, mogelijk te maken of te vergemakkelijken. De in dit lid bedoelde informatie omvat onder meer informatie over het optreden van de groep en de toezichthouders, en informatie die door de groep is verstrekt. Indien een in het eerste lid bedoelde toezichthouder nalaat relevante informatie mee te delen of indien een verzoek tot samenwerking van de Bank, en met name om relevante informatie uit te wisselen, is afgewezen of niet binnen twee weken gevolg heeft gekregen, kan de dans les conditions définies par les mesures d’exécution de la Directive 2009/138/CE, participer au collège des contrôleurs mis en place pour faciliter le contrôle au niveau dudit groupe. Dans ce cas, sa participation se limite à la réalisation de l’objectif consistant à assurer un échange efficace des informations entre autorités de contrôle. §  2. La Banque convoque immédiatement une réunion du collège des contrôleurs au moins dans les circonstances suivantes: 1° lorsqu’elle a connaissance de l’existence d’une violation sérieuse de l’exigence relative au capital de solvabilité requis ou d’une violation de l’exigence rela- tive au minimum de capital requis, dans le chef d’une entreprise d’assurance ou de réassurance de droit belge incluse dans le contrôle au niveau du groupe; 2° lorsque qu’elle a connaissance de toute autre circonstance exceptionnelle. Sous-section III Coopération et échange d’informations entre les autorités de contrôle Art. 417 La Banque, que ce soit en sa qualité de contrôleur du groupe ou d’autorité de contrôle concernée, coo- père étroitement avec les autorités de contrôle des entreprises d’assurance ou de réassurance faisant partie d’un groupe d’assurance ou de réassurance, en particulier dans les cas où une entreprise d’assurance ou de réassurance connaît des difficultés financières. Elle peut communiquer, d’initiative ou sur demande, ou demander à ces autorités de contrôle des informa- tions pertinentes lorsque celles-ci sont pertinentes pour permettre et faciliter l’exercice des tâches de contrôle qui lui sont confiées ou à ces autorités en vertu de la Directive 2009/138/CE ou ses mesures d’exécution. Les informations visées au présent alinéa comprennent, sans s’y limiter, les informations concernant des actions du groupe et des autorités de contrôle, ainsi que les informations fournies par le groupe. Si une autorité de contrôle visée à l’alinéa 1er omet de communiquer des informations pertinentes, ou si une demande de coopération de la Banque, en particulier d’échange d’informations pertinentes, est rejetée ou n’est pas suivie d’effet dans un délai de deux semaines, 1014 1584/002 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 Bank de zaak aan EIOPA voorleggen overeenkomstig artikel 19 van Verordening nr. 1094/2010. Art. 418 In haar hoedanigheid van groepstoezichthouder verschaft de Bank aan de betrokken toezichthouders en aan EIOPA informatie over de verzekerings- of her- verzekeringsgroep, overeenkomstig de artikelen 95 en 96 en Onderafdeling V van deze Afdeling, inzonderheid over de juridische structuur, het governancesysteem en de organisatiestructuur van de groep. Art. 419 Wanneer de Bank niet de groepstoezichthouder is die met toepassing van artikel 407 is aangewezen, kan de groepstoezichthouder haar verzoeken om van een moederonderneming naar Belgisch recht alle informatie te vragen die relevant is voor de uitoefening door de groepstoezichthouder van zijn coördinatierechten en -plichten als omschreven in Richtlijn 2009/138/EG en haar uitvoeringsmaatregelen, en die informatie aan hem door te geven. Wanneer de Bank overeenkomstig artikel 407 de groepstoezichthouder is en de moederonderneming haar zetel in een andere lidstaat dan België heeft, kan de Bank de toezichthouder van die lidstaat verzoeken om van die moederonderneming alle informatie te vragen die relevant is voor de uitoefening van haar coördina- tierechten en -plichten als omschreven in deze wet, Richtlijn 2009/138/EG en haar uitvoeringsmaatregelen, en die informatie aan haar door te geven. Art. 420 Wanneer een verzekerings- of herverzekeringsonder- neming naar Belgisch recht en hetzij een kredietinstel- ling, hetzij een beleggingsonderneming, hetzij beide, rechtstreeks of onrechtstreeks verbonden zijn, dan wel een gemeenschappelijke deelnemende onderneming hebben, werkt de Bank nauw samen met de toezichthou- ders van die kredietinstelling of beleggingsonderneming. Onverminderd hun respectieve bevoegdheden kan de Bank, op eigen initiatief of op verzoek, alle informatie die de uitoefening van hun respectieve taken mogelijk kan maken en kan vergemakkelijken en die het mogelijk maakt toezicht uit te oefenen op de activiteiten en de financiële positie van alle ondernemingen die aan hun toezicht zijn onderworpen, meedelen of deze toezicht- houders vragen haar dergelijke informatie mee te delen. la Banque peut saisir l’EIOPA conformément à l’ar- ticle 19 du Règlement n° 1094/2010. Art. 418 La Banque, en sa qualité de contrôleur du groupe, transmet aux autorités de contrôle concernées et à l’EIOPA les informations concernant le groupe d’assurance ou de réassurance, conformément aux articles 95 et 96 et à la Sous-section V de la présente Section, en particulier sur sa structure juridique, son sys- tème de gouvernance et sa structure organisationnelle. Art. 419 Lorsque la Banque n’est pas le contrôleur du groupe désigné en application de l’article 407, elle peut être invitée, par le contrôleur du groupe, à demander à une entreprise mère de droit belge toute information utile pour l’exercice par le contrôleur du groupe de ses droits et obligations de coordination définis par la Directive 2009/138/CE et à ses mesures d’exécution, et à la lui transmettre. Lorsque la Banque est le contrôleur du groupe conformément à l’article 407 et que l’entreprise mère a son siège social dans un État membre autre que la Belgique, la Banque peut inviter l’autorité de contrôle de cet État membre à demander à cette entreprise mère toute information utile pour l’exercice de ses droits et obligations de coordination définis par la présent loi, la Directive 2009/138/CE et à ses mesures d’exécution, et à la lui transmettre. Art. 420 Lorsqu’une entreprise d’assurance ou de réas- surance de droit belge et un établissement de crédit ou une entreprise d’investissement ou les deux, sont directement ou indirectement liés ou ont une entreprise participante commune, la Banque collabore étroitement avec les autorités de contrôle de cet établissement de crédit ou entreprise d’investissement. Sans préjudice de leurs compétences respectives, la Banque peut communiquer, d’initiative ou sur demande, ou demander à ces autorités toutes les informations susceptibles de permettre et faciliter l’exercice de leurs tâches respectives et de permettre la surveillance de l’activité et de la situation financière de l’ensemble des entreprises soumises à leur surveillance. 1015 1584/002 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 Onderafdeling IV Overleg tussen toezichthouders Art. 421 Onverminderd Onderafdeling III van deze Afdeling pleegt de Bank in het college van toezichthouders overleg met de toezichthouders van de verzekerings- of herverzekeringsondernemingen die onder het toezicht op groepsniveau vallen, voordat zij een besluit neemt over de volgende aangelegenheden: 1°  veranderingen in het aandeelhouderschap, de organisatie of de beleidsstructuur van een verzeke- rings- of herverzekeringsonderneming die goedkeuring of machtiging door de Bank vereisen; en 2° de verlenging van de herstelperiode overeenkom- stig artikel 510; 3° de belangrijkste sancties en buitengewone maat- regelen die door de Bank zijn getroffen, zoals onder meer het toepassen van een opslagfactor op het solva- biliteitskapitaalvereiste op grond van artikel 323 en het opleggen van enigerlei beperking op het gebruik van een intern model voor de berekening van het solvabiliteits- kapitaalvereiste op grond van de artikelen 167 tot 188. 4° alle besluiten die gebaseerd zijn op van een andere toezichthouder ontvangen informatie. De Bank kan besluiten geen overleg als bedoeld in het eerste lid te plegen in spoedeisende gevallen of indien dat overleg de doeltreffendheid van haar besluit in gevaar zou kunnen brengen. In dat geval stelt de Bank de betrokken toezichthouders onverwijld daarvan in kennis zodra zij haar besluit heeft genomen. In afwijking van het tweede lid moet de Bank de groepstoezichthouder altijd raadplegen wanneer zij van plan is een besluit te nemen als bedoeld in het eerste lid, 2° of 3°. Onderafdeling V Voor de uitoefening van het toezicht op groepsniveau te verstrekken informatie Art. 422 § 1. De verzekerings- of herverzekeringsonderne- mingen, de verzekeringsholdings en de gemengde financiële holdings, hun dochterondernemingen en alle andere ondernemingen die in het toezicht op groepsni- veau zijn betrokken, verstrekken aan de Bank, in haar Sous-section IV Consultation entre autorités de contrôle Art. 421 Sans préjudice de la Sous-Section III de la présente Section, la Banque consulte, au sein du collège des contrôleurs, les autorités de contrôle des entreprises d’assurance ou de réassurance incluses dans le contrôle au niveau du groupe, avant de prendre une des décisions suivantes: 1° les modifications de la structure de l’actionnariat, de l’organisation ou de la gestion d’une entreprise d’assurance ou de réassurance, qui requièrent l’appro- bation ou l’autorisation de la Banque; et 2° la prolongation du délai de rétablissement confor- mément à l’article 510; 3° les principales sanctions et les mesures exception- nelles prises par la Banque, y compris l’application d’une exigence de capital supplémentaire s’ajoutant au capital de solvabilité requis conformément à l’article 323 et l’application de toute limitation de l’utilisation d’un modèle interne pour le calcul du capital de solvabilité requis conformément aux articles 167 à 188. 4° toute décision fondée sur les informations reçues d’une autre autorité de contrôle. La Banque peut décider de ne pas opérer de consul- tation visée à l’alinéa 1er en cas d’urgence ou lorsque cette consultation risquerait de compromettre l’efficacité de sa décision. Dans ce cas, la Banque en informe sans délai les autorités de contrôle concernées dès qu’elle a pris sa décision. Par dérogation à l’alinéa 2, la Banque doit toujours consulter le contrôleur du groupe lorsqu’elle envisage de prendre une décision visée à l’alinéa 1er, 2° ou 3°. Sous-section V Informations à fournir aux fins de l’exercice du contrôle au niveau du groupe Art. 422 § 1er. Les entreprises d’assurance ou de réassurance, les sociétés holding d’assurance et les compagnies financières mixtes, leurs filiales et toutes les autres en- treprises incluses dans le contrôle au niveau du groupe, fournissent à la Banque, en sa qualité de contrôleur du 1016 1584/002 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 hoedanigheid van groepstoezichthouder, alle informatie die nodig is voor de uitoefening van de toezichtstaken die door of krachtens deze wet aan de groepstoezicht- houder zijn toegewezen, en de informatie die nodig is om met het oog op de uitoefening van de rechten en plichten van de groepstoezichthouder met betrekking tot het toezicht op groepsniveau, elke passende beslissing te kunnen nemen. § 2. Voor de toepassing van paragraaf 1 kan de Bank: 1° op individuele basis of bij reglement vastgesteld overeenkomstig artikel 12bis, §  2  van de wet van 22 februari 1998, de aard, de reikwijdte, het model, de frequentie en de wijze van indiening vaststellen van de in paragraaf 1 bedoelde informatie, en deze informatie bij de in paragraaf 1 bedoelde ondernemingen opvragen: a) op van tevoren bepaalde tijdstippen; b) wanneer zich van tevoren omschreven gebeurte- nissen voordoen; c) bij onderzoek naar de positie van een verzekerings- of herverzekeringsonderneming naar aanleiding van haar opname in het toezicht op groepsniveau. 2° alle informatie inwinnen over overeenkomsten die in het bezit zijn van tussenpersonen, of over overeen- komsten die met derden worden gesloten; 3° informatie opvragen bij externe deskundigen; 4° voorschrijven dat haar geregeld andere dan de in paragraaf 1 bedoelde cijfergegevens of uitleg worden verstrekt, wanneer deze informatie nodig is om te kun- nen nagaan of de voorschriften van deze wet of van de uitvoeringsbesluiten en -reglementen ervan zijn nageleefd. Artikel 312, § 3 is van toepassing op de in de para- grafen 1 en 2 bedoelde informatie. § 3. De in de paragrafen 1 en 2 bedoelde informatie voldoet aan de volgende beginselen: 1° er moet rekening worden gehouden met de aard, de omvang en de complexiteit van de activiteiten van de verzekerings- of herverzekeringsgroep en met name met de risico’s die aan die activiteiten verbonden zijn; 2° zij is toegankelijk, in alle essentiële opzichten vol- ledig, vergelijkbaar en in de tijd gezien consistent; groupe, toutes les informations nécessaires aux fins de l’exercice des tâches de contrôle qui incombent au contrôleur du groupe par ou en vertu de la présente loi, ainsi que les informations nécessaires à la prise de toute décision appropriée qu’appelle l’exercice des droits et fonctions du contrôleur du groupe en matière de contrôle au niveau du groupe. § 2. Aux fins du paragraphe 1er, la Banque peut: 1° définir, sur une base individuelle ou par voie d’un règlement pris conformément à l’article 12bis, § 2, de la loi du 22 février 1998, la nature, la portée, le format, la fréquence et les modalités de transmission des informations visées au paragraphe 1er, dont elle exige la communication de la part des entreprises visées au paragraphe 1er aux moments suivants: a) à des moments prédéfinis; b) lorsque des événements prédéfinis se produisent; c)  lors d’enquêtes concernant la situation d’une entreprise d’assurance ou de réassurance en raison de son inclusion dans le contrôle au niveau du groupe. 2°  obtenir toute information relative aux contrats détenus par des intermédiaires ou aux contrats conclus avec des tiers; 3°  exiger des informations de la part d’experts externes; 4° prescrire la transmission régulière d’informations chiffrées ou descriptives autres que celles visées au paragraphe 1er, lorsque ces informations sont néces- saires à la vérification du respect des dispositions de la présente loi ou des arrêtés et règlements pris en exécution de celle-ci. L’article  312,  §  3  est applicable aux informations visées aux paragraphes 1er et 2. § 3. Les informations visées aux paragraphes 1er et 2 respectent les principes suivants: 1° elles reflètent la nature, l’ampleur et la complexité des activités du groupe d’assurance ou de réassurance et notamment les risques inhérents aux activités de celui-ci; 2° elles sont accessibles, complètes pour tout ce qui est important, comparables et cohérentes dans la durée; 1017 1584/002 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 3° zij is relevant, betrouwbaar en begrijpelijk. Art. 423 Niettegenstaande de in artikel 422, § 2, a), bedoelde van tevoren bepaalde tijdstippen kan de Bank, in haar hoedanigheid van groepstoezichthouder, de regelma- tige rapportering van de voor toezichtsdoeleinden te verstrekken informatie met een frequentie van minder dan een jaar op groepsniveau beperken, als alle ver- zekerings- of herverzekeringsondernemingen die in het toezicht op groepsniveau zijn betrokken, de toepassing van artikel 313  genieten, rekening houdend met de aard, de omvang en de complexiteit van de risico’s die verbonden zijn aan de activiteiten van de groep. Art. 424 In haar hoedanigheid van groepstoezichthouder kan de Bank op groepsniveau een vrijstelling verlenen van de verplichting om itemgewijs informatie te verstrekken, als alle verzekerings- of herverzekeringsondernemingen die in het toezicht op groepsniveau zijn betrokken, de toepassing van artikel 314 genieten, rekening houdend met de aard, de omvang en de complexiteit van de risico’s die verbonden zijn aan de activiteiten van de groep en met de doelstelling van financiële stabiliteit. Art. 425 Indien de Bank, in haar hoedanigheid van groeps- toezichthouder, informatie als bedoeld in de artikelen 422, 423 en 424 nodig heeft die reeds aan een andere toezichthouder is verstrekt, treedt zij zo mogelijk met deze toezichthouder in contact teneinde dubbele infor- matieverstrekking door de onderneming aan de diverse bij het toezicht op groepsniveau betrokken toezichthou- ders te voorkomen. Art. 426 De ondernemingen die met toepassing van artikel 349 niet in het toezicht op groepsniveau zijn betrok- ken, moeten aan de Bank, in haar hoedanigheid van groepstoezichthouder, alle gegevens en inlichtingen verstrekken die deze dienstig acht voor de uitoefening van het toezicht op groepsniveau. Ondernemingen die uitsluitend of samen met an- dere ondernemingen de controle hebben over een verzekerings- of herverzekeringsonderneming naar Belgisch recht, en de dochterondernemingen van die 3° elles sont pertinentes, fiables et compréhensibles. Art. 423 Nonobstant les moments prédéfinis visés à l’article 422, § 2, a), la Banque, en sa qualité de contrôleur du groupe, peut limiter la communication régulière des informations à des fins de contrôle d’une fréquence infé- rieure à un an au niveau du groupe, dès lors que toutes les entreprises d’assurance ou de réassurance incluses dans le contrôle au niveau du groupe bénéficient de l’application de l’article 313, eu égard à la nature, à l’ampleur et à la complexité des risques inhérents à l’activité du groupe. Art. 424 La Banque, en sa qualité de contrôleur du groupe, peut dispenser de l’obligation de communiquer des informations poste par poste au niveau du groupe, dès lors que toutes les entreprises d’assurance ou de réas- surance incluses dans le contrôle au niveau du groupe bénéficient de l’application de l’article 314, eu égard à la nature, à l’ampleur et à la complexité des risques inhérents à l’activité du groupe ainsi qu’à l’objectif de stabilité financière. Art. 425 Lorsqu’elle a besoin d’informations visées aux articles 422, 423 et 424, qui ont déjà été fournies à une autre autorité de contrôle, la Banque, en sa qualité de contrôleur du groupe s’adresse, dans la mesure du possible, à cette autorité afin d’éviter toute duplication dans le chef de l’entreprise dans la communication d’informations aux diverses autorités participant au contrôle au niveau du groupe. Art. 426 Les entreprises qui ne sont pas incluses dans le contrôle au niveau du groupe en application de l’article 349, sont tenues de communiquer à la Banque, en sa qualité de contrôleur du groupe tous les renseignements et informations que celle-ci estime nécessaires pour l’exercice du contrôle au niveau du groupe. Les entreprises qui contrôlent, exclusivement ou conjointement avec d’autres, une entreprise d’assu- rance ou de réassurance de droit belge, ainsi que les fi- liales de ces entreprises, sont tenues, si ces entreprises 1018 1584/002 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 ondernemingen moeten, indien die ondernemingen en dochterondernemingen niet in het toezicht op groeps- niveau zijn betrokken, de Bank en de andere betrokken toezichthouders alle gegevens en inlichtingen verstrek- ken die nuttig zijn voor de uitoefening van het toezicht op die verzekerings- of herverzekeringsonderneming. Art. 427 Onverminderd de artikelen 422 tot 426, mag de Bank zich alleen zelf rechtstreeks tot de ondernemingen in de groep wenden om de informatie die nodig is voor de uit- oefening van het toezicht op groepsniveau te verkrijgen, indien deze informatie aan de in het groepstoezicht be- trokken verzekerings- of herverzekeringsonderneming is gevraagd, maar door deze onderneming niet binnen een redelijke termijn is verstrekt. Art. 428 § 1. De Bank kan ter plaatse inspecties verrichten en ter plaatse kennis nemen en een kopie maken van elk gegeven in bezit van de verzekerings- of herverze- keringsonderneming die onder het toezicht op groeps- niveau valt, haar verbonden ondernemingen, haar moederonderneming of de met haar moederonderne- ming verbonden ondernemingen, om na te gaan of de bepalingen die door of krachtens dit Hoofdstuk en door de uitvoeringsmaatregelen van Richtlijn 2009/138/EG zijn vastgelegd, zijn nageleefd en, met name, om na te gaan of de in de artikelen 422, 423 en 424 bedoelde in- formatie juist en volledig is. Artikel 304 is van toepassing. Zij kan op kosten van deze ondernemingen de com- missaris van deze ondernemingen of een door haar daartoe erkende deskundige met deze verificaties belasten. De artikelen 305, 306 en 307 zijn van toepassing. § 2. Wanneer de in paragraaf 1 bedoelde onder- nemingen hun zetel in een andere lidstaat hebben, verzoekt de Bank de toezichthouder van die lidstaat om de inspectie ter plaatse uit te voeren. De Bank verricht deze inspectie zelf als zij daarvoor de toestemming krijgt van de toezichthouder van die lidstaat. Wanneer deze laatste de inspectie zelf wenst te verrichten, of daartoe een revisor of een deskundige aanstelt, kan de Bank niettemin aan de inspectie deelnemen indien zij dat wenst. Indien het door de Bank overeenkomstig het eerste lid geformuleerde verzoek geen gevolg heeft gekregen binnen twee weken, of indien zij om praktische redenen et ces filiales ne sont pas incluses dans le contrôle au niveau du groupe, de communiquer à la Banque et aux autres autorités de contrôle concernées les informations et renseignements utiles à l’exercice du contrôle de cette entreprise d’assurance ou de réassurance. Art. 427 Sans préjudice des articles 422 à 426, la Banque ne peut s’adresser directement aux entreprises du groupe pour obtenir les informations nécessaires à l’exercice du contrôle au niveau du groupe que lorsque ces informa- tions ont été demandées à l’entreprise d’assurance ou de réassurance soumise au contrôle des groupes et que cette entreprise n’a pas communiqué ces informations dans un délai raisonnable. Art. 428 § 1er. La Banque peut procéder à des inspections sur place et prendre connaissance et copie, sans dépla- cement, de toute information détenue par l’entreprise d’assurance ou de réassurance soumise à un contrôle au niveau du groupe, par ses entreprises liées, par son entreprise mère ou par les entreprises liées à son entre- prise mère, en vue de vérifier le respect des dispositions prévues par ou en vertu du présent Chapitre ainsi que par les mesures d’exécution de la Directive 2009/138/CE et, notamment, en vue de vérifier le caractère correct et complet des informations visées aux articles 422, 423 et 424. L’article 304 est applicable. Elle peut, aux frais de ces entreprises, charger le commissaire de ces entreprises ou un expert désigné par elle à cette fin, de procéder à ces vérifications. Les articles 305, 306 et 307 sont applicables. § 2. Lorsque les entreprises visées au paragraphe 1er ont leur siège social dans un autre État membre, la Banque demande à l’autorité de contrôle de cet État membre d’effectuer l’inspection sur place. La Banque procède elle-même à cette inspection si elle en a reçu l’autorisation de la part de l’autorité de contrôle de cet État membre. Lorsque cette dernière effectue elle-même l’inspection, ou désigne un réviseur ou un expert à cet effet, la Banque peut néanmoins, si elle le souhaite, y participer. Lorsque la demande formulée par la Banque confor- mément à l’alinéa 1er n’a pas été suivi d’effet dans un délai de deux semaines, ou lorsqu’elle se voit en 1019 1584/002 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 niet kan deelnemen aan de inspectie ter plaatse, kan de Bank de zaak aan EIOPA voorleggen en om haar bijstand verzoeken overeenkomstig artikel 19  van Verordening nr. 1094/2010. § 3. Wanneer de in paragraaf 1 bedoelde onderne- mingen hun zetel in een derde land hebben, worden de modaliteiten van de verificatie ter plaatse geregeld in samenwerkingsovereenkomsten die de Bank met de betrokken autoriteiten van dit derde land heeft ge- sloten, in voorkomend geval overeenkomstig artikel 36/16, § 2 van de wet van 22 februari 1998, of die de Europese Commissie overeenkomstig het bepaalde bij artikel 264 van Richtlijn 2009/138/EG heeft gesloten. Art. 429 § 1. Wanneer het toezicht op het niveau van de ver- zekerings- of herverzekeringsgroep wordt uitgeoefend door een toezichthouder die onder het recht van een andere lidstaat dan België ressorteert, verstrekken de verzekerings- of herverzekeringsondernemingen, de verzekeringsholdings, de gemengde financiële holdings en hun dochterondernemingen naar Belgisch recht aan deze toezichthouder de gegevens en inlichtingen die deze dienstig acht voor de uitoefening van de toe- zichtstaken waarmee hij als groepstoezichthouder is belast overeenkomstig Richtlijn 2009/138/EG en haar uitvoeringsmaatregelen. Wanneer deze toezichthouder onder het recht van een derde land ressorteert en de verplichting tot infor- matieverstrekking voortvloeit uit samenwerkingsover- eenkomsten die de Bank of de Europese Commissie met toepassing van artikel 264 van Richtlijn 2009/138/ EG heeft gesloten, is het eerste lid van overeenkomstige toepassing. § 2. Wanneer het toezicht op het niveau van de ver- zekerings- of herverzekeringsgroep wordt uitgeoefend door een toezichthouder die onder het recht van een andere lidstaat dan België ressorteert, kan die toe- zichthouder, om na te gaan of de bepalingen die door of krachtens dit Hoofdstuk en door de uitvoeringsmaat- regelen van Richtlijn 2009/138/EG zijn vastgelegd, zij, nageleefd, ter plaatse in de in paragraaf 1 bedoelde ondernemingen naar Belgisch recht, de gegevens en inlichtingen toetsen die zij heeft ontvangen, of kan zij erkend commissarissen of door haar erkende deskun- digen hiermee belasten. De bepalingen van artikel 428, § 2 zijn van overeenkomstige toepassing. Wanneer deze toezichthouder onder het recht van een derde land ressorteert, zijn de bepalingen van artikel 428, § 3 van overeenkomstige toepassing. pratique empêchée de participer à l’inspection sur place, la Banque peut saisir l’EIOPA et solliciter son assistance conformément à l’article 19 du Règlement n° 1094/2010. § 3. Lorsque les entreprises visées au paragraphe 1er ont leur siège social dans un pays tiers, les modalités de la vérification sur place sont réglées dans des accords de coopération que la Banque conclut avec les autorités de pays tiers concernées, le cas échéant conformément à l’article 36/16, § 2 de la loi du 22 février 1998 ou que la Commission européenne a conclus conformément aux dispositions de l’article 264 de la Directive 2009/138/CE. Art. 429 § 1er. Lorsque le contrôle au niveau du groupe d’assu- rance ou de réassurance est exercée par une autorité de contrôle qui relève d’un État membre, autre que la Belgique, les entreprises d’assurance ou de réassu- rance, les sociétés holding d’assurance, les compagnies financières mixtes et leurs filiales de droit belge com- muniquent à cette autorité de contrôle les informations et renseignements que celle-ci juge nécessaires pour l’exercice des tâches de contrôle qui lui incombent en sa qualité de contrôleur du groupe conformément à la Directive 2009/138/CE et à ses mesures d’exécution. Lorsque cette autorité relève du droit d’un pays tiers et que l’obligation d’information découle d’accords de coopération conclus par la Banque ou la Commission européenne en application de l’article 264 de la Directive 2009/138/CE, l’alinéa 1er est applicable par analogie. § 2. Lorsque le contrôle au niveau du groupe d’assu- rance ou de réassurance est exercée par une autorité de contrôle qui relève d’un État membre, autre que la Belgique, cette autorité peut, en vue de vérifier le respect des dispositions prévues par ou en vertu du présent Chapitre ainsi que par les mesures d’exécution de la Directive 2009/138/CE, procéder sur place dans les entreprises de droit belge visées au paragraphe 1er, à la vérification des informations et renseignements qu’elle a reçus, ou peut charger des commissaires agréés ou des experts agréés par elles d’y procéder. Les dispositions de l’article 428, § 2 sont applicables par analogie. Lorsque cette autorité relève du droit d’un pays tiers, les dispositions de l’article 428, § 3 sont applicables par analogie. 1020 1584/002 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 Onderafdeling VI Revisoraal toezicht Art. 430 Het bepaalde bij de artikelen 330 tot 337 betreffende de opdracht van erkend commissaris van een verzeke- rings- of herverzekeringsonderneming is van overeen- komstige toepassing op verzekerings- of herverzekering ondernemingen die aan een toezicht op groepsniveau zijn onderworpen overeenkomstig artikel 343. Art. 431 § 1. In een verzekeringsholding of in een gemengde financiële holding naar Belgisch recht die onder het door de Bank uitgeoefende toezicht op groepsniveau valt, wordt de opdracht van commissaris als bedoeld in het Wetboek van Vennootschappen toevertrouwd aan een of meer revisoren of revisorenvennootschappen die overeenkomstig artikel 327 door de Bank erkend zijn voor de opdracht van commissaris bij een verzekerings- of herverzekeringsonderneming. De artikelen 325 tot 329 zijn van overeenkomstige toepassing. § 2. De commissarissen aangesteld bij een in pa- ragraaf 1 bedoelde verzekeringsholding of gemengde financiële holding verlenen hun medewerking aan de uitoefening van het toezicht op groepsniveau waarmee de Bank is belast, op hun eigen en uitsluitende verant- woordelijkheid en overeenkomstig deze paragraaf, vol- gens de regels van het vak en de richtlijnen van de Bank. Art. 432 De commissarissen aangesteld bij een in artikel 431 bedoelde onderneming beoordelen het passend karakter op het niveau van de groep van de internecon- trolemaatregelen als bedoeld in artikel 42, § 1, 2° en delen hun bevindingen ter zake mee aan de Bank. Art. 433 De commissarissen aangesteld bij een in artikel 431 bedoelde onderneming brengen verslag uit aan de Bank over de resultaten van het beperkt nazicht van de periodieke staten die de verzekeringsholding of de ge- mengde financiële holding aan het einde van het eerste halfjaar aan de Bank bezorgt, waarin bevestigd wordt dat zij geen kennis hebben van feiten waaruit zou blijken dat deze periodieke staten niet in alle materieel belangrijke Sous-section V Contrôle révisoral Art. 430 Les dispositions des articles 330 à 337 concernant les fonctions de commissaire agréé d’une entreprise d’assurance ou de réassurance sont applicables par analogie aux entreprises d’assurance ou de réassu- rance soumises à un contrôle au niveau du groupe conformément à l’article 343. Art. 431 § 1er. Dans une société holding d’assurance ou dans une compagnie financière mixte de droit belge incluse dans un contrôle au niveau du groupe exercé par la Banque, les fonctions de commissaire visées au Code des sociétés sont confiées à un ou plusieurs réviseurs ou à une ou plusieurs sociétés de réviseurs, qui, confor- mément à l’article 327, sont agréés par la Banque pour les fonctions de commissaire auprès d’une entreprise d’assurance ou de réassurance. Les articles 325 à 329 sont applicables par analogie. § 2. Les commissaires désignés auprès d’une société holding d’assurance ou d’une compagnie financière mixte visée au paragraphe 1er, prêtent leur coopération à l’exercice du contrôle au niveau du groupe dont est chargée la Banque, sous leur responsabilité personnelle et exclusive et conformément au présent paragraphe, aux règles de la profession et aux instructions de la Banque. Art. 432 Les commissaires désignés dans une entreprise visée à l’article 431 évaluent le caractère adéquat au niveau du groupe des mesures de contrôle interne visées à l’article 42, § 1er, 2° et ils communiquent leurs conclusions à la Banque. Art. 433 Les commissaires agréés désignés dans une entre- prise visée à l’article 431 font rapport à la Banque sur les résultats de l’examen limité des états périodiques trans- mis par la société holding d’assurance ou la compagnie financière mixte à la Banque à la fin du premier semestre social, confirmant qu’ils n’ont pas connaissance de faits dont il apparaîtrait que ces états périodiques n’ont pas, sous tous égards significativement importants, été 1021 1584/002 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 opzichten zijn opgesteld volgens de voorschriften die door of krachtens deze wet, de uitvoeringsmaatregelen van Richtlijn 2009/138/EG en de instructies van de Bank zijn vastgesteld. Bovendien bevestigen zij dat de periodieke staten per einde halfjaar, voor wat de boekhoudkundige ge- gevens betreft, in alle materieel belangrijke opzichten in overeenstemming zijn met de boekhouding en de inventarissen inzake: 1° volledigheid, wat wil zeggen dat ze alle gegevens bevatten uit de boekhouding en de inventarissen op basis waarvan de periodieke staten worden opgesteld, 2° juistheid, wat wil zeggen dat ze de gegevens cor- rect weergeven uit de boekhouding en de inventaris- sen op basis waarvan deze periodieke staten worden opgesteld. Zij bevestigen geen kennis te hebben van feiten waar- uit zou blijken dat de periodieke staten per einde half- jaar niet zijn opgesteld, voor wat de boekhoudkundige gegevens betreft, met toepassing van de boekings- en waarderingsregels voor de opstelling van de periodieke staten met betrekking tot het laatste boekjaar. De Bank kan de hier bedoelde periodieke staten nader bepalen. Art. 434 De erkend commissarissen aangesteld bij een in artikel 431 bedoelde onderneming brengen ook verslag uit bij de Bank over de resultaten van de controle van de periodieke staten die de verzekeringsholding of de gemengde financiële holding aan het einde van het boekjaar aan de Bank bezorgt, waarin bevestigd wordt dat deze periodieke staten in alle materieel belangrijke opzichten zijn opgesteld volgens de voorschriften die door of krachtens deze wet, de uitvoeringsmaatregelen van Richtlijn 2009/138/EG en de instructies van de Bank zijn vastgesteld. Bovendien bevestigen zij dat de periodieke staten per einde van het boekjaar, voor wat de boekhoudkundige gegevens betreft, in alle materieel belangrijke opzichten in overeenstemming zijn met de boekhouding en de inventarissen inzake: 1° volledigheid, wat wil zeggen dat ze alle gegevens bevatten uit de boekhouding en de inventarissen op basis waarvan de periodieke staten worden opgesteld, établis conformément aux prescriptions prévues par ou en vertu de la loi, aux mesures d’exécution de la Directive 2009/138/CE et aux instructions de la Banque. Ils confirment en outre que les états périodiques arrêtées en fin de semestre sont, pour ce qui est des données comptables y figurant, complets et corrects et sont, sous tous égards significativement importants, conformes à la comptabilité et aux inventaires, en ce sens qu’ils sont: 1° complets, c’est-à-dire qu’ils mentionnent toutes les données figurant dans la comptabilité et dans les inventaires sur la base desquels ils sont établis, 2° corrects, c’est-à-dire qu’ils concordent exactement avec la comptabilité et avec les inventaires sur la base desquels ils sont établis. Ils confirment également n’avoir pas connaissance de faits dont il apparaîtrait que les états périodiques arrêtés en fin de semestre n’ont pas été établis, pour ce qui est des données comptables y figurant, par application des règles de comptabilisation et d’évaluation qui ont présidé à l’établissement des états périodiques afférents au dernier exercice. La Banque peut préciser quels sont en l’occurrence les états périodiques visés. Art. 434 Les commissaires agréés désignés dans une entre- prise visée à l’article 431 font également rapport à la Banque sur les résultats du contrôle des états pério- diques transmis par la société holding d’assurance ou la compagnie financière mixte à la Banque à la fin de l’exercice social, confirmant que ces états périodiques sont, sous tous égards significativement importants, établis conformément aux prescriptions prévues par ou en vertu de la loi, aux mesures d’exécution de la Directive 2009/138/CE et aux instructions de la Banque. Ils confirment en outre que les états périodiques arrê- tés en fin d’exercice sont, pour ce qui est des données comptables y figurant, sous tous égards significative- ment importants, conformes à la comptabilité et aux inventaires, en ce sens qu’ils sont: 1° complets, c’est-à-dire qu’ils mentionnent toutes les données figurant dans la comptabilité et dans les inventaires sur la base desquels ils sont établis, 1022 1584/002 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 2°  juistheid, wat wil zeggen dat ze de gegevens correct weergeven uit de boekhouding en de inventa- rissen op basis waarvan de periodieke staten worden opgesteld. Zij bevestigen dat de periodieke staten per einde van het boekjaar werden opgesteld, voor wat de boek- houdkundige gegevens betreft, met toepassing van de boekings- en waarderingsregels voor de opstelling van de jaarrekening. De Bank kan de hier bedoelde periodieke staten nader bepalen. Art. 435 De erkend commissarissen aangesteld bij een in artikel 431 bedoelde onderneming brengen bij de Bank op haar verzoek een bijzonder verslag uit over de orga- nisatie, de activiteiten en de financiële structuur op het niveau van de verzekerings- of herverzekeringsgroep; de kosten voor de opstelling van dit verslag worden door de verzekeringsholding of de gemengde financiële holding gedragen. Art. 436 In het kader van hun opdracht bij een in artikel 431 bedoelde onderneming of een revisorale opdracht bij een met een dergelijke onderneming verbonden onderneming, brengen de erkend commissarissen op eigen initiatief verslag uit bij de Bank zodra zij kennis krijgen van beslissingen, feiten of, in voorkomend geval, ontwikkelingen: 1° die de positie van de verzekerings- of herverzeke- ringsgroep financieel of op het vlak van haar adminis- tratieve en boekhoudkundige organisatie of van haar interne controle, op betekenisvolle wijze beïnvloeden of kunnen beïnvloeden; 2° die tot de niet-naleving van de voorschriften inzake het solvabiliteitskapitaalvereiste op groepsniveau kun- nen leiden; 3°  die een overtreding van het Wetboek van Vennootschappen, de statuten, deze wet en de ter uitvoering ervan genomen besluiten en reglementen kunnen vormen voor wat de verzekeringsholding of de gemengde financiële holding betreft; 4° die kunnen leiden tot een weigering van de certi- ficering van de geconsolideerde jaarrekening of tot het formuleren van voorbehoud. 2° corrects, c’est-à-dire qu’ils concordent exactement avec la comptabilité et avec les inventaires sur la base desquels ils sont établis. Ils confirment également que les états périodiques arrêtés en fin d’exercice ont été établis, pour les don- nées comptables y figurant, par application des règles de comptabilisation et d’évaluation présidant à l’établis- sement des comptes annuels. La Banque peut préciser quels sont en l’occurrence les états périodiques visés. Art. 435 Les commissaires agréés désignés dans une entreprise visée à l’article 431 font à la Banque, à sa demande, des rapports spéciaux portant sur l’organisa- tion, les activités et la structure financière au niveau du groupe d’assurance ou de réassurance, rapports dont les frais d’établissement sont supportés par la société holding d’assurance ou la compagnie financière mixte. Art. 436 Dans le cadre de leur mission auprès d’une entreprise visée à l’article 431, ou d’une mission révisorale auprès d’une entreprise liée à une telle entreprise, les com- missaires agréés font d’initiative rapport à la Banque dès qu’ils constatent des décisions, des faits ou, le cas échéant, des évolutions: 1° qui influencent ou peuvent influencer de façon significative la situation du groupe d’assurance ou de réassurance sous l’angle financier ou sous l’angle de son organisation administrative et comptable ou de son contrôle interne; 2° qui peuvent entraîner le non-respect des disposi- tions relatives au capital de solvabilité requis au niveau du groupe; 3° qui peuvent constituer des violations du Code des sociétés, des statuts, de la présente loi et des arrêtés et règlements pris pour son exécution en ce qui concerne la société holding d’assurance ou la compagnie finan- cière mixte; 4° qui sont de nature à entraîner le refus ou des réserves en matière de certification des comptes consolidés. 1023 1584/002 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 Art. 437 De erkend commissarissen delen aan de leiders van de verzekerings- of herverzekeringsonderneming de verslagen mee die zij aan de Bank richten overeenkom- stig artikel 435. Artikel 306 is op deze mededelingen van toepassing. Zij bezorgen de Bank een kopie van de mededelingen die zij aan deze leiders richten en die betrekking hebben op zaken die van belang kunnen zijn voor het toezicht dat zij uitoefent. Art. 438 Tegen erkend commissarissen die te goeder trouw informatie hebben verstrekt als bedoeld in artikel 436, kunnen geen burgerrechtelijke, strafrechtelijke of tucht- rechtelijke vorderingen worden ingesteld, noch profes- sionele sancties worden uitgesproken. Art. 439 Wanneer de moederonderneming van een verzeke- rings- of herverzekeringsonderneming naar Belgisch recht een verzekeringsholding of een gemengde financi- ele holding met zetel in een andere lidstaat is, die onder het door de Bank uitgeoefende toezicht op groepsniveau valt, wordt de opdracht bepaald bij de artikelen 432 tot 436  op overeenkomstige wijze uitgeoefend door de commissaris die met een vergelijkbare taak bij deze ver- zekeringsholding of gemengde financiële holding is aan- gesteld. Bij afwezigheid van een dergelijke commissaris wordt de in de artikelen 432 tot 436 bedoelde opdracht uitgeoefend door de commissaris die is aangesteld bij de verzekerings- of herverzekeringsonderneming naar Belgisch recht die een dochteronderneming is van deze verzekeringsholding of gemengde financiële holding. Art. 440 De commissarissen aangesteld bij verzekerings- of herverzekeringsondernemingen, verzekeringsholdings of gemengde financiële holdings naar Belgisch recht overeenkomstig de artikelen 430 en 431, hebben voor de uitoefening van hun opdracht als bepaald bij deze artikelen, toegang tot en inzage in alle documenten en stukken die uitgaan zowel van de in het toezicht op groepsniveau betrokken dochterondernemingen, als van de in artikel 349 bedoelde ondernemingen. Het bepaalde bij artikel 35  van de wet van 22 februari 1998 is van toepassing wat de informatie Art. 437 Les commissaires agréés communiquent aux diri- geants de l’entreprise d’assurance ou de réassurance les rapports qu’ils adressent à la Banque conformément à l’article 435. Ces communications sont soumises à l’article 306. Ils transmettent à la Banque copie des communica- tions qu’ils adressent à ces dirigeants et qui portent sur des questions de nature à intéresser le contrôle exercé par elle. Art. 438 Aucune action civile, pénale ou disciplinaire ne peut être intentée ni aucune sanction professionnelle pro- noncée contre les commissaires agréés qui ont procédé de bonne foi à une information visée sous l’article 436. Art. 439 Lorsque l’entreprise mère d’une entreprise d’assu- rance ou de réassurance de droit belge, est une société holding d’assurance ou une compagnie financière mixte dont le siège est établi dans un autre État membre et incluse dans le contrôle au niveau du groupe exercé par la Banque, la mission définie aux articles 432 à 436 est exercée par analogie par le commissaire désigné avec une tâche comparable auprès de cette société holding d’assurance ou compagnie financière mixte. A défaut d’un tel commissaire, la mission visée aux articles 432 à 436 est exercée par le commissaire désigné auprès de l’entreprise d’assurance ou de réassurance de droit belge filiale de cette société holding d’assurance ou compagnie financière mixte. Art. 440 Les commissaires désignés auprès d’entreprises d’assurance ou de réassurance, de sociétés holding d’assurance ou de compagnies financières mixtes de droit belge conformément aux articles 430 et 431, ont, pour l’exercice de leur mission, telle que visée à ces articles, accès à et peuvent prendre connaissance de tous les documents et pièces émanant tant des filiales incluses dans le contrôle au niveau du groupe que des entreprises visées à l’article 349. Les dispositions de l’article 35  de la loi du 22 février 1998 s’appliquent en ce qui concerne les 1024 1584/002 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 betreft waarvan zij kennis hebben genomen in uitvoering van het eerste lid. Onderafdeling VII Prudentiële maatregelen Art. 441 Indien de verzekerings- of herverzekeringsonder- nemingen naar Belgisch recht die in een toezicht op groepsniveau zijn betrokken, de voorschriften die door of krachtens dit Hoofdstuk of de uitvoeringsmaatregelen van Richtlijn 2009/138/EG zijn opgelegd niet naleven, of indien die voorschriften in acht worden genomen maar de groepssolvabiliteit toch dreigt te worden ondermijnd, of indien de intragroeptransacties of de risicoconcentra- ties de financiële positie van de genoemde verzekerings- of herverzekeringsondernemingen bedreigen, neemt de Bank, in haar hoedanigheid van groepstoezichthouder, 1° ten aanzien van de deelnemende verzekerings- of herverzekeringsonderneming naar Belgisch recht, de nodige maatregelen als bedoeld in Titel VI van deze wet om de vastgestelde situatie zo spoedig mogelijk recht te zetten; 2° ten aanzien van de moederverzekeringsholding of de gemengde financiële moederholding naar Belgisch recht, de nodige maatregelen als bedoeld in de artike- len 508, § 1 en 517, § 1, 1° tot 5° om de vastgestelde situatie zo spoedig mogelijk recht te zetten. Indien de Bank in het in het eerste lid bedoelde geval niet de groepstoezichthouder is, neemt zij de in dit lid bedoelde maatregelen respectievelijk ten aanzien van de verzekerings- of herverzekeringsonderneming of de verzekeringsholding of de gemengde financiële holding, op verzoek van de groepstoezichthouder of op eigen initiatief beweging, rekening houdend met de bevindin- gen van de groepstoezichthouder met betrekking tot de naleving van de bepalingen die van toepassing zijn op die entiteiten. Indien nodig coördineert de Bank de met toepassing van dit artikel genomen maatregelen met de betrokken toezichthouders, met inbegrip van, naargelang het ge- val, de groepstoezichthouder. Art. 442 Wanneer de Bank, in haar hoedanigheid van groeps- toezichthouder, vaststelt dat de verzekerings- of her- verzekeringsondernemingen met zetel in een andere informations dont ils ont pris connaissance en exécution de l’alinéa 1er. Sous-section VII Mesures prudentielles Art. 441 Lorsque les entreprises d’assurance ou de réassu- rance de droit belge soumises à un contrôle au niveau du groupe, ne se conforment pas aux exigences prévues par ou en vertu du présent Chapitre ou des mesures d’exécution de la Directive 2009/138/CE, ou lorsque ces exigences sont respectées mais que la solvabilité du groupe risque malgré tout d’être compromise, ou lorsque les transactions intragroupe ou les concen- trations de risques menacent la situation financière desdites entreprises d’assurance ou de réassurance, la Banque, en sa qualité de contrôleur du groupe prend, 1° à l’égard de l’entreprise d’assurance ou de réassu- rance participante de droit belge, les mesures visées au Titre VI de la présente loi qui sont nécessaires pour qu’il soit remédié dès que possible à la situation constatée; 2° à l’égard de la société holding d’assurance ou de la compagnie financière mixte entreprise mère de droit belge, les mesures visées aux articles 508, § 1er et 517, § 1er, 1° à 5° qui sont nécessaires pour qu’il soit remédié dès que possible à la situation constatée. Lorsque, dans la situation visée à l’alinéa 1er, la Banque n’est pas le contrôleur du groupe, elle prend les mesures qui y sont visées, respectivement, à l’égard de l’entreprise d’assurance ou de réassurance ou de la société holding d’assurance ou de la compagnie finan- cière mixte, à la demande du contrôleur du groupe ou de sa propre initiative, tenant compte des constatations formulées par le contrôleur du groupe quant au respect des dispositions applicables à ces entités. S’il y a lieu, la Banque coordonne les mesures prises en application du présent article avec les autorités de contrôle concernées, en ce compris, selon le cas, avec le contrôleur du groupe. Art. 442 Lorsque la Banque, en sa qualité de contrôleur du groupe, constate que les entreprises d’assurance ou de réassurance ayant leur siège social dans un État 1025 1584/002 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 lidstaat dan België die in het door haar uitgeoefende toezicht op groepsniveau zijn betrokken, de voorschrif- ten van Richtlijn 2009/138/EG of van haar uitvoerings- maatregelen niet naleven, of indien die voorschriften in acht worden genomen maar de groepssolvabiliteit toch dreigt te worden ondermijnd, of indien de intragroep- transacties of de risicoconcentraties de financiële positie van de genoemde verzekerings- of herverzekeringson- dernemingen bedreigen, deelt zij haar bevindingen mee aan de toezichthouder van de lidstaat waar, naargelang van het geval, de deelnemende moederverzekerings- of -herverzekeringsonderneming of de moederverzeke- ringsholding of de gemengde financiële moederholding, haar zetel heeft, opdat deze toezichthouder de in zijn nationale wetgeving bepaalde maatregelen neemt die nodig zijn om de vastgestelde situatie zo spoedig mo- gelijk recht te zetten. Afdeling IV Verzekeringsholdings en gemengde financiële holdings Art. 443 Onverminderd artikel 348 zijn de artikelen 39, 40, 41, 45, § § 1, 3 en 4, 46, § § 1, 3 en 4, 47, 64 tot 72, 81, 82, 83, 93 et 94 eveneens van overeenkomstige toepassing op alle verzekeringsholdings naar Belgisch recht en alle gemengde financiële holding naar Belgisch recht die in een toezicht op groepsniveau zijn betrokken. Onverminderd artikel 441 zijn de artikelen 508, § 1 en 517 van toepassing op de verzekeringsholding naar Belgisch recht en op de gemengde financiële holding naar Belgisch recht bij overtreding van de bepalingen van het eerste lid. Art. 444 In haar hoedanigheid van groepstoezichthouder stelt de Bank de lijst op van de verzekeringsholdings die betrokken zijn in het door haar uitgeoefende toezicht op groepsniveau. Zij maakt deze lijst over aan de toezichthouders van de andere lidstaten, aan EIOPA en aan de Europese Commissie. membre autre que la Belgique, et soumises à un contrôle au niveau du groupe qu’elle est chargée d’exercer, ne se conforment pas aux exigences prévues par la Directive 2009/138/CE ou par ses mesures d’exécu- tion, ou lorsque ces exigences sont respectées mais que la solvabilité du groupe risque malgré tout d’être compromise, ou lorsque les transactions intragroupe ou les concentrations de risques menacent la situation financière desdites entreprises d’assurance ou de réas- surance, elle communique ses constatations à l’autorité de contrôle de l’État membre dans lequel, selon le cas, l’entreprise d’assurance ou de réassurance participante ou la société holding d’assurance ou la compagnie financière mixte entreprise mère a son siège social, afin que cette autorité de contrôle prenne les mesures prévues par sa législation nationale qui sont nécessaires pour qu’il soit remédié dès que possible à la situation constatée. Section IV Sociétés holding d’assurance et compagnies financières mixtes Art. 443 Sans préjudice de l’article 348, les articles 39, 40, 41, 45, § § 1er, 3 et 4, 46, § § 1er, 3 et 4, 47, 64 à 72, 81, 82, 83, 93 et 94 sont applicables par analogie à toute société holding d’assurance de droit belge et toute compagnie financière mixte de droit belge incluses dans un contrôle au niveau du groupe. Sans préjudice de l’article 441, les articles 508, § 1er et 517 sont applicables à la société holding d’assurance de droit belge et à la compagnie financière mixte de droit belge en cas de violation des dispositions visées à l’alinéa 1er. Art. 444 La Banque, en sa qualité de contrôleur du groupe, établit la liste des sociétés holding d’assurance incluses dans le contrôle au niveau du groupe qu’elle exerce. Elle communique cette liste aux autorités de contrôle des autres États membres, à l’EIOPA et à la Commission européenne. 1026 1584/002 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 Afdeling V Moederondernemingen met zetel in een derde land Art. 445 Wanneer de verzekerings- of herverzekeringsonder- neming als moederonderneming een verzekeringshol- ding, een gemengde financiële holding van een derde land of een verzekerings- of herverzekeringsonderne- ming van een derde land heeft, verifieert de Bank, indien zij de toezichthouder is die de groepstoezichthouder zou zijn indien de criteria van artikel 247, lid 2 van Richtlijn 2009/138/EG van toepassing waren (hierna “de funge- rend groepstoezichthouder” genoemd) of deze verze- kerings- of herverzekeringsonderneming onderworpen is aan een door een toezichthouder van een derde land uitgeoefend toezicht dat gelijkwaardig is aan het toezicht waarin Titel III van Richtlijn 2009/138/EG voorziet voor de deelnemende verzekerings- of herverzekeringson- dernemingen of voor de verzekerings- of herverzeke- ringsondernemingen waarvan de moederonderneming een verzekeringsholding of een gemengde financiële holding met zetel in een lidstaat is. De Bank verricht de in het eerste lid bedoelde veri- ficatie wanneer de Europese Commissie geen gede- legeerde handeling heeft vastgesteld overeenkomstig artikel 260, lid 3 of 5 van Richtlijn 2009/138/EG om te bepalen of het prudentieel regime van het betrokken derde land gelijkwaardig is aan dat waarin Titel III van Richtlijn 2009/138/EG voorziet. Zij doet dit op verzoek van de moederonderneming of van de dochterverze- kerings- of herverzekeringsonderneming of op haar eigen initiatief. Voor de in het tweede lid bedoelde verificatie wordt de Bank, in haar hoedanigheid van fungerend groeps- toezichthouder, bijgestaan door EIOPA overeenkom- stig artikel 33, lid 2 van Verordening nr. 1094/2010. Zij raadpleegt de betrokken toezichthouders alvorens een besluit over de gelijkwaardigheid te nemen. Dit besluit wordt genomen op grond van de criteria die overeen- komstig artikel 260, lid 2 van Richtlijn 2009/138/EG zijn vastgesteld. In haar hoedanigheid van fungerend groepstoezicht- houder neemt de Bank ten aanzien van een derde land geen enkel besluit dat indruist tegen eventueel in een eerder stadium ten aanzien van dat derde land genomen besluiten, tenzij zulks noodzakelijk is als gevolg van belangrijke wijzigingen in de toezichtsregeling die is vastgelegd in Richtlijn 2009/138/EG of in de toezichts- regeling van het derde land. Section V Entreprises mères ayant leur siège social dans un pays tiers Art. 445 Lorsque l’entreprise d’assurance ou de réassurance a pour entreprise mère une société holding d’assurance, une compagnie financière mixte d’un pays tiers ou une entreprise d’assurance ou de réassurance d’un pays tiers, la Banque, lorsqu’elle est l’autorité de contrôle qui jouerait le rôle de contrôleur du groupe si les critères énoncés à l’article 247, paragraphe 2, de la Directive 2009/138/CE devaient s’appliquer (ci-après dénommé “contrôleur f.f. du groupe”), vérifie si cette entreprise d’assurance ou de réassurance est soumise à un contrôle par une autorité de pays tiers, équivalent à celui prévu par le Titre III de la Directive 2009/138/CE pour les entreprises d’assurance et de réassurance participantes ou les entreprises d’assurance et de réassurance dont l’entreprise mère est une société holding d’assurance ou une compagnie financière mixte dont le siège social est situé dans un État membre. La Banque procède à la vérification visée à l’alinéa 1er lorsque la Commission européenne n’a pas adopté d’acte délégué conformément à l’article 260, para- graphe 3 ou 5 de la Directive 2009/138/CE déterminant l’équivalence du régime prudentiel du pays tiers concer- né, à celui établi par le Titre III de la Directive 2009/138/ CE. Elle agit à la demande de l’entreprise mère ou de l’entreprise d’assurance ou de réassurance filiale, ou de sa propre initiative. Aux fins de la vérification prévue à l’alinéa 2, la Banque, en sa qualité de contrôleur f.f. du groupe, est assistée par l’EIOPA conformément à l’article 33, paragraphe 2, du Règlement n° 1094/2010. Elle consulte les autorités de contrôle concernées avant de se pro- noncer sur l’équivalence. La décision est prise sur la base des critères adoptés en vertu de l’article 260, paragraphe 2 de la Directive 2009/138/CE. La Banque, en sa qualité de contrôleur f.f. du groupe ne prend aucune décision à l’égard d’un pays tiers qui s’oppose à une décision prise antérieurement à l’égard dudit pays tiers, à moins qu’il ne soit nécessaire de prendre en compte des modifications significatives dans le régime de contrôle instauré par la Directive 2009/138/ CE ou dans le régime de contrôle du pays tiers. 1027 1584/002 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 Art. 446 Overeenkomstig artikel 260, lid 1, vierde alinea van Richtlijn 2009/138/EG kan de Bank de zaak aan EIOPA voorleggen en om haar bijstand verzoeken, overeen- komstig artikel 19  van Verordening nr.  1094/2010, wanneer zij het oneens is met het door de fungerend groepstoezichthouder genomen besluit over de ge- lijkwaardigheid van de regeling voor het prudentieel toezicht van een derde land. Art. 447 Wanneer er sprake is van gelijkwaardig toezicht in de zin van artikel 260 van Richtlijn 2009/138/EG, vertrouwt de Bank op het gelijkwaardige toezicht op groepsniveau dat wordt uitgeoefend door de toezichthouders van het derde land, met dien verstande dat de artikelen 441 en 442 en de Afdelingen III en IV van dit Hoofdstuk van overeenkomstige toepassing zijn op de samenwerking met de toezichthouders van derde landen. Het eerste lid is ook van toepassing wanneer de Europese Commissie overeenkomstig artikel 260, lid 7 van Richtlijn 2009/138/EG heeft vastgesteld dat er sprake is van tijdelijke gelijkwaardigheid, tenzij er in een lidstaat een verzekerings- of herverzekeringsonderne- ming is met een balanstotaal dat groter is dan het balan- stotaal van de moederonderneming in een derde land. In dat geval wordt de functie van groepstoezichthouder uitgeoefend door de fungerend groepstoezichthouder. Art. 448 § 1. Indien er geen sprake is van gelijkwaardig toe- zicht in de zin van artikel 260 van Richtlijn 2009/138/ EG, past de Bank, in haar hoedanigheid van groeps- toezichthouder, op de verzekerings- of herverzeke- ringsonderneming waarvan de moederonderneming een verzekeringsholding, een gemengde financiële holding van een derde land of een verzekerings- of herverzekeringsonderneming van een derde land is, op overeenkomstige wijze de bepalingen toe die door of krachtens dit Hoofdstuk zijn vastgelegd. De in de Afdelingen I tot IV van dit Hoofdstuk be- doelde algemene beginselen en methodes zijn van toepassing op het niveau van de verzekeringsholding, de gemengde financiële holding of de verzekerings- of herverzekeringsonderneming van het derde land. Uitsluitend voor de berekening van de groepssolva- biliteit wordt de moederonderneming behandeld alsof het een verzekerings- of herverzekeringsonderneming Art. 446 Conformément à l’article 260, paragraphe 1er, ali- néa 4 de la Directive 2009/138/CE, la Banque peut saisir l’EIOPA et solliciter son assistance, conformément à l’article 19 du Règlement no 1094/2010, lorsqu’elle est en cas de désaccord avec la décision prise par le contrôleur f.f. du groupe sur l’équivalence du régime de contrôle prudentiel d’un pays tiers. Art. 447 En cas d’équivalence de contrôle, au sens de l’article 260 de la Directive 2009/138/CE, la Banque s’appuie sur le contrôle au niveau du groupe exercé de façon équivalente par les autorités de pays tiers, étant entendu que les articles 441 et 442 ainsi que les Sections III et IV du présent Chapitre sont applicables par analogie à la coopération avec les autorités de pays tiers. L’alinéa 1er est également applicable en cas d’équi- valence temporaire déterminée par la Commission européenne conformément à l’article 260, paragraphe 7 de la Directive 2009/138/CE, sauf si une entreprise d’assurance ou de réassurance située dans un État membre présente un bilan total supérieur au bilan total de l’entreprise mère située dans un pays tiers. Dans ce cas, la tâche du contrôleur du groupe est exercée par le contrôleur f.f. du groupe. Art. 448 § 1er. À défaut de contrôle équivalent au sens de l’article 260 de la Directive 2009/138/CE, la Banque, en sa qualité de contrôleur du groupe, applique à l’entre- prise d’assurance ou de réassurance dont l’entreprise mère est une société holding d’assurance, une compa- gnie financière mixte d’un pays tiers ou une entreprise d’assurance ou de réassurance d’un pays tiers, de manière analogue les dispositions prévues par ou en vertu du présent Chapitre. Les principes généraux et méthodes visés aux Sections Ire à IV du présent Chapitre s’appliquent au niveau de la société holding d’assurance, de la com- pagnie financière mixte ou de l’entreprise d’assurance ou de réassurance du pays tiers. Aux seules fins du calcul de la solvabilité du groupe, l’entreprise mère est considérée comme une entreprise d’assurance ou de réassurance soumise aux mêmes 1028 1584/002 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 was die onderworpen is aan dezelfde voorwaarden als die van de artikelen 140 tot 150, wat het voor de dek- king van het solvabiliteitskapitaalvereiste in aanmerking komend eigen vermogen betreft en aan: 1°  een overeenkomstig de beginselen van artikel 366  bepaald solvabiliteitskapitaalvereiste indien het een verzekeringsholding of een gemengde financiële holding betreft; 2° een overeenkomstig de beginselen van artikel 367 bepaald solvabiliteitskapitaalvereiste indien het een verzekerings- of herverzekeringsonderneming van een derde land betreft. § 2. In afwijking van paragraaf 1, is de Bank, in haar hoedanigheid van groepstoezichthouder, gemachtigd om na overleg met de betrokken toezichthouders, an- dere methodes toepassen die een passend toezicht op de in het eerste lid bedoelde verzekerings- of herver- zekeringsonderneming waarborgen en de mogelijkheid bieden de doeleinden van het toezicht op groepsniveau als omschreven in Titel III van Richtlijn 2009/138/EG te verwezenlijken. De Bank kan meer bepaald verlangen dat een verze- keringsholding met zetel in de Europese Economische Ruimte of een gemengde financiële holding met zetel in de Europese Economische Ruimte wordt opgericht, en op de verzekerings- of herverzekeringsondernemin- gen in de groep aan het hoofd waarvan deze verzeke- ringsholding of gemengde financiële holding staat, dit Hoofdstuk toepassen. De Bank deelt aan de betrokken toezichthouders en aan de Europese Commissie alle besluiten mee die overeenkomstig deze paragraaf worden genomen. Art. 449 Wanneer de in artikel 445 bedoelde moederonder- neming zelf een dochteronderneming van een verzeke- ringsholding of een gemengde financiële holding met zetel in een derde land, dan wel een verzekerings- of herverzekeringsonderneming van een derde land is, voert de Bank als fungerend groepstoezichthouder de verificatie als bedoeld in artikel 445 alleen uit op het niveau van de uiteindelijke moederonderneming die een verzekeringsholding van een derde land, een ge- mengde financiële holding van een derde land of een verzekerings- of herverzekeringsonderneming van een derde land is. conditions que celles établies aux articles 140 à 150, en ce qui concerne les fonds propres éligibles pour couvrir le capital de solvabilité requis et à l’une des exigences suivantes: 1° un capital de solvabilité requis déterminé confor- mément aux principes de l’article 366 s’il s’agit d’une société holding d’assurance ou d’une compagnie financière mixte; 2° un capital de solvabilité requis déterminé confor- mément aux principes de l’article 367 s’il s’agit d’une entreprise d’assurance ou de réassurance d’un pays tiers. § 2. Par dérogation au paragraphe 1er, la Banque, en sa qualité de contrôleur du groupe, est habilitée, après consultation des autorités de contrôle concer- nées, à appliquer d’autres méthodes garantissant un contrôle approprié de l’entreprise d’assurance ou de réassurance visée au paragraphe 1er et permettant la réalisation des objectifs de contrôle au niveau du groupe conformément au Titre III de la Directive 2009/138/CE. La Banque peut, en particulier, exiger la constitution d’une société holding d’assurance ayant son siège social dans l’Espace économique européen ou d’une compagnie financière mixte ayant son siège social dans l’Espace économique européen et appliquer le présent Chapitre aux entreprises d’assurance ou de réassurance du groupe dirigé par cette société holding d’assurance ou cette compagnie financière holding mixte. La Banque communique aux autorités de contrôle concernées et à la Commission européenne toute décision prise en application du présent paragraphe. Art. 449 Lorsque l’entreprise mère visée à l’article 445 est elle-même filiale d’une société holding d’assurance ou d’une compagnie financière mixte ayant son siège social dans un pays tiers ou d’une entreprise d’assurance ou de réassurance d’un pays tiers, la Banque, en sa qualité de contrôleur f.f. du groupe, procède à la vérifi- cation prévue par l’article 445 uniquement au niveau de l’entreprise mère supérieure qui est une société holding d’assurance d’un pays tiers, une compagnie financière mixte d’un pays tiers ou une entreprise d’assurance ou de réassurance d’un pays tiers. 1029 1584/002 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 In haar hoedanigheid van fungerend groepstoe- zichthouder kan de Bank evenwel, bij gebreke van een gelijkwaardig toezicht in de zin van artikel 260 van Richtlijn 2009/138/EG, een nieuwe verificatie uitvoeren op een lager niveau waar er een moederonderneming van verzekerings- of herverzekeringsondernemingen bestaat, ongeacht of het een verzekeringsholding van een derde land, een gemengde financiële holding van een derde land of een verzekerings- of herverzekerings- onderneming van een derde land betreft. Zij legt haar besluit uit aan de groep. Artikel 448 is van overeenkomstige toepassing. Afdeling VI Gemengde verzekeringsholdings Art. 450 § 1. Wanneer een of meer verzekerings- of herverze- keringsondernemingen naar Belgisch recht als moeder- onderneming een gemengde verzekeringsholding heb- ben, kan de Bank alle gegevens en inlichtingen vragen die zij nodig acht voor de uitoefening van haar toezicht op individuele basis en op groepsniveau, op deze ver- zekerings- of herverzekeringsondernemingen, hetzij rechtstreeks van de gemengde verzekeringsholding, hetzij via de dochterverzekerings- of herverzekerings- ondernemingen. In dit laatste geval blijft de gemengde verzekeringsholding samen met de rapporterende verzekerings- of herverzekeringsonderneming verant- woordelijk voor de juistheid en stipte mededeling van de verstrekte informatie. Indien de in het eerste lid bedoelde gemengde verzekeringsholding een onderneming naar Belgisch recht is, beschikt zij over een passende administratieve en boekhoudkundige organisatie en interne controle, teneinde de juistheid en conformiteit met de geldende regels te waarborgen van de te verstrekken gegevens en inlichtingen. § 2. De Bank kan de met toepassing van paragraaf 1  verstrekte gegevens en inlichtingen ter plaatse controleren. Indien de gemengde verzekeringsholding of een van haar dochterondernemingen in een andere lidstaat dan België is gevestigd, geschiedt de controle ter plaatse van de informatie in overeenstemming met de procedure die vervat is in artikel 429. Indien die gemengde verze- keringsholding of een van de dochterondernemingen La Banque, en sa qualité de contrôleur f.f. du groupe, peut toutefois, en l’absence d’un contrôle équivalent au sens de l’article 260 de la Directive 2009/108/CE, procéder à une nouvelle vérification à un niveau inférieur où existe une entreprise mère d’entreprises d’assurance ou de réassurance, que ce soit au niveau d’une société holding d’assurance d’un pays tiers, d’une compagnie financière mixte d’un pays tiers ou d’une entreprise d’assurance ou de réassurance d’un pays tiers. Elle explique sa décision au groupe. L’article 448 est applicable par analogie. Section VI Sociétés holding mixtes d’assurance Art. 450 § 1er. Lorsqu’une ou plusieurs entreprises d’assu- rance ou de réassurance de droit belge ont pour entre- prise mère une société holding mixte d’assurance, la Banque peut demander toutes les données et informa- tions qu’elle juge nécessaires pour l’exercice de son contrôle sur base individuelle et au niveau du groupe, de ces entreprises d’assurance ou de réassurance, soit directement à la société holding mixte d’assurance, soit par l’intermédiaire des entreprises d’assurance ou de réassurance filiales. Dans ce dernier cas, la société holding mixte d’assurance demeure, avec l’entreprise d’assurance ou de réassurance faisant rapport, res- ponsable du caractère correct et de la communication ponctuelle des informations fournies. Si la société holding mixte d’assurance visée à l’ali- néa 1er est une entreprise de droit belge, elle dispose d’une organisation administrative et comptable et d’un contrôle interne adéquats, afin de garantir que les infor- mations et renseignements à fournir soient corrects et conformes aux règles applicables. § 2. La Banque peut contrôler sur place les données et informations fournies en application du paragraphe 1er. Si la société holding mixte d’assurance ou une de ses filiales est établie dans un État membre autre que la Belgique, le contrôle sur place des informations se fait selon la procédure énoncée à l’article 429. Si cette société holding mixte d’assurance ou une de ses filiales est un établissement de crédit ou une entreprise 1030 1584/002 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 daarvan een kredietinstelling of een beleggingsonder- neming is, kan ook de procedure van artikel 420 worden gevolgd. Wanneer de gemengde verzekeringsholding of een van haar dochterondernemingen haar zetel buiten de Europese Economische Ruimte heeft, worden de mo- daliteiten voor de uitvoering van het bepaalde bij para- graaf 1 vastgelegd in samenwerkingsovereenkomsten tussen de Bank en de betrokken autoriteiten van derde landen, in voorkomend geval overeenkomstig artikel 36/16, § 2 van de wet van 22 februari 1998, of in samen- werkingsovereenkomsten die de Europese Commissie heeft gesloten overeenkomstig het bepaalde in artikel 264 van Richtlijn 2009/138/EG. § 3. De Bank kan de met toepassing van paragraaf 1 verstrekte gegevens en inlichtingen laten verifiëren op hun juistheid en volledigheid: 1°  wanneer de rapporterende onderneming een vennootschap naar Belgisch recht is, door de erkend commissaris van deze onderneming; 2°  wanneer de rapporterende onderneming haar zetel buiten België heeft, door de erkend commissaris van de verzekerings- of herverzekeringsonderneming naar Belgisch recht die een dochteronderneming van de gemengde verzekeringsholding is. Wat de gegevens en inlichtingen betreft die uitgaan van gemengde holdings en hun dochterondernemingen, is voor de erkend commissarissen het recht bedoeld in artikel 440 op overeenkomstige wijze van toepassing. § 4. De in paragraaf 1 bedoelde gegevens en in- lichtingen moeten de Bank met name in staat stellen de volgende aspecten te beoordelen: de soliditeit van de verzekerings- of herverzekeringsonderneming, de invloed van de gemengde verzekeringsholding op het beleid van de dochterverzekerings- of -herverze- keringsondernemingen, en de transacties tussen de verzekerings- of herverzekeringsonderneming en de gemengde verzekeringsholding. § 5. De in paragraaf 1 bedoelde verzekerings- of herverzekeringsondernemingen beschikken over pas- sende risicobeheerprocessen en internecontrolemecha- nismen, met inbegrip van gedegen rapporterings- en boekhoudkundige systemen, met het oog op een pas- sende herkenning, meting, bewaking en controle van transacties met hun gemengde moederverzekerings- holding en de met haar verbonden ondernemingen. Zij rapporteren alle belangrijke transacties met deze d’investissement, la procédure énoncée à l’article 420 peut également être appliquée. Lorsque la société holding mixte d’assurance ou une de ses filiales a son siège social en dehors de l’Espace économique européen, les modalités d’exécution des dispositions du paragraphe 1er sont réglées dans des accords de coopération que la Banque conclut avec les autorités de pays tiers concernés, le cas échéant conformément à l’article 36/16, § 2 de la loi du 22 février 1998 ou que la Commission européenne a conclus conformément aux dispositions de l’article 264 de la Directive 2009/138/CE. § 3. La Banque peut faire vérifier le caractère correct et complet des informations et renseignements commu- niqués en application du paragraphe 1er: 1° lorsque l’entreprise faisant rapport est une société de droit belge, par le commissaire de cette entreprise; 2° lorsque l’entreprise faisant rapport a établi son siège social en dehors de la Belgique, par le commis- saire agréé de l’entreprise d’assurance ou de réas- surance de droit belge que la société holding mixte d’assurance a pour filiale. En ce qui concerne les informations et renseigne- ments émanant de compagnies mixtes et de leurs filiales, le droit visé à l’article 440 s’applique par ana- logie aux commissaires agréés. § 4. Les informations et renseignements visés au pa- ragraphe 1er doivent permettre à la Banque d’apprécier, notamment, la solidité des entreprise d’assurance ou de réassurance, l’influence de la société holding mixte d’assurance sur la gestion des entreprises d’assurance ou de réassurance filiales, et les opérations des entre- prises d’assurance ou de réassurance avec la société holding mixte d’assurance. § 5. Les entreprises d’assurance ou de réassurance visées au paragraphe 1er disposent de processus de gestion des risques, ainsi que de mécanismes de contrôle interne adéquats, y compris de procédures saines d’information et de comptabilité, afin de détec- ter, de mesurer, de suivre et de contrôler de manière appropriée les transactions effectuées avec leur société holding mixte d’assurance mère et les entreprises liées à celle-ci. Elles déclarent toutes les transactions 1031 1584/002 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 entiteiten. Deze procedures en belangrijke transacties worden door de Bank gecontroleerd. De artikelen 390, 391, 417 tot 430, 441, leden 1, 2°, 2 en 3, en 442 zijn van overeenkomstige toepassing. Indien de aard en de omvang van de in het eerste lid bedoelde transacties een bedreiging vormen voor de financiële positie van de dochterverzekerings- of -herverzekeringsonderneming naar Belgisch recht, neemt de Bank passende maatregelen. Onverminderd eventuele andere maatregelen kan zij eisen dat deze verrichtingen worden stopgezet. HOOFDSTUK III Aanvullend conglomeraatstoezicht Afdeling I Toepassingsgevallen, reikwijdte en niveaus van het aanvullende conglomeraatstoezicht Onderafdeling I Toepassingsgevallen van het aanvullende conglomeraatstoezicht Art. 451 In de mate en op de wijze bepaald in dit Hoofdstuk en de uitvoeringsbesluiten en -reglementen ervan zijn verzekerings- of herverzekeringsondernemingen naar Belgisch recht 1° die aan het hoofd staan van een financieel con- glomeraat; of 2° met als moederonderneming een gemengde fi- nanciële holding met zetel in een lidstaat o n d e r w o r p e n a a n e e n a a n v u l l e n d conglomeraatstoezicht. Indien meerdere gereglementeerde ondernemingen dochteronderneming zijn van de in het eerste lid, 2° bedoelde gemengde financiële holding, is het aanvul- lende conglomeraatstoezicht alleen van toepassing op de verzekerings- of herverzekeringsonderneming naar Belgisch recht voor zover de Bank, met toepas- sing van artikel 471 bevoegd is voor het aanvullende conglomeraatstoezicht. Het aanvullende conglomeraatstoezicht doet geen afbreuk aan het individuele toezicht van elke d’importance significative effectuées avec ces entités. Ces procédures et transactions d’importance significa- tive font l’objet d’un contrôle par la Banque. Les articles 390, 391, 417 à 430, 441, alinéas 1er, 2°, 2 et 3, et 442 sont applicables par analogie. Si la nature et l’ampleur des transactions visées à l’alinéa 1er compromettent la situation financière de l’entreprise d’assurance ou de réassurance de droit belge filiale, la Banque prend des mesures appropriées. Sans préjudice d’autres mesures éventuelles, elle peut exiger qu’il soit mis fin à ces opérations. CHAPITRE III Surveillance complémentaire des conglomérats Section Ire Cas d’application, portée et niveaux de la surveillance complémentaire des conglomérats Sous-section Ire Cas d’application de la surveillance complémentaire des conglomérats Art. 451 Dans la mesure et selon les modalités prévues par le présent Chapitre et ses arrêtés et règlements d’exécution, les entreprises d’assurance ou de réas- surance de droit belge: 1° qui sont à la tête d’un conglomérat financier; ou 2° dont l’entreprise mère est une société financière mixte ayant son siège dans un État membre sont soumises à une surveillance complémentaire des conglomérats. Si plusieurs entreprises réglementées sont des filiales de la compagnie financière mixte visée à l’alinéa 1er, 2°, la surveillance complémentaire des conglomérats s’applique uniquement à l’entreprise d’assurance ou de réassurance de droit belge, pour autant que la Banque soit compétente pour la surveillance complémentaire des conglomérats en application de l’article 471. La surveillance complémentaire des conglomérats ne porte pas préjudice au contrôle individuel de toute 1032 1584/002 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 gereglementeerde onderneming die binnen de reik- wijdte van het het aanvullende conglomeraatstoezicht valt, behoudens andersluidende bepalingen die door of krachtens dit Hoofdstuk zijn vastgelegd. Er kan evenwel rekening worden gehouden met de implicaties van het aanvullende conglomeraatstoezicht bij de bepaling van de inhoud en de modaliteiten van het individueel toezicht op verzekerings- of herverzekeringsondernemingen. Art. 452 § 1. Om te bepalen of een groep een financieel conglomeraat is in de zin van artikel 340, 2°, zijn de in de volgende paragrafen bepaalde drempels van toepassing. § 2. De activiteiten van een groep worden geacht in hoofdzaak in de financiële sector plaats te vinden in de zin van artikel 340, 2°, b), i), indien de verhouding tussen het gezamenlijk balanstotaal van de tot de financiële sector behorende ondernemingen in de groep, en het gezamenlijke balanstotaal van alle tot de groep beho- rende ondernemingen groter is dan 40 %. § . 3. De activiteiten van de tot een groep behorende ondernemingen uit eenzelfde financiële sector worden geacht significant te zijn in de zin van artikel 340, 2°, a), iii) of b), iii), indien: 1° hetzij het gemiddelde van de volgende twee ver- houdingen groter is dan 10 %: de verhouding tussen het gezamenlijke balanstotaal van alle ondernemingen in de groep die behoren tot diezelfde financiële sector en het gezamenlijke balanstotaal van alle tot de groep behorende ondernemingen uit de financiële sector, en de verhouding tussen de gezamenlijke solvabiliteitsver- eisten van alle ondernemingen in de groep die beho- ren tot diezelfde financiële sector en de gezamenlijke solvabiliteitsvereisten van alle tot de groep behorende ondernemingen uit de financiële sector; 2° hetzij het gezamenlijke balanstotaal van de onder- nemingen die behoren tot de kleinste financiële sector in de groep groter is dan 6 miljard euro; Voor de toepassing van het eerste lid: 1° worden de banksector en de beleggingsdiensten- sector samengenomen en beschouwd als behorende tot eenzelfde financiële sector; 2° wordt onder de kleinste financiële sector in een financieel conglomeraat verstaan, de financiële sector met het kleinste gemiddelde en onder de belangrijkste entreprise réglementée qui relève de la portée de la surveillance complémentaire des conglomérats, sauf dispositions contraires prévues par ou en vertu du présent Chapitre. Il peut toutefois être tenu compte des implications de la surveillance complémentaire des conglomérats dans la détermination du contenu et des modalités du contrôle individuel des entreprises d’assurance ou de réassurance. Art. 452 § 1er. Pour déterminer si un groupe est un conglomérat financier au sens de l’article 340, 2°, les seuils définis aux paragraphes suivants sont d’application. § 2. Les activités d’un groupe sont réputées s’exer- cer principalement dans le secteur financier au sens de l’article 340, 2°, b), i), si le rapport entre le total du bilan commun des entreprises du groupe appartenant au secteur financier et le total du bilan commun de l’ensemble des entreprises du groupe dépasse 40 %. § 3. Les activités des entreprises d’un groupe qui font partie du même secteur financier sont réputées importantes au sens de l’article 340, 2°, a), iii) ou b), iii) si 1° soit la moyenne des deux rapports suivants est supérieure à 10 %: le rapport entre le total du bilan com- mun de l’ensemble des entreprises du groupe qui font partie dudit même secteur financier et le total du bilan commun de l’ensemble des entreprises du groupe qui appartiennent au secteur financier, et le rapport entre les exigences de solvabilité communes de l’ensemble des entreprises du groupe qui font partie dudit même secteur financier et les exigences de solvabilité communes de l’ensemble des entreprises du groupe qui appartiennent au secteur financier; 2° soit le total du bilan commun des entreprises qui font partie du secteur financier le moins important au sein du groupe est supérieur à 6 milliards d’euros. Pour l’application de l’alinéa 1er: 1° le secteur bancaire et le secteur des services d’investissement sont agrégés et considérés comme faisant partie du même secteur financier; 2° le secteur financier le moins important au sein d’un conglomérat financier s’entend du secteur financier qui présente la moyenne la plus basse et le secteur 1033 1584/002 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 financiële sector in een financieel conglomeraat, de sector met het grootste gemiddelde. § 4. De relevante bevoegde autoriteiten kunnen bij onderlinge overeenkomst besluiten een groep niet als een financieel conglomeraat aan te merken of kunnen besluiten de bepalingen van de artikelen 7, 8, 9 en 9bis van Richtlijn 2002/87/EG niet toe te passen, indien zij oordelen dat het onder de werkingssfeer van het aan- vullende conglomeraatstoezicht brengen van de groep of de toepassing van die bepalingen in het licht van de doeleinden van het aanvullende conglomeraatstoezicht onnodig, ongepast of misleidend is, in de hierna vol- gende gevallen: 1° indien de groep de in paragraaf 3, eerste lid, 2° bedoelde drempel bereikt, maar het in paragraaf 3, eerste lid, 1° bedoelde gemiddelde onder de 10 % blijft; 2° indien de groep het in paragraaf 3, eerste lid, 1° bedoelde gemiddelde bereikt, maar de kleinste sector onder het in paragraaf 3, eerste lid, 2° bedoelde bedrag van 6 miljard euro blijft. Besluiten genomen met toepassing van het eerste lid worden aan de andere bevoegde autoriteiten mee- gedeeld, en deze worden, behoudens buitengewone omstandigheden, door de bevoegde autoriteiten open- baar gemaakt. § 5. Voor de toepassing van de paragrafen 2 tot 4 kun- nen de relevante bevoegde autoriteiten gezamenlijk beslissen om: 1° voor de berekening van de drempels een onderne- ming buiten beschouwing te laten, om dezelfde reden als zij met toepassing van artikel 458, § 2 kunnen worden weggelaten voor de berekening van de solvabiliteitsver- eisten, tenzij de entiteit van een lidstaat naar een derde land verhuisd is en er aanwijzingen zijn dat de entiteit haar locatie veranderd heeft om zich aan de regulering te onttrekken; 2° een groep die niet meer voldoet aan de drempels van de paragrafen 2 tot 4, maar die er gedurende drie opeenvolgende jaren aan voldaan heeft, als een finan- cieel conglomeraat aan te merken teneinde een plotse verandering van toezichtregime te voorkomen, dan wel anders te beslissen of een eerder genomen beslissing te herzien omwille van blijvende significante wijzigingen in de structuur van de groep; 3° één of meer deelnemingen in de kleinste sector buiten beschouwing laten indien deze deelnemingen bepalend zijn voor de identificatie van een groep als financier le plus important au sein d’un conglomérat financier s’entend du secteur qui présente la moyenne la plus élevée. § 4. Les autorités compétentes relevantes peuvent décider, d’un commun accord, de ne pas considérer un groupe comme un conglomérat financier ou de ne pas appliquer les dispositions des articles 7, 8 et 9 et 9bis de la Directive 2002/87/CE, si elles estiment que l’inclusion du groupe dans le champ d’application de la surveillance complémentaire des conglomérats ou l’application de ces dispositions n’est pas nécessaire, ou inappropriée ou source de confusion eu égard aux objectifs de la surveillance complémentaire des conglo- mérats et ce, dans les cas suivants: 1° si le groupe atteint le seuil visé au paragraphe 3, ali- néa 1er, 2°, mais que la moyenne visée au paragraphe 3, alinéa 1er, 1° ne dépasse pas les 10 %; 2° si le groupe atteint la moyenne visée au para- graphe 3, alinéa 1er, 1°, mais que le secteur le moins important reste sous le montant de 6 milliards d’euros visé au paragraphe 3, alinéa 1er, 2°. Les décisions qui sont prises en application de l’ali- néa 1er sont communiquées aux autres autorités com- pétentes, et celles-ci sont publiées, sauf circonstances exceptionnelles, par les autorités compétentes. § 5. Pour l’application des paragraphes 2 à 4, les autorités compétentes relevantes peuvent décider d’un commun accord: 1° de ne pas inclure une entreprise dans le calcul des seuils, pour la même raison que cette entreprise peut, en application de l’article 458, § 2 ne pas être incluse dans le calcul des exigences de solvabilité, sauf dans le cas où l’entité a été transférée d’un État membre dans un pays tiers et où il y a des indications qu’elle a changé d’implantation à seule fin d’éviter la réglementation; 2° de considérer comme un conglomérat financier un groupe qui ne satisfait plus aux seuils prévus aux paragraphes 2 à 4, mais qui y a satisfait pendant trois années consécutives, de manière à éviter un brusque changement de régime de surveillance, ou de prendre une autre décision, voire de reconsidérer une décision antérieure, en cas de modification importante et durable de la structure du groupe; 3° d’exclure une ou plusieurs participations dans le secteur le moins important si ces participations sont déterminantes pour l’identification d’un groupe en tant 1034 1584/002 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 financieel conglomeraat en samengenomen van te verwaarlozen belang zijn gelet op de doelstellingen van het aanvullende conglomeraatstoezicht. Indien een groep overeenkomstig de paragrafen 2 tot 4 als financieel conglomeraat wordt aangemerkt, wor- den de in het eerste lid van deze paragraaf bedoelde beslissingen genomen op basis van een voorstel van de Bank indien deze coördinator is. § 6. Voor de toepassing van paragraaf 2 en para- graaf 3, eerste lid, 1° kunnen de relevante bevoegde autoriteiten in uitzonderlijke gevallen bij onderlinge over- eenkomst het gezamenlijke balanstotaal als parameter vervangen door, of aanvullen met, één of meer van de hierna volgende andere parameters, indien zij van oordeel zijn dat deze andere parameters in het licht van de doelstellingen van het aanvullende conglomeraats- toezicht een betere weergave zijn van het bedrijf van de groep; deze andere parameters zijn: de inkomens- structuur, activiteiten buiten balanstelling van de groep en totaal beheerd vermogen. De Bank bepaalt in haar hoedanigheid van coördinator hoe deze parameters dienen te worden berekend. § 7. Indien een aan aanvullend conglomeraatstoezicht onderworpen financieel conglomeraat niet meer voldoet aan een of meerdere van de in de paragrafen 2 tot 4 bepaalde drempels, worden de drempels gedurende de drie volgende jaren als volgt vervangen: 40 % wordt 35 %, 10 % wordt 8 % en 6 miljard euro wordt 5 mil- jard euro, om plotse veranderingen van toezichtregime te voorkomen. In afwijking van het eerste lid kan de Bank, in haar hoedanigheid van coördinator, na instemming van de andere relevante bevoegde autoriteiten, beslissen deze lagere drempels niet of niet meer toe te pas- sen in de voornoemde periode van drie jaar, rekening houdend met de doelstellingen van het aanvullende conglomeraatstoezicht. § 8. De in dit artikel bedoelde berekeningen inzake het gezamenlijke balanstotaal worden gemaakt op ba- sis van het geaggregeerde balanstotaal van de tot de groep behorende ondernemingen, uitgaande van hun meest recente jaarrekening, volgens de voorschriften bepaald door de Bank, indien deze coördinator is. Ondernemingen waarin de groep deelnemingen heeft, worden in aanmerking genomen voor het bedrag van hun balanstotaal dat overeenkomt met het geaggregeer- de proportionele aandeel van de groep. Indien voor een bepaalde groep of delen van de groep geconsolideerde jaarrekeningen worden opgesteld, worden deze gebruikt voor de berekeningen. que conglomérat financier et si, collectivement, elles présentent un intérêt négligeable au regard des objectifs de la surveillance complémentaire. Si un groupe est qualifié de conglomérat financier conformément aux paragraphes 2 à 4, les décisions visées à l’alinéa 1er du présent paragraphe sont prises sur la base d’une proposition de la Banque si elle est coordinateur. § 6. Pour l’application du paragraphe 2 et du para- graphe 3, alinéa 1er, 1°, les autorités compétentes rele- vantes peuvent, dans des cas exceptionnels et d’un commun accord, remplacer ou compléter le paramètre fondé sur le total du bilan commun par l’un des para- mètres suivants ou par plusieurs d’entre eux, si elles estiment que ces paramètres, eu égard aux objectifs de la surveillance complémentaire des conglomérats, reproduisent mieux l’activité du groupe; ces paramètres sont la structure des revenus, les activités hors bilan du groupe et les actifs totaux sous gestion. La Banque, en sa qualité de coordinateur, définit le mode de calcul de ces paramètres. § 7. Si un conglomérat financier soumis à la surveil- lance complémentaire ne satisfait plus à un ou plusieurs des seuils fixés aux paragraphes 2 à 4, ces seuils sont remplacés pour les trois années suivantes, par les seuils suivants: 40 % devient 35 %, 10 % devient 8 % et 6 milliards d’euros devient 5 milliards d’euros, afin d’éviter de brusques changements de régime. Par dérogation à l’alinéa 1er, la Banque, en sa qualité de coordinateur, peut décider, avec l’accord des autres autorités compétentes relevantes, de ne pas ou de ne plus appliquer ces seuils inférieurs durant la période de trois ans précitée, en tenant compte des objectifs de la surveillance complémentaire des conglomérats. § 8. Les calculs relatifs au total du bilan commun, tels que visés dans le présent article, sont effectués sur la base du total du bilan agrégé des entreprises faisant par- tie du groupe, en partant de leurs comptes annuels les plus récents, selon les règles définies par la Banque si elle est coordinateur. Les entreprises dans lesquelles le groupe détient des participations sont prises en compte à concurrence du montant de leur total de bilan qui cor- respond à la part proportionnelle agrégée détenue par le groupe. Si, pour un groupe déterminé ou des parties du groupe, des comptes consolidés sont établis, les calculs sont effectués à partir de ces comptes. 1035 1584/002 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 De in dit artikel bedoelde solvabiliteitsvereisten wor- den berekend volgens de bepalingen van de sectorale regelgeving die op de betrokken gereglementeerde ondernemingen van toepassing is. §  9.  De bevoegde autoriteiten herbeoordelen op jaarbasis de vrijstellingen van de toepassing van het aanvullende conglomeraatstoezicht en evalueren de kwantitatieve indicatoren waarin dit artikel voorziet, alsmede de risicobeoordelingen van financiële groepen. Art. 453 § 1. De Bank gaat na of verzekerings- of herverzeke- ringsondernemingen die overeenkomstig het Belgisch recht een vergunning hebben verkregen, deel uitmaken van een financieel conglomeraat. Daartoe werkt de Bank nauw samen met de bevoegde autoriteiten van andere tot die groep behorende gereglementeerde ondernemingen die overeenkomstig het Europees recht een vergunning hebben verkregen. Indien de Bank van oordeel is dat de betrokken groep een financieel conglomeraat is en niet reeds aan aanvullend conglo- meraatstoezicht onderworpen is, dan deelt zij dit mee aan de andere relevante bevoegde autoriteiten en aan het Gemengd Comité. § 2. In haar hoedanigheid van coördinator, stelt de Bank de moederonderneming van de groep, of bij ont- stentenis van een moederonderneming, de gereglemen- teerde onderneming met het grootste balanstotaal in de belangrijkste financiële sector in de groep, in kennis van de identificatie van de groep als een financieel conglo- meraat, alsmede van haar aanwijzing als coördinator. Zij informeert hierover eveneens de bevoegde autoriteiten van andere tot de groep behorende gereglementeerde ondernemingen die overeenkomstig het Europees recht een vergunning hebben verkregen, de bevoegde auto- riteiten van de lidstaat waar de gemengde financiële holding haar zetel heeft, het Gemengd Comité, alsook, zo zij dit noodzakelijk acht in het licht van de doelstel- lingen van het aanvullende conglomeraatstoezicht, de autoriteiten van derde landen. Onderafdeling II Reikwijdte van het aanvullende conglomeraatstoezicht Art. 454 De in artikel 451 bedoelde verzekerings- of herver- zekeringsondernemingen voldoen aan de vereisten Les exigences de solvabilité visées dans le présent article sont calculées selon les dispositions de la régle- mentation sectorielle qui est applicable aux entreprises réglementées concernées. § 9. Les autorités compétentes réévaluent sur une base annuelle les dispenses à l’application de la sur- veillance complémentaire du conglomérat et examinent les indicateurs quantitatifs prévus au présent article ainsi que les évaluations, fondées sur les risques, des groupes financiers. Art. 453 § 1er. La Banque vérifie si les entreprises d’assurance ou de réassurance agréées conformément au droit belge, font partie d’un conglomérat financier. Elle opère à cet effet en étroite collaboration avec les autorités compétentes d’autres entreprises réglementées appar- tenant à ce groupe qui sont agréées conformément au droit européen. Si la Banque estime que le groupe en question est un conglomérat financier et que ce dernier Ne soit pas déjà soumis à une surveillance complémen- taire des conglomérats, elle en avise les autres autorités compétentes relevantes et le comité mixte. § 2. La Banque, en sa qualité de coordinateur, informe l’entreprise mère du groupe ou, à défaut d’entreprise mère, l’entreprise réglementée qui affiche le total du bilan le plus élevé dans le secteur financier le plus important du groupe, du fait que le groupe a été identifié comme conglomérat financier et qu’elle a été désignée comme coordinateur. Elle en informe également les autorités compétentes des autres entreprises régle- mentées appartenant à ce groupe qui sont agréées conformément au droit européen, les autorités com- pétentes de l’État dans lequel la compagnie financière mixte a son siège social, le comité mixte, ainsi que, si elle le juge nécessaire eu égard aux objectifs de la surveillance complémentaire des conglomérats, les autorités de pays tiers. Sous-section II Portée de la surveillance complémentaire des conglomérats Art. 454 Les entreprises d’assurance ou de réassurance visées à l’article 451 répondent aux exigences visées 1036 1584/002 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 van de artikelen 459 tot 467 op het niveau van het financieel conglomeraat. Deze reikwijdte van het aan- vullende conglomeraatstoezicht stemt overeen met alle ondernemingen, hetzij gereglementeerd, hetzij ongereglementeerd, die deel uitmaken van de groep als gedefinieerd in artikel 340, 1° vertrekkende vanuit de verzekerings- of herverzekeringsonderneming aan het hoofd van het financieel conglomeraat dan wel vanuit de gemengde financiële holding met zetel in de Europese Economische Ruimte. Art. 455 Het aanvullende conglomeraatstoezicht heeft niet tot gevolg dat op een gemengde financiële holding en op elke andere in de reikwijdte van dit toezicht opgenomen onderneming individueel toezicht wordt uitgeoefend. Onderafdeling III Niveaus van het aanvullende conglomeraatstoezicht Art. 456 Wanneer een financieel conglomeraat zelf deel uit- maakt van een ander financieel conglomeraat dat aan een aanvullend conglomeraatstoezicht is onderworpen, kan de Bank, in haar hoedanigheid van coördinator, de in artikel 451 bedoelde verzekerings- of herverzeke- ringsondernemingen die deel uitmaken van de subgroep geheel of gedeeltelijk vrijstellen van het aanvullende conglomeraatstoezicht indien de doelstellingen ervan in voldoende mate bereikt worden door het aanvul- lende conglomeraatstoezicht op het ander financieel conglomeraat. Afdeling II Domeinen van het aanvullende conglomeraatstoezicht Onderafdeling I Aanvullend solvabiliteitstoezicht Art. 457 De in artikel 451 bedoelde verzekerings- of herver- zekeringsondernemingen zijn onderworpen aan een aanvullend solvabiliteitstoezicht op het niveau van de groep. Dit aanvullend toezicht slaat op: aux articles 459 à 467 au niveau du conglomérat finan- cier. Cette portée de la surveillance complémentaire des conglomérats correspond à toutes les entreprises, réglementées ou non, qui font partie du groupe tel que défini à l’article 340, 1°, en prenant comme point de départ l’entreprise d’assurance ou de réassurance qui se situe à la tête du conglomérat financier ou la com- pagnie financière mixte dont le siège est établi dans l’Espace économique européen. Art. 455 La surveillance complémentaire des conglomérats n’entraîne pas l’exercice d’un contrôle individuel sur une compagnie financière mixte, ni sur toute autre entreprise reprise dans la portée de cette surveillance. Sous-section III Niveaux de la surveillance complémentaire des conglomérats Art. 456 Lorsqu’un conglomérat financier fait lui-même partie d’un autre conglomérat financier soumis à une surveil- lance complémentaire des conglomérats, la Banque, en sa qualité de coordinateur, peut exempter, en tout ou en partie, les entreprises d’assurance ou de réassurance visées à l’article 451 qui font partie du sous-groupe, de la surveillance complémentaire des conglomérats si les objectifs de cette dernière sont atteints de manière suffisante par la surveillance complémentaire exercée sur l’autre conglomérat financier. Section II Domaines de la surveillance complémentaire des conglomérats Sous-section Ire Surveillance complémentaire de la solvabilité Art. 457 Les entreprises d’assurance ou de réassurance visées à l’article 451 sont soumises à une surveillance complémentaire de la solvabilité au niveau du groupe. La surveillance complémentaire porte sur: 1037 1584/002 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 1°  de naleving van het vereiste dat er steeds ei- gen vermogen beschikbaar is op het niveau van het financieel conglomeraat dat minstens gelijk is aan de solvabiliteitsvereisten; het eigen vermogen en de solva- biliteitsvereisten op het niveau van het financieel conglo- meraat worden berekend volgens een van de methodes bepaald in Bijlage V, en met naleving van de bepalingen en beginselen opgenomen in Verordening 342/2014; 2° het passende karakter van de beheersprocedures en de internecontroleprocedures met betrekking tot de solvabiliteit van de groep, overeenkomstig het bepaalde in Onderafdeling V van deze Afdeling; 3° het passende karakter van de strategieën inzake eigen vermogen. De in het eerste lid bedoelde voorschriften worden gecontroleerd door de Bank, in haar hoedanigheid van coördinator, overeenkomstig Afdeling IV van dit Hoofdstuk. Zij zorgt ervoor dat de in het eerste lid be- doelde berekening ten minste eenmaal per jaar wordt uitgevoerd. De resultaten van de berekening en de voor de berekening benodigde gegevens worden aan haar voorgelegd door de verzekerings- of herverzekerings- onderneming, door de gemengde financiële holding of door een tot het financieel conglomeraat behorende gereglementeerde onderneming die de Bank na overleg met de andere relevante bevoegde autoriteiten en met het financieel conglomeraat heeft aangewezen. Art. 458 § 1. In afwijking van de reikwijdte van het in arti- kel 454 bedoelde aanvullende conglomeraatstoezicht worden voor de toepassing van artikel 457, eerste lid, 1° alle ondernemingen in de groep die tot de financiële sector behoren, in het aanvullende solvabiliteitstoezicht opgenomen. § 2. In afwijking van paragraaf 1 kan de Bank in haar hoedanigheid van coördinator besluiten in onderstaande gevallen een bepaalde onderneming buiten de reikwijdte van het aanvullende solvabiliteitstoezicht van artikel 457, eerste lid, 1° te laten: 1° indien de onderneming gevestigd is in een derde land waar er juridische belemmeringen bestaan voor het doorgeven van de benodigde informatie, onverminderd de sectorale regelgeving die betrekking heeft op de voor de bevoegde autoriteiten geldende verplichting om de vergunning te weigeren indien de doeltreffende uitoefe- ning van hun toezichthoudende taken wordt belemmerd; 1° le respect de l’exigence que les fonds propres soient en permanence disponibles au niveau du conglo- mérat financier et au moins égaux aux exigences de solvabilité; les fonds propres et les exigences de solva- bilité au niveau du conglomérat financier sont calculés selon l’une des méthodes définies à l’Annexe V, et dans le respect des dispositions et principes repris dans le Règlement 342/2014; 2° le caractère adéquat des procédures de gestion et des dispositifs de contrôle interne relatifs à la solvabilité du groupe, conformément aux dispositions de la Sous- section V de la présente Section; 3° le caractère adéquat des stratégies en matière de fonds propres. Les prescriptions visées à l’alinéa 1er relèvent du contrôle de la Banque, en sa qualité de coordinateur, conformément à la Section IV de ce Chapitre. Elle veille à ce que le calcul visé à l’alinéa 1er soit effectué au moins une fois par an. Les résultats du calcul et les données pertinentes sur lesquelles il est fondé lui sont soumis par l’entreprise d’assurance ou de réassurance, par la compagnie financière mixte, ou par une entreprise régle- mentée faisant partie du conglomérat financier désignée par la Banque après consultation des autres autorités compétentes relevantes et du conglomérat financier. Art. 458 §  1er. Par dérogation à la portée de la surveil- lance complémentaire des conglomérats visée à l’article 454, toutes les entreprises du groupe, faisant partie du secteur financier, relèvent de la surveillance complémentaire de la solvabilité pour l’application de l’article 457, alinéa 1er, 1°. § 2. Par dérogation au 1er paragraphe, la Banque, en sa qualité de coordinateur, peut décider, dans les cas suivants, de ne pas inclure une entreprise donnée dans la portée de la surveillance complémentaire de la solvabilité visée à l’article 457, alinéa 1er, 1°: 1° lorsque l’entreprise est située dans un pays tiers où des obstacles juridiques empêchent le transfert des informations nécessaires, sans préjudice des règles sectorielles faisant obligation aux autorités compétentes de refuser l’agrément lorsque l’exercice effectif de leur fonction de surveillance est empêché; 1038 1584/002 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 2° indien de onderneming in het licht van de doel- einden van het aanvullende conglomeraatstoezicht op gereglementeerde ondernemingen in een financieel conglomeraat van te verwaarlozen betekenis is; 3° indien het in aanmerking nemen van de onderne- ming in het licht van de doeleinden van het aanvullende conglomeraatstoezicht ongepast of misleidend zou zijn. Indien in het onder het eerste lid, 2° bedoelde geval verscheidene ondernemingen uit te sluiten zijn, moeten deze toch in aanmerking worden genomen indien zij gezamenlijk van niet te verwaarlozen betekenis zijn. §  3.  Indien de Bank, in haar hoedanigheid van coördinator, van mening is dat een verzekerings- of herverzekeringsonderneming niet zou mogen worden opgenomen in het aanvullende conglomeraatstoezicht met toepassing van paragraaf 2, eerste lid, 3°, raad- pleegt zij de andere relevante bevoegde autoriteiten voordat zij een besluit neemt, behoudens in spoedei- sende gevallen. Onderafdeling II Aanvullend toezicht op risicoconcentratie Art. 459 De in artikel 451 bedoelde verzekerings- of herverze- keringsondernemingen zijn onderworpen aan een aan- vullend toezicht op de risicoconcentratie. Onverminderd de bepalingen van Verordening 2015/2303, slaat dit aanvullende toezicht op: 1° de identificatie en de rapportering van significante risicoconcentraties; 2° het passend karakter van de beheersprocedures en de internecontroleprocedures met betrekking tot de risicoconcentratie van de groep, overeenkomstig het bepaalde in Onderafdeling V van deze Afdeling. Bij het toezicht wordt inzonderheid aandacht be- steed aan de volgende aspecten: het zogenaamde besmettingsrisico in de groep, de aanwezigheid van belangenconflicten, de omzeiling van de sectorale regelgeving, alsook het niveau en de omvang van de risicoconcentratie. 2° lorsque l’entreprise présente un intérêt négligeable au regard des objectifs que poursuit la surveillance com- plémentaire des entreprises réglementées appartenant à un conglomérat financier; 3° lorsque son inclusion est inappropriée ou risque d’induire une confusion, au regard des objectifs de la surveillance complémentaire des conglomérats. Lorsque plusieurs entreprises sont à exclure dans le cas visé à l’alinéa 1er, 2°, il y a lieu toutefois de les inclure dès lors que, collectivement, elles présentent un intérêt non négligeable. § 3. Lorsque la Banque, en sa qualité de coordinateur, estime qu’une entreprise d’assurance ou de réassu- rance ne devrait pas être incluse dans la surveillance complémentaire des conglomérats par application du paragraphe 2, alinéa 1er, 3°, elle consulte les autres autorités compétentes relevantes avant d’arrêter une décision, sauf en cas d’urgence. Sous-section II Surveillance complémentaire en matière de concentration des risques Art. 459 Les entreprises d’assurance ou de réassurance visées à l’article 451 sont soumises à une surveillance complémentaire en matière de concentration des risques. Sans préjudice des dispositions reprises dans le Règlement 2015/2303, la surveillance complémen- taire porte sur: 1° l’identification et le reporting des concentrations de risque importantes; 2° le caractère adéquat des procédures de gestion et des dispositifs de contrôle interne en matière de concentration des riques du groupe conformément aux dispositions de la Sous-section V de la présente Section. La surveillance porte en particulier sur les aspects suivants: le risque dit de contagion au sein du groupe, l’existence de conflits d’intérêts, les contournements de la réglementation sectorielle, ainsi que le niveau et l’ampleur de la concentration des risques. 1039 1584/002 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 Art. 460 § 1. De Bank, stelt, in haar hoedanigheid van coördi- nator, voor de toepassing van artikel 459, eerste lid, 1°, in overleg met de andere relevante bevoegde autoriteiten en na raadpleging van het financieel conglomeraat, de drempels vast voor het identificeren en het rappor- teren van elke significante risicoconcentratie binnen het financieel conglomeraat. Zij legt de drempels vast op basis van een of beide van volgende parameters: het reglementaire eigen vermogen en de technische voorzieningen. Indien geen drempels zijn vastgesteld, worden risi- coconcentraties geacht significant te zijn indien deze groter zijn dan 10 % van de solvabiliteitsvereiste van het betrokken financieel conglomeraat. § 2. Onverminderd het bepaalde in artikel 459 kan de Bank, in haar hoedanigheid van coördinator, begren- zingsnormen of andere evenwaardige toezichtmaatre- gelen opleggen ter beheersing van de risicoconcen- tratie op het niveau van een financieel conglomeraat. Teneinde omzeiling van de sectorale regelgeving inzake risicoconcentratie tegen te gaan, kan zij ook beslissen, overeenkomstig artikel 347, de sectorale bepalingen ter zake naar analogie toe te passen op het niveau van het financieel conglomeraat. Zij raadpleegt voorafgaandelijk de andere relevante bevoegde autoriteiten. Onderafdeling III Aanvullend toezicht op intragroeptransacties Art. 461 De in artikel  451  bedoelde verzekerings- of her- verzekeringsondernemingen zijn onderworpen aan een aanvullend toezicht op de intragroeptransac- ties. Onverminderd de bepalingen van Verordening 2015/2303, slaat dit aanvullende toezicht op: 1° de identificatie en de rapportering van significante intragroeptransacties; 2° het passend karakter van de beheersprocedures en de internecontroleprocedures met betrekking tot intragroeptransacties, overeenkomstig het bepaalde in Onderafdeling V van deze Afdeling. Bij het toezicht wordt inzonderheid aandacht be- steed aan volgende aspecten: het zogenaamde besmettingsrisico in de groep, de aanwezigheid van Art. 460 § 1er. La Banque fixe, en sa qualité de coordinateur, pour l’application de l’ article 459, alinéa 1er, 1°, en conceration avec les autres autorités compétentes rele- vantes et après consultation du conglomérat financier, les seuils pour l’identification et le reporting de chaque concentration de risques importante au sein du conglo- mérat financier. Elle détermine les seuils sur la base des deux paramètres suivants ou de l’un de ces paramètres seulement: les fonds propres réglementaires et les provisions techniques. Si aucun seuil n’a été fixé, les concentrations de risques sont réputées importantes si elles excèdent 10 % de l’exigence de solvabilité du conglomérat finan- cier en question. § 2. Sans préjudice des dispositions de l’article 459, la Banque peut, en sa qualité de coordinateur, imposer des normes de limitation ou d’autres mesures de surveil- lance équivalentes pour la maîtrise de la concentration des risques au niveau d’un conglomérat financier. Afin de s’opposer au contournement de la réglementation sectorielle en matière de concentration des risques, elle peut également décider, conformément à l’article 347, d’appliquer par analogie les dispositions sectorielles en la matière au niveau du conglomérat financier. Elle consulte préalablement les autres autorités compétentes relevantes. Sous-section III Surveillance complémentaire des transactions intragroupe Art. 461 Les entreprises d’assurance ou de réassurance visées à l’article 451  sont soumises à une surveil- lance complémentaire des transactions intragroupe. Sans préjudice des dispositions reprises dans le Règlement 2015/2303, la surveillance complémentaire porte sur: 1°  l’identification et le reporting des transactions intragroupe importantes; 2° le caractère adéquat des procédures de gestion et des dispositifs de contrôle interne en matière d’tran- sactions intragroupe, conformément aux dispositions de la Sous-section V de la présente Section. La surveillance porte en particulier sur les aspects suivants: le risque dit de contagion au sein du groupe, l’existence de conflits d’intérêts, les contournements 1040 1584/002 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 belangenconflicten, de omzeiling van de sectorale regelgeving, alsook het niveau en de omvang van de intragroeptransacties. Art. 462 § 1. Voor de toepassing van artikel 461, eerste lid, 1° stelt de Bank, in haar hoedanigheid van coördinator, in overleg met de andere relevante bevoegde autoriteiten en na raadpleging van het financieel conglomeraat, passende drempels vast voor het identificeren en het rapporteren van significante intragroeptransacties. Zij legt de drempels vast op basis van een of beide van volgende parameters: het reglementaire eigen vermo- gen en de technische voorzieningen. Indien geen drempels zijn vastgesteld, worden intra- groeptransacties geacht significant te zijn indien deze groter zijn dan 5 % van het solvabiliteitsvereiste van het betrokken financieel conglomeraat. § 2. Onverminderd het bepaalde in artikel 461 kan de Bank, in haar hoedanigheid van coördinator, begren- zingsnormen of andere evenwaardige toezichtmaatre- gelen opleggen ter verwezenlijking van de doelstellingen van het aanvullende conglomeraatstoezicht inzake intragroeptransacties. Teneinde omzeiling van de sec- torale regelgeving inzake intragroeptransacties tegen te gaan, kan zij ook beslissen, overeenkomstig artikel 347, de sectorale bepalingen ter zake naar analogie toe te passen op het niveau van het financieel conglomeraat. Zij raadpleegt voorafgaandelijk de andere relevante bevoegde autoriteiten. Onderafdeling IV Periodieke rapportering Art. 463 § 1. Voor het in Onderafdelingen I, II en III van deze Afdeling geregelde aanvullende conglomeraatstoezicht worden aan de Bank, in haar hoedanigheid van coör- dinator, volgens de modaliteiten die zij bepaalt en min- stens tweemaal per jaar, de volgende staten voorgelegd: 1° een boekhoudstaat die betrekking heeft op de financiële positie van het financieel conglomeraat en die minstens bestaat uit de balans en de resultatenrekening; 2° een staat waaruit de naleving blijkt van de normen bepaald bij of in uitvoering van de artikelen 457, eer- ste lid, 1°, 460, § 2, en 462, § 2, en een staat met opgave van de significante risicoconcentraties en significante de la réglementation sectorielle, ainsi que le niveau et l’ampleur des transactions intragroupe. Art. 462 § 1er. Pour l’application de l’article 461, alinéa 1er, 1°, la Banque fixe, en sa qualité de coordinateur, en concer- tation avec les autres autorités compétentes relevantes et après consultation du conglomérat financier, des seuils adéquats pour l’identification et le reporting de toute opération intragroupe importante. Elle détermine les seuils sur la base des deux paramètres suivants ou de l’un de ces paramètres seulement: les fonds propres réglementaires et les provisions techniques. Si aucun seuil n’a été fixé, les transactions intra- groupe sont réputées importantes si elles excèdent 5 % de l’exigence de solvabilité du conglomérat financier en question. § 2. Sans préjudice des dispositions de l’article 461, la Banque peut, en sa qualité de coordinateur, imposer des normes de limitation ou d’autres mesures de sur- veillance équivalentes pour la réalisation des objectifs de la surveillance complémentaire du conglomérat en matière d’transactions intragroupe. Afin de s’opposer au contournement de la réglementation sectorielle en matière d’transactions intragroupe, elle peut également décider, conformément à l’article 347, d’appliquer, par analogie, les dispositions sectorielles en la matière au niveau du conglomérat financier. Elle consulte préala- blement les autres autorités compétentes relevantes. Sous-section IV Reporting périodique Art. 463 §  1er. Pour la surveillance complémentaire des conglomérats réglée par les Sous-sections I, II et III de la présente Section, les états suivants sont soumis à la Banque, en sa qualité de coordinateur, selon les moda- lités qu’elle détermine, et au moins deux fois par an: 1° un état comptable portant sur la situation financière du conglomérat financier et comprenant au moins le bilan et le compte de résultats. 2° un état constatant le respect des normes définies par ou en exécution des articles 457, alinéa 1er, 1°, 460, § 2, et 462, § 2, ainsi qu’un état indiquant les concen- trations de risques importantes et les transactions 1041 1584/002 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 intragroeptransacties bedoeld in de artikelen 459, eer- ste lid, 1°, en 461, eerste lid, 1°. Te dien einde bepaalt de Bank, in haar hoedanigheid van coördinator, in overleg met de andere relevante bevoegde autoriteiten, de categorieën verrichtingen, risico’s en posities die voor de opvolging van de sig- nificante risicoconcentraties en intragroeptransacties moeten worden gerapporteerd; zij kan daarbij rekening houden met de specifieke groeps- en risicobeheerstruc- tuur van het betrokken financieel conglomeraat. § 2. De in paragraaf 1 bedoelde staten worden ge- rapporteerd door de verzekerings- of herverzekerings- onderneming, door de gemengde financiële holding of door een tot het financieel conglomeraat behorende gereglementeerde onderneming, die de Bank, na over- leg met de andere relevante bevoegde autoriteiten en met het financieel conglomeraat heeft aangewezen. Onderafdeling V Risicobeheer- en internecontroleprocedures Art. 464 De in artikel 451 bedoelde verzekerings- of herverze- keringsondernemingen zorgen ervoor dat het financieel conglomeraat beschikt over passende risicobeheer- en internecontroleprocedures en over een passende ad- ministratieve en boekhoudkundige organisatie. Inzonderheid dienen deze risicobeheer- en inter- necontroleprocedures aanwezig te zijn op gecon- solideerd en gesubconsolideerd niveau bij de in ar- tikel 451 bedoelde moederondernemingen, ongeacht of het om de verzekerings- of herverzekeringsonderne- ming gaat of om de gemengde financiële holding aan het hoofd van het financieel conglomeraat, en bij alle gereglementeerde ondernemingen die deel uitmaken van het financieel conglomeraat, zodat de risicobeheer- en internecontroleprocedures samenhang vertonen en goed geïntegreerd zijn, de invloed van de tot de groep behorende ondernemingen op de gereglemen- teerde ondernemingen kan beoordeeld worden en alle gegevens en informatie die voor het aanvullende conglomeraatstoezicht van belang zijn, kunnen worden verkregen. Deze moederondernemingen passen die ri- sicobeheer- en internecontroleprocedures eveneens toe in hun niet-gereglementeerde dochterondernemingen. Ook deze risicobeheer- en internecontroleprocedures zijn samenhangend en goed geïntegreerd, en ook deze intragroupe importantes visées aux articles 459, ali- néa 1er, 1°, et 461, alinéa 1er, 1°. À cette fin, la Banque détermine, en sa qualité de coordinateur, en concertation avec les autres autorités compétentes relevantes, les catégories d’opérations, de risques et de positions qui doivent être notifiées pour le suivi des concentrations des risques et transactions intragroupe importantes; elle peut à cet égard tenir compte des spécificités de la structure de groupe et de la structure de la gestion des risques du conglomérat financier concerné. § 2. Les états visés au paragraphe 1er sont notifiés par l’entreprise d’assurance ou de réassurance, la com- pagnie financière mixte, ou une entreprise réglementée faisant partie du conglomérat financier désignée par la Banque après consultation des autres autorités compé- tentes relevantes et du conglomérat financier. Sous-section V Procédures de gestion des risques et dispositions de contrôle interne Art. 464 Les entreprises d’assurance ou de réassurance visées à l’article 451 veillent à ce que le conglomérat financier dispose de procédures de gestion des risques et de dispositifs de contrôle interne, ainsi que d’une organisation administrative et comptable, qui soient adéquats. En particulier, ces procédures de gestion des risques et ces dispositifs de contrôle interne doivent être pré- sents au niveau consolidé et sous-consolidé dans les entreprises mères visées à l’article 451, qu’il s’agisse de l’entreprise d’assurance ou de réassurance ou de la compagnie financière mixte à la tête du conglomérat financier, ainsi que dans toutes les entreprises régle- mentées faisant partie du conglomérat financier, de telle sorte que les procédures de gestion des risques et les dispositifs de contrôle interne soient cohérents et bien intégrés, que l’influence exercée par les entreprises du groupe sur les entreprises réglementées puisse être évaluée et que toutes les données et informations importantes pour la surveillance complémentaire du conglomérat puissent être obtenues. Ces entreprises mères appliquent ces procédures de gestion des risques et dispositifs de contrôle interne également dans leurs filiales non réglementées. Ces procédures de gestion des risques et dispositifs de contrôle interne sont éga- lement cohérents et bien intégrés, et ces filiales doivent 1042 1584/002 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 dochterondernemingen moeten de voor het toezicht relevante gegevens en informatie kunnen verstrekken. Art. 465 § 1. De risicobeheerprocedures omvatten: 1° een passend bestuur en beheer, met goedkeuring en periodieke evaluatie van de strategie en het beleid door de bevoegde organen, met betrekking tot alle belangrijke risico’s die op het niveau van het financieel conglomeraat worden gelopen; 2° een passend solvabiliteitsbeleid, dat met name de toekomstige gevolgen anticipeert voor de groep van de gevolgde bedrijfsstrategie op het risicoprofiel van de groep en de in Onderafdeling I van deze Afdeling bedoelde solvabiliteitsvereisten; 3° passende procedures die waarborgen dat de ri- sicobeheer- en risico-opvolgingssystemen voldoende zijn geïntegreerd in de organisatie van de groep en dat de in de ondernemingen van de groep gehanteerde systemen met elkaar in overeenstemming zijn, zodat op het niveau van het financieel conglomeraat de risico’s correct worden geïdentificeerd, opgevolgd en beheerst; 4° regelmatig geactualiseerde regelingen om bij te dragen tot de verwezenlijking en, in voorkomend geval, de ontwikkeling van passende herstel- en afwikkelings- mechanismen en -plannen. § 2. De internecontroleprocedures omvatten: 1° passende procedures voor het opvolgen van de solvabiliteit op het niveau van de groep, zodat alle belangrijke risico’s correct worden geïdentificeerd en opgevolgd en het eigen vermogen voldoende is in het licht van de gelopen risico’s; 2° het passende karakter van de procedures en syste- men voor de identificatie, meting, opvolging en beheer- sing van de intragroeptransacties en risicoconcentraties. §  3.  De in artikel  451  bedoelde verzekerings- of herverzekeringsondernemingen beschikken over een passende boekhoudkundige en administratieve organi- satie die de juistheid en conformiteit met de geldende regels waarborgt van de voor het aanvullende conglo- meraatstoezicht verstrekte gegevens en inlichtingen en de opstelling van de jaarrekeningen. aussi pouvoir fournir les données et informations perti- nentes pour la surveillance. Art. 465 §  1er. Les procédures de gestion des risques comprennent: 1° une administration et une gestion adéquates, avec approbation et évaluation périodique de la stratégie et de la politique par les organes compétents, et portant sur tous les risques importants encourus au niveau du conglomérat financier; 2° une politique de solvabilité adéquate, qui veille notamment à anticiper pour le groupe les conséquences futures de la stratégie d’exploitation suivie sur le profil de risque du groupe et les exigences de solvabilité visées à la Sous-section I er de la présente Section; 3° des procédures adéquates garantissant que les systèmes de gestion et de suivi des risques sont suf- fisamment intégrés à l’organisation du groupe et que les systèmes utilisés dans les entreprises du groupe concordent entre eux, de telle sorte qu’au niveau du conglomérat financier, les risques fassent l’objet d’une identification, d’un suivi et d’une maîtrise corrects. 4° des dispositifs régulièrement mis à jour pour par- ticiper à la réalisation et, le cas échéant, au développe- ment de mécanismes et de plans de redressement et de résolution des défaillances appropriés. § 2. Les dispositifs de contrôle interne comprennent: 1° des procédures adéquates pour le suivi de la sol- vabilité au niveau du groupe, de telle sorte que tous les risques importants fassent l’objet d’une identification et d’un suivi corrects et que les fonds propres soient suffisants au regard des risques encourus; 2° l’examen du caractère adéquat des procédures et des systèmes pour l’identification, la mesure, le suivi et la maîtrise des transactions intragroupe et des concen- trations de risques. § 3. Les entreprises d’assurance ou de réassurance visées à l’article  451  disposent d’une organisation administrative et comptable qui garantisse le carac- tère correct et conforme aux règles en vigueur des renseignements et informations communiqués pour la surveillance complémentaire du conglomérat et de l’établissement des comptes annuels. 1043 1584/002 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 Art. 466 De in artikel 451 bedoelde verzekerings- of herver- zekeringsondernemingen zorgen voor een transparante groepsstructuur. De verzekerings- of herverzekerings- onderneming, de gemengde financiële holding of een tot het financieel conglomeraat behorende gereglemen- teerde onderneming die de Bank, in haar hoedanigheid van coördinator, na overleg met de andere relevante bevoegde autoriteiten en met het financieel conglome- raat heeft aangewezen, doen daartoe het volgende: 1° zij delen aan de Bank regelmatig bijzonderheden mee omtrent hun juridische structuur, hun regeling voor de bedrijfsorganisatie en hun beleidsstructuur, die gelden voor alle gereglementeerde ondernemingen, niet-gereglementeerde dochterondernemingen en sig- nificante bijkantoren; 2° zij maken op het niveau van het financieel con- glomeraat jaarlijks een beschrijving van de juridische structuur, van de regeling voor de bedrijfsorganisatie en van de beleidsstructuur voor het publiek openbaar en zorgen ervoor dat alle gereglementeerde onderne- mingen deze informatie ook openbaar maken, hetzij door volledige vermelding, hetzij door verwijzing naar gelijkwaardige informatie. Onderafdeling VI Stresstests Art. 467 In haar hoedanigheid van coördinator beoordeelt de Bank minstens jaarlijks de noodzaak van stresstests op het niveau van het financieel conglomeraat. Zij stemt haar beoordeling af op de stresstest die worden georganiseerd voor de belangrijkste financiële sector vertegenwoordigd in het financieel conglomeraat en overlegt met de andere relevante bevoegde autoriteiten. Voor het toepassen van deze stresstests houdt de Bank rekening met parameters die specifieke risico’s verbonden aan financiële conglomeraten kunnen identificeren. De Bank deelt de resultaten van de stresstests mee aan het Gemengd Comité. Art. 466 Les entreprises d’assurance ou de réassurance visées à l’article 451 veillent à la transparence de la structure du groupe. L’entreprise d’assurance ou de réassurance, la compagnie financière mixte ou une entreprise réglementée faisant partie du conglomérat financier que la Banque, en sa qualité de coordinateur, a désignée après concertation avec les autres autorités compétentes relevantes et avec le conglomérat finan- cier, procèdent à cet égard comme suit: 1° elles communiquent régulièrement à la Banque les particularités de leur structure juridique, de leur dispositif d’organisation d’entreprise et de leur structure de gestion englobant toutes les entreprises réglemen- tées, les filiales non réglementées et les succursales d’importance significative; 2° elles publient une fois par an au niveau du conglo- mérat financier une description de la structure juridique, du dispositif d’organisation d’entreprise et de leur struc- ture de gestion destinée au public et veillent à ce que toutes les entreprises réglementées publient également ces informations soit intégralement, soit en renvoyant à des informations équivalentes. Sous-section VI Tests de résistance Art. 467 La Banque, en sa qualité de coordinateur, évalue au moins une fois par an la nécessité de tests de résis- tance au niveau du conglomérat financier. À cette fin, elle aligne son évaluation sur les tests de résistance qui sont organisés pour le secteur financier le plus important représenté au sein du conglomérat financier et se concerte avec les autres autorités compétentes relevantes. Pour l’application de ces tests de résistance, la Banque prend en considération des paramètres qui peuvent identifier des risques spécifiques associés aux conglomérats financiers. La Banque communique les résultats des tests de résistance au comité mixte. 1044 1584/002 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 Onderafdeling VII Governance Art. 468 §  1. Wanneer de Bank krachtens artikel  471  het aanvullende conglomeraatstoezicht uitoefent op een in artikel  451  bedoelde verzekerings- of her- verzekeringsonderneming, dan zijn de in dit artikel 451 bedoelde moederondernemingen die hun zetel in België hebben verantwoordelijk voor de naleving van de verplichtingen met betrekking tot het aanvullende conglomeraatstoezicht. Bij de uitoefening van de coördinatie en het toezicht waarmee zij belast zijn als hoofd van het financieel conglomeraat, vaardigen de in het eerste lid bedoelde moederondernemingen richtlijnen uit aan de onderne- mingen die deel uitmaken van het financieel conglome- raat met het oog op het naleven van de verplichtingen die voortvloeien uit het aanvullende conglomeraats- toezicht en op het verzekeren van de stabiliteit van het financieel conglomeraat. Deze richtlijnen mogen niet in strijd zijn met het Wetboek van Vennootschappen en zijn uitvoeringsbesluiten en mogen geen afbreuk doen aan het toezicht op individuele basis op verzekerings- of herverzekeringsondernemingen die deel uitmaken van het financieel conglomeraat. §  2.  Wanneer de Bank krachtens artikel  471  het aanvullende conglomeraatstoezicht uitoefent op een verzekerings- of herverzekeringsonderneming be- doeld in artikel 451 met als moederonderneming een gemengde financiële holding met zetel buiten België, waakt deze verzekerings- of herverzekeringsonderne- ming over de naleving door haar moederonderneming van de verplichtingen met betrekking tot het aanvullende conglomeraatstoezicht. De verzekerings- of herverzekeringsonderneming dient van de bedoelde moederonderneming de me- dewerking te verkrijgen voor het opzetten van een passende beleidsstructuur die ertoe bijdraagt dat het aanvullende conglomeraatstoezicht zo efficiënt mo- gelijk kan worden uitgeoefend en waakt erover dat de invloed van de moederonderneming niet in strijd is met het Wetboek van Vennootschappen en zijn uitvoeringsbesluiten en geen afbreuk doet aan het toezicht op individuele basis dat van toepassing is op de verzekerings- of herverzekeringsonderneming of het aanvullende conglomeraatstoezicht. § 3. In het krachtens artikel 42, § 3 vereiste internal governancememorandum dient, wat betreft het niveau van het financieel conglomeraat, te worden uitgewerkt Sous-section VII Gouvernance Art. 468 § 1er. Lorsque la Banque exerce, en vertu de l’ar- ticle 471, la surveillance complémentaire des conglomé- rats sur une entreprise d’assurance ou de réassurance visée à l’article 451, les entreprises mères visées audit article 451 qui ont leur siège social en Belgique sont responsables du respect des obligations relatives à la surveillance complémentaire des conglomérats. Dans l’exercice de la coordination et du contrôle qui leur incombent en tant qu’entreprises faîtières du conglomérat financier, les entreprises mères visées à l’alinéa 1er édictent des directives pour les entreprises qui font partie du conglomérat financier en vue du res- pect des obligations qui découlent de la surveillance complémentaire des conglomérats et de l’obligation d’assurer la stabilité du conglomérat financier. Ces directives ne peuvent pas être contraires au Code des sociétés et ses arrêtes d’exécution et ne peuvent porter préjudice au contrôle exercé sur base individuelle sur les entreprises d’assurance ou de réassurance qui font partie du conglomérat financier. § 2. Lorsque la Banque exerce, en vertu de l’ar- ticle 471, la surveillance complémentaire des conglomé- rats sur une entreprise d’assurance ou de réassurance visée à l’article 451 dont l’entreprise mère est une com- pagnie financière mixte dont le siège social est établi en dehors de la Belgique, cette entreprise d’assurance ou de réassurance veille au respect par son entreprise mère des obligations relatives à la surveillance complé- mentaire des conglomérats. L’entreprise d’assurance ou de réassurance doit obtenir la coopération de l’entreprise mère visée afin de mettre en place une structure de gestion adéquate qui contribue à ce que la surveillance complémentaire des conglomérats puisse être exercée de la manière la plus efficace possible, et veille à ce que l’influence de l’entreprise mère ne soit pas contraire au Code des sociétés et ses arrêtés d’exécution et ne porte pas préjudice au contrôle sur base individuelle applicable à l’entreprise d’assurance ou de réassurance ou à la surveillance complémentaire des conglomérats. § 3. Dans le mémorandum de gouvernance interne requis en vertu de l’article 42, § 3, il convient d’établir, en ce qui concerne le niveau du conglomérat financier, 1045 1584/002 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 hoe voldaan wordt aan de beginselen vervat in de pa- ragrafen 1 en 2. § 4. In de gevallen bedoeld in paragraaf 1 verstrekken de betrokken verantwoordelijke moederondernemingen de krachtens artikel 463 van deze wet vereiste rapporte- ring, evenals, op verzoek van de Bank, alle bijkomende inlichtingen die nuttig zijn voor het uitoefenen van het aanvullende conglomeraatstoezicht. §  5.  Wanneer de Bank krachtens artikel  471  het aanvullende conglomeraatstoezicht uitoefent in andere gevallen dan deze bedoeld in de paragrafen 1 en 2, kan zij per geval nader bepalen hoe de beginselen van de paragrafen 1 tot 4 van overeenkomstige toepassing zijn. § 6. Voor de toepassing van de paragrafen 1, 2 en 5 raadpleegt de Bank, in voorkomend geval, de andere bevoegde autoriteiten. § 7. Wanneer een andere bevoegde autoriteit dan de Bank het aanvullende conglomeraatstoezicht uitoefent over een verzekerings- of herverzekeringsonderneming naar Belgisch recht, dient deze verzekerings- of herver- zekeringsonderneming na te gaan of de invloed van haar moederonderneming niet in strijd is met het Wetboek van Vennootschappen en zijn uitvoeringsbesluiten en geen afbreuk doet aan het toezicht op individuele basis waaraan deze verzekerings- of herverzekeringsonder- neming is onderworpen. Art. 469 § 1. Het directiecomité, in voorkomend geval de ef- fectieve leiding, van de in artikel 451 bedoelde moeder- ondernemingen naar Belgisch recht, die betrokken zijn in het aanvullende conglomeraatstoezicht uitgeoefend door de Bank, verklaart dat de in artikel 468, § 4 be- doelde rapporteringen in overeenstemming zijn met de boekhouding en de inventarissen. Daartoe is vereist dat de staten volledig zijn, wat wil zeggen dat ze alle gegevens bevatten uit de boekhouding en de inventaris- sen op basis waarvan deze staten worden opgesteld, en juist zijn, wat wil zeggen dat ze de gegevens correct weergeven uit de boekhouding en de inventarissen op basis waarvan deze staten worden opgesteld. Het directiecomité, in voorkomend geval de effectieve leiding, bevestigt het nodige gedaan te hebben opdat de voornoemde staten volgens de geldende regels opgemaakt zijn, en opgesteld zijn met toepassing van de boekings- en waarderingsregels voor de opstel- ling van de geconsolideerde jaarrekening, of, voor de rapporteringsstaten die geen betrekking hebben op het einde van het boekjaar, met toepassing van de comment il est satisfait aux principes figurant aux para- graphes 1er et 2. § 4. Dans les cas visés aux paragraphes 1er et 2, les entreprises mères responsables précitées fournissent le reporting requis en vertu de l’article 463 de la présente loi, ainsi que, à la demande de la Banque, toutes les informations complémentaires utiles pour l’exercice de la surveillance complémentaire des conglomérats. §  5.  Lorsque la Banque exerce, en vertu de l’article  471, la surveillance complémentaire des conglomérats dans des cas autres que ceux visés aux paragraphes 1er et 2, elle peut préciser au cas par cas comment les principes visés aux paragraphes  1er à 4 s’appliquent par analogie. § 6. Pour l’application des paragraphes 1er, 2 et 5, la Banque consulte, le cas échéant, les autres autorités compétentes. § 7. Lorsqu’une autre autorité compétente que la Banque exerce la surveillance complémentaire des conglomérats sur une entreprise d’assurance ou de réassurance de droit belge, il incombe à cette entreprise d’assurance ou de réassurance de vérifier si l’influence de son entreprise mère n’est pas contraire au Code des sociétés et ses arrêtés d’exécution et ne porte pas préjudice au contrôle sur base individuelle auquel cette entreprise d’assurance ou de réassurance est soumise. Art. 469 § 1er. Le comité de direction, le cas échéant la direction effective des entreprises mères visées à l’article 451 de droit belge qui sont incluses dans le contrôle de groupe ou la surveillance complémentaire des conglomérats exercée par la Banque, déclare que les reportings visés à l’article 468, § 4 sont conformes à la comptabilité et aux inventaires. Il est à cette effet requis que les états soient complets, c’est-à-dire qu’ils mentionnent toutes les données figurant dans la comptabilité et dans les inventaires sur la base desquels ils sont établis, et qu’ils soient corrects, c’est-à-dire qu’ils concordent exacte- ment avec la comptabilité et avec les inventaires sur la base desquels ils sont établis. Le comité de direction, le cas échéant la direction effective, confirme avoir fait le nécessaire pour que les états précités soient établis selon les instructions en vigueur, ainsi que par appli- cation des règles de comptabilisation et d’évaluation présidant à l’établissement des comptes consolidés, ou, s’agissant des états qui ne se rapportent pas à la fin de l’exercice comptable, par application des règles de comptabilisation et d’évaluation qui ont présidé à 1046 1584/002 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 boekings- en waarderingsregels voor de opstelling van de geconsolideerde jaarrekening met betrekking tot het laatste boekjaar. § 2. Artikel 80 is van overeenkomstige toepassing op het directiecomité, in voorkomend geval de effectieve leiding, van de in paragraaf 1 bedoelde moederonder- nemingen wat betreft de maatregelen opgenomen in de artikelen 464 tot 466. Art. 470 Onverminderd het beginsel vervat in artikel 455 en wanneer het aanvullende conglomeraatstoezicht uitge- oefend wordt door de Bank, zijn de volgende artikelen van deze wet op overeenkomstige wijze van toepassing op de gemengde financiële holding naar Belgisch recht: de artikelen 39, 40, 41, 45, § § 1, 3 en 4, 46, § § 1, 3 en 4, 47, 64 tot 72, 81, 82, 83, 508, § 1 en 517. Afdeling III Uitoefening van het aanvullende conglomeraatstoezicht Onderafdeling I Aanwijzing van de coördinator Art. 471 § 1. Teneinde een passend aanvullend conglome- raatstoezicht te verzekeren, wordt uit de bevoegde autoriteiten van de betrokken lidstaten, met inbegrip van die van de lidstaat waar de gemengde financiële holding haar zetel heeft, één enkele coördinator aangewezen die verantwoordelijk is voor de coördinatie en de uitoefening van het aanvullende conglomeraatstoezicht. § 2. Het aanvullende conglomeraatstoezicht op de in artikel 451, eerste lid bedoelde verzekerings- of herver- zekeringsondernemingen wordt als volgt uitgeoefend: 1° door de Bank in het in artikel 451, eerste lid, 1° bedoelde geval; 2° indien aan het hoofd van het financieel conglome- raat een Belgische gemengde financiële holding staat, door de Bank, onverminderd de punten 3° tot 7°; 3°  indien naast een Belgische verzekerings- of herverzekeringsonderneming ten minste één andere Belgische gereglementeerde onderneming eenzelfde l’établissement des comptes consolidés afférents au dernier exercice. § 2. L’article 80 est applicable par analogie au comité de direction, le cas échéant à la direction effective, des entreprises mères visées au paragraphe 1er en ce qui concerne les mesures figurant aux articles 464 à 466. Art. 470 Sans préjudice du principe figurant à l’article 455, et lorsque la surveillance complémentaire du conglomérat est exercée par la Banque, les articles suivants sont applicables par analogie à la compagnie financière mixte de droit belge: les articles 39, 40, 41, 45, § § 1er, 3 et 4, 46, § § 1er, 3 et 4, 47, 64 à 72, 81, 82, 83, 508, § 1er et 517. Section III Exercice de la surveillance complémentaire des conglomérats Sous-section Ire Détermination du coordinateur Art. 471 § 1er. Afin de garantir une surveillance complémen- taire des conglomérats appropriée, il est procédé à la désignation, parmi les autorités compétentes des États membres concernés, en ce compris celles de l’État membre où la compagnie financière mixte a son siège social, d’un coordinateur unique qui est responsable de la coordination et de l’exercice de la surveillance complémentaire des conglomérats. § 2. La surveillance complémentaire des conglo- mérats exercée sur les entreprises d’assurance ou de réassurance visées à l’article 451, alinéa 1er, est exercée comme suit: 1°  par la B an que d ans le c as v i sé à l’article 451, alinéa 1er, 1°; 2° si le conglomérat financier est chapeauté par une compagnie financière mixte belge, par la Banque, sans préjudice des points 3° à 7°: 3° si, outre une entreprise d’assurance ou de réas- surance belge, au moins une autre entreprise régle- mentée belge a une même compagnie financière mixte 1047 1584/002 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 Belgische gemengde financiële holding aan het hoofd van het financieel conglomeraat heeft, door de Belgische bevoegde autoriteit belast met het prudentieel toezicht op de Belgische gereglementeerde onderneming met het grootste balanstotaal; 4° indien de gemengde financiële holding aan het hoofd van het financieel conglomeraat haar zetel in een andere lidstaat dan België heeft en in deze lidstaat een dochteronderneming heeft die een gereglementeerde onderneming is, door de bevoegde autoriteit van dat land; 5° indien de gemengde financiële holding aan het hoofd van het financieel conglomeraat haar zetel in een andere lidstaat dan België heeft en in deze lid- staat ten minste twee dochterondernemingen heeft die een gereglementeerde onderneming zijn, met elk een verschillende bevoegde autoriteit, door de bevoegde autoriteit van de gereglementeerde onderneming in de belangrijkste financiële sector; 6° indien meerdere gemengde financiële holdings, met zetel in verschillende lidstaten, aan het hoofd staan van het financieel conglomeraat, en er in elk van deze lidstaten een gereglementeerde onderneming is, door de bevoegde autoriteit van de gereglementeerde onderneming met het hoogste balanstotaal indien de activiteiten van deze ondernemingen plaatsvinden in dezelfde financiële sector, of door de bevoegde autoriteit van de gereglementeerde onderneming in de belang- rijkste financiële sector; 7° indien ten minste twee gereglementeerde onder- nemingen met zetel in een lidstaat dezelfde gemengde financiële holding als moederonderneming hebben en aan geen van deze ondernemingen een vergunning is verleend in de lidstaat waar de gemengde financiële holding haar zetel heeft, door de bevoegde autoriteit van de gereglementeerde onderneming met het hoogste balanstotaal in de belangrijkste financiële sector. 8° indien het financiële conglomeraat een groep is zonder moederonderneming aan het hoofd, of in alle andere dan de voormelde gevallen, door de bevoegde autoriteit die belast is met het toezicht op de geregle- menteerde onderneming met het hoogste balanstotaal in de belangrijkste financiële sector. Art. 472 De Bank en de andere relevante bevoegde autoritei- ten kunnen in bijzondere gevallen in gemeen overleg overeenkomen om van de in artikel 471 bepaalde be- voegdheidsregeling af te wijken, indien de toepassing belge à la tête du conglomérat financier, par l’autorité compétente belge chargée du contrôle prudentiel de l’entreprise réglementée belge dont le total de bilan est le plus élevé; 4°  si la compagnie financière mixte à la tête du conglomérat financier a son siège social dans un autre État membre que la Belgique et qu’elle a dans cet État membre une filiale qui est une entreprise réglementée, par l’autorité compétente de ce pays; 5°  si la compagnie financière mixte à la tête du conglomérat financier a son siège social dans un autre État membre que la Belgique et qu’elle a dans cet État membre au moins deux filiales qui sont des entreprises réglementées, avec chacune une autorité compétente différente, par l’autorité compétente de l’entreprise réglementée du secteur financier le plus important; 6° si plusieurs compagnies financières mixtes ayant leur siège social dans différents États membres sont à la tête du conglomérat financier, et qu’il y ait une entre- prise réglementée dans chacun de ces États membres, par l’autorité compétente de l’entreprise réglementée ayant le total de bilan le plus élevé si les activités de ces entreprises se situent dans le même secteur financier, ou par l’autorité compétente de l’entreprise réglementée du secteur financier le plus important; 7° si au moins deux entreprises réglementées ayant leur siège social dans un État membre ont comme entreprise mère la même compagnie financière mixte et qu’aucune de ces entreprises ne dispose d’un agré- ment dans l’État où la compagnie financière mixte a son siège social, par l’autorité compétente de l’entreprise réglementée dont le total de bilan est le plus élevé dans le secteur financier le plus important; 8° si le conglomérat financier est un groupe sans entreprise mère à la tête du groupe, ainsi que dans tous les cas autres que les cas précités, par l’autorité compétente chargée du contrôle de l’entreprise régle- mentée dont le total de bilan est le plus élevé dans le secteur financier le plus important. Art. 472 La Banque et les autres autorités compétentes rele- vantes peuvent, dans des cas particuliers, convenir de commun accord de déroger aux règles de compétence définies à l’article 471, si leur application, compte tenu 1048 1584/002 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 ervan, gelet op de structuur van het financieel conglo- meraat en het relatieve belang van de activiteiten van de groep in de verschillende lidstaten, niet passend zou zijn, en een andere bevoegde autoriteit belasten met het aanvullende conglomeraatstoezicht. Zij raadplegen het financieel conglomeraat alvorens hierover een beslis- sing te nemen. Onderafdeling II Rechten en plichten van de coördinator – College Art. 473 § 1. Onverminderd de andere bevoegdheden en taken die haar door of krachtens deze wet en door Richtlijn 2002/87/EG worden toegewezen, omvatten de taken van de Bank, in haar hoedanigheid van coördinator: 1° het coördineren van de vergaring en de versprei- ding van relevante en essentiële informatie, in normale omstandigheden en in noodsituaties, met inbegrip van de verspreiding van informatie die van belang is voor het toezicht door een bevoegde autoriteit krachtens de sectorale regelgeving; 2° het toezicht op, inclusief de evaluatie van, de finan- ciële positie van het financieel conglomeraat; 3° het toezicht op de naleving van de bepalingen van de artikelen 457 tot 462 inzake solvabiliteit, risicocon- centratie en intragroeptransacties, en op de naleving van de in artikel 463 bedoelde rapporteringsverplichtingen; 4° het toezicht op, inclusief de evaluatie van, de struc- tuur, de organisatie en de internecontroleprocedures van het financieel conglomeraat, als bedoeld in de artikelen 464 tot 466; 5° het plannen en coördineren van toezichtsactivi- teiten, in normale omstandigheden en in noodsituaties, in samenwerking met de andere relevante bevoegde autoriteiten; 6° het nemen van maatregelen en sancties ten aan- zien van de gemengde financiële holding. § 2. De relevante bevoegde autoriteiten kunnen, in voorkomend geval in overleg met andere bevoegde autoriteiten, overeenkomen de Bank, in haar hoeda- nigheid van coördinator, andere toezichtstaken toe te vertrouwen, buiten de in paragraaf 1 bedoelde taken. de la structure du conglomérat financier et l’importance relative de l’activité du groupe dans les différents États membres, n’est pas adéquate, et charger une autre autorité compétente de la surveillance complémentaire des conglomérats. Elles consultent le conglomérat financier avant de prendre une décision en la matière. Sous-section II Droits et obligations du coordinateur – Collège Art. 473 §  1er. Sans préjudice des autres compétences et tâches qui lui sont dévolues par ou en vertu de la présente loi ainsi que par la Directive 2002/87/CE, les tâches de la Banque en sa qualité de coordinateur comprennent: 1° la coordination de la collecte et de la diffusion des informations pertinentes et essentielles, en continuité d’exploitation comme dans les situations d’urgence, en ce compris la diffusion des informations importantes pour la surveillance par une autorité compétente en vertu de la réglementation sectorielle; 2° le contrôle, en ce compris l’évaluation, de la situa- tion financière du conglomérat financier; 3°  le contrôle du respect des dispositions des articles 457 à 462 en matière de solvabilité, de concen- tration des risques et d’transactions intragroupes, ainsi que du respect des obligations de reporting visées à l’article 463; 4° le contrôle, en ce compris l’évaluation, de la struc- ture, de l’organisation et des dispositifs de contrôle interne du conglomérat financier, tels que visés aux articles 464 à 466; 5° la planification et la coordination d’activités de surveillance, en continuité d’exploitation comme dans les situations d’urgence, en coopération avec les autres autorités compétentes relevantes; 6° la prise de mesures et de sanctions à l’égard de la compagnie financière mixte. § 2. Les autorités compétentes relevantes peuvent, le cas échéant en concertation avec d’autres autorités compétentes, convenir de confier à la Banque, en sa qualité de coordinateur, d’autres tâches de surveillance que celles prévues au paragraphe 1er. 1049 1584/002 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 Art. 474 § 1. In haar hoedanigheid van coördinator richt de Bank voor het aanvullende conglomeraatstoezicht een college op om vorm te geven aan de uit hoofde van dit Hoofdstuk vereiste samenwerking en de uitoefening van de taken als coördinator en, onder voorbehoud van vertrouwelijkheidsvereisten en van het recht van de Unie, de passende coördinatie en samenwerking met de betrokken toezichthoudende autoriteiten van derde landen. § 2. Wanneer relevante bevoegde autoriteiten reeds deelnemen aan een college opgericht krachtens arti- kel 248, lid 2, van Richtlijn 2009/138/EG of artikel 116 van Richtlijn 2013/36/EU, dan zal het college op het niveau van het financieel conglomeraat functioneren binnen het college opgericht voor de belangrijkste financiële sector. De banksector en de beleggingsdienstensector worden voor dit doeleinde samen beschouwd. De regels voor de in paragraaf 1 bedoelde coördinatie worden apart opgenomen in de schriftelijke coördina- tieafspraken die worden ingesteld voor het sectorale college. In haar hoedanigheid van coördinator beslist de Bank, als voorzitter van dit sectorale college, welke andere bevoegde autoriteiten aan een vergadering of een activiteit van dat college deelnemen. Art. 475 Onverminderd de in de overige bepalingen van dit Hoofdstuk bedoelde samenwerkings overeenkomsten en coördinatieafspraken , sluit de Bank, in haar hoedanig- heid van coördinator, met andere bevoegde autoriteiten de overeenkomsten die noodzakelijk zijn voor de verwe- zenlijking van het aanvullende conglomeraatstoezicht als bepaald bij dit Hoofdstuk. Deze overeenkomsten regelen waar nodig de modaliteiten van uitoefening van dit toezicht, met inbegrip van de modaliteiten van sa- menwerking en informatie-uitwisseling onder bevoegde autoriteiten. Zij kunnen inzonderheid de procedures regelen voor de besluitvorming tussen de relevante bevoegde autoriteiten. Art. 476 In haar hoedanigheid van coördinator stelt de Bank lijsten op van de gemengde financiële holdings die be- trokken zijn bij het door haar uitgeoefende aanvullende conglomeraatstoezicht. Art. 474 §  1er. La Banque, en sa qualité de coordinateur, établit un collège pour la surveillance complémentaire des conglomérats afin de concrétiser la coopération prévue au présent Chapitre et l’accomplissement des missions de coordinateur et, s’il y a lieu, la coordina- tion et la coopération appropriées avec les autorités de surveillance concernées des pays tiers, dans le respect des exigences de confidentialité et du droit de l’Union. § 2. Lorsque des autorités compétentes relevantes participent déjà à un collège établi en vertu de l’article 248, paragraphe 2 de la Directive 2009/138/CE ou de l’article 116 de la Directive 2013/36/UC, le collège fonc- tionnera au niveau du conglomérat financier au sein du collège établi pour le secteur financier le plus important. Le secteur bancaire et le secteur des services d’inves- tissement sont agrégés à cette fin. Les modalités de la coordination évoquée au para- graphe 1er sont établies de manière distincte dans des accords de coordination écrits constitués pour le collège sectoriel. La Banque, en sa qualité de coordinateur, décide, en tant que président de ce collège sectoriel, quelles autres autorités compétentes participent à une réunion ou à toute activité dudit collège. Art. 475 Sans préjudice des accords de coopération et de coordination visés dans les autres dispositions du pré- sent Chapitre, la Banque, en sa qualité de coordinateur, conclut avec d’autres autorités compétentes les accords qui sont nécessaires à la réalisation de la surveillance complémentaire des conglomérats telle que définie dans le présent Chapitre. Ces accords règlent au besoin les modalités de l’exercice de ce contrôle, en ce compris les modalités de coopération et d’échange d’informations entre autorités compétentes. Ils peuvent en particulier régler les procédures de prise de décision entre les autorités compétentes relevantes. Art. 476 La Banque, en sa qualité de coordinateur, établit des listes des compagnies financières mixtes concernées par la surveillance complémentaire des conglomérats exercée par elle. 1050 1584/002 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 Zij maakt deze lijsten over aan de bevoegde auto- riteiten van de andere lidstaten, EIOPA, EBA en de Europese Commissie. Art. 477 Onverminderd de delegatie van specifieke toezichts- bevoegdheden en -verantwoordelijkheden overeen- komstig de sectorale regelgeving, doet de aanwijzing van de Bank als coördinator geen afbreuk aan de in de sectorale regelgeving bepaalde taken en verantwoor- delijkheden van de relevante bevoegde autoriteiten. Onderafdeling III Samenwerking en uitwisseling van informatie tussen de bevoegde autoriteiten Art. 478 De Bank, ongeacht of zij optreedt als coördinator of als bevoegde autoriteit zonder coördinator te zijn, werkt nauw samen met de andere bevoegde autoriteiten, on- geacht of deze optreden als coördinator of als bevoegde autoriteit zonder coördinator te zijn. De Bank kan aan deze bevoegde autoriteiten, op ei- gen initiatief of op verzoek, alle informatie, met inbegrip van vertrouwelijke informatie, meedelen of vragen, wan- neer deze essentieel of relevant is om de uitoefening toe te laten of te vergemakkelijken van de toezichtstaken die aan haar of aan deze autoriteiten werden toevertrouwd krachtens de sectorale regelgeving en het aanvullende conglomeraatstoezicht krachtens Richtlijn 2002/87/EG. Deze samenwerking betreft ten minste de vergaring en uitwisseling van informatie met betrekking tot de volgende aspecten: 1° de juridische structuur, de regeling voor de be- drijfsorganisatie en de beleidsstructuur van de groep, die gelden voor alle gereglementeerde ondernemin- gen, niet-gereglementeerde dochterondernemingen en belangrijke bijkantoren in de zin van artikel 354 van Verordening 2015/35 die tot het financieel conglomeraat behoren, de houders van gekwalificeerde deelnemingen op het niveau van de uiteindelijke moederonderneming, alsmede de bevoegde autoriteiten voor de gereglemen- teerde ondernemingen in de groep; 2° de door het financieel conglomeraat gevolgde strategie; Elle communique ces listes aux autorités compé- tentes des autres États membres, à l’EIOPA, à l’ABE et à la Commission européenne. Art. 477 Sans préjudice de la délégation de compétences et de responsabilités de surveillance spécifiques confor- mément à la réglementation sectorielle, la désignation de la Banque en sa qualité de coordinateur ne porte pas préjudice aux tâches et responsabilités des auto- rités compétentes relevantes telles que définies par la réglementation sectorielle. Sous-section III Coopération et échange d’informations entre les autorités compétentes Art. 478 La Banque, que ce soit en sa qualité de coordinateur ou d’autorité compétente sans être coordinateur, coo- père étroitement avec les autres autorités compétentes, qu’elles soient coordinateur ou autorité compétente sans être coordinateur. Elle peut communiquer, d’initiative ou sur demande, ou demander à ces autorités compétentes toutes infor- mations, y comprises les informations confidentielles, lorsque celles-ci sont essentielles ou pertinentes pour permettre et faciliter l’exercice des tâches de surveil- lance qui lui sont confiées ou sont confiées à ces auto- rités en vertu de la réglementation sectorielle et de la surveillance complémentaire des conglomérats en vertu de la Directive 2002/87/CE. Cette coopération recouvre au moins la collecte et l’échange d’informations sur les éléments suivants: 1° la structure juridique du groupe, son dispositif d’organisation d’entreprise et sa structure de gestion englobant toutes les entreprises réglementées, les filiales non réglementées et les succursales importantes au sens de l’article 354 du Règlement 2015/35 appar- tenant au conglomérat financier, les détenteurs de participations qualifiées au niveau de l’entreprise mère faîtière, ainsi que les autorités compétentes pour les entreprises réglementées dudit groupe; 2° les stratégies du conglomérat financier; 1051 1584/002 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 3° de financiële positie van het financieel conglome- raat, met name de toereikendheid van het eigen vermo- gen, de intragroeptransacties, de risicoconcentratie en de winstgevendheid; 4° de belangrijkste aandeelhouders en de leiding van het financieel conglomeraat; 5°  de organisatie en de risicobeheer- en inter- necontroleprocedures op het niveau van het financieel conglomeraat; 6° de procedures voor de vergaring van informatie bij de ondernemingen in het financieel conglomeraat en de verificatie van deze informatie; 7° ongunstige ontwikkelingen bij gereglementeerde ondernemingen of bij andere ondernemingen in het financieel conglomeraat die ernstige nadelige gevolgen voor de gereglementeerde ondernemingen kunnen hebben; 8° belangrijke sancties en buitengewone maatregelen die de bevoegde autoriteiten in overeenstemming met de sectorale regelgeving of Richtlijn 2002/87/EG heb- ben getroffen. De Bank kan tevens informatie uitwisselen met het ESRB wat betreft de uitoefening van het toezicht op verzekerings- of herverzekeringsondernemingen die deel uitmaken van een financieel conglomeraat. Art. 479 § 1. Indien de Bank in het geval van een moeder- onderneming naar Belgisch recht niet zelf op grond van artikel 471 het aanvullende conglomeraatstoezicht uitoefent, kan haar verzocht worden, door de met dit toezicht belaste bevoegde autoriteiten, om bij de moe- deronderneming de inlichtingen op te vragen die voor dat toezicht dienstig zijn, en om die inlichtingen aan hen door te geven. § 2. Indien de Bank op grond van artikel 471 het aan- vullende conglomeraatstoezicht uitoefent en de moe- deronderneming haar zetel in een andere lidstaat dan België heeft, kan de Bank aan de bevoegde autoriteit van die lidstaat vragen om bij die moederonderneming alle inlichtingen op te vragen die voor dat toezicht dien- stig zijn, en om die inlichtingen aan haar door te geven. 3° la situation financière du conglomérat financier, notamment en ce qui concerne l’adéquation des fonds propres, les transactions intragroupe, la concentration des risques et la rentabilité; 4°  les principaux actionnaires et la direction du conglomérat financier; 5° l’organisation, la gestion des risques et les sys- tèmes de contrôle interne à l’échelle du conglomérat financier; 6° les procédures de collecte d’informations auprès des entreprises du conglomérat financier et de vérifica- tion desdites informations; 7°  les évolutions négatives que connaissent des entreprises réglementées ou d’autres entreprises du conglomérat financier et qui sont de nature à nuire gra- vement auxdites entreprises réglementées; 8° les sanctions significatives et mesures exception- nelles décidées par les autorités compétentes confor- mément à la réglementation sectorielle ou à la Directive 2002/87/CE. La Banque peut également échanger des informa- tions avec le CERS en ce qui concerne l’exercice du contrôle des entreprises d’assurance ou de réassurance qui font partie d’un conglomérat financier. Art. 479 § 1er. Lorsque la Banque, dans le cas d’une entre- prise mère de droit belge, n’exerce pas elle-même la surveillance complémentaire des conglomérats en vertu de l’article 471, elle peut être invitée, par les autorités compétentes chargées d’exercer ce contrôle, à deman- der à l’entreprise mère toute information pertinente pour l’exercice de ce contrôle, et à la leur transmettre. § 2. Lorsqu’en vertu de l’article 471, la Banque exerce la surveillance complémentaire du conglomérat et que l’entreprise mère a son siège social dans un État membre autre que la Belgique, la Banque peut inviter l’autorité compétente de cet État membre à demander à cette entreprise mère toute information pertinente pour l’exercice de ce contrôle, et à la lui transmettre. 1052 1584/002 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 Art. 480 Wanneer een bevoegde autoriteit van een andere lidstaat het aanvullende conglomeraatstoezicht uitoefent op een verzekerings- of herverzekeringsonderneming die een dochteronderneming is van een gemengde fi- nanciële holding naar Belgisch recht, gaat de Bank na, wanneer zij daartoe het verzoek krijgt van die bevoegde autoriteit, hoe zij medewerking kan verlenen voor het toepassen van de maatregelen die zouden bestaan in de lidstaat van die bevoegde autoriteit met het oog op het betrekken van de gemengde financiële holdings in het aanvullende conglomeraatstoezicht. Art. 481 Het inwinnen, uitwisselen of bezitten van informatie door de Bank en de bevoegde autoriteiten met het oog op het vergemakkelijken van het aanvullende conglo- meraatstoezicht met betrekking tot de ondernemingen genoemd in artikel 483, § 1, betekent geenszins dat de Bank een afzonderlijk toezicht uitoefent op deze ondernemingen. Onderafdeling IV Overleg tussen bevoegde autoriteiten Art. 482 Onverminderd haar verantwoordelijkheden als om- schreven in de sectorale regelgeving, pleegt de Bank, voordat zij een besluit neemt in verband met de hierna vermelde aangelegenheden, overleg indien dat besluit van belang is voor de toezichtstaken van andere be- voegde autoriteiten: 1° wijzigingen in de aandeelhoudersstructuur, de or- ganisatie of het bestuur van gereglementeerde onderne- mingen in een financieel conglomeraat, die goedkeuring of machtiging door de bevoegde autoriteiten vereisen; 2° voorgenomen belangrijke sancties of buitenge- wone maatregelen. De Bank kan besluiten geen overleg te plegen in spoedeisende gevallen of indien dat overleg de doeltref- fendheid van haar besluiten in gevaar kan brengen. In dat geval stelt de Bank de andere bevoegde autoriteiten daar onverwijld van in kennis. Art. 480 Lorsqu’une autorité compétente d’un autre État membre exerce la surveillance complémentaire des conglomérats sur une entreprise d’assurance ou de réassurance qui est filiale d’une compagnie financière mixte de droit belge, la Banque vérifie, lorsque cette autorité compétente le lui demande, comment elle peut prêter sa coopération pour l’application des mesures qui existeraient dans l’État membre de l’autorité compétente en vue de l’inclusion des compagnies financières mixtes dans la surveillance complémentaire des conglomérats. Art. 481 La collecte, l’échange ou la détention d’informations par la Banque et les autorités compétentes en vue de fa- ciliter la surveillance complémentaire des conglomérats en ce qui concerne les entreprises citées à l’article 483, § 1er, ne signifient pas que la Banque exerce une fonction de contrôle sur ces entreprises prises individuellement. Sous-section IV Consultation entre autorités compétentes Art. 482 Sans préjudice de ses responsabilités telles qu’elles sont définies par la réglementation sectorielle, la Banque procède à une concertation sur les points figurant ci- après, avant de prendre une décision intéressant les missions de contrôle exercées par d’autres autorités compétentes: 1° des modifications de l’actionnariat, de l’organi- sation ou de la direction des entreprises réglementées faisant partie d’un conglomérat financier requérant l’ap- probation ou l’autorisation des autorités compétentes; 2° les sanctions significatives et mesures exception- nelles envisagées. La Banque peut décider de ne pas se concerter avec ses homologues en cas d’urgence ou lorsque cette concertation risque de compromettre l’efficacité des décisions. En pareil cas, la Banque informe sans délai les autres autorités compétentes. 1053 1584/002 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 Onderafdeling V Voor de uitoefening van het aanvullende conglomeraatstoezicht te verstrekken informatie Art. 483 § 1. Onverminderd de toepasselijke periodieke rap- portering, dient de Bank toegang te krijgen, door de betrokken verzekerings- of herverzekeringsonderne- mingen, en gemengde financiële holdings, hun dochterondernemingen en alle andere in het financieel conglomeraat opgenomen ondernemingen, hetzij direct hetzij indirect te benaderen, tot alle inlichtingen die nut- tig zijn voor het door haar uitgeoefende aanvullende conglomeraatstoezicht. De overeenkomstig artikel 458, § 2 buiten het aanvul- lende conglomeraatstoezicht gelaten ondernemingen, moeten de Bank, in haar hoedanigheid van coördinator, alle gegevens en inlichtingen verstrekken die zij dienstig acht voor haar aanvullende conglomeraatstoezicht. Ondernemingen die uitsluitend of samen met an- dere ondernemingen de controle hebben over een verzekerings- of herverzekeringsonderneming naar Belgisch recht, en de dochterondernemingen van deze ondernemingen moeten, indien die ondernemingen en dochterondernemingen niet vallen onder het toepas- singsgebied van het aanvullende conglomeraatstoe- zicht, de Bank en de andere bevoegde autoriteiten alle gegevens en inlichtingen verstrekken die nuttig zijn voor de uitoefening van het toezicht op deze verzekerings- of herverzekeringsonderneming. § 2. De Bank kan eisen dat de in paragraaf 1 be- doelde inlichtingen omtrent ondernemingen met zetel in een andere lidstaat dan België haar worden meegedeeld door de naar Belgisch recht opgerichte verzekerings- of herverzekeringsonderneming of gemengde financiële holding, of dat inlichtingen omtrent ondernemingen met zetel in een derde land haar worden meegedeeld door een verzekerings- of herverzekeringsonderneming, of gemengde financiële holding met zetel in een lidstaat. § 3. Indien een verzekerings- of herverzekerings- onderneming naar Belgisch recht buiten het financieel conglomeraat wordt gelaten door een andere be- voegde autoriteit die optreedt als coördinator, kan de Bank eisen dat de moederonderneming aan het hoofd van het financieel conglomeraat haar de gegevens Sous-section V Informations à fournir aux fins de l’exercice de la surveillance complémentaire des conglomérats Art. 483 § 1er. Sans préjudice du reporting périodique appli- cable, la Banque doit avoir accès, dans ses contacts directs ou indirects avec les entreprises d’assurance ou de réassurance, et les compagnies financières mixtes concernées, leurs filiales et toutes les autres entreprises incluses dans le conglomérat financier, à toute information utile pour l’exercice de sa surveillance complémentaire des conglomérats. Les entreprises qui ne sont pas incluses dans la surveillance complémentaire des conglomérats confor- mément à l’article 458, § 2, sont tenues de communi- quer à la Banque, en sa qualité de coordinateur, tous les renseignements et informations que celle-ci estime nécessaires pour sa surveillance complémentaire des conglomérats. Les entreprises qui contrôlent, exclusivement ou conjointement avec d’autres, une entreprise d’assu- rance ou de réassurance de droit belge, ainsi que les filiales de ces entreprises, sont tenues, si ces entre- prises et ces filiales ne tombent pas dans le champ d’application de la surveillance complémentaire des conglomérats, de communiquer à la Banque et aux autres autorités compétentes les informations et ren- seignements utiles à l’exercice du contrôle de cette entreprise d’assurance ou de réassurance. §  2.  La Banque peut exiger que les informations visées au paragraphe 1er concernant les entreprises dont le siège social est établi dans un État membre autre que la Belgique lui soient communiquées par l’entreprise d’assurance ou de réassurance, ou la com- pagnie financière mixte constituée selon le droit belge, ou que les informations relatives aux entreprises dont le siège social est établi dans un pays tiers lui soient communiquées par une entreprise d’assurance ou de réassurance, ou une compagnie financière mixte ayant leur siège social dans un État membre. § 3. Si une entreprise d’assurance ou de réassurance de droit belge est laissée en dehors du conglomérat financier par une autre autorité compétente qui agit en qualité de coordinateur, la Banque peut exiger que l’entreprise mère qui chapeaute le conglomérat financier lui communique les informations et renseignements 1054 1584/002 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 en inlichtingen bezorgt die zij dienstig acht voor de uitoefening van haar toezicht op die verzekerings- of herverzekeringsonderneming. Art. 484 Wanneer de Bank, in het kader van het door haar uitgeoefende individuele toezicht, groepstoezicht of aanvullende conglomeraatstoezicht, informatie wenst te verkrijgen die in uitvoering van de sectorale regelgev- ing reeds gerapporteerd is aan een andere bevoegde autoriteit, richt zij zich in de mate van het mogelijke tot die bevoegde autoriteit voor het verkrijgen van die informatie. Art. 485 Zonder dat zij hiertegen bezwaren van privaatre- chtelijke aard kunnen tegenwerpen, met name betref- fende geheimhoudingsverbintenissen of de aard van hun banden, delen de in het aanvullende conglomer- aatstoezicht opgenomen ondernemingen, alsook de overeenkomstig artikel 458, § 2 buiten het aanvullende conglomeraatstoezicht gelaten ondernemingen die tot een financieel conglomeraat behoren elkaar alle nuttige gegevens en inlichtingen mee. Art. 486 § 1. De Bank kan de naleving van de bij dit Hoofdstuk bepaalde verplichtingen , en de juistheid en volledigheid van de verstrekte gegevens en inlichtingen ter plaatse nagaan in de in artikel 483, § 1 bedoelde ondernemin- gen. Zij kan op kosten van deze ondernemingen com- missarissen of door haar daartoe erkende buitenlandse deskundigen hiermee belasten. § 2. Wanneer de in paragraaf 1 bedoelde onderne- mingen hun zetel in een andere lidstaat hebben, ver- zoekt de Bank de bevoegde autoriteit van die lidstaat om deze controle uit te voeren. De Bank verricht deze controle zelf als zij daarvoor de toestemming heeft gekregen van de bevoegde autoriteit van die lidstaat. Wanneer deze laatste de controle zelf wenst te doen, of een erkend revisor of een deskundige daartoe aan- stelt, kan de Bank niettemin aan de controle deelnemen indien zij dat wenst. § 3. Wanneer de in paragraaf 1 bedoelde onderne- mingen hun zetel in een derde land hebben, worden de modaliteiten van de verificatie ter plaatse geregeld in samenwerkingsovereenkomsten die de Bank met qu’elle juge utiles pour l’exercice de son contrôle de cette entreprise d’assurance ou de réassurance. Art. 484 Lorsque la Banque, dans le cadre du contrôle sur base individuelle, du contrôle des groupes ou de la sur- veillance complémentaire des conglomérats, souhaite obtenir des informations qui ont déjà été communiquées en exécution de la réglementation sectorielle à une autre autorité compétente, elle s’adresse dans la mesure du possible à cette autorité compétente pour obtenir ces informations. Art. 485 Sans pouvoir y opposer d’objections tirées du droit privé, tenant notamment à des engagements de confi- dentialité ou à la nature de leurs liens, les entreprises incluses dans la surveillance complémentaire des conglomérats, ainsi que les entreprises appartenant à un conglomérat financier écartées de la surveillance complémentaire des conglomérats conformément à l’article 458, § 2 se communiquent mutuellement les informations et renseignements utiles. Art. 486 § 1er. La Banque peut procéder à la vérification sur place du respect des obligations visées par le présent Chapitre, ainsi que du caractère correct et complet des informations et renseignements communiqués, dans les entreprises visées à l’article 483, § 1er Elle peut, aux frais de ces entreprises, charger des commissaires ou des experts étrangers agréés par elle à cet effet, de procéder à ces vérifications. § 2. Lorsque les entreprises visées au paragraphe 1er ont leur siège social dans un autre État membre, la Banque demande à l’autorité compétente de cet État membre d’effectuer ce contrôle. La Banque procède elle-même à ce contrôle si elle en a reçu l’autorisation de la part de l’autorité compétente de cet État membre. Lorsque cette dernière souhaite effectuer elle-même ce contrôle, ou désigne un réviseur agréé ou un expert à cet effet, la Banque peut néanmoins, si elle le souhaite, y être associée. § 3. Lorsque les entreprises visées au paragraphe 1er ont leur siège social dans un pays tiers, les modalités de la vérification sur place sont réglées dans des accords de coopération que la Banque a conclus avec les autorités 1055 1584/002 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 de betrokken buitenlandse autoriteiten heeft gesloten, in voorkomend geval overeenkomstig artikel 36/16, § 2 van de wet van 22 februari 1998, of die de Europese Commissie met de betrokken buitenlandse autoriteiten heeft gesloten, overeenkomstig het bepaalde bij arti- kel 264 van Richtlijn 2009/138/EG. Art. 487 § 1. Wanneer het aanvullende conglomeraatstoezicht wordt uitgeoefend door een autoriteit die een bevoegde autoriteit is die onder het recht van een andere lidstaat dan België ressorteert, verstrekken de Belgische verzekerings- of herverzekeringsondernemingen en gemengde financiële holdings en hun dochteronder- nemingen deze bevoegde autoriteit de gegevens en inlichtingen die deze dienstig acht voor het aanvullende conglomeraatstoezicht waarmee deze is belast, hetzij direct, hetzij indirect. Wanneer deze autoriteit onder het recht van een der- de land ressorteert en de verplichting tot informatiever- strekking voortvloeit uit samenwerkingsovereenkomsten die de Bank met de betrokken buitenlandse autoriteit heeft gesloten, is het eerste lid van overeenkomstige toepassing. § 2. Wanneer het aanvullende conglomeraatstoezicht wordt uitgeoefend door een autoriteit die een bevoegde autoriteit is die onder het recht van een andere lidstaat dan België ressorteert, kan deze bevoegde autoriteit, om de naleving na te gaan van de bepalingen die door of krachtens dit Hoofdstuk zijn vastgelegd, ter plaatse in de in artikel 483, § 1 bedoelde ondernemingen met zetel in België overgaan tot een toetsing van de gegevens en inlichtingen die zij heeft ontvangen, of erkende commis- sarissen of door haar erkende deskundigen hiermee belasten. De bepalingen van artikel 485, § 2 zijn van overeenkomstige toepassing. Wanneer deze autoriteit onder het recht van een der- de land ressorteert, zijn de bepalingen van artikel 485, § 3 van overeenkomstige toepassing. Onderafdeling VI Revisoraal toezicht Art. 488 Het bepaalde bij de artikelen 330 tot 337 betreffende de opdracht van erkend commissaris bij een verzeker- ings- of herverzekeringsonderneming op individuele basis is van overeenkomstige toepassing met betrekking étrangères concernées, le cas échéant conformément à l’article 36/16, § 2 de la loi du 22 février 1998 ou que la Commission européenne a conclus conformément aux dispositions de l’article 264 de la Directive 2009/138/CE. Art. 487 § 1er. Lorsque la surveillance complémentaire des conglomérats est exercée par une autorité qui est une autorité compétente relevant d’un État membre, autre que la Belgique, les entreprises d’assurance ou de réassurance et les compagnies financières mixtes et leurs filiales de droit belge communiquent à cette autorité compétente les informations et renseignements que celle-ci juge utiles pour l’exercice de la surveillance complémentaire des conglomérats dont elle est char- gée, soit directement, soit indirectement. Lorsque cette autorité relève du droit d’un pays tiers et que l’obligation d’information découle d’accords de coopération conclus par la Banque avec l’autorité étran- gère concernée, l’alinéa 1er est applicable par analogie. §  2.  Lorsque la surveillance complémentaire des conglomérats est exercée par une autorité compétente qui relève d’un État membre, autre que la Belgique, cette autorité peut, en vue de vérifier le respect des dis- positions prévues par ou en vertu du présent Chapitre, procéder sur place dans les entreprises visées à l’ar- ticle 483, § 1er, ayant leur siège social en Belgique, à la vérification des informations et renseignements qu’elle a reçus ou charger des commissaires agréés ou des experts agréés par elle d’y procéder. Les dispositions de l’article 485, § 2, sont applicables par analogie. Lorsque cette autorité relève du droit d’un pays tiers, les dispositions de l’article 485, § 3 sont applicables par analogie. Sous-section VI Contrôle révisoral Art. 488 Les dispositions des articles 330 à 337 concernant les fonctions de commissaire agréé d’une entreprise d’assurance ou de réassurance sur une base indivi- duelle sont applicables par analogie en ce qui concerne 1056 1584/002 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 tot verzekerings- of herverzekeringsondernemingen bedoeld in artikel 451, eerste lid, 1° voor het aanvullende conglomeraatstoezicht waaraan deze verzekerings- of herverzekeringsondernemingen zijn onderworpen. Art. 489 §  1. In een gemengde financiële holding naar Belgisch recht als bedoeld in artikel 451, eerste lid, 2°, die betrokken is in het door de Bank uitgeoefende aanvullende conglomeraatstoezicht, wordt de opdracht van commissaris als bedoeld in het Wetboek van Vennootschappen , toevertrouwd aan een of meer re- visoren of revisorenvennootschappen die door de Bank zijn erkend overeenkomstig, naargelang van het geval, artikel 327 van deze wet, artikel 222 van de wet van 25 april 2014, of artikel 96 van de wet van 6 april 1995. Het college van revisoren of de revisorenvennootschap- pen, aangesteld bij een gemengde financiële holding, moeten zo zijn samengesteld dat zij, hetzij individueel, hetzij samen, erkend zijn in elk van de financiële sector- en waarin het financieel conglomeraat een significante activiteit heeft. De Bank kan met verwijzing naar de in artikel 452 bedoelde drempels bepalen wat onder sig- nificante activiteit moet worden verstaan. De bepalingen van de sectorale regelgeving inzake revisoraal toezicht zijn van overeenkomstige toepassing. § 2. De erkende commissarissen aangesteld bij de in paragraaf 1 bedoelde gemengde financiële hold- ings verlenen hun medewerking aan het aanvullende conglomeraatstoezicht waarmee de Bank is belast, op hun eigen en uitsluitende verantwoordelijkheid en overeenkomstig deze paragraaf, volgens de regels van het vak en de richtlijnen van de Bank. Art. 490 De erkende commissarissen aangesteld bij de in artikel  489  bedoelde gemengde financiële holdings beoordelen het passend karakter van de risicobeheer- procedures, de internecontroleprocedures en de admin- istratieve en boekhoudkundige organisatie als bedoeld in de artikelen 464 tot 466 en delen hun bevindingen ter zake mee aan de Bank. Art. 491 De erkende commissarissen aangesteld bij een in artikel 489 bedoelde onderneming brengen verslag uit bij de Bank over de resultaten van het beperkt nazicht van de in artikel 463 bedoelde staten die de gemengde financiële holding aan het einde van het eerste halfjaar les entreprises d’assurance ou de réassurance visées à l’article 451, alinéa 1er, 1° pour la surveillance com- plémentaire des conglomérats dont font l’objet les entreprises d’assurance ou de réassurance. Art. 489 § 1er. Dans une compagnie financière mixte de droit belge visée à l’article 451, alinéa  1er,  2°, et incluse dans la surveillance complémentaire des conglomérats exercée par la Banque, les fonctions de commissaire visées au Code des sociétés, sont, confiées à un ou plusieurs réviseurs ou à une ou plusieurs sociétés de réviseurs, qui sont agréés par la Banque conformément, selon le cas, à l’article 327 de la présente loi, à l’article 222 de la loi du 25 avril 2014 ou à l’article 96 de la loi du 6 avril 1995. Le collège de réviseurs ou les sociétés de réviseurs, désignés auprès d’une compagnie financière mixte, doivent présenter une composition telle qu’ils soient, soit individuellement, soit conjointement, agréés dans chacun des secteurs financiers dans lesquels le conglomérat financier exerce une activité significa- tive. La Banque peut, par référence aux seuils visés à l’article 452, déterminer ce qu’il y a lieu d’entendre par activité significative. Les dispositions de la réglemen- tation sectorielle en matière de contrôle révisoral sont applicables par analogie. § 2. Les commissaires agréés désignés auprès des compagnies financières mixtes visées au paragraphe 1er prêtent leur coopération à la surveillance complémen- taire des conglomérats dont est chargée la Banque, sous leur responsabilité personnelle et exclusive et conformément au présent paragraphe, aux règles de la profession et aux instructions de la Banque. Art. 490 Les commissaires agréés désignés dans les com- pagnies financières mixtes visées à l’article 489 éva- luent le caractère adéquat des procédures de gestion des risques, des dispositifs de contrôle interne et de l’organisation administrative et comptable, visés aux articles 464 à 466, et communiquent leurs conclusions en la matière à la Banque. Art. 491 Les commissaires agréés désignés dans une société visée à l’article 489 font rapport à la Banque sur les résultats de l’examen limité des états transmis par la compagnie financière mixte conformément à l’article 463 à la Banque à la fin du premier semestre 1057 1584/002 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 aan de Bank bezorgt, waarin bevestigd wordt dat zij geen kennis hebben van feiten waaruit zou blijken dat deze periodieke staten per einde halfjaar niet in alle materieel belangrijke opzichten zijn opgesteld volgens de voorschriften die door of krachtens de wet en de instructies van de Bank zijn vastgesteld. Bovendien bevestigen zij dat deze staten per einde halfjaar, voor wat de boekhoudkundige gegevens betreft in alle materieel belangrijke opzichten in overeenstem- ming zijn met de boekhouding en de inventarissen, inzake 1° volledigheid, wat wil zeggen dat ze alle gegevens bevatten uit de boekhouding en de inventarissen op basis waarvan deze staten worden opgesteld, en 2° juistheid, wat wil zeggen dat ze de gegevens cor- rect weergeven uit de boekhouding en de inventarissen op basis waarvan deze staten worden opgesteld. Zij bevestigen eveneens geen kennis te hebben van feiten waaruit zou blijken dat de periodieke staten per einde halfjaar niet zijn opgesteld, voor wat de boek- houdkundige gegevens betreft, met toepassing van de boekings- en waarderingsregels voor de opstelling van de periodieke staten met betrekking tot het laatste boekjaar. De Bank kan de hier bedoelde periodieke staten nader bepalen. Art. 492 De erkende commissarissen aangesteld bij een in artikel 489 bedoelde onderneming brengen ook verslag uit bij de Bank over de resultaten van de controle van de periodieke staten die de gemengde financiële holding aan het einde van het boekjaar aan de Bank bezorgt, waarin bevestigd wordt dat deze periodieke staten in alle materieel belangrijke opzichten zijn opgesteld volgens de voorschriften die door of krachtens de wet en de instructies van de Bank zijn vastgesteld. Bovendien bevestigen zij dat deze staten per einde van het boekjaar, voor wat de boekhoudkundige ge- gevens betreft in alle materieel belangrijke opzichten in overeenstemming zijn met de boekhouding en de inventarissen, inzake: 1° volledigheid, wat wil zeggen dat ze alle gegevens bevatten uit de boekhouding en de inventarissen op basis waarvan deze staten worden opgesteld, en 2° juistheid, wat wil zeggen dat ze de gegevens cor- rect weergeven uit de boekhouding en de inventarissen op basis waarvan deze staten worden opgesteld. social, confirmant qu’ils n’ont pas connaissance de faits dont il apparaîtrait que ces états périodiques arrêtés en fin de semestre, n’ont pas, sous tous égards signi- ficativement importants, été établis conformément aux prescriptions prévues par ou en vertu de la loi et aux instructions de la Banque. Ils confirment en outre que ces états arrêtés en fin de semestre sont, pour ce qui est des données comp- tables, sous tous égards significativement importants, conformes à la comptabilité et aux inventaires, en ce sens qu’ils sont: 1° complets, c’est-à-dire qu’ils mentionnent toutes les données figurant dans la comptabilité et dans les inventaires sur la base desquels ils sont établis, et 2° corrects, c’est-à-dire qu’ils concordent exactement avec la comptabilité et avec les inventaires sur la base desquels ils sont établis. Ils confirment également n’avoir pas connaissance de faits dont il apparaîtrait que les états périodiques arrêtés en fin de semestre n’ont pas été établis, pour ce qui est des données comptables y figurant, par application des règles de comptabilisation et d’évaluation qui ont présidé à l’établissement des états périodiques afférents au dernier exercice. La Banque peut préciser quels sont en l’occurrence les états périodiques visés. Art. 492 Les commissaires agréés désignés dans une entre- prise visée à l’article 489 font également rapport à la Banque sur les résultats du contrôle des états pério- diques transmis par la compagnie financière mixte à la Banque à la fin de l’exercice social, confirmant qu’ils sont, sous tous égards significativement importants, établis conformément aux prescriptions prévues par ou en vertu de la loi et aux instructions de la Banque. Ils confirment en outre que ces états arrêtés en fin d’exercice comptable sont, pour ce qui est des données comptables, sous tous égards significativement impor- tants, conformes à la comptabilité et aux inventaires, en ce sens qu’ils sont: 1° complets, c’est-à-dire qu’ils mentionnent toutes les données figurant dans la comptabilité et dans les inventaires sur la base desquels ils sont établis, et 2° corrects, c’est-à-dire qu’ils concordent exactement avec la comptabilité et avec les inventaires sur la base desquels ils sont établis. 1058 1584/002 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 Zij bevestigen eveneens dat de periodieke staten per einde van het boekjaar werden opgesteld, voor wat de boekhoudkundige gegevens betreft, met toepassing van de boekings- en waarderingsregels voor de opstelling van de jaarrekening. De Bank kan de hier bedoelde staten nader bepalen. Art. 493 De erkende commissarissen aangesteld bij een in artikel 489 bedoelde onderneming brengen bij de Bank op haar verzoek een bijzonder verslag uit over de in de artikelen 457 tot 460 en de artikelen 490 tot 492 be- doelde aspecten. Art. 494 In het kader van hun opdracht bij de gemengde finan- ciële holding, of een revisorale opdracht bij een met de gemengde financiële holding verbonden onderneming, brengen de erkende commissarissen op eigen initiatief verslag uit bij de Bank zodra zij kennis krijgen van beslis- singen, feiten of, in voorkomend geval, ontwikkelingen: 1° die een betekenisvolle invloed hebben of kunnen hebben op de situatie van de groep vanuit financieel oogpunt of vanuit het oogpunt van zijn administratieve en boekhoudkundige organisatie of van zijn interne controle; 2°  die een schending kunnen uitmaken van het Wetboek van Vennootschappen, van de statuten of van deze wet of de besluiten en reglementen die in uitvoering van deze wet worden genomen met betrekking tot de gemengde financiële holding; 3° die kunnen leiden tot een weigering van de certi- ficering van de geconsolideerde jaarrekening of tot het formuleren van voorbehoud. Art. 495 De kosten voor de opstelling van deze verslagen worden door de gemengde financiële holding, door de verzekerings- of herverzekeringsonderneming naar Belgisch recht of door beide samen gedragen. Ils confirment également que les états périodiques arrêtés en fin d’exercice ont été établis, pour les don- nées comptables y figurant, par application des règles de comptabilisation et d’évaluation présidant à l’établis- sement des comptes annuels. La Banque peut préciser quels sont en l’occurrence les états visés. Art. 493 Les commissaires agréés désignés dans une entreprise visée à l’article 489 font à la Banque, à sa demande, des rapports spéciaux portant sur les aspects visés aux articles 457 à 460 et aux articles 490 à 492. Art. 494 Dans le cadre de leur mission auprès de la compagnie financière mixte, ou d’une mission révisorale auprès d’une entreprise liée à la compagnie financière mixte, les commissaires agréés font d’initiative rapport à la Banque dès qu’ils constatent des décisions, des faits ou, le cas échéant, des évolutions: 1° qui influencent ou peuvent influencer de façon significative la situation du groupe sous l’angle financier ou sous l’angle de son organisation administrative et comptable ou de son contrôle interne; 2°  qui peuvent constituer une violation du Code des sociétés, des statuts ou de la présente loi et des arrêtés et règlements pris pour son exécution en ce qui concerne la compagnie financière mixte; 3° qui sont de nature à entraîner le refus ou des ré- serves en matière de certification des comptes annuels consolidés. Art. 495 Les frais pour l’établissement de ces rapports sont pris en charge par la compagnie financière mixte, par l’entreprise d’assurance ou de réassurance de droit belge ou par les deux ensemble. 1059 1584/002 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 Art. 496 De erkende commissarissen delen aan de leiding van de verzekerings- of herverzekeringsonderneming de verslagen mee die zij richten aan de Bank in over- eenstemming met artikel 494. Deze mededelingen zijn onderworpen aan artikel 306. Zij bezorgen aan de Bank een kopie van de mede- delingen die zij richten aan deze leiding en die zaken betreffen die van belang kunnen zijn voor het door haar uitgeoefende toezicht. Art. 497 Geen enkele burgerlijke, straf- of disciplinaire vorde- ring mag worden ingesteld en geen enkele professionele sanctie mag worden uitgesproken tegen de erkende commissarissen die te goeder trouw zijn overgegaan tot de mededeling van gegevens bedoeld in artikel 495. Art. 498 Wanneer de moederonderneming een in artikel 451, eerste lid, 2° bedoelde gemengde financiële holding is, met zetel in een andere lidstaat, die betrokken is in het door de Bank uitgeoefende aanvullende conglomeraats- toezicht , wordt de opdracht bepaald bij de artikelen 489, § 2 tot 494 op overeenkomstige wijze uitgeoefend door de erkende commissaris die met een vergelijkbare taak bij deze gemengde financiële holding is aangesteld. Bij afwezigheid van een dergelijke commissaris wordt de bedoelde opdracht uitgeoefend door de commissaris die aangesteld is bij een gereglementeerde onderne- ming naar Belgisch recht die onder het toezicht van de Bank staat en dochteronderneming is van de bedoelde gemengde financiële holding. Art. 499 De erkende commissarissen aangesteld bij verzeke- rings- of herverzekeringsondernemingen, of gemengde financiële holdings naar Belgisch recht overeenkomstig de artikelen 488 tot 498, hebben voor de uitoefening van hun opdracht als bepaald bij deze artikelen, toegang tot en inzage in alle documenten en stukken die uitgaan zowel van de in het financieel conglomeraat opgenomen dochterondernemingen, als van de in artikel 483, § 1, tweede lid bedoelde ondernemingen. Het bepaalde bij artikel  35  van de wet van 22 februari 1998 is van toepassing wat de informatie Art. 496 Les commissaires agréés communiquent aux diri- geants de l’entreprise d’assurance ou de réassurance les rapports qu’ils adressent à la Banque conformément à l’article 494. Ces communications sont soumises à l’article 306. Ils transmettent à la Banque copie des communica- tions qu’ils adressent à ces dirigeants et qui portent sur des questions de nature à intéresser le contrôle exercé par elle. Art. 497 Aucune action civile, pénale, ou disciplinaire ne peut être intentée ni aucune sanction professionnelle pronon- cée contre les commissaires agréés qui ont procédé de bonne foi à la communication d’une information visée sous l’article 495. Art. 498 Lorsque l’entreprise mère est une compagnie finan- cière mixte visée à l’article 451, alinéa 1er, 2°, dont le siège est établi dans un autre État membre et incluse dans la surveillance complémentaire des conglo- mérats exercé par la Banque, la mission définie aux articles 489, § 2 à 494 est exercée par analogie par le commissaire agréé désigné avec une tâche comparable auprès de cette compagnie financière mixte. À défaut d’un tel commissaire, la mission visée est exercée par le commissaire désigné auprès d’une entreprise régle- mentée de droit belge qui se trouve sous le contrôle de la Banque et est une filiale de la compagnie financière mixte visée. Art. 499 Les commissaires agréés désignés auprès d’entre- prises d’assurance ou de réassurance, ou de compa- gnies financières mixtes de droit belge conformément aux articles 488 à 498, ont, pour l’exercice de leur mis- sion telle que visée à ces articles, accès à et peuvent prendre connaissance de tous les documents et pièces émanant tant des filiales reprises dans le conglomérat financier que des entreprises visées à l’article 483, § 1er, alinéa 2. Les dispositions de l’article 35  de la loi du 22 février 1998 s’appliquent en ce qui concerne les 1060 1584/002 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 betreft waarvan zij kennis hebben genomen in uitvoering van het eerste lid. Afdeling IV Andere financiële groepen Art. 500 Indien in andere dan de in artikel  451  bedoelde gevallen een onderneming een deelneming of een andere kapitaalbinding heeft met één of meer andere ondernemingen, of, buiten een deelneming of andere kapitaalbinding, op dergelijke ondernemingen invloed van betekenis uitoefent, en een van de voormelde ondernemingen een verzekerings- of herverzekerings- onderneming naar Belgisch recht is, kan de Bank, in haar hoedanigheid van relevante bevoegde autoriteit, samen met de andere relevante bevoegde autoriteiten, in gemeenschappelijk overleg beslissen een aanvullend conglomeraatstoezicht uit te oefenen op de geregle- menteerde ondernemingen in de groep. De relevante bevoegde autoriteiten bepalen gezamenlijk de moda- liteiten van dit aanvullende conglomeraatstoezicht, en meer in het bijzonder welke artikelen van dit Hoofdstuk betreffende het aanvullende conglomeraatstoezicht van toepassing zijn. Zij nemen hun beslissing met in- achtneming van de doelstellingen van het aanvullende conglomeraatstoezicht als bepaald in dit Hoofdstuk en houden daarbij rekening met de internationale beginse- len inzake aanvullend conglomeraatstoezicht. Voor de toepassing van het bepaalde in het eerste lid moet voldaan worden aan de voorwaarden van arti- kel 340, 2°, a) ii) en iii) of b), ii) en iii). Art. 501 De bevoegde autoriteit die belast is met het aan- vullende conglomeraatstoezicht op de groep wordt aangeduid met overeenkomstige toepassing van het bepaalde in artikel 471. Indien met toepassing van artikel 500, eerste lid beslist wordt een aanvullend conglomeraatstoezicht uit te oefenen, is het bepaalde bij artikel 453, § 2 op overeenkomstige wijze van toepassing. informations dont ils ont pris connaissance en exécution de l’alinéa 1er. Section IV Autres groupes financiers Art. 500 Si, dans des cas autres que ceux visés à l’article 451, une entreprise a une participation dans, ou un autre lien en capital avec, une ou plusieurs autres entreprises, ou, en dehors de toute participation ou de tout autre lien en capital, exerce une influence notable sur de telles entreprises, et que l’une des entreprises précitées soit une entreprise d’assurance ou de réassurance de droit belge, la Banque peut, en sa qualité d’autorité compétente relevante, décider en concertation avec les autres autorités compétentes relevantes d’exercer une surveillance complémentaire des conglomérats sur les entreprises réglementées du groupe. Les autorités compétentes relevantes définissent conjointement les modalités de cette surveillance complémentaire des conglomérats, et déterminent en particulier les articles du présent Chapitre concernant la surveillance complé- mentaire des conglomérats qui sont applicables. Elles prennent leur décision dans le respect des objectifs de la surveillance complémentaire des conglomérats tels que définis par le présent Chapitre, et tiennent compte dans ce cadre des principes internationaux en matière de surveillance complémentaire des conglomérats. Pour l’application des dispositions de l’alinéa 1er, il doit être satisfait aux conditions de l’article 340, 2°, a), ii) et iii), ou b), ii) et iii). Art. 501 L’autorité compétente chargée de la surveillance complémentaire des conglomérats est désignée par application analogue des dispositions de l’article 471. Si, par application de l’article 500, alinéa 1er, il est décidé de procéder à une surveillance complémentaire des conglomérats, les dispositions de l’article 453, § 2, sont applicables par analogie. 1061 1584/002 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 Afdeling V Moederondernemingen uit derde landen Art. 502 Verzekerings- of herverzekeringsondernemingen naar Belgisch recht met als moederonderneming een gereglementeerde onderneming aan het hoofd van een financieel conglomeraat of een gemengde financiële holding met zetel in een derde land, die niet reeds on- derworpen zijn aan of opgenomen zijn in de reikwijdte van het door de Bank of een andere bevoegde autoriteit uitgeoefende aanvullende conglomeraatstoezicht, over- eenkomstig dit Hoofdstuk, 0worden aan een aanvullend conglomeraatstoezicht onderworpen overeenkomstig de bepalingen van deze Afdeling. Art. 503 § 1. De Bank verifieert of de in artikel 502 bedoelde verzekerings- of herverzekeringsondernemingen onder- worpen zijn aan een door een bevoegde autoriteit van een derde land uitgeoefend toezicht dat gelijkwaardig is aan het aanvullende conglomeraatstoezicht overeen- komstig de bepalingen van dit Hoofdstuk. Zij doet dit op eigen initiatief dan wel op verzoek van de in artikel 502 bedoelde moederondernemingen of van de verzekerings- of herverzekeringsonderneming naar Belgisch recht. Alvorens een beslissing te nemen raadpleegt de Bank de andere bevoegde autoriteiten over de al dan niet gelijkwaardigheid van het bedoelde toezicht. Aangaande deze gelijkwaardigheid houdt de Bank re- kening met de richtsnoeren opgesteld door het Gemengd Comité overeenkomstig de artikelen  16  en 56  van Verordening 1093/2010, Verordening  1094/2010  of Verordening 1095/2010, over het aanvullende conglo- meraatstoezicht, overeenkomstig Richtlijn 2002/87/EG: § 2. Indien met overeenkomstige toepassing van het bepaalde in artikel 10 van Richtlijn 2002/87/EG een andere bevoegde autoriteit dan de Bank coördinator is, geschiedt de verificatie en raadpleging door deze andere bevoegde autoriteit en kan de Bank haar bev- indingen en zienswijze over de in paragraaf 1 bedoelde gelijkwaardigheid aan deze andere bevoegde autoriteit meedelen. W a n n e e r d e B a n k v a n m e n i n g v e r - schilt over een door een andere bevoegde au- toriteit overeenkomstig het eerste lid genomen Section V Entreprises mères établies dans un pays tiers Art. 502 Les entreprises d’assurance ou de réassurance de droit belge dont l’entreprise mère est une entreprise réglementée à la tête d’un conglomérat financier ou une compagnie financière mixte ayant son siège social dans un pays tiers, et qui ne font pas déjà l’objet ou ne relèvent pas encore de la portée de la surveillance complémentaire des conglomérats conformément au présent Chapitre, exercée par la Banque ou par une autre autorité compétente, sont soumises à une surveil- lance complémentaire des conglomérats conformément aux dispositions de la présente Section. Art. 503 § 1er. La Banque vérifie si les entreprises d’assurance ou de réassurance visées à l’article 502 sont soumises à un contrôle exercé par une autorité compétente d’un pays tiers, équivalent à la surveillance complémentaire des conglomérats conformément aux dispositions du présent Chapitre. Elle le fait de sa propre initiative ou à la demande des entreprises mères visées à l’article 502 ou de l’entre- prise d’assurance ou de réassurance de droit belge. Avant de prendre sa décision, la Banque consulte les autres autorités compétentes sur l’équivalence ou non du contrôle visé. En ce qui concerne cette équivalence, la Banque tient compte des directives établies par le comité mixte confor- mément aux articles 16 et 56 du Règlement 1093/2010, du Règlement 1094/2010 ou du Règlement 1095/2010, relatives à la surveillance complémentaire des conglo- mérats conformément à la Directive 2002/87/CE.: § 2. Si, par application analogue des dispositions de l’article 10 de la Directive 2002/87/CE, une autre autorité compétente que la Banque est le coordinateur, la vérification et la consultation sont effectuées par cette autre autorité compétente, la Banque pouvant lui communiquer ses constatations et son point de vue sur l’équivalence visée au paragraphe 1er. Lorsque la Banque a un avis différent quant à une décision prise par une autre autorité compétente conformément à l’alinéa 1er, l’article 19, selon le cas, 1062 1584/002 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 besluit, is artikel 19, naargelang van het geval, van Verordening 1094/2010, van Verordening 1093/2010 of van Verordening 1095/2010 van toepassing. § 3. Indien de procedure in de paragrafen 1 en 2 leidt tot de vaststelling dat er geen gelijkwaardigheid is, worden de betrokken verzekerings- of herverzekerings- ondernemingen naar Belgisch recht onderworpen aan een aanvullend conglomeraatstoezicht, met overeen- komstige toepassing van de bepalingen van paragraaf 1, eerste lid, door de Bank indien zij de bevoegde autoriteit is die belast zou zijn met het aanvullende conglome- raatstoezicht met overeenkomstige toepassing van de bepalingen van artikel 471. In afwijking van het eerste lid kan de Bank, na overleg met de andere relevante bevoegde autoriteiten, ook beslissen een andere passende toezichtsmethode toe te passen die de doelstellingen achter de bepalingen bedoeld in paragraaf 2, eerste lid dient te verwezenlijken. De Bank kan meer bepaald eisen dat de verzekerings- of herverzekeringsondernemingen naar Belgisch recht en de eventuele andere gereglementeerde ondernemin- gen opgericht naar het recht van een lidstaat, worden ondergebracht in een groep met aan het hoofd een gemengde financiële holding opgericht naar het recht van een lidstaat, en de bepalingen van dit Hoofdstuk toe- passen op het niveau van het financieel conglomeraat met aan het hoofd deze gemengde financiële holding. In dat geval stelt de Bank de overige relevante bevoegde autoriteiten en de Europese Commissie in kennis van elke beslissing genomen met toepassing van het tweede en het derde lid. Voor de toepassing van het eerste tot het vierde lid sluit de Bank de nodige overeenkomsten met de rele- vante bevoegde autoriteiten. TITEL VI In moeilijkheden of in een onregelmatige situatie verkerende verzekerings- of herverzekeringsondernemingen HOOFDSTUK I Evenwicht van de tarieven Art. 504 Indien de Bank vaststelt of indien een verzekerings- of herverzekeringsonderneming haar ervan in kennis stelt du Règlement 1094/2010, du Règlement 1093/2010 ou du Règlement 1095/2010 s’applique. § 3. Si la procédure prévue aux paragraphes 1er et 2 permet de conclure à l’absence d’équivalence, les entreprises d’assurance ou de réassurance de droit belge concernées sont soumises à une surveillance complémentaire des conglomérats par application analogue des dispositions du paragraphe 1er, alinéa 1er, effectuée par la Banque si elle est l’autorité compétente qui serait chargée de la surveillance complémentaire des conglomérats par application analogue des dispo- sitions de l’article 471. Par dérogation à l’alinéa 1er, la Banque peut, après concertation avec les autres autorités compétentes relevantes, également décider d’appliquer une autre méthode de contrôle adéquate, laquelle doit réaliser les objectifs des dispositions visées au paragraphe 2, alinéa 1er. La Banque peut en particulier exiger que les entre- prises d’assurance ou de réassurance de droit belge et les éventuelles autres entreprises réglementées consti- tuées selon le droit d’un État membre soient incluses dans un groupe ayant à sa tête une compagnie finan- cière mixte constituée selon le droit d’un État membre, et appliquer les dispositions du présent Chapitre au niveau du conglomérat financier ayant à sa tête cette compagnie financière mixte. Dans ce cas, la Banque avise les autres autorités compétentes relevantes et la Commission européenne de toute décision prise en application des alinéas 2 et 3. Pour l’application des alinéas 1er à 4, la Banque conclut les accords nécessaires avec les autorités compétentes relevantes. TITRE VI Des entreprises d’assurance ou de réassurance en difficulté ou en situation irrégulière CHAPITRE IER Mise en équilibre des tarifs Art. 504 Si la Banque constate ou si une entreprise d’assu- rance ou de réassurance l’informe que l’application 1063 1584/002 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 dat de toepassing van één van haar tarieven verliesla- tend is of dreigt te worden, kan de Bank eisen dat de betrokken onderneming dit tarief in evenwicht brengt. Dit in evenwicht brengen van het tarief kan een aan- passing van de dekkingsvoorwaarden inhouden. In afwijking van artikel 41 van de Wet Verzekeringen en onverminderd het opzeggingsrecht van de verzeke- ringnemer, wordt de tariefverhoging voor levensverze- kerings- en -herverzekeringsovereenkomsten toegepast overeenkomstig het bepaalde in artikel 216, § 3. Art. 505 Wanneer de overeenkomsten waarop artikel 504 be- trekking heeft, andere dan beroepsgebonden ziektever- zekeringsovereen-komsten in de zin van artikel 202 van de Wet Verzekeringen zijn, raadpleegt de Bank de FSMA vooraleer een beslissing te nemen. De FSMA deelt haar advies mee aan de Bank bin- nen een termijn van een maand na ontvangst van het verzoek om advies. Bij gebreke van advies binnen deze termijn wordt ervan uitgegaan dat zij geen opmerkingen heeft. Art. 506 De verhoging van een tarief is niet onderworpen aan de verplichting tot prijsverhogingsaangifte als bedoeld in de wet van 22 januari 1945 betreffende de economische reglementering en de prijzen, en de uitvoeringsbesluiten ervan. Art. 507 De Bank stelt de FSMA en de Prijzencommissie in kennis van de beslissing tot tariefverhoging van een verzekerings onderneming. De Bank laat tevens in het Belgisch Staatsblad een uittreksel van de beslissing publiceren, waarin het per- centage van de toegestane verhoging wordt vermeld. d’un de ses tarifs donne lieu ou risque de donner lieu à des pertes, la Banque peut exiger que cette entreprise mette ce tarif en équilibre. La mise en équilibre du tarif peut comporter une adaptation des conditions de couverture. Par dérogation à l’article 41 de la Loi assurances et sans préjudice du droit de résiliation dans le chef du preneur d’assurance, le relèvement d’un tarif s’applique pour ce qui concerne les contrats d’assurance et de ré- assurance vie, de la manière prévue à l’article 216, § 3. Art. 505 Lorsque les contrats concernés par l ’ar- ticle 504 consistent dans des contrats d’assurance- maladie non liés à l’activité professionnelle au sens de l’article 202 de la Loi assurances, la Banque consulte la FSMA avant de prendre sa décision. La FSMA communique son avis à la Banque dans un délai d’un mois à compter de la réception de la demande d’avis. À défaut d’avis dans ce délai, il est considéré qu’elle n’a pas d’observation à formuler. Art. 506 Le relèvement d’un tarif n’est pas soumis à l’obliga- tion de déclaration des hausses de prix visée par la loi du 22 janvier 1945 sur la réglementation économique et les prix et par ses arrêtés d’exécution. Art. 507 La Banque informe la FSMA et la Commission des prix de la décision de relèvement du tarif d’une entre- prise d’assurance. La Banque fait également procéder à la publication au Moniteur belge d’un extrait de la décision indiquant le pourcentage du relèvement autorisé. 1064 1584/002 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 HOOFDSTUK II Herstelmaatregelen Afdeling I Dwingende maatregelen Art. 508 §  1. Wanneer de Bank vaststelt dat een verze- kerings- of herverzekeringsonderneming niet werkt overeenkomstig de bepalingen van deze wet, haar uitvoeringsbesluiten en -reglementen of de uitvoerings- maatregelen van Richtlijn 2009/138/EG, of wanneer zij over gegevens beschikt waaruit blijkt dat het gevaar bestaat dat deze onderneming in de komende twaalf maanden niet meer zal werken overeenkomstig deze bepalingen, stelt zij de termijn vast waarbinnen deze toestand moet worden verholpen. § 2 Zolang de verzekerings- of herverzekeringsonder- neming de in paragraaf 1 bedoelde toestand niet heeft verholpen, kan de Bank te allen tijde: 1° de toepassing opleggen van bijzondere regels inzake waardering of waardeaanpassing voor de bere- kening van de eigenvermogensvereisten die opgelegd zijn door of krachtens deze wet of door de uitvoerings- maatregelen van Richtlijn 2009/138/EG; 2° de verdeling van winstdelingen en restorno’s of de toekenning van verdeelde winstdelingen beperken of verbieden, na raadpleging van de FSMA; 3° alle dividenduitkeringen of betalingen, met name van interesten, aan aandeelhouders of houders van kernkapitaalinstrumenten, beperken of verbieden, voor zover de schorsing van de betalingen die daaruit zou voortvloeien, niet leidt tot de opening van een liquida- tieprocedure met toepassing van de bepalingen van de faillissementswet van 8 augustus 1997; 4° de gehele of gedeeltelijke reservering van uitkeer- bare winst opleggen; 5° eisen dat de variabele component van de belo- ning van de personen waarop het beloningsbeleid van toepassing is, beperkt wordt tot een percentage van de winst; 6°  specifieke liquiditeitsnormen opleggen, die dwingender zijn dan deze waarin voorzien is door CHAPITRE II Mesures de redressement Section Ire Mesures contraignantes Art. 508 § 1er. Lorsque la Banque constate qu’une entreprise d’assurance ou de réassurance ne fonctionne pas en conformité avec les dispositions de la présente loi, des arrêtés et règlements pris pour son exécution ou les mesures d’exécution de la Directive 2009/138/CE, ou qu’elle dispose d’éléments indiquant que cette entre- prise risque de ne plus fonctionner en conformité avec ces dispositions au cours des douze prochains mois, la Banque fixe le délai dans lequel il doit être remédié à cette situation. § 2. Aussi longtemps qu’il n’a pas été remédié par l’entreprise d’assurance ou de réassurance à la situa- tion visée au paragraphe 1er, la Banque peut, à tout moment: 1° imposer l’application de règles particulières en matière d’évaluation ou d’ajustement de valeur pour le calcul des exigences de fonds propres prévues par ou en vertu de la présente loi ou par les mesures d’exécu- tion de la Directive 2009/138/CE; 2° limiter ou interdire la répartition de participations aux bénéfices et de ristournes ou l’attribution de par- ticipations bénéficiaires réparties, après consultation de la FSMA; 3° limiter ou interdire toute distribution de dividendes ou tout paiement, notamment d’intérêts, aux action- naires ou aux titulaires d’instruments de fonds propres de base, dans la mesure où la suspension des verse- ments qui en résulterait n’entraîne pas les conditions d’ouverture d’une procédure de liquidation en appli- cation des dispositions de la loi du 8 août 1997 sur les faillites; 4° imposer la mise en réserve totale ou partielle des bénéfices distribuables; 5° imposer de limiter la composante de la rémunéra- tion variable des personnes visées par la politique de rémunération à un pourcentage du bénéfice; 6° imposer des normes spécifiques de liquidité, plus contraignantes que celles définies par des règlements le 1065 1584/002 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 reglementen die in voorkomend geval met toepassing van deze wet zijn vastgesteld, waaronder beperkingen ten aanzien van mismatches tussen activa en passiva van de verzekerings- of herverzekeringsonderneming; 7° eisen dat de verzekerings- of herverzekeringson- derneming het risico dat verbonden is aan bepaalde ac- tiviteiten of producten of aan haar organisatie, beperkt, in voorkomend geval door de integrale of gedeeltelijke overdracht op te leggen van haar bedrijf of haar net; 8° normen opleggen inzake risicoconcentratie of ter beperking van de blootstellingen die van toepassing zijn op de activa en die dwingender zijn dan deze waarin voorzien is door of krachtens deze wet; 9°  een aanvullende rapporteringsverplichting op- leggen of een frequentere rapportering opleggen dan waarin voorzien is door of krachtens deze wet of door de uitvoeringsmaatregelen van Richtlijn 2009/138/EG , met name voor de rapportering over risico’s, eigen vermogen of liquiditeitsposities; 10° volledigere en frequentere openbaarmakingen eisen dan deze waarin voorzien is door of krachtens deze wet of door de uitvoeringsmaatregelen van Richtlijn 2009/138/EG; § 3.Wanneer de Bank van oordeel is dat de maatrege- len die de verzekerings- of herverzekeringsonderneming binnen de met toepassing van paragraaf 1 vastgestelde termijn heeft genomen om de vastgestelde toestand te verhelpen, bevredigend zijn, heft zij volgens de modali- teiten die zij bepaalt, alle of een deel van de maatregelen op waartoe zij met toepassing van paragraaf 2 heeft besloten. Afdeling II Uitvoering van het herstelplan Art. 509 Zolang de verzekerings- of herverzekeringsonderne- ming de toestand bedoeld in artikel 508, § 1 niet heeft verholpen, en onverminderd de maatregelen bedoeld in paragraaf 2 van het genoemde artikel, kan de Bank te allen tijde en volgens de modaliteiten die zij bepaalt, eisen dat de onderneming het met toepassing van ar- tikel 204 opgestelde herstelplan geheel of gedeeltelijk uitvoert. cas échéant adoptés en application de la présente loi, en ce compris des limitations aux asymétries d’échéance entre actifs et passifs de l’entreprise d’assurance ou de réassurance; 7° imposer que l’entreprise d’assurance ou de réas- surance diminue le risque inhérent à certaines activités ou produits ou à son organisation, le cas échéant en imposant la cession de tout ou partie de ses activités ou de son réseau; 8° imposer des normes en matière de concentration des risques ou de limitation des expositions applicables aux actifs plus contraignantes que celles définies par ou en vertu de la présente loi; 9° imposer une obligation d’information (reporting) supplémentaire ou imposer une fréquence d’information (reporting) plus élevée que ce qui est prévu par ou en vertu de la présente loi ou par les mesures d’exécution de la Directive 2009/138/CE, notamment en matière de risques, de fonds propres ou de positions de liquidité; 10° imposer la publication d’informations plus com- plètes et plus fréquentes que celles prévues par ou en vertu de la présente loi ou par les mesures d’exécution de la Directive 2009/138/CE; § 3. Lorsque la Banque estime que les mesures prises par l’entreprise d’assurance ou de réassurance dans le délai fixé en application du paragraphe 1er pour remédier à la situation constatée sont satisfaisantes, elle lève, selon les modalités qu’elle détermine, tout ou partie des mesures décidées en application du paragraphe 2. Section II Mise en œuvre du plan de redressement Art. 509 Aussi longtemps que l’entreprise d’assurance ou de réassurance n’a pas remédié à la situation visée à l’article 508, § 1er, et sans préjudice des mesures visées au paragraphe 2 dudit article, la Banque peut à tout moment, et selon les modalités qu’elle détermine, requérir que l’entreprise mette en œuvre tout ou partie du plan de redressement élaboré en application de l’article 204. 1066 1584/002 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 Afdeling III Saneringsplan en plan inzake financiering op korte termijn Art. 510 § 1. Zodra een verzekerings- of herverzekeringson- derneming vaststelt dat zij niet meer voldoet aan het solvabiliteitskapitaalvereiste als bedoeld in artikel 151, of dat het gevaar dreigt dat zij er in de komende drie maanden niet meer aan voldoet, stelt ze de Bank daar- van onmiddellijk in kennis. Binnen twee maanden na de vaststelling bedoeld in het eerste lid of de kennisgeving door de Bank van het feit dat zij een dergelijke vaststelling heeft gedaan, dient de onderneming bij de Bank ter goedkeuring een realistisch saneringsplan in om het in aanmerking komend eigen vermogen ter dekking van het solvabi- liteitskapitaalvereiste weer op peil te brengen of haar risicoprofiel zodanig te verlagen dat weer wordt voldaan aan het solvabiliteitskapitaalvereiste binnen uiterlijk zes maanden. De Bank kan deze termijn met drie maanden verlengen indien zij dit nodig acht. §  2. Het saneringsplan bevat ten minste voor de volgende drie boekjaren een gedetailleerde beschrij- ving van de volgende elementen of de desbetreffende rechtvaardigingen: 1° een raming van de te verwachten beheerkosten, met name van de algemene kosten en de commissies; 2°  een raming van de ontvangsten en uitgaven, zowel wat het rechtstreekse verzekeringsbedrijf als de aangenomen herverzekeringen en de overdrachten uit hoofde van herverzekering betreft; 3° een balansprognose; 4° een raming van de financiële middelen ter dekking van de technische voorzieningen, en van het solvabi- liteitskapitaalvereiste en het minimumkapitaalvereiste; 5° het algemene onderschrijvings- en tariferingsbeleid; 6° het algemene herverzekerings- of retrocessiebeleid; 7° de relevante bepalingen van het ter uitvoering van de artikelen 204 tot 206 opgestelde herstelplan. Section III Programme de rétablissement et plan de financement à court terme Art. 510 § 1er. Dès qu’elle constate que son capital de solva- bilité requis n’est plus conforme aux exigences prévues par l’article 151 ou qu’il risque de ne plus l’être dans les trois prochains mois, toute entreprise d’assurance ou de réassurance en informe immédiatement la Banque. Dans les deux mois du constat visé à l’alinéa 1er ou de la notification effectuée par la Banque selon laquelle elle a procédé à un tel constat, l’entreprise soumet à la Banque, pour approbation, un programme de rétablissement réaliste visant à rétablir le niveau de fonds propres éligibles couvrant le capital de solvabilité requis ou réduire son profil de risque afin de garantir la conformité du capital de solvabilité requis dans un délai n’excédant pas six mois. La Banque peut, si elle l’estime nécessaire, prolonger ce délai de trois mois. § 2. Le programme de rétablissement comprend au moins pour les trois exercices financiers subséquents, une description détaillée des éléments suivants, ou les justifications y afférentes: 1° une estimation prévisionnelle des frais de gestion, notamment des frais généraux et des commissions; 2° une estimation des recettes et des dépenses, tant pour les affaires directes que pour les acceptations et les cessions en réassurance; 3° un bilan prévisionnel; 4° une estimation des ressources financières devant servir à la couverture des provisions techniques, ainsi que du capital de solvabilité requis et du minimum de capital requis; 5°  la politique générale de souscription et de tarification; 6° la politique générale en matière de réassurance ou de rétrocession; 7° les dispositions pertinentes du plan de redresse- ment établi en exécution des articles 204 à 206. 1067 1584/002 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 De Bank kan alle aanvullende informatie of recht- vaardigingen eisen die zij noodzakelijk acht voor de beoordeling van het plan. § 3. In uitzonderlijke ongunstige omstandigheden als bedoeld in artikel 138, lid 4 van Richtlijn 2009/138/EG, die als zodanig worden aangemerkt door EIOPA, kan de Bank de in paragraaf 1, tweede lid bedoelde termijn voor de desbetreffende onderneming verlengen met een periode van maximum zeven jaar, rekening houdend met alle relevante factoren, en met name met de gemiddelde looptijd van de technische voorzieningen. De betrokken verzekerings- of herverzekeringson- derneming dient om de drie maanden een tussentijds verslag in bij de Bank waarin wordt aangegeven welke maatregelen er zijn getroffen en welke vooruitgang er is geboekt om het in aanmerking komend eigen vermogen ter dekking van het solvabiliteitskapitaal- vereiste weer op peil te brengen of haar risicoprofiel zodanig te verlagen dat weer wordt voldaan aan het solvabiliteitskapitaalvereiste. De in het eerste lid bedoelde verlenging wordt in- getrokken als uit het tussentijds verslag blijkt dat er geen duidelijke vooruitgang is geboekt door de onder- neming in het licht van de in het tweede lid bedoelde doelstellingen. Art. 511 § 1. Zodra een verzekerings- of herverzekeringson- derneming vaststelt dat zij niet meer voldoet aan het minimumkapitaalvereiste als bedoeld in artikel 189, of dat het gevaar dreigt dat zij er in de komende drie maan- den niet meer aan voldoet, stelt ze de Bank daarvan onmiddellijk in kennis. Binnen een maand na de vaststelling bedoeld in het eerste lid of de kennisgeving door de Bank van het feit dat zij een dergelijke vaststelling heeft gedaan, dient de onderneming bij de Bank ter goedkeuring een realistisch plan inzake financiering op korte termijn in om het in aanmerkend komend kernvermogen binnen uiterlijk drie maanden op het niveau van het minimum- kapitaalvereiste terug te brengen of haar risicoprofiel zodanig te verlagen dat weer wordt voldaan aan het minimumkapitaalvereiste. § 2. Het plan inzake financiering op korte termijn bevat ten minste voor de volgende drie boekjaren een gedetail- leerde beschrijving van de in artikel 510, § 2 bedoelde elementen en de desbetreffende rechtvaardigingen. La Banque peut exiger tout complément d’information ou de justification qu’elle estime nécessaire à l’évalua- tion du plan. § 3. En cas de situation défavorable exceptionnelle telle que visée à l’article 138, paragraphe 4  de la Directive 2009/138/CE et déclarée comme telle par l’EIOPA, la Banque peut prolonger, pour l’entreprise affectée, le délai visé au paragraphe 1er, alinéa 2 d’une durée maximale de sept ans compte tenu de tous les facteurs pertinents et notamment de la durée moyenne des provisions techniques. L’entreprise d’assurance ou de réassurance concer- née soumet tous les trois mois à la Banque un rapport intermédiaire exposant les mesures prises et les pro- grès accomplis pour rétablir le niveau de fonds propres éligibles correspondant au capital de solvabilité requis ou pour réduire son profil de risque afin de garantir la conformité du capital de solvabilité requis. La prolongation visée à l’alinéa 1er est retirée lorsque le rapport intermédiaire montre qu’aucun progrès signi- ficatif n’a été accompli par l’entreprise au regard des objectifs visés à l’alinéa 2. Art. 511 § 1er. Dès qu’elle constate que son minimum de capi- tal requis n’est plus conforme aux exigences prévues par l’article 189 ou qu’il risque de ne plus l’être dans les trois prochains mois, toute entreprise d’assurance ou de réassurance en informe immédiatement la Banque. Dans le mois du constat visé à l’alinéa 1er ou de la notification effectuée par la Banque selon laquelle elle a procédé à un tel constat, l’entreprise soumet à la Banque, pour approbation, un plan de financement à court terme réaliste visant à rétablir, dans un délai n’excédant pas trois mois, les fonds propres de base éligibles au moins au niveau du minimum de capital requis ou à réduire son profil de risque pour garantir la conformité du minimum de capital requis. § 2. Le plan de financement à court terme comporte au moins, pour les trois exercices financiers subsé- quents, une description détaillée des éléments visés à l’article 510, § 2 et les justifications s’y rapportant. 1068 1584/002 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 Art. 512 Zolang het in artikel 510 bedoelde saneringsplan of het in artikel 511 bedoelde plan inzake financiering op korte termijn loopt en de Bank van oordeel is dat de rechten van de verzekeringnemers, de verzekerden of de begunstigden of de naleving van de rechten die uit de herverzekeringsovereenkomsten voortvloeien, in het gedrag komen, onthoudt zij zich van de afgifte van de in artikel 109, eerste lid en artikel 116, eerste lid bedoelde solvabiliteitsattesten. Afdeling IV Beperking van de bevoegdheid om over de activa te beschikken Art. 513 Onverminderd de andere maatregelen die door of krachtens de wet zijn vastgelegd, kan de Bank de vrije beschikking over de activa van een verzekerings- of herverzekeringsonderneming, waar zij zich ook bevin- den, beperken of ontnemen in de volgende gevallen: 1° indien de onderneming zich niet conformeert aan de bepalingen van de artikelen 124 tot 139 voor wat de technische voorzieningen betreft; 2° in de uitzonderlijke omstandigheid dat de Bank, wanneer de onderneming een saneringsplan heeft ingediend of moet indienen krachtens artikel 510, van oordeel is dat de financiële positie van de onderneming verder zal verslechteren; 3° indien niet meer wordt voldaan aan het overeenkom- stig artikel 189 vastgestelde minimumkapitaalvereiste; 4° indien de solvabiliteitspositie van de onderneming blijft verslechteren of de belangen van de verzekering- nemers, de verzekerden of de begunstigden van de ver- zekeringsovereenkomsten of de naleving van de rechten die uit de herverzekeringsovereenkomsten voortvloeien, in het gedrag komen, ondanks de uitvoering van een saneringsplan of een plan inzake financiering op korte termijn. Art. 514 § 1. Het verbod op de vrije beschikking over de in België gelokaliseerde activa dat met toepassing van artikel 513 wordt opgelegd, wordt door de volgende bepalingen beheerst: Art. 512 Aussi longtemps que le programme de rétablissement visé à l’article 510 ou le plan de financement à court terme visé à l’article 511 est en cours et que la Banque estime que les droits des preneurs d’assurance, des assurés ou des bénéficiaires ou le respect des droits découlant des contrats de réassurance, sont menacés, elle s’abstient de délivrer les attestations de solvabilité visées aux articles 109, alinéa 1er et 116, alinéa 1er. Section IV Limitation du pouvoir de disposer des actifs Art. 513 Sans préjudice des autres mesures prévues par ou en vertu de la loi, la Banque peut restreindre ou interdire la libre disposition des actifs d’une entreprise d’assurance ou de réassurance, quelle que soit leur localisation, dans les cas suivants: 1° si l’entreprise ne se conforme pas aux dispositions des articles 124 à 139 en ce qui concerne les provisions techniques; 2° dans la circonstance exceptionnelle où, lorsque l’entreprise a soumis ou est tenue de soumettre un programme de rétablissement en vertu de l’article 510, la Banque est d’avis que la situation financière de l’entreprise va se détériorer davantage; 3° si le minimum de capital requis n’est plus conforme aux dispositions de l’article 189; 4° si, malgré la mise en œuvre d’un programme de rétablissement ou d’un plan de financement à court terme, la solvabilité de l’entreprise continue à se dété- riorer ou que les intérêts des preneurs d’assurance, des assurés ou des bénéficiaires des contrats d’assurance ou le respect des droits découlant des contrats de réas- surance sont menacés. Art. 514 § 1er. L’interdiction de la libre disposition des actifs localisés en Belgique en application de l’article 513 est régie par les dispositions suivantes: 1069 1584/002 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 1° Zonder dat een dergelijke mededeling een voor- waarde uitmaakt voor het verbod, bezorgt de onder- neming aan de Bank een volledige inventaris van haar activa, met inbegrip van de andere activa dan deze die ter dekking van de technische voorzieningen worden aangehouden. Voor elke daad van beschikking of toe- wijzing met betrekking tot die activa is de voorafgaande toestemming van de Bank vereist. 2° Voor de activa die op een rekening zijn ingeschre- ven, beveelt de Bank de in bewaring nemende instelling de rekening te blokkeren. Voor de andere voor bewaar- geving vatbare activa beveelt de Bank de onderneming ze onmiddellijk in bewaring te geven op een bijzondere rekening ter verwezenlijking van de blokkering van de activa bij een kredietinstelling, beursvennootschap of buitenlandse beleggingsonderneming waarvan de ver- gunning het in ontvangst nemen van tegoeden dekt en die onder het recht van een lidstaat ressorteert. De in bewaring nemende instellingen mogen de activa die ze voor rekening van de verzekerings- of her- verzekeringsonderneming in bewaring houden, slechts teruggeven op voorlegging van de toestemming van de Bank. Deze laatste brengt de in bewaring nemende instellingen op de hoogte van de verplichtingen die krachtens dit artikel op hen rusten. Deze instellingen worden verantwoordelijk gehouden voor de geldelijke verliezen die voortvloeien uit de niet-naleving van de op hen rustende verplichtingen die vastgesteld zijn in dit lid. 3°  De in België gestorte bedragen ter uitvoering van vorderingen van de verzekerings- of herverzeke- ringsonderneming worden gestort op een bijzondere geblokkeerde rekening bij een kredietinstelling naar Belgisch recht of die onder het recht van een lidstaat ressorteert, en vallen onder dezelfde regeling als de activa bedoeld in 1°. 4° Wat de andere activa betreft die niet voor bewaar- geving vatbaar zijn, kan de Koning, op advies van de Bank, de regels vaststellen inzake de bewarende maat- regelen die op deze activa van toepassing kunnen zijn. 5°  De onroerende activa zijn onderworpen aan een wettelijke hypotheek ten bate van de geza- menlijke schuldeisers uit hoofde van verzekering of herverzekering. De inschrijving wordt gevorderd door de Bank, onder de voorwaarden bepaald in de artikelen 82 tot 87 van de hypotheekwet. De inschrijving wordt doorgehaald of verminderd met instemming van de Bank, onder de voorwaarden bepaald in de artikelen 92 tot 95 van de hypotheekwet. 1° Sans qu’une telle communication ne constitue un préalable à l’interdiction, l’entreprise communique à la Banque un inventaire complet de ses actifs, en ce compris les actifs autres que ceux détenus pour couvrir les provisions techniques. Tout acte de disposition ou d’affectation de ces actifs est subordonné à l’autorisa- tion préalable de la Banque. 2° Pour les actifs faisant l’objet d’une inscription en compte, la Banque ordonne à l’organisme dépositaire le blocage du compte. Pour les autres actifs suscep- tibles de dépôt, la Banque ordonne à l’entreprise le dépôt immédiat sur un compte spécial matérialisant le blocage des actifs ouvert auprès d’un établissement de crédit, d’une société de bourse ou d’une entreprise d’investissement étrangère dont l’agrément couvre la réception d’avoirs, relevant du droit d’un État membre. Les organismes dépositaires ne peuvent restituer les actifs qu’ils détiennent pour compte de l’entreprise d’assurance ou de réassurance que sur production de l’autorisation de la Banque. Celle-ci informe les orga- nismes dépositaires des obligations qui leur incombent en vertu du présent article. Ces organismes sont tenus responsables des pertes de valeur résultant du non- respect de leurs obligations prévues au présent alinéa. 3° Les sommes versées en Belgique en exécution des créances de l’entreprise d’assurance ou de réassurance sont versées sur un compte spécial et bloqué auprès d’un établissement de crédit de droit belge ou relevant du droit d’un État membre, et suivent le même régime que les actifs visés au 1°. 4° En ce qui concerne les autres actifs non suscep- tibles de dépôt, le Roi peut, sur avis de la Banque, fixer les règles relatives aux mesures conservatoires auxquelles ils peuvent être soumis. 5° Les actifs immobiliers sont soumis à une hypo- thèque légale au profit de l’ensemble des créanciers d’assurance ou de réassurance. L’inscription est requise par la Banque dans les condi- tions prévues aux articles 82 à 87 de la loi hypothécaire. L’inscription est radiée ou réduite du consentement de la Banque dans les conditions prévues aux articles 92 à 95 de la loi hypothécaire. 1070 1584/002 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 De kosten en rechten van inschrijving, doorhaling en vermindering komen ten laste van de betrokken onderneming. 6° De Bank kan zich met een aangetekende brief aan de hypotheekbewaarders verzetten tegen de doorhaling of de vermindering van de hypotheek ver- leend door een derde ten bate van de verzekerings- of herverzekeringsonderneming. §  2. De roerende dekkingswaarden die het voor- werp uitmaken van de bepalingen van paragraaf 1 zijn niet voor beslag vatbaar, tenzij in het voordeel van de schuldeisers die houders zijn van rechten die te goeder trouw zijn verkregen krachtens een formaliteit vervuld vóór de toewijzing van de betreffende waarden als dekkingswaarden. Art. 515 De Bank stelt de toezichthouders van de betrok- ken lidstaten van ontvangst vooraf in kennis van haar voornemen om de vrije beschikking over de activa te beperken of te ontnemen. De Bank kan de toezichthouders van de lidstaten op het grondgebied waarvan de activa van de onderneming gelokaliseerd zijn, verzoeken de nodige maatregelen te nemen om de effectiviteit te verzekeren van de beper- king van of het verbod op de vrije beschikking over die activa. De Bank bepaalt op welke activa deze maatre- gelen van toepassing zullen zijn. Art. 516 Op verzoek van een toezichthouder van een lidstaat kan de Bank overeenkomstig artikel 513 de vrije beschik- king over de activa van een verzekerings- of herverze- keringsonderneming die onder het recht van die lidstaat ressorteert, beperken of ontnemen indien die activa op het Belgische grondgebied gelokaliseerd zijn en door deze toezichthouder zijn aangeduid. Afdeling V Uitzonderlijke herstelmaatregelen Art. 517 §  1. Wanneer de Bank vaststelt dat een verze- kerings- of herverzekeringsonderneming niet of niet langer voldoet aan de met toepassing van artikel 508, § 2 genomen maatregelen, of dat zij de toestand na Les frais et droits relatifs à l’inscription, à la radia- tion et à la réduction sont à charge de l’entreprise concernée. 6° La Banque peut, par lettre recommandée adres- sée aux conservateurs des hypothèques, s’opposer à la radiation ou la réduction de l’hypothèque consentie par un tiers au profit de l’entreprise d’assurance ou de réassurance. § 2. Les valeurs représentatives mobilières qui font l’objet des dispositions du paragraphe 1er sont insaisis- sables, sauf au profit des créanciers titulaires de droits acquis de bonne foi en vertu d’une formalité accomplie avant l’affectation desdites valeurs au titre de valeurs représentatives. Art. 515 La Banque informe préalablement les autorités de contrôle des États membres d’accueil concernés de son intention de restreindre ou d’interdire la libre disposition des actifs. La Banque peut demander aux autorités de contrôle des États membres sur le territoire desquels sont situés les actifs de l’entreprise de prendre les mesures néces- saires en vue d’assurer l’effectivité de la restriction ou de l’interdiction de la libre disposition de ces actifs. La Banque désigne les actifs visés par ces mesures. Art. 516 À la demande d’une autorité de contrôle d’un État membre, la Banque peut restreindre ou interdire confor- mément à l’article 513 la libre disposition des actifs appartenant à une entreprise d’assurance ou de réas- surance relevant du droit de cet État qui sont localisés sur le territoire belge et que cette autorité a désignés. Section V Mesures de redressement exceptionnelles Art. 517 § 1er. Sans préjudice des autres dispositions prévues par ou en vertu de la présente loi, lorsque la Banque constate qu’une entreprise d’assurance ou de réassu- rance ne se conforme pas ou cesse de se conformer aux 1071 1584/002 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 het verstrijken van de met toepassing van artikel 508, § 1 vastgestelde termijn niet heeft verholpen, kan de Bank, onverminderd de andere bepalingen die door of krachtens deze wet zijn vastgesteld: 1° een speciaal commissaris aanstellen. In dit geval is voor alle handelingen en beslissingen van alle organen van de onderneming, alsook voor die van de personen die instaan voor het beleid, zijn schrif- telijke, algemene of bijzondere toestemming vereist; de Bank kan de verrichtingen waarvoor toestemming is vereist, evenwel beperken. De speciaal commissaris mag elk voorstel dat hij nuttig acht, voorleggen aan alle organen van de onder- neming, inclusief de algemene vergadering. De leden van de bestuurs- en beleidsorganen en de personen die instaan voor het beleid, die handelingen stellen of beslissingen nemen zonder de vereiste toe- stemming van de speciaal commissaris, zijn hoofdelijk aansprakelijk voor het nadeel dat hieruit voortvloeit voor de onderneming of voor derden. Indien de Bank de aanstelling van een speciaal com- missaris in het Belgisch Staatsblad heeft bekendge- maakt, met opgave van de handelingen en beslissingen waarvoor zijn toestemming vereist is, zijn alle handelin- gen en beslissingen zonder deze vereiste toestemming nietig, tenzij de speciaal commissaris die bekrachtigt. Onder dezelfde voorwaarden zijn alle beslissingen van de algemene vergadering zonder de vereiste toestem- ming van de speciaal commissaris nietig, tenzij hij die bekrachtigt. De bezoldiging van de speciaal commissaris wordt vastgesteld door de Bank en gedragen door de onderneming. De Bank kan een plaatsvervangend commissaris aanstellen; 2° de vervanging gelasten van alle of een deel van de leden van het wettelijk bestuursorgaan, van het direc- tiecomité en/of in voorkomend geval van de personen belast met de effectieve leiding van de verzekerings- of herverzekeringsonderneming, binnen een termijn die zij bepaalt en, zo binnen deze termijn geen vervanging geschiedt, in de plaats van de voltallige bestuurs- en beleidsorganen van de onderneming een of meer voorlopige bestuurders of zaakvoerders aanstellen mesures adoptées en application de l’article 508, § 2, ou qu’à l’issue du délai fixé en application de l’article 508, § 1er, elle n’a pas remédié à la situation, la Banque peut: 1° désigner un commissaire spécial. Dans ce cas, l’autorisation écrite, générale ou spé- ciale, de celui-ci est requise pour tous les actes et décisions de tous les organes de l’entreprise et pour ceux des personnes chargées de la gestion; la Banque peut toutefois limiter le champ des opérations soumises à autorisation. Le commissaire spécial peut soumettre à la délibé- ration de tous les organes de l’entreprise, y compris l’assemblée générale, toute proposition qu’il juge opportune. Les membres des organes d’administration et de gestion et les personnes chargées de la gestion qui accomplissent des actes ou prennent des décisions sans avoir recueilli l’autorisation requise du commissaire spécial sont responsables solidairement du préjudice qui en est résulté pour l’entreprise ou les tiers. Si la Banque a publié au Moniteur belge la dési- gnation du commissaire spécial et spécifié les actes et décisions soumis à son autorisation, les actes et déci- sions intervenus sans cette autorisation alors qu’elle était requise sont nuls, à moins que le commissaire spécial ne les ratifie. Dans les mêmes conditions toute décision d’assemblée générale prise sans avoir recueilli l’autorisation requise du commissaire spécial est nulle, à moins que le commissaire spécial ne la ratifie. La rémunération du commissaire spécial est fixée par la Banque et supportée par l’entreprise. La Banque peut désigner un commissaire suppléant; 2° enjoindre le remplacement de tout ou partie des membres de l’organe légal d’administration, du comité de direction et/ou, le cas échéant, des personnes char- gées de la direction effective de l’entreprise d’assurance ou de réassurance, dans un délai qu’elle fixe et, à défaut d’un tel remplacement dans ce délai, substituer à l’en- semble des organes d’administration et de gestion de l’entreprise un ou plusieurs administrateurs ou gérants provisoires qui disposent, seuls ou collégialement selon 1072 1584/002 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 die alleen of collegiaal, naargelang van het geval, de bevoegdheden hebben van de vervangen personen. De Bank maakt haar beslissing bekend in het Belgisch Staatsblad. Wanneer de omstandigheden dit rechtvaardigen, kan de Bank een of meer voorlopige bestuurders of zaakvoerders aanstellen zonder vooraf de vervanging te gelasten van alle of een deel van de leiders van de onderneming. Mits de Bank hiermee instemt, kan of kunnen de voorlopige bestuurder(s) of zaakvoerder(s) een alge- mene vergadering bijeenroepen en de agenda ervan vaststellen. De Bank kan volgens de modaliteiten die zij bepaalt eisen dat de voorlopige bestuurder(s) of zaakvoerder(s) aan haar verslag uitbrengen over de financiële positie van de onderneming en over de maatregelen die zij in het kader van hun opdracht hebben genomen, evenals over de financiële positie aan het begin en aan het einde van die opdracht. De bezoldiging van de voorlopige bestuurder(s) of zaakvoerder(s) wordt vastgesteld door de Bank en gedragen door de betrokken onderneming. De Bank kan de voorlopige bestuurder(s) of zaakvoerder(s) te allen tijde vervangen, hetzij ambts- halve, hetzij op verzoek van een meerderheid van aandeelhouders of vennoten, wanneer zij aantonen dat het beleid van de betrokkenen niet langer de nodige waarborgen biedt; 3° de verzekerings- of herverzekeringsonderneming gelasten binnen de door haar vastgestelde termijn een algemene vergadering van aandeelhouders bijeen te roepen waarvan zij de agenda vaststelt; 4°  voor de duur die zij bepaalt, de rechtstreekse of onrechtstreekse uitoefening van het bedrijf van de onderneming geheel of ten dele schorsen dan wel verbieden. Deze schorsing kan, in de door de Bank bepaalde mate, de volledige of gedeeltelijke schorsing van de uitvoering van de lopende overeenkomsten tot gevolg hebben, zonder dat deze schorsing langer mag duren dan twee maanden of een reden mag zijn voor niet-betaling van de premies die reeds verschuldigd waren vóór de datum van de schorsingsmaatregel. De leden van de bestuurs- en beleidsorganen en de personen die instaan voor het beleid, die handelingen stellen of beslissingen nemen ondanks de schorsing of het verbod, zijn hoofdelijk aansprakelijk voor het le cas, des pouvoirs des personnes remplacées. La Banque publie sa décision au Moniteur belge. Lorsque les circonstances le justifient, la Banque peut procéder à la désignation d’un ou plusieurs administrateurs ou gérants provisoires sans procéder préalablement à l’injonction de remplacer tout ou partie des dirigeants de l’entreprise. Moyennant l’autorisation de la Banque, le ou les ad- ministrateurs ou gérants provisoires peuvent convoquer une assemblée générale et en établir l’ordre du jour. La Banque peut requérir, selon les modalités qu’elle détermine, que le ou les administrateurs ou gérants provisoires lui fassent rapport sur la situation financière de l’entreprise et sur les mesures prises dans le cadre de leur mission, ainsi que sur la situation financière au début et à la fin de cette mission. La rémunération du ou des administrateurs ou gérants provisoires est fixée par la Banque et supportée par l’entreprise concernée. La Banque peut, à tout moment, remplacer le ou les administrateurs ou gérants provisoires, soit d’office, soit à la demande d’une majorité des actionnaires ou associés lorsque ceux-ci justifient que la gestion des intéressés ne présente plus les garanties nécessaires; 3° enjoindre à l’entreprise d’assurance ou de réas- surance de convoquer, dans le délai qu’elle fixe, une assemblée générale des actionnaires, dont elle établit l’ordre du jour; 4° suspendre, pour la durée qu’elle détermine, l’exer- cice direct ou indirect de tout ou partie de l’activité de l’entreprise ou interdire cet exercice. Cette suspension peut, dans la mesure déterminée par la Banque, impli- quer la suspension totale ou partielle de l’exécution des contrats en cours, sans qu’une telle suspension ne puisse excéder deux mois ni constituer une cause de non versement des primes dues avant la date de la mesure de suspension. Les membres des organes d’administration et de gestion et les personnes chargées de la gestion qui accomplissent des actes ou prennent des décisions en violation de la suspension ou de l’interdiction sont 1073 1584/002 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 nadeel dat hieruit voortvloeit voor de onderneming of voor derden. Indien de Bank de schorsing of het verbod in het Belgisch Staatsblad heeft bekendgemaakt, zijn alle hiermee strijdige handelingen en beslissingen nietig; 5° de verzekerings- of herverzekeringsonderneming gelasten de aandelen over te dragen die zij bezit; 6° de vrije beschikking over de activa van de verze- kerings- of herverzekeringsonderneming beperken of ontnemen, in welk geval de artikelen 514 en 515 van toepassing zijn; 7° de verzekerings- of herverzekeringsonderneming gelasten een deel of het geheel van haar activiteiten over te dragen, met inbegrip van een deel of het geheel van haar portefeuille, waardoor de rechten en verplichtingen die voortvloeien uit vervallen of lopende verzekerings- of herverzekeringsovereenkomsten worden overgedragen, alsmede de activa die ter dekking van die verplichtingen worden aangehouden, binnen de termijn die de Bank bepaalt. In dat geval zijn de artikelen 102 tot 106 en artikel 547, § 2, 1° van toepassing; 8° de vergunning herroepen, voor één of meer of voor alle verzekeringstakken waarvoor de verzekerings- onderneming een vergunning heeft verkregen, of voor een deel of het geheel van de activiteiten waarvoor de herverzekeringsonderneming een vergunning heeft verkregen. §  2. Niettegenstaande de voorwaarden voor de toepassing van paragraaf 1, kan de Bank in uiterst spoedeisende gevallen of indien de vrijwaring van de rechten van de schuldeisers uit hoofde van verzekering dit vereist, de maatregelen als bedoeld in de genoemde paragraaf 1  treffen zonder vooraf een termijn op te leggen. § 3. De in paragraaf 1 bedoelde beslissingen van de Bank hebben voor de onderneming uitwerking vanaf de datum van de kennisgeving ervan met een aange- tekende brief of een brief met ontvangstbewijs en, voor derden, vanaf de datum van de bekendmaking ervan of de vervulling van de formaliteiten overeenkomstig de voorschriften van paragraaf 1. § 4. De Bank kan de in dit artikel bedoelde maatre- gelen ook nemen wanneer een verzekerings- of herver- zekeringsonderneming een vergunning heeft verkregen door middel van valse verklaringen of op enige andere onregelmatige wijze. responsables solidairement du préjudice qui en est résulté pour l’entreprise ou les tiers. Si la Banque a publié la suspension ou l’interdiction au Moniteur belge, les actes et décisions intervenus à l’encontre de celle-ci sont nuls; 5° enjoindre à l’entreprise d’assurance ou de réas- surance de céder des droits d’associés qu’elle détient; 6° restreindre ou interdire la libre disposition des actifs de l’entreprise d’assurance ou de réassurance, les articles 514 et 515 étant applicables;  7° enjoindre à l’entreprise d’assurance ou de réas- surance de transférer une partie ou l’ensemble de ses activités, en ce compris tout ou partie de son portefeuille impliquant ainsi la cession des droits et obligations découlant des contrats d’assurance ou de réassu- rance, échus ou en cours, ainsi que les actifs détenus en couverture de ces obligations dans le délai fixé par la Banque. En ce cas les articles 102 à 106 et l’article 547, § 2, 1° sont d’application; 8°  révoquer l’agrément, pour une, plusieurs ou l’ensemble des branches d’assurance pour lesquelles l’entreprise d’assurance est agréée ou pour tout ou partie des activités pour lesquelles l’entreprise de réas- surance est agréée. §  2. Nonobstant les conditions d’application du paragraphe 1er, en cas d’extrême urgence ou lorsque la sauvegarde des droits des créanciers d’assurance le requiert, la Banque peut adopter les mesures visées audit paragraphe 1er sans qu’un délai soit préalablement fixé. § 3. Les décisions de la Banque visées au para- graphe 1er sortissent leurs effets à l’égard de l’entreprise à dater de leur notification à celle-ci par lettre recom- mandée ou avec accusé de réception et, à l’égard des tiers, à dater de leur publication ou formalités accomplies conformément aux dispositions du paragraphe 1er. § 4. La Banque peut également adopter les mesures visées au présent article dans le cas où une entreprise d’assurance ou de réassurance a obtenu un agrément au moyen de fausses déclarations ou par tout autre moyen irrégulier. 1074 1584/002 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 § 5. Wanneer de Bank kennis heeft van het feit dat een verzekerings- of herverzekeringsonderneming een bijzonder mechanisme heeft ingesteld met als doel of gevolg fiscale fraude door derden te bevorderen, zijn artikel 508, evenals paragraaf 1, 1°, 2°, 4° en 6° en de paragrafen 2 en 3 van dit artikel van toepassing. § 6. Bij ernstige en stelselmatige overtreding van de regels bedoeld in artikel 45, § 1, eerste lid, 3°, of § 2 van de wet van 2 augustus 2002, kan de Bank de vergun- ning herroepen op verzoek van de FSMA, volgens de procedure en de regels bepaald bij artikel 36bis van diezelfde wet. § 7. De rechtbank van koophandel spreekt op verzoek van elke belanghebbende de nietigverklaringen uit als bedoeld in paragraaf 1, 1° en 4°. De nietigheidsvordering wordt ingesteld tegen de onderneming. Indien verantwoord om ernstige redenen, kan de eiser in kort geding de voorlopige schorsing vor- deren van de gewraakte handelingen of beslissingen. Het schorsingsbevel en het vonnis van nietigverklaring hebben uitwerking ten aanzien van iedereen. Ingeval de geschorste of vernietigde handeling of beslissing bekendgemaakt is, worden het schorsingsbevel en het vonnis van nietigverklaring bij uittreksel op dezelfde wijze bekendgemaakt. Wanneer de nietigheid afbreuk kan doen aan de rechten die een derde te goeder trouw ten aanzien van de onderneming heeft verworven, kan de rechtbank verklaren dat die nietigheid geen uitwerking heeft ten aanzien van de betrokken rechten, onverminderd het eventuele recht van de eiser op schadevergoeding. De nietigheidsvordering kan niet meer worden in- gesteld na afloop van een termijn van zes maanden vanaf de datum waarop de betrokken handelingen of beslissingen kunnen worden tegengeworpen aan wie hun nietigheid inroept, of hem bekend zijn. Art. 518 De Bank stelt de FSMA in kennis van de beslissingen genomen overeenkomstig de artikelen 504 tot 517 en houdt de FSMA op de hoogte van de behandeling van het beroep tegen deze beslissingen. Zij brengt hiervan tevens de toezichthouders op de hoogte van de andere lidstaten waar de verzekerings- of herverzekeringsonderneming een bijkantoor heeft gevestigd of activiteiten uitoefent in het kader van het vrij verrichten van diensten. § 5. L’article 508, ainsi que le paragraphe 1er, 1°, 2°, 4° et 6° et les paragraphes 2 et 3 du présent article sont applicables au cas où la Banque a connaissance du fait qu’une entreprise d’assurance ou de réassurance a mis en place un mécanisme particulier ayant pour but ou pour effet de favoriser la fraude fiscale par des tiers. § 6. En cas d’infraction grave et systématique aux règles visées à l’article 45, § 1er, alinéa 1er, 3°, ou § 2, de la loi du 2 août 2002, la Banque peut révoquer l’agré- ment sur demande de la FSMA selon la procédure et les modalités fixées par l’article 36bis de cette même loi. § 7. Le tribunal de commerce prononce à la requête de tout intéressé, les nullités prévues au paragraphe 1er, 1° et 4°. L’action en nullité est dirigée contre l’entreprise. Si des motifs graves le justifient, le demandeur en nullité peut solliciter en référé la suspension provisoire des actes ou décisions attaqués. L’ordonnance de suspen- sion et le jugement prononçant la nullité produisent leurs effets à l’égard de tous. Au cas où l’acte ou la décision suspendu ou annulé a fait l’objet d’une publication, l’ordonnance de suspension et le jugement prononçant la nullité sont publiés en extrait dans les mêmes formes. Lorsque la nullité est de nature à porter atteinte aux droits acquis de bonne foi par un tiers à l’égard de l’entreprise, le tribunal peut déclarer sans effet la nullité à l’égard de ces droits, sans préjudice du droit du demandeur à des dommages et intérêts s’il y a lieu. L’action en nullité ne peut plus être intentée après l’expiration d’un délai de six mois à compter de la date à laquelle les actes ou décisions intervenus sont oppo- sables à celui qui invoque la nullité ou sont connus de lui. Art. 518 La Banque informe la FSMA des décisions prises conformément aux articles 504 à 517 et tient la FSMA informée des suites données aux recours pris contre ces décisions. Elle en informe également les autorités de contrôle des autres États membres dans lesquels l’entreprise d’assurance ou de réassurance a établi des succur- sales ou exerce des activités sous le régime de la libre prestation de services. 1075 1584/002 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 HOOFDSTUK III Maatregelen ter bescherming van het financiële stelsel Afdeling I Daden van beschikking Art. 519 Indien een van de in artikel 508, § 1, vermelde toe- standen van dien aard is dat zij de stabiliteit van het Belgische of internationale financiële stelsel dreigt aan te tasten wegens de omvang van de verbintenissen van de betrokken verzekerings- of herverzekeringson- derneming of haar rol in het financiële stelsel, kan de Koning, bij een in Ministerraad overlegd besluit, hetzij op verzoek van de Bank, hetzij op eigen initiatief, na het advies te hebben ingewonnen van de Bank, elke daad van beschikking vaststellen, ten gunste van de Staat om of het even welke andere publiek- of privaatrech- telijke Belgische of buitenlandse persoon, met name elke overdracht, verkoop of inbreng met betrekking tot: 1°  activa, passiva of één of meer bedrijfstakken en meer algemeen, alle of een deel van de rechten en verplichtingen van de betrokken verzekerings- of herverzekeringsonderneming; 2° al dan niet stemrechtverlenende aandelen die al dan niet het kapitaal vertegenwoordigen, die door de verzekerings- of herverzekeringsonderneming zijn uitgegeven. Art. 520 Het koninklijk besluit dat met toepassing van arti- kel 519 wordt genomen, bepaalt de schadeloosstelling die betaald moet worden aan de eigenaars van de goe- deren of de houders van de rechten waarop de in het besluit vastgestelde daad van beschikking betrekking heeft. Indien de bij het koninklijk besluit aangewezen overnemer een andere persoon is dan de Staat, komt de prijs die volgens de met de Staat gesloten overeenkomst verschuldigd is door de overnemer, als vergoeding toe aan de genoemde eigenaars of houders, volgens de verdeelsleutel die in hetzelfde besluit is vastgelegd. Art. 521 Het koninklijk besluit dat met toepassing van arti- kel 519 wordt genomen, wordt ter kennis gebracht van de betrokken verzekerings- of herverzekeringsonderneming. CHAPITRE III Mesures de sauvegarde du système financier Section Ire Actes de disposition Art. 519 Lorsqu’une des situations énoncées à l’article 508, § 1er, est susceptible d’affecter la stabilité du système financier belge ou international en raison du volume des engagements de l’entreprise d’assurance ou de réassurance concernée ou de son rôle dans le système financier, le Roi peut, par arrêté délibéré en Conseil des ministres, soit à la demande de la Banque, soit d’initiative, après avis de la Banque, arrêter tout acte de disposition, en faveur de l’État ou de toute autre personne, belge ou étrangère, de droit public ou de droit privé, notamment tout acte de cession, de vente ou d’apport portant sur: 1°  des actifs, des passifs ou une ou plusieurs branches d’activités et plus généralement, tout ou partie des droits et obligations de l’entreprise d’assurance ou de réassurance concernée; 2° des titres ou parts, représentatifs ou non du capital, conférant ou non un droit de vote, émis par l’entreprise d’assurance ou de réassurance. Art. 520 L’arrêté royal pris en application de l’article 519 définit l’indemnité payable aux propriétaires des biens ou aux titulaires des droits faisant l’objet de l’acte de disposition prévu par l’arrêté. Si le cessionnaire désigné par l’arrêté royal est une personne autre que l’État, le prix dû par le cessionnaire aux termes de la convention conclue avec l’État revient auxdits propriétaires ou titulaires à titre d’indemnité, selon la clef de répartition définie par le même arrêté. Art. 521 L’arrêté royal pris en application de l’article 519 est notifié à l’entreprise d’assurance ou de réassurance concernée. Les mesures prévues par cet arrêté font, 1076 1584/002 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 De maatregelen waarin dit besluit voorziet, worden bo- vendien bekendgemaakt via een bericht in het Belgisch Staatsblad. Dit bericht wordt bovendien bekendgemaakt op de website van de betrokken onderneming. Zodra zij de in het eerste lid bedoelde kennisgeving heeft ontvangen, verliest de verzekerings- of herverze- keringsonderneming de vrije beschikking over de activa waarop de in het koninklijk besluit vastgestelde daden van beschikking betrekking hebben. Art. 522 Het is niet mogelijk om de in artikel 519 bedoelde daden niet-tegenwerpbaar te verklaren krachtens de artikelen 17, 18  of 20  van de faillissementswet van 8  augustus  1997  of artikel 1167  van het Burgerlijk Wetboek. Niettegenstaande elke strijdige contractuele bepa- ling mogen de door de Koning met toepassing van artikel 519 vastgestelde maatregelen noch tot gevolg hebben dat de bepalingen van een tussen de verzeke- rings- of herverzekeringsonderneming en één of meer derden gesloten overeenkomst worden gewijzigd, noch dat een einde wordt gesteld aan een dergelijke over- eenkomst, noch dat aan één van de betrokken partijen het recht wordt verleend om de overeenkomst eenzijdig te beëindigen. Ten aanzien van de door de Koning met toepassing van artikel 519 vastgestelde maatregelen geldt geen en- kele statutaire of contractuele goedkeuringsclausule en geen enkel statutair of contractueel recht van voorkoop, geen enkele optie tot aankoop van een derde, en geen enkele statutaire of contractuele clausule die de wijzi- ging van de controle over de betrokken verzekerings- of herverzekeringsonderneming verhindert. De Koning is gemachtigd om alle overige regelingen te treffen die nodig zijn om de goede uitvoering van de met toepassing van artikel 519 genomen maatregelen te verzekeren. Art. 523 De burgerrechtelijke aansprakelijk-heid van de per- sonen die in naam van de Staat of op diens verzoek optreden in het kader van de in deze Afdeling bedoelde maatregelen, wegens of met betrekking tot hun beslis- singen, daden of handelingen in het kader van deze maatregelen, is beperkt tot gevallen van bedrog of zware fout in hun hoofde. en outre, l’objet d’une publication par avis au Moniteur belge. Cet avis est en outre publié sur le site internet de l’entreprise concernée. Dès le moment où elle a reçu la notification visée à l’alinéa 1er, l’entreprise d’assurance ou de réassurance perd la libre disposition des actifs visés par les actes de disposition prévus par l’arrêté royal. Art. 522 Les actes visés à l’article 519 ne peuvent faire l’objet d’une inopposabilité en vertu des articles 17, 18 ou 20 de la loi du 8 août 1997 sur les faillites ou de l’article 1167 du Code civil. Nonobstant toute disposition conventionnelle contraire, les mesures arrêtées par le Roi en application de l’article 519 ne peuvent avoir pour effet de modifier les termes d’une convention conclue entre l’entreprise d’assurance ou de réassurance et un ou plusieurs tiers, ou de mettre fin à une telle convention, ni de donner à aucune partie le droit de la résilier unilatéralement. Sont inopérantes à l’égard des mesures arrêtées par le Roi en application de l’article 519, toute clause statutaire ou conventionnelle d’agrément ou de pré- emption, toute option d’achat d’un tiers, ainsi que toute clause statutaire ou conventionnelle empêchant la modification du contrôle de l’entreprise d’assurance ou de réassurance. Le Roi est habilité à prendre toutes autres dispositions nécessaires en vue d’assurer la bonne exécution des mesures prises en application de l’article 519. Art. 523 La responsabilité civile des personnes, agissant au nom de l’État ou à sa demande, intervenant dans le cadre des opérations visées par la présente Section, encourue en raison de ou en relation avec leurs déci- sions, actes ou comportements dans le cadre de ces opérations est limitée aux cas de dol et de faute lourde dans leur chef. 1077 1584/002 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 Het al dan niet bestaan van een zware fout wordt beoordeeld op grond van de concrete omstandigheden van het betrokken geval, en met name van de hoog- dringendheid waarmee die personen werden gecon- fronteerd, van de praktijken op de financiële markten, van de complexiteit van het betrokken geval, van de bedreigingen voor de bescherming van het spaarwe- zen en van het gevaar voor schade aan de nationale economie ingevolge de discontinuïteit van de betrokken verzekerings- of herverzekeringsonderneming. Art. 524 Alle geschillen waartoe de in deze Afdeling bedoelde daden en de in artikel 523 bedoelde aansprakelijkheid aanleiding zouden kunnen geven, behoren tot de uitslui- tende bevoegdheid van de Belgische rechtbanken, die uitsluitend het Belgische recht toepassen. Art. 525 Voor de toepassing van de Collectieve arbeids- overeenkomst nr. 32bis gesloten op 7 juni 1985 in de Nationale Arbeidsraad, betreffende het behoud van de rechten van de werknemers bij wijziging van werkgever ingevolge de overgang van ondernemingen krachtens overeenkomst en tot regeling van de rechten van de werknemers die overgenomen worden bij overname van activa na faillissement, worden de daden die krachtens artikel 519, 1°, zijn verricht, beschouwd als daden die door de verzekerings- of herverzekeringsonderneming zelf zijn gesteld. Art. 526 Onverminderd de algemene rechtsbeginselen die hij zou kunnen inroepen, kan de raad van bestuur van de verzekerings- of herverzekeringsonderneming afwijken van de statutaire beperkingen van zijn bestuursbe- voegdheden indien een van de in artikel 508, § 1, eerste lid, vermelde toestanden van dien aard is dat zij de stabiliteit van het Belgische of internationale financiële stelsel dreigt aan te tasten wegens de omvang van de verbintenissen van de betrokken verzekerings- of her- verzekeringsonderneming of haar rol in het financiële stelsel. De raad van bestuur stelt een bijzonder verslag op waarin wordt verantwoord waarom deze bepaling wordt toegepast, en waarin de genomen beslissingen worden uiteengezet; dit verslag wordt binnen twee maanden bezorgd aan de algemene vergadering. L’existence d’une faute lourde est appréciée en tenant compte des circonstances concrètes du cas d’espèce et notamment de l’urgence à laquelle ces personnes étaient confrontées, des pratiques des marchés finan- ciers, de la complexité du cas d’espèce, des menaces sur la protection de l’épargne et du risque de dommage à l’économie nationale qu’entraînerait la discontinuité de l’entreprise d’assurance ou de réassurance concernée. Art. 524 Tous les litiges auxquels les actes visés dans la présente Section, ainsi que la responsabilité visée à l’article 523, pourraient donner lieu relèvent de la compétence exclusive des tribunaux belges, lesquels appliqueront exclusivement la loi belge. Art. 525 Pour l’application de la Convention collective de tra- vail n° 32bis conclue le 7 juin 1985 au sein du Conseil national du travail, concernant le maintien des droits des travailleurs en cas de changement d’employeur du fait d’un transfert conventionnel d’entreprise et réglant les droits des travailleurs repris en cas de reprise de l’actif après faillite, les actes accomplis en vertu de l’article 519, 1°, sont considérées comme des actes accom- plis par l’entreprise d’assurance ou de réassurance elle-même. Art. 526 Sans préjudice des principes généraux de droit qu’il pourrait invoquer, le conseil d’administration de l’entre- prise d’assurance ou de réassurance peut déroger aux restrictions statutaires à ses pouvoirs de gestion lorsqu’une des situations énoncées à l’article 508, § 1er, alinéa  1er, est susceptible d’affecter la stabilité du système financier belge ou international en raison du volume des engagements de l’entreprise d’assurance ou de réassurance concernée ou de son rôle dans le système financier. Le conseil d’administration établit un rapport spécial justifiant le recours à la présente dispo- sition et exposant les décisions prises; ce rapport est transmis dans les deux mois à l’assemblée générale. 1078 1584/002 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 Afdeling II Gerechtelijke controle Art. 527 Voor de toepassing van deze Afdeling en van de ter uitvoering ervan genomen besluiten en reglementen, dient te worden verstaan onder: 1° koninklijk besluit: het koninklijk besluit dat na over- leg in de Ministerraad is vastgesteld met toepassing van artikel 519; 2° daad van beschikking: de beslissing tot overdracht of de andere daad van beschikking waarin het koninklijk besluit voorziet; 3°  rechtbank: de rechtbank van eerste aanleg te Brussel; 4° eigenaars: de natuurlijke of rechtspersonen die op de datum van het koninklijk besluit eigenaar zijn van de activa of aandelen dan wel houder zijn van de rechten die het voorwerp uitmaken van de daad van beschikking; 5° derde-overnemer: de natuurlijke of rechts persoon, andere dan de Belgische Staat, die volgens het ko- ninklijk besluit de activa, aandelen of rechten die het voorwerp uitmaken van de daad van beschikking zal verwerven; 6° schadeloosstelling: de schadeloosstelling die door het koninklijk besluit ten voordele van de eigenaars wordt vastgesteld als tegenprestatie voor de daad van beschikking. Art. 528 Elke daad van beschikking wordt vooraf door de rechtbank gecontroleerd overeenkomstig deze Afdeling. Het koninklijk besluit treedt in werking op de dag waarop het in artikel 534 bedoelde vonnis wordt be- kendgemaakt in het Belgisch Staatsblad. Art. 529 § 1. De Belgische Staat dient ter griffie van de recht- bank een verzoekschrift in teneinde te laten vaststellen dat de daad van beschikking in overeenstemming is met de wet en dat de schadeloosstelling haar billijk voorkomt, met name rekening houdend met de criteria bepaald in artikel 533, § 4. Section II Contrôle judiciaire Art. 527 Pour l’application de la présente Section et des arrêtés et règlements pris pour son exécution, il y a lieu d’entendre par: 1° l’arrêté royal: l’arrêté royal délibéré en Conseil des ministres pris en application de l’article 519; 2° l’acte de disposition: la décision de la cession ou l’autre acte de disposition prévu par l’arrêté royal; 3° le tribunal: le tribunal de première instance de Bruxelles; 4°  les propriétaires: les personnes physiques ou morales qui, à la date de l’arrêté royal, sont propriétaires des actifs, titres ou parts, ou titulaires des droits, faisant l’objet de l’acte de disposition; 5° le tiers-cessionnaire: la personne physique ou morale autre que l’État belge qui, aux termes de l’arrêté royal, est appelée à acquérir les actifs, titres ou parts, ou droits, faisant l’objet de l’acte de disposition; 6° l’indemnité compensatoire: l’indemnité que l’arrêté royal prévoit en faveur des propriétaires en contrepartie de l’acte de disposition. Art. 528 Tout acte de disposition fait l’objet d’un contrôle préa- lable par le tribunal conformément à la présente Section. L’arrêté royal entre en vigueur le jour de la publication au Moniteur belge du jugement visé à l’article 534. Art. 529 § 1er. L’État belge dépose au greffe du tribunal une requête tendant à faire constater que l’acte de disposi- tion est conforme à la loi et que l’indemnité compensa- toire paraît juste compte tenu notamment des critères prévus à l’article 533, § 4. 1079 1584/002 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 § 2. Op straffe van nietigheid bevat dit verzoekschrift: 1° de identiteit van de betrokken verzekerings- of herverzekeringsonderneming; 2°  in voorkomend geval, de identiteit van de derde-overnemer; 3° de verantwoording van de daad van beschikking in het licht van de criteria vastgesteld in artikel 519; 4° de schadeloosstelling, de elementen op grond waarvan zij werd vastgesteld, met name wat het varia- bele deel betreft waaruit zij zou zijn samengesteld en, in voorkomend geval, de sleutel voor de verdeling onder de eigenaars; 5°  in voorkomend geval, de vereiste toelatingen van overheidsinstanties en alle andere opschortende voorwaarden waaraan de daad van beschikking is onderworpen; 6° in voorkomend geval, de prijs die met de derde- overnemer is overeengekomen voor de activa of aandelen die het voorwerp uitmaken van de daad van beschikking, alsook de mechanismen voor prijsherzie- ning of -aanpassing; 7° de opgave van dag, maand en jaar; 8° de handtekening van de persoon die de Belgische Staat vertegenwoordigt of van de advocaat van de Belgische Staat. Bij het verzoekschrift wordt een kopie van het konink- lijk besluit gevoegd. § 3. De bepalingen van Titel Vbis van Boek II van Deel IV van het Gerechtelijk Wetboek, met inbegrip van de artikelen 1034bis tot 1034sexies, zijn niet van toepassing op het verzoekschrift. Art. 530 De procedure die is ingeleid met het in artikel 529 be- doelde verzoekschrift, sluit alle andere gelijktijdige of toekomstige beroepen of rechtsvorderingen tegen het koninklijk besluit of tegen de daad van beschikking uit, met uitzondering van de vordering bedoeld in artikel 537. Ingevolge de indiening van het verzoekschrift ver- valt elke andere procedure gericht tegen het koninklijk besluit of de daad van beschikking, die voorheen zou zijn ingeleid en nog hangende zou zijn voor een ander gewoon of administratief rechtscollege. § 2. À peine de nullité, la requête contient: 1° l’identité de l’entreprise d’assurance ou de réas- surance concernée; 2° le cas échéant, l’identité du tiers-cessionnaire; 3° la justification de l’acte de disposition au regard des critères énoncés à l’article 519; 4°  l’indemnité compensatoire, les bases sur les- quelles celle-ci a été déterminée, notamment en ce qui concerne la partie variable qui la composerait et, le cas échéant, la clef de répartition entre les propriétaires; 5° le cas échéant, les autorisations d’autorités pu- bliques requises et toutes les autres conditions suspen- sives auxquelles l’acte de disposition est subordonné; 6° le cas échéant, le prix convenu avec le tiers-ces- sionnaire pour les actifs, titres ou parts faisant l’objet de l’acte de disposition et les mécanismes de révision ou d’ajustement de ce prix; 7° l’indication des jour, mois et an; 8° la signature de la personne qui représente l’État belge ou de son avocat. Une copie de l’arrêté royal est jointe à la requête. § 3. Les dispositions du Titre Vbis du Livre II de la quatrième Partie du Code judiciaire, y compris les articles 1034bis à 1034sexies, ne sont pas applicables à la requête. Art. 530 La procédure introduite par la requête visée à l’article  529  exclut tous autres recours ou actions, simultanés ou futurs, contre l’arrêté royal ou contre l’acte de disposition, à l’exception de la demande visée à l’article 537. Le dépôt de la requête rend sans objet toute autre procédure, dirigée contre l’arrêté royal ou l’acte de dis- position, qui aurait été antérieurement introduite et serait encore pendante devant une autre juridiction judiciaire ou administrative. 1080 1584/002 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 Art. 531 § 1. Binnen vierentwintig uur na de indiening van het verzoekschrift als bedoeld in artikel 529, bepaalt de voorzitter van de rechtbank bij beschikking dag en uur van de in artikel 533 bedoelde rechtszitting, die moet plaatsvinden binnen zeven dagen na de indiening van het verzoekschrift. In deze beschikking worden alle in artikel 529, § 2, bepaalde vermeldingen opgenomen. § 2. De beschikking wordt door de griffie bij gerechts- brief ter kennis gebracht van de Belgische Staat, van de betrokken verzekerings- of herverzekeringsonderneming alsook, in voorkomend geval, van de derde-overnemer. Zij wordt tezelfdertijd bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad. Deze bekendmaking geldt als kennisgeving aan de eventuele andere eigenaars dan de betrokken verzekerings- of herverzekeringsonderneming. Bovendien wordt de beschikking door de betrokken verzekerings- of herverzekeringsonderneming binnen vierentwintig uur na de kennisgeving op haar website gepubliceerd. Art. 532 De in artikel 531, § 2, bedoelde personen kunnen ter griffie kosteloos inzage nemen van het in artikel 529 be- doelde verzoekschrift en de bijlagen ervan, tot het in artikel 534 bedoelde vonnis wordt uitgesproken. Art. 533 § 1. Tijdens de zitting die door de voorzitter van de rechtbank is vastgelegd, alsook tijdens eventuele latere zittingen die de rechtbank nuttig acht, hoort de recht- bank de Belgische Staat, de betrokken verzekerings- of herverzekeringsonderneming, in voorkomend geval de derde-overnemer alsook de eigenaars die vrijwillig tus- senkomen in de procedure. § 2. In afwijking van de bepalingen van Hoofdstuk II van Titel III van Boek II van Deel IV van het Gerechtelijk Wetboek, mag geen enkele andere persoon dan deze bedoeld in het vorige lid, optreden in de procedure. § 3. Na de partijen te hebben gehoord, gaat de recht- bank na of de daad van beschikking in overeenstem- ming is met de wet en of de schadeloosstelling haar billijk voorkomt. §  4. De rechtbank houdt rekening met de daad- werkelijke situatie van de betrokken verzekerings- of herverzekeringsonderneming op het ogenblik dat de Art. 531 § 1er. Dans les vingt-quatre heures du dépôt de la requête visée à l’article 529, le président du tribunal fixe, par voie d’ordonnance, les jour et heure de l’audience visée à l’article 533, laquelle doit avoir lieu dans les sept jours qui suivent le dépôt de la requête. Cette ordonnance reproduit l’intégralité des mentions prévues à l’article 529, § 2. § 2. L’ordonnance est notifiée par le greffe par pli judiciaire à l’État belge, à l’entreprise d’assurance ou de réassurance concernée ainsi que, le cas échéant, au tiers-cessionnaire. Elle est simultanément publiée au Moniteur belge. Cette publication vaut notification à l’égard des propriétaires autres, le cas échéant, que l’entreprise d’assurance ou de réassurance concernée. Dans les vingt-quatre heures de la notification, l’entre- prise d’assurance ou de réassurance concernée publie également l’ordonnance sur son site internet. Art. 532 Les personnes visées à l’article 531, § 2 peuvent, jusqu’au prononcé du jugement visé à l’article 534, consulter gratuitement au greffe la requête visée à l’article 529 ainsi que ses annexes. Art. 533 § 1er. Lors de l’audience fixée par le président du tribunal et lors d’éventuelles audiences postérieures que le tribunal estime utile de fixer, le tribunal entend l’État belge, l’entreprise d’assurance ou de réassurance concernée, le cas échéant le tiers-cessionnaire ainsi que les propriétaires qui interviennent volontairement à la procédure. § 2. Par dérogation aux dispositions du Chapitre II du Titre III du Livre II de la quatrième Partie du Code judiciaire, aucune autre personne que celles visées à l’alinéa précédent ne peut intervenir à la procédure. § 3. Après avoir entendu les observations des parties, le tribunal vérifie si l’acte de disposition est conforme à la loi et si l’indemnité compensatoire paraît juste. § 4. Le tribunal tient compte de la situation concrète de l’entreprise d’assurance ou de réassurance concer- née au moment de l’adoption de l’acte de disposition, 1081 1584/002 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 daad van beschikking wordt aangenomen, met name met haar financiële situatie zoals die was of zou zijn geweest indien haar geen rechtstreekse of onrecht- streekse overheidssteun zou zijn verleend. Ten behoeve van dit lid worden met overheidssteun gelijkgesteld, de dringende voorschotten van liquide middelen evenals de garanties die door een publiekrechtelijk rechtspersoon worden verleend. § 5. De rechtbank spreekt zich uit in een en hetzelfde vonnis dat wordt gewezen binnen twintig dagen na de rechtszitting die door de voorzitter van de rechtbank is vastgelegd. Art. 534 Het vonnis waarmee de rechtbank vaststelt dat de daad van beschikking in overeenstemming is met de wet en de schadeloosstelling haar billijk voorkomt, geldt als akte van eigendomsoverdracht van de activa en aandelen die het voorwerp uitmaken van de daad van beschikking, evenwel onder voorbehoud van de op- schortende voorwaarden bedoeld in artikel 529, § 2, 5°. Art. 535 Tegen het in artikel 534 bedoelde vonnis is geen beroep, verzet of derdenverzet mogelijk. Het vonnis wordt bij gerechtsbrief ter kennis gebracht van de Belgische Staat, de betrokken verzekerings- of herverzekeringsonderneming en, in voorkomend geval, de derde-overnemer, en wordt tezelfdertijd bij uittreksel bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad. Deze bekendmaking van het vonnis geldt als ken- nisgeving aan de eventuele andere eigenaars dan de betrokken verzekerings- of herverzekeringsonderne- ming, en maakt de daad van beschikking zonder verdere formaliteiten tegenstelbaar aan derden. Bovendien wordt het vonnis door de betrokken verzekerings- of herverzekeringsonderneming binnen vierentwintig uur na de kennisgeving op haar website gepubliceerd. Art. 536 Na kennisgeving van het in artikel 534 bedoelde von- nis, geeft de Belgische Staat of, in voorkomend geval, de derde-overnemer, de schadeloosstelling in bewaring bij de Deposito- en Consignatiekas, zonder dat hiervoor enige formaliteit moet worden vervuld. et notamment de sa situation financière telle qu’elle était ou aurait été si les aides publiques, dont il a bénéficié directement ou indirectement, n’avaient pas été consenties. Pour l’application du présent alinéa, sont assimilées à des aides publiques, les avances de liquidités d’urgence et garanties consenties par une personne morale de droit public. § 5. Le tribunal statue par un seul et même jugement qui est rendu dans les vingt jours qui suivent l’audience fixée par le président du tribunal. Art. 534 Le jugement par lequel le tribunal constate que l’acte de disposition est conforme à la loi et que l’indemnité compensatoire paraît juste, est translatif de la propriété des actifs, titres ou parts faisant l’objet de l’acte de disposition, sous réserve cependant des conditions suspensives visées à l’article 529, § 2, 5°. Art. 535 Le jugement visé à l’article 534 n’est susceptible ni d’appel ni d’opposition ni de tierce opposition. Il est notifié par pli judiciaire à l’État belge, à l’entre- prise d’assurance ou de réassurance concernée ainsi que, le cas échéant, au tiers-cessionnaire, et est simul- tanément publié par extrait au Moniteur belge. Cette publication vaut notification à l’égard des propriétaires autres, le cas échéant, que l’entreprise d’assurance ou de réassurance concernée, et emporte l’opposabilité de l’acte de disposition aux tiers, sans autre formalité. Dans les vingt-quatre heures de la notification, l’entre- prise d’assurance ou de réassurance concernée publie également le jugement sur son site Internet. Art. 536 Suite à la notification du jugement visé à l’article 534, l’État belge ou, le cas échéant, le tiers-cessionnaire dépose l’indemnité compensatoire à la Caisse des dépôts et consignations, sans qu’aucune formalité ne soit requise à cet égard. 1082 1584/002 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 De Belgische Staat ziet erop toe dat in het Belgisch Staatsblad een bericht wordt bekendgemaakt waarin bevestigd wordt dat voldaan is aan de opschortende voorwaarden bedoeld in artikel 529, § 2, 5°. Zodra het in het tweede lid bedoelde bericht is gepu- bliceerd, stort de Deposito- en Consignatiekas, op de door de Koning vastgestelde wijze, het bedrag van de in bewaring gegeven schadeloosstelling aan de eigenaars, onverminderd eventueel regelmatig derdenbeslag op of verzet tegen het gedeponeerde bedrag. Art. 537 De eigenaars kunnen bij de rechtbank een vordering tot herziening van de schadeloosstelling indienen, en dit op straffe van verval binnen twee maanden te rekenen vanaf de bekendmaking in het Belgisch Staatsblad van het in artikel 534 bedoelde vonnis. Deze vordering heeft geen enkel gevolg ten aanzien van de eigendoms- overdracht van de activa of aandelen die het voorwerp uitmaken van de daad van beschikking. De vordering tot herziening wordt voor het overige geregeld door het Gerechtelijk Wetboek. Artikel 533, § 4, is van toepassing. TITEL VII Beëindiging van de vergunning HOOFDSTUK I Doorhaling van de vergunning Afdeling I Afstand van de vergunning Art. 538 § 1. Een verzekerings- of herverzekeringsonder- neming die krachtens deze wet een vergunning heeft verkregen, kan volledig of gedeeltelijk afstand doen van haar vergunning. § 2. Het verzoek tot afstand wordt aan de Bank gericht en vermeldt de verzekeringstakken en herverzekerings- activiteiten waarvoor om afstand wordt verzocht. Bij het verzoek wordt een plan gevoegd waarin wordt aangege- ven op welke wijze de onderneming haar verplichtingen zal afwikkelen die voortvloeien uit de verzekerings- of herverzekeringsovereenkomsten die betrekking hebben Un avis confirmant la réalisation des conditions sus- pensives visées à l’article 529, § 2, 5°, est publié au Moniteur belge par les soins de l’État belge. Dès la publication visée à l’alinéa 2, la Caisse des dépôts et consignations est tenue de remettre aux pro- priétaires, suivant les modalités arrêtées par le Roi, le montant de l’indemnité compensatoire consignée, sans préjudice des éventuelles saisies-arrêt ou oppositions régulièrement effectuées sur le montant consigné. Art. 537 Les propriétaires peuvent introduire devant le tribunal, à peine de déchéance dans un délai de deux mois à compter de la publication au Moniteur belge du juge- ment visé à l’article 534, une demande en révision de l’indemnité compensatoire. Cette demande n’exerce aucun effet sur le transfert de propriété des actifs, titres ou parts faisant l’objet de l’acte de disposition. La demande en révision est, pour le surplus, régie par le Code judiciaire. L’article 533, § 4, est applicable. TITRE VII De la fin de l’agrément CHAPITRE IER Radiation de l’agrément Section Ire Renonciation à l’agrément Art. 538 § 1er. Une entreprise d’assurance ou de réassurance agréée en vertu de la présente loi a la faculté de renon- cer à tout ou partie de son agrément. § 2. La demande de renonciation est adressée à la Banque et indique les branches d’assurance et activi- tés de réassurance pour lesquelles la renonciation est demandée. La demande est accompagnée d’un plan précisant la manière dont l’entreprise entend procéder à la liquidation de ses engagements résultant des contrats d’assurance ou de réassurance relevant des 1083 1584/002 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 op de activiteiten waarvoor om afstand van de vergun- ning wordt verzocht. Bij gebreke van een dergelijk plan of wanneer zij van oordeel is dat het in het eerste lid bedoelde plan niet de nodige waarborgen biedt voor de bescherming van de schuldeisers uit hoofde van verzekering of herverzeke- ring, kan de Bank alle maatregelen treffen ter omkade- ring van de correcte afwikkeling van de verzekerings- of herverzekeringsverplichtingen van de onderneming en met name alle maatregelen ter vrijwaring van de rech- ten van de schuldeisers uit hoofde van verzekering of herverzekering. Deze maatregelen omvatten de in de artikelen 509 tot 517 bedoelde maatregelen. Wanneer zij van oordeel is dat het in het eerste lid bedoelde plan voldoende waarborgen biedt voor de bescherming van de schuldeisers uit hoofde van verze- kering of herverzekering, haalt de Bank de vergunning door voor alle of een deel van de takken en activiteiten waarvoor om afstand wordt verzocht. §  3. De Bank bepaalt de datum waarop de met toepassing van dit artikel uitgesproken doorhaling uit- werking heeft. Wanneer het een verzekeringsonderneming betreft, raadpleegt de Bank de FSMA over de toereikendheid van de waarborgen voor de bescherming van de schuld- eisers uit hoofde van verzekering vooraleer deze datum te bepalen. De FSMA deelt haar advies mee aan de Bank uiterlijk binnen twintig dagen vanaf de datum van ontvangst van het verzoek om advies. § 4. Op de website van de Bank wordt bekendge- maakt dat de vergunning is doorgehaald als gevolg van het feit dat de onderneming afstand heeft gedaan van haar vergunning. § 5. De verzekerings- of herverzekeringsonderne- ming waarvan de vergunning met toepassing van dit artikel werd doorgehaald, verstrekt aan de Bank een geactualiseerde versie van het in paragraaf 2, eerste lid bedoelde plan, op de voorwaarden, met name inzake frequentie en inhoud, die geval per geval door de Bank worden bepaald. § 6. De verzekerings- of herverzekeringsonderne- mingen waarvan de vergunning met toepassing van dit artikel werd doorgehaald, worden vermeld in een specifieke rubriek van de in artikel 31 bedoelde lijst. Wijzigingen in deze rubriek worden ter kennis gebracht van de toezichthouders van de andere lidstaten. activités pour lesquelles la renonciation de l’agrément est demandée. À défaut d’un tel plan ou lorsqu’elle estime que le plan visé à l’alinéa 1er ne présente pas les garanties suffisantes au regard de la protection des créanciers d’assurance ou de réassurance, la Banque peut prendre toutes mesures visant à encadrer une liquidation cor- recte des engagements d’assurance ou de réassurance de l’entreprise et notamment, toutes mesures visant à préserver les droits des créanciers d’assurance ou de réassurance. Ces mesures incluent les mesures prévues aux articles 509 à 517. Lorsqu’elle estime que le plan visé à l’alinéa 1er présente les garanties suffisantes au regard de la pro- tection des créanciers d’assurance ou de réassurance, la Banque radie l’agrément pour tout ou partie des branches et activités pour lesquelles la renonciation est demandée. § 3. La Banque fixe la date des effets de la radiation prononcée en application du présent article. Lorsqu’il s’agit d’une entreprise d’assurance, la Banque consulte la FSMA sur la présence de garanties suffisantes au regard de la protection des créanciers d’assurance, avant de fixer cette date. La FSMA com- munique son avis à la Banque au plus tard dans un délai de vingt jours à compter de la date à laquelle elle a reçu la demande d’avis. § 4. La radiation faisant suite à la renonciation est publiée sur le site internet de la Banque. §  5. L’entreprise d’assurance ou de réassurance dont l’agrément a été radié en application du présent article fournit à la Banque une actualisation du plan visé au paragraphe 2, alinéa 1er selon les conditions, notamment de fréquence et de contenu, fixées, au cas par cas, par la Banque. § 6. Les entreprises d’assurance ou de réassurance dont l’agrément a été radié en application du présent article sont mentionnées sous une rubrique spécifique de la liste visée à l’article 31. Toute modification de cette rubrique est portée à la connaissance des autorités de contrôle des autres États membres. 1084 1584/002 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 Afdeling II Doorhaling wegens niet-uitoefening van de activiteit Art. 539 § 1. Bij een beslissing die met een aangetekende brief of met een brief met ontvangstbewijs ter kennis wordt gebracht, kan de Bank de vergunning doorhalen van verzekerings- of herverzekeringsondernemingen. 1°  die hun activiteiten niet hebben aangevat bin- nen twaalf maanden nadat zij de vergunning hebben verkregen; 2° die al meer dan 6 maanden geen activiteiten meer uitoefenen; §  2. Paragraaf 1  is van toepassing op de verzekeringstak(ken) of de herverzekeringsactiviteit(en) waarop de in paragraaf 1 bedoelde situatie betrekking heeft. Afdeling III Doorhaling van rechtswege Art. 540 De vergunning van een verzekerings- of herverzeke- ringsonderneming wordt van rechtswege doorgehaald voor alle verzekeringstakken en/of herverzekerings- activiteiten wanneer deze onderneming: 1° failliet wordt verklaard; 2° het voorwerp uitmaakt van een vrijwillige of ge- rechtelijke ontbinding in de zin van de artikelen 181 en 182 van het Wetboek van Vennootschappen. HOOFDSTUK II Herroeping van de vergunning Art. 541 Onverminderd de gevallen waarin de herroeping van de vergunning wordt uitgesproken met toepassing van artikel 517, § 1, 8°, herroept de Bank de vergunning voor alle verzekeringstakken en verzekerings- en her- verzekeringsactiviteiten wanneer een verzekerings- of herverzekeringsonderneming niet langer voldoet aan het minimumkapitaalvereiste en de Bank van oordeel is dat het met toepassing van artikel 511 voorgelegde plan voor financiering op korte termijn duidelijk inadequaat Section II Radiation pour non exercice de l’activité Art. 539 § 1er. La Banque peut radier par décision notifiée par lettre recommandée ou avec accusé de récep- tion, l’agrément des entreprises d’assurance ou de réassurance 1° qui n’ont pas entamé leurs activités dans les douze mois de l’agrément; 2° qui ont cessé d’exercer leurs activités depuis plus de 6 mois; § 2. Le paragraphe 1er est applicable à la ou les branches d’assurance ou la ou les activités de réassu- rance concernées par la situation visée au paragraphe 1er. Section III Radiation de plein droit Art. 540 L’agrément des entreprises d’assurance ou de réassurance est radié de plein droit en ce qui concerne l’ensemble des branches d’assurance et/ou des activi- tés de réassurance en cas de: 1° faillite prononcée à leur encontre; 2° dissolution volontaire ou judiciaire au sens des articles 181 et 182 du Code des sociétés. CHAPITRE II Révocation de l’agrément Art. 541 Sans préjudice des cas de révocation de l’agrément prononcée en application de l’article  517, §  1er,  8°, la Banque révoque l’agrément en ce qui concerne l’ensemble des branches et activités d’assurance ou de réassurance lorsqu’une entreprise d’assurance ou de réassurance ne dispose plus du minimum de capital requis et que la Banque considère que le plan de financement à court terme présenté en application de l’article 511 est manifestement insuffisant ou que 1085 1584/002 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 is of dat de betrokken onderneming er niet in slaagt om het goedgekeurde plan te volgen binnen drie maanden na de vaststelling dat niet meer wordt voldaan aan het minimumkapitaalvereiste. Art. 542 Wanneer de vergunning met toepassing van artikel 517, § 1, 8° of van artikel 541 wordt herroepen voor alle verzekeringstakken en/of herverzekeringsactiviteiten, wordt de onderneming van rechtswege ontbonden en in vereffening gesteld overeenkomstig de artikelen 183 en volgende van het Wetboek van Vennootschappen. HOOFDSTUK III Gemeenschappelijke bepalingen betreffende de verschillende gevallen van verlies van de vergunning Art. 543 Bij volledige of gedeeltelijke afstand, doorhaling of herroeping van de vergunning is het verboden nieuwe overeenkomsten te sluiten in de verzekeringstakken en voor de herverzekeringsactiviteiten waarop het verlies van de vergunning betrekking heeft. Overeenkomstig het eerste lid en artikel 540, staan artikel 187  van het Wetboek van Vennootschappen en artikel 46  van de faillissementswet van 8 augustus 1997 enkel toe dat de lopende verzekerings- of herverzekeringsovereenkomsten worden uitgevoerd, met uitzondering van het sluiten van nieuwe verzeke- rings- of herverzekeringsovereenkomsten. Art. 544 De Bank stelt de FSMA en de toezichthouders van de andere lidstaten waar de verzekerings- of herverze- keringsonderneming activiteiten uitoefent, in kennis van het verlies van de vergunning. Zij verzoekt deze laatste passende maatregelen te treffen om te beletten dat de verzekerings- of herver- zekeringsonderneming op hun grondgebied nieuwe activiteiten aanvangt. Art. 545 De verzekerings- of herverzekeringsondernemingen die niet langer over een vergunning beschikken op l’entreprise concernée ne se conforme pas au plan approuvé dans les trois mois qui suivent la constatation de la non-conformité du minimum de capital requis. Art. 542 Lorsque l’agrément est révoqué en application de l’article 517, § 1er, 8° ou de l’article 541 pour l’ensemble des branches d’assurance et/ou activités de réassu- rance, l’entreprise est dissoute de plein droit et entre en liquidation conformément aux articles 183 et suivants du Code des sociétés. CHAPITRE III Dispositions communes aux différents cas de perte de l’agrément Art. 543 La renonciation à l’agrément, la radiation ou la révocation de l’agrément, totale ou partielle, emporte interdiction de souscrire de nouveaux contrats dans les branches d’assurance et les activités de réassurance concernées par la perte d’agrément. Conformément à l’alinéa 1er et à l’article 540, les articles 187 du Code des sociétés et 46 de la loi du 8 août 1997 sur les faillites ne permettent que l’exécution de contrats d’assurance ou de réassurance en cours, à l’exclusion de la conclusion de tous nouveaux contrats d’assurance ou de réassurance. Art. 544 La Banque informe la FSMA et les autorités de contrôle des autres États membres où l’entreprise d’assurance ou de réassurance exerce des activités de la perte de l’agrément. Elle demande à ces dernières de prendre les mesures appropriées pour empêcher l’entreprise d’assurance ou de réassurance de commencer de nouvelles opérations sur leur territoire. Art. 545 Les entreprises d’assurance ou de réassurance qui ne disposent plus d’un agrément en vertu de 1086 1584/002 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 grond van artikel 517, § 1, 8° of van de bepalingen van deze Titel, blijven onderworpen aan deze wet en haar uitvoeringsbesluiten en -reglementen evenals aan de bepalingen van de uitvoeringsmaatregelen van Richtlijn 2009/138/EG, tot al haar verzekerings- of herverzeke- ringsovereenkomsten en alle desbetreffende verplich- tingen afgewikkeld zijn, tenzij de Bank hen vrijstelt van de toepassing van bepaalde voorschriften. Art. 546 De Bank kan, in voorkomend geval in samenwer- king met de toezichthouders van de andere lidstaten, aan de in deze Titel bedoelde ondernemingen alle passende maatregelen opleggen tot vrijwaring van de rechten van de verzekeringnemers, de verzeker- den en de begunstigden van de verzekerings- en herverzekeringsovereenkomsten. Zij kan met name alle maatregelen treffen als bedoeld in Titel IV, inzonderheid deze bedoeld in artikel 517, § 1, zonder vooraf een termijn vast te stellen. Indien er een overdracht is opgelegd op grond van artikel 517, § 1, 7°, kan de Bank haar maatregel gepaard doen gaan met een aanpassing, in de toekomst, van de gewaarborgde rendementsvoet in levensverzekerings- overeenkomsten, zonder dat deze aanpassing tot een lagere rendementsvoet mag leiden dan deze die op de Belgische verzekeringsmarkt wordt geboden op de dag dat het besluit hiertoe wordt genomen door de Bank. De Bank raadpleegt de FSMA over de naleving van de voormelde ondergrens van de rendementsvoet. De maatregelen bedoeld in het eerste lid omvatten ook de mogelijkheid voor de Bank om de verzekerings- en herverzekeringsovereenkomst te beëindigen volgens de modaliteiten en binnen de termijn die zij bepaalt. Art. 547 § 1. De Bank mag de in artikel 546, derde lid be- doelde aanpassing van de rendementsvoet enkel doorvoeren en de overeenkomsten enkel beëindigen overeenkomstig artikel 546, vierde lid, indien het niet nemen van deze maatregelen een nadeel inhoudt voor de betrokken schuldeisers uit hoofde van verzekering. § 2. Voor de toepassing van met name paragraaf 1, moeten de maatregelen bedoeld in artikel 546, inzon- derheid de portefeuilleoverdracht, die in voorkomend geval gepaard gaat met een vermindering van de ren- dementsvoet, voldoen aan de volgende voorwaarden: l’article 517, § 1er, 8° ou des dispositions du présent Titre, restent soumises à la présente loi et aux arrêtés et règlements pris pour son exécution ainsi qu’aux dispositions des mesures d’exécution de la Directive 2009/138/CE jusqu’à ce que soient liquidés tous ses contrats d’assurance ou de réassurance, ainsi que tous les engagements y afférents, à moins que la Banque ne les en dispense pour certaines dispositions. Art. 546 La Banque peut imposer aux entreprises visées au présent Titre, le cas échéant avec le concours des autorités de contrôle des autres États membres, toutes mesures propres à sauvegarder les droits des preneurs d’assurance, des assurés et des bénéficiaires des contrats d’assurance et de réassurance. Elle peut notamment prendre toutes mesures visées au Titre IV, en particulier celles visées à l’article 517, § 1er sans que la fixation préalable d’un délai ne soit nécessaire. En cas de transfert imposé sur la base de l’article 517, § 1er, 7°, la Banque peut accompagner sa mesure d’une adaptation, pour le futur, du taux de rendement garanti par des contrats d’assurance-vie, sans toutefois qu’une telle adaptation puisse conduire à taux de rendement inférieur à celui offert en Belgique par le marché de l’assurance au jour de la décision de la Banque. La Banque consulte la FSMA sur le respect de la limite précitée du taux de rendement. Les mesures visées à l’alinéa 1er incluent également la possibilité pour la Banque de mettre fin aux contrats d’assurance et de réassurance selon les modalités et dans le délai qu’elle détermine. Art. 547 § 1er. La Banque ne peut procéder à l’adaptation du taux de rendement visée à l’article 546, alinéa 3 ou mettre fin aux contrats tel que prévu à l’article 546, alinéa 4 que si, à défaut de ces mesures, le sort des créanciers d’assurance concernés s’avérerait moins favorable. §  2. Aux fins notamment du paragraphe 1er, les mesures visées à l’article 546, en particulier le trans- fert de portefeuille, le cas échéant accompagné d’une réduction de taux de rendement, doivent respecter les conditions suivantes: 1087 1584/002 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 1° de portefeuilleoverdracht, inzonderheid de vast- stelling van de activa waarmee de overdracht van de verzekeringsverplichtingen gepaard gaat, mag geen afbreuk doen aan de gelijkheid van de schuldeisers uit hoofde van verzekering. Deze gelijkheid vereist: a) per afzonderlijk beheer, een verdeling van de in artikel 194 bedoelde activa naar rato van de overge- dragen verplichtingen; en voor het overige, indien nodig, b) een verdeling van de overige activa naar rato van de overgedragen verplichtingen die niet onder a) vallen, ten opzichte van alle verzekeringsverplichtingen van de verzekeringsonderneming, zoals deze overgedragen verplichtingen gewaardeerd worden op het ogenblik van de overdracht. 2°  de verzekeringsovereenkomsten kunnen maar worden beëindigd en er kan maar een vermindering van de rendementsvoet worden opgelegd indien de voortzetting van de verzekeringsovereenkomsten tot een deficitaire vereffening zou leiden. Bovendien wordt de vermindering van de rendementsvoet op een zoda- nige wijze uitgevoerd dat het verlies dat voortvloeit uit de vermindering van de rendementsvoet verdeeld wordt over alle schuldeisers uit hoofde van verzekering die tot hetzelfde afzonderlijke beheer behoren. Indien er niettegenstaande het tweede lid, 2°, een batig saldo bij vereffening zou zijn, wordt het bedrag daarvan uitsluitend verdeeld onder de schuldeisers uit hoofde van verzekering, naar rato van de bedragen waarop ze recht zouden hebben gehad indien hun overeenkomsten werden voortgezet. Art. 548 Naast de soortgelijke maatregelen waarin de uitvoe- ringsmaatregelen van Richtlijn 2009/138/EG voorzien, kan de Bank een beperking van of een verbod op de terugbetaling en uitkering van kapitaal of interesten opleggen ten aanzien van houders van kernvermo- gensinstrumenten, in afwachting van de maatregelen ter vrijwaring van de rechten van de schuldeisers uit hoofde van verzekering die met toepassing van de artikelen 546 en 547 worden getroffen. Van het in het eerste lid bedoelde prerogatief kan maar gebruik worden gemaakt in de gevallen bedoeld 1° le transfert de portefeuille, en particulier la détermi- nation des actifs qui accompagne la cession des enga- gements d’assurance ne peut porter atteinte à l’égalité entre les créanciers d’assurance. Cette égalité requiert: a) par gestions distinctes, une répartition des actifs visés à l’article 194 au prorata des engagements cédés; et pour le surplus si nécessaire, b) une répartition des autres actifs au prorata des engagements cédés, non couverts par le a), par rapport à l’ensemble des engagements d’assurance de l’entre- prise d’assurance, tels que ces engagements cédés sont évalués au moment de la cession. 2° il ne peut être mis fin aux contrats d’assurance ou une réduction de taux ne peut être ordonnée que dans l’hypothèse où la continuité des contrats d’assurance conduirait à une liquidation déficitaire. La réduction de taux est, en outre, effectuée de manière à répartir sur l’ensemble des créanciers d’assurance relevant d’une même gestion distincte, la perte résultant de la diminution de taux. Si nonobstant l’alinéa 2, 2°, un boni de liquidation devait apparaître, son montant est exclusivement réparti au profit des créanciers d’assurance au prorata des montants auxquels ils auraient eu droit en cas de continuité de leurs contrats. Art. 548 Outre les mesures similaires prévues par les mesures d’exécution de la Directive 2009/138/CE, la Banque peut ordonner des limitation et interdictions de rembourse- ment et paiement, de capital ou d’intérêts, à l’égard des titulaires d’instruments de fonds propre de base, dans l’attente des mesures destinées à sauvegarder les droits des créanciers d’assurance adoptées en application des articles 546 et 547. L’usage de la prérogative visée à l’alinéa 1er est limité aux situations visées à l’article 542 et tient compte de la 1088 1584/002 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 in artikel 542 en op voorwaarde dat rekening wordt gehouden met de situatie van de schuldeisers van de verzekeringsonderneming zoals die voortvloeit uit de toepassing van de artikelen 643 en 644. Art. 549 Ingeval de financiële situatie van een in deze Titel bedoelde verzekerings- of herverzekeringsonderneming verslechtert, kan de Bank, in afwijking van artikel 6 van de faillissementswet van 8 augustus 1997, de zaak uit eigen beweging bij dagvaarding aanhangig maken bij de rechtbank van koophandel. De artikelen 545 tot 548 zijn niet van toepassing bij doorhaling van de vergunning van een failliet verklaarde verzekerings- of herverzekeringsonderneming. BOEK III VERZEKERINGS- OF HERVERZEKERINGSONDER- NEMINGEN NAAR BUITENLANDS RECHT TITEL I Verzekerings- of herverzekeringsondernemingen die onder het recht van een andere lidstaat ressorteren HOOFDSTUK I Uitoefening van activiteiten in België door verzekeringsondernemingen die onder het recht van een andere lidstaat ressorteren Afdeling I Toegang tot het bedrijf Onderafdeling I Opening van bijkantoren Art. 550 § 1. Verzekeringsondernemingen die onder het recht van een andere lidstaat ressorteren en die op grond van hun nationaal recht verzekeringsactiviteiten in hun lidstaat van herkomst mogen uitoefenen, mogen die activiteiten via de vestiging van een bijkantoor in België uitoefenen, op voorwaarde dat de toezichthouders van die lidstaat van herkomst aan de Bank het dossier heb- ben bezorgd dat mutatis mutandis de gegevens bevat als bedoeld in artikel 108, § 1, tweede lid, 1° tot 4° evenals de aanvullende gegevens bedoeld in artikel 109. situation des créanciers de l’entreprise d’assurance telle qu’elle résulte de l’application des articles 643 et 644. Art. 549 En cas de détérioration de la situation financière d’une entreprise d’assurance ou de réassurance visée au présent Titre, la Banque peut, par dérogation à l’article 6 de la loi du 8 août 1997 sur les faillites, d’ini- tiative saisir le tribunal de commerce par voie de citation. Les articles 545 à 548 ne sont pas applicables en cas de radiation de l’agrément d’une entreprise d’assurance ou de réassurance déclarée en faillite. LIVRE III DES ENTREPRISES D’ASSURANCE OU DE RÉASSURANCE DE DROIT ETRANGER TITRE IER Des entreprises d’assurance ou de réassurance relevant du droit d’un autre État membre CHAPITRE IER Exercice d’activités en Belgique par des entreprises d’assurance relevant du droit d’un autre État membre Section Ire Accès à l’activité Sous-section Ire Ouverture de succursales Art. 550 § 1er. Les entreprises d’assurance relevant du droit d’un autre État membre, qui sont habilitées en vertu de leur droit national à exercer dans leur État d’origine des activités d’assurance peuvent, par voie d’installation de succursales, exercer ces activités en Belgique, à condi- tion que les autorités de contrôle de cet État d’origine aient communiqué à la Banque le dossier contenant, mutatis mutandis, les éléments d’information visés à l’article 108, § 1er, alinéa 2, 1° à 4° ainsi que les éléments d’information additionnels visés à l’article 109. 1089 1584/002 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 § 2. Dit dossier bevat eveneens: 1° ingeval de verzekeringsonderneming haar bijkan- toor arbeidsongevallenrisico’s wil laten dekken: a) het bewijs dat het Fonds voor arbeidsongevallen door de verzekeringsonderneming in kennis werd ge- steld van de voorgenomen activiteit; b) het bewijs dat de verzekeringsonderneming zich er ten aanzien van het Fonds voor arbeidsongevallen toe heeft verbonden om op het eerste verzoek van het genoemde Fonds een bankgarantie als bedoeld in arti- kel 60 van de arbeidsongevallenwet van 10 april 1971 te vestigen met het oog op de schadeloosstelling van de arbeidsongevallen wanneer de verzekeringsonderne- ming in gebreke is gebleven. 2°  ingeval de verzekeringsonderneming overeen- komsten met betrekking tot de verplichte aansprake- lijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen wenst uit te geven, met uitzondering van de aansprakelijkheid van de vervoerder, een verklaring waaruit blijkt dat de onderneming zich heeft aangesloten bij het Belgisch Gemeenschappelijk Waarborgfonds en bij het Belgisch Bureau. Art. 551 De Bank beschikt over een termijn van twee maan- den vanaf de ontvangst van de gegevens bedoeld in artikel 550 om aan de toezichthouders van de lidstaat van herkomst van de betrokken onderneming de in artikel 564 bedoelde bepalingen van algemeen belang mee te delen. Art. 552 De activiteiten die in hoofde van het bijkantoor zijn toegestaan, mogen in België worden aangevat vanaf de datum waarop de toezichthouder van de lidstaat van herkomst de in artikel 551 bedoelde mededeling heeft ontvangen en uiterlijk bij het verstrijken van de in artikel 551 bedoelde termijn van twee maanden. Art. 553 De Bank bezorgt aan de FSMA binnen de in arti- kel 551 bedoelde termijn het in artikel 550 bedoelde informatiedossier evenals alle latere wijzingen in de daarin opgenomen gegevens. § 2. Ce dossier comprend également: 1° dans le cas où l’entreprise d’assurance entend faire couvrir par sa succursale les risques d’accident du travail: a) la preuve que l’entreprise d’assurance a informé de l’activité envisagée le Fonds des accidents du travail; b)  la preuve que l’entreprise d’assurance s’est engagée à l’égard du Fonds des accidents du travail à constituer, à la première demande dudit Fonds, une garantie bancaire telle que visée à l’article 60 de la loi du 10 avril 1971 sur les accidents du travail en vue de pourvoir à la réparation des accidents du travail dans les cas où l’entreprise d’assurance est restée en défaut. 2° dans le cas où l’entreprise d’assurance entend pratiquer l’assurance obligatoire de la responsabilité en matière de véhicules terrestres automoteurs, à l’exclu- sion de la responsabilité du transporteur, une déclara- tion selon laquelle l’entreprise est devenue membre du Fonds commun de garantie belge et du Bureau belge. Art. 551 La Banque dispose d’un délai de deux mois à partir de la réception des informations visées à l’article 550 pour indiquer aux autorités de contrôle de l’État membre d’origine de l’entreprise concernée, les dispositions d’intérêt général visées à l’article 564. Art. 552 Les activités autorisées dans le chef de la succursale peuvent débuter en Belgique à partir de la date à laquelle l’autorité de contrôle de l’État membre d’origine a reçu la communication visée à l’article 551 et au plus tard à l’échéance du délai de deux mois visé à l’article 551. Art. 553 La Banque communique à la FSMA dans le délai visé à l’article 551 le dossier d’information visé à l’ar- ticle 550 ainsi que toute modification ultérieure apportée aux informations qu’il contient. 1090 1584/002 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 Art. 554 De verzekeringsonderneming die in België een bijkan- toor heeft geopend, deelt aan de Bank alle wijzigingen mee die zij van plan is aan te brengen in de gegevens die opgenomen zijn in het informatiedossier bedoeld in artikel 550, en dit minstens één maand voor het aan- brengen van deze wijzigingen. Art. 555 De Bank stelt de lijst op van de in artikel 550 bedoelde bijkantoren van verzekeringsondernemingen. Die lijst en alle daarin aangebrachte wijzigingen worden op haar website bekendgemaakt. Onderafdeling II Vrije dienstverrichting Art. 556 §  1. Verzekeringsondernemingen die onder het recht van een andere lidstaat ressorteren en die op grond van hun nationaal recht verzekeringsactiviteiten in hun lidstaat van herkomst mogen uitoefenen, mogen die activiteiten in het kader van het vrij verrichten van diensten in België uitoefenen, op voorwaarde dat de toezichthouders van die lidstaat van herkomst aan de Bank het dossier hebben bezorgd met de gegevens als bedoeld in artikel 115, § 1 ,1° et 2° en de aanvullende gegevens bedoeld in artikel 116. § 2. Dit dossier bevat eveneens: 1° ingeval de verzekeringsonderneming arbeidson- gevallenrisico’s wil dekken: a) het bewijs dat het Fonds voor arbeidsongevallen door de verzekeringsonderneming in kennis werd ge- steld van de voorgenomen activiteit; b) het bewijs dat de verzekeringsonderneming zich er ten aanzien van het Fonds voor arbeidsongevallen toe heeft verbonden om op het eerste verzoek van het genoemde Fonds een bankgarantie als bedoeld in arti- kel 60 van de arbeidsongevallenwet van 10 april 1971 te vestigen met het oog op de schadeloosstelling van de arbeidsongevallen wanneer de verzekeringsonderne- ming in gebreke is gebleven; c) de naam en het adres van de vertegenwoordiger bedoeld in artikel 557, § § 2 en 3; Art. 554 L’entreprise d’assurance qui a ouvert une succursale en Belgique notifie à la Banque toute modification qu’elle entend apporter aux informations contenues dans le dossier d’information visé à l’article 550 et ce, un mois au moins avant que cette modification ne soit effectuée. Art. 555 La Banque établit la liste des succursales d’entre- prises d’assurance visées à l’article 550. Cette liste ainsi que toutes les modifications qui y sont apportées sont publiées sur son site internet. Sous-section II Libre prestation de services Art. 556 § 1er. Les entreprises d’assurance relevant du droit d’un autre État membre, qui sont habilitées en vertu de leur droit national à exercer dans leur État d’origine des activités d’assurance, peuvent exercer ces activi- tés en Belgique sous le régime de la libre prestation de services, à condition que les autorités de contrôle de cet État d’origine aient communiqué à la Banque le dossier contenant les éléments d’information visés à l’article 115, § 1er, 1° et 2° ainsi que les éléments d’infor- mation additionnels visés à l’article 116. § 2. Ce dossier comprend également: 1° dans le cas où l’entreprise d’assurance entend couvrir les risques d’accident du travail: a) la preuve que l’entreprise d’assurance a informé de l’activité envisagée le Fonds des accidents du travail; b)  la preuve que l’entreprise d’assurance s’est engagée à l’égard du Fonds des accidents du travail à constituer, à la première demande dudit Fonds, une garantie bancaire telle que visée à l’article 60 de la loi du 10 avril 1971 sur les accidents du travail en vue de pourvoir à la réparation des accidents du travail lorsque l’entreprise d’assurance est restée en défaut; c) le nom et l’adresse du représentant visé à l’ar- ticle 557, § § 2 et 3; 1091 1584/002 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 2°  ingeval de verzekeringsonderneming overeen- komsten met betrekking tot de verplichte aansprake- lijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen wenst uit te geven, met uitzondering van de aansprakelijkheid van de vervoerder: a) een verklaring waaruit blijkt dat de onderneming zich heeft aangesloten bij het Belgisch Gemeenschappelijk Waarborgfonds en bij het Belgisch Bureau; b) de naam en het adres van de schaderegelaar bedoeld in artikel 21 van Richtlijn 2009/103/EG;  c) de naam en het adres van de vertegenwoordiger bedoeld in artikel 557, § § 1 en 3. Art. 557 § 1. De verzekeringsonderneming die in het kader van het vrij verrichten van diensten overeenkomsten met betrekking tot de verplichte aansprakelijkheidsverzeke- ring inzake motorrijtuigen wenst uit te geven, met uit- zondering van de aansprakelijkheid van de vervoerder, zorgt ervoor dat het feit dat zij haar activiteiten in België niet via een bijkantoor uitoefent, er niet toe leidt dat per- sonen die een schadevordering indienen die ontstaan is uit voorvallen die zich op het Belgische grondgebied hebben voorgedaan, in een nadeliger positie verkeren. Hiertoe stelt de onderneming een vertegenwoordiger aan die zijn woonplaats of zijn gewone verblijfplaats in België heeft en over de nodige professionele betrouw- baarheid en deskundigheid beschikt om zijn opdracht uit te voeren.  Deze vertegenwoordiger verzamelt alle nodige informatie over de schadedossiers en beschikt over voldoende bevoegdheid om de verzekeringsonderne- ming te vertegenwoordigen tegenover personen die een schadevergoeding kunnen eisen, met inbegrip van de betaling van deze schadevergoeding, en om de onder- neming voor de Belgische rechtbanken en autoriteiten te vertegenwoordigen of zo nodig te laten vertegenwoor- digen in verband met deze schadevorderingen. Deze vertegenwoordiger beschikt ook over de be- voegdheid om de verzekeringsonderneming te verte- genwoordigen bij de bevoegde Belgische autoriteiten voor de controle op het bestaan en de geldigheid van overeenkomsten met betrekking tot de verplichte aan- sprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen. § 2. De verzekeringsonderneming die in het kader van het vrij verrichten van diensten arbeidsongevallenrisico’s 2° dans le cas où l’entreprise d’assurance entend pratiquer l’assurance obligatoire de la responsabilité en matière de véhicules terrestres automoteurs, à l’exclu- sion de la responsabilité du transporteur: a)  une déclaration selon laquelle l’entreprise est devenue membre du Fonds commun de garantie belge et du Bureau belge; b) le nom et l’adresse du représentant chargé du règlement des sinistres visé à l’article 21 de la Directive 2009/103/CE; c) le nom et l’adresse du représentant visé à l’ar- ticle 557, § § 1er et 3. Art. 557 § 1er. L’entreprise d’assurance qui entend pratiquer en libre prestation de services l’assurance obligatoire de la responsabilité en matière de véhicules terrestres automoteurs, à l’exclusion de la responsabilité du trans- porteur, s’assure que les personnes présentant une demande d’indemnisation au titre d’événements surve- nant sur le territoire belge ne soient pas placées dans une situation moins favorable du fait que l’entreprise n’exerce pas son activité en Belgique par l’intermédiaire d’une succursale. À cette fin, l’entreprise désigne un représentant qui a son domicile ou sa résidence habituelle en Belgique et dispose d’une honorabilité professionnelle et d’une expertise adéquate pour l’exercice de sa mission.  Ce représentant réunit toutes les informations néces- saires en relation avec les dossiers d’indemnisation et dispose de pouvoirs suffisants pour représenter l’entre- prise d’assurance auprès des personnes qui peuvent réclamer une indemnisation, y compris le paiement de celle-ci, et pour la représenter ou, si cela est nécessaire, la faire représenter, pour ce qui concerne ces demandes d’indemnisation devant les juridictions et les autorités belges. Ce représentant dispose également du pouvoir de représenter l’entreprise d’assurance devant les autorités belges compétentes pour le contrôle de l’existence et de la validité de contrats relatifs à l’assurance obligatoire de la responsabilité en matière de véhicules automoteurs. § 2. L’entreprise d’assurance qui entend faire cou- vrir en libre prestation de services les risques liés aux 1092 1584/002 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 wil laten dekken, stelt voor wat betreft de verzekerings- overeenkomsten met betrekking tot arbeidsongevallen, een vertegenwoordiger aan die mutatis mutandis vol- doet aan de voorwaarden van paragraaf 1. § 3. De functie van de vertegenwoordiger bedoeld in paragraaf 1 kan worden vervuld door de schaderegelaar die overeenkomstig artikel 556, § 2, 2°, b) wordt aange- steld, voor zover de voorwaarden van paragraaf 1 zijn vervuld. De aanstelling door een verzekeringsonderneming van een vertegenwoordiger met toepassing van de paragrafen 1 of 2 wordt niet beschouwd als de opening van een bijkantoor. Art. 558 De verzekeringsonderneming mag haar activiteiten in België aanvatten in het kader van het vrij verrichten van diensten vanaf de datum waarop ze door de toe- zichthouders van haar lidstaat van herkomst in kennis werd gesteld van de mededeling aan de Bank van het dossier bedoeld in artikel 556. Art. 559 De Bank bezorgt aan de FSMA het in artikel 556 be- doelde dossier evenals alle latere wijzigingen in de daarin opgenomen gegevens. Art. 560 Wanneer de verzekeringsonderneming voornemens is een wijziging aan te brengen in de in artikel 556 be- doelde gegevens, volgt zij daartoe de procedure waarin deze Afdeling voorziet. Art. 561 De Bank stelt de lijst op van de in artikel 556 bedoelde verzekeringsondernemingen. Die lijst en alle daarin aangebrachte wijzigingen worden op haar website bekendgemaakt. accidents du travail désigne un représentant qui répond, mutatis mutandis, aux conditions visées au paragraphe 1er en ce qui concerne les contrats d’assurance relatifs aux accidents du travail. § 3. Le rôle du représentant visé au paragraphe 1er peut être assuré par le représentant chargé du règle- ment des sinistres désigné conformément à l’article 556, § 2, 2°, b), pour autant que les conditions visées au paragraphe 1er soient satisfaites. La désignation par une entreprise d’assurance d’un représentant en application des paragraphes  1er ou 2 ne constitue pas en soi l’ouverture d’une succursale. Art. 558 L’entreprise d’assurance peut commencer ses acti- vités en libre prestation de service en Belgique à partir de la date à laquelle elle a été avisée par les autorités de contrôle de son État membre d’origine de la com- munication à la Banque du dossier visé à l’article 556. Art. 559 La Banque communique à la FSMA le dossier visé à l’article 556 ainsi que toute modification ultérieure apportée aux informations qu’il contient. Art. 560 Toute modification que l’entreprise d’assurance en- tend apporter aux informations visées à l’article 556 est soumise à la procédure prévue à la présente Section. Art. 561 La Banque établit la liste des entreprises d’assurance visées à l’article 556. Cette liste ainsi que toutes les modifications qui y sont apportées sont publiées sur son site internet. 1093 1584/002 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 Afdeling II Bedrijfsuitoefening Art. 562 § 1. De in dit Hoofdstuk bedoelde verzekeringsonder- nemingen moeten blijvend voldoen aan de voorwaarden die door of krachtens de artikelen 550, 556 en 557 van deze wet zijn vastgesteld. § 2. Indien de Bank redenen heeft om aan te nemen dat de activiteiten van de verzekeringsonderneming haar financiële soliditeit kunnen aantasten, stelt zij de toezichthouders van de lidstaat van herkomst daarvan in kennis. Art. 563 De in de artikelen 550 en 556 bedoelde verzeke- ringsondernemingen moeten bij de uitoefening van hun activiteiten in België, aan hun naam hun lidstaat van herkomst toevoegen en, in het geval van artikel 550, hun zetel. Art. 564 § 1. De bepalingen van dit Hoofdstuk doen geen afbreuk aan de naleving, bij de uitoefening van in België toegestane verzekeringsactiviteiten, van de wettelijke en reglementaire bepalingen die om redenen van algemeen belang in België van toepassing zijn op verzekerings- ondernemingen en hun verrichtingen. De in dit Hoofdstuk bedoelde verzekeringsonderne- mingen mogen inzonderheid met alle beschikbare com- municatiemiddelen in België reclame maken voor hun diensten, mits zij de om redenen van algemeen belang vastgestelde voorschriften inzake vorm en inhoud van dergelijke reclame naleven. De Bank deelt aan de in artikel 550 bedoelde verze- keringsondernemingen mee welke bepalingen bij haar weten van algemeen belang zijn. Hiertoe wint zij het advies van de FSMA in. De bepalingen van dit Hoofdstuk doen evenmin afbreuk aan de naleving, bij de uitoefening van andere activiteiten dan in België toegestane verzekeringsacti- viteiten, van de wettelijke en reglementaire bepalingen die in België van toepassing zijn op die activiteiten. § 2. De artikelen 199 tot 203 zijn van toepassing op de in artikel 550 bedoelde verzekeringsondernemingen. Section II Exercice de l’activité Art. 562 § 1er. Les entreprises d’assurance visées au présent Chapitre doivent en permanence satisfaire aux condi- tions prévues par ou en vertu des articles 550, 556 et 557 de la présente loi. § 2. Lorsque la Banque a des raisons de considérer que les activités de l’entreprise d’assurance pourraient porter atteinte à sa solidité financière, elle en informe les autorités de contrôle de l’État membre d’origine. Art. 563 Les entreprises d’assurance visées aux articles 550 et 556 font, dans l’exercice de leurs activités en Belgique, accompagner leur dénomination de la mention de leur État d’origine et, dans le cas de l’article 550, de leur siège social. Art. 564 § 1er. Les dispositions du présent Chapitre ne portent pas préjudice au respect, dans l’exercice des activités d’assurance autorisées en Belgique, des dispositions légales et réglementaires applicables en Belgique aux entreprises d’assurance et à leurs opérations pour des raisons d’intérêt général. En particulier, les entreprises d’assurance visées au présent Chapitre peuvent faire de la publicité pour leurs services, par tous les moyens de communication dis- ponibles, en Belgique, pour autant qu’elles respectent les règles arrêtées pour des raisons d’intérêt général qui régissent la forme et le contenu de cette publicité. La Banque donne aux entreprises d’assurance visées à l’article 550 communication des dispositions qui, à sa connaissance, ont ce caractère. Elle recueille à cet effet l’avis de la FSMA. Les dispositions du présent Chapitre ne portent pas davantage préjudice au respect, dans l’exercice d’acti- vités autres que les activités d’assurance autorisées en Belgique, des dispositions légales et réglementaires applicables, en Belgique, à ces activités. §  2. Les articles  199  à 203  sont applicables aux entreprises d’assurance visées à l’article 550. 1094 1584/002 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 Afdeling III Toezicht Art. 565 Behalve het toezicht waaraan zij onderworpen zijn krachtens andere wettelijke of reglementaire bepalingen die hun activiteiten regelen, staan de in dit Hoofdstuk bedoelde verzekeringsondernemingen onder het toe- zicht van de Bank voor wat betreft de naleving van de artikelen 550, 556 en 557. Art. 566 Op verzoek van de Bank dienen de verzekeringson- dernemingen alle inlichtingen en documenten te ver- strekken die vereist zijn voor het toezicht op de naleving van de in artikel 562 bedoelde bepalingen. Met hetzelfde doel kan de Bank ook in het Belgische bijkantoor inspecties ter plaatse verrichten of een kopie maken van alle gegevens waarover het bijkantoor van de verzekeringsonderneming beschikt. In het kader van het toezicht waarin deze Afdeling voorziet, dienen de verzekeringsagenten, -makelaars of -tussenpersonen aan de Bank op eenvoudig verzoek alle inlichtingen te verstrekken over de verzekerings- overeenkomsten waarvoor zij als tussenpersonen zijn opgetreden en die betrekking hebben op in België gelegen risico’s. In de gevallen bedoeld in het tweede lid brengt de Bank de toezichthouders van de lidstaat van herkomst voorafgaandelijk op de hoogte. Art. 567 § 1. De toezichthouders van de lidstaat van herkomst kunnen, na de Bank daarvan voorafgaandelijk in kennis te hebben gesteld, bij de in artikel 550 bedoelde bijkan- toren controles en inspecties ter plaatse verrichten om zelf of, in voorkomend geval, via de personen die zij daartoe machtigen, de gegevens die voor het toezicht op de financiële positie van de verzekeringsonderneming noodzakelijk zijn, te verifiëren of op te vragen. De Bank kan deelnemen aan deze verificatie. § 2. Portefeuilleoverdrachten waarbij rechten en ver- plichtingen worden overgedragen van verzekeringsover- eenkomsten waarvoor de lidstaat van de verbintenis of van het risico België is, en die verricht worden door de in Section III Contrôle Art. 565 Outre le contrôle dont elles font l’objet par ailleurs en vertu de dispositions légales ou réglementaires régis- sant leurs activités, les entreprises d’assurance visées au présent Chapitre sont soumises au contrôle de la Banque en ce qui concerne le respect des articles 550, 556 et 557. Art. 566 Sur demande de la Banque, les entreprises d’assu- rance doivent soumettre tous renseignements et fournir tous documents en vue du contrôle du respect des dispositions visées à l’article 562. Dans le même but, la Banque peut également procé- der à des inspections sur place dans la succursale belge ou prendre copie de toute information en possession de la succursale de l’entreprise d’assurance. Dans le cadre du contrôle prévu à la présente Section, les agents, courtiers ou intermédiaires d’assurance sont tenus de fournir à la Banque, sur simple demande, tous renseignements concernant les contrats d’assurance à propos desquels ils sont intervenus en qualité d’inter- médiaires et qui sont relatifs à des risques situés en Belgique. Dans les cas visés à l’alinéa 2, la Banque informe préalablement les autorités de contrôle de l’État membre d’origine. Art. 567 § 1er. Les autorités de contrôle de l’État membre d’origine sont habilitées, après en avoir préalablement informé la Banque, à procéder à des contrôles et inspections sur place auprès des succursales visées à l’article 550 en vue de vérifier ou recueillir, le cas échéant, par l’intermédiaire des personnes qu’elles mandatent, les informations qui sont nécessaires pour assurer le contrôle de la situation financière de l’entre- prise d’assurance. La Banque peut participer à cette vérification. § 2. Les cessions de portefeuille impliquant la ces- sion de droits et obligations de contrats d’assurance à propos desquels l’État d’engagement est la Belgique ou le risque y est situé, effectuées par les entreprises 1095 1584/002 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 dit Hoofdstuk bedoelde verzekeringsondernemingen en toegelaten zijn door de toezichthouders van hun lidstaat van herkomst, worden bekendgemaakt in België. Deze bekendmaking wordt op verzoek van deze autoriteiten door de Bank verricht volgens de modaliteiten van artikel 106. Afdeling IV Uitzonderingsmaatregelen Art. 568 Wanneer de Bank vaststelt dat een verzekeringson- derneming die onder het recht van een andere lidstaat ressorteert en die in België werkzaam is via een bijkan- toor of in het kader van het vrij verrichten van diensten, zich niet conformeert aan de in de artikelen 562 en 564 bedoelde bepalingen, voor zover de inhoud van deze bepalingen onder de bevoegdheid van de Bank valt, maant zij de verzekeringsonderneming aan om, binnen de termijn die zij bepaalt, de vastgestelde toe- stand te verhelpen. De Bank stelt de FSMA in kennis van haar voornemen om het vorige lid toe te passen. Indien de toestand na de termijn bedoeld in het eerste lid niet is verholpen, brengt de Bank de toezichthouders van de betrokken lidstaat van herkomst daarvan op de hoogte. Art. 569 § 1. Wanneer de overtredingen blijven aanhouden, kan de Bank passende maatregelen nemen, met name de maatregelen waarin artikel 517 voorziet. Wanneer deze maatregel evenredig blijkt, kan de Bank de onderneming ook verbieden nieuwe verzeke- ringsovereenkomsten te sluiten in België en kan zij op kosten van de onderneming overgaan tot de publicatie van de verbodsbepalingen in de kranten van haar keuze of op de plaatsen en voor de duur die zij bepaalt. Indien de Bank bovendien van oordeel is dat de toezichthouder van de lidstaat van herkomst geen passende maatregelen heeft genomen om de onre- gelmatige situatie als bedoeld in artikel  568  te ver- helpen, kan zij de zaak overeenkomstig artikel 19 van Verordening 1094/2010 aan EIOPA voorleggen en haar om bijstand verzoeken. d’assurance visées au présent Chapitre, autorisées par les autorités de contrôle de leur État membre d’origine font l’objet d’une publicité en Belgique. Cette publicité est, à la demande de ces autorités, effectuée par la Banque selon les modalités prévues à l’article 106. Section IV Mesures exceptionnelles Art. 568 Lorsque la Banque constate qu’une entreprise d’assurance relevant du droit d’un autre État membre opérant en Belgique par la voie d’une succursale ou sous le régime de la libre prestation de services ne se conforme pas aux dispositions visées aux articles 562 et 564, dans la mesure où les matières visées par ces dis- positions relèvent de la compétence de la Banque, elle met l’entreprise d’assurance en demeure de remédier, dans le délai qu’elle détermine, à la situation constatée. La Banque informe la FSMA de son intention de faire application de l’alinéa précédent. Si, au terme du délai visé à l’alinéa 1er, il n’a pas été remédié à la situation, la Banque en informe les autorités de contrôle de l’État membre d’origine concerné. Art. 569 § 1er. En cas de persistance des manquements, la Banque peut prendre les mesures appropriées, notam- ment celles prévues par l’article 517. Lorsqu’une telle mesure s’avère proportionnée la Banque peut également interdire à l’entreprise de conclure de nouveaux contrats d’assurance en Belgique et faire procéder, aux frais de l’entreprise, à la publica- tion de la mesure d’interdiction dans les journaux de son choix ou dans les lieux et pendant la durée qu’elle détermine. En outre, si la Banque considère que l’autorité de contrôle de l’État membre d’origine n’a pas pris les mesures adéquates en vue de remédier à la situation de non-conformité visée à l’article 568 elle peut saisir l’EIOPA, et demander son assistance conformément à l’article 19 du Règlement 1094/2010. 1096 1584/002 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 Artikel 517, § 5 is van toepassing. §  2. De Bank brengt de toezichthouders van de lidstaat van herkomst op de hoogte vooraleer zij de in paragraaf 1 bedoelde maatregelen neemt. Art. 570 In spoedeisende gevallen kan de Bank de in arti- kel 569, § 1 bedoelde maatregelen nemen zonder vooraf een termijn vast te stellen; zij stelt de toezichthouders van de lidstaat van herkomst hiervan in kennis onmiddel- lijk nadat zij de genoemde maatregelen heeft genomen. Art. 571 De Bank brengt de FSMA onmiddellijk op de hoogte van de maatregelen die zij op grond van de artike- len 569 en 570 heeft genomen, alsook het Fonds voor arbeidsongevallen wanneer deze maatregelen worden genomen ten aanzien van ondernemingen die arbeids- ongevallenrisico’s dekken. De Bank deelt aan de Europese Commissie en aan EIOPA het aantal en de aard van de gevallen mee waarin maatregelen zijn genomen overeenkomstig de artikelen 569 en 570. Art. 572 De Bank kan, op verzoek van de betrokken bevoegde Belgische autoriteiten, de artikelen 568 tot 570 toepas- sen op een in dit Hoofdstuk bedoelde verzekeringson- derneming wanneer zij in België, in het kader van haar verzekeringsactiviteiten, handelingen heeft gesteld die strijdig zijn met de wettelijke of reglementaire bepalin- gen van algemeen belang als bedoeld in artikel 564, eerste lid. Art. 573 Bij doorhaling of herroeping van de vergunning van een verzekeringsonderneming door de toezichthouder van haar lidstaat van herkomst, neemt de Bank, op verzoek van deze autoriteit, passende maatregelen om te beletten dat de betrokken verzekeringsonderneming in België nieuwe overeenkomsten sluit of nieuwe acti- viteiten aanvangt. Na deze autoriteit in kennis te hebben gesteld, kan de Bank inzonderheid de sluiting bevelen van het bijkan- toor dat deze verzekeringsonderneming in België heeft L’article 517, § 5 est applicable. § 2. La Banque informe les autorités de contrôle de l’État membre d’origine avant de prendre les mesures prévues au paragraphe 1er. Art. 570 En cas d’urgence, la Banque peut prendre les mesures visées à l’article 569, § 1er sans qu’un délai ne soit préalablement fixé et en informant les autorités de contrôle de l’État membre d’origine immédiatement après avoir pris lesdites mesures. Art. 571 La Banque informe immédiatement la FSMA des mesures qu’elle a prises sur la base des articles 569 et 570, ainsi que le Fonds des accidents du travail lorsque ces mesures sont prises à l’égard d’entreprises couvrant les risques d’accident du travail. La Banque communique à la Commission euro- péenne et à l’EIOPA le nombre et la nature des cas dans lesquels des mesures ont été prises conformément aux articles 569 et 570. Art. 572 La Banque peut, à la demande des autorités belges compétentes concernées, faire application des articles 568 à 570 à l’égard d’une entreprise d’assu- rance visée au présent Chapitre lorsqu’elle a accompli en Belgique, dans le cadre de ses activités d’assu- rance, des actes contraires aux dispositions légales ou réglementaires d’intérêt général telles que visées à l’article 564, alinéa 1er. Art. 573 En cas de radiation ou de révocation de l’agrément de l’entreprise d’assurance par l’autorité de contrôle de son État membre d’origine, la Banque prend, à la demande de cette autorité, les mesures appropriées en vue d’empêcher l’entreprise d’assurance concernée de conclure de nouveaux contrats ou opérations en Belgique. En particulier, la Banque peut ordonner, après en avoir donné avis à cette autorité, la fermeture de la succursale que cette entreprise d’assurance a établie 1097 1584/002 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 gevestigd. Zij kan een voorlopige zaakvoerder aanstel- len die toeziet op de vrijwaring van de tegoeden van het bijkantoor in afwachting van een uitspraak omtrent hun bestemming en die gemachtigd is in het belang van de verzekeringnemers, de verzekerden en de begunstigden in België alle bewarende maatregelen te treffen. De Bank stelt de FSMA in kennis van de beslissing tot doorhaling of herroeping van de vergunning van de verzekeringsonderneming door de toezichthouder van haar lidstaat, evenals van de maatregelen die zij met toepassing van dit artikel neemt. Art. 574 Indien de toezichthouders van de lidstaat van her- komst van een verzekeringsonderneming daarom verzoeken, kan de Bank, overeenkomstig de artikelen 513 tot 515, de vrije beschikking over de op het Belgische grondgebied gelokaliseerde activa die door deze auto- riteiten zijn aangeduid, beperken of ontnemen. HOOFDSTUK II Uitoefening van activiteiten in België door herverzekeringsondernemingen die onder het recht van een andere lidstaat ressorteren Afdeling I Toegang tot het bedrijf Art. 575 Herverzekeringsondernemingen die onder het recht van een andere lidstaat dan België ressorteren, mogen in België, via de vestiging van een bijkantoor of in het kader van het vrij verrichten van diensten, de herverze- keringsactiviteiten uitoefenen waarvoor zij in hun lidstaat van herkomst een vergunning hebben verkregen. Afdeling II Bedrijfsuitoefening Art. 576 De bepalingen van dit Hoofdstuk doen geen afbreuk aan de naleving, bij de uitoefening van herverzekerings- activiteiten in België, van de wettelijke en reglementaire bepalingen die om redenen van algemeen belang in België van toepassing zijn op herverzekeringsonder- nemingen en hun verrichtingen. en Belgique. Elle peut désigner un gérant provisoire qui s’assure de la préservation des avoirs de la succursale en attendant qu’il soit statué sur leur destination, et qui est habilité à prendre toutes mesures conservatoires dans l’intérêt des preneurs d’assurance, des assurés et des bénéficiaires en Belgique. La Banque informe la FSMA de la décision de radia- tion ou de révocation de l’agrément de l’entreprise d’as- surance par l’autorité de contrôle de son État membre, ainsi que des mesures qu’elle prend en application du présent article. Art. 574 Si les autorités de contrôle de l’État membre d’ori- gine d’une entreprise d’assurance le requièrent, la Banque peut restreindre ou interdire conformément aux articles 513 à 515 la libre disposition des actifs localisés sur le territoire belge que ces autorités ont désignés. CHAPITRE II Exercice d’activités en Belgique par des entreprises de réassurance relevant du droit d’un autre État membre Section Ire Accès à l’activité Art. 575 Les entreprises de réassurance relevant du droit d’un État membre autre que la Belgique peuvent y exercer, par la voie d’installation d’une succursale ou sous le régime de la libre prestation de services, les opérations de réassurance pour lesquelles elles ont obtenu un agrément dans leur État membre d’origine. Section II Exercice de l’activité Art. 576 Les dispositions du présent Chapitre ne portent pas préjudice au respect, dans l’exercice des activités de réassurance exercées en Belgique, des dispositions légales et réglementaires applicables en Belgique aux entreprises de réassurance et à leurs opérations pour des raisons d’intérêt général. 1098 1584/002 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 De bepalingen van dit Hoofdstuk doen evenmin afbreuk aan de naleving, bij de uitoefening van andere activiteiten dan herverzekeringsactiviteiten, van de wet- telijke en reglementaire bepalingen die in België van toepassing zijn op die activiteiten. De artikelen 199 tot 202 zijn van toepassing op de in artikel 575 bedoelde herverzekeringsondernemingen die hun activiteiten in België uitoefenen via de vestiging een bijkantoor. Art. 577 De in artikel 575 bedoelde herverzekeringsonderne- mingen moeten bij de uitoefening van hun activiteiten in België, aan hun naam hun lidstaat van herkomst toevoe- gen en, wanneer zij hun activiteiten via een bijkantoor uitoefenen, hun zetel. Afdeling III Toezicht Onderafdeling I Algemene bepalingen Art. 578 De toezichthouders van de lidstaat van herkomst kun- nen, na de Bank daarvan voorafgaandelijk in kennis te hebben gesteld, bij de in artikel 575 bedoelde bijkanto- ren controles en inspecties ter plaatse verrichten om zelf of, in voorkomend geval, via de personen die zij daartoe machtigen, de gegevens die voor het toezicht op de financiële positie van de herverzekeringsonderneming noodzakelijk zijn, te verifiëren of op te vragen. De Bank kan deelnemen aan deze verificatie. § 2. Indien de Bank redenen heeft om aan te nemen dat de activiteiten van de herverzekeringsonderneming haar financiële soliditeit kunnen aantasten, stelt zij de toezichthouders van de lidstaat van herkomst daarvan in kennis. Les dispositions du présent Chapitre ne portent pas davantage préjudice au respect, dans l’exercice des activités autres que les activités de réassurance, des dispositions légales et réglementaires applicables, en Belgique, à ces activités. Les articles 199 à 202 sont applicables aux entre- prises de réassurance visées à l’article 575 qui exercent leur activité en Belgique par la voie d’installation d’une succursale. Art. 577 Les entreprises de réassurance visées à l’ar- ticle  575  font, dans l’exercice de leurs activités en Belgique, accompagner leur dénomination de la mention de leur État d’origine ainsi que, lorsqu’elles exercent leurs activités par la voie d’une succursale, de la men- tion de leur siège social. Section III Contrôle Sous-section Ire Généralités Art. 578 § 1er. Les autorités de contrôle de l’État membre d’origine sont habilitées, après en avoir préalablement informé la Banque, à procéder à des contrôles et inspections sur place auprès des succursales visées à l’article 575 en vue de vérifier ou recueillir, le cas échéant, par l’intermédiaire des personnes qu’elles mandatent, les informations qui sont nécessaires pour assurer le contrôle de la situation financière de l’entre- prise de réassurance. La Banque peut participer à cette vérification. § 2. Lorsque la Banque a des raisons de considé- rer que les activités de l’entreprise de réassurance pourraient porter atteinte à sa solidité financière, elle en informe les autorités de contrôle de l’État membre d’origine. 1099 1584/002 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 Onderafdeling II Uitzonderingsmaatregelen Art. 579 Wanneer de Bank vaststelt dat een herverzeke- ringsonderneming die onder het recht van een andere lidstaat ressorteert en die in België werkzaam is via een bijkantoor of in het kader van het vrij verrichten van diensten, zich niet conformeert aan de in België gel- dende wettelijke en reglementaire bepalingen die tot de bevoegdheidssfeer van de Bank behoren, maant zij de herverzekeringsonderneming aan om, binnen de termijn die zij bepaalt, de vastgestelde toestand te verhelpen. De Bank stelt de betrokken toezichthouders van de lidstaat van herkomst hiervan in kennis. Art. 580 § 1. Wanneer de overtredingen blijven aanhouden, kan de Bank passende maatregelen nemen, met name de maatregelen waarin artikel 517 voorziet. Wanneer deze maatregel evenredig blijkt, kan de Bank de onderneming ook verbieden nieuwe herverze- keringsovereenkomsten te sluiten in België en kan zij op kosten van de onderneming overgaan tot de publicatie van de verbodsbepalingen in de kranten van haar keuze of op de plaatsen en voor de duur die zij bepaalt. Indien de Bank bovendien van oordeel is dat de toezichthouder van de lidstaat van herkomst geen passende maatregelen heeft genomen om de onre- gelmatige situatie als bedoeld in artikel 26 te verhel- pen, kan zij de zaak overeenkomstig artikel 19  van Verordening 1094/2010 aan EIOPA voorleggen en haar om bijstand verzoeken. Artikel 517, § 5 is van toepassing. §  2. De Bank brengt de toezichthouders van de lidstaat van herkomst op de hoogte vooraleer zij de in paragraaf 1 bedoelde maatregelen neemt. Art. 581 De Bank brengt de FSMA onmiddellijk op de hoogte van de maatregelen die zij op grond van de artike- len 579 en 580 heeft genomen. Sous-section II Mesures exceptionnelles Art. 579 Lorsque la Banque constate qu’une entreprise de réassurance relevant du droit d’un autre État membre opérant en Belgique par la voie d’une succursale ou sous le régime de la libre prestation de services ne se conforme pas aux dispositions légales et régle- mentaires applicables en Belgique dans le domaine de compétence de la Banque, elle met l’entreprise de réassurance en demeure de remédier, dans le délai qu’elle détermine, à la situation constatée. La Banque en informe les autorités de contrôle de l’État membre d’origine concernées. Art. 580 § 1er. En cas de persistance des manquements, la Banque peut prendre les mesures appropriées, notam- ment celles prévues par l’article 517. Lorsqu’une telle mesure s’avère proportionnée, la Banque peut également interdire à l’entreprise de conclure de nouveaux contrats de réassurance en Belgique et faire procéder, aux frais de l’entreprise, à la publication de la mesure d’interdiction dans les journaux de son choix ou dans les lieux et pendant la durée qu’elle détermine. En outre, si la Banque considère que l’autorité de contrôle de l’État membre d’origine n’a pas pris les mesures adéquates en vue de remédier à la situation de non-conformité visée à l’article 26 elle peut saisir l’EIOPA, et demander son assistance conformément à l’article 19 du Règlement 1094/2010. L’article 517, § 5 est applicable. § 2. La Banque informe les autorités de contrôle de l’État membre d’origine avant de prendre les mesures prévues au paragraphe 1er. Art. 581 La Banque informe immédiatement la FSMA des mesures qu’elle a prises sur la base des articles 579 et 580. 1100 1584/002 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 Art. 582 Bij doorhaling of herroeping van de vergunning van een herverzekeringsonderneming door de toezichthou- der van haar lidstaat van herkomst, neemt de Bank, op verzoek van deze toezichthouder, passende maatrege- len om te beletten dat de betrokken herverzekerings- onderneming in België nieuwe overeenkomsten sluit of nieuwe activiteiten aanvangt. Na deze autoriteit in kennis te hebben gesteld, kan de Bank inzonderheid de sluiting bevelen van het bijkantoor dat deze herverzekeringsonderneming in België heeft gevestigd. Zij kan een voorlopige zaakvoerder aanstel- len die toeziet op de vrijwaring van de tegoeden van het bijkantoor in afwachting van een uitspraak omtrent hun bestemming en die gemachtigd is in het belang van de herverzekeringsbegunstigden in België alle bewarende maatregelen te treffen. Art. 583 Indien de toezichthouders van de lidstaat van her- komst van een herverzekeringsonderneming daarom verzoeken, kan de Bank, overeenkomstig de artike- len 513 tot 515, de vrije beschikking over de op het Belgische grondgebied gelokaliseerde activa die door deze autoriteiten zijn aangeduid, beperken of ontnemen. TITEL II Verzekerings- of herverzekeringsondernemingen die onder het recht van een derde land ressorteren HOOFDSTUK I Bijkantoren in België van verzekeringsondernemingen die onder het recht van een derde land ressorteren Afdeling I Toegang tot het bedrijf in België Art. 584 Onverminderd de bepalingen van de internationale verdragen waarbij België partij is, moeten de verzeke- ringsondernemingen die onder het recht van een derde land ressorteren en waaraan in die hoedanigheid een vergunning werd verleend in dit derde land, alvorens een bijkantoor te openen om hun activiteiten in België uit te oefenen, een vergunning verkrijgen van de Bank. Art. 582 En cas de radiation ou de révocation de l’agrément de l’entreprise de réassurance par l’autorité de contrôle de son État membre d’origine, la Banque prend, à la demande de cette autorité de contrôle, les mesures appropriées en vue d’empêcher l’entreprise de réas- surance concernée de conclure de nouveaux contrats ou opérations en Belgique. En particulier, elle peut ordonner, après en avoir don- né avis à cette autorité, la fermeture de la succursale que cette entreprise de réassurance a établie en Belgique. Elle peut désigner un gérant provisoire qui s’assure de la préservation des avoirs de la succursale en attendant qu’il soit statué sur leur destination, et qui est habilité à prendre toutes mesures conservatoires dans l’intérêt des bénéficiaires de réassurance en Belgique. Art. 583 Si les autorités de contrôle de l’État membre d’ori- gine d’une entreprise de réassurance le requièrent, la Banque peut restreindre ou interdire conformément aux articles 513 à 515 la libre disposition des actifs localisés sur le territoire belge que ces autorités ont désigné. TITRE II Des entreprises d’assurance ou de réassurance relevant du droit de pays tiers CHAPITRE IER Succursales en Belgique d’entreprises d’assurance relevant du droit de pays tiers Section Ire Accès à l’activité en Belgique Art. 584 Sans préjudice des dispositions des Traités interna- tionaux auxquels la Belgique est partie, les entreprises d’assurance relevant du droit d’un pays tiers dûment agréées en cette qualité dans ce pays doivent, avant d’ouvrir une succursale en vue d’exercer leurs activités en Belgique, se faire agréer auprès de la Banque. 1101 1584/002 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 Voor de uitvoering van de internationale verdragen waarbij België partij is, kan de Koning de voorwaarden en modaliteiten bepalen waaronder de verzekerings- ondernemingen waarop deze verdragen van toepas- sing zijn, een recht van vestiging en vrij verrichten van diensten kunnen genieten voor de uitoefening van hun activiteiten in België. Art. 585 § 1. In verband met de toekenning van de vergunning als bedoeld in artikel 584, zijn de volgende artikelen van toepassing: 1° de artikelen 22, 23, 24, 26, 27 28, 29, 30, 32, 34, 1° en 35, met dien verstande dat a) artikel 18, derde lid niet van toepassing is; b)  de verzekeringsonderneming in haar land van herkomst gemachtigd is om de activiteiten uit te oefe- nen die in haar programma van werkzaamheden zijn opgenomen; c) het administratief dossier bovendien de naam, het adres en de bevoegdheden bevat van de algemeen lasthebber als bedoeld in artikel 593; d) de verwijzing naar artikel 23 geldt voor de verze- keringsonderneming waarvan het bijkantoor afhangt; 2° artikel 31, met dien verstande dat de in deze Titel bedoelde bijkantoren in een bijzondere rubriek van de lijst worden vermeld; 3° artikel 37, 2° en 3°; 4° de artikelen 39 tot 43, met dien verstande dat de verwijzing naar de artikelen 39 en 43 geldt voor de ver- zekeringsonderneming waarvan het bijkantoor afhangt en dat de verwijzing naar de artikelen 40 tot 42 geldt voor het bijkantoor in België; 5° artikel 62, voor zover de verzekeringsonderne- ming niet kan aantonen dat de verbintenissen van haar Belgisch bijkantoor minstens in dezelfde mate gedekt zijn door een regeling ter bescherming van de schuldeisers uit hoofde van verzekering in haar land van herkomst als door de regelingen in België, voor wat de types van gedekte overeenkomsten en het vastgestelde beschermingsniveau betreft. Naast het vereiste bedoeld in het eerste lid, 3°, toont de onderneming aan Le Roi peut, pour l’exécution de Traités internationaux auxquels la Belgique est partie, préciser les conditions et les modalités selon lesquelles les entreprises d’as- surance visées par ces Traités bénéficient d’un droit d’établissement ou de prestation de services en vue de l’exercice de leurs activités en Belgique. Art. 585 § 1er. Aux fins de l’octroi de l’agrément visé à l’ar- ticle 584, sont applicables: 1° les articles 22, 23, 24, 26, 27 28, 29, 30, 32, 34, 1° et 35, étant entendu que a) l’article 18, alinéa 3 n’est pas applicable; b) l’entreprise d’assurance est autorisée dans son pays d’origine à exercer les activités contenues dans son programme d’activités; c) le dossier administratif comporte en outre le nom, l’adresse et les pouvoirs du mandataire général visé à l’article 593; d) la référence faite à l’article 23 vaut pour l’entreprise d’assurance dont relève la succursale; 2° l’article 31, les succursales visées au présent Titre étant mentionnées à une rubrique spéciale de la liste; 3° l’article 37, 2° et 3°; 4° les articles 39 à 43, étant entendu que la réfé- rence faite à les articles 39 et 43 vaut pour l’entreprise d’assurance dont relève la succursale et que la réfé- rence faite aux articles 40 à 42 vaut pour la succursale en Belgique; 5°  l’article  62  dans la mesure où l’entreprise d’assurance ne peut établir que les engagements de sa succursale belge sont couverts par un système de protection des créanciers d’assurance au sein de son pays d’origine dans une mesure au moins équivalente à celle résultant des systèmes mis en place en Belgique, quant aux types de contrats couverts et au niveau de protection prévu. Outre l’exigence visée à l’alinéa 1er, 3°, l’entreprise démontre 1102 1584/002 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 a) dat haar bijkantoor over het nodige in aanmerking komende eigen vermogen beschikt om de helft van de absolute ondergrens van het minimumkapitaalvereiste als vastgelegd in artikel 189, § 1, 4° te bereiken; b) dat zij in België over activa beschikt voor het in a) bedoelde bedrag en dat zij bovendien de helft van deze activa bij een financiële intermediair heeft gedeponeerd, om ze onbeschikbaar te maken. De Bank bepaalt, bij reglement vastgesteld met toepassing van artikel 12bis, § 2 van de wet van 22 februari 1998, de voorwaarden en modaliteiten waaraan deze onbeschikbaarheid moet voldoen. § 2. De vergunning als bedoeld in paragraaf 1 kan slechts worden toegekend indien voldaan is aan de volgende voorwaarden: 1° de statuten van de betrokken verzekeringsonder- neming zijn niet strijdig met de bepalingen van deze wet en haar uitvoeringsbesluiten en -reglementen; in- zonderheid mogen de statuten niet toestaan dat andere activiteiten worden uitgeoefend dan deze die bedoeld zijn in artikel 34, 1°; 2° de toezichthouder die belast is met het toezicht op de verzekeringsonderneming in het derde land, be- vestigt dat de onderneming voldoet aan de prudentiële vereisten die op haar van toepassing zijn in dat land. § 3. Onverminderd de paragrafen 1 en 2 kan aan een bijkantoor van een verzekeringsonderneming die onder het recht van een derde land ressorteert slechts een vergunning worden toegekend indien voldaan is aan de volgende algemene voorwaarden: 1° de verzekeringsonderneming is in haar land van herkomst aan een prudentieel toezicht onderworpen dat gelijkwaardig is aan het prudentieel toezicht dat bij Richtlijn 2009/138/EG en haar uitvoeringsmaatregelen wordt geregeld; 2° de Bank heeft met de betrokken autoriteit van een derde land een samenwerkingsovereenkomst onder- tekend voor de uitwisseling van informatie om op de activiteiten van het Belgische bijkantoor een doeltreffend toezicht te kunnen uitoefenen. De Bank kan afwijken van deze voorwaarde indien zij in een concreet geval van oordeel is dat deze haar kennis van de verzeke- ringsonderneming en van de groep waartoe zij behoort, niet wezenlijk verbetert wat betreft haar organisatie en de risico’s die voortvloeien uit haar activiteiten, in het bijzonder de risico’s ten aanzien van de schuldeisers uit hoofde van verzekering van het Belgische bijkantoor. a) que sa succursale fait l’objet d’une dotation en fonds propres éligibles nécessaires pour atteindre la moitié du seuil absolu du minimum de capital requis prévu à l’article 189, § 1er, 4°; b) qu’elle dispose en Belgique d’actifs pour le mon- tant visé au a) et qu’elle a, en outre, déposé la moitié de ces actifs auprès d’un intermédiaire financier, de telle manière à les rendre indisponibles. La Banque détermine, par voie de règlement pris en application de l’article 12bis, § 2 de la loi du 22 février 1998, les conditions et modalités auxquelles doit répondre cette indisponibilité. § 2. L’octroi de l’agrément visé au paragraphe 1er est également soumis au respect des conditions suivantes: 1° les statuts de l’entreprise d’assurance concernée ne sont pas contraires aux dispositions de la présente loi et de ses arrêtés et règlement d’exécution; en particulier, les statuts ne peuvent autoriser une activité autre que celles visées à l’article 34, 1°; 2° l’autorité de contrôle en charge du contrôle de l’entreprise d’assurance dans le pays tiers confirme que l’entreprise satisfait aux exigences prudentielles qui lui sont applicables dans ce pays. § 3. Sans préjudice des paragraphes 1er et 2, l’octroi d’un agrément à une succursale d’une entreprise d’as- surance relevant du droit d’un pays tiers est également soumis au respect des conditions générales suivantes: 1° l’entreprise d’assurance est soumise, dans son pays d’origine, à un contrôle prudentiel de nature équi- valente à celui organisé par la Directive 2009/138/CE et ses mesures d’exécution; 2° la Banque a signé avec l’autorité du pays tiers concernée un accord de coopération impliquant un échange d’informations lui permettant d’exercer un contrôle efficace des activités de la succursale belge. La Banque peut déroger au respect de cette condition si, au regard du cas d’espèce, elle estime que celle-ci n’est pas de nature à améliorer substantiellement la connaissance de l’entreprise d’assurance, en ce com- pris du groupe auquel elle appartient, sous l’angle de son organisation et des risques générés par ses activi- tés, spécialement les risques à l’égard des créanciers d’assurance de la succursale belge. 1103 1584/002 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 § 4. Zonder afbreuk te doen aan de internationale overeenkomsten die België binden, kan de Bank een vergunning weigeren aan het bijkantoor van een verze- keringsonderneming die ressorteert onder het recht van een derde land dat niet dezelfde toegangsmogelijkhe- den tot zijn markt biedt aan verzekeringsondernemingen naar Belgisch recht. § 5. De Bank kan ook een vergunning weigeren aan een in deze Titel bedoeld bijkantoor indien zij van oor- deel is dat voor de bescherming van de verzekeringne- mers, de verzekerden en de begunstigden of voor een gezond en voorzichtig beleid van de onderneming of nog voor de stabiliteit van het financiële stelsel, de oprichting van een vennootschap naar Belgisch recht vereist is. Bij een dergelijke beslissing kan met name rekening worden gehouden met de volgende criteria: 1° het feit dat de verzekeringsonderneming in het derde land, of binnen de groep waartoe zij behoort, de door het bijkantoor voorgenomen activiteiten niet effectief uitoefent; 2° het belang van het bijkantoor in verhouding tot de omvang van de verzekeringsonderneming. § 6. Alvorens zich uit te spreken over de vergun- ningsaanvraag van een bijkantoor, raadpleegt de Bank de betrokken autoriteit van het derde land. De Bank spreekt zich over de vergunningsaanvraag van het bijkantoor uit na advies van de FSMA over de bescherming van de verzekeringnemers, de verze- kerden en de begunstigden. De FSMA verstrekt haar advies binnen een termijn van een maand te rekenen vanaf de ontvangst van de door de Bank geformuleerde adviesaanvraag, waarbij alle nuttige, van de vergun- ningaanvragende onderneming ontvangen stukken zijn gevoegd. Afwezigheid van advies binnen deze termijn geldt als positief advies. Afdeling II Bedrijfsuitoefening Art. 586 De Belgische bijkantoren van verzekeringsonderne- mingen die onder het recht van een derde land ressor- teren moeten blijvend voldoen aan de door of krachtens artikel 584 vastgelegde voorwaarden. § 4. Sans préjudice des Accords internationaux liant la Belgique, la Banque peut refuser d’agréer la succursale d’une entreprise d’assurance relevant du droit d’un pays tiers qui n’accorde pas les mêmes possibilités d’accès à son marché aux entreprise d’assurance de droit belge. § 5. La Banque peut également refuser l’agrément d’une succursale visée au présent Titre si elle estime que la protection des preneurs d’assurance, des assu- rés et des bénéficiaires ou la gestion saine et prudente de l’entreprise ou encore la stabilité du système financier requiert la constitution d’une société de droit belge. Une telle décision peut notamment tenir compte des critères suivants: 1°  l’absence d’exercice effectif par l’entreprise d’assurance dans le pays tiers, ou au sein du groupe auquel appartient l’entreprise d’assurance, des activités projetées par la succursale; 2° l’importance de la succursale par rapport à la taille de l’entreprise d’assurance. § 6. Avant de statuer sur la demande d’agrément de la succursale, la Banque consulte l’autorité du pays tiers concernée. La Banque se prononce sur la demande d’agré- ment de la succursale sur avis de la FSMA en ce qui concerne la protection des preneurs d’assurance, des assurés et des bénéficiaires. La FSMA rend son avis dans un délai d’un mois à compter de la réception de la demande d’avis formulée par la Banque, accompagnée de toutes les pièces utiles reçues de l’entreprise qui sollicite l’agrément. L’absence d’avis dans ce délai est considéré comme un avis positif. Section II Exercice de l’activité Art. 586 Les succursales belges des entreprises d’assurance relevant du droit d’un pays tiers doivent en permanence satisfaire aux conditions prévues par ou en vertu de l’article 584. 1104 1584/002 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 Art. 587 Op de in artikel 584 bedoelde bijkantoren zijn de volgende artikelen van toepassing: 1° artikel 71; 2° artikel 83, voor wat betreft de algemeen lasthebber van het bijkantoor, als bedoeld in artikel 593, evenals, in voorkomend geval, de andere personen die met de effectieve leiding van het bijkantoor zijn belast, en artikel 81, voor wat betreft diezelfde personen en, in voorkomend geval, de verantwoordelijken voor de on- afhankelijke controlefuncties in het bijkantoor; 3° artikel 93, met dien verstande dat de leiders van het bijkantoor gelijkgesteld worden met de leden van het wettelijk bestuursorgaan; 4° de artikelen 36 en 38, § 1; 5° de artikelen 102, 103, 104, § 1, 1° en § 2, 105 en 106, met dien verstande dat: a) artikel 102, eerste lid, 1° betrekking heeft op het bijkantoor in België; b) in de gevallen bedoeld in artikel 102, eerste lid, 3° waar de overnemende onderneming een bijkantoor is van een verzekeringsonderneming die onder het recht van een derde land ressorteert, die op het grondgebied van een andere lidstaat is gevestigd, verleent de Bank haar toestemming voor een portefeuilleoverdracht enkel indien: — de toezichthouders van de betrokken lidstaat heb- ben ingestemd met de overdracht, en — deze toezichthouders verklaren dat de betrokken overnemende onderneming, na de voorgenomen over- dracht, over voldoende in aanmerking komend eigen vermogen beschikt om het solvabiliteitskapitaalvereiste dat met toepassing van de wetgeving van die lidstaat is opgelegd, te dekken; c) wanneer daarom verzocht wordt door het in arti- kel 584 bedoelde bijkantoor in zijn hoedanigheid van overdragende onderneming, mag de toestemming als bedoeld in artikel 102, eerste lid, 3° enkel worden ver- leend indien de Bank de instemming heeft verkregen van de toezichthouders van de andere lidstaten waar de risico’s zijn gelegen of, naargelang van het geval, van Art. 587 Sont applicables aux succursales visées à l’article 584: 1° l’article 71; 2°  l’article  83  en ce qui concerne le mandataire général de la succursale visé à l’article 593 ainsi que, le cas échéant, les autres personnes chargées de la direction effective de la succursale et l’article 81 en ce qui concerne ces mêmes personnes et, le cas échéant, les responsables des fonctions de contrôle indépen- dantes au sein de la succursale; 3° l’article 93, étant entendu que les dirigeants de la succursale sont assimilés aux membres de l’organe légal d’administration; 4° les articles 36 et 38, § 1er; 5° les articles 102, 103, 104, § 1er, 1° et § 2, 105 et 106, étant entendu en outre que: a) l’article 102 alinéa 1er, 1° concerne la succursale en Belgique; b) dans les cas visés à l’article 102, alinéa 1er, 3° où l’entreprise cessionnaire est une succursale d’une entreprise d’assurance relevant du droit d’un pays tiers, située sur le territoire d’un autre État membre, la Banque ne donne son autorisation à un transfert de portefeuille que si: — les autorités de contrôle de l’État membre concer- né ont donné leur accord à un tel transfert, et — que ces autorités attestent que l’entreprise ces- sionnaire concernée dispose, compte tenu du transfert envisagé, de fonds propres éligibles suffisants pour couvrir le capital de solvabilité requis exigé en applica- tion de la législation de cet État; c) lorsqu’elle est demandée par la succursale visée à l’article 584 en qualité d’entreprise cédante, l’auto- risation visée à l’article 102, alinéa 1er, 3° ne peut être donnée que si la Banque a reçu l’accord des autorités de contrôle des autres États membres où les risques sont situés ou, selon le cas, des autorités de contrôle des États membres de l’engagement. À défaut de réponse 1105 1584/002 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 de toezichthouders van de lidstaten van de verbintenis. Indien de geraadpleegde buitenlandse toezichthouders niet hebben gereageerd binnen een termijn van drie maanden, worden zij geacht hun instemming te heb- ben gegeven. Art. 588 § 1. Op de in artikel 584 bedoelde bijkantoren zijn ook de volgende artikelen van toepassing: 1° de artikelen 123 tot 139; 2° de artikelen 76, 199 tot 203, met dien verstande dat voor de toepassing van artikel 76, de plaats waar de documenten met betrekking tot de verrichtingen die via het bijkantoor worden uitgevoerd worden bewaard, de zetel van het bijkantoor is. § 2. De Koning bepaalt de verplichtingen en de mo- daliteiten inzake de openbaarmaking van de jaarlijkse boekhoudkundige situaties van de in artikel 584 be- doelde bijkantoren. Art. 589 § 1. De in artikel 584 bedoelde bijkantoren moeten over eigen vermogen beschikken dat voldoet aan de volgende regels: 1°  het eigen vermogen voldoet aan de artikelen 140 tot 150; 2° het eigen vermogen voldoet aan het solvabiliteits- kapitaalvereiste en aan het minimumkapitaalvereiste die overeenkomstig de artikelen 151 tot 189 worden berekend, met dien verstande dat voor de toepassing van die vereisten, zowel voor levensverzekeringen als voor niet-levensverzekeringen, enkel de verrichtingen in aanmerking worden genomen die door het betrokken bijkantoor worden uitgevoerd; 3° de vereiste absolute ondergrens is gelijk aan de helft van het in artikel 189, § 1, 4° bedoelde bedrag. Het overeenkomstig artikel 585, tweede lid, b), ge- storte depot wordt onder het in aanmerking komend kernvermogen ter dekking van het minimumkapitaal- vereiste gerekend. § 2. Artikel 323 is van toepassing met dien verstande dat de opslagfactor een aanvullend vereiste is met betrekking tot het eigenvermogensvereiste dat met toepassing van die artikel is opgelegd. des autorités étrangères consultées dans un délai de trois mois, leur accord est présumé. Art. 588 § 1er. Sont également applicables aux succursales visées à l’article 584: 1° les articles 123 à 139; 2° les articles 76, 199 à 203, étant entendu qu’aux fins de l’application de l’article 76, le lieu de conservation des documents relatifs aux opérations effectuées par le biais de la succursale est le siège de la succursale. § 2. Le Roi détermine les obligations et les modalités en matière de publication des situations comptables annuelles des succursales visées à l’article 584. Art. 589 § 1er. Les succursales visées à l’article 584 doivent faire l’objet d’une dotation en fonds propres répondant aux règles suivantes: 1°  la dotation en fonds propres respecte les ar- ticles 140 à 150; 2° la dotation en fonds propres respecte les exigences de capital de solvabilité requis et d’un minimum de capi- tal requis calculés conformément aux articles 151 à 189, étant entendu qu’aux fins de ces exigences, seules sont prises en considération, tant pour l’assurance vie que pour l’assurance non-vie, les opérations réalisées par la succursale concernée; 3° l’exigence de seuil absolu correspond à la moitié du montant visé à l’article 189, § 1er, 4°. Le dépôt effectué conformément à l’article 585, alinéa 2, b) est comptabilisé dans les fonds propres de base éligibles destinés à couvrir le minimum de capital requis. § 2. L’article 323 est applicable étant entendu que l’exigence supplémentaire vise une exigence supplé- mentaire relative à la dotation en fonds propres requise en application du présent article. 1106 1584/002 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 §  3. Artikel 91  is van toepassing op de in artikel 584 bedoelde bijkantoren. Art. 590 De in artikel 584 bedoelde bijkantoren mogen het niet-levensverzekeringsbedrijf en het levensverzeke- ringsbedrijf niet gelijktijdig uitoefenen. Art. 591 § 1. De artikelen 190 tot 193 zijn van toepassing voor wat de activa betreft die het bijkantoor bezit. § 2. Onverminderd artikel 585, § 1, tweede lid, zijn de artikelen 194 en 195 eveneens van toepassing op de ver- bintenissen die door het bijkantoor worden aangegaan. De activa bedoeld in de artikelen 194 en 195 moeten in België gelokaliseerd zijn. § 3. In afwijking van paragraaf 2 mogen de activa maar in België gelokaliseerd zijn ten belope van het mi- nimumkapitaalvereiste en, voor het resterende gedeelte, in een lidstaat, wanneer de onderneming aantoont dat zij voldoet aan de volgende voorwaarden: 1° het recht inzake liquidatieprocedures van het derde land garandeert dat de schuldeisers uit hoofde van ver- zekering van wie de rechten bij het Belgische bijkantoor zijn onderschreven, gelijkwaardig worden behandeld als de schuldeisers uit hoofde van verzekering van wie de rechten bij de verzekeringsonderneming in het derde land zijn onderschreven; en 2° ingeval er tegen de verzekeringsonderneming een liquidatieprocedure wordt geopend in het derde land, kent het recht dat deze procedure regelt aan de schuld- eisers uit hoofde van verzekering waarvan de rechten bij het Belgische bijkantoor zijn onderschreven, een rang toe die een gelijkwaardige bescherming biedt als deze waarin de artikelen 643 en 644 voorzien. Art. 592 Op de in artikel 584 bedoelde bijkantoren zijn ook de volgende artikelen van toepassing: 1° de artikelen 212 tot 221; 2° de artikelen 230 en 231; 3° de artikelen 232 tot 238; § 3. L’article 91 est d’application aux succursales visées à l’article 584. Art. 590 Les succursales visées à l’article 584 ne peuvent exercer simultanément les activités d’assurance non-vie et d’assurance vie. Art. 591 § 1er. Les articles 190 à 193 sont d’application en ce qui concerne les actifs détenus par la succursale. § 2. Sans préjudice de l’article 585, § 1er, alinéa 2, les articles 194 et 195 sont également applicables aux engagements contractés par la succursale. Les actifs visés aux articles 194 et 195 doivent être localisés en Belgique. §  3. Par dérogation au paragraphe  2, les actifs peuvent n’être localisés en Belgique que jusqu’à concur- rence du minimum de capital requis et, pour le surplus, au sein d’un État membre lorsque l’entreprise démontre qu’elle satisfait aux conditions suivantes: 1° le droit des procédures de liquidation du pays tiers assure aux créanciers d’assurance dont les droits ont été souscrits auprès de la succursale belge, un traitement qui est équivalent à celui des créanciers d’assurance dont les droits ont été souscrits auprès de l’entreprise d’assurance dans le pays tiers; et 2°  en cas de procédure de liquidation ouverte à l’encontre de l’entreprise d’assurance dans le pays tiers, le droit régissant cette procédure octroie aux créanciers d’assurance dont les droits ont été souscrits auprès de la succursale belge un rang offrant une protection similaire à celle prévue aux articles 643 et 644. Art. 592 Sont également applicables aux succursales visées à l’article 584: 1° les articles 212 à 221; 2° les articles 230 et 231; 3° les articles 232 à 238; 1107 1584/002 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 4° de artikelen 240 en 241. Art. 593 De in artikel 584 bedoelde bijkantoren moeten een algemeen lasthebber aanduiden. De artikelen 81, 83 en 93 zijn op hem van toepassing. Bovendien moet die algemeen lasthebber zijn woonplaats of gewone verblijfplaats in België hebben en moet hij over voldoende bevoegdheden beschik- ken om de verzekeringsonderneming ten opzichte van derden te verbinden en om haar in haar betrekkingen met de Belgische autoriteiten en rechterlijke instanties te vertegenwoordigen. In geval van verzaking aan of intrekking van het mandaat of in geval van overlijden van de algemeen lasthebber, neemt de verzekeringsonderneming de nodige maatregelen opdat de opvolger binnen een maand in functie is. Art. 594 § 1. De verzekeringsondernemingen die onder het recht van een derde land ressorteren en die met toe- passing van dit Hoofdstuk in België een vergunning hebben aangevraagd of verkregen en in een of meer andere lidstaten een vergunning hebben verkregen voor de vestiging van een bijkantoor, kunnen vragen om het voordeel te genieten van de volgende bijzondere bepa- lingen, die enkel gezamenlijk kunnen worden toegekend: 1° het solvabiliteitskapitaalvereiste wordt berekend op basis van het geheel van de activiteiten die in de lid- staten worden uitgeoefend. Bij deze berekening worden enkel de verrichtingen van alle in lidstaten gevestigde bijkantoren in aanmerking genomen; 2° in afwijking van artikel 585, tweede lid, b), wordt het depot dat met toepassing van deze bepaling is op- gelegd, uitgevoerd in de lidstaat van de in paragraaf 2, tweede lid bedoelde toezichthouder; 3° in afwijking van artikel 592, mogen de activa die tegenover het minimumkapitaalvereiste staan gelokali- seerd zijn in een van de lidstaten waar zij hun activiteit uitoefenen. § 2. De in paragraaf 1 bedoelde aanvraag moet wor- den ingediend bij de Bank en bij de toezichthouders van elk van de andere betrokken lidstaten. In deze aanvraag moet de onderneming aangeven welke toezichthouder belast zal zijn met het toezicht op de solvabiliteit voor 4° les articles 240 et 241. Art. 593 Les succursales visées à l’article 584 doivent dési- gner un mandataire général. Les articles 81, 83 et 93 lui sont applicables. Ce mandataire général doit, en outre, avoir son domicile ou sa résidence habituelle en Belgique et doit disposer des pouvoirs suffisants pour engager l’entreprise d’assurance à l’égard des tiers et pour la représenter dans les relations avec les autorités et juridictions belges. En cas de renonciation au mandat ou de révocation de celui-ci ou en cas de décès du mandataire général, l’entreprise d’assurance prend les mesures nécessaires pour que le successeur soit en fonction dans le mois. Art. 594 § 1er. Les entreprises d’assurance relevant du droit de pays tiers qui ont sollicité ou obtenu un agrément en Belgique en application du présent Chapitre et dans un ou plusieurs autres États membres pour l’établissement d’une succursale peuvent demander le bénéfice des dispositions particulières suivantes, qui ne peuvent être accordées que conjointement: 1° le capital de solvabilité requis est calculé en fonc- tion de l’ensemble de l’activité exercée au sein des États membres. À cette fin, seules les opérations réalisées par l’ensemble des succursales établies au sein d’États membres sont prises en considération pour ce calcul; 2° par dérogation à l’article 585, alinéa 2, b), le dépôt requis en application de cette disposition est effectué dans l’État membre de l’autorité de contrôle visée au paragraphe 2, alinéa 2; 3° par dérogation à l’article 592, les actifs repré- sentatifs du minimum de capital requis peuvent être localisés dans l’un des États membres où elles exercent leur activité. § 2. La demande visée au paragraphe 1er doit être dé- posée auprès de la Banque et des autorités de contrôle de chacun des autres États membres concernés. Dans cette demande, l’entreprise doit indiquer l’autorité de contrôle qui sera chargée de vérifier la solvabilité des 1108 1584/002 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 het geheel van de activiteiten van de bijkantoren die in de Europese Economische Ruimte zijn gevestigd. De keuze van de toezichthouder moet door de on- derneming met redenen worden omkleed en door die toezichthouder worden aanvaard. § 3. Het voordeel van de in paragraaf 1 bedoelde bijzondere bepalingen kan enkel worden toegekend aan de onderneming mits de toezichthouders van alle andere betrokken lidstaten hun toestemming verlenen. Deze bijzondere bepalingen zijn maar van toepassing vanaf de datum waarop de gekozen toezichthouder aan de andere toezichthouders bevestigt dat hij zijn aanstel- ling aanvaardt en dat hij toezicht zal houden op de na- leving van de solvabiliteitsvereisten door de bijkantoren die in de Europese Economische Ruimte zijn gevestigd, voor het geheel van hun activiteiten. Wanneer een toezichthouder van een andere lidstaat wordt gekozen met toepassing van de paragrafen 2 en 3, verstrekt de Bank aan die toezichthouder de nodige inlichtingen voor het toezicht op de naleving van de vereisten inzake de globale solvabiliteit van de betrok- ken verzekeringsonderneming. Het voordeel van de in paragraaf 1 bedoelde bijzon- dere bepalingen wordt van rechtswege opgeheven op verzoek van de Bank aan de andere betrokken toezicht- houders of op verzoek van een van hen. Deze opheffing wordt ter kennis gebracht van het in artikel 584 bedoelde bijkantoor. § 4. Wanneer zij met toepassing van de paragrafen 2 en 3 wordt gekozen, stelt de Bank EIOPA daarvan in kennis. Afdeling III Toezicht Art. 595 De volgende artikelen zijn van toepassing: 1° de artikelen 303 tot 309; 2° de artikelen 504 tot 507; 3° de artikelen 510, 511, 513 tot 515, met dien ver- stande dat, in de gevallen bedoeld in artikel 594, de toezichthouder die belast is met het toezicht op de na- leving van de solvabiliteitsvereisten door de bijkantoren die in de verschillende lidstaten zijn gevestigd, voor het succursales établies au sein de l’Espace économique européen pour l’ensemble de leurs opérations. Le choix de l’autorité de contrôle effectué par l’entre- prise doit être motivé et accepté par cette autorité. § 3. Le bénéfice des dispositions particulières pré- vues au paragraphe 1er ne peut être octroyé à l’entre- prise qu’avec l’accord des autorités de contrôle de tous les États membres concernés. Ces dispositions particulières ne sont applicables qu’à la date à laquelle l’autorité de contrôle choisie confirme aux autres autorités de contrôle qu’elle ac- cepte sa désignation et qu’elle vérifiera les exigences de solvabilité des succursales établies à l’intérieur de l’Espace économique européen pour l’ensemble de leurs opérations. Lorsqu’une autorité de contrôle d’un autre État membre est choisie en application des paragraphes 2 et 3, la Banque fournit à cette autorité les informations nécessaires à la vérification des exigences de solvabilité globale de l’entreprise d’assurance concernée. Le bénéfice des dispositions particulières prévues au paragraphe 1er est retiré de plein droit en cas de demande de la Banque adressée aux autres autorités de contrôle concernées ou à la demande de l’une de celles-ci. Ce retrait est notifié à la succursale visée à l’article 584. § 4. Lorsqu’elle est choisie en application des para- graphes 2 et 3, la Banque en informe l’EIOPA. Section III Contrôle Art. 595 Sont applicables: 1° les articles 303 à 309; 2° les articles 504 à 507; 3° les articles 510, 511, 513 à 515, étant entendu que dans les cas visés à l’article 594, l’autorité de contrôle chargée de vérifier le respect des exigences de sol- vabilité des succursales établies au sein de différents États membres pour l’ensemble de leurs opérations 1109 1584/002 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 geheel van hun activiteiten, ook de prerogatieven kan uitoefenen waarop die bepalingen betrekking hebben. Art. 596 De leiding van de in deze Titel bedoelde bijkantoren moet een of meer erkend revisoren of een of meer erkende revisorenvennootschappen aanstellen over- eenkomstig artikel 327. Op dezelfde wijze kan zij een plaatsvervanger aanstellen. Bij aanstelling van een revisorenvennootschap is artikel 326 van overeenkomstige toepassing. Artikel 328, artikel 329, eerste tot vierde lid, artikel 330, eerste lid 1 en de artikelen 331 tot 337 zijn mutatis mutandis van toepassing. Art. 597 § 1. De Bank kan op basis van het wederkerigheids- beginsel met de autoriteiten van derde landen van de verzekeringsonderneming en met de bevoegde autori- teiten van derde landen van de andere bijkantoren van deze onderneming die buiten België zijn gevestigd, overeenkomen welke verplichtingen en verbodsbe- palingen voor het bijkantoor in België gelden, hoe het toezicht wordt opgevat en uitgeoefend en op welke wijze de samenwerking en de informatie-uitwisseling met deze autoriteiten, zoals bedoeld in de artikelen 36/16 en 36/17 van de wet van 22 februari 1998, worden georganiseerd. § 2. Om regels en modaliteiten te kunnen vaststel- len die beter aansluiten bij de aard en spreiding van de activiteiten van de verzekeringsonderneming en haar toezicht, mogen de overeenkomsten, met de goedkeu- ring van de minister bevoegd voor Economie, afwijken van de bepalingen van deze wet. Voor zover er een algemeen toezicht bestaat dat vol- doet aan de criteria vastgesteld door of krachtens deze wet, mogen deze overeenkomsten vrijstelling verlenen van de toepassing van bepaalde voorschriften van deze wet en van haar uitvoeringsbesluiten en -reglementen. De in dit artikel bedoelde overeenkomsten mogen voor de bijkantoren waarop zij betrekking hebben, geen gunstiger regels bevatten dan voor de in België geves- tigde bijkantoren van verzekeringsondernemingen die onder het recht van een andere lidstaat ressorteren. peut également exercer les prérogatives visées par ces dispositions. Art. 596 La direction des succursales visées au présent Titre est tenue de désigner un ou plusieurs reviseurs agréés ou une ou plusieurs sociétés de reviseurs agréées conformément à l’article 327. Elle peut désigner, pareil- lement, un suppléant. En cas de désignation d’une société de reviseurs, l’article 326 est applicable par analogie. Les articles 328, 329, alinéas 1er à 4, 330, alinéa 1er et 331 à 337 sont, mutatis mutandis, applicables. Art. 597 § 1er. La Banque peut convenir, sur base de réci- procité, avec les autorités de pays tiers de l’entreprise d’assurance et avec les autorités, compétentes et de pays tiers, des autres succursales de cette entreprise établies dans d’autres États que la Belgique, de règles relatives aux obligations et interdictions concernant la succursale en Belgique, de l’objet et de modalités de sa surveillance ainsi que des modalités de la collabora- tion et de l’échange d’informations avec ces autorités, telles que prévues aux articles 36/16 et 36/17 de la loi du 22 février 1998. § 2. Les conventions peuvent, moyennant l’approba- tion du ministre ayant l’économie dans ses attributions, déroger aux dispositions de la présente loi en vue de fixer des règles et modalités plus appropriées à la nature et à la répartition des activités de l’entreprise d’assu- rance et de son contrôle. Moyennant l’existence d’un contrôle global répondant aux critères prévus par ou en vertu de la présente loi, ces conventions peuvent dispenser de l’application de certaines dispositions de la présente loi et des arrêtés et règlements pris pour son exécution. Les conventions prévues par le présent article ne peuvent comporter au bénéfice des succursales qu’elles concernent des règles plus favorables que celles qui s’appliquent aux succursales établies en Belgique d’entreprise d’assurance relevant du droit d’un autre État membre. 1110 1584/002 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 Afdeling IV Uitzonderingsmaatregelen, sancties en beëindiging van de vergunning Art. 598 § 1. De artikelen 508 en 517 zijn van toepassing. Bij intrekking van de vergunning door de Bank we- gens niet-naleving van de regels inzake de solvabiliteits- vereisten, stelt de Bank de andere toezichthouders als bedoeld in artikel 594 hiervan in kennis. Bij intrekking van de vergunning door een toezicht- houder die met toepassing van artikel 594, § § 2 en 3 is aangesteld, trekt de Bank eveneens de in artikel 585 be- doelde vergunning in. §  2. De Bank kan de vergunning van een in dit Hoofdstuk bedoeld bijkantoor ook herroepen indien zij van oordeel is dat voor de bescherming van de schuld- eisers uit hoofde van verzekering of voor een gezond en voorzichtig beleid van de verzekeringsonderneming of nog voor de stabiliteit van het financiële stelsel, de oprichting van een vennootschap naar Belgisch recht vereist is. De Bank kan hiertoe gebruik maken van de criteria bedoeld in artikel 585, § 4. De Bank stelt de FSMA in kennis van de overeen- komstig het eerste lid genomen besluiten. Art. 599 De artikelen 538 tot 541, artikel 543, eerste lid en 544 tot 547 zijn van toepassing. HOOFDSTUK II Uitoefening van activiteiten in België via de vestiging van een bijkantoor of het vrij verrichten van diensten, door herverzekeringsondernemingen die onder het recht van een derde land ressorteren Art. 600 Herverzekeringsondernemingen die onder het recht van een derde land ressorteren en waarvan de solva- biliteitsregeling waaraan ze krachtens deze wetgeving onderworpen zijn, met toepassing van artikel 172, lid 3 van Richtlijn 2009/138/EG als gelijkwaardig wordt beschouwd met de regeling waarin deze richtlijn voorziet voor de ondernemingen die onder het recht van een Section IV Mesures exceptionnelles, sanctions et fin de l’agrément Art. 598 § 1er. Sont applicables les articles 508 et 517. En cas de retrait d’agrément par la Banque justifié par le non-respect des règles relatives aux exigences de solvabilité, la Banque informe les autres autorités de contrôle visées à l’article 594. En cas de retrait d’agrément par une autorité de contrôle désignée en application de l’article  594, § § 2 et 3, la Banque retire également l’agrément visé à l’article 585. § 2. La Banque peut encore révoquer l’agrément d’une succursale visée au présent Chapitre si elle es- time que la protection des créanciers d’assurance ou la gestion saine et prudente de l’entreprise d’assurance ou encore la stabilité du système financier exige la constitu- tion d’une société de droit belge. La Banque peut faire usage, à cet effet, des critères visés à l’article 585, § 4. La Banque informe la FSMA des décisions prises conformément à l’alinéa 1er Art. 599 Les articles  538  à 541, 543, alinéa 1er et 544  à 547 sont d’application. CHAPITRE II Activités en Belgique, par voie de succursale ou en libre prestation de services, par des entreprises de réassurance relevant du droit de pays tiers Art. 600 Les entreprises de réassurance qui relèvent du droit d’un pays tiers et dont le régime de solvabilité auquel elles sont assujetties en application de cette législation est, en application de l’article 172, paragraphe 3 de la Directive 2009/138/CE, considéré comme équivalent à celui établi par cette directive pour les entreprises relevant du droit d’un État membre, sont autorisées 1111 1584/002 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 lidstaat ressorteren, mogen in België via de vestiging van een bijkantoor of het vrij verrichten van diensten de herverzekeringsactiviteiten uitoefenen waarvoor zij in hun lidstaat van herkomst een vergunning hebben verkregen. In dit verband zijn de bepalingen van Hoofdstuk II van Titel I mutatis mutandis van toepassing. Art. 601 De herverzekeringsondernemingen die onder het recht van een derde land ressorteren en waarvan de solvabiliteitsregeling waaraan ze krachtens deze wetge- ving onderworpen zijn, met toepassing van artikel 172, lid 3 van Richtlijn 2009/138/EG, niet als gelijkwaardig wordt beschouwd met de regeling waarin deze richtlijn voorziet voor de ondernemingen die onder het recht van een lidstaat ressorteren, mogen in België, via de vesti- ging van een bijkantoor, de herverzekeringsactiviteiten uitoefenen waarvoor zij in hun lidstaat van herkomst een vergunning hebben verkregen, mits inachtneming van de bepalingen van Hoofdstuk I van deze Titel. BOEK IV DWANGSOMMEN EN ANDERE DWANGMAATREGELEN Art. 602 Onverminderd de andere bij deze wet voorgeschre- ven maatregelen, kan de Bank openbaar maken dat een verzekerings- of herverzekeringsonderneming, een verzekeringsholding, een gemengde financiële holding of een gemengde verzekeringsholding naar Belgisch of buitenlands recht, geen gevolg heeft gegeven aan haar aanmaningen om zich binnen de termijn die zij bepaalt te conformeren aan de voorschriften van deze wet of van de ter uitvoering ervan genomen besluiten of regle- menten of van Verordening 2015/35 of van alle andere uitvoeringsmaatregelen van Richtlijn 2009/138/EG. Art. 603 § 1. Onverminderd de andere bij deze wet voorge- schreven maatregelen, kan de Bank voor een verze- kerings- of herverzekeringsonderneming, een verze- keringsholding, een gemengde financiële holding of een gemengde verzekeringsholding naar Belgisch of buitenlands recht, een termijn bepalen: à exercer en Belgique, par la voie d’installation d’une succursale ou sous le régime de la libre prestation de services, les opérations de réassurance pour lesquelles elles ont obtenu un agrément dans leur État d’origine. À cette fin, les dispositions du Chapitre II du Titre I sont, mutatis mutandis, d’application. Art. 601 Les entreprises de réassurance qui relèvent du droit d’un pays tiers et dont le régime de solvabilité auquel elles sont assujetties en application de cette législation n’est pas, en application de l’article 172, paragraphe 3 de la Directive 2009/138/CE, considéré comme équivalent à celui établi par cette directive pour les entreprises relevant du droit d’un État membre, sont autorisées à exercer en Belgique, par la voie d’installa- tion d’une succursale, les opérations de réassurance pour lesquelles elles ont obtenu un agrément dans leur État d’origine moyennant le respect des dispositions du Chapitre Ier du présent Titre. LIVRE IV DES ASTREINTES ET AUTRES MESURES COERCITIVES Art. 602 Sans préjudice des autres mesures prévues par la présente loi, la Banque peut publier qu’une entreprise d’assurance ou de réassurance, une société holding d’assurance, une compagnie financière mixte ou une société holding mixte d’assurance de droit belge ou de droit étranger ne s’est pas conformée aux injonctions qui lui ont été faites de respecter dans le délai qu’elle détermine des dispositions de la présente loi ou des arrêtés ou règlements pris pour son exécution ou du Règlement 2015/35 ou de toutes autres mesures d’exé- cution de la Directive 2009/138/CE. Art. 603 § 1er. Sans préjudice des autres mesures prévues par la présente loi, la Banque peut fixer à une entreprise d’assurance ou de réassurance, une société holding d’assurance, une compagnie financière mixte ou une société holding mixte d’assurance de droit belge ou de droit étranger, un délai dans lequel: 1112 1584/002 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 1° waarbinnen zij zich moet conformeren aan welbe- paalde voorschriften van deze wet, van de ter uitvoe- ring ervan genomen besluiten of reglementen of van Verordening 2015/35 of van alle uitvoeringsmaatregelen van Richtlijn 2009/138/EG of 2°  waarbinnen zij de nodige aanpassingen moet aanbrengen in haar regeling voor de bedrijfsorganisatie of haar beleid inzake eigenvermogensbehoeften en het beheer van haar risico’s. Deze aanmaning geldt voor de bijkantoren van verzekerings- of herverzekeringsonder- nemingen die onder het recht van een andere lidstaat ressorteren enkel voor wat betreft de niet-nakoming van een van de in de artikel 564, eerste lid en artikel 576, eerste lid bedoelde verplichtingen; § 2. Indien de onderneming in gebreke blijft bij het verstrijken van de termijn, kan de Bank, na de onderne- ming gehoord of tenminste opgeroepen te hebben, haar een dwangsom opleggen van maximum 2 500 000 euro per overtreding en maximum 50 000  euro per dag vertraging. § 3. Bij de vaststelling van het bedrag van de dwang- som wordt met name rekening gehouden met 1° de ernst van de vastgestelde tekortkomingen en, in voorkomend geval, de potentiële impact van die te- kortkomingen op de stabiliteit van het financiële stelsel; 2° de financiële draagkracht van de betrokken on- derneming, zoals die met name blijkt uit haar omzet. § 4. De dwangsommen die met toepassing van para- graaf 2 worden opgelegd, worden ingevorderd ten bate van de Schatkist door de Administratie van het Kadaster, de Registratie en de Domeinen. BOEK V SANCTIES TITEL I Administratieve boetes Art. 604 §  1. Onverminderd andere bij deze wet voorge- schreven maatregelen en onverminderd de bij andere wetten of reglementen voorgeschreven maatregelen, kan de Bank, indien zij een inbreuk vaststelt op de bepalingen van deze wet, op de maatregelen geno- men in uitvoering ervan of op Verordening 2015/35 of op alle andere uitvoeringsmaatregelen van Richtlijn 1° elle doit se conformer à des dispositions déter- minées de la présente loi, des arrêtés ou règlements pris pour son exécution ou du Règlement 2015/35 ou de toutes autres mesures d’exécution de la Directive 2009/138/CE ou 2° elle doit apporter les adaptations qui s’imposent à son dispositif d’organisation d’entreprise ou à sa politique concernant ses besoins en fonds propres et à la gestion de ses risques. Cette injonction n’est appli- cable aux succursales d’entreprise d’assurance ou de réassurance relevant d’un autre État membre, que pour ce qui concerne un manquement à une des obligations visées aux articles 564, alinéa 1er et 576, alinéa 1er; § 2. Si l’entreprise reste en défaut à l’expiration du délai, la Banque peut, l’entreprise entendue ou à tout le moins convoquée, lui infliger une astreinte à raison d’un montant maximum de 2 500 000 euros par infraction et de maximum 50 000 euros par jour de retard. §  3.  Le montant de l’astreinte est fixé en tenant notamment compte 1° de la gravité des manquements rencontrés et, le cas échéant, de l’impact potentiel de ces manquements sur la stabilité du système financier; 2° de l’assise financière de l’entreprise en cause, telle qu’elle ressort notamment de son chiffre d’affaires. §  4.  Les astreintes imposées en application du paragraphe 2 sont recouvrées au profit du Trésor par l’Administration du Cadastre, de l’Enregistrement et des Domaines. LIVRE V DES SANCTIONS TITRE IER Des amendes administratives Art. 604 § 1er. Sans préjudice d’autres mesures prévues par la présente loi et sans préjudice des mesures prévues par d’autres lois ou d’autres règlements, la Banque peut, lorsqu’elle constate une infraction aux dispositions de la présente loi, aux mesures prises en exécution de celle-ci ou au Règlement 2015/35 ou à toutes autres mesures d’exécution de la Directive 2009/138/CE, infliger une 1113 1584/002 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 2009/138/EG, een administratieve boete opleggen aan een verzekerings- of herverzekeringsonderneming, een verzekeringsholding, een gemengde financiële holding of een gemengde verzekeringsholding naar Belgisch of buitenlands recht, aan een of meer leden van het wet- telijk bestuursorgaan of van het directiecomité van die entiteiten, aan de personen die bij ontstentenis van een directiecomité deelnemen aan hun effectieve leiding, die voor de vastgestelde tekortkoming verantwoordelijk zijn. § 2. De administratieve geldboete die aan de onder- neming of aan de in paragraaf 1 bedoelde entiteit wordt opgelegd, voor hetzelfde feit of hetzelfde geheel van feiten, bedraagt minimum 1 % en maximum 10 % van de technische en financiële opbrengsten van de entiteit van het voorbije boekjaar. De administratieve geldboete die aan een natuurlijke persoon wordt opgelegd, voor hetzelfde feit of hetzelfde geheel van feiten, bedraagt minimum 5 000 euro en maximum 5 000 000 euro. § 3. De boetes die met toepassing van paragraaf 1 worden opgelegd door de Bank, worden ingevorderd ten bate van de Schatkist door de Administratie van het Kadaster, de Registratie en de Domeinen. § 4. Het bedrag van de boete wordt met name vast- gesteld op grond van 1° de ernst en de duur van de tekortkomingen; 2°  de mate van verantwoordelijkheid van de betrokkene; 3° de financiële draagkracht van de betrokkene, zoals die met name blijkt uit de totale omzet van de betrokken rechtspersoon of uit het jaarinkomen van de betrokken natuurlijke persoon; 4° het voordeel of de winst die deze tekortkomingen eventueel opleveren; 5° het nadeel dat derden door deze tekortkomingen hebben geleden, voor zover dit kan worden bepaald; 6° de mate van medewerking van de betrokken na- tuurlijke of rechtspersoon met de bevoegde autoriteiten; 7° vroegere tekortkomingen van de betrokkene; 8° de potentiële negatieve impact van de tekortkomin- gen op de stabiliteit van het financiële stelsel. amende administrative à une entreprise d’assurance ou de réassurance, à une société holding d’assurance, à une compagnie financière mixte, à une société holding mixte d’assurance, de droit belge ou de droit étranger à un ou plusieurs des membres de l’organe légal d’admi- nistration ou du comité de direction de ces entités, aux personnes qui, en l’absence de comité de direction, participent à leur direction effective, responsables du manquement constaté. § 2. Le montant de l’amende administrative infligée à l’entité visée au paragraphe 1er, pour le même fait ou pour le même ensemble de faits, est de minimum 1 % et de maximum de 10 % des produits techniques et financiers de l’entité au cours de l’exercice précédent. Le montant de l’amende administrative infligée à une personne physique, pour le même fait ou pour le même ensemble de faits, est de minimum 5 000 euros et de maximum 5 000 000 euros. § 3. Les amendes imposées par la Banque en appli- cation du paragraphe 1er sont recouvrées au profit du Trésor par l’Administration du Cadastre, de l’Enregis- trement et des Domaines. § 4. Le montant de l’amende est notamment fixé en fonction 1° de la gravité et de la durée des manquements; 2° du degré de responsabilité de la personne en cause; 3° de l’assise financière de la personne en cause, telle qu’elle ressort notamment du chiffre d’affaires total de la personne morale en cause ou des revenus annuels de la personne physique en cause; 4° des avantages ou profits éventuellement tirés de ces manquements; 5° d’un préjudice subi par des tiers du fait des man- quements, dans la mesure où il peut être déterminé; 6° du degré de coopération avec les autorités com- pétentes dont a fait preuve la personne physique ou morale en cause; 7° des manquements antérieurs commis par la per- sonne en cause; 8° de l’impact négatif potentiel des manquements sur la stabilité du système financier. 1114 1584/002 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 §  5.  Wanneer de Bank maatregelen die zij over- eenkomstig dit artikel oplegt, openbaar maakt, stelt zij tezelfdertijd EIOPA en de toezichthouder van de betrok- ken lidstaat in kennis, indien het een verzekerings- of herverzekeringsonderneming betreft die activiteiten uitoefent in een andere lidstaat. TITEL II Strafrechtelijke sancties Art. 605 § 1. Met een gevangenisstraf van één maand tot één jaar en met een geldboete van 50 euro tot 10 000 euro of met één van die straffen alleen wordt gestraft: 1° wie zich niet conformeert aan artikel 16; 2° wie de activiteit uitoefent van een verzekerings- of herverzekeringsonderneming als bedoeld in artikel 17 of in Boek III, Titel II zonder een vergunning te bezitten of wanneer de vergunning is doorgehaald of herroepen; 3° wie met opzet de kennisgevingen als bedoeld in de artikelen 64 en 68 niet verricht, wie het verzet negeert als bedoeld in artikel 66, tweede lid, of wie de schorsing negeert als bedoeld in artikel 72, eerste lid, 1°; 4° de leden van het wettelijk bestuursorgaan en de andere in artikel 83 bedoelde personen die de bepalin- gen van dit artikel overtreden; 5° de leden van het wettelijk bestuursorgaan of van het directiecomité of de personen belast met de effec- tieve leiding die de artikelen 93, 102, 2° en 3°, 426, 428, 483 of 486 overtreden; 6°  de leden van het wettelijk bestuursorgaan of van het directiecomité of de personen belast met de effectieve leiding van een verzekerings- of herverzeke- ringsonderneming die in het buitenland een bijkantoor openen of diensten verstrekken, zonder de kennisge- vingen te hebben verricht als bepaald in de artikelen 108, 113, 115 of 120 of die zich niet conformeren aan de artikelen 112, 119 of 122; 7° de leden van het wettelijk bestuursorgaan of van het directiecomité of de personen belast met de effec- tieve leiding van een verzekerings- of herverzekerings- onderneming die de in de artikelen 199, 201, 342, 564, § 2, 576, derde lid of 588, § 1, 2° bedoelde besluiten of reglementen overtreden; § 5. Lorsque la Banque rend publiques des mesures imposées conformément au présent article, elle informe en même temps l’EIOPA ainsi que l’autorité de contrôle de l’État membre concerné s’il s’agit d’une entreprise d’assurance ou de réassurance exerçant une activité dans un autre État membre. TITRE II Des sanctions pénales Art. 605 § 1er. Sont punis d’un emprisonnement d’un mois à un an et d’une amende de 50 euros à 10 000 euros ou d’une de ces peines seulement: 1° ceux qui ne se conforment pas à l’article 16; 2°  ceux qui exercent l’activité d’une entreprise d’assurance ou de réassurance visée à l’article 17 ou au Livre III, Titre II sans que cette entreprise soit agréé ou alors que l’agrément a été radié ou révoqué; 3° ceux qui, sciemment, s’abstiennent de faire les notifications prévues aux articles 64 et 68, ceux qui passent outre à l’opposition visée à l’article 66, alinéa 2 ou ceux qui passent outre à la suspension visée à l’article 72, alinéa 1er, 1°; 4° les membres de l’organe légal d’administration et les autres personnes visées à l’article 83 qui contre- viennent aux dispositions de cet article; 5° les membres de l’organe légal d’administration ou du comité de direction ou les personnes en charge de la direction effective qui contreviennent aux articles 93, 102, 2° et 3°, 426, 428, 483 ou 486; 6° les membres de l’organe légal d’administration ou du comité de direction ou les personnes en charge de la direction effective d’une entreprise d’assurance ou de réassurance qui, à l’étranger, ouvrent une succursale ou y prestent des services sans avoir procédé aux noti- fications prévues par les articles 108, 113, 115 ou 120 ou qui ne se conforment pas aux articles 112, 119 ou 122; 7° les membres de l’organe légal d’administration ou du comité de direction ou les personnes en charge de la direction effective d’une entreprise d’assurance ou de réassurance qui contreviennent aux arrêtés ou aux règlements visés aux articles 199, 201, 342, 564, § 2, 576, alinéa 3 ou 588, § 1er, 2°; 1115 1584/002 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 8°  de leden van het wettelijk bestuursorgaan of van het directiecomité of de personen belast met de effectieve leiding van een verzekerings- of herverze- keringsonderneming die zich niet conformeren aan de artikelen 201 of 202. 9° wie handelingen stelt of verrichtingen uitvoert zon- der daartoe de toestemming te hebben verkregen van de speciaal commissaris als bedoeld in artikel 517, § 1, 1° of die indruisen tegen een schorsingsbeslissing die overeenkomstig artikel 517, § 1, 4° is genomen, wie geen gevolg geeft aan de aanmaning die overeenkomstig de artikelen 568, eerste lid of 579, eerste lid aan hem is gericht, of wie zich niet conformeert aan de maatregelen die met toepassing van de artikelen 569, § 1, eerste lid, 580, § 1, 573 of 582 zijn getroffen; 10° wie als commissaris, erkend revisor of onafhan- kelijk deskundige, rekeningen, jaarrekeningen, balansen en resultatenrekeningen of geconsolideerde jaarreke- ningen van ondernemingen dan wel periodieke staten of inlichtingen certificeert, goedkeurt of bekrachtigt terwijl niet is voldaan aan de voorschriften van deze wet of van haar uitvoeringsbesluiten en -reglementen of de uitvoe- ringsmaatregelen van Richtlijn 2009/138/EG en daarvan kennis heeft, of niet heeft gedaan wat hij normaal had moeten doen om zich ervan te vergewissen of aan die bepalingen was voldaan; 11°  wie de onderzoeken en controles verhindert waartoe hij verplicht is in het land of in het buitenland dan wel weigert de gegevens te verstrekken waartoe hij verplicht is op grond van deze wet en de uitvoerings- maatregelen van Richtlijn 2009/138/EG of wie bewust onjuiste of onvolledige inlichtingen verstrekt; 12° elke bestuurder en zaakvoerder die zich niet houdt aan de voorschriften van de artikelen 325, § 1 , eerste lid, en 596; § 2. Overtredingen van het verbod van artikel 41 wor- den gestraft met een gevangenisstraf van drie maanden tot twee jaar en met een geldboete van 1 000 euro tot 10 000 euro. Art. 606 De voorschriften van Boek I van het Strafwetboek, Hoofdstuk VII en artikel 85 niet uitgezonderd, zijn van toepassing op de misdrijven die door deze Titel worden bestraft. 8° les membres de l’organe légal d’administration ou du comité de direction ou les personnes en charge de la direction effective d’une entreprise d’assurance ou de réassurance qui ne se conforment pas aux articles 201 ou 202. 9° ceux qui accomplissent des actes ou opérations sans avoir obtenu l’autorisation du commissaire spécial prévue à l’article 517, § 1er, 1°, ou à l’encontre d’une décision de suspension prise conformément à l’article 517, § 1er, 4°, qui ne se conforment pas à la mise en demeure prise en application aux articles 568, alinéa 1er ou 579, alinéa 1er ou aux mesures prises en application des articles 569, § 1er, alinéa 1er , 580, § 1er, 573 ou 582. 10° ceux qui, en qualité de commissaire, de reviseur agréé ou d’expert indépendant, ont attesté, approuvé ou confirmé des comptes, des comptes annuels, des bilans et comptes de résultats ou des comptes conso- lidés d’entreprises ou des états périodiques ou des renseignements lorsque les dispositions de la présente loi ou des arrêtés et règlements pris pour son exécution ou les mesures d’exécution de la Directive 2009/138/ CE, n’ont pas été respectées, soit en sachant qu’elles ne l’avaient pas été, soit en n’ayant pas accompli les diligences normales pour s’assurer qu’elles avaient été respectées; 11° ceux qui font obstacle aux inspections et véri- fications auxquelles ils sont tenus dans le pays ou à l’étranger ou refusent de donner des renseignements qu’ils sont tenus de fournir en vertu de la présente loi et des mesures d’exécution de la Directive 2009/138/ CE ou qui donnent sciemment des renseignements inexacts ou incomplets; 12° les administrateurs et gérants qui ne respectent pas les dispositions des articles 325, § 1er , alinéas 1er et 596; § 2. Toute infraction à l’interdiction visée à l’article 41 est punie d’un emprisonnement de trois mois à deux ans et d’une amende de 1 000 euros à 10 000 euros. Art. 606 Les dispositions du Livre Ier du Code pénal, sans exception du chapitre VII et de l’article 85, sont appli- cables aux infractions pénales punies par la présente loi. 1116 1584/002 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 Art. 607 De verzekerings- of herverzekeringsondernemingen zijn burgerrechtelijk aansprakelijk voor de geldboetes waartoe de leden van hun wettelijk bestuursorgaan of van hun directiecomité, de personen belast met hun effectieve leiding of hun lasthebbers met toepassing van de voorschriften van deze Titel worden veroordeeld. Art. 608 Ieder opsporingsonderzoek ten gevolge van de overtreding van deze wet of één van de in artikel 20 van de wet van 25 april 2014 bedoelde wetgevingen, tegen leden van het wettelijk bestuursorgaan of van het directiecomité, personen belast met de effectieve leiding, lasthebbers of erkend commissarissen van verzekerings- of herverzekeringsondernemingen en ieder opsporingsonderzoek ten gevolge van een over- treding van deze wet tegen iedere andere natuurlijke of rechtspersoon, moet ter kennis worden gebracht van de Bank en van de FSMA, ieder voor wat zijn bevoegdhe- den betreft, door de gerechtelijke of bestuursrechtelijke autoriteit waar dit aanhangig is gemaakt. Iedere strafrechtelijke vordering op grond van in het eerste lid bedoelde misdrijven moet ter kennis worden gebracht van de Bank en van de FSMA, ieder voor wat zijn bevoegdheden betreft, door het openbaar ministerie. Art. 609 De Bank en de FSMA zijn gerechtigd in elke stand van het geding tussen te komen voor de strafrechter bij wie een door deze wet bestraft misdrijf aanhangig is, zonder dat zij daarom het bestaan van enig nadeel hoeven aan te tonen. De tussenkomst geschiedt volgens de regels die gelden voor de burgerlijke partij. Art. 607 Les entreprises d’assurance ou de réassurance sont civilement responsables des amendes auxquelles sont condamnés leurs membres de l’organe légal d’admi- nistration ou du comité de direction, les personnes en charge de la direction effective ou leurs mandataires en application des dispositions du présent Titre. Art. 608 Toute information du chef d’infraction à la présente loi ou à l’une des législations visées à l’article 20 de la loi du 25 avril 2014 à l’encontre de membres de l’organe légal d’administration ou du comité de direction, de personnes en charge de la direction effective, de mandataires ou de commissaires agréés d’entreprise d’assurance ou de réassurance et toute information du chef d’infraction à la présente loi à l’encontre de toute autre personne physique ou morale doit être portée à la connaissance de la Banque et de la FSMA, chacune dans son domaine de compétence par l’autorité judi- ciaire ou administrative qui en est saisie. Toute action pénale du chef des infractions visées à l’alinéa 1er doit être portée à la connaissance de la Banque et de la FSMA, chacune dans son domaine de compétence, à la diligence du ministère public. Art. 609 La Banque et la FSMA sont habilitées à intervenir en tout état de cause devant la juridiction répressive saisie d’une infraction punie par la présente loi, sans qu’elles aient à justifier d’un dommage. L’intervention suit les règles applicables à la partie civile. 1117 1584/002 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 BOEK VI VOOR VERZEKERINGSONDERNEMINGEN GELDENDE REGELS VAN HET INTERNATIONAAL PRIVAATRECHT INZAKE SANERINGSMAATREGELEN EN LIQUIDATIEPROCEDURES TITEL I Saneringsmaatregelen HOOFDSTUK I Bevoegdheidsregeling en erkenning van buitenlandse maatregelen Art. 610 Onder voorbehoud van de artikelen 598 en 614, zijn de Belgische saneringsautoriteiten uitsluitend bevoegd om saneringsmaatregelen te treffen ten aanzien van verzekerings ondernemingen naar Belgisch recht. Deze saneringsmaatregelen worden ten uitvoer gelegd en hebben rechtswerking overeenkomstig de Belgische wetgeving, onder voorbehoud van de preciseringen en uitzonderingen die in deze wet zijn vastgesteld. De Belgische sanerings autoriteiten kunnen inzonderheid geen saneringsmaatregelen treffen ten aanzien van een verzekeringsonderneming die onder het recht van een andere lidstaat ressorteert, en evenmin ten aanzien van een in België gevestigd bijkantoor van een dergelijke onderneming. Art. 611 De saneringsmaatregelen die door de saneringsauto- riteiten van een andere lidstaat zijn getroffen ten aanzien van een verzekerings onderneming die onder het recht van die lidstaat ressorteert, hebben rechtswerking in België overeenkomstig de wetgeving van die lidstaat zodra zij aldaar rechtswerking hebben, en dit onver- minderd hun eventuele bekendmaking in België. Deze saneringsmaatregelen zijn zonder verdere formaliteiten van toepassing in België. LIVRE VI DES RÈGLES DE DROIT INTERNATIONAL PRIVÉ EN MATIÈRE DE MESURES D’ASSAINISSEMENT ET DE PROCÉDURES DE LIQUIDATION APPLICABLES À DES ENTREPRISES D’ASSURANCE TITRE IER Des mesures d’assainissement CHAPITRE IER Règle de compétence et réception des mesures étrangères Art. 610 Sous réserve des articles 598 et 614, les autorités d’assainissement belges ne sont compétentes pour adopter des mesures d’assainissement qu’à l’égard des entreprises d’assurance de droit belge. Ces mesures sont appliquées et produisent leurs effets conformément à la législation belge, sous réserve des précisions et exceptions prévues par la présente loi. En particulier, les autorités d’assainissement belges ne peuvent adopter une mesure d’assainissement concernant une entreprise d’assurance relevant du droit d’un autre État membre et ce, y compris en ce qui concerne la succur- sale d’une telle entreprise située en Belgique. Art. 611 Nonobstant la publicité dont elles peuvent faire l’objet en Belgique, les mesures d’assainissement décidées par les autorités d’assainissement d’un autre État membre concernant une entreprise d’assurance relevant du droit de cet État produisent leurs effets en Belgique selon la législation de cet État dès qu’elles produisent leurs effets dans l’État membre où elles ont été adoptées. Ces mesures ne nécessitent aucune formalité en Belgique. 1118 1584/002 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 HOOFDSTUK II Overleg en informatieverstrekking Afdeling I Verzekeringsondernemingen naar Belgisch recht Art. 612 De Koning stelt de Bank onverwijld in kennis van zijn beslissing om een saneringsmaatregel te treffen met toepassing van artikel 519; hij doet dit zo mogelijk vóór de vaststelling van deze maatregel of anders onmid- dellijk daarna. De Bank stelt de FSMA en de toezichthouders van alle andere lidstaten onmiddellijk en met alle dienstige middelen in kennis van de vaststelling van alle sane- ringsmaatregelen alsmede van de concrete gevolgen die deze maatregelen zouden kunnen hebben. Daartoe houdt de Koning de Bank op de hoogte van het verloop van de tenuitvoerlegging van artikel 519. Art. 613 Indien de rechten van derden in een andere lidstaat waar de betrokken verzekeringsonderneming een bijkantoor heeft of diensten verricht, kunnen worden aangetast door de tenuitvoerlegging van een sanerings- maatregel die overeenkomstig artikel 610 werd getroffen, en indien er tegen deze maatregel een beroep werd ingesteld, maakt de Bank of, met betrekking tot de daden van beschikking bedoeld in artikel 519, de Koning, de beslissing bekend overeenkomstig de van toepassing zijnde wettelijke bepalingen en ziet zij of hij erop toe dat zo snel mogelijk een uittreksel uit die beslissing wordt bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie, in de officiële taal of een van de officiële talen van die lidstaten. Deze bekendmaking beïnvloedt op geen enkele wijze de gevolgen van de saneringsmaatregel, met name voor de schuldeisers van de betrokken verze- keringsonderneming. In het uittreksel worden ten minste de volgende gegevens vermeld: 1° het onderwerp en de juridische grondslag van de genomen beslissing, met vermelding van het feit dat de maatregel wordt beheerst door het Belgische recht; 2° de saneringsautoriteiten en, in voorkomend geval, de aangewezen saneringscommissaris; 3° de termijnen om beroep in te stellen en de con- tactgegevens van de autoriteit die bevoegd is voor het beroep. CHAPITRE II Concertation et information Section Ire Entreprises d’assurance de droit belge Art. 612 Le Roi informe sans délai la Banque de sa décision d’adopter une mesure d’assainissement en application de l’article 519, si possible avant l’adoption de celle-ci ou, sinon, immédiatement après. La Banque porte immédiatement à la connaissance de la FSMA et des autorités de contrôle de tous les autres États membres, par tous moyens utiles, l’adop- tion de toutes mesures d’assainissement et les effets concrets que ces mesures pourraient avoir. À cette fin, le Roi tient la Banque informée de l’évolution relative à la mise en application de l’article 519. Art. 613 Lorsque la mise en œuvre d’une mesure d’assai- nissement prise conformément à l’article 610 est sus- ceptible d’affecter les droits de tiers dans un autre État membre où l’entreprise d’assurance a une succursale ou fournit des services, et qu’un recours est ouvert contre la mesure, la Banque ou, lorsqu’il s’agit d’actes de disposition visés à l’article 519, le Roi, assure la publicité de la décision conformément aux dispositions légales en vigueur et veille à faire publier le plus rapi- dement possible un extrait de cette décision, dans la ou une des langues officielles de ces États membres, au Journal officiel de l’Union européenne. Cette publicité est sans impact sur les effets de la mesure d’assainis- sement, notamment à l’égard des créanciers de l’entre- prise d’assurance. Elle mentionne au moins: 1° l’objet et la base juridique de la décision prise avec la mention que la mesure est régie par le droit belge; 2° les autorités d’assainissement et, le cas échéant, le commissaire à l’assainis sement désigné; 3° les délais de recours et les coordonnées de l’auto- rité compétente pour connaître du recours. 1119 1584/002 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 Voor derden met woonplaats of gewone verblijfplaats in een andere lidstaat vangt de termijn om beroep in te stellen tegen de vaststelling van een sanerings- maatregel aan op de datum van bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie. Afdeling II Verzekeringsondernemingen die onder het recht van een derde land ressorteren Art. 614 De Bank stelt de toezichthouders van de andere lidstaten waar de verzekerings onderneming die onder het recht van een derde land ressorteert eveneens een bijkantoor heeft, onverwijld en met alle dienstige middelen in kennis van haar beslissing om krachtens artikel 598 een sanerings maatregel te treffen alsmede van de concrete gevolgen van deze maatregel; zij doet dit zo mogelijk vóór de vaststelling van deze maatregel of anders onmiddellijk daarna. De Bank beijvert zich om haar optreden te coördineren met dat van de toezicht- houders, de saneringsautoriteiten en, in voorkomend geval, de liquidatieautoriteiten van de verzekeringson- dernemingen van de andere lidstaten. TITEL II Faillissement en andere liquidatieprocedures die op insolventie berusten HOOFDSTUK I Bevoegdheidsregeling en erkenning van buitenlandse maatregelen Art. 615 De rechtbank van koophandel is uitsluitend bevoegd om verzekeringsondernemingen naar Belgisch recht fail- liet te verklaren. Dit impliceert dat zij een verzekerings- onderneming die onder een buitenlands recht ressor- teert, alsook haar in België gevestigde bijkantoren, niet failliet kan verklaren. Art. 616 Een liquidatieprocedure die is geopend door de liqui- datieautoriteiten van een andere lidstaat ten aanzien van een verzekeringsonderneming die onder het recht van die lidstaat ressorteert, wordt zonder enige formaliteit Le délai de recours concernant l’adoption d’une mesure d’assainissement prend cours, à l’égard des tiers ayant leur domicile ou leur résidence habituelle dans un autre État membre, à la date de la publication dans le Journal officiel de l’Union européenne. Section II Entreprises d’assurance relevant du droit d’un pays tiers Art. 614 La Banque informe sans délai et par tous moyens utiles, les autorités de contrôle des autres États membres où l’entreprise d’assurance relevant du droit d’un pays tiers a également une succursale de sa décision d’adopter une mesure d’assainissement en vertu de l’article 598, et des effets concrets de cette mesure, dans la mesure du possible avant l’adoption de celle-ci ou, sinon, immédiatement après. La Banque s’efforce de coordonner son action avec celle des auto- rités de contrôle, d’assainissement et, le cas échéant, de liquidation des entreprises d’assurance des autres États membres. TITRE II De la faillite et autres procédures de liquidation fondées sur l’insolvabilité CHAPITRE IER Règle de compétence et réception des procédures étrangères Art. 615 Le tribunal de commerce n’est compétent pour décider de l’ouverture d’une faillite qu’à l’égard des entreprises d’assurance de droit belge. En particulier, le tribunal de commerce ne peut ouvrir une faillite concernant une entreprise d’assurance relevant d’un droit étranger et ce, y compris en ce qui concerne la succursale d’un telle entreprise située en Belgique. Art. 616 Les procédures de liquidation dont l’ouverture est décidée par les autorités de liquidation d’un autre État membre concernant une entreprise d’assurance rele- vant du droit de cet État sont reconnues en Belgique 1120 1584/002 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 erkend in België en heeft rechtswerking in België zodra ze rechtswerking heeft in de lidstaat waar ze is geopend. Art. 617 Een buitenlandse rechterlijke beslissing inzake een liquidatieprocedure die berust op insolventie van een verzekeringsonderneming die onder het recht van een derde land ressorteert, kan maar erkend worden en uit- voerbaar worden verklaard in België indien de volgende voorwaarden vervuld zijn: 1° het recht inzake insolventieprocedures van het derde land garandeert dat de schuldeisers uit hoofde van verzekering die hun overeenkomst bij het Belgische bijkantoor hebben gesloten, gelijkwaardig worden be- handeld als de schuldeisers uit hoofde van verzekering die hun overeenkomst bij de verzekeringsonderneming in het derde land hebben gesloten; 2° het recht dat de insolventieprocedure in het derde land regelt, kent aan de schuldeisers uit hoofde van ver- zekering die hun overeenkomst bij het Belgische bijkan- toor hebben gesloten, een gelijkwaardige bescherming toe als deze waarin de artikelen 643 en 644 voorzien. HOOFDSTUK II Verzekeringsondernemingen naar Belgisch recht Afdeling I Overleg en informatieverstrekking Art. 618 Onverminderd artikel  640  stelt de rechtbank van koophandel de Bank onverwijld in kennis van haar beslissing om een onderneming failliet te verklaren, alsmede van de concrete gevolgen van het faillisse- ment; zij doet dit zo mogelijk vóór de faillietverklaring of anders onmiddellijk daarna. De Bank deelt deze informatie onverwijld en met alle dienstige middelen mee aan de FSMA en aan de toezichthouders van alle andere lidstaten. Art. 619 De curator of curators die zijn aangesteld over- eenkomstig artikel 11  van de faillissementswet van 8 augustus 1997, zorgen voor de bekendmaking bedoeld in artikel 38 van dezelfde wet, eveneens via publicatie sans aucune formalité et y produisent leurs effets dès qu’elles produisent leurs effets dans l’État membre où elles ont été ouvertes. Art. 617 Une décision judiciaire étrangère concernant une procédure de liquidation fondée sur l’insolvabilité d’une entreprise d’assurance relevant du droit de pays tiers ne peut être reconnue et rendue exécutoire en Belgique que si les conditions suivantes sont satisfaites: 1° le droit des procédures d’insolvabilité du pays tiers assure aux créanciers d’assurance ayant conclu leur contrat auprès de la succursale belge, un traitement qui est équivalent à celui des créanciers d’assurance ayant conclu leur contrat auprès de l’entreprise d’assurance dans le pays tiers; 2° le droit régissant la procédure d’insolvabilité dans le pays tiers octroie aux créanciers d’assurance ayant conclu leur contrat auprès de la succursale belge une protection similaire à celle prévue aux articles 643 et 644. CHAPITRE II Entreprises d’assurance de droit belge Section Ire Concertation et information Art. 618 Sans préjudice de l’article 640, le tribunal de com- merce informe sans délai la Banque de sa décision d’ouvrir une procédure de faillite et des effets concrets de la faillite, dans la mesure du possible avant l’ouver- ture de celle-ci ou sinon immédiatement après. La Banque communique sans délai et par tous moyens utiles cette information à la FSMA et aux autorités de contrôle de tous les autres États membres. Art. 619 Le ou les curateurs désignés conformément à l’article 11 de la loi du 8 août 1997 sur les faillites, assurent la publicité visée à l’article 38 de la même loi, également par la publication de l’extrait au Journal officiel de 1121 1584/002 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 van het uittreksel in het Publicatieblad van de Europese Unie. Hiertoe wordt gebruik gemaakt van een formulier dat in alle officiële talen van de Europese Unie het opschrift draagt: “Oproep tot indiening van schuldvor- deringen. Termijnen”. De bekendmaking vermeldt minstens: 1° dat de liquidatieprocedure beheerst wordt door het Belgische recht; 2° de gegevens van de bevoegde rechtbank en van de aangestelde curator. Art. 620 Indien de schuldeisers aan wie een individuele ken- nisgeving wordt gericht als bedoeld in artikel 62 van de faillissementswet van 8 augustus 1997, hun woonplaats of gewone verblijfplaats in een andere lidstaat hebben, wordt in het rondschrijven, naast de vermelding van de gegevens van het in artikel 619 bedoelde uittreksel, tevens meegedeeld dat de schuldeisers met een voor- recht of een zakelijke zekerheid verplicht zijn aangifte te doen van hun schuldvorderingen, en welke de ge- volgen zijn van de niet-naleving van de termijnen die zijn vastgelegd in artikel 72 van de faillissements wet van 8 augustus 1997. In geval van schuldvorderingen uit hoofde van verzekering vermeldt het rondschrijven tevens welke de algemene gevolgen van de liquida- tieprocedure voor de verzekeringsovereenkomsten zijn, inzon derheid de datum waarop de verzekerings- overeenkomsten of -verrichtingen geen effect meer sorteren, alsmede de rechten en verplichtingen van de verzekerde in verband met de overeenkomst of verrichting. Het rondschrijven als bedoeld in artikel 62 van de faillissementswet van 8 augustus 1997, dat is opgesteld in de taal van de procedure of, voor de schuldeisers uit hoofde van verzekering met gewone verblijfplaats, woonplaats of statutaire zetel in een andere lidstaat, in een officiële taal van die lidstaat, draagt in alle officiële talen van de Europese Unie het opschrift “Oproep tot indiening van schuldvorderingen. Termijnen”. l’Union européenne. Un formulaire portant dans toutes les langues officielles de l’Union européenne le titre “Invitation à produire une créance. Délais à respecter” est utilisé à cet effet. La publicité mentionne au moins: 1° que la procédure de liquidation est régie par le droit belge; 2°  les coordonnées du tribunal compétent et du curateur désigné. Art. 620 Lorsque l’avertissement individuel des créanciers visé à l’article 62 de la loi du 8 août 1997 sur les fail- lites concerne des créanciers ayant leur domicile ou leur résidence habituelle dans un autre État membre, la circulaire indique également, outre les informations mentionnées dans l’extrait visé à l’article 619, l’obliga- tion pour les créanciers bénéficiant d’un privilège ou d’une sûreté réelle de déclarer leurs créances ainsi que les conséquences liées à l’inobservation des délais prévus par l’article 72 de la loi du 8 août 1997 sur les faillites. Dans le cas des créances d’assurance, la circulaire mentionne en outre les effets généraux de la procédure de liquidation sur les contrats d’assurance, en particulier la date à laquelle les contrats d’assurance ou les opérations cessent de produire leurs effets et les droits et obligations de l’assuré concernant le contrat ou l’opération. La circulaire visée à l’article 62  de la loi du 8 août 1997 sur les faillites, rédigée dans la langue de la procédure ou, pour les créanciers détenant une créance d’assurance et ayant leur résidence habituelle, leur domicile ou leur siège statutaire dans un autre État membre, dans une langue officielle dudit État membre, porte, dans toutes les langues officielles de l’Union européenne, le titre “Invitation à produire une créance – Délais à respecter”. 1122 1584/002 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 Afdeling II Procedurele aspecten en toepasselijk recht Art. 621 Het faillissement van verzekerings ondernemingen naar Belgisch recht wordt beheerst door het Belgische recht, onder voorbehoud van de preciseringen en uit- zonderingen die in deze wet zijn vastgesteld. Art. 622 § 1. Schuldeisers met woonplaats of gewone verblijf- plaats in een andere lidstaat kunnen aangifte doen van hun schuldvorderingen of hun opmerkingen indienen in een officiële taal van die lidstaat, met vermelding van het opschrift “Indiening van een schuldvordering” of “Indiening van opmerkingen betreffende een schuld- vordering” in de taal van de procedure in België. Artikel 63 van de faillissementswet van 8 augustus 1997 is van toepassing. De overeen komstig de artikelen 643 en 644 aan schuld vorderingen uit hoofde van verzekering verleende voorrang hoeft echter niet te worden vermeld. §  2. De schuldvorderingen van schuldeisers met woonplaats of gewone verblijfplaats in een andere lid- staat krijgen dezelfde behandeling en in het bijzonder dezelfde rang als soortgelijke schuldvorderingen die de schul deisers met woonplaats of gewone verblijf- plaats in België kunnen aangeven. Daartoe worden de schuldvorderingen van soortgelijke schuldeisers als gelijkwaardig beschouwd. Het eerste lid geldt ook voor schuldeisers met woon- plaats of gewone verblijfplaats in een derde land, voor zover het recht dat in dat land van toepassing is, niet in de mogelijkheid voorziet om een insolventie procedure te openen ten aanzien van de betrokken verzekerings- onderneming en de in België geopende procedure in dat land effect kan sorteren. Als dit niet het geval is, worden die schuldeisers voor de in België geopende procedure gelijkgesteld met chirografaire schuldeisers. Art. 623 De curator of curators die zijn aangesteld over- eenkomstig artikel 11  van de faillissements wet van 8 augustus 1997 houden de schuldeisers regelmatig op de hoogte van het verloop van de procedure op de wijze die zij daartoe het meest geschikt achten. Section II Eléments de procédure et loi applicable Art. 621 La procédure de faillite relative à une entreprise d’assurance de droit belge est régie par le droit belge, sous réserve des précisions et exceptions prévues par la présente loi. Art. 622 § 1er. Les créanciers ayant leur domicile ou leur rési- dence habituelle dans un autre État membre peuvent déclarer leurs créances et présenter leurs observations dans une langue officielle de cet État accompagnées de la mention “Production de créances” ou “Présentation des observations relatives aux créances” dans la langue de la procédure en Belgique. L’article 63 de la loi du 8 août 1997 sur les faillites est d’application. Le privilège octroyé aux créances d’assurance conformément aux articles 643 et 644 ne doit toutefois pas être mentionné. § 2. Les créances des créanciers ayant leur domicile ou leur résidence habituelle dans un autre État membre bénéficient du même traitement et, en particulier, du même rang que les créances de nature équivalente susceptibles d’être déclarées par des créanciers ayant leur domicile ou leur résidence habituelle en Belgique. À cette fin, les créances présentées par des créanciers de même nature sont considérées comme des créances équivalentes. L’alinéa  1er est également applicable en ce qui concerne les créanciers ayant leur domicile ou leur résidence habituelle dans un pays tiers, pour autant que le droit applicable dans cet État ne permette pas l’ouverture d’une procédure d’insolvabilité à l’encontre de l’entreprise d’assurance concernée et que la pro- cédure ouverte en Belgique puisse produire ses effets dans cet État. Dans la négative, ces créanciers sont assimilés à des créanciers chirographaires pour les besoins de la procédure ouverte en Belgique. Art. 623 Le ou les curateurs désignés conformément à l’article 11 de la loi du 8 août 1997 sur les faillites informent régulièrement les créanciers, dans la forme qu’ils jugent la plus appropriée, du déroulement de la procédure. 1123 1584/002 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 Op verzoek van de toezichthouders van de andere lidstaten deelt de Bank hen informatie mee over het verloop van de liquidatie procedure. De rechtbank van koophandel houdt de Bank daartoe op de hoogte van het verloop van de procedure. HOOFDSTUK III Verzekeringsondernemingen die onder het recht van een derde land ressorteren Art. 624 Wanneer een verzekerings-onderneming die onder het recht van een derde land ressorteert, bijkantoren heeft in België en in andere lidstaten, beijveren de Bank, de liquidatieautoriteiten en de toezichthouders van die lidstaten zich om hun optreden te coördineren. TITEL III Liquidatieprocedures die niet op insolventie berusten betreffende verzekeringsondernemingen die onder het recht van een derde land ressorteren Art. 625 Indien de vergunning van een onderneming die onder het recht van een derde land ressorteert, wordt door- gehaald of herroepen of indien deze onderneming zelf afstand doet van de vergunning voor al haar verrichtin- gen in België, kan de Bank een liquidateur benoemen met als opdracht alle activa van de onderneming in België te gelde te maken en alle in België aangegane verbintenissen af te wikkelen. Onverminderd artikel 599 bepaalt de Koning op ad- vies van de Bank de bevoegdheden en verplichtingen van die liquidateur. De kosten van de vereffening zijn ten laste van de betrokken onderneming. De bepalingen van dit artikel zijn niet van toepassing wanneer er ten aanzien van de verzekeringsonderne- ming die onder het recht van een derde land ressorteert, op het tijdstip van de herroeping van de vergunning, in dat land een liquidatieprocedure is geopend die op insolventie berust. À la demande des autorités de contrôle des autres États membres, la Banque fournit des informations sur le déroulement de la procédure de liquidation. À cette fin, le tribunal de commerce tient la Banque informée de l’évolution de la procédure. CHAPITRE III Entreprises d’assurance relevant du droit d’un pays tiers Art. 624 Lorsqu’une entreprise d’assurance relevant du droit d’un pays tiers possède des succursales en Belgique et dans d’autres États membres, la Banque, ainsi que les autorités de liquidation et les autorités de contrôle de ces États membres, s’efforcent de coordonner leur action. TITRE III Des procédures de liquidation non fondées sur l’insolvabilité concernant des entreprises d’assurance relevant du droit de pays tiers Art. 625 Lorsqu’une entreprise relevant du droit de pays tiers fait l’objet d’une radiation, d’une révocation d’agré- ment ou renonce à l’agrément pour l’ensemble de ses opérations en Belgique, la Banque peut nommer un liquidateur chargé de réaliser tous les actifs de l’entre- prise en Belgique et de liquider tous les engagements contractés en Belgique. Sans préjudice de l’article 599, le Roi détermine, sur avis de la Banque, les pouvoirs et obligations d’un tel liquidateur. Les frais de la liquidation sont à charge de l’entreprise concernée. Les dispositions du présent article ne sont pas appli- cables lorsque l’entreprise d’assurance relevant du droit d’un pays tiers fait l’objet d’une procédure de liquidation fondée sur l’insolvabilité dans cet État au moment de la révocation de l’agrément. 1124 1584/002 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 Art. 626 § 1. Een beslissing tot vereffening die niet op insol- ventie berust, van een verzekeringsonderneming die onder het recht van een derde land ressorteert, kan maar erkend worden en uitvoerbaar worden verklaard in België indien de volgende voorwaarden vervuld zijn; 1° het recht van het derde land dat de liquidatiepro- cedure regelt, garandeert dat de schuldeisers uit hoofde van verzekering die hun overeenkomst bij het Belgische bijkantoor hebben gesloten, gelijkwaardig worden be- handeld als de schuldeisers uit hoofde van verzekering die hun overeenkomst bij de verzekeringsonderneming in het derde land hebben gesloten; 2° het recht dat de liquidatieprocedure regelt in het derde land, kent aan de schuldeisers uit hoofde van ver- zekering die hun overeenkomst bij het Belgische bijkan- toor hebben gesloten, een gelijkwaardige bescherming toe als deze waarin de artikelen 643 en 644 voorzien. § 2. Artikel 625 is niet van toepassing wanneer een liquidatieprocedure die niet berust op insolvabiliteit van een verzekeringsonderneming die onder het recht van een derde land ressorteert, in België wordt erkend en uitvoerbaar wordt verklaard overeenkomstig paragraaf 1. Art. 627 Wanneer een verzekeringsonderneming die onder het recht van een derde land ressorteert, bijkantoren heeft in België en in andere lidstaten, beijveren de Bank, de liquidatieautoriteiten en de toezichthouders van die lidstaten zich om hun optreden te coördineren. Ook de eventuele liquidateurs beijveren zich om hun optreden te coördineren. TITEL IV Vereffening van bijzondere vermogens Art. 628 § 1. Onverminderd artikel 631 en artikel 195, tweede lid, wordt de behandeling van activa als bedoeld in ar- tikel 194 dat die bezwaard zijn met een zakelijk recht, bepaald door de Belgische wet als lex fori concursus. § 2. Onverminderd artikel 632 wordt de behandeling van activa als bedoeld in artikel 194 waarop een eigen- domsvoorbehoud rust, bepaald door de Belgische wet als lex fori concursus. Art. 626 § 1er. Une décision de liquidation non fondée sur l’insolvabilité d’une entreprise d’assurance relevant du droit de pays tiers ne peut être reconnue et rendue exécutoire en Belgique que si les conditions suivantes sont satisfaites: 1° le droit du pays tiers régissant la procédure de liquidation assure aux créanciers d’assurance ayant conclu leur contrat auprès de la succursale belge, un traitement qui est équivalent à celui des créanciers d’assurance ayant conclu leur contrat auprès de l’entre- prise d’assurance dans le pays tiers; 2° le droit régissant la procédure de liquidation dans le pays tiers octroie aux créanciers d’assurance ayant conclu leur contrat auprès de la succursale belge une protection similaire à celle prévue aux articles 643 et 644. § 2. L’article 625 n’est pas d’application lorsqu’une procédure de liquidation non fondée sur l’insolvabilité d’une entreprise d’assurance relevant du droit de pays tiers est reconnue et rendue exécutoire en Belgique conformément au paragraphe 1er. Art. 627 Lorsqu’une entreprise d’assurance relevant du droit de pays tiers possède des succursales en Belgique et dans d’autres États membres, la Banque, ainsi que les autorités de liquidation et les autorités de contrôle de ces États membres, s’efforcent de coordonner leur action. Les éventuels liquidateurs s’efforcent eux aussi de coordonner leur action. TITRE IV De la liquidation des patrimoines spéciaux Art. 628 § 1er. Sans préjudice de l’article 631 et de l’article 195, alinéa 2, le sort d’un actif visé à l’article 194 faisant l’objet d’un droit réel est déterminé conformément à la loi belge au titre de lex fori concursus. § 2. Sans préjudice de l’article 632, le sort d’un actif visé à l’article 194 faisant l’objet d’une clause de réserve de propriété est déterminé conformément à la loi belge au titre de lex fori concursus. 1125 1584/002 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 § 3. Onverminderd artikel 633 en de verplichting voor een verzekeringsonderneming om voor de waardering van haar activa als bedoeld in artikel 194, de schuld- vorderingen op een derde te ramen na aftrek van de schulden jegens die derde, wordt de behandeling van dergelijke activa die het voorwerp uitmaken van een wettelijke of contractuele schuldvergelijking, bepaald door de Belgische wet als lex fori concursus. §  4. Voor de toepassing van dit artikel omvat de Belgische wet haar bepalingen inzake materieel recht die voortvloeien uit de omzetting van de Europese richtlijnen die de in de paragrafen 1 tot 3 bedoelde aangelegenheden regelen. Art. 629 De samenstelling van de activa die op het tijdstip van de beslissing tot opening van een liquidatieprocedure zijn ingeschreven in de doorlopende inventaris overeen- komstig artikel 195, wordt daarna niet meer veranderd; in de doorlopende inventaris worden geen wijzigingen aangebracht, behalve voor de verbetering van zuiver materiële fouten, tenzij de liquidatieautoriteiten daarvoor toestemming geven. Onverminderd het eerste lid voegt de liquidateur aan de genoemde activa de kapitaalopbrengst er- van toe, alsmede het bedrag van het premie-incasso (zuivere premies) in het betrokken afzonderlijk beheer voor de periode tussen het tijdstip van opening van de liquidatieprocedure en het tijdstip van uitkering van de schuldvorderingen uit hoofde van verzekering, of tot het tijdstip van portefeuilleoverdracht. Indien de opbrengst van de te gelde gemaakte activa lager is dan het bedrag waarvoor zij in de doorlopende inventaris gewaardeerd zijn, dient de liquidateur die situatie te rechtvaardigen bij de Bank. § 3. Sans préjudice de l’article 633 et de l’obligation pour une entreprise d’assurance d’évaluer les créances sur un tiers déduction faite des dettes envers ce tiers pour la valorisation de ses actifs visés à l’article 194, le sort d’un tel actif faisant l’objet d’une compensation légale ou conventionnelle est déterminé conformément à la loi belge au titre de lex fori concursus. § 4. Pour les besoins du présent article, la loi belge inclut ses dispositions de droit matériel découlant de la transposition de directives européennes régissant les matières visées aux paragraphes 1er à 3. Art. 629 La composition des actifs inscrits dans l’inventaire permanent conformément à l’article 195, au moment de la décision d’ouvrir la procédure de liquidation, ne peut plus, dès ce moment, être modifiée; aucune modification ne peut être apportée à l’inventaire permanent, excep- tion faite de la correction d’erreurs purement matérielles, sauf autorisation des autorités de liquidation. Nonobstant l’alinéa 1er, le liquidateur ajoute auxdits actifs leur produit financier, ainsi que le montant des primes (primes pures) encaissées dans la gestion distincte concernée pour la période comprise entre l’ouverture de la procédure de liquidation et le paiement des créances d’assurances ou jusqu’au transfert de portefeuille. Si le produit de la réalisation des actifs est inférieur à leur évaluation telle qu’elle figure dans l’inventaire permanent, le liquidateur est tenu d’en donner la justi- fication à la Banque. 1126 1584/002 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 TITEL V Gemeenschappelijke regels betreffende saneringsmaatregelen en liquidatieprocedures HOOFDSTUK I Uitzonderingen op en nuanceringen van de toepassing van het Belgische recht als procedurerecht Art. 630 In afwijking van de artikelen 610 en 621 worden de gevolgen van een saneringsmaatregel of een liquida- tieprocedure voor: 1° arbeidsovereenkomsten en arbeids-betrekkingen, uitsluitend beheerst door het recht van de lidstaat dat op de arbeidsovereenkomst of -betrekking van toepas- sing is; 2° overeenkomsten die recht geven op het genot of de verkrijging van een onroerend goed, uitsluitend be- heerst door het recht van de lidstaat op het grondgebied waarvan het onroerend goed gelegen is. Die wet geving bepaalt of het goed roerend of onroerend is; 3° de rechten van de verzekeringsonderneming op een onroerend goed, een schip of een luchtvaartuig die onderworpen zijn aan inschrijving in een openbaar register, beheerst door het recht van de lidstaat onder het gezag waarvan het register wordt bijgehouden; 4°  transacties op een buitenlandse gereglemen- teerde markt in de zin van artikel 2, 6° van de wet van 2 augustus 2002 betreffende het toezicht op de financi- ele sector en de financiële diensten, uitsluitend beheerst door het recht dat op die markt van toepassing is; 5° aanhangige rechtsgedingen betreffende een goed of recht waarover de verzekeringsonderneming het beheer en de beschikking heeft verloren, uitsluitend beheerst door het recht van de lidstaat waar het rechts- geding aanhangig is. Op advies van de Bank kan de Koning de in het eerste lid, 4° bedoelde regel uitbreiden tot transacties op markten voor financiële instrumenten die georgani- seerd zijn met toepassing van artikel 15 van de wet van 2 augustus 2002. TITRE V Des règles communes aux mesures d’assainissement et aux procédures de liquidation CHAPITRE IER Exceptions et tempéraments à l’application de la loi belge comme loi de la procédure Art. 630 Par dérogation aux articles 610 et 621, les effets d’une mesure d’assainissement ou d’une procédure de liquidation sur: 1° les contrats de travail et les relations de travail sont exclusivement régis par la loi de l’État membre applicable au contrat ou à la relation de travail; 2° le contrat donnant le droit de jouir d’un bien immo- bilier ou de l’acquérir est exclusivement régi par la loi de l’État membre sur le territoire duquel cet immeuble est situé. Cette loi détermine si le bien est meuble ou immeuble; 3° les droits de l’entreprise d’assurance sur un bien immobilier, un navire ou un aéronef, qui sont soumis à inscription dans un registre public, sont régis par la loi de l’État membre sous l’autorité duquel le registre est tenu; 4° les transactions effectuées dans le cadre d’un marché réglementé étranger au sens de l’article 2, 6°, de la loi du 2 août 2002 relative à la surveillance du secteur financier et aux services financiers sont régis exclusivement par la loi applicable audit marché; 5° une instance en cours concernant un actif ou un droit dont l’entreprise d’assurance est dessaisie sont régis exclusivement par le droit de l’État membre dans lequel l’instance est en cours. Le Roi peut, sur avis de la Banque, étendre la règle visée au l’alinéa 1er, 4°, à des transactions effectuées sur des marchés d’instruments financiers organisés en application de l’article 15 de la loi du 2 août 2002. 1127 1584/002 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 Art. 631 § 1. Het treffen van saneringsmaatregelen of de opening van een faillissementsprocedure raakt niet aan het zakelijk recht van een schuldeiser of van een derde op materiële of immateriële, roerende of onroerende goederen – zowel bepaalde goederen als gehelen van onbepaalde goederen met wisselende samenstelling – die toebehoren aan de verzekeringsonderneming en die zich op het tijdstip waarop deze maatregelen worden getroffen of deze procedure wordt geopend, op het grondgebied van een andere lidstaat bevinden. § 2. Onder “rechten” in de zin van paragraaf 1 wordt met name verstaan: 1° het recht een goed te gelde te maken of te gelde te laten maken en te worden voldaan uit de opbrengst van of de inkomsten uit dat goed, in het bijzonder op grond van een pand of een hypotheek; 2° het exclusieve recht een schuldvordering te innen, met name door middel van een pandrecht op de schuld- vordering of door de cessie van die schuldvordering tot zekerheid; 3° het recht om het goed terug te eisen en/of de te- ruggave ervan te verlangen van eenieder die het tegen de wil van de rechthebbende in bezit of in gebruik heeft; 4° het zakelijke recht om van een goed de vruchten te trekken. § 3. Met een zakelijk recht wordt gelijkgesteld, het in een openbaar register ingeschreven recht tot verkrijging van een zakelijk recht in de zin van paragraaf 1, dat aan derden kan worden tegengeworpen. Art. 632 Het treffen van saneringsmaatregelen of de opening van een faillissementsprocedure tegen een verzeke- ringsonderneming die een goed koopt, laat de op een eigendomsvoorbehoud berustende rechten van de verkoper onverlet wanneer dat goed zich, op het tijdstip waarop de maatregelen worden getroffen of de proce- dure wordt geopend, bevindt op het grondgebied van een andere lidstaat dan de lidstaat waar de maatregelen worden getroffen of de procedure wordt geopend. Het treffen van saneringsmaatregelen of de opening van een faillissementsprocedure tegen een verzeke- ringsonderneming die de hoedanigheid van verkoper heeft, nadat de levering van het verkochte goed heeft plaatsgevonden, is geen grond voor ontbinding of Art. 631 § 1er. La mise en œuvre d’une mesure d’assainisse- ment ou l’ouverture d’une procédure de faillite n’affecte pas le droit réel d’un créancier ou d’un tiers sur des biens corporels ou incorporels, meubles ou immeubles – à la fois des biens déterminés et des ensembles de biens indéterminés dont la composition est sujette à modification – appartenant à l’entreprise d’assurance et qui se trouvent, au moment de la mise en œuvre de telles mesures ou de l’ouverture d’une procédure, sur le territoire d’un autre État membre. §  2. Les droits visés au paragraphe 1er sont notamment: 1° le droit de réaliser ou de faire réaliser le bien et d’être désintéressé par le produit ou les revenus de ce bien, en particulier en vertu d’un gage ou d’une hypothèque; 2° le droit exclusif de recouvrer une créance, notam- ment en vertu de la mise en gage ou de la cession de cette créance à titre de garantie; 3° le droit de revendiquer le bien et/ou d’en réclamer la restitution entre les mains de quiconque le détient ou en jouit contre la volonté de l’ayant droit; 4° le droit réel de percevoir les fruits d’un bien. § 3. Est assimilé à un droit réel le droit, inscrit dans un registre public et opposable aux tiers, permettant d’obtenir un droit réel au sens du paragraphe 1er. Art. 632 La mise en œuvre d’une mesure d’assainissement ou l’ouverture d’une procédure de faillite à l’encontre d’une entreprise d’assurance achetant un bien n’affecte pas les droits du vendeur fondés sur une réserve de pro- priété lorsque ce bien se trouve, au moment de la mise en œuvre de telles mesures ou de l’ouverture d’une telle procédure, sur le territoire d’un État membre autre que l’État dans lequel de telles mesures sont mises en œuvre ou dans lequel une telle procédure est ouverte. La mise en œuvre d’une mesure d’assainissement ou l’ouverture d’une procédure de faillite à l’encontre d’une entreprise d’assurance ayant la qualité de vendeur, après la livraison du bien faisant l’objet de la vente, ne constitue pas une cause de résolution ou de résiliation 1128 1584/002 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 opzegging van de verkoop en belet de koper niet de eigendom van het gekochte goed te verkrijgen wanneer dit goed zich, op het tijdstip waarop de maatregelen worden getroffen of de procedure wordt geopend, be- vindt op het grondgebied van een andere lidstaat dan de lidstaat waar de maatregelen worden getroffen of de procedure wordt geopend. Art. 633 Het treffen van saneringsmaatregelen of de opening van een faillissementsprocedure laat het recht van een schuldeiser op schuldvergelijking van zijn vordering met de vordering van de verzekeringsonderneming onverlet wanneer die schuldvergelijking is toegestaan door het recht dat op de vordering van de verzekeringsonderne- ming van toepassing is. Art. 634 Onverminderd artikel 630, eerste lid, 1° tot 3°, en on- der voorbehoud van artikel 635, doen de artikelen 631, § 1, 632 en 633 geen afbreuk aan de toepassing van de artikelen 17  tot 20  van de faillissementswet van 8 augustus 1997. Artikel  1167  van het Burgerlijk Wetboek en de artikelen  17  tot 20  van de faillissementswet van 8 augustus 1997 zijn niet van toepassing wanneer de begunstigde van een rechtshandeling als bedoeld in de genoemde bepalingen, het bewijs levert dat de rechts- handeling onderworpen is aan het recht van een lidstaat dat niet het Belgische recht is en dat dit recht in casu niet voorziet in de mogelijkheid om die rechtshandeling te betwisten. Art. 635 In afwijking van artikel 517, § 1, 1° en 4° en arti- kel 16 van de faillissementswet van 8 augustus 1997, en niettegenstaande de artikelen 17 tot 20 van laatst- genoemde wet, indien de verzekerings onderneming na het treffen van een saneringsmaatregel of na de opening van een faillissementsprocedure, onder bezwarende titel beschikt over een onroerend goed, een schip of een luchtvaartuig dat onderworpen is aan inschrijving in een openbaar register, dan wel over financiële instrumenten waarvan het bestaan of de overdracht een inschrijving veronderstelt in een wettelijk voorgeschreven register of op een wettelijk voorgeschreven rekening, of die geplaatst zijn in een gecentraliseerd effectendepot dat door het recht van een lidstaat wordt beheerst, wordt de la vente et ne fait pas obstacle à l’acquisition par l’acheteur de la propriété du bien vendu, lorsque ce bien se trouve au moment de la mise en œuvre de telles mesures ou de l’ouverture d’une telle procédure sur le territoire d’un État membre autre que l’État dans lequel de telles mesures sont mises en œuvre ou dans lequel une telle procédure est ouverte. Art. 633 La mise en œuvre d’une mesure d’assainissement ou l’ouverture d’une procédure de faillite n’affecte pas le droit d’un créancier d’invoquer la compensation de sa créance avec la créance de l’entreprise d’assurance, lorsque cette compensation est permise par la loi appli- cable à la créance de l’entreprise d’assurance. Art. 634 Sans préjudice de l’article 630, alinéa 1er, 1° à 3°, et sous réserve de l’article 635, les articles 631, § 1er, 632 et 633 ne font pas obstacle à l’application des articles 17 à 20 de la loi du 8 août 1997 sur les faillites. L’article 1167 du Code civil et les articles 17 à 20 de la loi du 8 août 1997 sur les faillites ne sont pas appli- cables lorsque le bénéficiaire d’un acte visé auxdites dispositions apporte la preuve que l’acte est soumis à la loi d’un État membre autre que la loi belge et que cette loi ne prévoit, en l’espèce, aucun moyen de remettre en cause cet acte. Art. 635 Par dérogation à l’article 517, § 1er, 1° et 4° et à l’article 16 de la loi du 8 août 1997 sur les faillites, et nonobstant les articles 17 à 20 de cette dernière loi, si l’entreprise d’assurance dispose à titre onéreux, après l’adoption d’une mesure d’assainissement ou l’ouverture d’une procédure de faillite, d’un bien immobilier, d’un navire ou d’un aéronef soumis à inscription dans un registre public ou d’instruments financiers dont l’existence ou le transfert suppose une inscription dans un registre léga- lement prescrit ou sur un compte légalement prescrit ou qui sont placés dans un système de dépôts centralisé régi par la loi d’un État membre, la nullité ou l’inoppo- sabilité de cet acte est appréciée au regard de la loi de l’État membre sur le territoire duquel le bien immobilier 1129 1584/002 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 de nietigheid of de niet-tegen werpbaarheid van deze handeling beoordeeld op grond van het recht van de lidstaat op het grondgebied waarvan dat onroerend goed gelegen is of onder het gezag waarvan dat register, die rekening of dat effectendepot wordt bijgehouden. HOOFDSTUK II Informatieverstrekking Art. 636 Onverminderd de artikelen 610 en 615, wanneer de toezichthouders van de lidstaat van herkomst van een verzekerings onderneming de Bank in kennis stellen van hun beslissing tot opening van een liquidatie procedure of tot vaststelling van een sanerings maatregel, stelt de Bank de FSMA hiervan in kennis. De Bank en de FSMA kunnen een bericht laten publiceren in het Belgisch Staatsblad en in twee dagbladen of periodieke uitgaven met regionale spreiding. Dat bericht bevat minstens een uittreksel uit die beslissing en vermeldt de autoriteiten die bevoegd zijn om een saneringsmaatregel te treffen of een liquidatie- procedure te openen, het recht dat deze maatregelen of procedures beheerst en, naargelang het geval, de aangewezen liquidateur of saneringscommissaris, en wordt bekendgemaakt in minstens één van de officiële talen in België. HOOFDSTUK III Saneringscommissarissen en liquidateurs Afdeling I Erkenning van buitenlandse maatregelen en procedures Art. 637 De benoeming van een saneringscommissaris of van een liquidateur door een autoriteit van een andere lidstaat, wordt aangetoond met een voor eensluidend gewaarmerkt afschrift van de beslissing tot benoeming of van ieder ander door die autoriteit opgesteld attest. Hoewel er geen legalisatie of soortgelijke formaliteit wordt verlangd, dient niettemin een vertaling te worden gemaakt van het in het eerste lid bedoelde document, in de taal of een van de talen van het taalgebied waar de saneringscommissaris of de liquidateur wil optreden. est situé, ou sous l’autorité duquel ce registre, ce compte ou ce système de dépôt est tenu. CHAPITRE II Information Art. 636 Sans préjudice des articles 610 et 615, lorsque les autorités de contrôle de l’État membre d’origine d’une entreprise d’assurance informent la Banque de la déci- sion d’ouvrir une procédure de liquidation ou d’adopter une mesure d’assainissement, la Banque en informe la FSMA. La Banque et la FSMA peuvent faire publier un avis au Moniteur belge et dans deux quotidiens ou périodiques à diffusion régionale. Cet avis contient au moins un extrait de cette décision et mentionne les autorités compétentes pour adopter une mesure d’assainissement ou ouvrir une procédure de liquidation, la loi régissant ces mesures ou procé- dures et, selon le cas, le liquidateur ou le commissaire à l’assainissement désigné, et est publié au moins dans une des langues officielles en Belgique. CHAPITRE III Commissaires à l’assainissement et liquidateurs Section Ire Réception des mesures et procédures étrangères Art. 637 La nomination d’un commissaire à l’assainissement ou d’un liquidateur par une autorité d’un autre État membre est établie par la présentation d’une copie cer- tifiée conforme à l’original de la décision qui le nomme ou par toute autre attestation établie par cette autorité. Sans qu’aucune légalisation ou formalité analogue ne soit exigée, il sera néanmoins établi une traduction du document visé à l’alinéa 1er dans la langue ou une des langues de la région linguistique sur le territoire de laquelle le commissaire à l’assainissement ou le liquidateur veut agir. 1130 1584/002 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 Art. 638 § 1. De saneringscommissarissen en de liquidateurs die aangesteld zijn door een autoriteit van een andere lidstaat kunnen in België alle bevoegdheden uitoefenen die zij gemachtigd zijn uit te oefenen op het grondgebied van die andere lidstaat. Hetzelfde geldt voor de personen die zij aanwijzen, overeenkomstig het recht van die lidstaat, om hen bij te staan of te vertegenwoordigen bij de afwikkeling van een saneringsmaatregel of een liquidatieprocedure. § 2. Bij de uitoefening van hun bevoegdheden in België leven de in paragraaf 1 bedoelde saneringscom- missarissen en liquidateurs de Belgische wetgeving na, meer bepaald wat betreft de wijze waarop goederen te gelde worden gemaakt en het informeren van de werknemers. Deze bevoegdheden mogen noch de aanwending van dwangmiddelen behelzen, noch het recht om uitspraak te doen in gedingen of geschillen. § 3. De in paragraaf 1 bedoelde saneringscommis- sarissen en liquidateurs stellen de Kruispuntbank als bedoeld in artikel 3 van de wet van 16 januari 2003 tot oprichting van een Kruispuntbank van Ondernemingen, tot modernisering van het handelsregister, tot oprich- ting van erkende ondernemingsloketten en houdende diverse bepalingen, in kennis van de saneringsmaat- regelen en de liquidatieprocedures waartoe is beslist door een autoriteit van een andere lidstaat, opdat ze worden ingeschreven. Afdeling II Belgische saneringscommissarissen en liquidateurs Art. 639 De curator of curators die aangesteld is of zijn over- eenkomstig artikel 11  van de faillisse ments wet van 8 augustus 1997 nemen alle nodige maatregelen om de inschrijving van een liquidatieprocedure in een openbaar register van een andere lidstaat die krachtens de wetge- ving van die lidstaat verplicht gesteld is, te waarborgen. De kosten die voortvloeien uit een inschrijving in een openbaar register van een andere lidstaat worden beschouwd als kosten met betrekking tot de procedure, ongeacht of de inschrijving verplicht is of geschiedt op initiatief van de in het eerste lid bedoelde personen. Art. 638 § 1er. Les commissaires à l’assainissement et les liquidateurs désignés par une autorité d’un autre État membre peuvent exercer en Belgique tous les pouvoirs qu’ils sont habilités à exercer sur le territoire de cet autre État. Il en va de même en ce qui concerne les personnes qu’ils auraient désignées, conformé ment à la loi de cet État, en vue de les assister ou de les représenter dans le déroulement d’une mesure d’assainissement ou d’une procédure de liquidation. § 2. Dans l’exercice de leurs pouvoirs en Belgique, les commissaires à l’assainissement et les liquidateurs visés au paragraphe 1er respectent la législation belge, en particulier en ce qui concerne les modalités de réa- lisation de biens ainsi que l’information des travailleurs. Leurs pouvoirs ne peuvent inclure le recours à la force ni le droit de statuer sur un litige ou un différend. §  3.  Les commissaires à l’assainissement et les liquidateurs visés au paragraphe  1er communiquent à la Banque-Carrefour visée à l’article 3  de la loi du 16  janvier  2003  portant création d’une Banque- Carrefour des Entreprises, modernisation du registre de commerce, création de guichet-entreprises agréés et portant diverses dispositions, les mesures d’assai- nissement et les procédures de liquidation décidées par une autorité d’un autre État membre en vue de leur inscription. Section II Commissaires à l’assainissement et liquidateurs belges Art. 639 Le ou les curateurs désignés conformément à l’article 11 de la loi du 8 août 1997 sur les faillites prennent toutes les mesures nécessaires en vue d’assurer une inscription d’une procédure de liquidation dans un registre public d’un autre État membre lorsque cette inscription est rendue obligatoire en vertu de la légis- lation de cet État. Les frais découlant d’une inscription dans un registre public d’un autre État membre sont considérés comme des frais de la procédure, que l’inscription soit obliga- toire ou qu’elle résulte de l’initiative des personnes visées à l’alinéa 1er. 1131 1584/002 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 BOEK VII MATERIEELRECHTELIJKE ASPECTEN VAN LIQUIDATIEPROCEDURES TITEL I Bijzondere regels in geval van een faillissementsprocedure Art. 640 § 1. Behalve wanneer er een dagvaarding wordt verricht met toepassing van artikel 549, eerste lid, kan de opening van een faillissementsprocedure of een voorlopige ontneming van beheer in de zin van artikel 8 van de faillissementswet van 8 augustus 1997 tegen een verzekerings- of herverzekeringsonderneming enkel worden uitgesproken na eensluidend advies van de Bank. § 2. Het verzoek om advies wordt schriftelijk aan de Bank gericht. Bij dit verzoek worden de nodige docu- menten ter informatie gevoegd. De Bank brengt haar advies uit binnen vijftien dagen na de ontvangst van het verzoek om advies. Ingeval een procedure betrekking heeft op een verzekerings- of her- verzekeringsonderneming waarvan de Bank vermoedt dat er zich belangrijke verwikkelingen kunnen voordoen op het vlak van het systeemrisico of waarvoor een voorafgaande coördinatie met buitenlandse autoriteiten vereist is, beschikt de Bank over een ruimere termijn om haar advies uit te brengen, met dien verstande dat de totale termijn niet meer dan dertig dagen mag bedra- gen. Indien de Bank van oordeel is dat zij gebruik moet maken van deze uitzonderlijke termijn, brengt zij dit ter kennis van de rechterlijke instantie die een uitspraak moet doen. De termijn waarover de Bank beschikt om een advies uit te brengen, schorst de termijn waarbin- nen de rechterlijke instantie uitspraak moet doen. Indien de Bank geen advies verstrekt binnen de vastgestelde termijn, kan de rechtbank uitspraak doen. De Bank verstrekt haar advies schriftelijk. Het wordt door ongeacht welk middel bezorgd aan de griffier, die het doorgeeft aan de voorzitter van de rechtbank van koophandel en aan de procureur des Konings. Het advies wordt toegevoegd aan het dossier. Art. 641 De curator of curators bedoeld in artikel 27 van de faillissementswet van 8  augustus  1997, evenals de LIVRE VII DES ASPECTS DE DROIT MATÉRIEL DES PROCÉDURES DE LIQUIDATION TITRE IER Des règles particulières en cas de procédure de faillite Art. 640 § 1er. Sauf en ce qui concerne les cas de citation effectuée en application de l’article  549, alinéa  1er, l’ouverture d’une procédure de faillite ou un dessai- sissement provisoire au sens de l’article 8 de la loi du 8 août 1997 sur les faillites à l’encontre d’une entreprise d’assurance ou de réassurance ne peut être prononcé que sur avis conforme de la Banque. § 2. La saisine de la Banque est écrite. Elle est ac- compagnée des pièces nécessaires à son information. La Banque rend son avis dans un délai de quinze jours à compter de la réception de la demande d’avis. La Banque peut, dans le cas d’une procédure relative à une entreprise d’assurance ou de réassurance susceptible de présenter, selon son appréciation, des implications systémiques importantes ou qui nécessite au préalable une coordination avec des autorités étrangères, rendre son avis dans un délai plus long, sans toutefois que le délai total ne puisse excéder trente jours. Lorsqu’elle estime devoir faire usage de ce délai exceptionnel, la Banque le notifie à la juridiction appelée à statuer. Le délai dont dispose la Banque pour rendre son avis suspend le délai dans lequel la juridiction doit statuer. En l’absence de réponse de la Banque dans le délai imparti, le tribunal peut statuer. L’avis de la Banque est écrit. Il est transmis par tout moyen au greffier, qui le remet au président du tribunal de commerce et au procureur du Roi. L’avis est versé au dossier. Art. 641 Le ou les curateurs visés à l’article 27 de la loi du 8 août 1997 sur les faillites, ainsi que les personnes 1132 1584/002 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 personen die als curator zijn toegevoegd met toepas- sing van het voornoemde artikel 27, vierde lid, worden aangewezen op advies van de Bank. TITEL II Bijzondere regels in geval van een liquidatieprocedure in de zin van artikel 183 van het Wetboek van Vennootschappen Art. 642 § 1. Behalve in geval van ontbinding van rechtswege met toepassing van artikel 542, is voor de ontbinding van een verzekerings- of herverzekeringsonderneming, ongeacht of deze vrijwillig of gerechtelijk geschiedt en de daaropvolgende vereffening in de zin van het Wetboek van Vennootschappen, het eensluidend advies van de Bank vereist. Alvorens uitspraak te doen over een in het Wetboek van Vennootschappen vastgelegde grond tot gerech- telijke ontbinding van een verzekerings- of herverzeke- ringsonderneming, richt de rechtbank van koophandel een verzoek om advies aan de Bank volgens de proce- dure van artikel 640, § 2. §  2. Bij vrijwillige of gerechtelijke ontbinding of ontbinding met toepassing van artikel 542  van de verzekerings- of herverzekeringsonderneming, kan de liquidateur, die aangewezen wordt overeenkomstig de statutaire of wettelijke regels, slechts worden benoemd met goedkeuring van de Bank. Onverminderd de wettelijke bepalingen die van toepassing zijn op de handels vennootschappen en onverminderd artikel 545, bepaalt de Koning op advies van de Bank de bevoegdheden en verplichtingen van de liquidateur, in het bijzonder wat de vereffening betreft van de schuldvorderingen uit hoofde van verzekering. De liquidateur moet in elk geval voldoen aan verzoe- ken om informatie van de Bank en moet de Bank ook uit eigen beweging inlichten over het verloop van zijn opdracht. § 3. De Bank stelt de toezichthouders van alle an- dere lidstaten en, indien het om een verzekeringson- derneming gaat, de FSMA, onverwijld in kennis van elke ontbinding, alsmede van de mogelijke concrete gevolgen ervan. adjointes en application dudit article 27, alinéa 4, sont désignés sur avis de la Banque. TITRE II Des règles particulières en cas de procédure de liquidation au sens de l’article 183 du Code des sociétés Art. 642 § 1er. Sauf en ce qui concerne les dissolutions de plein droit en application de l’article 542, toutes dissolu- tions d’une entreprise d’assurance ou de réassurance, qu’elles soient volontaires ou judicaires, et la liquidation au sens du Code des sociétés qui s’ensuit, requièrent l’avis conforme de la Banque. Avant qu’il ne soit statué sur une cause de dissolution judiciaire prévue par le Code des sociétés à l’égard d’une entreprise d’assurance ou de réassurance, le tribunal de commerce saisit la Banque d’une demande d’avis selon la procédure prévue à l’article 640, § 2. § 2. En cas de dissolution volontaire ou judiciaire ou de dissolution en application de l’article 542 de l’entre- prise d’assurance ou de réassurance, le liquidateur, qui est désigné conformément aux règles statutaires ou légales, ne peut être nommé qu’avec l’approbation de la Banque. Sans préjudice des dispositions légales applicables aux sociétés commerciales et de l’article 545, le Roi détermine, sur avis de la Banque les pouvoirs et les obligations du liquidateur, spécialement en ce qui concerne la liquidation des créances d’assurance. En tout état de cause, le liquidateur est tenu de répondre aux demandes d’information que lui adresse la Banque et doit, en outre, informer d’initiative la Banque de l’évo- lution de sa mission. § 3. La Banque informe sans délai les autorités de contrôle de tous les autres États membres et, s’agis- sant d’une entreprise d’assurance, la FSMA, de toute dissolution ainsi que de ses effets concrets possibles. 1133 1584/002 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 TITEL III Gemeenschappelijke bepalingen betreffende de verschillende liquidatieprocedures en andere gevallen van samenloop Art. 643 De gezamenlijke activa als bedoeld in artikel 194 vor- men per afzonderlijk beheer als bedoeld in artikel 230 een bijzonder vermogen dat is voorbehouden ter nakoming van de verbintenissen tegenover de verzeke- ringnemers, verzekerden of verzekeringsbegunstigden die onder dat beheer vallen, bij absolute voorrang ten opzichte van alle andere schuldvorderingen op de verzekeringsonderneming Het bijzonder vermogen van elk afzonderlijk beheer bestaat uit de inhoud van de bij artikel 195 voorgeschre- ven doorlopende inventaris. Art. 644 Elke vereffening van bijzondere vermogens moet rekening houden met de rechten van de schuldeisers uit hoofde van verzekering, met de in het tweede lid bedoelde schuldeisers en met de gelijkheid van alle schuldeisers van eenzelfde rang. In afwijking van artikel 643, eerste lid, mag de liqui- dateur op ieder bijzonder vermogen voorafneming doen van zijn bezoldiging en die van zijn personeel en van alle andere vereffeningskosten, voor zover deze kosten de vereffening van dit vermogen ten goede komen. Indien er na de vereffening van een bijzonder vermo- gen een positief saldo overblijft, wordt dit saldo verdeeld over de andere bijzondere vermogens naar rato van de tekorten van die bijzondere vermogens. Indien er na de vereffening van alle bijzondere ver- mogens nog een beschikbaar saldo overblijft, wordt dit toegewezen aan de massa van de schuldeisers. Indien de bijzondere vermogens ontoereikend zijn om de schuldeisers uit hoofde van verzekering volledig schadeloos te stellen, behouden dezen voor het overige een bevoorrechte schuldvordering op de onderneming. Dit voorrecht is algemeen; de bijzondere voorrechten en de algemene voorrechten van werknemers, van de Schatkist en van socialezekerheidsinstellingen en soci- ale verzekeraars, evenals de uitoefening van zakelijke rechten gaan erboven. TITRE III Dispositions communes aux différentes procédures de liquidation et autres situations de concours Art. 643 L’ensemble des actifs visés à l’article 194 forme, par gestions distinctes visées à l’article 230, un patrimoine spécial réservé à l’exécution des engagements envers les preneurs d’assurance, assurés ou bénéficiaires d’assurances relevant de cette gestion, par priorité absolue par rapport à toutes autres créances sur l’entre- prise d’assurance. Le patrimoine spécial de chaque gestion distincte est constitué par le contenu de l’inventaire permanent prescrit par l’article 195. Art. 644 Toute liquidation de patrimoines spéciaux doit être faite en tenant compte des droits des créanciers déte- nant une créance d’assurance et des créanciers visés à l’alinéa 2 en respectant l’égalité entre tous les créan- ciers de même rang. Par dérogation à l’article 643, alinéa 1er, le liquida- teur peut prélever sur chaque patrimoine spécial sa rémunération, celle de son personnel et tous les autres frais de liquidation dans la mesure où ils ont profité à la liquidation de ce patrimoine. Si la liquidation d’un patrimoine spécial laisse un solde positif, ce solde est partagé entre les autres patrimoines spéciaux, au prorata des déficits de ces patrimoines spéciaux. Si après la liquidation de tous les patrimoines spé- ciaux, il subsiste encore un solde disponible, celui-ci est attribué à la masse des créanciers. En cas d’insuffisance des patrimoines spéciaux pour désintéresser totalement les créanciers détenant une créance d’assurance, ceux-ci conservent pour le surplus une créance privilégiée contre l’entreprise. Ce privilège est général; il est primé par les privilèges spéciaux ainsi que par les privilèges généraux des travailleurs salariés, du Trésor et des organismes et assureurs sociaux, ainsi que par l’exercice de droits réels. 1134 1584/002 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 BOEK VI SLOT-, WIJZIGINGS-, OVERGANGS- EN OPHEFFINGSBEPALINGEN TITEL I Overgangsbepalingen Art. 645 De verzekeringsondernemingen die op de datum van inwerkingtreding van deze wet zijn opgenomen in de lijst van de verzekeringsondernemingen als bedoeld in artikel 4 van de wet van 9 juli 1975 betreffende de controle der verzekeringsondernemingen, verkrijgen voor de toepassing van deze wet van rechtswege een vergunning in die hoedanigheid. De verzekeringsondernemingen die onder het recht van een lidstaat ressorteren en die opgenomen zijn in de lijsten bedoeld in artikel 66 van de wet van 9 juli 1975 be- treffende de controle der verzekeringsondernemingen, worden van rechtswege opgenomen, naargelang van het geval, in de lijst bedoeld in artikel 555 of 561. Art. 646 § 1. De verzekerings ondernemingen bedoeld in arti- kel 275 die hun activiteiten uitoefenden op de datum van inwerkingtreding van deze wet, worden voorlopig opge- nomen in de lijst bedoeld in artikel 275, § 2, vijfde lid. Deze ondernemingen beschikken over een termijn van vier maanden vanaf de inwerkingtreding van deze wet om aan de Bank de in artikel 275, § 2 bedoelde inschrijvings aanvraag te richten. § 2. De in artikel 276 bedoelde verzekeringsonder- nemingen beschikken over een termijn van een jaar te rekenen vanaf de inwerkingtreding van deze wet om te voldoen aan de bepalingen van de artikelen 276 tot 293. § 3. De lokale verzekeringsondernemingen bedoeld in artikel 294 die hun activiteiten uitoefenden op de datum van inwerkingtreding van deze wet, worden voorlopig opgenomen in de lijst bedoeld in artikel 296. Deze ondernemingen beschikken over een termijn van vier maanden vanaf de inwerkingtreding van deze wet om aan de Bank de in artikel 296 bedoelde inschrij- vingsaanvraag te richten. LIVRE VI DISPOSITIONS FINALES, MODIFICATIVES, TRANSITOIRES ET ABROGATOIRES TITRE IER Dispositions transitoires Art. 645 Les entreprises d’assurance inscrites, à la date d’entrée en vigueur de la présente loi, à la liste des entreprises d’assurances visée à l’article 4 de la loi du 9 juillet 1975 relative au contrôle des entreprises d’assu- rances sont de plein droit agréées, en cette qualité, pour l’application de la présente loi. Les entreprises d’assurance relevant du droit d’un État membre enregistrées sur les listes visés à l’article 66 de la loi du 9 juillet 1975 relative au contrôle des entre- prises d’assurances sont, de plein droit, enregistrées, selon les cas, sur la liste prévue à l’article 555 ou 561. Art. 646 § 1er. Les entreprises d’assurance visées à l’article 275 qui exerçaient leurs activités à la date d’entrée en vigueur de la présente loi sont provisoirement inscrites à la liste visée à l’article 275, § 2, alinéa 5. Ces entreprises bénéficient d’un délai de quatre mois à dater de l’entrée en vigueur de la présente loi pour adresser à la Banque la demande d’inscription visée à l’article 275, § 2. § 2. Les entreprises d’assurance visées à l’article 276 bénéficient d’un délai d’un an à dater de l’entrée en vigueur de la présente loi, pour se conformer aux dispositions des articles 276 à 293. §  3. Les entreprises locales d’assurance visées à l’article 294 qui exerçaient leurs activités à la date d’entrée en vigueur de la présente loi sont provisoire- ment inscrites à la liste visée à l’article 296. Ces entreprises bénéficient d’un délai de quatre mois à dater de l’entrée en vigueur de la présente loi pour adresser à la Banque la demande d’inscription visée à l’article 296. 1135 1584/002 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 Art. 647 § 1. De koninklijk besluiten, de reglementen van de Bank en alle andere handelingen van reglementaire aard die ter uitvoering van de wet van 9 juli 1975 betref- fende de controle der verzekeringsondernemingen zijn vastgesteld, blijven van toepassing in de mate dat de bepalingen van deze wet voorzien in de algemene of specifieke juridische machtigingen die nodig zijn voor deze reglementaire handelingen zijn en dat hun inhoud niet in strijd is met deze wet. § 2. De machtigingen en afwijkingen die door de Bank zijn verleend en alle handelingen met individu- ele draagwijdte die eerder zijn vastgesteld op grond van de wet van 9 juli 1975 betreffende de controle der verzekeringsondernemingen of van de reglementaire handelingen die ter uitvoering ervan zijn vastgesteld, blijven geldig, tenzij zij overeenkomstig deze wet worden herroepen of gewijzigd. Art. 648 De herverzekeringsondernemingen die op de datum van inwerkingtreding van deze wet zijn opgenomen in de lijst van de herverzekeringsondernemingen als be- doeld in artikel 11 van de wet van 16 februari 2009 op het herverzekeringsbedrijf, verkrijgen voor de toepas- sing van deze wet van rechtswege een vergunning in die hoedanigheid. Art. 649 De verzekeringsondernemingen die op de datum van inwerkingtreding van deze wet zijn opgenomen in de lijst van de verzekeringsondernemingen als bedoeld in artikel 4 van de wet van 9 juli 1975 betreffende de controle der verzekeringsondernemingen en die op die- zelfde datum een herverzekeringsactiviteit uitoefenden, verkrijgen voor de toepassing van deze wet van rechts- wege een vergunning als herverzekeringsonderneming. Art. 650 § 1. De koninklijke besluiten, de reglementen van de Bank en alle andere handelingen van reglementaire aard die ter uitvoering van de wet van 16 februari 2009 op het herverzekeringsbedrijf zijn vastgesteld, blijven van toepassing in de mate dat de bepalingen van deze wet voorzien in de algemene of specifieke juridische mach- tigingen die nodig zijn voor deze reglementaire hande- lingen en dat hun inhoud niet in strijd is met deze wet. Art. 647 § 1er. Les arrêtés royaux, les règlements de la Banque ainsi que tous autres actes de nature réglementaire adoptés en exécution de la loi du 9 juillet 1975 relative au contrôle des entreprises d’assurances demeurent applicables dans la mesure où les dispositions de la pré- sente loi prévoient les habilitations juridiques, générales ou spécifiques, nécessaires à ces actes réglementaires et que leur contenu n’est pas contraire à la présente loi. § 2. Les autorisations et dérogations données par la Banque ainsi que tous actes de portée individuelle adop- tés antérieurement sur base de la loi du 9 juillet 1975 re- lative au contrôle des entreprises d’assurances ou des actes réglementaires adoptés pour son exécution, restent en vigueur, sauf leur révocation ou modification décidée conformément à la présente loi. Art. 648 Les entreprises de réassurance inscrites, à la date d’entrée en vigueur de la présente loi, à la liste des entreprises de réassurances visée à l’article 11 de la loi du 16 février 2009 relative à la réassurance sont de plein droit agréées, en cette qualité, pour l’application de la présente loi. Art. 649 Les entreprises d’assurance inscrites, à la date d’entrée en vigueur de la présente loi, à la liste des entreprises d’assurances visée à l’article 4 de la loi du 9 juillet 1975 relative au contrôle des entreprises d’assurances et qui, à cette même date, exerçaient une activité de réassurance, sont de plein droit agréées en qualité d’entreprise de réassurance pour l’application de la présente loi. Art. 650 § 1er. Les arrêtés royaux, les règlements de la Banque ainsi que tous autres actes de nature réglementaire adoptés en exécution de la loi du 16 février 2009 rela- tive à la réassurance demeurent applicables dans la mesure où les dispositions de la présente loi prévoient les habilitations juridiques, générales ou spécifiques, nécessaires à ces actes réglementaires et que leur contenu n’est pas contraire à la présente loi. 1136 1584/002 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 § 2. De machtigingen en afwijkingen die door de Bank zijn verleend en alle handelingen met individuele draagwijdte die eerder zijn vastgesteld op grond van de wet van 16 februari 2009 op het herverzekeringsbedrijf of van de reglementaire handelingen die ter uitvoering ervan zijn vastgesteld, blijven geldig, tenzij zij overeen- komstig deze wet worden herroepen of gewijzigd. Art. 651 In afwijking van artikel 40, § 1, eerste lid, mogen de rechtspersonen die op 7 mei 2014 een functie uitoefen- den van lid van het wettelijk bestuursorgaan van een verzekerings- of herverzekeringsonderneming, hun lopend mandaat blijven uitoefenen tot het verstrijkt. Tot het verstrijken van de in dit artikel bedoelde mandaten is artikel 40, § 1, tweede lid van toepassing op de vaste vertegenwoordiger van de rechtspersoon. Art. 652 § 1. In afwijking van de artikelen 48, 50 en 51 be- schikken de verzekerings- of herverzekeringsonderne- mingen over een termijn van zes maanden vanaf de inwerkingtreding van deze wet om te voldoen aan de verplichting tot oprichting van een remuneratiecomité en een risicocomité. § 2. In afwijking van artikel 56 beschikken de verze- kerings- of herverzekeringsondernemingen over een termijn van zes maanden vanaf de inwerkingtreding van deze wet om te voldoen aan de verplichting tot oprichting van een risicobeheerfunctie in overeenstemming met het genoemde artikel 56. § 3. De leningen, kredieten, waarborgen of verzeke- ringsovereenkomsten die vóór de inwerkingtreding van deze wet zijn verstrekt en die niet in overeenstemming zijn met het bepaalde in artikel 93, moeten uiterlijk op 30 juni 2016 worden beëindigd. Art. 653 In afwijking van artikel 96, § 4 hoeft de kapitaalop- slagfactor of het effect van de specifieke parameters die de verzekerings- of herverzekeringsonderneming krachtens artikel 166 moet hanteren, niet apart bekend- gemaakt te worden gedurende een overgangsperiode die op 31 december 2020 verstrijkt, ook al wordt het totale solvabiliteitskapitaalvereiste als bedoeld in arti- kel 96, § 1, 5°, b) bekendgemaakt. §  2.  Les autorisations et dérogations données par la Banque ainsi que tous actes de portée indivi- duelle adoptés antérieurement sur base de la loi du 16 février 2009 relative à la réassurance ou des actes réglementaires adoptés pour son exécution, restent en vigueur, sauf leur révocation ou modification décidée conformément à la présente loi. Art. 651 Par dérogation à l’article  40, §  1er, alinéa  1er, les personnes morales qui, au 7 mai 2014, exerçaient une fonction de membre de l’organe légal d’administration d’une entreprise d’assurance ou de réassurance sont autorisées à poursuivre l’exercice de leur mandat en cours jusqu’à l’expiration de celui-ci. Jusqu’à l’expira- tion des mandats visés par le présent article, l’article 40, § 1er, alinéa 2 est applicable au représentant permanent de la personne morale. Art. 652 § 1er. Par dérogation aux articles 48, 50, 51, les entre- prises d’assurance ou de réassurance bénéficient d’un délai de six mois à compter de l’entrée en vigueur de la présente loi pour satisfaire à l’obligation de mettre en place un comité de rémunération et un comité des risques. § 2. Par dérogation à l’article 56, les entreprises d’assurance ou de réassurance bénéficient d’un délai de six mois à compter de l’entrée en vigueur de la présente loi pour satisfaire à l’obligation de mettre en place une fonction de gestion des risques en conformité avec ledit article 56. § 3. Les prêts, crédits, garanties ou contrats d’assu- rance accordés avant l’entrée en vigueur de la présente loi et qui ne sont pas conformes au prescrit de l’ar- ticle 93, doivent prendre fin au plus tard le 30 juin 2016. Art. 653 Par dérogation à l’article 96, § 4, même si l’ensemble du capital de solvabilité requis visé à l’article 96, § 1er, 5°, b), est publié, l’exigence de capital supplémentaire ou l’effet des paramètres spécifiques que l’entreprise d’assurance ou de réassurance est tenue d’utiliser en vertu de l’article 166 n’ont pas à faire l’objet d’une divulgation séparée pendant une période transitoire se terminant le 31 décembre 2020. 1137 1584/002 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 Art. 654 §  1. Tot 31  december  2017  passen de verzeke- rings- of herverzekeringsondernemingen de in artikel 189, § 3 bedoelde percentages uitsluitend toe op het solvabiliteitskapitaalvereiste van de onderneming als berekend volgens de standaardformule bedoeld in de artikelen 153 tot 166. § 2. In afwijking van de artikelen 511 en 541 be- schikken de verzekerings- of herverzekeringsonder- nemingen die op 31 december 2015 voldoen aan de vereiste solvabiliteitsmarge die door of krachtens de wet van 9 juli 1975 betreffende de controle der verze- keringsondernemingen of door of krachtens de wet van 16 februari 2009 op het herverzekeringsbedrijf is vast- gelegd, en die op de datum van inwerkingtreding van deze wet niet over voldoende in aanmerking komend kernvermogen ter dekking van het minimumkapitaal- vereiste beschikken, over een termijn die eindigt op 31 december 2016 om te voldoen aan artikel 75. Indien een onderneming bij het verstrijken van de in het eerste lid genoemde termijn niet over voldoende in aanmerking komend kernvermogen ter dekking van het minimumkapitaalvereiste beschikt, wordt haar vergun- ning met toepassing van artikel 517, § 1, 8° ingetrokken. Art. 655 Zolang de maximale referentierentevoeten voor le- vensverzekerings-verrichtingen niet zijn vastgesteld met toepassing van artikel 216, blijven de met toepassing van artikel 19, § § 2 en 3 van de wet van juli 1975 betreffende de controle der verzekeringsondernemingen of artikel 24 van het koninklijk besluit van 14 november 2003 be- treffende de levensverzekeringsactiviteit vastgestelde maximale correlatieve rentevoeten van toepassing. Art. 656 In afwijking van artikel 224, tweede lid, maar on- verminderd de artikelen 224, derde lid en 225 tot 229, mogen de in artikel 223  bedoelde ondernemingen die eveneens herverzekeringsactiviteiten “leven” en “niet-leven” uitoefenen, tot 31  december  2019, al deze herverzekeringsactiviteiten samen beheren met hetzij hun levensverzekeringsactiviteiten, hetzij hun niet-levensverzekeringsactiviteiten. De Bank trekt het voordeel van de toepassing van het eerste lid in wanneer de verzekeringsonderneming niet voldoet aan de vereisten van artikel 224, derde lid. Art. 654 § 1er. Jusqu’au 31 décembre 2017, les entreprises d’assurance ou de réassurance appliquent les pourcen- tages visés à l’article 189, § 3 exclusivement au capital de solvabilité requis de l’entreprise calculé selon la formule standard prévue aux articles 153 à 166. §  2. Par dérogation aux articles 511  et 541, les entreprises d’assurance ou de réassurance qui, au 31  décembre  2015, respectaient les exigences de marge de solvabilité prévues par ou en vertu de la loi du 9 juillet 1975 relative au contrôle des entreprises d’assu- rances ou par ou en vertu de la loi du 16 février 2009 re- lative à la réassurance et qui, à la date d’entrée en vigueur de la présente loi, ne disposent pas d’un montant suffisant de fonds propres de base éligibles pour couvrir le minimum de capital requis, disposent d’un délai se terminant le 31 décembre 2016 pour se conformer à l’article 75. Les entreprises qui, à l’expiration du délai prévu à l’alinéa 1er, ne disposent pas d’un montant suffisant de fonds propres de base éligibles pour couvrir le minimum de capital requis se voient retirer leur agrément en application de l’article 517, § 1er, 8°. Art. 655 Tant que les taux maximums de référence des opé- rations d’assurance vie n’ont pas été fixés en appli- cation de l’article 216, les taux maximums corrélatifs fixés en application de l’article 19, § § 2 et 3 de la loi du 9 juillet 1975 relative au contrôle des entreprises d’assurances ou de l’article  24  de l’arrêté royal du 14 novembre 2003 relatif à l’activité d’assurance sur la vie, restent d’application. Art. 656 Par dérogation à l’article 224, alinéa 2 mais sans préjudice des articles 224, alinéa 3 et 225 à 229, les entreprises visées à l’article 223 qui exercent également des activités de réassurance vie et non-vie peuvent, jusqu’au 31 décembre 2019, gérer l’ensemble de ces activités de réassurance de manière conjointe avec soit leurs activités d’assurance vie, soit leurs activités d’assurance non-vie. La Banque retire le bénéfice de l’alinéa 1er à l’entre- prise d’assurance qui ne respecte pas les exigences prévues à l’article 224, alinéa 3. 1138 1584/002 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 Art. 657 De onderlinge verzekeringsverenigingen als bedoeld in artikel 244 gaan uiterlijk op 31 december 2017 over tot de formele aanpassing van hun statuten en verze- keringsovereenkomsten en van alle voor het publiek bestemde documenten, voor wat de vermelding van hun rechtsvorm betreft. Art. 658 In afwijking van artikel 538, § § 1, 2, 3 en 5 en van artikel 545, zijn de verzekerings- of herverzekeringson- dernemingen die op 1 januari 2016, zonder in vereffening te zijn in de zin van de artikelen 183 en volgende van het Wetboek van Vennootschappen, het sluiten van nieuwe overeenkomsten hebben gestaakt en uitsluitend hun bestaande portefeuille beheren met het oog op de beëindiging van hun activiteit, zijn vrijgesteld van de toepassing van de bepalingen van Boek II van deze wet indien aan alle volgende voorwaarden is voldaan: 1° de onderneming heeft de Bank ervan verzekerd dat zij haar lopende activiteiten tegen 1 januari 2019 zal beëindigen of zij is onderworpen aan saneringsmaat- regelen en er is met toepassing van artikel 517, § 1, 2° een voorlopige bestuurder of zaakvoerder aangewezen; 2° de onderneming maakt geen deel uit van een groep, tenzij alle ondernemingen van de groep hun ac- tiviteiten hebben beëindigd overeenkomstig dit artikel of de nationale bepalingen tot omzetting van artikel 308ter, leden 1 tot 3 van Richtlijn 2009/138/EG; 3°  de onderneming stelt de Bank uiterlijk op 15 januari 2016 in kennis van haar voornemen om de bepalingen van dit artikel toe te passen; 4° de onderneming dient bij de Bank een plan in waarin wordt aangegeven hoe de onderneming haar verplichtingen zal afwikkelen. De Bank trekt het voordeel van de bepalingen van dit artikel in: — op 1 januari 2019, voor de ondernemingen die zich ertoe verbonden hebben hun activiteiten op die datum te beëindigen; — op 1 januari 2021, voor de ondernemingen die onderworpen zijn aan saneringsmaatregelen; of op een eerdere datum indien de Bank van mening is dat de onderneming onvoldoende vooruitgang heeft geboekt met het beëindigen van haar activiteit. Art. 657 Les associations d’assurance mutuelle visées à l’article  244  adaptent formellement, pour le 31 décembre 2017, leurs statuts, contrats d’assurance et tous documents à destination du public, en ce qui concerne l’indication de leur forme juridique. Art. 658 Par dérogation aux articles 538, § § 1er, 2, 3 et 5 et 545, les entreprises d’assurance ou de réassurance qui, au 1er janvier 2016, sans être en liquidation au sens des articles 183 et suivants du Code des sociétés, ont cessé de souscrire de nouveaux contrats et se contentent d’administrer leur portefeuille existant en vue de mettre un terme à leur activité sont dispensées des dispositions du Livre II de la présente loi si toutes les conditions suivantes sont remplies: 1° l’entreprise s’est engagée auprès de la Banque à mettre fin aux activités en cours pour le 1er  jan- vier 2019 ou elle fait l’objet de mesures d’assainisse- ment et qu’un administrateur ou gérant provisoire a été désigné en application de l’article 517, § 1er, 2°; 2° l’entreprise ne fait pas partie d’un groupe à moins que toutes les entreprises du groupe n’aient cessé leurs activités conformément au présent article ou aux dispositions nationales transposant l’article  308ter, paragraphes 1er à 3 de la Directive 2009/138/CE; 3° l’entreprise notifie à la Banque, au plus tard le 15 janvier 2016, son intention de bénéficier des dispo- sitions du présent article; 4° l’entreprise présente à la Banque un plan préci- sant la manière dont l’entreprise entend procéder à la liquidation de ses engagements. La Banque retire le bénéfice des dispositions du présent article: — le 1er janvier 2019 pour les entreprises qui se sont engagées à cesser leurs activités à cette date; —  le 1er janvier  2021  pour les entreprises faisant l’objet de mesures d’assainissement; ou à une date antérieure si la Banque estime que les progrès accomplis aux fins de la cessation de l’activité de l’entreprise sont insuffisants. 1139 1584/002 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 Bij gebreke van plan als bedoeld in het eerste lid, 4°, of wanneer zij van mening is dat dit plan onvoldoende waarborgen biedt voor de bescherming van de schuld- eisers uit hoofde van verzekering en herverzekering, kan de Bank alle ondersteunende maatregelen nemen voor een correcte afwikkeling van de verzekerings- en herverzekeringsverplichtingen van de onderneming en met name alle maatregelen om de rechten van de schuldeisers uit hoofde van verzekering en herverze- kering te vrijwaren. Deze maatregelen omvatten ook de maatregelen vastgesteld in de artikelen 504 tot 517, 546 en 547. De in dit artikel bedoelde verzekerings- of herverzeke- ringsondernemingen verstrekken aan de Bank jaarlijks een geactualiseerde versie van het plan bedoeld in het eerste lid, 4°. Bovendien bepaalt de Bank geval per geval de inhoud van het geactualiseerde plan. Art. 659 § 1. Gedurende een periode van ten hoogste vier jaar vanaf 1 januari 2016, wordt de maximumtermijn waarbin- nen de verzekerings- of herverzekeringsondernemingen de in artikel 312 bedoelde informatie jaarlijks of minder frequent moeten verstrekken, vastgesteld op twintig weken vanaf de afsluiting van het boekjaar van de onder- neming, dat tussen 30 juni 2016 en 1 januari 2017 ein- digt. Deze termijn wordt elk boekjaar met twee weken verkort en wordt vastgesteld op veertien weken vanaf de afsluiting van het boekjaar van de onderneming dat tussen 30 juni 2019 en 1 januari 2020 eindigt. § 2. Gedurende een periode van ten hoogste vier jaar vanaf 1 januari 2016, wordt de maximumtermijn waarbinnen de verzekerings- of herverzekeringson- dernemingen de in artikel 312 bedoelde informatie op kwartaalbasis moeten verstrekken, vastgesteld op acht weken vanaf elk kwartaal dat tussen 1 januari 2016 en 1 januari 2017 eindigt. Deze termijn wordt elk boekjaar met een week verkort en wordt vastgesteld op vijf weken vanaf elk kwartaal dat tussen 30 juni 2019 en 1 januari 2020 eindigt. Art. 660 Gedurende een periode van ten hoogste vier jaar vanaf 1 januari 2016, wordt de maximumtermijn waarbin- nen de verzekerings- of herverzekeringsondernemingen de in de artikelen 95 en 96 bedoelde informatie moeten verstrekken, vastgesteld op twintig weken vanaf de afsluiting van het boekjaar van de onderneming dat tussen 30 juni 2016 en 1 januari 2017 eindigt. Deze À défaut du plan visé à l’alinéa 1er, 4°, ou lorsqu’elle estime que ce plan ne présente pas les garanties suffisantes au regard de la protection des créanciers d’assurance et de réassurance, la Banque peut prendre toutes mesures visant à encadrer une liquidation cor- recte des engagements d’assurance et de réassurance de l’entreprise et notamment, toutes mesures visant à préserver les droits des créanciers d’assurance et de réassurance. Ces mesures incluent les mesures pré- vues aux articles 504 à 517, 546 et 547. Les entreprises d’assurance ou de réassurance visées au présent article fournissent annuellement à la Banque une actualisation du plan visé à l’alinéa 1er, 4°. La Banque détermine en outre, au cas par cas, le contenu du plan actualisé. Art. 659 § 1er. Durant une période n’excédant pas quatre ans à compter du 1er janvier 2016, le délai maximum dans lequel les entreprises d’assurance ou de réassurance doivent fournir les informations visées à l’article 312, selon une périodicité annuelle ou moins fréquente, est fixé à vingt semaines à partir de la clôture de l’exercice comptable de l’entreprise clos entre le 30 juin 2016 et le 1er janvier 2017. Ce délai diminue de deux semaines à chaque exercice comptable pour être fixé à quatorze semaines à partir de la clôture de l’exercice comp- table de l’entreprise clos entre le 30 juin 2019 et le 1er janvier 2020. §  2. Durant une période n’excédant pas quatre ans à compter du 1er janvier 2016, le délai maximum dans lequel les entreprises d’assurance ou de réassu- rance doivent fournir les informations visées à l’article 312, selon une périodicité trimestrielle, est fixé à huit semaines à partir de tout trimestre clos entre le 1er jan- vier 2016 et le 1er janvier 2017. Ce délai diminue d’une semaine à chaque exercice comptable pour être fixé à cinq semaines à partir de tout trimestre clos entre le 30 juin 2019 et le 1er janvier 2020. Art. 660 Durant une période n’excédant pas quatre ans à compter du 1er janvier 2016, le délai maximum dans lequel les entreprises d’assurance ou de réassurance doivent fournir les informations visées à aux articles 95 et 96, est fixé à vingt semaines à partir de la clôture de l’exercice comptable de l’entreprise clos entre le 30 juin 2016 et le 1er janvier 2017. Ce délai diminue 1140 1584/002 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 termijn wordt elk boekjaar met twee weken verkort en wordt vastgesteld op veertien weken vanaf de afslui- ting van het boekjaar van de onderneming dat tussen 30 juni 2019 en 1 januari 2020 eindigt. Art. 661 Voor wat betreft de in de artikelen 93, 94 en 307 ver- vatte informatieverplichtingen zijn de artikelen 659 en 660 van overeenkomstige toepassing op deelnemende verzekerings- of herverzekeringsondernemingen, verze- keringsholdings en gemengde financiële holdings, met dien verstande dat de in de artikelen 659 en 660 bedoel- de termijnen telkens met zes weken worden verlengd. Art. 662 § 1er. Niettegenstaande artikel 147 worden kernver- mogensbestanddelen gedurende ten hoogste tien jaar na 1 januari 2016 tot het in Tier 1 ingedeelde kernver- mogen gerekend, indien die bestanddelen: 1° zijn uitgegeven vóór 18 januari 2015; 2° op 31 december 2015 konden worden gebruikt, rekening houdend met hun kenmerken, om aan ten hoogste 50  % van de voorgeschreven beschikbare solvabiliteitsmarge te voldoen, overeenkomstig de bepalingen van de wet van 9 juli 1975 betreffende de controle der verzekeringsondernemingen of de wet van 16 februari 2009 op het herverzekeringsbedrijf en hun uitvoeringsbesluiten en -reglementen; § 2. De in paragraaf 1 bedoelde vrijstelling geldt niet voor kernvermogensbestanddelen die met toepassing van artikel 147 in Tier 2 kunnen worden ingedeeld. Art. 663 § 1. In afwijking van artikel 147 worden kernvermo- gensbestanddelen gedurende ten hoogste tien jaar na 1 januari 2016 tot het in Tier 2 ingedeelde kernvermogen gerekend, indien die bestanddelen: 1° zijn uitgegeven vóór 18 januari 2015; 2° op 31 december 2015 konden worden gebruikt, rekening houdend met hun kenmerken, om aan ten hoogste 25  % van de voorgeschreven beschikbare solvabiliteitsmarge te voldoen, overeenkomstig de bepalingen van de wet van 9 juli 1975 betreffende de de deux semaines à chaque exercice comptable pour être fixé à quatorze semaines à partir de la clôture de l’exercice comptable de l’entreprise clos entre le 30 juin 2019 et le 1er janvier 2020. Art. 661 Les articles 659 et 660 sont applicables par analo- gie en ce qui concerne les obligations d’informations prévues aux articles 93, 94  et 307  aux entreprises d’assurance ou de réassurance participantes, aux sociétés holding d’assurance et aux compagnies finan- cières mixtes, étant entendu que les délais visés aux articles 659 et 660 sont prolongés, chaque fois, de six semaines. Art. 662 § 1er. Nonobstant l’article 147, les éléments de fonds propres de base sont inclus dans les fonds propres de base de niveau 1 pour une durée maximale de dix ans après le 1er janvier 2016, si ces éléments: 1° ont été émis avant le 18 janvier 2015; 2° pouvaient, au 31 décembre 2015, compte tenu de leurs caractéristiques, être utilisés afin de respecter la marge de solvabilité disponible dans une proportion n’excédant pas 50 % de la marge de solvabilité confor- mément aux dispositions de la loi du 9 juillet 1975 rela- tive au contrôle des entreprises d’assurances ou de la loi du 16 février 2009 relative à la réassurance et de leurs arrêtés et règlements d’exécution; § 2. Les éléments de fonds propres de base qui peuvent être classés au niveau 2 en application de l’article 147 ne bénéficient pas de l’assimilation prévue au paragraphe 1er. Art. 663 §  1er. Par dérogation à l’article  147, les éléments de fonds propres de base sont inclus dans les fonds propres de base de niveau 2 pour une durée maximale de dix ans après le 1er janvier 2016, si ces éléments: 1° ont été émis avant le 18 janvier 2015; 2° pouvaient, au 31 décembre 2015, compte tenu de leurs caractéristiques, être utilisés afin de respecter la marge de solvabilité disponible dans une proportion n’excédant pas 25 % de la marge de solvabilité confor- mément aux dispositions de la loi du 9 juillet 1975 relative 1141 1584/002 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 controle der verzekeringsondernemingen of de wet van 16 februari 2009 op het herverzekeringsbedrijf en hun uitvoeringsbesluiten en -reglementen. Art. 664 Op de verzekerings- of herverzekeringsonderne- mingen die beleggen in verhandelbare effecten of in andere op herverpakte leningen gebaseerde financiële instrumenten die vóór 1 januari 2011 zijn uitgegeven, zijn de vereisten van Verordening 2015/35 slechts van toepassing indien er na 31  december  2014  nieuwe onderliggende vorderingen werden toegevoegd of be- staande onderliggende vorderingen werden vervangen. Art. 665 Niettegenstaande artikel 74, artikel 151, § 2, tweede lid en § 3, en artikel 154 zijn de volgende regels van toepassing: 1° tot en met 31 december 2017 zijn de standaardpa- rameters die moeten worden gebruikt bij de berekening van de submodule “concentratierisico” en de submodule “spreadrisico – spread risk” volgens de standaardformu- le, dezelfde voor vorderingen op de centrale overheden of de centrale banken van de lidstaten die uitgedrukt en gefinancierd zijn in de nationale munteenheid van een lidstaat, als voor dergelijke vorderingen die uitgedrukt en gefinancierd zijn in euro; 2° in 2018 worden de standaardparameters die moe- ten worden gebruikt bij de berekening van de submodule “concentratierisico” en de submodule “spreadrisico – spread risk” volgens de standaardformule, met 80 % verminderd voor vorderingen op de centrale overheden of de centrale banken van de lidstaten die uitgedrukt en gefinancierd zijn in de nationale munteenheid van een lidstaat; 3° in 2019 worden de standaardparameters die moe- ten worden gebruikt bij de berekening van de submodule “concentratierisico” en de submodule “spreadrisico – spread risk” volgens de standaardformule, met 50 % verminderd voor vorderingen op de centrale overheden of de centrale banken van de lidstaten die uitgedrukt en gefinancierd zijn in de nationale munteenheid van een lidstaat; 4° met ingang van 1 januari 2020 worden de stan- daardparameters die moeten worden gebruikt bij de berekening van de submodule “concentratierisico” en de submodule “spreadrisico” volgens de standaardformule, au contrôle des entreprises d’assurances ou de la loi du 16 février 2009 relative à la réassurance et de leurs arrêtés et règlements d’exécution. Art. 664 En ce qui concerne les entreprises d’assurance ou de réassurance qui investissent dans des valeurs mobi- lières négociables ou d’autres instruments financiers reposant sur des emprunts reconditionnés qui ont été émis avant le 1er janvier 2011, les exigences prévues par le Règlement 2015/35  s’appliquent uniquement si des expositions sous-jacentes ont été remplacées ou complétées par de nouvelles expositions après le 31 décembre 2014. Art. 665 Nonobstant les articles 74, 151, § 2, alinéa 2 et § 3, et 154, les règles suivantes sont d’application: 1° jusqu’au 31 décembre 2017, les paramètres stan- dard à utiliser pour calculer le sous-module de risque de concentration et le sous-module “risque de marge – spread risk” selon la formule standard sont les mêmes, pour les expositions sur les administrations centrales et les banques centrales des États membres qui sont libel- lées et financées dans la monnaie nationale d’un État membre, que ceux qui s’appliqueraient à de pareilles expositions libellées et financées en euros; 2° en 2018, les paramètres standard à utiliser pour calculer le sous-module de risque de concentration et le sous-module “risque de marge – spread risk” selon la formule standard sont réduits de 80 % pour les expo- sitions sur les administrations centrales et les banques centrales des États membres qui sont libellées et financées dans la monnaie nationale d’un État membre; 3° en 2019, les paramètres standard à utiliser pour calculer le sous-module de risque de concentration et le sous-module “risque de marge – spread risk” selon la formule standard sont réduits de 50 % pour les expo- sitions sur les administrations centrales et les banques centrales des États membres qui sont libellées et financées dans la monnaie nationale d’un État membre; 4° à partir du 1er janvier 2020, les paramètres stan- dard à utiliser pour calculer le sous-module de risque de concentration et le sous-module “risque de spread” selon la formule standard ne sont pas réduits pour les 1142 1584/002 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 niet verminderd voor vorderingen op de centrale over- heden en de centrale banken van de lidstaten die uitge- drukt en gefinancierd zijn in de nationale munteenheid van een andere lidstaat. Art. 666 Niettegenstaande artikel 74, artikel 151, § 2, tweede lid en § 3, en artikel 154 worden de standaardparameters die moeten worden gebruikt voor aandelen die uiterlijk op 1 januari 2016 door de onderneming zijn verworven, wanneer de submodule “aandelenrisico” wordt berekend volgens de standaardformule zonder gebruik te maken van de in artikel 162 beschreven mogelijkheid, berekend als het gewogen gemiddelde van: a) de standaardparameter die moet worden gebruikt bij de berekening van de submodule “aandelenrisico” overeenkomstig artikel 162; en b) de standaardparameter die moet worden gebruikt wanneer de submodule “aandelenrisico” wordt berekend volgens de standaardformule zonder gebruik te maken van de in artikel 162 beschreven mogelijkheid. Het gewicht van de in het eerste lid, b), bedoelde para- meter neemt aan het eind van elk jaar ten minste lineair toe van 0 % in het jaar dat aanvangt op 1 januari 2016 tot 100 % op 1 januari 2023. Art. 667 Wanneer de verzekerings- of herverzekeringsonder- nemingen die voldeden aan de vereiste solvabiliteits- marge als bedoeld in de wet van 9 juli 1975 betreffende de controle der verzekeringsondernemingen of de wet van 16 februari 2009 op het herverzekeringsbedrijf en hun uitvoeringsbesluiten en -reglementen, maar in het eerste jaar van toepassing van deze wet niet voldoen aan het solvabiliteitskapitaalvereiste, eist de Bank, niet- tegenstaande artikel 510, § § 1 en 2 en onverminderd paragraaf 3 van het genoemde artikel, dat de betrokken verzekerings- of herverzekeringsonderneming de nodige maatregelen treft om uiterlijk op 31 december 2017 het in aanmerking komend eigen vermogen ter dekking van het solvabiliteitskapitaalvereiste op peil te brengen of haar risicoprofiel zodanig te verlagen dat wordt voldaan aan het solvabiliteitskapitaalvereiste. De betrokken verzekerings- of herverzekeringson- derneming dient om de drie maanden een tussentijds verslag in bij de Bank waarin wordt aangegeven welke maatregelen er zijn getroffen en welke vooruitgang er is expositions sur les administrations centrales et les banques centrales des États membres qui sont libellées et financées dans la monnaie nationale de tout autre État membre. Art. 666 Nonobstant les articles 74, 151, § 2, alinéa 2 et § 3, et 154, les paramètres standards à utiliser pour les actions acquises par l’entreprise au plus tard le 1er jan- vier 2016 lors du calcul du sous-module “risque sur actions” selon la formule standard sans faire usage de la possibilité prévue sous l’article 162, équivalent aux moyennes pondérées: a) du paramètre standard à utiliser pour le calcul du sous-module “risque sur actions” conformément à l’article 162; et b) du paramètre standard à utiliser pour le calcul du sous-module “risque sur actions” selon la formule standard sans la possibilité prévue sous l’article 162. Le coefficient affecté au paramètre visé à l’alinéa 1er, b), s’accroît d’une manière au moins linéaire à la fin de chaque année, de 0  % pour l’année commen- çant le 1er janvier 2016 jusqu’à 100 % à compter du 1er janvier 2023. Art. 667 Nonobstant l’article 510, § § 1er et 2 et sans préjudice du paragraphe 3 dudit article, lorsque les entreprises d’assurance ou de réassurance qui se conformaient à l’exigence de marge de solvabilité prévue par la loi du 9 juillet 1975 relative au contrôle des entreprises d’assurances ou la loi du 16 février 2009 relative à la réassurance et leurs arrêtés et règlements d’exécution, mais ne respectent pas le capital de solvabilité requis durant la première année d’application de la présente loi, la Banque exige de l’entreprise d’assurance ou de réassurance concernée qu’elle prenne les mesures nécessaires pour établir le niveau de fonds propres éli- gibles couvrant le capital de solvabilité requis ou réduire son profil de risque afin de garantir le respect de l’exi- gence de capital de solvabilité au 31 décembre 2017. L’entreprise d’assurance ou de réassurance concer- née soumet tous les trois mois à la Banque un rapport intermédiaire exposant les mesures prises et les pro- grès accomplis pour établir le niveau de fonds propres 1143 1584/002 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 geboekt om het in aanmerking komend eigen vermogen ter dekking van het solvabiliteitskapitaalvereiste op peil te brengen of haar risicoprofiel zodanig te verlagen dat wordt voldaan aan het solvabiliteitskapitaalvereiste. De in het eerste lid bedoelde verlenging wordt in- getrokken wanneer uit het tussentijds verslag blijkt dat er geen duidelijke vooruitgang is geboekt door de onderneming bij het weer op peil brengen van het in aanmerking komend eigen vermogen ter dekking van het solvabiliteitskapitaalvereiste of bij het zodanig verla- gen van het risicoprofiel dat weer wordt voldaan aan het solvabiliteitskapitaalvereiste, tussen de datum waarop is vastgesteld dat niet meer werd voldaan aan het solva- biliteitskapitaalvereiste en de datum van indiening van het tussentijds verslag. Art. 668 § 1. In afwijking van de artikelen 126 tot 131 kan de Bank toestaan dat de verzekerings- of herverzekerings- ondernemingen bij wijze van overgangsmaatregel een uitzonderingsregeling toepassen op de relevante risico- vrije rentetermijnstructuur voor levensverzekerings- en -herverzekeringsverplichtingen die voldoen aan de volgende voorwaarden: 1°  de verzekerings- of herverzekerings-verplich- tingen die voortvloeien uit overeenkomsten die vóór 1 januari 2016 zijn gesloten, met uitzondering van de verlengingen van overeenkomsten vanaf die datum; 2° tot 1 januari 2016 zijn de technische voorzieningen voor de verzekerings- en herverzekeringsverplichtingen vastgesteld overeenkomstig de bepalingen van de wet van 9 juli 1975 betreffende de controle der verzekerings- ondernemingen of de wet van 16 februari 2009 op het herverzekeringsbedrijf en hun uitvoeringsbesluiten en -reglementen; 3° de in artikel 129 bedoelde matchingopslag wordt niet op de verzekerings- en herverzekeringsverplichtin- gen toegepast. § 2. De in paragraaf 1 bedoelde uitzonderingsregeling die bij wijze van overgangsmaatregel wordt toegepast, maakt het mogelijk om de matchingopslag voor elke valuta te berekenen als een deel van het verschil tussen: 1° de rentevoet die de verzekerings- of herverze- keringsovereenkomst op 31  december  2015  heeft va s tg e s te l d ove r e e n ko m s t i g d e b e p a l i n - gen van de wet van 9  juli  1975  betreffende de éligibles correspondant au capital de solvabilité requis ou pour réduire son profil de risque afin de garantir la conformité du capital de solvabilité requis. Le bénéfice de la prolongation prévue à l’alinéa 1er est retiré lorsque le rapport intermédiaire montre qu’aucun progrès significatif n’a été accompli par l’entreprise afin de rétablir le niveau de fonds propres éligibles corres- pondant au capital de solvabilité requis ou de réduire le profil de risque afin de garantir la conformité du capital de solvabilité requis, entre la date de la constatation de la non-conformité du capital de solvabilité requis et la date de remise du rapport intermédiaire. Art. 668 §  1er. Par dérogation aux articles  126  à 131, la Banque peut autoriser les entreprises d’assurance ou de réassurance à appliquer, à titre transitoire, un régime dérogatoire à la courbe pertinente des taux d’intérêt sans risque pour les engagements d’assurance-vie et de réassurance vie répondant aux conditions suivantes: 1° les engagements d’assurance ou de réassurance découlent de contrats qui ont été conclus avant le 1er jan- vier 2016, à l’exclusion des renouvellements de contrats qui ont lieu à partir de cette date; 2° jusqu’au 1er janvier 2016, les provisions techniques constituées pour les engagements d’assurance et de réassurance ont été déterminées conformément aux dispositions de la loi du 9 juillet 1975 relative au contrôle des entreprises d’assurances ou de la loi du 16 février 2009 relative à la réassurance et de leurs arrêtés et règlements d’exécution; 3° l’ajustement égalisateur visé à l’article 129 n’est pas appliqué aux engagements d’assurance et de réassurance. § 2. Le régime dérogatoire transitoire visé au para- graphe 1er permet, dans chaque devise, de calculer l’ajustement comme une part de la différence entre: 1°  le taux d’intérêt déterminé par l’entreprise d’assurance ou de réassurance conformément aux dispositions de la loi du 9  juillet  1975  relative au contrôle des entreprises d’assurances ou de la loi du 1144 1584/002 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 controle der verzekeringsondernemingen of de wet van 16 februari 2009 op het herverzekeringsbedrijf en hun uitvoeringsbesluiten en -reglementen; en 2°  de jaarlijkse effectieve rente, berekend als de unieke discontovoet die, wanneer hij wordt toegepast op de kasstromen uit de portefeuille van verzekerings- en herverzekeringsverplichtingen die voldoen aan de voorwaarden van paragraaf 1, resulteert in een waarde die gelijk is aan de waarde van de beste schatting van de portefeuille van die verzekerings- en herverzekerings- verplichtingen met inachtneming van de tijdswaarde van geld en met gebruikmaking van de relevante risicovrije rentetermijnstructuur als bedoeld in artikel 126, § 2. Wanneer de verzekerings- of herverzekeringson- dernemingen de volatiliteitsaanpassing als bedoeld in artikel 131 toepassen, is de in het eerste lid, 2° bedoelde risicovrije rentetermijnstructuur de in artikel 131 be- doelde risicovrije rentetermijnstructuur. Indien de Bank haar toestemming verleent over- eenkomstig paragraaf 3, neemt het in het eerste lid bedoelde deel aan het eind van elk jaar lineair af van 100 % in het jaar dat aanvangt op 1 januari 2016 tot 0 % op 1 januari 2032. § 3. De toestemming van de Bank als bedoeld in pa- ragraaf 1, eerste lid, kan maar worden gegeven indien de onderneming aantoont, op basis van een dossier waarvan de Bank de inhoud bepaalt, dat zij op grond van geloofwaardige prognoses met betrekking tot de marktomstandigheden en haar risicotolerantielimieten, in staat is om gedurende de volledige overgangsperiode te voldoen aan de solvabiliteitsvereisten, rekening hou- dend met de toepassing van de regels inzake lineaire vermindering als bedoeld in paragraaf 2, derde lid. De Bank bevestigt de ontvangst van het dossier be- doeld in het eerste lid en laat de onderneming binnen vijftien dagen na ontvangst van het dossier weten dat het dossier volledig is en onderzocht kan worden, of dat zij aanvullende informatie nodig heeft. De Bank spreekt zich uit over het verzoek om toe- stemming binnen twee maanden na de indiening van een volledig dossier en uiterlijk binnen drie maanden na ontvangst van het verzoek. § 4. Naast het vereiste van artikel 670, gelden voor de verzekerings- of herverzekeringsondernemingen die overeenkomstig dit artikel bij wijze van overgangs- maatregel de uitzonderingsregeling toepassen op de relevante risicovrije rentetermijnstructuur de volgende vereisten: 16 février 2009 relative à la réassurance et de leurs arrê- tés et règlements d’exécution au 31 décembre 2015; et 2°  le taux annuel effectif, calculé comme le taux unique d’actualisation qui, s’il était appliqué aux flux de trésorerie du portefeuille d’engagements d’assurance et de réassurance répondant aux conditions visées au paragraphe 1er, donnerait une valeur égale à la valeur de la meilleure estimation du portefeuille de ces enga- gements d’assurance et de réassurance pour laquelle la valeur temporelle de l’argent est prise en compte en suivant la courbe pertinente des taux d’intérêt sans risque visée à l’article 126, § 2. Lorsque les entreprises d’assurance ou de réassu- rance font usage de la correction pour volatilité visée à l’article 131, la courbe pertinente des taux d’intérêt sans risque visée à l’alinéa 1er, 2° est la courbe pertinente des taux d’intérêt sans risque visée à l’article 131. En cas d’autorisation de la Banque donnée conformé- ment au paragraphe 3, la part visée l’alinéa 1er diminue d’une manière linéaire à la fin de chaque année et ce, de 100  % pour la première année commençant au 1er janvier 2016 jusqu’à 0 % au 1er janvier 2032. §  3. L’autorisation de la Banque visée au para- graphe  1er, alinéa  1er, ne peut être donnée que si l’entreprise démontre, sur la base d’un dossier dont la Banque détermine le contenu, qu’elle est, sur la base de projections crédibles des conditions de marché et de ses limites de tolérance aux risques, en mesure de satisfaire aux exigences de solvabilité, tout au long de la période transitoire, compte tenu de l’application des modalités de diminution linéaire prévue au paragraphe 2, alinéa 3. La Banque accuse réception du dossier visé à l’alinéa 1er et, dans les quinze jours de la réception du dossier, indique à l’entreprise si le dossier est complet en vue de son examen ou s’il requiert des informations complémentaires. La Banque statue sur la demande d’autorisation dans les deux mois de l’introduction d’un dossier complet et au plus tard dans les trois mois de la réception de la demande. §  4. Outre l’exigence prévue sous l’article  670, les entreprises d’assurance ou de réassurance qui appliquent, à titre transitoire, le régime dérogatoire à la courbe pertinente des taux d’intérêt sans risque conformément au présent article: 1145 1584/002 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 — zij tellen de toelaatbare verzekerings- en herverze- keringsverplichtingen niet mee bij de berekening van de volatiliteitsaanpassing als bedoeld in artikel 131; — zij vermelden in hun verslag over hun solvabiliteit en financiële positie als bedoeld in de artikelen 95 en 96 dat zij de overgangs-risicovrije rentetermijnstruc- tuur toepassen en kwantificeren het effect dat het niet toepassen van die overgangsmaatregel zou hebben op hun financiële positie. Art. 669 § 1. In afwijking van de artikelen 124 tot 139 kan de Bank toestaan dat de verzekerings- of herverzekerings- ondernemingen bij wijze van overgangsmaatregel een aftrek toepassen op hun technische voorzieningen met betrekking tot de op 1 januari 2016 bestaande verze- kerings- of herverzekeringsverplichtingen. Die aftrek kan worden toegepast op het niveau van homogene risicogroepen als bedoeld in artikel 135. De aftrek bedoeld in het eerste lid komt overeen met het verschil tussen 1° het bedrag van de technische voorzieningen na aftrek van de schuldvorderingen die voortvloeien uit herverzekerings-overeenkomsten en effectiseringsve- hikels, berekend op 1 januari 2016 met toepassing van de artikelen 124 tot 139, en 2° het bedrag van de technische voorzieningen na aftrek van de schuldvorderingen die voortvloeien uit her- verzekerings-overeenkomsten, berekend met toepas- sing van de bepalingen van de wet van 9 juli 1975 betref- fende de controle der verzekeringsondernemingen of de wet van 16 februari 2009 op het herverzekeringsbedrijf en hun uitvoeringsbesluiten- en reglementen. Wanneer de verzekerings- of herverzekeringson- dernemingen gebruikmaken van artikel 131, wordt het bedrag bedoeld in het tweede lid, 1° berekend met de volatiliteitsaanpassing op 1 januari 2016. Indien de Bank haar toestemming verleent overeen- komstig paragraaf 2, neemt het maximale aftrekbare deel van de technische voorzieningen aan het eind van elk jaar lineair af van 100 % in het jaar dat aanvangt op 1 januari 2016 tot 0 % op 1 januari 2032. Onder voorbehoud van de voorafgaande goedkeuring van of op initiatief van de Bank kunnen de bedragen van de technische voorzieningen, in voorkomend geval met inbegrip van het bedrag van de volatiliteitsaanpassing, — n’incluent pas les engagements d’assurance et de réassurance admissibles dans le calcul de la correction pour volatilité visé à l’article 131; —  indiquent dans leur rapport sur leur solvabi- lité et leur situation financière visé aux articles 95 et 96  qu’elles appliquent la courbe des taux d’intérêt sans risque transitoire et quantifient l’incidence sur leur situation financière qui résulterait d’une non application de la présente mesure transitoire. Art. 669 §  1er. Par dérogation aux articles 124  à 139, la Banque peut autoriser les entreprises d’assurance ou de réassurance à appliquer, à titre transitoire, en ce qui concerne les engagements d’assurance ou de réas- surance existants au 1er janvier 2016, une déduction à leurs provisions techniques. Cette déduction peut être appliquée au niveau des groupes de risques homogènes visés à l’article 135. La déduction visée à l’alinéa 1er correspond à la différence entre 1°  le montant des provisions techniques, après déduction des créances découlant des contrats de réassurance et des véhicules de titrisation, calculées au 1er janvier 2016 en application des articles 124 à 139, et 2°  le montant des provisions techniques, après déduction des créances découlant des contrats de réas- surance, calculées en application des dispositions de la loi du 9 juillet 1975 relative au contrôle des entreprises d’assurances ou de la loi du 16 février 2009 relative à la réassurance et de leurs arrêtés et règlements d’exécution. Lorsque les entreprises d’assurance ou de réassu- rance font usage de l’article 131, le calcul du montant visé à l’alinéa 2, 1° est calculé avec la correction pour volatilité au 1er janvier 2016. En cas d’autorisation de la Banque donnée conformé- ment au paragraphe 2, la part déductible maximale des provisions techniques diminue d’une manière linéaire à la fin de chaque année et ce, de 100 % pour la première année commençant au 1er janvier 2016 jusqu’à 0 % au 1er janvier 2032. Sous réserve de l’approbation préalable ou sur l’initiative de la Banque, les montants des provisions techniques, intégrant le cas échéant le montant de la correction pour volatilité, entrant dans le calcul de 1146 1584/002 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 die worden gebruikt voor de berekening overeenkomstig deze paragraaf van de overgangsaftrek, om de vieren- twintig maanden worden herberekend, of frequenter indien het risicoprofiel van de onderneming wezenlijk is veranderd als gevolg van een verwerving of een over- dracht van op 1 januari 2016 bestaande verzekerings- of herverzekeringsverplichtingen. § 2. De toestemming van de Bank als bedoeld in pa- ragraaf 1, eerste lid, kan maar worden gegeven indien de onderneming aantoont, op basis van een dossier waarvan de Bank de inhoud bepaalt, dat zij op grond van geloofwaardige prognoses met betrekking tot de marktomstandigheden en haar risicotolerantielimieten, in staat is om gedurende de volledige overgangsperiode te voldoen aan de regels inzake lineaire vermindering van de aftrek als bedoeld in paragraaf 1, vierde lid. De Bank bevestigt de ontvangst van het dossier be- doeld in het eerste lid en laat de onderneming binnen vijftien dagen na ontvangst van het dossier weten dat het dossier volledig is en onderzocht kan worden, of dat zij aanvullende informatie nodig heeft. De Bank spreekt zich uit over het verzoek om toe- stemming binnen twee maanden na de indiening van een volledig dossier en uiterlijk binnen drie maanden na ontvangst van het verzoek. De Bank kan de in paragraaf 1 bedoelde aftrek beper- ken indien de toepassing ervan zou kunnen resulteren in een vermindering van de voor de onderneming ver- eiste financiële middelen ten opzichte van de vereiste financiële middelen als berekend overeenkomstig de bepalingen van de wet van 9  juli  1975  betreffende de controle der verzekeringsondernemingen of de wet van 16 februari 2009 op het herverzekeringsbe- drijf en hun uitvoeringsbesluiten en -reglementen op 31 december 2015. Om te garanderen dat de onderneming de regels inzake lineaire vermindering van de aftrek als bedoeld in paragraaf 1, vierde lid naleeft, kan de Bank aan haar toestemming ook voorwaarden verbinden waarvan de niet-naleving tot gevolg heeft dat de Bank de krachtens dit artikel verleende toestemming kan opheffen. Indien de Bank haar toestemming na 1 januari 2016 ver- leent, moet de verzekerings- of herverzekeringsonder- neming de lineariteit van het in paragraaf 1, vierde lid bedoelde aftrekbare deel in acht nemen alsof de toe- stemming was verleend op 1 januari 2016. § 3. Naast het vereiste van artikel 670 vermelden de verzekerings- of herverzekeringsondernemingen die overeenkomstig dit artikel de overgangsaftrek la déduction transitoire déterminée conformément au présent paragraphe, peuvent être recalculés tous les vingt-quatre mois ou plus fréquemment en cas de changement sensible du profil de risque de l’entreprise à la suite d’une acquisition ou d’une cession d’enga- gements d’assurance ou de réassurance existants au 1er janvier 2016. §  2. L’autorisation de la Banque visée au para- graphe  1er, alinéa  1er, ne peut être donnée que si l’entreprise démontre, sur la base d’un dossier dont la Banque détermine le contenu, qu’elle est, sur la base de projections crédibles des conditions de marché et de ses limites de tolérance aux risques, en mesure de satisfaire, tout au long de la période transitoire, aux modalités de réduction linéaire de la déduction telle que visée au paragraphe 1er, alinéa 4. La Banque accuse réception du dossier visé à l’alinéa 1er et, dans les quinze jours de la réception du dossier, indique à l’entreprise si le dossier est complet en vue de son examen ou s’il requiert des informations complémentaires. La Banque statue sur la demande d’autorisation dans les deux mois de l’introduction d’un dossier complet et au plus tard dans les trois mois de la réception de la demande. La Banque peut limiter la déduction visée au para- graphe  1er si son application est susceptible de se traduire par de moindres exigences en matière de res- sources financières applicables à l’entreprise que celles qui sont calculées conformément aux dispositions de la loi du 9 juillet 1975 relative au contrôle des entreprises d’assurances ou de la loi du 16 février 2009 relative à la réassurance et de leurs arrêtés et règlements d’exé- cution au 31 décembre 2015. En vue de s’assurer du respect par l’entreprise des modalités de diminution linéaire de la déduction telle que visée au paragraphe 1er, alinéa 4, la Banque peut également assortir son autorisation de conditions dont le non-respect permet à la Banque de mettre fin à l’autorisation donnée en application du présent article. En cas d’autorisation de la Banque accordée posté- rieurement au 1er janvier 2016, l’entreprise d’assurance ou de réassurance doit respecter la linéarité de la part déductible visée au paragraphe 1er, alinéa 4 comme si l’autorisation avait été accordée au 1er janvier 2016. § 3. Outre l’exigence prévue sous l’article 670, les entreprises d’assurance ou de réassurance qui ap- pliquent, conformément au présent article, la déduction 1147 1584/002 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 toepassen op de technische voorzieningen, in hun verslag over hun solvabiliteit en financiële positie als bedoeld in de artikelen 95 en 96 dat zij deze overgangs- aftrekregeling toepassen en kwantificeren zij het effect dat het niet toepassen van die overgangsmaatregel zou hebben op hun financiële positie. Art. 670 De verzekerings- of herverzekeringsondernemin- gen kunnen de toestemming die met toepassing van artikel 668 wordt verleend en deze die met toepassing van artikel 669 wordt verleend, niet cumulatief verkrij- gen voor dezelfde verplichtingen die onder de takken vermeld in Bijlage II vallen. Art. 671 § 1. De verzekerings- of herverzekeringsonderne- mingen die de in artikel 668 of 669 bedoelde over- gangsmaatregelen toepassen, dienen jaarlijks een verslag in bij de Bank waarin wordt aangegeven welke maatregelen er zijn getroffen en welke vooruitgang er is geboekt om aan het einde van de overgangsperiode aan het solvabiliteitskapitaalvereiste te voldoen. De Bank trekt haar toestemming voor de toepassing van de overgangsmaatregel in wanneer uit dit tussentijds verslag blijkt dat het onrealistisch is dat aan het einde van de overgangsperiode aan het solvabiliteitskapitaal- vereiste zal worden voldaan. Bovendien lichten de verzekerings- of herverze- keringsondernemingen die de in de artikelen 668 of 669 bedoelde overgangsmaatregelen toepassen, de Bank in wanneer zij vaststellen dat zij zonder de toe- passing van die overgangsmaatregelen niet aan het solvabiliteitskapitaalvereiste zouden voldoen. De Bank eist dat de betrokken verzekerings- of herverzekerings- onderneming de nodige maatregelen treft om aan het einde van de overgangsperiode aan het solvabiliteits- kapitaalvereiste te voldoen. Binnen twee maanden na de vaststelling dat zonder de toepassing van de in de artikelen 668 of 669 be- doelde overgangsmaatregelen niet aan het solvabili- teitskapitaalvereiste zou worden voldaan, dient de be- trokken verzekerings- of herverzekeringsonderneming bij de Bank een geleidelijke-invoeringsplan in waarin wordt aangegeven welke maatregelen er zijn gepland om aan het einde van de overgangsperiode het in aanmerking komend eigen vermogen ter dekking van het solvabiliteitskapitaalvereiste op peil te brengen of haar risicoprofiel zodanig te verlagen dat wordt voldaan aan het solvabiliteitskapitaalvereiste. De betrokken transitoire aux provisions techniques indiquent dans leur rapport sur leur solvabilité et leur situation financière visé aux articles 95 et 96 qu’elles appliquent ce régime de déduction transitoire et quantifient l’incidence sur leur situation financière qui résulterait d’une non application de cette mesure transitoire. Art. 670 Les entreprises d’assurance ou de réassurance ne peuvent bénéficier cumulativement d’une autorisation donnée en application de l’article 668 et d’une autori- sation donnée en application de l’article 669 pour les mêmes engagements relevant des branches mention- nées de l’Annexe II. Art. 671 § 1er. Les entreprises d’assurance ou de réassu- rance qui bénéficient des mesures transitoires visées à l’article 668 ou 669 présentent chaque année à la Banque un rapport exposant les mesures prises et les progrès accomplis pour garantir le respect de l’exigence de capital de solvabilité à la fin de la période transitoire. La Banque retire l’autorisation d’appliquer la mesure transitoire lorsqu’il ressort de ce rapport intermédiaire que le respect de l’exigence de capital de solvabilité à la fin de la période transitoire constitue une perspective irréaliste. Les entreprises d’assurance ou de réassurance qui bénéficient des mesures transitoires visées aux articles 668 ou 669, informent, en outre, la Banque dès qu’elles constatent qu’elles ne respecteraient pas l’exigence de capital de solvabilité sans l’application de ces mesures transitoires. La Banque exige de l’entreprise d’assurance ou de réassurance concernée qu’elle prenne les mesures nécessaires pour garantir le respect de l’exigence de capital de solvabilité à la fin de la période transitoire. Dans les deux mois suivant le constat du non-respect de l’exigence de capital de solvabilité sans le bénéfice des mesures transitoires visées aux articles 668 ou 669, l’entreprise d’assurance ou de réassurance concernée présente à la Banque un plan de mise en oeuvre pro- gressive exposant les mesures prévues afin d’établir le niveau de fonds propres éligibles correspondant au capi- tal de solvabilité requis ou de réduire son profil de risque afin de garantir le respect de l’exigence de capital de solvabilité à la fin de la période transitoire. L’entreprise d’assurance ou de réassurance concernée peut actua- liser le plan de mise en oeuvre progressive durant la 1148 1584/002 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 verzekerings- of herverzekeringsonderneming kan het geleidelijke-invoeringsplan gedurende de overgangspe- riode aanpassen. Bovendien dienen de ondernemingen die de in artikel  669  bedoelde overgangsmaatregel toepassen jaarlijks een verslag in waarin wordt aan- gegeven welke maatregelen er zijn getroffen en welke vooruitgang er is geboekt met het in dit lid bedoelde geleidelijke-invoeringsplan. § 2. Tot 1 januari 2021 verstrekt de Bank aan EIOPA jaarlijks de volgende informatie: 1° de beschikbaarheid van langetermijngaranties in verzekeringsproducten op de nationale markt en het gedrag van verzekerings- en herverzekeringsonderne- mingen als langetermijnbeleggers; 2° het aantal verzekerings- en herverzekeringson- dernemingen dat de matchingopslag, de volatiliteits- aanpassing, de verlenging van de herstelperiode met toepassing van artikel 510, § 3, de looptijdgebaseerde submodule “aandelenrisico” en de overgangsmaatre- gelen als bedoeld in de artikelen 668 en 669 toepast; 3° het effect op de financiële positie van de verze- kerings- en herverzekeringsondernemingen van de matchingopslag, de volatiliteitsaanpassing, het me- chanisme voor de symmetrische aanpassing aan het aandelenkapitaalvereiste, de looptijdgebaseerde sub- module “aandelenrisico” en de overgangsmaatregelen als bedoeld in de artikelen 668 en 669, op nationaal niveau, en geanonimiseerd voor elke onderneming; 4° het effect van de matchingopslag, de volatiliteits- aanpassing, het mechanisme voor de symmetrische aanpassing aan het aandelenkapitaalvereiste en de looptijdgebaseerde submodule “aandelenrisico” op het beleggingsgedrag van de verzekerings- en herverzeke- ringsondernemingen en het feit of deze maatregelen al dan niet leiden tot een onrechtmatig capital relief; 5° het effect van een eventuele verlenging van de overeenkomstig artikel 510, §  3, verleende herstel- periode, op de inspanningen van verzekerings- en herverzekeringsondernemingen om het niveau van het in aanmerking komend eigen vermogen ter dekking van het solvabiliteitskapitaalvereiste te herstellen of het risicoprofiel te verlagen om te garanderen dat het solvabiliteitskapitaalvereiste wordt nageleefd; 6° indien verzekerings- en herverzekeringsonder- nemingen de overgangsmaatregelen als bedoeld in de artikelen 668 en 669 toepassen, of zij zich hou- den aan de in paragraaf 1  van dit artikel bedoelde période transitoire. Les entreprises bénéficiant de la mesure transitoire visée à l’article 669 présentent, en outre, chaque année un rapport exposant les mesures prises et les progrès accomplis dans le cadre du plan de mise en oeuvre progressive visé au présent alinéa. §  2. Jusqu’au 1er  janvier  2021, la Banque fournit à l’EIOPA, sur une base annuelle, les informations suivantes: 1° la disponibilité des garanties à longue échéance des produits d’assurance sur le marché national et les pratiques des entreprises d’assurance et de réassu- rance en tant qu’investisseurs à long terme; 2° le nombre d’entreprises d’assurance et de réassurance qui appliquent l’ajustement égalisateur, la correction pour volatilité et la prolongation du délai de rétablissement en application de l’article 510, § 3, le sous-module “risque sur actions” fondé sur la durée et les mesures transitoires énoncées aux articles 668 et 669; 3° les effets, sur la situation financière des entreprises d’assurance et de réassurance, de l’ajustement égali- sateur, de la correction pour volatilité, du mécanisme d’ajustement symétrique de l’exigence de capital pour actions, du sous-module “risque sur actions” fondé sur la durée et des mesures transitoires énoncées aux articles 668 et 669, au niveau national et dans des conditions rendues anonymes pour chaque entreprise; 4° l’effet de l’ajustement égalisateur, de la correction pour volatilité, du mécanisme d’ajustement symétrique de l’exigence de capital pour actions et du sous-module “risque sur actions” fondé sur la durée sur les pratiques d’investissement des entreprises d’assurance et de réassurance et le fait que ces mesures entraînent ou non un allègement indu des exigences de fonds propres; 5° l’effet de toute prolongation du délai de rétablis- sement consenti conformément à l’article 510, § 3, sur les efforts déployés par les entreprises d’assurance et de réassurance pour rétablir le niveau de fonds propres éligibles couvrant le capital de solvabilité requis ou réduire le profil de risque en vue de garantir le respect de l’exigence de capital de solvabilité; 6° lorsque les entreprises d’assurance et de réas- surance appliquent les mesures transitoires énoncées aux articles 668 et 669, le respect, par lesdites entre- prises, des plans de mise en oeuvre graduelle visés au 1149 1584/002 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 geleidelijke-invoeringsplannen, alsmede de vooruit- zichten op een gereduceerde afhankelijkheid van deze overgangsmaatregelen, met inbegrip van maatregelen die genomen zijn of naar verwachting genomen zullen worden door de ondernemingen en de Bank, met in- achtneming van het toepasselijke rechtskader. Art. 672 § 1. Niettegenstaande artikel 357, § 2, zijn de over- gangsbepalingen van de artikelen 661 tot 665 en 668 tot 671, § 1 mutatis mutandis van toepassing op het niveau van de groep. Niettegenstaande artikel 357, § § 2 en 3, zijn de overgangsbepalingen van artikel 667 mutatis mutandis van toepassing op het niveau van de groep wanneer de deelnemende verzekerings- of herverzekeringsonder- nemingen of de verzekerings- of herverzekeringson- dernemingen die tot een groep behoren, voldeden aan het vereiste van aangepaste solvabiliteit als bedoeld in Hoofdstuk VIIbis van de wet van 9 juli 1975 betreffende de controle der verzekeringsondernemingen, maar niet voldoen aan het solvabiliteitskapitaalvereiste van de groep. § 2. In afwijking van artikel 373 kan de uiteindelijke moederonderneming tot 31 maart 2022 een aanvraag in- dienen voor de toepassing van een intern groepsmodel op een deel van de groep indien zowel de verzekerings- of herverzekeringsonderneming als de uiteindelijke moederonderneming in dezelfde lidstaat zijn gevestigd en indien dit deel een apart onderdeel vormt met een duidelijk ander risicoprofiel van de rest van de groep. Art. 673 Tot 31 december 2020 is artikel 600 van toepassing op de herverzekeringsondernemingen die onder het recht van een derde land ressorteren en die opgenomen zijn in de lijst die met toepassing van artikel 172, lid 4, derde alinea van Richtlijn 2009/138/EG gepubliceerd wordt door EIOPA. Art. 674 De verzekeringsondernemingen gaan uiterlijk op 1 januari 2019 over tot de formele aanpassing van hun overeenkomsten van tak 27 als vermeld in Bijlage II. paragraphe 1er du présent article et les perspectives d’une réduction de la dépendance à l’égard de ces mesures transitoires, y compris les mesures qui ont été prises ou devraient être prises par les entreprises et la Banque, compte tenu du cadre juridique applicable. Art. 672 § 1er. Nonobstant l’article 357, § 2, les dispositions transitoires prévues aux articles 661 à 665 et 668 à 671, § 1er s’appliquent mutatis mutandis au niveau du groupe. Nonobstant l’article 357, § § 2 et 3, les dispositions transitoires prévues à l’article 667 s’appliquent mutatis mutandis au niveau du groupe lorsque les entreprises d’assurance ou de réassurance participantes ou les entreprises d’assurance ou de réassurance appar- tenant à un groupe se conformaient à l’exigence de solvabilité ajustée prévue sous le Chapitre VIIbis de la loi du 9 juillet 1975 relative au contrôle des entreprises mais ne se conforment pas à l’exigence de capital de solvabilité applicable au groupe. § 2. Par dérogation à l’article 373, l’entreprise mère supérieure peut demander, avant le 31 mars 2022, à être autorisée à appliquer un modèle interne de groupe qu’à une partie du groupe pourvu que, à la fois, l’entreprise d’assurance ou de réassurance et l’entreprise mère supérieure soient situées dans le même État membre et que cette partie constitue une partie distincte ayant un profil de risque sensiblement différent de celui du reste du groupe. Art. 673 Jusqu’au 31 décembre 2020, l’article 600 est d’ap- plication aux entreprises de réassurance relevant du droit d’un pays tiers qui figurent sur la liste publiée par l’EIOPA en application de l’article 172, paragraphe 4, alinéa 3 de la Directive 2009/138/CE. Art. 674 Les entreprises d’assurance adaptent formellement les contrats relevant de la branche 27 mentionnée à l’Annexe II au plus tard le 1er janvier 2019. 1150 1584/002 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 TITEL II Slotbepalingen en diverse bepalingen Art. 675 Artikel 2, § 1quater van de wet van 9 juli 1975 betref- fende de controle der verzekeringsondernemingen, inge- voegd bij artikel 30, 2° van de wet van 26 april 2010, zo- als dit bestond voor de opheffing ervan bij artikel 761 van deze wet, moet geïnterpreteerd worden in die zin dat de onderlinge verzekeringsverenigingen en de coöpe- ratieve vennootschappen die hun verzekeringsactiviteit beperken tot de gemeente waar hun maatschappelijke zetel is gevestigd of tot die gemeente en de omliggende gemeenten, vrijgesteld zijn van de toepassing van de bepalingen van de wet van 9 juli 1975 betreffende de controle der verzekeringsondernemingen, met uitzonde- ring van de bepalingen van die wet die door de Koning van toepassing zijn verklaard volgens de regels en de modaliteiten die Hij bepaalt. Art. 676 Onverminderd de verplichtingen die door het Unierecht aan België zijn opgelegd, kan de Koning, bij een in Ministerraad overlegd besluit, de bijzondere re- gels bepalen die van toepassing zijn op de verzekerings- ondernemingen voor wat betreft de toekenning van bui- tenwettelijke voordelen aan de werknemers bedoeld in koninklijk besluit nr. 50 van 24 oktober 1967 betreffende het rust- en overlevingspensioen voor werknemers en aan de personen bedoeld in artikel 32, eerste lid, 1° en 2° van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992, die buiten een arbeidsovereenkomst zijn tewerkgesteld. Art. 677 Onverminderd de bepalingen van Richtlijn 2009/138/ EG en de uitvoeringsmaatregelen ervan, kan de Koning bij een koninklijk besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad en op advies van de Bank of van de FSMA, ieder voor wat zijn bevoegdheden betreft, en van de Controledienst voor de ziekenfondsen, de verzeke- ringsmaatschappijen van onderlinge bijstand vrijstellen van de toepassing van sommige bepalingen van deze wet en aangeven welke regels in plaats daarvan van toepassing zijn. Art. 678 De in euro luidende bedragen in deze wet wor- den aangepast conform de aanpassing die in het TITRE II Dispositions finales et diverses Art. 675 L’article 2, § 1erquater de la loi du 9 juillet 1975 relative au contrôle des entreprises d’assurances, inséré par l’article 30, 2° de la loi du 26 avril 2010, tel qu’il existait avant son abrogation par l’article 761 de la présente loi, doit s’interpréter en ce sens que les associations d’assurances mutuelles et les sociétés coopératives qui restreignent leur activité d’assurance à la commune de leur siège social ou à cette commune et aux communes voisines sont dispensées de l’application des disposi- tions de la loi du 9 juillet 1975 relative au contrôle des entreprises d’assurances sauf les dispositions de cette loi rendues applicables par le Roi selon les règles et modalités qu’Il détermine. Art. 676 Sans préjudice des obligations imposées à la Belgique par le droit de l’Union, le Roi peut déterminer, par arrêté délibéré en Conseil des ministres, les règles particulières applicables aux entreprises d’assurance en ce qui concerne l’octroi d’avantages extra-légaux aux travailleurs salariés visés par l’arrêté royal n° 50 du 24 octobre 1967 relatif à la pension de retraite et de survie des travailleurs salariés et aux personnes visées à l’article 32, alinéa 1er, 1° et 2° du Code des Impôts sur les Revenus 1992, occupées en dehors d’un contrat de travail. Art. 677 Sans préjudice des dispositions de la Directive 2009/138/CE et de ses mesures d’exécution, le Roi peut, par arrêté royal délibéré en Conseil des ministres et sur avis de la Banque ou de la FSMA, chacune dans son domaine de compétence, et de l’Office de contrôle des mutualités, dispenser les sociétés mutualistes d’assurance de l’application de certaines dispositions de la présente loi et préciser les règles qui leur sont éventuellement applicables en lieu et place. Art. 678 Les montants libellés en euros figurant dans la pré- sente loi font l’objet d’une révision de manière conforme 1151 1584/002 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 Publicatieblad van de Europese Unie wordt bekendge- maakt door de Europese Commissie met toepassing van artikel 300 van de Richtlijn. De in dit artikel bedoelde aanpassing heeft uitwerking binnen zes maanden te rekenen vanaf de genoemde bekendmaking. Art. 679 Het koninklijk besluit van 11 juni 2015 houdende aan- wijzing van de bevoegde autoriteit verantwoordelijk voor het uitvoeren van de vergunning en het toezicht op de centrale effectenbewaarinstellingen wordt bekrachtigd met uitwerking op 19 juni 2015. TITEL III Wijzigingsbepalingen HOOFDSTUK I Wijziging in de wet van 12 juli 1957 betreffende het rust- en overlevingspensioen voor bedienden Art. 680 In Artikel 22, § 2 van de wet van 12 juli 1957 betref- fende het rust- en overlevingspensioen voor bedienden, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 28 april 2003, worden de woorden “bij een verzekeringsonderneming of -instel- ling bedoeld in artikel 2, § 1 en § 3, 5°, van de wet van 9 juli 1975 betreffende de controle der verzekeringson- dernemingen, voor zover zij door de Koning zijn erkend volgens de door Hem vastgestelde voorwaarden.” vervangen door de woorden “bij een verzekeringson- derneming bedoeld in artikel 5, eerste lid, 1°, van de wet van [___] 2015 op het statuut van en het toezicht op verzekerings- of herverzekeringsondernemingen.”. HOOFDSTUK II Wijziging in de arbeidsongevallenwet van 10 april 1971 Art. 681 In artikel 48ter, eerste lid van de arbeidsongeval- lenwet van 10 april 1971, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 10 augustus 2001, worden de woorden “bedoeld in artikel 80 van de wet van 9 juli 1975 betreffende de controle der verzekeringsondernemingen” vervangen door de woorden “bedoeld in artikel 24, § 1, 1°, van de wet van [___] 2015 op het statuut van en het toezicht op verzekerings- of herverzekeringsondernemingen,”. à la révision publiée au Journal officiel de l’Union euro- péenne par la Commission européenne en application de l’article 300 de la Directive. La révision prévue au présent article sort ses effets dans les six mois à comp- ter de ladite publication. Art. 679 L’arrêté royal du 11 juin 2015 portant désignation de l’autorité compétente en charge de l’agrément et de la surveillance des dépositaires centraux de titres est confirmé avec effet au 19 juin 2015. TITRE III Dispositions modificatives CHAPITRE IER Modification de la loi du 12 juillet 1957 relative à la pension de retraite et de survie des employés Art. 680 Dans l’article 22, § 2, de la loi du 12 juillet 1957 rela- tive à la pension de retraite et de survie des employés, modifié en dernier lieu par la loi du 28 avril 2003, les mots “auprès d’une entreprise ou d’un organisme d’assurances visés à l’article 2, § 1er et § 3, 5°, de la loi du 9 juillet 1975 relative au contrôle des entreprises d’assurances, pour autant qu’ils ont été agréés par le Roi, dans les conditions qu’Il détermine.” sont remplacés par les mots “auprès d’une entreprise d’assurance visée à l’article 5, alinéa 1er, 1°, de la loi du [___] 2015 relative au statut et au contrôle des entreprises d’assurance ou de réassurance.”. CHAPITRE II Modification de la loi du 10 avril 1971 sur les accidents du travail Art. 681 Dans l’article 48ter, alinéa 1er, de la loi du 10 avril 1971 sur les accidents du travail, modifié en dernier lieu par la loi du 10 août 2001, les mots “visé à l’article 80 de la loi du 9 juillet 1975 relative au contrôle des entreprises d’assurances,” sont remplacés par les mots “visé à l’article 24, § 1er, 1°, de la loi du [___] 2015 relative au statut et au contrôle des entreprises d’assurance ou de réassurance,”. 1152 1584/002 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 Art. 682 In artikel 49, eerste lid, 1° van dezelfde wet worden de woorden “overeenkomstig de wet van 9 juli 1975 betref- fende de controle op de verzekeringsondernemingen” vervangen door de woorden “overeenkomstig de wet van [___] 2015 op het statuut van en het toezicht op verzekerings- of herverzekeringsondernemingen”. Art. 683 In artikel 52  van dezelfde wet worden de woor- den “bedoeld in artikel 68, §  1, 5°, van de wet van 9 juli 1975 betreffende de controle der verzekeringson- dernemingen” vervangen door de woorden “bedoeld in artikel 556, § 2, 1°, van de wet van [___] 2015 op het statuut van en het toezicht op verzekerings- of herverzekeringsondernemingen”. Art. 684 Artikel 54bis van dezelfde wet wordt vervangen als volgt: “Wanneer bij de overdrachten bedoeld in artikel 102, eerste lid, 3°, van de wet van [___] 2015 op het statuut van en het toezicht op verzekerings- of herverzeke- ringsondernemingen een verzekeringsonderneming die de wettelijke arbeidsongevallenverzekering uitoefent, betrokken is, kan de Nationale Bank van België de toestemming enkel verlenen na advies van het beheers- comité van het Fonds voor arbeidsongevallen. Indien een dergelijke verzekeringsonderneming be- trokken is bij een herstructurering van vennootschappen als bedoeld in boek XI van de wet van 7 mei 1999 hou- dende het Wetboek van Vennootschappen, stelt de Nationale Bank van België het Fonds voor arbeidson- gevallen hiervan onverwijld in kennis.”. Art. 685 In artikel 88quater, § 1 van dezelfde wet worden de volgende wijzigingen aangebracht: 1° de bepaling onder 1° wordt vervangen als volgt: “1° de Nationale Bank van België;” 2°  er wordt een bepaling onder 1bis° ingevoegd, luidende: Art. 682 Dans l’article 49, alinéa 1er, 1°, de la même loi, les mots “conformément à la loi du 9 juillet 1975 relative au contrôle des entreprises d’assurances” sont remplacés par les mots “conformément à la loi du [___] 2015 rela- tive au statut et au contrôle des entreprises d’assurance ou de réassurance”. Art. 683 Dans l’article 52 de la même loi, les mots “visé à l’article 68, § 1er, 5°, de la loi du 9 juillet 1975 relative au contrôle des entreprises d’assurances” sont remplacés par les mots “visé à l’article 556, § 2, 1°, de la loi du [___] 2015 relative au statut et au contrôle des entreprises d’assurance ou de réassurance”. Art. 684 L’article 54bis de la même loi est remplacé par ce qui suit: “Lorsque, lors des cessions visées à l’article 102, alinéa 1er, 3°, de la loi du [___] 2015 relative au statut et au contrôle des entreprises d’assurance ou de réassu- rance, une entreprise d’assurance exerçant l’assurance légale contre les accidents du travail est concernée, la Banque nationale de Belgique ne peut accorder l’auto- risation qu’après avis du comité de gestion du Fonds des accidents du travail. Si une telle entreprise d’assurance est concernée par une restructuration de sociétés visée au livre XI de la loi du 7 mai 1999 contenant le Code des sociétés, la Banque nationale de Belgique en informe le Fonds des accidents du travail sans délai.”. Art. 685 Dans l’article 88quater, § 1er, de la même loi, les modifications suivantes sont apportées: 1° le 1° est remplacé par ce qui suit: “1° à la Banque nationale de Belgique;” 2° il est inséré un 1bis° rédigé comme suit: 1153 1584/002 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 “1bis° de Autoriteit voor Financiële Diensten en Markten;” Art. 686 In artikel 91, § 2 van dezelfde wet, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 21 december 2013, wordt de bepaling onder 2° vervangen als volgt: “2° aan de Nationale Bank van België en de Autoriteit voor Financiële Diensten en Markten vragen om de maatregelen toe te passen die bedoeld zijn, voor de Nationale Bank van België, in artikel 517 of 569 van de wet van [___] 2015 op het statuut van en het toe- zicht op verzekerings- of herverzekeringsondernemin- gen en, voor de Autoriteit voor Financiële Diensten en Markten, in artikel 36bis, §  2, van de wet van 2 augustus 2002 betreffende het toezicht op de finan- ciële sector en de financiële diensten, artikel 288 van de wet van 4 april 2014 betreffende de verzekeringen of artikel 291 van dezelfde wet. Indien nodig verzoekt de minister bevoegd voor Sociale Zaken de Nationale Bank van België of de Autoriteit voor Financiële Diensten en Markten onverwijld de genoemde maatregelen te nemen. Onverminderd het eerste lid stelt het Fonds voor arbeidsongevallen de Nationale Bank van België en de Autoriteit voor Financiële Diensten en Markten in kennis van de tekortkomingen vastgesteld bij een verzeke- ringsonderneming die onder het recht van een andere lidstaat van de Europese Unie ressorteert dan België, met het oog op de toepassing, door de Nationale Bank van België, van met name de artikelen 566 tot 574 van de wet van [___] 2015 op het statuut van en het toezicht op verzekerings- of herverzekeringsondernemingen en, door de Autoriteit voor Financiële Diensten en Markten, van met name de artikelen 286, 291 en 293 van de wet van 4 april 2014 betreffende de verzekeringen.”. HOOFDSTUK III Wijziging in de wet van 21 november 1989 betreffende de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen Art. 687 Artikel 10, § 2 van de wet van 21 november 1989 be- treffende de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen wordt vervangen als volgt: “1bis° à l’Autorité des services et marchés financiers;” Art. 686 Dans l’article 91, § 2, de la même loi, modifié en dernier lieu par la loi du 21 décembre 2013, le 2° est remplacé par ce qui suit: “2° demander à la Banque nationale de Belgique et l’Autorité des services et marchés financiers d’appli- quer les mesures visées, pour la Banque nationale de Belgique, aux articles 517 ou 569 de la loi du [___] 2015 relative au statut et au contrôle des entreprises d’assurance ou de réassurance et, pour l’Autorité des services et marchés financiers, aux articles 36bis, § 2, de la loi du 2 août 2002 relative à la surveillance du sec- teur financier et aux services financiers, 288 de la loi du 4 avril 2014 relative aux assurances, ou 291 de la même loi. Au besoin, le ministre qui a les Affaires sociales dans ses attributions demande à la Banque nationale de Belgique ou à l’Autorité des services et marchés financiers de prendre sans délai lesdites mesures. Sans préjudice de l’alinéa 1er, le Fonds des accidents du travail informe la Banque nationale de Belgique et l’Autorité des services et marchés financiers des man- quements constatés dans une entreprise d’assurance qui relève du droit d’un État membre de l’Union euro- péenne autre que la Belgique, en vue de l’application, par la Banque nationale de Belgique, notamment, des articles 566 à 574 de la loi du [___] 2015 relative au statut et au contrôle des entreprises d’assurance ou de réassurance et, par l’Autorité des services et marchés financiers, notamment, des articles 286, 291 et 293 de la loi du 4 avril 2014 relative aux assurances.”. CHAPITRE III Modification de la loi du 21 novembre 1989 relative à l’assurance obligatoire de la responsabilité en matière de véhicules automoteurs Art. 687 L’article 10, § 2 de la loi du 21 novembre 1989 rela- tive à l’assurance obligatoire de la responsabilité en matière de véhicules automoteurs est remplacé par la disposition suivante: 1154 1584/002 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 “§ 2. De nationale of gewestelijke instellingen van openbaar nut voor gemeenschappelijk vervoer zijn vrij- gesteld van de in artikel 2 bedoelde verzekeringsplicht op voorwaarde dat zij een verzekeringsovereenkomst hebben gesloten bij een verzekeringsonderneming die met toepassing van artikel 28 van de wet van [___] op het statuut van en het toezicht op verzekerings- of herverzekeringsondernemingen een vergunning heeft verkregen of die met toepassing van artikel 550 of artikel 556 van dezelfde wet haar activiteiten in België mag uitoefenen. De in het eerste lid bedoelde overeenkomst dekt de benadeelde onder de voorwaarden van de artikelen 3 en 4. Voor de toepassing van deze paragraaf kunnen de excepties, vrijstellingen, de nietigheid en het verval van recht voortvloeiend uit de wet of de overeenkomst en die hun oorzaak vinden in een feit dat zich voor of na het schadegeval heeft voorgedaan, aan de benadeelde niet worden tegengeworpen.  Indien de nietigverklaring, de opzegging, de beëin- diging of de schorsing van de overeenkomst geschied is voordat het schadegeval zich heeft voorgedaan, kan zij echter aan de benadeelde worden tegengeworpen.”. HOOFDSTUK IV Wijzigingen in de wet van 6 augustus 1990 betreffende de ziekenfondsen en de landsbonden van ziekenfondsen Art. 688 In artikel 9, §  1septies, vijfde lid van de wet van 6 augustus 1990 betreffende de ziekenfondsen en de landsbonden van ziekenfondsen, ingevoegd bij de wet van 26 april 2010, worden de woorden “aan de wet van 9 juli 1975 betreffende de controle der verzekerings- ondernemingen,” vervangen door de woorden “aan de wet van [___] 2015 op het statuut van en het toezicht op verzekerings- of herverzekeringsondernemingen,”. Art. 689 In artikel 43ter van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 22 februari 1998, worden de volgende wijzingen aangebracht: 1° in het eerste lid worden de woorden “van een bank- product, zoals bepaald in de wet van 22 maart 1993 op het statuut van en het toezicht op de kredietinstellingen” “§ 2. Les organismes d’intérêt public de transport en commun nationaux ou régionaux sont dispensés de l’obligation d’assurance visée à l’article 2 à condi- tion que ces organismes aient souscrit auprès d’une entreprise d’assurance agréée en application de l’article 28 de la loi du [_____] relative au statut et au contrôle des entreprises d’assurance ou de réassurance ou autorisée à exercer ses activités en Belgique en appli- cation de l’article 550 ou de l’article 556 de la même loi. Le contrat visé à l’alinéa 1er couvre la personne lésée dans les conditions prévues aux articles 3 et 4. Pour l’application du présent paragraphe, les excep- tions, franchises, nullités et déchéances découlant de la loi ou du contrat, et trouvant leur cause dans un fait antérieur ou postérieur au sinistre, sont inopposables à la personne lésée.  Sont toutefois opposables à la personne lésée l’annu- lation, la résiliation, l’expiration ou la suspension du contrat, intervenues avant la survenance du sinistre.”. CHAPITRE IV Modifications de la loi du 6 août 1990 relative aux mutualités et aux unions nationales de mutualité Art. 688 Dans l’article 9, § 1ersepties, alinéa 5, de la loi du 6 août 1990 relative aux mutualités et aux unions natio- nales de mutualité, inséré par la loi du 26 avril 2010, les mots “à la loi du 9 juillet 1975 relative au contrôle des entreprises d’assurances,” sont remplacés par les mots “à la loi du [___] 2015 relative au statut et au contrôle des entreprises d’assurance ou de réassurance,”. Art. 689 Dans l’article 43ter, de la même loi, inséré par la loi du 22 février 1998, les modifications suivantes sont apportées: 1° à l’alinéa 1er, les mots “d’un produit bancaire au sens de la loi du 22 mars 1993 relative au statut et au contrôle des institutions de crédit” sont remplacés par 1155 1584/002 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 vervangen door de woorden “van een bankproduct, in het kader van een activiteit als bedoeld in artikel 4 van de wet van 25 april 2014 op het statuut van en het toezicht op kredietinstellingen”; 2°  in het tweede lid worden de woorden “zoals bepaald in de wet van 22 maart 1993 betreffende het statuut van en het toezicht op de kredietinstellingen” vervangen door de woorden “zoals bepaald in artikel 4 van de wet van 25 april 2014 op het statuut van en het toezicht op kredietinstellingen”. Art. 690 In artikel 52, 11° van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 26 april 2010, worden de woorden “volgens de bepalingen van de wetten van 9 juli 1975 betreffende de controle der verzekeringsondernemingen,” vervangen door de woorden “volgens de bepalingen van de wet- ten van [___] 2015 op het statuut van en het toezicht op verzekerings- of herverzekeringsondernemingen,”. Art. 691 In artikel 62quater van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 26 april 2010, worden de woorden “van de wet van 9 juli 1975 betreffende de controle der verzeke- ringsondernemingen” vervangen door de woorden “van de wet van [___] 2015 op het statuut van en het toezicht op verzekerings- of herverzekeringsondernemingen”. Art. 692 In artikel 68, 2° van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 2 juni 2010, worden de volgende wijzigingen aangebracht: 1° in de bepaling onder a) worden de woorden “in toepassing van artikel 3 van de wet van 9 juli 1975 be- treffende de controle der verzekeringsondernemingen” vervangen door de woorden “in toepassing van de artikelen 28  en 584  van de wet van [___] 2015  op het statuut van en het toezicht op verzekerings- of herverzekeringsondernemingen”; 2° de bepaling onder b) wordt opgeheven; 3° in de bepaling onder c) worden de woorden “be- doeld in artikel 21octies van de wet van 9 juli 1975 be- treffende de controle der verzekeringsondernemingen;” vervangen door de woorden “bedoeld in artikel 504 van de wet van [___] 2015 op het statuut van en het toezicht op verzekerings- of herverzekeringsondernemingen;”; les mots “d’un produit bancaire dans le cadre d’une acti- vité visée à l’article 4 de la loi du 25 avril 2014 relative au statut et au contrôle des établissements de crédit”; 2°  à l’alinéa 2, les mots “au sens de la loi du 22 mars 1993 relative au statut et au contrôle des insti- tutions de crédit” sont remplacés par les mots “au sens de l’article 4 de la loi du 25 avril 2014 relative au statut et au contrôle des établissements de crédit”. Art. 690 Dans l’article 52, 11° de la même loi, inséré par la loi du 26 avril 2010, les mots “conformément aux dis- positions des lois des 9 juillet 1975 relative au contrôle des entreprises d’assurances,” sont remplacés par les mots “conformément aux dispositions des lois des [___] 2015 relative au statut et au contrôle des entreprises d’assurance ou de réassurance,”. Art. 691 Dans l’article 62quater de la même loi, inséré par la loi du 26 avril 2010, les mots “de la loi du 9 juillet 1975 rela- tive au contrôle des entreprises d’assurances” sont remplacés par les mots “de la loi du [___] 2015 relative au statut et au contrôle des entreprises d’assurance ou de réassurance”. Art. 692 Dans l’article 68, 2°, de la même loi, inséré par la loi du 2  juin  2010, les modifications suivantes sont apportées: 1° au a), les mots “en application de l’article 3 de la loi du 9 juillet 1975 relative au contrôle des entreprises d’assurances;” sont remplacés par les mots “en applica- tion des articles 28 et 584 de la loi du [___] 2015 relative au statut et au contrôle des entreprises d’assurance ou de réassurance;”; 2° le b) est abrogé; 3° au c), les mots “visées à l’article 21octies de la loi du 9 juillet 1975 relative au contrôle des entreprises d’assurances;” sont remplacés par les mots “visées à l’article 504 de la loi du [___] 2015 relative au sta- tut et au contrôle des entreprises d’assurance ou de réassurance;”; 1156 1584/002 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 4°  in de bepaling onder d) worden de woorden “bedoeld in artikel 26, §  §  1, tweede lid, 2°, 3° en 4°, en 5, 8 en 9, van de wet van 9 juli 1975 betref- fende de controle der verzekeringsondernemingen;” vervangen door de woorden “bedoeld in artikel 517, § 1, 2°, 4°, 6°, 7° en 8°, van de wet van [___] 2015 op het statuut van en het toezicht op verzekerings- of herverzekeringsondernemingen;”; 5°  in de bepaling onder e) worden de woorden “bedoeld in artikel 43 van de wet van 9 juli 1975 betref- fende de controle der verzekeringsondernemingen;” vervangen door de woorden “bedoeld in de artikelen 517, § 1, 8°, 541 en 598, § 2, van de wet van [___] 2015 op het statuut van en het toezicht op verzekerings- of herverzekeringsondernemingen;”; 6°  in de bepaling onder f) worden de woorden “bedoeld in de artikelen 51  en 58  van de wet van 9 juli 1975 betreffende de controle der verzekerings- ondernemingen of wanneer de Controledienst geen beslissing heeft bekendgemaakt binnen de termijn vastgelegd in artikel 51, tweede lid, van dezelfde wet;” vervangen door de woorden “bedoeld in de artikelen 108, § 3 en 115, § 2, van de wet van [___] 2015 op het statuut van en het toezicht op verzekerings- of herverzekeringsondernemingen;”; Art. 693 In artikel 75, § 1 van dezelfde wet wordt de bepaling onder 3° opgeheven. HOOFDSTUK V Wijziging in de wet van 25 juni 1992 op de landverzekeringsovereenkomst Art. 694 In artikel 140, vierde lid van de wet van 25 juni 1992 op de landverzekeringsovereenkomst, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 30 juli 2013, worden de woorden “van artikel 21octies van de wet van 9 juli 1975 betreffende de controle der verzekeringsondernemingen” vervangen door de woorden “van artikel 504 van de wet van [___] 2015 op het statuut van en het toezicht op verzekerings- of herverzekeringsondernemingen”. 4° au d), les mots “visées à l’article 26, § § 1er, alinéa 2, 2°, 3° et 4°, et 5, 8 et 9, de la loi du 9 juillet 1975 rela- tive au contrôle des entreprises d’assurances;” sont remplacés par les mots “visées à l’article 517, § 1er, 2°, 4°, 6°, 7° et 8°, de la loi du [___] 2015 relative au statut et au contrôle des entreprises d’assurance ou de réassurance;”; 5°  au e), les mots “visées à l’article 43  de la loi du 9 juillet 1975 relative au contrôle des entreprises d’assurances;” sont remplacés par les mots “visées aux articles 517, § 1er, 8°, 541 et 598, § 2, de la loi du [___] 2015 relative au statut et au contrôle des entreprises d’assurance ou de réassurance;”; 6° au f), les mots “visées aux articles 51 et 58 de la loi du 9 juillet 1975 relative au contrôle des entreprises d’assurances ou lorsque l’Office de contrôle n’a pas notifié de décision dans le délai fixé à l’article 51, alinéa 2, de la même loi;” sont remplacés par les mots “visées aux articles 108, § 3 et 115, § 2, de la loi du [___] 2015 relative au statut et au contrôle des entreprises d’assurance ou de réassurance;”; Art. 693 Dans l’article 75, § 1er, de la même loi, le 3° est abrogé. CHAPITRE V Modification de la loi du 25 juin 1992 sur le contrat d’assurance terrestre Art. 694 Dans l’article 140, alinéa 4, de la loi du 25 juin 1992 sur le contrat d’assurance terrestre, modifié en dernier lieu par la loi du 30 juillet 2013, les mots “de l’article 21octies de la loi du 9 juillet 1975 relative au contrôle des entreprises d’assurances” sont remplacés par les mots “de l’article 504 de la loi du [___] 2015 relative au statut et au contrôle des entreprises d’assurance ou de réassurance”. 1157 1584/002 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 HOOFDSTUK VI Wijzigingen in de wet van 11 januari 1993 tot voorkoming van het gebruik van het financiële stelsel voor het witwassen van geld en de financiering van terrorisme Art. 695 In artikel 2, § 1 van de wet van 11 januari 1993 tot voorkoming van het gebruik van het financiële stelsel voor het witwassen van geld en de financiering van ter- rorisme, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 25 april 2014, worden de volgende wijzigingen aangebracht: 1° in de bepaling onder 6° worden de woorden “, met toepassing van de wet van 9 juli 1975 betreffende de controle der verzekeringsondernemingen,” vervangen door de woorden “met toepassing van de wet van [___] 2015 op het statuut van en het toezicht op verzekerings- of herverzekeringsondernemingen”; 2° in de bepaling onder 7° worden de woorden “be- doeld in de wet van 9 juli 1975 betreffende de controle der verzekeringsondernemingen; “vervangen door de woorden “bedoeld in de wet van [____] 2015  op het statuut van en het toezicht op verzekerings- of herverzekeringsondernemingen;”. HOOFDSTUK VII Wijzigingen in de wet van 6 april 1995 inzake het statuut van en het toezicht op de beleggingsondernemingen Art. 696 In artikel 45, § 1 van de wet van 6 april 1995 inzake het statuut van en het toezicht op de beleggingsonderne- mingen, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 25 april 2014, wordt de bepaling onder 2° vervangen als volgt: “2° de verzekerings- en herverzekeringsondernemin- gen bedoeld in de Boeken II en III van de wet van [___] 2015 op het statuut van en het toezicht op verzekerings- of herverzekeringsondernemingen”. Art. 697 In artikel 95bis, § 1 van dezelfde wet, laatstelijk gewij- zigd bij de wet van 25 april 2014, worden de volgende wijzigingen aangebracht: CHAPITRE VI Modifications de la loi du 11 janvier 1993 relative à la prévention de l’utilisation du système financier aux fins du blanchiment de capitaux et du financement du terrorisme Art. 695 Dans l’article 2, § 1er, de la loi du 11 janvier 1993 rela- tive à la prévention de l’utilisation du système financier aux fins du blanchiment de capitaux et du financement du terrorisme, modifié en dernier lieu par la loi du 25 avril 2014, les modifications suivantes sont apportées: 1°  au 6°, les mots “en application de la loi du 9 juillet 1975 relative au contrôle des entreprises d’assu- rances;” sont remplacés par les mots “en application de la loi du [___] 2015 relative au statut et au contrôle des entreprises d’assurance ou de réassurance;”; 2° au 7°, les mots “visé par la loi du 9 juillet 1975 rela- tive au contrôle des entreprises d’assurances;” sont remplacés par les mots “visé par la loi du [____] 2015 relative au statut et au contrôle des entreprises d’assurance ou de réassurance;”. CHAPITRE VII Modifications de la loi du 6 avril 1995 relative au statut et au contrôle des entreprises d’investissement Art. 696 Dans l’article 45, § 1er, de la loi du 6 avril 1995 relative au statut et au contrôle des entreprises d’investisse- ment, modifié en dernier lieu par la loi du 25 avril 2014, le 2° est remplacé par ce qui suit: “2° aux entreprises d’assurance et de réassurance visées aux Livres II et III de la loi du [___] 2015 relative au statut et au contrôle des entreprises d’assurance ou de réassurance”. Art. 697 Dans l’article 95bis, § 1er, de la même loi, modifié en dernier lieu par la loi du 25 avril 2014, les modifications suivantes sont apportées: 1158 1584/002 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 1° in de bepaling onder 3° worden de woorden “hetzij een verzekeringsonderneming als gedefinieerd in artikel 91bis, 1° en 2°, van de wet van 9 juli 1975 betreffende de controle der verzekeringsondernemingen, hetzij een herverzekeringsonderneming als gedefinieerd in artikel 82, 3° en 4°, van de wet van 16 februari 2009 op het herverzekeringsbedrijf” vervangen door de woorden “hetzij een verzekerings- of herverzekeringsonderne- ming waarvan de zetel gelegen is in een lidstaat of in een derde land in de zin van de wet van [___] 2015 op het statuut van en het toezicht op verzekerings- of herverzekeringsondernemingen”; 2° in de bepaling onder 4°, b) worden de woorden “verzekeringsholding in de zin van artikel 91bis, 9°, van dezelfde wet;” vervangen door de woorden “ver- zekeringsholding in de zin van artikel 338, 5°, van de wet van [___] 2015 op het statuut van en het toezicht op verzekerings- of herverzekeringsondernemingen;”; 3°  in de bepaling onder 6° worden de woorden “hoofdstuk VIIbis van de wet van 9 juli 1975 of artikel 82 van de wet van 16 februari 2009 op het herverze- keringsbedrijf.” vervangen door de woorden “Boek II, Titel V, Hoofdstuk III, van de wet van [___] 2015 op het statuut van en het toezicht op verzekerings- of herverzekeringsondernemingen.”. HOOFDSTUK VII Wijzigingen in de wet van 22 februari 1998 tot vaststelling van het organiek statuut van de Nationale Bank van België Art. 698 In artikel 35 van dezelfde wet, laatstelijk gewijzigd bij het koninklijk besluit van 3 maart 2011, worden de volgende wijzigingen aangebracht: 1° het tweede lid wordt opgeheven; 2° artikel 35, als gewijzigd bij de bepaling onder 1° van dit artikel en waarvan de bestaande tekst paragraaf 1 zal vormen, wordt aangevuld met de paragrafen 2 en 3, luidende: “§ 2. Onverminderd paragraaf 1 mag de Bank ver- trouwelijke informatie meedelen: 1° ingeval de mededeling van dergelijke informatie wordt voorgeschreven of toegestaan door of krachtens de wet; 1° au 3°, les mots “soit une entreprise d’assurances telle que définie à l’article 91bis, 1° et 2°, de la loi du 9 juillet 1975 relative au contrôle des entreprises d’assurances, soit une entreprise de réassurance telle que définie à l’article 82, 3° et 4°, de la loi du 16 février 2009 relative à la réassurance” sont rempla- cés par les mots “soit une entreprise d’assurance ou de réassurance ayant son siège social dans un État membre ou dans un pays tiers au sens de la loi du [___] 2015 relative au statut et au contrôle des entreprises d’assurance ou de réassurance”; 2° au 4°, b), les mots “société holding d’assurances au sens de l’article 91bis, 9°, de la même loi;” sont remplacés par les mots “société holding d’assurance au sens de l’article 338, 5°, de la loi du [___] 2015 relative au statut et au contrôle des entreprises d’assurance ou de réassurance;”; 3° au 6°, les mots “au chapitre VIIbis de la loi du 9 juillet 1975 ou à l’article 82 de la loi du 16 février 2009 re- lative à la réassurance.” sont remplacés par les mots “au Livre II, Titre V, Chapitre III, de la loi du [___] 2015 rela- tive au statut et au contrôle des entreprises d’assurance ou de réassurance.”. CHAPITRE VII Modifications de la loi du 22 février 1998 fixant le statut organique de la Banque nationale de Belgique Art. 698 Dans l’article 35 de la même loi, modifié en dernier lieu par l’arrêté royal du 3 mars 2011, les modifications suivantes sont apportées: 1° l’alinéa 2 est abrogé; 2° l’article 35, tel que modifié par le 1° du présent article et dont le texte actuel formera le paragraphe 1er, est complété par les paragraphes 2 et 3 rédigés comme suit: “§ 2. Nonobstant le paragraphe 1er, la Banque peut communiquer des informations confidentielles: 1° dans les cas où la communication de telles infor- mations est prévue ou autorisée par ou en vertu de la loi; 1159 1584/002 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 2° voor de aangifte van strafrechtelijke misdrijven bij de gerechtelijke autoriteiten; 3° in het kader van administratieve of gerechtelijke be- roepsprocedures tegen de handelingen of beslissingen van de Bank, en in het kader van elk ander rechtsgeding waarbij de Bank partij is; 4° in beknopte of samengevoegde vorm zodat indivi- duele natuurlijke of rechtspersonen niet kunnen worden geïdentificeerd. De Bank kan de beslissing om strafrechtelijke mis- drijven bij de gerechtelijke autoriteiten aan te geven, openbaar maken. § 3. Binnen de grenzen van het recht van de Europese Unie en binnen de eventuele beperkingen waarin bij of krachtens een wet uitdrukkelijk is voorzien, mag de Bank gebruikmaken van de vertrouwelijke informatie waarover zij in het kader van haar wettelijke opdrachten beschikt, om haar taken en opdrachten als bedoeld in de artikelen 12, § 1, 12ter, 36/2, 36/3 en haar opdrachten binnen het ESCB uit te voeren.” Art. 699 In Hoofdstuk IV van dezelfde wet wordt een artikel 35/1 ingevoegd, luidende: “Art. 35/1. § 1. In afwijking van artikel 35 en binnen de grenzen van het recht van de Europese Unie mag de Bank vertrouwelijke informatie meedelen: 1° die zij ontvangen heeft in het kader van de uitvoe- ring van haar opdracht als bedoeld in artikel 39 van de wet van 11 januari 1993 tot voorkoming van het gebruik van het financiële stelsel voor het witwassen van geld en de financiering van terrorisme, a)  aan de autoriteiten van de Europese Unie en van andere lidstaten van de Europese Economische Ruimte, alsook aan de autoriteiten van derde Staten die een bevoegdheid uitoefenen die vergelijkbaar is met die als bedoeld in artikel 39 van de voormelde wet van 11 januari 1993; b) aan de bevoegde autoriteiten van de Europese Unie en van andere lidstaten van de Europese Economische Ruimte en aan de bevoegde autoriteiten van derde Staten die één of meerdere bevoegdheden uitoefenen die vergelijkbaar zijn met die als bedoeld in de artikelen 36/2 en 36/3, alsook aan de Europese Centrale Bank voor wat betreft de taken die haar zijn opgedragen bij Verordening (EU) nr. 1024/2013 van de 2° pour dénoncer des infractions pénales aux auto- rités judiciaires; 3° dans le cadre de recours administratifs ou juri- dictionnels contre les actes ou décisions de la Banque ou dans le cadre de toute autre instance à laquelle la Banque est partie; 4° sous une forme sommaire ou agrégée de façon à ce que des personnes physiques ou morales indivi- duelles ne puissent pas être identifiées. La Banque peut rendre publique la décision de dé- noncer des infractions pénales aux autorités judiciaires. § 3. Dans les limites du droit de l’Union européenne et des éventuelles restrictions expressément prévues par ou en vertu d’une loi, la Banque peut faire usage des informations confidentielles qu’elle détient dans le cadre de ses missions légales, pour l’accomplissement de ses missions visées aux articles 12, § 1er, 12ter, 36/2, 36/3 et de ses missions au sein du SEBC.”. Art. 699 Dans le Chapitre IV de la même loi, il est inséré un article 35/1 rédigé comme suit: “Art. 35/1. § 1er. Par dérogation à l’article 35 et dans les limites du droit de l’Union européenne, la Banque peut communiquer des informations confidentielles: 1° reçues dans le cadre de l’exercice de sa mission visée à l’article 39 de la loi du 11 janvier 1993 relative à la prévention de l’utilisation du système financier aux fins du blanchiment de capitaux et du financement du terrorisme, a) aux autorités de l’Union européenne et d’autres États membres de l’Espace économique européen ainsi qu’aux autorités d’États tiers qui exercent une compétence comparable à celle visée à l’article 39 de la loi précitée du 11 janvier 1993; b) aux autorités compétentes de l’Union européenne et d’autres États membres de l’Espace économique européen et aux autorités compétentes d’États tiers qui exercent une ou plusieurs compétences comparables à celles visées aux articles 36/2 et 36/3, ainsi qu’à la Banque centrale européenne en ce qui concerne les missions qui lui sont confiées par le Règlement (UE) n° 1024/2013 du Conseil du 15 octobre 2013 confiant à la 1160 1584/002 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 Raad van 15 oktober 2013 waarbij aan de Europese Centrale Bank specifieke taken worden opgedragen betreffende het beleid inzake het prudentieel toezicht op kredietinstellingen; 2° in het kader van de uitvoering van haar taak als bedoeld in artikel 12ter, § 1, en met het oog op de uit- oefening van die taak, a) aan de afwikkelingsautoriteiten van de Europese Unie en van andere lidstaten van de Europese Economische Ruimte, alsook aan de autoriteiten van derde Staten die belast zijn met taken die te vergelijken zijn met die als bedoeld in artikel 12ter, § 1; b) aan de personen of autoriteiten als bedoeld in artikel 36/14, § 1, 1°, 2°, 3°, 4°, 5°, 8°, 11°, 18° en 19°; c) aan de minister van Financiën; d) aan iedere andere persoon, ongeacht of hij onder het Belgische recht of onder een buitenlands recht valt, wanneer dit noodzakelijk is voor het plannen of uitvoeren van een afwikkelingsmaatregel, en met name, — aan de bijzondere bestuurders die krachtens arti- kel 281, § 2 van de wet van 25 april 2014 op het statuut van en het toezicht op kredietinstellingen zijn benoemd; — aan het orgaan dat bevoegd is voor de financie- ringsregelingen voor de afwikkeling; — aan auditors, boekhouders, juridische en profes- sionele adviseurs, taxateurs en andere deskundigen die rechtstreeks of onrechtstreeks door de Bank, een afwikkelingsautoriteit, een bevoegd ministerie of een potentiële verwerver in de arm zijn genomen; — aan een overbruggingsinstelling als bedoeld in artikel 260 van de wet van 25 april 2014 op het statuut van en het toezicht op kredietinstellingen of aan een vehikel voor activabeheer als bedoeld in artikel 265 van dezelfde wet; — aan de personen of autoriteiten als bedoeld in artikel 36/14, § 1, 6°, 7°, 9°, 10°, 12°, 15° et 20°; —  aan de potentiële verwervers van effecten of tegoeden die respectievelijk zijn uitgegeven of worden aangehouden door de instelling die het voorwerp uit- maakt van een afwikkelingsprocedure. e) onverminderd de punten a) tot d), aan elke per- soon of autoriteit die met een taak of opdracht is belast als bedoeld in Richtlijn 2014/59/EU van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 betreffende de Banque centrale européenne des missions spécifiques ayant trait aux politiques en matière de surveillance prudentielle des établissements de crédit; 2° dans le cadre de l’exercice de sa mission visée à l’article 12ter, § 1er, et aux fins de l’accomplissement de cette mission, a) aux autorités de résolution de l’Union européenne et d’autres États membres de l’Espace économique européen, ainsi qu’aux autorités d’États tiers chargées de missions équivalentes à celles visées à l’article 12ter, § 1er; b) aux personnes ou autorités visées à l’article 36/14, § 1er, 1°, 2°, 3°, 4°, 5°, 8°, 11°, 18° et 19°; c) au ministre des Finances; d) à toute personne, qu’elle soit de droit belge ou qu’elle relève d’un droit étranger, lorsque cela s’avère nécessaire à la planification ou à la réalisation d’une action de résolution, et notamment, — aux administrateurs spéciaux nommés en vertu de l’article 281, § 2 de la loi du 25 avril 2014 relative au statut et au contrôle des établissements de crédit; — à l’organe chargé des dispositifs de financement pour la résolution; — aux auditeurs, comptables, conseillers juridiques et professionnels, évaluateurs et autres experts enga- gés directement ou indirectement par la Banque, une autorité de résolution, un ministère compétent ou un acquéreur potentiel; — à un établissement-relais visé à l’article 260 de la loi du 25 avril 2014 relative au statut et au contrôle des établissements de crédit ou à une structure de gestion des actifs visée à l’article 265 de la même loi; — aux personnes ou autorités visées à l’article 36/14, § 1er, 6°, 7°, 9°, 10°, 12°, 15° et 20°; — aux acquéreurs potentiels de titres ou d’avoirs respectivement émis ou détenus par l’établissement faisant l’objet d’une procédure de résolution. e) sans préjudice des points a) à d), à toute personne ou autorité investie d’une fonction ou d’une mission en vertu de la Directive 2014/59/UE du Parlement européen et du Conseil du 15 mai 2014 établissant un cadre pour 1161 1584/002 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 totstandbrenging van een kader voor het herstel en de afwikkeling van kredietinstellingen en beleggingsonder- nemingen, wanneer de mededeling van vertrouwelijke informatie over een persoon als bedoeld in artikel 1, lid 1, onder a), b), c) of d) van de genoemde Richtlijn voor- afgaandelijk werd goedgekeurd door deze persoon of door de autoriteit die ten aanzien van die persoon een taak uitoefent die te vergelijken is met die als bedoeld in artikel 12, § 1 en artikel 12ter, wanneer deze informatie afkomstig is van deze persoon of autoriteit; § 2. De Bank mag enkel vertrouwelijke informatie krachtens paragraaf 1 meedelen op voorwaarde dat de autoriteiten, instellingen of personen die deze informatie ontvangen, deze informatie gebruiken voor de uitvoering van hun opdrachten, en dat zij, wat die informatie betreft, aan een beroepsgeheim zijn gebonden dat te vergelijken is met dat als bedoeld in artikel 35. Bovendien mag de informatie die afkomstig is van een autoriteit van een andere lidstaat enkel bekendgemaakt worden aan een autoriteit van een derde Staat mits deze autoriteit uit- drukkelijk akkoord gaat met deze bekendmaking, en, in voorkomend geval, mits de informatie alleen voor de door deze autoriteit toegestane doeleinden bekendge- maakt wordt. Evenzo mag de informatie die afkomstig is van een autoriteit van een derde Staat enkel bekendge- maakt worden mits deze autoriteit uitdrukkelijk akkoord gaat met deze bekendmaking, en, in voorkomend geval, mits de informatie alleen voor de door deze autoriteit toegestane doeleinden bekendgemaakt wordt. De Bank mag enkel vertrouwelijke informatie krach- tens paragraaf 1  meedelen aan de autoriteiten van derde Staten waarmee zij een samenwerkingsakkoord heeft gesloten waarin wordt voorzien in de uitwisseling van informatie. § 3. Onverminderd de strengere bepalingen van de bijzondere wetten die op hen van toepassing zijn, zijn de Belgische personen, autoriteiten en instellingen ge- bonden aan het in artikel 35 bedoelde beroepsgeheim voor wat betreft de vertrouwelijke informatie die zij van de Bank ontvangen met toepassing van paragraaf 1.” Art. 700 In artikel 36/1 van dezelfde wet, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 25 april 2014, worden de volgende wijzi- gingen aangebracht: 1° de bepaling onder 6° wordt vervangen als volgt: “6° “verzekeringsonderneming of herverzekerings- onderneming”: een onderneming als bedoeld in artikel le redressement et la résolution des établissements de crédit et des entreprises d’investissement, lorsque la communication des informations confidentielles concer- nant une personne visée à l’article 1er, paragraphe 1er, point a), b), c) ou d) de ladite Directive a été préalable- ment approuvée par cette personne ou par l’autorité qui exerce une mission identique à celles visées aux articles 12, § 1er et 12ter à l’égard de cette personne, lorsque les informations proviennent de cette personne ou autorité. § 2. La Banque ne peut communiquer des informa- tions confidentielles en vertu du paragraphe 1er qu’à la condition qu’elles soient destinées à l’accomplissement des missions des autorités, organismes ou personnes qui en sont les destinataires et que les informations soient dans leur chef couvertes par un devoir de secret professionnel équivalent à celui prévu à l’article 35. En outre, les informations provenant d’une autorité d’un autre État membre ne peuvent être divulguée à une autorité d’un État tiers qu’avec l’accord explicite de cette autorité et, le cas échéant, aux seules fins pour lesquelles cette autorité a marqué son accord. De même, les informations provenant d’une autorité d’un État tiers ne peuvent être divulguée qu’avec l’accord explicite de cette autorité et, le cas échéant, aux seules fins pour lesquelles cette autorité a marqué son accord. La Banque ne peut communiquer des informations confidentielles en vertu du paragraphe  1er qu’aux seules autorités d’État tiers avec lesquelles elle a conclu un accord de coopération prévoyant un échange d’information. § 3. Sans préjudice des dispositions plus sévères des lois particulières qui les régissent, les personnes, autorités et organismes belges sont tenus au secret professionnel prévu à l’article 35 quant aux informa- tions confidentielles qu’ils reçoivent de la Banque en application du paragraphe 1er.” Art. 700 Dans l’article 36/1 de la même loi, modifié en dernier lieu par la loi du 25 avril 2014, les modifications suivantes sont apportées: 1° le 6° est remplacé par ce qui suit: “6° “entreprise d’assurance ou de réassurance”: toute entreprise visée à l’article 5, alinéa 1er, 1° ou 2° de la 1162 1584/002 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 5, eerste lid, 1° of 2° van de wet van [____] 2015 op het statuut van en het toezicht op verzekerings- of herverzekeringsondernemingen;”; 2° de bepaling onder 7° wordt opgeheven. Art. 701 In artikel 36/2 van dezelfde wet, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 25 april 2014, worden de volgende wijzi- gingen aangebracht: 1° er wordt een tweede lid ingevoegd, luidende: “Voor het toezicht op de verzekeringsondernemingen duidt de Bank binnen het directiecomité of onder de personeelsleden een vertegenwoordiger aan die met raadgevende stem zitting heeft in het beheerscomité en in bepaalde technische comités van het Fonds voor arbeidsongevallen.”; 2° in het tweede lid, waarvan de bestaande tekst met toepassing van de bepaling onder 1° van dit artikel het derde lid zal vormen, worden de woorden “het vorige lid” vervangen door de woorden “het eerste lid”; 3° het vierde lid, a), waarvan de bestaande tekst met toepassing van de bepaling onder 1° van dit artikel het vijfde lid, a) zal vormen, wordt aangevuld met de woor- den “en van de Europese Autoriteit voor verzekeringen en bedrijfspensioenen”; 4° in het vierde lid, b), waarvan de bestaande tekst met toepassing van de bepaling onder 1° van dit artikel het vijfde lid, b) zal vormen, worden de woorden “en door de Europese Autoriteit voor verzekeringen en bedrijfs- pensioenen” ingevoegd tussen de woorden “door de Europese Bankautoriteit” en de woorden “vastgestelde maatregelen”. Art. 702 In artikel 36/3, § 2 van dezelfde wet, laatstelijk gewij- zigd bij de wet van 25 april 2014, worden de woorden “en de verzekerings- en herverzekeringsondernemin- gen” ingevoegd tussen de woorden “met uitzondering van de kredietinstellingen” en de woorden “, welke als systeemrelevant moeten worden beschouwd”. loi du [____] 2015 relative au statut et au contrôle des entreprises d’assurance ou de réassurance;”; 2° le 7° est abrogé. Art. 701 Dans l’article 36/2, de la même loi, modifié en dernier lieu par la loi du 25 avril 2014, les modifications suivantes sont apportées: 1° il est inséré un alinéa 2 rédigé comme suit: “S’agissant du contrôle des entreprises d’assurance, la Banque désigne au sein du comité de direction ou parmi les membres du personnel un représentant qui siège avec voix consultative au comité de gestion et à certains comités techniques du Fonds des accidents du travail.”; 2°  à l’alinéa  2, dont le texte actuel formera l’ali- néa 3 en application du 1° du présent article, les mots “à l’alinéa précédent,” sont remplacés par les mots “à l’alinéa 1er,”; 3° l’alinéa 4, a), dont le texte actuel formera l’alinéa 5, a) en application du 1° du présent article, est complété par les mots “et de l’Autorité européenne des assu- rances et des pensions professionnelles”; 4° à l’alinéa 4, b), dont le texte actuel formera l’alinéa 5, b) en application du 1° du présent article, les mots “et par l’Autorité européenne des assurances et des pensions professionnelles” sont insérés entre les mots “par l’Autorité bancaire européenne” et les mots “et, si elle ne le fait pas,”. Art. 702 Dans l’article 36/3, § 2 de la même loi, modifié en dernier lieu par la loi du 25 avril 2014, les mots “et des entreprises d’assurance et de réassurance” sont insé- rés entre les mots “à l’exception des établissements de crédit” et les mots “, ceux qui doivent être considérés comme systémiques”. 1163 1584/002 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 Art. 703 In artikel 36/6 van dezelfde wet, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 25 april 2014, wordt paragraaf 2 vervan- gen als volgt: “§ 2. De Bank verstrekt op haar website eveneens de volgende informatie: 1°  naast de wetgeving op het statuut van en het toezicht op de kredietinstellingen en de beursvennoot- schappen en de wetgeving op het statuut van en het toezicht op de verzekerings- en herverzekeringsonder- nemingen, evenals de besluiten, reglementen en circu- laires genomen in uitvoering of met toepassing van deze wetgeving of van de Europeesrechtelijke verordeningen ter zake, een omzettingstabel van de bepalingen van de Europese richtlijnen inzake prudentieel toezicht op kre- dietinstellingen en beursvennootschappen en toezicht op de verzekerings- en herverzekeringsondernemingen, met opgaaf van de gekozen opties; 2° de doelstellingen van het toezicht dat door haar wordt uitgeoefend met toepassing van de in 1° bedoelde wetgeving en de taken en activiteiten die zij in die hoe- danigheid uitoefent, in het bijzonder de toetsingscriteria en de methodiek die zij gebruikt bij haar beoordeling als bedoeld in artikel 142 van de wet van 25 april 2014 op het statuut van en het toezicht op de kredietinstellingen en in de artikelen 318 tot 321 van de wet van [__] 2015 op het statuut van en het toezicht op verzekerings- en herverzekeringsondernemingen; 3°  geaggregeerde statistische gegevens over de belangrijkste aspecten inzake toepassing van de in 1° bedoelde wetgeving; 4°  andere informatie, als voorgeschreven bij de besluiten en reglementen genomen in uitvoering van deze wet. De in het eerste lid bedoelde informatie wordt bekend- gemaakt volgens de richtsnoeren die in voorkomend geval zijn opgesteld door de Europese Commissie, de Europese Bankautoriteit of de Europese Autoriteit voor verzekeringen en bedrijfspensioenen. De Bank zorgt voor een geregelde actualisering van de op haar website verstrekte informatie. De Bank maakt ook alle andere informatie bekend die vereist is met toepassing van de Unierechtelijke handelingen die van toepassing zijn op het vlak van het toezicht op kredietinstellingen en beursvennootschap- pen en op het vlak van het toezicht op verzekerings- en herverzekeringsondernemingen. Art. 703 Dans l’article 36/6 de la même loi, modifié en der- nier lieu par la loi du 25 avril 2014, le paragraphe 2 est remplacé par ce qui suit: “§ 2. La Banque fournit également sur son site internet les informations suivantes: 1° outre la législation relative au statut et au contrôle des établissements de crédit et des sociétés de bourse et la législation relative au statut et au contrôle des entreprises d’assurance et de réassurance, ainsi que les arrêtés, règlements et circulaires pris en exécution ou en application de ces législations ou des règlements du droit de l’Union européenne relatifs à ces matières, un tableau de transposition des dispositions des directives européennes relatives à la surveillance prudentielle des établissements de crédit et des sociétés de bourse et à la surveillance des entreprises d’assurance et de réassurance, indiquant les options retenues; 2° les objectifs du contrôle qu’elle exerce en appli- cation des législations visées au 1° et les fonctions et activités exercées à ce titre, en particulier, les critères de vérification et les méthodes qu’elle utilise pour procéder à l’évaluation visée à l’article 142 de la loi du 25 avril 2014 relative au statut et au contrôle des établissements de crédit et aux articles 318 à 321 de la loi du [__] 2015 relative au statut et au contrôle des entreprises d’assurance et de réassurance; 3° des données statistiques agrégées sur les prin- cipaux aspects relatifs à l’application des législations visées au 1°; 4° toute autre information prescrite par les arrêtés et règlements pris en exécution de la présente loi. Les informations visées à l’alinéa 1er sont publiées selon les lignes directrices établies, le cas échéant, par la Commission européenne, l’Autorité bancaire européenne ou l’Autorité européenne des assurances et des pensions professionnelles. La Banque veille à actualiser régulièrement les informations fournies sur son site internet. La Banque publie également toutes autres infor- mations requises en application des actes du droit de l’Union européenne applicables dans le domaine du contrôle des établissements de crédit et des sociétés de bourse et dans le domaine du contrôle des entreprises d’assurance et de réassurance. 1164 1584/002 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 De Bank kan volgens de modaliteiten die zij vaststelt en met inachtneming van het recht van de Europese Unie de resultaten bekendmaken van de stresstests die zij overeenkomstig het recht van de Europese Unie heeft uitgevoerd.”. Art. 704 In Hoofdstuk IV/1, Afdeling 1 van dezelfde wet wordt een artikel 36/7/1 ingevoegd, luidende: “Art. 36/7/1. Tegen een personeelslid van een finan- ciële instelling als bedoeld in artikel 36/2 die de Bank te goeder trouw heeft ingelicht over een feitelijke of vermeende inbreuk op de wetten en reglementen die het statuut van en het toezicht op de genoemde financiële instellingen regelen, kunnen geen burgerrechtelijke, strafrechtelijke of tuchtrechtelijke vorderingen worden ingesteld, noch professionele sancties worden uitge- sproken omwille van het feit dat hij deze informatie heeft verstrekt. Elke nadelige of discriminatoire behandeling van deze persoon alsook elke verbreking van de arbeidsverhou- ding naar aanleiding van de melding die deze persoon heeft verricht, is verboden. In geval van niet-naleving van het eerste en het tweede lid kan de Bank een administratieve sanctie uitspreken met toepassing van de bepalingen betref- fende administratieve sancties die opgenomen zijn in de wetgeving met betrekking tot het statuut van en het toezicht op instellingen als bedoeld in artikel 36/2.”. Art. 705 Artikel 36/13 van dezelfde wet wordt opgeheven. Art. 706 In artikel 36/14 van dezelfde wet, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 25 april 2014, worden de volgende wijzi- gingen aangebracht: 1° in paragraaf 1, 5° worden de woorden “deposito- of beleggersbeschermingsregeling” vervangen door de woorden “beschermingsregeling voor deposito’s, beleggers of levensverzekeringen”; 2° paragraaf 1, 12° wordt vervangen als volgt: “12° binnen de grenzen van het recht van de Europese Unie, aan de Belgische mededingingsautoriteit;”; La Banque peut publier, selon les modalités qu’elle détermine et dans le respect du droit de l’Union euro- péenne, les résultats des tests de résistance conduits conformément au droit de l’Union européenne.”. Art. 704 Dans le Chapitre IV/1, Section 1re, de la même loi, il est inséré un article 36/7/1 rédigé comme suit: “Art. 36/7/1. Le membre du personnel d’un établis- sement financier visé à l’article 36/2 qui a informé la Banque, de bonne foi, d’une infraction supposée ou avérée aux lois et règlements qui régissent le statut et le contrôle desdits établissements financiers, ne peut faire l’objet d’aucune action civile, pénale ou disciplinaire ni se voir imposer aucune sanction professionnelle, qui serait intentée ou prononcée en raison du fait qu’il a procédé à ladite information.  Tout traitement défavorable ou discriminatoire à l’égard de cette personne ainsi que toute rupture de la relation de travail en raison du signalement auquel cette personne a procédé, est interdit. En cas de manquement aux alinéas 1er et 2, la Banque peut prononcer une sanction administrative en applica- tion des dispositions relatives aux sanctions administra- tives contenues dans les législations régissant le statut et le contrôle des établissements visés à l’article 36/2.”. Art. 705 L’article 36/13 de la même loi est abrogé. Art. 706 Dans l’article 36/14 de la même loi, modifié en dernier lieu par la loi du 25 avril 2014, les modifications suivantes sont apportées: 1° au paragraphe 1er, 5°, les mots “système de protec- tion des dépôts ou des investisseurs;” sont remplacés par les mots “système de protection des dépôts, des investisseurs ou des assurances sur la vie;”; 2° le paragraphe 1er, 12°, est remplacé par ce qui suit: “12° dans les limites du droit de l’Union européenne, à l’Autorité belge de la concurrence;”; 1165 1584/002 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 3° in paragraaf 1 wordt een bepaling onder 21° inge- voegd, luidende: “21° aan de Controledienst voor de ziekenfondsen en de landsbonden van ziekenfondsen, voor de uit- oefening van zijn wettelijke opdrachten als bedoeld in artikel 303, § 3 van de wet van [___] 2015 op het statuut van en het toezicht op verzekerings- of herver- zekeringsondernemingen, met betrekking tot de maat- schappijen van onderlinge bijstand als bedoeld in artikel 43bis, § 5 of artikel 70, § § 6, 7 en 8 van de wet van 6 augustus 1990 betreffende de ziekenfondsen en de landsbonden van ziekenfondsen en hun verrichtingen;”; 4° in paragraaf 1 wordt een bepaling onder 22° inge- voegd, luidende: “22° binnen de grenzen van het recht van de Europese Unie, aan de afwikkelingsautoriteiten als bedoeld in artikel 3 van Richtlijn 2014/59/EU van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 be- treffende de totstandbrenging van een kader voor het herstel en de afwikkeling van kredietinstellingen en be- leggingsondernemingen, aan de autoriteiten van derde Staten die belast zijn met taken die te vergelijken zijn met die als bedoeld in artikel 12ter, § 1, waarmee de Bank een samenwerkingsakkoord heeft gesloten waarin wordt voorzien in de uitwisseling van informatie, alsook aan de bevoegde ministeries van de lidstaten van de Europese Economische Ruimte, wanneer dit noodzakelijk is voor het plannen of uitvoeren van afwikkelingsmaatregel.”; 5° in paragraaf 3 wordt het woord “personen,” inge- voegd tussen de woorden “de in § 1 bedoelde Belgische” en de woorden “autoriteiten en instellingen”. Art. 707 In artikel 36/16 van dezelfde wet, laatstelijk gewijzigd bij het koninklijk besluit van 12 november 2013, worden de volgende wijzigingen aangebracht: 1° paragraaf 1 wordt aangevuld met een lid, luidende: “Overeenkomstig het recht van de Europese Unie werkt de Bank ook samen met De Europese Bankautoriteit, de Europese Autoriteit voor verzeke- ringen en bedrijfspensioenen, de Europese Autoriteit voor effecten en markten en de Europese Centrale Bank voor wat betreft de taken die haar zijn opge- dragen bij Verordening (EU) nr. 1024/2013  van de Raad van 15 oktober 2013 waarbij aan de Europese Centrale Bank specifieke taken worden opgedragen 3°  au paragraphe 1er, il est inséré un 21° rédigé comme suit: “21°  à l’Office de contrôle des mutualités et des unions nationales de mutualités, pour l’exercice de ses missions légales visées à l’article 303, § 3 de la loi du [___] 2015 relative au statut et au contrôle des entreprises d’assurance ou de réassurance, en ce qui concerne les sociétés mutualistes visées à l’article 43bis, § 5, ou à l’article 70, § § 6, 7 et 8, de la loi du 6 août 1990 relative aux mutualités et aux unions natio- nales de mutualités et leurs opérations;”; 4°  au paragraphe 1er, il est inséré un 22° rédigé comme suit: “22° dans les limites du droit de l’Union européenne, aux autorités de résolution visées à l’article 3 de la Directive 2014/59/UE du Parlement européen et du Conseil du 15 mai 2014 établissant un cadre pour le redressement et la résolution des établissements de crédit et des entreprises d’investissement, aux autorités d’États tiers chargées de missions équivalentes à celles visées à l’article 12ter, § 1er avec lesquelles la Banque a conclu un accord de coopération prévoyant un échange d’information, ainsi qu’aux ministères compétents des États membres de l’Espace économique européen lorsque cela s’avère nécessaire à la planification ou à la réalisation d’une action de résolution.”; 5° au paragraphe 3, le mot “personnes,” est inséré entre les mots “qui les régissent, les” et les mots “auto- rités et organismes belges”. Art. 707 Dans l’article 36/16 de la même loi, modifié en dernier lieu par l’arrêté royal du 12 novembre 2013, les modifi- cations suivantes sont apportées: 1° le paragraphe 1er est complété par un alinéa rédigé comme suit: “De même, conformément au droit de l’Union euro- péenne, la Banque coopère avec l’Autorité bancaire européenne, l’Autorité européenne des assurances et des pensions professionnelles, l’Autorité européenne des marchés financiers, ainsi que la Banque centrale européenne en ce qui concerne les missions qui lui sont confiées par le Règlement (UE) n° 1024/2013 du Conseil du 15 octobre 2013 confiant à la Banque cen- trale européenne des missions spécifiques ayant trait 1166 1584/002 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 betreffende het beleid inzake het prudentieel toezicht op kredietinstellingen.”; 2° in paragraaf 2 worden de woorden “eerste lid,” ingevoegd tussen de woorden “waarvan sprake in § 1,” en de woorden “overeenkomsten”; 3° paragraaf 3 wordt opgeheven. Art. 708 In artikel 36/22 van dezelfde wet, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 27 mei 2014, worden de volgende wijzi- gingen aangebracht: 1° in de bepaling onder 7° worden de woorden “krach- tens artikel 4 van de wet van 9 juli 1975 betreffende de controle der verzekeringsondernemingen; eenzelfde beroep kan worden ingesteld indien de Bank geen uitspraak heeft gedaan binnen de termijn vastgelegd bij het vierde lid van voormeld artikel 4; in dit laatste geval wordt het beroep behandeld als was de aanvraag verworpen bij het verstrijken van de termijn;” vervangen door de woorden “krachtens de artikelen 28 en 584 van de wet van [___] 2015 op het statuut van en het toezicht op verzekerings- of herverzekeringsondernemingen;”; 2° de bepaling onder 8° wordt opgeheven; 3° de bepaling onder 9° wordt vervangen als volgt: “9° door de verzekerings- of herverzekeringsonder- neming, tegen de beslissingen tot tariefverhoging die de Bank heeft genomen krachtens artikel 504 van de voormelde wet van [___] 2015;”; 4° de bepaling onder 10° wordt vervangen als volgt: “10° door de verzekerings- of herverzekeringson- derneming, tegen de beslissingen die de Bank heeft genomen krachtens artikel 517, § 1, 1°, 2°, 4°, 6° en 7° van de voormelde wet van [___] 2015;”; 5° de bepaling onder 11° wordt vervangen als volgt: “11° door de verzekerings- of herverzekeringsonder- neming, tegen de beslissingen tot herroeping van de vergunning die de Bank heeft genomen krachtens de artikelen 517, § 1, 8°, 541 en 598, § 2 van de voormelde wet van [___] 2015;”; 6° de bepaling onder 12° wordt vervangen als volgt: “12° door de verzekeringsonderneming, tegen de beslissingen tot verzet die de Bank heeft genomen aux politiques en matière de surveillance prudentielle des établissements de crédit.”; 2° au paragraphe 2, les mots “, alinéa 1er,” sont insérés entre les mots “visées au § 1er” et les mots “des accords”; 3° le paragraphe 3 est abrogé. Art. 708 Dans l’article 36/22 de la même loi, modifié en dernier lieu par la loi du 27 mai 2014, les modifications suivantes sont apportées: 1° au 7°, les mots “en vertu de l’article 4 de la loi du 9 juillet 1975 relative au contrôle des entreprises d’assu- rances; un même recours est ouvert lorsque la Banque n’a pas statué dans les délais fixés à l’alinéa 4 de l’ar- ticle 4 précité; dans ce dernier cas, le recours est traité comme s’il y avait eu rejet de la demande;” sont rem- placés par les mots “en vertu des articles 28 et 584 de la loi du [___] 2015 relative au statut et au contrôle des entreprises d’assurance ou de réassurance;”; 2° le 8° est abrogé; 3° le 9° est remplacé par ce qui suit: “9° à l’entreprise d’assurance ou de réassurance, contre les décisions de relèvement de tarif prises par la Banque en vertu de l’article 504 de la loi du [___] 2015 précitée;”; 4° le 10° est remplacé par ce qui suit: “10° à l’entreprise d’assurance ou de réassurance, contre les décisions prises par la Banque en vertu de l’article 517, § 1er, 1°, 2°, 4°, 6° et 7°, de la loi du [___] 2015 précitée;”; 5° le 11° est remplacé par ce qui suit: “11° à l’entreprise d’assurance ou de réassurance, contre les décisions de révocation de l’agrément prises par la Banque en vertu de des articles 517, § 1er, 8°, 541 et 598, § 2 de la loi du [___] 2015 précitée;”; 6° le 12° est remplacé par ce qui suit: “12° à l’entreprise d’assurance, contre les décisions d’opposition prises par la Banque en vertu des articles 1167 1584/002 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 krachtens de artikelen 108, § 3 en 115, § 2 van de voormelde wet van [___] 2015, of wanneer de Bank geen beslissing heeft meegedeeld binnen de termijnen vastgelegd in de artikelen 108, § 3, tweede lid en 115, § 2, tweede lid van dezelfde wet;”; 7° er wordt een bepaling onder 12bis° ingevoegd, luidende: “12bis° door de verzekeringsonderneming, tegen de beslissingen die de Bank heeft genomen krachtens artikel 569 van de voormelde wet van [___] 2015;”; 8° de bepaling onder 14° wordt opgeheven; 9° de bepaling onder 15° wordt vervangen als volgt: “15°  door de herverzekeringsonderneming, tegen de beslissingen tot verzet die de Bank heeft genomen krachtens de artikelen 114 en 121 van de voormelde wet, voor zover zij respectievelijk verwijzen naar de artikelen 108, § 3 en 115, § 2 van dezelfde wet of wanneer de Bank geen beslissing heeft meegedeeld binnen de termijnen vastgelegd in de artikelen 108, § 3, tweede lid en 121, 2° van dezelfde wet;”; 10° de bepaling onder 16° wordt opgeheven; 11° de bepaling onder 17° wordt opgeheven; 12° de bepaling onder 18° wordt vervangen als volgt: “18°  door de herverzekeringsonderneming, tegen de beslissingen die de Bank heeft genomen krachtens de artikelen 600 en 601, voor zover zij respectievelijk verwijzen naar de artikelen 580 en 598 van de voor- melde wet;”; 13° de bepaling onder 22° wordt vervangen als volgt: “22° door de betrokken instelling, tegen de be- slissingen die de Bank heeft genomen krachtens artikel 517, §  6  van de wet van [___] 2015  op het statuut van en het toezicht op verzekerings- of herverzekeringsondernemingen;”; 14° in de bepaling onder 35° worden de woorden “arti- kel 74, § 1, derde lid van de wet van 16 februari 2009 op het herverzekeringsbedrijf” vervangen door de woor- den “artikel 603, § 2 van de wet van [___] 2015 op het statuut van en het toezicht op verzekerings- of herverzekeringsondernemingen”. 108, § 3 et 115, § 2 de la loi du [___] 2015 précitée ou lorsque la Banque n’a pas notifié de décision dans les délais fixés aux articles 108, § 3, alinéa 2 et 115, § 2, alinéa 2, de la même loi;”; 7° il est inséré un 12bis° rédigé comme suit: “12bis° à l’entreprise d’assurance, contre les déci- sions prises par la Banque en vertu de l’article 569 de la loi du [___] 2015 précitée;”; 8° le 14° est abrogé; 9° le 15° est remplacé par ce qui suit: “15° à l’entreprise de réassurance, contre les déci- sions d’opposition prises par la Banque en vertu des articles 114 et 121 de la loi précitée en ce qu’ils réfèrent respectivement aux articles 108, § 3 et 115, § 2 de la même loi ou lorsque la Banque n’a pas notifié de déci- sion dans les délais fixés aux articles 108, § 3, alinéa 2, et 121, 2°, de la même loi;”; 10° le 16° est abrogé; 11° le 17° est abrogé; 12° le 18° est remplacé par ce qui suit: “18° à l’entreprise de réassurance, contre les déci- sions prises par la Banque en vertu des articles 600 et 601 en ce qu’ils réfèrent respectivement aux articles 580 et 598 de la loi précitée;”; 13° le 22° est remplacé par ce qui suit: “22° à l’établissement concerné, contre les décisions prises par la Banque en vertu de l’article 517, § 6 de la loi du [___] 2015 relative au statut et au contrôle des entreprises d’assurance ou de réassurance;”; 14° au 35°, les mots “de l’article 74, § 1er, alinéa 3 de la loi du 16 février 2009 relative à la réassurance,” sont remplacés par les mots “de l’article 603, § 2 de la loi du [___] 2015 relative au statut et au contrôle des entre- prises d’assurance ou de réassurance,”. 1168 1584/002 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 Art. 709 In artikel 36/24, § 1, 1° van dezelfde wet, laatstelijk ge- wijzigd bij de wet van 25 april 2014, worden de woorden “ten opzichte van de wet van 9 juli 1975 betreffende de controle der verzekeringsondernemingen,” vervangen door de woorden “ten opzichte van de wet van [___] 2015 op het statuut van en het toezicht op verzekerings- of herverzekeringsondernemingen,”. HOOFDSTUK IX Wijzigingen in de wet van 2 augustus 2002 betreffende het toezicht op de financiële sector en de financiële diensten Art. 710 In artikel  45, §  1, 3°, f, van de wet van 2 augustus 2002 betreffende het toezicht op de finan- ciële sector en de financiële diensten, laatstelijk gewij- zigd bij de wet van 25 april 2014, worden de woorden “artikel 14bis van de wet van 9 juli 1975 betreffende de controle der verzekeringsondernemingen,” vervan- gen door de woorden “artikel 42 van de wet van [___] 2015 op het statuut van en het toezicht op verzekerings- of herverzekeringsondernemingen,”. Art. 711 In artikel 121, § 1, 4° van dezelfde wet, laatstelijk ge- wijzigd bij de wet van 19 april 2014, worden de woorden “artikel 82, § 1, eerste lid van de wet van 9 juli 1975 be- treffende de controle der verzekeringsondernemingen,” vervangen door de woorden “de artikelen 294, § 1, 1°, 295, § 1, 1°, 299, § 1 en 300, § 1 van de wet van 4 april 2014 betreffende de verzekeringen,”. Art. 712 In artikel 122 van dezelfde wet, laatstelijk gewijzigd bij het koninklijk besluit van 3 maart 2011, wordt de bepaling onder 12° vervangen als volgt: “12° door de verzekeringsonderneming, tegen de beslissingen tot uitbreiding van het verzoek om inlich- tingen die de FSMA heeft genomen krachtens artikel 286, § 3, van de wet van 4 april 2014 betreffende de verzekeringen;” Art. 709 Dans l’article 36/24, § 1er, 1°, de la même loi, modifié en dernier lieu par la loi du 25 avril 2014, les mots “à la loi du 9 juillet 1975 relative au contrôle des entreprises d’assurances,” sont remplacés par les mots “à la loi du [___] 2015 relative au statut et au contrôle des entre- prises d’assurance ou de réassurance,”. CHAPITRE IX Modifications de la loi du 2 août 2002 relative à la surveillance du secteur financier et aux services financiers Art. 710 Dans l’article 45, § 1er, 3°, f, de la loi du 2 août 2002 re- lative à la surveillance du secteur financier et aux services financiers, modifié en dernier lieu par la loi du 25 avril 2014, les mots “l’article 14bis de la loi du 9 juillet 1975 relative au contrôle des entreprises d’assu- rances,” sont remplacés par les mots “l’article 42 de la loi du [___] 2015 relative au statut et au contrôle des entreprises d’assurance ou de réassurance,”. Art. 711 Dans l’article 121, § 1er, 4°, de la même loi, modifié en dernier lieu par la loi du 19 avril 2014, les mots “de l’article 82, § 1er, alinéa 1er, de la loi du 9 juillet 1975 rela- tive au contrôle des entreprises d’assurances,” sont rem- placés par les mots “des articles 294, § 1er, 1°, 295, § 1er, 1°, 299, § 1er et 300, § 1er de la loi du 4 avril 2014 relative aux assurances,”. Art. 712 Dans l’article 122 de la même loi, modifié en dernier par l’arrêté royal du 3 mars 2011, le 12° est remplacé par ce qui suit: “12° à l’entreprise d’assurance contre les décisions de demande d’extension de renseignements prises par la FSMA en vertu de l’article 286, § 3, de la loi du 4 avril 2014 relative aux assurances;”. 1169 1584/002 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 HOOFDSTUK X Wijzigingen in de programmawet (I) van 24 december 2002: wet op de aanvullende pensioenen voor zelfstandigen Art. 713 In artikel 42  van de programmawet (I) van 24 december 2002: wet op de aanvullende pensioe- nen voor zelfstandigen, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 15  mei  2014, worden de volgende wijzigingen aangebracht: 1°  in de bepaling onder 2° worden de woorden “bedoeld in artikel 2, § 1 of § 3, 5°, van de wet van 9 juli 1975 betreffende de controle der verzekeringson- dernemingen,” vervangen door de woorden “bedoeld in de Boeken II en III van de wet van [___]2015 op het statuut van en het toezicht op verzekerings- of herverzekeringsondernemingen,”; 2° in de bepaling onder 12° worden de woorden “de wet van 9 juli 1975 betreffende de controle der verzeke- ringsondernemingen” vervangen door de woorden “de wet van [___]2015 op het statuut van en het toezicht op verzekerings- of herverzekeringsondernemingen”. Art. 714 Artikel 81 van dezelfde wet wordt opgeheven. HOOFDSTUK XI Wijziging in de wet van 28 april 2003 betreffende de aanvullende pensioenen en het belastingstelsel van die pensioenen en van sommige aanvullende voordelen inzake sociale zekerheid Art. 715 In artikel 3, § 1 van de wet van 28 april 2003 betref- fende de aanvullende pensioenen en het belastingstel- sel van die pensioenen en van sommige aanvullende voordelen inzake sociale zekerheid, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 15 mei 2014, worden de volgende wijzi- gingen aangebracht: 1° in de bepaling onder 16° worden de woorden “een instelling bedoeld in artikel 2, § 1 of § 3, 5°, van de wet van 9 juli 1975” vervangen door de woorden “een instelling bedoeld in de Boeken II en III van de wet van [___] 2015”; CHAPITRE X Modifications de la loi programme (I) du 24 décembre 2002: loi sur les pensions complémentaires des indépendants Art. 713 Dans l’article 42  de la loi programme (I) du 24 décembre 2002: loi sur les pensions complémen- taires des indépendants, modifié en dernier lieu par la loi du 15 mai 2014, les modifications suivantes sont apportées: 1° au 2°, les mots “visés à l’article 2, § 1er ou § 3, 5°, de la loi du 9 juillet 1975 relative au contrôle des entreprises d’assurances,” sont remplacés par les mots “visés aux Livres II et III de la loi du [___]2015 relative au statut et au contrôle des entreprises d’assurance et de réassurance,”; 2° au 12°, les mots “la loi du 9 juillet 1975 relative au contrôle des entreprises d’assurances” sont rem- placés par les mots “la loi du [___]2015 relative au statut et au contrôle des entreprises d’assurance ou de réassurance”. Art. 714 L’article 81 de la même loi est abrogé. CHAPITRE XI Modification de la loi du 28 avril 2003 relative aux pensions complémentaires et au régime fiscal de celles-ci et de certains avantages complémentaires en matière de sécurité sociale Art. 715 Dans l’article 3, § 1er, de la loi du 28 avril 2003 relative aux pensions complémentaires et au régime fiscal de celles-ci et de certains avantages complémentaires en matière de sécurité sociale, modifié en dernier lieu par la loi du 15 mai 2014, les modifications suivantes sont apportées: 1° au 16°, les mots “un organisme visé à l’article 2, § 1er ou § 3, 5°, de la loi du 9 juillet 1975” sont remplacés par les mots “un organisme visé aux Livres II et III de la loi du [___] 2015”; 1170 1584/002 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 2° in de bepaling onder 20° worden de woorden “de wet van 9 juli 1975 betreffende de controle deze verze- keringsondernemingen” vervangen door de woorden “de wet van [___] 2015 op het statuut van en het toezicht op verzekerings- of herverzekeringsondernemingen”. HOOFDSTUK XII Wijzigingen in de wet van 27 oktober 2006 betreffende het toezicht op de instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening Art. 716 In artikel 3, § 1 van de wet van 27 oktober 2006 be- treffende het toezicht op de instellingen voor bedrijfspen- sioenvoorziening wordt de bepaling onder 3° vervangen als volgt: “3°  een verzekeringsonderneming bedoeld in de Boeken II en III van de wet van [___]2015  op het statuut van en het toezicht op verzekerings- of herverzekeringsondernemingen.” Art. 717 In artikel 5, tweede lid van dezelfde wet wordt de bepaling onder 6° vervangen als volgt: “6° van de Commissie voor Verzekeringen ingesteld door artikel 301 van de wet van 4 april 2014 betreffende de verzekeringen.”. Art. 718 In artikel 139, eerste lid, 2de streepje van dezelfde wet worden de woorden “, bedoeld in artikel 2, § 1, van de wet van 9 juli 1975 betreffende de controle der verze- keringsondernemingen;” vervangen door de woorden “bedoeld in de Boeken II en III van de wet van [___] 2015 op het statuut van en het toezicht op verzekerings- of herverzekeringsondernemingen;”. Art. 719 Artikel 227 van dezelfde wet wordt opgeheven. Art. 720 In artikel 228, §  3  van dezelfde wet worden de woorden “ingesteld door artikel 41  van de wet van 2° au 20°, les mots “la loi du 9 juillet 1975 relative au contrôle des entreprises d’assurances” sont rem- placés par les mots “la loi du [___] 2015 relative au statut et au contrôle des entreprises d’assurance ou de réassurance”. CHAPITRE XII Modifications de la loi du 27 octobre 2006 relative au contrôle des institutions de retraite professionnelle Art. 716 Dans l’article 3, § 1er, de la loi du 27 octobre 2006 re- lative au contrôle des institutions de retraite profession- nelle, le 3° est remplacé par ce qui suit: “3° une entreprise d’assurance visée aux Livres II et III de la loi du [___]2015 relative au statut et au contrôle des entreprises d’assurance ou de réassurance.” Art. 717 Dans l’article 5, alinéa 2, de la même loi, le 6° est remplacé par ce qui suit: “6°  de la Commission des Assurances instituée par l’article 301 de la loi du 4 avril 2014 relative aux assurances.”. Art. 718 Dans l’article 139, alinéa 1er, 2e tiret, de la même loi, les mots “visée à l’article 2, § 1er, de la loi du 9 juillet 1975 re- lative au contrôle des entreprises d’assurances;” sont remplacés par les mots “visée aux Livres II et III de la loi du [___] 2015 relative au statut et au contrôle des entreprises d’assurance ou de réassurance;”. Art. 719 L’article 227 de la même loi est abrogé. Art. 720 Dans l’article 228, § 3 de la même loi, les mots “ins- tituée par l’article 41 de la loi du 9 juillet 1975 relative 1171 1584/002 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 9 juli 1975 betreffende de controle der verzekeringson- dernemingen,” vervangen door de woorden “ingesteld door artikel 301 van de wet van 4 april 2014 betreffende de verzekeringen,”. HOOFDSTUK XII Wijzigingen in de wet van 3 augustus 2012 betreffende de instellingen voor collectieve belegging die voldoen aan de voorwaarden van Richtlijn 2009/65/EG en de instellingen voor belegging in schuldvorderingen Art. 721 In artikel 3 van de wet van 3 augustus 2012 betref- fende de instellingen voor collectieve belegging die voldoen aan de voorwaarden van Richtlijn 2009/65/EG en de instellingen voor belegging in schuldvorderingen, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 25 april 2014, worden de volgende wijzigingen aangebracht: 1° de bepaling onder 45° wordt vervangen als volgt: “45° “wet van [___]2015”: de wet van [___] 2015 op het statuut van en het toezicht op verzekerings- of herverzekeringsondernemingen;”; 2° de bepaling onder 55° wordt opgeheven. Art. 722 In artikel 241 van dezelfde wet, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 25 april 2014, worden de volgende wijzi- gingen aangebracht: 1° in paragraaf 1, 2° worden de woorden “artikel 91oc- tiesdecies van de wet van 9 juli 1975 of artikel 98 van de wet van 16 februari 2009;” vervangen door de woorden “artikel 338, 7° van de wet van [__]2015;”; 2° in paragraaf 1, 3°, tweede lid worden de woor- den “hoofdstuk VIIbis van de wet van 9 juli 1975 of titel VIII van de wet van 16 februari 2009.” vervangen door de woorden “Titel V, Hoofdstuk II van de wet van [___]2015.”; 3° in paragraaf 5 worden de woorden “artikel 98 van de wet van 16 februari 2009 of artikel 91octiesdecies van de wet van 9 juli 1975,” vervangen door de woorden “Titel V, Hoofdstuk III van de wet van [___] 2015,”. au contrôle des entreprises d’assurances” sont rempla- cés par les mots “instituée par l’article 301 de la loi du 4 avril 2014 relative aux assurances.”. CHAPITRE XII Modifications de la loi du 3 août 2012 relative aux organismes de placement collectif qui répondent aux conditions de la Directive 2009/65/CE et aux organismes de placement en créances Art. 721 Dans l’article 3 de la loi du 3 août 2012 relative aux organismes de placement collectif qui répondent aux conditions de la Directive 2009/65/CE et aux organismes de placement en créances, modifié en dernier lieu par la loi du 25 avril 2014, les modifications suivantes sont apportées: 1° le 45° est remplacé par ce qui suit: “45° par “loi du [___]2015”: la loi du [___]2015 relative au statut et au contrôle des entreprises d’assurance ou de réassurance;”; 2° le 55° est abrogé. Art. 722 Dans l’article 241 de la même loi, modifié en dernier lieu par la loi du 25 avril 2014, les modifications suivantes sont apportées: 1° au paragraphe 1er, 2°, les mots “de l’article 91octies decies de la loi du 9 juillet 1975 ou de l’article 98 de la loi du 16 février 2009;” sont remplacés par les mots “de l’article 338, 7° de la loi du [__]2015;”; 2° au paragraphe 1er, 3°, alinéa 2, les mots “du cha- pitre VIIbis de la loi du 9 juillet 1975 ou du titre VIII de la loi du 16 février 2009.” sont remplacés par les mots “du Titre V, Chapitre II de la loi du [___]2015.”; 3° au paragraphe 5, les mots “de l’article 98 de la loi du 16 février 2009 ou de l’article 91octiesdecies de la loi du 9 juillet 1975,” sont remplacés par les mots “du Titre V, Chapitre III de la loi du [___] 2015,”. 1172 1584/002 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 HOOFDSTUK XIV Wijziging in de wet van 26 december 2013 houdende diverse bepalingen inzake de thematische volksleningen Art. 723 In artikel 2, 6° van de wet van 26 december 2013 hou- dende diverse bepalingen inzake de thematische volksleningen worden de woorden “met een toelating op grond van artikel 2bis van de wet van 9 juli 1975 betref- fende de controle der verzekeringsondernemingen” en de woorden “op grond van Hoofdstuk Vter van de voor- noemde wet van 9 juli 1975;” respectievelijk vervangen door de woorden “, waaraan een vergunning is verleend op grond van artikel 28 van de wet van [___]2015 op het statuut van en het toezicht op verzekerings- of her- verzekeringsondernemingen” en door de woorden “op grond van Boek III, Titel I van de voornoemde wet van [___] 2015;”. HOOFDSTUK XV Wijzigingen in de wet van 4 april 2014 betreffende de verzekeringen Art. 724 In artikel 5 van de wet van 4 april 2014 betreffende de verzekeringen worden de volgende wijzigingen aangebracht: 1° de bepaling onder 40° wordt vervangen als volgt: “40° “Herverzekeringsonderneming”: een onderne- ming als gedefinieerd in artikel 5, eerste lid, 2°, van de wet van [___] 2015 op het statuut van en het toezicht op verzekerings- of herverzekeringsondernemingen;”; 2° de bepaling onder 42° wordt vervangen als volgt: “42° “Wet van [___] 2015”: de wet van [___]2015 op het statuut van en het toezicht op verzekerings- of herverzekeringsondernemingen;”. Art. 725 In artikel 7 van dezelfde wet worden de woorden “de wet van 9 juli 1975,” vervangen door de woorden “de wet van [___] 2015,”. CHAPITRE XIV Modification de la loi du 26 décembre 2013 portant diverses dispositions concernant les prêts-citoyens thématiques Art. 723 Dans l’article 2, 6°, de la loi du 26 décembre 2013 por- tant diverses dispositions concernant les prêts-citoyens thématiques, les mots “agréée sur la base de l’article 2bis de la loi du 9 juillet 1975 relative au contrôle des entreprises d’assurances” et les mots “sur la base du Chapitre Vter de la loi du 9 juillet 1975 précitée;” sont respectivement remplacés par les mots “agréée sur la base de l’article 28 de la loi du [___]2015 relative au statut et au contrôle des entreprises d’assurance ou de réassurance” et par les mots “sur la base du Livre III, Titre Ier de la loi du [___] 2015 précitée;”. CHAPITRE XV Modifications de la loi du 4 avril 2014 sur les assurances Art. 724 Dans l’article 5 de la loi du 4 avril 2014 sur les assu- rances, les modifications suivantes sont apportées: 1° le 40° est remplacé par ce qui suit: “40° “entreprise de réassurance”: une entreprise telle que définie à l’article 5, alinéa 1er, 2°, de la loi du [___] 2015 relative au statut et au contrôle des entreprises d’assurance ou de réassurance;”; 2° le 42° est remplacé par ce qui suit: “42° “la loi du [___] 2015”: la loi du [___]2015 relative au statut et au contrôle des entreprises d’assurance ou de réassurance;”. Art. 725 Dans l’article 7 de la même loi, les mots “, de la loi du 9 juillet 1975,” sont remplacés par les mots “, de la loi du [___] 2015,”. 1173 1584/002 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 Art. 726 In artikel 17 van dezelfde wet worden de woorden “de in artikel 78 van de wet van 9 juli 1975 bedoelde publi- catie” vervangen door de woorden “de in de artikelen 106 of 567, § 2 van de wet van [___] 2015 bedoelde publicatie”. Art. 727 In artikel 18, § 1 van dezelfde wet worden de woor- den “bedoeld in artikel 78 van de wet van 9 juli 1975” vervangen door de woorden “bedoeld in de artikelen 106 of 567, § 2 van de wet van [___] 2015”. Art. 728 In artikel 22 van dezelfde wet worden de volgende wijzigingen aangebracht: 1° in paragraaf 1 worden de woorden “of met de bepalingen van de wet van 9 juli 1975” en de woorden “dan wel met de bepalingen van de wet van 9 juli 1975” respectievelijk vervangen door de woorden “of met de bepalingen van de wet van [___] 2015” en door de woorden “dan wel met de bepalingen van de wet van [___] 2015”; 2° paragraaf 2 wordt opgeheven. Art. 729 In artikel 33, § 2 van dezelfde wet worden de woorden “zoals bedoeld in artikel 68 van de wet van 9 juli 1975,” vervangen door de woorden “zoals bedoeld in artikel 557 van de wet van [___] 2015,”. Art. 730 In artikel 34, eerste lid, b) van dezelfde wet worden de woorden “zoals bedoeld in artikel 68 van de wet van 9 juli 1975” vervangen door de woorden “zoals bedoeld in artikel 557 van de wet van [___] 2015”. Art. 731 In artikel 41 van dezelfde wet worden de woorden “overeenkomstig artikel 21octies, § 2, eerste en tweede lid, van de wet van 9  juli  1975” vervangen door de woorden “overeenkomstig artikel 504 van de wet van [__] 2015”. Art. 726 Dans l’article 17 de la même loi, les mots “visée à l’article 78 de la loi du 9 juillet 1975” sont remplacés par les mots “visée aux articles 106 ou 567, § 2 de la loi du [___] 2015”. Art. 727 Dans l’article 18, § 1er, de la même loi, les mots “visée à l’article 78 de la loi du 9 juillet 1975” sont remplacés par les mots “visée aux articles 106 ou 567,§ 2 de la loi du [___] 2015”. Art. 728 Dans l’article 22 de la même loi, les modifications suivantes sont apportées: 1° au paragraphe 1er, les mots “ou aux dispositions de la loi du 9 juillet 1975” et les mots “ou avec les dis- positions de la loi du 9 juillet 1975” sont respectivement remplacés par les mots “ou aux dispositions de la loi du [___] 2015” et par les mots “ou avec les dispositions de la loi du [___] 2015”; 2° le paragraphe 2 est abrogé. Art. 729 Dans l’article 33, § 2, de la même loi, les mots “tel que visé à l’article 68 de la loi du 9 juillet 1975” sont remplacés par les mots “tel que visé à l’article 557 de la loi du [___] 2015”. Art. 730 Dans l’article 34, alinéa 1er, b) de la même loi, les mots “tel que visé à l’article 68 de la loi du 9 juillet 1975” sont remplacés par les mots “tel que visé à l’article 557 de la loi du [___] 2015”. Art. 731 Dans l’article 41 de la même loi, les mots “conformé- ment à l’article 21octies, § 2, alinéas 1er et 2, de la loi du 9 juillet 1975” sont remplacés par les mots “confor- mément à l’article 504 de la loi du [__] 2015”. 1174 1584/002 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 Art. 732 In artikel 204, §  4  van dezelfde wet worden de woorden “artikel 21octies van de wet van 9 juli 1975” vervangen door de woorden “artikel 504 van de wet van [___] 2015”. Art. 733 In artikel 267, § 1, vierde lid van dezelfde wet worden de woorden “een verzekeringsonderneming onder- worpen aan het aanvullend toezicht op een verzeke- ringsonderneming in de zin van artikel 91ter van de Wet van 9 juli 1975,” vervangen door de woorden “een verzekeringsonderneming die onderworpen is aan een groepstoezicht in de zin van Boek II, Titel V, Hoofdstuk III van de wet van [__] 2015,”. Art. 734 In artikel 297, § 2 van dezelfde wet worden de woor- den “de betekenis die hieraan wordt gegeven in de wet van 9 juli 1975.” vervangen door de woorden “de beteke- nis die hieraan wordt gegeven in de wet van [___] 2015.”. Art. 735 In artikel 302, § 2, 1° van dezelfde wet worden de woorden “of van de wet van 9 juli 1975,” vervangen door de woorden “of van de wet van [___] 2015,”. HOOFDSTUK XVI Wijzigingen in de wet van 25 april 2014 op het statuut van en het toezicht op kredietinstellingen Art. 736 In artikel 2, 2° van de wet van 25 april 2014 op het sta- tuut van en het toezicht op kredietinstellingen worden de woorden “die geregeld zijn bij de wet van 9 juli 1975 be- treffende de controle der verzekeringsondernemingen.” vervangen door de woorden “die geregeld zijn bij de wet van [___] 2015 op het statuut van en het toezicht op verzekerings- of herverzekeringsondernemingen.” Art. 737 In artikel 3 van dezelfde wet worden de volgende wijzigingen aangebracht: Art. 732 Dans l’article 204, § 4, de la même loi, les mots “ni à l’article 21octies de la loi du 9 juillet 1975.” sont remplacés par les mots “ni à l’article 504 de la loi du [___] 2015.”. Art. 733 Dans l’article 267, § 1er, alinéa 4 de la même loi, les mots “une entreprise d’assurances soumise à la surveil- lance complémentaire sur les entreprises d’assurances au sens de l’article 91ter de la loi du 9 juillet 1975” sont remplacés par les mots “une entreprise d’assurance soumise à un contrôle de groupe au sens du Livre II, Titre V, Chapitre III de la loi du [__] 2015”. Art. 734 Dans l’article 297, § 2, de la même loi, les mots “au sens qui leur est donné dans la loi du 9 juillet 1975.” est remplacés par les mots “au sens qui leur est donné dans la loi du [___] 2015.”. Art. 735 Dans l’article 302, § 2, 1°, de la même loi, les mots “ou de la loi du 9 juillet 1975” sont remplacés par les mots “ou de la loi du [___] 2015”. CHAPITRE XVI Modifications de la loi du 25 avril 2014 relative au statut et au contrôle des établissements de crédit Art. 736 Dans l’article 2, 2° de la loi du 25 avril 2014 relative au statut et au contrôle des établissements de crédit, les mots “régies par la loi du 9 juillet 1975 relative au contrôle des entreprises d’assurances.” sont remplacés par les mots “régies par la loi du [___] 2015 relative au statut et au contrôle des entreprises d’assurance ou de réassurance.”. Art. 737 Dans l’article 3 de la même loi, les modifications suivantes sont apportées: 1175 1584/002 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 1° de bepaling onder 26° wordt vervangen als volgt: “26°  de begrippen controle, deelneming, deelne- mingsverhouding, moederonderneming, dochteron- derneming, consortium en verbonden onderneming: de omschrijving die hiervan wordt gegeven in de uit- voeringsbesluiten van artikel 106, § 1 van deze wet;”; 2° de bepaling onder 31° wordt vervangen als volgt: “31° verzekeringsonderneming: een onderneming als bedoeld in artikel 5, eerste lid, 1° van de wet van [___] 2015 op het statuut van en het toezicht op verzekerings- of herverzekeringsondernemingen;”; 3° de bepaling onder 32° wordt vervangen als volgt: “32° herverzekeringsonderneming: een onderneming als bedoeld in artikel 5, eerste lid, 2° van de wet van [___] 2015 op het statuut van en het toezicht op verze- kerings- of herverzekeringsondernemingen;”; 4° de bepaling onder 43° wordt vervangen als volgt: “43° verzekeringsholding: een verzekeringsholding in de zin van artikel 338, 5° van de wet van [___] 2015 op het statuut van en het toezicht op verzekerings- of herverzekeringsondernemingen;”; 5° de bepaling onder 44° wordt vervangen als volgt: “44° gemengde verzekeringsholding: een gemengde verzekeringsholding in de zin van artikel 338, 6° van de wet van [___] 2015 op het statuut van en het toezicht op verzekerings- of herverzekeringsondernemingen;”. Art. 738 In artikel 9 van dezelfde wet worden de volgende wijzigingen aangebracht: 1° de zin”Bij gebreke van gekwalificeerde deelnemin- gen heeft de kennisgeving betrekking op de identiteit van de twintig grootste aandeelhouders en hun kapi- taalfractie.” wordt geschrapt; 2° artikel 9, als gewijzigd bij de bepaling onder 1° van dit artikel en waarvan de bestaande tekst het eerste lid zal vormen, wordt aangevuld met een tweede lid, luidende: “Bij gebreke van gekwalificeerde deelnemingen heeft de in het eerste lid bedoelde kennisgeving betrekking op de identiteit van de twintig grootste aandeelhouders en hun kapitaalfractie.”. 1° le 26° est remplacé par ce qui suit: “26° les notions de contrôle, participation, lien de participation, entreprise-mère, filiale, consortium et entreprise liée, le sens qui leur est conféré par les arrêtés d’exécution de l’article 106, § 1er, de la présente loi;”; 2° le 31° est remplacé par ce qui suit: “31° entreprise d’assurance, une entreprise visée à l’article 5, alinéa 1er, 1°, de la loi du [___] 2015 relative au statut et au contrôle des entreprises d’assurance ou de réassurance;”; 3° le 32° est remplacé par ce qui suit: “32° entreprise de réassurance, une entreprise visée à l’article 5, alinéa 1er, 2° de la loi du [___] 2015 relative au statut et au contrôle des entreprises d’assurance ou de réassurance;”; 4° le 43° est remplacé par ce qui suit: “43° société holding d’assurance, une société holding d’assurance au sens de l’article 338, 5° de la loi du [___] 2015 relative au statut et au contrôle des entreprises d’assurance ou de réassurance;”; 5° le 44° est remplacé par ce qui suit: “44° société holding mixte d’assurance, une société holding mixte d’assurance au sens de l’article 338, 6° de la loi du [___] 2015 relative au statut et au contrôle des entreprises d’assurance ou de réassurance;” . Art. 738 Dans l’article 9 de la même loi, les modifications suivantes sont apportées: 1° la phrase “A défaut de participation qualifiée, la communication porte sur l’identité des vingt principaux actionnaires et leur quotité dans le capital.” est abrogée; 2° l’article 9, tel que modifié par le 1° du présent article et dont le texte actuel formera l’alinéa 1er, est complété par un alinéa 2 rédigé comme suit: “À défaut de participation qualifiée, la communication visée à l’alinéa 1er porte sur l’identité des vingt princi- paux actionnaires et leur quotité dans le capital.” 1176 1584/002 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 Art. 739 In artikel 20, § 1 van dezelfde wet worden de volgende wijzigingen aangebracht: 1° in de bepaling onder 2° wordt de bepaling onder n) vervangen als volgt: “n) de artikelen 83 en 87 van de wet van 9 juli 1975 be- treffende de controle der verzekeringsondernemingen;”; 2° de bepaling onder 2° wordt aangevuld met een bepaling onder z/5), luidende: “z/5)  artikel 605  van de wet van [__] 2015  op het statuut van en het toezicht op verzekerings- of herverzekeringsondernemingen;”; 3° in de bepaling onder 3° wordt een bepaling onder d) ingevoegd, luidende: “d) van de artikelen bedoeld in artikel 605 van de wet van [___] 2015 op het statuut van en het toezicht op verzekerings- of herverzekeringsondernemingen;”. Art. 740 In artikel 72, § 1, 2° van dezelfde wet, gewijzigd bij de wet van [__] 2015 [___], worden de woorden “, eerste lid” ingevoegd tussen de woorden “aan de in artikel 9” en de woorden “bedoelde personen”. Art. 741 In artikel 164, § 3, 7° van dezelfde wet worden de volgende wijzigingen aangebracht: 1° de woorden “, de wet van 9 juli 1975 betreffende de controle der verzekeringsondernemingen,” worden vervangen door de woorden “, de wet van [___] 2015 op het statuut van en het toezicht op verzekerings- of herverzekeringsondernemingen,”; 2° de woorden “de wet van 6 april 1995, de wet van 16 februari 2009,” worden geschrapt. Art. 742 In artikel 170 van dezelfde wet worden de volgende wijzigingen aangebracht: Art. 739 Dans l’article 20, § 1er, de la même loi, les modifica- tions suivantes sont apportées: 1° au 2°, le n) est remplacé par ce qui suit: “n) aux articles 83 et 87 de la loi du 9 juillet 1975 rela- tive au contrôle des entreprises d’assurances;”; 2° le 2° est complété par un z/5) rédigé comme suit: “z/5)  à l’article 605  de la loi du [__] 2015  rela- tive au contrôle des entreprises d’assurance ou de réassurance;”; 3° au 3°, un d) rédigé comme suit est inséré: “d) aux articles visés à l’article 605 de la loi du [___] 2015 relative au contrôle des entreprises d’assurance ou de réassurance;”. Art. 740 Dans l’article 72, § 1er, 2°, de la même loi, modifié par la loi du [__] 2015 [___], les mots “, alinéa 1er” sont insérés entre les mots “aux personnes visées à l’article 9” et les mots “ainsi qu’aux membres de leurs différents organes”. Art. 741 Dans l’article 164, § 3, 7°, de la même loi, les modi- fications suivantes sont apportées: 1° les mots “, la loi du 9 juillet 1975 relative au contrôle des entreprises d’assurances,” sont remplacés par les mots “, la loi du [___] 2015 relative au statut et au contrôle des entreprises d’assurance ou de réassurance,”; 2° les mots “la loi du 16 février 2009 relative à la réassurance,” sont abrogés. Art. 742 À l’article 170 de la même loi, les modifications sui- vantes sont apportées: 1177 1584/002 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 1° in paragraaf 1 wordt het derde lid opgeheven; 2° in paragraaf 1 wordt het vroegere vierde lid, dat het derde lid wordt, vervangen als volgt: “Voor de toepassing van deze paragraaf verkrijgt de toezichthouder in zijn hoedanigheid van consoliderende toezichthouder het akkoord van de betrokken bevoegde autoriteiten die belast zijn met het toezicht op de doch- terondernemingen en van de groepstoezichthouder in de verzekeringssector.”; 3°  in paragraaf 1  wordt het vroegere vijfde lid opgeheven; 4° er wordt een paragraaf 1/1 ingevoegd, luidende: “§ 1/1. Onverminderd de toepassing van paragraaf 2, indien een kredietinstelling naar Belgisch recht die aan het hoofd staat van een financieel conglomeraat of een gemengde financiële holding naar Belgisch recht onderworpen is aan gelijkwaardige bepalingen van dit Hoofdstuk die enerzijds betrekking hebben op het ge- consolideerde toezicht, anderzijds op het aanvullende conglomeraatstoezicht, en met name als deze bepalin- gen betrekking hebben op risicogebaseerd toezicht, kan de toezichthouder besluiten op deze kredietinstelling of gemengde financiële holding alleen de relevante bepalingen die betrekking hebben op het aanvullende conglomeraatstoezicht toe te passen.”; 5° in paragraaf 2 worden in de bepaling onder 1° de woorden “en die het financieel conglomeraat vormt,” ingevoegd tussen de woorden “de groep zoals gede- finieerd in artikel 164, § 3” en “in aanmerking worden genomen”; 6° in paragraaf 3, tweede zin, worden de woorden “De toezichthouder pleegt daartoe overleg” geschrapt; 7° er wordt een paragraaf 4 ingevoegd, luidende: “§ 4. In zijn hoedanigheid van consoliderende toezicht- houder stelt de toezichthouder de EBA en de Europese Autoriteit voor Verzekeringen en Bedrijfspensioenen in kennis van het krachtens paragraaf 1, derde lid verkre- gen akkoord, het krachtens paragraaf 1/1 genomen be- sluit en de krachtens § 3 getroffen coördinatieregeling.”. Art. 743 In artikel 171, § 2 van dezelfde wet, wordt tussen het derde en het vierde lid een lid ingevoegd, luidende: 1° au paragraphe 1er, l’alinéa 3 est abrogé; 2° au paragraphe 1er, l’alinéa 4 ancien, devenant l’alinéa 3, est remplacé par ce qui suit: “Pour l’application de ce paragraphe, l’autorité de contrôle, en sa qualité d’autorité de surveillance sur base consolidée, obtient l’accord des autorités compétentes concernées chargées du contrôle des filiales et du contrôleur du groupe dans le secteur de l’assurance.”; 3° au paragraphe 1er, l’alinéa 5 ancien est abrogé; 4° il est inséré un paragraphe 1/1 rédigé comme suit: “§  1/1. Sans préjudice de l’application du para- graphe 2, lorsqu’un établissement de crédit à la tête d’un conglomérat financier ou une compagnie financière mixte de droit belge sont soumis à des dispositions équivalentes du présent Chapitre qui portent d’une part sur le contrôle sur base consolidée et d’autre part sur la surveillance complémentaire des conglomérats, et plus particulièrement lorsque ces dispositions portent sur le contrôle fondé sur les risques, l’autorité de contrôle peut décider de n’appliquer à cet établissement de crédit ou cette compagnie financière mixte que les dispositions pertinentes qui portent sur la surveillance complémen- taire des conglomérats.”; 5° au paragraphe 2, 1°, les mots “et qui constitue le conglomérat financier,” sont insérés entre les mots “le groupe, tel que défini à l’article 164, § 3,” et les mots “sera, par dérogation, pris en considération”; 6° au paragraphe 3, 2e phrase, les mots “L’autorité de contrôle se concerte à cette fin” sont abrogés; 7° il est inséré un paragraphe 4 rédigé comme suit: “§ 4. L’autorité de contrôle, en sa qualité d’autorité de surveillance sur base consolidée, informe l’ABE et l’Autorité européenne des assurances et des pensions professionnelles de l’accord obtenu en vertu du para- graphe 1er, alinéa 3, de la décision arrêtée en vertu du paragraphe 1/1, et du règlement de coordination pris en vertu du § 3.”. Art. 743 A l’article 171, § 2, de la même loi, entre l’alinéa 3 et l’alinéa 4, il est inséré un alinéa rédigé comme suit: 1178 1584/002 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 “Onverminderd artikel 212, wanneer de toezich- thouder op grond van artikel 111, lid 5 van Richtlijn 2013/36/EU werd of is aangewezen als consoliderende toezichthouder voor het uitoefenen van het geconsoli- deerd toezicht op een kredietinstelling die onder het recht van een andere lidstaat ressorteert en waarvan de moederonderneming een financiële holding of ge- mengde financiële holding naar Belgisch recht is, zonder dat een kredietinstelling naar Belgisch recht aanwezig is in het geconsolideerde geheel, zijn de bepalingen die gelden voor de kredietinstellingen als bedoeld in artikel 165, 2° van overeenkomstige toepassing op de voornoemde holding.”. Art. 744 In Boek II, Titel III, Hoofdstuk IV, Afdeling II, Onderafdeling III van dezelfde wet wordt een artikel 183/1 ingevoegd, luidende: “Art. 183/1. Een kredietinstelling naar Belgisch recht die een consortium vormt met een of meer andere ondernemingen, valt onder een geconsolideerd toezicht dat geldt voor alle ondernemingen van het consortium en hun dochterondernemingen. De bepalingen die gelden voor de kredietinstellingen als bedoeld in artikel 165, 2° zijn van toepassing.”. Art. 745 In de Nederlandse tekst van artikel 194, § 2 van dezelfde wet, wordt de bepaling onder 4° vervangen als volgt: “4° regelmatig geactualiseerde regelingen om bij te dragen tot de verwezenlijking en, in voorkomend geval, de ontwikkeling van passende herstel- en afwik- kelingsmechanismen en -plannen.”. Art. 746 In de Franse tekst van artikel 196, § 2 van dezelfde wet worden de volgende wijzigingen aangebracht: 1° in de bepaling onder 3° worden de woorden “au- torité compétente belge chargée du contrôle” vervan- gen door de woorden “autorité compétente chargée du contrôle”; 2° in de bepaling onder 5° worden de woorden “et que cet État membre a” vervangen door de woorden “et a dans cet État membre”. “Sans préjudice de l’article 212, lorsque l’autorité de contrôle a été ou est désignée, en vertu de l’article 111, paragraphe 5 de la Directive 2013/36/UE, comme auto- rité de surveillance sur base consolidée pour l’exercice du contrôle consolidé à l’égard d’un établissement de crédit qui relève d’un autre État membre et dont l’entreprise mère est une compagnie financière ou une compagnie financière mixte de droit belge, sans qu’un établissement de crédit de droit belge figure dans l’ensemble consolidé, les dispositions applicables aux établissements de crédit visés à l’article 165, 2°, sont applicables par analogie à la compagnie précitée.”. Art. 744 Dans le Livre II, Titre III, Chapitre IV, Section II, Sous-section III, de la même loi, il est inséré un ar- ticle 183/1 rédigé comme suit: “Art. 183/1. Un établissement de crédit de droit belge qui constitue un consortium avec une ou plusieurs autres entreprises relève d’un contrôle sur base consolidée qui s’applique à l’ensemble des entreprises du consortium ainsi qu’à leurs filiales. Les dispositions applicables aux établissements de crédit visés à l’article 165, 2°, trouvent à s’appliquer en l’espèce.”. Art. 745 Dans le texte néerlandais de l’article 194, § 2, de la même loi, le 4° est remplacé par la disposition sui- vante: “4° regelmatig geactualiseerde regelingen om bij te dragen tot de verwezenlijking en, in voorkomend geval, de ontwikkeling van passende herstel- en afwik- kelingsmechanismen en -plannen.”. Art. 746 Dans le texte français de l’article 196, § 2, de la même loi, les modifications suivantes sont apportées: 1° au 3°, les mots “autorité compétente belge char- gée du contrôle” sont remplacés par les mots “autorité compétente chargée du contrôle”; 2° au 5°, les mots “et que cet État membre a” sont remplacés par les mots “et a dans cet État membre”. 1179 1584/002 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 Art. 747 In artikel 196, § 3 van dezelfde wet worden de vol- gende wijzigingen aangebracht: 1° de woorden “paragraaf 1” worden vervangen door de woorden “paragraaf 2”; 2° er wordt een tweede lid ingevoegd, luidende: “Wanneer de toezichthouder op grond van artikel 11, lid 3 van Richtlijn 2002/87/EG is aangewezen als coördinator voor het uitoefenen van het aanvullende conglomeraatstoezicht op een kredietinstelling die onder het recht van een andere lidstaat ressorteert en waarvan de moederonderneming een gemengde financiële holding naar Belgisch recht is, zonder dat een kredietinstelling naar Belgisch recht of een andere gereglementeerde onderneming naar Belgisch recht die op individuele basis aan het toezicht van de toezicht- houder is onderworpen, aanwezig is in de groep die het financieel conglomeraat vormt, zijn de bepalingen die gelden voor de kredietinstellingen als bedoeld in artikel 185, eerste lid, 2° van overeenkomstige toepassing op de voornoemde holding, behoudens afwijkende regelin- gen in de overeenkomst tussen de bevoegde autoriteiten als bedoeld in artikel 11, lid 3 van Richtlijn 2002/87/EG.”. Art. 748 In artikel 210, § 1, 2°, van dezelfde wet worden de woor- den “, artikel 40 van de wet van 9 juli 1975 betreffende de controle der verzekeringsondernemingen, artikel 42 van de wet van 16 februari 2009 op het herverzekeringsbe- drijf” vervangen door de woorden “, artikel 327 van de wet van [___] 2015 op het statuut van en het toezicht op verzekerings- of herverzekeringsondernemingen”. Art. 749 In de Franse tekst van artikel 213, § 1, derde lid van dezelfde wet worden de woorden “et ces filiales” tus- sen de woorden “si ces entreprises” en de woorden “ne tombent pas” geschrapt. Art. 750 In de Franse tekst van artikel 217, § 1, eerste lid van dezelfde wet worden de woorden “ainsi que les com- pagnies financières mixtes et leurs filiales” vervangen door de woorden “ainsi que les compagnies mixtes et leurs filiales”. Art. 747 A l’article 196, § 3, de la même loi, les modifications suivantes sont apportées: 1° les mots “paragraphe 1er” sont remplacés par les mots “paragraphe 2”; 2° il est inséré un alinéa 2 rédigé comme suit: “Lorsque l’autorité de contrôle est désignée, en vertu de l’article 11, paragraphe 3 de la Directive 2002/87/CE, comme coordinateur pour l’exercice de la surveillance complémentaire des conglomérats à l’égard d’un éta- blissement de crédit qui relève d’un autre État membre et dont l’entreprise mère est une compagnie financière mixte de droit belge, sans qu’un établissement de crédit de droit belge ou une autre entreprise réglementée de droit belge soumise sur une base individuelle au contrôle de l’autorité de contrôle figure dans le groupe consti- tuant le conglomérat, les dispositions applicables aux établissements de crédit visés à l’article 185, alinéa 1er, 2°, sont applicables par analogie à la compagnie préci- tée, sauf dispositions dérogatoires dans l’accord entre autorités compétentes visé à l’article 11, paragraphe 3 de la Directive 2002/87/CE.”. Art. 748 Dans l’article 210, § 1er, 2°, de la même loi, les mots “, à l’article 40 de la loi du 9 juillet 1975 relative au contrôle des entreprises d’assurances, à l’article 42 de la loi du 16 février 2009 relative à la réassurance” sont remplacés par les mots “, à l’article 327 de la loi du [___] 2015 relative au statut et au contrôle des entreprises d’assurance ou de réassurance”. Art. 749 Dans le texte français de l’article 213, § 1er, alinéa 3, de la même loi, les mots “et ces filiales” situés entre les mots “si ces entreprises” et les mots “ne tombent pas” sont abrogés. Art. 750 Dans le texte français de l’article 217, § 1er, alinéa 1er, de la même loi, les mots “ainsi que les compagnies fi- nancières mixtes et leurs filiales” sont remplacés par les mots “ainsi que les compagnies mixtes et leurs filiales”. 1180 1584/002 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 Art. 751 In artikel 219, § 4, vijfde lid van dezelfde wet worden de woorden “met de betrokken bevoegde autoriteiten” vervangen door de woorden “met de relevante bevoegde autoriteiten”. Art. 752 In artikel 3, § 1, tweede lid van Bijlage VI van dezelfde wet worden de woorden “de artikelen 15 en 91nonies van de wet van 9  juli  1975  betreffende de controle der verzekeringsondernemingen.” vervangen door de woorden “de artikelen 151 en 456 van de wet van [___] 2015 op het statuut van en het toezicht op verzekerings- of herverzekeringsondernemingen.”.  HOOFDSTUK XVI Wijzigingen in het Wetboek van Economisch Recht Art. 753 In artikel I.9, 72° van het Wetboek van Economisch Recht worden de woorden “bedoeld in artikel 2, § 1, van de wet van 9  juli  1975  betreffende de controle der verzekeringsondernemingen;” vervangen door de woorden “bedoeld in artikel 5, eerste lid, 1°, van de wet van [___]2015 op het statuut van en het toezicht op verzekerings- of herverzekeringsondernemingen;”. Art. 754 In artikel VII.119, § 1, 2° van hetzelfde Wetboek, inge- voegd bij de wet van 19 april 2014, worden de volgende wijzigingen aangebracht: 1° de woorden “door de Koning” worden geschrapt; 2°  de woorden “met toepassing van de wet van 9 juli 1975 betreffende de controle der verzekerings- ondernemingen;” worden vervangen door de woor- den “met toepassing van de wet van [___] 2015 op het statuut van en het toezicht op verzekerings- of herverzekeringsondernemingen;”. Art. 755 In artikel VII.173 van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 19 april 2014, worden de woorden “hetzij Art. 751 Dans l’article 219, § 4, alinéa 5, de la même loi, les mots “avec les autorités compétentes concernées” sont remplacés par les mots “avec les autorités compétentes relevantes”. Art. 752 Dans l’article 3, § 1er, alinéa 2 de l’Annexe VI de la même loi, les mots “la marge de solvabilité imposée par les articles 15 et 91nonies de la loi du 9 juillet 1975 rela- tive au contrôle des entreprises d’assurances.” sont remplacés par les mots “les exigences de solvabilité conformément aux articles 151 et 358 de la loi du [___] 2015 relative au statut et au contrôle des entreprises d’assurance ou de réassurance.”.  CHAPITRE XVI Modifications au Code de droit économique  Art. 753 Dans l’article I.9, 72°, du Code de droit écono- mique, les mots “visée à l’article 2, §  1er, de la loi du 9 juillet 1975 relative au contrôle des entreprises d’assurances;” sont remplacés par les mots “visée à l’article 5, alinéa 1er, 1°, de la loi du [___]2015 relative au statut et au contrôle des entreprises d’assurance ou de réassurance;”. Art. 754 Dans l’article VII.119, § 1er, 2°, du même Code, inséré par la loi du 19 avril 2014, les modifications suivantes sont apportées: 1° les mots “par le Roi” sont abrogés; 2° les mots “en application de la loi du 9 juillet 1975 re- lative au contrôle des entreprises d’assurances;” sont remplacés par les mots “en application de la loi du [___] 2015 relative au statut et au contrôle des entreprises d’assurance ou de réassurance;”. Art. 755 Dans l’article VII.173 du même Code, inséré par la loi du 19 avril 2014, les mots “soit comme entreprises 1181 1584/002 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 als verzekeringsondernemingen op de in artikel 4 van de wet van 9 juli 1975 betreffende de controle der verze- keringsondernemingen bedoelde lijst” vervangen door de woorden “hetzij als verzekeringsondernemingen op de lijst als bedoeld in artikel 31 van de wet van [__] 2015 op het statuut van en het toezicht op verzekerings- of herverzekeringsondernemingen”. Art. 756 In artikel VII.176, § 3 van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 19 april 2014, worden de woorden “op de in de artikelen 4 en 66 van de wet van 9 juli 1975 be- treffende de controle der verzekeringsondernemingen bedoelde lijsten” vervangen door de woorden “op de lijsten als bedoeld in de artikelen 31 en 555 van de wet van [___] 2015 op het statuut van en het toezicht op verzekerings- of herverzekeringsondernemingen”. Art. 757 In artikel XI.250, tweede lid van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 19 april 2014, worden de vol- gende wijzigingen aangebracht: 1° in de bepaling onder 2° wordt de bepaling onder o) vervangen als volgt: “o) de artikelen 83 tot 87 van de wet van 9 juli 1975 be- treffende de controle der verzekeringsondernemingen;”; 2° de bepaling onder 2° wordt aangevuld met een bepaling onder s), luidende: “s)  artikel 605  van de wet van [__]2015  op het statuut van en het toezicht op verzekerings- of herverzekeringsondernemingen;”. Art. 758 In artikel XII.4, eerste lid van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 15 december 2013, worden de woorden “blijven de hoofdstukken IIIbis, IIIter, Vbis en Vter van de wet van 9 juli 1975 betreffende de con- trole der verzekeringsondernemingen van toepassing.” vervangen door de woorden “blijven Boek II, Titel II, Hoofdstuk V, Afdelingen 2 tot 4, en Boek III, Titel I van de wet van [__] 2015 op het statuut van en het toezicht op verzekerings- of herverzekeringsondernemingen van toepassing.”. d’assurances sur la liste prévue à l’article 4 de la loi du 9 juillet 1975 relative au contrôle des entreprises d’assurances” sont remplacés par les mots “soit comme entreprises d’assurance sur la liste prévue à l’article 31 de la loi du [__] 2015 relative au statut et au contrôle des entreprises d’assurance ou de réassurance”. Art. 756 Dans l’article VII.176, § 3, du même Code, inséré par la loi du 19 avril 2014, les mots “aux articles 4 et 66 de la loi du 9 juillet 1975 relative au contrôle des entreprises d’assurances” sont remplacés par les mots “aux articles 31 et 555 de la loi du [___] 2015 relative au statut et au contrôle des entreprises d’assurance ou de réassurance”. Art. 757 Dans l’article XI.250, alinéa 2, du même Code, inséré par la loi du 19 avril 2014, les modifications suivantes sont apportées: 1° au 2°, le o) est remplacé par ce qui suit: “o) aux articles 83 à 87 de la loi du 9 juillet 1975 rela- tive au contrôle des entreprises d’assurances;”; 2° le 2° est complété par un s) rédigé comme suit: “s) à l’article 605 de la loi du [__]2015 relative au statut et au contrôle des entreprises d’assurance ou de réassurance;”. Art. 758 Dans l’article XII.4, alinéa 1er, du même Code, inséré par la loi du 15 décembre 2013, les mots “les chapitres IIIbis, IIIter, Vbis et Vter de la loi du 9 juillet 1975 rela- tive au contrôle des entreprises d’assurances restent d’application.” sont remplacés par les mots “le Livre II, Titre II, Chapitre V, Section 2 à 4, et le Livre III, Titre Ier de la loi du [__] 2015 relative au statut et au contrôle des entreprises d’assurance ou de réassurance sont d’application.”. 1182 1584/002 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 HOOFDSTUK XVII Overige bepalingen Art. 759 In de wetten die verwijzingen bevatten naar Bijlage I van het koninklijk besluit van 22 februari 1991 houdende algemeen reglement betreffende de controle op de verzekeringsondernemingen, moeten deze verwijzingen worden gelezen als verwijzingen naar Bijlage I van de wet van [__] 2015 op het statuut van en het toezicht op verzekerings- of herverzekeringsondernemingen voor wat betreft de groep van activiteiten “niet-leven” en als verwijzingen naar Bijlage II van dezelfde wet voor wat betreft de groep van activiteiten “leven”. Art. 760 Onverminderd de wijzigingen die bij de ontwerparti- kelen 680 tot 684, 686, 688 tot 698, 700, 701, 706 tot 737, 739, 741, 748 en 752 tot 758 zijn aangebracht, moeten in de wetten die verwijzingen bevatten naar de wet van 9 juli 1975 of naar het koninklijk besluit van 22 februari 1991 houdende algemeen reglement betreffende de controle op de verzekeringsonder- nemingen, deze verwijzingen in voorkomend geval worden gelezen als verwijzingen naar de bepalingen met hetzelfde voorwerp van de wet [___] 2015  op het statuut van en het toezicht op verzekerings- of herverzekeringsondernemingen. TITEL IV Opheffingsbepalingen Art. 761 De wet van 9 juli 1975 betreffende de controle der verzekeringsondernemingen wordt opgeheven. Art. 762 De wet van 16 februari 2009 op het herverzekerings- bedrijf wordt opgeheven. CHAPITRE XVII Autres dispositions Art. 759 Dans les lois comprenant des références à l’Annexe I de l’arrêté royal du 22 février 1991 portant règlement général relatif au contrôle des entreprises d’assurances, ces références doivent être lues comme des références à l’Annexe I de la loi du [__] 2015 relative au statut et au contrôle des entreprises d’assurance ou de réassu- rance, pour ce qui concerne le groupe d’activité “non- vie” et comme des références à l’Annexe II de la même loi pour ce qui concerne le groupe d’activité “vie”. Art. 760 Sans préjudice des modifications apportées par les articles en projet 680 à 684, 686, 688 à 698, 700, 701, 706 à 737, 739, 741, 748 et 752 à 758, dans les lois comprenant des références à la loi du 9 juillet 1975 ou à l’arrêté royal du 22 février 1991 portant règlement géné- ral relatif au contrôle des entreprises d’assurances, ces références doivent être lues, le cas échéant, comme des références aux dispositions, dont l’objet est identique, de la loi du [___] 2015 relative au statut et au contrôle des entreprises d’assurance ou de réassurance. TITRE IV Dispositions abrogatoireS Art. 761 La loi du 9 juillet 1975 relative au contrôle des entre- prises d’assurances est abrogée. Art. 762 La loi du 16 février 2009 relative à la réassurance est abrogée. 1183 1584/002 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 BOEK IX INWERKINGTREDING Art. 763 Deze wet treedt in werking de dag waarop ze in het Belgisch Staatsblad wordt bekendgemaakt. Gegeven te Brussel, 6 januari 2016 FILIP VAN KONINGSWEGE: De minister van Economie en Consumenten, Kris PEETERS De minister van Binnenlandse Zaken, Jan JAMBON De minister van Financiën, Johan VAN OVERTVELDT De minister van Justitie, Koen GEENS LIVRE IX ENTRÉE EN VIGUEUR Art. 763 La présente loi entre en vigueur le jour de sa publi- cation au Moniteur belge. Donné à Bruxelles, le 6 janvier 2016 PHILIPPE PAR LE ROI: Le ministre de l’Economie et Consommateurs, Kris PEETERS Le ministre de l’Intérieur, Jan JAMBON Le ministre des Finances, Johan VAN OVERTVELDT Le ministre de la Justice, Koen GEENS 1184 1584/002 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 BIJLAGEN ANNEXES BIJLAGE I INDELING VAN DE RISICO’S PER TAK VOOR DE NIET- LEVENSVERZEKERINGSACTIVITEITEN ANNEXE I CLASSIFICATION DES RISQUES PAR BRANCHE POUR LES ACTIVITÉS D'ASSURANCE NON-VIE 1. Ongevallen (met inbegrip van arbeidsongevallen en beroepsziekten) 1. Accidents (y compris les accidents de travail et les maladies professionnelles) - forfaitaire uitkeringen; - prestations forfaitaires; - schadeloosstellingen; - prestations indemnitaires; - combinaties daarvan; - combinaisons de ces prestations; - vervoerde personen. - personnes transportées. 2. Ziekte 2. Maladie - forfaitaire uitkeringen; - prestations forfaitaires; - schadeloosstellingen; - prestations indemnitaires; - combinaties daarvan. - combinaisons de ces prestations. 3. Voertuigcasco (met uitzondering van rollend spoorwegmaterieel) 3. Corps de véhicules terrestres (autres que ferroviaires) Alle schade toegebracht aan: Tout dommage subi par: - motorrijtuigen; - les véhicules terrestres automoteurs; - voertuigen zonder motor. - les véhicules terrestres non automoteurs. 4. Casco rollend spoorwegmaterieel 4. Corps de véhicules ferroviaires Alle schade toegebracht aan rollend spoorwegmaterieel. Tout dommage subi par les véhicules ferroviaires. 5. Luchtvaartuigcasco 5. Corps de véhicules aériens Alle schade toegebracht aan luchtvaartuigen. Tout dommage subi par les véhicules aériens. 6. Casco zee- en binnenschepen 6. Corps de véhicules maritimes, lacustres et fluviaux Alle schade toegebracht aan: Tout dommage subi par: - binnenschepen; - les véhicules fluviaux; - schepen voor de vaart op meren; - les véhicules lacustres; - zeeschepen. - les véhicules maritimes. 7. Vervoerde goederen (met inbegrip van koopwaren, bagage en alle andere goederen) 7. Marchandises transportées (y compris les marchandises, bagages et tous autres biens) Alle schade toegebracht aan vervoerde goederen of bagage, onafhankelijk van de Tout dommage subi par les marchandises transportées ou bagages, quel que soit le 1185 1584/002 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 aard van het transportmiddel. moyen de transport. 8. Brand en natuurevenementen 8. Incendie et éléments naturels Alle schade toegebracht aan goederen (met uitzondering van de goederen die onder de takken 3, 4, 5, 6 en 7 zijn begrepen) wanneer deze veroorzaakt is door: Tout dommage subi par les biens (autres que les biens compris dans les branches 3, 4, 5, 6 et 7) lorsqu'il est causé par: - brand; - un incendie; - ontploffing; - une explosion; - storm; - une tempête; - natuurevenementen, met uitzondering van storm; - des éléments naturels autres que la tempête; - kernenergie; - l’énergie nucléaire; - aardverzakking. - un affaissement de terrain. 9. Andere schade aan goederen 9. Autres dommages aux biens Alle schade toegebracht aan goederen (met uitzondering van de goederen die onder de takken 3, 4, 5, 6 en 7 zijn begrepen), wanneer deze schade veroorzaakt is door hagel of vorst, alsmede door alle overige niet onder tak 8 begrepen evenementen, zoals diefstal. Tout dommage subi par les biens (autres que les biens compris dans les branches 3, 4, 5, 6 et 7) lorsque ce dommage est causé par la grêle ou le gel, ainsi que par tout événement, tel le vol, autre que ceux compris dans la branche 8. 10. Burgerrechtelijke aansprakelijkheid motorrijtuigen 10. Responsabilité civile véhicules terrestres automoteurs Elke aansprakelijkheid die het gevolg is van het gebruik van motorrijtuigen (met inbegrip van de aansprakelijkheid van de vervoerder). Toute responsabilité résultant de l'emploi de véhicules terrestres automoteurs (y compris la responsabilité du transporteur). 11. Burgerrechtelijke aansprakelijkheid luchtvaartuigen 11. Responsabilité civile véhicules aériens Elke aansprakelijkheid die het gevolg is van het gebruik van luchtvaartuigen (met inbegrip van de aansprakelijkheid van de vervoerder). Toute responsabilité résultant de l'emploi de véhicules aériens (y compris la responsabilité du transporteur). 12. Burgerrechtelijke aansprakelijkheid zee- en binnenschepen 12. Responsabilité civile véhicules maritimes, lacustres et fluviaux Elke aansprakelijkheid die het gevolg is van het gebruik van zee- en binnenschepen (met inbegrip van de aansprakelijkheid van de vervoerder). Toute responsabilité résultant de l'emploi de véhicules fluviaux, lacustres et maritimes (y compris la responsabilité du transporteur). 13. Algemene burgerrechtelijke aansprakelijkheid 13. Responsabilité civile générale Alle overige niet onder de takken 10, 11 en 12 vermelde vormen van aansprakelijkheid. Toute responsabilité autre que celles mentionnées sous les branches 10, 11 et 12. 1186 1584/002 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 14. Krediet 14. Crédit - algemene insolventie; - insolvabilité générale; - exportkrediet; - crédit à l'exportation; - verkoop op afbetaling; - vente à tempérament; - hypothecair krediet; - crédit hypothécaire; - landbouwkrediet. - crédit agricole. 15. Borgtocht 15. Caution - directe borgtocht; - caution directe; - indirecte borgtocht. - caution indirecte. 16. Diverse geldelijke verliezen 16. Pertes pécuniaires diverses - risico van gebrek aan werk; - risques de chômage; - (algemeen) tekort aan ontvangsten; - insuffisance de recettes (générale); - slecht weer; - mauvais temps; - winstderving; - pertes de bénéfices; - doorlopende algemene kosten; - persistance de frais généraux; - onvoorziene bedrijfsuitgaven; - dépenses commerciales imprévues; - verlies van verkoopwaarde; - perte de la valeur vénale; - huur - of inkomstenderving; - pertes de loyers ou de revenus; - andere indirecte bedrijfsverliezen; - autres pertes commerciales indirectes; - niet met een bedrijf samenhangende geldelijke verliezen; - autres pertes pécuniaires non commerciales; - overige geldelijke verliezen. - autres pertes pécuniaires. 17. Rechtsbijstand 17. Protection juridique Rechtsbijstand. Protection juridique. 18. Hulpverlening 18. Assistance - hulpverlening aan in moeilijkheden verkerende personen die op reis zijn of zich buiten hun woonplaats of gewone verblijfplaats bevinden; - assistance aux personnes en difficulté au cours de déplacements, d'absences de leur domicile ou de leur résidence habituelle ; - hulpverlening onder andere omstandigheden. - assistance en d’autres circonstances. 1187 1584/002 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 BIJLAGE II INDELING VAN DE RISICO’S PER TAK VOOR DE LEVENSVERZEKERINGSACTIVITEITEN ANNEXE II CLASSIFICATION DES RISQUES PAR BRANCHE POUR LES ACTIVITÉS D'ASSURANCE-VIE A. Voor zover zij uit een overeenkomst voortvloeien, worden de volgende levensverzekeringen respectievelijk in de takken 21, 22, 23 en 24 ingedeeld : A. Sont classées respectivement dans les branches 21, 22, 23 et 24, les assurances-vie suivantes lorsqu'elles découlent d'un contrat : 21. de in de punten a), b) en, c) opgesomde levensverzekeringen, met uitzondering van die welke tot de takken 22 en 23 behoren: 21. les assurances-vie énumérées aux points a), b) et c), à l'exception de celles reprises dans les branches 22 et 23 : a) levensverzekeringen, namelijk verzekeringen bij leven, verzekeringen bij overlijden, gemengde verzekeringen, levensverzekeringen met contraverzekering; a) l'assurance-"vie", qui comprend l'assurance en cas de vie, l'assurance en cas de décès, l'assurance mixte, l'assurance sur la vie avec contre-assurance ; b) lijfrenteverzekeringen; b) l'assurance de rente ; c) aanvullende verzekeringen die een aanvulling vormen op een levensverzekering, met name verzekeringen tegen lichamelijk letsel, met inbegrip van arbeids- ongeschiktheid, verzekeringen bij overlijden ten gevolge van een ongeval en verzekeringen tegen invaliditeit ten gevolge van ongeval of ziekte; c) les assurances complémentaires souscrites en complément d'une assurance-vie, et notamment les assurances "atteintes corporelles y compris l'incapacité de travail professionnel", les assurances "décès à la suite d'accident" et les assurances "invalidité à la suite d'accident ou de maladie" ; 22. verzekeringen in verband met huwelijk en geboorte; 22. l'assurance nuptialité et l'assurance natalité ; 23. levensverzekeringen als bedoeld in tak 21, a) en b) die verbonden zijn met beleggingsfondsen; 23. les assurances-vie visées sous la branche 21, a) et b) qui sont liées à des fonds d'investissement ; 24. het in Ierland en het Verenigd Koninkrijk bestaande type van niet-opzegbare ziekteverzekering van lange duur dat "permanent health insurance not subject to cancellation" wordt genoemd. 24. les types d'assurance-maladie à long terme, non résiliable, pratiquée actuellement en Irlande et au Royaume- Uni ("permanent health insurance not subject to cancellation"). B. Voor zover zij voortvloeien uit een overeenkomst en voor zover zij onder het toezicht staan van de autoriteiten die belast zijn met het toezicht op particuliere verzekeringen, worden de volgende verrichtingen respectievelijk in de takken 25, 26, 27 en 28 ingedeeld : B. Sont classées respectivement dans les branches 25, 26, 27 et 28, les opérations suivantes lorsqu'elles découlent d'un contrat et pour autant qu'elles soient soumises au contrôle des autorités chargées du contrôle des assurances privées : 25. tontineverrichtingen, namelijk de verrichtingen waarbij deelgenoot- 25. les opérations tontinières, à savoir les opérations comportant la constitution 1188 1584/002 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 schappen worden gevormd waarbij de deelgenoten zich aaneensluiten om gezamenlijk hun bijdragen te kapitaliseren en het aldus gevormde vermogen te verdelen tussen de overlevenden of tussen de rechthebbenden van de overledenen. d'associations réunissant des adhérents en vue de capitaliser en commun leurs cotisations et de répartir ensuite l'avoir ainsi constitué soit entre les survivants, soit entre les ayants droit des décédés 26. kapitalisatieverrichtingen die gebaseerd zijn op een actuariële techniek, waarbij in ruil voor van tevoren vastgestelde stortingen ineens of periodieke stortingen, verbintenissen worden aangegaan die voor wat betreft hun duur en hun bedrag bepaald zijn. 26. les opérations de capitalisation basées sur une technique actuarielle comportant, en échange de versements uniques ou périodiques fixés à l'avance, des engagements déterminés quant à leur durée et à leur montant. 27. het beheer van collectieve pensioen- fondsen daaronder begrepen: 27. les opérations de gestion de fonds collectifs de retraite comprenant : a) het beheer van beleggingen en met name van de activa die tegenover de reserves staan van de instellingen die uitkeringen verstrekken bij overlijden, bij leven of bij beëindiging of vermindering van de werkzaamheid, a) la gestion des placements et notamment des actifs représentatifs des réserves des organismes qui fournissent des prestations en cas de décès, en cas de vie ou en cas de cessation ou de réduction d'activités, b) verrichtingen als bedoeld onder a), wanneer deze vergezeld gaan van een verzekeringsgarantie die betrekking heeft hetzij op het behoud van het kapitaal, hetzij op de betaling van een minimumrente; b) les opérations visées au a) lorsqu'elles sont assorties d'une garantie d'assurance portant soit sur la conservation du capital, soit sur le service d'un intérêt minimal ; 28. door levensverzekeringsondernemingen uitgevoerde verrichtingen zoals die welke bedoeld zijn in boek IV, titel 4, hoofdstuk 1, van de Franse "Code des assurances”. 28. les opérations effectuées par des entreprises d'assurance-vie, telles que celles visées par le code français des assurances au livre IV, titre 4, chapitre 1. C. Worden in tak 29 ingedeeld: C. Sont classées dans la branche 29 : de in de socialeverzekeringswetgeving omschreven of bedoelde verrichtingen in verband met de duur van het leven van de mens, voor zover deze in overeenstemming met de wetgeving van een lidstaat door levensverzekerings- ondernemingen voor eigen risico worden verricht of beheerd. les opérations dépendant de la durée de la vie humaine, définies ou prévues par la législation des assurances sociales, pour autant qu'elles soient pratiquées ou gérées par des entreprises d'assurance-vie et à leur propre risque, en conformité avec la législation d'un État membre. 1189 1584/002 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 BIJLAGE III STANDAARDFORMULE VOOR DE BEREKENING VAN HET SOLVABILITEITSKAPITAALVEREISTE (SOLVENCY CAPITAL REQUIREMENT - SCR) ANNEXE III FORMULE STANDARD POUR LE CALCUL DU CAPITAL DE SOLVABILITE REQUIS (SOLVENCY CAPITAL REQUIREMENT - SCR) 1. Berekening van het kernsolvabiliteitskapitaalvereiste 1. Calcul du capital de solvabilité requis de base Het kernsolvabiliteitskapitaalvereiste (“kern- SCR”), als bedoeld in artikel 154, § 1 van deze wet, wordt als volgt berekend: Le capital de solvabilité requis de base ("SCR de base") défini à l'article 154, § 1er de la présente loi, se calcule comme suit: ¦ u u ji, j i ji, SCR SCR Corr kern SCR ¦ u u ji, j i ji, SCR SCR Corr base de SCR waarbij SCRi staat voor de risicomodule i, SCRj voor de risicomodule j en waarbij "i,j" betekent dat de som van de verschillende termen op alle mogelijke combinaties van i en j betrekking moeten hebben. In de berekening worden SCRi en SCRj vervangen door: où SCRi représente le module de risque i et SCRj le module de risque j, et où "i,j" indique que la somme des différents termes doit couvrir toutes les combinaisons possibles de i et j. Dans le calcul, SCRi et SCRj sont remplacés par: - SCRniet-leven, hetgeen staat voor de module “verzekeringstechnisch risico “niet- leven””; - SCRnon-vie, qui représente le module "risque de souscription en non-vie"; - SCRleven, hetgeen staat voor de module ”verzekeringstechnisch risico “leven””; - SCRvie, qui représente le module "risque de souscription en vie"; - SCRziekte, hetgeen staat voor de module “verzekeringstechnisch risico ziektekosten”; - SCRsanté, qui représente le module "risque de souscription en santé"; - SCRmarkt, hetgeen staat voor de module “marktrisico”; - SCRmarché, qui représente le module "risque de marché"; - SCRtegenpartij, hetgeen staat voor de module “tegenpartijrisico”. - SCRdéfaut, qui représente le module "risque de contrepartie". De factor Corri,j staat voor de waarde die is vermeld in rij i en kolom j van de volgende correlatiematrix: Le facteur Corr i,j représente l'élément figurant dans la ligne i et la colonne j de la matrice de corrélation suivante: j i Markt Tegen- partij Leven Ziekte Niet- leven j i Marché Défaut Vie Santé Non-vie Markt 1 0,25 0,25 0,25 0,25 Marché 1 0,25 0,25 0,25 0,25 Tegen- partij 0,25 1 0,25 0,25 0,5 Défaut 0,25 1 0,25 0,25 0,5 Leven 0,25 0,25 1 0,25 0 Vie 0,25 0,25 1 0,25 0 Ziekte 0,25 0,25 0,25 1 0 Santé 0,25 0,25 0,25 1 0 Niet- leven 0,25 0,5 0 0 1 Non-vie 0,25 0,5 0 0 1 1190 1584/002 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 2. Berekening van de module “verzekeringstechnisch risico “niet-leven”” 2. Calcul du module « risque de souscription en non-vie » De module “verzekeringstechnisch risico “niet- leven””, als bedoeld in artikel 156 van deze wet, wordt als volgt berekend: Le module "risque de souscription en non-vie" défini à l'article 156 de la présente loi, se calcule comme suit: ¦ u u j i, j i j i, schade SCR SCR Corr SCR ¦ u u ji, j i ji, vie - non SCR SCR Corr SCR waarbij SCRi staat voor de submodule i, SCRj voor de submodule j en waarbij "i,j" betekent dat de som van de verschillende termen op alle mogelijke combinaties van i en j betrekking moet hebben. In de berekening worden SCRi en SCRj vervangen door: où SCRi représente le sous-module i et SCRj le sous-module j, et où "i,j" indique que la somme des différents termes doit couvrir toutes les combinaisons possibles de i et j. Dans le calcul, SCRi et SCRj sont remplacés par: - SCR premie en voorzieningen niet-leven, hetgeen staat voor de submodule “premie- en voorzieningenrisico niet-leven”; - SCRprimes et réserve non-vie, qui représente le sous-module "risque de primes et réserve en non-vie"; - SCRcatastrofe niet-leven, hetgeen staat voor de submodule “catastroferisico niet-leven”. - SCRcatastrophe non-vie, qui représente le sous-module "risque de catastrophe en non- vie". 3. Berekening van de module “verzekeringstechnisch risico “leven”” 3. Calcul du module « risque de souscription en vie » De module “verzekeringstechnisch risico “leven””, als bedoeld in artikel 157 van deze wet, wordt als volgt berekend: Le module "risque de souscription en vie" défini à l'article 157 de la présente loi, se calcule comme suit: ¦ u u j i, j i j i, leven SCR SCR Corr SCR ¦ u u j i, j i j i, vie SCR SCR Corr SCR waarbij SCRi staat voor de submodule i, SCRj voor de submodule j en waarbij "i,j" betekent dat de som van de verschillende termen op alle mogelijke combinaties van i en j betrekking moet hebben. In de berekening worden SCRi en SCRj vervangen door: où SCRi représente le sous-module i et SCRj le sous-module j, et où "i,j" indique que la somme des différents termes doit couvrir toutes les combinaisons possibles de i et j. Dans le calcul, SCRi et SCRj sont remplacés par: - SCRoverlijden, hetgeen staat voor de submodule “overlijdensrisico”; - SCRmortalité, qui représente le sous-module "risque de mortalité"; - SCRlangleven, hetgeen staat voor de submodule “langlevenrisico”; - SCRlongévité, qui représente le sous-module "risque de longévité"; - SCRinvaliditeit, hetgeen staat voor de submodule “invaliditeits- en morbiditeitsrisico”; - SCRinvalidité, qui représente le sous-module "risque d'invalidité – de morbidité"; - SCRkosten leven, hetgeen staat voor de submodule “kostenrisico leven”; - SCRdépenses vie, qui représente le sous-module "risque de dépenses en vie"; 1191 1584/002 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 - SCRherziening, hetgeen staat voor de submodule “herzieningsrisico”; - SCRrévision, qui représente le sous-module "risque de révision"; - SCRbeëindiging, hetgeen staat voor de submodule “risico van voortijdige beëindiging”; - SCRcessation, qui représente le sous-module "risque de cessation"; - SCRcatastrofe leven, hetgeen staat voor de submodule “catastroferisico leven”. - SCRcatastrophe vie, qui représente le sous-module "risque de catastrophe en vie". 4. Berekening van de module “marktrisico” 4. Calcul du module « risque de marché » Structuur van de module “marktrisico” Structure du module "risque de marché" De module “marktrisico”, als bedoeld in artikel 159 van deze wet, wordt als volgt berekend: Le module "risque de marché" défini à l'article 159 de la présente loi, se calcule comme suit: ¦ u u j i, j i j i, markt SCR SCR Corr SCR ¦ u u j i, j i j i, marché SCR SCR Corr SCR waarbij SCRi staat voor de submodule i, SCRj voor de submodule j en waarbij "i,j" betekent dat de som van de verschillende termen op alle mogelijke combinaties van i en j betrekking moet hebben. In de berekening worden SCRi en SCRj vervangen door: où SCRi représente le sous-module i et SCRj le sous-module j, et où "i,j" indique que la somme des différents termes doit couvrir toutes les combinaisons possibles de i et j. Dans le calcul, SCRi et SCRj sont remplacés par: - SCRrente, hetgeen staat voor de submodule “renterisico”; - SCRtaux d'intérêt, qui représente le sous-module "risque de taux d'intérêt"; - SCRaandelen, hetgeen staat voor de submodule “aandelenrisico”; - SCRactions, qui représente le sous-module "risque sur actions"; - SCRvastgoed, hetgeen staat voor de submodule “vastgoedrisico”; - SCRactifs immobiliers, qui représente le sous-module "risque sur actifs immobiliers"; - SCRspread, hetgeen staat voor de submodule “spreadrisico”; - SCRmarge, qui représente le sous-module "risque lié à la marge"; - SCRconcentratie, hetgeen staat voor de submodule “marktrisicoconcentratie”; - SCRconcentrations, qui représente le sous-module "concentrations du risque de marché"; - SCRvaluta, hetgeen staat voor de submodule “valutarisico”. - SCRchange, qui représente le sous-module "risque de change". 1192 1584/002 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 BIJLAGE IV GROEPEN VAN NIET- LEVENSVERZEKERINGSTAKKEN ANNEXE IV GROUPES DE BRANCHES D’ASSURANCE NON- VIE 1° Ongevallen en ziekte (takken 1 en 2 van Bijlage I); 1° Accidents et maladie (branches 1 et 2 de l’Annexe I) ; 2° Motorrijtuigenverzekering (takken 3, 7 en 10 van Bijlage I; de cijfers betreffende tak 10, met uitzondering van de wettelijke aansprakelijkheid van de vervoerder, worden afzonderlijk gespecificeerd); 2° Assurance automobile (branches 3, 7 et 10 de l’Annexe I, les chiffres relatifs à la branche 10, à l’exclusion de la responsabilité du transporteur, devant être communiqués séparément) ; 3° Brand- en andere schade aan goederen (takken 8 en 9 van Bijlage I); 3° Incendie et autres dommages aux biens (branches 8 et 9 de l’Annexe I) ; 4° Luchtvaart-, zee- en transportverzekering (takken 4, 5, 6, 7, 11 en 12 van Bijlage I); 4° Assurance aviation, maritime et transport (branches 4, 5, 6, 7, 11 et 12 de l’Annexe I) ; 5° Algemene burgerrechtelijke aansprake- lijkheid (tak 13 van Bijlage I); 5° Responsabilité civile générale (branche 13 de l’Annexe I) ; 6° Krediet en borgtocht (takken 14 en 15 van Bijlage I); 6° Crédit et caution (branches 14 et 15 de l’Annexe I) ; 7° Overige takken (takken 16, 17 en 18 van Bijlage I). 7° Autres branches (branches 16, 17 et 18 de l’Annexe I). 1193 1584/002 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 BIJLAGE V SOLVABILITEIT OP HET NIVEAU VAN EEN FINANCIEEL CONGLOMERAAT ANNEXE V SOLVABILITE AU NIVEAU D’UN CONGLOMERAT FINANCIER Art. 1. De gereglementeerde ondernemingen dienen op het niveau van het financieel conglomeraat te beschikken over eigen vermogen dat minstens gelijk is aan de solvabiliteitsvereisten berekend op groepsniveau. Het eigen vermogen en de solvabiliteitsvereisten worden berekend volgens één van de in artikel 2 van deze Bijlage bepaalde methodes, met toepassing van de in artikel 3 van deze Bijlage bepaalde beginselen en met naleving van de bepalingen en beginselen van Verordening 342/2014 en de bijlage ervan. Art. 1er. Les entreprises réglementées doivent disposer, au niveau du conglomérat financier, de fonds propres au moins égaux aux exigences de solvabilité calculées au niveau du groupe. Les fonds propres et les exigences de solvabilité sont calculés selon l’une des méthodes définies à l’article 2 de la présente Annexe, en application des principes décrits à l’article 3 de la présente Annexe et dans le respect des dispositions et principes repris dans le Règlement 342/2014 et son annexe. De Bank bepaalt als coördinator de methode die wordt toegepast. Een combinatie van deze methoden mag zij slechts toestaan in de in artikel 16 van Verordening 342/2014 bepaalde omstandigheden. Zij pleegt over de toe te passen methode voorafgaandelijk overleg met de andere betrokken toezichthouders en met het betrokken financieel conglomeraat. La Banque, en sa qualité de coordinateur, définit la méthode appliquée. Elle ne peut autoriser une combinaison de ces méthodes que dans les circonstances déterminées à l’article 16 du Règlement 342/2014. Elle se concerte préalablement sur la méthode à appliquer avec les autres autorités de contrôle concernées et avec le conglomérat financier concerné. Art. 2. Berekeningsmethodes: Art. 2. Méthodes de calcul : § 1. Methode 1: methode op basis van de geconsolideerde rekeningen § 1er. Méthode 1 : méthode basée sur les comptes consolidés Het eigen vermogen en de solvabiliteitsvereisten op groepsniveau worden berekend op basis van de geconsolideerde positie van de groep, aan de hand van de geconsolideerde jaarrekeningen of tussentijdse geconsolideerde rekeningen. De geconsolideerde positie van de groep is de positie van het geconsolideerde geheel dat een consoliderende onderneming vormt met de andere in de consolidatie opgenomen ondernemingen. Onverminderd het bepaalde in artikel 3, § 1 van deze Bijlage, wordt de geconsolideerde positie bepaald met overeenkomstige toepassing van de sectorale regelgeving inzake sectoraal groepstoezicht. Les fonds propres et les exigences de solvabilité au niveau du groupe sont calculés sur la base de la situation consolidée du groupe telle qu’attestée par les comptes annuels ou intérimaires consolidés. La situation consolidée du groupe est la situation de l’ensemble consolidé que constitue une entreprise consolidante avec les autres entreprises incluses dans le périmètre de consolidation. Sans préjudice des dispositions de l'article 3, § 1er de la présente Annexe, la situation consolidée est déterminée par application analogue de la réglementation sectorielle en matière de contrôle sectoriel du groupe. De bestanddelen van het eigen vermogen op groepsniveau zijn die welke in de relevante sectorale regelgeving van de in de geconsolideerde positie opgenomen ondernemingen erkend worden als eigenvermogensbestanddeel. Les éléments de fonds propres au niveau du groupe sont ceux qui sont reconnus comme éléments de fonds propres par la réglementation sectorielle pertinente des entreprises incluses dans la situation consolidée. Het solvabiliteitsvereiste op groepsniveau is gelijk aan de som van de solvabiliteitsvereisten voor elke onderscheiden financiële sector die in L’exigence de solvabilité au niveau du groupe est égale à la somme des exigences de solvabilité relatives à chaque secteur financier 1194 1584/002 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 de groep vertegenwoordigd is. De solvabiliteitsvereisten voor elke onderscheiden financiële sector worden berekend volgens de relevante sectorale regelgeving. Voor niet- gereglementeerde ondernemingen uit de financiële sector die niet bij de bovengenoemde berekeningen van de sectorale solvabiliteitsvereisten zijn meegeteld, wordt een theoretisch solvabiliteitsvereiste berekend. distinct qui est représenté au sein du groupe. Les exigences de solvabilité relatives à chaque secteur financier distinct sont calculées selon la réglementation sectorielle pertinente. Pour les entreprises non réglementées appartenant au secteur financier qui ne sont pas incluses dans les calculs précités des exigences de solvabilité sectorielles, le calcul se fait selon une exigence de solvabilité théorique. § 2. Methode 2: methode gebaseerd op aggregatie en aftrek § 2. Méthode 2 : méthode basée sur l’agrégation et la déduction Het eigen vermogen en de solvabiliteitsvereisten worden berekend aan de hand van de jaarrekeningen of tussentijdse rekeningen van elk van de ondernemingen in de groep. Les fonds propres et les exigences de solvabilité sont calculés sur la base des comptes annuels ou intérimaires de chacune des entreprises du groupe. Het eigen vermogen op groepsniveau is gelijk aan de som van de eigen vermogens van elke tot de financiële sector behorende gereglementeerde en niet-gereglementeerde onderneming in het financieel conglomeraat. De bestanddelen van het groepseigen vermogen zijn die welke in de relevante sectorale regelgeving van de desbetreffende ondernemingen erkend worden als eigenvermogensbestanddeel. Les fonds propres au niveau du groupe sont égaux à la somme des fonds propres de chacune des entreprises réglementées ou non qui, dans le conglomérat financier, appartient au secteur financier. Les éléments de fonds propres du groupe sont ceux qui sont reconnus comme éléments de fonds propres dans la réglementation sectorielle pertinente des entreprises concernées. Het solvabiliteitsvereiste op groepsniveau is gelijk aan de som van, enerzijds, de solvabiliteitsvereisten voor elke tot de financiële sector behorende gereglementeerde en niet- gereglementeerde onderneming in het financieel conglomeraat - berekend volgens de relevante sectorale regelgeving -, en anderzijds, de boekwaarde van alle deelnemingen in ondernemingen van de groep. Voor niet- gereglementeerde ondernemingen die tot de financiële sector behoren en, die niet bij de bovengenoemde berekeningen van de sectorale solvabiliteitsvereisten zijn meegeteld, wordt een theoretisch solvabiliteitsvereiste berekend overeenkomstig artikel 12 van Verordening 342/2014. L’exigence de solvabilité au niveau du groupe est égale à la somme, d'une part, des exigences de solvabilité pour chacune des entreprises réglementées ou non, qui, dans le conglomérat financier, appartient au secteur financier – calculées selon la réglementation sectorielle pertinente – et, d’autre part, de la valeur comptable de toutes les participations dans des entreprises du groupe. Pour les entreprises non réglementées appartenant au secteur financier qui ne sont pas incluses dans les calculs précités des exigences de solvabilité sectorielles, le calcul se fait selon une exigence de solvabilité théorique, conformément à l’article 12 du Règlement 342/2014. Onverminderd het bepaalde in artikel 3 § 2 van deze Bijlage inzake eigen vermogenstekorten in dochterondernemingen, wordt bij de toepassing van deze methode rekening gehouden met het evenredig deel dat de moederonderneming of de onderneming met een deelneming bezit in een andere onderneming van het financieel conglomeraat. Onder evenredig deel wordt verstaan, het gedeelte van het geplaatste kapitaal dat rechtstreeks of onrechtstreeks door deze onderneming wordt gehouden. Sans préjudice des dispositions de l'article 3 § 2 de la présente Annexe en matière de déficits de fonds propres dans les filiales, il est tenu compte, dans l’application de cette méthode, de la quote-part que l’entreprise mère ou l’entreprise ayant une participation détient dans une autre entreprise du conglomérat financier. Par quote-part, il y a lieu d’entendre la partie du capital placé qui est détenue directement ou indirectement par cette entreprise. Art. 3. Beginselen gemeenschappelijk aan de Art. 3 . Principes communs aux deux méthodes 1195 1584/002 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 twee methodes § 1. Met de “solvabiliteitsvereisten voor de ondernemingen die tot de verzekeringssector behoren” wordt bedoeld de solvabiliteitsvereisten in overeenstemming met de artikelen 151 en 378 van deze wet. § 1er. Par « exigences de solvabilité pour les entreprises appartenant au secteur des assurances », il y a lieu d’entendre les exigences de solvabilité conformément aux articles 151 et 378 de la présente loi. Met de “solvabiliteitsvereisten voor de ondernemingen die tot de bank- en beleggingsdienstensector behoren” wordt bedoeld, de solvabiliteitsvereisten overeenkomstig Par « exigences de solvabilité pour les entreprises appartenant au secteur bancaire et au secteur des services d’investissement », il y a lieu d’entendre les exigences de solvabilité conformément: - Deel 3, Titel I, Hoofdstuk 1 van Verordening 575/2013; - à la troisième Partie, Titre Ier, Chapitre 1er du Règlement 575/2013 ; - de artikelen 94, 96, 98, 149 en 150 van de wet van 25 april 2014; - aux articles 94, 96, 98, 149 et 150 de la loi du 25 avril 2014 ; - de artikelen 458 en 459 van Verordening 575/2013; en - aux articles 458 et 459 du Règlement 575/2013; et - in voorkomend geval de reglementen vastgesteld met toepassing van artikel 12bis, § 2 van de wet van 22 februari 1998, in uitvoering van de vorige punten. - le cas échéant aux règlements arrêtés en application de l’article 12bis, § 2, de la loi du 22 février 1998, en exécution des points précédents. § 2. Eigenvermogenstekorten in dochterondernemingen (in geval van niet- gereglementeerde ondernemingen wordt het theoretische tekort berekend aan de hand van de theoretische solvabiliteitsvereiste) worden voor het totale bedrag in aanmerking genomen. § 2. Les déficits de fonds propres dans des filiales (en cas d’entreprises non réglementées, le déficit théorique est calculé sur la base de l’exigence de solvabilité théorique) sont pris en considération pour le montant total. In afwijking hiervan kan de Bank als coördinator toestaan dat het evenredig deel van het tekort in rekening wordt gebracht, indien haar op duidelijke wijze aangetoond wordt dat de verantwoordelijkheid van de moederonderneming in de groep verhoudingsgewijze beperkt is tot het deel van het kapitaal dat zij in die onderneming bezit, op grond van de verantwoordelijkheid die de overige aandeelhouders dragen in verhouding tot hun inbreng in het kapitaal en hun voldoende solvabiliteit. Par dérogation, la Banque en sa qualité de coordinateur peut autoriser que la quote-part du déficit soit prise en considération, s’il lui est démontré clairement que la responsabilité de l’entreprise mère dans le groupe est proportionnellement limitée à la partie du capital qu’elle détient dans cette entreprise, sur la base de la responsabilité que les autres actionnaires portent en proportion de leur apport dans le capital et sur la base de leur solvabilité suffisante. Indien tussen de ondernemingen in een financieel conglomeraat geen kapitaalbanden bestaan, bepaalt de Bank, na overleg met de andere betrokken toezichthouders, het evenredige deel dat in aanmerking moet worden genomen voor de berekening van het eigen vermogen van de groep. De Bank houdt daarbij rekening met de verantwoordelijkheid en het risico waartoe de bestaande betrekkingen tussen die ondernemingen aanleiding geven. S’il n’existe pas de liens en capital entre les entreprises d’un conglomérat financier, la Banque détermine, après concertation avec les autres autorités de contrôle concernées, la quote- part qui doit entrer en considération pour le calcul des fonds propres du groupe. La Banque tient compte à cet égard de la responsabilité et du risque auxquels les relations existantes entre ces entreprises peuvent donner lieu. § 3. Bij de berekening van het eigen vermogen § 3. Lors du calcul des fonds propres au niveau 1196 1584/002 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 op het niveau van een financieel conglomeraat zal elke artificiële eigenvermogensvorming binnen een financieel conglomeraat, zoals het meer dan eenmaal in aanmerking nemen van dezelfde eigenvermogensbestanddelen (multiple gearing) en de niet passende transformatie van de aard van de werkmiddelen, worden geëlimineerd. Daartoe zullen de relevante beginselen van de sectorale regelgeving naar analogie worden toegepast. d’un conglomérat financier, toute création artificielle de fonds propres au sein d’un conglomérat financier, telle que la prise en considération répétée des mêmes éléments de fonds propres (multiple gearing) et la transformation non adéquate de la nature des moyens, sera éliminée. À cet effet, les principes pertinents de la réglementation sectorielle seront applicables par analogie. § 4. De solvabiliteitsvereisten van de tot een bepaalde financiële sector behorende ondernemingen in een financieel conglomeraat, dienen te worden gedekt door eigenvermogensbestanddelen als gedefinieerd in de relevante sectorale regelgeving. Aanvullende solvabiliteitsvereisten op het niveau van het financieel conglomeraat moeten worden gedekt door eigenvermogensbestanddelen die in elk van de sectorale regelgevingen erkend worden (« sectoroverschrijdend eigen vermogen »). § 4. Les exigences de solvabilité des entreprises d’un conglomérat financier qui font partie d’un secteur financier déterminé doivent être couvertes par des éléments de fonds propres tels que définis par la réglementation sectorielle pertinente. Les exigences de solvabilité complémentaires au niveau du conglomérat financier doivent être couvertes par des éléments de fonds propres reconnus dans chacune des réglementations sectorielles (« fonds propres transsectoriels »). Indien de sectorale regelgeving het in aanmerking nemen van eigen vermogensinstrumenten aan beperkingen onderwerpt, zijn deze beperkingen van overeenkomstige toepassing bij de berekening van het eigen vermogen op het niveau van het financieel conglomeraat. Si la réglementation sectorielle soumet la prise en considération d’instruments de fonds propres à des limitations, celles-ci sont applicables par analogie au calcul des fonds propres au niveau du conglomérat financier. Bij het in aanmerking nemen van eigenvermogensbestanddelen op het niveau van het financieel conglomeraat houdt de Bank rekening met eventuele beperkingen in de beschikbaarheid en overdraagbaarheid ervan tussen de verschillende ondernemingen in de groep, in het licht van de doeleinden van het aanvullend conglomeraatstoezicht in het algemeen en de solvabiliteitsvoorschriften in het bijzonder. Lors de la prise en considération d’éléments de fonds propres au niveau du conglomérat financier, la Banque tient compte de limitations éventuelles à leur disponibilité et à leur cessibilité entre les différentes entreprises du groupe, à la lumière des finalités de la surveillance complémentaire du conglomérat en général et des dispositions en matière de solvabilité en particulier. Het theoretisch solvabiliteitsvereiste voor een niet-gereglementeerde onderneming uit de financiële sector is het solvabiliteitsvereiste waaraan een dergelijke onderneming krachtens de relevante sectorale regelgeving zou moeten voldoen indien het om een gereglementeerde onderneming van die specifieke financiële sector zou gaan. Het solvabiliteitsvereiste van een gemengde financiële holding wordt berekend overeenkomstig de sectorale regelgeving van de belangrijkste financiële sector in de groep. L’exigence de solvabilité théorique pour une entreprise non réglementée du secteur financier est l’exigence de solvabilité à laquelle une telle entreprise devrait satisfaire en vertu de la réglementation sectorielle pertinente s’il s’agissait d’une entreprise réglementée de ce secteur financier spécifique. L’exigence de solvabilité d’une compagnie financière mixte est calculée conformément à la réglementation sectorielle du secteur financier le plus important du groupe. Centrale drukkerij – Imprimerie centrale

Vragen over dit document?

Stel uw vragen aan onze juridische AI-assistent

Open chatbot