Inhoud
CHAMBRE DES REPRÉSENTANTS
DE BELGIQUE
BELGISCHE KAMER VAN
VOLKSVERTEGENWOORDIGERS
3274
DOC 54 1584/002
DOC 54 1584/002
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
PROJET DE LOI
PARTIE II
WETSONTWERP
DEEL II
op het statuut van en het
toezicht op de verzekerings- of
herverzekeringsondernemingen
relatif au statut et au contrôle
des entreprises d’assurance
ou de réassurance
13 janvier 2016
13 januari 2016
Voir:
Doc 54 1584/ (2015/2016):
001:
Projet de loi (partie I).
Voir aussi:
003: Projet de loi (partie III).
Zie:
Doc 54 1584/ (2015/2016):
001:
Wetsontwerp (deel I).
Zie ook:
003: Wetsontwerp (deel III).
SOMMAIRE
Résumé .................................................................
Exposé des motifs .................................................
Avant-projet ...........................................................
Analyse d’impact ...................................................
Avis du Conseil d’État ...........................................
Projet de loi (DOC 54 1584/002) .........................
Annexes I à V à la loi (DOC 1584/002) ...............
Annexe (DOC 54 1584/003) ..................................
INHOUD
Samenvatting ........................................................
Memorie van toelichting ........................................
Voorontwerp ..........................................................
Impactanalyse .......................................................
Advies van de Raad van State ..............................
Wetsontwerp (DOC 54 1584/002) .......................
Bijlagen I tot V bij de wet (DOC 1584/002) ........
Bijlage (DOC 54 1584/003) ...................................
3
4
374
727
739
765
1184
1199
Blz.
Pages
3
4
374
733
739
765
1184
1199
764
1584/002
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
Abréviations dans la numérotation des publications:
DOC 54 0000/000: Document parlementaire de la 54e législature, suivi
du n° de base et du n° consécutif
QRVA:
Questions et Réponses écrites
CRIV:
Version Provisoire du Compte Rendu intégral
CRABV:
Compte Rendu Analytique
CRIV:
Compte Rendu Intégral, avec, à gauche, le
compte rendu intégral et, à droite, le compte rendu
analy tique traduit des interventions (avec les an-
nexes)
PLEN:
Séance plénière
COM:
Réunion de commission
MOT:
Motions déposées en conclusion d’interpellations
(papier beige)
Publications officielles éditées par la Chambre des représentants
Commandes:
Place de la Nation 2
1008 Bruxelles
Tél. : 02/ 549 81 60
Fax : 02/549 82 74
www.lachambre.be
courriel : publications@lachambre.be
Les publications sont imprimées exclusivement sur du papier certifi é FSC
Officiële publicaties, uitgegeven door de Kamer van volksvertegenwoordigers
Bestellingen:
Natieplein 2
1008 Brussel
Tel. : 02/ 549 81 60
Fax : 02/549 82 74
www.dekamer.be
e-mail : publicaties@dekamer.be
De publicaties worden uitsluitend gedrukt op FSC gecertifi ceerd papier
Afkortingen bij de nummering van de publicaties:
DOC 54 0000/000:
Parlementair document van de 54e zittingsperiode +
basisnummer en volgnummer
QRVA:
Schriftelijke Vragen en Antwoorden
CRIV:
Voorlopige versie van het Integraal Verslag
CRABV:
Beknopt Verslag
CRIV:
Integraal Verslag, met links het defi nitieve integraal verslag
en rechts het vertaald beknopt verslag van de toespraken
(met de bijlagen)
PLEN:
Plenum
COM:
Commissievergadering
MOT:
Moties tot besluit van interpellaties (beigekleurig papier)
N-VA
:
Nieuw-Vlaamse Alliantie
PS
:
Parti Socialiste
MR
:
Mouvement Réformateur
CD&V
:
Christen-Democratisch en Vlaams
Open Vld
:
Open Vlaamse liberalen en democraten
sp.a
:
socialistische partij anders
Ecolo-Groen
:
Ecologistes Confédérés pour l’organisation de luttes originales – Groen
cdH
:
centre démocrate Humaniste
VB
:
Vlaams Belang
PTB-GO!
:
Parti du Travail de Belgique – Gauche d’Ouverture
DéFI
:
Démocrate Fédéraliste Indépendant
PP
:
Parti Populaire
De regering heeft dit wetsontwerp op
13 januari 2016 ingediend.
Le gouvernement a déposé ce projet de loi le
13 janvier 2016.
De “goedkeuring tot drukken” werd op
13 januari 2016 door de Kamer ontvangen.
Le “bon à tirer” a été reçu à la Chambre le
13 janvier 2016.
765
1584/002
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
WETSONTWERP
FILIP,
KONING DER BELGEN,
Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen,
ONZE GROET.
Op de voordracht van de minister van Economie en
Consumenten, de minister van Justitie, de minister van
Financiën, de minister van Binnenlandse Zaken, de mi-
nister van Sociale Zaken en de minister van Pensioenen,
HEBBEN WIJ BESLOTEN EN BESLUITEN WIJ:
De minister van Economie en Consumenten, de mi-
nister van Justitie, de minister van Financiën, de minister
van Binnenlandse Zaken, de minister van Sociale Zaken
en de minister van Pensioenen zijn ermee belast het
ontwerp van wet waarvan de tekst hierna volgt in onze
naam aan de Wetgevende Kamers voor te leggen en
bij de Kamer van volksvertegenwoordigers in te dienen:
BOEK I
ALGEMENE BEPALINGEN
TITEL I
Doel
Artikel 1
De artikelen 692, 708 en 712 van deze wet regelen
een aangelegenheid als bedoeld in artikel 78 van de
Grondwet.
De overige bepalingen van deze wet, met inbegrip
van de Bijlagen ervan, regelen een aangelegenheid als
bedoeld in artikel 74 van de Grondwet.
Art. 2
Deze wet zorgt voor de gedeeltelijke omzetting van:
1° Richtlijn 2009/138/EG van het Europees Parlement
en de Raad van 25 november 2009 betreffende de
toegang tot en uitoefening van het verzekerings- en het
herverzekeringsbedrijf (Solvabiliteit II);
2° Richtlijn 2011/89/EU van het Europees Parlement
en de Raad van 16 november 2011 houdende wijziging
PROJET DE LOI
PHILIPPE,
ROI DES BELGES,
À tous, présents et à venir,
SALUT.
Sur la proposition du ministre de l’Economie et des
Consommateurs, du ministre de la Justice, du ministre
des Finances, du ministre de l’Intérieur, du ministre des
Affaires sociales et du ministre des Pensions,
NOUS AVONS ARRÊTÉ ET ARRÊTONS:
Le ministre de l’Economie et des Consommateurs,
le ministre de la Justice, le ministre des Finances, le
ministre de l’Intérieur, le ministre des Affaires sociales
et le ministre des Pensions sont chargés de présenter
en notre nom aux Chambres législatives et de déposer
à la Chambre des représentants le projet de loi dont la
teneur suit:
LIVRE IER
DISPOSITIONS GÉNÉRALES
TITRE IER
Objet
Article 1er
Les articles 692, 708 et 712 de la présente loi règlent
une matière visée à l’article 78 de la Constitution.
Les autres dispositions de la présente loi, en ce com-
pris ses Annexes, règlent une matière visée à l’article
74 de la Constitution.
Art. 2
La présente loi assure la transposition partielle:
1° de la directive 2009/138/CE du Parlement euro-
péen et du Conseil du 25 novembre 2009 sur l’accès
aux activités de l’assurance et de la réassurance et leur
exercice (Solvabilité II);
2° de la directive 2011/89/UE du Parlement euro-
péen et du Conseil du 16 novembre 2011 modifiant
766
1584/002
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
van de Richtlijnen 98/78/EG, 2002/87/EG, 2006/48/EG
en 2009/138/EG betreffende het aanvullende toezicht
op financiële entiteiten in een financieel conglomeraat,
wat de verzekerings- of herverzekeringsondernemingen
betreft;
3° Richtlijn 2013/36/EU van het Europees Parlement
en de Raad van 26 juni 2013 betreffende toegang tot het
bedrijf van kredietinstellingen en het prudentieel toezicht
op kredietinstellingen en beleggingsondernemingen,
tot wijziging van Richtlijn 2002/87/EG en tot intrekking
van de Richtlijnen 2006/48/EG en 2006/49/EG, in het
bijzonder artikel 71 ervan;
4° Richtlijn 2014/51/EU van het Europees Parlement
en de Raad van 16 april 2014 tot wijziging van
de Richtlijnen 2003/71/EG en 2009/138/EG, als-
mede de Verordeningen (EG) nr. 1060/2009, (EU)
nr. 1094/2010 en (EU) nr. 1095/2010 wat de bevoegd-
heden van de Europese toezichthoudende autoriteit
(Europese Autoriteit voor verzekeringen en bedrijfspen-
sioenen) en de Europese toezichthoudende autoriteit
(Europese Autoriteit voor effecten en markten) betreft.
5° Richtlijn 2014/59/EU van het Europees Parlement
en de Raad van 15 mei 2014 betreffende de totstand-
brenging van een kader voor het herstel en de afwik-
keling van kredietinstellingen en beleggingsonderne-
mingen en tot wijziging van Richtlijn 82/891/EEG van
de Raad en de Richtlijnen 2001/24/EG, 2002/47/EG,
2004/25/EG, 2005/56/EG, 2007/36/EG, 2011/35/EU,
2012/30/EU en 2013/36/EU en de Verordeningen (EU)
nr. 1093/2010 en (EU) nr. 648/2012, van het Europees
Parlement en de Raad, in het bijzonder de artikelen
84 en 90 ervan.
Art. 3
Om de verzekeringnemers, de verzekerden en de
begunstigden van verzekeringsovereenkomsten en
-verrichtingen te beschermen en om de soliditeit en de
goede werking van het financiële stelsel te verzekeren,
regelt deze wet de vestiging en de activiteiten van,
alsook het toezicht op de verzekerings- of herverzeke-
ringsondernemingen die in België werkzaam zijn, met
inbegrip van bepaalde modaliteiten en voorwaarden die
specifiek zijn voor verzekerings- of herverzekeringsover-
eenkomsten en -verrichtingen.
Art. 4
Deze wet doet geen afbreuk aan de verplichtingen die
voor de verzekerings- of herverzekeringsondernemingen
les directives 98/78/CE, 2002/87/CE, 2006/48/CE et
2009/138/CE en ce qui concerne la surveillance com-
plémentaire des entités financières des conglomérats
financiers, pour ce qui concerne les entreprises d’assu-
rance ou de réassurance;
3° de la directive 2013/36/UE du Parlement européen
et du Conseil du 26 juin 2013 concernant l’accès des
établissements de crédit et la surveillance pruden-
tielle des établissements de crédit et des entreprises
d’investissement modifiant la Directive 2002/87/CE et
abrogeant les Directives 2006/48/CE et 2006/49/CE, en
particulier son article 71;
4° de la Directive 2014/51/UE du Parlement euro-
péen et du Conseil du 16 avril 2014 modifiant les
Directives 2003/71/CE et 2009/138/CE et les règle-
ments (CE) n° 1060/2009, (UE) n° 1094/2010 et (UE)
n° 1095/2010 en ce qui concerne les compétences
de l’Autorité européenne de surveillance (Autorité
européenne des assurances et des pensions profes-
sionnelles) et de l’Autorité européenne de surveillance
(Autorité européenne des marchés financiers).
5° de la Directive 2014/59/UE du Parlement européen
et du Conseil du 15 mai 2014 établissant un cadre pour
le redressement et la résolution des établissements de
crédit et des entreprises d’investissement et modifiant
la Directive 82/891/CEE du Conseil ainsi que les direc-
tives du Parlement européen et du Conseil 2001/24/
CE, 2002/47/CE, 2004/25/CE, 2005/56/CE, 2007/36/
CE, 2011/35/UE, 2012/30/UE et 2013/36/UE et les
règlements du Parlement européen et du Conseil (UE)
n° 1093/2010 et (UE) n° 648/2012, en particulier ses
articles 84 et 90.
Art. 3
La présente loi a pour objet de régler, dans l’objectif
de garantir la protection des preneurs d’assurance,
des assurés et des bénéficiaires de contrats et
d’opérations d’assurance, et d’assurer la solidité et le
bon fonctionnement du système financier, en particulier,
l’établissement, l’activité et le contrôle des entreprises
d’assurance ou de réassurance opérant en Belgique,
en ce compris certaines modalités et conditions inhé-
rentes aux contrats et opérations d’assurance ou de
réassurance.
Art. 4
La présente loi est sans préjudice des obligations
qui incombent aux entreprises d’assurance ou de
767
1584/002
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
voortvloeien uit de bijzondere wetten die hun werkzaam-
heden regelen.
Art. 5
Voor de toepassing van deze wet en haar uitvoe-
ringsbesluiten en -reglementen wordt verstaan onder:
1° verzekeringsonderneming: onderneming die
voor eigen rekening het verzekeringsbedrijf uitoefent,
namelijk het bedrijf dat bestaat in het sluiten van
verzekeringsovereenkomsten of het uitvoeren van
verzekeringsverrichtingen;
2° herverzekeringsonderneming: onderneming die
voor eigen rekening het herverzekeringsbedrijf uitoefent,
namelijk:
a) het bedrijf dat bestaat in het overnemen van risico’s
die door een verzekeringsonderneming of een andere
herverzekeringsonderneming worden overgedragen;
b) in het geval van de groep van “underwriters” be-
kend onder de naam “Lloyd’s”: het bedrijf dat er voor een
andere verzekerings- of herverzekeringsonderneming
dan Lloyd’s in bestaat de risico’s over te nemen die door
een lid van Lloyd’s worden overgedragen.
Met het herverzekeringsbedrijf wordt gelijkge-
steld de dekking die een herverzekeringsonderne-
ming voor eigen rekening biedt aan een instelling
voor bedrijfspensioenvoorziening die onder de
toepassing valt van de titels II en III van de wet van
27 oktober 2006 betreffende het toezicht op de instel-
lingen voor bedrijfspensioenvoorziening.
TITEL II
Toepassingsgebied
HOOFDSTUK I
Algemene bepalingen
Art. 6
Deze wet is van toepassing op verzekerings- of
herverzekeringsondernemingen naar Belgisch of bui-
tenlands recht die in België werkzaam zijn of willen zijn,
via een bijkantoor of zonder er gevestigd te zijn.
réassurance en application des lois particulières régis-
sant les opérations qu’elles pratiquent.
Art. 5
Pour l’application de la présente loi et des arrêtés et
règlements pris pour son exécution, est définie comme:
1° entreprise d’assurance, l’entreprise qui, pour son
compte propre, exerce l’activité d’assurance, à savoir
l’activité qui consiste à conclure des contrats ou à
effectuer des opérations d’assurance;
2° entreprise de réassurance, l’entreprise qui, pour
son compte propre, exerce l’activité de réassurance,
à savoir:
a) l’activité qui consiste à accepter des risques cédés
par une entreprise d’assurance ou une autre entreprise
de réassurance;
b) s’agissant de l’association de souscripteurs
dénommée “Lloyd’s”, l’activité consistant, pour une
entreprise d’assurance ou de réassurance autre que la
Lloyd’s, à accepter les risques cédés par tout membre
de la Lloyd’s.
Est assimilée à une activité de réassurance la cou-
verture, par une entreprise de réassurance, pour son
propre compte, d’une institution de retraite profession-
nelle relevant du champ d’application des titres II et III
de la loi du 27 octobre 2006 relative au contrôle des
institutions de retraite professionnelle.
TITRE II
Champ d’application
CHAPITRE IER
Dispositions générales
Art. 6
La présente loi est applicable aux entreprises d’assu-
rance ou de réassurance de droit belge ou de droit
étranger qui opèrent ou souhaitent opérer en Belgique,
par la voie d’une succursale ou sans y être établies.
768
1584/002
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
Art. 7
§ 1. Wat het niet-levensverzekeringsbedrijf en het le-
vensverzekeringsbedrijf betreft, is deze wet van toepas-
sing op de activiteiten van de takken die respectievelijk
vermeld zijn in Bijlage I en Bijlage II bij deze wet.
§ 2. Onder het niet-levensverzekeringsbedrijf valt
ook de activiteit van hulpverlening aan in moeilijkheden
verkerende personen die op reis zijn of zich buiten hun
woonplaats of gewone verblijfplaats bevinden. Deze
activiteit bestaat erin dat tegen voorafgaande betaling
van een premie de verbintenis wordt aangegaan om
onmiddellijke hulp te verlenen aan de begunstigde
van een hulpverleningsovereenkomst wanneer deze in
moeilijkheden verkeert ten gevolge van het zich voor-
doen van een onzeker voorval, in de gevallen en onder
de voorwaarden die in de overeenkomst zijn bepaald.
De hulp kan bestaan uit prestaties in geld of in natura.
De prestaties in natura kunnen ook worden verstrekt met
gebruikmaking van eigen personeel of uitrusting van de
prestatieverstrekker.
Onderhoudsdiensten, dienstverlening na verkoop
en de loutere aanwijzing omtrent of terbeschikkingstel-
ling van hulp als tussenpersoon vallen niet onder de
hulpverleningsactiviteit.
HOOFDSTUK II
Uitsluitingen
Afdeling I
Wettelijke regelingen
Art. 8
Deze wet is niet van toepassing op verzekeringsover-
eenkomsten en -verrichtingen die deel uitmaken van
een wettelijke socialezekerheidsregeling en waarvoor
de ondernemingen niet voor eigen risico handelen.
Meer in het bijzonder is deze wet niet van toepas-
sing op:
1° de maatschappijen van onderlinge bijstand die
erkend zijn overeenkomstig de wet van 23 juni 1894 en
die niet onder de wet van 6 augustus 1990 betreffende
de ziekenfondsen en de landsbonden van ziekenfond-
sen vallen;
2° de ziekenfondsen, de landsbonden van ziekenfond-
sen en de maatschappijen van onderlinge bijstand als
Art. 7
§ 1er. En ce qui concerne l’activité d’assurance
non-vie et l’activité d’assurance-vie, la présente loi
s’applique aux activités des branches mentionnées res-
pectivement à l’Annexe I et à l’Annexe II à la présente loi.
§ 2. L’activité d’assurance non-vie inclut égale-
ment l’activité consistant à fournir une assistance aux
personnes en difficulté au cours de déplacements,
d’absences de leur domicile ou de leur résidence
habituelle. Cette activité comporte, moyennant le paie-
ment préalable d’une prime, l’engagement de mettre
immédiatement une aide à la disposition du bénéficiaire
d’un contrat d’assistance lorsque celui-ci se trouve en
difficulté par suite d’un événement fortuit, dans les cas
et dans les conditions prévus par le contrat.
L’aide peut comporter des prestations en espèces ou
en nature. Les prestations en nature peuvent également
être fournies par l’utilisation du personnel ou du matériel
propres au prestataire.
L’activité d’assistance ne couvre pas les services
d’entretien ou de maintenance, les services après-vente
ou la simple indication ou mise à disposition, en tant
qu’intermédiaire, d’une aide.
CHAPITRE II
Exclusions
Section Ire
Régimes légaux
Art. 8
La présente loi n’est pas applicable aux contrats
et opérations d’assurance faisant partie d’un régime
légal de sécurité sociale pour lesquels les entreprises
n’opèrent pas à leurs propres risques.
En particulier, la présente loi n’est pas applicable:
1° aux sociétés mutualistes qui sont reconnues
conformément à la loi du 23 juin 1894 et qui ne sont pas
visées par la loi du 6 août 1990 relative aux mutualités
et aux unions nationales de mutualités;
2° aux mutualités, aux unions nationales de mutua-
lités et aux sociétés mutualistes visées par la loi du
769
1584/002
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
bedoeld in de voornoemde wet van 6 augustus 1990 die
geen verzekeringen mogen aanbieden en waarvan de
diensten als bedoeld in artikel 3, eerste lid, b) en c), van
de voornoemde wet van 6 augustus 1990 voldoen aan
elk van de voorwaarden van artikel 67, eerste lid, van
de wet van 26 april 2010 houdende diverse bepalingen
inzake de organisatie van de aanvullende ziekteverze-
kering (I);
3° de gemeenschappelijke fondsen, private onder-
nemingen met vaste premies en openbare instellin-
gen, voor wat betreft de verrichtingen bedoeld in de
wetten betreffende de rust- en overlevingspensioenen
van arbeiders, bedienden, mijnwerkers, zeelieden en
zelfstandigen.
Afdeling II
Niet-levensverzekering
Art. 9
Wat het niet-levensverzekeringsbedrijf betreft, is deze
wet niet van toepassing op de ondernemingen die de
volgende verrichtingen uitvoeren:
1° verrichtingen van voorzorgs- en bijstandsinstellin-
gen waarvan de prestaties verschillen naargelang van
de beschikbare middelen en waarvan de ledenbijdrage
forfaitair wordt bepaald;
2° verrichtingen van een organisatie die geen rechts-
persoonlijkheid bezit, die de onderlinge waarborg van
haar leden tot doel hebben, zonder tot de betaling van
premies of de vorming van technische reserves aanlei-
ding te geven;
3° verrichtingen op het gebied van exportkredietver-
zekering voor rekening of met garantie van de staat, of
wanneer de staat de verzekeraar is.
Art. 10
§ 1. Deze wet is niet van toepassing op ondernemin-
gen die een hulpverleningsactiviteit uitoefenen die aan
alle volgende voorwaarden voldoet:
1° de hulp wordt verleend bij een ongeval met of de-
fect aan een wegvoertuig dat zich voordoet op Belgisch
grondgebied;
2° de verplichting tot hulpverlening blijft beperkt tot
de volgende verrichtingen:
6 août 1990 précitée qui ne peuvent pas proposer
des assurances et dont les services visés à l’article
3, alinéa 1er, b) et c), de la loi du 6 août 1990 précitée
répondent à chacune des conditions prévues à l’article
67, alinéa 1er, de la loi du 26 avril 2010 portant des
dispositions diverses en matière de l’organisation de
l’assurance maladie complémentaire (I);
3° aux caisses communes, entreprises privées
à primes fixes et institutions publiques, pour ce qui
concerne les opérations visées par les lois relatives
au régime de retraite et de survie des ouvriers, des
employés, des ouvriers mineurs, des marins et des
travailleurs indépendants.
Section II
Assurance non-vie
Art. 9
En ce qui concerne l’activité d’assurance non-vie,
la présente loi n’est pas applicable aux entreprises qui
effectuent les opérations suivantes:
1° les opérations des organismes de prévoyance et
de secours dont les prestations sont variables selon
les ressources disponibles et qui exigent de chacun de
leurs adhérents une contribution forfaitaire appropriée;
2° les opérations effectuées par une organisation
n’ayant pas la personnalité juridique et qui ont pour objet
la garantie mutuelle de ses membres, sans donner lieu
au paiement de primes ni à la constitution de réserves
techniques;
3° les opérations d’assurance-crédit à l’exportation
pour le compte ou avec la garantie de l’État, ou lorsque
l’État est l’assureur.
Art. 10
§ 1er. La présente loi n’est pas applicable aux entre-
prises qui exercent une activité d’assistance pour autant
que celle-ci remplisse toutes les conditions suivantes:
1° l’assistance est fournie à l’occasion d’un accident
ou d’une panne affectant un véhicule routier, lorsque
l’accident ou la panne survient sur le territoire belge;
2° l’engagement au titre de l’assistance est limité aux
opérations suivantes:
770
1584/002
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
a) technische hulp ter plaatse, waarvoor de verlener
van de dekking in de meeste gevallen eigen personeel
en uitrusting gebruikt;
b) het vervoer van het voertuig naar de plaats van
reparatie die het dichtst bij is of het meest geschikt is
voor het uitvoeren van de reparatie, alsmede het even-
tuele vervoer van bestuurder en passagiers, normaliter
met hetzelfde hulpmiddel, naar de dichtstbijzijnde plaats
van waaruit zij hun reis met andere middelen kunnen
voortzetten;
c) het vervoer van het voertuig, eventueel begeleid
door bestuurder en passagiers, naar hun woonplaats,
hun vertrekpunt of hun oorspronkelijke bestemming
binnen het Belgische grondgebied;
3° de hulpverlening wordt niet uitgevoerd door een
onderneming die aan deze wet is onderworpen wegens
andere activiteiten die rechtvaardigen dat zij aan deze
wet is onderworpen.
§ 2. In de gevallen bedoeld in paragraaf 1, 2°, a) en
b), is de voorwaarde dat het ongeval of het defect zich
heeft voorgedaan op Belgisch grondgebied, niet van
toepassing wanneer de onderneming een instelling
is waarvan de begunstigde lid is, en de hulpverlening
of het vervoer van het voertuig enkel op vertoon van
de lidmaatschapskaart, zonder betaling van een ex-
tra premie, wordt uitgevoerd door een soortgelijke
instelling van het betrokken land op grond van een
reciprociteitsovereenkomst.
Art. 11
Deze wet is niet van toepassing op onderlinge ver-
zekeringsverenigingen die niet-levensverzekeringsac-
tiviteiten uitoefenen en die met een andere onderlinge
verzekeringsvereniging een overeenkomst hebben
gesloten die voorziet in de volledige herverzekering
van de door hen gesloten verzekeringsovereenkomsten
of in de overdracht van de contractuele verplichtingen
die de vervanging tot gevolg heeft van de cederende
onderneming door de overnemende onderneming
voor de nakoming van de uit deze overeenkomsten
voortvloeiende verplichtingen. In dit geval is de overne-
mende onderneming onderworpen aan de bepalingen
van deze wet.
a) le dépannage sur place, pour lequel le fournisseur
de la garantie utilise, dans la plupart des circonstances,
son personnel et son matériel propres;
b) l’acheminement du véhicule jusqu’au lieu de
réparation le plus proche ou le plus approprié où la
réparation pourra être effectuée, ainsi que l’éventuel
accompagnement, normalement par le même moyen de
secours, du conducteur et des passagers, jusqu’au lieu
le plus proche d’où ils pourront poursuivre leur voyage
par d’autres moyens;
c) l’acheminement du véhicule, éventuellement
accompagné par le conducteur et les passagers, jusqu’à
leur domicile, leur point de départ ou leur destination
originelle à l’intérieur du territoire belge;
3° l’assistance n’est pas fournie par une entreprise
soumise à la présente loi en raison d’autres activités
justifiant son assujettissement à la présente loi.
§ 2. Dans les cas visés au paragraphe 1er, 2°, a) et b),
la condition que l’accident ou la panne soient survenu
sur le territoire belge n’est pas requise lorsque l’entre-
prise est un organisme dont le bénéficiaire est membre
et que le dépannage ou l’acheminement du véhicule est
effectué sur simple présentation de la carte de membre,
sans paiement de surprime, par un organisme similaire
du pays concerné sur la base d’un accord de réciprocité.
Art. 11
La présente loi n’est pas applicable aux associations
d’assurance mutuelle exerçant des activités d’assu-
rance non-vie qui ont conclu avec une autre associa-
tion mutuelle d’assurance une convention comportant
la réassurance intégrale des contrats d’assurance
qu’elles souscrivent ou la cession des engagements
contractuels impliquant la substitution de l’entreprise
cessionnaire à l’entreprise cédante pour l’exécution des
engagements résultant desdits contrats. Dans ce cas,
l’entreprise cessionnaire est assujettie aux dispositions
de la présente loi.
771
1584/002
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
Afdeling III
Levensverzekering
Art. 12
Wat het levensverzekeringsbedrijf betreft, is deze wet
niet van toepassing op de volgende ondernemingen:
1° voorzorgs- en bijstandsinstellingen waarvan de
prestaties verschillen naargelang van de beschikbare
middelen en waarvan de ledenbijdrage forfaitair wordt
bepaald;
2° andere organisaties dan de in artikel 6 bedoelde
ondernemingen die ten doel hebben aan al dan niet in
loondienst werkzame personen, die in het kader van
een onderneming of van een groep van ondernemingen
of van een beroep of meerdere beroepen omvattende
sector zijn gegroepeerd, uitkeringen te verstrekken bij
overlijden, bij leven of bij beëindiging of vermindering
van de activiteiten, ongeacht of de uit deze verrichtingen
voortvloeiende verplichtingen al dan niet volledig en
voortdurend door wiskundige voorzieningen zijn gedekt;
3° organisaties die uitsluitend uitkeringen bij overlij-
den waarborgen, wanneer het bedrag van deze uitke-
ringen niet groter is dan het gemiddelde bedrag van de
begrafeniskosten voor een sterfgeval of wanneer deze
uitkeringen in natura geschieden.
Afdeling IV
Herverzekering
Art. 13
Deze wet is niet van toepassing op de herverzeke-
ringsactiviteit die een lidstaat om belangrijke redenen
van openbaar belang uitoefent of volledig garandeert in
de hoedanigheid van herverzekeraar in laatste instantie
en wanneer een situatie op de markt, waarin het onmo-
gelijk is om een adequate herverzekeringsdekking te
verkrijgen, een dergelijk optreden noodzakelijk maakt.
Art. 14
Deze wet is niet van toepassing op herverzekerings-
ondernemingen die op 10 december 2007 het sluiten
van nieuwe herverzekeringsovereenkomsten hebben
gestaakt en uitsluitend hun bestaande portefeuille be-
heren met het oog op de beëindiging van hun activiteit.
Deze ondernemingen dienen zich aan te mel-
den bij de Bank en op te geven onder welk soort
Section III
Assurance-vie
Art. 12
En ce qui concerne l’activité d’assurance-vie, la pré-
sente loi n’est pas applicable aux entreprises suivantes:
1° les organismes de prévoyance et de secours
qui accordent des prestations variables selon les
ressources disponibles et exigent de chacun de leurs
adhérents une contribution forfaitaire appropriée;
2° les organisations, autres que les entreprises visées
à l’article 6, qui ont pour objet de fournir aux travailleurs,
salariés ou non, groupés dans le cadre d’une entreprise
ou d’un groupement d’entreprises ou d’un secteur pro-
fessionnel ou interprofessionnel, des prestations en cas
de décès, en cas de vie ou en cas de cessation ou de
réduction d’activités, que les engagements résultant de
ces opérations soient ou non couverts intégralement et
à tout moment par des provisions mathématiques;
3° les organisations qui garantissent uniquement des
prestations en cas de décès, lorsque le montant de ces
prestations n’excède pas la valeur moyenne des frais
funéraires pour un décès ou lorsque ces prestations
sont fournies en nature.
Section IV
Réassurance
Art. 13
La présente loi n’est pas applicable à l’activité de
réassurance exercée ou totalement garantie par un État
membre agissant, pour des raisons relevant d’un intérêt
public important, en qualité de réassureur en dernier
ressort, y compris lorsque ce rôle est rendu nécessaire
par une situation où il est impossible d’obtenir une cou-
verture de réassurance adéquate sur le marché.
Art. 14
La présente loi n’est pas applicable aux entreprises
de réassurance qui, au 10 décembre 2007, ont cessé
de souscrire de nouveaux contrats de réassurance et
se limitent à administrer leur portefeuille existant en vue
de mettre un terme à leur activité.
Ces entreprises sont tenues de se faire connaître
auprès de la Banque, en précisant le type d’activité de
772
1584/002
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
herverzekeringsactiviteit de door hen beheerde verze-
keringsportefeuille valt.
De Bank maakt een lijst op van de in dit artikel bedoel-
de herverzekeringsondernemingen en deelt deze lijst
mee aan de toezichthouders van de andere lidstaten.
TITEL III
Definities
Art. 15
Voor de toepassing van deze wet en haar uitvoe-
ringsbesluiten en -reglementen wordt verstaan onder:
1° “Verordening 1094/2010”: Verordening (EU)
nr. 1094/2010 van het Europees Parlement en de Raad
van 24 november 2010 tot oprichting van een Europese
toezichthoudende autoriteit (Europese Autoriteit voor
verzekeringen en bedrijfspensioenen), tot wijziging van
Besluit nr. 716/2009/EG en tot intrekking van Besluit
2009/79/EG van de Commissie;
2° “Verordening 2015/35”: Gedelegeerde Verordening
(EU) 2015/35 van de Commissie van 10 oktober 2014 tot
aanvulling van Richtlijn 2009/138/EG van het Europees
Parlement en de Raad betreffende de toegang tot en
uitoefening van het verzekerings- en het herverzeke-
ringsbedrijf (Solvabiliteit II);
3° “Richtlijn 2002/87/EG”: Richtlijn 2002/87/
EG van het Europees Parlement en de Raad van
16 december 2002 betreffende het aanvullende toezicht
op kredietinstellingen, verzekeringsondernemingen en
beleggingsondernemingen in een financieel conglo-
meraat en tot wijziging van de Richtlijnen 73/239/EEG,
79/267/EEG, 92/49/EEG, 92/96/EEG, 93/6/EEG en
93/22/EEG van de Raad en van de Richtlijnen 98/78/
EG en 2000/12/EG van het Europees Parlement en de
Raad;
4° “Richtlijn 2009/65/EG”: Richtlijn 2009/65/EG van
het Europees Parlement en de Raad van 13 juli 2009 tot
coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke
bepalingen betreffende bepaalde instellingen voor col-
lectieve belegging in effecten (icbe’s);
5° “Richtlijn 2009/103/EG”: Richtlijn 2009/103/
EG van het Europees Parlement en de Raad van
16 september 2009 betreffende de verzekering tegen
de wettelijke aansprakelijkheid waartoe de deelneming
aan het verkeer van motorrijtuigen aanleiding kan
geven en de controle op de verzekering tegen deze
aansprakelijkheid;
réassurance relatif au portefeuille de contrats qu’elles
administrent.
La Banque dresse une liste des entreprises de réas-
surance visées au présent article et la communique aux
autorités de contrôle des autres États membres.
TITRE III
Définitions
Art. 15
Aux fins de l’application de la présente loi et des arrê-
tés et règlements pris pour son exécution, on entend par:
1° “Règlement 1094/2010”: le Règlement (UE)
n° 1094/2010 du Parlement européen et du Conseil du
24 novembre 2010 instituant une Autorité européenne
de surveillance (Autorité européenne des assurances
et des pensions professionnelles), modifiant la décision
n° 716/2009/CE et abrogeant la décision 2009/79/CE
de la Commission;
2° “Règlement 2015/35”: le règlement délégué (UE)
2015/35 de la Commission du 10 octobre 2014 complé-
tant la directive 2009/138/CE du Parlement européen et
du Conseil sur l’accès aux activités de l’assurance et de
la réassurance et leur exercice (Solvabilité II);
3° “Directive 2002/87/CE”: la directive 2002/87/
CE du Parlement européen et du Conseil du
16 décembre 2002 relative à la surveillance complé-
mentaire des établissements de crédit, des entreprises
d’assurance et des entreprises d’investissement
appartenant à un conglomérat financier, et modifiant
les directives 73/239/CEE, 79/267/CEE, 92/49/CEE,
92/96/CEE, 93/6/CEE et 93/22/CEE du Conseil et les
directives 98/78/CE et 2000/12/CE du Parlement euro-
péen et du Conseil;
4° “Directive 2009/65/CE”: la directive 2009/65/CE du
Parlement européen et du Conseil du 13 juillet 2009 por-
tant coordination des dispositions législatives, réglemen-
taires et administratives concernant certains organismes
de placement collectif en valeurs mobilières (OPCVM);
5° “Directive 2009/103/CE”: la directive 2009/103/CE du
Parlement et du Conseil du 16 septembre 2009 concer-
nant l’assurance de la responsabilité civile résultant de
la circulation de véhicules automobiles et le contrôle de
l’obligation d’assurer cette responsabilité;
773
1584/002
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
6° “Richtlijn 2009/138/EG”: Richtlijn 2009/138/
EG van het Europees Parlement en de Raad van
25 november 2009 betreffende de toegang tot en uit-
oefening van het verzekerings- en het herverzekerings-
bedrijf (Solvabiliteit II);
7° “uitvoeringsmaatregelen van Richtlijn 2009/138/
EG”: het geheel van uitvoeringsmaatregelen genomen
ter uitvoering van Richtlijn 2009/138/EG;
8° “Richtlijn 2013/36/EU”: Richtlijn 2013/36/EU van het
Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 be-
treffende toegang tot het bedrijf van kredietinstellingen
en het prudentieel toezicht op kredietinstellingen en
beleggingsondernemingen, tot wijziging van Richtlijn
2002/87/EG en tot intrekking van de Richtlijnen 2006/48/
EG en 2006/49/EG;
9° “Hypotheekwet”: de wet van 16 december 1851 die
Titel XVIII van Boek III van het Burgerlijk Wetboek vormt;
10° “wet van 6 april 1995”: de wet van 6 april 1995 in-
zake het statuut van en het toezicht op de
beleggingsondernemingen;
11° “wet van 22 februari 1998”: de wet van
22 februari 1998 tot vaststelling van het organiek statuut
van de Nationale Bank van België;
12° “wet van 2 augustus 2002”: de wet van
2 augustus 2002 betreffende het toezicht op de finan-
ciële sector en de financiële diensten;
13° “Wet Verzekeringen”: de wet van 4 april 2014 be-
treffende de verzekeringen;
14° “wet van 25 april 2014”: de wet van 25 april 2014 op
het statuut van en het toezicht op kredietinstellingen;
15° “verzekeringsovereenkomst”:
a) hetzij een overeenkomst als gedefinieerd in artikel
5, 14° van de Wet Verzekeringen, met uitzondering van
de kapitalisatieovereenkomsten die onder tak 26 als
vermeld in Bijlage II vallen;
b) hetzij een overeenkomst die onder de takken 24 tot
28 als vermeld in Bijlage II valt;
c) hetzij een verrichting die onder tak 29 als vermeld
in Bijlage II valt;
d) hetzij elke verbintenis die door een verzekerings-
onderneming wordt aangegaan en die een soortgelijke
6° “Directive 2009/138/CE”: la directive 2009/138/
CE du Parlement européen et du Conseil du
25 novembre 2009 sur l’accès aux activités de l’assu-
rance et de la réassurance et leur exercice (Solvabilité II);
7° “mesures d’exécution de la Directive 2009/138/
CE”: l’ensemble des mesures d’exécution prises en
exécution de la Directive 2009/138/CE;
8° “Directive 2013/36/UE”: la directive 2013/36/
UE du Parlement européen et du Conseil du
26 juin 2013 concernant l’accès des établissements de
crédit et la surveillance prudentielle des établissements
de crédit et des entreprises d’investissement modifiant
la directive 2002/87/CE et abrogeant les directives
2006/48/CE et 2006/49/CE;
9° “Loi hypothécaire”: la loi du 16 décembre 1851 for-
mant le Titre XVIII du Livre III du Code civil;
10° “loi du 6 avril 1995”: la loi du 6 avril 1995 relative au
statut et au contrôle des entreprises d’investissement;
11° “loi du 22 février 1998”: la loi du 22 février 1998 fixant
le statut organique de la Banque nationale de Belgique;
12° “loi du 2 août 2002”: la loi du 2 août 2002 relative
à la surveillance du secteur financier et aux services
financiers;
13° “Loi assurances”: la loi du 4 avril 2014 relative
aux assurances;
14° “loi du 25 avril 2014”: la loi du 25 avril 2014 relative
au statut et au contrôle des établissements de crédit;
15° “contrat d’assurance”:
a) soit un contrat tel que défini à l’article 5, 14° de la
Loi assurances, à l’exception des contrats de capitalisa-
tion relevant de la branche 26 mentionnée à l’Annexe II;
b) soit un contrat relevant des branches 24 à 28 men-
tionnées à l’Annexe II;
c) soit une opération relevant de la branche 29 men-
tionnée à l’Annexe II;
d) soit tout engagement pris par une entreprise
d’assurance et comportant une prestation similaire à
774
1584/002
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
prestatie omvat als deze waarin de overeenkomsten en
verrichtingen die onder de takken 21 tot 29 als vermeld
in Bijlage II vallen, voorzien;
16° “niet-levensverzekering”: de verzekeringsactiviteit
die betrekking heeft op de takken 1 tot 18 als vermeld
in Bijlage I;
17° “levensverzekering”: de verzekeringsactiviteit die
betrekking heeft op de takken 21 tot 29 als vermeld in
Bijlage II;
18° “verzekeringnemer”: de persoon die de overeen-
komst sluit met de verzekeringsonderneming;
19° “verzekerde”: de persoon als gedefinieerd in
artikel 5, 17° van de Wet Verzekeringen;
20° “begunstigde”: de persoon in wiens voordeel de
verzekeringsprestaties zijn bedongen;
21° “verzekeringscaptive”: een verzekeringson-
derneming die hetzij eigendom is van een financiële
onderneming die noch een verzekerings- of herverzeke-
ringsonderneming, noch een groep van verzekerings- of
herverzekeringsondernemingen in de zin van artikel
339, 2° is, hetzij eigendom is van een niet-financiële
onderneming, en die tot doel heeft uitsluitend voor
de risico’s van de onderneming of de ondernemingen
waartoe zij behoort of voor de risico’s van een of meer
andere ondernemingen van de groep waarvan zij deel
uitmaakt, verzekeringsdekking te bieden;
22° “herverzekeringscaptive”: een herverzekerings-
onderneming die hetzij eigendom is van een financiële
onderneming die noch een verzekerings- of herverzeke-
ringsonderneming, noch een groep van verzekerings- of
herverzekeringsondernemingen in de zin van artikel
339, 2° is, hetzij eigendom is van een niet-financiële
onderneming, en die tot doel heeft uitsluitend voor
de risico’s van de onderneming of de ondernemingen
waartoe zij behoort of voor de risico’s van een of meer
ondernemingen van de groep waarvan zij deel uitmaakt,
herverzekeringsdekking te bieden;
23° “herverzekering “niet-leven””: de herverzekerings-
activiteiten die betrekking hebben op de takken 1 tot
18 als vermeld in Bijlage I;
24° “herverzekering “leven””: de herverzekeringsacti-
viteiten die betrekking hebben op de takken 21 tot 29 als
vermeld in Bijlage II;
25° “effectiseringsvehikel” (“special purpose ve-
hicle”): een onderneming, al dan niet met een eigen
rechtspersoonlijkheid en anders dan een bestaande
celles prévues par les contrats et opérations relevant
des branches 21 à 29 mentionnées à l’Annexe II;
16° “assurance non-vie”: l’activité d’assurance se rap-
portant aux branches 1 à 18 mentionnées à l’Annexe I;
17° “assurance-vie”: l’activité d’assurance se rappor-
tant aux branches 21 à 29 mentionnées à l’Annexe II;
18° “preneur d’assurance”: la personne qui conclut
le contrat avec l’entreprise d’assurance;
19° “assuré”: la personne telle que définie à l’article
5, 17° de la Loi assurances;
20° “bénéficiaire”: la personne en faveur de laquelle
sont stipulées les prestations d’assurance;
21° “entreprise captive d’assurance”: une entreprise
d’assurance qui est détenue soit par une entreprise
financière autre qu’une entreprise d’assurance ou de
réassurance ou qu’un groupe d’entreprises d’assu-
rance ou de réassurance au sens de l’article 339, 2°,
soit par une entreprise non financière et qui a pour
objet la fourniture d’une couverture d’assurance por-
tant exclusivement sur les risques de l’entreprise ou
des entreprises auxquelles elle appartient, ou bien les
risques d’une ou plusieurs autres entreprises du groupe
dont elle fait partie;
22° “entreprise captive de réassurance”: une entre-
prise de réassurance détenue soit par une entreprise
financière autre qu’une entreprise d’assurance ou de
réassurance ou qu’un groupe d’entreprises d’assurance
ou de réassurance au sens de l’article 339, 2°, soit par
une entreprise non financière et qui a pour objet la four-
niture d’une couverture de réassurance portant exclu-
sivement les risques de l’entreprise ou des entreprises
auxquelles elle appartient, ou bien les risques d’une ou
de plusieurs entreprises du groupe dont elle fait partie;
23° “réassurance non-vie”: les activités de réassu-
rance se rapportant aux branches 1 à 18 mentionnées
à l’Annexe I;
24° “réassurance vie”: les activités de réassurance
se rapportant aux branches 21 à 29 mentionnées à
l’Annexe II;
25° “véhicule de titrisation” (“special purpose vehi-
cle”): toute entreprise, qu’elle soit dotée de la per-
sonnalité juridique ou non, autre qu’une entreprise
775
1584/002
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
verzekerings- of herverzekeringsonderneming, die
risico’s van verzekerings- of herverzekeringsonderne-
mingen overneemt en die zijn blootstelling aan deze
risico’s volledig financiert door emissieprocedures of
andere financieringsmechanismen waarbij de terugbe-
talingsrechten van de geldgevers van dit soort emissies
of financieringsmechanismen achtergesteld zijn bij de
herverzekeringsverplichtingen van de onderneming;
26° “onderlinge verzekeringsvereniging”: een verze-
kerings- of herverzekeringsonderneming die de rechts-
vorm als bedoeld in de artikelen 244 tot 271 van deze
wet heeft aangenomen;
27° “lidstaat”: een staat die partij is bij de Overeenkomst
betreffende de Europese Economische Ruimte (EER);
28° “derde land””: een staat die geen partij is bij de
Overeenkomst betreffende de Europese Economische
Ruimte;
29° “lidstaat van herkomst”: een van de volgende
lidstaten:
a) bij niet-levensverzekeringen: de lidstaat waar de
zetel is gevestigd van de verzekeringsonderneming die
het risico dekt;
b) bij levensverzekeringen: de lidstaat waar de zetel
is gevestigd van de verzekeringsonderneming die de
verbintenis aangaat;
c) bij herverzekeringen: de lidstaat waar de zetel van
de herverzekeringsonderneming is gevestigd;
30° “land van herkomst”: een van de volgende derde
landen:
a) bij niet-levensverzekeringen: het derde land waar
de zetel is gevestigd van de verzekeringsonderneming
die het risico dekt;
b) bij levensverzekeringen: het derde land waar de
zetel is gevestigd van de verzekeringsonderneming die
de verbintenis aangaat;
c) bij herverzekeringen: het derde land waar de zetel
van de herverzekeringsonderneming is gevestigd;
31° “lidstaat van ontvangst”: de lidstaat waar een
verzekerings- of herverzekeringsonderneming een
bijkantoor heeft of verzekerings- of herverzekerings-
diensten verricht en die niet de lidstaat van herkomst
is; in het geval van levens- en niet-levensverzekeringen
d’assurance ou de réassurance existante, qui prend
en charge les risques transférés par des entreprises
d’assurance ou de réassurance et qui finance en totalité
son exposition à ces risques par l’émission d’une dette
ou tout autre mécanisme de financement, où les droits
au remboursement de ceux ayant fait un versement
dans le cadre de cette dette ou de cet autre mécanisme
de financement sont subordonnés aux obligations de
réassurance d’une telle entreprise;
26° “association d’assurance mutuelle”: une entre-
prise d’assurance ou de réassurance qui a adopté la
forme sociale visée aux articles 244 à 271 de la pré-
sente loi;
27° “État membre”: un État partie à l’Accord sur
l’Espace économique européen (EEE);
28° “pays tiers”: un État qui n’est pas partie à l’accord
sur l’Espace économique européen;
29° “État membre d’origine”: l’un des États membres
suivants:
a) en matière d’assurance non-vie, l’État membre
dans lequel est situé le siège social de l’entreprise
d’assurance qui couvre le risque;
b) en matière d’assurance-vie, l’État membre dans
lequel est situé le siège social de l’entreprise d’assu-
rance qui prend l’engagement;
c) en matière de réassurance, l’État membre dans
lequel est situé le siège social de l’entreprise de
réassurance;
30° “pays d’origine”: l’un des pays tiers suivants:
a) en matière d’assurance non-vie, le pays tiers dans
lequel est situé le siège social de l’entreprise d’assu-
rance qui couvre le risque;
b) en matière d’assurance-vie, le pays tiers dans
lequel est situé le siège social de l’entreprise d’assu-
rance qui prend l’engagement;
c) en matière de réassurance, le pays tiers dans lequel
est situé le siège social de l’entreprise de réassurance;
31° “État membre d’accueil”: l’État membre, autre
que l’État membre d’origine, dans lequel une entre-
prise d’assurance ou de réassurance a une succursale
ou fournit des services d’assurance ou de réassu-
rance; pour l’assurance-vie et pour l’assurance non-vie,
776
1584/002
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
wordt onder “lidstaat van dienstverrichting” verstaan
respectievelijk de lidstaat van de verbintenis of de lid-
staat van het risico, wanneer de verbintenis of het risico
wordt gedekt door een verzekeringsonderneming of een
bijkantoor in een andere lidstaat;
32° “land van ontvangst”: het derde land waar een ver-
zekerings- of herverzekeringsonderneming een bijkan-
toor heeft of verzekerings- of herverzekeringsdiensten
verricht en die niet de lidstaat of het land van herkomst
is; in het geval van levens- en niet-levensverzekeringen
wordt onder “derde land van dienstverrichting” verstaan
respectievelijk het derde land van de verbintenis of het
derde land van het risico, wanneer de verbintenis of het
risico wordt gedekt door een verzekeringsonderneming
of een bijkantoor in een ander land;
33° “bijkantoor”: een agentschap of bijkantoor van
een verzekerings- of herverzekeringsonderneming die
gevestigd is op het grondgebied van een andere lidstaat
dan de lidstaat van herkomst of op het grondgebied van
een derde land;
Wordt met een bijkantoor gelijkgesteld, elke duur-
zame aanwezigheid van een onderneming op het
grondgebied van een andere lidstaat dan haar lidstaat
van herkomst of op het grondgebied van een derde
land, ook indien die aanwezigheid niet de vorm heeft
van een bijkantoor, maar enkel bestaat uit een bureau,
beheerd door eigen personeel van de onderneming of
door een zelfstandig persoon die echter gemachtigd is
om duurzaam voor die onderneming op te treden zoals
een agentschap zou doen.
34° “vestiging” van een verzekerings- of herverze-
keringsonderneming: de zetel van een onderneming of
een van haar bijkantoren;
35° “vrije dienstverrichting”: de activiteit waarbij een
verzekerings- of herverzekeringsonderneming vanuit
haar zetel of vanuit een in een lidstaat of een derde
land gelegen bijkantoor, in een andere lidstaat of in een
ander derde land gelegen risico’s dekt;
36° “lidstaat of derde land van het risico”: naargelang
van het geval, een van de volgende lidstaten of derde
landen:
a) de lidstaat of het derde land waar de goederen
zich bevinden, wanneer de verzekering betrekking heeft
hetzij op onroerend goed, hetzij op onroerend goed en
op de inhoud daarvan, voor zover deze door dezelfde
verzekeringsovereenkomst wordt gedekt;
on entend par l’État membre de fourniture des services,
respectivement, l’État membre de l’engagement ou
l’État membre où le risque est situé, lorsque ledit
engagement ou risque est couvert par une entreprise
d’assurance ou une succursale située dans un autre
État membre;
32° “pays d’accueil”: le pays tiers, autre que l’État
membre ou le pays d’origine, dans lequel une entreprise
d’assurance ou de réassurance a une succursale ou
fournit des services d’assurance ou de réassurance;
pour l’assurance-vie et pour l’assurance non-vie, on
entend par le pays tiers de fourniture des services, res-
pectivement, le pays tiers de l’engagement ou le pays
tiers où le risque est situé, lorsque ledit engagement ou
risque est couvert par une entreprise d’assurance ou
une succursale située dans un autre pays;
33° “succursale”: toute agence ou succursale d’une
entreprise d’assurance ou de réassurance qui est située
sur le territoire d’un État membre autre que son État
membre d’origine ou sur le territoire d’un pays tiers;
Est assimilée à une succursale toute présence
permanente d’une entreprise sur le territoire d’un État
membre autre que son État membre d’origine ou sur le
territoire d’un pays tiers, même lorsque cette présence
n’a pas pris la forme d’une succursale mais s’exerce
par le moyen d’un simple bureau géré par le personnel
propre de l’entreprise ou par une personne indépen-
dante mais mandatée pour agir en permanence pour
l’entreprise comme le ferait une agence.
34° “établissement” d’une entreprise d’assurance ou
de réassurance: son siège ou une de ses succursales;
35° “libre prestation de services”: l’activité par laquelle
une entreprise d’assurance ou de réassurance couvre,
à partir de son siège social ou d’une succursale située
dans un État membre ou un pays tiers, des risques
situés dans un autre État membre ou un autre pays tiers;
36° “État membre ou pays tiers où le risque est
situé”: selon le cas, l’un des États membres ou pays
tiers suivants:
a) l’État membre ou le pays tiers où se trouvent
les biens, lorsque l’assurance est relative soit à des
immeubles, soit à des immeubles et à leur contenu,
dans la mesure où celui-ci est couvert par la même
police d’assurance;
777
1584/002
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
b) de lidstaat of het derde land van registratie, wan-
neer de verzekering betrekking heeft op voer- en vaar-
tuigen van om het even welk type;
In afwijking van het voorgaande lid wordt, wanneer
een motorrijtuig als bedoeld in artikel 1 van de wet van
21 november 1989 betreffende de verplichte aanspra-
kelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen vanuit een
lidstaat naar een andere lidstaat wordt verzonden, de
lidstaat van bestemming, vanaf de aanvaarding van
de levering door de koper, gedurende een periode van
dertig dagen beschouwd als de lidstaat van het risico,
zelfs indien het motorrijtuig in de lidstaat van bestem-
ming niet officieel is geregistreerd;
c) de lidstaat of het derde land waar de verzekering-
nemer de overeenkomst heeft gesloten, indien het een
overeenkomst betreft met een looptijd van vier maanden
of minder die betrekking heeft op tijdens een reis of
vakantie gelopen risico’s, ongeacht de tak;
d) in alle gevallen die niet uitdrukkelijk zijn genoemd
in a), b) of c): de lidstaat of het derde land waar een van
de volgende elementen zich bevindt:
i) de gewone verblijfplaats van de verzekeringnemer;
ii) indien de verzekeringnemer een rechtspersoon
is: de vestiging van die verzekeringnemer waarop de
overeenkomst betrekking heeft;
37° lidstaat of derde land van de verbintenis: naar-
gelang van het geval, de lidstaat of het derde land waar
een van de volgende elementen zich bevindt:
a) de gewone verblijfplaats van de verzekeringnemer;
b) indien de verzekeringnemer een rechtspersoon
is: de vestiging van die verzekeringnemer waarop de
overeenkomst betrekking heeft;
38° “algemeen lasthebber”: een natuurlijke persoon
aan wie voldoende bevoegdheden zijn verleend om de
verzekerings- of herverzekeringsonderneming of, in het
geval van Lloyd’s, de betrokken “underwriters” te verbin-
den ten opzichte van derden en om haar of hen tegen-
over de autoriteiten en de rechterlijke instanties van de
lidstaat of het land van ontvangst te vertegenwoordigen;
39° “moederonderneming”: een onderneming die
de kenmerken bezit van een moedervennootschap
als gedefinieerd in artikel 6 van het Wetboek van
Vennootschappen;
40° “dochteronderneming”: een onderneming die
de kenmerken bezit van een dochtervennootschap
b) l’État membre ou le pays tiers d’immatriculation,
lorsque l’assurance est relative à des véhicules de
toute nature;
Par dérogation à l’alinéa précédent, lorsqu’un
véhicule automoteur visé à l’article 1er de la loi du
21 novembre 1989 relative à l’assurance obligatoire
de la responsabilité en matière de véhicules automo-
teurs, est expédié d’un État membre dans un autre
État membre, l’État membre de destination est réputé
être celui où le risque est situé, dès acceptation de la
livraison par l’acheteur, pour une période de trente jours,
même si le véhicule n’a pas été officiellement immatri-
culé dans l’État membre de destination;
c) l’État membre ou le pays tiers où le preneur a
souscrit la police, s’il s’agit d’un contrat d’une durée
inférieure ou égale à quatre mois, relatif à des risques
encourus au cours d’un voyage ou de vacances, quelle
que soit la branche concernée;
d) dans tous les cas non expressément couverts sous
a), b) ou c), l’État membre ou le pays tiers où l’un des
éléments suivants est situé:
i) la résidence habituelle du preneur;
ii) l’établissement du preneur auquel le contrat se
rapporte si le preneur est une personne morale;
37° État membre ou pays tiers de l’engagement:
selon le cas, l’État membre ou le pays tiers où l’un des
éléments suivants est situé:
a) la résidence habituelle du preneur;
b) l’établissement du preneur auquel le contrat se
rapporte si le preneur est une personne morale;
38° “mandataire général”: une personne physique
dotée des pouvoirs suffisants pour engager l’entreprise
d’assurance ou de réassurance à l’égard des tiers ou,
dans le cas du Lloyd’s, des souscripteurs intéressés,
et pour la ou les représenter dans les relations avec
les autorités et les juridictions de l’État membre ou du
pays d’accueil;
39° “entreprise mère”: une entreprise qui répond aux
conditions de la société mère telle que définie à l’article
6 du Code des sociétés;
40° “filiale”: une entreprise qui répond aux conditions
de la société filiale telle que définie à l’article 6 du Code
778
1584/002
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
als gedefinieerd in artikel 6 van het Wetboek van
Vennootschappen; elke dochteronderneming van een
dochteronderneming wordt ook beschouwd als een
dochteronderneming van de moederonderneming die
aan het hoofd van deze ondernemingen staat;
41° “nauwe banden”: een situatie waarbij twee of
meer natuurlijke of rechtspersonen verbonden zijn door
zeggenschap of deelneming, of een situatie waarin twee
of meer natuurlijke of rechtspersonen via een zeggen-
schapsband duurzaam verbonden zijn met eenzelfde
persoon;
42° “zeggenschapsband”: de band die bestaat tus-
sen een moederonderneming en een dochteronder-
neming, als bedoeld in artikel 5 van het Wetboek van
Vennootschappen, of een gelijkaardige band tussen
een natuurlijke of rechtspersoon en een onderneming;
43° “deelneming”: het rechtstreeks of door middel
van een zeggenschapsband in bezit hebben van ten
minste 20 % van de stemrechten of het kapitaal van
een onderneming;
44° “gekwalificeerde deelneming”: het rechtstreeks
of onrechtstreeks bezit van ten minste 10 % van het
kapitaal van een vennootschap of van de stemrechten
die zijn verbonden aan de door deze vennootschap
uitgegeven effecten, dan wel elke andere mogelijkheid
om een invloed van betekenis uit te oefenen op het be-
leid van de vennootschap waarin wordt deelgenomen;
de stemrechten worden berekend overeenkomstig de
bepalingen van de wet van 2 mei 2007 op de open-
baarmaking van belangrijke deelnemingen en haar
uitvoeringsbesluiten; er wordt geen rekening gehouden
met stemrechten of aandelen die worden gehouden als
gevolg van het vast overnemen van financiële instru-
menten en/of het plaatsen van financiële instrumenten
met plaatsingsgarantie, tenzij die rechten worden uitge-
oefend of anderszins worden gebruikt om inspraak uit
te oefenen in het bestuur van de uitgevende instelling,
en mits ze binnen één jaar na hun verwerving worden
overgedragen;
45° “intragroeptransactie”: een verrichting waarbij een
verzekerings- of herverzekeringsonderneming direct of
indirect steunt op andere ondernemingen in dezelfde
groep of op een natuurlijke of rechtspersoon die door
nauwe banden verbonden is met de ondernemingen in
die groep, om te voldoen aan een verplichting, al dan
niet contractueel en al dan niet tegen betaling;
46° “gereglementeerde markt”: een van de volgende
markten:
des sociétés; toute filiale d’une filiale est également
considérée comme une filiale de l’entreprise mère qui
est à la tête de ces entreprises;
41° “liens étroits”: une situation dans laquelle deux
personnes physiques ou morales ou plus sont liées par
un lien de contrôle ou une participation, ou une situation
dans laquelle deux personnes physiques ou morales ou
plus sont liées de manière permanente à une seule et
même personne par un lien de contrôle;
42° “lien de contrôle”: le lien qui existe entre une
entreprise mère et une entreprise filiale, tel que visé
à l’article 5 du Code des sociétés, ou une relation de
même nature entre toute personne physique ou morale
et une entreprise;
43° “participation”: le fait de détenir, directement ou
par le biais d’un lien de contrôle, au moins 20 % des
droits de vote ou du capital d’une entreprise;
44° “participation qualifiée”: la détention, directe ou
indirecte, de 10 % au moins du capital d’une société ou
des droits de vote attachés aux titres émis par cette so-
ciété, ou toute autre possibilité d’exercer une influence
notable sur la gestion de la société dans laquelle est
détenue une participation; le calcul des droits de vote
s’établit conformément aux dispositions de la loi du
2 mai 2007 relative à la publicité des participations
importantes, ainsi qu’à celles de ses arrêtés d’exé-
cution; il n’est pas tenu compte des droits de vote ou
des actions détenues à la suite de la prise ferme d’ins-
truments financiers et/ou du placement d’instruments
financiers avec engagement ferme, pour autant que,
d’une part, ces droits ne soient pas exercés ni utilisés
autrement pour intervenir dans la gestion de l’émetteur
et que, d’autre part, ils soient cédés dans un délai d’un
an après leur acquisition;
45° “transaction intragroupe”: toute transaction par
laquelle une entreprise d’assurance ou de réassurance
recourt directement ou indirectement à d’autres entre-
prises du même groupe ou à toute personne physique ou
morale liée aux entreprises de ce groupe par des liens
étroits, pour l’exécution d’une obligation, contractuelle
ou non, à titre onéreux ou non;
46° “marché réglementé”: l’un des marchés suivants:
779
1584/002
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
a) in het geval van een markt in een lidstaat: een
gereglementeerde markt in de zin van artikel 2, eerste
lid, 5° of 6° van de wet van 2 augustus 2002;
b) in het geval van een markt in een derde land: een
financiële markt die aan de volgende voorwaarden
voldoet:
— de markt is erkend door de lidstaat van herkomst
van de verzekeringsonderneming en beantwoordt aan
vereisten die vergelijkbaar zijn met die van Richtlijn
2004/39/EG van het Europees Parlement en de Raad
van 21 april 2004 betreffende markten voor financiële in-
strumenten, tot wijziging van de Richtlijnen 85/611/EEG
en 93/6/EEG van de Raad en van Richtlijn 2000/12/EG
van het Europees Parlement en de Raad en houdende
intrekking van Richtlijn 93/22/EEG van de Raad; en
— de financiële instrumenten die op deze markt
worden verhandeld, zijn van een hoedanigheid die
vergelijkbaar is met die van de instrumenten die op de
gereglementeerde markt(en) van de lidstaat van her-
komst worden verhandeld;
47° “beleggingsonderneming”: een beleggings-
onderneming in de zin van artikel 44 van de wet van
6 april 1995;
48° “financiële instelling”: een onderneming die geen
kredietinstelling is en waarvan de hoofdbedrijvigheid
bestaat in het verwerven van deelnemingen of het uit-
oefenen van een of meer van de werkzaamheden als
bedoeld in de punten 2 tot 12 en 15 van de lijst opgeno-
men in artikel 4 van de wet van 25 april 2014;
49° “financiële onderneming”: een van de volgende
entiteiten:
a) een verzekerings- of herverzekeringsonderneming
of een verzekeringsholding in de zin van artikel 338, 5°
of een gemengde financiële holding in de zin van artikel
2, punt 15) van Richtlijn 2002/87/EG;
b) een kredietinstelling in de zin van artikel 1, § 3,
van de wet van 25 april 2014, een financiële instel-
ling of een onderneming die nevendiensten van het
bankbedrijf verricht in de zin van artikel 89, lid 1, onder
b) ii), van Verordening nr. 575/2013 van het Europees
Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende
prudentiële vereisten voor kredietinstellingen en beleg-
gingsondernemingen en tot wijziging van Verordening
(EU) nr. 648/2012;
c) een beleggingsonderneming;
a) dans le cas d’un marché situé dans un État
membre, un marché réglementé au sens de l’article 2,
alinéa 1er, 5° ou 6°, de la loi du 2 août 2002;
b) dans le cas d’un marché situé dans un pays tiers,
un marché financier qui remplit les conditions suivantes:
— il est reconnu par l’État membre d’origine
de l’entreprise d’assurance et satisfait à des exi-
gences comparables à celles prévues par la directive
2004/39/CE du Parlement européen et du Conseil du
21 avril 2004 concernant les marchés d’instruments
financiers, modifiant les directives 85/611/CEE et 93/6/
CEE du Conseil et la directive 2000/12/CE du Parlement
européen et du Conseil et abrogeant la directive 93/22/
CEE; et
— les instruments financiers qui y sont négociés
sont d’une qualité comparable à celle des instruments
négociés sur le marché ou les marchés réglementés de
l’État membre d’origine;
47° “entreprise d’investissement”: une entreprise
d’investissement au sens de l’article 44 de la loi du
6 avril 1995;
48° “établissement financier”: une entreprise autre
qu’un établissement de crédit, dont l’activité principale
consiste à prendre des participations ou à exercer une
ou plusieurs des activités visées aux points 2 à 12 et
15 de la liste reprise à l’article 4 de la loi du 25 avril 2014;
49° “entreprise financière”: l’une des entités suivantes:
a) une entreprise d’assurance ou de réassurance ou
une société holding d’assurance au sens de l’article
338, 5°, ou une compagnie financière mixte au sens de
l’article 2, point 15) de la Directive 2002/87/CE;
b) un établissement de crédit au sens de l’article 1er,
§ 3 de la loi du 25 avril 2014, un établissement financier,
ou une entreprise de services bancaires auxiliaires au
sens de l’article 89, paragraphe 1er, b), ii), du Règlement
n°575/2013 du Parlement européen et du Conseil du
26 juin 2013 concernant les exigences prudentielles
applicables aux établissements de crédit et aux entre-
prises d’investissement et modifiant le règlement (UE)
n°648/2012;
c) une entreprise d’investissement;
780
1584/002
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
50° “collectieve beleggingsonderneming”: een col-
lectieve beleggingsonderneming in de zin van artikel
3, 1° van de wet van 3 augustus 2012 betreffende de
instellingen voor collectieve belegging die voldoen aan
de voorwaarden van Richtlijn 2009/65/EG en de instel-
lingen voor belegging in schuldvorderingen;
51° “beheervennootschap van instellingen voor col-
lectieve belegging”: een beheervennootschap van instel-
lingen voor collectieve belegging in de zin van artikel
3, 12° van de wet van 3 augustus 2012 betreffende de
instellingen voor collectieve belegging die voldoen aan
de voorwaarden van Richtlijn 2009/65/EG en de instel-
lingen voor belegging in schuldvorderingen;
52° “alternatieve instelling voor collectieve belegging
of “AICB””: een instelling voor collectieve belegging in
de zin van artikel 3, 2° van de wet van 19 april 2014 be-
treffende de alternatieve instellingen voor collectieve
belegging en hun beheerders;
53° “beheerder van alternatieve instellingen voor
collectieve belegging”: een beheerder van alternatieve
instellingen voor collectieve belegging in de zin van
artikel 3, 13° van de wet van 19 april 2014 betreffende al-
ternatieve instellingen voor collectieve belegging en hun
beheerders, hierna ook “AICB-beheerder” genoemd;
54° “uitbesteding”: een overeenkomst van om het
even welke vorm tussen een verzekerings- of herver-
zekeringsonderneming en een al dan niet onder toe-
zicht staande dienstverlener op grond waarvan deze
dienstverlener hetzij rechtstreeks hetzij door middel van
onderuitbesteding een proces, een dienst of een acti-
viteit uitvoert die anders door de verzekerings- of her-
verzekeringsonderneming zelf zou worden uitgevoerd;
55° “functie”: in een governancesysteem: een in-
terne capaciteit om praktische taken uit te voeren; een
governancesysteem omvat de risicobeheerfunctie, de
compliancefunctie, de interneauditfunctie en de actua-
riële functie;
56° “verzekeringstechnisch risico”: het risico op ver-
liezen of op een ongunstige verandering in de waarde
van verzekeringsverplichtingen door een ondeugdelijke
prijsstelling en inadequate hypothesen met betrekking
tot de voorzieningen;
57° “marktrisico”: het risico op verliezen of op een
ongunstige verandering in de financiële positie als direct
of indirect gevolg van schommelingen in het niveau en
in de volatiliteit van de marktprijzen van activa, verplich-
tingen en financiële instrumenten;
50° “organisme de placement collectif”: un orga-
nisme de placement collectif au sens de l’article 3,
1° de la loi du 3 août 2012 relative aux organismes
de placement collectif répondant aux conditions de la
Directive 2009/65/CE et aux organismes de placement
en créances;
51° “société de gestion d’organismes de placement
collectif”: une société de gestion d’organismes de pla-
cement collectif au sens de l’article 3, 12° de la loi du
3 août 2012 relative aux organismes de placement col-
lectif répondant aux conditions de la directive 2009/65/
CE et aux organismes de placement en créances;
52° “organisme de placement collectif alternatif ou
“OPCA””: un organisme de placement collectif au sens
de l’article 3, 2° de la loi du 19 avril 2014 relative aux
organismes de placement collectif alternatifs et à leurs
gestionnaires;
53° “gestionnaire d’organismes de placement collectif
alternatifs”: un gestionnaire d’organismes de placement
collectif alternatifs au sens de l’article 3, 13° de la loi
du 19 avril 2014 relative aux organismes de placement
collectif alternatifs et à leurs gestionnaires, ci-après
également “gestionnaire d’OPCA”;
54° “sous-traitance”: un accord, quelle que soit sa
forme, conclu entre une entreprise d’assurance ou de
réassurance et un prestataire de services, soumis ou
non à un contrôle, en vertu duquel ce prestataire de
services exécute, soit directement, soit en recourant
lui-même à la sous-traitance, un processus, un ser-
vice ou une activité qui, autrement, serait exécuté par
l’entreprise d’assurance ou de réassurance elle-même;
55° “fonction” dans un système de gouvernance: une
capacité interne d’accomplir des tâches concrètes; un
système de gouvernance comprend la fonction de ges-
tion des risques, la fonction de vérification de la confor-
mité, la fonction d’audit interne et la fonction actuarielle;
56° “risque de souscription”: le risque de perte ou de
changement défavorable de la valeur des engagements
d’assurance en raison d’hypothèses inadéquates en
matière de tarification et de provisionnement;
57° “risque de marché”: le risque de perte ou de chan-
gement défavorable de la situation financière résultant,
directement ou indirectement, de fluctuations affectant le
niveau et la volatilité de la valeur de marché des actifs,
des passifs et des instruments financiers;
781
1584/002
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
58° “kredietrisico”: het risico op verliezen of op een
ongunstige verandering in de financiële positie als ge-
volg van schommelingen in de kredietwaardigheid van
emittenten van effecten, tegenpartijen en debiteuren
waaraan verzekerings- of herverzekeringsondernemin-
gen in de vorm van een tegenpartijrisico, spreadrisico
of marktrisicoconcentraties blootstaan;
59° “gekwalificeerde centrale tegenpartij”: een
centrale tegenpartij waaraan een vergunning is ver-
leend overeenkomstig artikel 14 van Verordening (EU)
nr. 648/2012 van het Europees Parlement en de Raad
van 4 juli 2012 betreffende otc-derivaten, centrale te-
genpartijen en transactieregisters of die overeenkomstig
artikel 25 van die Verordening erkend is;
60° “operationeel risico”: het risico op verliezen door
inadequate of falende interne procedures, personeel of
systemen of door externe gebeurtenissen;
61° “liquiditeitsrisico”: “het risico dat verzekerings-
of herverzekeringsondernemingen geen beleggingen
en andere activa te gelde kunnen maken om aan hun
financiële verplichtingen te voldoen wanneer deze op-
eisbaar worden;
62° “concentratierisico”: alle risicoposities waaraan
een potentieel verlies verbonden is dat groot genoeg
is om de solvabiliteit of de financiële positie van verze-
kerings- of herverzekeringsondernemingen in gevaar
te brengen;
63° “risicomatigingstechnieken”: alle technieken
waarmee verzekerings- of herverzekeringsonderne-
mingen hun risico’s deels of in hun geheel kunnen
overdragen aan een andere partij;
64° “diversificatie-effecten”: de vermindering van de
risicopositie van verzekerings- of herverzekeringson-
dernemingen en -groepen die verband houdt met de
diversificatie van hun activiteiten en die voortvloeit uit
het feit dat het tegenvallende resultaat uit hoofde van het
ene risico kan worden gecompenseerd met het meeval-
lende resultaat uit hoofde van een ander risico, wanneer
er geen volledige correlatie tussen deze risico’s bestaat;
65° “kansverdelingsprognose”: een wiskundige func-
tie waarbij een volledige reeks van elkaar uitsluitende
toekomstige gebeurtenissen wordt gekoppeld aan een
kans dat deze zich daadwerkelijk voordoen;
66° “risicomaatstaf”: een wiskundige functie waar-
bij een financieel bedrag wordt gekoppeld aan een
bepaalde kansverdelingsprognose en die monotoon
58° “risque de crédit”: le risque de perte, ou de
changement défavorable de la situation financière,
résultant de fluctuations affectant la qualité de crédit
d’émetteurs de valeurs mobilières, de contreparties ou
de tout débiteur auquel les entreprises d’assurance ou
de réassurance sont exposées sous forme de risque de
contrepartie, de risque lié à la fluctuation de la marge
ou de concentration du risque de marché;
59° “contrepartie centrale éligible”: une contrepartie
centrale qui a été soit agréée conformément à l’article
14 du règlement (UE) n° 648/2012 du Parlement euro-
péen et du Conseil du 4 juillet 2012 sur les produits
dérivés de gré à gré, les contreparties centrales et les
référentiels centraux, soit reconnue conformément à
l’article 25 dudit règlement;
60° “risque opérationnel”: le risque de perte résultant
de processus ou procédures internes, de membres du
personnel ou de systèmes inadéquats ou défaillants, ou
d’événements extérieurs;
61° “risque de liquidité”: le risque, pour les entreprises
d’assurance ou de réassurance, de ne pas pouvoir
réaliser leurs investissements et autres actifs en vue
d’honorer leurs engagements financiers au moment où
ceux-ci deviennent exigibles;
62° “risque de concentration”: toutes les expositions
au risque qui sont assorties d’un potentiel de perte
suffisamment important pour menacer la solvabilité ou
la situation financière des entreprises d’assurance ou
de réassurance;
63° “techniques d’atténuation du risque”: toutes les
techniques qui permettent aux entreprises d’assurance
ou de réassurance de transférer tout ou partie de leurs
risques à une autre partie;
64° “effets de diversification”: la réduction de l’exposi-
tion au risque qu’entraîne le fait, pour les entreprises et
groupes d’assurance ou de réassurance, de diversifier
leurs activités, dès lors que le résultat défavorable d’un
risque peut être compensé par le résultat plus favorable
d’un autre risque, lorsque ces risques ne sont pas par-
faitement corrélés;
65° “distribution de probabilité prévisionnelle”: une
fonction mathématique qui affecte à un ensemble
exhaustif d’événements futurs mutuellement exclusifs
une probabilité de réalisation;
66° “mesure de risque”: une fonction mathématique
qui affecte un montant monétaire à une distribution
de probabilité prévisionnelle donnée et qui augmente
782
1584/002
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
toeneemt met de omvang van de risicopositie die aan
deze kansverdelingsprognose ten grondslag ligt;
67° “externe kredietbeoordelingsinstelling” of “EKBI”:
een ratingbureau dat overeenkomstig Verordening (EG)
nr. 1060/2009 van het Europees Parlement en de Raad
geregistreerd of gecertificeerd is, of een centrale bank
die kredietbeoordelingen afgeeft die van de toepassing
van die Verordening zijn ontheven;
68° “technische voorzieningen”: reserves aangelegd
door de onderneming ter nakoming van de verzekerings-
of herverzekeringsverplichtingen die op haar rusten ten
aanzien van de verzekeringnemers, de verzekerden
of de begunstigden van verzekerings- of herverzeke-
ringsovereenkomsten betreffende zowel de lopende
als de vervallen overeenkomsten die nog niet volledig
vereffend zijn;
69° “financiële informatie”: de kwantitatieve gegevens
die met toepassing van deze wet of de uitvoeringsmaat-
regelen van Richtlijn 2009/138/EG worden opgevraagd,
met inbegrip van de boekhoudkundige gegevens;
70° “saneringsmaatregelen”: de maatregelen die
bestemd zijn om de financiële positie van een verzeke-
ringsonderneming in stand te houden of te herstellen
en die de bestaande rechten van andere partijen dan
de verzekeringsonderneming zelf aantasten. Voor de
ondernemingen naar Belgisch recht bestaan deze
maatregelen in:
a) de daden van beschikking als bedoeld in artikel
519 van deze wet;
b) de in artikel 517, § 1, 4° en 7° van deze wet be-
doelde maatregelen;
c) de in de artikelen 546 en 547 bedoelde maatrege-
len die buiten een liquidatieprocedure zijn vastgesteld;
71° “liquidatieprocedure”: een collectieve procedure
die het te gelde maken van de activa van een verzeke-
ringsonderneming en het verdelen van de opbrengst
onder de schuldeisers, aandeelhouders of vennoten
behelst, en die noodzakelijkerwijs een optreden van ad-
ministratieve of rechterlijke instanties behelst, ongeacht
of de procedure op insolventie berust en of de procedure
vrijwillig dan wel verplicht is. Voor de ondernemingen
naar Belgisch recht stemt deze procedure overeen met
een faillissement als geregeld bij de faillissementswet
van 8 augustus 1997 en met de collectieve liquidatie-
procedures als bedoeld in Boek IV, Titel IX, van het
Wetboek van Vennootschappen;
de façon monotone avec le niveau d’exposition au
risque sous-tendant cette distribution de probabilité
prévisionnelle;
67° “établissement externe d’évaluation du crédit” ou
“EEEC”: une agence de notation de crédit qui est enre-
gistrée ou certifiée conformément au Règlement (CE)
n° 1060/2009 du Parlement européen et du Conseil ou
une banque centrale émettant des notations de crédit
qui sont dispensées de l’application dudit règlement;
68° “provisions techniques”: réserves constituées par
l’entreprise pour faire face à ses engagements d’assu-
rance ou de réassurance vis-à-vis des preneurs, des
assurés et des bénéficiaires des contrats d’assurance
ou bénéficiaires des contrats de réassurance, concer-
nant tant les contrats en cours que les contrats échus
et non entièrement liquidés;
69° “informations financières”: les données quanti-
tatives exigées en application de la présente loi ou des
mesures d’exécution de la Directive 2009/138/CE, en
ce compris les données comptables;
70° “mesures d’assainissement”: les mesures des-
tinées à préserver ou à rétablir la situation financière
d’une entreprise d’assurance et qui affectent les droits
préexistants des parties autres que l’entreprise d’assu-
rance elle-même. Pour les entreprises de droit belge,
ces mesures correspondent.
a) aux actes de disposition visés à l’article 519 de la
présente loi;
b) aux mesures visées à l’article 517, § 1er, 4° et 7°
de la présente loi;
c) aux mesures visées aux articles 546 et 547 adop-
tées en dehors d’une procédure de liquidation;
71° “procédure de liquidation”: une procédure col-
lective entraînant la réalisation des actifs d’une entre-
prise d’assurance et la répartition du produit entre les
créanciers, les actionnaires ou associés et entraînant
nécessairement une intervention d’autorités adminis-
tratives ou judiciaires, que la procédure soit fondée ou
non sur l’insolvabilité et que la procédure soit volontaire
ou obligatoire. Pour les entreprises de droit belge, une
telle procédure correspond à la faillite régie par la loi du
8 août 1997 sur les faillites et aux procédures collectives
de liquidation visées au Livre IV, Titre IX, du Code des
sociétés;
783
1584/002
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
72° “saneringsautoriteiten”: de administratieve of
rechterlijke autoriteiten die bevoegd zijn op het vlak
van saneringsmaatregelen. Voor de ondernemingen
naar Belgisch recht zijn dit de Koning en de Bank wat
hun respectieve bevoegdheden inzake saneringsmaat-
regelen betreft;
73° “liquidatieautoriteiten”: de administratieve of
rechterlijke autoriteiten die bevoegd zijn op het vlak
van liquidatieprocedures. Voor de ondernemingen naar
Belgisch recht is dit de rechtbank van koophandel wat
haar bevoegdheid op het gebied van faillissementen en
gedwongen ontbindingen betreft en de Bank wat haar
bevoegdheid in alle andere liquidatieprocedures betreft;
74° “saneringscommissaris”: elke persoon of elk
orgaan aangesteld door een saneringsautoriteit om
saneringsmaatregelen te beheren;
75° “liquidateur”: elke persoon of elk orgaan aan-
gesteld door een liquidatieautoriteit of aangewezen
overeenkomstig de wettelijke of statutaire regels om
liquidatieprocedures te beheren;
76° “schuldvordering uit hoofde van verzekering”:
ieder bedrag dat door een verzekeringsonderneming
verschuldigd is aan verzekerden, verzekeringnemers,
begunstigden of benadeelden die een rechtstreekse
vordering hebben tegen de verzekeringsonderneming
en dat uit een verzekeringsovereenkomst voortvloeit,
met inbegrip van de gereserveerde bedragen voor de
voornoemde personen, zolang niet alle elementen van
de schuld bekend zijn. De terug te betalen premies
die een verzekeringsonderneming als gevolg van de
niet-sluiting, de annulering of de opzegging van die
verzekeringsovereenkomsten overeenkomstig het op
die overeenkomsten toepasselijke recht verschuldigd
is vóór de opening van de liquidatieprocedure, worden
ook beschouwd als schuldvorderingen uit hoofde van
verzekering;
77° “strategische beslissing”: een beslissing die
een zeker belang heeft en daardoor een globalere
impact kan hebben op de onderneming, in de mate dat
zij gevolgen heeft voor verschillende functies van de
verzekerings- of herverzekeringsonderneming, en die
betrekking heeft op elke investering, desinvestering,
deelneming of strategische samenwerkingsrelatie van
de onderneming, met name een beslissing tot aankoop
of oprichting van een andere onderneming, tot oprich-
ting van een joint venture, tot vestiging in een andere
lidstaat of derde land, tot het sluiten van een samenwer-
kingsovereenkomst, tot het inbrengen of het kopen van
een bedrijfstak, tot het aangaan van een fusie of een
splitsing. Bij reglement vastgesteld met toepassing van
72° “autorités d’assainissement”: les autorités admi-
nistratives ou judiciaires compétentes en matière de
mesures d’assainissement. Pour les entreprises de droit
belge, ces autorités sont le Roi et la Banque en ce qui
concerne leurs compétences respectives en matière de
mesures d’assainissement;
73° “autorités de liquidation”: les autorités admi-
nistratives ou judiciaires compétentes en matière de
procédure de liquidation. Pour les entreprises de droit
belge, une telle autorité correspond au tribunal de com-
merce en ce qui concerne sa compétence en matière
de faillite et de dissolution forcée et à la Banque pour
ce qui concerne sa compétence dans toutes les autres
procédures de liquidation;
74° “commissaire à l’assainissement”: toute personne
ou tout organe nommé par une autorité d’assainisse-
ment en vue de gérer des mesures d’assainissement;
75° “liquidateur”: toute personne ou tout organe
nommé par une autorité de liquidation ou désigné
conformément aux règles légales et statutaires en vue
de gérer des procédures de liquidation;
76° “créance d’assurance”: tout montant qui est dû
par une entreprise d’assurance à des assurés, des
preneurs d’assurance, des bénéficiaires ou à toute
personne lésée disposant d’un droit d’action direct à
l’encontre de l’entreprise d’assurance et qui résulte
d’un contrat d’assurance, y compris les montants mis
en réserve pour les personnes précitées, tant que tous
les éléments de la dette ne sont pas encore connus. Les
primes à rembourser dues par une entreprise d’assu-
rance par suite de la non-conclusion, de l’annulation ou
de la résiliation de contrats d’assurance, conformément
à la loi applicable à ces contrats, avant l’ouverture de la
procédure de liquidation, sont aussi considérées comme
des créances d’assurance;
77° “décision stratégique”: , une décision, dès lors
qu’elle est d’une certaine importance et dès lors sus-
ceptible d’avoir un impact plus global sur l’entreprise
dans la mesure où différentes fonctions de l’entreprise
d’assurance ou de réassurance seraient touchées ou
remises en question à la suite de pareille décision,
qui concerne tout investissement, désinvestissement,
participation ou relation de coopération stratégique de
l’entreprise, notamment, une décision d’acquisition ou
de constitution d’une autre entreprise, de constitution
d’une joint venture, d’établissement dans un autre État
membre ou pays tiers, de conclusion d’accords de
coopération, d’apport ou d’acquisition d’une branche
d’activité, de fusion ou de scission. La Banque, par voie
784
1584/002
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
artikel 12bis, § 2 van de wet van 22 februari 1998 kan de
Bank nader bepalen welke beslissingen als strategisch
moeten worden beschouwd in de zin van deze wet, met
name rekening houdend met het risicoprofiel en de aard
van de activiteiten van de ondernemingen. Zij maakt
deze nadere bepalingen openbaar;
78° “winstdeling”: bedrag van alle of een deel van
de winst van de verzekeringsonderneming die aan de
verzekeringsovereenkomsten wordt toegekend;
79° “verzekeringsmaatschappij van onderlinge
bijstand”: een maatschappij als bedoeld in de arti-
kelen 43bis, § 5 en 70, § § 6, 7 en 8 van de wet van
6 augustus 1990 betreffende de ziekenfondsen en de
landsbonden van ziekenfondsen;
80° “toezichthouder”: de overheidsinstantie of over-
heidsinstanties die op grond van het nationaal recht van
een lidstaat met toepassing van Richtlijn 2009/138/CE
gemachtigd is of zijn toezicht uit te oefenen op verze-
kerings- of herverzekeringsondernemingen;
81° “autoriteit van een derde land”: autoriteit die belast
is het toezicht op de verzekerings- of herverzekerings-
ondernemingen in een derde land;
82° “de Bank”: de Nationale Bank van België, als
bedoeld in de wet van 22 februari 1998;
83° “de FSMA”, de Autoriteit voor Financiële Diensten
en Markten, als bedoeld in artikel 44 van de wet van
2 augustus 2002;
84° “de Controledienst voor de ziekenfondsen”: de
Controledienst voor de ziekenfondsen en de landsbon-
den van ziekenfondsen als bedoeld in artikel 49 van de
wet van 6 augustus 1990 betreffende de ziekenfondsen
en de landsbonden van ziekenfondsen;
85° “Belgisch Gemeenschappelijk Waarborgfonds”:
het Gemeenschappelijk Waarborgfonds als bedoeld in
artikel 19bis-2 van de wet van 21 november 1989 be-
treffende de verplichte aansprakelijkheidsverzekering
inzake motorrijtuigen;
86° “Belgisch Bureau”: het Belgisch nationaal ver-
zekeringsbureau als bedoeld in artikel 19bis-1 van de
wet van 21 november 1989 betreffende de verplichte
aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen;
87° “Fonds voor arbeidsongevallen”: het Fonds voor
arbeidsongevallen als bedoeld in artikel 57 van de wet
van 10 april 1971 betreffende de arbeidsongevallen;
de règlement pris en application de l’article 12bis, § 2 de
la loi du 22 février 1998, peut préciser les décisions qui
sont à considérer comme stratégiques au sens de la
présente loi en tenant notamment compte du profil de
risque et de la nature des activités des entreprises. Elle
publie ces précisions;
78° “participation bénéficiaire”: montant de tout ou
partie des bénéfices de l’entreprise d’assurance qui
est octroyé aux contrats d’assurance;
79° “société mutualiste d’assurance”: une société
visée aux articles 43bis, § 5, et 70, § § 6, 7 et 8, de la
loi du 6 août 1990 relative aux mutualités et aux unions
nationales de mutualités;
80° “autorité de contrôle”: l’autorité publique ou les
autorités publiques habilitées, en vertu du droit natio-
nal d’un État membre en application de la Directive
2009/138/CE, à contrôler les entreprises d’assurance
ou de réassurance;
81° “autorité de pays tiers”: une autorité en charge du
contrôle des entreprises d’assurance ou de réassurance
au sein d’un pays tiers;
82° “la Banque”: la Banque nationale de Belgique,
visée dans la loi du 22 février 1998;
83° “la FSMA”: l’Autorité des services et marchés
financiers, visée à l’article 44 de la loi du 2 août 2002;
84° “l’Office de contrôle des mutualités”: l’Office
de contrôle des mutualités et des unions nationales
de mutualités, tel que visé à l’article 49 de la loi du
6 août 1990 relative aux mutualités et aux unions natio-
nales de mutualités;
85° “Fonds commun de garantie belge”: le Fonds
commun de Garantie visé à l’article 19bis-2 de la loi du
21 novembre 1989 relative à l’assurance obligatoire de
la responsabilité en matière de véhicules automoteurs;
86° “Bureau belge”: le Bureau national belge
d’assurance visé à l’article 19bis-1 de la loi du
21 novembre 1989 relative à l’assurance obligatoire de
la responsabilité en matière de véhicules automoteurs;
87° “Fonds des accidents du travail”: le Fonds
des accidents du travail visé à l’article 57 de la loi du
10 avril 1971 relative aux accidents du travail;
785
1584/002
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
88° “ESRB”: het Europees Comité voor
Systeemrisico’s opgericht bij Verordening (EU)
nr. 1092/2010 van het Europees Parlement en de Raad
van 24 november 2010 betreffende macroprudentieel
toezicht van de Europese Unie op het financiële stel-
sel en tot oprichting van een Europees Comité voor
systeemrisico’s;
89° “EIOPA”: de Europese Autoriteit voor ver-
zekeringen en bedrijfspensioenen als bedoeld in
Verordening 1094/2010;
90° “EBA”: de Europese Bankautoriteit opgericht
bij Verordening (EU) nr. 1093/2010 van het Europees
Parlement en de Raad van 24 november 2010 tot op-
richting van een Europese toezichthoudende autoriteit
(Europese Bankautoriteit), tot wijziging van Besluit
nr. 716/2009/EG en tot intrekking van Besluit 2009/78/
EG van de Commissie;
91° “financiële holding”: een financiële instelling
waarvan de dochterondernemingen uitsluitend of
hoofdzakelijk één of meer kredietinstellingen of finan-
ciële instellingen zijn, waarbij ten minste een van die
dochterondernemingen een kredietinstelling is, en die
geen gemengde financiële holding is.
TITEL IV
Gereserveerde namen
Art. 16
In België mogen alleen de volgende ondernemingen
publiekelijk gebruikmaken van de termen “verzekerings-
onderneming”, “herverzekeringsonderneming”, “verze-
keraar” of “herverzekeraar” of meer in het algemeen van
de termen die verwijzen naar het statuut van verzeke-
rings- of herverzekeringsonderneming, inzonderheid in
hun naam, in de opgave van hun doel, in hun effecten,
waarden, stukken of reclame:
1° in België gevestigde verzekerings- of
herverzekeringsondernemingen;
2° verzekerings- of herverzekeringsondernemingen
naar buitenlands recht die in België werkzaam zijn
overeenkomstig de artikelen 556 en 600.
Evenwel,
1° geldt het eerste lid, wat de termen “verzekering”
en “herverzekering” betreft, niet voor de organisaties
naar internationaal publiekrecht die actief zijn in de
88° “CERS”: le Comité européen du risque systémique
institué par le Règlement (UE) n° 1092/2010 du Parlement
européen et du Conseil du 24 novembre 2010 relatif à
la surveillance macroprudentielle du système financier
dans l’Union européenne et instituant un Comité euro-
péen du risque systémique;
89° “EIOPA”, l’Autorité européenne des assurances
et des pensions professionnelles, instituée par le
Règlement 1094/2010;
90° “ABE”: l’Autorité bancaire européenne instituée
dans le règlement (UE) n° 1093/2010 du Parlement euro-
péen et du Conseil du 24 novembre 2010 instituant une
Autorité européenne de surveillance (Autorité bancaire
européenne), modifiant la décision n° 716/2009/CE et
abrogeant la décision 2009/78/CE de la Commission;
91° “compagnie financière”: un établissement finan-
cier dont les filiales sont exclusivement ou principa-
lement un ou plusieurs établissements de crédit ou
établissements financiers, l’une au moins de ces filiales
étant un établissement de crédit, et qui n’est pas une
compagnie financière mixte.
TITRE IV
Dénominations réservées
Art. 16
Peuvent seuls faire usage public en Belgique des
termes “entreprise d’assurance”, “entreprise de réassu-
rance”, “assureur” ou “réassureur” ou plus généralement
des termes faisant référence au statut d’entreprise
d’assurance ou de réassurance, notamment dans
leur dénomination sociale, dans la désignation de leur
objet, dans leurs titres, effets ou documents ou dans
leur publicité:
1° les entreprises d’assurance ou de réassurance
établies en Belgique;
2° les entreprises d’assurance ou de réassurance de
droit étranger opérant en Belgique conformément aux
articles 556 et 600.
Toutefois,
1° l’alinéa 1er n’est pas applicable, en ce qui concerne
les termes “assurance” et “réassurance” aux organi-
sations de droit international public actives dans le
786
1584/002
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
verzekerings- of herverzekeringssector en waarbij een
of meer lidstaten zijn aangesloten;
2° geldt het eerste lid, wat de termen “verzeke-
ringsonderneming” en “herverzekeringsonderneming”
betreft, niet voor verzekerings- of herverzekerings-
ondernemingen die onder een buitenlands recht
ressorteren en die in België geen verzekerings- of
herverzekeringsactiviteiten mogen uitoefenen en die
openbaar beleggingsinstrumenten aanbieden of die
verzoeken om beleggingsinstrumenten toe te laten
tot de verhandeling op een gereglementeerde markt
in de zin van de wet van 16 juni 2006 op de openbare
aanbieding van beleggingsinstrumenten en de toelating
van beleggingsinstrumenten tot de verhandeling op
een gereglementeerde markt, voor wat de voornoemde
openbare aanbiedingen of verzoeken tot toelating van
beleggingsinstrumenten betreft;
3° mogen verzekeringsholdings gebruikmaken van
de term “verzekering” in de uitdrukking “verzekerings-
holding” of in soortgelijke uitdrukkingen; ook gemengde
financiële holdings en gemengde verzekeringsholdings
mogen van de term “verzekering” gebruikmaken in de
uitdrukkingen “bankverzekeringsholding” of “verzeke-
ringsbankieren” of in soortgelijke uitdrukkingen.
Bij gevaar voor verwarring kan de Bank van verze-
kerings- of herverzekeringsondernemingen die onder
een buitenlands recht ressorteren en die gerechtigd
zijn om in België de in het eerste lid bedoelde termen te
gebruiken, eisen dat er aan hun naam een verklarende
vermelding wordt toegevoegd.
Dit artikel doet geen afbreuk aan artikel 265 van de
wet van 4 april 2014 betreffende de verzekeringen.
secteur de l’assurance ou de la réassurance dont un
ou plusieurs des États membres sont membres;
2° l’alinéa 1er n’est pas applicable, en ce qui concerne
les termes “entreprise d’assurance” et “entreprise de
réassurance”, aux entreprises d’assurance ou de réas-
surance relevant d’un droit étranger et non autorisées
à exercer des activités d’assurance ou de réassurance
en Belgique et qui procèdent à des offres publiques
d’instruments de placement ou à des admissions d’ins-
truments de placement à la négociation sur un marché
réglementé au sens de la loi du 16 juin 2006 relative
aux offres publiques d’instruments de placement et aux
admissions d’instruments de placement à la négocia-
tion sur un marché réglementé, et ce, pour les besoins
des offres et admissions d’instruments de placement
précitées;
3° les sociétés holding d’assurance peuvent faire
usage du terme “assurance” dans l’expression “holding
d’assurance” ou dans des expressions similaires; les
compagnies financières mixtes et les sociétés holding
mixtes d’assurance peuvent, de leur côté, faire usage
du terme “assurance” dans les expressions “holding
de bancassurance” ou “assurfinance” ou dans des
expressions similaires.
Dans les cas où il y aurait un risque de confusion, la
Banque peut imposer aux entreprises d’assurance ou de
réassurance relevant d’un droit étranger habilités à user
en Belgique des termes prévus à l’alinéa 1er, l’adjonction
à leur dénomination d’une mention explicative.
Le présent article est sans préjudice de l’article 265 de
la loi du 4 avril 2014 relative aux assurances.
787
1584/002
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
BOEK II
VERZEKERINGS- OF HERVERZEKERINGS-
ONDERNEMINGEN NAAR BELGISCH RECHT
TITEL I
Toegang tot het bedrijf
HOOFDSTUK I
Vergunning
Afdeling I
Vergunningsplicht
Art. 17
Iedere verzekerings- of herverzekeringsonderneming
die in België een onder deze wet vallende verzeke-
ringsactiviteit of herverzekeringsactiviteit wenst uit
te oefenen, moet, vooraleer deze aan te vatten, een
vergunning verkrijgen.
Art. 18
De in artikel 17 bedoelde vergunning wordt verleend:
1° wat het verzekeringsbedrijf betreft, voor een of
meer takken als vermeld in Bijlage I of Bijlage II; de ver-
gunning geldt voor de volledige tak, tenzij de aanvrager
slechts een gedeelte van de tot deze tak behorende
risico’s wenst te dekken;
2° wat het herverzekeringsbedrijf betreft, voor de
herverzekeringsactiviteit “niet-leven”, voor de her-
verzekeringsactiviteit “leven” of voor beide types van
herverzekeringsactiviteiten.
De vergunning bedoeld in het eerste lid, 1° kan bin-
nen de door de Bank bepaalde grenzen gecumuleerd
worden met de vergunning bedoeld in het eerste lid, 2°.
Art. 19
Iedere verzekerings- of herverzekeringsonderneming
die overeenkomstig artikel 17 een vergunning heeft ver-
kregen, dient voorafgaandelijk een uitbreiding van haar
vergunning aan te vragen wanneer zij haar activiteiten
wenst uit te breiden, respectievelijk:
1° tot een of meer andere verzekeringstakken;
LIVRE II
DES ENTREPRISES D’ASSURANCE OU DE
RÉASSURANCE DE DROIT BELGE
TITRE IER
De l’accès à l’activité
CHAPITRE IER
Agrément
Section Ire
Obligation d’agrément
Art. 17
Les entreprises d’assurance ou de réassurance qui
entendent exercer en Belgique une activité d’assu-
rance ou de réassurance relevant de la présente loi
sont tenues, avant de commencer leur activité, de se
faire agréer.
Art. 18
L’agrément visé à l’article 17 est accordé:
1° en ce qui concerne l’activité d’assurance, pour
une ou plusieurs branches mentionnées à l’Annexe I
ou à l’Annexe II; il couvre la branche entière sauf si le
demandeur ne désire garantir qu’une partie des risques
relevant de cette branche;
2° en ce qui concerne l’activité de réassurance,
pour l’activité de réassurance non-vie, pour l’activité
de réassurance vie ou pour les deux types d’activité
de réassurance.
L’agrément visé à l’alinéa 1er, 1° peut, dans les limites
fixées par la Banque, être cumulé avec celui visé à
l’alinéa 1er, 2°.
Art. 19
Toute entreprise d’assurance ou de réassurance
agréée conformément à l’article 17, est tenue de
solliciter préalablement une extension de son agré-
ment lorsqu’elle souhaite étendre ses activités,
respectivement:
1° à une ou plusieurs autres branches d’assurance;
788
1584/002
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
2° tot andere delen van verzekeringstakken;
3° tot andere herverzekeringsactiviteiten,
dan deze die door de eerder verleende vergunning
zijn gedekt.
Art. 20
De verzekeringsondernemingen die onder de toe-
passing van deze wet vallen, mogen onverminderd
artikel 21, § 2, de in artikel 10 bedoelde hulpverlenings-
activiteit slechts uitoefenen indien zij een vergunning
hebben verkregen voor tak 18 als vermeld in Bijlage I.
In dat geval is deze wet van toepassing op die activiteit.
Art. 21
§ 1. De risico’s die tot een tak behoren kunnen niet
in een andere tak worden ingedeeld, met uitzondering
van de in dit artikel vermelde gevallen.
§ 2. Een verzekeringsonderneming die een vergun-
ning heeft verkregen voor een hoofdrisico dat tot een in
Bijlage I vermelde tak behoort, mag ook risico’s verze-
keren die tot een andere tak behoren zonder dat voor
deze risico’s een vergunning is vereist, mits deze risico’s
als bijkomende risico’s kunnen worden beschouwd en
aan alle volgende voorwaarden voldoen:
1° deze risico’s hangen samen met het hoofdrisico;
2° ze hebben betrekking op een persoon, een goed of
een object die of dat verzekerd is tegen het hoofdrisico;
3° ze zijn gedekt door de dezelfde overeenkomst
als een hoofdrisico of door een samenhangende over-
eenkomst die slechts bestaat en uitwerking heeft voor
zover de hoofdverzekeringsovereenkomst zelf bestaat
en uitwerking heeft.
§ 3. In afwijking van paragraaf 2 mogen de risico’s die
tot de in Bijlage I vermelde takken 14, 15 en 17 behoren,
niet als bijkomende risico’s van andere takken worden
beschouwd.
De rechtsbijstandsverzekering bedoeld in tak 17 als
vermeld in Bijlage I kan echter als een bijkomend risico
van tak 18 worden beschouwd wanneer de voorwaarden
van paragraaf 2 en een van de volgende twee voorwaar-
den vervuld zijn:
2° à d’autres parties de branches d’assurance;
3° à d’autres activités de réassurance,
que celles couvertes par l’agrément antérieurement
accordé.
Art. 20
Les entreprises d’assurance soumises à la présente
loi ne peuvent pratiquer l’activité d’assistance visée
à l’article 10 qu’à la condition qu’elles aient reçu un
agrément pour la branche 18 mentionnée à l’Annexe I
et ce sans préjudice de l’article 21, § 2. Dans ce cas, la
présente loi s’applique à cette activité.
Art. 21
§ 1er. Les risques compris dans une branche ne
peuvent être classés dans une autre branche, sauf les
cas prévus au présent article.
§ 2. Une entreprise d’assurance qui a obtenu
l’agrément pour un risque principal appartenant à
une branche mentionnée à l’Annexe I peut également
garantir des risques compris dans une autre branche
sans avoir besoin d’obtenir l’agrément pour ces risques,
dès lors que ceux-ci peuvent être considérés comme
accessoires moyennant le respect de l’ensemble des
conditions suivantes:
1° ces risques sont liés au risque principal;
2° ils concernent une personne, un bien ou un objet
qui est couvert contre le risque principal;
3° ils sont garantis par le même contrat qu’un risque
principal ou par un contrat connexe qui n’a d’existence
et d’effet que dans la mesure où le contrat d’assurance
principal a lui-même existence et effet.
§ 3. Par dérogation au paragraphe 2, les risques
compris dans les branches 14, 15 et 17 mentionnées
à l’Annexe I ne peuvent être considérés comme des
risques accessoires d’autres branches.
Toutefois, l’assurance protection juridique visée
à la branche 17 mentionnée à l’Annexe I peut être
considérée comme un risque accessoire de la branche
18 lorsque les conditions énoncées au paragraphe 2 et
l’une des deux conditions suivantes sont remplies:
789
1584/002
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
1° het hoofdrisico heeft alleen betrekking op het bie-
den van hulp aan in moeilijkheden verkerende personen
die op reis zijn of zich buiten hun woonplaats of gewone
verblijfplaats bevinden;
2° de verzekering heeft betrekking op geschillen of
risico’s die voortvloeien uit of samenhangen met het
gebruik van zeeschepen.
Afdeling II
Procedure
Art. 22
Bij de vergunningsaanvraag die aan de Bank wordt
voorgelegd, wordt een administratief dossier gevoegd
dat voldoet aan de door de Bank gestelde voorwaarden
en dat met name het in artikel 35 bedoelde programma
van werkzaamheden bevat, alsook een beschrijving van
het governancesysteem van de verzekerings- of herver-
zekeringsonderneming en van de nauwe banden die zij
met andere personen heeft. De aanvragers verstrekken
alle inlichtingen die nodig zijn om hun aanvraag te kun-
nen beoordelen.
Bij het bepalen van de in het eerste lid bedoelde voor-
waarden houdt de Bank rekening met de voorwaarden
die de FSMA stelt aangaande de organisatie en de pro-
cedures waarop zij overeenkomstig artikel 45, § 1, eerste
lid, 3°, en § 2 van de wet van 2 augustus 2002 toezicht
houdt.
Art. 23
De aanvrager stelt de Bank tevens in kennis van de
identiteit van de natuurlijke of rechtspersonen die, al-
leen of in onderling overleg handelend, rechtstreeks of
onrechtstreeks, een al dan niet stemrechtverlenende
gekwalificeerde deelneming bezitten in het kapitaal van
de verzekerings- of herverzekeringsonderneming. De
kennisgeving moet vermelden welke kapitaalfracties en
hoeveel stemrechten deze personen bezitten.
Bij gebreke van gekwalificeerde deelneming heeft de
in het eerste lid bedoelde kennisgeving betrekking op
de identiteit van de twintig grootste aandeelhouders en
hun kapitaalfractie.
1° le risque principal ne concerne que l’assistance
fournie aux personnes en difficulté au cours de déplace-
ments, d’absences de leur domicile ou de leur résidence
habituelle;
2° l’assurance concerne des litiges ou des risques
qui résultent de l’utilisation de navires maritimes ou qui
sont en rapport avec cette utilisation.
Section II
Procédure
Art. 22
La demande d’agrément est soumise à la Banque,
accompagnée d’un dossier administratif répondant
aux conditions qu’elle fixe et qui comporte notamment
le programme d’activités visé à l’article 35 ainsi que la
description du système de gouvernance de l’entreprise
d’assurance ou de réassurance et de ses liens étroits
avec d’autres personnes. Les demandeurs fournissent
tous renseignements nécessaires à l’appréciation de
leur demande.
La Banque fixe les conditions visées à l’alinéa 1er en
tenant compte des conditions que la FSMA impose en
ce qui concerne l’organisation et les procédures dont
elle assure le contrôle conformément à l’article 45, § 1er,
alinéa 1er, 3°, et § 2, de la loi du 2 août 2002.
Art. 23
Le demandeur communique également à la Banque
l’identité des personnes physiques ou morales qui,
directement ou indirectement, agissant seules ou de
concert avec d’autres, détiennent dans le capital de
l’entreprise d’assurance ou de réassurance une parti-
cipation qualifiée, conférant ou non le droit de vote. La
communication comporte l’indication des quotités du ca-
pital et des droits de vote détenues par ces personnes.
À défaut de participation qualifiée, la communication
visée à l’alinéa 1er porte sur l’identité des vingt princi-
paux actionnaires et leur quotité dans le capital.
790
1584/002
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
Art. 24
§ 1. Wanneer de te dekken risico’s behoren tot tak
10 als vermeld in Bijlage I, voegt de onderneming die
de vergunning aanvraagt, bij haar aanvraag eveneens:
1° het bewijs van haar aansluiting bij het Belgisch
Bureau en bij het Gemeenschappelijk Waarborgfonds;
2° voor zover de te dekken risico’s niet alleen betrek-
king hebben op de aansprakelijkheid van de vervoer-
der, de naam en het adres van alle schaderegelaars
die overeenkomstig artikel 12 van de voornoemde
wet van 21 november 1989 in elke andere lidstaat zijn
aangewezen, evenals het bewijs dat deze schaderege-
laars voldoen aan de voorwaarden van artikel 12, § 1,
tweede lid in fine en § 5 van de voornoemde wet van
21 november 1989.
§ 2. Wanneer de te dekken risico’s betrekking hebben
op arbeidsongevallen als bedoeld in de arbeidsonge-
vallenwet van 10 april 1971, voegt de onderneming bij
haar aanvraag:
1° het bewijs dat het Fonds voor arbeidsongevallen
in kennis werd gesteld van de voorgenomen activiteit;
2° het bewijs dat aan het Fonds voor arbeidsonge-
vallen een verklaring werd overgemaakt waaruit blijkt
dat de onderneming op het eerste verzoek van het
Fonds voor arbeidsongevallen een bankgarantie als
bedoeld in artikel 60 van de arbeidsongevallenwet van
10 april 1971 zal vestigen.
Art. 25
Indien de onderneming vóór de vergunningsaanvraag
een verzekeringsactiviteit uitoefende waarvoor overeen-
komstig deze wet geen vergunning is vereist, voegt zij
bij haar aanvraag ook de volgende documenten:
1° een gedetailleerde staat van de technische reser-
ves en overeenstemmende beleggingen op het ogenblik
van de indiening van de vergunningsaanvraag;
2° een staat van de nog niet geregelde schadegeval-
len die aangegeven zijn vóór het begin van het kalen-
derjaar tijdens hetwelk de aanvraag wordt ingediend.
Indien de onderneming vóór de aanvraag een andere
activiteit uitoefende, kan de Bank alle inlichtingen verlan-
gen over haar financiële positie en haar verrichtingen,
van welke aard die ook zijn.
Art. 24
§ 1er. Lorsque les risques à couvrir relèvent de la
branche 10 mentionnée à l’Annexe I, l’entreprise qui
sollicite l’agrément joint également à sa demande:
1° la preuve de son affiliation au Bureau belge et au
Fonds commun de garantie;
2° pour autant que les risques à couvrir ne concernent
pas uniquement la responsabilité du transporteur, le
nom et l’adresse de tous les représentants chargés du
règlement des sinistres désignés dans chaque autre
État membre, conformément à l’article 12 de la loi du
21 novembre 1989 précitée, ainsi que la preuve que
ces représentants répondent aux conditions visées
à l’article 12, § 1er, alinéa 2 in fine et § 5, de la loi du
21 novembre 1989 précitée.
§ 2. Lorsque les risques à couvrir concernent les
accidents du travail visés par la loi du 10 avril 1971 sur
les accidents du travail, l’entreprise joint à sa demande:
1° la preuve que le Fonds des accidents du travail a
été informé de l’activité envisagée;
2° la preuve qu’une déclaration a été transmise au
Fonds des accidents du travail aux termes de laquelle
l’entreprise constituera, à la première demande du
Fonds des accidents du travail, la garantie bancaire
visée à l’article 60 de la loi du 10 avril 1971 sur les
accidents du travail.
Art. 25
Si l’entreprise exerçait avant la demande d’agrément
une activité d’assurance qui ne requiert pas un agré-
ment conformément à la présente loi, elle joint en outre
à sa demande les documents suivants:
1° un état détaillé des réserves techniques et des
placements correspondants au moment de l’introduction
de la demande d’agrément;
2° un état des sinistres déclarés avant le début
de l’année civile au cours de laquelle est déposée la
demande, et non encore réglés.
Si l’entreprise exerçait avant la demande une autre
activité, la Banque peut exiger tous renseignements
au sujet de la situation financière et de ses opérations
quelles qu’elles soient.
791
1584/002
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
Art. 26
De Bank raadpleegt de FSMA vooraleer te beslissen
over een vergunningsaanvraag die uitgaat van een ver-
zekerings- of herverzekeringsonderneming die hetzij de
dochteronderneming is van een onderneming die van de
FSMA een vergunning heeft verkregen, hetzij de doch-
teronderneming van de moederonderneming van een
onderneming die van de FSMA een vergunning heeft
verkregen, hetzij onder de controle staat van dezelfde
natuurlijke of rechtspersonen als een onderneming die
van de FSMA een vergunning heeft verkregen.
Wanneer de vergunningsaanvraag uitgaat van een
verzekerings- of herverzekeringsonderneming die hetzij
de dochteronderneming is van een andere verzeke-
rings- of herverzekeringsonderneming, van een kre-
dietinstelling, een beleggingsonderneming, een AICB-
beheerder of een beheervennootschap van instellingen
voor collectieve belegging, waaraan een vergunning
is verleend overeenkomstig het recht van een andere
lidstaat, hetzij de dochteronderneming van de moeder-
onderneming van een andere verzekerings- of herver-
zekeringsonderneming, van een kredietinstelling, een
beleggingsonderneming, een AICB-beheerder of een
beheervennootschap van instellingen voor collectieve
belegging, waaraan overeenkomstig het recht van een
andere lidstaat een vergunning is verleend, hetzij onder
de controle staat van dezelfde natuurlijke of rechtsper-
sonen als deze die de controle hebben over een andere
verzekerings- of herverzekeringsonderneming, een kre-
dietinstelling, een beleggingsonderneming, een AICB-
beheerder of een beheervennootschap van instellingen
voor collectieve belegging, waaraan overeenkomstig
het recht van een andere lidstaat een vergunning is
verleend, raadpleegt de Bank, vooraleer te beslissen
over de aanvraag, de bevoegde autoriteiten die in deze
andere lidstaten bevoegd zijn voor het toezicht op de
verzekerings- of herverzekeringsondernemingen, de
kredietinstellingen, de beleggingsondernemingen, de
AICB-beheerders of de beheervennootschappen van
instellingen voor collectieve belegging.
De Bank raadpleegt eveneens vooraf de autoriteiten
als bedoeld in het eerste of tweede lid voor het beoor-
delen van de geschiktheid van de aandeelhouders, de
leiding en de verantwoordelijken voor de onafhankelijke
controlefuncties, overeenkomstig de artikelen 39 en 40,
wanneer deze aandeelhouder een onderneming is als
bedoeld in het eerste of tweede lid of de bij de leiding
van de verzekerings- of herverzekeringsonderneming
betrokken persoon eveneens betrokken is bij de leiding
van een van de in het eerste of tweede lid bedoelde
ondernemingen of van een onderneming die tot de-
zelfde groep behoort, of wanneer de verantwoordelijke
voor een onafhankelijke controlefunctie een dergelijke
Art. 26
La Banque consulte la FSMA avant de se prononcer
sur la demande d’agrément sollicité par une entreprise
d’assurance ou de réassurance qui est soit la filiale
d’une entreprise agréée par la FSMA, soit la filiale
de l’entreprise mère d’une entreprise agréée par la
FSMA, soit encore contrôlée par les mêmes personnes
physiques ou morales qu’une entreprise agréée par la
FSMA.
Lorsque l’agrément est sollicité par une entreprise
d’assurance ou de réassurance qui est soit la filiale
d’une autre entreprise d’assurance ou de réassurance,
d’un établissement de crédit, d’une entreprise d’inves-
tissement, d’un gestionnaire d’OPCA ou d’une société
de gestion d’organismes de placement collectif, agréé
conformément au droit d’un autre État membre, soit la
filiale de l’entreprise mère d’une autre entreprise d’assu-
rance ou de réassurance, d’un établissement de crédit,
d’une entreprise d’investissement, d’un gestionnaire
d’OPCA ou d’une société de gestion d’organismes
de placement collectif, agréé conformément au droit
d’un autre État membre, soit encore contrôlé par les
mêmes personnes physiques ou morales que celles
qui contrôlent une autre entreprise d’assurance ou de
réassurance, un établissement de crédit, une entreprise
d’investissement, un gestionnaire d’OPCA ou une
société de gestion d’organismes de placement collectif,
agréé conformément au droit d’un autre État membre,
avant de se prononcer sur la demande, la Banque
consulte les autorités compétentes de ces autres États
membres qui contrôlent les entreprises d’assurance
ou de réassurance, les établissements de crédit, les
entreprises d’investissement, les gestionnaires d’OPCA
ou les sociétés de gestion d’organismes de placement
collectif.
De même, la Banque consulte préalablement les
autorités visées à l’alinéa 1er ou à l’alinéa 2, aux fins
d’évaluer les qualités requises des actionnaires, des
dirigeants et des responsables des fonctions de contrôle
indépendantes conformément aux articles 39 et 40,
lorsque l’actionnaire est une entreprise visée à l’ali-
néa 1er ou à l’alinéa 2 ou que la personne participant à
la direction de l’entreprise d’assurance ou de réassu-
rance prend part également à la direction de l’une des
entreprises visées à l’alinéa 1er ou à l’alinéa 2 ou d’une
entreprise qui appartient au même groupe, ou que le
responsable d’une fonction de contrôle indépendante
exerce une telle fonction au sein de l’une des entreprises
792
1584/002
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
functie uitoefent bij een van de ondernemingen bedoeld
in het eerste of tweede lid of bij een onderneming die tot
dezelfde groep behoort. Deze autoriteiten delen elkaar
alle informatie mee die relevant is voor het beoordelen
van de geschiktheid van de in dit lid bedoelde aandeel-
houders, bij de leiding betrokken personen en verant-
woordelijken voor de onafhankelijke controlefuncties.
Art. 27
§ 1. Op advies van de FSMA beslist de Bank over
de vergunningsaanvraag, voor wat betreft:
1° het passende karakter van de organisatie van de
verzekerings- of herverzekeringsonderneming, met
name van haar integriteitsbeleid, als bedoeld in de
artikelen 42 tot 60, vanuit het oogpunt van de naleving
van de regels bedoeld in artikel 45, § 1, eerste lid, 3°,
en § 2 van de wet van 2 augustus 2002;
2° de professionele betrouwbaarheid van de perso-
nen die lid zijn van het wettelijk bestuursorgaan van de
verzekerings- of herverzekeringsonderneming, van het
directiecomité of, bij ontstentenis van een directieco-
mité, van de personen die belast zijn met de effectieve
leiding, evenals van de personen die verantwoordelijk
zijn voor de onafhankelijke controlefuncties, indien zij
voor het eerst voor een dergelijke functie worden voor-
gedragen bij een onderneming die met toepassing van
artikel 36/2 van de wet van 22 februari 1998 onder het
toezicht staat van de Bank.
De FSMA verstrekt haar advies over de voornoemde
aangelegenheden binnen een termijn van een maand
te rekenen vanaf de ontvangst van de door de Bank
geformuleerde adviesaanvraag, waarbij alle van de
vergunningaanvragende onderneming ontvangen stuk-
ken zijn gevoegd. Afwezigheid van advies binnen deze
termijn geldt als positief advies. Vóór het verstrijken van
de termijn van een maand kan de FSMA de Bank er
evenwel van in kennis stellen dat zij haar advies uiterlijk
binnen 15 dagen na het verstrijken van deze termijn zal
verstrekken.
§ 2. Indien de Bank geen rekening houdt met het
advies van de FSMA over de in paragraaf 1, eerste lid
bedoelde aangelegenheden, wordt dat met de redenen
voor de afwijking vermeld in de motivering van de beslis-
sing over de vergunningsaanvraag. Het voornoemde
advies van de FSMA over punt 1° van paragraaf 1, eerste
lid, wordt gevoegd bij de kennisgeving van de beslissing
over de vergunningsaanvraag.
visées à l’alinéa 1er ou à l’alinéa 2 ou au sein d’une entre-
prise qui appartient au même groupe. Ces autorités se
communiquent mutuellement toutes informations utiles
pour l’évaluation des qualités requises des actionnaires
et des personnes participant à la direction ainsi que des
responsables des fonctions de contrôle indépendantes
visés au présent alinéa.
Art. 27
§ 1er. La Banque se prononce sur la demande d’agré-
ment sur avis de la FSMA en ce qui concerne:
1° le caractère adéquat de l’organisation de l’entre-
prise d’assurance ou de réassurance, notamment de
sa politique d’intégrité, telle que visée aux articles 42 à
60, sous l’angle du respect des règles visées à l’article
45, § 1er, alinéa 1er, 3°, et § 2, de la loi du 2 août 2002;
2° l’honorabilité professionnelle des personnes
appelées à être membres de l’organe légal d’adminis-
tration de l’entreprise d’assurance ou de réassurance,
du comité de direction ou, en l’absence de comité de
direction, des personnes appelées à être chargées de
la direction effective, ainsi que des personnes appelées
à être responsables des fonctions de contrôle indé-
pendantes, si ces personnes sont proposées pour la
première fois pour une telle fonction dans une entreprise
relevant du contrôle de la Banque par application de
l’article 36/2 de la loi du 22 février 1998.
La FSMA rend son avis sur les questions précitées
dans un délai d’un mois à compter de la réception de la
demande d’avis formulée par la Banque, accompagnée
de toutes les pièces reçues de l’entreprise qui sollicite
l’agrément. L’absence d’avis dans ce délai est consi-
déré comme un avis positif. Avant l’expiration du délai
d’un mois, la FSMA peut cependant informer la Banque
qu’elle communiquera son avis au plus tard dans les
15 jours qui suivent l’expiration dudit délai.
§ 2. Si la Banque ne tient pas compte de l’avis de
la FSMA sur les questions visées au paragraphe 1er,
alinéa 1er, elle en fait état et en mentionne les raisons
dans la motivation de la décision relative à la demande
d’agrément. L’avis précité de la FSMA relatif au point 1°
du paragraphe 1er, alinéa 1er est joint à la notification de
la décision relative à la demande d’agrément.
793
1584/002
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
Art. 28
De Bank verleent een vergunning aan de verzeke-
rings- en herverzekeringsondernemingen die voldoen
aan de voorwaarden van Hoofdstuk II van deze Titel.
De Bank spreekt zich uit over de aanvraag binnen
zes maanden na de indiening van een volledig dossier.
De beslissingen inzake vergunning worden binnen
vijftien dagen ter kennis gebracht van de aanvragers
met een aangetekende brief of een brief met ontvangst-
bewijs, met inachtneming van de termijnen bedoeld in
het tweede lid.
Art. 29
Gelet op de noodzaak van een gezond en voorzich-
tig beleid kan de Bank voorwaarden verbinden aan de
vergunning voor de uitoefening van bepaalde van de
voorgenomen activiteiten en, onder meer, de vergunning
die voor een tak is aangevraagd, beperken tot sommige
van de activiteiten die in het in artikel 35 bedoelde pro-
gramma van werkzaamheden zijn opgenomen.
Art. 30
Wanneer een verzekerings- of herverzekeringson-
derneming een vergunning verkrijgt, stelt de Bank de
gegevens bedoeld in artikel 22 en de eventuele wijzigin-
gen daarin ter beschikking van de FSMA, om haar toe
te laten de bevoegdheden bedoeld in artikel 45, § 1, 3°
en § 2 van de wet van 2 augustus 2002 uit te oefenen.
Art. 31
De Bank maakt een lijst op van de verzekerings- of
herverzekeringsondernemingen waaraan krachtens dit
Boek een vergunning is verleend. Die lijst en alle daarin
aangebrachte wijzigingen worden op haar website
bekendgemaakt en ter kennis gebracht van EIOPA en
de FSMA.
De bekendmaking vermeldt de verzekeringstakken of
delen van verzekeringstakken of de herverzekeringsac-
tiviteiten waarvoor de vergunning wordt verleend en, in
voorkomend geval, de met toepassing van artikel 29 op-
gelegde beperkingen.
Wanneer de vergunning wordt verleend aan een
verzekerings- of herverzekeringsonderneming die een
rechtstreekse of onrechtstreekse dochteronderneming is
van een verzekerings- of herverzekeringsonderneming
Art. 28
La Banque agrée les entreprises d’assurance et
de réassurance répondant aux conditions fixées au
Chapitre II du présent Titre.
La Banque statue sur la demande dans les six mois
de l’introduction d’un dossier complet.
Sans excéder les délais visés à l’alinéa 2, les déci-
sions en matière d’agrément sont notifiées aux deman-
deurs dans les quinze jours par lettre recommandée à
la poste ou avec accusé de réception.
Art. 29
La Banque peut en vue d’une gestion saine et
prudente assortir l’agrément de conditions relatives à
l’exercice de certaines des activités projetées et, entre
autres, limiter l’agrément demandé pour une branche
à certaines des activités reprises dans le programme
d’activités visé à l’article 35.
Art. 30
Lorsqu’une entreprise d’assurance ou de réassu-
rance est agréée, la Banque met à la disposition de la
FSMA, de manière à lui permettre d’exercer les com-
pétences visées à l’article 45, § 1er, 3°, et § 2, de la loi
du 2 août 2002, les informations visées à l’article 22,
ainsi que toute modification apportée à ces informations.
Art. 31
La Banque établit une liste des entreprises d’assu-
rance ou de réassurance agréées en vertu du présent
Livre. Cette liste et toutes les modifications qui y sont
apportées sont publiées sur son site internet et notifiées
à l’EIOPA et à la FSMA.
La publication mentionne les branches ou les par-
ties de branche d’assurance ou les activités de réas-
surance pour lesquelles l’agrément est octroyé et, le
cas échéant, les limites imposées en application de
l’article 29.
Lorsque l’agrément est octroyé à une entreprise
d’assurance ou de réassurance qui est la filiale directe
ou indirecte d’une entreprise d’assurance ou de réassu-
rance relevant du droit d’un État tiers, la Banque informe
794
1584/002
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
die onder het recht van een derde land ressorteert, stelt
de Bank ook de Europese Commissie, EIOPA en de
toezichthouders van de andere lidstaten in kennis. Deze
kennisgeving bevat de structuur van de betrokken groep.
HOOFDSTUK II
Vergunningsvoorwaarden
Afdeling I
Algemene bepalingen
Art. 32
Behalve met de voorwaarden van dit Hoofdstuk houdt
de Bank ook rekening met het vermogen van de onder-
neming die de vergunning aanvraagt om te voldoen aan
de in Titel II van dit Boek bedoelde bedrijfsuitoefenings-
voorwaarden en om haar ontwikkelingsdoelstellingen te
verwezenlijken onder de voorwaarden die nodig zijn voor
de goede werking van de sector van de verzekerings- of
herverzekeringsondernemingen en van het financiële
stelsel evenals voor de bescherming van de verzeke-
ringnemers, de verzekerden en de begunstigden.
Afdeling II
Vennootschapsvorm en doel
Art. 33
Een verzekerings- of herverzekeringsonderneming
wordt opgericht in de vorm van een naamloze vennoot-
schap, een coöperatieve vennootschap, een onderlinge
verzekeringsvereniging, een Europese vennootschap of
een Europese coöperatieve vennootschap.
Verzekeringsondernemingen die overeenkomstig
artikel 34, § 2 een niet-levensverzekeringsactiviteit uit-
oefenen mogen ook worden opgericht in de vorm van
een verzekeringsmaatschappij van onderlinge bijstand.
Voor de verzekerings- of herverzekeringsonderne-
mingen die opgericht zijn in een van de in dit artikel
bedoelde vormen zonder onderworpen te zijn aan het
Wetboek van Vennootschappen, gelden niettemin de
verplichtingen die rusten op naamloze vennootschappen
uit hoofde van de artikelen 67, 68, 73, 74, 75, 76, 98,
100, 101, 102, 173, 179, 195 en 1012 van het Wetboek
van Vennootschappen.
également la Commission européenne, l’EIOPA et les
autorités de contrôle des autres États membres. Cette
information comprend la structure du groupe concerné.
CHAPITRE II
Conditions d’agrément
Section Ire
Généralités
Art. 32
Outre les conditions prévues par le présent Chapitre,
la Banque tient également compte de l’aptitude de
l’entreprise qui sollicite l’agrément à satisfaire aux
conditions d’exercice de l’activité visées au Titre II du
présent Livre ainsi qu’à réaliser ses objectifs de déve-
loppement dans les conditions que requièrent le bon
fonctionnement du secteur des entreprises d’assurance
ou de réassurance et du système financier ainsi que la
protection des preneurs d’assurance, des assurés et
des bénéficiaires.
Section II
Forme sociétaire et objet
Art. 33
Les entreprises d’assurance ou de réassurance sont
constituées sous la forme d’une société anonyme, d’une
société coopérative, d’une association d’assurance
mutuelle, d’une société européenne ou d’une société
coopérative européenne.
En outre, les entreprises d’assurance qui exercent
une activité d’assurance non-vie conformément à
l’article 34, § 2, peuvent être constituées sous la forme
d’une société mutualiste d’assurance.
Les entreprises d’assurance ou de réassurance
constituées sous une des formes visées au présent
article sans être régies par le Code des sociétés, sont
néanmoins soumises aux obligations qui incombent
aux sociétés anonymes en vertu des articles 67, 68, 73,
74, 75, 76, 98, 100, 101, 102, 173, 179, 195, et 1012 du
Code des sociétés.
795
1584/002
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
Art. 34
§ 1. Onverminderd artikel 18, tweede lid,
1° beperken de verzekeringsondernemingen hun doel
tot de verzekeringsactiviteit en de verrichtingen die daar
rechtstreeks uit voortvloeien, met uitsluiting van elke
andere handelsactiviteit;
2° beperken de herverzekeringsondernemingen
hun doel tot het herverzekeringsbedrijf en de daarmee
samenhangende verrichtingen, met inbegrip van de
functie van holding en activiteiten met betrekking tot
de financiële sector, in de zin van artikel 2, punt 8, van
Richtlijn 2002/87/EG.
§ 2. In afwijking van paragraaf 1 beperken de ver-
zekeringsmaatschappijen van onderlinge bijstand hun
activiteiten tot de ziekteverzekeringen in de zin van tak
2 als vermeld in Bijlage I en, aanvullend, tot de hulp-
verlening die behoort tot tak 18 als vermeld in Bijlage I.
Aansluiting bij de in het eerste lid bedoelde verze-
keringen is voorbehouden aan de volgende personen:
1° wat de maatschappijen van onderlinge bijstand
betreft die met toepassing van artikel 43bis, § 5 van de
wet van 6 augustus 1990 betreffende de ziekenfondsen
en de landsbonden van ziekenfondsen zijn opgericht,
de personen die zijn aangesloten bij het ziekenfonds of
de ziekenfondsen die bij de verzekeringsmaatschappij
van onderlinge bijstand zijn aangesloten;
2° wat de verzekeringsmaatschappijen van on-
derlinge bijstand betreft die met toepassing van
artikel 70, § § 6, 7 en 8 van de voormelde wet van
6 augustus 1990 zijn opgericht, de in diezelfde para-
grafen bedoelde personen.
Afdeling III
Programma van werkzaamheden
Art. 35
§ 1. Het in artikel 22 bedoelde programma van
werkzaamheden bevat gegevens of bewijsstukken
betreffende:
1° de aard van de risico’s of de verbintenissen die de
verzekerings- of herverzekeringsonderneming voorne-
mens is te dekken;
Art. 34
§ 1er. Sans préjudice de l’article 18, alinéa 2,
1° les entreprises d’assurance limitent leur objet à
l’activité d’assurance et aux opérations qui en découlent
directement, à l’exclusion de toute autre activité
commerciale;
2° les entreprises de réassurance limitent leur objet à
l’activité de réassurance et aux opérations liées, en ce
compris une fonction de société holding et des activités
liées au secteur financier, au sens de l’article 2, point
8) de la directive 2002/87/CE.
§ 2. Par dérogation au paragraphe 1er, les sociétés
mutualistes d’assurance limitent leurs activités aux as-
surances maladies au sens de la branche 2 mentionnée
à l’Annexe I et, à titre complémentaire, à l’assistance
relevant de la branche 18 mentionnée à l’Annexe I.
L’affiliation aux assurances visées à l’alinéa 1er est
réservée aux personnes suivantes:
1° en ce qui concerne les sociétés mutualistes
créées en application de l’article 43bis, § 5, de la loi du
6 août 1990 relative aux mutualités et aux unions natio-
nales de mutualités, les personnes affiliées auprès de
la ou des mutualité(s) affiliée(s) à la société mutualiste
d’assurance;
2° en ce qui concerne les sociétés mutualistes
d’assurance créées en application de l’article 70, § § 6,
7 et 8, de la loi du 6 août 1990 précitée, les personnes
visées dans ces mêmes paragraphes.
Section III
Programme d’activités
Art. 35
§ 1er. Le programme d’activités visé à l’article 22 com-
prend les indications ou justifications concernant les
éléments suivants:
1° la nature des risques ou des engagements que
l’entreprise d’assurance ou de réassurance se propose
de couvrir;
796
1584/002
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
2° de aard van de herverzekeringsovereenkomsten
die de herverzekeringsonderneming voornemens is te
sluiten met cederende ondernemingen;
3° de leidende beginselen van de verzekeringson-
derneming op het gebied van herverzekering en van
de herverzekeringsonderneming op het gebied van
retrocessie;
4° de kernvermogensbestanddelen die de absolute
ondergrens van het minimumkapitaalvereiste vormen;
5° de te verwachten kosten voor de tenuitvoerleg-
ging van het governancesysteem, met name de inrich-
tingskosten van de administratieve diensten en van het
productienet, de technische en financiële middelen ter
dekking daarvan en, indien de te dekken risico’s behoren
tot tak 18 als vermeld in Bijlage I, de middelen waarover
de verzekeringsonderneming beschikt om de beloofde
hulp te verlenen.
§ 2. Naast de vereisten van paragraaf 1 bevat het
programma van werkzaamheden voor de eerste drie
boekjaren:
1° een balansprognose;
2° een raming van het solvabiliteitskapitaalvereiste als
bepaald in artikel 151, op basis van de in 1° bedoelde
balansprognose, evenals de voor deze raming gehan-
teerde berekeningsmethode;
3° een raming van het minimumkapitaalvereiste als
bepaald in artikel 189, op basis van de in 1° bedoelde
balansprognose, evenals de voor deze raming gehan-
teerde berekeningsmethode;
4° een raming van de financiële middelen ter dekking
van de technische voorzieningen, het minimumkapitaal-
vereiste en het solvabiliteitskapitaalvereiste;
5° voor niet-levensverzekeringen en herverzekerin-
gen ook het volgende:
a) een raming van de beheerkosten, met uitzondering
van de inrichtingskosten, met name de lopende alge-
mene kosten en de provisies;
b) een raming van de premies of bijdragen en van de
schadegevallen;
6° voor levensverzekeringen ook een gedetailleerde
prognose van de vermoedelijke ontvangsten en uitga-
ven, zowel voor het directe verzekeringsbedrijf als voor
2° le type de contrats de réassurance que l’entre-
prise de réassurance se propose de conclure avec des
entreprises cédantes;
3° les principes directeurs de l’entreprise d’assurance
en matière de réassurance et de l’entreprise de réas-
surance en matière de rétrocession;
4° les éléments des fonds propres de base corres-
pondant au seuil absolu du minimum de capital requis;
5° les prévisions relatives aux frais nécessaires à la
mise en œuvre du système de gouvernance, notam-
ment les frais d’installation des services administratifs
et du réseau de production, les moyens techniques
et financiers destinés à faire face à ces frais et, si les
risques à couvrir relèvent de la branche 18 mentionnée
à l’Annexe I, les moyens dont l’entreprise d’assurance
dispose pour la fourniture de l’assistance promise.
§ 2. Outre les éléments requis au paragraphe 1er, le
programme d’activités contient, pour les trois premiers
exercices:
1° un bilan prévisionnel;
2° les prévisions relatives au capital de solvabilité
requis, tel que prévu à l’article 151, sur la base du bilan
prévisionnel visé au 1°, ainsi que la méthode de calcul
utilisée pour établir ces prévisions;
3° les prévisions relatives au minimum de capital
requis, tel que prévu à l’article 189, sur la base du bilan
prévisionnel visé au 1°, ainsi que la méthode de calcul
utilisée pour établir ces prévisions;
4° les prévisions relatives aux moyens financiers
destinés à la couverture des provisions techniques, du
minimum de capital requis et du capital de solvabilité
requis;
5° pour l’assurance non-vie et la réassurance:
a) les prévisions relatives aux frais de gestion autres
que les frais d’installation, notamment les frais généraux
courants et les commissions;
b) les prévisions relatives aux primes ou aux cotisa-
tions et aux sinistres;
6° pour l’assurance-vie: un plan faisant apparaître
d’une manière détaillée les prévisions de recettes et
de dépenses tant pour les opérations directes que
797
1584/002
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
aangenomen herverzekering en overdrachten uit hoofde
van herverzekering.
Art. 36
Wanneer een verzekerings- of herverzekeringson-
derneming waaraan een vergunning is verleend, een
vergunning aanvraagt voor de uitbreiding van haar
activiteiten met toepassing van artikel 19, legt zij over-
eenkomstig artikel 35 een programma van werkzaam-
heden voor.
Afdeling IV
Eigen vermogen
Art. 37
De verzekerings- of herverzekeringsonderneming
toont aan:
1° dat zij voldoende in aanmerking komend kern-
vermogen aanhoudt om de absolute ondergrens
te dekken van het in artikel 189, § 1, 4° bepaalde
minimumkapitaalvereiste;
2° dat zij in staat is om voldoende in aanmerking
komend eigen vermogen aan te houden om doorlopend
het solvabiliteitskapitaalvereiste te dekken, overeen-
komstig artikel 151;
3° dat zij in staat is om voldoende in aanmerking
komend kernvermogen aan te houden om doorlopend
het in artikel 189 bepaalde minimumkapitaalvereiste te
dekken.
Art. 38
§ 1. Iedere verzekerings- of herverzekeringsonderne-
ming die een vergunning aanvraagt voor de uitbreiding
van haar activiteiten overeenkomstig artikel 19, toont aan
dat zij beschikt over voldoende in aanmerking komend
eigen vermogen om het respectievelijk in de artike-
len 151 en 189 bepaalde solvabiliteitskapitaalvereiste
en minimumkapitaalvereiste aan te houden.
§ 2. Onverminderd paragraaf 1 toont iedere verze-
keringsonderneming die levensverzekeringsactiviteiten
uitoefent en die een vergunning aanvraagt voor de
uitbreiding van haar activiteiten, overeenkomstig arti-
kel 223, tweede lid, tot de risico’s die behoren tot de
takken 1 of 2 als vermeld in Bijlage I, het volgende aan:
1° dat zij beschikt over voldoende in aanmerking
komend kernvermogen om de absolute ondergrens
pour les acceptations en réassurance et les cessions
en réassurance.
Art. 36
L’entreprise d’assurance ou de réassurance agréée
présente un programme d’activités conformément à
l’article 35 lorsqu’elle sollicite un agrément pour l’exten-
sion de ses activités en application de l’article 19.
Section IV
Fonds propres
Art. 37
L’entreprise d’assurance ou de réassurance
démontre:
1° qu’elle détient les fonds propres de base éligibles
nécessaires pour atteindre le seuil absolu du minimum
de capital requis prévu à l’article 189, § 1er, 4°;
2° qu’elle est en mesure de détenir les fonds propres
éligibles nécessaires pour couvrir en permanence le ca-
pital de solvabilité requis, conformément à l’article 151;
3° qu’elle est en mesure de détenir les fonds propres
de base éligibles nécessaires pour couvrir en perma-
nence le minimum de capital requis prévu à l’article 189.
Art. 38
§ 1er. L’entreprise d’assurance ou de réassurance, qui
sollicite un agrément pour l’extension de ses activités
conformément à l’article 19, apporte la preuve qu’elle
dispose des fonds propres éligibles nécessaires pour
détenir le capital de solvabilité requis et le minimum de
capital requis respectivement prévus aux articles 151 et
189.
§ 2. Sans préjudice du paragraphe 1er, l’entreprise
d’assurance exerçant des activités d’assurance-vie qui
sollicite un agrément pour l’extension de ses activités
aux risques compris dans les branches 1 ou 2 men-
tionnées à l’Annexe I conformément à l’article 223,
alinéa 2, démontre:
1° qu’elle détient les fonds propres de base éligibles
nécessaires pour atteindre à la fois le seuil absolu du
798
1584/002
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
van het minimumkapitaalvereiste voor levensverzeke-
ringsondernemingen en de absolute ondergrens van
het minimumkapitaalvereiste voor niet-levensverzeke-
ringsondernemingen, als bedoeld in artikel 189, § 1, 4°,
d), te dekken;
2° dat zij zich ertoe verbindt doorlopend te voldoen
aan de minimumverplichtingen van punt 1°, in overeen-
stemming met artikel 225, § 2, tweede lid.
§ 3. Onverminderd paragraaf 1 toont iedere verzeke-
ringsonderneming die niet-levensverzekeringsactivitei-
ten uitoefent voor de risico’s die behoren tot de takken
1 of 2 als vermeld in Bijlage I, en die een vergunning
aanvraagt voor de uitbreiding van haar activiteiten tot
levensverzekeringsrisico’s, overeenkomstig artikel 223,
tweede lid, het volgende aan:
1° dat zij beschikt over voldoende in aanmerking
komend kernvermogen om de absolute ondergrens
van het minimumkapitaalvereiste voor levensverzeke-
ringsondernemingen en de absolute ondergrens van
het minimumkapitaalvereiste voor niet-levensverzeke-
ringsondernemingen, als bedoeld in artikel 189, § 1, 4°,
d), te dekken;
2° dat zij zich ertoe verbindt doorlopend te voldoen
aan de minimumverplichtingen van punt 1°, in overeen-
stemming met artikel 225, § 2, tweede lid.
Afdeling V
Aandeelhouders of vennoten
Art. 39
De vergunning wordt geweigerd wanneer de Bank
niet overtuigd is van de geschiktheid van de in arti-
kel 23 bedoelde natuurlijke of rechtspersonen om een
gezond en voorzichtig beleid van de verzekerings- of
herverzekeringsonderneming te garanderen.
De beoordeling van de geschiktheid om een gezond
en voorzichtig beleid van de verzekerings- of herver-
zekeringsonderneming te garanderen, gebeurt aan de
hand van de volgende criteria:
1° de betrouwbaarheid van de in artikel 23 bedoelde
natuurlijke of rechtspersonen;
2° de professionele betrouwbaarheid en deskundig-
heid van elke in artikel 40 bedoelde persoon die het
bedrijf van de verzekerings- of herverzekeringsonder-
neming feitelijk gaat leiden;
minimum de capital requis dans le cas des entreprises
d’assurance-vie et le seuil absolu du minimum de capital
requis dans le cas des entreprises d’assurance non-vie,
tels que visés à l’article 189, § 1er, 4°, d);
2° qu’elle s’engage à respecter en permanence les
obligations minimales visées au 1° en conformité avec
l’article 225, § 2, alinéa 2.
§ 3. Sans préjudice du paragraphe 1er, l’entreprise
d’assurance exerçant des activités d’assurance non-vie
pour les risques compris dans les branches 1 ou 2 men-
tionnées à l’Annexe I, qui sollicite un agrément pour
l’extension de ses activités aux risques d’assurance-vie
conformément à l’article 223, alinéa 2, démontre:
1° qu’elle détient les fonds propres de base éligibles
nécessaires pour atteindre à la fois le seuil absolu du
minimum de capital requis dans le cas des entreprises
d’assurance-vie et le seuil absolu du minimum de capital
requis dans le cas des entreprises d’assurance non-vie,
tels que visés à l’article 189, § 1er, 4°, d);
2° qu’elle s’engage à respecter en permanence les
obligations minimales visées au 1° en conformité avec
l’article 225, § 2, alinéa 2.
Section V
Détenteurs du capital
Art. 39
L’agrément est refusé si la Banque a des raisons de
considérer que les personnes physiques ou morales
visées à l’article 23 ne présentent pas les qualités
nécessaires en vue de garantir une gestion saine et pru-
dente de l’entreprise d’assurance ou de réassurance.
L’appréciation des qualités nécessaires en vue de
garantir une gestion saine et prudente de l’entreprise
d’assurance ou de réassurance s’effectue au regard
des critères suivants:
1° l’honorabilité des personnes physiques ou morales
visées à l’article 23;
2° l’honorabilité professionnelle et l’expertise de
toute personne visée à l’article 40 qui assurera la
direction des activités de l’entreprise d’assurance ou
de réassurance;
799
1584/002
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
3° de financiële soliditeit van de in artikel 23 be-
doelde natuurlijke of rechtspersonen, met name in
het licht van de aard van de uitgeoefende en voor-
genomen activiteiten binnen de verzekerings- of
herverzekeringsonderneming;
4° of de verzekerings- of herverzekeringsonderne-
ming zal kunnen voldoen en blijven voldoen aan de
prudentiële verplichtingen die voortvloeien uit deze
wet, haar uitvoeringsbesluiten en -reglementen en de
maatregelen tot uitvoering van Richtlijn 2009/138/EG,
inzonderheid of de groep waarvan zij deel zal uitmaken
zo gestructureerd is dat effectief toezicht en effectieve
uitwisseling van informatie tussen de toezichthouders
mogelijk zijn, en dat de verdeling van de verantwoor-
delijkheden tussen de toezichthouders kan worden
bepaald;
5° of er gegronde redenen zijn om te vermoeden dat
geld wordt of werd witgewassen of terrorisme wordt of
werd gefinancierd dan wel dat gepoogd wordt of werd
geld wit te wassen of terrorisme te financieren in verband
met de voorgenomen verwerving, of dat de voorgeno-
men verwerving het risico daarop zou kunnen vergroten.
Afdeling VI
Leiding
Art. 40
§ 1. De leden van het wettelijk bestuursorgaan en van
het directiecomité van de verzekerings- of herverzeke-
ringsonderneming, de personen belast met de effectieve
leiding en de verantwoordelijken voor de onafhankelijke
controlefuncties zijn uitsluitend natuurlijke personen.
De in het eerste lid bedoelde personen moeten
permanent over de voor de uitoefening van hun functie
vereiste professionele betrouwbaarheid en passende
deskundigheid beschikken.
§ 2. De effectieve leiding van de verzekerings- of her-
verzekeringsonderneming moet worden toevertrouwd
aan ten minste twee natuurlijke personen.
Art. 41
Artikel 20 van de wet van 25 april 2014 is van toepas-
sing op de in artikel 40 bedoelde personen.
3° la solidité financière des personnes physiques
ou morales visées à l’article 23, au regard notamment
du type d’activités exercées et envisagées au sein de
l’entreprise d’assurance ou de réassurance;
4° la capacité de l’entreprise d’assurance ou de
réassurance de satisfaire et de continuer à satisfaire
aux obligations prudentielles découlant de la présente
loi, des arrêtés et règlements pris pour son exécution
et des mesures d’exécution de la Directive 2009/138/
CE, en particulier l’existence, au sein du groupe auquel
elle appartiendra, d’une structure qui permet d’exercer
une surveillance effective, d’échanger réellement des
informations entre les autorités de contrôle et de déter-
miner le partage des responsabilités entre les autorités
de contrôle;
5° l’existence de motifs raisonnables de soupçonner
qu’une opération ou une tentative de blanchiment de
capitaux ou de financement du terrorisme est en cours
ou a eu lieu en rapport avec l’acquisition envisagée,
ou que l’acquisition envisagée pourrait en augmenter
le risque.
Section VI
Dirigeants
Art. 40
§ 1er. Les membres de l’organe légal d’administration
et du comité de direction des entreprises d’assurance ou
de réassurance, les personnes chargées de la direction
effective ainsi que les responsables des fonctions de
contrôle indépendantes sont exclusivement des per-
sonnes physiques.
Les personnes visées à l’alinéa 1er doivent dispo-
ser en permanence de l’honorabilité professionnelle
nécessaire et de l’expertise adéquate à l’exercice de
leur fonction.
§ 2. La direction effective des entreprises d’assu-
rance ou de réassurance doit être confiée à deux per-
sonnes physiques au moins.
Art. 41
L’article 20 de la loi du 25 avril 2014 est applicable
aux personnes visées à l’article 40.
800
1584/002
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
Afdeling VII
Organisatie
Onderafdeling I
Algemene beginselen
Art. 42
§ 1. Om een doeltreffend en voorzichtig beleid te
garanderen, beschikt iedere verzekerings- of herver-
zekeringsonderneming over een passend governan-
cesysteem, waaronder toezichtsmaatregelen, dat met
name berust op:
1° een passende beleidsstructuur die op het hoog-
ste niveau gebaseerd is op een duidelijk onderscheid
tussen, enerzijds, de effectieve leiding van de verzeke-
rings- of herverzekeringsonderneming en, anderzijds,
het toezicht op die leiding, en die binnen de onderne-
ming voorziet in een passende functiescheiding en in
een duidelijk omschreven, transparante en coherente
regeling voor de toewijzing van verantwoordelijkheden;
2° een passende administratieve en boekhoudkun-
dige organisatie en interne controle, waaronder met
name controleprocedures die een redelijke mate van
zekerheid verschaffen over de betrouwbaarheid van de
het verslaggevingsproces;
3° doeltreffende procedures voor de identificatie, de
meting, het beheer en de opvolging van en de interne
verslaggeving over de risico’s waaraan de onderneming
blootstaat of zou kunnen blootstaan, met inbegrip van
de voorkoming van belangenconflicten;
4° onafhankelijke controlefuncties, namelijk passende
onafhankelijke sleutelfuncties inzake interne audit, risi-
cobeheer, compliance en actuariaat;
5° een passend integriteitsbeleid;
6° een beloningsbeleid dat een gezond en doeltref-
fend risicobeheer garandeert en dat voorkomt dat de
mate waarin er risico’s worden genomen, het door de
onderneming vastgestelde tolerantieniveau te boven
gaat;
7° voor de activiteiten van de onderneming pas-
sende controle- en beveiligingsmaatregelen op
informaticagebied;
8° een passend intern waarschuwingssysteem dat
met name voorziet in een specifieke onafhankelijke en
Section VII
Organisation
Sous-section Ire
Principes généraux
Art. 42
§ 1er. Toute entreprise d’assurance ou de réassu-
rance dispose d’un système de gouvernance adéquat,
dont des mesures de surveillance, en vue de garantir
une gestion efficace et prudente de l’entreprise, repo-
sant notamment sur:
1° une structure de gestion adéquate basée, au plus
haut niveau, sur une distinction claire entre la direction
effective de l’entreprise d’assurance ou de réassurance
d’une part, et le contrôle sur cette direction d’autre part,
et prévoyant, au sein de l’entreprise, une séparation
adéquate des fonctions et un dispositif d’attribution
des responsabilités qui est bien défini, transparent et
cohérent;
2° une organisation administrative et comptable et un
contrôle interne adéquats, impliquant notamment des
procédures de contrôle procurant un degré de certitude
raisonnable quant à la fiabilité du processus de reporting
de l’information
3° des procédures efficaces d’identification, de
mesure, de gestion, de suivi et de reporting interne
des risques auxquels l’entreprise est ou pourrait être
exposée , y compris la prévention des conflits d’intérêts;
4° des fonctions de contrôle indépendantes, à savoir
des fonctions clés d’audit interne, de gestion des
risques, de vérification de la conformité (compliance)
et actuarielle indépendantes adéquates;
5° une politique d’intégrité adéquate;
6° une politique de rémunération assurant une ges-
tion saine et efficace des risques, prévenant la prise
de risques excédant le niveau de tolérance fixé par
l’entreprise;
7° des mécanismes de contrôle et de sécurité dans
le domaine informatique appropriés aux activités de
l’entreprise;
8° un système adéquat d’alerte interne prévoyant
notamment un mode de transmission spécifique,
801
1584/002
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
autonome melding van inbreuken op de normen en de
gedragscodes van de onderneming;
9° de invoering van passende maatregelen op het
vlak van de bedrijfscontinuïteit om te garanderen dat
de gegevens en de kritieke functies kunnen worden
behouden of zo spoedig mogelijk kunnen worden her-
steld en dat de normale activiteit binnen een redelijke
tijdspanne kan worden hervat;
10° de invoering van passende structuren en syste-
men om te voldoen aan de verzoeken om informatie die
de Bank aan de onderneming richt met toepassing van
de artikelen 201 en 312.
11° de invoering van procedures om een verslechte-
ring van de financiële omstandigheden vast te stellen
en om de Bank onmiddellijk in kennis te stellen wanneer
zo’n verslechtering zich voordoet.
§ 2. Het in paragraaf 1 bedoelde governancesysteem
is uitputtend uitgewerkt en staat in verhouding tot de
aard, de omvang en de complexiteit van de risico’s
die aan het bedrijfsmodel en aan de activiteiten van
de verzekerings- of herverzekeringsonderneming zijn
verbonden.
§ 3. De verzekerings- of herverzekeringsonderne-
ming stelt een governancememorandum op dat voor
de betrokken onderneming en, in voorkomend geval, de
groep of subgroep waarvan zij de uiteindelijke moeder-
onderneming is, het volledige in paragraaf 1 bedoelde
governancesysteem bevat en, in het bijzonder, schrif-
telijk vastgelegde beleidslijnen voor het risicobeheer,
de interne controle, de interne audit en, in voorkomend
geval, de uitbesteding.
Indien de verzekerings- of herverzekeringsonderne-
ming deel uitmaakt van een groep die onder het toezicht
staat van de Bank, mag het memorandum dat op het
niveau van de verzekerings- of herverzekeringsonder-
neming wordt opgesteld, deel uitmaken van het memo-
randum van die groep, onverminderd de maatregelen
tot uitvoering van Richtlijn 2009/138/EG.
§ 4. In de Onderafdelingen II tot IV wordt bepaald
welke de reikwijdte is van de in de paragrafen 1 en 2 be-
doelde algemene verplichtingen in specifieke domeinen.
Art. 43
Indien de verzekerings- of herverzekeringsonder-
neming nauwe banden heeft met andere natuurlijke of
rechtspersonen, of indien de verzekerings- of herver-
zekeringsonderneming deel uitmaakt van een groep,
indépendant et autonome, des infractions aux normes
et aux codes de conduite de l’entreprise;
9° la mise en place de mesures adéquates de conti-
nuité de l’activité afin d’assurer le maintien des données
et des fonctions critiques ou leur rétablissement le plus
rapidement possible ainsi que la reprise dans un délai
raisonnable de l’exercice des activités normales;
10° la mise en place de structures et systèmes appro-
priés en vue de satisfaire aux demandes d’informations
requises par la Banque en application des articles
201 et 312.
11° la mise en place de procédures permettant de
détecter une détérioration des conditions financières
et d’informer immédiatement la Banque lorsque celle-
ci se produit.
§ 2. Le système de gouvernance visé au paragraphe
1er présente un caractère exhaustif et est proportionné
à la nature, à l’ampleur et à la complexité des risques
inhérents au modèle d’entreprise et aux activités de
l’entreprise d’assurance ou de réassurance.
§ 3. L’entreprise d’assurance ou de réassurance
établit un mémorandum de gouvernance qui inclut pour
l’entreprise concernée et, le cas échéant, le groupe
ou sous-groupe dont elle est l’entreprise mère supé-
rieure, l’ensemble du système de gouvernance visé au
paragraphe 1er et, en particulier des politiques écrites
relatives à la gestion des risques, au contrôle interne,
à l’audit interne et, le cas échéant, à la sous-traitance.
Sans préjudice des mesures d’exécution de la
Directive 2009/138/CE, si l’entreprise d’assurance ou de
réassurance fait partie d’un groupe soumis au contrôle
de la Banque, le mémorandum établi au niveau de
l’entreprise d’assurance ou de réassurance peut faire
partie du mémorandum de ce groupe.
§ 4. Les dispositions des Sous-sections II à IV, pré-
cisent, dans des domaines particuliers, la portée des
obligations générales visées aux paragraphes 1er et 2.
Art. 43
S’il existe des liens étroits entre l’entreprise d’assu-
rance ou de réassurance et d’autres personnes phy-
siques ou morales, ou si l’entreprise d’assurance ou
de réassurance fait partie d’un groupe, ces liens ou la
802
1584/002
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
mogen die banden of de juridische structuur van de
groep geen belemmering vormen voor het individueel
prudentieel toezicht op de onderneming of voor het
toezicht op de groep waarvan de onderneming deel
uitmaakt.
Indien de verzekerings- of herverzekeringsonder-
neming nauwe banden heeft met een natuurlijke of
rechtspersoon die onder het recht van een derde land
ressorteert, mogen de voor die persoon geldende wet-
telijke en bestuursrechtelijke bepalingen of de tenuit-
voerlegging ervan geen belemmering vormen voor het
individueel prudentieel toezicht op de onderneming of
voor het toezicht op de groep waarvan de onderneming
deel uitmaakt.
Onderafdeling II
Vennootschapsorganen
Art. 44
Het wettelijk bestuursorgaan draagt de eind-
verantwoordelijkheid voor de verzekerings- of
herverzekeringsonderneming.
Hiertoe bepaalt en controleert het wettelijk bestuurs-
orgaan met name:
1° de strategie en de doelstellingen van de
onderneming;
2° het risicobeleid, met inbegrip van de algemene
risicotolerantielimieten.
Art. 45
§ 1. Iedere verzekerings- of herverzekeringsonder-
neming die is opgericht als naamloze vennootschap
richt een directiecomité op in de zin van artikel 524bis
van het Wetboek van Vennootschappen, waaraan alle
bestuursbevoegdheden van de raad van bestuur wor-
den overgedragen. Deze bevoegdheidsdelegatie kan
evenwel niet slaan op de vaststelling van het algemeen
beleid noch op de handelingen die bij andere bepalingen
van het Wetboek van Vennootschappen of bij deze wet
zijn voorbehouden aan de raad van bestuur.
Behoudens toepassing van artikel 56, § 3, is het di-
rectiecomité samengesteld uit minstens drie personen
die lid zijn van de raad van bestuur.
structure juridique du groupe ne peuvent entraver l’exer-
cice du contrôle prudentiel individuel de l’entreprise ou
du contrôle du groupe dont fait partie l’entreprise.
Si l’entreprise d’assurance ou de réassurance a des
liens étroits avec une personne physique ou morale
relevant du droit d’un pays tiers, les dispositions légis-
latives, réglementaires et administratives applicables
à cette personne ou leur mise en oeuvre ne peuvent
entraver l’exercice du contrôle prudentiel individuel de
l’entreprise ou du contrôle du groupe dont fait partie
l’entreprise.
Sous-section II
Organes sociétaires
Art. 44
L’organe légal d’administration assume la res-
ponsabilité finale de l’entreprise d’assurance ou de
réassurance.
À cette fin, l’organe légal d’administration définit et
supervise, notamment:
1° la stratégie et les objectifs de l’entreprise;
2° la politique en matière de risques, en ce compris
les limites de tolérance générale aux risques.
Art. 45
§ 1er. Les entreprises d’assurance ou de réassu-
rance constituées sous la forme de société anonyme
mettent en place un comité de direction au sens de
l’article 524bis du Code des sociétés auquel est délégué
l’ensemble des pouvoirs de gestion du conseil d’admi-
nistration. Cette délégation ne peut toutefois porter ni
sur la détermination de la politique générale, ni sur les
actes réservés au conseil d’administration par les autres
dispositions du Code des sociétés ou par la présente loi.
Le comité de direction est composé, sauf application
de l’article 56, § 3, d’au moins trois personnes qui sont
membres du conseil d’administration.
803
1584/002
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
§ 2. De meerderheid van de bestuurders van de raad
van bestuur zijn geen lid van het directiecomité.
§ 3. De functie van voorzitter van de raad van be-
stuur mag niet worden uitgeoefend door een lid van het
directiecomité.
§ 4. Het dagelijks bestuur als bedoeld in arti-
kel 525 van het Wetboek van Vennootschappen mag
niet worden opgedragen aan een niet-uitvoerend lid
van de raad van bestuur.
Art. 46
§ 1. De statuten van de verzekerings- of herverze-
keringsondernemingen die anders dan als naamloze
vennootschap zijn opgericht, voorzien in de oprichting,
binnen het wettelijk bestuursorgaan, van een orgaan,
“directiecomité” genaamd, waaraan alle bestuursbe-
voegdheden van het wettelijk bestuursorgaan worden
overgedragen, met uitsluiting van de vaststelling van
het algemeen beleid en van de handelingen die bij het
Wetboek van Vennootschappen of bij deze wet zijn
voorbehouden aan het wettelijk bestuursorgaan.
Behoudens toepassing van artikel 56, § 3 is het di-
rectiecomité samengesteld uit minstens drie personen
die lid zijn van het wettelijk bestuursorgaan.
§ 2. De meerderheid van de leden van het wettelijk
bestuursorgaan zijn geen lid van het in paragraaf 1 be-
doelde directiecomité.
§ 3. De functie van voorzitter van het wettelijk be-
stuursorgaan mag niet worden uitgeoefend door een
lid van het directiecomité.
§ 4. Het dagelijks bestuur mag aan een niet-uitvoe-
rend lid van het wettelijk bestuursorgaan niet worden
opgedragen.
Art. 47
De Bank kan op grond van de omvang en het risico-
profiel van een verzekerings- of herverzekeringsonder-
neming, met name ten opzichte van de groep waarvan
ze deel uitmaakt, toestaan dat geheel of gedeeltelijk
wordt afgeweken van de verplichtingen van de artike-
len 45 en 46.
De afwijking kan met name betrekking hebben op:
§ 2. Le conseil d’administration compte une majorité
d’administrateurs qui ne sont pas membres du comité
de direction.
§ 3. La fonction de président du conseil d’adminis-
tration ne peut être exercée par un membre du comité
de direction.
§ 4. La gestion journalière visée à l’article 525 du
Code des sociétés ne peut être confiée à un membre
non exécutif du conseil d’administration.
Art. 46
§ 1er. Les statuts des entreprises d’assurance ou de
réassurance constituées sous une autre forme que celle
de société anonyme prévoient la constitution, au sein de
l’organe légal d’administration, d’un organe dénommé
“comité de direction”, auquel est délégué l’ensemble des
pouvoirs de gestion de l’organe légal d’administration à
l’exclusion de la détermination de la politique générale,
des actes réservés à l’organe légal d’administration par
le Code des sociétés ou par la présente loi.
Le comité de direction est composé, sauf application
de l’article 56, § 3, d’au moins trois personnes qui sont
membres de l’organe légal d’administration.
§ 2. L’organe légal d’administration compte une majo-
rité de membres qui ne sont pas membres du comité
de direction visé au paragraphe 1er.
§ 3. La fonction de président de l’organe légal
d’administration ne peut être exercée par un membre
du comité de direction.
§ 4. La gestion journalière ne peut être confiée à un
membre non exécutif de l’organe légal d’administration.
Art. 47
La Banque peut, en fonction de la taille et du profil
de risques d’une entreprise d’assurance ou de réas-
surance, notamment au regard du groupe dont elle fait
partie, autoriser celle-ci à déroger, en tout ou en partie,
aux obligations prévues par les articles 45 et 46.
La dérogation peut notamment porter:
804
1584/002
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
1° de verplichting om een directiecomité op te rich-
ten, onverminderd de naleving van artikel 40, § 2; in dit
geval worden de verplichtingen die door of krachtens
deze wet zijn opgelegd aan het directiecomité en zijn
leden, uitgevoerd door de personen die belast zijn met
de effectieve leiding;
2° het combineren van de functies van lid van
het directiecomité en voorzitter van het wettelijk
bestuursorgaan.
Onderafdeling III
Oprichting van comités binnen het wettelijk
bestuursorgaan
Art. 48
Onverminderd de taken van het wettelijk bestuursor-
gaan richt iedere verzekerings- of herverzekeringson-
derneming binnen dit orgaan de volgende comités op:
1° een auditcomité;
2° een remuneratiecomité;
3° een risicocomité,
die uitsluitend zijn samengesteld uit leden van het
wettelijk bestuursorgaan die er geen uitvoerend lid
van zijn en waarvan minstens één lid onafhankelijk
is in de zin van artikel 526ter van het Wetboek van
Vennootschappen.
Art. 49
§ 1. Naast de vereisten van artikel 48 beschikken de
leden van het auditcomité over een collectieve deskun-
digheid op het gebied van de activiteiten van de betrok-
ken verzekerings- of herverzekeringsonderneming en
op het gebied van boekhouding en audit. Minstens één
lid van het auditcomité beschikt over deskundigheid op
het gebied van boekhouding en/of audit.
§ 2. Het auditcomité heeft minstens de volgende
taken:
1° monitoring van het financiële verslaggevingsproces;
2° monitoring van de doeltreffendheid van de sys-
temen voor interne controle en risicobeheer van de
verzekerings- of herverzekeringsonderneming;
1° sur l’obligation de constituer un comité de direction,
sans préjudice du respect de l’article 40, § 2; dans ce
cas, les obligations incombant, par ou en vertu de la
présente loi, au comité de direction et à ses membres
sont assumées par les personnes chargées de la direc-
tion effective;
2° sur un cumul des fonctions de membre du
comité de direction et de président de l’organe légal
d’administration.
Sous-section III
Mise en place de comités au sein de l’organe légal
d’administration
Art. 48
Sans préjudice des missions de l’organe légal
d’administration, les entreprises d’assurance ou de
réassurance constituent, au sein de cet organe, les
comités suivants:
1° un comité d’audit;
2° un comité de rémunération;
3° un comité des risques,
exclusivement composés de membres de l’organe
légal d’administration qui n’en sont pas membres
exécutifs et dont au moins un membre est indépendant
au sens de l’article 526ter du Code des sociétés.
Art. 49
§ 1er. Outre les exigences prévues à l’article 48,
les membres du comité d’audit disposent d’une com-
pétence collective dans le domaine d’activités de
l’entreprise d’assurance ou de réassurance concernée
et en matière de comptabilité et d’audit. Au moins un
membre du comité d’audit est compétent en matière de
comptabilité et/ou d’audit.
§ 2. Le comité d’audit est au moins chargé des mis-
sions suivantes:
1° le suivi du processus d’élaboration de l’information
financière;
2° le suivi de l’efficacité des systèmes de contrôle
interne et de gestion des risques de l’entreprise
d’assurance ou de réassurance;
805
1584/002
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
3° monitoring van de interne audit en van de desbe-
treffende activiteiten;
4° monitoring van de wettelijke controle van de jaar-
rekening en de geconsolideerde jaarrekening, met inbe-
grip van de opvolging van de vragen en aanbevelingen
geformuleerd door de erkend commissaris;
5° beoordeling en monitoring van de onafhankelijk-
heid van de erkend commissaris, waarbij inzonderheid
wordt gelet op de verlening van bijkomende diensten
aan de verzekerings- of herverzekeringsonderneming
of aan een persoon waarmee zij een nauwe band heeft.
Het auditcomité brengt bij het wettelijk bestuursor-
gaan geregeld verslag uit over de uitoefening van zijn
taken, ten minste wanneer het wettelijk bestuursorgaan
de in artikel 199, tweede lid en artikel 201 bedoelde
jaarrekening en geconsolideerde jaarrekening en
periodieke informatie opstelt die de verzekerings- of
herverzekeringsonderneming respectievelijk aan het
einde van het boekjaar en aan het einde van het eerste
halfjaar overmaakt.
De Bank kan, bij reglement vastgesteld overeenkom-
stig artikel 12bis, § 2 van de wet van 22 februari 1998,
de elementen in de in deze paragraaf opgenomen lijst
op technische punten preciseren en aanvullen.
§ 3. De erkend commissaris:
1° meldt aan het auditcomité jaarlijks alle bijkomende
diensten die voor de verzekerings- of herverzekerings-
onderneming en voor de vennootschappen waarmee
de verzekerings- of herverzekeringsonderneming een
nauwe band heeft, werden verricht;
2° voert met het auditcomité overleg over de bedrei-
gingen voor zijn onafhankelijkheid en de veiligheids-
maatregelen die zijn genomen om deze bedreigingen
in te perken, zoals door hem onderbouwd;
3° bevestigt zijn onafhankelijkheid van de verzeke-
rings- of herverzekeringsonderneming jaarlijks schrifte-
lijk aan het auditcomité.
Art. 50
§ 1. Het remuneratiecomité is zodanig samengesteld
dat het een kundig en onafhankelijk oordeel kan geven
over het beloningsbeleid en de beloningspraktijken en de
prikkels die daarvan uitgaan voor de risicobeheersing,
de eigenvermogensbehoeften en de liquiditeitspositie.
3° le suivi de l’audit interne et de ses activités;
4° le suivi du contrôle légal des comptes annuels
et des comptes consolidés, en ce compris le suivi des
questions et recommandations formulées par le com-
missaire agréé;
5° l’examen et suivi de l’indépendance du com-
missaire agréé, en particulier pour ce qui concerne la
fourniture de services complémentaires à l’entreprise
d’assurance ou de réassurance ou à une personne avec
laquelle elle a un lien étroit.
Le comité d’audit fait régulièrement rapport à l’organe
légal d’administration sur l’exercice de ses missions, au
moins lors de l’établissement par celui-ci des comptes
annuels et consolidés et des informations périodiques
visées aux articles 199, alinéa 2 et 201 respectivement
transmis par l’entreprise d’assurance ou de réassur-
ance à la fin de l’exercice social et à la fin du premier
semestre social.
La Banque peut, par voie de règlement pris conformé-
ment à l’article 12bis, § 2, de la loi du 22 février 1998,
préciser et compléter sur des points d’ordre technique
les éléments énumérés dans la liste reprise au présent
paragraphe.
§ 3. Le commissaire agréé:
1° communique chaque année au comité d’audit les
services additionnels fournis à l’entreprise d’assurance
ou de réassurance et aux sociétés avec lesquelles
l’entreprise d’assurance ou de réassurance a un lien
étroit;
2° examine avec le comité d’audit les risques pesant
sur son indépendance et les mesures de sauvegarde
prises pour atténuer ces risques, consignés par lui;
3° confirme chaque année par écrit son indépen-
dance au comité d’audit par rapport à l’entreprise
d’assurance ou de réassurance.
Art. 50
§ 1er. Le comité de rémunération est composé de
manière à lui permettre d’exercer un jugement compé-
tent et indépendant sur les politiques et les pratiques
de rémunération et sur les incitants créés au regard de
la maîtrise des risques, des besoins en fonds propres
et de la position de liquidité.
806
1584/002
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
§ 2. Het remuneratiecomité verstrekt een advies over
het beloningsbeleid dat door het wettelijk bestuurs-
orgaan moet worden vastgesteld en over elke daarin
aangebrachte wijziging.
§ 3. Het remuneratiecomité is belast met het voor-
bereiden van beslissingen over beloning, met name
beslissingen die gevolgen hebben voor de risico’s en
het risicobeheer van de betrokken verzekerings- of her-
verzekeringsonderneming en waarover het wettelijk be-
stuursorgaan zich moet uitspreken. Bij de voorbereiding
van dergelijke beslissingen houdt het remuneratiecomité
rekening met de langetermijnbelangen van aandeelhou-
ders, investeerders en andere belanghebbenden van de
verzekerings- of herverzekeringsonderneming, alsook
met het algemeen belang.
Het eerste lid is eveneens van toepassing op beslis-
singen over de beloning van de personen die verant-
woordelijk zijn voor de onafhankelijke controlefuncties.
Bovendien oefent het remuneratiecomité rechtstreeks
toezicht uit op de beloning van de verantwoordelijken
voor de onafhankelijke controlefuncties.
Art. 51
De leden van het risicocomité bezitten individueel
de nodige kennis, deskundigheid, ervaring en vaar-
digheden om de strategie en de risicotolerantie van
de verzekerings- of herverzekeringsonderneming te
begrijpen en te bevatten.
Het risicocomité verstrekt advies aan het wettelijk be-
stuursorgaan over de huidige en toekomstige strategie
en risicotolerantie. Het staat het wettelijk bestuursor-
gaan bij in de uitoefening van het toezicht op de tenuit-
voerlegging van deze strategie door het directiecomité.
Art. 52
§ 1. Een verzekerings- of herverzekeringsonderne-
ming die op geconsolideerde basis voldoet aan ten
minste twee van de volgende drie criteria:
a) gemiddeld aantal werknemers gedurende het be-
trokken boekjaar van minder dan 250 personen,
b) balanstotaal van minder dan of gelijk aan
43 000 000 euro,
§ 2. Le comité de rémunération émet un avis sur la
politique de rémunération à adopter par l’organe légal
d’administration ainsi que sur toute modification qui y
est apportée.
§ 3. Le comité de rémunération est chargé de prépa-
rer les décisions concernant les rémunérations, notam-
ment celles qui ont des répercussions sur le risque et la
gestion des risques dans l’entreprise d’assurance ou de
réassurance concernée et sur lesquelles l’organe légal
d’administration est appelé à se prononcer. Lors de la
préparation de ces décisions, le comité de rémunération
tient compte des intérêts à long terme des actionnaires,
des investisseurs et des autres parties prenantes de
l’entreprise d’assurance ou de réassurance ainsi que
de l’intérêt public.
L’alinéa 1er est également d’application pour les
décisions concernant les rémunérations des personnes
en charge des fonctions de contrôle indépendantes. Le
comité de rémunération assure, en outre, une super-
vision directe en ce qui concerne les rémunérations
allouées aux responsables des fonctions de contrôle
indépendantes.
Art. 51
Les membres du comité des risques disposent indi-
viduellement des connaissances, des compétences,
de l’expérience et des aptitudes nécessaires pour leur
permettre de comprendre et d’appréhender la straté-
gie et le niveau de tolérance au risque de l’entreprise
d’assurance ou de réassurance.
Le comité des risques conseille l’organe légal d’admi-
nistration pour les aspects concernant la stratégie et le
niveau de tolérance en matière de risques, tant actuels
que futurs. Il assiste l’organe légal d’administration
lorsque celui-ci supervise la mise en œuvre de cette
stratégie par le comité de direction.
Art. 52
§ 1er. Dans les entreprises d’assurance ou de réassu-
rance répondant sur base consolidée à au moins deux
des trois critères suivants:
a) un nombre moyen de salariés inférieur à 250 per-
sonnes sur l’ensemble de l’exercice concerné,
b) un total du bilan inférieur ou égal à 43 000 000 euros,
807
1584/002
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
c) jaarlijkse netto-omzet van minder dan of gelijk aan
50 000 000 euro,
is niet verplicht de in artikel 48 bedoelde comités op
te richten binnen haar wettelijk bestuursorgaan maar in
dat geval moeten de aan die comités toegewezen taken
worden uitgevoerd door het wettelijk bestuursorgaan als
geheel. Wanneer de voorzitter van dit orgaan ingevolge
een met toepassing van artikel 47 toegestane afwijking,
een uitvoerend lid is, neemt hij het voorzitterschap van
het wettelijk bestuursorgaan niet waar als dit optreedt in
de hoedanigheid van één van de in artikel 48 bedoelde
comités.
§ 2. De Bank kan aan ondernemingen die niet vol-
doen aan de voorwaarde van paragraaf 1 maar die zo
georganiseerd zijn dat het wettelijk bestuursorgaan en
het directiecomité voldoende ondersteund worden bij
hun respectieve taken inzake beloningsbeleid als be-
doeld in de artikelen 77, § 5 en 80, § 3, een vrijstelling
verlenen van de verplichting om binnen het wettelijk
bestuursorgaan een remuneratiecomité op te richten.
§ 3. De Bank kan toestaan dat een verzekerings- of
herverzekeringsonderneming die een dochteronder-
neming of een kleindochteronderneming is van een
gemengde financiële holding, van een gemengde ver-
zekeringsholding, van een verzekeringsholding, van een
financiële holding, van een andere verzekerings- of her-
verzekeringsonderneming, van een kredietinstelling, van
een beleggingsonderneming, van een AICB-beheerder
of van een beheervennootschap van instellingen voor
collectieve belegging, afwijkt van de bepalingen van
deze Onderafdeling en kan specifieke voorwaarden
vastleggen voor het verlenen van deze afwijkingen, voor
zover er binnen de betrokken groepen of subgroepen
één of meer comités zijn opgericht in de zin van de
artikelen 49 tot 51, die bevoegd zijn voor de verzeke-
rings- of herverzekeringsonderneming en voldoen aan
de vereisten van deze wet.
§ 4. Onverminderd de artikelen 49, § 1 en 51, eerste
lid, kunnen de verzekerings- of herverzekeringsonder-
nemingen bepalen dat één enkel comité instaat voor de
taken van het risicocomité en het auditcomité.
Art. 53
De bepalingen van deze Onderafdeling doen geen
afbreuk aan de bepalingen van het Wetboek van
Vennootschappen over het auditcomité en het remune-
ratiecomité in genoteerde vennootschappen in de zin
van artikel 4 van dat Wetboek.
c) un chiffre d’affaires net annuel inférieur ou égal à
50 000 000 euros,
la constitution des comités visés à l’article 48 au sein
de l’organe légal d’administration n’est pas obligatoire,
mais les fonctions attribuées à ces comités sont alors
exercées par l’organe légal d’administration dans son
ensemble. Lorsque, suite à une dérogation accordée
en application de l’article 47, le président de cet organe
est un membre exécutif, il ne préside pas l’organe légal
d’administration lorsque celui-ci agit en qualité d’un des
comités visés à l’article 48.
§ 2. La Banque peut octroyer une dérogation à l’obli-
gation d’établir un comité de rémunération au sein de
l’organe légal d’administration aux entreprises qui ne
répondent pas à la condition visée au paragraphe 1er
mais dont l’organisation permet un support adéquat de
l’organe légal d’administration et du comité de direction
dans leurs tâches respectives en matière de politique
de rémunération telles que visées aux articles 77, § 5 et
80, § 3.
§ 3. La Banque peut, à l’égard des entreprises
d’assurance ou de réassurance qui sont filiales ou
sous-filiales d’une compagnie financière mixte, d’une
société holding mixte d’assurance, d’une société hol-
ding d’assurance, d’une compagnie financière, d’une
autre entreprise d’assurance ou de réassurance, d’un
établissement de crédit, d’une entreprise d’investisse-
ment, d’un gestionnaire d’OPCA ou d’une société de
gestion d’organismes de placement collectif, accorder
des dérogations aux dispositions de la présente Sous-
section et fixer des conditions spécifiques à l’octroi de
ces dérogations, pour autant qu’aient été constitués
au sein des groupes ou sous-groupes concernés un
ou plusieurs comités au sens des articles 49 à 51 dont
les attributions s’étendent à l’entreprise d’assurance
ou de réassurance et répondent aux exigences de la
présente loi.
§ 4. Sans préjudice des articles 49, § 1er et 51, ali-
néa 1er, les entreprises d’assurance ou de réassurance
peuvent prévoir qu’un seul comité assure les missions
dévolues au comité des risques et au comité d’audit.
Art. 53
Les dispositions de la présente Sous-section sont
sans préjudice des dispositions du Code des sociétés
relatives au comité d’audit et au comité de rémunération
au sein de sociétés cotées au sens de l’article 4 de ce
Code.
808
1584/002
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
Onderafdeling IV
Onafhankelijke controlefuncties
Art. 54
§ 1. Iedere verzekerings- of herverzekeringsonder-
neming neemt de nodige maatregelen om blijvend te
beschikken over de volgende passende onafhankelijke
controlefuncties:
1° een compliancefunctie;
2° een risicobeheerfunctie;
3° een interneauditfunctie;
4° een actuariële functie.
De personen die de in het eerste lid bedoelde functies
uitoefenen zijn onafhankelijk van de bedrijfseenheden
en operationele functies van de onderneming en be-
schikken over de nodige bevoegdheden en middelen
om hun functie naar behoren te kunnen uitoefenen. De
beloning van deze personen wordt vastgesteld volgens
de verwezenlijking van de doelstellingen waar hun func-
tie op gericht is, onafhankelijk van de resultaten van de
activiteiten waarop toezicht wordt gehouden.
De personen die verantwoordelijk zijn voor de in
het eerste lid bedoelde functies rapporteren minstens
eenmaal per jaar rechtstreeks aan het wettelijk bestuurs-
orgaan over de uitvoering van hun taak, en lichten het
directiecomité in; voor de interneauditfunctie kan dit in
voorkomend geval via het auditcomité gebeuren.
§ 2. Bij zijn beoordeling van het passende karakter
van de in paragraaf 1 bedoelde functies houdt de Bank
rekening met de bepalingen van artikel 42, § 2.
Art. 55
§ 1. De compliancefunctie moet ervoor zorgen dat de
onderneming, de leden van haar wettelijk bestuursor-
gaan, de leden van haar directiecomité, haar effectieve
leiding, werknemers, gevolmachtigden en verzeke-
rings- of herverzekeringsagenten en -subagenten, de
wettelijke en reglementaire bepalingen die de verzeke-
rings- of herverzekeringsactiviteit regelen, inzonderheid
de regels inzake integriteit en gedrag die van toepassing
zijn op die activiteit, naleven.
Sous-section IV
Fonctions de contrôle indépendantes
Art. 54
§ 1er. Les entreprises d’assurance ou de réassurance
prennent les mesures nécessaires pour disposer en
permanence des fonctions de contrôle indépendantes
adéquates suivantes:
1° une fonction de vérification de la conformité
(compliance);
2° une fonction de gestion des risques;
3° une fonction d’audit interne;
4° une fonction actuarielle.
Les personnes qui assurent l’exercice des fonctions
visées à l’alinéa 1er sont indépendantes des unités et
fonctions opérationnelles de l’entreprise et disposent
des prérogatives et ressources nécessaires au bon
accomplissement de leurs fonctions. La rémunération
de ces personnes est fixée en fonction de la réalisation
des objectifs liés à leurs fonctions, indépendamment
des performances des domaines d’activités contrôlés.
Les personnes responsables des fonctions visées
à l’alinéa 1er font directement rapport à l’organe lé-
gal d’administration au moins une fois par an, sur
l’exécution de leur mission, avec information du comité
de direction et, pour la fonction d’audit interne le cas
échéant via le comité d’audit.
§ 2. Dans son évaluation du caractère adéquat des
fonctions visées au paragraphe 1er, la Banque tient
compte des dispositions de l’article 42, § 2.
Art. 55
§ 1er. La fonction de vérification de la conformité
(compliance) est destinée à assurer le respect,
par l’entreprise, les membres de son organe légal
d’administration, les membres de son comité de direc-
tion, ses dirigeants effectifs, ses salariés, ses man-
dataires et agents et sous-agents d’assurance ou de
réassurance, des dispositions légales et réglementaires
régissant l’activité d’assurance ou de réassurance,
en particulier les règles d’intégrité et de conduite qui
s’appliquent à cette activité.
809
1584/002
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
De compliancefunctie beoordeelt ook de moge-
lijke gevolgen van wijzigingen in het rechtskader
voor de activiteiten van de verzekerings- of herver-
zekeringsonderneming en identificeert en beoordeelt
compliancerisico’s.
Het eerste lid doet geen afbreuk aan de bepalingen
van artikel 87bis van de wet van 2 augustus 2002.
§ 2. Naast de in artikel 54, § 1, derde lid bedoelde
rapportering, licht de persoon die verantwoordelijk is
voor de compliancefunctie het wettelijk bestuursorgaan
en het directiecomité regelmatig in over de naleving van
de in paragraaf 1 bedoelde wettelijke en reglementaire
bepalingen en richt deze persoon daarover aanbeve-
lingen aan deze organen.
Art. 56
§ 1. De risicobeheerfunctie wordt zo opgezet dat
het in het tweede lid bedoelde risicobeheersysteem ten
uitvoer kan worden gelegd.
Het risicobeheersysteem bestaat uit strategieën, pro-
cessen en rapporteringsprocedures die nodig zijn om op
individueel en geaggregeerd niveau de risico’s waaraan
de onderneming blootstaat of zou kunnen blootstaan,
alsook de onderlinge afhankelijkheid tussen die risico’s
voortdurend te onderkennen, te meten, te bewaken, te
beheren en te rapporteren.
§ 2. Het risicobeheersysteem is doeltreffend en goed
geïntegreerd in de organisatiestructuur en de besluitvor-
mingsprocedures van de verzekerings- of herverzeke-
ringsonderneming en wordt op passende wijze in acht
genomen door de personen die de onderneming daad-
werkelijk besturen of andere sleutelfuncties vervullen.
Meer in het bijzonder zijn de personen die belast zijn
met de risicobeheerfunctie actief betrokken bij de uitstip-
peling van de risicostrategie van de onderneming en
bij alle beleidsbeslissingen die een significante invloed
hebben op de risico’s en kunnen zij een volledig beeld
geven van het hele scala van risico’s die de onderne-
ming loopt.
§ 3. Het hoofd van de risicobeheerfunctie is een lid
van het directiecomité waarvan de risicobeheerfunctie
de enige functie is waarvoor hij individueel verantwoor-
delijk is.
In afwijking van het eerste lid,
La fonction de vérification de la conformité comprend
également l’évaluation de l’impact possible de tout
changement de l’environnement juridique sur les ac-
tivités de l’entreprise d’assurance ou de réassurance,
ainsi que l’identification et l’évaluation du risque de
non-conformité.
L’alinéa 1er ne porte pas préjudice aux dispositions
de l’article 87bis de la loi du 2 août 2002.
§ 2. Outre la communication visée à l’article 54,
§ 1er, alinéa 3, la personne responsable de la fonction
de vérification de la conformité (compliance) informe
régulièrement et émet des recommandations à l’organe
légal d’administration et au comité de direction sur le
respect des dispositions légales et réglementaires vi-
sées au paragraphe 1er.
Art. 56
§ 1er. La fonction de gestion des risques est struc-
turée de manière à permettre la mise en œuvre du
système de gestion des risques visé à l’alinéa 2.
Le système de gestion des risques comprend les
stratégies, processus et procédures d’information
nécessaires pour déceler, mesurer, contrôler, gérer
et déclarer, en permanence, les risques, aux niveaux
individuel et agrégé, auxquels l’entreprise est ou pour-
rait être exposée ainsi que les interdépendances entre
ces risques.
§ 2. Le système de gestion des risques est efficace
et correctement intégré à la structure organisationnelle
et aux procédures de prise de décision de l’entreprise
d’assurance ou de réassurance et dûment pris en
compte par les personnes qui dirigent effectivement
l’entreprise ou qui occupent d’autres fonctions clés.
En particulier, les personnes qui assurent la fonc-
tion de gestion des risques participent activement à
l’élaboration de la stratégie en matière de risque de
l’entreprise ainsi qu’à toutes les décisions de gestion
ayant une incidence significative en matière de risque
et peuvent fournir une vue complète de toute la gamme
des risques auxquels est exposée l’entreprise.
§ 3. La fonction de gestion des risques est dirigée par
un membre du comité de direction dont c’est la seule
fonction particulière pour laquelle il est individuellement
responsable.
Par dérogation à l’alinéa 1er,
810
1584/002
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
1° op grond van de aard, de omvang en de complexi-
teit van de risico’s die inherent zijn aan de activiteiten
van de verzekerings- of herverzekeringsonderneming,
en rekening houdend met een passende organisatie
van de risicobeheerfunctie op het niveau van de groep
waarvan de onderneming deel uitmaakt, kan de Bank
toestaan dat een lid van het hoger kaderpersoneel bin-
nen de onderneming de risicobeheerfunctie vervult, mits
er in hoofde van deze persoon geen belangenconflict
bestaat;
2° mag het lid van het directiecomité dat verantwoor-
delijk is voor de risicobeheerfunctie, ook de verantwoor-
delijkheid op zich nemen voor de compliancefunctie
evenals voor de taken van de actuariële functie die
geen risico’s kunnen opleveren, op voorwaarde dat
de drie onafhankelijke controlefuncties los van elkaar
worden uitgeoefend en dat dit geen belangenconflicten
doet rijzen.
Voor verzekerings- herverzekeringsondernemingen
met een balanstotaal van meer dan 3 miljard euro, dient
voor de toepassing van het tweede lid, 2°, de vooraf-
gaande toestemming van de Bank te worden gevraagd.
Art. 57
Naast de rapportering bedoeld in de artikelen 54,
§ 1, derde lid en 55, § 2, lichten de personen die ver-
antwoordelijk zijn voor de risicobeheerfunctie en de
compliancefunctie, zonder dit aan het directiecomité
te moeten voorleggen, uit eigen beweging het wettelijk
bestuursorgaan in over hun bezorgdheid en waar-
schuwen zij het in voorkomend geval indien specifieke
risico-ontwikkelingen een negatieve invloed op de on-
derneming hebben of zouden kunnen hebben, met name
haar reputatie zouden kunnen schaden.
Het eerste lid doet geen afbreuk aan de verant-
woordelijkheden die voor het wettelijk bestuursorgaan
voortvloeien uit deze wet en de Europese regelgeving.
Art. 58
§ 1. De interneauditfunctie bezorgt aan het wettelijk
bestuursorgaan en aan het directiecomité een onafhan-
kelijke beoordeling van de kwaliteit en de doeltreffend-
heid van de interne controle, het risicobeheer en het
governancesysteem van de onderneming.
Iedere verzekerings- of herverzekeringsonderne-
ming waarborgt in een auditcharter ten minste dat de
interneauditfunctie onafhankelijk is en dat haar taken
1° eu égard à la nature, à l’ampleur et à la complexité
des risques inhérents à l’activité de l’entreprise d’assu-
rance ou de réassurance, et compte tenu du caractère
approprié de l’organisation de la fonction de gestion des
risques au niveau du groupe dont fait partie l’entreprise
concernée, la Banque peut autoriser qu’un membre du
personnel de l’entreprise faisant partie de l’encadrement
supérieur assume la fonction de gestion des risques
à condition qu’il n’existe dans son chef aucun conflit
d’intérêts;
2° le membre du comité de direction responsable de
la fonction de gestion des risques peut assurer égale-
ment la responsabilité de la fonction de vérification de
la conformité (compliance) ainsi que la responsabilité
des tâches de la fonction actuarielle qui ne sont pas
génératrices de risques, à la condition que l’exercice
des trois fonctions de contrôle indépendantes demeure
assuré distinctement et ne soit pas générateur de
conflits d’intérêts.
Dans les entreprises d’assurance ou de réassurance
qui présentent un total de bilan supérieur à 3 milliards
d’euros, le bénéfice de l’alinéa 2, 2°, est subordonné à
l’autorisation préalable de la Banque.
Art. 57
Outre la communication visée aux articles 54, § 1er,
alinéa 3 et 55, § 2, les personnes responsables des
fonctions de gestion des risques et de vérification de la
conformité (compliance) font part d’initiative à l’organe
légal d’administration, sans devoir en référer au comité
de direction, de préoccupations et l’avertissent, le cas
échéant, en cas d’évolution des risques affectant ou
susceptible d’affecter l’entreprise, notamment de porter
atteinte à sa réputation.
L’alinéa 1er ne porte pas préjudice aux responsabi-
lités de l’organe légal d’administration en vertu de la
présente loi et de la réglementation européenne.
Art. 58
§ 1er. La fonction d’audit interne a pour objet de
fournir à l’organe légal d’administration et au comité
de direction une évaluation indépendante de la qualité
et de l’efficience du contrôle interne, de la gestion des
risques et du système de gouvernance de l’entreprise.
Les entreprises d’assurance ou de réassurance
garantissent dans une charte d’audit, au minimum, l’in-
dépendance de la fonction d’audit interne et l’étendue
811
1584/002
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
betrekking hebben op alle activiteiten en entiteiten van
de onderneming, ook in geval van uitbesteding.
§ 2. De persoon die verantwoordelijk is voor de
interneauditfunctie deelt zijn bevindingen en aanbe-
velingen mee aan het wettelijk bestuursorgaan en aan
het directiecomité.
Art. 59
§ 1. De actuariële functie heeft de volgende taken:
1° coördineren van de berekening van de technische
voorzieningen;
2° ervoor zorgen dat de methodologieën, onderlig-
gende modellen en hypothesen die gehanteerd worden
voor de berekening van de technische voorzieningen,
adequaat zijn;
3° beoordelen van de toereikendheid en de kwaliteit
van de gegevens die gebruikt worden bij de berekening
van de technische voorzieningen;
4° toetsen van de beste schattingen aan de ervaring;
5° informatie verstrekken aan het wettelijk bestuursor-
gaan en aan het directiecomité over de betrouwbaarheid
en geschiktheid van de berekening van de technische
voorzieningen;
6° toezien op de berekening van de technische
voorzieningen in de gevallen bedoeld in artikel 137,
tweede lid;
7° advies uitbrengen over het algemeen
onderschrijvingsbeleid;
8° advies uitbrengen over de geschiktheid van de
herverzekeringsregelingen;
9° ertoe bijdragen dat het in artikel 84 bedoelde
risicobeheersysteem doeltreffend wordt toegepast, in
het bijzonder wat betreft de risicomodellering die ten
grondslag ligt aan de berekening van de kapitaalvereis-
ten als bedoeld in de artikelen 74 en 75, en wat betreft
de in artikel 91 bedoelde beoordeling;
10° advies uitbrengen over het winstdelings- en res-
tornobeleid evenals over de naleving van de regelgeving
ter zake.
§ 2. De actuariële functie wordt uitgeoefend door
personen die kennis hebben van actuariële en financiële
de ses missions à toute activité et entité de l’entreprise,
y compris en cas de sous-traitance.
§ 2. La personne responsable de la fonction d’audit
interne communique ses conclusions et recommanda-
tions à l’organe légal d’administration et au comité de
direction.
Art. 59
§ 1er. La fonction actuarielle a pour tâche de:
1° coordonner le calcul des provisions techniques;
2° garantir le caractère approprié des méthodologies,
des modèles sous- jacents et des hypothèses utilisés
pour le calcul des provisions techniques;
3° apprécier la suffisance et la qualité des données
utilisées dans le calcul des provisions techniques;
4° comparer les meilleures estimations aux observa-
tions empiriques;
5° informer l’organe légal d’administration et le comité
de direction de la fiabilité et du caractère adéquat du
calcul des provisions techniques;
6° superviser le calcul des provisions techniques
dans les cas visés à l’article 137, alinéa 2;
7° émettre un avis sur la politique globale de
souscription;
8° émettre un avis sur l’adéquation des dispositions
prises en matière de réassurance;
9° contribuer à la mise en œuvre effective du système
de gestion des risques visé à l’article 84, en particulier
pour ce qui concerne la modélisation des risques sous-
tendant le calcul des exigences de capital prévu aux
articles 74 et 75, et pour ce qui concerne l’évaluation
visée à l’article 91;
10° émettre un avis sur la politique de participations
bénéficiaires et de ristournes ainsi que sur le respect
de la réglementation en la matière.
§ 2. La fonction actuarielle est exercée par des per-
sonnes qui ont une connaissance des mathématiques
812
1584/002
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
wiskunde die in verhouding staat tot de aard, de omvang
en de complexiteit van de risico’s die aan de activiteiten
van de verzekerings- of herverzekeringsonderneming
zijn verbonden, en die kunnen aantonen dat zij over
relevante ervaring met de toepasselijke beroeps- en
andere normen beschikken.
Art. 60
Onverminderd de bepalingen van de artikelen 48 tot
59 kan de Bank, bij reglement vastgesteld met
toepassing van artikel 12bis, § 2 van de wet van
22 februari 1998, nader bepalen wat moet worden
verstaan onder een passende beleidsstructuur, een
passende interne controle, een passende onafhanke-
lijke risicobeheerfunctie, een passende onafhankelijke
interneauditfunctie, een passende actuariële functie, en,
op advies van de FSMA, een passende onafhankelijke
compliancefunctie, en nadere regels vaststellen over-
eenkomstig de Europese regelgeving.
Afdeling VII
Hoofdbestuur
Art. 61
Het hoofdbestuur van een verzekerings- of herverze-
keringsonderneming is in België gevestigd.
Afdeling IX
Bescherming van de schuldeisers uit hoofde van
verzekering
Art. 62
De verzekeringsondernemingen sluiten zich aan bij
een regeling voor de bescherming van levensverzekerin-
gen die door hen gefinancierd wordt en die bij in gebreke
blijven garandeert dat de schuldeisers uit hoofde van
verzekering met betrekking tot levensverzekeringsover-
eenkomsten met gewaarborgd rendement die vallen
onder tak 21 als vermeld in Bijlage II of met betrekking
tot alle andere categorieën van overeenkomsten die
vallen onder een dergelijke, door of krachtens de wet
ingestelde regeling, schadeloos worden gesteld onder
de voorwaarden van deze regelingen.
actuarielles et financières à la mesure de la nature, de
l’ampleur et de la complexité des risques inhérents à
l’activité de l’entreprise d’assurance ou de réassurance
et qui peuvent démontrer une expérience pertinente à la
lumière des normes professionnelles et autres normes
applicables.
Art. 60
La Banque peut, sans préjudice des dispositions
des articles 48 à 59, préciser, par voie de règlement
pris en application de l’article 12bis, § 2 de la loi du
22 février 1998, ce qu’il y a lieu d’entendre par structure
de gestion adéquate, contrôle interne adéquat, fonction
de gestion des risques indépendante adéquate, fonc-
tion d’audit interne indépendante adéquate, fonction
actuarielle adéquate et, sur avis de la FSMA, fonction
de vérification de la conformité (compliance) indépen-
dante adéquate, et élaborer des règles plus précises
conformément à la réglementation européenne.
Section VII
Administration centrale
Art. 61
L’administration centrale des entreprises d’assurance
ou de réassurance est située en Belgique.
Section IX
Protection des créanciers d’assurance
Art. 62
Les entreprises d’assurance adhèrent à un système
de protection des assurances sur la vie financé par
elles et visant à assurer, en cas de défaillance, une
indemnisation des créanciers d’assurance en ce qui
concerne les contrats d’assurance sur la vie avec ren-
dement garanti relevant de la branche 21 mentionnée à
l’Annexe II ou toute autre catégorie de contrats couverts
par un tel système mis en place par ou vertu de la loi, et
ce aux conditions déterminées par les règles régissant
ces systèmes.
813
1584/002
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
TITEL II
Bedrijfsuitoefeningsvoorwaarden
HOOFDSTUK I
Algemene bepalingen
Art. 63
Iedere verzekerings- of herverzekeringsonderne-
ming moet blijvend voldoen aan de door of krachtens
Hoofdstuk II van Titel I van dit Boek vastgelegde
voorwaarden.
HOOFDSTUK II
Wijzigingen in de kapitaalstructuur
Art. 64
Onverminderd de wet van 2 mei 2007 op de open-
baarmaking van belangrijke deelnemingen, moet iedere
alleen of in onderling overleg handelende natuurlijke
of rechtspersoon die besloten heeft om, rechtstreeks
of onrechtstreeks, een gekwalificeerde deelneming in
een verzekerings- of herverzekeringsonderneming naar
Belgisch recht te verwerven of te vergroten, waardoor
het percentage van de gehouden stemrechten of aande-
len in het kapitaal de drempel van 20 %, 30 % of 50 %
zou bereiken of overschrijden, dan wel de verzekerings-
of herverzekeringsonderneming zijn dochteronderne-
ming zou worden, de Bank daarvan vooraf schriftelijk
kennis geven met vermelding van de omvang van de
beoogde deelneming en de in het tweede lid bedoelde
relevante informatie.
De Bank publiceert op haar website een lijst met de
voor de beoordeling vereiste relevante informatie die in
verhouding staat tot en afgestemd is op de aard van de
kandidaat-verwerver en de voorgenomen verwerving
en die haar samen met de in het eerste lid bedoelde
kennisgeving moet worden verstrekt.
Art. 65
§ 1. De Bank zendt de kandidaat-verwerver snel en
in elk geval binnen twee werkdagen na ontvangst van
de kennisgeving en van alle in artikel 64 bedoelde infor-
matie, alsook na de eventuele ontvangst, op een later
tijdstip, van de in paragraaf 2 bedoelde informatie, een
TITRE II
Des conditions d’exercice de l’activité
CHAPITRE IER
Généralités
Art. 63
Les entreprises d’assurance ou de réassurance
doivent en permanence satisfaire aux conditions
prévues par ou en vertu du Chapitre II du Titre Ier du
présent Livre.
CHAPITRE II
Modifications dans la structure du capital
Art. 64
Sans préjudice de la loi du 2 mai 2007 relative à la
publicité des participations importantes, toute personne
physique ou morale agissant seule ou de concert avec
d’autres, qui a pris la décision soit d’acquérir, directe-
ment ou indirectement, une participation qualifiée dans
une entreprise d’assurance ou de réassurance de droit
belge, soit de procéder, directement ou indirectement, à
une augmentation de cette participation qualifiée dans
une entreprise d’assurance ou de réassurance de droit
belge, de telle façon que la proportion de droits de vote
ou de parts de capital détenue atteigne ou dépasse les
seuils de 20 %, de 30 % ou de 50 % ou que l’entreprise
d’assurance ou de réassurance devienne sa filiale, est
tenue de notifier par écrit au préalable à la Banque le
montant envisagé de sa participation et les informations
pertinentes visées à l’alinéa 2.
La Banque publie sur son site internet une liste
spécifiant les informations pertinentes, proportionnées
et adaptées à la nature du candidat acquéreur et de
l’acquisition envisagée, qui sont nécessaires pour pro-
céder à l’évaluation et qui doivent lui être communiquées
au moment de la notification visée à l’alinéa 1er.
Art. 65
§ 1er. Diligemment, et en toute hypothèse dans un
délai de deux jours ouvrables après la réception de la
notification et des informations complètes visées à l’ar-
ticle 64, ainsi qu’après l’éventuelle réception ultérieure
des informations visées au paragraphe 2, la Banque
814
1584/002
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
schriftelijke ontvangstbevestiging. Zij vermeldt daarin de
datum waarop de beoordelingsperiode afloopt.
De beoordelingsperiode waarover de Bank beschikt
om de in artikel 66 bedoelde beoordeling te verrichten,
bedraagt ten hoogste zestig werkdagen te rekenen
vanaf de datum van de ontvangstbevestiging van de
kennisgeving en van alle documenten die vereist zijn
op basis van de in artikel 64, tweede lid bedoelde lijst.
§ 2. De Bank kan tijdens de beoordelingsperiode,
doch niet na de vijftigste werkdag daarvan, aanvullende
informatie opvragen die noodzakelijk is om haar beoor-
deling af te ronden. Dit verzoek wordt schriftelijk gedaan
en vermeldt welke aanvullende informatie nodig is.
Vanaf de datum van het verzoek van de Bank om in-
formatie tot de ontvangst van een antwoord daarop van
de kandidaat-verwerver wordt de beoordelingsperiode
onderbroken. De onderbreking duurt ten hoogste twintig
werkdagen. Het staat de Bank vrij om na het verstrijken
van de uiterste datum die overeenkomstig het vorige lid
is vastgesteld, aanvullende verzoeken ter vervollediging
of verduidelijking van de informatie te formuleren, maar
deze verzoeken mogen geen onderbreking van de be-
oordelingsperiode tot gevolg hebben.
§ 3. De Bank kan de in paragraaf 2, tweede lid be-
doelde onderbreking verlengen tot ten hoogste dertig
werkdagen:
1° indien de kandidaat-verwerver buiten de Europese
Economische Ruimte is gevestigd of aan een niet-
communautaire reglementering onderworpen is; of
2° indien de kandidaat-verwerver een natuurlijke of
rechtspersoon is die niet aan toezicht onderworpen is
krachtens:
a) Richtlijn 2009/138/EG;
b) Richtlijn 2009/65/EG;
c) Richtlijn 2011/61/EU van het Europees Parlement
en de Raad van 8 juni 2011 inzake beheerders van
alternatieve beleggingsinstellingen en tot wijziging
van de Richtlijnen 2003/41/EG en 2009/65/EG en
van de Verordeningen (EG) nr. 1060/2009 en (EU)
nr. 1095/2010;
d) Richtlijn 2014/65/EU van het Europees Parlement
en de Raad van 15 mei 2014 betreffende markten voor
en accuse réception par écrit au candidat acquéreur.
L’accusé de réception indique la date d’expiration de la
période d’évaluation.
La période d’évaluation dont dispose la Banque
pour procéder à l’évaluation visée à l’article 66 est de
maximum soixante jours ouvrables à compter de la
date de l’accusé de réception de la notification et de
tous les documents requis sur la base de la liste visée
à l’article 64, alinéa 2.
§ 2. La Banque peut, pendant la période d’évalua-
tion, et au plus tard le cinquantième jour ouvrable de
la période d’évaluation, demander un complément
d’information nécessaire pour mener à bien son éva-
luation. Cette demande est faite par écrit et précise les
informations complémentaires nécessaires.
Pendant la période comprise entre la date de la
demande d’informations par la Banque et la réception
d’une réponse du candidat acquéreur à cette demande,
la période d’évaluation est suspendue. Cette suspen-
sion ne peut excéder vingt jours ouvrables. La Banque
peut formuler, au-delà de la date limite déterminée
conformément à l’alinéa précédent, d’autres demandes
visant à recueillir des informations complémentaires
ou des clarifications, sans que ces demandes ne
donnent toutefois lieu à une suspension de la période
d’évaluation.
§ 3. La Banque peut porter la suspension visée au
paragraphe 2, alinéa 2, à trente jours ouvrables:
1° si le candidat acquéreur est établi hors de la
l’Espace économique européen ou relève d’une régle-
mentation non communautaire; ou
2° si le candidat acquéreur est une personne phy-
sique ou morale qui n’est pas soumise à une surveil-
lance en vertu de:
a) la Directive 2009/138/CE;
b) la Directive 2009/65/CE;
c) la Directive 2011/61/UE du Parlement européen et
du Conseil du 8 juin 2011 sur les gestionnaires de fonds
d’investissement alternatifs et modifiant les directives
2003/41/CE et 2009/65/CE ainsi que les règlements
(CE) n° 1060/2009 et (UE) n° 1095/2010;
d) la Directive 2014/65/UE du parlement européen
et du Conseil du 15 mai 2014 concernant les marchés
815
1584/002
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
financiële instrumenten en tot wijziging van Richtlijn
2002/92/EG en Richtlijn 2011/61/EU;
e) Richtlijn 2013/36/EU.
Art. 66
Bij de beoordeling van de in artikel 64 bedoelde
kennisgeving en informatie, en van de in artikel 65,
§ 2 bedoelde aanvullende informatie, toetst de Bank,
met het oog op een gezond en voorzichtig beleid van
de verzekerings- of herverzekeringsonderneming die
het doelwit is van de voorgenomen verwerving en
rekening houdend met de vermoedelijke invloed van
de kandidaat-verwerver op de verzekerings- of her-
verzekeringsonderneming, de geschiktheid van de
kandidaat-verwerver en de financiële soliditeit van de
voorgenomen verwerving aan alle in artikel 39, tweede
lid bedoelde criteria.
De Bank kan zich in de loop van de in artikel 65 be-
doelde beoordelingsperiode verzetten tegen de voorge-
nomen verwerving indien zij gegronde redenen heeft om
aan te nemen, op grond van de criteria van artikel 39,
tweede lid, dat de kandidaat-verwerver niet geschikt is
om een gezond en voorzichtig beleid van de verzeke-
rings- of herverzekeringsonderneming te waarborgen,
of indien de informatie die de kandidaat-verwerver heeft
verstrekt onvolledig is.
Wanneer de Bank na voltooiing van de beoordeling
besluit zich tegen de voorgenomen verwerving te ver-
zetten, stelt zij de kandidaat-verwerver daarvan schrif-
telijk in kennis binnen twee werkdagen en zonder de
beoordelingsperiode te overschrijden. Op verzoek van
de kandidaat-verwerver kan een passende motivering
van het besluit voor het publiek toegankelijk worden
gemaakt.
Indien de Bank zich na afloop van de beoordelings-
periode niet heeft verzet tegen de voorgenomen verwer-
ving, wordt deze geacht te zijn goedgekeurd.
De Bank mag voor de voltooiing van de voorgenomen
verwerving een maximumtermijn vaststellen en deze in
voorkomend geval verlengen.
d’instruments financiers et modifiant la directive
2002/92/CE et la directive 2011/61/UE;
e) la Directive 2013/36/UE.
Art. 66
En procédant à l’évaluation de la notification et des
informations visées à l’article 64 et des informations
complémentaires visées à l’article 65, § 2, la Banque
apprécie, afin de garantir une gestion saine et prudente
de l’entreprise d’assurance ou de réassurance visée
par l’acquisition envisagée et en tenant compte de
l’influence probable du candidat acquéreur sur l’entre-
prise d’assurance ou de réassurance, le caractère
approprié du candidat acquéreur et la solidité financière
de l’acquisition envisagée en appliquant l’ensemble des
critères visés à l’article 39, alinéa 2.
La Banque peut, dans le courant de la période d’éva-
luation visée à l’article 65, s’opposer à la réalisation
de l’acquisition si elle a des motifs raisonnables de
considérer, sur la base des critères fixés à l’article 39,
alinéa 2, que le candidat acquéreur ne présente pas
les qualités nécessaires en vue de garantir une ges-
tion saine et prudente de l’entreprise d’assurance ou
de réassurance ou si les informations fournies par le
candidat acquéreur sont incomplètes.
Si la Banque décide, au terme de l’évaluation, de
s’opposer à l’acquisition envisagée, elle le notifie par
écrit au candidat acquéreur, dans un délai de deux jours
ouvrables et sans dépasser la période d’évaluation. Un
exposé approprié des motifs de la décision peut être
rendu accessible au public à la demande du candidat
acquéreur.
Si, au terme de la période d’évaluation, la Banque
ne s’est pas opposée à l’acquisition envisagée, celle-ci
est réputée approuvée.
La Banque peut fixer un délai maximal pour la conclu-
sion de l’acquisition envisagée et, le cas échéant, le
prolonger.
816
1584/002
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
Art. 67
Voor het verrichten van de in artikel 65 bedoelde
beoordeling werkt de Bank in nauw overleg samen met
iedere andere betrokken toezichthouder en, in voorko-
mend geval, met de FSMA, indien de kandidaat-ver-
werver een van de volgende personen of instellingen is:
1° een verzekeringsonderneming, een herverze-
keringsonderneming, een kredietinstelling, een be-
leggingsonderneming, een AICB-beheerder of een
beheervennootschap van instellingen voor collectieve
belegging waaraan een vergunning is verleend volgens
het recht van een andere lidstaat, of, al naargelang het
geval, door de FSMA;
2° de moederonderneming van een van de in punt 1°
bedoelde ondernemingen;
3° een natuurlijke of rechtspersoon die de con-
trole heeft over een van de in punt 1° bedoelde
ondernemingen.
Hiertoe wisselt de Bank met deze autoriteiten zo
spoedig mogelijk alle informatie uit die relevant of van
essentieel belang is voor de beoordeling. In dit verband
verstrekt zij op verzoek alle relevante informatie en, uit
eigen beweging, alle essentiële informatie.
In de in het eerste lid bedoelde gevallen vermeldt de
Bank in haar besluit steeds de eventuele standpunten of
bedenkingen van de bevoegde autoriteit die verantwoor-
delijk is voor de kandidaat-verwerver of, al naargelang
het geval, van de FSMA.
Art. 68
Iedere natuurlijke of rechtspersoon die besloten heeft
om niet langer een rechtstreekse of onrechtstreekse
gekwalificeerde deelneming in een verzekerings- of
herverzekeringsonderneming te bezitten, stelt de Bank
daarvan vooraf schriftelijk in kennis met vermelding van
het bedrag van de voorgenomen deelneming na de
afstoting. Een dergelijke persoon stelt de Bank evenzo
in kennis van zijn beslissing om de omvang van zijn
gekwalificeerde deelneming zodanig te verkleinen dat
het percentage van de door hem gehouden stemrech-
ten of aandelen in het kapitaal onder de drempel van
20 %, 30 % of 50 % daalt of dat de verzekerings- of
herverzekeringsonderneming ophoudt zijn dochteron-
derneming te zijn.
Art. 67
La Banque procède à l’évaluation visée à l’ar-
ticle 65 en pleine concertation avec toute autre autorité
de contrôle concernée et, le cas échéant, avec la FSMA
si le candidat acquéreur est:
1° une entreprise d’assurance, une entreprise de
réassurance, un établissement de crédit, une entreprise
d’investissement, un gestionnaire d’OPCA ou une
société de gestion d’organismes de placement collectif
agréés selon le droit d’un autre État membre, ou, selon
le cas, par la FSMA;
2° l’entreprise mère d’une entreprise ayant une des
qualités visées au 1°;
3° une personne physique ou morale contrôlant une
entreprise ayant une des qualités visées au 1°.
À cette fin, la Banque échange, dans les meilleurs
délais, avec ces autorités toute information essentielle
ou pertinente pour l’évaluation. Dans ce cadre, elle
communique sur demande toute information pertinente
et, de sa propre initiative, toute information essentielle.
Dans les cas visés à l’alinéa 1er, toute décision de
la Banque mentionne les éventuels avis ou réserves
formulés par l’autorité compétente responsable du
candidat acquéreur ou, selon le cas, par la FSMA.
Art. 68
Toute personne physique ou morale qui a pris la
décision de cesser de détenir, directement ou indirec-
tement, une participation qualifiée dans une entreprise
d’assurance ou de réassurance le notifie par écrit au
préalable à la Banque et lui communique le montant
envisagé de sa participation après la cession. Une telle
personne notifie de même à la Banque sa décision de
diminuer sa participation qualifiée de telle façon que
la proportion de droits de vote ou de parts de capital
détenue descende en dessous des seuils de 20 %, de
30 % ou de 50 %, ou que l’entreprise d’assurance ou
de réassurance cesse d’être sa filiale après la cession.
817
1584/002
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
Art. 69
Indien de bij de artikelen 64 of 68 voorgeschreven
voorafgaande kennisgevingen niet worden verricht of
indien een deelneming wordt verworven of vergroot on-
danks het in artikel 66, tweede lid bedoelde verzet, kan
de voorzitter van de rechtbank van koophandel van het
rechtsgebied waar de verzekerings- of herverzekerings-
onderneming haar zetel heeft, uitspraak doende als in
kort geding, de in artikel 516, § § 1 en 4 van het Wetboek
van Vennootschappen bedoelde maatregelen nemen.
De procedure wordt ingeleid bij dagvaarding door
de Bank.
Artikel 516, § 3, van het Wetboek van Vennootschappen
is van toepassing.
Art. 70
Onverminderd de wet van 2 mei 2007 op de open-
baarmaking van belangrijke deelnemingen, moet iedere
alleen of in onderling overleg handelende natuurlijke of
rechtspersoon die, rechtstreeks of onrechtstreeks, een
deelneming heeft verworven in een verzekerings- of
herverzekeringsonderneming naar Belgisch recht, dan
wel zijn deelneming in een verzekerings- of herverze-
keringsonderneming naar Belgisch recht rechtstreeks
of onrechtstreeks heeft vergroot, waardoor het percen-
tage van de gehouden stemrechten of aandelen in het
kapitaal de drempel van 5 % van de stemrechten of het
kapitaal bereikt of overschrijdt zonder dat hij aldus een
gekwalificeerde deelneming verkrijgt, de Bank daarvan
schriftelijk kennis geven binnen een termijn van tien
werkdagen na de verwerving of de vergroting van de
deelneming.
Iedere alleen of in onderling overleg handelende
natuurlijke of rechtspersoon die niet langer een recht-
streekse of onrechtstreekse deelneming bezit van
meer dan 5 % van de stemrechten of het kapitaal in
een verzekerings- of herverzekeringsonderneming, die
geen gekwalificeerde deelneming was, dient binnen een
termijn van tien werkdagen eenzelfde kennisgeving te
verrichten.
De kennisgevingen bedoeld in het eerste en tweede
lid vermelden de exacte identiteit van de verwerver of
verwervers, het aantal verworven of vervreemde aan-
delen en het percentage van de stemrechten en van het
kapitaal van de verzekerings- of herverzekeringsonder-
neming die na de verwerving of vervreemding worden
gehouden, alsook de vereiste informatie als opgegeven
in de lijst die de Bank overeenkomstig artikel 64, tweede
lid, op haar website publiceert.
Art. 69
En cas d’abstention de procéder aux notifications
préalables prescrites par les articles 64 ou 68 ou en cas
d’acquisition ou d’accroissement d’une participation
en dépit de l’opposition visée à l’article 66, alinéa 2,
le président du tribunal de commerce dans le ressort
duquel l’entreprise d’assurance ou de réassurance a
son siège, statuant comme en référé, peut prendre les
mesures visées à l’article 516, § § 1er et 4 du Code des
sociétés.
La procédure est engagée par citation émanant de
la Banque.
L’article 516, § 3, du Code des sociétés est
d’application.
Art. 70
Sans préjudice de la loi du 2 mai 2007 relative à la
publicité des participations importantes, toute personne
physique ou morale agissant seule ou de concert avec
d’autres, qui a acquis, directement ou indirectement,
une participation dans une entreprise d’assurance
ou de réassurance de droit belge, ou qui a procédé,
directement ou indirectement, à une augmentation de
sa participation dans une entreprise d’assurance ou de
réassurance de droit belge, de telle façon que la pro-
portion de droits de vote ou de parts de capital détenue
atteigne ou dépasse le seuil de 5 % des droits de vote
ou du capital, sans pour autant détenir une participation
qualifiée, est tenue de le notifier par écrit à la Banque
dans un délai de dix jours ouvrables après l’acquisition
ou l’augmentation de la participation.
La même notification est requise dans un délai de dix
jours ouvrables de toute personne physique ou morale
qui a cessé de détenir, directement ou indirectement,
seul ou agissant de concert avec d’autres personnes,
une participation de plus de 5 % du capital ou des droits
de vote d’une entreprise d’assurance ou de réassu-
rance, qui ne constituait pas une participation qualifiée.
Les notifications visées aux alinéas 1er et 2 indiquent
l’identité précise du ou des acquéreurs, le nombre de
titres acquis ou cédés et le pourcentage des droits
de vote et du capital de l’entreprise d’assurance ou
de réassurance détenus suite à l’acquisition ou à la
cession, ainsi que les informations nécessaires dont
la liste est publiée par la Banque sur son site internet
conformément à l’article 64, alinéa 2.
818
1584/002
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
Art. 71
Zodra zij daarvan kennis hebben, stellen de verze-
kerings- of herverzekeringsondernemingen de Bank in
kennis van de verwervingen of vervreemdingen van hun
aandelen die een stijging boven of daling onder een van
de drempels bedoeld in artikel 64 tot gevolg hebben.
Tevens delen zij aan de Bank onmiddellijk alle infor-
matie mee waarvan zij kennis hebben en die een invloed
kan hebben op de situatie van hun aandeelhouders of
vennoten ten aanzien van de in artikel 39, tweede lid be-
doelde beoordelingscriteria. Deze informatieverplichting
geldt eveneens voor de in artikel 23 bedoelde personen.
Onder dezelfde voorwaarden delen zij de Bank ten
minste eens per jaar de identiteit mee van de alleen
of in onderling overleg handelende aandeelhouders
of vennoten die rechtstreeks of onrechtstreeks een
gekwalificeerde deelneming bezitten in hun kapitaal,
alsook welke kapitaalfractie en hoeveel stemrechten
zij aldus bezitten. Zij delen de Bank evenzo mee voor
hoeveel aandelen en voor hoeveel hieraan verbonden
stemrechten zij een kennisgeving van verwerving of
vervreemding hebben ontvangen overeenkomstig arti-
kel 515 van het Wetboek van Vennootschappen, ingeval
een dergelijke kennisgeving aan de Bank niet statutair
is voorgeschreven.
Art. 72
Indien de Bank grond heeft om aan te nemen dat
de invloed van een natuurlijke of rechtspersoon die
rechtstreeks of onrechtstreeks een gekwalificeerde
deelneming bezit in een verzekerings- of herverzeke-
ringsonderneming, een gezond en voorzichtig beleid
van die verzekerings- of herverzekeringsonderneming
kan belemmeren, kan zij, onverminderd de andere bij
deze wet bepaalde maatregelen:
1° de uitoefening schorsen van de stemrechten
verbonden aan de aandelen die in het bezit zijn van de
betrokken aandeelhouder of vennoot; zij kan, op ver-
zoek van elke belanghebbende, toestaan dat de door
hem bevolen maatregelen worden opgeheven; haar
beslissing wordt op de meest geschikte wijze ter kennis
gebracht van de betrokken aandeelhouder of vennoot;
haar beslissing is uitvoerbaar zodra zij ter kennis is ge-
bracht; de Bank kan haar beslissing openbaar maken;
2° de betrokken aandeelhouder of vennoot aanmanen
om, binnen de termijn die zij bepaalt, de aandeelhou-
dersrechten in zijn bezit over te dragen.
Art. 71
Les entreprises d’assurance ou de réassurance
communiquent à la Banque, dès qu’elles en ont connais-
sance, les acquisitions ou aliénations de leurs titres ou
parts qui entraînent le franchissement vers le haut ou
vers le bas de l’un des seuils visés à l’article 64.
De même elles communiquent immédiatement à la
Banque toutes informations dont elles ont connaissance,
de nature à influencer la situation de leurs actionnaires
ou associés au regard des critères d’appréciation visés
à l’article 39, alinéa 2. La même obligation d’information
incombe aux personnes visées à l’article 23.
Dans les mêmes conditions et au moins une fois
par an, elles communiquent à la Banque l’identité des
actionnaires ou associés qui possèdent, directement
ou indirectement, agissant seuls ou de concert, des
participations qualifiées dans leur capital, ainsi que
la quotité du capital et celle des droits de vote ainsi
détenus. Elles communiquent de même à la Banque la
quotité des actions ou parts ainsi que celle des droits
de vote y afférents dont l’acquisition ou l’aliénation leur
est déclarée conformément à l’article 515 du Code des
sociétés dans le cas où les statuts ne prescrivent pas
leur déclaration à la Banque.
Art. 72
Lorsque la Banque a des raisons de considérer que
l’influence exercée par une personne physique ou
morale détenant, directement ou indirectement, une
participation qualifiée dans une entreprise d’assurance
ou de réassurance est de nature à compromettre la
gestion saine et prudente de cette entreprise, et sans
préjudice des autres mesures prévues par la présente
loi, elle peut:
1° suspendre l’exercice des droits de vote attachés
aux actions ou parts détenues par l’actionnaire ou
l’associé en question; elle peut, à la demande de tout
intéressé, accorder la levée des mesures ordonnées
par elle; sa décision est notifiée de la manière la plus
appropriée à l’actionnaire ou à l’associé en cause; sa
décision est exécutoire dès qu’elle a été notifiée; la
Banque peut rendre sa décision publique;
2° donner injonction à l’actionnaire ou à l’associé
en cause de céder, dans le délai qu’elle fixe, les droits
d’associé qu’il détient.
819
1584/002
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
Als zij binnen de vastgestelde termijn niet worden
overgedragen, kan de Bank bevelen de aandeelhou-
dersrechten te sekwestreren bij de instelling of de
persoon die zij bepaalt. Het sekwester brengt dit ter
kennis van de verzekerings- of herverzekeringson-
derneming die het register van de aandelen op naam
dienovereenkomstig wijzigt en de uitoefening van de
hieraan verbonden rechten enkel aanvaardt vanwege
het sekwester. Het sekwester handelt in het belang van
een gezond en voorzichtig beleid van de verzekerings- of
herverzekeringsonderneming en in het belang van de
houder van de gesekwestreerde aandeelhoudersrech-
ten. Het oefent alle rechten uit die aan de aandelen zijn
verbonden. De bedragen die het sekwester als dividend
of anderszins int, worden slechts aan de voornoemde
houder overgemaakt indien deze gevolg heeft gegeven
aan de in het eerste lid, 2° bedoelde aanmaning.
Om in te schrijven op kapitaalverhogingen of an-
dere al dan niet stemrechtverlenende effecten, om te
kiezen voor dividenduitkering in aandelen van de ven-
nootschap, om in te gaan op openbare overname- of
ruilaanbiedingen en om nog niet volgestorte aandelen
vol te storten, is de instemming van de voornoemde
houder vereist.
De aandeelhoudersrechten die zijn verworven in het
kader van dergelijke verrichtingen worden van rechts-
wege toegevoegd aan het voornoemde sekwester.
De vergoeding van het sekwester wordt vastgesteld
door de Bank en betaald door de voornoemde houder.
Het sekwester kan zijn vergoeding aftrekken van de
bedragen die hem worden gestort in zijn hoedanigheid
van sekwester of die hem worden gestort door de voor-
noemde houder in het vooruitzicht of na uitvoering van
de in dit artikel bedoelde verrichtingen.
Indien na afloop van de overeenkomstig het eerste lid,
2°, eerste zin, vastgestelde termijn, stemrechten werden
uitgeoefend door de oorspronkelijke houder of door
een andere persoon, buiten het sekwester, die optreedt
voor rekening van deze houder, of niettegenstaande
een schorsing van hun uitoefening overeenkomstig het
eerste lid, 1°, kan de rechtbank van koophandel van het
rechtsgebied waar de verzekeringsonderneming haar
zetel heeft, op verzoek van de Bank, alle of een deel
van de beslissingen van de algemene vergadering nietig
verklaren wanneer het aanwezigheids- of meerderheids-
quorum dat is vereist voor de genoemde beslissingen,
zonder de onwettig uitgeoefende stemrechten niet zou
zijn bereikt.
À défaut de cession dans le délai fixé, la Banque peut
ordonner la mise sous séquestre des droits d’associés
auprès de telle institution ou personne qu’elle détermine.
Le séquestre en donne connaissance à l’entreprise
d’assurance ou de réassurance qui modifie en consé-
quence le registre des actions ou parts d’associés nomi-
natives et qui n’accepte l’exercice des droits qui y sont
attachés que par le seul séquestre. Celui-ci agit dans
l’intérêt d’une gestion saine et prudente de l’entreprise
d’assurances ou de réassurance et dans celui du déten-
teur des droits d’associés ayant fait l’objet du séquestre.
Il exerce tous les droits attachés aux actions ou parts
d’associés Les sommes encaissées par le séquestre
au titre de dividende ou à un autre titre ne sont remises
par lui au détenteur précité que si celui-ci a satisfait à
l’injonction à l’alinéa 1er, 2°.
La souscription à des augmentations de capital ou à
d’autres titres conférant ou non le droit de vote, l’option
en matière de dividende payable en titres de la société,
la réponse à des offres publiques d’acquisition ou
d’échange et la libération de titres non entièrement libé-
rés sont subordonnés à l’accord du détenteur précité.
Les droits d’associés acquis en vertu de ces opé-
rations font, de plein droit, l’objet du séquestre prévu
ci-dessus.
La rémunération du séquestre est fixée par la Banque
et est à charge du détenteur précité. Le séquestre peut
imputer sa rémunération sur les sommes qui lui sont
versées en sa qualité de séquestre ou par le détenteur
précité aux fins ou comme conséquence des opérations
visées par le présent article.
Lorsque des droits de vote ont été exercés par le
détenteur originaire ou par une personne, autre que
le séquestre, agissant pour le compte de ce détenteur
après l’échéance du délai fixé conformément à l’ali-
néa 1er, 2°, première phrase, ou nonobstant une sus-
pension de leur exercice prononcée conformément à
l’alinéa 1er, 1°, le tribunal de commerce dans le ressort
duquel l’entreprise d’assurances a son siège peut, sur
requête de la Banque, prononcer la nullité de tout ou
partie des délibérations de l’assemblée générale si,
sans les droits de vote illégalement exercés, les quo-
rums de présence ou de majorité requis par lesdites
délibérations n’auraient pas été réunis.
820
1584/002
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
Art. 73
Indien de deelneming in een verzekerings- of her-
verzekeringsonderneming wordt verworven door een
onderneming die onder het recht van een derde land
ressorteert, waardoor de verzekerings- of herverze-
keringsonderneming een dochteronderneming van
deze onderneming wordt, stelt de Bank de Europese
Commissie, EIOPA en de toezichthouders van de an-
dere lidstaten daarvan in kennis.
HOOFDSTUK III
Algemene werkingsvoorwaarden
Afdeling I
Minimum eigen vermogen
Art. 74
Iedere verzekerings- of herverzekeringsonderneming
houdt in aanmerking komend eigen vermogen aan in
de zin van de artikelen 140 tot 150, om permanent het
overeenkomstig artikel 151 vastgestelde solvabiliteits-
kapitaalvereiste te dekken.
Art. 75
Iedere verzekerings- of herverzekeringsonderneming
houdt bovendien in aanmerking komend kernvermogen
aan in de zin van de artikelen 140 tot 150, om permanent
het overeenkomstig artikel 189 vastgestelde minimum-
kapitaalvereiste te dekken.
Afdeling II
Bewaring van documenten
Art. 76
Iedere verzekerings- of herverzekeringsonderneming
bewaart alle documenten die betrekking hebben op
haar activiteiten op haar zetel of op elke andere plaats
die vooraf door de Bank is goedgekeurd in overleg met
de FSMA.
Onverminderd andere wettelijke bepalingen betref-
fende de bewaring van documenten, kan de Bank bij
reglement vastgesteld overeenkomstig artikel 12bis,
§ 2 van de wet van 22 februari 1998 de termijn en de
modaliteiten bepalen voor de bewaring van de in het
eerste lid bedoelde documenten.
Art. 73
Lorsque l’acquisition d’une participation dans une
entreprise d’assurance ou de réassurance est effec-
tuée par une entreprise relevant du droit d’un pays
tiers, de telle sorte que l’entreprise d’assurance ou de
réassurance en devient la filiale, la Banque en informe
la Commission européenne, l’EIOPA et les autorités de
contrôle des autres États membres.
CHAPITRE III
Conditions générales de fonctionnement
Section Ire
Fonds propres minimum
Art. 74
Les entreprises d’assurance ou de réassurance
détiennent des fonds propres éligibles au sens des
articles 140 à 150 couvrant en permanence le capital
de solvabilité requis fixé conformément à l’article 151.
Art. 75
Les entreprises d’assurance ou de réassurance
détiennent en outre des fonds propres de base éligibles
au sens des articles 140 à 150 couvrant en permanence
le minimum de capital requis fixé conformément à
l’article 189.
Section II
Conservation de documents
Art. 76
Les entreprises d’assurance et de réassurance
conservent les documents relatifs à leurs activités à leur
siège ou en tout autre lieu préalablement autorisé par
la Banque en concertation avec la FSMA.
Sans préjudice d’autres dispositions légales régissant
la conservation de documents, la Banque peut fixer, par
voie de règlement pris conformément à l’article 12bis,
§ 2 de la loi du 22 février 1998, le délai et les modalités
de conservation des documents visés à l’alinéa 1er.
821
1584/002
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
Afdeling III
Leiding en leiders
Onderafdeling I
Toezicht en beoordeling door het wettelijk bestuursorgaan
Art. 77
§ 1. Het wettelijk bestuursorgaan beoordeelt perio-
diek en minstens eenmaal per jaar de doeltreffendheid
van het in artikel 42 bedoelde governancesysteem van
de onderneming en de mate waarin het voldoet aan
de verplichtingen die door of krachtens deze wet en, in
voorkomend geval, door de maatregelen tot uitvoering
van Richtlijn 2009/138/EG zijn opgelegd. Het ziet erop
toe dat het directiecomité de nodige maatregelen neemt
om eventuele tekortkomingen aan te pakken.
§ 2. Het wettelijk bestuursorgaan oefent effectief toe-
zicht uit op het directiecomité en is verantwoordelijk voor
het toezicht op de beslissingen die door het directieco-
mité en door de effectieve leiding van de onderneming
worden genomen.
§ 3. Het wettelijk bestuursorgaan beoordeelt in het bij-
zonder de goede werking van de in artikel 54 bedoelde
onafhankelijke controlefuncties.
§ 4. In het jaarlijks verslag van het wettelijk bestuurs-
orgaan wordt de individuele en collectieve deskundig-
heid van de leden van de in artikel 48 bedoelde comités
gerechtvaardigd.
§ 5. Het wettelijk bestuursorgaan legt de algemene
beginselen van het beloningsbeleid vast en beoordeelt
deze regelmatig, en minstens eenmaal per jaar, en is
verantwoordelijk voor het toezicht op de tenuitvoerleg-
ging ervan. Voor die beoordeling kan het een beroep
doen op de onafhankelijke controlefuncties.
§ 6. Het wettelijk bestuursorgaan waakt erover dat
het in artikel 42, § 3 bedoelde governancememorandum
geactualiseerd wordt en dat het geactualiseerde gover-
nancememorandum aan de Bank wordt overgemaakt.
§ 7. Het wettelijk bestuursorgaan keurt een schriftelijk
vastgelegd beleid goed dat waarborgt dat de informatie
die met toepassing van de artikelen 312 tot 316 aan de
Bank wordt meegedeeld, altijd adequaat is;
§ 8. Het wettelijk bestuursorgaan keurt het in ar-
tikel 95 bedoelde verslag over de solvabiliteit en de
financiële positie goed voordat het gepubliceerd wordt.
Section III
Direction et dirigeants
Sous-section Ire
Contrôle et évaluation par l’organe légal d’administration
Art. 77
§ 1er. L’organe légal d’administration évalue
périodiquement, et au moins une fois par an, l’effica-
cité du système de gouvernance de l’entreprise visé
à l’article 42 et sa conformité aux obligations prévues
par ou en vertu de la présente loi et, le cas échéant,
par les mesures d’exécution de la Directive 2009/138/
CE. Il veille à ce que le comité de direction prenne les
mesures nécessaires pour remédier aux éventuels
manquements.
§ 2. L’organe légal d’administration exerce un contrôle
effectif sur le comité de direction et assure la surveil-
lance des décisions prises par le comité de direction et
les dirigeants effectifs de l’entreprise.
§ 3. L’organe légal d’administration évalue en parti-
culier le bon fonctionnement des fonctions de contrôle
indépendantes visées à l’article 54.
§ 4. Le rapport annuel de l’organe légal d’administra-
tion justifie la compétence individuelle et collective des
membres des comités visés à l’article 48.
§ 5. L’organe légal d’administration adopte et évalue
régulièrement, et au moins une fois par an, les principes
généraux de la politique de rémunération et assure
la surveillance de sa mise en oeuvre. Dans le cadre
de cette évaluation, il peut recourir aux fonctions de
contrôle indépendantes.
§ 6. L’organe légal d’administration s’assure de la
mise à jour du mémorandum de gouvernance visé à
l’article 42, § 3, et de la transmission à la Banque du
mémorandum de gouvernance actualisé.
§ 7. L’organe légal d’administration approuve une
politique écrite garantissant l’adéquation permanente
des informations communiquées à la Banque en appli-
cation des articles 312 à 316;
§ 8. L’organe légal d’administration approuve, avant
sa publication, le rapport sur la solvabilité et la situation
financière visé à l’article 95. Il s’assure de la mise à jour
822
1584/002
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
Het waakt erover dat dit verslag jaarlijks geactualiseerd
wordt en dat het geactualiseerde verslag aan de Bank
wordt overgemaakt.
§ 9. Het wettelijk bestuursorgaan besluit welke maat-
regelen moeten worden getroffen naar aanleiding van de
bevindingen en aanbevelingen van de interne audit en
zorgt ervoor dat deze maatregelen worden uitgevoerd.
Art. 78
§ 1. Het wettelijk bestuursorgaan ziet in het bijzonder
toe op de integriteit van de boekhoudsystemen en van
de systemen voor financiële verslaggeving, met inbegrip
van de regelingen voor de operationele en financiële
controle. Het beoordeelt de werking van de interne
controle minstens eenmaal per jaar en waakt erover
dat deze controle een redelijke mate van zekerheid
verschaft over de betrouwbaarheid van het verslag-
gevingsproces, zodat met name de jaarrekening en de
financiële informatie in overeenstemming zijn met de
geldende regelgeving.
§ 2. Het wettelijk bestuursorgaan houdt toezicht
op het publicatie- en communicatieproces dat door of
krachtens deze wet en, in voorkomend geval, door de
Europese regelgeving is opgelegd.
Art. 79
De erkend commissaris brengt verslag uit bij het
wettelijk bestuursorgaan, in voorkomend geval via het
auditcomité, over belangrijke kwesties die bij de uitoe-
fening van zijn wettelijke controle van de jaarrekening
naar voren zijn gekomen, en inzonderheid over ernstige
tekortkomingen in de interne controle met betrekking tot
het financiëleverslaggevingsproces.
Onderafdeling II
Door het directiecomité te nemen maatregelen
Art. 80
§ 1. Onverminderd de bevoegdheden van het wet-
telijk bestuursorgaan neemt het directiecomité onder
toezicht van het wettelijk bestuursorgaan de nodige
maatregelen voor de naleving en de tenuitvoerlegging
van de bepalingen van artikel 42.
§ 2. Het directiecomité brengt minstens eenmaal per
jaar verslag uit aan het wettelijk bestuursorgaan, de
erkend commissaris en de Bank, over de beoordeling
annuelle de ce rapport et de la transmission à la Banque
du rapport actualisé.
§ 9. L’organe légal d’administration détermine quelles
actions doivent être prises à la suite des conclusions et
recommandations de l’audit interne et veille à ce que
ces actions soient menées à bien.
Art. 78
§ 1er. L’organe légal d’administration veille en parti-
culier à l’intégrité des systèmes de comptabilité et de
déclaration de l’information financière, en ce compris
les dispositifs de contrôle opérationnel et financier. Il
évalue le fonctionnement du contrôle interne au moins
une fois par an et s’assure que ce contrôle procure un
degré de certitude raisonnable quant à la fiabilité du
processus de reporting de l’information, de manière à
ce que, notamment, les comptes annuels et l’informa-
tion financière soient conformes à la réglementation
en vigueur.
§ 2. L’organe légal d’administration supervise le pro-
cessus de publication et de communication requis par
ou en vertu de la présente loi et, le cas échéant, par la
réglementation européenne.
Art. 79
Le commissaire agréé fait rapport à l’organe légal
d’administration, le cas échéant, par l’intermédiaire du
comité d’audit sur les questions importantes apparues
dans l’exercice de sa mission de contrôle légal des
comptes, et en particulier sur les faiblesses significatives
du contrôle interne au regard du processus de reporting
de l’information financière.
Sous-section II
Mesures à prendre par le comité de direction
Art. 80
§ 1er. Sans préjudice des pouvoirs dévolus à l’organe
légal d’administration et sous sa surveillance, le comité
de direction prend les mesures nécessaires pour assu-
rer le respect et la mise en œuvre des dispositions de
l’article 42.
§ 2. Le comité de direction fait rapport au moins une
fois par an à l’organe légal d’administration, au com-
missaire agréé et à la Banque concernant l’évaluation
823
1584/002
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
van de doeltreffendheid van het in artikel 42 bedoelde
governancesysteem en over de maatregelen die in
voorkomend geval worden genomen om eventuele te-
kortkomingen aan te pakken. Het verslag rechtvaardigt
waarom deze maatregelen voldoen aan de wettelijke en
reglementaire bepalingen.
§ 3. Onverminderd zijn andere taken, voert het direc-
tiecomité het beloningsbeleid uit dat door het wettelijk
bestuursorgaan wordt vastgelegd.
§ 4. Het directiecomité neemt ook de nodige maat-
regelen om ervoor te zorgen dat de verzekerings- of
herverzekeringsonderneming de risico’s bedoeld in
Afdeling IV van dit Hoofdstuk beheerst.
§ 5. Het directiecomité van de verzekerings- of her-
verzekeringsonderneming verklaart aan de Bank dat
de informatie die haar wordt bezorgd overeenkomstig
de artikelen 312 tot 316 volledig is en de situatie van
de onderneming correct weergeeft, rekening houdend
met haar risicoprofiel, en dat zij is opgesteld volgens
de voorschriften die door of krachtens deze wet, de
uitvoeringsmaatregelen van Richtlijn 2009/138/EG en
de instructies van de Bank zijn vastgesteld.
Onderafdeling III
Benoemingen, ontslagen en uitoefening van externe
functies
Art. 81
§ 1. De verzekerings- of herverzekeringsondernemin-
gen stellen de Bank voorafgaandelijk in kennis van het
voorstel tot benoeming van de leden van het wettelijk be-
stuursorgaan en van de leden van het directiecomité of,
bij ontstentenis van een directiecomité, van de personen
belast met de effectieve leiding, evenals van de verant-
woordelijken voor de onafhankelijke controlefuncties.
In het kader van de krachtens het eerste lid vereiste
kennisgeving delen de verzekerings- of herverzeke-
ringsondernemingen aan de Bank alle documenten en
informatie mee die haar toelaten te beoordelen of de
personen waarvan de benoeming wordt voorgesteld,
overeenkomstig artikel 41 over de voor de uitoefening
van hun functie vereiste professionele betrouwbaarheid
en passende deskundigheid beschikken.
Het eerste lid is eveneens van toepassing op het
voorstel tot hernieuwing van de benoeming van de
in het eerste lid bedoelde personen, evenals op de
de l’efficacité du système de gouvernance visé à
l’article 42 et les mesures prises le cas échéant pour
remédier aux déficiences qui auraient été constatées.
Le rapport justifie en quoi ces mesures satisfont aux
dispositions légales et réglementaires.
§ 3. Sans préjudice de ses autres tâches, il met en
œuvre la politique de rémunération adoptée par l’organe
légal d’administration.
§ 4. Le comité de direction met également en œuvre
les mesures nécessaires pour assurer la maîtrise des
risques visés à la Section IV du présent Chapitre.
§ 5. Le comité de direction de l’entreprise d’assu-
rance ou de réassurance déclare à la Banque que les
informations qui lui sont transmises conformément aux
articles 312 à 316 sont complètes et reflètent correc-
tement la situation de l’entreprise compte tenu de son
profil de risque et qu’elles sont établies conformément
aux prescriptions prévues par ou en vertu de la présente
loi, aux mesures d’exécution de la Directive 2009/138/
CE et aux instructions de la Banque.
Sous-section III
Nominations, démissions et exercice de fonctions
extérieures
Art. 81
§ 1er. Les entreprises d’assurance ou de réassurance
informent préalablement la Banque de la proposition de
nomination des membres de l’organe légal d’adminis-
tration et des membres du comité de direction ou, en
l’absence de comité de direction, des personnes char-
gées de la direction effective, ainsi que des personnes
responsables des fonctions de contrôle indépendantes.
Dans le cadre de l’information requise en vertu de
l’alinéa 1er, les entreprises d’assurance ou de réassu-
rance communiquent à la Banque tous les documents
et informations lui permettant d’évaluer si les personnes
dont la nomination est proposée disposent de l’hono-
rabilité professionnelle nécessaire et de l’expertise
adéquate à l’exercice de leur fonction conformément
à l’article 41.
L’alinéa 1er est également applicable à la proposition
de renouvellement de la nomination des personnes qui
y sont visées ainsi qu’au non-renouvellement de leur
824
1584/002
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
niet-hernieuwing van hun benoeming, hun afzetting of
hun ontslag.
§ 2. De benoeming van de in paragraaf 1 bedoelde
personen wordt voorafgaandelijk ter goedkeuring voor-
gelegd aan de Bank.
Wanneer het de benoeming betreft van een per-
soon die voor het eerst voor een functie als bedoeld in
paragraaf 1 wordt voorgedragen bij een onderneming
die met toepassing van artikel 36/2 van de wet van
22 februari 1998 onder het toezicht staat van de Bank,
raadpleegt de Bank eerst de FSMA.
De FSMA deelt haar advies mee aan de Bank binnen
een termijn van een week na ontvangst van het verzoek
om advies.
§ 3. De verzekerings- of herverzekeringsondernemin-
gen stellen de Bank in kennis van de eventuele taakver-
deling tussen de leden van het wettelijk bestuursorgaan,
tussen de leden van het directiecomité of, bij ontstente-
nis van een directiecomité, tussen de personen belast
met de effectieve leiding.
Belangrijke wijzigingen in de taakverdeling als be-
doeld in het eerste lid, geven aanleiding tot de toepas-
sing van de paragrafen 1 en 2.
Art. 82
De personen die verantwoordelijk zijn voor de in arti-
kel 54 bedoelde onafhankelijke controlefuncties kunnen
niet zonder voorafgaande goedkeuring van het wettelijk
bestuursorgaan uit hun functie worden verwijderd.
Art. 83
§ 1. De leden van het wettelijk bestuursorgaan, de
leden van het directiecomité, en, bij ontstentenis van
een directiecomité, de personen belast met de effectieve
leiding, besteden de nodige tijd aan de uitoefening van
hun functies in de onderneming.
§ 2. Onverminderd paragraaf 1 en artikel 42 mogen de
leden van de organen van de verzekerings- of herverze-
keringsonderneming en alle personen die, onder welke
benaming of in welke hoedanigheid ook, deelnemen
aan het bestuur of het beleid van de onderneming, al
dan niet ter vertegenwoordiging van de verzekerings- of
herverzekeringsonderneming, onder de voorwaarden
en binnen de grenzen vastgesteld in dit artikel, manda-
ten als bestuurder of zaakvoerder waarnemen in dan
wel deelnemen aan het bestuur of het beleid van een
nomination, à leur révocation, à leur licenciement ou à
leur démission.
§ 2. La nomination des personnes visées au para-
graphe 1er est soumise à l’approbation préalable de la
Banque.
Lorsqu’il s’agit de la nomination d’une personne
qui est proposée pour la première fois à une fonction
visée au paragraphe 1er dans une entreprise relevant
du contrôle de la Banque par application de l’article
36/2 de la loi du 22 février 1998, la Banque consulte
préalablement la FSMA.
La FSMA communique son avis à la Banque dans
un délai d’une semaine à compter de la réception de
la demande d’avis.
§ 3. Les entreprises d’assurance ou de réassurance
informent la Banque de la répartition éventuelle des
tâches entre les membres de l’organe légal d’adminis-
tration, entre les membres du comité de direction ou, en
l’absence de comité de direction, entre les personnes
chargées de la direction effective.
Les modifications importantes intervenues dans la
répartition des tâches visée à l’alinéa 1er, donnent lieu
à l’application des paragraphes 1er et 2.
Art. 82
Les personnes qui sont responsables des fonctions
de contrôle indépendantes visées à l’article 54 ne
peuvent être démises de leur fonction sans l’accord
préalable de l’organe légal d’administration.
Art. 83
§ 1er. Les membres de l’organe légal d’administration,
les membres du comité de direction et, en l’absence
de comité de direction, les personnes en charge de
la direction effective consacrent le temps nécessaire
à l’exercice de leurs fonctions au sein de l’entreprise.
§ 2. Sans préjudice du paragraphe 1er et de l’ar-
ticle 42, les membres des organes de l’entreprise
d’assurance ou de réassurance et toutes personnes
qui, sous quelque dénomination et en quelque qualité
que ce soit, prennent part à son administration ou sa
gestion peuvent, en représentation ou non de l’entre-
prise d’assurance ou de réassurance, exercer des
mandats d’administrateur ou de gérant ou prendre
part à l’administration ou à la gestion au sein d’une
société commerciale ou à forme commerciale, d’une
825
1584/002
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
handelsvennootschap of een vennootschap met han-
delsvorm, een onderneming met een andere Belgische
of buitenlandse rechtsvorm of een Belgische of buiten-
landse openbare instelling die industriële, commerciële
of financiële activiteiten uitoefent.
§ 3. De externe functies als bedoeld in paragraaf
2 worden beheerst door de interne regels die de ver-
zekerings- of herverzekeringsonderneming invoert en
doet naleven teneinde:
1° te vermijden dat personen die deelnemen aan de
effectieve leiding van de verzekerings- of herverzeke-
ringsonderneming, door de uitoefening van die functies
niet langer voldoende beschikbaar zouden zijn om de
effectieve leiding waar te nemen;
2° te voorkomen dat bij de verzekerings- of herver-
zekeringsonderneming belangenconflicten zouden
optreden alsook risico’s die gepaard gaan met de uit-
oefening van die functies, onder andere op het vlak van
transacties van ingewijden;
3° te zorgen voor een passende openbaarmaking
van die functies.
De Bank bepaalt, bij reglement vastgesteld met
toepassing van artikel 12bis, § 2 van de wet van
22 februari 1998, hoe die verplichtingen ten uitvoer
moeten worden gelegd.
§ 4. De mandatarissen van een vennootschap die
worden benoemd op voordracht van de verzekerings-
of herverzekeringsonderneming, moeten leden van
het directiecomité van de verzekerings- of herverzeke-
ringsonderneming zijn, dan wel personen die door het
directiecomité zijn aangewezen.
§ 5. De leden van het wettelijk bestuursorgaan die
geen lid zijn van het directiecomité van de verzekerings-
of herverzekeringsonderneming, mogen geen mandaat
uitoefenen in een vennootschap waarin de verzekerings-
of herverzekeringsonderneming een deelneming bezit,
tenzij zij niet deelnemen aan het dagelijks bestuur van
die vennootschap.
§ 6. De leden van het directiecomité, of, bij ontsten-
tenis van een directiecomité, de personen die deelne-
men aan de effectieve leiding van de verzekerings- of
herverzekeringsonderneming, mogen geen mandaat
uitoefenen dat een deelname aan het dagelijks bestuur
inhoudt, tenzij in:
1° een vennootschap als bedoeld in artikel 89, lid 1,
van Verordening (EU) nr. 575/2013 van het Europees
Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende
entreprise d’une autre forme de droit belge ou étranger
ou d’une institution publique belge ou étrangère, ayant
une activité industrielle, commerciale ou financière, aux
conditions et dans les limites prévues au présent article.
§ 3. Les fonctions extérieures visées au para-
graphe 2 sont régies par des règles internes que
l’entreprise d’assurance ou de réassurance adopte et
fait respecter en vue de poursuivre les objectifs suivants:
1° éviter que l’exercice de ces fonctions par des
personnes participant à la direction effective de l’entre-
prise d’assurance ou de réassurance ne porte atteinte
à la disponibilité requise pour l’exercice de la direction
effective;
2° prévenir dans le chef de l’entreprise d’assurance
ou de réassurance la survenance de conflits d’intérêts
ainsi que les risques qui s’attachent à l’exercice de
ces fonctions, notamment sur le plan des opérations
d’initiés;
3° assurer une publicité adéquate de ces fonctions.
La Banque fixe les modalités de ces obligations par
voie de règlement adopté en application de l’article
12bis, § 2, de la loi du 22 février 1998.
§ 4. Les mandataires sociaux nommés sur présen-
tation de l’entreprise d’assurance ou de réassurance
doivent être des membres du comité de direction de
l’entreprise d’assurance ou de réassurance ou des
personnes désignées par le comité de direction.
§ 5. Les membres de l’organe légal d’administration
qui ne sont pas membres du comité de direction de
l’entreprise d’assurance ou de réassurance ne peuvent
exercer un mandat dans une société dans laquelle
l’entreprise d’assurance ou de réassurance détient une
participation que s’ils ne participent pas à la gestion
courante de cette société.
§ 6. Les membres du comité de direction ou, en
l’absence de comité de direction, les personnes qui
participent à la direction effective de l’entreprise d’assu-
rance ou de réassurance ne peuvent exercer un mandat
comportant une participation à la gestion courante que
s’il s’agit:
1° d’une société visée à l’article 89, paragraphe 1er,
du règlement (UE) n° 575/2013 du Parlement européen
et du Conseil du 26 juin 2013 concernant les exigences
826
1584/002
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
prudentiële vereisten voor kredietinstellingen en beleg-
gingsondernemingen en tot wijziging van Verordening
(EU) nr. 648/2012, waarmee de verzekerings- of herver-
zekeringsonderneming nauwe banden heeft;
2° een instelling voor belegging in schuldvorderingen
die geregeld is bij statuten in de zin van de wet van
3 augustus 2012 betreffende de instellingen voor col-
lectieve belegging die voldoen aan de voorwaarden van
Richtlijn 2009/65/EG en de instellingen voor belegging
in schuldvorderingen of een instelling voor collectieve
belegging die geregeld is bij statuten in de zin van de
voornoemde wet van 3 augustus 2012 of de wet van
19 april 2014 betreffende de alternatieve instellingen
voor collectieve belegging en hun beheerders;
3° een onderneming met een activiteit in het ver-
lengde van het verzekerings- of herverzekeringsbedrijf,
zoals verzekeringsbemiddeling of schaderegeling;
4° een patrimoniumvennootschap waarin zij of hun
familie, in het kader van het normale beheer van hun
vermogen, een significant belang bezitten.
De personen die deelnemen aan de effectieve leiding
van een verzekeringsmaatschappij van onderlinge bij-
stand, mogen daarenboven deelnemen aan het dage-
lijks bestuur van een ziekenfonds, van een landsbond
van ziekenfondsen of van een andere maatschappij
van onderlinge bijstand als bedoeld in de voornoemde
wet van 6 augustus 1990 waarbij de leden van deze
verzekeringsmaatschappij van onderlinge bijstand zich
kunnen aansluiten.
§ 7. De verzekerings- of herverzekeringsondernemin-
gen brengen de functies die buiten de verzekerings- of
herverzekeringsonderneming worden uitgeoefend door
de in paragraaf 1 bedoelde personen, zonder uitstel ter
kennis van de Bank, ten behoeve van het toezicht op de
naleving van de bepalingen van dit artikel.
De Bank bepaalt de modaliteiten van de in het eerste
lid bedoelde kennisgeving.
Afdeling IV
Risicobeheer
Art. 84
Iedere verzekerings- of herverzekeringsonderneming
zorgt ervoor dat haar risico’s worden beheerst overeen-
komstig de bepalingen van deze Afdeling.
prudentielles applicables aux établissements de crédit
et aux entreprises d’investissement et modifiant le
règlement (UE) n° 648/2012, avec laquelle l’entreprise
d’assurance a des liens étroits;
2° d’un organisme de placement en créance à forme
statutaire au sens de la loi du 3 août 2012 relative aux
organismes de placement collectif qui répondent aux
conditions de la directive 2009/65/CE et aux organismes
de placement en créances ou d’un organisme de pla-
cement collectif à forme statutaire au sens de la loi du
3 août 2012 précitée ou de la loi du 19 avril 2014 relative
aux organismes de placement collectif alternatifs et à
leurs gestionnaires;
3° d’une entreprise dont l’activité se situe dans le pro-
longement de l’activité d’assurance ou de réassurance,
telle l’intermédiation en assurances et en réassurance
ou le règlement de sinistres;
4° d’une société patrimoniale dans laquelle de telles
personnes ou leur famille détiennent, dans le cadre de la
gestion normale de leur patrimoine, un intérêt significatif.
Les personnes qui participent à la direction effective
d’une société mutualiste d’assurance, peuvent en outre
participer à la gestion journalière d’une mutualité, d’une
union nationale de mutualités ou d’une autre société
mutualiste visée par la loi du 6 août 1990 précitée auprès
de laquelle les membres de cette société mutualiste
d’assurance, peuvent s’affilier.
§ 7. Les entreprises d’assurance ou de réassurance
notifient sans délai à la Banque les fonctions exercées
en dehors de l’entreprise d’assurance ou de réassu-
rance par les personnes visées au paragraphe 1er aux
fins du contrôle du respect des dispositions prévues au
présent article.
La Banque précise les modalités de la communication
prévue à l’alinéa 1er.
Section IV
Gestion des risques
Art. 84
Les entreprises d’assurance ou de réassurance
assurent la maîtrise de leurs risques conformément aux
dispositions de la présente Section.
827
1584/002
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
Art. 85
§ 1. Het risicobeheersysteem waarin artikel 56 voor-
ziet, bestrijkt de risico’s waarmee rekening moet worden
gehouden bij de berekening van het solvabiliteitskapi-
taalvereiste overeenkomstig artikel 151, § 4, alsook de
risico’s waarmee bij die berekening niet of onvolledig
rekening wordt gehouden.
§ 2. Bovendien bestrijkt het risicobeheersysteem
minstens de volgende gebieden:
1° onderschrijving en reservering;
2° beheer van activa/passiva (asset-liability manage-
ment – ALM);
3° beleggingen, in het bijzonder in afgeleide instru-
menten en vergelijkbare verbintenissen;
4° beheer van het liquiditeits- en concentratierisico;
5° beheer van het operationeel risico;
6° herverzekering en andere risicomatigingstechnieken.
De in artikel 42, § 3 bedoelde schriftelijk vastgelegde
beleidslijnen voor het risicobeheer bestaan uit beleids-
lijnen voor de in deze paragraaf opgesomde gebieden.
Art. 86
Wanneer de verzekerings- of herverzekeringsonder-
nemingen de in artikel 129 bedoelde matchingopslag
of de in artikel 131 bedoelde volatiliteitsaanpassing
toepassen, stellen zij een liquiditeitsplan op met een
raming van de inkomende en uitgaande kasstromen in
verband met de activa en passiva waarop die opslagen
en aanpassingen worden toegepast.
Art. 87
Met betrekking tot het beheer van activa/passiva voe-
ren de verzekerings- of herverzekeringsondernemingen
een regelmatige beoordeling uit van:
1° de gevoeligheid van hun technische voorzieningen
en hun in aanmerking komend eigen vermogen voor de
hypothesen die ten grondslag liggen aan de extrapolatie
van de relevante risicovrije rentetermijnstructuur als
bedoeld in artikel 126, § 2;
Art. 85
§ 1er. Le système de gestion des risques prévu à l’ar-
ticle 56, couvre les risques à prendre en considération
dans le calcul du capital de solvabilité requis conformé-
ment à l’article 151, § 4, ainsi que les risques n’entrant
pas ou n’entrant pas pleinement dans ce calcul.
§ 2. En outre, le système de gestion des risques
couvre au moins les domaines suivants:
1° la souscription et le provisionnement;
2° la gestion actif-passif (asset-liability management
– ALM);
3° les investissements, en particulier dans les instru-
ments dérivés et engagements similaires;
4° la gestion du risque de liquidité et de concentration;
5° la gestion du risque opérationnel;
6° la réassurance et les autres techniques d’atténua-
tion du risque.
Les politiques écrites concernant la gestion des
risques visées à l’article 42, § 3, comprennent des
politiques couvrant les domaines énumérés au présent
paragraphe.
Art. 86
Lorsque les entreprises d’assurance ou de réas-
surance appliquent l’ajustement égalisateur visé à
l’article 129 ou la correction pour volatilité visée à
l’article 131, elles établissent un plan de liquidité com-
portant une prévision des flux de trésorerie entrants et
sortants au regard des actifs et passifs faisant l’objet
de ces ajustements et corrections.
Art. 87
En ce qui concerne la gestion des actifs et des pas-
sifs, les entreprises d’assurance ou de réassurance
évaluent régulièrement:
1° la sensibilité de leurs provisions techniques et de
leurs fonds propres éligibles aux hypothèses sous-ten-
dant l’extrapolation de la courbe pertinente des taux
d’intérêt sans risque visée à l’article 126, § 2;
828
1584/002
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
2° bij toepassing van de in artikel 129 bedoelde
matchingsopslag:
a) de gevoeligheid van hun technische voorzieningen
en hun in aanmerking komend eigen vermogen voor
de hypothesen die ten grondslag liggen aan de bere-
kening van de matchingsopslag, met inbegrip van de
berekening van de fundamentele spread als bedoeld
in artikel 130, § 1, 2°, en het mogelijke effect van een
gedwongen verkoop van activa op hun in aanmerking
komend eigen vermogen;
b) de gevoeligheid van hun technische voorzieningen
en hun in aanmerking komend eigen vermogen voor
wijzigingen in de samenstelling van de toegewezen
activaportefeuille;
c) het effect dat een verlaging van de matchingopslag
tot nul zal teweegbrengen;
3° bij toepassing van de in artikel 131 genoemde
volatiliteitsaanpassing:
a) de gevoeligheid van hun technische voorzieningen
en hun in aanmerking komend eigen vermogen voor de
hypothesen die ten grondslag liggen aan de berekening
van de volatiliteitsaanpassing, en het mogelijke effect
van een gedwongen verkoop van activa op hun in aan-
merking komend eigen vermogen;
b) het effect dat een verlaging van de volatiliteitsaan-
passing tot nul zal teweegbrengen.
De verzekerings- of herverzekeringsondernemingen
leggen de in het eerste lid bedoelde beoordelingen
jaarlijks voor aan de Bank in het kader van de informa-
tieverstrekking bedoeld in artikel 312. Indien de verlaging
van de matchingopslag of de volatiliteitsaanpassing tot
nul, zou resulteren in niet-naleving van het solvabiliteits-
kapitaalvereiste, dient de onderneming ook een analyse
in van de maatregelen die zij zou kunnen nemen om het
niveau van het in aanmerking komend eigen vermogen
ter dekking van het solvabiliteitskapitaalvereiste te her-
stellen of het risicoprofiel te verlagen om te garanderen
dat het solvabiliteitskapitaalvereiste wordt nageleefd.
Wanneer de in artikel 131 bedoelde volatiliteits-
aanpassing wordt toegepast, omvat het schriftelijk
vastgelegde beleid inzake risicobeheer als bedoeld
in artikel 42, § 3, een beleid inzake de criteria voor de
toepassing van de volatiliteitsaanpassing.
2° en cas d’application de l’ajustement égalisateur
visé à l’article 129:
a) la sensibilité de leurs provisions techniques et de
leurs fonds propres éligibles aux hypothèses sous-ten-
dant le calcul de l’ajustement égalisateur, y compris le
calcul de la marge fondamentale visé à l’article 130,
§ 1er, 2°, et les effets potentiels d’une vente forcée
d’actifs sur leurs fonds propres éligibles;
b) la sensibilité de leurs provisions techniques et de
leurs fonds propres éligibles aux modifications de la
composition du portefeuille assigné d’actifs;
c) les conséquences d’une réduction de l’ajustement
égalisateur à zéro;
3° en cas d’application de la correction pour volatilité
visée à l’article 131:
a) la sensibilité de leurs provisions techniques et
de leurs fonds propres éligibles aux hypothèses sous-
tendant le calcul de la correction pour volatilité et les
conséquences potentielles d’une vente forcée d’actifs
sur leurs fonds propres éligibles;
b) les conséquences d’une réduction de la correction
pour volatilité à zéro.
Les entreprises d’assurance ou de réassurance
soumettent chaque année les évaluations visées à l’ali-
néa 1er, à la Banque dans le cadre de la communication
d’informations visée à l’article 312. Dans le cas où la
réduction de l’ajustement égalisateur ou de la correction
pour volatilité à zéro aurait pour effet le non-respect du
capital de solvabilité requis, l’entreprise soumet égale-
ment une analyse des mesures qu’elle pourrait prendre
en vue de rétablir le niveau de fonds propres éligibles
correspondant au capital de solvabilité requis ou de
réduire le profil de risque afin de garantir la conformité
du capital de solvabilité requis.
Lorsque la correction pour volatilité visée à l’ar-
ticle 131 est appliquée, la politique écrite en matière de
gestion du risque visée à l’article 42, § 3, comprend une
politique sur les critères d’application de la correction
pour volatilité.
829
1584/002
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
Art. 88
Wat het beleggingsrisico betreft, tonen de verzeke-
rings- of herverzekeringsondernemingen aan dat zij
voldoen aan de bepalingen van de artikelen 190 tot 198.
Art. 89
Om overmatig vertrouwen in externe kredietbe-
oordelingsinstellingen te vermijden, beoordelen de
verzekerings- of herverzekeringsondernemingen bij
het gebruik van externe kredietbeoordelingen bij de
berekening van de technische voorzieningen en het
solvabiliteitskapitaalvereiste de geschiktheid van deze
externe kredietbeoordelingen, in het kader van hun risi-
cobeheer, door in voorkomend geval gebruik te maken
van aanvullende beoordelingen teneinde te voorkomen
dat zij zich automatisch laten leiden door deze externe
beoordelingen.
Art. 90
Bij verzekerings- of herverzekeringsondernemin-
gen die gebruikmaken van een geheel of gedeeltelijk
intern model dat goedgekeurd is overeenkomstig de
artikelen 167 en 168, vervult de risicobeheerfunctie de
volgende extra taken:
1° ontwerpen en toepassen van het interne model;
2° toetsen en valideren van het interne model;
3° bijhouden van informatie over het interne model
en over de daarin aangebrachte wijzigingen;
4° analyseren van de werking van het interne model
en opstellen van samenvattende verslagen daarover.
5° verstrekken van informatie aan het wettelijk be-
stuursorgaan en het directiecomité over de werking van
het interne model en daarbij aangeven waar verbeterin-
gen noodzakelijk zijn, en op de hoogte houden van deze
organen van de vorderingen die gemaakt zijn bij het
verhelpen van eerder geconstateerde zwakke punten.
Art. 88
En ce qui concerne le risque d’investissement, les
entreprises d’assurance ou de réassurance démontrent
qu’elles satisfont aux dispositions des articles 190 à 198.
Art. 89
Afin de se prémunir d’un excès de confiance dans
les établissements externes d’évaluation du crédit
lorsqu’elles utilisent les évaluations externes du crédit
pour le calcul des provisions techniques et du capital
de solvabilité requis, les entreprises d’assurance ou de
réassurance vérifient, dans le cadre de leur gestion des
risques, le bien-fondé des évaluations externes de crédit
en usant, le cas échéant, d’évaluations supplémentaires
afin de se préserver d’une dépendance automatique à
l’égard de ces évaluations externes.
Art. 90
Pour les entreprises d’assurance ou de réassurance
utilisant un modèle interne partiel ou intégral qui a été
approuvé conformément aux articles 167 et 168, la
fonction de gestion des risques recouvre les tâches
supplémentaires suivantes:
1° la conception et la mise en œuvre du modèle
interne;
2° le test et la validation du modèle interne;
3° le suivi documentaire du modèle interne et de toute
modification qui lui est apportée;
4° l’analyse de la performance du modèle interne
et la production de rapports de synthèse concernant
cette analyse;
5° l’information de l’organe légal d’administration et
du comité de direction sur la performance du modèle
interne en suggérant les éléments à améliorer, et la com-
munication à ces organes de l’état d’avancement des
efforts déployés pour remédier aux faiblesses détectées.
830
1584/002
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
Afdeling V
Beoordeling van het eigen risico en de solvabiliteit
(Own Risk and Solvency Assessment)
Art. 91
§ 1. In het kader van haar risicobeheersysteem
beoordeelt elke verzekerings- of herverzekeringson-
derneming haar eigen risico en solvabiliteit (Own Risk
and Solvency Assessment of “ORSA”).
Deze beoordeling heeft minstens betrekking op:
1° de algehele solvabiliteitsbehoeften, waarbij reke-
ning wordt gehouden met het specifieke risicoprofiel
evenals met de algemene risicotolerantielimieten en
de strategie van de onderneming, die goedgekeurd zijn
door het wettelijk bestuursorgaan;
2° of de in Afdeling II van Hoofdstuk VI vastgelegde
kapitaalvereisten en de in Afdeling I, Onderafdeling II
van Hoofdstuk VI vastgelegde vereisten inzake techni-
sche voorzieningen permanent worden nageleefd;
3° de mate waarin het risicoprofiel van de onderne-
ming afwijkt van de hypothesen die ten grondslag liggen
aan het solvabiliteitskapitaalvereiste zoals vastgelegd
in artikel 151 en berekend met de standaardformule
overeenkomstig de artikelen 153 tot 166, of met een
geheel of gedeeltelijk intern model overeenkomstig de
artikelen 167 tot 188.
§ 2. Voor de toepassing van paragraaf 1, tweede lid,
1°, beschikt de onderneming over procedures die in ver-
houding staan tot de aard, de omvang en de complexiteit
van de risico’s die aan haar activiteiten verbonden zijn en
waarmee zij de korte- en langetermijnrisico’s waaraan zij
blootstaat of zou kunnen blootstaan, op adequate wijze
kan identificeren en beoordelen. De onderneming toont
de relevantie aan van de methodes die zij gebruikt voor
deze beoordeling.
§ 3. Wanneer de verzekerings- of herverzekeringson-
derneming de in artikel 129 bedoelde matchingopslag,
de in artikel 131 bedoelde volatiliteitsaanpassing of de
in de artikelen 668 en 669 bedoelde overgangsmaat-
regelen toepast, beoordeelt zij de naleving van de
kapitaalvereisten, als bedoeld in paragraaf 1, tweede
lid, 2°, waarbij deze opslagen, aanpassingen en over-
gangsmaatregelen zowel wel als niet in aanmerking
worden genomen.
Section V
Évaluation interne des risques et de la solvabilité
(Own Risk and Solvency Assessment)
Art. 91
§ 1er. Dans le cadre de son système de gestion des
risques, l’entreprise d’assurance ou de réassurance
procède à une évaluation interne des risques et de la
solvabilité (Own Risk and Solvency Assessment ou
“ORSA”).
Cette évaluation porte au moins sur les éléments
suivants:
1° le besoin global de solvabilité, compte tenu du profil
de risque spécifique ainsi que des limites générales de
la tolérance au risque et de la stratégie de l’entreprise,
approuvées par l’organe légal d’administration;
2° le respect permanent des exigences de capital
prévues à la Section II du Chapitre VI et des exigences
concernant les provisions techniques prévues à la
Section Ire, Sous-section II du Chapitre VI;
3° la mesure dans laquelle le profil de risque de
l’entreprise s’écarte des hypothèses qui sous-tendent
le capital de solvabilité requis prévu à l’article 151,
qu’il soit calculé à l’aide de la formule standard confor-
mément aux articles 153 à 166 ou en recourant à un
modèle interne, partiel ou intégral, conformément aux
articles 167 à 188.
§ 2. Aux fins du paragraphe 1er, alinéa 2, 1°, l’entre-
prise concernée met en place des procédures propor-
tionnées à la nature, à l’ampleur et à la complexité des
risques inhérents à son activité et qui lui permettent
d’identifier et d’évaluer de manière adéquate les risques
auxquels elle est ou pourrait être exposée à court et
long termes. L’entreprise démontre la pertinence des
méthodes qu’elle utilise pour cette évaluation.
§ 3. Lorsque l’entreprise d’assurance ou de
réassurance applique l’ajustement égalisateur visé
à l’article 129, la correction pour volatilité visée à
l’article 131 ou les mesures transitoires visées aux
articles 668 et 669, elle évalue la conformité avec les
exigences de capital visées au paragraphe 1er, alinéa 2,
2°, à la fois en tenant compte et sans tenir compte de
ces ajustements et corrections et mesures transitoires.
831
1584/002
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
§ 4. Bij gebruikmaking van een intern model wordt
de beoordeling in het in paragraaf 1, tweede lid, 3°
bedoelde geval samen met de herkalibratie verricht
waarbij de resultaten van het interne model worden
afgestemd op de risicomaatstaf en de kalibratie van het
solvabiliteitskapitaalvereiste.
§ 5. De beoordeling van het eigen risico en de sol-
vabiliteit maakt integraal deel uit van de strategie van
de onderneming en wordt systematisch in aanmerking
genomen bij de strategische beslissingen van de
onderneming.
§ 6. De verzekerings- of herverzekeringsondernemin-
gen verrichten de in paragraaf 1 bedoelde beoordeling
minstens eenmaal per jaar en verrichten deze onverwijld
na een significante wijziging in hun risicoprofiel.
§ 7. De verzekerings- of herverzekeringsondernemin-
gen stellen de Bank in het kader van de informatiever-
strekking met toepassing van artikel 312 in kennis van
de conclusies van elke beoordeling van het eigen risico
en de solvabiliteit.
§ 8. De beoordeling van het eigen risico en de solva-
biliteit dient niet om een kapitaalvereiste te berekenen.
Het solvabiliteitskapitaalvereiste mag alleen worden
aangepast overeenkomstig de artikelen 323, 373 tot
379 en 383.
Afdeling VI
Uitbesteding
Art. 92
Iedere verzekerings- of herverzekeringsonderneming
die functies, activiteiten of operationele taken uitbe-
steedt, blijft volledig verantwoordelijk voor de nakoming
van al haar verplichtingen uit hoofde van deze wet of de
maatregelen tot uitvoering van Richtlijn 2009/138/EG.
De uitbesteding van operationele taken mag niet tot
het volgende leiden:
1° er wordt wezenlijk afbreuk gedaan aan de kwaliteit
van het governancesysteem van de verzekerings- of
herverzekeringsonderneming;
2° het operationele risico neemt onnodig toe;
3° er wordt afbreuk gedaan aan het vermogen van de
Bank om na te gaan of de verzekerings- of herverzeke-
ringsonderneming de verplichtingen nakomt die door of
§ 4. Dans le cas visé au paragraphe 1er, alinéa 2,
3°, lorsqu’un modèle interne est utilisé, l’évaluation est
effectuée parallèlement au recalibrage qui aligne les
résultats du modèle interne sur la mesure de risque et
le calibrage qui sous-tendent le capital de solvabilité
requis.
§ 5. L’évaluation interne des risques et de la solvabilité
fait partie intégrante de la stratégie d’entreprise et il en
est tenu systématiquement compte dans les décisions
stratégiques de l’entreprise.
§ 6. Les entreprises d’assurance ou de réassurance
procèdent à l’évaluation visée au paragraphe 1er au
moins une fois par an, ainsi qu’immédiatement à la
suite de toute évolution notable de leur profil de risque.
§ 7. Les entreprises d’assurance ou de réassurance
informent la Banque des conclusions de chaque évalua-
tion interne des risques et de la solvabilité, dans le cadre
des informations à fournir en application de l’article 312.
§ 8. L’évaluation interne des risques et de la solvabilité
ne sert pas à calculer un montant de capital requis. Le
capital de solvabilité requis n’est ajusté que conformé-
ment aux articles 323, 373 à 379 et 383.
Section VI
Recours à la sous-traitance
Art. 92
L’entreprise d’assurance ou de réassurance qui
sous-traite des fonctions, activités ou tâches opéra-
tionnelles conserve l’entière responsabilité du respect
de l’ensemble des obligations qui lui incombe en vertu
de la présente loi ou des mesures d’exécution de la
Directive 2009/138/CE.
La sous-traitance de tâches opérationnelles ne peut
pas entraîner l’une des conséquences suivantes:
1° compromettre gravement la qualité du système
de gouvernance de l’entreprise d’assurance ou de
réassurance;
2° accroître indûment le risque opérationnel;
3° compromettre la capacité de la Banque de véri-
fier que l’entreprise d’assurance ou de réassurance
respecte ses obligations prévues par ou en vertu de
832
1584/002
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
krachtens deze wet of door de maatregelen tot uitvoering
van Richtlijn 2009/138/EG zijn opgelegd;
4° de continuïteit en de toereikendheid van de dienst-
verlening aan de verzekeringnemers, de verzekerden
en de begunstigden van verzekeringsovereenkomsten
of de personen die bij de uitvoering van de herverzeke-
ringsovereenkomsten zijn betrokken, wordt ondermijnd.
Vóór de uitbesteding van functies, activiteiten of
operationele taken die belangrijk of kritiek zijn, stellen
de verzekerings- of herverzekeringsondernemingen de
Bank tijdig in kennis daarvan en van latere belangrijke
ontwikkelingen met betrekking tot deze taken.
Afdeling VII
Verrichtingen die beperkt of verboden zijn en betalingen
die nietig kunnen worden verklaard
Art. 93
§ 1. Verzekerings- of herverzekeringsondernemin-
gen mogen rechtstreeks of onrechtstreeks leningen,
kredieten of borgstellingen verlenen aan en verzeke-
ringsovereenkomsten sluiten voor
1° de leden van hun wettelijk bestuursorgaan, de
leden van hun directiecomité of alle personen die
deelnemen aan hun effectieve leiding, en de algemene
lasthebbers;
2° de in artikel 23, eerste lid bedoelde personen en
de leden van hun verschillende organen en de personen
die deelnemen aan hun effectieve leiding;
3° de ondernemingen of instellingen waarin de in 1°
bedoelde personen een gekwalificeerde deelneming
bezitten of een functie uitoefenen als bedoeld in 1°;
4° personen die verbonden zijn met de in 1° bedoelde
personen. Worden in dit verband als “verbonden perso-
nen” beschouwd: echtgenoten, partners die volgens hun
nationaal recht als gelijkwaardig met een echtgenoot of
echtgenote worden aangemerkt en bloedverwanten in
de eerste graad,
onder de voorwaarden, ten belope van de bedragen
en met de normale marktwaarborgen.
Van de in het eerste lid bedoelde leningen, kre-
dieten en borgstellingen moet uitdrukkelijk kennis
worden gegeven binnen een termijn die het wettelijk
bestuursorgaan in staat stelt zich ertegen te verzetten,
la présente loi ou par les mesures d’exécution de la
Directive 2009/138/CE;
4° nuire à la prestation continue d’un niveau de ser-
vice satisfaisant à l’égard des preneurs d’assurance,
des assurés et des bénéficiaires de contrats d’assu-
rance ou des personnes concernées par l’exécution
des contrats de réassurance.
Les entreprises d’assurance ou de réassurance
informent préalablement et en temps utile la Banque
de leur intention de sous-traiter des fonctions, activités
ou tâches opérationnelles, qui sont importantes ou cri-
tiques, ainsi que de toute évolution ultérieure importante
concernant ces tâches.
Section VII
Opérations sujettes à limitations ou à interdiction et
paiements sujets à nullité
Art. 93
§ 1er. Les entreprises d’assurance ou de réassurance
ne peuvent consentir, directement ou indirectement,
des prêts, des crédits ou des garanties et des contrats
d’assurance
1° aux membres de leur organe légal d’administration,
aux membres de leur comité de direction ou à toutes
personnes participant à leur direction effective ainsi
qu’aux mandataires généraux;
2° aux personnes visées à l’article 23, alinéa 1er ainsi
qu’aux membres de leurs différents organes et aux
personnes participant à leur direction effective;
3° aux entreprises ou institutions dans lesquelles les
personnes visées au 1° détiennent une participation
qualifiée ou exercent une fonction visée au 1°;
4° aux personnes apparentées aux personnes visées
au 1°. Sont considérées, à cette fin, comme “personnes
apparentées”, les conjoints, les partenaires considé-
rés selon leur droit national comme l’équivalent d’un
conjoint et les parents au premier degré,
qu’aux conditions, à concurrence des montants et
moyennant les garanties normales du marché.
Les prêts, crédits et garanties visés à l’alinéa 1er
doivent faire l’objet d’une information expresse, dans
un délai permettant à l’organe légal d’administration de
s’y opposer, lorsqu’ils excèdent, sur base cumulée pour
833
1584/002
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
wanneer zij op cumulatieve basis voor een bepaalde
persoon, onderneming of instelling meer bedragen dan
100 000 euro. Ongeacht het orgaan dat moet beslissen,
mogen de leden die een rechtstreeks of onrechtstreeks
persoonlijk of functioneel belang hebben, geen zitting
hebben.
De in het tweede lid bedoelde leningen, kredieten
en borgstellingen worden ter kennis gebracht van de
Bank volgens de frequentie en de regels die zij bepaalt.
Wanneer de in het eerste lid bedoelde verrichtingen
niet tegen de normale marktvoorwaarden worden
gesloten, kan de Bank eisen dat de overeengekomen
voorwaarden worden aangepast op de datum waarop
deze verrichtingen uitwerking hadden. Zo niet zijn de
leden van het wettelijk bestuursorgaan die de beslissing
hebben genomen, tegenover de onderneming hoofdelijk
aansprakelijk voor het verschil.
§ 2. In afwijking van de bepalingen van het Wetboek
van Vennootschappen en niettegenstaande paragraaf
1, mogen rechtstreeks of onrechtstreeks geen leningen,
kredieten of borgstellingen worden verleend, ook niet
via een krediet- of een borgtochtverzekeringsovereen-
komst, aan personen om hen in staat te stellen recht-
streeks of onrechtstreeks in te schrijven op aandelen
of andere effecten die recht geven op dividenden van
de verzekerings- of herverzekeringsonderneming of
van een vennootschap waarmee er een nauwe band
bestaat of die het recht verlenen om dergelijke effecten
te verwerven, of om dergelijke aandelen of andere ef-
fecten te verwerven.
Art. 94
In geval van faillissement van een verzekerings- of
herverzekeringsonderneming zijn, met betrekking tot de
boedel, alle betalingen nietig en zonder gevolg die deze
onderneming, hetzij in contanten, hetzij anderszins,
heeft gedaan aan de leden van haar wettelijk bestuurs-
orgaan en de leden van haar directiecomité, in de vorm
van tantièmes of andere winstdeelnemingen, in de loop
van de twee jaren die voorafgaan aan het tijdstip dat
door de rechtbank is vastgesteld als het ogenblik waarop
zij haar betalingen heeft gestaakt.
Het eerste lid is niet van toepassing wanneer de
rechtbank erkent dat geen enkele door deze personen
begane kennelijk grove fout tot het faillissement heeft
bijgedragen.
une personne, une entreprise ou une institution donnée,
le montant de 100 000 euros. Quel que soit l’organe
appelé à statuer, les membres ayant un intérêt person-
nel ou fonctionnel direct ou indirect ne peuvent siéger.
Les prêts, crédits et garanties visés à l’alinéa 2 sont
notifiés à la Banque selon la périodicité et les modalités
que celle-ci détermine.
La Banque peut, si les opérations visées à l’alinéa 1er,
n’ont pas été conclues aux conditions normales du mar-
ché, exiger l’adaptation des conditions convenues à la
date où ces opérations ont sorti leurs effets. À défaut,
les membres de l’organe légal d’administration qui ont
pris la décision sont solidairement responsables de la
différence envers l’entreprise.
§ 2. Par dérogation aux dispositions du Code des
sociétés et nonobstant le paragraphe 1er, aucun prêt,
crédit ou garantie, en ce compris par la voie d’un contrat
d’assurance-crédit ou d’assurance-caution, ne peut être
consenti, directement ou indirectement, à une personne
en vue de lui permettre, directement ou indirectement,
d’acquérir ou de souscrire des actions ou parts ou
tous autres titres conférant un droit aux dividendes, de
l’entreprise d’assurance ou de réassurance ou d’une
société avec laquelle il existe un lien étroit, ou conférant
le droit d’acquérir de tels titres.
Art. 94
En cas de faillite d’une entreprise d’assurance ou de
réassurance, sont nuls et sans effet relativement à la
masse, les paiements effectués par cette entreprise, soit
en espèces, soit autrement, à ses membres de l’organe
légal d’administration et ses membres du comité de
direction, à titre de tantièmes ou autres participations
aux bénéfices, au cours des deux années qui précèdent
l’époque déterminée par le tribunal comme étant celle
de la cessation de ses paiements.
L’alinéa 1er ne s’applique pas si le tribunal reconnaît
qu’aucune faute grave et caractérisée de ces personnes
n’a contribué à la faillite.
834
1584/002
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
Afdeling VII
Mededeling van informatie over de situatie van de
verzekerings- of herverzekeringsonderneming
Art. 95
Rekening houdend met de informatie vereist in
artikel 312, § 3 en de beginselen van artikel 312, § 4,
publiceren de verzekerings- of herverzekeringsonder-
nemingen jaarlijks een verslag over hun solvabiliteit en
financiële positie (Solvency and Financial condition
Report of “SFCR” ).
Art. 96
§ 1. Het in artikel 95 bedoelde verslag over de
solvabiliteit en de financiële positie bevat de volgende
informatie:
1° een beschrijving van de activiteiten en de resulta-
ten van de onderneming;
2° een beschrijving van het governancesysteem en
een beoordeling van de mate waarin het is afgestemd
op het risicoprofiel van de onderneming;
3° een beschrijving, voor elke risicocategorie afzon-
derlijk, van de risicopositie, -concentratie, -matiging en
-gevoeligheid;
4° een beschrijving, voor de activa, technische voor-
zieningen en andere passiva afzonderlijk, van de voor de
waardering ervan gehanteerde grondslagen en metho-
des, met een uitleg over de belangrijkste verschillen met
de grondslagen en methodes die voor de waardering
ervan worden gehanteerd in de financiële staten;
5° een beschrijving van de wijze waarop het regle-
mentair kapitaal wordt beheerd, waaronder minstens
de volgende elementen:
a) de structuur en het bedrag van het kapitaal, alsook
de kwaliteit ervan;
b) het bedrag van het solvabiliteitskapitaalvereiste en
van het minimumkapitaalvereiste;
c) de in artikel 162 bedoelde optie voor de berekening
van het solvabiliteitskapitaal-vereiste;
d) informatie die inzicht verschaft in de belangrijkste
verschillen tussen de hypothesen die ten grondslag
liggen aan respectievelijk de standaardformule en enig
Section VII
Communication d’informations sur la situation de
l’entreprise d’assurance ou de réassurance
Art. 95
Les entreprises d’assurance ou de réassurance pu-
blient annuellement, en tenant compte des informations
requises à l’article 312, § 3, et des principes énoncés
à l’article 312, § 4, un rapport sur leur solvabilité et leur
situation financière (Solvency and Financial Condition
Report ou “SFCR” ).
Art. 96
§ 1er. Le rapport sur la solvabilité et la situation
financière visé à l’article 95 contient les informations
suivantes:
1° une description de l’activité et des résultats de
l’entreprise;
2° une description du système de gouvernance et
une appréciation de son adéquation au profil de risque
de l’entreprise;
3° une description, effectuée séparément pour
chaque catégorie de risque, de l’exposition au risque,
des concentrations de risque, de l’atténuation du risque
et de la sensibilité au risque;
4° une description, effectuée séparément pour les
actifs, les provisions techniques et les autres passifs,
des bases et méthodes utilisées aux fins de leur éva-
luation, assortie d’une explication de toute différence
majeure existant dans les bases et méthodes utilisées
aux fins de leur évaluation dans les états financiers;
5° une description de la façon dont le capital régle-
mentaire est géré, comprenant au moins les éléments
suivants:
a) la structure et le montant du capital, ainsi que sa
qualité;
b) les montants du capital de solvabilité requis et du
minimum de capital requis;
c) l’option visée à l’article 162 qui est utilisée pour le
calcul du capital de solvabilité requis;
d) des informations permettant de bien comprendre
les principales différences existant entre les hypothèses
sous-jacentes de la formule standard et celles de tout
835
1584/002
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
door de onderneming gehanteerd intern model voor de
berekening van haar solvabiliteitskapitaalvereiste;
e) wanneer tijdens de rapporteringsperiode niet wordt
voldaan aan het minimumkapitaalvereiste of duidelijk
niet is voldaan aan het solvabiliteitskapitaalvereiste,
en zelfs als de problemen inmiddels zijn opgelost: het
bedrag van het tekort, met een uitleg over de oorzaak
en de gevolgen ervan, waarbij ook wordt vermeld welke
corrigerende maatregelen zijn getroffen.
§ 2. Wanneer de matchingopslag als bedoeld in
artikel 129 wordt toegepast, bevat de in paragraaf 1,
4° bedoelde beschrijving ook een beschrijving van de
matchingopslag en van de portefeuille van verplichtin-
gen en toegewezen activa waarop de matchingopslag
wordt toegepast, alsook een kwantificering van het effect
van een wijziging van de matchingopslag tot nul op de
financiële positie van de onderneming.
De in paragraaf 1, 4° bedoelde beschrijving bevat ook
een verklaring waarin wordt aangegeven of de in arti-
kel 131 bedoelde volatiliteitsaanpassing wordt toegepast
door de onderneming, evenals een kwantificering van
het effect van een wijziging van de volatiliteitsaanpas-
sing tot nul op de financiële positie van de onderneming.
§ 3. De in paragraaf 1, 5°, a) bedoelde beschrijving
bevat een analyse van alle belangrijke veranderingen
ten opzichte van de vorige rapporteringsperiode en een
uitleg over alle belangrijke verschillen in de waarde van
de betrokken elementen in de financiële staten, evenals
een korte beschrijving van de overdraagbaarheid van
het kapitaal.
§ 4. In de in paragraaf 1, 5°, b) bedoelde informatie
over het solvabiliteitskapitaalvereiste worden het be-
drag dat overeenkomstig de bepalingen van Afdeling II
van Hoofdstuk VI is berekend, en het bedrag van de
eventuele kapitaalopslagfactor die overeenkomstig
artikel 323 is opgelegd, of het effect van de specifieke
parameters die de verzekerings- of herverzekerings-
onderneming krachtens artikel 166 dient te hanteren,
afzonderlijk vermeld. Daarbij wordt beknopte informatie
gevoegd over de reden waarom de Bank die kapitaal-
opslagfactor heeft opgelegd.
In de informatie over het solvabiliteitskapitaalvereiste
wordt in voorkomend geval vermeld dat het definitieve
bedrag ervan beoordeeld moet worden in het kader van
het toezicht dat door de Bank wordt uitgeoefend.
§ 5. De krachtens dit artikel vereiste informatie wordt
integraal gepubliceerd of, mits de Bank dit toestaat, on-
der verwijzing naar informatie die qua aard en strekking
modèle interne utilisé par l’entreprise pour calculer son
capital de solvabilité requis;
e) en cas de manquement à l’exigence de mini-
mum de capital requis ou de manquement significatif
à l’exigence de capital de solvabilité requis, survenu
durant la période examinée et nonobstant le fait que le
problème aurait été résolu par la suite, le montant de
l’écart constaté assorti d’une explication relative à son
origine et à ses conséquences, ainsi qu’à toute mesure
corrective qui aurait été prise.
§ 2. Dans le cas où l’ajustement égalisateur visé à
l’article 129 est appliqué, la description visée au para-
graphe 1er, 4° inclut une description de l’ajustement
égalisateur et du portefeuille d’obligations ainsi que
des actifs du portefeuille assigné auxquels s’applique
l’ajustement égalisateur, ainsi qu’une quantification des
effets d’une annulation de l’ajustement égalisateur sur
la situation financière de l’entreprise.
La description visée au paragraphe 1er, 4° comprend
également une déclaration indiquant si la correction pour
volatilité visée à l’article 131 est utilisée par l’entreprise
concernée ainsi qu’une quantification des effets d’une
annulation de la correction pour volatilité sur la situation
financière de l’entreprise.
§ 3. La description visée au paragraphe 1er, 5°, a),
comprend une analyse de tout changement important
survenu par rapport à la précédente période exami-
née et une explication de toute différence importante
observée, dans les états financiers, dans la valeur des
éléments considérés, ainsi qu’une brève description de
la transférabilité du capital.
§ 4. La publication du capital de solvabilité requis
visée au paragraphe 1er, 5°, b), indique séparément le
montant calculé conformément aux dispositions de la
Section II du Chapitre VI, et le montant de toute exigence
de capital supplémentaire imposée conformément à
l’article 323, ou l’effet des paramètres spécifiques que
l’entreprise d’assurance ou de réassurance est tenue
d’utiliser en vertu de l’article 166. Cette publication est
assortie d’une information concise quant à la raison
pour laquelle la Banque a imposé cette exigence de
capital supplémentaire.
La publication du capital de solvabilité requis est
assortie, le cas échéant, d’une indication selon laquelle
son montant définitif reste subordonné à une évaluation
dans le cadre du contrôle exercé par la Banque.
§ 5. Les informations exigées en vertu du présent
article sont publiées in extenso ou, moyennant l’autori-
sation de la Banque, par référence à des informations
836
1584/002
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
gelijkwaardig is en die in het kader van andere wettelijke
of reglementaire bepalingen gepubliceerd is.
Art. 97
§ 1. Bij belangrijke ontwikkelingen die duidelijk van
invloed zijn op de relevantie van de informatie die krach-
tens de artikelen 95 en 96 wordt meegedeeld, maken de
verzekerings- of herverzekeringsondernemingen pas-
sende informatie bekend over de aard en de gevolgen
van die belangrijke ontwikkeling.
§ 2. Voor de toepassing van paragraaf 1 worden in
elk geval als belangrijke ontwikkelingen aangemerkt:
1° de vaststelling dat het minimumkapitaalvereiste
niet wordt nageleefd en het feit dat de Bank de onder-
neming niet in staat acht om haar een realistisch plan
inzake financiering op korte termijn voor te leggen of dat
zij dit plan niet ontvangt binnen een maand na de datum
waarop de niet-naleving werd vastgesteld;
2° de vaststelling dat het solvabiliteitskapitaalvereiste
duidelijk niet wordt nageleefd en het feit dat de Bank
geen realistisch saneringsplan ontvangt binnen twee
maanden na de datum waarop de niet-naleving werd
vastgesteld.
In het geval bedoeld in het eerste lid, 1°, maakt de
onderneming onmiddellijk het tekortschietende bedrag
bekend en geeft zij daarbij uitleg over de oorzaak en de
gevolgen ervan, waarbij ook wordt vermeld welke cor-
rigerende maatregelen zijn getroffen. Wanneer ondanks
een in eerste instantie realistisch geacht plan inzake
financiering op korte termijn, de niet-naleving van het mi-
nimumkapitaalvereiste drie maanden na de vaststelling
ervan nog niet is verholpen, wordt het tekortschietende
bedrag aan het eind van deze periode bekendgemaakt
en wordt daarbij uitleg gegeven over de oorzaak en de
gevolgen ervan, waarbij ook wordt vermeld welke cor-
rigerende maatregelen zijn getroffen en welke verdere
corrigerende maatregelen zijn gepland.
In het geval bedoeld in het eerste lid, 2°, maakt de
onderneming onmiddellijk het tekortschietende bedrag
bekend en geeft zij daarbij uitleg over de oorzaak en de
gevolgen ervan, waarbij ook wordt vermeld welke cor-
rigerende maatregelen zijn getroffen. Wanneer ondanks
een in eerste instantie realistisch geacht saneringsplan
de duidelijke niet-naleving van het solvabiliteitskapitaal-
vereiste zes maanden na de vaststelling ervan nog niet
is verholpen, wordt het tekortschietende bedrag aan het
eind van deze periode bekendgemaakt en wordt daarbij
équivalentes, dans leur nature et dans leur portée,
publiées en vertu d’autres dispositions légales ou
réglementaires.
Art. 97
§ 1er. En cas d’événement majeur affectant significa-
tivement la pertinence des informations communiquées
en vertu des articles 95 et 96, les entreprises d’assu-
rance ou de réassurance publient des informations
appropriées sur la nature et les effets dudit événement
majeur.
§ 2. Aux fins du paragraphe 1er, sont au moins consi-
dérées comme un événement majeur les circonstances
suivantes:
1° l’observation d’un écart par rapport au minimum
de capital requis et le fait que la Banque considère que
l’entreprise ne sera pas en mesure de lui soumettre un
plan réaliste de financement à court terme ou qu’elle
n’obtient pas ce plan dans un délai d’un mois à compter
de la date où l’écart a été observé;
2° l’observation d’un écart important par rapport
au capital de solvabilité requis et le fait que la Banque
n’obtient pas de programme réaliste de rétablissement
dans un délai de deux mois à compter de la date où
l’écart a été observé.
Dans le cas visé à l’alinéa 1er, 1°, l’entreprise publie
immédiatement le montant de l’écart constaté, assorti
d’une explication quant à son origine et ses consé-
quences et quant à toute mesure corrective qui aurait
été prise. Si, en dépit d’un plan de financement à court
terme initialement considéré comme réaliste, un écart
par rapport au minimum de capital requis n’a pas été
corrigé trois mois après qu’il a été constaté, le montant
de cet écart est publié à l’expiration de ce délai, avec
une explication quant à son origine et ses conséquences
y compris quant aux mesures correctives prises et à
toute nouvelle mesure corrective prévue.
Dans le cas visé à l’alinéa 1er, 2°, l’entreprise publie
immédiatement le montant de l’écart constaté, assorti
d’une explication quant à son origine et ses consé-
quences et quant à toute mesure corrective qui aurait été
prise. Si, en dépit d’un programme de rétablissement ini-
tialement considéré comme réaliste, un écart important
par rapport au capital de solvabilité requis n’a pas été
corrigé six mois après qu’il a été constaté, le montant de
cet écart est publié à l’expiration de ce délai, avec une
explication quant à son origine et ses conséquences, y
837
1584/002
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
uitleg gegeven over de oorzaak en de gevolgen ervan,
waarbij ook wordt vermeld welke corrigerende maat-
regelen zijn getroffen en welke verdere corrigerende
maatregelen zijn gepland.
Art. 98
Naast de al krachtens de artikelen 95 tot 97 verplicht
bekend te maken informatie of uitleg over hun solvabi-
liteit en hun financiële positie mogen verzekerings- of
herverzekeringsondernemingen uit eigen beweging ook
alle andere informatie en uitleg hierover bekendmaken.
Art. 99
De verzekerings- of herverzekeringsondernemingen
beschikken over passende structuren en systemen om
aan de vereisten van de artikelen 95 tot 97 te voldoen,
en over een schriftelijk vastgelegd beleid dat waarborgt
dat de overeenkomstig de artikelen 95 tot 97 bekend-
gemaakte informatie altijd adequaat is.
Art. 100
De Bank kan toestaan dat een verzekerings- of
herverzekeringsonderneming informatie als bedoeld in
artikel 96, § 1, 1° tot 4°, en § 2, niet bekendmaakt indien:
1° door de bekendmaking van die informatie de
concurrenten van de onderneming duidelijk onterecht
worden bevoordeeld;
2° de onderneming wegens verplichtingen jegens de
verzekeringnemers of relaties met andere tegenpartijen,
een geheimhoudingsplicht heeft.
Wanneer de Bank heeft toegestaan dat bepaalde
informatie niet bekend wordt gemaakt, vermeldt de
betrokken onderneming dit in haar verslag over haar
solvabiliteit en haar financiële positie, met opgave van
de redenen hiervoor.
In het geval van een verzekeringsonderneming kan
de in dit artikel bedoelde toestemming maar worden
verleend of geweigerd nadat de Bank het advies van
de FSMA heeft gevraagd. Deze laatste verleent haar
advies binnen vijftien dagen na de ontvangst van het
verzoek. Afwezigheid van advies binnen deze termijn
geldt als een gunstig advies.
compris quant aux mesures correctives prises et à toute
nouvelle mesure corrective prévue.
Art. 98
Les entreprises d’assurance ou de réassurance
peuvent publier à leur initiative toute information ou
explication relative à leur solvabilité et à leur situation
financière dont la publication n’est pas déjà exigée en
vertu des articles 95 à 97.
Art. 99
Les entreprises d’assurance ou de réassurance
mettent en place des structures et des systèmes
appropriés pour satisfaire aux exigences énoncées aux
articles 95 à 97 , ainsi qu’une politique écrite visant à
garantir l’adéquation permanente de toute information
publiée conformément aux articles 95 à 97.
Art. 100
La Banque peut autoriser une entreprise d’assurance
ou de réassurance à ne pas publier une information
visée à l’article 96, § 1er, 1° à 4°, et § 2, dans les cas où:
1° la publication de cette information conférerait aux
concurrents de l’entreprise concernée un avantage
indu important;
2° l’entreprise est tenue à une obligation de confi-
dentialité en raison d’obligations à l’égard des preneurs
d’assurance ou de relations avec d’autres contreparties.
Lorsque la non-publication d’une information est
autorisée par la Banque, l’entreprise concernée l’in-
dique dans son rapport sur sa solvabilité et sa situation
financière et en explique les raisons.
Dans le cas d’une entreprise d’assurance, l’autorisa-
tion visée au présent article n’est accordée ou refusée
qu’après que la Banque ait sollicité l’avis de la FSMA.
Cette dernière rend son avis dans les quinze jours de
la réception de la demande. L’absence d’avis endéans
ce délai équivaut à un avis favorable.
838
1584/002
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
Art. 101
De Bank kan de inhoud en de wijze van indiening van
de in deze Afdeling bedoelde informatie preciseren bij
reglement vastgesteld met toepassing van artikel 12bis,
§ 2 van de wet van 22 februari 1998.
HOOFDSTUK IV
Portefeuilleoverdracht en andere bijzondere
verrichtingen
Art. 102
De voorafgaande toestemming van de Bank is vereist
voor:
1° de strategische beslissingen van een verzekerings-
of herverzekeringsonderneming;
2° fusies waarbij een verzekerings- of herverzeke-
ringsonderneming is betrokken, evenals splitsingen
van verzekerings- of herverzekeringsondernemingen;
3° de overdracht van alle of een deel van de activi-
teiten, met inbegrip van de volledige of de gedeeltelijke
overdracht van een portefeuille, waardoor de rechten en
verplichtingen die voortvloeien uit de verzekerings- of
herverzekeringsovereenkomsten worden overgedragen.
De Bank beslist binnen drie maanden na ontvangst
van een volledig dossier van het project. Zij mag haar
toestemming enkel weigeren om redenen die verband
houden met het vermogen van de onderneming om
te voldoen aan de bepalingen die door of krachtens
deze wet of de maatregelen tot uitvoering van Richtlijn
2009/138/EG zijn opgelegd of die verband houden met
een gezond en voorzichtig beleid van de onderneming
of indien de beslissing de stabiliteit van het financiële
stelsel ernstig zou kunnen aantasten. Als zij niet binnen
de voornoemde termijn optreedt, wordt de toestemming
geacht te zijn verkregen, onverminderd artikel 104, § 1,
2°.
Wanneer ze betrekking hebben op verzekeringsover-
eenkomsten ter dekking van in België gelegen risico’s
of verbintenissen, zijn de in het eerste lid, 3° bedoelde
overdrachten ten gunste van een verzekeringsonderne-
ming van een derde land slechts toegestaan indien het
Belgische bijkantoor van die verzekeringsonderneming
als overnemer optreedt en daardoor gehouden is tot
naleving van de wettelijke en reglementaire beperkin-
gen die inherent zijn aan de overgedragen risico’s en
verbintenissen.
Art. 101
La Banque peut préciser le contenu et les modalités
de présentation des informations prévues à la présente
Section, par voie de règlement adopté en application de
l’article 12bis, § 2 de la loi du 22 février 1998.
CHAPITRE IV
Transfert de portefeuille et autres opérations
particulières
Art. 102
Sont soumises à l’autorisation préalable de la
Banque:
1° les décisions stratégiques d’une entreprise
d’assurance ou de réassurance;
2° les fusions impliquant une entreprise d’assurance
ou de réassurance ainsi que les scissions d’entreprises
d’assurance ou de réassurance;
3° la cession de tout ou partie des activités, en ce
compris tout ou partie d’un portefeuille impliquant la
cession des droits et obligations découlant des contrats
d’assurance ou de réassurance.
La Banque se prononce dans les trois mois de la
réception d’un dossier complet du projet. Elle ne peut
refuser son autorisation que pour des motifs tenant
à la capacité de l’entreprise à satisfaire aux disposi-
tions prévues par ou en vertu de la présente loi ou des
mesures d’exécution de la Directive 2009/138/CE ou
tenant à la gestion saine et prudente de l’entreprise ou
si la décision est susceptible d’affecter de façon signifi-
cative la stabilité du système financier. Sans préjudice
de l’article 104, § 1er, 2°, si elle n’intervient pas dans le
délai fixé ci-dessus, l’autorisation est réputée acquise.
En outre, lorsqu’elles portent sur des contrats
d’assurance relatifs à des risques ou des engagements
situés en Belgique, les cessions visées à l’alinéa 1er, 3°
au bénéfice d’une entreprise d’assurance d’un pays
tiers ne sont autorisées que si la succursale belge de
cette entreprise d’assurance intervient en qualité de
cessionnaire impliquant le respect dans son chef des
contraintes légales et réglementaires inhérentes aux
risques et engagements cédés.
839
1584/002
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
Art. 103
De Bank bepaalt per geval, naargelang van de spe-
cifieke kenmerken van de verrichting en van de betrok-
ken onderneming of de betrokken ondernemingen, de
inhoud van het dossier over de in artikel 102 bedoelde
verrichtingen. Het dossier over de in artikel 102, eerste
lid, 3° bedoelde verrichtingen bevat ten minste:
1° de identificatie van de tegenpartij bij de overeen-
komst tot overdracht;
2° een beschrijving van de over te dragen
overeenkomsten;
3° de over te dragen actief- en passiefbestanddelen;
4° de vermelding van de lidstaten en de derde lan-
den waar de over te dragen risico’s en verbintenissen
gelegen zijn;
5° de vermelding van de lidstaten waar de overdra-
gende onderneming een bijkantoor heeft dat bij de
overdracht betrokken is;
6° alle andere informatie die door de Bank wordt
opgevraagd in het kader van de goedkeuring van de
overdracht.
Art. 104
§ 1. Behoudens de in artikel 102, tweede lid bedoelde
voorwaarden kan de toestemming van de Bank maar
worden verleend voor verrichtingen als bedoeld in arti-
kel 102, eerste 1, 3°, indien voldaan is aan de volgende
voorwaarden:
1° indien de overnemende onderneming onder het
recht van een andere lidstaat ressorteert, dienen de
toezichthouders van die lidstaat te hebben verklaard
dat deze onderneming, mede gelet op de voorgenomen
overdracht, het vereiste in aanmerking komend eigen
vermogen bezit ter dekking van het solvabiliteitskapi-
taalvereiste als bedoeld in de wetgeving die op deze
onderneming van toepassing is;
2° wanneer de toestemming wordt gevraagd door
een verzekeringsonderneming, in haar hoedanigheid
van overdragende onderneming, is voor de gehele of
de gedeeltelijke overdracht van een portefeuille van ver-
zekeringsovereenkomsten die afgesloten zijn via een in
een andere lidstaat gevestigd bijkantoor of in het kader
van het vrij verrichten van diensten, bovendien de voor-
afgaande instemming vereist van de toezichthouders
van de betrokken lidstaten van ontvangst. Hiertoe deelt
Art. 103
La Banque détermine, au cas par cas, en fonction
des particularités de l’opération et de l’entreprise con-
cernée ou des entreprises concernées, le contenu du
dossier relatif aux opérations visées à l’article 102. À
tout le moins, le dossier relatif aux opérations visées à
l’article 102, alinéa 1er, 3° contient:
1° l’identification de la contrepartie à la convention
de cession;
2° une description des contrats à transférer;
3° les éléments d’actif et de passif à transférer;
4° l’indication des États membres et des pays tiers où
les risques et les engagements à transférer sont situés;
5° l’indication des États membres dans lesquels
l’entreprise cédante possède une succursale concernée
par le transfert;
6° toute autre information demandée par la Banque
en vue de l’autorisation de la cession.
Art. 104
§ 1er. Outre les conditions visées à l’article 102, alinéa
2, l’accord de la Banque ne peut être donné concernant
des opérations visées à l’article 102, alinéa 1er, 3°, que
s’il est satisfait aux conditions suivantes:
1° si l’entreprise cessionnaire relève du droit d’un
autre État membre, les autorités de contrôle de cet État
ont attesté que cette entreprise possède, compte tenu
de la cession envisagée, les fonds propres éligibles
nécessaires pour couvrir le capital de solvabilité requis
en vertu de la législation dont cette entreprise relève;
2° lorsque l’autorisation est demandée par une entre-
prise d’assurance, en qualité d’entreprise cédante, la
cession de tout ou partie d’un portefeuille de contrats
d’assurance souscrits par la voie d’une succursale
située dans une autre État membre ou du régime de
libre prestation de services, requiert, en outre, l’accord
préalable des autorités de contrôle des États membres
d’accueil concernés. À cette fin, la Banque communique
sans délai le projet de cession aux autorités de contrôle
840
1584/002
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
de Bank onverwijld het voorstel van overdracht mee aan
de toezichthouders van de betrokken lidstaten. Indien
die toezichthouders niet gereageerd hebben binnen een
termijn van drie maanden na hun raadpleging, worden
zij geacht te hebben ingestemd.
§ 2. Wanneer de Bank geraadpleegd wordt door de
toezichthouders van een lidstaat over een verrichting
als bedoeld in artikel 102, eerste lid, 3° waarbij een
verzekerings- of herverzekeringsonderneming naar
Belgisch recht als overnemer optreedt, levert de Bank
binnen drie maanden na de ontvangst van het verzoek,
een attest af waarin al dan niet bevestigd wordt dat de
overnemende onderneming, mede gelet op de voorge-
nomen overdracht, het vereiste in aanmerking komend
eigen vermogen ter dekking van het solvabiliteitskapi-
taalvereiste als bedoeld in artikel 151 bezit.
Art. 105
De Bank stelt de FSMA in kennis van de aanvragen
tot goedkeuring van overdrachten van verzekerings-
overeenkomsten die zij ontvangt met toepassing van
artikel 102, eerste lid, 3°, alsook van haar beslissingen
daarover.
Art. 106
De Bank publiceert in het Belgisch Staatsblad een
uittreksel van elke beslissing tot goedkeuring, met toe-
passing van artikel 102, eerste lid, 2° en 3°, van een
fusie of een overdracht van rechten en verplichtingen die
voortvloeien uit verzekerings- of herverzekeringsover-
eenkomsten. Onverminderd de artikelen 17 en 18 van de
Wet Verzekeringen is elke gehele of gedeeltelijke over-
dracht van de rechten en verplichtingen die voortvloeien
uit deze verrichtingen tegenwerpbaar aan derden, met
name aan de verzekeringnemers, de verzekerden en
de begunstigden, zodra de goedkeuring van de Bank
in het Belgisch Staatsblad gepubliceerd is.
De in het eerste lid bedoelde uittreksels worden ter
informatie ook op de website van de Bank gepubliceerd.
Het is niet mogelijk om de overdrachten die de Bank
heeft goedgekeurd krachtens artikel 102, eerste lid, 2°
en 3°, nietig of niet-tegenwerpbaar te verklaren krach-
tens artikel 1167 van het Burgerlijk Wetboek of van
de artikelen 17, 18 of 20 van de faillissementswet van
8 augustus 1997.
des États membres concernés. En l’absence de réaction
de ces autorités dans un délai de trois mois suivant leur
consultation, l’accord de ces autorités est présumé.
§ 2. Lorsque la Banque est consultée par les autorités
de contrôle d’un État membre concernant une opération
visée à l’article 102, alinéa 1er, 3° à laquelle une entre-
prise d’assurance ou de réassurance de droit belge
intervient en qualité de cessionnaire, la Banque émet,
dans les trois mois de la réception de la demande, une
attestation indiquant si l’entreprise cessionnaire pos-
sède, compte tenu de la cession envisagée, les fonds
propres éligibles nécessaires pour couvrir le capital de
solvabilité requis visé à l’article 151.
Art. 105
La Banque informe la FSMA des demandes d’auto-
risation de cession de contrats d’assurance dont elle
est saisie en application de l’article 102, alinéa 1er, 3°,
ainsi que des décisions qu’elle prend les concernant.
Art. 106
La Banque procède à la publication au Moniteur
belge d’un extrait de toute décision d’autorisation, en
application de l’article 102, alinéa 1er, 2° et 3°, d’une
fusion ou d’une cession de droits et obligations décou-
lant de contrats d’assurance ou de réassurance. Sans
préjudice des articles 17 et 18 de la Loi assurances,
toute cession totale ou partielle des droits et obligations
résultant de ces opérations est opposable aux tiers,
notamment les preneurs d’assurance, les assurés et
les bénéficiaires, dès la publication au Moniteur belge
de l’autorisation de la Banque.
Les extraits visés à l’alinéa 1er font également l’objet
d’une publicité à titre d’information sur le site internet
de la Banque.
Les cessions autorisées par la Banque en vertu
de l’article 102, alinéa 1er, 2° et 3°, ne peuvent faire
l’objet d’une nullité ou inopposabilité en vertu de l’ar-
ticle 1167 du Code civil ou des articles 17, 18 ou 20 de
la loi du 8 août 1997 sur les faillites.
841
1584/002
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
HOOFDSTUK V
Uitoefening van verzekerings- of
herverzekeringsactiviteiten in het buitenland
Afdeling I
Oprichting of verwerving van dochterondernemingen in het
buitenland
Art. 107
Iedere verzekerings- of herverzekeringsonderneming
die voornemens is om rechtstreeks of onrechtstreeks, in
het buitenland een dochteronderneming te verwerven
of op te richten die het verzekerings- of herverzeke-
ringsbedrijf uitoefent, stelt de Bank daarvan in kennis.
De betrokken verzekerings- of herverzekeringsonder-
neming voegt bij de in het eerste lid bedoelde kennisge-
ving informatie over de activiteiten, de organisatie, de
leiding en de aandeelhoudersstructuur van de betrokken
onderneming.
Afdeling II
Opening van bijkantoren in het buitenland
Onderafdeling I
Opening van bijkantoren in het buitenland door een
verzekeringsonderneming
Art. 108
§ 1. Iedere verzekeringsonderneming die op het
grondgebied van een andere lidstaat een bijkantoor
wenst te vestigen om er een verzekeringsactiviteit uit
te oefenen waarvoor zij in België een vergunning heeft
verkregen, stelt de Bank daarvan in kennis.
Bij deze kennisgeving wordt een dossier gevoegd
met de volgende gegevens:
1° de lidstaat op het grondgebied waarvan de ver-
zekeringsonderneming voornemens is het bijkantoor
te vestigen;
2° het programma van werkzaamheden, waarin
minstens de aard van de voorgenomen verrichtingen
en de organisatiestructuur van het bijkantoor worden
beschreven;
3° de naam, het adres en de bevoegdheden van de
in paragraaf 2 bedoelde algemene lasthebber van het
bijkantoor, en, in voorkomend geval, van de andere
CHAPITRE V
Exercice d’activités d’assurance ou de
réassurance à l’étranger
Section Ire
Constitution ou acquisition de filiales à l’étranger
Art. 107
L’entreprise d’assurance ou de réassurance qui
projette d’acquérir ou de constituer, directement ou
indirectement, une filiale à l’étranger exerçant l’activité
d’assurance ou de réassurance notifie son intention à
la Banque.
L’entreprise d’assurance ou de réassurance joint à
la notification visée à l’alinéa 1er une information sur les
activités, l’organisation, les dirigeants et la structure de
l’actionnariat de l’entreprise concernée.
Section II
Ouverture de succursales à l’étranger
Sous-section Ire
Ouverture de succursales à l’étranger par une entreprise
d’assurance
Art. 108
§ 1er. L’entreprise d’assurance qui projette d’établir
une succursale sur le territoire d’un autre État membre
en vue d’exercer une activité d’assurance pour laquelle
elle est agréée en Belgique notifie son intention à la
Banque.
Cette notification est assortie d’un dossier compor-
tant les informations suivantes:
1° l’État membre sur le territoire duquel l’entreprise
d’assurance envisage d’établir la succursale;
2° le programme d’activités, dans lequel sont au
moins décrits le type d’opérations envisagées et la
structure de l’organisation de la succursale;
3° le nom, l’adresse et les pouvoirs du mandataire
général de la succursale visé au paragraphe 2 et, le
cas échéant, des autres personnes chargées de la
842
1584/002
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
personen die met de effectieve leiding van het bijkantoor
zijn belast, evenals van de verantwoordelijken voor de
onafhankelijke controlefuncties van het bijkantoor;
4° het adres in de lidstaat van ontvangst waar docu-
menten kunnen worden opgevraagd en afgeleverd bij de
verzekeringsonderneming, met name de mededelingen
aan de algemene lasthebber;
5° ingeval de verzekeringsonderneming haar bijkan-
toor de risico’s wil laten dekken die behoren tot tak 10 als
vermeld in Bijlage I, met uitzondering van de aansprake-
lijkheid van de vervoerder, een verklaring waarin staat
dat zij is toegetreden tot het nationaal bureau en het
nationaal waarborgfonds van de lidstaat van ontvangst;
6° ingeval de verzekeringsonderneming door haar
bijkantoor de arbeidsongevallenrisico’s wil laten dek-
ken, het bewijs, indien dit van de lidstaat van ontvangst
wordt verlangd, dat de specifieke voorschriften die in
het nationaal recht van die lidstaat zijn opgenomen met
betrekking tot de dekking van dit type risico’s, worden
nageleefd.
§ 2. De in paragraaf 1 bedoelde verzekeringsonder-
neming wijst een algemene lasthebber aan voor het
bijkantoor. In geval van verzaking aan het mandaat of
afzetting van de algemene lasthebber, of in geval van
zijn overlijden, neemt de verzekeringsonderneming
de nodige maatregelen om binnen een maand in zijn
vervanging te voorzien.
De algemene lasthebber, evenals, in voorkomend ge-
val, de overige personen die belast zijn met de effectieve
leiding van het bijkantoor en de verantwoordelijken voor
de onafhankelijke controlefuncties van het bijkantoor
beschikken permanent over de vereiste professionele
betrouwbaarheid en de passende deskundigheid voor
de uitoefening van hun functie. De artikelen 41, 81 en
82 zijn op hen van overeenkomstige toepassing.
§ 3. De Bank kan zich verzetten tegen de uitvoering
van het project bij beslissing die is ingegeven door de
niet-naleving van de vereisten van paragraaf 2 of door
de nadelige gevolgen voor het governancesysteem,
de financiële positie, met name gelet op de risico’s die
verbonden zijn aan de voorgenomen activiteit, of het
toezicht op de verzekeringsonderneming.
De beslissing van de Bank wordt uiterlijk drie maan-
den na ontvangst van het volledige dossier met alle in
paragraaf 1, tweede lid bedoelde gegevens, met een
aangetekende brief of een brief met ontvangstbewijs
ter kennis gebracht van de verzekeringsonderneming.
direction effective de la succursale ainsi que des res-
ponsables des fonctions de contrôle indépendantes de
la succursale;
4° l’adresse à laquelle les documents peuvent être
réclamés et délivrés à l’entreprise d’assurance dans
l’État membre d’accueil, notamment les communica-
tions au mandataire général;
5° dans le cas où l’entreprise d’assurance entend
faire couvrir par sa succursale les risques relevant de
la branche 10 mentionnée à l’Annexe I, à l’exclusion de
la responsabilité du transporteur, une déclaration selon
laquelle elle est devenue membre du bureau national
et du fonds national de garantie de l’État membre
d’accueil;
6° dans le cas où l’entreprise d’assurance entend
faire couvrir par sa succursale les risques d’accident du
travail, la preuve, si elle est exigée par l’État membre
d’accueil, du respect des dispositions spécifiques pré-
vues par le droit national de cet État membre en ce qui
concerne la couverture de ce type de risques.
§ 2. L’entreprise d’assurance visée au paragraphe 1er
désigne un mandataire général de la succursale. En
cas de renonciation au mandat ou de révocation du
mandataire général ou en cas de son décès, l’entre-
prise d’assurance prend les mesures nécessaires pour
pourvoir à son remplacement dans le mois.
Le mandataire général ainsi que, le cas échéant, les
autres personnes chargées de la direction effective de la
succursale et les responsables des fonctions de contrôle
indépendantes de la succursale disposent en perma-
nence de l’honorabilité professionnelle nécessaire et de
l’expertise adéquate à l’exercice de leur fonction. Les
articles 41, 81 et 82 leur sont applicables par analogie.
§ 3. La Banque peut s’opposer à la réalisation du
projet par décision motivée par le non-respect des exi-
gences prévues au paragraphe 2 ou par les répercus-
sions préjudiciables sur le système de gouvernance,
la situation financière, notamment compte tenu des
risques inhérents à l’activité projetée, ou le contrôle de
l’entreprise d’assurance.
La décision de la Banque est notifiée à l’entreprise
d’assurance par lettre recommandée à la poste ou avec
accusé de réception au plus tard trois mois après la ré-
ception du dossier complet comprenant les informations
prévues au paragraphe 1er, alinéa 2. Si la Banque n’a
843
1584/002
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
Indien de Bank haar beslissing niet binnen deze
termijn ter kennis heeft gebracht, wordt zij geacht
geen bezwaar te hebben tegen het project van de
verzekeringsonderneming.
§ 4. De Bank stelt de Europese Commissie en EIOPA
in kennis van het aantal en de aard van de gevallen
waarin een definitieve beslissing tot verzet werd geno-
men met toepassing van paragraaf 3.
§ 5. Met uitzondering van paragraaf 4 is dit artikel
mutatis mutandis van toepassing op de opening van
bijkantoren in een derde land, met dien verstande dat
de Bank zich ook kan verzetten tegen de uitvoering van
het project van de verzekeringsonderneming indien zij
redenen heeft om te twijfelen aan de naleving van de
regels voor de toegang tot het bedrijf waarin de wetge-
ving van het derde land voorziet, of, rekening houdend
met de voorgenomen activiteit en met de regeling betref-
fende de samenwerking met de toezichthouders van het
derde land, aan de mogelijkheid om effectief toezicht
uit te oefenen op het bijkantoor dat op het grondgebied
van dit derde land is gevestigd.
Art. 109
Wanneer het vestigingsland van het bijkantoor een
lidstaat is, deelt de Bank, indien zij zich niet tegen de
uitvoering van het project heeft verzet overeenkomstig
artikel 108, § 3, aan de bevoegde autoriteit van de be-
trokken lidstaat van ontvangst, binnen drie maanden
na ontvangst ervan, alle in artikel 108, § 1, tweede lid
vereiste gegevens mee, evenals een verklaring dat de
verzekeringsonderneming het solvabiliteitskapitaalver-
eiste en minimum-kapitaalvereiste dekt zoals berekend
overeenkomstig de artikelen 100 en 129 van Richtlijn
2009/138/EG.
De Bank brengt de betrokken verzekeringsonderne-
ming schriftelijk op de hoogte van de mededeling van
het in het eerste lid bedoelde dossier en van de datum
waarop de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van
ontvangst er de ontvangst van hebben bevestigd.
Wanneer de toezichthouders van de lidstaat van
ontvangst aan de Bank de voorwaarden hebben mee-
gedeeld waaronder de activiteiten van het bijkantoor
om redenen van algemeen belang in die lidstaat mogen
worden uitgeoefend, deelt de Bank deze informatie mee
aan de betrokken verzekeringsonderneming.
pas notifié de décision dans ce délai, elle est réputée
ne pas s’opposer au projet de l’entreprise.
§ 4. La Banque communique à la Commission eu-
ropéenne et à l’EIOPA le nombre et la nature des cas
dans lesquels une décision définitive d’opposition a été
prise en application du paragraphe 3.
§ 5. Le présent article, à l’exception du paragraphe
4, s’applique mutatis mutandis à l’ouverture de succur-
sales dans un pays tiers, étant entendu que la Banque
peut également s’opposer à la réalisation du projet de
l’entreprise d’assurance si elle a des raisons de douter
du respect des règles d’accès à l’activité prescrites
sous la législation du pays tiers ou, compte tenu de
l’activité envisagée et du régime de coopération avec
les autorités de contrôle du pays tiers, de la possibilité
d’exercer un contrôle effectif de la succursale sur le
territoire de ce pays tiers.
Art. 109
Lorsque l’État d’implantation de la succursale est un
État membre, la Banque, si elle ne s’est pas opposée à
la réalisation du projet conformément à l’article 108,§ 3,
communique à l’autorité compétente de l’État membre
d’accueil concerné dans les trois mois de leur récep-
tion, toutes les informations requises par l’article 108,
§ 1er, alinéa 2 ainsi qu’une attestation indiquant que
l’entreprise d’assurance dispose du capital de solva-
bilité requis et du minimum de capital requis calculés
conformément aux articles 100 et 129 de la Directive
2009/138/CE.
La Banque avise par écrit l’entreprise d’assurance
concernée de la communication du dossier visée à
l’alinéa 1er et de la date à laquelle les autorités com-
pétentes de l’État membre d’accueil en ont accusé
réception.
Lorsque les autorités de contrôle de l’État membre
d’accueil lui ont transmis les conditions dans lesquelles,
pour des raisons d’intérêt général, les activités de la suc-
cursale peuvent être exercées dans cet État membre,
la Banque communique ces informations à l’entreprise
d’assurance concernée.
844
1584/002
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
Art. 110
Wanneer het vestigingsland van het bijkantoor een
derde land is, kan de Bank in overleg met de betrokken
autoriteit van het derde land, regels vaststellen voor de
opening van en het toezicht op het bijkantoor, alsook
voor de wenselijke informatie-uitwisseling, met inacht-
neming van de bepalingen van Hoofdstuk IV/1, Afdeling
4 van de wet van 22 februari 1998.
Art. 111
Wanneer het vestigingskantoor van het bijkantoor
een lidstaat is, mogen de activiteiten van het bijkantoor
aanvangen vanaf de datum waarop de Bank de in arti-
kel 109, derde lid bedoelde mededeling heeft ontvangen
en uiterlijk bij het verstrijken van een termijn van twee
maanden die aanvangt op de datum van ontvangst door
de toezichthouders van de lidstaat van ontvangst van de
met toepassing van artikel 109, eerste lid meegedeelde
informatie.
Wanneer het vestigingsland van het bijkantoor een
derde land is, mogen de activiteiten van het bijkantoor
aanvangen vanaf de datum waarop geen verzet is
aangetekend overeenkomstig artikel 108, § 3 tegen het
voornemen om een bijkantoor te openen, onverminderd
de naleving van de wettelijke bepalingen van dit land
inzake de toegang tot het verzekeringsbedrijf.
Art. 112
De verzekeringsonderneming stelt de Bank en, in
voorkomend geval, de toezichthouders van de betrok-
ken lidstaten van ontvangst minstens een maand op
voorhand in kennis van alle wijzigingen die zij wenst
aan te brengen in de informatie die met toepassing van
artikel 108, § 1, tweede lid, 2°, 3°et 4° werd meegedeeld.
Artikel 108, § 3 is van toepassing op deze wijzigingen.
Onderafdeling II
Opening van een bijkantoor in het buitenland door een
herverzekeringsonderneming
Art. 113
Iedere herverzekeringsonderneming die op het
grondgebied van een andere lidstaat een bijkantoor
wenst te vestigen om er een herverzekeringsactiviteit uit
te oefenen waarvoor zij in België een vergunning heeft,
stelt de Bank daarvan in kennis.
Art. 110
Lorsque l’État d’implantation de la succursale est un
pays tiers, la Banque peut convenir avec l’autorité du
pays tiers concernée, des modalités d’ouverture et de
contrôle de la succursale ainsi que des échanges d’in-
formations souhaitables dans le respect des dispositions
du Chapitre IV/1, Section 4, de la loi du 22 février 1998.
Art. 111
Lorsque l’État d’implantation de la succursale est
un État membre, les activités de la succursale peuvent
débuter à partir de la date à laquelle la Banque a reçu
la communication visée à l’article 109, alinéa 3 et au
plus tard à l’échéance d’un délai de deux mois prenant
cours à la date de la réception par les autorités de
contrôle de l’État membre d’accueil des informations
communiquées en application de l’article 109, alinéa 1er.
Lorsque l’État d’implantation de la succursale est
un pays tiers, sans préjudice du respect des disposi-
tions légales de ce pays en matière d’accès à l’activité
d’assurance, les activités de la succursale peuvent
débuter à partir de la date à laquelle le projet d’ouverture
de la succursale n’a pas fait l’objet d’une opposition
conformément à l’article 108, § 3.
Art. 112
L’entreprise d’assurance notifie à la Banque et,
le cas échéant, aux autorités de contrôle des États
membres d’accueil concernées toutes modifications
qu’elle entend apporter aux informations communiquées
en application de l’article 108, § 1er, alinéa 2, 2°, 3°et
4° et ce, un mois au moins avant qu’elles ne soient
effectuées. L’article 108, § 3 est applicable en ce qui
concerne ces modifications.
Sous-section II
Ouverture d’une succursale à l’étranger par une entreprise
de réassurance
Art. 113
L’entreprise de réassurance qui projette d’établir
une succursale sur le territoire d’un autre État membre
ou d’un pays tiers en vue d’y exercer une activité de
réassurance pour laquelle elle dispose d’un agrément
en Belgique, notifie son intention à la Banque.
845
1584/002
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
Art. 114
De artikelen 108, § 1, tweede lid, 1° tot 4° en § § 2,
3 en 5, 110, 111, tweede lid en 112 zijn mutatis mutandis
van toepassing op de opening van bijkantoren in het
buitenland door een herverzekeringsonderneming, met
dien verstande dat:
1° door de Bank ook samenwerkingsakkoorden als
bedoeld in artikel 110 kunnen worden gesloten met de
toezichthouders van de lidstaten van ontvangst;
2° artikel 111, tweede lid ook van toepassing is wan-
neer het vestigingsland van het bijkantoor een lidstaat is.
Afdeling III
Verrichten van verzekerings- of herverzekeringsdiensten in
het buitenland
Onderafdeling I
Verrichten van diensten in het buitenland door een
verzekeringsonderneming
Art. 115
§ 1. Iedere verzekeringsonderneming die op het
grondgebied van een andere lidstaat een verzekerings-
activiteit wenst uit te oefenen waarvoor zij in België een
vergunning heeft verkregen, zonder er een bijkantoor te
vestigen, stelt de Bank daarvan in kennis.
Bij deze kennisgeving wordt een dossier gevoegd
met de volgende gegevens:
1° de lidstaat op het grondgebied waarvan de ver-
zekeringsonderneming voornemens is haar activiteit
uit te oefenen;
2° het type verzekeringsverrichtingen dat zij van
plan is uit te oefenen in het kader van het vrij verrichten
van diensten en de takken waartoe deze verrichtingen
behoren;
3° ingeval de verzekeringsonderneming in het kader
van het vrij verrichten van diensten de risico’s wil laten
dekken die behoren tot tak 10 als vermeld in Bijlage I,
met uitzondering van de aansprakelijkheid van de ver-
voerder, en indien de lidstaat van ontvangst verlangt
dat deze gegevens worden meegedeeld, een verkla-
ring waarin staat dat de verzekeringsonderneming is
toegetreden tot het nationaal bureau en het nationaal
waarborgfonds van de lidstaat van ontvangst.
Art. 114
Les articles 108, § 1er, alinéa 2, 1° à 4° et § § 2, 3 et
5, 110, 111, alinéa 2 et 112 s’appliquent mutatis mutan-
dis à l’ouverture de succursales à l’étranger par une
entreprise de réassurance, étant entendu que:
1° des accords de coopération visés à l’ar-
ticle 110 peuvent également être conclus par la Banque
avec les autorités de contrôle des États membres
d’accueil;
2° l’article 111, alinéa 2 s’applique également
lorsque l’État d’implantation de la succursale est un
État membre.
Section III
Prestation de services d’assurance ou de réassurance à
l’étranger
Sous-section Ire
Prestation de services à l’étranger par une entreprise
d’assurance
Art. 115
§ 1er. L’entreprise d’assurance qui projette d’exercer
sur le territoire d’un autre État membre, sans y établir de
succursale, une activité d’assurance pour laquelle elle
est agréée en Belgique, notifie son intention à la Banque.
Cette notification est assortie d’un dossier compor-
tant les informations suivantes:
1° l’État membre sur le territoire duquel l’entreprise
d’assurance envisage d’exercer son activité;
2° le type d’opérations d’assurance qu’elle compte
exercer dans le cadre de la libre prestation de services
et les branches dont ces opérations relèvent;
3° dans le cas où l’entreprise d’assurance entend
faire couvrir, dans le cadre de la libre prestation de
services, les risques relevant de la branche 10 men-
tionnée à l’Annexe I, à l’exclusion de la responsabilité
du transporteur, et si l’État membre d’accueil exige la
communication de ces informations, une déclaration
selon laquelle l’entreprise d’assurance est devenue
membre du bureau national et du fonds national de
garantie de l’État membre d’accueil.
846
1584/002
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
§ 2. De Bank kan zich verzetten tegen de uitvoering
van het project bij beslissing die is ingegeven door de na-
delige gevolgen van het grensoverschrijdend verrichten
van de verzekeringsactiviteit voor het governancesys-
teem, de financiële positie, met name gelet op de risico’s
die verbonden zijn aan de voorgenomen activiteit, of het
toezicht op de verzekeringsonderneming.
De beslissing van de Bank wordt uiterlijk een maand
na ontvangst van het volledige dossier met alle in para-
graaf 1, tweede lid bedoelde gegevens, met een aange-
tekende brief of een brief met ontvangstbewijs ter kennis
gebracht van de verzekeringsonderneming. Indien de
Bank haar beslissing niet binnen deze termijn ter kennis
heeft gebracht, wordt zij geacht geen bezwaar te heb-
ben tegen het project van de verzekeringsonderneming.
§ 3. De Bank stelt de Europese Commissie en EIOPA
in kennis van het aantal en de aard van de gevallen
waarin een definitieve beslissing tot verzet werd geno-
men met toepassing van paragraaf 2.
§ 4. Met uitzondering van paragraaf 3 is dit artikel
mutatis mutandis van toepassing op de uitoefening van
het verzekeringsbedrijf op het grondgebied van een
derde land zonder er een bijkantoor te vestigen, met
dien verstande dat
1° de Bank zich ook kan verzetten tegen de uitvoering
van het project van de verzekeringsonderneming indien
zij redenen heeft om te twijfelen aan de naleving van de
regels voor de toegang tot het bedrijf waarin de wetge-
ving van het derde land voorziet, of, rekening houdend
met de voorgenomen activiteit en met de regeling betref-
fende de samenwerking met de toezichthouders van het
derde land, aan de mogelijkheid om effectief toezicht uit
te oefenen op de grensoverschrijdende activiteit die op
het grondgebied van dit derde land wordt uitgeoefend;
2° de in paragraaf 2, tweede lid bedoelde termijn in
dit geval drie maanden bedraagt.
Art. 116
Wanneer de staat op het grondgebied waarvan de
grensoverschrijdende verzekeringsactiviteit wordt uitge-
oefend, een lidstaat is, deelt de Bank, indien zij zich niet
tegen de uitvoering van het project heeft verzet over-
eenkomstig artikel 115, § 2, aan de toezichthouder van
de betrokken lidstaat van ontvangst, binnen een maand
na ontvangst ervan, alle in artikel 115, § 1, tweede lid
vereiste gegevens mee, evenals een verklaring dat de
verzekeringsonderneming het solvabiliteitskapitaalver-
eiste en minimumkapitaalvereiste dekt zoals berekend
overeenkomstig de artikelen 100 en 129 van Richtlijn
§ 2. La Banque peut s’opposer à la réalisation du
projet par décision motivée par les répercussions pré-
judiciables de la prestation transfrontalière de l’activité
d’assurance sur le système de gouvernance, la situation
financière, notamment compte tenu des risques inhé-
rents à l’activité projetée, ou le contrôle de l’entreprise
d’assurance.
La décision de la Banque est notifiée à l’entreprise
d’assurance par lettre recommandée à la poste ou avec
accusé de réception au plus tard un mois après la récep-
tion du dossier complet comprenant les informations
prévues au paragraphe 1er, alinéa 2. Si la Banque n’a
pas notifié de décision dans ce délai, elle est réputée
ne pas s’opposer au projet de l’entreprise d’assurance.
§ 3 . La Banque communique à la Commission euro-
péenne et à l’EIOPA le nombre et la nature des cas dans
lesquels une décision définitive d’opposition a été prise
en application du paragraphe 2.
§ 4. Le présent article, à l’exception du paragraphe
3, s’applique mutatis mutandis à l’exercice de l’activité
d’assurance sur le territoire d’un pays tiers, sans y
établir de succursale, étant entendu que
1° la Banque peut également s’opposer à la réali-
sation du projet de l’entreprise d’assurance si elle a
des raisons de douter du respect des règles d’accès
à l’activité prescrites sous la législation du pays tiers
ou, compte tenu de l’activité envisagée et du régime
de coopération avec les autorités de contrôle du pays
tiers, de la possibilité d’exercer un contrôle effectif en
ce qui concerne l’activité transfrontalière exercée sur le
territoire de ce pays tiers;
2° le délai visé au paragraphe 2, alinéa 2 est porté
à trois mois.
Art. 116
Lorsque l’État sur le territoire duquel l’activité d’assu-
rance transfrontalière s’exerce est un État membre, la
Banque, si elle ne s’est pas opposée à la réalisation du
projet conformément à l’article 115, § 2, communique
à l’autorité de contrôle de l’État d’accueil concerné
dans le mois de leur réception, toutes les informations
requises par l’article 115, § 1er, alinéa 2 ainsi qu’une
attestation indiquant que l’entreprise d’assurance dis-
pose du capital de solvabilité requis et du minimum de
capital requis calculés conformément aux articles 100 et
129 de la Directive 2009/138/CE. Elle communique
847
1584/002
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
2009/138/EG. Zij deelt eveneens de verzekeringstak-
ken mee waarvoor de verzekeringsonderneming een
vergunning heeft verkregen van de Bank.
De Bank brengt de betrokken verzekeringsonderne-
ming schriftelijk op de hoogte van de in het eerste lid
bedoelde mededeling.
Wanneer de toezichthouders van de lidstaat van
ontvangst aan de Bank de voorwaarden hebben mee-
gedeeld waaronder de grensoverschrijdende activiteiten
om redenen van algemeen belang in die lidstaat mogen
worden uitgeoefend, deelt de Bank deze informatie mee
aan de betrokken verzekeringsonderneming.
Art. 117
Wanneer de staat op het grondgebied waarvan de
grensoverschrijdende verzekeringsactiviteit wordt uit-
geoefend, een derde land is, kan de Bank in overleg
met de betrokken autoriteit van het derde land, regels
vaststellen voor het toezicht op die activiteit, alsook voor
de wenselijke informatie-uitwisseling, met inachtneming
van de bepalingen van Hoofdstuk IV/1, Afdeling 4 van
de wet van 22 februari 1998.
Art. 118
Wanneer de staat op het grondgebied waarvan
de grensoverschrijdende verzekeringsactiviteit wordt
uitgeoefend, een lidstaat is, mogen de grensoverschrij-
dende activiteiten aanvangen vanaf de datum waarop
de onderneming in kennis werd gesteld door de Bank
van de in artikel 116, eerste lid bedoelde mededeling.
Wanneer de staat op het grondgebied waarvan de
grensoverschrijdende verzekeringsactiviteit wordt uitge-
oefend, een derde land is, mogen de grensoverschrij-
dende activiteiten aanvangen vanaf de datum waarop
geen verzet is aangetekend overeenkomstig artikel 115,
§ 2 tegen het voornemen om grensoverschrijdende ac-
tiviteiten uit te oefenen, onverminderd de naleving van
de wettelijke bepalingen van dit land inzake de toegang
tot het verzekeringsbedrijf.
Art. 119
Iedere verzekeringsonderneming die op het grondge-
bied van een andere lidstaat of van een derde land een
verzekeringsactiviteit uitoefent zonder er een bijkantoor
te vestigen, stelt de Bank op voorhand in kennis van alle
wijzigingen die zij wenst aan te brengen in de informatie
également les branches d’assurance pour lesquelles
l’entreprise d’assurance a été agréée par la Banque.
La Banque avise par écrit l’entreprise d’assurance
concernée de la communication visée à l’alinéa 1er.
Lorsque les autorités de contrôle de l’État membre
d’accueil lui ont transmis les conditions dans les-
quelles, pour des raisons d’intérêt général, les activités
transfrontalières peuvent être exercées dans cet État
membre, la Banque communique ces informations à
l’entreprise d’assurance concernée.
Art. 117
Lorsque l’État sur le territoire duquel l’activité
d’assurance transfrontalière s’exerce est un pays tiers,
la Banque peut convenir avec l’autorité du pays tiers
concernée, des modalités de contrôle de cette activité
ainsi que des échanges d’informations souhaitables
dans le respect des dispositions du Chapitre IV/1,
Section 4, de la loi du 22 février 1998.
Art. 118
Lorsque l’État sur le territoire duquel l’activité d’assu-
rance transfrontalière s’exerce est un État membre, les
activités transfrontalières peuvent débuter à partir de la
date à laquelle l’entreprise a été avisée par la Banque
de la communication prévue à l’article 116, alinéa 1er.
Lorsque l’État sur le territoire duquel l’activité d’assu-
rance transfrontalière s’exerce est un pays tiers, sans
préjudice du respect des dispositions légales de ce
pays en matière d’accès à l’activité d’assurance, les
activités transfrontalières peuvent débuter à partir de
la date à laquelle le projet d’activités transfrontalières
n’a pas fait l’objet d’une opposition conformément à
l’article 115, § 2.
Art. 119
L’entreprise d’assurance qui exerce sur le territoire
d’un autre État membre ou d’un pays tiers, sans y
établir de succursale, une activité d’assurance, notifie
préalablement à la Banque toutes modifications qu’elle
entend apporter aux informations communiquées en
848
1584/002
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
die met toepassing van artikel 115, § 1, tweede lid werd
meegedeeld. Artikel 115, § 2 is van toepassing op deze
wijzigingen.
Onderafdeling II
Verrichten van diensten in het buitenland door een
herverzekeringsonderneming
Art. 120
Iedere herverzekeringsonderneming die op het
grondgebied van een andere lidstaat of van een derde
land een herverzekeringsactiviteit wenst uit te oefenen
waarvoor zij in België een vergunning heeft, zonder
er een bijkantoor te vestigen, stelt de Bank daarvan in
kennis.
Art. 121
De artikelen 115, § 1, tweede lid, en § § 2 en 4, 117,
118, tweede lid en 119 zijn mutatis mutandis van toepas-
sing op de uitoefening van een grensoverschrijdende
herverzekeringsactiviteit in het buitenland, zonder er een
bijkantoor te vestigen, met dien verstande dat:
1° door de Bank ook samenwerkingsakkoorden als
bedoeld in artikel 117 kunnen worden gesloten met de
toezichthouders van de lidstaten van ontvangst waar de
grensoverschrijdende herverzekeringsactiviteit wordt
uitgeoefend;
2° de in artikel 115, § 2, tweede lid bedoelde termijn
in dit geval drie maanden bedraagt;
3° artikel 118, tweede lid ook van toepassing is wan-
neer de staat waarin de grensoverschrijdende herver-
zekeringsactiviteit wordt uitgeoefend, een lidstaat is.
Afdeling IV
Gemeenschappelijke bepalingen betreffende de
bedrijfsuitoefening in een andere lidstaat
Art. 122
Iedere verzekerings- of herverzekeringsonderneming
stelt de Bank, afzonderlijk voor verrichtingen die in het
kader van de opening van een bijkantoor worden uit-
gevoerd en deze die in het kader van het vrij verrichten
van diensten worden uitgevoerd, in kennis van het be-
drag aan premies, schadegevallen en provisies, zonder
aftrek van herverzekering, per vestigingsland van een
bijkantoor en per lidstaat op het grondgebied waarvan
application de l’article 115, § 1er, alinéa 2. L’article 115,
§ 2 est applicable en ce qui concerne ces modifications.
Sous-section II
Prestation de services à l’étranger par une entreprise de
réassurance
Art. 120
L’entreprise de réassurance qui projette d’exercer sur
le territoire d’un autre État membre ou d’un pays tiers,
sans y établir de succursale, une activité de réassurance
pour laquelle elle dispose d’un agrément en Belgique,
notifie son intention à la Banque.
Art. 121
Les articles 115, § 1er, alinéa 2, et § § 2 et 4, 117,
118, alinéa 2 et 119 s’appliquent mutatis mutandis à
l’exercice d’une activité de réassurance transfronta-
lière à l’étranger, sans y établir une succursale, étant
entendu que:
1° des accords de coopération visés à l’ar-
ticle 117 peuvent également être conclus par la Banque
avec les autorités de contrôle des États membres
d’accueil dans lesquels l’activité de réassurance trans-
frontalière est exercée;
2° le délai visé à l’article 115, § 2, alinéa 2 est porté
à trois mois;
3° l’article 118, alinéa 2 s’applique également lorsque
l’État dans lequel l’activité de réassurance transfronta-
lière est exercée est un État membre.
Section IV
Dispositions communes à l’exercice de l’activité dans un
autre État membre
Art. 122
Chaque entreprise d’assurance ou de réassurance
communique à la Banque, de manière distincte pour les
opérations effectuées dans le cadre de l’ouverture d’une
succursale et pour celles effectuées dans le cadre de
la libre prestation de services, le montant des primes,
sinistres et commissions, sans déduction de la réassu-
rance, par État membre d’implantation d’une succursale
et par État membre sur le territoire duquel une activité
849
1584/002
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
een grensoverschrijdende verzekerings- of herverzeke-
ringsactiviteit wordt uitgeoefend, en wel als volgt:
1° voor niet-levensverzekeringen: per business line,
overeenkomstig de uitvoeringsmaatregelen van Richtlijn
2009/138/EG;
2° voor levensverzekeringen: per business line, over-
eenkomstig de uitvoeringsmaatregelen van Richtlijn
2009/138/EG;
3° voor herverzekeringen “niet-leven”;
4° voor herverzekeringen “leven”.
Wat betreft tak 10 als vermeld in Bijlage I, met uitzon-
dering van de aansprakelijkheid van de vervoerder, stelt
de betrokken verzekeringsonderneming de Bank ook in
kennis van de frequentie en de gemiddelde kosten van
de schadegevallen.
De Bank deelt de in het eerste en tweede lid bedoelde
informatie binnen een redelijke termijn in geaggregeerde
vorm mee aan de toezichthouders van elke van de be-
trokken lidstaten die daarom verzoeken.
HOOFDSTUK VI
Reglementaire normen en verplichtingen
Afdeling I
Waarderingsregels
Onderafdeling I
Algemene regels
Art. 123
Met het oog op de naleving van de door of krachtens
dit Hoofdstuk opgelegde vereisten, waarderen de verze-
kerings- of herverzekeringsondernemingen hun activa
en passiva als volgt:
1° de activa worden gewaardeerd tegen het bedrag
waarvoor ze kunnen worden geruild in het kader van
een afgesloten transactie, bij normale concurrentievoor-
waarden, tussen goed geïnformeerde, tot een transactie
bereid zijnde partijen;
2° de passiva worden gewaardeerd tegen het be-
drag waarvoor ze kunnen worden overgedragen of
afgewikkeld in het kader van een afgesloten transactie,
d’assurance ou de réassurance transfrontalière est
exercée. Cette communication s’effectue comme suit:
1° pour l’assurance non-vie, par lignes d’activité,
conformément aux mesures d’exécution de la Directive
2009/138/CE;
2° pour l’assurance vie, par lignes d’activité, confor-
mément aux mesures d’exécution de la Directive
2009/138/CE;
3° pour la réassurance non-vie;
4° pour la réassurance vie.
En ce qui concerne la branche 10 mentionnée à
l’Annexe I, à l’exclusion de la responsabilité du trans-
porteur, l’entreprise d’assurance concernée informe
également la Banque de la fréquence et du coût moyen
des sinistres.
La Banque communique les informations visées aux
alinéas 1er et 2 dans un délai raisonnable et sous une
forme agrégée aux autorités de contrôle de chacun des
États membres concernés qui lui en font la demande.
CHAPITRE VI
Normes et obligations réglementaires
Section Ire
Règles de valorisation
Sous-section Ire
Règles générales
Art. 123
Aux fins du respect des exigences prévues par ou en
vertu du présent Chapitre, les entreprises d’assurance
ou de réassurance valorisent leurs actifs et leurs passifs
comme suit:
1° les actifs sont valorisés au montant pour lequel
ils pourraient être échangés dans le cadre d’une tran-
saction conclue, dans des conditions de concurrence
normales, entre des parties informées et consentantes;
2° les passifs sont valorisés au montant pour lequel
ils pourraient être transférés ou réglés dans le cadre
d’une transaction conclue, dans des conditions de
850
1584/002
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
bij normale concurrentievoorwaarden, tussen goed
geïnformeerde, tot een transactie bereid zijnde partijen.
Bij de waardering van de in punt 2° bedoelde passiva
wordt niet gecorrigeerd voor de eigen kredietwaardigheid
van de verzekerings- of herverzekeringsonderneming.
Onderafdeling II
Regels betreffende de technische voorzieningen
§ 1 – Algemene bepalingen
Art. 124
De verzekerings- of herverzekeringsondernemingen
berekenen en boeken onder de benaming techni-
sche voorzieningen al hun verzekerings- of herver-
zekeringsverplichtingen jegens verzekeringnemers,
verzekerden en begunstigden van verzekerings- of
herverzekeringsovereenkomsten.
De technische voorzieningen hebben zowel betrek-
king op de lopende als op de vervallen overeenkomsten
die nog niet volledig vereffend zijn.
Art. 125
Technische voorzieningen worden op een prudente,
betrouwbare en objectieve wijze berekend.
De waarde van de technische voorzieningen stemt
overeen met het huidige bedrag dat een verzekerings- of
herverzekeringsonderneming zou moeten betalen indien
zij haar verzekerings- of herverzekeringsverplichtingen
met onmiddellijke ingang aan een andere verzekerings-
of herverzekeringsonderneming zou overdragen.
De berekening van de technische voorzieningen
maakt gebruik van en strookt met de informatie van
de financiële markten en de algemeen beschik-
bare gegevens over verzekerings technische risico’s
(marktconsistentie).
De berekening van de technische voorzieningen
wordt uitgevoerd overeenkomstig de artikelen 126 tot
137, de ter uitvoering ervan genomen maatregelen en
de uitvoeringsverordeningen van Richtlijn 2009/138/EG,
uitgaande van de beginselen die zijn vastgesteld in dit
artikel en rekening houdend met de beginselen die zijn
vastgesteld in artikel 123.
concurrence normales, entre des parties informées et
consentantes.
Lors de la valorisation des passifs au titre du 2°, aucun
ajustement visant à tenir compte de la qualité de crédit
propre à l’entreprise d’assurance ou de réassurance
n’est effectué.
Sous-section II
Règles relatives aux provisions techniques
§ 1er – Dispositions générales
Art. 124
Les entreprises d’assurance ou de réassurance
calculent et comptabilisent, sous le nom de provisions
techniques, tous leurs engagements d’assurance ou de
réassurance vis-à-vis des preneurs d’assurance, des
assurés et des bénéficiaires des contrats d’assurance
ou bénéficiaires des contrats de réassurance.
Les provisions techniques concernent tant les
contrats en cours que les contrats échus et non entiè-
rement liquidés.
Art. 125
Les provisions techniques sont calculées d’une
manière prudente, fiable et objective.
La valeur des provisions techniques correspond au
montant actuel que les entreprises d’assurance ou de
réassurance devraient payer si elles transféraient avec
effet immédiat leurs engagements d’assurance ou de
réassurance à une autre entreprise d’assurance ou de
réassurance.
Le calcul des provisions techniques utilise, en étant
cohérent avec elles, les informations fournies par les
marchés financiers et les données généralement dis-
ponibles sur les risques de souscription (cohérence
avec le marché).
Suivant les principes énoncés au présent article et
compte tenu de ceux énoncés à l’article 123, le calcul
des provisions techniques est effectué conformément
aux articles 126 à 137, aux règles prises pour leur exé-
cution et aux Règlements d’exécution de la Directive
2009/138/CE.
851
1584/002
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
Art. 126
§ 1. De waarde van de technische voorzieningen is
gelijk aan de som van de beste schatting (best estimate)
en de risicomarge (risk margin) zoals respectievelijk
beschreven in de paragrafen 2 en 3.
§ 2. De beste schatting stemt overeen met het kans-
gewogen gemiddelde van de toekomstige kasstromen,
waarbij rekening wordt gehouden met de tijdswaarde
van geld (verwachte contante waarde van de toekom-
stige kasstromen) en gebruik wordt gemaakt van de
relevante risicovrije rentetermijnstructuur.
Bij de berekening van de beste schatting wordt
uitgegaan van geactualiseerde en betrouwbare infor-
matie en realistische hypothesen en worden adequate,
toepasselijke en relevante actuariële en statistische
methodes gebruikt.
De kasstroomprognose die bij de berekening van de
beste schatting wordt gebruikt, houdt rekening met alle
instroom en uitstroom van kasmiddelen die nodig zijn
om te voldoen aan de verzekerings- of herverzekerings-
verplichtingen gedurende de looptijd ervan.
De beste schatting wordt bruto berekend, zonder
aftrek van de schuldvorderingen die voortvloeien uit
herverzekerings-overeenkomsten en effectiseringsvehi-
kels. Overeenkomstig artikel 136 worden deze bedragen
apart berekend.
§ 3. De risicomarge wordt zodanig berekend dat
de waarde van de technische voorzieningen gelijk
is aan het bedrag dat verzekerings- of herverze-
keringsondernemingen zouden vragen voor de
overname en de nakoming van de verzekerings- of
herverzekeringsverplichtingen.
Art. 127
§ 1. De verzekerings- of herverzekeringsondernemin-
gen waarderen de beste schatting en de risicomarge
afzonderlijk.
Wanneer de toekomstige kasstromen in verband met
verzekerings- of herverzekeringsverplichtingen echter
op betrouwbare wijze kunnen worden gerepliceerd
met behulp van financiële instrumenten met een waar-
neembare betrouwbare marktwaarde, wordt de waarde
van de technische voorzieningen voor die toekomstige
kasstromen bepaald op basis van de marktwaarde
van deze financiële instrumenten. In dit geval zijn geen
afzonderlijke berekeningen van de beste schatting en
de risicomarge vereist.
Art. 126
§ 1er. La valeur des provisions techniques est égale
à la somme de la meilleure estimation (best estimate)
et de la marge de risque (risk margin) respectivement
décrites aux paragraphes 2 et 3.
§ 2. La meilleure estimation correspond à la moyenne
pondérée par leur probabilité des flux de trésorerie
futurs, compte tenu de la valeur temporelle de l’argent
(valeur actuelle attendue des flux de trésorerie futurs),
estimée sur la base de la courbe pertinente des taux
d’intérêt sans risque.
Le calcul de la meilleure estimation est fondé sur
des informations actualisées et crédibles et sur des
hypothèses réalistes et il fait appel à des méthodes
actuarielles et statistiques adéquates, applicables et
pertinentes.
La projection en matière de flux de trésorerie utilisée
dans le calcul de la meilleure estimation tient compte de
toutes les entrées et sorties de trésorerie nécessaires
pour faire face aux engagements d’assurance ou de
réassurance pendant toute la durée de ceux-ci.
La meilleure estimation est calculée brute, sans
déduction des créances découlant des contrats de réas-
surance et des véhicules de titrisation. Ces montants
sont calculés séparément, conformément à l’article 136.
§ 3. La marge de risque est calculée de manière
à garantir que la valeur des provisions techniques
est équivalente au montant que des entreprises
d’assurance ou de réassurance demanderaient pour
reprendre et honorer les engagements d’assurance ou
de réassurance.
Art. 127
§ 1er. Les entreprises d’assurance ou de réassurance
procèdent à une évaluation séparée de la meilleure
estimation et de la marge de risque.
Cependant, lorsque les flux futurs de trésorerie liés
aux engagements d’assurance ou de réassurance
peuvent être, de manière fiable, répliqués au moyen
d’instruments financiers pour lesquels il existe une
valeur de marché fiable observable, la valeur des pro-
visions techniques liées à ces futurs flux de trésorerie
est déterminée à l’aide de la valeur de marché de ces
instruments financiers. Dans ce cas, il n’est pas néces-
saire de procéder à un calcul séparé de la meilleure
estimation et de la marge de risque.
852
1584/002
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
§ 2. Wanneer de verzekerings- of herverzekerings-
ondernemingen de beste schatting en de risicomarge
afzonderlijk ramen, wordt de risicomarge berekend
door vaststelling van de kosten om een bedrag aan in
aanmerking komend eigen vermogen te verschaffen dat
gelijk is aan het solvabiliteitskapitaalvereiste dat nodig
is om te voldoen aan de verzekerings- of herverzeke-
ringsverplichtingen gedurende de looptijd ervan.
Voor alle verzekerings- of herverzekeringsonderne-
mingen wordt bij de bepaling van de kosten voor het
verschaffen van dit bedrag hetzelfde percentage gehan-
teerd (kapitaalkostenpercentage – Cost-of-Capital rate).
Een verordening tot uitvoering van Richtlijn 2009/138/
EG legt dit percentage vast en herziet het periodiek.
Het gehanteerde kapitaalkostenpercentage is gelijk
aan de opslag op de relevante risicovrije rente die een
verzekerings- of herverzekeringsonderneming zou
betalen die overeenkomstig Onderafdeling III van dit
Hoofdstuk een bedrag aan in aanmerking komend eigen
vermogen aanhoudt dat gelijk is aan het solvabiliteits-
kapitaalvereiste dat nodig is om te voldoen aan de ver-
zekerings- of herverzekeringsverplichtingen gedurende
de volledige looptijd ervan.
§ 2 – Extrapolatie van de relevante risicovrije rente-
termijnstructuur (risk-free interest rate term structure)
Art. 128
Bij de bepaling van de relevante risicovrije rente-
termijnstructuur als bedoeld in artikel 126, § 2 wordt
gebruikgemaakt van informatie van relevante financiële
instrumenten, en deze relevante risicovrije rentetermijn-
structuur dient met die informatie consistent te zijn. De
markten voor de desbetreffende relevante financiële
instrumenten en voor obligaties dienen zodanige loop-
tijden te hebben dat zij kunnen worden beschouwd als
diepe, liquide en transparante markten. Wanneer het
looptijden betreft waarbij de markten voor zowel de re-
levante financiële instrumenten als voor obligaties niet
langer als diep, liquide en transparant kunnen worden
beschouwd, wordt de relevante risicovrije rentetermijn-
structuur geëxtrapoleerd.
Het geëxtrapoleerde deel van de relevante risicovrije
rentetermijnstructuur is gebaseerd op forward rates die
vloeiend van een forward rate of een reeks forward rates
voor de langste looptijden waartegen de relevante finan-
ciële instrumenten en obligaties in een diepe, liquide en
transparante markt te vinden zijn, convergeren naar een
ultimate forward rate.
§ 2. Lorsqu’elles procèdent à une évaluation séparée
de la meilleure estimation et de la marge de risque, les
entreprises d’assurance ou de réassurance calculent la
marge de risque en déterminant le coût que représente
la mobilisation d’un montant de fonds propres éligibles
égal au capital de solvabilité requis pour faire face aux
engagements d’assurance ou de réassurance pendant
toute la durée de ceux-ci.
Le taux utilisé pour déterminer le coût que représente
la mobilisation de ce montant de fonds propres éligibles
(taux du coût du capital) est le même pour toutes les
entreprises d’assurance ou de réassurance. Un règle-
ment d’exécution de la Directive 2009/138/CE fixe et
révise périodiquement ce taux.
Le taux du coût du capital utilisé est égal au taux
supplémentaire, s’ajoutant au taux d’intérêt sans risque
pertinent, que supporterait une entreprise d’assurance
ou de réassurance détenant un montant de fonds
propres éligibles, conformément à la Sous-section III
du présent Chapitre égal au capital de solvabilité requis
qui est nécessaire pour faire face aux engagements
d’assurance ou de réassurance pendant toute la durée
de ceux-ci.
§ 2 – Extrapolation de la courbe pertinente des
taux d’intérêt sans risque (risk-free interest rate term
structure)
Art. 128
La détermination de la courbe pertinente des taux
d’intérêt sans risque visée à l’article 126, § 2, fait usage
des informations tirées d’instruments financiers perti-
nents et reste cohérente avec elles. Cette détermina-
tion tient compte des instruments financiers pertinents
pour les échéances auxquelles les marchés desdits
instruments financiers, y compris les marchés obliga-
taires, sont profonds, liquides et transparents. Pour les
échéances auxquelles les marchés des instruments
financiers pertinents ou des obligations ne sont plus
profonds, liquides et transparents, la courbe pertinente
des taux d’intérêt sans risque est extrapolée.
La partie extrapolée de la courbe pertinente des
taux d’intérêt sans risque se fonde sur des taux à
terme convergents sans à-coups depuis un taux, ou un
ensemble de taux à terme, pour les échéances les plus
longues auxquelles il est possible d’observer l’instru-
ment financier pertinent et les obligations libellés, sur un
marché profond, liquide et transparent, jusqu’à l’ultime
taux à terme (ultimate forward rate).
853
1584/002
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
§ 3 – Matchingopslag (matching adjustment) in ver-
band met de relevante risicovrije rentetermijnstructuur
Art. 129
§ 1. Verzekerings- of herverzekeringsondernemingen
kunnen een matchingopslag in verband met de relevante
risicovrije rentetermijnstructuur toepassen voor de bere-
kening van de beste schatting van een portefeuille van
levensverzekerings- of herverzekeringsverplichtingen,
met inbegrip van lijfrenten die voortvloeien uit niet-le-
vensverzekerings- of -herverzekeringsovereenkomsten,
mits de Bank hiervoor voorafgaandelijk toestemming
heeft verleend, indien aan de volgende voorwaarden
wordt voldaan:
1° de verzekerings- of herverzekeringsondernemin-
gen hebben een uit obligaties of andere effecten met
vergelijkbare kasstroomkarakteristieken samengestelde
activaportefeuille toegewezen ter dekking van de beste
schatting van de portefeuille van verzekerings- of her-
verzekeringsverplichtingen, en behouden die toewijzing
gedurende de looptijd van de verplichtingen, tenzij het
de bedoeling is de replicatie van de verwachte kasstro-
men tussen activa en passiva te behouden wanneer die
kasstromen wezenlijk zijn veranderd;
2° de portefeuille van verzekerings- of herverzeke-
ringsverplichtingen waarvoor de matchingopslag wordt
toegepast en de toegewezen activaportefeuille worden
afzonderlijk van de andere activiteiten van de onderne-
mingen geïdentificeerd, beheerd en georganiseerd, en
de toegewezen activaportefeuille kan niet worden ge-
bruikt ter dekking van verliezen die ontstaan bij andere
activiteiten van de ondernemingen;
3° de verwachte kasstromen uit de toegewezen acti-
vaportefeuille corresponderen met elk van de verwachte
kasstromen uit de portefeuille van verzekerings- of
herverzekeringsverplichtingen in dezelfde valuta, en
een eventuele mismatch levert geen wezenlijke risico’s
op in verhouding tot de risico’s die eigen zijn aan de
verzekerings- of herverzekeringsactiviteit waarop een
matchingsopslag wordt toegepast;
4° de overeenkomsten die ten grondslag liggen
aan de portefeuille van verzekerings- of herverze-
keringsverplichtingen, resulteren niet in toekomstige
premiebetalingen;
5° de enige aan de portefeuille van verzekerings- of
herverzekeringsverplichtingen verbonden verzekerings-
technische risico’s zijn het langleven-, het kosten-, het
herzienings- en het overlijdensrisico;
§ 3 – Ajustement égalisateur (Matching adjustment)
de la courbe pertinente des taux d’intérêt sans risque
Art. 129
§ 1er. Les entreprises d’assurance ou de réassu-
rance peuvent appliquer un ajustement égalisateur
de la courbe pertinente des taux d’intérêt sans risque
pour calculer la meilleure estimation d’un portefeuille
d’engagements d’assurance ou de réassurance vie, y
compris les rentes découlant de contrats d’assurance
ou de réassurance non-vie, sous réserve de l’accord
préalable la Banque, lorsque les conditions suivantes
sont remplies:
1° les entreprises d’assurance ou de réassurance ont
assigné un portefeuille d’actifs, composé d’obligations
ou d’autres titres ayant des caractéristiques similaires
en flux de trésorerie, en couverture de la meilleure esti-
mation du portefeuille d’engagements d’assurance ou
de réassurance et conservent cette affectation jusqu’à
l’échéance desdits engagements, sauf à vouloir mainte-
nir l’équivalence des flux de trésorerie escomptés entre
actifs et passifs si ces flux ont sensiblement changé;
2° le portefeuille d’engagements d’assurance ou
de réassurance auquel l’ajustement égalisateur est
appliqué et le portefeuille affecté d’actifs sont identifiés,
gérés et organisés séparément des autres activités des
entreprises, et le portefeuille affecté d’actifs ne peut être
utilisé pour couvrir les pertes résultant d’autres activités
des entreprises;
3° les flux de trésorerie escomptés du portefeuille
affecté d’actifs répondent dans la même devise, point
par point, aux flux de trésorerie escomptés du porte-
feuille d’engagements d’assurance ou de réassurance
et aucune rupture d’équivalence ne donne lieu à des
risques qui sont réels par rapport aux risques inhérents
à l’activité d’assurance ou de réassurance auxquels
l’ajustement égalisateur s’applique;
4° les contrats sous-jacents du portefeuille d’enga-
gements d’assurance ou de réassurance ne donnent
pas droit au versement de primes futures;
5° les seuls risques de souscription liés au portefeuille
d’engagements d’assurance ou de réassurance sont le
risque de longévité, le risque de dépenses, le risque de
révision et le risque de mortalité;
854
1584/002
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
6° indien het aan de portefeuille van verzekerings- of
herverzekeringsverplichtingen verbonden verzekerings-
technische risico het overlijdensrisico omvat, neemt de
beste schatting van de portefeuille van verzekerings- of
herverzekeringsverplichtingen in het geval van een
overeenkomstig artikel 151, § § 2 tot 5 gekalibreerde
overlijdensrisicostress met niet meer dan 5 % toe;
7° de overeenkomsten die ten grondslag liggen aan
de portefeuille van verzekerings- of herverzekerings-
verplichtingen, voorzien enkel in een afkoopoptie op
voorwaarde dat de afkoopwaarde niet hoger is dan de
waarde van de activa die beschikbaar zijn ter dekking
van de verzekerings- of herverzekerings-verplichtingen
op het moment dat de afkoopoptie wordt uitgeoefend,
berekend overeenkomstig artikel 123;
8° de kasstromen uit de toegewezen activaportefeuille
zijn vastgelegd en kunnen niet door de emittenten van
de effecten of door derden worden gewijzigd;
9° de aan verzekerings- of herverzekeringsover-
eenkomsten verbonden verzekerings- of herverzeke-
ringsverplichtingen worden niet in afzonderlijke delen
opgesplitst wanneer ze voor de toepassing van deze
paragraaf deel uitmaken van de portefeuille van verze-
kerings- of herverzekeringsverplichtingen.
Onverminderd het eerste lid, 8°, kunnen verzekerings-
of herverzekeringsondernemingen gebruikmaken van
activa met vastgelegde maar inflatiegebonden kasstro-
men, op voorwaarde dat deze activa de inflatiegebonden
kasstromen van de portefeuille van verzekerings- of
herverzekerings-verplichtingen repliceren.
Indien emittenten of derde partijen de kasstromen
van activa mogen wijzigen op voorwaarde dat beleggers
met de compensatie die ze via herinvesteringen in activa
van eenzelfde of een betere kredietkwaliteitscategorie
ontvangen, dezelfde kasstromen kunnen genereren,
sluit dit recht de activa niet uit van toegang tot de toe-
gewezen portefeuille als bedoeld in het eerste lid, 8°.
§ 2. Verzekerings- of herverzekeringsondernemingen
die de matchingopslag op een portefeuille van verze-
kerings- of herverzekeringsverplichtingen toepassen,
mogen niet opnieuw teruggrijpen naar een methode
waarbij geen matchingopslag wordt gebruikt. Wanneer
een verzekerings- of herverzekeringsonderneming die
een matchingopslag toepast, niet meer in staat is om
te voldoen aan de voorwaarden van paragraaf 1, stelt
zij de Bank daarvan onverwijld in kennis en treft zij de
nodige maatregelen om weer aan die voorwaarden
te voldoen. Indien de onderneming niet in staat is om
binnen twee maanden na de datum van niet-naleving
6° lorsque le risque de souscription lié au porte-
feuille d’engagements d’assurance ou de réassurance
inclut le risque de mortalité, la meilleure estimation
du portefeuille des engagements d’assurance ou de
réassurance ne doit pas augmenter de plus de 5 %
dans le cadre d’un choc de risque de mortalité calibré
conformément à l’article 151, § § 2 à 5;
7° les contrats sous-jacents des portefeuilles
d’engagements d’assurance ou de réassurance ne
comprennent qu’une option de rachat à la condition
que la valeur de rachat n’excède pas la valeur des
actifs, évaluée conformément à l’article 123, couvrant
les engagements d’assurance ou de réassurance à la
date où s’exerce l’option de rachat;
8° les flux de trésorerie des actifs constituant le por-
tefeuille affecté d’actifs sont fixes et ne peuvent être
modifiés par les émetteurs des titres ni par des tiers;
9° les engagements d’assurance ou de réassurance
d’un contrat d’assurance ou de réassurance ne sont
pas divisés en différentes parties lors de la composition
du portefeuille des engagements d’assurance ou de
réassurance aux fins du présent paragraphe.
Nonobstant l’alinéa 1er, 8°, l’entreprise d’assurance
ou de réassurance peut utiliser des actifs dont les flux
de trésorerie sont fixes, à part une indexation sur l’infla-
tion, pourvu que ces actifs correspondent aux flux de
trésorerie du portefeuille d’engagements d’assurance
ou de réassurance, qui sont fonction de l’inflation.
Dans le cas où les émetteurs ou des tierces parties
ont le droit de modifier les flux d’un actif de manière telle
que l’investisseur reçoive une indemnisation suffisante
pour lui permettre d’obtenir les mêmes flux de trésorerie
en réinvestissant dans des actifs d’un niveau de qualité
de crédit équivalent ou meilleur, le droit de modifier les
flux de trésorerie n’exclut pas que l’actif soit éligible
au portefeuille assigné conformément à l’alinéa 1er, 8°.
§ 2. Les entreprises d’assurance ou de réassurance
qui appliquent l’ajustement égalisateur à un portefeuille
d’engagements d’assurance ou de réassurance ne
peuvent revenir à une méthode qui ignore l’ajustement
égalisateur. Si une entreprise d’assurance ou de réas-
surance qui applique l’ajustement égalisateur n’est
plus capable de remplir les conditions prévues au para-
graphe 1er, elle en informe immédiatement la Banque et
prend les mesures nécessaires pour revenir au respect
de ces conditions. Si elle se montre incapable de revenir
au respect des conditions dans un délai de deux mois
à compter de la date du non-respect, l’entreprise cesse
855
1584/002
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
opnieuw aan deze voorwaarden te voldoen, past zij de
matchingsopslag niet meer toe op haar verzekerings- of
herverzekeringsverplichtingen en mag zij deze mat-
chingsopslag pas opnieuw toepassen na een periode
van nog eens 24 maanden.
§ 3. De matchingopslag wordt niet op verzekerings-
of herverzekeringsverplichtingen toegepast indien de
relevante risicovrije rentetermijnstructuur voor de bere-
kening van de beste schatting van die verplichtingen een
volatiliteitsaanpassing als bedoeld in artikel 131 omvat of
een overgangsmaatregel ten aanzien van de risicovrije
rentevoeten als bedoeld in artikel 668.
Art. 130
§ 1. Voor elke munteenheid wordt de matchingopslag
als bedoeld in artikel 129 berekend in overeenstemming
met de volgende beginselen:
1° de matchingopslag is gelijk aan het verschil tussen:
a) de jaarlijkse effectieve rente, berekend als de
unieke discontovoet die, wanneer hij wordt toegepast op
de kasstromen uit de portefeuille van verzekerings- of
herverzekeringsverplichtingen, resulteert in een waarde
die gelijk is aan de overeenkomstig artikel 123 bere-
kende waarde van de toegewezen activaportefeuille;
b) de jaarlijkse effectieve rente, berekend als de
unieke discontovoet die, wanneer hij wordt toegepast op
de kasstromen uit de portefeuille van verzekerings- of
herverzekeringsverplichtingen, resulteert in een waarde
die gelijk is aan de waarde van de beste schatting van
de portefeuille van verzekerings- of herverzekeringsver-
plichtingen, met inachtneming van de tijdswaarde van
geld en met gebruikmaking van de relevante risicovrije
rentetermijnstructuur;
2° in de matchingopslag mag niet de fundamentele
spread zijn verrekend die de risico’s weerspiegelt die
door de verzekerings- of herverzekeringsonderneming
worden gedragen;
3° niettegenstaande punt 1°, wordt de fundamentele
spread in voorkomend geval verhoogd om te waarbor-
gen dat de matchingopslag voor activa waarvan de
kwaliteit lager is dan die van activa van hoge kwaliteit
niet groter is dan de matchingopslag voor activa van
hoge kwaliteit en dezelfde looptijd, en uit dezelfde
activacategorie;
4° het gebruik van externe kredietbeoordelin-
gen bij de berekening van de matchingopslag is in
d’appliquer l’ajustement égalisateur à ses engagements
d’assurance ou de réassurance et ne peut appliquer à
nouveau un tel ajustement qu’après un délai de 24 mois
supplémentaires.
§ 3. L’ajustement égalisateur n’est pas appliqué aux
engagements d’assurance ou de réassurance lorsque
la courbe pertinente des taux d’intérêt sans risque
utilisée pour calculer la meilleure estimation desdits
engagements fait intervenir une correction pour volatilité
en vertu de l’article 131 ou une mesure transitoire sur
les taux d’intérêt sans risque en vertu de l’article 668.
Art. 130
§ 1er. Dans chaque devise, l’ajustement égalisateur
visé à l’article 129 est calculé conformément aux prin-
cipes suivants:
1° l’ajustement égalisateur est égal à la différence
entre les montants suivants:
a) le taux annuel effectif, calculé comme le taux
unique d’actualisation qui, s’il était appliqué aux flux de
trésorerie du portefeuille d’engagements d’assurance
ou de réassurance, donnerait une valeur égale à la
valeur calculée conformément à l’article 123 du porte-
feuille assigné d’actifs;
b) le taux annuel effectif, calculé comme le taux
unique d’actualisation qui, s’il était appliqué aux flux
de trésorerie du portefeuille d’engagements d’assu-
rance ou de réassurance, donnerait une valeur égale
à la valeur de la meilleure estimation du portefeuille
d’engagements d’assurance ou de réassurance pour
laquelle la valeur temporelle de l’argent est prise en
compte en suivant la courbe pertinente des taux d’intérêt
sans risque;
2° l’ajustement égalisateur ne peut pas inclure la
marge fondamentale (fundamental spread) reflétant
les risques assumés par l’entreprise d’assurance ou
de réassurance;
3° nonobstant le 1°, la marge fondamentale (fun-
damental spread) est augmentée, le cas échéant, de
manière à ce que l’ajustement égalisateur pour les
actifs dont la qualité est inférieure à celle des actifs de
bonne qualité ne dépasse pas l’ajustement égalisateur
pour les actifs de bonne qualité et de même durée et
de même catégorie;
4° le recours à des évaluations externes de crédit
dans le calcul de l’ajustement égalisateur est conforme
856
1584/002
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
overeenstemming met de specificaties die met toepas-
sing van artikel 111, lid 1, onder n) van Richtlijn 2009/138/
EG zijn vastgelegd.
§ 2. Voor de toepassing van paragraaf 1, 2°, dient de
fundamentele spread:
1° gelijk te zijn aan de som van:
a) de kredietspread die de kans op wanbetaling voor
de activa weerspiegelt;
b) de kredietspread die het verwachte verlies als
gevolg van de afwaardering van de activa weergeeft;
2° voor vorderingen op de centrale overheden en
centrale banken van lidstaten, niet lager te zijn dan
30 % van het langetermijngemiddelde van de spread
ten opzichte van de risicovrije rentevoet voor activa
met dezelfde looptijd en dezelfde kredietwaardigheid
en uit dezelfde activacategorie, zoals gemeten op de
financiële markten;
3° voor andere activa dan vorderingen op de cen-
trale overheden en centrale banken van lidstaten, niet
lager te zijn dan 35 % van het langetermijngemiddelde
van de spread ten opzichte van de risicovrije rentevoet
voor activa met dezelfde looptijd en dezelfde krediet-
waardigheid en uit dezelfde activacategorie, zoals
gemeten op de financiële markten.
De kans op wanbetaling als bedoeld in het eerste lid,
1°, a), wordt berekend op basis van de langetermijnwan-
betalingsstatistieken die voor het bewuste actief relevant
zijn in verhouding tot de looptijd, de krediet waardigheid
en de betrokken activacategorie.
Indien uit de wanbetalingsstatistieken als bedoeld
in het tweede lid geen betrouwbare kredietspread kan
worden afgeleid, is de fundamentele spread gelijk aan
het deel van het langetermijngemiddelde van de spread
ten opzichte van de risicovrije rentevoet als bedoeld in
de punten 2° en 3°.
§ 4 – Volatiliteitsaanpassing (volatility adjustment) van
de relevante risicovrije rentetermijnstructuur
Art. 131
§ 1. Wanneer een verzekerings- of herverzeke-
ringsonderneming een volatiliteitsaanpassing van de
relevante risicovrije rentetermijnstructuur wil toepassen
bij de berekening van de beste schatting als bedoeld in
artikel 126, § 2, brengt zij de Bank daarvan voorafgaan-
delijk op de hoogte.
aux spécifications définies en application de l’article 111,
paragraphe 1er, n) de la Directive 2009/138/CE.
§ 2. Aux fins du paragraphe 1er, 2°, la marge fonda-
mentale (fundamental spread) est:
1° égale à la somme des éléments suivants:
a) la marge de crédit correspondant à la probabilité
de défaut des actifs;
b) la marge de crédit correspondant à la perte atten-
due d’une dégradation des actifs;
2° pour les expositions sur les administrations cen-
trales et les banques centrales des États membres,
supérieure ou égale à 30 % de la moyenne à longue
échéance de la marge par rapport au taux d’intérêt
sans risque d’actifs de même durée, de même qualité
de crédit et de même catégorie, telle qu’elle s’observe
sur les marchés financiers;
3° pour les actifs autres que les expositions sur les
administrations centrales et les banques centrales
des États membres, supérieure ou égale à 35 % de la
moyenne à longue échéance de la marge par rapport
au taux d’intérêt sans risque d’actifs de même durée,
de même qualité de crédit et de même catégorie, telle
qu’elle s’observe sur les marchés financiers.
La probabilité de défaut visée à l’alinéa 1er, 1°, a), est
fondée sur des statistiques de défaut à longue échéance
qui sont pertinentes pour l’actif en question, selon sa
durée, sa qualité de crédit et sa catégorie.
Lorsqu’aucune marge de crédit fiable ne peut être
tirée des statistiques de défaut visées au deuxième
alinéa, la marge fondamentale est égale à la part de la
moyenne à longue échéance de la marge par rapport
au taux d’intérêt sans risque que fixent les 2° et 3°.
§ 4 – Correction pour volatilité (Volatility adjustment)
de la courbe pertinente des taux d’intérêt sans risque
Art. 131
§ 1er. Une entreprise d’assurance ou de réassurance
qui a l’intention d’utiliser la correction pour volatilité de
la courbe pertinente des taux d’intérêt sans risque pour
calculer la meilleure estimation visée à l’article 126,
§ 2 en informe préalablement la Banque.
857
1584/002
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
De Bank kan de toepassing van de in het eerste lid
bedoelde volatiliteitsaanpassing te allen tijde verbieden
of beperken of er voorwaarden aan verbinden indien zij
vaststelt dat de verzekerings- of herverzekeringsonder-
neming niet voldoet aan de voorwaarden van dit artikel
of van de Europese verordeningen die met toepassing
van artikel 86, lid 1, onder i), van Richtlijn 2009/138/
EG zijn vastgesteld of dat haar risicoprofiel wezenlijk
verschilt van de voorwaarden voor de toepassing van
de volatiliteitsaanpassing waarin de bepalingen van de
genoemde verordeningen voorzien.
§ 2. Voor elke betrokken munteenheid is de volatili-
teitsaanpassing van de relevante risicovrije rentetermijn-
structuur gebaseerd op de spread tussen de rentevoet
die verdiend kan worden op de activa die deel uitmaken
van een referentieportefeuille voor die munteenheid en
de rentevoeten die gelden voor de relevante risicovrije
rentetermijnstructuur voor die munteenheid.
De referentieportefeuille voor een munteenheid is
representatief voor de activa in die munteenheid waar
de verzekerings- of herverzekeringsondernemingen in
hebben belegd ter dekking van de beste schatting van
verzekerings- of herverzekeringsverplichtingen in die
munteenheid.
§ 3. De volatiliteitsaanpassing die op de relevante
risicovrije rentetermijnstructuur wordt toegepast, komt
overeen met 65 % van de voor risico’s gecorrigeerde
spread voor die munteenheid.
De voor risico’s gecorrigeerde spread voor die
munteenheid wordt berekend als het verschil tussen de
spread als bedoeld in paragraaf 2 en het deel van die
spread dat terug te voeren is op een realistische inschat-
ting van te verwachten verliezen of op een onverwacht
kredietrisico, of andere aan de activa verbonden risico’s.
De volatiliteitsaanpassing wordt alleen toegepast
op de rentevoeten van de relevante risicovrije renteter-
mijnstructuur die niet worden berekend via extrapolatie
overeenkomstig artikel 128. De extrapolatie van de
relevante risicovrije rentetermijnstructuur is gebaseerd
op deze aangepaste risicovrije rentevoeten.
§ 4. Voor elk betrokken land wordt de volatiliteitsaan-
passing van de risicovrije rentevoeten als bedoeld in
paragraaf 3 voor de munteenheid van dat land, vóór toe-
passing van de 65 %-factor, verhoogd met het verschil
tussen de voor risico’s gecorrigeerde spread voor dat
land en tweemaal de voor risico’s gecorrigeerde spread
voor die munteenheid, op voorwaarde dat het verschil
positief is en de voor risico’s gecorrigeerde spread voor
dat land meer dan 100 basispunten bedraagt.
La Banque peut, à tout moment, interdire, restreindre
ou conditionner l’usage de la correction pour volati-
lité visée à l’alinéa 1er si elle constate que l’entreprise
d’assurance ou de réassurance ne respecte pas les
conditions prévues par le présent article ou par les
règlements européens pris en application de l’article
86, paragraphe 1er, i), de la Directive 2009/138/CE ou
que son profil de risque diffère substantiellement des
conditions d’application de la correction de volatilité telle
que prévues par les dispositions desdits règlements.
§ 2. Pour chaque devise concernée, la correction
pour volatilité de la courbe pertinente des taux d’intérêt
sans risque est fonction de l’écart entre le taux d’intérêt
qu’il serait possible de tirer des actifs inclus dans un
portefeuille de référence dans cette devise et les taux
de la courbe pertinente des taux d’intérêt sans risque
correspondante dans cette devise.
Le portefeuille de référence dans une devise est
représentatif des actifs qui sont libellés dans ladite
devise et dans lesquels les entreprises d’assurance
ou de réassurance ont investi pour couvrir la meilleure
estimation des engagements d’assurance ou de réas-
surance libellés dans cette devise.
§ 3. Le montant de la correction pour volatilité de la
courbe pertinente des taux d’intérêt sans risque corres-
pond à 65 % de l’écart “devises” moyennant correction
du risque.
L’écart “devises” moyennant correction du risque est
calculé sur la base de la différence entre l’écart visé au
paragraphe 2 et la partie de cet écart imputable à une
évaluation réaliste des pertes escomptées, du risque de
crédit non escompté ou de tout autre risque lié aux actifs.
La correction pour volatilité n’est applicable qu’aux
taux de la courbe pertinente des taux d’intérêt sans
risque qui ne sont pas calculés au moyen d’une extra-
polation conformément à l’article 128. L’extrapolation de
la courbe pertinente des taux d’intérêt sans risque est
fonction des taux d’intérêt sans risque ajustés.
§ 4. Pour chaque pays concerné, la correction pour
volatilité des taux d’intérêt sans risque visés au para-
graphe 3 dans la devise de ce pays est, avant applica-
tion du facteur de 65 %, augmentée de la différence
entre l’écart “pays” moyennant correction du risque et
le double de l’écart “devises” moyennant correction du
risque, lorsque cette différence est positive et que l’écart
“pays” moyennant correction du risque est supérieur à
100 points de base.
858
1584/002
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
De verhoogde volatiliteitsaanpassing wordt toegepast
op de berekening van de beste schatting van verzeke-
rings- of herverzekeringsverplichtingen van producten
die op de verzekerings- of herverzekeringsmarkt van
het betrokken land worden verkocht. De voor risico’s
gecorrigeerde spread voor dat land wordt op dezelfde
manier berekend als de voor risico’s gecorrigeerde
spread voor die munteenheid van het betrokken land,
met dien verstande dat hij gebaseerd is op een refe-
rentieportefeuille die representatief is voor de activa
waar verzekerings- of herverzekeringsondernemingen
in hebben belegd ter dekking van de beste schatting
van de verzekerings- of herverzekeringsverplichtingen
van producten die op de verzekerings- of herverzeke-
ringsmarkt van het betrokken land worden verkocht en
uitgedrukt zijn in de munteenheid van dat land.
§ 5. De volatiliteitsaanpassing wordt niet op de ver-
zekeringsverplichtingen toegepast indien de relevante
risicovrije rentetermijnstructuur voor het berekenen van
de beste schatting van die verplichtingen een matching-
opslag als bedoeld in artikel 129 omvat.
§ 6. Bij wijze van uitzondering op artikel 151 heeft
het solvabiliteitskapitaalvereiste geen betrekking op het
risico op verlies van het kernvermogen ten gevolge van
wijzigingen in de volatiliteitsaanpassing.
§ 5 – Overige bepalingen betreffende de technische
voorzieningen
Art. 132
Indien de technische informatie als bedoeld in arti-
kel 77sexies, lid 1 van Richtlijn 2009/138/EG door de
Europese Commissie in overeenstemming met lid 2 van
hetzelfde artikel is vastgesteld, gebruiken de verzeke-
rings- of herverzekeringsondernemingen die technische
informatie voor het berekenen van de beste schatting
overeenkomstig de artikelen 126 en 127, het berekenen
van de matchingopslag overeenkomstig artikel 130, en
het berekenen van de volatiliteitsaanpassing overeen-
komstig artikel 131.
Indien met betrekking tot munteenheden en natio-
nale markten de in artikel 77sexies, lid 1, onder c), van
Richtlijn 2009/138/EG bedoelde aanpassing niet in de
uitvoeringshandelingen als bedoeld in lid 2 van hetzelfde
artikel is opgenomen, wordt geen volatiliteitsaanpas-
sing van de relevante risicovrije rentetermijnstructuur
toegepast voor het berekenen van de beste schatting.
L’augmentation de la correction pour volatilité s’ap-
plique au calcul de la meilleure estimation des enga-
gements d’assurance ou de réassurance de produits
vendus sur le marché de l’assurance ou de la réassu-
rance de ce pays. L’écart “pays” moyennant correction
du risque est calculé de la même manière que l’écart
“devises” moyennant correction du risque de ce pays
mais sur la base d’un portefeuille de référence qui est
représentatif du portefeuille d’actifs dans lesquels les
entreprises d’assurance ou de réassurance ont investi
pour couvrir la meilleure estimation des engagements
d’assurance ou de réassurance de produits vendus sur
le marché de l’assurance ou de la réassurance de ce
pays et libellés dans la devise de ce pays.
§ 5. La correction pour volatilité ne s’applique pas
aux engagements d’assurance si la courbe pertinente
des taux d’intérêt sans risque à utiliser pour calculer la
meilleure estimation de ces engagements fait intervenir
l’ajustement égalisateur prévu à l’article 129.
§ 6. Par dérogation à l’article 151, le capital de
solvabilité requis ne couvre pas le risque de perte de
fonds propres de base découlant d’une variation de la
correction pour volatilité.
§ 5 – Autres dispositions relatives aux provisions
techniques
Art. 132
Lorsque les informations techniques visées à l’article
77sexies, paragraphe 1er de la Directive 2009/138/CE
sont adoptées par la Commission européenne confor-
mément au paragraphe 2 du même article, les entre-
prises d’assurance ou de réassurance font usage de
ces informations techniques pour calculer la meilleure
estimation conformément aux articles 126 et 127, l’ajus-
tement égalisateur conformé ment à l’article 130, et la
correction pour volatilité conformément à l’article 131.
En ce qui concerne les devises pour lesquelles et
les marchés nationaux sur lesquels l’ajustement visé
à l’article 77sexies, paragraphe 1er, c) de la Directive
2009/138/CE, n’est pas prévu dans les actes d’exécu-
tion visés au paragraphe 2 du même article, aucune
correction pour volatilité n’est appliquée à la courbe
pertinente des taux d’intérêts sans risque à utiliser pour
calculer la meilleure estimation.
859
1584/002
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
Art. 133
Naast hetgeen in de artikelen 126 en 127 is bepaald,
nemen verzekerings- of herverzekeringsondernemingen
bij de berekening van hun technische voorzieningen het
volgende in aanmerking:
1° alle kosten die worden gemaakt bij het nakomen
van verzekerings- of herverzekeringsverplichtingen;
2° inflatie, waaronder kosten- en schadegevalleninflatie;
3° alle door de verzekerings- of herverzekerings-
ondernemingen verwachte betalingen aan verzeke-
ringnemers en begunstigden, waaronder toekomstige
discretionaire winstdelingen, ongeacht of deze beta-
lingen contractueel gegarandeerd zijn, tenzij ze onder
artikel 145, tweede lid vallen.
Art. 134
Bij de berekening van hun technische voorzienin-
gen houden de verzekerings- of herverzekeringson-
dernemingen rekening met de waarde van financiële
garanties en contractuele opties in verzekerings- of
herverzekeringsovereenkomsten.
De verzekerings- of herverzekeringsondernemingen
hanteren met betrekking tot de kans dat de verzeke-
ringnemers gebruik zullen maken van de contractuele
opties die hen worden geboden, zoals het recht op re-
ductie van de prestaties en het afkooprecht, realistische
hypothesen die uitgaan van actuele en betrouwbare
informatie. In de hypothesen wordt expliciet dan wel
impliciet rekening gehouden met de mogelijke gevolgen
van toekomstige veranderingen in de financiële en niet-
financiële omstandigheden voor de gebruikmaking van
deze opties.
Art. 135
Bij de berekening van hun technische voorzieningen
delen de verzekerings- of herverzekeringsondernemin-
gen hun verzekerings- of herverzekeringsverplichtingen
op in homogene risicogroepen en ten minste in business
lines.
Art. 136
Wanneer de verzekerings- of herverzekeringson-
dernemingen de schuldvorderingen berekenen die
Art. 133
Outre les dispositions des articles 126 et 127, les
entreprises d’assurance ou de réassurance tiennent
compte des éléments suivants lorsqu’elles calculent
leurs provisions techniques:
1° toutes les dépenses qui seront engagées aux
fins d’honorer les engagements d’assurance ou de
réassurance;
2° l’inflation, y compris l’inflation relative aux dé-
penses et aux sinistres;
3° l’ensemble des paiements aux preneurs d’assu-
rance et bénéficiaires, y compris les participations
discrétionnaires que les entreprises d’assurance ou de
réassurance prévoient de verser dans l’avenir, que ces
paiements soient ou non garantis contractuellement, à
moins qu’ils ne relèvent de l’article 145, alinéa 2.
Art. 134
Lorsqu’elles calculent leurs provisions techniques,
les entreprises d’assurance ou de réassurance tiennent
compte de la valeur des garanties financières et de
toute option contractuelle incluses dans les contrats
d’assurance ou de réassurance.
Toute hypothèse retenue par les entreprises d’assu-
rance ou de réassurance concernant la probabilité que
les preneurs d’assurance exercent les options contrac-
tuelles qui leur sont offertes, y compris le droit de réduc-
tion des prestations et le droit de rachat, est réaliste et
fondée sur des informations actuelles et crédibles. Elle
tient compte, explicitement ou implicitement, de l’impact
que pourraient avoir d’éventuels changements des
conditions financières et non financières sur l’exercice
de ces options.
Art. 135
Lorsqu’elles calculent leurs provisions techniques, les
entreprises d’assurance ou de réassurance segmentent
leurs engagements d’assurance ou de réassurance en
groupes de risques homogènes et, au minimum, par
ligne d’activité.
Art. 136
Lorsqu’elles calculent les créances découlant des
contrats de réassurance et des véhicules de titrisation,
860
1584/002
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
voortvloeien uit herverzekeringsovereenkomsten en
effectiseringsvehikels, nemen zij de artikelen 125 tot
135 in acht.
Bij de berekening van de schuldvorderingen die
voortvloeien uit herverzekeringsovereenkomsten en ef-
fectiseringsvehikels, houden de verzekerings- of herver-
zekeringsondernemingen rekening met het tijdsverschil
tussen de verhaalde bedragen en de rechtstreekse
betalingen.
De uitkomst van deze berekening wordt gecorrigeerd
voor de verwachte verliezen door wanbetaling van de
tegenpartij. Deze correctie wordt gebaseerd op een
beoordeling van de kans op wanbetaling door de te-
genpartij en het daaruit resulterende gemiddelde verlies
(“loss-given-default”).
Art. 137
De verzekerings- of herverzekeringsondernemingen
beschikken over interne processen en procedures om de
adequaatheid, volledigheid en juistheid te waarborgen
van de gegevens waarvan gebruik wordt gemaakt bij de
berekening van hun technische voorzieningen.
Indien de verzekerings- of herverzekeringsonderne-
mingen in specifieke omstandigheden over onvoldoende
degelijke gegevens beschikken om een betrouwbare
actuariële methode toe te passen op een set of subset
van hun verzekerings- of herverzekeringsverplichtingen
of op schuldvorderingen die voortvloeien uit herverzeke-
ringsovereenkomsten en effectiseringsvehikels, mogen
passende benaderingen, met inbegrip van ad-hocbe-
naderingen, worden gebruikt voor de berekening van
de beste schatting.
Art. 138
De verzekerings- of herverzekeringsondernemingen
beschikken over processen en procedures die ervoor
zorgen dat hun beste schattingen en de hypothesen
voor de berekening van de beste schattingen regelmatig
worden getoetst aan de praktijkervaring.
Wanneer bij deze toetsing blijkt dat de door de ver-
zekerings- of herverzekeringsonderneming verrichte
berekeningen van de beste schatting systematisch af-
wijken van de praktijkervaring, corrigeert de betrokken
onderneming de gehanteerde actuariële methodes en/
of hypothesen naar behoren.
les entreprises d’assurance ou de réassurance se
conforment aux articles 125 à 135.
Lorsqu’elles calculent les créances découlant des
contrats de réassurance et des véhicules de titrisation,
les entreprises d’assurance ou de réassurance tiennent
compte de la différence temporelle qui existe entre les
recouvrements et les paiements directs.
Le résultat de ce calcul est ajusté afin de tenir compte
des pertes probables pour défaut de la contrepartie. Cet
ajustement est fondé sur une évaluation de la probabilité
de défaut de la contrepartie et de la perte moyenne en
résultant (perte en cas de défaut).
Art. 137
Les entreprises d’assurance ou de réassurance
mettent en place des processus et procédures internes
de nature à garantir le caractère approprié, l’exhaustivité
et l’exactitude des données utilisées dans le calcul de
leurs provisions techniques.
Lorsque, dans des circonstances particulières, les
entreprises d’assurance ou de réassurance ne dis-
posent pas de suffisamment de données d’une qualité
appropriée pour appliquer une méthode actuarielle
fiable à un ensemble ou à un sous-ensemble de leurs
engagements d’assurance ou de réassurance, ou de
créances découlant de contrats de réassurance et de
véhicules de titrisation, des approximations adéquates,
y compris par approches au cas par cas, peuvent être
utilisées pour le calcul de la meilleure estimation.
Art. 138
Les entreprises d’assurance ou de réassurance
mettent en place des processus et procédures en vue
d’assurer une comparaison régulière de leurs meilleures
estimations et des hypothèses sous-tendant le calcul de
ces dernières avec les données tirées de l’expérience.
Lorsque cette comparaison met en évidence un écart
systématique entre les données tirées de l’expérience
et les calculs des meilleures estimations de l’entreprise
d’assurance ou de réassurance, l’entreprise concernée
apporte les ajustements qu’il convient aux méthodes
actuarielles utilisées et/ou aux hypothèses retenues.
861
1584/002
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
Art. 139
Op verzoek van de Bank tonen de verzekerings- of
herverzekeringsondernemingen aan dat hun technische
voorzieningen toereikend zijn, dat de gehanteerde me-
thodes toepasselijk en relevant zijn en dat de onderlig-
gende statistische gegevens adequaat zijn.
Onderafdeling III
Eigen vermogen
Art. 140
Het eigen vermogen is de som van het in arti-
kel 141 bedoelde kernvermogen en het in artikel 142 be-
doelde aanvullend eigen vermogen.
Art. 141
Kernvermogen bestaat uit de volgende bestanddelen:
1° het positieve verschil van de activa ten opzichte
van de opeisbare passiva (liabilities), die gewaardeerd
worden overeenkomstig artikel 123 en Onderafdeling II
van deze Afdeling;
2° achtergestelde passiva.
Het in 1° bedoelde verschil wordt verminderd met het
bedrag van de eigen aandelen die door de verzekerings-
of herverzekeringsonderneming worden aangehouden.
Art. 142
§ 1. Aanvullend eigen vermogen bestaat uit bestand-
delen die geen kernvermogen vormen en die kunnen
worden opgevraagd om verliezen te compenseren.
Aanvullend eigen vermogen kan bestaan uit de
volgende bestanddelen, voor zover deze geen kern-
vermogen vormen:
1° het niet-gestorte gedeelte van het maatschappelijk
kapitaal of van het maatschappelijk fonds dat niet is
opgevraagd;
2° kredietbrieven en garanties;
Art. 139
Sur demande de la Banque, les entreprises d’assu-
rance ou de réassurance démontrent le caractère
approprié du niveau de leurs provisions techniques,
ainsi que l’applicabilité et la pertinence des méthodes
qu’elles appliquent et l’adéquation des données statis-
tiques sous-jacentes.
Sous-section III
Fonds propres
Art. 140
Les fonds propres correspondent à la somme des
fonds propres de base visés à l’article 141 et des fonds
propres auxiliaires visés à l’article 142.
Art. 141
Les fonds propres de base se composent des élé-
ments suivants:
1° l’excédent des actifs par rapport aux passifs
exigibles (liabilities), évalués conformément à l’ar-
ticle 123 et à la Sous-section II de la présente Section;
2° les passifs subordonnés.
L’excédent visé au 1° est diminué du montant de ses
propres actions que l’entreprise d’assurance ou de
réassurance détient.
Art. 142
§ 1er. Les fonds propres auxiliaires se composent
d’éléments, autres que les fonds propres de base, qui
peuvent être appelés pour absorber des pertes.
Les fonds propres auxiliaires peuvent inclure les
éléments suivants, dans la mesure où il ne s’agit pas
d’éléments de fonds propres de base:
1° la fraction non versée du capital social ou le fonds
initial qui n’a pas été appelé;
2° les lettres de crédit et les garanties;
862
1584/002
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
3° andere juridisch bindende verplichtingen jegens de
verzekerings- of herverzekeringsonderneming.
Bij onderlinge verzekeringsverenigingen met varia-
bele bijdragen kan het aanvullend eigen vermogen ook
de suppletiebijdragen omvatten die zij van hun leden
kunnen eisen in de volgende twaalf maanden.
§ 2. Wanneer een bestanddeel van het aanvullend
eigen vermogens gestort of opgevraagd is, wordt het
behandeld als een actief en maakt het geen deel meer
uit van het aanvullend eigen vermogen.
Art. 143
§ 1. Het bedrag aan aanvullend eigen vermogen dat
bij de bepaling van het eigen vermogen in aanmerking
wordt genomen, dient vooraf door de Bank te worden
goedgekeurd.
§ 2. Het bedrag toegewezen aan elk bestanddeel
van het aanvullend eigen vermogen weerspiegelt het
vermogen van het betrokken bestanddeel om verliezen
te compenseren en is gebaseerd op prudente en rea-
listische hypothesen. Indien een bestanddeel van het
aanvullend eigen vermogen een vaste nominale waarde
heeft, is het bedrag van dat bestanddeel gelijk aan zijn
nominale waarde, mits het het vermogen van het be-
standdeel om verliezen te compenseren weerspiegelt.
§ 3. De Bank verleent haar goedkeuring aan een van
de volgende elementen:
1° een financieel bedrag voor elk bestanddeel van
het aanvullend eigen vermogen;
2° een methode om het bedrag van elk bestanddeel
van het aanvullend eigen vermogen te bepalen. In dit ge-
val verleent de Bank slechts voor een bepaalde periode
haar goedkeuring aan het bedrag dat overeenkomstig
deze methode is vastgesteld.
§ 4. Bij elk bestanddeel van het aanvullend eigen
vermogen baseert de Bank haar goedkeuring op de
beoordeling van het volgende:
1° de positie van de betrokken tegenpartijen, in ver-
band met hun mogelijkheid en bereidheid te betalen;
2° de invorderbaarheid van het vermogens-
bestanddeel, waarbij rekening wordt gehouden met de
3° tout autre engagement, juridiquement contrai-
gnant, reçu par les entreprises d’assurance ou de
réassurance.
Dans le cas d’une association d’assurance mutuelle
à cotisations variables, les fonds propres auxiliaires
peuvent également inclure toute créance future que
cette association d’assurance mutuelle peut détenir sur
ses membres par voie de rappel de cotisations durant
les douze mois à venir.
§ 2. Lorsqu’un élément des fonds propres auxiliaires
a été payé ou appelé, il est assimilé à un actif et cesse
de faire partie des fonds propres auxiliaires.
Art. 143
§ 1er. Le montant des éléments des fonds propres
auxiliaires à prendre en considération pour déterminer
les fonds propres sont soumis à l’approbation préalable
de la Banque.
§ 2. Le montant attribué à chaque élément de fonds
propres auxiliaires reflète la capacité d’absorption des
pertes de l’élément concerné et est fondé sur des
hypothèses prudentes et réalistes. Lorsqu’une valeur
nominale fixe est attachée à un élément de fonds
propres auxiliaires, le montant de cet élément est égal
à sa valeur nominale, pourvu que celle-ci reflète conve-
nablement sa capacité d’absorption des pertes.
§ 3. La Banque approuve l’un ou l’autre des éléments
suivants:
1° un montant monétaire pour chaque élément de
fonds propres auxiliaires;
2° une méthode de calcul du montant de chaque
élément de fonds propres auxiliaires, auquel cas
l’approbation par la Banque du montant ainsi calculé
est donnée pour une période déterminée.
§ 4. Pour chaque élément de fonds propres auxi-
liaires, la Banque fonde son approbation sur l’évaluation
des éléments suivants:
1° le statut des contreparties concernées, eu égard
à leur capacité et à leur disposition à payer;
2° la possibilité de récupération de l’élément de fonds
propres, compte tenu de la forme juridique de l’élément
863
1584/002
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
rechtsvorm van het betrokken bestanddeel en met de
omstandigheden waaronder het bestanddeel niet zal
kunnen worden gestort of opgevraagd;
3° informatie over de afloop van eerdere opvragingen
door de verzekerings- of herverzekeringsondernemin-
gen van dergelijk aanvullend eigen vermogen, voor
zover die informatie op betrouwbare wijze kan worden
gebruikt om de verwachte afloop van toekomstige op-
vragingen te beoordelen.
Art. 144
Naast de vereisten van ar tikel 68 van
Verordening 2015/35, wordt direct, indirect en syn-
thetisch bezit van eigenvermogensinstrumenten van
entiteiten uit de financiële sector afgetrokken van de
eigenvermogensbestanddelen van een verzekerings- of
herverzekeringsonderneming indien deze entiteiten een
wederzijdse deelneming hebben in de verzekerings- of
herverzekeringsonderneming, die volgens de Bank be-
doeld is om het eigen vermogen van de verzekerings- of
herverzekeringsonderneming kunstmatig te verhogen.
Voor de toepassing van dit artikel wordt verstaan
onder:
1° “financiële sector”: de financiële sector als gede-
finieerd in artikel 338, 9°;
2° “synthetisch bezit”: een belegging in een financieel
instrument waarvan de waarde rechtstreeks verband
houdt met de waarde van de door een entiteit uit de
financiële sector uitgegeven kapitaalinstrumenten.
Art. 145
Surplusfondsen zijn geaccumuleerde winsten die
nog niet beschikbaar zijn gesteld voor uitkering aan de
verzekeringnemers en de begunstigden.
Surplusfondsen worden niet als verzekerings- of her-
verzekeringsverplichtingen beschouwd wanneer deze
voldoen aan de criteria van artikel 147, § 1.
Art. 146
§ 1. Eigenvermogensbestanddelen worden in drie
tiers ingedeeld. De indeling van deze bestanddelen
is afhankelijk van de vraag of ze kernvermogens- of
considéré, ainsi que toute circonstance qui pourrait
empêcher qu’il soit payé ou appelé avec succès;
3° toute information sur l’issue des appels émis
dans le passé par les entreprises d’assurance ou de
réassurance pour des fonds propres auxiliaires sem-
blables, dans la mesure où cette information peut être
raisonnablement utilisée pour estimer l’issue attendue
de futurs appels.
Art. 144
Outre les exigences prévues par l’article 68 du
Règlement 2015/35, les détentions directes, indirectes
et synthétiques, détenues par une entreprise d’assu-
rance ou de réassurance dans des instruments de fonds
propres d’entités du secteur financier sont déduites
de ses éléments de fonds propres lorsqu’il existe
une détention croisée entre ces entités et l’entreprise
d’assurance ou de réassurance et que la Banque estime
que cette participation vise à accroître artificiellement
les fonds propres de l’entreprise d’assurance ou de
réassurance.
Pour l’application du présent article, on entend:
1° “secteur financier” au sens défini par l’article 338, 9°;
2° par “détention synthétique”, un investissement
effectué dans un instrument financier dont la valeur est
directement liée à la valeur des instruments de capital
émis par une entité du secteur financier.
Art. 145
Les fonds excédentaires sont constitués de bénéfices
accumulés qui n’ont pas encore été rendus disponibles
pour distribution aux preneurs d’assurance et aux
bénéficiaires.
Les fonds excédentaires ne sont pas considérés
comme des engagements d’assurance ou de réas-
surance dans la mesure où ils satisfont aux critères
énoncés à l’article 147, § 1er.
Art. 146
§ 1er. Les éléments de fonds propres sont classés
en trois niveaux. Le classement de ces éléments est
fonction de leur caractère de fonds propres de base
864
1584/002
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
aanvullendeigenvermogensbestanddelen zijn en de
mate waarin ze de volgende kenmerken bezitten:
1° het bestanddeel blijft, ook bij liquidatie, beschik-
baar of kan op verzoek opgevraagd worden om verliezen
volledig te compenseren (permanente beschikbaarheid);
2° bij liquidatie is het totale bedrag van het bestand-
deel beschikbaar om verliezen te compenseren en wordt
de terugbetaling van het bestanddeel aan de houder
ervan geweigerd totdat alle andere verplichtingen,
waaronder verzekerings- of herverzekeringsverplich-
tingen jegens verzekeringnemers en begunstigden van
verzekerings- of herverzekeringsovereenkomsten, zijn
nagekomen (achterstelling).
§ 2. Bij de beoordeling van de mate waarin de ei-
genvermogensbestanddelen op dit moment en in de
toekomst de kenmerken bezitten die zijn vastgelegd
in paragraaf 1, 1° en 2°, wordt voldoende rekening ge-
houden met de duur van het bestanddeel, inzonderheid
of het bestanddeel gedateerd is of niet. Wanneer een
eigenvermogensbestanddeel gedateerd is, wordt reke-
ning gehouden met de relatieve duur van het bestand-
deel in vergelijking met de duur van de verzekerings- of
herverzekeringsverplichtingen van de onderneming
(voldoende looptijd).
Bovendien wordt rekening gehouden met de volgende
elementen:
1° of het bestanddeel vrij is van vereisten of stimulan-
sen om de nominale som terug te betalen (afwezigheid
van stimulansen voor terugbetaling);
2° of het bestanddeel vrij is van verplichte vaste
kosten (afwezigheid van verplichte inherente kosten);
3° of het bestanddeel niet bezwaard is (afwezigheid
van bezwaringen).
Art. 147
§ 1. Kernvermogensbestanddelen worden ingedeeld
in Tier 1 wanneer zij in hoge mate de kenmerken van
artikel 146, § 1, 1° en 2° bezitten, rekening houdend met
de elementen bedoeld in artikel 146, § 2.
§ 2. Kernvermogensbestanddelen worden ingedeeld
in Tier 2 wanneer zij in hoge mate de kenmerken van
artikel 146, § 1, 2° bezitten, rekening houdend met de
elementen bedoeld in artikel 146, § 2.
ou de fonds propres auxiliaires et de la mesure dans
laquelle ils présentent les caractéristiques suivantes:
1° l’élément est disponible, ou peut être appelé sur
demande pour absorber complètement des pertes, que
ce soit dans le cadre d’une exploitation continue ou en
cas de liquidation (disponibilité permanente);
2° en cas de liquidation, le montant total de l’élément
est disponible pour l’absorption des pertes et le rem-
boursement de l’élément est refusé à son détenteur
jusqu’à ce que tous les autres engagements, y compris
les engagements d’assurance ou de réassurance vis-
à-vis des preneurs d’assurance et des bénéficiaires
des contrats d’assurance ou de réassurance, aient été
honorés (subordination).
§ 2. Pour évaluer dans quelle mesure les éléments de
fonds propres présentent les caractéristiques définies
au paragraphe 1er, 1° et 2°, au moment considéré et à
l’avenir, il importe de prendre dûment en considération
la durée de l’élément, en particulier s’il a une durée
déterminée ou non. Lorsque l’élément de fonds propres
a une durée déterminée, sa durée relative, en compa-
raison de la durée des engagements d’assurance ou de
réassurance de l’entreprise, est prise en considération
(durée suffisante).
Les facteurs suivants sont, en outre, pris en considé-
ration, à savoir si l’élément est exempt:
1° de toute obligation de rembourser ou incitation à
rembourser son montant nominal (absence d’incitation
à rembourser);
2° de charges fixes obligatoires (absence de charges
financières obligatoires inhérentes);
3° de contraintes (absence de contraintes).
Art. 147
§ 1er. Les éléments des fonds propres de base sont
classés au niveau 1 lorsqu’ils présentent, en substance,
les caractéristiques exposées à l’article 146, § 1er, 1° et
2°, compte tenu des facteurs visés à l’article 146, § 2.
§ 2. Les éléments des fonds propres de base sont
classés au niveau 2 lorsqu’ils présentent, en substance,
la caractéristique exposée à l’article 146, § 1er, 2°, en
tenant compte des facteurs visés à l’article 146, § 2.
865
1584/002
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
Aanvullendeigenvermogensbestanddelen worden
ingedeeld in Tier 2 wanneer zij in hoge mate de ken-
merken van artikel 146, § 1, 1° et 2° bezitten, rekening
houdend met de elementen bedoeld in artikel 146, § 2.
§ 3. Kern- en aanvullendeigenvermogens-bestandde-
len die niet onder de paragrafen 1 en 2 vallen, worden
ingedeeld in Tier 3.
Art. 148
De verzekerings- of herverzekeringsondernemingen
delen hun eigenvermogensbestanddelen in op basis van
de criteria van artikel 147.
Daartoe verwijzen de verzekerings- of herverzeke-
ringsondernemingen in voorkomend geval naar de lijst
van eigenvermogensbestanddelen als bedoeld in de
artikelen 69, 72, 74, 76 en 78 van Verordening 2015/35.
Wanneer een eigenvermogensbestanddeel niet in
deze lijst voorkomt, wordt het overeenkomstig het eerste
lid beoordeeld en ingedeeld door de verzekerings- of
herverzekeringsondernemingen. Deze indeling wordt
ter goedkeuring voorgelegd aan de Bank.
Art. 149
Onverminderd artikel 148 en de lijst van eigenver-
mogensbestanddelen als bedoeld in de artikelen 69,
72, 74, 76 en 78 van Verordening 2015/35, gelden de
volgende indelingen voor het verzekeringsspecifieke
eigen vermogen:
1° surplusfondsen die onder artikel 145, tweede lid
vallen, worden ingedeeld in Tier 1;
2° kredietbrieven en garanties die door een onafhan-
kelijke trustee ten behoeve van schuldeisers uit hoofde
van verzekering in trust worden gehouden en afgegeven
zijn door kredietinstellingen waaraan overeenkomstig
Richtlijn 2013/36/EU een vergunning is verleend, worden
ingedeeld in Tier 2;
3° suppletiebijdragen die onderlinge verzekerings-
verenigingen van reders met variabele bijdragen die
uitsluitend de risico’s verzekeren die ingedeeld zijn in
de takken 6, 12 en 17 als vermeld in Bijlage I, van hun
leden kunnen eisen in de volgende twaalf maanden,
worden ingedeeld in Tier 2.
Overeenkomstig artikel 147, § 2, tweede lid, worden sup-
pletiebijdragen die onderlinge verzekeringsverenigingen
Les éléments des fonds propres auxiliaires sont clas-
sés au niveau 2 lorsqu’ils présentent, en substance, les
caractéristiques exposées à l’article 146, § 1er, 1° et 2°,
en tenant compte des facteurs visés à l’article 146, § 2.
§ 3. Tout élément des fonds propres de base ou
auxiliaires qui ne relève pas des paragraphes 1er et 2 est
classé au niveau 3.
Art. 148
Les entreprises d’assurance ou de réassurance
classent leurs éléments de fonds propres sur la base
des critères énoncés à l’article 147.
À cet effet, les entreprises d’assurance ou de réassu-
rance se réfèrent, le cas échéant, à la liste des éléments
de fonds propres prévue aux articles 69, 72, 74, 76 et
78 du Règlement 2015/35.
Lorsqu’un élément de fonds propres ne relève pas
de cette liste, il est évalué et classé par les entreprises
d’assurance ou de réassurance conformément à l’ali-
néa 1er. Ce classement est soumis à l’approbation de
la Banque.
Art. 149
Sans préjudice de l’article 148 et de la liste des
éléments de fonds propres prévue aux articles 69, 72,
74, 76 et 78 du Règlement 2015/35, les classements
suivants sont appliqués en ce qui concerne les fonds
propres spécifiques à l’assurance:
1° les fonds excédentaires relevant de l’article 145,
alinéa 2 sont classés au niveau 1;
2° les lettres de crédit et les garanties détenues en
fiducie par un fiduciaire indépendant au bénéfice de
créanciers d’assurance et fournies par des établisse-
ments de crédit agréés conformément à la Directive
2013/36/UE sont classées au niveau 2;
3° toute créance future que les associations d’assu-
rance mutuelle à cotisations variables de propriétaires
de navires, qui assurent uniquement les risques classés
sous les branches 6, 12 et 17 mentionnées à l’Annexe I,
peuvent détenir sur leurs membres par voie de rappel
de cotisations durant les douze mois à venir, est classée
au niveau 2.
Conformément à l’article 147, § 2, alinéa 2, toute
créance future que les associations d’assurance
866
1584/002
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
met variabele bijdragen van hun leden kunnen eisen
in de volgende twaalf maanden en die niet onder het
eerste lid, 3° vallen, ingedeeld in Tier 2, wanneer zij in
hoge mate de kenmerken van artikel 146, § 1, 1° en 2°
bezitten, rekening houdend met de elementen bedoeld
in artikel 146, § 2.
Art. 150
§ 1. Wat de naleving van het solvabiliteitskapitaal-
vereiste betreft, gelden voor de in aanmerking ko-
mende bedragen van de bestanddelen van Tier 2 en
Tier 3 kwantitatieve grenzen. Die grenzen zijn zodanig
dat gewaarborgd wordt dat ten minste aan de volgende
voorwaarden wordt voldaan:
1° het aandeel van Tier 1-bestanddelen in het in
aanmerking komend eigen vermogen is meer dan een
derde van het totale bedrag van het in aanmerking ko-
mend eigen vermogen;
2° het in aanmerking komende bedrag van Tier 3-be-
standdelen is minder dan een derde van het totale
bedrag van het in aanmerking komend eigen vermogen.
§ 2. Wat de naleving van het minimumkapitaalvereiste
betreft, geldt dat het bedrag van de in Tier 2 ingedeelde
in aanmerking komende kernvermogensbestanddelen
ter dekking van het minimumkapitaalvereiste is gebon-
den aan kwantitatieve grenzen. Die grenzen zijn zodanig
dat ten minste gewaarborgd wordt dat het aandeel van
Tier 1-bestanddelen in het in aanmerking komend kern-
vermogen meer is dan de helft van het totale bedrag van
het in aanmerking komend kernvermogen.
§ 3. Het in aanmerking komend bedrag van het eigen
vermogen ter dekking van het solvabiliteitskapitaalver-
eiste zoals vastgelegd in artikel 151 is gelijk aan de som
van het bedrag van Tier 1, het in aanmerking komend
bedrag van Tier 2 en het in aanmerking komend bedrag
van Tier 3.
§ 4. Het in aanmerking komend bedrag van het
kernvermogen ter dekking van het minimumkapi-
taalvereiste zoals vastgelegd in artikel 189 is gelijk
aan de som van het bedrag van Tier 1 en het in aan-
merking komend bedrag van de in Tier 2 ingedeelde
kernvermogensbestanddelen.
mutuelle à cotisations variables peuvent détenir sur leurs
membres par voie de rappel de cotisations durant les
douze mois à venir et qui n’est pas couverte par l’alinéa
1er, 3°, est classée au niveau 2 lorsqu’elle présente, en
substance, les caractéristiques exposées à l’article
146, § 1er, 1° et 2°, en tenant compte des facteurs visés
à l’article 146, § 2.
Art. 150
§ 1er. Pour ce qui concerne la conformité au capital de
solvabilité requis, les montants éligibles des éléments de
niveau 2 et de niveau 3 sont soumis à des limites quan-
titatives. Ces limites sont telles qu’elles garantissent,
au moins, que les conditions suivantes sont réunies:
1° la part des éléments de niveau 1 compris dans
les fonds propres éligibles représente plus du tiers du
montant total des fonds propres éligibles;
2° le montant éligible des éléments de niveau 3 repré-
sente moins du tiers du montant total des fonds propres
éligibles.
§ 2. Pour ce qui concerne la conformité au minimum
de capital requis, le montant des éléments de fonds
propres de base éligibles pour couvrir le minimum de
capital requis qui sont classés au niveau 2 est soumis à
des limites quantitatives. Ces limites sont telles qu’elles
garantissent, au moins, que la part des éléments de
niveau 1 compris dans les fonds propres de base éli-
gibles représente plus de la moitié du montant total des
fonds propres de base éligibles.
§ 3. Le montant des fonds propres éligible pour cou-
vrir le capital de solvabilité requis prévu à l’article 151 est
égal à la somme du montant des éléments de niveau 1,
du montant éligible des éléments de niveau 2 et du
montant éligible des éléments de niveau 3.
§ 4. Le montant des fonds propres de base éligible
pour couvrir le minimum de capital requis prévu à l’ar-
ticle 189 est égal à la somme du montant des éléments
de niveau 1 et du montant éligible des éléments de fonds
propres de base classés au niveau 2.
867
1584/002
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
Afdeling II
Kapitaalvereisten
Onderafdeling I
Algemene bepalingen betreffende het
solvabiliteitskapitaalvereiste
Art. 151
§ 1. Het solvabiliteitskapitaalvereiste waaraan de
verzekerings- of herverzekeringsondernemingen moe-
ten voldoen, wordt overeenkomstig de paragrafen 2 tot
5 berekend.
§ 2. Het solvabiliteitskapitaalvereiste wordt berekend
op basis van de veronderstelling dat de betrokken on-
derneming haar bedrijf blijvend zal uitoefenen.
Het solvabiliteitskapitaalvereiste kan worden bere-
kend aan de hand van de standaardmethode of aan
de hand van interne modellen, volgens de regels die
respectievelijk zijn vastgesteld in de Onderafdelingen II
en III.
§ 3. Het solvabiliteitskapitaalvereiste wordt zo
gekalibreerd dat rekening gehouden wordt met alle
kwantificeerbare risico’s waaraan de verzekerings- of
herverzekeringsonderneming blootstaat.
Het dekt bestaande verzekeringen, alsmede nieuwe
verzekeringen die naar verwachting in de volgende
twaalf maanden zullen worden afgesloten. Wat de
bestaande verzekeringen betreft, dekt het uitsluitend
onverwachte verliezen
Het solvabiliteitskapitaalvereiste stemt overeen met
de Value at Risk (VaR) van het kernvermogen van de
verzekerings- of herverzekeringsonderneming, met een
betrouwbaarheidsgraad van 99,5 % over een periode
van één jaar.
§ 4. Het solvabiliteitskapitaalvereiste omvat ten minste
de volgende risico’s:
1° het verzekeringstechnisch risico “niet-leven”;
2° het verzekeringstechnisch risico “leven”;
3° het verzekeringstechnisch risico “ziektekosten”;
4° het marktrisico;
5° het kredietrisico;
6° het operationeel risico.
Section II
Exigences de capital
Sous-Section Ire
Dispositions générales concernant le capital de solvabilité
requis
Art. 151
§ 1er. Le capital de solvabilité requis que les entre-
prises d’assurance ou de réassurance détiennent est
calculé conformément aux paragraphes 2 à 5.
§ 2. Le calcul du capital de solvabilité requis se fonde
sur l’hypothèse d’une continuité de l’exploitation de
l’entreprise concernée.
Le capital de solvabilité requis peut être calculé au
moyen de la méthode standard ou au moyen de modèles
internes selon les modalités respectivement précisées
aux Sous-sections II et III.
§ 3. Le capital de solvabilité requis est calibré de
manière à garantir que tous les risques quantifiables
auxquels l’entreprise d’assurance ou de réassurance
est exposée soient pris en considération.
Il couvre le portefeuille en cours, ainsi que le nouveau
portefeuille dont la souscription est attendue dans les
douze mois à venir. Pour ce qui concerne le portefeuille
en cours, il couvre seulement les pertes non anticipées.
Le capital de solvabilité requis correspond à la valeur
en risque (Value-at-Risk) des fonds propres de base
de l’entreprise d’assurance ou de réassurance, avec
un niveau de confiance de 99,5 % à l’horizon d’un an.
§ 4. Le capital de solvabilité requis couvre au mini-
mum les risques suivants:
1° le risque de souscription en non-vie;
2° le risque de souscription en vie;
3° le risque de souscription en santé;
4° le risque de marché;
5° le risque de crédit;
6° le risque opérationnel.
868
1584/002
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
Tot het in het eerste lid, 6°, bedoelde operationele
risico worden ook juridische risico’s gerekend, maar niet
de risico’s die voortvloeien uit strategische beslissingen
en reputatierisico’s.
De Koning kan bij een in Ministerraad overlegd ko-
ninklijk besluit bepalen dat het solvabiliteitskapitaalver-
eiste andere risico’s dient te omvatten dan deze bedoeld
in het eerste lid.
§ 5. Bij de berekening van hun solvabiliteitskapitaal-
vereiste houden de verzekerings- of herverzekerings-
ondernemingen rekening met het effect van risicomati-
gingstechnieken, mits in het solvabiliteitskapitaalvereiste
afdoende rekening wordt gehouden met krediet- en
andere risico’s die voortvloeien uit het gebruik van
dergelijke technieken.
Art. 152
§ 1. De verzekerings- of herverzekeringsonderne-
mingen berekenen hun solvabiliteitskapitaalvereiste
ten minste eenmaal per jaar en melden de uitkomst van
deze berekening aan de Bank.
Om te voldoen aan de bepalingen van de artike-
len 74 en 151 controleren de verzekerings- of her-
verzekeringsondernemingen het bedrag van hun in
aanmerking komend eigen vermogen en hun solvabili-
teitskapitaalvereiste continu.
Indien het risicoprofiel van een verzekerings- of
herverzekeringsonderneming duidelijk afwijkt van de
hypothesen die ten grondslag lagen aan het gemelde
solvabiliteitskapitaalvereiste, berekent deze onder-
neming het solvabiliteitskapitaalvereiste onverwijld
opnieuw en meldt zij dit aan de Bank.
§ 2. Wanneer er aanwijzingen zijn dat het risicoprofiel
van een verzekerings- of herverzekeringsonderneming
duidelijk veranderd is sinds de datum waarop het solva-
biliteitskapitaalvereiste voor het laatst is gemeld, mag
de Bank deze onderneming verplichten het solvabili-
teitskapitaalvereiste opnieuw te berekenen.
Le risque opérationnel visé à l’alinéa 1er, 6°, comprend
les risques juridiques, mais ne comprend ni les risques
découlant des décisions stratégiques, ni les risques de
réputation.
Le Roi, par arrêté royal délibéré en Conseil des mi-
nistres, peut imposer que le capital de solvabilité requis
couvre d’autres risques que ceux visés à l’alinéa 1er.
§ 5. Lorsqu’elles calculent leur capital de solvabilité
requis, les entreprises d’assurance ou de réassurance
tiennent compte de l’impact des techniques d’atténua-
tion des risques, sous réserve que le risque de crédit et
les autres risques inhérents à l’emploi de ces techniques
soient pris en considération de manière adéquate dans
le capital de solvabilité requis.
Art. 152
§ 1er. Les entreprises d’assurance ou de réassurance
calculent leur capital de solvabilité requis au moins
une fois par an et notifient le résultat de ce calcul à la
Banque.
Aux fins du respect des articles 74 et 151, les entre-
prises d’assurance ou de réassurance surveillent en
permanence le montant de leurs fonds propres éligibles
et leur capital de solvabilité requis.
Si le profil de risque d’une entreprise d’assurance
ou de réassurance s’écarte significativement des hypo-
thèses qui sous-tendent le capital de solvabilité requis
notifié, cette entreprise recalcule sans délai son capital
de solvabilité requis et le notifie à la Banque.
§ 2. Lorsque des éléments semblent indiquer que
le profil de risque d’une entreprise d’assurance ou
de réassurance a changé significativement depuis la
date de la dernière notification du capital de solvabilité
requis, la Banque peut exiger de cette entreprise qu’elle
recalcule le capital de solvabilité requis.
869
1584/002
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
Onderafdeling II
Solvabiliteitskapitaalvereiste berekend volgens de
standaardformule
Art. 153
Het solvabiliteitskapitaalvereiste berekend volgens
de standaardformule is de som van de volgende
bestanddelen:
1° het kernsolvabiliteitskapitaalvereiste (Basic sol-
vency capital requirement) als bedoeld in artikel 154;
2° het kapitaalvereiste voor het operationele risico
(Capital requirement for operational risk), als bedoeld
in artikel 163;
3° de correctie voor het vermogen van de technische
voorzieningen en de uitgestelde belastingen (deferred
taxes) om verliezen te compenseren (adjustment for
the loss-absorbing capacity), als bedoeld in artikel 164.
Art. 154
§ 1. Het kernsolvabiliteitskapitaalvereiste bestaat uit
afzonderlijke risicomodules die overeenkomstig punt
1 van Bijlage III geaggregeerd worden.
Het bestaat uit ten minste de volgende risicomodules:
1° het verzekeringstechnisch risico “niet-leven”;
2° het verzekeringstechnisch risico “leven”;
3° het verzekeringstechnisch risico “ziektekosten”;
4° het marktrisico;
5° het tegenpartijrisico.
De Koning kan bij een in Ministerraad overlegd ko-
ninklijk besluit bepalen dat andere modules dan deze
bedoeld in het eerste lid dienen te worden gebruikt.
§ 2. Voor de toepassing van paragraaf 1, 1°, 2° en 3°,
worden de verzekerings- of herverzekeringsverrichtin-
gen ondergebracht in de verzekeringstechnische risico-
module die het best rekening houdt met de technische
aard van de onderliggende risico’s.
§ 3. De correlatiecoëfficiënten voor de aggrega-
tie van de in paragraaf 1 bedoelde risicomodules,
en de kalibratie van de kapitaalvereisten voor elke
risicomodule afzonderlijk resulteren in een algeheel
Sous-section II
Capital de solvabilité requis calculé selon la formule
standard
Art. 153
Le capital de solvabilité requis calculé selon la formule
standard est la somme des éléments suivants:
1° le capital de solvabilité requis de base (Basic
solvency capital requirement), prévu à l’article 154;
2° l’exigence de capital pour risque opérationnel
(Capital requirement for operational risk), prévue à
l’article 163;
3° l’ajustement pour tenir compte de la capacité
d’absorption (Adjustment for the loss-absorbing capa-
city) de pertes des provisions techniques et des impôts
différés (Deferred taxes), prévu à l’article 164.
Art. 154
§ 1er. Le capital de solvabilité requis de base se com-
pose de modules de risque individuels qui sont agrégés
conformément au point 1 de l’Annexe III.
Il comprend au moins les modules de risque suivants:
1° le risque de souscription en non-vie;
2° le risque de souscription en vie;
3° le risque de souscription en santé;
4° le risque de marché;
5° le risque de contrepartie.
Le Roi, par arrêté royal délibéré en Conseil des
ministres, peut imposer l’usage d’autres modules que
ceux visés à l’alinéa 1er.
§ 2. Aux fins du paragraphe 1er, 1°, 2° et 3°, les opé-
rations d’assurance ou de réassurance sont affectées
au module de risque de souscription qui reflète le mieux
la nature technique des risques sous-jacents.
§ 3. Les coefficients de corrélation appliqués aux
fins de l’agrégation des modules de risque visés au
paragraphe 1er, ainsi que le calibrage des exigences
de capital pour chaque module de risque aboutissent
870
1584/002
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
solvabiliteitskapitaalvereiste dat voldoet aan de begin-
selen van artikel 151.
§ 4. Elk van de in paragraaf 1 bedoelde risicomodules
wordt gekalibreerd aan de hand van een VaR-maatstaf
met een betrouwbaarheidsgraad van 99,5 % over een
periode van één jaar.
In voorkomend geval wordt bij de opzet van een risico-
module rekening gehouden met diversificatie-effecten.
§ 5. Voor alle verzekerings- of herverzekeringson-
dernemingen worden voor de risicomodules dezelfde
opzet en specificaties gebruikt, zowel wat het kernsol-
vabiliteitskapitaalvereiste als de in artikel 165 bedoelde
vereenvoudigde berekeningen betreft.
§ 6. Wat de risico’s betreft die voortvloeien uit catas-
trofes, mogen geografische specificaties in voorkomend
geval worden gebruikt voor de berekening van de modu-
les “verzekeringstechnisch risico “leven””, “verzekerings-
technisch risico “niet-leven”” en “verzekeringstechnisch
risico “ziektekosten””.
§ 7. Mits de Bank hiermee instemt, mogen de verze-
kerings- of herverzekeringsondernemingen bij de bere-
kening van de modules “verzekeringstechnisch risico
“leven””, “verzekeringstechnisch risico “niet-leven”” en
“verzekeringstechnisch risico “ziektekosten”” binnen de
opzet van de standaardformule een subset van de para-
meters ervan vervangen door parameters die specifiek
zijn voor de betrokken onderneming.
Dergelijke parameters worden gekalibreerd op basis
van de interne gegevens van de betrokken onderneming
of van gegevens die rechtstreeks relevantie hebben voor
de verrichtingen van die onderneming, met gebruikma-
king van standaardmethodes.
Bij het verlenen van haar goedkeuring controleert de
Bank de volledigheid, juistheid en adequaatheid van de
gebruikte gegevens.
Art. 155
Het kernsolvabiliteitskapitaalvereiste wordt overeen-
komstig de artikelen 156 tot 160 berekend.
Art. 156
§ 1. De module “verzekerings-technisch risico “niet-
leven””, (Non-life underwriting risk) heeft betrekking op
het risico dat voortvloeit uit verzekerings verplichtingen
à un capital de solvabilité requis global satisfaisant aux
principes énoncés à l’article 151.
§ 4. Chacun des modules de risque visés au para-
graphe 1er est calibré sur la base d’une mesure de la
valeur en risque (Value-at-Risk), avec un niveau de
confiance de 99,5 % à l’horizon d’un an.
S’il y a lieu, il est tenu compte des effets de diversifi-
cation dans la conception de chaque module de risque.
§ 5. Pour toutes les entreprises d’assurance ou de
réassurance, la même conception et les mêmes spéci-
fications sont utilisées pour les modules de risque, tant
pour le capital de solvabilité requis de base que pour
tout calcul simplifié prévu à l’article 165.
§ 6. En ce qui concerne les risques résultant de catas-
trophes, des spécifications géographiques peuvent, s’il
y a lieu, être utilisées aux fins du calcul des modules
“risque de souscription en vie”, “risque de souscription
en non-vie” et “risque de souscription en santé”.
§ 7. Sous réserve de l’accord de la Banque, les
entreprises d’assurance ou de réassurance peuvent,
lorsqu’elles calculent les modules “risque de sous-
cription en vie”, “risque de souscription en non-vie” et
“risque de souscription en santé”, remplacer, dans la
conception de la formule standard, un sous-ensemble
des paramètres de celle-ci par des paramètres propres
à l’entreprise concernée.
Ces paramètres sont calibrés sur la base des don-
nées internes de l’entreprise concernée ou de données
directement pertinentes pour les opérations de cette
entreprise, sur la base de méthodes standardisées.
Avant de donner son accord, la Banque vérifie
l’exhaustivité, l’exactitude et le caractère approprié des
données utilisées.
Art. 155
Le capital de solvabilité requis de base est calculé
conformément aux articles 156 à 160.
Art. 156
§ 1er. Le module “risque de souscription en non-vie”
(Non-life underwriting risk) reflète le risque découlant
des engagements d’assurance non-vie, compte tenu
871
1584/002
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
“niet-leven” en houdt rekening met de gedekte gevaren
en de processen die in het kader van de bedrijfsuitoe-
fening worden toegepast.
Deze module houdt rekening met de onzekerheid in
de resultaten van de verzekerings- of herverzekerings-
ondernemingen met betrekking tot hun bestaande ver-
zekerings- of herverzekeringsverplichtingen, alsmede
met betrekking tot de nieuwe verzekeringen die naar
verwachting in de komende twaalf maanden zullen
worden afgesloten.
§ 2. Overeenkomstig punt 2 van Bijlage III wordt de
module berekend als een combinatie van de kapitaal-
vereisten voor ten minste de volgende submodules:
1° het risico op verliezen (risk of loss) of op een on-
gunstige verandering (adverse change) in de waarde
van de verzekeringsverplichtingen door schommelingen
in het tijdstip, de frequentie en de ernst van de verze-
kerde gebeurtenissen en in het tijdstip en het bedrag
van schaderegelingen (premie- en voorzieningenrisico
“niet-leven”);
2° het risico op verliezen (risk of loss) of op een on-
gunstige verandering (adverse change) in de waarde
van de verzekeringsverplichtingen door duidelijke onze-
kerheid over de hypothesen voor de prijsstelling en de
voorzieningen die verband houdt met extreme of uitzon-
derlijke gebeurtenissen (catastroferisico “niet-leven”).
Art. 157
De module “verzekeringstechnisch risico “leven””
(life underwriting risk) heeft betrekking op het risico
dat voortvloeit uit levensverzekeringsverplichtingen en
houdt rekening met de gedekte gevaren en de proces-
sen die in het kader van de bedrijfsuitoefening worden
toegepast.
Overeenkomstig punt 3 van Bijlage III wordt de modu-
le berekend als een combinatie van de kapitaalvereisten
voor ten minste de volgende submodules:
1° het risico op verliezen (risk of loss) of op een ongun-
stige verandering (adverse change) in de waarde van
de verzekeringsverplichtingen door schommelingen in
het niveau, de trend of de volatiliteit van de sterftecijfers,
wanneer een stijging van het sterftecijfer leidt tot een
stijging van de waarde van verzekeringsverplichtingen
(overlijdensrisico – mortality risk);
des périls couverts et des procédés appliqués dans
l’exercice de cette activité.
Il tient compte de l’incertitude pesant sur les résultats
des entreprises d’assurance ou de réassurance dans le
cadre de leurs engagements d’assurance ou de réassu-
rance existants, ainsi que du nouveau portefeuille dont
la souscription est attendue dans les douze mois à venir.
§ 2. Le module est calculé, conformément au point
2 de l’Annexe III, sous la forme d’une combinaison des
exigences de capital applicables aux sous-modules
suivants au moins:
1° le risque de perte (risk of loss), ou de changement
défavorable (adverse change) de la valeur des engage-
ments d’assurance, résultant de fluctuations affectant
la date de survenance, la fréquence et la gravité des
événements assurés, ainsi que la date et le montant
des règlements de sinistres (risque de primes et de
réserve en non-vie);
2° le risque de perte (risk of loss), ou de changement
défavorable (adverse change) de la valeur des engage-
ments d’assurance, résultant de l’incertitude importante,
liée aux événements extrêmes ou exceptionnels, qui
pèse sur les hypothèses retenues en matière de prix et
de provisionnement (risque de catastrophe en non-vie).
Art. 157
Le module “risque de souscription en vie” (life
underwriting risk) reflète le risque découlant des
engagements d’assurance vie, compte tenu des périls
couverts et des procédés appliqués dans l’exercice de
cette activité.
Il est calculé, conformément au point 3 de l’Annexe III,
comme résultant de la combinaison des exigences
de capital applicables au moins aux sous-modules
suivants:
1° le risque de perte (risk of loss), ou de changement
défavorable (adverse change) de la valeur des engage-
ments d’assurance, résultant de fluctuations affectant
le niveau, l’évolution tendancielle ou la volatilité des
taux de mortalité, lorsqu’une augmentation de ces taux
entraîne une augmentation de la valeur des engage-
ments d’assurance (risque de mortalité – mortality risk);
872
1584/002
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
2° het risico op verliezen (risk of loss) of op een on-
gunstige verandering (adverse change) in de waarde
van de verzekeringsverplichtingen door schommelingen
in het niveau, de trend of de volatiliteit van sterftecijfers,
wanneer een daling van het sterftecijfer leidt tot een
stijging van de waarde van verzekeringsverplichtingen
(langlevenrisico);
3° het risico op verliezen (risk of loss) of op een on-
gunstige verandering (adverse change) in de waarde
van de verzekeringsverplichtingen door schommelingen
in het niveau, de trend of de volatiliteit van invaliditeits-,
ziekte- en morbiditeitscijfers (invaliditeits- en morbidi-
teitsrisico – disability and morbidity risk);
4° het risico op verliezen (risk of loss) of op een ongun-
stige verandering (adverse change) in de waarde van
de verzekeringsverplichtingen door schommelingen in
het niveau, de trend of de volatiliteit van de kosten voor
het beheer van verzekerings- of herverzekeringsover-
eenkomsten (kostenrisico “leven” – life expense risk);
5° het risico op verliezen (risk of loss) of op een on-
gunstige verandering (adverse change) in de waarde
van de verzekeringsverplichtingen door schommelin-
gen in het niveau, de trend of de volatiliteit van de op
de lijfrente toegepaste herzieningspercentages, als
gevolg van veranderingen in het wettelijk kader of in de
gezondheidstoestand van de verzekerde (herzienings-
risico – revision risk);
6° het risico op verliezen (risk of loss) of op een on-
gunstige verandering (adverse change) in de waarde
van de verzekeringsverplichtingen door schommelin-
gen in het niveau of de volatiliteit van de percentages
van voortijdige beëindiging, beëindiging, verlenging of
afkoop van de overeenkomsten (risico van voortijdige
beëindiging – lapse risk);
7° het risico op verliezen (risk of loss) of op een on-
gunstige verandering (adverse change) in de waarde
van de verzekeringsverplichtingen door duidelijke
onzekerheid over de hypothesen voor de prijsstelling
en de voorzieningen die verband houdt met extreme of
onregelmatige gebeurtenissen (catastroferisico “leven”
– life catastrophe risk).
Art. 158
De module “verzekeringstechnisch risico “ziektekos-
ten”” (health underwriting risk) heeft betrekking op het
risico dat voortvloeit uit ziektekostenverzekeringsver-
plichtingen, ongeacht of hij een soortgelijke technische
2° le risque de perte (risk of loss), ou de changement
défavorable (adverse change) de la valeur des engage-
ments d’assurance, résultant de fluctuations affectant le
niveau, l’évolution tendancielle ou la volatilité des taux
de mortalité, lorsqu’une baisse de ces taux entraîne une
augmentation de la valeur des engagements d’assu-
rance (risque de longévité);
3° le risque de perte (risk of loss), ou de changement
défavorable (adverse change) de la valeur des engage-
ments d’assurance, résultant de fluctuations affectant le
niveau, l’évolution tendancielle ou la volatilité des taux
d’invalidité, de maladie et de morbidité (risque d’inva-
lidité et de morbidité – disability and morbidity risk);
4° le risque de perte (risk of loss), ou de change-
ment défavorable (adverse change) de la valeur des
engagements d’assurance, résultant de fluctuations
affectant le niveau, l’évolution tendancielle ou la volatilité
des dépenses encourues pour la gestion des contrats
d’assurance ou de réassurance (risque de dépenses
en vie – life expense risk);
5° le risque de perte (risk of loss), ou de changement
défavorable (adverse change) de la valeur des engage-
ments d’assurance, résultant de fluctuations affectant le
niveau, l’évolution tendancielle ou la volatilité des taux
de révision applicables aux rentes, sous l’effet d’un
changement de l’environnement juridique ou de l’état
de santé de la personne assurée (risque de révision –
revision risk);
6° le risque de perte (risk of loss), ou de changement
défavorable (adverse change) de la valeur des engage-
ments d’assurance, résultant de fluctuations affectant le
niveau ou la volatilité des taux de cessation, d’échéance,
de renouvellement et de rachat des polices (risque de
cessation – lapse risk);
7° le risque de perte (risk of loss), ou de changement
défavorable (adverse change) de la valeur des engage-
ments d’assurance, résultant de l’incertitude importante,
liée aux événements extrêmes ou irréguliers, qui pèse
sur les hypothèses retenues en matière de prix et de
provisionnement (risque de catastrophe en vie – life
catastrophe risk).
Art. 158
Le module “risque de souscription en santé” (health
underwriting risk) reflète le risque découlant de la
souscription d’engagements d’assurance santé, qu’il
s’exerce ou non sur une base technique similaire à celle
873
1584/002
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
grondslag heeft als die van levensverzekeringen, en
houdt rekening met zowel de gedekte gevaren als de
processen die in het kader van de bedrijfsuitoefening
worden toegepast.
De module dekt minstens de volgende risico’s:
1° het risico op verliezen (risk of loss) of op een
ongunstige verandering (adverse change) in de
waarde van de verzekeringsverplichtingen door
schommelingen in het niveau, de trend of de volatiliteit
van de kosten voor het beheer van verzekerings- of
herverzekeringsovereenkomsten;
2° het risico op verliezen (risk of loss) of op een on-
gunstige verandering (adverse change) in de waarde
van de verzekeringsverplichtingen door schommelingen
in het tijdstip, de frequentie en de ernst van de verze-
kerde gebeurtenissen en in het tijdstip en het bedrag
van schaderegelingen ten tijde van de vorming van de
voorzieningen;
3° het risico op verliezen (risk of loss) of op een on-
gunstige verandering (adverse change) in de waarde
van de verzekeringsverplichtingen door duidelijke onze-
kerheid over de hypothesen voor de prijsstelling en de
voorzieningen door de uitbraak van grote epidemieën
en door een ongebruikelijke accumulatie van risico’s
onder dergelijke extreme omstandigheden.
Art. 159
De module “marktrisico” (market risk) heeft betrekking
op het risico dat voortvloeit uit het niveau of de volatiliteit
van de marktprijzen van financiële instrumenten die van
invloed zijn op de waarde van de activa en passiva van
de betrokken onderneming. Het houdt naar behoren
rekening met elke structurele mismatch tussen activa
en passiva, inzonderheid wat betreft de looptijd ervan.
Overeenkomstig punt 4 van Bijlage III wordt de modu-
le berekend als een combinatie van de kapitaalvereisten
voor ten minste de volgende submodules:
1° de gevoeligheid van de waarde van de activa, pas-
siva en financiële instrumenten voor veranderingen in
de rentetermijnstructuur of in de volatiliteit van de rente
(renterisico – interest rate risk);
2° de gevoeligheid van de waarde van de activa,
passiva en financiële instrumenten voor veranderingen
in het niveau of in de volatiliteit van de marktprijzen van
aandelen (aandelenrisico – equity risk);
de l’assurance vie, compte tenu des périls couverts et
des procédés appliqués dans l’exercice de cette activité.
Il couvre au moins les risques suivants:
1° le risque de perte (risk of loss), ou de change-
ment défavorable (adverse change) de la valeur des
engagements d’assurance, résultant de fluctuations
affectant le niveau, l’évolution tendancielle ou la volatilité
des dépenses encourues pour la gestion des contrats
d’assurance ou de réassurance;
2° le risque de perte (risk of loss), ou de changement
défavorable (adverse change) de la valeur des engage-
ments d’assurance, résultant de fluctuations affectant
la date de survenance, la fréquence et la gravité des
événements assurés, ainsi que la date et le montant des
règlements de sinistres au moment du provisionnement;
3° le risque de perte (risk of loss), ou de changement
défavorable (adverse change) de la valeur des engage-
ments d’assurance, résultant de l’incertitude importante,
liée aux épidémies majeures et à l’accumulation inhabi-
tuelle de risques qui se produit dans ces circonstances
extrêmes, qui pèse sur les hypothèses retenues en
matière de prix et de provisionnement.
Art. 159
Le module “risque de marché” (market risk) reflète
le risque lié au niveau ou à la volatilité de la valeur de
marché des instruments financiers ayant un impact
sur la valeur des actifs et des passifs de l’entreprise
concernée. Il reflète correctement toute inadéquation
structurelle entre les actifs et les passifs, en particulier
au regard de leur duration.
Il est calculé, conformément au point 4 de l’Annexe III,
comme résultant de la combinaison des exigences
de capital applicables au moins aux sous-modules
suivants:
1° la sensibilité de la valeur des actifs, des passifs
et des instruments financiers aux changements de la
courbe des taux d’intérêt ou de la volatilité des taux
d’intérêt (risque de taux d’intérêt – interest rate risk);
2° la sensibilité de la valeur des actifs, des passifs et
des instruments financiers aux changements du niveau
ou de la volatilité de la valeur de marché des actions
(risque sur actions – equity risk);
874
1584/002
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
3° de gevoeligheid van de waarde van de activa,
passiva en financiële instrumenten voor veranderingen
in het niveau of in de volatiliteit van de marktprijzen van
vastgoed (vastgoedrisico – property risk);
4° de gevoeligheid van de waarde van de activa,
passiva en financiële instrumenten voor veranderingen
in het niveau of in de volatiliteit van de kredietspreads
ten opzichte van de risicovrije rentetermijnstructuur
(spreadrisico – spread risk);
5° de gevoeligheid van de waarde van de activa,
passiva en financiële instrumenten voor veranderingen
in het niveau of in de volatiliteit van wisselkoersen (va-
lutarisico – currency risk);
6° extra risico’s die een verzekerings- of herverze-
keringsonderneming loopt hetzij door een gebrek aan
diversificatie in de activaportefeuille, hetzij door een
sterke blootstelling aan het risico van wanbetaling van
een enkele emittent van effecten of een groep van ver-
bonden emittenten (marktrisicoconcentraties – market
risk concentrations).
Art. 160
De module “tegenpartijrisico” (counterparty default
risk) heeft betrekking op potentiële verliezen als gevolg
van onverwachte wanbetaling of een verslechtering
van de kredietwaardigheid van de tegenpartijen en
debiteuren van de verzekerings- of herverzekeringson-
derneming in de volgende twaalf maanden.
De module “tegenpartijrisico” omvat risicomatigings-
overeenkomsten, zoals herverzekeringsregelingen,
effectiseringen en afgeleide instrumenten, alsook vor-
deringen op tussenpersonen en andere kredietrisico’s
die niet onder de submodule “spreadrisico” vallen. De
module houdt op passende wijze rekening met waarbor-
gen of andere zekerheden die worden gehouden door
of voor rekening van de verzekerings- of herverzeke-
ringsonderneming en de daaraan verbonden risico’s.
De module “tegenpartijrisico” houdt voor elke te-
genpartij rekening met de algehele blootstelling van de
verzekerings- of herverzekeringsonderneming aan het
tegenpartijrisico, ongeacht de rechtsvorm van diens
contractuele verplichtingen jegens deze onderneming.
Art. 161
De submodule “aandelenrisico” (equity risk) die
wordt berekend volgens de standaardformule omvat
3° la sensibilité de la valeur des actifs, des passifs et
des instruments financiers aux changements du niveau
ou de la volatilité de la valeur de marché des actifs immo-
biliers (risque sur actifs immobiliers – property risk);
4° la sensibilité de la valeur des actifs, des passifs et
des instruments financiers aux changements du niveau
ou de la volatilité des marges (“spreads”) de crédit par
rapport à la courbe des taux d’intérêt sans risque (risque
de marge – spread risk);
5° la sensibilité de la valeur des actifs, des passifs et
des instruments financiers aux changements du niveau
ou de la volatilité des taux de change (risque de change
– currency risk);
6° les risques supplémentaires supportés par l’entre-
prise d’assurance ou de réassurance du fait soit d’un
manque de diversification de son portefeuille d’actifs,
soit d’un exposition importante au risque de défaut d’un
seul émetteur de valeurs mobilières ou d’un groupe
d’émetteurs liés (concentrations du risque de marché
– market risk concentrations).
Art. 160
Le module “risque de contrepartie” (counterparty
default risk) reflète les pertes possibles suite au défaut
inattendu ou la détérioration de la qualité de crédit des
contreparties et débiteurs de l’entreprise d’assurance
ou de réassurance durant les douze mois à venir.
Le module “risque de contrepartie” couvre les contrats
d’atténuation des risques, tels que les accords de réas-
surance, les titrisations et les instruments dérivés, et les
paiements à recevoir des intermédiaires ainsi que tout
autre risque de crédit ne relevant pas du sous-module
“risque de marge”. Il prend en compte, de manière
appropriée, les garanties ou autres sûretés détenues
par l’entreprise d’assurance ou de réassurance ou pour
son compte, et les risques qui y sont liés.
Pour chaque contrepartie, le module “risque de
contrepartie” tient compte de l’exposition globale au
risque de contrepartie encourue par l’entreprise d’assu-
rance ou de réassurance concernée à l’égard de cette
contrepartie, indépendamment de la forme juridique de
ses obligations contractuelles envers cette entreprise.
Art. 161
Le sous-module “risque sur actions” (equity risk) cal-
culé selon la formule standard comprend un mécanisme
875
1584/002
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
een symmetrische aanpassing van het aandelenkapi-
taalvereiste om het risico te dekken dat voortvloeit uit
veranderingen in de aandelenprijzen.
De symmetrische aanpassing van het standaardver-
eiste voor aandelenkapitaal, dat gekalibreerd is in over-
eenstemming met artikel 154, § 4, om de risico’s te dekken
die voortvloeien uit veranderingen in de aandelenprijzen,
is gebaseerd op een functie van de huidige stand van
een passende aandelenindex en het gewogen gemid-
delde van die index. Het gewogen gemiddelde wordt
berekend over een passende periode die dezelfde is voor
alle verzekerings- of herverzekeringsondernemingen.
De symmetrische aanpassing van het standaardver-
eiste voor aandelenkapitaal, ter dekking van de risico’s
die voortvloeien uit veranderingen in de aandelen-
prijzen, mag niet resulteren in de toepassing van een
aandelenkapitaalvereiste dat meer dan 10 procentpun-
ten lager of hoger is dan het standaardvereiste voor
aandelenkapitaal.
Art. 162
§ 1. Levensverzekeringsondernemingen mogen voor
de berekening van het solvabiliteitskapitaalvereiste een
submodule “aandelenrisico op basis van looptijd” toepas-
sen (duration-based equity risk), wanneer:
1° hetzij deze ondernemingen pensioenuitkeringen
verlenen die worden uitbetaald tegen de datum van
pensionering of te verwachten pensionering, waarbij de
voor deze uitkeringen betaalde premies voor de verze-
keringnemers van de belasting aftrekbaar zijn volgens
de nationale wetgeving van de lidstaat die aan de on-
derneming een vergunning heeft verleend;
2° en wanneer aan alle volgende voorwaarden is
voldaan:
a) alle met die activiteiten overeenkomende activa en
verplichtingen zijn afgescheiden en worden gescheiden
van de overige activiteiten van de verzekeringsonderne-
mingen beheerd en georganiseerd, zonder dat er enige
mogelijkheid tot overdracht bestaat;
b) de activiteiten van de onderneming als bedoeld in
1° en 2°, ten aanzien waarvan de in dit artikel bedoelde
benadering wordt gevolgd, worden alleen uitgeoefend in
de lidstaat waar de betrokken onderneming een vergun-
ning heeft verkregen;
c) de gemiddelde looptijd van de aan deze activiteiten
verbonden verplichtingen van de onderneming bedraagt
meer dan twaalf jaar.
d’ajustement symétrique de l’exigence de capital pour
actions qui sert à couvrir le risque découlant des varia-
tions du cours des actions.
L’ajustement symétrique de l’exigence standard
de capital pour actions, calibrée conformément à
l’article 154, § 4, qui couvre le risque découlant des
variations du cours des actions est fonction du niveau
actuel d’un indice approprié du cours des actions et
de la moyenne pondérée de cet indice. La moyenne
pondérée est calculée sur une période appropriée, qui
est la même pour toutes les entreprises d’assurance
ou de réassurance.
L’ajustement symétrique de l’exigence standard de
capital pour actions qui couvre le risque découlant des
variations du cours des actions ne peut pas entraîner
l’application d’une exigence de capital pour actions
qui soit supérieure ou inférieure de plus de dix points
de pourcentage à l’exigence standard de capital pour
actions.
Art. 162
§ 1er. Les entreprises d’assurance vie peuvent
appliquer au calcul du capital de solvabilité requis un
sous-module “risque sur actions fondé sur la durée”
(duration-based equity risk), lorsque:
1° soit ces entreprises fournissent des prestations
de retraite versées en référence à la mise à la retraite,
ou à l’approche de la mise à la retraite, si les primes
versées au titre de ces prestations bénéficient d’une
déduction d’impôt accordée aux preneurs d’assurance
par la législation nationale de l’État membre ayant agréé
l’entreprise d’assurance;
2° et lorsque toutes les conditions suivantes sont
remplies:
a) tous les actifs et engagements correspondant à ces
activités sont cantonnés, gérés et organisés séparément
des autres activités des entreprises d’assurance, sans
aucune possibilité de transfert;
b) les activités de l’entreprise visées aux 1° et 2°, aux-
quelles s’applique l’approche visée au présent article,
ne sont exercées que dans l’État membre ayant agréé
ladite entreprise;
c) la durée moyenne des engagements de l’entreprise
correspondant à ces activités excède douze ans.
876
1584/002
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
§ 2. De in dit artikel bedoelde submodule “aandelen-
risico op basis van looptijd” (duration-based equity risk)
wordt gekalibreerd aan de hand van een VaR-maatstaf
, over een periode die strookt met de voor de betrokken
onderneming typische aanhoudingsperiode van aande-
lenbeleggingen, met een betrouwbaarheidsgraad die de
verzekeringnemers en begunstigden een bescherming
biedt die gelijkwaardig is aan die van artikel 151, indien
de in dit artikel voorgeschreven benadering alleen wordt
gevolgd ten aanzien van de activa en verplichtingen
bedoeld in paragraaf 1, 2°, a). Bij de berekening van
het solvabiliteitskapitaalvereiste worden deze activa en
verplichtingen volledig in aanmerking genomen voor
de beoordeling van de diversificatie-effecten, onver-
minderd de noodzaak om de belangen van de verze-
keringnemers en de begunstigden in andere lidstaten
te beschermen.
Onder voorbehoud van de goedkeuring van de Bank
wordt de benadering van het eerste lid alleen gebruikt
indien de solvabiliteits- en de liquiditeitspositie, alsmede
de strategieën, processen en verslaggevingsprocedures
van de betrokken onderneming met betrekking tot haar
beheer van activa en verplichtingen van zodanige aard
zijn dat doorlopend vaststaat dat de onderneming in
staat is aandelenbeleggingen aan te houden gedurende
een periode die strookt met de voor die onderneming ty-
pische aanhoudingsperiode van aandelenbeleggingen.
De onderneming moet in staat zijn om ten behoeve van
de Bank aan te tonen dat deze voorwaarde vervuld is
met een betrouwbaarheidsgraad die verzekeringnemers
en begunstigden een bescherming biedt die gelijkwaar-
dig is aan die van artikel 151.
De verzekerings- of herverzekeringsondernemingen
die gebruikmaken van de bepalingen van dit artikel, val-
len niet terug op de benadering van de artikelen 155 tot
160, behalve onder naar behoren gemotiveerde om-
standigheden en onder voorbehoud van goedkeuring
door de Bank.
Art. 163
Het kapitaalvereiste voor het operationele risico (ope-
rational risk) houdt rekening met de operationele risico’s,
voor zover daarmee al geen rekening is gehouden in de
risicomodules bedoeld in artikel 154. Dit vereiste wordt
gekalibreerd overeenkomstig artikel 151, § 3.
Bij levensverzekeringsovereenkomsten waarbij het
beleggingsrisico wordt gedragen door de verzekering-
nemer, wordt in de berekening van het kapitaalvereiste
voor het operationele risico rekening gehouden met het
bedrag aan jaarlijkse kosten dat voor deze verzekerings-
verplichtingen wordt gemaakt.
§ 2. Le sous-module “risque sur actions fondé sur
la durée” (duration-based equity risk) visé au présent
article est calibré en usant d’une mesure de la valeur
en risque, sur une période donnée adaptée à la période
typique de conservation des placements en actions par
l’entreprise concernée, avec un niveau de confiance
assurant aux preneurs d’assurance et aux bénéficiaires
un niveau de protection équivalent au niveau prévu à
l’article 151, sous réserve que l’approche prévue au pré-
sent article ne soit utilisée que pour des actifs et engage-
ments visés au paragraphe 1er, 2°, a). Lors du calcul du
capital de solvabilité requis, ces actifs et engagements
sont pleinement pris en compte dans l’évaluation des
effets de diversification, sans préjudice de la nécessité
de préserver les intérêts des preneurs d’assurance et
des bénéficiaires dans d’autres États membres.
Sous réserve de l’approbation de la Banque,
l’approche exposée au premier alinéa n’est utilisée
que lorsque la position en matière de solvabilité et de
liquidité, ainsi que les stratégies, les processus et les
procédures de déclaration de l’entreprise concernée au
regard de sa gestion des actifs et des engagements,
sont de nature à garantir, en permanence, que celle-ci
est en mesure de conserver des placements en actions
pendant une période adaptée à la période typique de
conservation des placements en actions par cette entre-
prise. L’entreprise doit être en mesure de démontrer à la
Banque que cette condition est vérifiée avec le niveau
de confiance nécessaire pour assurer aux preneurs
d’assurance et aux bénéficiaires un niveau de protection
équivalant au niveau prévu à l’article 151.
Les entreprises d’assurance ou de réassurance
qui font usage des dispositions du présent article ne
reviennent pas à l’approche énoncée aux articles 155 à
160, sauf dans des circonstances dûment justifiées et
à condition que la Banque l’autorise.
Art. 163
L’exigence de capital pour risque opérationnel (ope-
rational risk) reflète les risques opérationnels, dans la
mesure où ceux-ci ne sont pas déjà pris en considération
dans les modules de risque visés à l’article 154. Cette
exigence est calibrée conformément à l’article 151, § 3.
Dans le cas des contrats d’assurance vie où le risque
d’investissement est supporté par le preneur d’assu-
rance, le calcul de l’exigence de capital pour risque
opérationnel tient compte du montant des dépenses
annuelles encourues aux fins de ces engagements
d’assurance.
877
1584/002
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
Bij andere dan de in het tweede lid bedoelde verze-
kerings- of herverzekeringsverrichtingen wordt bij de
berekening van het kapitaalvereiste voor het operati-
onele risico rekening gehouden met het volume van
deze verrichtingen wat betreft verdiende premies en
technische voorzieningen die voor deze verzekerings- of
herverzekeringsverplichtingen worden aange houden.
In dit geval bedraagt het kapitaalvereiste voor het
operationele risico niet meer dan 30 % van het kern-
solvabiliteitskapitaalvereiste voor deze verzekerings- of
herverzekeringsverrichtingen.
Art. 164
Bij de in artikel 153, 3°, bedoelde correctie voor het
vermogen van de technische voorzieningen en de
uitgestelde belastingen (deferred taxes) om verliezen
te compenseren (adjustment for the loss-absorbing
capacity), wordt rekening gehouden met de potentiële
compensatie van onverwachte verliezen door middel
van een gelijktijdige verlaging van de technische
voorzieningen of uitgestelde belastingen dan wel een
combinatie van de twee.
Bij deze correctie wordt rekening gehouden met het
risicomatigingseffect van toekomstige discretionaire
uitkeringen uit hoofde van verzekeringsovereenkomsten,
voor zover de verzekerings- of herverzekeringsonder-
nemingen kunnen aantonen dat dergelijke uitkeringen
mogen worden verlaagd om onverwachte verliezen te
dekken. Het risicomatigingseffect van de toekomstige
discretionaire uitkeringen bedraagt niet meer dan de
som van de technische voorzieningen en uitgestelde
belastingen in verband met deze toekomstige discreti-
onaire uitkeringen.
Voor de toepassing van het tweede lid wordt de
waarde van de toekomstige discretionaire uitkeringen
onder ongunstige omstandigheden vergeleken met de
waarde van dergelijke uitkeringen volgens de hypothe-
sen die aan de berekening van de beste schatting ten
grondslag liggen.
Art. 165
De verzekerings- of herverzekeringsondernemingen
mogen voor een bepaalde submodule of risicomodule
een vereenvoudigde berekening toepassen wanneer dit
op grond van de aard, de omvang en de complexiteit
van de risico’s waaraan ze blootstaan gerechtvaardigd
is en het onevenredig zou zijn om alle verzekerings- of
herverzekeringsondernemingen te verplichten de stan-
daardberekening toe te passen.
Dans le cas des opérations d’assurance ou de
réassurance autres que celles visées à l’alinéa 2, le
calcul de l’exigence de capital pour risque opérationnel
tient compte du volume de ces opérations, en termes
d’encaissement de primes et de provisions techniques
détenues pour faire face aux engagements d’assurance
ou de réassurance correspondants. L’exigence de capi-
tal pour risque opérationnel ne dépasse alors pas 30 %
du capital de solvabilité requis de base afférent aux
opérations d’assurance ou de réassurance concernées.
Art. 164
L’ajustement visant à tenir compte de la capacité
d’absorption des pertes (Adjustment for the loss-absor-
bing capacity) des provisions techniques et des impôts
différés (deferred taxes), visé à l’article 153, 3°, reflète
la compensation potentielle de pertes non anticipées
par une baisse simultanée des provisions techniques
ou des impôts différés ou d’une combinaison des deux.
Cet ajustement tient compte de l’effet d’atténuation
des risques inhérent aux prestations discrétionnaires
futures des contrats d’assurance, dans la mesure où
les entreprises d’assurance ou de réassurance peuvent
démontrer qu’elles ont la possibilité de réduire ces
prestations pour couvrir des pertes non anticipées au
moment où celles-ci surviennent. L’effet d’atténuation
des risques inhérent aux prestations discrétionnaires
futures n’excède pas la somme des provisions tech-
niques et des impôts différés afférents auxdites pres-
tations discrétionnaires futures.
Aux fins de l’alinéa 2, la valeur des prestations discré-
tionnaires futures dans des circonstances défavorables
est comparée à la valeur de telles prestations selon les
hypothèses qui sous-tendent le calcul de la meilleure
estimation.
Art. 165
Les entreprises d’assurance ou de réassurance
peuvent procéder à un calcul simplifié pour un sous-
module ou module de risque spécifique dès lors que la
nature, l’ampleur et la complexité des risques auxquels
elles sont confrontées le justifient et qu’il serait dispro-
portionné d’exiger de toutes les entreprises d’assurance
ou de réassurance qu’elles se conforment au calcul
standard.
878
1584/002
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
Vereenvoudigde berekeningen worden gekali breerd
overeenkomstig artikel 151, § 3.
Art. 166
Wanneer het solvabiliteitskapitaal-vereiste beter niet
kan worden berekend volgens de standaardformule
bedoeld in Onderafdeling II, omdat het risicoprofiel
van de betrokken verzekerings- of herverzekeringson-
derneming duidelijk afwijkt van de hypothesen die ten
grondslag liggen aan de berekening volgens de stan-
daardformule, mag de Bank de betrokken onderneming
bij een met redenen omkleed besluit verplichten bij de
berekening van de modules “verzekeringstechnisch ri-
sico “leven””, “verzekeringstechnisch risico “niet-leven””
en verzekeringstechnisch risico “ziektekosten”” volgens
de standaardformule, een subset van de parameters er-
van te vervangen door parameters die specifiek zijn voor
die onderneming (undertaking-specific parameters), als
bepaald in artikel 154, § 7. Die specifieke parameters
worden zodanig berekend dat gewaarborgd wordt dat
de onderneming voldoet aan artikel 151, § 3.
Onderafdeling III
Solvabiliteitskapitaalvereiste berekend aan de hand van
geheel of gedeeltelijk interne modellen
Art. 167
§ 1. De verzekerings- of herverzekeringsondernemin-
gen mogen hun solvabiliteitskapitaalvereiste berekenen
aan de hand van een geheel of gedeeltelijk intern model
dat goedgekeurd is door de Bank.
§ 2. De verzekerings- of herverzekeringsonderne-
mingen mogen gedeeltelijk interne modellen gebruiken
voor de berekening van een of meer van de volgende
elementen:
1° een of meer risicomodules of submodules van
het kernsolvabiliteitskapitaalvereiste als bedoeld in de
artikelen 154 tot 160;
2° het kapitaalvereiste voor het operationele risico
als beschreven in artikel 163;
3° de in artikel 164 bedoelde correctie.
Voorts mogen deelmodellen worden gebruikt voor het
gehele bedrijf van de verzekerings- of herverzekerings-
ondernemingen of voor slechts een of meer belangrijke
bedrijfsonderdelen.
Les calculs simplifiés sont calibrés conformément à
l’article 151, § 3.
Art. 166
Lorsqu’il n’est pas approprié de calculer le capital de
solvabilité requis conformément à la formule standard
telle que visée à la Sous-section II, parce que le profil
de risque de l’entreprise d’assurance ou de réassurance
concernée s’écarte significativement des hypothèses
qui sous-tendent le calcul selon cette formule, la
Banque peut, par décision motivée, exiger de l’entre-
prise concernée qu’elle remplace un sous-ensemble
de paramètres utilisés dans le calcul selon la formule
standard par des paramètres propres à cette entreprise
(undertaking-specific parameters) au moment de cal-
culer, conformément à l’article 154, § 7, les modules
“risque de souscription en vie”, “risque de souscription
en non-vie” et “risque de souscription en santé”. Ces
paramètres particuliers sont calculés de façon à garantir
que l’entreprise se conforme à l’article 151, § 3.
Sous-section III
Capital de solvabilité equis calculé selon des modèles
internes intégraux ou partiels
Art. 167
§ 1er. Les entreprises d’assurance ou de réassurance
peuvent calculer leur capital de solvabilité requis à l’aide
d’un modèle interne intégral ou partiel approuvé par la
Banque.
§ 2. Les entreprises d’assurance ou de réassurance
peuvent utiliser des modèles internes partiels pour cal-
culer un ou plusieurs des éléments suivants:
1° un ou plusieurs des modules ou sous-modules de
risque du capital de solvabilité requis de base prévus
aux articles 154 à 160;
2° l’exigence de capital pour risque opérationnel
définie à l’article 163;
3° l’ajustement prévu à l’article 164.
Une modélisation partielle peut, en outre, être
appliquée à l’ensemble de l’activité de l’entreprise
d’assurance ou de réassurance concernée, ou seule-
ment à une ou plusieurs de ses unités opérationnelles
majeures.
879
1584/002
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
§ 3. Bij een goedkeuringsaanvraag dienen de verze-
kerings- of herverzekeringsondernemingen ten minste
gegevens te voegen die bewijzen dat het interne model
voldoet aan de vereisten van de artikelen 174 tot 187.
Wanneer de goedkeuringsaanvraag betrekking heeft
op een gedeeltelijk intern model, worden de vereisten
van de artikelen 174 tot 187 aangepast om rekening te
houden met het beperkte toepassingsgebied van het
model.
§ 4. De Bank neemt binnen zes maanden na ont-
vangst van de volledige aanvraag een beslissing over
de goedkeuringsaanvraag.
§ 5. De Bank verleent alleen haar goedkeuring als
zij ervan overtuigd is dat de systemen voor de iden-
tificering, de meting, de bewaking, het beheer en de
melding van de risico’s waaraan de verzekerings- of
herverzekeringsonderneming blootstaat, passend zijn,
en zij er inzonderheid van overtuigd is dat het interne
model aan de vereisten van paragraaf 3 voldoet.
§ 6. Een beslissing van de Bank om de aanvraag voor
het gebruik van een intern model af te wijzen, wordt met
redenen omkleed.
§ 7. Na van de Bank de goedkeuring te hebben ver-
kregen voor het gebruik van een intern model, kan van
de verzekerings- of herverzekeringsondernemingen, bij
een met redenen omkleed besluit, worden verlangd dat
zij een schatting verstrekken van hun solvabiliteitskapi-
taalvereiste als berekend volgens de standaardformule,
overeenkomstig Onderafdeling II.
Art. 168
§ 1. Bij een gedeeltelijk intern model verleent de
Bank alleen goedkeuring als dit model voldoet aan de
vereisten van artikel 167 en aan de volgende aanvul-
lende voorwaarden:
1° de betrokken onderneming geeft een goede ver-
klaring voor het beperkte toepassingsgebied van het
model;
2° het solvabiliteitskapitaalvereiste dat eruit voort-
vloeit, vormt een betere afspiegeling van het risicoprofiel
van de betrokken onderneming en voldoet inzonderheid
aan de beginselen van Onderafdeling I;
3° de opzet ervan sluit zodanig aan bij de be-
ginselen van Onderafdeling I, dat het gedeeltelijk
§ 3. À toute demande d’approbation, les entreprises
d’assurance ou de réassurance joignent au minimum la
documentation prouvant que le modèle interne satisfait
aux exigences énoncées aux articles 174 à 187.
Lorsque la demande d’approbation concerne un
modèle interne partiel, les exigences énoncées aux
articles 174 à 187 sont adaptées afin de tenir compte
du champ d’application limité du modèle.
§ 4. La Banque prend une décision sur toute demande
d’approbation dans un délai de six mois suivant la
réception de la demande complète.
§ 5. La Banque ne donne son approbation que si
elle a l’assurance que les systèmes d’identification, de
mesure, de contrôle, de gestion et de déclaration des
risques de l’entreprise d’assurance ou de réassurance
sont adéquats et, en particulier, que le modèle interne
satisfait aux exigences visées au paragraphe 3.
§ 6. Toute décision de rejet d’une demande d’appro-
bation d’un modèle interne prise par la Banque est
motivée.
§ 7. Après approbation de leur modèle interne par la
Banque, les entreprises d’assurance ou de réassurance
peuvent être tenues, par décision motivée, de commu-
niquer à la Banque une estimation de leur capital de
solvabilité requis calculé en application de la formule
standard, conformément à la Sous-section II.
Art. 168
§ 1er. Un modèle interne partiel n’est approuvé par la
Banque que lorsqu’il satisfait aux exigences énoncées à
l’article 167 et aux conditions additionnelles suivantes:
1° son champ d’application limité est dûment justifié
par l’entreprise concernée;
2° le capital de solvabilité requis qui en résulte reflète
mieux le profil de risque de l’entreprise concernée
et, en particulier, satisfait aux principes énoncés à la
Sous-section Ire;
3° sa conception est conforme aux principes énoncés
à la Sous-section Ire, de manière à permettre sa pleine
880
1584/002
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
interne model volledig kan worden geïntegreerd in
de standaardformule voor de berekening van het
solvabiliteitskapitaal-vereiste.
§ 2. Bij de beoordeling van een aanvraag voor het
gebruik van een gedeeltelijk intern model dat slechts
bepaalde submodules van een bepaalde risicomodule,
of een aantal bedrijfs onderdelen van een verzekerings-
of herverzekeringsonderneming met betrekking tot een
bepaalde risicomodule of delen van beide bestrijkt, mag
de Bank de betrokken verzekerings- of herverzekerings-
onderneming verplichten een realistisch overgangsplan
in te dienen om het toepassingsgebied van haar model
uit te breiden.
Het overgangsplan vermeldt hoe de verzekerings- of
herverzekeringsonderneming het toepassingsgebied
van haar model zodanig denkt uit te breiden tot andere
submodules of bedrijfsonderdelen dat daarmee het
belangrijkste deel van haar verzekeringsverrichtingen
met betrekking tot deze specifieke risicomodule wordt
bestreken.
Art. 169
In het kader van de eerste goedkeuringsprocedure
voor een intern model keurt de Bank de beleidslijn voor
de wijziging van het model van de verzekerings- of
herverzekeringsonderneming goed. De verzekerings-
of herverzekeringsondernemingen mogen hun interne
model overeenkomstig deze beleidslijn wijzigen.
In de beleidslijn wordt aangegeven welke wijzigingen
in het interne model ingrijpend en welke niet-ingrijpend
zijn.
Ingrijpende wijzigingen in het interne model en wijzi-
gingen in de beleidslijn voor de wijziging van het model
moeten systematisch vooraf door de Bank worden
goedgekeurd overeenkomstig artikel 167.
Niet-ingrijpende wijzigingen in het interne model moe-
ten niet vooraf door de Bank worden goedgekeurd, voor
zover deze in overeen stemming zijn met de genoemde
beleidslijn.
Art. 170
Het wettelijk bestuursorgaan van de verzekerings- of
herverzekeringsonderneming verleent goedkeuring voor
de indiening bij de Bank van de in artikel 167 bedoelde
aanvraag voor goedkeuring van het interne model en
intégration à la formule standard de calcul du capital de
solvabilité requis.
§ 2. Lorsqu’elle évalue une demande d’utilisation
d’un modèle interne partiel ne couvrant que certains
sous-modules d’un module de risque donné ou que
certaines unités opérationnelles de l’entreprise d’assu-
rance ou de réassurance en ce qui concerne un module
de risque donné, ou l’un et l’autre pour partie, la Banque
peut exiger de cette entreprise d’assurance ou de réas-
surance qu’elle soumette un plan de transition réaliste
en vue d’étendre le champ d’application de son modèle.
Le plan de transition expose comment l’entreprise
d’assurance ou de réassurance projette d’étendre le
champ d’application de son modèle à d’autres sous-
modules ou unités opérationnelles, de façon à garantir
que le modèle couvre une part prédominante de ses
opérations d’assurance en ce qui concerne le module
de risque donné.
Art. 169
Dans le cadre de la procédure d’approbation initiale
d’un modèle interne, la Banque approuve la politique
de modification du modèle de l’entreprise d’assurance
ou de réassurance. Les entreprises d’assurance ou
de réassurance peuvent modifier leur modèle interne
conformément à cette politique.
Cette politique comprend une spécification des
modifications mineures et des modifications majeures
du modèle interne.
Les modifications majeures du modèle interne, ainsi
que les changements apportés à la politique de modi-
fication de celui-ci, sont systématiquement soumis à
l’autorisation préalable de la Banque, conformément
à l’article 167.
Les modifications mineures du modèle interne ne sont
pas soumises à l’autorisation préalable de la Banque,
dans la mesure où elles sont élaborées conformément
à ladite politique.
Art. 170
L’organe légal d’administration de l’entreprise
d’assurance ou de réassurance avalise la demande
d’approbation du modèle interne par la Banque visée
à l’article 167, ainsi que la demande d’approbation de
881
1584/002
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
de aanvraag voor goedkeuring van latere ingrijpende
wijzigingen in dit model.
Het wettelijk bestuursorgaan draagt de verantwoor-
delijkheid voor de invoering van systemen die ervoor
zorgen dat het interne model naar behoren blijft werken.
Art. 171
Na overeenkomstig artikel 167 goedkeuring te hebben
verkregen, vallen de verzekerings- of herverzekerings-
ondernemingen voor de berekening van het gehele of
een deel van het solvabiliteitskapitaalvereiste niet terug
op de standaardformule van Onderafdeling II, behalve
onder naar behoren gemotiveerde omstandigheden
en onder voorbehoud van goedkeuring door de Bank.
Art. 172
Indien een verzekerings- of herverzekeringsonderne-
ming nadat ze van de Bank goedkeuring heeft verkregen
voor het gebruik van een intern model, de vereisten van
de artikelen 174 tot 187 niet meer naleeft, dient zij bij de
Bank onverwijld hetzij een plan in om de situatie binnen
een redelijke termijn te herstellen, hetzij informatie waar-
uit blijkt dat dit geen noemenswaardige gevolgen heeft.
Ingeval de verzekerings- of herverzekeringsonderne-
ming het in het eerste lid bedoelde plan niet uitvoert,
mag de Bank deze onderneming verplichten om het
solvabiliteitskapitaalvereiste weer volgens de standaard-
formule van Onderafdeling II te berekenen.
Art. 173
Wanneer het solvabiliteitskapitaalvereiste beter niet
kan worden berekend volgens de standaardformule
van Onderafdeling II, omdat het risicoprofiel van de
verzekerings- of herverzekeringsonderneming duidelijk
afwijkt van de hypothesen die ten grondslag liggen aan
de berekening volgens de standaardformule , mag de
Bank de betrokken onderneming bij een met redenen
omkleed besluit verplichten om een intern model te
gebruiken voor de berekening van haar solvabiliteits-
kapitaalvereiste of de relevante risicomodules daarvan.
Art. 174
De verzekerings- of herverzekeringsondernemin-
gen tonen aan dat hun interne model algemeen wordt
toute modification majeure ultérieurement apportée à
ce modèle.
Il incombe à l’organe légal d’administration de mettre
en place des systèmes garantissant le bon fonctionne-
ment du modèle interne de manière continue.
Art. 171
Une fois reçue l’approbation demandée conformé-
ment à l’article 167, les entreprises d’assurance ou de
réassurance ne reviennent pas à la formule standard
pour calculer l’ensemble de leur capital de solvabilité
requis ou une partie quelconque de celui-ci, comme
prévu à la Sous-section II, sauf circonstances dûment
justifiées et sous réserve de l’approbation de la Banque.
Art. 172
Si, après avoir reçu de la Banque l’approbation
nécessaire à l’utilisation d’un modèle interne, une
entreprise d’assurance ou de réassurance cesse de se
conformer aux exigences énoncées aux articles 174 à
187, elle présente sans délai à la Banque un plan de
retour à la conformité dans un délai raisonnable ou elle
démontre sans délai que la non-conformité n’a qu’un
effet négligeable.
Lorsque l’entreprise d’assurance ou de réassurance
ne met pas en œuvre le plan visé à l’alinéa 1er, la Banque
peut exiger que cette entreprise en revienne à la formule
standard pour calculer son capital de solvabilité requis,
conformément à la Sous-section II.
Art. 173
Lorsqu’il n’est pas approprié de calculer le capital de
solvabilité requis en application de la formule standard
conformément à la Sous-section II, parce que le profil
de risque de l’entreprise d’assurance ou de réassurance
concernée s’écarte significativement des hypothèses
qui sous-tendent le calcul selon la formule standard, la
Banque peut, par décision motivée, exiger de l’entre-
prise concernée qu’elle utilise un modèle interne pour
calculer son capital de solvabilité requis ou les modules
de risque pertinents de celui-ci.
Art. 174
Les entreprises d’assurance ou de réassurance dé-
montrent qu’elles utilisent largement leur modèle interne
882
1584/002
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
gebruikt in en een belangrijke rol speelt in hun gover-
nancesysteem als bedoeld in artikel 42, en inzonderheid:
1° in hun risicobeheersysteem als bedoeld in arti-
kel 84 en in hun besluitvormings procedures;
2° in hun processen voor de beoordeling en allocatie
van het economisch en solvabiliteitskapitaal, waaronder
de in artikel 91 bedoelde beoordeling.
Voorts tonen de verzekerings- of herverzekerings-
ondernemingen aan dat de frequentie waarmee het
solvabiliteitskapitaalvereiste met het interne model wordt
berekend, aansluit bij de frequentie waarmee zij hun
interne model gebruiken voor de andere in het eerste
lid vermelde doeleinden.
Het wettelijk bestuursorgaan is er verantwoordelijk
voor dat de opzet en de werking van het interne model
adequaat blijft en dat het risicoprofiel van de betrokken
verzekerings- of herverzekeringsonderneming correct
tot uiting blijft komen in het interne model.
Art. 175
Het interne model, en inzonderheid de berekening
van de kansverdelingsprognose die eraan ten grondslag
ligt, voldoen aan de criteria van de artikelen 176 tot 183.
Art. 176
De methodes die gebruikt worden voor de berekening
van de kansverdelingsprognose, berusten op adequate,
toepasselijke en relevante actuariële en statistische me-
thodes en sluiten aan bij de methodes die gebruikt wor-
den voor de berekening van technische voorzieningen.
De methodes die gebruikt worden voor de berekening
van de kansverdelingsprognose, berusten op actuele en
betrouwbare informatie en op realistische hypothesen.
De verzekerings- of herverzekeringsondernemingen
kunnen tegenover de Bank de juistheid aantonen van
de hypothesen die aan hun interne model ten grondslag
liggen.
Art. 177
Voor het interne model worden juiste, volledige en
gepaste gegevens gebruikt.
et que celui-ci joue un rôle important dans leur système
de gouvernance visé à l’article 42, en particulier:
1° dans leur système de gestion des risques prévu à
l’article 84 et dans leurs processus décisionnels;
2° dans leurs processus d’évaluation et d’allocation
du capital économique et du capital de solvabilité, y
compris l’évaluation visée à l’article 91.
Les entreprises d’assurance ou de réassurance
démontrent en outre que la fréquence à laquelle le capi-
tal de solvabilité requis est calculé à l’aide du modèle
interne est cohérente avec la fréquence à laquelle
leur modèle interne est utilisé aux autres fins visées à
l’alinéa 1er.
Il incombe à l’organe légal d’administration de
garantir l’adéquation permanente de la conception et
du fonctionnement du modèle interne et de veiller à ce
que le modèle interne continue à refléter de manière
adéquate le profil de risque de l’entreprise d’assurance
ou de réassurance concernée.
Art. 175
Le modèle interne et, en particulier, le calcul de la
distribution de probabilité prévisionnelle qui le sous-
tendent satisfont aux critères fixés aux articles 176 à 183.
Art. 176
Les méthodes utilisées pour calculer la distribution
de probabilité prévisionnelle sont fondées sur des
techniques actuarielles et statistiques adéquates,
applicables et pertinentes et elles sont cohérentes
avec les méthodes utilisées pour calculer les provisions
techniques.
Les méthodes utilisées pour calculer la distribution de
probabilité prévisionnelle sont fondées sur des informa-
tions actuelles crédibles et sur des hypothèses réalistes.
Les entreprises d’assurance ou de réassurance sont
en mesure de justifier, auprès de la Banque, les hypo-
thèses qui sous-tendent leur modèle interne.
Art. 177
Les données utilisées aux fins du modèle interne sont
exactes, exhaustives et appropriées.
883
1584/002
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
De verzekerings- of herverzekeringsondernemingen
werken de bij de berekening van de kansverdelings-
prognose gebruikte gegevensbestanden ten minste
eenmaal per jaar bij.
Art. 178
Voor de berekening van de kansverdelingsprognose
wordt geen specifieke methode voorgeschreven.
Ongeacht de gekozen berekeningsmethode is het
interne model voldoende in staat om risico’s zodanig te
classificeren dat gewaarborgd is dat het overeenkomstig
artikel 174 algemeen wordt gebruikt in en een belangrijke
rol speelt in het governancesysteem van de betrokken
verzekerings- of herverzekeringsonderneming, en met
name in haar risicobeheersysteem en besluitvormings-
procedures en bij de allocatie van haar kapitaal.
Het interne model bestrijkt alle materiële risico’s waar-
aan de betrokken verzekerings- of herverzekeringson-
derneming blootstaat. Het bestrijkt minstens de risico’s
die in artikel 151, § 4, zijn opgesomd.
Art. 179
Wat de diversificatie-effecten betreft, mogen de ver-
zekerings- of herverzekeringsondernemingen in hun
interne model rekening houden met afhankelijkheden
binnen de risicocategorieën en dwars door risicocate-
gorieën heen, mits de Bank overtuigd is van de deug-
delijkheid van het systeem dat gebruikt wordt voor de
meting van deze diversificatie-effecten.
Art. 180
De verzekerings- of herverzekeringsondernemingen
mogen ten volle rekening houden met het effect van
risicomatigingstechnieken op hun interne model, zolang
de krediet- en andere risico’s die voortvloeien uit het
gebruik van deze risicomatigingstechnieken correct tot
uiting komen in het interne model.
Art. 181
De verzekerings- of herverzekeringsondernemingen
beoordelen in hun model nauwkeurig de bijzondere
risico’s die verbonden zijn aan financiële garanties en
contractuele opties, wanneer deze van wezenlijk belang
zijn. Ook beoordelen zij de risico’s die verbonden zijn
aan de opties die aan de verzekeringnemer worden
Les entreprises d’assurance ou de réassurance
actualisent au moins une fois par an les séries de don-
nées qu’elles utilisent aux fins du calcul de la distribution
de probabilité prévisionnelle.
Art. 178
Aucune méthode particulière n’est prescrite pour le
calcul de la distribution de probabilité prévisionnelle.
Indépendamment de la méthode de calcul retenue,
la capacité du modèle interne à classer les risques est
suffisante pour garantir qu’il est largement utilisé et qu’il
joue un rôle important dans le système de gouvernance
de l’entreprise d’assurance ou de réassurance concer-
née, et notamment dans son système de gestion des
risques et ses processus décisionnels, ainsi que dans
l’allocation de son capital conformément à l’article 174.
Le modèle interne couvre tous les risques importants
auxquels l’entreprise d’assurance ou de réassurance
concernée est exposée. Il couvre au minimum les
risques répertoriés à l’article 151, § 4.
Art. 179
Pour ce qui concerne les effets de diversification, les
entreprises d’assurance ou de réassurance peuvent
tenir compte dans leur modèle interne des dépendances
existant au sein de catégories de risques données, ainsi
qu’entre catégories de risques, sous réserve que la
Banque juge adéquat le système utilisé pour mesurer
ces effets de diversification.
Art. 180
Les entreprises d’assurance ou de réassurance
peuvent tenir pleinement compte de l’effet des tech-
niques d’atténuation du risque dans leur modèle interne,
pour autant que le risque de crédit et les autres risques
découlant de l’utilisation des techniques d’atténuation
du risque soient pris en considération de manière adé-
quate dans le modèle interne.
Art. 181
Les entreprises d’assurance ou de réassurance
évaluent avec précision, dans leur modèle interne, les
risques particuliers liés aux garanties financières et à
toute option contractuelle lorsqu’ils ne sont pas négli-
geables. Elles évaluent également les risques liés aux
options offertes au preneur d’assurance, ainsi qu’aux
884
1584/002
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
geboden, en aan de contractuele opties voor verze-
kerings- of herverzekeringsondernemingen. Daartoe
houden zij rekening met de mogelijke gevolgen van
toekomstige veranderingen in de financiële en niet-
financiële omstandigheden voor de gebruikmaking van
deze opties.
Art. 182
In hun interne model mogen de verzekerings- of
herverzekeringsondernemingen rekening houden met
beheeractiviteiten waarvan redelijkerwijs mag worden
aangenomen dat zij die onder bepaalde omstandighe-
den zullen verrichten.
In het in het eerste lid bedoelde geval houdt de be-
trokken onderneming rekening met de tijd die nodig is
voor de uitvoering van dergelijke activiteiten.
Art. 183
In hun interne model houden de verzekerings- of
herverzekeringsondernemingen rekening met alle door
hen verwachte betalingen aan verzekeringnemers en
begunstigden, ongeacht of deze contractueel gega-
randeerd zijn.
Art. 184
De verzekerings- of herverzekeringsondernemingen
mogen voor de interne modellering een andere periode
of risicomaatstaf hanteren dan die waarin artikel 151,
§ 3 voorziet, op voorwaarde dat de resultaten van hun
interne model hen in staat stellen het solvabiliteitska-
pitaalvereiste te berekenen op een wijze die verzeke-
ringnemers en begunstigden een bescherming biedt die
gelijkwaardig is aan die van artikel 151.
Waar dit uitvoerbaar is, leiden de verzekerings- of
herverzekeringsondernemingen aan de hand van de
VaR-maatstaf als bedoeld in artikel 151, § 3, het solva-
biliteitskapitaalvereiste rechtstreeks af uit de kansver-
delingsprognose die hun interne model oplevert.
Wanneer de verzekerings- of herverzekeringsonder-
nemingen hun solvabiliteitskapitaalvereiste niet recht-
streeks kunnen afleiden uit de kansverdelingsprognose
die hun interne model oplevert, mag de Bank toestaan
dat bij de berekening van het solvabiliteitskapitaalver-
eiste benaderingen gebruikt worden, voor zover deze
onder nemingen tegenover de Bank kunnen aantonen
options contractuelles qui sont offertes aux entre-
prises d’assurance ou de réassurance. À cet effet,
elles tiennent compte de l’impact que pourraient avoir
d’éventuels changements des conditions financières et
non financières sur l’exercice de ces options.
Art. 182
Les entreprises d’assurance ou de réassurance
peuvent tenir compte, dans leur modèle interne, des
décisions futures de gestion qu’elles pourraient raison-
nablement mettre en œuvre dans des circonstances
particulières.
Dans le cas prévu à l’alinéa 1er, l’entreprise concernée
tient compte du temps nécessaire à la mise en œuvre
de ces décisions.
Art. 183
Les entreprises d’assurance ou de réassurance
tiennent compte, dans leur modèle interne, de tous les
paiements aux preneurs d’assurance et aux bénéfi-
ciaires qu’elles s’attendent à devoir effectuer, que ces
paiements soient ou non contractuellement garantis.
Art. 184
Les entreprises d’assurance ou de réassurance
peuvent, à des fins de modélisation interne, se référer
à un autre horizon temporel ou utiliser une autre mesure
du risque que ceux prévus à l’article 151, § 3, à condi-
tion que les résultats produits par leur modèle interne
leur permettent de procéder à un calcul du capital de
solvabilité requis garantissant aux preneurs d’assurance
et aux bénéficiaires un niveau de protection équivalent
à celui prévu à l’article 151.
Lorsque c’est possible, les entreprises d’assurance
ou de réassurance déduisent directement leur capital
de solvabilité requis de la distribution de probabilité
prévisionnelle générée par leur modèle interne, sur
la base de la mesure de la valeur en risque prévue à
l’article 151, § 3.
Lorsque les entreprises d’assurance ou de réas-
surance ne peuvent déduire directement leur capital
de solvabilité requis de la distribution de probabi-
lité prévisionnelle générée par leur modèle interne, la
Banque peut autoriser l’emploi d’approximations dans
le processus de calcul du capital de solvabilité requis,
pour autant que ces entreprises soient en mesure de
885
1584/002
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
dat de verzekeringnemers een bescherming wordt
geboden die gelijkwaardig is aan die van artikel 151.
De Bank mag de verzekerings- of herverzekerings-
ondernemingen verplichten hun interne model toe te
passen op relevante benchmarkportefeuilles en daarbij
gebruik te maken van hypothesen die niet zozeer op
interne als wel op externe gegevens berusten, teneinde
de kalibratie van het interne model te controleren en na
te gaan of de specificaties ervan in overeenstemming
zijn met de vaste marktpraktijk.
Art. 185
De verzekerings- of herverzekeringsondernemingen
beoordelen ten minste eenmaal per jaar voor elk be-
langrijk bedrijfsonderdeel de oorzaken en bronnen van
winsten en verliezen.
Zij tonen aan op welke wijze de categorisatie van
risico’s in hun interne model de oorzaken en bronnen
van winsten en verliezen verklaart. De categorisatie van
risico’s en de toeschrijving van winsten en verliezen
weerspiegelen het risicoprofiel van de verzekerings- of
herverzekeringsondernemingen.
Art. 186
De verzekerings- of herverzekeringsondernemingen
voorzien in een regelmatige modelvalideringscyclus
waarbij de werking van het interne model wordt ge-
controleerd, de voortdurende deugdelijkheid van de
specificaties ervan wordt beoordeeld en de resultaten
ervan aan de praktijkervaring worden getoetst.
Het modelvalideringsproces omvat een doeltreffende
statistische procedure voor de validering van het interne
model, waarmee de verzekerings- of herverzekerings-
ondernemingen tegenover de Bank kunnen aantonen
dat de resulterende kapitaalvereisten deugdelijk zijn.
De toegepaste statistische methodes toetsen de
deugdelijkheid van de kansverdelingsprognose niet al-
leen aan de feitelijke verlieservaring, maar ook aan alle
materiële nieuwe gegevens en informatie die daaraan
gerelateerd zijn.
Het modelvalideringsproces omvat een analyse van
de stabiliteit van het interne model en inzonderheid
een toetsing van de gevoeligheid van de resultaten van
het interne model voor wijzigingen in de voornaamste
onderliggende hypothesen. Het proces omvat ook
démontrer à la Banque que les preneurs d’assurance
bénéficient d’un niveau de protection équivalent à celui
prévu à l’article 151.
La Banque peut exiger des entreprises d’assurance
ou de réassurance qu’elles appliquent leur modèle
interne à des portefeuilles de référence pertinents,
en utilisant des hypothèses fondées sur des données
externes plutôt qu’internes, afin de contrôler le calibrage
du modèle interne et de vérifier que ses spécifications
correspondent bien aux pratiques du marché généra-
lement admises.
Art. 185
Les entreprises d’assurance ou de réassurance
examinent, au moins une fois par an, les origines et les
causes des profits et pertes enregistrés par chacune de
leurs unités opérationnelles majeures.
Elles démontrent comment la catégorisation des
risques retenue dans leur modèle interne explique
les origines et les causes de ces profits et pertes. La
catégorisation des risques et l’attribution des profits et
des pertes reflètent le profil de risque des entreprises
d’assurance ou de réassurance.
Art. 186
Les entreprises d’assurance ou de réassurance
mettent en place un cycle régulier de validation de leur
modèle, qui comprend un suivi du fonctionnement du
modèle interne, un contrôle de l’adéquation permanente
de ses spécifications et une confrontation des résultats
qu’il produit aux données tirées de l’expérience.
Le processus de validation du modèle comporte la
validation du modèle interne par un procédé statistique
efficace permettant aux entreprises d’assurance ou
de réassurance de démontrer à la Banque que les exi-
gences de capital en résultant sont appropriées.
Les méthodes statistiques utilisées servent à vérifier
le caractère approprié de la distribution de probabilité
prévisionnelle par rapport non seulement à l’historique
des pertes, mais aussi à toutes les données et informa-
tions nouvelles non négligeables y afférentes.
Le processus de validation du modèle comporte une
analyse de la stabilité du modèle interne et, en particu-
lier, un test de la sensibilité des résultats qu’il produit à
une modification des hypothèses fondamentales qui le
sous-tendent. Il comprend également une évaluation de
886
1584/002
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
een beoordeling van de juistheid, volledigheid en ade-
quaatheid van de gegevens waarvan het interne model
gebruik maakt.
Art. 187
De verzekerings- of herverzekeringsondernemingen
documenteren de opzet en operationele bijzonderheden
van hun interne model.
Uit die documentatie blijkt dat de artikelen 174 tot
186 worden nageleefd.
In de documentatie wordt een gedetailleerde be-
schrijving gegeven van de theorie, de hypothesen en
de wiskundige en empirische grondslagen van het
interne model.
Eventuele omstandigheden waaronder het interne
model niet doeltreffend werkt, worden in de documen-
tatie vermeld.
De verzekerings- of herverzekeringsondernemingen
documenteren alle overeenkomstig artikel 169 aange-
brachte ingrijpende wijzigingen in hun interne model.
Art. 188
Het gebruik van een model of gegevens van een der-
de partij wordt niet als een goede reden beschouwd om
af te wijken van de vereisten waaraan het interne model
moet voldoen overeenkomstig de artikelen 174 tot 187.
Onderafdeling IV
Minimumkapitaalvereiste
Art. 189
§ 1. De verzekerings- of herverzekeringsondernemin-
gen voldoen aan een minimumkapitaalvereiste dat be-
rekend wordt overeenkomstig de volgende beginselen:
1° het wordt op een duidelijke en eenvoudige wijze
berekend, en wel zodanig dat de berekening kan worden
gecontroleerd;
2° het komt overeen met een bedrag aan in aan-
merking komend kernvermogen waaronder de verze-
keringnemers en de begunstigden blootstaan aan een
l’exactitude, de l’exhaustivité et du caractère approprié
des données utilisées dans le modèle interne.
Art. 187
Les entreprises d’assurance ou de réassurance éta-
blissent une documentation décrivant les détails de la
conception et du fonctionnement de leur modèle interne.
Cette documentation démontre qu’il est satisfait aux
articles 174 à 186.
La documentation fournit une description détaillée de
la théorie, des hypothèses et des fondements mathéma-
tiques et empiriques qui sous-tendent le modèle interne.
La documentation fait mention de toutes les circons-
tances dans lesquelles le modèle interne ne fonction-
nerait pas efficacement.
Les entreprises d’assurance ou de réassurance
assurent le suivi documentaire de toute modification
majeure apportée à leur modèle interne, conformément
à l’article 169.
Art. 188
L’utilisation d’un modèle ou de données provenant
d’un tiers n’est pas considérée comme un motif d’exo-
nération des exigences auxquelles le modèle interne doit
répondre conformément aux articles 174 à 187.
Sous-section IV
Minimum de capital requis
Art. 189
§ 1er. Les entreprises d’assurance ou de réassu-
rance détiennent un minimum de capital requis calculé
conformément aux principes suivants:
1° il est calculé d’une manière claire et simple, et de
telle sorte que son calcul puisse faire l’objet d’un audit;
2° il correspond à un montant de fonds propres de
base éligibles en-deçà duquel les preneurs d’assurance
et les bénéficiaires seraient exposés à un niveau de
887
1584/002
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
ontoelaatbaar risiconiveau, indien de verzekerings- of
herverzekeringsonderneming haar activiteiten zou mo-
gen voortzetten;
3° de in paragraaf 2 bedoelde lineaire functie die
wordt gebruikt voor de berekening van het minimumka-
pitaalvereiste, wordt gekalibreerd volgens de VaR van
het kernvermogen van de betrokken verzekerings- of
herverzekeringsonderneming, met een betrouwbaar-
heidsgraad van 85 % over een periode van één jaar;
4° het heeft een absolute ondergrens:
a) van 2 500 000 EUR voor niet-levensverzekerings-
ondernemingen, met inbegrip van verzekeringscaptives,
behalve wanneer alle of sommige van de risico’s van een
van de takken 10 tot 15 als vermeld in Bijlage I worden
gedekt, in welk geval de ondergrens niet lager mag zijn
dan 3 700 000 EUR,
b) van 3 700 000 EUR voor levensverzekeringson-
dernemingen, met inbegrip van verzekeringscaptives,
c) van 3 600 000 EUR voor herverzekeringson-
dernemingen, behalve voor herverzekeringscaptives,
in welk geval de ondergrens niet lager mag zijn dan
1 200 000 EUR,
d) die gelijk is aan de som van de in a) en b) vermelde
bedragen voor de verzekeringsondernemingen bedoeld
in artikel 223, eerste lid.
§ 2. Onverminderd paragraaf 3, wordt het minimumka-
pitaalvereiste berekend als een lineaire functie van een
set of subset van de volgende variabelen: de technische
voorzieningen van de onderneming, de geschreven
premies, het risicokapitaal, de uitgestelde belastingen
en de administratieve uitgaven. De gebruikte variabelen
worden gemeten onder aftrek van herverzekering.
§ 3. Onverminderd paragraaf 1, 4°, mag het minimum-
kapitaalvereiste niet dalen onder 25 %, noch uitstijgen
boven 45 % van het solvabiliteitskapitaalvereiste van de
onder neming, berekend overeenkomstig Onderafdeling
II of Onderafdeling III van deze Afdeling, met inbegrip
van de eventueel overeenkomstig artikel 323 opgelegde
opslagfactor.
§ 4. De verzekerings- of herverzekeringsondernemin-
gen berekenen hun minimumkapitaalvereiste ten minste
eenmaal per kwartaal en melden de uitkomst van deze
berekening aan de Bank.
Indien het minimumkapitaalvereiste van een on-
derneming wordt bepaald door een van beide in
risque inacceptable si l’entreprise d’assurance ou de
réassurance était autorisée à poursuivre son activité;
3° la fonction linéaire, visée au paragraphe 2, utilisée
pour calculer le minimum de capital requis est calibrée
selon la valeur en risque des fonds propres de base de
l’entreprise d’assurance ou de réassurance concernée,
avec un niveau de confiance de 85 % à l’horizon d’un an;
4° il a un seuil absolu:
a) de 2 500 000 EUR pour les entreprises d’assu-
rance non-vie, y compris les entreprises captives d’as-
surance, sauf dans le cas où tout ou partie des risques
visés dans l’une des branches 10 à 15 mentionnées
à l’Annexe I sont couverts, auquel cas il ne peut être
inférieur à 3 700 000 EUR;
b) de 3 700 000 EUR pour les entreprises d’assurance
vie, y compris les entreprises captives d’assurance;
c) de 3 600 000 EUR pour les entreprises de réas-
surance, sauf dans le cas des entreprises captives
de réassurance, auquel cas il ne peut être inférieur à
1 200 000 EUR;
d) correspondant à la somme des montants énoncés
aux a) et b) pour les entreprises d’assurance visées à
l’article 223, alinéa 1er.
§ 2. Sous réserve du paragraphe 3, le minimum de
capital requis est calculé comme la fonction linéaire
d’un ensemble ou d’un sous-ensemble des variables
suivantes: provisions techniques de l’entreprise, primes
souscrites, capital sous risque, impôts différés et
dépenses administratives. Les variables utilisées sont
mesurées déduction faite de la réassurance.
§ 3. Sans préjudice du paragraphe 1er, 4°, le minimum
de capital requis ne descend pas au-dessous de 25 % et
ne dépasse pas 45 % du capital de solvabilité requis de
l’entreprise, calculé conformément à la Sous-section II
ou à la Sous-section III de la présente Section, y com-
pris tout capital supplémentaire imposé conformément
à l’article 323.
§ 4. Les entreprises d’assurance ou de réassurance
calculent leur minimum de capital requis au moins une
fois par trimestre et notifient le résultat de ce calcul à
la Banque.
Lorsque l’une des limites visées au paragraphe 3 dé-
termine le minimum de capital requis d’une entreprise,
888
1584/002
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
paragraaf 3 bedoelde grenswaarden, verstrekt de
onderneming aan de Bank de informatie die nodig is
voor een deugdelijk inzicht in de redenen die hieraan
ten grondslag liggen.
Afdeling III
Beleggingen
Onderafdeling I
Prudent person”-beginsel
Art. 190
De verzekerings- of herverzekeringsondernemingen
beleggen al hun activa overeenkomstig het in deze
Onderafdeling beschreven “prudent person”-beginsel.
De Bank kan bij reglement vastgesteld overeenkom-
stig artikel 12bis, § 2 van de wet van 22 februari 1998 en
na advies van de FSMA voor wat betreft tak 23 als
vermeld in Bijlage II, verduidelijken wat moet worden
verstaan onder “prudent person”.
Art. 191
Wat de gehele activaportefeuille betreft, beleggen de
verzekerings- of herverzekeringsondernemingen alleen
in activa en instrumenten waarvan zij de risico’s goed
kunnen identificeren, meten, bewaken, beheren, beheer-
sen en rapporteren en op adequate wijze in aanmerking
kunnen nemen bij de beoordeling van hun algehele
solvabiliteitsbehoefte overeenkomstig artikel 91, § 1,
tweede lid, 1°.
Alle activa, met inbegrip van de activa ter dekking van
het minimumkapitaalvereiste en het solvabiliteitskapi-
taalvereiste, worden zodanig belegd dat de veiligheid,
de kwaliteit, de liquiditeit, het rendement en de congru-
entie van de portefeuille als geheel gewaarborgd zijn.
Bovendien worden de activa zodanig gelokaliseerd dat
hun beschikbaarheid gewaarborgd is.
De activa die tegenover de technische voorzienin-
gen staan, worden eveneens belegd op een wijze die
strookt met de aard en looptijd van de verzekerings- of
herverzekeringsverplichtingen. Deze activa worden
belegd in het beste belang van alle verzekeringnemers
en begunstigden waarbij rekening wordt gehouden met
alle verwoorde beleidsdoelstellingen.
Bij een belangenconflict zorgen de verzekeringson-
dernemingen of de entiteit die hun activaportefeuille
cette dernière fournit à la Banque des informations
permettant de bien en comprendre les raisons.
Section III
Investissements
Sous-section Ie
Principe de la personne prudente
Art. 190
Les entreprises d’assurance ou de réassurance
investissent tous leurs actifs conformément au principe
de la “personne prudente”, comme indiqué à la présente
Sous-section.
La Banque peut, par voie de règlement pris conformé-
ment à l’article 12bis, § 2, de la loi du 22 février 1998 et
sur avis de la FSMA en ce qui concerne la branche
23 mentionnée à l’Annexe II, préciser ce qu’il y a lieu
d’entendre par “personne prudente”.
Art. 191
Pour l’ensemble du portefeuille d’actifs, les entre-
prises d’assurance ou de réassurance n’investissent
que dans des actifs et instruments présentant des
risques qu’elles peuvent identifier, mesurer, suivre,
gérer, contrôler et déclarer de manière adéquate ainsi
que prendre en compte de manière appropriée dans
l’évaluation de leur besoin global de solvabilité confor-
mément à l’article 91, § 1er, alinéa 2, 1°.
Tous les actifs, en ce compris les actifs couvrant le
minimum de capital requis et le capital de solvabilité
requis, sont investis de façon à garantir la sécurité, la
qualité, la liquidité, la rentabilité et la congruence du
portefeuille dans son ensemble. En outre, la localisation
de ces actifs est telle qu’elle garantit leur disponibilité.
Les actifs détenus aux fins de la couverture des pro-
visions techniques sont également investis d’une façon
adaptée à la nature et à la durée des engagements
d’assurance ou de réassurance. Ils sont investis au
mieux des intérêts de tous les preneurs d’assurance et
de tous les bénéficiaires, compte tenu de tout objectif
publié.
En cas de conflit d’intérêts, les entreprises d’as-
surance, ou les entités qui gèrent leur portefeuille
889
1584/002
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
beheert, ervoor dat de belegging in het beste belang
van de verzekeringnemers en de begunstigden wordt
gedaan.
Art. 192
De bepalingen van dit artikel zijn van toepassing op
de activa die aangehouden worden voor levensverze-
keringsovereenkomsten waarbij het beleggingsrisico
door de verzekeringnemer wordt gedragen, onvermin-
derd artikel 191 en de artikelen 19 en 20 van de Wet
Verzekeringen.
Indien de uitkeringen waarin een overeenkomst
voorziet, rechtstreeks gekoppeld zijn aan de waarde
van rechten van deelneming in een ICBE in de zin van
Richtlijn 2009/65/EG, of aan de waarde van activa die
zijn opgenomen in een door de verzekeringsonderne-
ming gehouden intern fonds, dat gewoonlijk in fracties
is verdeeld, worden de technische voorzieningen met
betrekking tot deze uitkeringen zo exact mogelijk gedekt
door deze rechten van deelneming of fracties, dan wel,
indien er geen fracties zijn gecreëerd, door deze activa.
Indien de uitkeringen waarin een overeenkomst voor-
ziet, rechtstreeks gekoppeld zijn aan een aandelenindex
of aan een andere referentiewaarde dan die bedoeld in
het tweede lid, worden de technische voorzieningen met
betrekking tot deze uitkeringen zo exact mogelijk gedekt
door de fracties die geacht worden de referentiewaarde
te vertegenwoordigen of, indien er geen fracties zijn ge-
creëerd, door activa met een toereikende veiligheid en
verhandelbaarheid die zo nauw mogelijk aansluiten bij
die waarop de betrokken referentiewaarde is gebaseerd.
Wanneer de uitkeringen als bedoeld in het tweede en
derde lid een gegarandeerd rendement of een andere
gegarandeerde uitkering behelzen, is artikel 193 van
toepassing op de activa die tegenover de desbetref-
fende aanvullende technische voorzieningen staan.
Art. 193
Onverminderd artikel 191 zijn het tweede tot vijfde lid
van dit artikel van toepassing op de andere activa dan
die welke onder artikel 192 vallen.
Het gebruik van afgeleide instrumenten is toege-
staan, voor zover deze bijdragen tot een vermindering
van de risico’s of een doeltreffend portefeuillebeheer
vergemakkelijken.
d’actifs, veillent à ce que l’investissement soit réalisé
au mieux des intérêts des preneurs d’assurance et des
bénéficiaires.
Art. 192
Les dispositions du présent article s’appliquent aux
actifs détenus en représentation des contrats d’assu-
rance vie dans le cadre desquels le risque d’investis-
sement est supporté par le preneur d’assurance, sans
préjudice de l’article 191 et des articles 19 et 20 de la
Loi assurances.
Lorsque les prestations prévues par un contrat sont
directement liées à la valeur de parts d’un OPCVM au
sens de la Directive 2009/65/CE ou à la valeur d’actifs
contenus dans un fonds interne détenu par l’entreprise
d’assurance, généralement divisé en parts, les provi-
sions techniques concernant ces prestations sont repré-
sentées le plus étroitement possible par ces parts ou,
lorsque des parts ne sont pas établies, par ces actifs.
Lorsque les prestations prévues par un contrat sont
directement liées à un indice d’actions ou à une valeur
de référence autre que celles visées à l’alinéa 2, les
provisions techniques afférentes à ces prestations sont
représentées aussi étroitement que possible soit par
les parts réputées représenter la valeur de référence,
soit, lorsque des parts ne sont pas établies, par des
actifs d’une sûreté et d’une négociabilité appropriées
correspondant le plus étroitement possible à ceux sur
lesquels se fonde la valeur de référence en question.
Lorsque les prestations visées aux alinéas 2 et
3 comprennent une garantie de performance financière
ou toute autre prestation garantie, les actifs détenus
pour couvrir les provisions techniques supplémen-
taires correspondantes sont soumis aux dispositions
de l’article 193.
Art. 193
Sans préjudice de l’article 191, les alinéas 2 à 5 du
présent article sont applicables en ce qui concerne les
actifs autres que ceux relevant de l’article 192.
L’utilisation d’instruments dérivés est possible dans
la mesure où ils contribuent à réduire les risques ou
favorisent une gestion efficace du portefeuille.
890
1584/002
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
Beleggingen en activa die niet zijn toegelaten tot
de handel op een gereglementeerde financiële markt,
worden tot een prudent niveau beperkt.
De activa worden naar behoren gediversifieerd
zodanig dat een bovenmatige afhankelijkheid van een
bepaald actief, een bepaalde emittent of groep van
ondernemingen, of een bepaald geografisch gebied
en bovenmatige risicoaccumulatie in de portefeuille als
geheel worden vermeden.
Beleggingen in activa uitgegeven door dezelfde
emittent of door emittenten die tot dezelfde groep
behoren, mogen de verzekerings- of herverzekerings-
ondernemingen niet blootstellen aan bovenmatige
risicoconcentratie.
Onderafdeling II
Bijhouden van een doorlopende inventaris
Art. 194
De verzekeringsondernemingen houden te allen tijde
activa aan die vrij zijn van alle lasten en die gewaardeerd
worden overeenkomstig artikel 123, voor een bedrag dat
de verplichtingen jegens de schuldeisers uit hoofde van
verzekering dekt zoals die verschuldigd zouden zijn in
het geval van een liquidatieprocedure waarbij de ver-
zekeringsovereenkomsten beëindigd zouden worden.
Voor de overeenkomsten die vallen onder de takken als
vermeld in Bijlage II stemt dit bedrag overeen met de
inventariswaarde waarvan de Koning, op advies van de
Bank en de FSMA, ieder wat hun bevoegdheden betreft,
de berekeningswijze kan bepalen.
Art. 195
De verzekeringsondernemingen houden op hun
zetel een speciaal register bij, “doorlopende inventaris”
genoemd, van de activa bedoeld in artikel 194, voor elk
afzonderlijk beheer als bedoeld in artikel 230.
Wanneer de in de doorlopende inventaris opgenomen
activa bezwaard zijn met een ten gunste van een derde
gevestigd zakelijk recht waardoor een gedeelte van
het bedrag van die activa niet beschikbaar is voor de
dekking van de verplichtingen, wordt daarvan melding
gemaakt in het register en wordt het niet-beschikbare
bedrag niet meegeteld bij de berekening van het in
artikel 194 bedoelde vereiste.
De verzekeringsondernemingen delen de toestand
van de doorlopende inventaris van elk afzonderlijk
Les investissements et les actifs qui ne sont pas
admis à la négociation sur un marché financier régle-
menté sont maintenus à des niveaux prudents.
Les actifs font l’objet d’une diversification appropriée
de façon à éviter une dépendance excessive vis-à-vis
d’un actif, d’un émetteur ou d’un groupe d’entreprises
donnés ou d’une zone géographique donnée et à évi-
ter un cumul excessif de risques dans l’ensemble du
portefeuille.
Les investissements dans des actifs émis par un
même émetteur ou par des émetteurs appartenant à un
même groupe ne peuvent pas exposer les entreprises
d’assurance ou de réassurance à une concentration
excessive de risques.
Sous-section II
Tenue d’un inventaire permanent
Art. 194
Les entreprises d’assurance détiennent, à tout mo-
ment, des actifs libres de toute charge, évalués confor-
mément à l’article 123, pour un montant qui couvre les
engagements à l’égard des créanciers d’assurance tels
qu’ils seraient dus dans l’hypothèse d’une procédure de
liquidation lors de laquelle il serait mis fin aux contrats
d’assurance. Ce montant correspond pour les contrats
relevant des branches mentionnées à l’Annexe II à la
valeur d’inventaire dont le Roi est habilité, sur avis de
la Banque et de la FSMA, chacune dans son domaine
de compétence, à déterminer les modalités de calcul.
Art. 195
Les entreprises d’assurance tiennent à leur siège
un registre spécial, appelé “inventaire permanent”, des
actifs visés à l’article 194 selon les gestions distinctes
visées à l’article 230.
Lorsque les actifs inscrits à l’inventaire permanent
sont grevés d’un droit réel au profit d’un tiers avec pour
conséquence de rendre indisponible une partie du mon-
tant de ces actifs pour la couverture des engagements,
il est fait état de cette situation dans le registre et il n’est
pas tenu compte du montant non disponible dans le
calcul de l’exigence visée à l’article 194.
Les entreprises d’assurance communiquent la
situation de l’inventaire permanent de chaque gestion
891
1584/002
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
beheer aan de Bank mee met inachtneming van de vorm
en de inhoud die door haar zijn voorgeschreven en op de
drager en binnen de termijn die door haar zijn bepaald.
Onderafdeling III
Lokalisatie van de activa
Art. 196
De activa van de verzekerings- of herverzekerings-
ondernemingen zijn binnen of buiten de Europese
Economische Ruimte gelokaliseerd.
Art. 197
§ 1. In afwijking van artikel 196 mogen de verzeke-
rings- of herverzekeringsondernemingen de activa die
zij aanhouden ter dekking van de technische voorzie-
ningen met betrekking tot risico’s die in de Europese
Economische Ruimte zijn gelegen, slechts buiten die
Ruimte lokaliseren wanneer het gaat om:
1° onroerende goederen;
2° effecten en wanneer
a) de rechten die voor de verzekerings- of herverzeke-
ringsonderneming voortvloeien uit de bewaargeving van
deze effecten bij een in bewaring nemende tussenper-
soon vormen een zakelijk recht op grond waarvan zij op
deze effecten aanspraak kunnen maken, met uitsluiting
van het eenvoudige vorderingsrecht; en
b) de betrokken in bewaring nemende tussenpersoon
geeft aan de Bank een verklaring af dat hij zich ertoe
verbindt gevolg te geven aan alle beslissingen om de
vrije beschikking over de activa van de verzekerings- of
herverzekeringsonderneming te beperken of te ontne-
men, die met toepassing van de artikelen 513 en 517,
§ 1, 6° zijn genomen.
§ 2. In afwijking van artikel 196 kan de Bank bij regle-
ment vastgesteld overeenkomstig artikel 12bis, § 2 van
de wet van 22 februari 1998 eisen dat de activa die
worden aangehouden ter dekking van de technische
voorzieningen met betrekking tot de verzekeringsrisico’s
die buiten de Europese Economische Ruimte zijn aan-
gegaan, binnen die Ruimte gelokaliseerd zijn.
Zo niet worden de regels betreffende de dekking
van de technische voorzieningen voor deze risico’s en
betreffende de lokalisatie ervan vastgesteld volgens de
regels van het land van het risico.
distincte à la Banque en respectant la forme et le
contenu prescrits par celle-ci et sur le support et dans
le délai qu’elle fixe.
Sous-section III
Localisation des actifs
Art. 196
Les actifs des entreprises d’assurance ou de réas-
surance sont localisés dans ou en dehors de l’Espace
économique européen.
Art. 197
§ 1er. Par dérogation à l’article 196, les entreprises
d’assurance ou de réassurance ne peuvent localiser
les actifs détenus pour couvrir les provisions tech-
niques afférentes à des risques situés dans l’Espace
économique européen en dehors de cet Espace que
lorsqu’il s’agit:
1° de biens immobiliers;
2° de valeurs mobilières et que
a) les droits conférés à l’entreprise d’assurance ou de
réassurance à la suite du dépôt de ces valeurs auprès
d’un intermédiaire dépositaire sont constitutifs d’un droit
réel permettant l’exercice d’une revendication sur ces
valeurs, à l’exclusion d’un simple droit de créance; et
b) l’intermédiaire dépositaire concerné fournit à la
Banque une attestation selon laquelle il s’engage à faire
suite à toutes décisions de restreindre ou interdire la
libre disposition des actifs de l’entreprise d’assurance
ou de réassurance prononcées en application des
articles 513 et 517, § 1er, 6°.
§ 2. Par dérogation à l’article 196, la Banque peut,
par voie de règlement pris conformément à l’article
12bis, § 2, de la loi du 22 février 1998, imposer que les
actifs détenus pour couvrir les provisions techniques
afférentes aux risques d’assurance souscrits en dehors
de l’Espace économique européen soient localisés
dans cet Espace.
À défaut, les règles afférentes à la représentation des
provisions techniques de ces risques et à leur localisa-
tion sont déterminées selon les règles du pays du risque.
892
1584/002
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
Art. 198
Voor herverzekeringsovereenkomsten die worden
gesloten met een onderneming die ressorteert onder het
recht van een derde land met een toezichtsregeling die
niet gelijkwaardig wordt geacht in de zin van artikel 600,
kan de Bank bij reglement vastgesteld overeenkomstig
artikel 12bis, § 2 van de wet van 22 februari 1998 ver-
langen dat:
1° de technische voorzieningen zonder aftrek van
herverzekering worden gevormd en dat de activa ter
dekking van de technische voorzieningen als zekerhe-
den worden verstrekt of dat de cederende onderneming
een gelijkwaardige waarborg verleent;
2° de activa ter dekking van de schuldvorderingen
uit hoofde van deze overeenkomsten, in de Europese
Economische Ruimte zijn gelegen.
HOOFDSTUK VII
Periodieke informatieverstrekking
en boekhoudregels
Art. 199
De verzekerings- of herverzekeringsondernemingen
leggen hun jaarrekening neer bij de Bank.
Onverminderd artikel 200 bepaalt de Koning, op
advies van de Bank en de FSMA, ieder voor wat zijn
bevoegdheden betreft:
1° de regels op grond waarvan de verzekerings- of
herverzekeringsondernemingen hun boekhouding voe-
ren, de diverse balansposten ramen en hun jaarrekening
opstellen en hun jaarverslag opmaken;
2° de regels die de verzekerings- of herverzekerings-
ondernemingen in acht moeten nemen bij de opstelling,
de controle en de openbaarmaking van hun geconso-
lideerde jaarrekening, evenals bij de opstelling en de
openbaarmaking van de verslagen over het beheer en
de controle van die geconsolideerde jaarrekening.
De Bank kan, bij reglement vastgesteld met
toepassing van artikel 12bis, § 2 van de wet van
22 februari 1998, de toepassingsmodaliteiten vastleg-
gen van de regels bepaald in de in het tweede lid be-
doelde koninklijke besluiten.
Art. 198
En ce qui concerne les contrats de réassurance
conclus avec une entreprise qui relève du droit d’un
pays tiers et dont le régime de contrôle n’est pas réputé
équivalent au sens de l’article 600, la Banque peut, par
voie de règlement pris conformément à l’article 12bis,
§ 2 de la loi du 22 février 1998, exiger que:
1° les provisions techniques soient constituées brutes
de réassurance et que les actifs représentatifs fassent
l’objet d’un nantissement ou que l’entreprise cédante
fournisse une garantie équivalente;
2° les actifs représentatifs des créances détenues
au titre de ces contrats soient situés dans l’Espace
économique européen.
CHAPITRE VII
Informations périodiques et règles comptables
Art. 199
Les entreprises d’assurance ou de réassurance dé-
posent leurs comptes annuels à la Banque.
Sans préjudice de l’article 200, le Roi détermine, sur
avis de la Banque et de la FSMA, chacune dans son
domaine de compétence:
1° les règles selon lesquelles les entreprises
d’assurance ou de réassurance tiennent leur compta-
bilité, procèdent aux évaluations des divers postes de
bilan et établissent leurs comptes annuels et présentent
leur rapport annuel;
2° les règles à respecter par les entreprises
d’assurance ou de réassurance pour l’établissement, le
contrôle et la publication de leurs comptes consolidés,
ainsi que pour l’établissement et la publication des rap-
ports de gestion et de contrôle relatifs à ces comptes
consolidés.
La Banque peut, par voie de règlement pris en appli-
cation de l’article 12bis, § 2 de la loi du 22 février 1998,
préciser les modalités d’application des règles définies
par les arrêtés royaux visés à l’alinéa 2.
893
1584/002
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
Art. 200
De in artikel 223 bedoelde verzekeringsonderne-
mingen stellen hun jaarrekening zodanig op dat de
bronnen van de resultaten van levensverzekeringen en
niet-levensverzekeringen gescheiden tot uiting komen.
Alle opbrengsten, met name premies, uitbetalingen van
herverzekeraars, inkomsten uit beleggingen, en uitga-
ven, met name verzekeringsuitkeringen, toevoegingen
aan de technische voorzieningen, herverzekerings-
premies en werkingskosten voor de verzekerings- en
herverzekeringsverrichtingen, worden op basis van hun
oorsprong onderverdeeld. De bestanddelen die beide
activiteiten gemeen hebben, worden geboekt volgens
kostenverdelingsmethodes die door de Bank moeten
zijn aanvaard.
Art. 201
Naast de verplichtingen inzake verslaggeving waarin
de uitvoeringsmaatregelen van Richtlijn 2009/138/EG
voorzien, en onverminderd de artikelen 312 tot 316, leg-
gen de verzekerings- of herverzekeringsondernemingen
aan de Bank periodiek de financiële informatie voor die
zij bepaalt en die wordt opgemaakt overeenkomstig
de regels die zijn vastgesteld door de Bank, die ook
de rapporteringsfrequentie bepaalt. Bovendien kan
de Bank voorschrijven dat haar geregeld eventuele
andere cijfergegevens of uitleg worden verstrekt om te
kunnen nagaan of de voorschriften van deze wet, van
de uitvoeringsbesluiten en -reglementen ervan of van
de maatregelen tot uitvoering van Richtlijn 2009/138/
EG zijn nageleefd.
Art. 202
Onverminderd artikel 80, § 5, verklaart het directie-
comité of, bij ontstentenis van een directiecomité, de
personen belast met de effectieve leiding van de verze-
kerings- of herverzekeringsonderneming, aan de Bank
dat de in artikel 201 bedoelde periodieke informatie die
haar aan het einde van het eerste halfjaar en aan het
einde van het boekjaar wordt bezorgd door de onder-
neming, opgesteld is volgens de voorschriften die door
of krachtens de wet, de uitvoeringsmaatregelen van
Richtlijn 2009/138/EG en de instructies van de Bank
zijn vastgesteld.
Daartoe is vereist dat de periodieke informatie, voor
wat de boekhoudkundige gegevens betreft:
Art. 200
Les entreprises d’assurances visées à l’ar-
ticle 223 établissent leurs comptes annuels de façon
à faire apparaître séparément les sources de résultats
pour l’assurance et la réassurance vie et non-vie.
L’ensemble des produits, notamment les primes, les
interventions des réassureurs et les revenus financiers,
et des charges, notamment les prestations d’assurance,
les dotations aux provisions techniques, les primes de
réassurance et les frais de fonctionnement pour les
opérations d’assurance et de réassurance, est ventilé
en fonction de leur origine. Les éléments communs aux
deux activités sont comptabilisés selon des méthodes
de répartition qui sont acceptées par la Banque.
Art. 201
Outre les obligations en matière de communication
d’informations prévues par les mesures d’exécution de
la Directive 2009/138/CE et sans préjudice des articles
312 à 316, les entreprises d’assurance ou de réassu-
rance communiquent périodiquement à la Banque les
informations financières qu’elle détermine et qui sont
établies conformément aux règles fixées par la Banque,
qui en détermine également la fréquence. La Banque
peut, en outre, prescrire la transmission régulière de
toutes autres informations chiffrées ou descriptives
nécessaires à la vérification du respect des dispositions
de la présente loi, des arrêtés et règlements pris en
exécution de celles-ci ou des mesures d’exécution de
la Directive 2009/138/CE.
Art. 202
Sans préjudice de l’article 80, § 5, le comité de
direction ou, en l’absence de comité de direction, les
personnes chargées la direction effective de l’entre-
prise d’assurance ou de réassurance, déclare à la
Banque que les informations périodiques visées à l’ar-
ticle 201 qui lui sont transmises par l’entreprise à la fin
du premier semestre social et à la fin de l’exercice social,
sont établies conformément aux prescriptions prévues
par ou en vertu de la loi, aux mesures d’exécution de la
Directive 2009/138/CE et aux instructions de la Banque.
Il est à cet effet requis que les informations pério-
diques soient pour ce qui concerne les données comp-
tables qui y figurent:
894
1584/002
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
1° volledig is, d.w.z. dat zij alle gegevens bevat uit de
boekhouding en de inventarissen op basis waarvan zij
wordt opgesteld,
2° juist is, d.w.z. dat zij exact overeenstemt met de
gegevens uit de boekhouding en de inventarissen op
basis waarvan de periodieke informatie wordt opgesteld.
Art. 203
Voor bepaalde categorieën van verzekerings- of her-
verzekeringsondernemingen of in specifieke gevallen
kan de Bank afwijkingen toestaan van de in artikel 199,
tweede lid en artikel 201 bedoelde regels.
HOOFDSTUK VII
Herstelplannen
Afdeling I
Opmaak van herstelplannen
Art. 204
Indien ze dit gerechtvaardigd acht in het licht van
mogelijke risico’s op een aanzienlijke verslechtering
van de financiële positie van een verzekerings- of
herverzekeringsonderneming, met name op grond van
haar bedrijfsmodel, haar juridische structuur, inherente
kenmerken van de groep waarvan ze deel uitmaakt,
haar risicoprofiel, de kenmerken van de door haar in
de handel gebrachte producten, kan de Bank de ver-
zekerings- of herverzekeringsonderneming verplichten
een herstelplan op te stellen met maatregelen die door
de onderneming kunnen worden uitgevoerd voor het
herstel van haar financiële positie na een aanzienlijke
verslechtering ervan, en dit plan te actualiseren.
Het herstelplan houdt rekening met verschillende
scenario’s van ernstige macro-economische of finan-
ciële crisis, waaronder systeembrede gebeurtenissen,
crises die specifiek zijn voor de onderneming, en, in
voorkomend geval, crises waarbij entiteiten van de groep
waarvan de verzekerings- of herverzekeringsonderne-
ming deel uitmaakt, betrokken zijn.
Het herstelplan dekt de verzekerings- of herverzeke-
ringsonderneming en haar Belgische en buitenlandse
dochterondernemingen.
Wanneer ze een dergelijk plan oplegt, houdt de Bank
rekening met het feit dat de verzekerings- of herverze-
keringsonderneming in voorkomend geval betrokken is
1° complètes, c’est-à-dire qu’elles mentionnent toutes
les données figurant dans la comptabilité et dans les
inventaires sur la base desquels elles sont établies;
2° correctes, c’est-à-dire qu’elles concordent exac-
tement avec la comptabilité et avec les inventaires sur
la base desquels elles sont établies.
Art. 203
La Banque peut, pour certaines catégories d’entre-
prises d’assurance ou de réassurance ou dans des
cas particuliers, autoriser des dérogations aux règles
prévues aux articles 199, alinéa 2 et 201.
CHAPITRE VII
Plans de redressement
Section Ire
Etablissement des plans de redressement
Art. 204
Lorsqu’elle l’estime justifié au regard de risques
potentiels d’une dégragation significative de la situa-
tion financière d’une entreprise d’assurance ou de
réassurance, notamment sur la base de son modèle
d’entreprise, de sa structure juridique, de caractéris-
tiques inhérentes au groupe dont elle fait partie, de
son profil de risque, des caractéristiques des produits
commercialisés, la Banque peut imposer à l’entreprise
d’assurance ou de réassurance d’établir et de mettre
à jour un plan de redressement prévoyant les mesures
susceptibles d’être mises en oeuvre par l’entreprise
afin de rétablir sa situation financière à la suite d’une
détérioration significative de celle-ci.
Le plan de redressement envisage différents scéna-
rios de crise macro-économique ou financière grave, y
compris des événements d’ampleur systémique, des
crises spécifiques à l’entreprise et, le cas échéant, des
crises impliquant des entités du groupe dont l’entreprise
d’assurance ou de réassurance fait partie.
Le plan de redressement couvre l’entreprise d’as-
surance ou de réassurance et ses filiales belges et
étrangères.
Lorsqu’elle impose un tel plan, la Banque tient compte
de ce que l’entreprise d’assurance ou de réassurance
est, le cas échéant, incluse dans un contrôle de groupe
895
1584/002
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
in een groepstoezicht in de zin van artikel 343 of in een
aanvullend toezicht op een financieel conglomeraat in
de zin van artikel 451, op een andere verzekerings- of
herverzekeringsonderneming, een verzekerings-hol-
ding, een gemengde verzekeringsholding of een ge-
mengde financiële holding, die onder het recht van een
andere lidstaat ressorteert en waarvoor een herstelplan
is goedgekeurd door de betrokken bevoegde autoriteit.
Art. 205
De verzekerings- of herverzekeringsonderneming
neemt in het herstelplan de nodige voorwaarden en
procedures op om de snelle en doeltreffende uitvoering
van de maatregelen te verzekeren en zodoende haar
financiële positie te herstellen, zonder dat dit voor het
Belgische of internationale financiële stelsel significante
negatieve gevolgen heeft.
Het herstelplan bevat kwalitatieve en kwantitatieve
indicatoren van een potentiële verslechtering van de
financiële positie van de onderneming, met aanduiding
van de tijdstippen waarop ze onderzoekt of in het plan
opgenomen corrigerende maatregelen ten uitvoer moe-
ten worden gelegd.
Te dien einde bepaalt het herstelplan passende
procedures voor de periodieke monitoring van de in
het tweede lid bedoelde indicatoren, alsook voor het
onderzoek van de in overweging te nemen corrigerende
maatregelen, met inbegrip van de eventueel te volgen
escalatieprocedure.
Het herstelplan houdt geen rekening met enige uit-
zonderlijke overheidssteun.
Art. 206
De verzekerings- of herverzekeringsonderneming
actualiseert het herstelplan ten minste eenmaal per jaar
en in ieder geval na elke wijziging in haar juridische of
organisatiestructuur, haar activiteiten of haar financiële
positie, die een aanzienlijke invloed kan hebben op de
uitvoering van het plan.
De Bank kan eisen dat de onderneming het herstel-
plan vaker actualiseert.
Art. 207
Naargelang het geval kan de Bank nadere regels
bepalen voor:
au sens de l’article 343 ou d’une surveillance com-
plémentaire d’un conglomérat financier au sens de
l’article 451 , d’une autre entreprise d’assurance ou de
réassurance, d’une société holding d’assurance, d’une
société holding mixte d’assurance ou d’une compa-
gnie financière mixte relevant du droit d’un autre État
membre, pour laquelle un plan de redressement a été
approuvé par l’autorité compétente concernée.
Art. 205
L’entreprise d’assurance ou de réassurance prévoit
dans le plan de redressement les conditions et procé-
dures nécessaires pour assurer la mise en oeuvre rapide
et efficace des mesures propres à rétablir sa situation
financière, et ce, sans effets négatifs significatifs sur le
système financier belge ou international.
Le plan de redressement comporte des indicateurs
quantitatifs et qualitatifs d’une détérioration potentielle
de la situation financière de l’entreprise, avec l’indication
des moments auxquels elle examine si des mesures
correctrices prévues dans le plan doivent être mises
en œuvre.
À cet effet, le plan de redressement définit des
procédures appropriées pour le suivi régulier de l’évo-
lution des indicateurs visés à l’alinéa 2, ainsi que pour
l’examen des mesures correctrices à envisager, en ce
compris l’éventuel processus d’escalade à suivre.
Le plan de redressement n’envisage aucun soutien
financier exceptionnel des pouvoirs publics.
Art. 206
L’entreprise d’assurance ou de réassurance actualise
le plan de redressement au moins une fois par an et, en
toute hypothèse, après toute modification de sa structure
juridique ou organisationnelle, de ses activités ou de
sa situation financière, susceptible d’avoir un impact
significatif sur la mise en oeuvre du plan.
La Banque peut exiger que l’entreprise actualise plus
fréquemment le plan de redressement.
Art. 207
Selon les cas d’espèce, la Banque peut préciser:
896
1584/002
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
1° de minimuminhoud van het herstelplan;
2° de informatie die door de verzekerings- of her-
verzekeringsonderneming aan de Bank moet worden
meegedeeld, en de frequentie waarmee dit dient te
gebeuren.
Afdeling II
Beoordeling van herstelplannen
Art. 208
§ 1. Het herstelplan dat met toepassing van arti-
kel 204 is vereist, wordt door het wettelijk bestuursor-
gaan van de verzekerings- of herverzekeringsonderne-
ming onderzocht en goedgekeurd vooraleer het aan de
Bank wordt voorgelegd.
§ 2. De verzekerings- of herverzekeringsonderneming
legt het herstelplan als bedoeld in paragraaf 1 aan de
Bank voor binnen vier maanden te rekenen vanaf de
beslissing waarvan zij met toepassing van artikel 204 in
kennis werd gesteld.
Onder voorbehoud van wat in het derde lid is bepaald,
legt de verzekerings- of herverzekeringsonderneming
aan de Bank een geactualiseerd plan voor binnen
twee maanden volgend op het feit dat aanleiding heeft
gegeven tot het ontstaan van de verplichting tot actua-
lisering van het plan, met dien verstande dat de Bank
deze termijn kan verlengen tot maximum zes maanden.
Indien het feit dat aanleiding heeft gegeven tot de
verplichting tot actualisering van het plan, een wijziging
is in de financiële positie van de verzekerings- of her-
verzekeringsonderneming die het plan aanmerkelijk kan
beïnvloeden, stelt de verzekerings- of herverzekerings-
onderneming de Bank hiervan onverwijld in kennis en
legt zij een geactualiseerd plan voor binnen de termijn
die haar door de Bank wordt meegedeeld.
Art. 209
§ 1. Binnen drie maanden na ontvangst van het her-
stelplan onderzoekt de Bank dit plan en beoordeelt zij of
het voldoet aan de vereisten bepaald door of krachtens
de artikelen 204 tot 207.
Hierbij evalueert de Bank inzonderheid of het herstel-
plan toelaat redelijkerwijze te verwachten dat:
1° le contenu minimal du plan de redressement;
2° les informations à transmettre par l’entreprise
d’assurance ou de réassurance à la Banque et la fré-
quence à laquelle celles-ci lui sont transmises.
Section II
Evaluation des plans de redressement
Art. 208
§ 1er. Le plan de redressement requis en application
de l’article 204 est examiné et approuvé par l’organe
légal d’administration de l’entreprise d’assurance ou
de réassurance avant qu’il ne soit soumis à la Banque.
§ 2. L’entreprise d’assurance ou de réassurance sou-
met le plan de redressement visé au paragraphe 1er à la
Banque dans les quatre mois à compter de la décision
qui lui a été notifiée en application de l’article 204.
Sous réserve de ce qui est prévu à l’alinéa 3, l’entre-
prise d’assurance ou de réassurance soumet un plan
actualisé à la Banque dans les deux mois qui suivent le
fait ayant donné naissance à l’obligation de mise à jour
du plan, étant entendu que la Banque peut étendre ce
délai jusqu’à six mois.
Dans l’hypothèse où le fait ayant donné naissance à
l’obligation de mise à jour du plan est une modification
de la situation financière de l’entreprise d’assurance ou
de réassurance susceptible d’avoir un impact significatif
sur le plan, celle-ci en informe la Banque sans délai et
soumet un plan actualisé dans le délai que lui commu-
nique la Banque.
Art. 209
§ 1er. Dans les trois mois de la réception du plan de
redressement, la Banque examine ce plan et évalue
s’il satisfait aux exigences prévues par ou en vertu des
articles 204 à 207.
À cet effet, la Banque évalue notamment si le plan
de redressement permet de raisonnablement s’attendre
à ce que:
897
1584/002
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
1° de uitvoering van de in het plan opgenomen
maatregelen van aard is om de levensvatbaarheid en
de financiële positie van de verzekerings- of herver-
zekeringsonderneming of de groep waarvan ze deel
uitmaakt, in stand te houden of te herstellen;
2° het plan en de verschillende opties die daarin zijn
opgenomen, snel en doeltreffend kunnen worden uit-
gevoerd in situaties van financiële stress, waarbij in de
mate van het mogelijke significante negatieve gevolgen
voor het financiële stelsel worden vermeden, mede in
scenario’s van gelijktijdige uitvoering van herstelplannen
van andere ondernemingen.
Bij haar evaluatie van het herstelplan besteedt de
Bank bijzondere aandacht aan de toereikendheid van
de financiering van de verzekerings- of herverzeke-
ringsonderneming, in het bijzonder aan de structuur
van haar eigen vermogen, in verhouding tot de graad
van complexiteit van haar organisatiestructuur en tot
haar risicoprofiel.
§ 2. Indien de Bank oordeelt dat het herstelplan we-
zenlijke tekortkomingen vertoont of dat er significante
belemmeringen zijn voor de tenuitvoerlegging ervan,
stelt zij de verzekerings- of herverzekeringsonderneming
daarvan in kennis en, nadat zij haar de gelegenheid
heeft gegeven om haar standpunt te formuleren, nodigt
zij haar uit om binnen twee maanden een herzien plan in
te dienen waarin de tekortkomingen of belemmeringen
zijn verholpen. De Bank kan de voornoemde termijn met
maximum één maand verlengen.
§ 3. Indien de Bank oordeelt dat de door haar geïden-
tificeerde tekortkomingen of belemmeringen niet naar
behoren zijn verholpen in het overeenkomstig paragraaf
2 herziene plan, kan zij de verzekerings- of herverze-
keringsonderneming gelasten om binnen dertig dagen
vanaf de kennisgeving van deze bevinding specifieke
wijzigingen in het herstelplan aan te brengen.
Art. 210
Indien de verzekerings- of herverzekeringsonder-
neming binnen de gestelde termijn geen gevolg geeft
aan de uitnodiging bedoeld in artikel 209, § 2, of indien
de Bank oordeelt dat het herziene herstelplan dat werd
ingediend overeenkomstig artikel 209, § 2, de door haar
geïdentificeerde tekortkomingen of belemmeringen niet
verhelpt of het onmogelijk is om deze naar behoren te
verhelpen middels een aanmaning overeenkomstig ar-
tikel 209, § 3, of nog indien geen gevolg werd gegeven
1° la mise en œuvre des mesures prévues dans le
plan est de nature à maintenir ou rétablir la viabilité et
la position financière de l’entreprise d’assurance ou de
réassurance ou du groupe dont elle fait partie;
2° le plan et les différentes options qui y sont prévues
sont susceptibles d’être mis en œuvre rapidement et
de manière efficace dans des situations de crise finan-
cière, en évitant, dans toute la mesure du possible, des
effets négatifs significatifs sur le système financier, en
ce compris dans des scénarios impliquant la mise en
œuvre concomitante de plans de redressement d’autres
entreprises.
Dans son évaluation du plan de redressement, la
Banque porte une attention particulière sur l’adéquation
du financement de l’entreprise d’assurance ou de réas-
surance, en particulier la structure de ses fonds propres,
par rapport au degré de complexité de sa structure
organisationnelle et à son profil de risque.
§ 2. Si la Banque considère qu’un plan de redresse-
ment présente des lacunes importantes ou qu’il existe
des obstacles significatifs à sa mise en œuvre, elle en
informe l’entreprise d’assurance ou de réassurance
et, après lui avoir donné l’opportunité d’exprimer son
point de vue, l’invite à soumettre, dans les deux mois,
un plan révisé dans lequel il est remédié à ces lacunes
ou obstacles. La Banque peut prolonger le délai précité
d’un mois au maximum.
§ 3. Si la Banque considère que le plan révisé confor-
mément au paragraphe 2 ne permet pas de remédier
efficacement aux lacunes ou obstacles qu’elle a iden-
tifiés, elle peut enjoindre à l’entreprise d’assurance ou
de réassurance d’apporter, dans les trente jours de la
notification de ce constat, des modifications spécifiques
au plan de redressement.
Art. 210
Si l’entreprise d’assurance ou de réassurance ne
donne pas suite, dans le délai imparti, à l’invitation
visée à l’article 209, § 2, ou si la Banque considère que
le plan de redressement révisé soumis conformément
à l’article 209, § 2, ne permet pas de remédier aux
lacunes ou obstacles qu’elle a identifiés ou qu’il n’est
pas possible d’y remédier efficacement par une injonc-
tion donnée conformément à l’article 209, § 3 ou encore
qu’il n’a pas été donné suite à l’injonction donnée en
898
1584/002
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
aan de aanmaning die met toepassing van artikel 209,
§ 3 werd verricht, stelt de Bank de verzekerings- of
herverzekeringsonderneming daarvan in kennis.
In deze gevallen kan de Bank de verzekerings- of
herverzekeringsonderneming gelasten elke maatre-
gel te treffen die ze noodzakelijk en evenredig acht
om een einde te maken aan deze tekortkomingen of
belemmeringen en kan ze inzonderheid eisen dat de
verzekerings- of herverzekeringsonderneming maatre-
gelen treft om:
1° haar risicoprofiel aan te passen, met name door
haar tariferingsbeleid en/of haar onderschrijvingsbeleid
of nog haar herverzekerings- en retrocessiebeleid te
wijzigen;
2° een snelle herkapitalisatie mogelijk te maken;
3° wijzigingen aan te brengen in haar financierings-
strategie en/of in haar beleggingsbeleid;
4° wijzigingen aan te brengen in haar
governancesysteem.
De beslissing van de Bank wordt ter kennis gebracht
van de verzekerings- of herverzekeringsonderneming.
Afdeling III
Uitvoering van herstelplannen
Art. 211
§ 1. De verzekerings- of herverzekeringsonderneming
stelt de Bank onverwijld in kennis van elke beslissing
naar aanleiding van het onderzoek dat met toepassing
van artikel 205 werd gevoerd om een corrigerende maat-
regel te nemen in het kader van de, in voorkomend geval
gedeeltelijke, tenuitvoerlegging van haar herstelplan en
van elke beslissing om dit niet te doen.
§ 2. Onverminderd de andere bevoegdheden die
deze wet haar toekent, kan de Bank de verzekerings- of
herverzekeringsonderneming opdragen om een of meer
in haar herstelplan opgenomen corrigerende maatre-
gelen te nemen indien ze nalaat om uit eigen initiatief
passende maatregelen te nemen.
application de l’article 209, § 3, la Banque en informe
l’entreprise d’assurance ou de réassurance.
La Banque peut alors enjoindre à l’entreprise d’assu-
rance ou de réassurance de prendre toute mesure
qu’elle juge nécessaire et proportionnée pour mettre
fin à ces lacunes ou obstacles et notamment requérir
que l’entreprise d’assurance ou de réassurance prenne
des mesures pour:
1° adapter son profil de risque, notamment en
modifiant sa politique tarifaire et/ou sa politique de
souscription ou encore sa politique de réassurance et
de rétrocession;
2° permettre une recapitalisation rapide;
3° modifier sa stratégie de financement et/ou sa
politique d’investissement;
4° modifier son système de gouvernance.
La décision de la Banque est notifiée à l’entreprise
d’assurance ou de réassurance.
Section III
Mise en œuvre des plans de redressement
Art. 211
§ 1er. L’entreprise d’assurance ou de réassurance
informe la Banque sans délai de toute décision faisant
suite à l’examen mené en application de l’article 205 de
prendre une mesure correctrice dans le cadre de la
mise en œuvre, le cas échéant partielle, de son plan
de redressement ou de s’abstenir de prendre une telle
mesure.
§ 2. Sans préjudice des autres pouvoirs qui lui sont
conférés par la présente loi, la Banque peut enjoindre à
l’entreprise d’assurance ou de réassurance de prendre
une ou plusieurs mesures correctrices prévues dans son
plan de redressement si elle reste en défaut de prendre
les mesures adéquates de sa propre initiative.
899
1584/002
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
HOOFDSTUK IX
Specifieke bepalingen met betrekking tot het
verzekerings- of herverzekeringsbedrijf
Afdeling I
Bijzondere bepalingen met betrekking tot verzekeringen
Onderafdeling I
Bijzondere bepalingen met betrekking tot
niet-levensverzekeringen
Art. 212
Geen enkele winstdeling of restorno mag, op welke
wijze ook, worden gewaarborgd vóór de datum van de
verdeling van de winst.
De Koning kan, op advies van de Bank en de FSMA,
de regels bepalen die de verzekeringsondernemingen in
acht moeten nemen voor de winstverdeling en -toeken-
ning, met inbegrip van de groepen van overeenkomsten
of verplichtingen waarop die regels van toepassing
zijn, evenals de voor toezichtsdoeleinden benodigde
informatie die de verzekeringsondernemingen aan de
Bank moeten verstrekken. De Bank kan deze groepen
van overeenkomsten of verplichtingen aanvullen bij
reglement vastgesteld overeenkomstig artikel 12bis,
§ 2 van de wet van 22 februari 1998.
Onderafdeling II
Bijzondere bepalingen met betrekking tot
levensverzekeringen
Art. 213
Voor de toepassing van deze Onderafdeling en van de
ter uitvoering ervan genomen besluiten en reglementen
wordt verstaan onder:
1° technische rentevoet: een jaarlijkse rentevoet van
een beleggingswet tegen samengestelde intrest, die
gebruikt wordt voor de bepaling van de actuele waarde
van een uitgestelde premie of prestatie;
2° voorvalswet (van een verzekerde gebeurtenis):
een wet met betrekking tot de waarschijnlijkheid dat de
verzekerde gebeurtenis zich voordoet;
3° toeslag: elk ander tariferingselement dan de
technische rentevoet en de voorvalswetten van de
verzekerde gebeurtenissen waarmee rekening wordt
CHAPITRE IX
Dispositions spécifiques liées à l’activité
d’assurance ou de réassurance
Section Ire
Dispositions particulières relatives à l’assurance
Sous-section Ire
Dispositions particulières en matière d’assurance non-vie
Art. 212
Aucune participation bénéficiaire ni ristourne ne peut
être garantie, de quelque manière que ce soit, avant la
date de la répartition du bénéfice.
Le Roi peut, sur avis de la Banque et de la FSMA,
déterminer les règles à suivre par les entreprises
d’assurance en ce qui concerne la répartition et l’attri-
bution des participations bénéficiaires en ce compris les
groupes de contrats ou d’engagements auxquels ces
règles s’appliquent, ainsi que les informations que les
entreprises d’assurance fournissent à la Banque aux
fins de leur contrôle. La Banque peut, par la voie d’un
règlement pris conformément à l’article 12bis, § 2 de
la loi du 22 février 1998, compléter lesdits groupes de
contrats ou d’engagements.
Sous-section II
Dispositions particulières en matière d’assurance-vie
Art. 213
Aux fins de la présente Sous-section et des arrêtés
et règlements pris pour son exécution, on entend par:
1° taux d’intérêt technique: un taux annuel d’une loi
de placement à intérêts composés, utilisée pour déter-
miner la valeur actuelle d’une prime ou d’une prestation
différées;
2° loi de survenance (d’un événement assuré): une
loi de probabilité de réalisation de l’événement assuré;
3° chargement: tout élément tarifaire intervenant
dans le rapport entre les engagements de l’entreprise
d’assurance et les primes qui en sont les contreparties,
900
1584/002
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
gehouden in de verhouding tussen de verplichtingen
van de verzekeringsonderneming en de premies die
daar tegenover staan;
4° technische grondslagen: het geheel van de tech-
nische rentevoeten, de voorvalswetten en de toeslagen
waarmee rekening wordt gehouden bij de opstelling van
de tarieven of de vorming van de reserves;
5° afkoop (van een overeenkomst): opzegging van de
overeenkomst door de verzekering nemer;
6° reductie (van een overeenkomst): vermindering
van de actuele waarde van de verzekerde prestaties
ten gevolge van de stopzetting van de premiebetaling;
7° afkoopwaarde (op een bepaald ogenblik): door de
verzekeringsonderneming te storten uitkering bij afkoop
van de overeenkomst;
8° reductiewaarde (op een bepaald ogenblik): uitke-
ring die bij reductie verzekerd blijft;
9° winstverdeling: afstand van winstdeling aan de
overeenkomsten;
10° winsttoekenning: definitieve maar, in voorkomend
geval, voorwaardelijke, toewijzing van de winstdeling
aan bepaalde overeenkomsten.
Art. 214
Voor elk type van product dat het voorwerp uitmaakt
van haar activiteit, deelt de verzekeringsonderneming
vóór de toepassing ervan, aan de Bank de grondslagen
en de methodes mee die zij gebruikt voor het opstellen
van haar tarifering, de berekening van de afkoopwaar-
den, de reductiewaarden en de technische voorzienin-
gen, alsook de vergoedingen die ze toepast. De Bank
bezorgt deze informatie aan de FSMA.
De Bank kan bij reglement vastgesteld met toepassing
van artikel 12bis, § 2 van de wet van 22 februari 1998 de
in het eerste lid bedoelde types van producten bepalen.
Art. 215
De premies voor nieuwe zaken zijn op basis van
redelijke actuariële hypothesen voldoende om de le-
vensverzekeringsonderneming in staat te stellen aan al
haar verplichtingen te voldoen en met name toereikende
technische voorzieningen te vormen.
autre que les taux d’intérêts techniques et les lois de
survenance des événements assurés;
4° bases techniques: l’ensemble des taux d’intérêt
techniques, des lois de survenance et des chargements
intervenant dans la détermination des tarifs ou la consti-
tution des réserves;
5° rachat (d’un contrat): résiliation du contrat par le
preneur d’assurance;
6° réduction (d’un contrat): diminution de la valeur
actuelle des prestations assurées consécutive à la
cessation de paiement des primes;
7° valeur de rachat (à un instant déterminé): pres-
tation à verser par l’entreprise d’assurance en cas de
rachat du contrat;
8° valeur de réduction (à un instant déterminé): pres-
tation restant assurée en cas de réduction;
9° répartition de la participation bénéficiaire: cession,
au profit de contrats, d’une participation bénéficiaire;
10° attribution de la participation bénéficiaire: octroi
définitif mais, le cas échéant, conditionnel de la partici-
pation bénéficiaire à des contrats déterminés.
Art. 214
Pour chaque type de produits faisant l’objet de son
activité, l’entreprise d’assurance communique à la
Banque, préalablement à leur mise en application, les
bases et méthodes utilisées pour l’établissement de la
tarification, le calcul des valeurs de rachat, de réduction
et des provisions techniques, ainsi que les indemnités
qu’elle applique. La Banque communique ces informa-
tions à la FSMA.
La Banque peut déterminer, par la voie d’un règle-
ment pris en application de l’article 12bis, § 2 de la loi du
22 février 1998, les types de produits visés à l’alinéa 1er.
Art. 215
Les primes pour les affaires nouvelles doivent être
suffisantes, selon des hypothèses actuarielles raison-
nables, pour permettre à l’entreprise d’assurance vie de
satisfaire à l’ensemble de ses engagements, et notam-
ment de constituer les provisions techniques adéquates.
901
1584/002
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
Hiertoe kan rekening worden gehouden met alle
aspecten van de financiële positie van de levensverze-
keringsonderneming, zonder dat de inbreng van andere
middelen dan de premies en de opbrengst daarvan een
systematisch en permanent karakter heeft, op een wijze
waardoor de solvabiliteit van de betrokken onderneming
op termijn in gevaar zou kunnen komen.
Art. 216
§ 1. Voor levensverzekerings overeen komsten mo-
gen de verzekerings ondernemingen geen technische
rentevoet waarborgen die hoger is dan een maximum
dat overeenkomstig de bepalingen van deze paragraaf
is vastgesteld.
De maximale technische rentevoet is gelijk aan 85 %
van het gemiddelde over de laatste 24 maanden van de
rendementen van lineaire Belgische overheidsobligaties
op 10 jaar, waarbij het resultaat op de dichtstbijzijnde
25 bp (basispunten) wordt afgerond. De maximale
technische rentevoet wordt berekend op 1 juni van elk
jaar. Hij mag niet hoger zijn dan 3,75 % en niet lager
dan 0,75 %.
Indien de overeenkomstig het tweede lid berekende
maximale technische rentevoet minstens 25 bp hoger
of lager is dan de geldende maximale technische
rentevoet, stelt de Bank de FSMA daarvan in kennis.
De FSMA verstrekt aan de Bank binnen vijftien dagen
haar advies over de wijziging van de maximale tech-
nische rentevoet voor de in het eerste lid bedoelde
overeenkomsten.
Binnen vijftien dagen na ontvangst van het advies
van de FMSA of, bij gebreke van advies, binnen vijf-
tien dagen na het verstrijken van de in het derde lid
bedoelde termijn, legt de Bank aan de minister tot
wiens bevoegdheid de verzekeringen behoren, een
gemotiveerd voorstel voor tot wijziging van de maximale
technische rentevoet voor de in het eerste lid bedoelde
overeenkomsten. Het advies van de FSMA wordt bij het
voorstel van de Bank gevoegd.
Binnen twee maanden na ontvangst van het voorstel
van de Bank, kan de minister tot wiens bevoegdheid de
verzekeringen behoren, de door de Bank voorgestelde
maximale technische rentevoet afwijzen of wijzigen in
een met redenen omkleed besluit. In geval van afwijzing
is de maximale technische rentevoet die welke op het
tijdstip van de afwijzing van kracht is.
Zodra zij de beslissing van de minister heeft ontvan-
gen, of, bij gebreke van beslissing, bij het verstrijken
van de in het vijfde lid bedoelde termijn, publiceert de
À cet effet, il peut être tenu compte de tous les aspects
de la situation financière de l’entreprise d’assurance
vie sans que l’apport de ressources étrangères à ces
primes et à leurs produits revête un caractère systéma-
tique et permanent susceptible de mettre en cause à
long terme la solvabilité de cette entreprise.
Art. 216
§ 1er. Pour ce qui concerne les contrats d’assurance
sur la vie, les entreprises d’assurance ne peuvent
garantir un taux d’intérêt technique supérieur à un
maximum fixé conformément aux dispositions du pré-
sent paragraphe.
Le taux technique maximum est égal à 85 % de la
moyenne sur les 24 derniers mois des rendements
des obligations linéaires de l’État belge à 10 ans, le
résultat étant arrondi aux 25 pdb (point de base) les
plus proches. Le taux technique maximum est calculé
le 1er juin de chaque année. Il ne peut être supérieur à
3,75 % ni inférieur à 0,75 %.
Si le taux technique maximum calculé conformément
à l’alinéa 2 est supérieur ou inférieur d’au moins 25 pdb
au taux technique maximum en vigueur, la Banque en
informe la FSMA. Dans les quinze jours, celle-ci trans-
met à la Banque son avis sur la modification du taux
technique maximum des contrats visés à l’alinéa 1er.
Dans les quinze jours de la réception de l’avis de la
FMSA ou, à défaut d’avis, dans les quinze jours de l’ex-
pération du délai visé à l’alinéa 3, la Banque transmet au
ministre ayant les assurances dans ses attributions une
proposition motivée de modification du taux technique
maximum des contrats visés à l’alinéa 1er, L’avis de la
FSMA est joint à la proposition de la Banque.
Dans les deux mois de la réception de la proposition
de la Banque, le ministre ayant les assurances dans
ses attributions peut, par décision motivée, rejeter ou
modifier le taux technique maximum proposé par la
Banque. En cas de rejet, le taux technique maximum
est celui en vigueur au moment dudit rejet.
Dès réception de la décision du ministre ou, à défaut
de décision, à l’expiration du délai visé à l’alinéa 5, la
Banque publie au Moniteur belge et sur son site Internet
902
1584/002
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
Bank in het Belgisch Staatsblad en op haar website de
nieuwe maximale technische rentevoet voor de in het
eerste lid bedoelde verzekeringsovereenkomsten. Deze
rentevoet is van kracht vanaf 1 januari na die publicatie.
§ 2. In afwijking van paragraaf 1 mogen de verzeke-
ringsondernemingen gedurende een periode van ten
hoogste acht jaar en voor een welbepaalde, op de datum
van de verbintenis gevestigde prestatie, een technische
rentevoet waarborgen die hoger is dan de in paragraaf
1 bedoelde maximale technische rentevoet, voor zover
de looptijd van en de inkomsten uit de activa van de
onderneming dit toelaten.
De Koning bepaalt op advies van de Bank en de
FSMA de voorwaarden voor de toepassing van deze
paragraaf.
§ 3. Indien de maximale technische rentevoet wordt
gewijzigd met toepassing van paragraaf 1, is die rente-
voet van toepassing:
1° op de overeenkomsten die vanaf de datum van
inwerkingtreding van de nieuwe rentevoet zijn gesloten;
2° op de overeenkomsten die vóór de datum van
inwerkingtreding van de nieuwe rentevoet zijn gesloten,
waarvoor de te vestigen prestatie niet bepaald wordt bij
het sluiten ervan, voor wat betreft de premies die vanaf
de datum van inwerkingtreding van de nieuwe rentevoet
worden gestort;
3° op de overeenkomsten die vóór de datum van
inwerkingtreding van de nieuwe rentevoet zijn geslo-
ten, waarvoor de te vestigen prestatie bepaald wordt
bij het sluiten ervan, voor wat betreft de premies die
vanaf de datum van inwerkingtreding van de nieuwe
rentevoet worden gestort en die overeenstemmen met
een verhoging of een herziening van de waarborg die
vanaf die datum geldt.
Wanneer de overeenkomst tot verschillende van
de in het eerste lid bedoelde categorieën behoort of
wanneer de te vestigen prestatie enkel wordt bepaald
voor een duur die korter is dan de totale duur van de
overeenkomst, zijn de bepalingen van het eerste lid van
toepassing op elke bij deze overeenkomst betrokken
partij alsof het om één enkele overeenkomst ging.
§ 4. De verrichtingen met flexibele premies worden
voor de tarifering als een geheel van verrichtingen tegen
koopsom beschouwd en geen enkele waarborg inzake
tarief mag worden toegekend voor flexibele premies
vóór hun storting.
le nouveau taux technique maximum des contrats
d’assurance visés à l’alinéa 1er. Ce taux est applicable
à partir du 1er janvier qui suit cette publication.
§ 2. Par dérogation au paragraphe 1er, les entreprises
d’assurance peuvent garantir, pour une durée n’excé-
dant pas huit ans et pour une prestation déterminée et
constituée à la date de l’engagement, un taux technique
supérieur au taux technique maximum visé au para-
graphe 1er dans la mesure où la durée et les revenus
des actifs de l’entreprise le permettent.
Le Roi détermine, sur avis de la Banque et de
la FSMA, les conditions d’application du présent
paragraphe.
§ 3. Dans le cas où le taux d’intérêt technique maxi-
mum est modifié en application du paragraphe 1er, ce
taux est applicable:
1° aux contrats souscrits à partir de la date d’entrée
en vigueur du nouveau taux;
2° aux contrats souscrits avant la date d’entrée en
vigueur du nouveau taux pour lesquels la prestation à
constituer n’est pas déterminée lors de leur conclusion,
pour ce qui concerne les primes versées à partir de la
date d’entrée en vigueur du nouveau taux;
3° aux contrats souscrits avant la date d’entrée en
vigueur du nouveau taux pour lesquels la prestation
à constituer est déterminée lors de leur conclusion,
pour ce qui concerne les primes versées à partir de la
date d’entrée en vigueur du nouveau taux et qui cor-
respondent à une augmentation ou une révision de la
garantie intervenue à partir de cette même date.
Lorsque le contrat relève de plusieurs des catégories
visées à l’alinéa 1er ou que la prestation à constituer
n’est déterminée que pour une durée inférieure à la
durée totale du contrat, les dispositions de l’alinéa 1er
s’appliquent à chaque partie du contrat concernée
comme s’il s’agissait d’un seul contrat.
§ 4. Les opérations à primes flexibles sont consi-
dérées, quant à la tarification, comme un ensemble
d’opérations à prime unique et aucune garantie tarifaire
ne peut être consentie pour des primes flexibles avant
leur versement.
903
1584/002
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
Art. 217
Geen enkele winstdeling of restorno mag, op welke
wijze ook, worden gewaarborgd vóór de datum van de
verdeling van de winst.
Art. 218
Een levensverzekeringsovereenkomst mag met een
of meer fondsen met aangewezen activa verbonden
zijn. In dat geval verbindt de verzekeringsonderneming
zich ertoe om bovenop de tariefgrondslagen, een deel
van de gerealiseerde winst afkomstig uit beleggingen
in deze aangewezen activa, als winstdeling te verdelen
en toe te kennen.
Art. 219
Een levensverzekeringsovereenkomst mag met een
of meer beleggingsfondsen die door een of meer ver-
zekeringsondernemingen worden beheerd, verbonden
zijn. In dat geval wordt het beleggingsrisico gedragen
door de verzekeringnemer en mag er geen winstdeling
worden toegekend die afkomstig is van winst op de
beleggingen.
Art. 220
In het kader van het beheer van collectieve pensioen-
fondsen die behoren tot tak 27 als vermeld in Bijlage II,
mag een verzekeringsonderneming enkel fondsen met
betrekking tot pensioenverplichtingen en solidariteits-
toezeggingen beheren van:
1° een instelling voor bedrijfspensioenvoorzie-
ning als bedoeld in artikel 2, 1°, van de wet van
27 oktober 2006 betreffende het toezicht op de instel-
lingen voor bedrijfspensioenvoorziening;
2° een openbaar bestuur als bedoeld in artikel 134,
1°, van de voornoemde wet van 27 oktober 2006;
3° een overheidsbedrijf als bedoeld in artikel 138,
eerste lid, van de voornoemde wet van 27 oktober 2006;
4° een instelling of externe dienst van een openbaar
bestuur of een overheidsbedrijf opgericht overeenkom-
stig de artikelen 136, § 1, en 138, van de voornoemde
wet van 27 oktober 2006;
5° een rechtspersoon belast met de uitvoering van
een solidariteitstoezegging, als bedoeld in artikel 47 van
de wet van 28 april 2003 betreffende de aanvullende
Art. 217
Aucune participation bénéficiaire ni ristourne ne peut
être garantie, de quelque manière que ce soit, avant la
date de la répartition du bénéfice.
Art. 218
Un contrat d’assurance vie peut être lié à un ou plu-
sieurs fonds à actifs dédiés. Dans ce cas, l’entreprise
d’assurance s’engage, en plus des bases tarifaires,
à répartir et à attribuer, sous la forme de participation
bénéficiaire, une part du bénéfice réalisé provenant des
placements de ces actifs dédiés.
Art. 219
Un contrat d’assurance vie peut être lié à un ou
plusieurs fonds d’investissement gérés par une ou plu-
sieurs entreprises d’assurance. Dans ce cas, le risque
d’investissement est supporté par le preneur d’assu-
rance et aucune participation bénéficiaire ne peut être
octroyée provenant d’un bénéfice sur les placements.
Art. 220
Dans le cadre de la gestion de fonds collectifs
de retraite relevant de la branche 27 mentionnée à
l’Annexe II, l’entreprise d’assurance ne peut gérer que
les fonds relatifs aux engagements de pension et aux
engagements de solidarité:
1° d’une institution de retraite professionnelle visée
à l’article 2, 1°, de la loi du 27 octobre 2006 relative au
contrôle des institutions de retraite professionnelle;
2° d’une administration publique visée à l’article 134,
1°, de la loi du 27 octobre 2006 précitée;
3° d’un organisme public visé à l’article 138, ali-
néa 1er, de la loi du 27 octobre 2006 précitée;
4° d’une institution ou d’un service externe d’une
administration publique ou d’un organisme public créé
conformément aux articles 136, § 1er, et 138, de la loi
du 27 octobre 2006 précitée;
5° d’une personne morale chargée de la gestion
d’un engagement de solidarité, telle que visée à l’ar-
ticle 47 de la loi loi du 28 avril 2003 relative aux pensions
904
1584/002
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
pensioenen en het belastingstelsel van die pensioenen
en van sommige aanvullende voordelen inzake sociale
zekerheid;
6° een rechtspersoon belast met de uitvoering van
een solidariteitsstelsel, als bedoeld in artikel 56 van de
programmawet (I) van 24 december 2002.
De verzekeringsonderneming kan aan het beheer van
collectieve pensioenfondsen een waarborg verbinden
met betrekking tot het rendement of het behoud van
het kapitaal.
Art. 221
Met het oog op de toepassing van deze wet bepaalt
de Koning, op advies van de Bank en de FSMA, de re-
gels die de verzekeringsondernemingen moeten volgen
voor wat betreft de uitoefening van de levensverzeke-
ringsactiviteiten als vermeld in Bijlage II.
In bijzonder stelt de Koning regels vast voor:
1° de bestanddelen van de technische grondsla-
gen en de wijze waarop deze bestanddelen worden
vastgesteld;
2° de begrippen “afkoopwaarde” en “reductiewaarde”,
evenals de berekeningswijze ervan;
3° de berekening van de prestatie bij opzegging of
afkoop van de overeenkomst;
4° de berekening van de prestatie bij overlijden ten
gevolge van een niet-gedekt risico;
5° de beperkingen van het voorschot op en de in-
pandgeving van de verzekerde prestaties;
6° de winstverdeling en -toekenning alsook de toe-
kenning van restorno’s, met inbegrip van het bepalen
van de groepen van overeenkomsten of verplichtingen
waarop deze regels van toepassing zijn, evenals de
voor toezichtsdoeleinden benodigde informatie die
de verzekeringsondernemingen aan de Bank moeten
verstrekken. De Bank kan deze groepen van over-
eenkomsten of verplichtingen aanvullen bij reglement
vastgesteld overeenkomstig artikel 12bis, § 2 van de
wet van 22 februari 1998;
7° de inventaris van de samenstelling van elk fonds
met aangewezen activa;
8° de verzekeringsovereenkomsten voor de toe-
kenning van buitenwettelijke voordelen aan de
complémentaires et au régime fiscal de celles-ci et de
certains avantages en matière de sécurité sociale;
6° d’une personne morale chargée de la gestion d’un
régime de solidarité, telle que visée à l’article 56 de la
loi-programme (I) du 24 décembre 2002.
L’entreprise d’assurance peut assortir la gestion des
fonds collectifs de retraite d’une garantie de rendement
ou de conservation du capital.
Art. 221
En vue de l’application de la présente loi, le Roi
détermine, sur avis de la Banque et de la FSMA, les
règles à suivre par les entreprises d’assurance en ce
qui concerne l’exercice des activités d’assurance sur
la vie mentionnées à l’Annexe II.
En particulier, le Roi fixe les règles concernant:
1° les éléments constituant les bases techniques et
la manière dont ils sont établis;
2° les notions de valeur de rachat et de valeur de
réduction, ainsi que leur mode de calcul;
3° le calcul de la prestation en cas de résiliation ou
de rachat du contrat;
4° le calcul de la prestation en cas de décès lors de
la survenance d’un risque non couvert;
5° les limites concernant l’avance sur et la mise en
gage des prestations assurées;
6° la répartition et l’attribution des participations bé-
néficiaires, ainsi que l’octroi de ristournes, en ce compris
la détermination des groupes de contrats ou d’engage-
ments auxquels ces règles s’appliquent, ainsi que les in-
formations que les entreprises d’assurance fournissent
à la Banque aux fins de leur contrôle; La Banque peut,
par la voie d’un règlement pris conformément à l’article
12bis, § 2 de la loi du 22 février 1998, compléter lesdits
groupes de contrats ou d’engagements;
7° l’inventaire de la composition de chaque fonds à
actifs dédiés;
8° les contrats d’assurance relatifs à l’octroi d’avan-
tages extra-légaux aux travailleurs salariés visés par
905
1584/002
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
werknemers bedoeld bij koninklijk besluit nr. 50 van
24 oktober 1967 betreffende het rust- en overlevings-
pensioen voor werknemers.
Onderafdeling III
Gelijktijdige uitoefening van levens- en
niet-levensverzekeringsactiviteiten
Art. 222
Het is verzekeringsondernemingen niet toegestaan
gelijktijdig de in Bijlage I bedoelde niet-levensverzeke-
ringsactiviteiten en de in Bijlage II bedoelde levensver-
zekeringsactiviteiten uit te oefenen.
Art. 223
In afwijking van artikel 222 mogen de verzekerings-
ondernemingen die op 15 maart 1979 gelijktijdig niet-
levens- en levensverzekeringsactiviteiten uitoefenden,
deze activiteiten voortzetten.
In afwijking van artikel 222 kunnen de ondernemingen
waaraan een vergunning is verleend om levensverze-
keringsactiviteiten uit te oefenen, ook een vergunning
verkrijgen voor niet-levensverzekeringsactiviteiten die
betrekking hebben op de risico’s van de takken 1 en
2 als vermeld in Bijlage I.
Evenzo kunnen ondernemingen waaraan uitsluitend
voor de risico’s van de takken 1 en 2 als vermeld in
Bijlage I, een vergunning is verleend, tevens een ver-
gunning verkrijgen om levensverzekeringsactiviteiten
uit te oefenen.
Art. 224
De in artikel 223 bedoelde ondernemingen voeren
een gescheiden beheer voor levensverzekeringsactivi-
teiten en niet-levensverzekeringsactiviteiten.
Indien deze ondernemingen ook herverzekerings-
activiteiten uitoefenen, voeren zij bovendien een ge-
scheiden beheer voor enerzijds de verzekerings- en
-herverzekeringsactiviteiten “niet-leven” en anderzijds
de verzekerings- en herverzekeringsactiviteiten “leven”.
De in artikel 223 bedoelde ondernemingen zien erop
toe dat zij de respectieve belangen van levensverzeke-
ringnemers en niet-levensverzekeringnemers respec-
teren. Dit houdt inzonderheid in dat zij slechts winstde-
ling, een premierestorno of een gelijkwaardig voordeel
l’arrêté royal n°50 du 24 octobre 1967 relatif à la pension
de retraite et de survie des travailleurs salariés.
Sous-section III
Exercice simultané des activités d’assurance
vie et non-vie
Art. 222
Il est interdit à toute entreprise d’assurance d’exercer
simultanément les activités d’assurance non-vie visées
à l’Annexe I et les activités d’assurance vie visées à
l’Annexe II.
Art. 223
Par dérogation à l’article 222, les entreprises
d’assurance qui, à la date du 15 mars 1979, exerçaient
simultanément les activités d’assurance vie et non-vie
peuvent poursuivre ces activités.
Par dérogation à l’article 222, les entreprises qui ont
reçu l’agrément pour l’exercice de l’activité d’assurance
vie peuvent obtenir un agrément pour l’exercice d’acti-
vités d’assurance non-vie restreintes aux risques visés
aux branches 1 et 2 mentionnées à l’Annexe I.
De même, les entreprises agréées uniquement pour
les risques visés aux branches 1 et 2 mentionnées à
l’Annexe I peuvent obtenir un agrément pour l’exercice
de l’activité d’assurance vie.
Art. 224
Les entreprises visées à l’article 223 gèrent séparé-
ment les activités vie et les activités non-vie.
En outre, si ces entreprises exercent également des
activités de réassurance, elles gèrent séparément,
d’une part, les activités d’assurance et de réassurance
non-vie et, d’autre part, les activités d’assurance et de
réassurance vie.
Les entreprises visées à l’article 223 veillent à respec-
ter les intérêts respectifs des preneurs d’assurance vie
et d’assurance non-vie. En particulier, elles n’accordent
de participation bénéficiaire, de ristourne de prime ou
d’avantage équivalent aux contrats d’assurance sur
906
1584/002
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
toekennen aan levensverzekeringsovereenkomsten op
grond van de inkomsten die aan de levensverzekerings-
activiteit zijn verbonden, alsof de onderneming uitslui-
tend deze activiteit zou uitoefenen. Dit geldt eveneens
voor de niet-levensverzekeringsactiviteit.
Art. 225
§ 1. Onverminderd artikel 37, 2° en 3°, berekenen de
in artikel 223 bedoelde verzekerings ondernemingen:
1° een theoretisch minimumkapitaalvereiste “leven”
voor hun levensverzekerings- of -herverzekeringsactivi-
teiten, alsof de betrokken onderneming uitsluitend deze
activiteiten zou uitoefenen;
2° een theoretisch minimumkapitaalvereiste “niet-
leven” voor hun niet-levensverzekerings- of -herver-
zekeringsactiviteiten, alsof de betrokken onderneming
uitsluitend deze activiteiten zou uitoefenen.
§ 2. De in artikel 223, bedoelde verzekerings-
ondernemingen dekken ten minste het geheel van de
volgende vereisten met een overeenkomstig bedrag aan
in aanmerking komende kernvermogensbestanddelen:
1° het theoretisch minimumkapitaalvereiste “leven”
voor hun verzekerings- en -herverzekeringsactiviteit
“leven”;
2° het theoretisch minimumkapitaalvereiste “niet-
leven” voor hun verzekerings- en herverzekeringsacti-
viteit “niet-leven”.
De in de eerste lid bedoelde financiële minimum-
verplichtingen respectievelijk voor de levens- en niet-
levensverzekeringsactiviteit mogen niet door de andere
activiteit worden gedragen.
§ 3. Zolang aan de in paragraaf 2 bedoelde financiële
minimumverplichtingen is voldaan en onder voorbehoud
van kennisgeving ervan aan de Bank, mag de onder-
neming ter dekking van het in artikel 37, 2° bedoelde
solvabiliteitskapitaalvereiste de nog beschikbare in
aanmerking komende eigenvermogensbestanddelen
voor de ene of voor de andere activiteit gebruiken.
Art. 226
De in artikel 223 bedoelde verzekeringsondernemin-
gen stellen een document op waarin de in aanmerking
komende kernvermogensbestanddelen ter dekking
van elk van beide in artikel 225 bedoelde theoretische
la vie qu’en fonction des revenus liés à cette activité
comme si l’entreprise n’exerçait que cette activité. Il en
va de même pour ce qui concerne l’activité d’assurance
non-vie.
Art. 225
§ 1er. Sans préjudice de l’article 37, 2° et 3°, les
entreprises d’assurance visées à l’article 223 calculent:
1° un montant notionnel du minimum de capital requis
en vie, pour ce qui concerne leurs activités d’assurance
ou de réassurance vie, calculé comme si l’entreprise
concernée n’exerçait que ces activités;
2° un montant notionnel du minimum de capital
requis en non-vie, pour ce qui concerne leurs activités
d’assurance ou de réassurance non-vie, calculé comme
si l’entreprise concernée n’exerçait que ces activités.
§ 2. Les entreprises d’assurance visées à l’ar-
ticle 223, couvrent au minimum le total des exigences
suivantes par un montant équivalent d’éléments de
fonds propres de base éligibles:
1° le montant notionnel du minimum de capital requis
en vie, pour l’activité d’assurance et de réassurance vie;
2° le montant notionnel du minimum de capital requis
en non-vie, pour l’activité d’assurance et de réassu-
rance non-vie.
Les obligations financières minimales visées à l’ali-
néa 1er se rapportant respectivement à l’activité vie
et à l’activité non-vie ne peuvent être supportées par
l’autre activité.
§ 3. Aussi longtemps que sont remplies les obliga-
tions financières minimales visées au paragraphe 2 et
sous réserve d’en informer la Banque, l’entreprise peut
utiliser, pour couvrir le capital de solvabilité requis visé
à l’article 37, 2°, les éléments de fonds propres éligibles
encore disponibles pour l’une ou l’autre activité.
Art. 226
Les entreprises d’assurance visées à l’article 223 éta-
blissent un document dans lequel les éléments de
fonds propres de base éligibles couvrant chaque
montant notionnel du minimum de capital requis visé à
907
1584/002
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
minimumkapitaalvereisten duidelijk zijn onderscheiden,
overeenkomstig artikel 150, § 4.
De Bank kan bij reglement vastgesteld overeenkom-
stig artikel 12bis, § 2 van de wet van 22 februari 1998,
de vorm en inhoud bepalen van het in het eerste lid
bedoelde document.
Art. 227
Wanneer het bedrag aan in aanmerking komende
kernvermogensbestanddelen voor één van de activitei-
ten ontoereikend is voor de dekking van de in artikel 225,
§ 1, bedoelde financiële minimumverplichtingen, mag
de Bank op de betrokken activiteit de maatregelen als
bedoeld in de artikelen 508 tot 517, met uitzondering
van artikel 510, toepassen, ongeacht de resultaten van
de andere activiteit.
In afwijking van artikel 225, § 2, kunnen deze maatre-
gelen een goedkeuring tot overdracht van in aanmerking
komende kernvermogensbestanddelen van de ene
activiteit naar de andere inhouden.
Art. 228
Wanneer een niet-levensverzekeringsonderneming
financiële, commerciële of administratieve banden heeft
met een levensverzekeringsonderneming, ziet de Bank
erop toe dat de verdeling van de kosten en inkomsten
tussen de niet-levens- en de levensverzekeringsactivi-
teiten niet wordt vertekend ten gevolge van overeenkom-
sten of afspraken tussen deze ondernemingen.
Art. 229
De Bank kan bij reglement vastgesteld overeenkom-
stig artikel 12bis, § 2 van de wet van 22 februari 1998 ver-
langen dat de verzekeringsondernemingen alle docu-
menten of staten bijhouden die het haar mogelijk maken
toe te zien op de naleving van de vereisten van de
artikelen 224 tot 228.
Onderafdeling IV
Afzonderlijke beheren
Art. 230
Naast de verplichting om overeenkomstig arti-
kel 224 een gescheiden beheer te voeren voor le-
vens- en niet-levensverzekeringsactiviteiten, voeren
l’article 225 sont clairement identifiés, conformément
à l’article 150, § 4.
La Banque peut préciser, par la voie d’un règlement
pris conformément à l’article 12bis, § 2 de la loi du
22 février 1998, la forme et le contenu du document
visé à l’alinéa 1er.
Art. 227
Si le montant des éléments de fonds propres de base
éligibles affectés à l’une des activités ne suffit pas à
couvrir les obligations financières minimales visées à
l’article 225, § 1er, la Banque peut appliquer à l’activité
déficitaire les mesures prévues aux articles 508 à 517 à
l’exception de l’article 510 quels que soient les résultats
obtenus dans l’autre activité.
Par dérogation à l’article 225, § 2, ces mesures
peuvent comporter l’autorisation d’un transfert d’élé-
ments de fonds propres de base éligibles d’une activité
à l’autre.
Art. 228
Lorsqu’une entreprise d’assurance non-vie a des
liens financiers, commerciaux ou administratifs avec une
entreprise d’assurance vie, la Banque veille à ce que la
répartition des frais et des revenus entre les activités vie
et non-vie ne soient pas faussée par des conventions
ou des arrangements passés entre ces entreprises.
Art. 229
La Banque peut imposer aux entreprises d’assu-
rance, par la voie d’un règlement pris conformément à
l’article 12bis, § 2 de la loi du 22 février 1998, la tenue
de tout document ou état lui permettant de contrôler le
respect des exigences énoncées aux articles 224 à 228.
Sous-section IV
Gestions distinctes
Art. 230
Outre l’obligation de gérer séparément les activités
vie et non-vie conformément à l’article 224, les entre-
prises d’assurance établissent des gestions distinctes
908
1584/002
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
de verzekerings ondernemingen afzonderlijke beheren
waarbij per beleggingsfonds een onderscheid wordt
gemaakt tussen de verzekeringsactiviteiten die beho-
ren tot de takken 23, 26 en 27 als vermeld in Bijlage II,
waarbij het beleggingsrisico wordt gedragen door de
verzekeringnemer, en de andere activiteiten die in de
genoemde Bijlage zijn opgenomen en die één enkel
afzonderlijk beheer vormen.
Art. 231
De verzekerings- of herverzekeringsonderneming
vermeldt te allen tijde tot welke afzonderlijk beheer of
tot welke afzonderlijke beheren elke overeenkomst en
elk schadegeval behoort.
De Koning bepaalt na advies van de Bank en de
FSMA voor wat hun respectieve bevoegdheden betreft,
de verplichtingen van de verzekerings- of herverze-
keringsondernemingen inzake de verzameling van
gegevens over de afzonderlijke beheren, met inbegrip
van de methodes voor de uitsplitsing van de technische
voorzieningen en de activa over de verschillende af-
zonderlijke beheren en de voorwaarden waaronder de
activa ter dekking van de technische voorzieningen van
een afzonderlijk beheer mogen worden overgedragen
naar een ander afzonderlijk beheer.
Onderafdeling V
Communautaire medeverzekering
§ 1 – Toepassingsgebied
Art. 232
Deze Onderafdeling is van toepassing op commu-
nautaire medeverzekerings-verrichtingen die betrekking
hebben op een of meer risico’s die ingedeeld zijn in de
takken 3 tot 16 als vermeld in Bijlage I en die voldoen
aan de volgende voorwaarden:
1° het risico is een groot risico als gedefinieerd in
artikel 233;
2° het risico wordt gedekt door verscheide-
ne, als “medeverzekeraars” optredende verze-
keringsondernemingen zonder hoofdelijke aanspra-
kelijkheid, door middel van één enkele overeenkomst
tegen één premie voor het gehele risico, en voor de-
zelfde tijdsduur; één van hen is de eerste verzekeraar;
identifiant séparément, par fonds d’investissement, les
activités d’assurance qui ressortissent des branches 23,
26 et 27 mentionnées à l’Annexe II, pour lesquelles le
risque d’investissement est supporté par le preneur, des
autres activités qui ressortissent de ladite Annexe et qui
constituent une seule gestion distincte.
Art. 231
L’entreprise d’assurance ou de réassurance identifie
à tout moment la ou les gestions distinctes auxquelles
appartiennent chaque contrat et chaque sinistre.
Le Roi détermine sur avis de la Banque et de la
FSMA en ce qui concerne leur domaine de compétence
respectif, les obligations des entreprises d’assurance
ou de réassurance en matière de collecte de données
relativement aux gestions distinctes, en ce compris les
méthodes de ventilation des provisions techniques et
des actifs entre les différentes gestions distinctes et les
conditions dans lesquelles les actifs représentatifs des
provisions techniques d’une gestion distincte peuvent
être transférés à une autre gestion distincte.
Sous-section V
Coassurance communautaire
§ 1er – Champ d’application
Art. 232
La présente Sous-section s’applique aux opérations
de coassurance communautaire qui concernent un ou
plusieurs risques classés dans les branches 3 à 16 men-
tionnées à l’Annexe I et qui répondent aux conditions
suivantes:
1° le risque est un grand risque tel que défini à
l’article 233;
2° le risque est couvert par plusieurs entreprises
d’assurance en qualité de “coassureurs”, dont un est
l’apériteur, sans qu’il y ait de solidarité entre eux, au
moyen d’un contrat unique, moyennant une prime glo-
bale et pour une même durée;
909
1584/002
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
3° het risico is gelegen op het Belgische grondge-
bied of op het grondgebied van verscheidene lidstaten,
waarvan er één België is;
4° voor de dekking van het risico wordt de eerste
verzekeraar behandeld als ware hij de verzekeringson-
derneming die het volledige risico dekt;
5° ten minste één van de medeverzekeraars neemt
deel aan de overeenkomst via zijn zetel of een bijkan-
toor dat in een andere lidstaat dan die van de eerste
verzekeraar is gevestigd;
6° de eerste verzekeraar neemt de leidende rol die
hem volgens de geldende gebruiken inzake medever-
zekering toekomt, volledig op zich; hij stelt inzonderheid
de verzekerings- en tariferingsvoorwaarden vast.
Art. 233
Voor de toepassing van artikel 232 wordt verstaan
onder grote risico’s:
1° de risico’s die ingedeeld zijn in de takken 4, 5, 6,
7, 11 en 12 als vermeld in Bijlage I;
2° de risico’s die ingedeeld zijn in de takken 14 en
15 als vermeld in Bijlage I, wanneer de verzekering-
nemer beroepshalve een industriële of commerciële
activiteit dan wel een vrij beroep uitoefent en de risico’s
op die activiteit betrekking hebben;
3° de risico’s die ingedeeld zijn in de takken 3, 8,
9, 10, 13 en 16 als vermeld in Bijlage I, voor zover de
verzekeringnemer ten minste twee van de drie volgende
criteria overschrijdt:
a) een balanstotaal van 6 200 000 EUR;
b) een netto-omzet van 12 800 000 EUR;
c) een personeelsbestand van gemiddeld 250 perso-
neelsleden gedurende het boekjaar.
Wanneer de verzekeringnemer deel uitmaakt van
een groep ondernemingen waarvan de geconsoli-
deerde jaarrekening overeenkomstig Richtlijn 83/349/
EEG wordt opgesteld, worden de in het eerste lid, 3°,
vermelde criteria op basis van de geconsolideerde jaar-
rekening toegepast.
3° le risque est situé sur le territoire de la Belgique ou
de plusieurs États membres dont l’un est la Belgique;
4° pour garantir le risque, l’apériteur est traité comme
s’il était l’entreprise d’assurance qui couvre la totalité
du risque;
5° au moins un des coassureurs participe au contrat
par l’intermédiaire de son siège ou d’une succur-
sale établi dans un État membre autre que celui de
l’apériteur;
6° l’apériteur assume pleinement le rôle directeur
qui lui revient dans la pratique de la coassurance et,
en particulier, détermine les conditions d’assurance et
de tarification.
Art. 233
Par grands risques aux fins de l’article 232, on
entend:
1° les risques classés sous les branches 4, 5, 6, 7,
11 et 12 mentionnées à l’Annexe I;
2° les risques classés sous les branches 14 et
15 mentionnées à l’Annexe I lorsque le preneur d’assu-
rance exerce à titre professionnel une activité indus-
trielle, commerciale ou libérale et que les risques sont
relatifs à cette activité;
3° les risques classés sous les branches 3, 8, 9, 10,
13 et 16 mentionnées à l’Annexe I, pour autant que le
preneur d’assurance dépasse les limites chiffrées d’au
moins deux des critères suivants:
a) un total de bilan de 6 200 000 EUR;
b) un montant net du chiffre d ’affaires de
12 800 000 EUR;
c) un nombre de 250 employés en moyenne au cours
de l’exercice.
Si le preneur d’assurance fait partie d’un ensemble
d’entreprises pour lequel des comptes consolidés sont
établis conformément à la directive 83/349/CEE, les
critères énoncés à l’alinéa 1er, 3°, sont appliqués sur la
base des comptes consolidés.
910
1584/002
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
Art. 234
Op medeverzekeringsverrichtingen die niet aan de
voorwaarden van artikel 232 voldoen, blijven de bepa-
lingen van deze wet, met uitzondering van die van deze
Onderafdeling, van toepassing.
§ 2 – Uitoefening van het bedrijf
Art. 235
De artikelen 556 tot 561 zijn enkel van toepassing
op de eerste verzekeraar die in België communautaire
medeverzekeringsverrichtingen wenst uit te oefenen als
bedoeld in deze Onderafdeling.
Art. 236
Het bedrag van de technische voorzieningen wordt
door de in België gevestigde medeverzekeraars bepaald
volgens de regels die door of krachtens deze wet zijn
vastgesteld.
De technische voorzieningen zijn echter ten minste
gelijk aan die welke door de eerste verzekeraar zijn
bepaald volgens de regels die gelden in zijn lidstaat
van herkomst.
Art. 237
De in België gevestigde medeverzekeraars bezorgen
aan de Bank, per betrokken land, statistische gegevens
waaruit de omvang blijkt van de communautaire verze-
keringsverrichtingen waaraan zij deelnemen.
De Bank bepaalt bij reglement vastgesteld
overeenkomstig artikel 12bis, § 2 van de wet van
22 februari 1998 de aard van de voornoemde gegevens,
evenals de frequentie waarmee en de drager waarop
ze zullen worden meegedeeld.
Art. 238
In geval van vereffening van een verzekeringson-
derneming worden de verplichtingen die voortvloeien
uit de deelneming aan een communautaire medever-
zekeringsovereenkomst op dezelfde wijze nagekomen
als de verplichtingen die voortvloeien uit de andere
verzekerings overeenkomsten van deze onderneming,
zonder onderscheid naar nationaliteit van verzekerden
en begunstigden.
Art. 234
Les opérations de coassurance qui ne répondent pas
aux conditions de l’article 232 demeurent soumises aux
dispositions de la présente loi, à l’exclusion de celles
figurant dans la présente Sous-section.
§ 2 – Exercice de l’activité
Art. 235
Les articles 556 à 561 ne sont applicables qu’à l’apé-
riteur qui désire exercer en Belgique des opérations de
coassurance communautaire visées par la présente
Sous-section.
Art. 236
Le montant des provisions techniques est déterminé
par les coassureurs établis en Belgique suivant les
règles fixées par ou en vertu de la présente loi.
Toutefois, les provisions techniques sont au moins
égales à celles déterminées par l’apériteur suivant les
règles de son État membre d’origine.
Art. 237
Les coassureurs établis en Belgique fournissent à la
Banque, par pays concerné, les éléments statistiques
faisant apparaître l’importance des opérations de
coassurance communautaire auxquelles ils participent.
La Banque détermine, par la voie d’un règlement
pris conformément à l’article 12bis, § 2 de la loi du
22 février 1998, la nature des éléments précités, ainsi
que la fréquence à laquelle et le support sur lequel ils
lui sont communiqués.
Art. 238
En cas de liquidation d’une entreprise d’assurance,
les engagements résultant de la participation à un
contrat de coassurance communautaire sont exécu-
tés de la même façon que les engagements résultant
des autres contrats d’assurance de cette entreprise,
sans distinction selon la nationalité des assurés et des
bénéficiaires.
911
1584/002
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
Afdeling II
Bijzondere bepalingen met betrekking tot herverzekeringen
Onderafdeling I
Finite herverzekering
Art. 239
Voor de toepassing van deze Onderafdeling wordt
onder “finite herverzekering” verstaan een herver-
zekering krachtens dewelke het expliciete maximale
verliespotentieel, uitgedrukt als hoogste overgedragen
economisch risico, dat voortvloeit uit een significante
overdracht van zowel verzekeringstechnische risico’s
als tijdsrisico, hoger is, voor een beperkt maar signifi-
cant bedrag, dan de premie die geldt voor de volledige
looptijd van de overeenkomst, in combinatie met ten
minste een van de volgende twee kenmerken:
1° op expliciete en concrete wijze rekening houden
met de tijdswaarde van het geld;
2° contractuele bepalingen die tot doel hebben de
verdeling van de economische effecten tussen de twee
partijen in de tijd te effenen met het oog op het bereiken
van het nagestreefde niveau van risico-overdracht.
Art. 240
De verzekerings- of herverzekeringsondernemingen
kunnen slechts finite herverzekeringsovereenkomsten
sluiten of finite herverzekeringsactiviteiten uitoefenen,
wanneer ze in staat zijn de uit deze overeenkomsten
of activiteiten voortvloeiende risico’s naar behoren te
identificeren, te meten, te bewaken, te beheren, te be-
heersen en te rapporteren.
Art. 241
§ 1. Onverminderd de bevoegdheden van de
Europese Commissie als bepaald in artikel 210, lid
2 van Richtlijn 2009/138/EG, kan de Koning de in ar-
tikel 240 bedoelde vereisten preciseren en aanvullen.
§ 2. Onder dezelfde voorwaarden kan de Koning op
advies van de Bank specifieke bepalingen voor de uitoe-
fening van finite herverzekeringsactiviteiten vaststellen
die betrekking hebben op:
1° de verplichte voorwaarden die in alle afgesloten
overeenkomsten moeten worden opgenomen;
Section II
Dispositions particulières relatives à la réassurance
Sous-section Ire
Réassurance finite
Art. 239
Aux fins de l’application de la présente Sous-section,
on entend par “réassurance finite” toute réassurance en
vertu de laquelle la perte maximale potentielle, expri-
mée comme le risque économique maximal transféré,
découlant d’un transfert significatif à la fois du risque
de souscription et du risque de timing, excède la prime
sur toute la durée du contrat, pour un montant limité,
mais important, conjointement avec l’une au moins des
deux caractéristiques suivantes:
1° la prise en considération explicite et matérielle de
la valeur temporelle de l’argent;
2° des dispositions contractuelles visant à lisser
dans le temps un partage des effets économiques entre
les deux parties en vue d’atteindre un niveau cible de
transfert de risque.
Art. 240
Les entreprises d’assurance ou de réassurance ne
peuvent conclure des contrats de réassurance finite ou
exercer des activités de réassurance finite que si elles
sont en mesure de déceler, de mesurer, de surveiller, de
gérer, de contrôler et de signaler de manière appropriée
les risques découlant de ces contrats ou activités.
Art. 241
§ 1er. Sans préjudice des compétences de la
Commission européenne telles que prévues par l’article
210, paragraphe 2, de la Directive 2009/138/CE, le
Roi peut, préciser et compléter les exigences visées à
l’article 240.
§ 2. Dans les mêmes conditions, le Roi, sur avis de
la Banque, peut arrêter des dispositions spécifiques
pour l’exercice d’activités de réassurance finite dans
les domaines suivants:
1° les conditions obligatoires devant être incluses
dans tous les contrats conclus;
912
1584/002
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
2° deugdelijke administratieve en boekhoud kundige
procedures, adequate internecontrolemechanismen en
de vereisten op het gebied van risicobeheer;
3° de boekhoudkundige vereisten, de prudentiële
vereisten en de statistische-informatievereisten;
4° de vorming van technische voorzienin gen om
ervoor te zorgen dat deze adequaat, betrouwbaar en
objectief zijn;
5° de beleggingen in activa ter dekking van de tech-
nische voorzieningen om ervoor te zorgen dat rekening
wordt gehouden met de aard van de door de herver-
zekeringsonderneming verrichte activiteiten, inzonder-
heid de aard, het bedrag en de duur van de verwachte
betalingen in verband met schade gevallen, om de toe-
reikendheid, de liquiditeit, de veiligheid, het rendement
en de congruentie van haar activa te waarborgen;
6° de regels betreffende het eigen vermogen en
betreffende het solvabiliteitskapitaalvereiste en het
minimumkapitaalvereiste waaraan de herverzekerings-
onderneming moet voldoen met betrekking tot haar finite
herverzekeringsactiviteiten.
Onderafdeling II
Effectiseringsvehikels
Art. 242
De effectiseringsvehikels die zich op het Belgische
grondgebied wensen te vestigen, dienen daarvoor voor-
afgaandelijk een vergunning te verkrijgen van de Bank.
Art. 243
Onverminderd de bevoegdheden van de Europese
Commissie als bepaald in artikel 211, lid 2, van Richtlijn
2009/138/EG, kan de Koning, op advies van de Bank, de
voorwaarden vaststellen voor de verlening van vergun-
ningen aan effectiseringsvehikels.
De Koning kan inzonderheid bepalingen vaststellen
met betrekking tot:
1° de reikwijdte van de vergunning;
2° de verplichte voorwaarden die in alle afgesloten
overeenkomsten moeten worden opgenomen;
2° les procédures administratives et comptables
saines, les mécanismes de contrôle interne appropriés
et les exigences en matière de gestion des risques;
3° les exigences en matière comptable, prudentielle
et d’informations statistiques;
4° l’établissement de provisions techniques afin de
garantir leur adéquation, leur fiabilité et leur objectivité;
5° l’investissement d’actifs couvrant les provisions
techniques de manière à garantir qu’il est tenu compte
du type d’opérations effectuées par l’entreprise de
réassurance, et en particulier de la nature, du montant
et de la durée des sinistres attendus, afin de garantir
la suffisance, la liquidité, la sécurité, la rentabilité et la
congruence de ses actifs;
6° les règles relatives aux fonds propres, ainsi qu’aux
exigences de capital de solvabilité requis et au minimum
de capital requis que doit détenir l’entreprise de réas-
surance en relation avec des activités de réassurance
finite.
Sous-section II
Véhicules de titrisation
Art. 242
Les véhicules de titrisation qui entendent s’établir sur
le territoire belge sont tenus de se faire préalablement
agréer par la Banque.
Art. 243
Sans préjudice des compétences de la Commission
européenne prévues par l’article 211, paragraphe 2,
de la Directive 2009/138/CE, le Roi peut, sur avis de la
Banque, fixer les conditions de l’agrément des véhicules
de titrisation.
En particulier, le Roi peut arrêter des dispositions
dans les domaines suivants:
1° la portée de l’agrément;
2° les conditions obligatoires devant être incluses
dans tous les contrats conclus;
913
1584/002
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
3° de deskundigheids- en betrouwbaarheidsvereisten
als bedoeld in artikel 40, voor de personen die het ef-
fectiseringsvehikel leiden;
4° de deskundigheids- en betrouwbaarheidsvereisten
voor de aandeelhouders of vennoten die een gekwalifi-
ceerde deelneming bezitten in het effectiseringsvehikel;
5° deugdelijke administratieve en boekhoud kundige
procedures, adequate internecontrolemechanismen en
de vereisten op het gebied van risicobeheer;
6° de boekhoudkundige vereisten, de prudentiële
vereisten en de statistische-informatievereisten;
7° de solvabiliteitsvereisten voor effectiseringsvehikels.
Bij reglement vastgesteld overeenkomstig artikel
12bis, § 2 van de wet van 22 februari 1998 kan de Bank
de in dit artikel bedoelde vereisten op technische en
niet-essentiële punten preciseren en aanvullen.
TITEL III
Bijzondere bepalingen betreffende bepaalde
categorieën van verzekeringsondernemingen
HOOFDSTUK I
Onderlinge verzekeringsverenigingen
Afdeling I
Algemene bepalingen
Art. 244
Dit Hoofdstuk is van toepassing op verzekerings- of
herverzekeringsondernemingen naar Belgisch recht die
de rechtsvorm van een onderlinge verzekeringsvereni-
ging hebben aangenomen.
Art. 245
Onderlinge verzekeringsverenigingen hebben een
burgerlijk karakter.
Ze hebben rechtspersoonlijkheid. Deze is verworven
vanaf de dag waarop hun statuten worden bekendge-
maakt op de in artikel 247 voorschreven wijze.
De bevoegdheden die door deze wet aan de recht-
bank van koophandel worden toegekend worden in
3° les exigences de compétence et d’honorabilité
visées à l’article 40 pour les personnes gérant le véhi-
cule de titrisation;
4° les exigences de compétence et d’honorabilité
pour les actionnaires ou associés détenant une partici-
pation qualifiée dans le véhicule de titrisation;
5° les procédures administratives et comptables
saines, les mécanismes de contrôle interne appropriés
et les exigences en matière de gestion des risques;
6° les exigences en matière comptable, prudentielle
et d’informations statistiques;
7° les exigences de solvabilité des véhicules de
titrisation.
Par voie de règlement pris conformément à l’article
12bis, § 2 de la loi du 22 février 1998, la Banque peut,
sur des points techniques et non essentiels, préciser
et compléter les exigences visées au présent article.
TITRE III
Dispositions particulières relatives à certaines
catégories d’entreprises d’assurance
CHAPITRE IER
Associations d’assurance mutuelle
Section Ire
Dispositions générales
Art. 244
Le présent Chapitre est applicable aux entreprises
d’assurance ou de réassurance de droit belge qui ont
adopté la forme d’association d’assurance mutuelle.
Art. 245
Les associations d’assurance mutuelle ont un carac-
tère civil.
Elles jouissent de la personnalité juridique. Celle-ci
leur est acquise à compter du jour où leurs statuts sont
publiés de la manière prescrite à l’article 247.
Les compétences conférées par la présente loi au
tribunal de commerce sont, dans le cas des associations
914
1584/002
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
het geval van de onderlinge verzekeringsverenigingen
uitgeoefend door de rechtbank van eerste aanleg.
Art. 246
Een onderlinge verzekeringsvereniging mag “ge-
meenschappelijke verzekeringskas” worden genoemd
wanneer zij verrichtingen uitvoert die geregeld worden
door:
1° de arbeidsongevallenwet van 10 april 1971;
2° de wet van 3 juli 1967 betreffende de preventie
van of de schadevergoeding voor arbeidsongevallen,
voor ongevallen op de weg naar en van het werk en
voor beroepsziekten in de overheidssector;
3° het koninklijk besluit van 14 november 2003 betref-
fende de toekenning van buitenwettelijke voordelen aan
de werknemers bedoeld bij koninklijk besluit nr. 50 van
24 oktober 1967 betreffende het rust- en overlevings-
pensioen voor werknemers en aan de personen bedoeld
in artikel 32, eerste lid, 1° en 2° van het Wetboek van
Inkomstenbelastingen 1992, tewerkgesteld buiten een
arbeidsovereenkomst.
Art. 247
De statuten van de onderlinge verzekeringsvereni-
gingen vermelden op straffe van nietigheid:
1° de naam en de zetel van de vereniging;
2° het doel waarvoor de vereniging is opgericht;
3° de voorwaarden en de wijze van toelating, ontslag
en uitsluiting van de vennoten;
4° de omvang van de persoonlijke verbintenissen die
door de vennoten worden aangegaan met betrekking
tot de vorming en instandhouding van een maatschap-
pelijk fonds;
5° het feit dat er vanaf de rekeningen van de venno-
ten alleen betalingen aan leden mogen worden verricht
indien dit verenigbaar is met de kapitaalvereisten die
vastgesteld zijn met toepassing van de artikelen 151 tot
189 of, na ontbinding van de onderneming, indien alle
andere schulden zijn voldaan;
6° het feit dat de Bank ten minste een maand van
tevoren in kennis wordt gesteld van elke betaling vanaf
de rekeningen van de vennoten voor andere doeleinden
d’assurance mutuelle, exercées par le tribunal de pre-
mière instance.
Art. 246
Les associations d’assurance mutuelle peuvent
porter le nom de “caisse commune d’assurance”
lorsqu’elles effectuent les opérations régies par:
1° la loi du 10 avril 1971 sur les accidents du travail;
2° la loi du 3 juillet 1967 sur la prévention et la répa-
ration des dommages résultant des accidents du travail,
des accidents survenus sur le chemin du travail et des
maladies professionnelles dans le secteur public;
3° l’arrêté royal du 14 novembre 2003 concernant
l’octroi d’avantages extra-légaux aux travailleurs sala-
riés visés par l’arrêté royal n° 50 du 24 octobre 1967 re-
latif à la pension de retraite et de survie des travailleurs
salariés et aux personnes visées à l’article 32, alinéa
1er, 1° et 2° du Code des Impôts sur les Revenus 1992,
occupées en dehors d’un contrat de travail.
Art. 247
Les statuts des associations d’assurance mutuelle
mentionnent à peine de nullité:
1° la dénomination et le siège de l’association;
2° l’objet en vue duquel l’association est instituée;
3° les conditions et le mode d’admission, de démis-
sion et d’exclusion des associés;
4° l’étendue des engagements personnels assumés
par les associés quant à la constitution et au maintien
d’un fonds social;
5° le fait qu’il n’est possible d’effectuer des paiements
en faveur des membres à partir des comptes des asso-
ciés que si cela ne contrevient pas aux exigences de
capital fixées en application des articles 151 à 189 ou,
après dissolution de l’entreprise, que si toutes ses autres
dettes ont été réglées;
6° le fait que la Banque est avertie au moins un
mois à l’avance de tout paiement effectué à partir des
comptes des associés à d’autres fins que la résiliation
915
1584/002
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
dan de individuele opzegging van het lidmaatschap en
dat zij gedurende deze termijn de voorgenomen beta-
ling kan verbieden;
7° de organisatie en het bestuur van de vereniging,
de wijze van benoeming, de bevoegdheden en de duur
van het mandaat van de personen die met dat bestuur
belast zijn;
8° de wijze van vaststelling en inning van de bijdragen
of de premies, evenals van de eventuele supplementen
voor de afwikkeling van de schadegevallen;
9° de wijze waarop de rekeningen worden opgemaakt
en goedgekeurd;
10° de procedure die gevolgd moet worden in geval
van wijzigingen in de statuten of van vereffening van de
vereniging, onverminderd de bepalingen van deze wet.
Op advies van de Bank en de FSMA kan de Koning
alle andere bepalingen vaststellen die moeten worden
opgenomen in de statuten van Belgische onderlinge
verzekeringsverenigingen.
De statuten en de wijzigingen erin worden in de
Bijlagen bij het Belgisch Staatsblad bekendgemaakt.
Afdeling II
Omzetting van onderlinge verzekeringsverenigingen
Art. 248
Een onderlinge verzekeringsvereniging kan gebruik-
maken van de mogelijkheid die in de artikelen 774 en
775 van het Wetboek van Vennootschappen wordt
geboden om een andere rechtsvorm aan te nemen.
Wanneer een onderlinge verzekeringsvereniging
gebruikmaakt van de voornoemde mogelijkheid, zijn de
bepalingen van deze Afdeling van toepassing. Deze be-
palingen zijn van toepassing in afwijking van de artikelen
776 tot 788 van hetzelfde Wetboek, behalve wanneer
er uitdrukkelijk naar verwezen wordt in deze Afdeling.
Art. 249
Een onderlinge verzekeringsvereniging kan enkel
worden omgezet in een van de rechtsvormen van han-
delsvennootschappen, als bedoeld in artikel 33.
individuelle de l’affiliation et qu’elle peut, pendant ce
délai, interdire le paiement;
7° l’organisation et l’administration de l’association, le
mode de nomination, les pouvoirs et la durée du mandat
des personnes chargées de cette administration;
8° le mode de fixation et de recouvrement des
cotisations ou des primes ainsi que des suppléments
éventuels en vue du règlement des sinistres;
9° le mode d’établissement et d’approbation des
comptes;
10° la procédure à suivre en cas de modification des
statuts ou de liquidation de l’association, sans préjudice
des dispositions de la présente loi.
Le Roi peut, sur avis de la Banque et de la FSMA,
déterminer toutes autres dispositions que doivent conte-
nir les statuts des associations belges d’assurance
mutuelle.
Les statuts et leurs modifications sont publiés aux
Annexes du Moniteur belge.
Section II
Transformation des associations d’assurance mutuelle
Art. 248
Une association d’assurance mutuelle peut faire
usage de la faculté prévue aux articles 774 et 775 du
Code des sociétés d’adopter une autre forme juridique.
Lorsqu’une association d’assurance mutuelle fait
usage de la faculté précitée, les dispositions de la
présente Section sont d’application. Ces dispositions
s’appliquent par dérogation aux articles 776 à 788 du
même Code, sauf dans la mesure où il y est fait expres-
sément référence dans la présente Section.
Art. 249
Une association d’assurance mutuelle ne peut être
transformée que dans l’une des formes de société à
forme commerciale visées à l’article 33.
916
1584/002
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
Art. 250
Het voorstel tot omzetting wordt toegelicht in een
verslag dat door het wettelijk bestuursorgaan wordt
opgemaakt en wordt vermeld in de agenda van de al-
gemene vergadering die een besluit moet nemen over
de omzetting. Dit verslag bevat tevens een nauwkeurige
beschrijving en een verantwoording:
1° van de maatregelen die de rechten van de leden
van de vennootschap in haar nieuwe vorm regelen;
2° onverminderd de wet van 4 april 2014 betref-
fende de verzekeringen, van de aanpassingen die in
dit verband in de verzekerings- of herverzekerings-
overeenkomsten moeten worden aangebracht;
3° van de wijze van verdeling van de aandelen of de
deelbewijzen die het maatschappelijk kapitaal van de
vennootschap in haar nieuwe vorm vertegenwoordigen.
Bij dat verslag worden ontwerpstatuten van de ven-
nootschap in haar nieuwe vorm gevoegd, evenals een
staat van activa en passiva van de vereniging, die niet
meer dan drie maanden voordien is vastgesteld en
waarin aangegeven wordt hoeveel het maatschappelijk
kapitaal van de vereniging na haar omzetting in een
vennootschap bedraagt.
Het maatschappelijk kapitaal mag niet hoger zijn
dan het nettoactief, zoals dat blijkt uit het voornoemde
verslag.
Het bedrag van het nettoactief mag bij de omzetting
niet worden terugbetaald aan of verdeeld worden onder
de aandeelhouders of vennoten.
Art. 251
De erkend commissaris van de onderlinge verze-
keringsvereniging brengt verslag uit over de in arti-
kel 250 bedoelde staat en vermeldt met name of deze
de toestand van de vereniging op volledige, getrouwe
en juiste wijze weergeeft.
Art. 252
De ontwerpverslagen bedoeld in de artikelen 250 en
251 worden overgemaakt aan de Bank.
Wanneer de betrokken onderlinge verzekeringsver-
eniging een verzekerings onderneming is, maakt de
Bank de in het eerste lid bedoelde verslagen onverwijld
over aan de FSMA voor advies. Deze laatste bezorgt
Art. 250
La proposition de transformation fait l’objet d’un
rapport justificatif établi par l’organe légal d’adminis-
tration et qui est inscrit à l’ordre du jour de l’assemblée
générale appelée à statuer sur la transformation. Ce
rapport contient également une description précise et
une justification:
1° des mesures réglant les droits des membres dans
la société sous sa nouvelle forme;
2° sans préjudice de la loi du 4 avril 2014 relative aux
assurances, des adaptations devant être apportées aux
contrats d’assurance ou de réassurance dans ce cadre;
3° du mode de répartition des actions ou parts
représentatives du capital social de la société sous sa
nouvelle forme.
A ce rapport sont joints un projet de statuts de la
société sous sa nouvelle forme et un état résumant la
situation active et passive de l’association, arrêté à une
date ne remontant pas à plus de trois mois et indiquant
quel sera le capital social après la transformation en
société.
Le capital social ne pourra être supérieur à l’actif net
tel qu’il résulte de l’état précité.
Le montant de l’actif net ne peut faire l’objet d’aucun
remboursement ou distribution aux actionnaires ou
associés à l’occasion de la transformation.
Art. 251
Le commissaire agréé de l’association d’assurance
mutuelle fait rapport sur l’état visé à l’article 250 et
indique notamment s’il traduit d’une manière complète,
fidèle et correcte la situation de l’association.
Art. 252
Les projets de rapports visés aux articles 250 et
251 sont communiqués à la Banque.
Lorsque l’association d’assurance mutuelle concer-
née est une entreprise d’assurance, la Banque transmet,
sans délai, les rapports visés à l’alinéa 1er, à la FSMA
pour avis. Cette dernière remet son avis à la Banque
917
1584/002
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
haar advies aan de Bank binnen twee maanden na de
ontvangst van de in het eerste lid bedoelde verslagen.
Indien er binnen deze termijn geen advies wordt ver-
leend, wordt de FSMA geacht geen bezwaar te hebben
tegen de voorgenomen omzetting.
Binnen drie maanden na de ontvangst van de in het
eerste lid bedoelde verslagen verzet de Bank zich tegen
de voorgenomen omzetting wanneer:
1° in het advies van de FSMA wordt geconcludeerd
dat de voorgenomen omzetting afbreuk doet aan de
rechten van de verzekerden, van de verzekeringnemers
of van de begunstigden;
2° de Bank van oordeel is dat de verzekerings- of
herverzekeringsonderneming door de voorgenomen
omzetting niet langer voldoet aan de verplichtingen die
haar door of krachtens deze wet zijn opgelegd.
De Bank maakt haar bezwaar kenbaar met een
aangetekende brief, waarbij zij de motivering van haar
besluit voegt, en, in voorkomend geval, het advies van
de FSMA.
Art. 253
De leden van de onderlinge verzekeringsvereniging
worden, met inachtneming van de statutaire regels voor
statutenwijzigingen, of, indien deze strenger zijn, voor de
vereffening, opgeroepen tot een algemene vergadering
die moet beraadslagen over het besluit tot omzetting.
In geval van oproeping per brief wordt een afschrift
van de verslagen van het wettelijk bestuursorgaan en
van de commissaris bij de oproepingsbrief gevoegd.
Deze documenten worden eveneens kosteloos verstrekt
aan de leden van de vereniging die hiertoe een schrif-
telijke aanvraag indienen.
Art. 254
Tot omzetting van de onderlinge verzekeringsver-
eniging wordt besloten door de algemene vergadering.
Behalve indien de statuten strengere voorschriften
inzake quorum en meerderheid bevatten, kan de alge-
mene vergadering enkel geldig beraadslagen indien
minstens de helft van de leden met stemrecht aanwezig
of vertegenwoordigd zijn op de vergadering, en indien
het besluit minstens vier vijfden van de uitgebrachte
stemmen verkrijgt.
dans les deux mois de la réception des rapports visés
à l’alinéa 1er. A défaut d’avis dans ce délai, la FSMA est
réputée ne pas s’opposer au projet de transformation.
Dans les trois mois de la réception des rapports
visés à l’alinéa 1er, la Banque s’oppose au projet de
transformation lorsque:
1° l’avis de la FSMA conclut que ce projet porte
préjudice aux droits des assurés, des preneurs ou des
bénéficaires;
2° la Banque estime que, par ce projet, l’entreprise
d’assurance ou de réassurance ne satisfait plus aux
obligations qui lui sont imposées par ou en vertu de la
présente loi.
La Banque notifie l’opposition par lettre recomman-
dée à la poste en y joignant les motifs de sa décision
et, le cas échéant, l’avis de la FSMA.
Art. 253
Les membres de l’association d’assurance mutuelle
sont convoqués à une assemblée générale appelée
à délibérer sur la décision de transformation dans le
respect des règles statutaires prévues pour les modifi-
cations aux statuts ou, si elles sont plus strictes, pour
la mise en liquidation.
En cas de convocation par lettre, une copie des
rapports de l’organe légal d’administration et du com-
missaire est annexée à la convocation. Ces documents
sont également transmis gratuitement aux membres
de l’association qui en formulent la demande par écrit.
Art. 254
La transformation de l’association d’assurance
mutuelle est décidée par l’assemblée générale. Sauf
si les statuts prévoient des conditions de quorum et de
majorité plus strictes, l’assemblée générale ne peut
valablement délibérer que si au moins la moitié des
membres titulaires d’un droit de vote sont présents ou
représentés à la réunion et si la décision recueille au
moins quatre cinquièmes des voix émises.
918
1584/002
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
Indien het door de statuten of de wet vereiste quorum
niet wordt bereikt, wordt overgegaan tot een tweede
bijeenroeping. Deze tweede bijeenroeping voldoet aan
de regels van artikel 253. De tweede algemene vergade-
ring beraadslaagt volgens dezelfde stemvoorwaarden,
ongeacht het aantal aanwezige of vertegenwoordigde
leden met stemrecht. In de oproeping tot de algemene
vergadering wordt de tekst van dit artikel opgenomen.
Art. 255
De omzetting vereist de eenparige instemming van
de aanwezige leden indien de onderlinge verzekerings-
vereniging niet ten minste twee jaar bestaat of indien in
de statuten is bepaald dat zij geen andere rechtsvorm
mag aannemen. Zodanige bepaling van de statuten kan
enkel onder dezelfde voorwaarden worden gewijzigd.
Art. 256
Onmiddellijk na het besluit tot omzetting worden de
statuten van de vennootschap in haar nieuwe vorm,
met inbegrip van de bepalingen tot wijziging van haar
doel en van de oorspronkelijke samenstelling van de
organen, vastgesteld volgens dezelfde regels inzake
aanwezigheid en meerderheid als die welke voor de
omzetting voorgeschreven zijn. Gebeurt dit niet, dan
blijft de omzetting zonder gevolg.
Art. 257
Zodra de besluiten als bedoeld in de artikelen 253 tot
256 zijn goedgekeurd:
1° is de onderlinge verzekeringsvereniging omgezet
en worden haar leden van rechtswege en met onmid-
dellijke ingang aandeelhouders of vennoten van de
vennootschap in haar nieuwe vorm, op de wijze die
is voorgesteld in het verslag bedoeld in artikel 250,
waarbij de leden geacht worden van rechtswege te
voldoen aan alle eventuele voorwaarden om vennoot
of aandeelhouder van de vennootschap in haar nieuwe
vorm te worden;
2° verliezen de leden van de vereniging alle rechten
die zij nog zouden kunnen hebben, zelfs voor de toe-
komst of onder voorwaarde, ingevolge hun vroegere
hoedanigheid van lid;
3° behouden de verzekeringnemers, de ver-
zekerden en alle derden bij de verzekerings- of
herverzekeringsovereenkomsten evenwel hun op
die datum in het kader van de verzekerings- of
Si le quorum requis par les statuts ou par la loi n’est
pas atteint, il est procédé à une seconde convocation.
Cette seconde convocation satisfait aux règles visées à
l’article 253. La deuxième assemblée générale délibère
quel que soit le nombre de membres titulaires d’un droit
de vote présents ou représentés, aux mêmes conditions
de vote. Les convocations à l’assemblée générale
reproduisent le texte du présent article.
Art. 255
La transformation requiert l’accord unanime des
membres présents si l’association d’assurance mutuelle
n’existe pas depuis deux ans au moins ou si les statuts
prévoient qu’elle ne pourra adopter une autre forme.
Une telle clause des statuts ne peut être modifiée que
dans les mêmes conditions.
Art. 256
Immédiatement après la décision de transformation,
les statuts de la société sous sa nouvelle forme, en ce
compris les clauses qui modifieraient son objet social
ainsi que la composition initiale des organes, sont arrê-
tés aux mêmes conditions de présence et de majorité
que celles requises pour la transformation. A défaut, la
transformation est sans effet.
Art. 257
Dès l’approbation des décisions visées aux ar-
ticles 253 à 256:
1° l’association d’assurance mutuelle est transformée
et ses membres deviennent de plein droit et avec effet
immédiat actionnaires ou associés de la société sous sa
nouvelle forme de la manière proposée dans le rapport
visé à l’article 250, ces membres étant réputés satisfaire
de plein droit à toutes les conditions éventuellement
requises pour devenir associés ou actionnaires de la
société sous sa nouvelle forme;
2° les membres de l’association perdent tous les
droits qu’ils pourraient encore avoir, même à l’avenir
ou sous condition, en raison de leur ancienne qualité
de membre;
3° les preneurs d’assurance, assurés et tout tiers aux
contrats d’assurance ou de réassurance conservent
cependant les droits acquis à cette date en vertu des
contrats d’assurance ou de réassurance, ces contrats
919
1584/002
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
herverzekerings-overeenkomsten verworven rechten;
deze overeenkomsten worden voor de toekomst van
rechtswege aangepast op de wijze die voorgesteld is
in het verslag bedoeld in artikel 250;
4° voor zover de vennootschap de wettelijke en re-
glementaire vereisten ter zake vervult of blijft vervullen,
behoudt zij in haar nieuwe vorm alle vergunningen voor
de uitoefening van verzekerings- of herverzekeringsac-
tiviteiten waarvan de vereniging houder was vóór haar
omzetting.
Art. 258
Ieder besluit tot omzetting wordt, op straffe van
nietigheid, bij authentieke akte vastgesteld. In die au-
thentieke akte wordt de conclusie overgenomen van het
verslag dat door de erkend commissaris werd opgesteld
overeen komstig artikel 251.
De authentieke akte van omzetting en de statuten
van de vennootschap in haar nieuwe vorm worden
tegelijk bekendgemaakt overeenkomstig de artike-
len 67, paragrafen 1 tot 3, en 73 van het Wetboek
van Vennootschappen. De akte van omzetting wordt
bekendgemaakt in haar geheel; de statuten worden bij
uittreksel bekendgemaakt overeenkomstig de artike-
len 67 tot 69 en 72 van hetzelfde Wetboek.
Onverminderd de onmiddellijke tegenwerpbaarheid
van de in artikel 257, 3° bedoelde contractuele aanpas-
singen, kan de omzetting aan derden worden tegenge-
worpen volgens de bepalingen van artikel 76 van het
Wetboek van Vennootschappen.
Van de volmachten, alsook van de verslagen van het
wettelijk bestuursorgaan en van de erkend commissaris,
wordt het origineel dan wel een expeditie neergelegd
tegelijk met de akte waarop zij betrekking hebben.
Eenieder kan daarvan kennis nemen of een afschrift
verkrijgen volgens de voorwaarden van artikel 67,
paragraaf 3, van het Wetboek van Vennootschappen.
Art. 259
De bepalingen van artikel 784 van het Wetboek van
Vennootschappen zijn van toepassing, met uitzondering
van het eerste lid.
Art. 260
De leden van het wettelijk bestuursorgaan van de on-
derlinge verzekeringsvereniging die wordt omgezet, zijn,
étant, pour l’avenir, adaptés de plein droit de la manière
proposée dans le rapport visé à l’article 250;
4° pour autant qu’elle respecte ou continue à res-
pecter les exigences légales et réglementaires en la
matière, la société sous sa nouvelle forme continue à
bénéficier des agréments pour exercer des activités
d’assurance ou de réassurance dont l’association était
titulaire avant sa transformation.
Art. 258
Toute décision de transformation est, à peine de nul-
lité, constatée par acte authentique. L’acte authentique
reproduit la conclusion du rapport du commissaire agréé
établi conformément à l’article 251.
L’acte authentique de transformation et les statuts de
la société sous sa nouvelle forme sont publiés simulta-
nément conformément aux articles 67, paragraphes 1er
à 3, et 73, du Code des sociétés. L’acte de transforma-
tion est publié en entier; les statuts le sont par extrait
conformément aux articles 67 à 69 et 72 du même Code.
Sans préjudice de l’opposabilité immédiate des
adaptations contractuelles visées à l’article 257, 3°, la
transformation est opposable aux tiers aux conditions
prévues à l’article 76 du Code des sociétés.
Les procurations, ainsi que les rapports de l’organe
légal d’administration et du commissaire agréé, sont
déposés en expédition ou en original en même temps
que l’acte auquel ils se rapportent. Chacun pourra en
prendre connaissance ou en obtenir copie aux condi-
tions prévues à l’article 67, paragraphe 3, du Code des
sociétés.
Art. 259
Les dispositions de l’article 784 du Code des sociétés
sont applicables, à l’exception de l’alinéa 1er.
Art. 260
Les membres de l’organe légal d’administration de
l’association d’assurance mutuelle qui est transformée
920
1584/002
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
niettegenstaande enig anders luidend beding, jegens de
belang hebbenden hoofdelijk gehouden:
1° tot betaling van het eventuele verschil tussen het
nettoactief dat opgenomen is in de in artikel 250 be-
doelde staat en het maatschappelijk kapitaal van de
vennootschap in haar nieuwe vorm;
2° voor de overwaardering van het nettoactief dat
opgenomen is in de in artikel 250 bedoelde staat;
3° tot vergoeding van de schade die het onmiddellijk
en rechtstreeks gevolg is, hetzij van de nietigheid van
de omzettingsverrichting wegens niet-naleving van de
regels bepaald in de artikelen 403, 2° tot 4° en 454,
2° tot 4° van het Wetboek van Vennootschappen, die
van naar analogie worden toegepast, of in artikel 258,
eerste lid, hetzij van het ontbreken of de onjuistheid van
de vermeldingen voor geschreven in artikel 453, eerste
lid, met uitzondering van 6° en 9° tot 12° van hetzelfde
Wetboek of van artikel 258, eerste lid.
Afdeling III
Fusie door overneming van onderlinge
verzekeringsverenigingen
Art. 261
Onverminderd de artikelen 102 tot 106 kan een onder-
linge verzekeringsvereniging door overneming fuseren
met een andere onderlinge verzekeringsvereniging.
Wanneer een onderlinge verzekeringsvereniging door
overneming fuseert met een andere onderlinge verzeke-
ringsvereniging, zijn de in boek XI van het Wetboek van
Vennootschappen vervatte bepalingen betreffende fusie
door overneming van toepassing. Deze bepalingen zijn
van toepassing onder voorbehoud van de afwijkingen en
met inachtneming van de nadere bepalingen die in deze
Afdeling zijn opgenomen. In dat geval wordt onder de
in het genoemde Wetboek gebruikte termen “vennoot-
schap” en “venno(o)t(en)” respectie velijk de “onderlinge
verzekeringsvereniging” en haar “leden” verstaan.
Art. 262
In afwijking van artikel 671 van het Wetboek van
Vennootschappen is fusie door overneming van on-
derlinge verzekeringsverenigingen de rechtshandeling
waarbij het gehele vermogen van één of meer onder-
linge verzekeringsverenigingen, zowel de rechten als de
verplichtingen, als gevolg van ontbin ding zonder veref-
fening op een andere onderlinge verzekeringsvereniging
sont tenus solidairement envers les intéressés, nonobs-
tant toute stipulation contraire:
1° de la différence éventuelle entre l’actif net repris
à l’état prévu à l’article 250 et le capital social de la
société sous sa nouvelle forme;
2° de la surévaluation de l’actif net repris à l’état
prévu à l’article 250;
3° de la réparation du préjudice qui est une suite
immédiate et directe soit de la nullité de l’opération
de transformation en raison de la violation des règles
prévues aux articles 403, 2° à 4°, et 454, 2° à 4°, du
Code des sociétés, appliquées par analogie, ou de
l’article 258, alinéa 1er, soit de l’absence ou du caractère
erronné des énonciations prescrites par l’article 453,
alinéa 1er, à l’exception des 6° et 9° à 12°, du même
Code ou de l’article 258, alinéa 1er.
Section III
Fusion par absorption d’associations d’assurance
mutuelle
Art. 261
Sans préjudice des articles 102 à 106, une associa-
tion d’assurance mutuelle peut fusionner par absorption
avec une autre association d’assurance mutuelle.
Lorsqu’une association d’assurance mutuelle
fusionne par absorption avec une autre association
d’assurance mutuelle, les dispositions du livre XI du
Code des sociétés qui régissent la fusion par absorption
sont d’application. Ces dispositions s’appliquent sous
réserve des dérogations et moyennant les précisions
mentionnées à la présente Section. Dans ce cas, les
termes “société” et “associé(s)” utilisés dans ledit Code
s’entendent respectivement de l’“association d’assu-
rance mutuelle” et de ses “membres”.
Art. 262
Par dérogation à l’article 671 du Code des sociétés,
la fusion par absorption d’associations d’assurance
mutuelle est l’opération par laquelle une ou plusieurs
associations d’assurance mutuelle transfèrent à une
autre association d’assurance mutuelle, par suite
d’une dissolution sans liquidation, l’intégralité de leur
patrimoine, activement et passivement, moyennant
921
1584/002
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
overgaat en waarbij de leden van de overgenomen
vereniging(en) als tegenprestatie de hoedanig heid
verkrijgen van leden van de overnemende onderlinge
verzekeringsvereniging.
Art. 263
De rechtbank van eerste aanleg is bevoegd om ken-
nis te nemen van de in artikel 689 van het Wetboek van
Vennootschappen bedoelde vorderingen betreffende de
fusie van onderlinge verzekeringsverenigingen.
Art. 264
In afwijking van artikel 693, tweede lid, van het
Wetboek van Vennootschappen wordt in het fusievoor-
stel ten minste vermeld:
1° de rechtsvorm, de naam, het doel en de zetel van
de te fuseren onderlinge verzekeringsverenigingen;
2° een nauwkeurige omschrijving van en een ver-
antwoording voor de maatregelen tot regeling van de
rechten en verplichtingen van de leden van de overge-
nomen vereniging binnen de overnemende vereniging,
alsmede een nauwkeurige omschrijving van en een
verantwoording voor de financiële gevolgen van de fusie
voor de leden van de overgenomen en de overnemende
vereniging, met name met betrekking tot het recht van
de leden op restorno’s, de verplichting tot betaling van
bijkomende bijdragen in geval van deficit en het recht
van de leden op het verenigingsvermogen;
3° de datum vanaf dewelke de rechten en verplich-
tingen van de leden van de overgenomen vereniging
binnen de overnemende vereniging ingaan;
4° onverminderd de wet van 4 april 2014 betreffende
de verzekeringen, een nauwkeurige omschrijving van
en een verantwoording voor de aanpassingen die in
het kader van de fusie in de verzekerings- of herverze-
keringsovereenkomsten moeten worden aangebracht;
5° de datum vanaf dewelke de handelingen van de
overgenomen vereniging boekhoudkundig geacht wor-
den te zijn verricht voor rekening van de overnemende
vereniging;
6° de rechten die de overnemende vereniging toekent
aan de leden van de over te nemen vereniging die bij-
zondere rechten hebben, of de jegens hen voorgestelde
maatregelen;
l’acquisition, par les membres de la ou des associations
absorbées, de la qualité de membres de l’association
d’assurance mutuelle absorbante.
Art. 263
Le tribunal de première instance est compétent pour
connaître des actions visées à l’article 689 du Code des
sociétés relatives à la fusion d’associations d’assurance
mutuelle.
Art. 264
Par dérogation à l’article 693, alinéa 2, du Code des
sociétés, le projet de fusion mentionne au moins:
1° la forme, la dénomination, l’objet et le siège social
des associations d’assurance mutuelle appelées à
fusionner;
2° une description précise et une justification des
mesures réglant les droits et les obligations des
membres de l’association absorbée dans l’association
absorbante, et des conséquences financières de la
fusion pour les membres des associations absorbée
et absorbante, notamment en ce qui concerne le droit
des membres aux ristournes, l’obligation au paiement
de contributions complémentaires en cas de déficit et
le droit des membres sur l’avoir social;
3° la date à partir de laquelle les droits et obligations
des membres de l’association absorbée dans l’asso-
ciation absorbante prennent cours;
4° sans préjudice de la loi du 4 avril 2014 relative aux
assurances, une description précise et une justification
des adaptations devant être apportées aux contrats
d’assurance ou de réassurance dans le cadre de la
fusion;
5° la date à partir de laquelle les opérations de
l’association absorbée sont, du point de vue comptable,
considérées comme accomplies pour le compte de
l’association absorbante;
6° les droits que l’association absorbante reconnaît
aux membres de l’association à absorber qui ont des
droits spéciaux ou les mesures proposées à leur égard;
922
1584/002
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
7° de bezoldiging die wordt toegekend aan de er-
kend commissarissen voor het opstellen van het in
artikel 266 bedoelde verslag;
8° ieder bijzonder voordeel toegekend aan de leden
van de beheers- en bestuursorganen van de te fuseren
verenigingen.
Het fusievoorstel wordt door elke vereniging die bij de
fusie betrokken is, uiterlijk zes weken voor de algemene
vergadering die over de fusie moet besluiten, ter griffie
van de rechtbank van eerste aanleg neergelegd.
Art. 265
In afwijking van artikel 694 van het Wetboek van
Vennootschappen wordt in het omstandig schriftelijk
verslag dat door het wettelijk bestuursorgaan van elke
onderlinge verzekeringsvereniging wordt opgesteld,
de stand van het vermogen van de te fuseren vereni-
gingen uiteen gezet en worden tevens uit een juridisch
en economisch oogpunt toegelicht en verantwoord:
de wenselijkheid van de fusie, de voorwaarden en de
wijze waarop ze zal geschieden en de gevolgen ervan,
alsook de maatregelen tot regeling van de rechten
van de leden van de overgenomen vereniging binnen
de overnemende vereniging, inzonderheid het recht
op restorno’s, de verplichting tot betaling van bijko-
mende bijdragen in geval van deficit en het recht op het
verenigingsvermogen.
Art. 266
In afwijking van artikel 695, tweede en derde lid van
het Wetboek van Vennootschappen brengt de erkend
commissaris met name verslag uit over de financiële ge-
volgen van de fusie voor de leden van de overgenomen
en de overnemende onderlinge verzekeringsvereniging.
Dit verslag moet ten minste:
1° aangeven of de financiële en boekhoud kundige
gegevens uit het in artikel 265 bedoelde verslag van het
wettelijk bestuursorgaan waarheidsgetrouw en toerei-
kend zijn om de algemene vergadering die over het fu-
sievoorstel moet stemmen, duidelijkheid te verschaffen;
2° beschrijven welke gevolgen de fusie heeft voor het
recht van de leden op restorno’s, voor hun verplichting
tot betaling van bijkomende bijdragen in geval van deficit
en voor hun recht op het verenigingsvermogen.
7° les émoluments attribués aux commissaires
agréés chargés de la rédaction du rapport prévu à
l’article 266;
8° tout avantage particulier attribué aux membres des
organes de gestion et d’administration des associations
appelées à fusionner.
Six semaines au moins avant l’assemblée générale
appelée à se prononcer sur la fusion, le projet de fusion
est déposé au greffe du tribunal de première instance
par chacune des associations appelées à fusionner.
Art. 265
Par dérogation à l’article 694 du Code des sociétés,
le rapport écrit et circonstancié établi par l’organe légal
d’administration de chaque association d’assurance
mutuelle expose la situation patrimoniale des asso-
ciations appelées à fusionner et explique et justifie, du
point de vue juridique et économique, l’opportunité,
les conditions, les modalités et les conséquences de
la fusion, ainsi que les mesures réglant les droits des
membres de l’association absorbée dans l’association
absorbante, en particulier le droit aux ristournes, l’obli-
gation au paiement de contributions complémentaires
en cas de déficit et le droit sur l’avoir social.
Art. 266
Par dérogation à l’article 695, alinéas 2 et 3 du Code
des sociétés, le commissaire agréé fait notamment
rapport sur les conséquences financières de la fusion
pour les membres de l’association d’assurance mutuelle
absorbée et de l’association d’assurance mutuelle
absorbante.
Ce rapport doit au moins:
1° indiquer si les informations financières et comp-
tables contenues dans le rapport de l’organe légal
d’administration visé à l’article 265 sont fidèles et suf-
fisantes pour éclairer l’assemblée générale appelée à
voter sur le projet de fusion;
2° décrire les conséquences de la fusion sur le droit
des membres aux ristournes, sur leurs obligations au
paiement de contributions complémentaires en cas de
déficit et sur leur droit sur l’avoir social.
923
1584/002
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
Art. 267
In elke onderlinge verzekeringsvereniging worden
de leden van de vereniging, met inachtneming van de
statutaire regels voor statutenwijzigingen, of, indien deze
strenger zijn, voor de vereffening, opgeroepen tot een
algemene vergadering die moet beraadslagen over het
besluit tot fusie.
Artikel 697, § 1, tweede lid, en § 2, eerste lid, 4°, van
het Wetboek van Vennootschappen is van toepassing
op de onderlinge verzekeringsverenigingen.
Art. 268
Voor fusies door overneming van onderlinge verze-
keringsverenigingen zijn de in artikel 699, § 1, 1°, van
het Wetboek van Vennootschappen bedoelde regels
inzake quorum en meerderheid van toepassing, met
dien verstande dat de woorden “maatschappelijk kapi-
taal” en “kapitaal” door de woorden “maatschappelijk
fonds” moeten worden vervangen.
Artikel 699, § 3, van het Wetboek van Vennootschappen
is niet van toepassing op fusies door overneming van
onderlinge verzekeringsverenigingen.
Art. 269
In afwijking van artikel 701 van het Wetboek van
Vennootschappen worden eventuele wijzigingen in de
statuten van de overnemende onderlinge verzekerings-
vereniging, met inbegrip van de bepalingen tot wijziging
van haar doel, vastgesteld volgens de regels inzake
aanwezigheid en meerderheid die krachtens de statuten
van de overnemende vereniging vereist zijn.
Art. 270
Voor de toepassing van artikel 704, eerste lid, van het
Wetboek van Vennootschappen geldt voor de fusie door
overneming van onderlinge verzekeringsverenigingen
de in artikel 264, 5°, bedoelde datum als de in artikel 693,
tweede lid, 5°, van hetzelfde Wetboek bedoelde datum.
Art. 271
Artikel 211 van het WIB 1992 is van toepassing op
fusies door overneming van onderlinge verzekerings-
verenigingen, in de mate dat de betrokken verenigingen
onderworpen zijn aan de vennootschaps belasting.
Art. 267
Dans chaque association d’assurance mutuelle,
les membres de l’association sont convoqués à une
assemblée générale appelée à délibérer sur la décision
de fusion, dans le respect des règles statutaires prévues
pour la modification aux statuts ou, si elles sont plus
strictes, pour la mise en liquidation.
L’article 697, § 1er, alinéa 2, et § 2, alinéa 1er, 4°, du
Code des sociétés est applicable aux associations
d’assurance mutuelle.
Art. 268
Pour la fusion par absorption d’associations d’assu-
rance mutuelle, les conditions de quorum et de majorité
visées à l’article 699, § 1er, 1°, du Code des sociétés
s’appliquent étant entendu qu’il faut substituer aux mots
“capital social” et “capital” les mots “fonds social”.
L’article 699, § 3, du Code des sociétés n’est pas
applicable à la fusion par absorption d’associations
d’assurance mutuelle.
Art. 269
Par dérogation à l’article 701 du Code des sociétés,
les modifications éventuelles des statuts de l’association
d’assurance mutuelle absorbante, y compris les clauses
qui modifieraient son objet social, sont arrêtées aux
conditions de présence et de majorité requises par les
statuts de l’association absorbante.
Art. 270
Pour l’application de l’article 704, alinéa 1er, du Code
des sociétés, la date visée à l’article 693, alinéa 2,
5°, du même Code est, pour la fusion par absorption
d’associations d’assurance mutuelle, la date visée à
l’article 264, 5°.
Art. 271
L’article 211 du CIR 1992 est applicable à la fusion par
absorption d’associations d’assurance mutuelle dans la
mesure où les associations concernées sont soumises
à l’impôt des sociétés.
924
1584/002
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
HOOFDSTUK II
Ondernemingen die wegens hun omvang aan een
bijzondere regeling zijn onderworpen
Afdeling I
Toepassingsgebied
Art. 272
Dit Hoofdstuk is van toepassing op de verzeke-
ringsondernemingen die voldoen aan de volgende
voorwaarden:
1° de jaarlijkse inkomsten uit de geboekte bruto-
premies van de onderneming bedragen niet meer dan
5 000 000 EUR;
2° de totale technische voorzieningen van de on-
derneming, of van de groep in de zin van artikel 339,
2° waarvan ze deel uitmaakt, zonder aftrek van de
schuldvorderingen die voortvloeien uit herverzekerings-
overeenkomsten en effectiseringsvehikels, als bedoeld
in artikel 125, bedragen niet meer dan 25 000 000 EUR;
3° het bedrijf van de onderneming omvat geen verze-
keringsactiviteiten ter dekking van aansprakelijkheids-,
krediet- en borgtocht verzekeringsrisico’s, tenzij deze
bijkomende risico’s vormen in de zin van artikel 21, § 2;
4° het bedrijf van de onderneming omvat geen
herverzekeringsverrichtingen;
5° de onderneming oefent noch rechtstreeks, noch
onrechtstreeks, activiteiten uit in het buitenland.
Art. 273
Een verzekerings onderneming die gedurende drie
achtereenvolgende jaren een van de in artikel 272 be-
doelde bedragen overschrijdt, kan zich niet langer
beroepen op de bepalingen van dit Hoofdstuk.
Een onderneming die overeenkomstig Hoofdstuk I
van Titel II van dit Boek een vergunning als verzeke-
ringsonderneming aanvraagt, kan zich niet beroepen
op de bepalingen van dit Hoofdstuk indien een van de
in artikel 272 genoemde bedragen naar verwachting in
de volgende vijf jaar zal worden overschreden.
CHAPITRE II
Entreprises soumises à un régime particulier en
raison de leur taille
Section Ire
Champ d’application
Art. 272
Le présent Chapitre s’applique aux entreprises
d’assurance qui satisfont aux conditions suivantes:
1° l’encaissement annuel de primes brutes émises
par l’entreprise n’excède pas 5 000 000 EUR;
2° le total des provisions techniques de l’entreprise,
ou du groupe au sens de l’article 339, 2° dont elle fait
partie, déduction non faite des créances découlant des
contrats de réassurance et des véhicules de titrisation,
visées à l’article 125, n’excède pas 25 000 000 EUR;
3° l’activité de l’entreprise ne comporte pas d’activi-
tés d’assurance couvrant les risques de responsabilité
civile, de crédit et de caution, sauf si ceux-ci constituent
des risques accessoires au sens de l’article 21, § 2;
4° l’activité de l’entreprise ne comporte pas d’opéra-
tions de réassurance;
5° l’entreprise n’exerce, directement ou indirecte-
ment, aucune activité à l’étranger.
Art. 273
Les entreprises d’assurance qui, pendant trois
années consécutives, dépassent l’un des montants
visés à l’article 272 ne peuvent plus se prévaloir des
dispositions du présent Chapitre.
Une entreprise qui sollicite l’agrément en qualité
d’entreprise d’assurance conformément au Chapitre Ier
du Titre II du présent Livre ne peut se prévaloir des dis-
positions du présent Chapitre si, selon les prévisions,
l’un des seuils énoncés à l’article 272 est susceptible
d’être dépassé au cours des cinq années suivantes.
925
1584/002
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
Art. 274
Een verzekeringsonderneming die overeenkomstig
Hoofdstuk I van Titel II van dit Boek een vergunning
heeft verkregen, kan om de toepassing verzoeken van
de bepalingen van dit Hoofdstuk wanneer de Bank van
oordeel is dat deze onderneming naast de voorwaarden
van artikel 272 ook de volgende voorwaarden vervult:
1° geen van de in artikel 272 genoemde bedragen
werd in de drie jaar vóór het verzoek overschreden;
2° naar verwachting zal geen van de in artikel 272 ge-
noemde bedragen worden overschreden in de vijf jaar
na het verzoek.
Tot staving van haar verzoek verstrekt de onder-
neming de informatie die vereist is om na te gaan of
voldaan is aan de voorwaarden van het eerste lid.
Afdeling II
Ondernemingen die een overeenkomst hebben
gesloten die voorziet in de volledige en systematische
herverzekering van de verzekeringsovereenkomsten of in
de overdracht van de verplichtingen
Art. 275
§ 1. Deze wet, met uitzondering van de in deze
Afdeling bedoelde bepalingen en de Boeken IV en V,
is niet van toepassing op niet-levensverzekeringson-
dernemingen die voldoen aan de voorwaarden van de
artikelen 272 en 273 en die met een verzekerings- of
herverzekeringsonderneming waaraan met toepassing
van Titel II van dit Boek een vergunning is verleend
of waaraan met toepassing van Titel I van Boek III
toestemming is verleend, een overeenkomst hebben
gesloten die voorziet in de volledige en systematische
herverzekering van de door hen gesloten verzekerings-
overeenkomsten of in de overdracht van de contractuele
verplichtingen die de vervanging tot gevolg heeft van
de cederende onderneming door de overnemende
onderneming voor de nakoming van de uit deze over-
eenkomsten voortvloeiende verplichtingen.
Die overeenkomst bevat de verplichting, voor de
overnemende onderneming, om de Bank minstens drie
maanden voor de vervaldag in kennis te stellen van de
beëindiging of de niet-verlenging ervan, evenals van elke
bepaling die tot gevolg zou hebben dat de cederende
overneming het voordeel van de toepassing van deze
paragraaf verliest.
Art. 274
Une entreprise d’assurance agréée conformément au
Chapitre Ier du Titre II du présent Livre peut demander à
bénéficier des dispositions du présent Chapitre lorsque,
outre les conditions de l’article 272, elle satisfait, à
l’appréciation de la Banque, aux conditions suivantes:
1° aucun des seuils énoncés à l’article 272 n’a été dé-
passé pendant les trois années précédant la demande;
2° aucun des seuils énoncés à l’article 272 n’est,
selon les prévisions, susceptible d’être dépassé au
cours des cinq années suivant la demande.
L’entreprise fournit, à l’appui de sa demande, les
informations nécessaires à la vérification des conditions
prévues à l’alinéa 1er.
Section II
Entreprises qui ont conclu une convention comportant
la réassurance intégrale et systématique des contrats
d’assurance ou la cession des engagements
Art. 275
§ 1er. La présente loi, à l’exception des dispositions
visées à la présente Section et des Livres IV et V, n’est
pas applicable aux entreprises d’assurance non-vie
qui satisfont aux conditions des articles 272 et 273 et
qui ont conclu avec une entreprise d’assurance ou de
réassurance agréée en application du Titre II du présent
Livre ou autorisée en application du Titre Ier du Livre III
une convention comportant la réassurance intégrale et
systématique des contrats d’assurance qu’elles sous-
crivent ou la cession des engagements contractuels
impliquant la substitution de l’entreprise cessionnaire à
l’entreprise cédante pour l’exécution des engagements
résultant desdits contrats.
Cette convention mentionne l’obligation, pour l’entre-
prise cessionnaire, d’avertir la Banque, au moins trois
mois avant l’échéance, de sa résiliation ou de son
non-renouvellement, ainsi que de toute disposition qui
aurait pour effet de faire perdre à l’entreprise cédante
le bénéfice du présent paragraphe.
926
1584/002
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
§ 2. Het voordeel van de bepalingen van para-
graaf 1 kan maar worden toegekend indien er een
voorafgaande inschrijving heeft plaatsgevonden.
Bij de inschrijvingsaanvraag die aan de Bank wordt
gericht, wordt een administratief dossier gevoegd dat
voldoet aan de door de Bank gestelde voorwaarden
en dat met name het bewijs bevat dat voldaan is aan
de voorwaarden van paragraaf 1, alsook een kopie van
de overeenkomst met de identiteitsgegevens van de
overnemende onderneming.
De Bank spreekt zich uit over de inschrijvingsaan-
vraag binnen twee maanden na indiening van een
volledig dossier.
De beslissingen inzake inschrijving worden binnen
vijftien dagen ter kennis gebracht van de aanvragers
met een aangetekende brief of een brief met ontvangst-
bewijs, met inachtneming van de termijn bedoeld in het
derde lid.
De Bank maakt een lijst op van de verzekerings-
ondernemingen die met toepassing van dit artikel zijn
ingeschreven. Die lijst en alle daarin aangebrachte
wijzigingen worden op haar website bekendgemaakt.
De artikelen 22, 23, 27 en 30 zijn van toepassing.
§ 3. De in deze Afdeling bedoelde verzekerings-
ondernemingen verstrekken aan de Bank, op haar
verzoek, alle informatie die nodig is om na te gaan
of voldaan is aan de in deze Afdeling bedoelde
inschrijvingsvoorwaarden.
Voor de toepassing van het eerste lid kan de Bank
op individuele basis of bij reglement vastgesteld over-
eenkomstig artikel 12bis, paragraaf 2 van de wet van
22 februari 1998, de aard, de omvang, het formaat,
de frequentie en de wijze van indiening bepalen van
de informatie die haar door de lokale verzekerings-
ondernemingen moet worden verstrekt.
De ondernemingen delen aan de Bank op eigen
initiatief en onverwijld alle factoren mee die tot gevolg
zouden kunnen hebben dat niet langer voldaan is aan
de inschrijvingsvoorwaarden.
De artikelen 304, tweede lid, 1° en 305 tot 307 zijn
van toepassing.
§ 4. Wanneer de Bank vaststelt dat een in deze
Afdeling bedoelde verzekerings onderneming niet werkt
overeenkomstig de bepalingen van dit artikel of de ter
uitvoering ervan genomen maatregelen, of wanneer zij
over gegevens beschikt waaruit blijkt dat het gevaar
§ 2. Le bénéfice des dispositions du paragraphe 1er
est subordonné à l’octroi d’une inscription préalable.
La demande d’inscription est adressée à la Banque,
accompagnée d’un dossier administratif répondant
aux conditions fixées par la Banque et qui comporte
notamment la preuve que les conditions prévues par la
paragraphe 1er sont satisfaites, ainsi qu’une copie de la
convention identifiant l’entreprise cessionnaire.
La Banque statue sur la demande d’inscription dans
les deux mois de l’introduction d’un dossier complet.
Sans excéder le délai visé à l’alinéa 3, les décisions
en matière d’inscription sont notifiées aux demandeurs
dans les quinze jours par lettre recommandée à la poste
ou avec accusé de réception.
La Banque établit une liste des entreprises d’assu-
rance inscrites en application du présent article. Cette
liste et toutes les modifications qui y sont apportées sont
publiées sur son site Internet.
Les articles 22, 23, 27 et 30 sont d’application.
§ 3. Les entreprises visées à la présente Section
fournissent à la Banque, à sa demande, toutes les infor-
mations nécessaires en vue de vérifier le respect des
conditions d’inscription prévues à la présente Section.
Aux fins de l’alinéa 1er, la Banque peut définir, sur
une base individuelle ou par voie de règlement pris
conformément à l’article 12bis, paragraphe 2 de la loi
du 22 février 1998, la nature, la portée, le format, la
fréquence et les modalités de transmission des infor-
mations dont elle exige la communication de la part des
entreprises locales d’assurance.
Les entreprises communiquent à la Banque d’initia-
tive, sans délai, tout élément susceptible de conduire
au non-respect des conditions d’inscription.
Les articles 304, alinéa 2, 1° et 305 à 307 sont
applicables.
§ 4. Lorsque la Banque constate qu’une entreprise
d’assurance visée à la présente Section ne fonctionne
pas en conformité avec les dispositions du présent
article ou des mesures prises pour son exécution,
ou qu’elle dispose d’éléments indiquant que cette
927
1584/002
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
bestaat dat deze onderneming in de komende twaalf
maanden niet meer zal werken overeenkomstig deze
bepalingen, stelt zij de termijn vast waarbinnen deze
toestand moet worden verholpen.
Indien de onderneming de toestand niet heeft ver-
holpen bij het verstrijken van de met toepassing van
het eerste lid vastgestelde termijn, kan de Bank een of
meer van de maatregelen nemen die opgesomd zijn
in artikel 517, § 1, 1° tot 7°. De paragrafen 2 tot 7 van
hetzelfde artikel en artikel 518, eerste lid, zijn van over-
eenkomstige toepassing.
Artikel 293 is van toepassing.
§ 5. Artikel 102, eerste lid, 2° en 3° en tweede lid en
de artikelen 105 en 106 zijn van toepassing.
Afdeling III
Andere verzekeringsondernemingen
Art. 276
Voor de in dit Hoofdstuk bedoelde verzekerings-
ondernemingen die niet in aanmerking komen voor
de toepassing van de bepalingen van artikel 275, zijn
de bepalingen van deze wet van toepassing onder de
voorwaarden en met inachtneming van de preciseringen
en beperkingen die in deze Afdeling zijn opgenomen.
Bovendien bepaalt de Koning, met inachtneming
van de preciseringen en beperkingen die Hij vastlegt,
welke bepalingen van de maatregelen tot uitvoering
van Richtlijn 2009/138/EG van toepassing zijn op de in
dit Hoofdstuk bedoelde verzekerings ondernemingen.
De in dit artikel bedoelde ondernemingen worden
afzonderlijk vermeld in de lijst bedoeld in artikel 31.
Art. 277
De artikelen 37 en 38 zijn van toepassing met dien
verstande dat verwijzingen naar de artikelen 151 en
189 moeten worden opgevat als verwijzingen naar
respectievelijk de artikelen 286 en 287.
Art. 278
De artikelen 45 en 46 zijn niet van toepassing.
De effectieve leiding wordt toevertrouwd aan ten
minste twee natuurlijke personen.
entreprise risque de ne plus fonctionner en conformité
avec ces dispositions au cours des douze prochains
mois, elle fixe le délai dans lequel il doit être remédié
à cette situation.
Si, à l’issue du délai fixé en application de l’alinéa 1er,
l’entreprise n’a pas remédié à la situation, la Banque
peut prendre une ou plusieurs des mesures énumérées
à l’article 517, § 1er, 1° à 7°. Les paragraphes 2 à 7 du
même article et l’article 518, alinéa 1er, sont applicables
par analogie.
L’article 293 est applicable.
§ 5. L’article 102, alinéa 1er, 2° et 3° et alinéa 2 et les
articles 105 et 106 sont applicables.
Section III
Autres entreprises d’assurance
Art. 276
Pour les entreprises d’assurance visées au présent
Chapitre qui ne bénéficient pas des dispositions de
l’article 275, les dispositions de la présente loi sont appli-
cables dans les conditions et moyennant les précisions
et restrictions prévues à la présente Section.
Le Roi détermine en outre, moyennant les préci-
sions et restrictions qu’Il spécifie, les dispositions des
mesures d’exécution de la Directive 2009/138/CE qui
sont applicables aux entreprises d’assurance visées
au présent Chapitre.
La liste visée à l’article 31 mentionne distinctement
les entreprises visées au présent article.
Art. 277
Les articles 37 et 38 sont d’application étant entendu
que les références aux articles 151 et 189 doivent
être entendues comme l’étant respectivement aux
articles 286 et 287.
Art. 278
Les articles 45 et 46 ne sont pas d’application.
La direction effective est confiée à deux personnes
physiques au moins.
928
1584/002
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
De verplichtingen die door of krachtens deze wet zijn
opgelegd aan het directiecomité, rusten op de personen
die belast zijn met de effectieve leiding.
In afwijking van het eerste lid kan de Bank, op grond
van de omvang en het risicoprofiel van de verzekerings-
onderneming, verlangen dat een directiecomité wordt
opgericht overeenkomstig de artikelen 45 en 46.
Art. 279
Onverminderd de verplichtingen waarin het Wetboek
van Vennootschappen voorziet voor genoteerde ven-
nootschappen, zijn de artikelen 48 tot 53 en 56, § 3, niet
van toepassing.
De taken die door de artikelen 49 tot 51 zijn toege-
wezen aan het auditcomité, het remuneratiecomité en
het risicocomité, worden uitgevoerd door het wettelijk
bestuursorgaan als geheel, met uitzondering van de
leden ervan die belast zijn met de effectieve leiding of,
in voorkomend geval, van de uitvoerende leden ervan.
Art. 280
De artikelen 74 en 75 zijn van toepassing met dien
verstande dat de verwijzingen naar de artikelen 151 en
189 moeten worden opgevat als verwijzingen naar res-
pectievelijk de artikelen 285 en 286.
Art. 281
§ 1. Artikel 83 is niet van toepassing.
§ 2. De in deze Afdeling bedoelde ondernemingen
zien erop toe dat de leden van het wettelijk bestuurs-
orgaan, van de effectieve leiding en, in voorkomend
geval, van het directiecomité, blijk geven van voldoende
beschikbaarheid bij de uitvoering van hun taken, re-
kening houdend met de omvang en de complexiteit
van de verrichtingen die door de onderneming worden
uitgevoerd, en zich niet in een belangenconflictsituatie
bevinden, rekening houdend met de diverse mandaten
of functies die zij bekleden.
De onderneming stelt interne regels vast en ziet
toe op de naleving van die regels, met het oog op de
naleving van de doelstellingen van het eerste lid en op
de openbaarmaking van de uitoefening van externe
functies door de in het eerste lid bedoelde personen.
De Bank kan bij reglement vastgesteld met toepassing
van artikel 12bis, § 2 van de wet van 22 februari 1998 de
Les obligations incombant, par ou en vertu de la
présente loi, au comité de direction sont assumées par
les personnes chargées de la direction effective.
Par dérogation à l’alinéa 1er, la Banque peut, en
fonction de la taille et du profil de risque de l’entreprise
d’assurance, imposer la constitution d’un comité de
direction conformément aux articles 45 et 46.
Art. 279
Sans préjudice des obligations prévues par le Code
des sociétés en ce qui concerne les sociétés cotées,
les articles 48 à 53 et 56, § 3, ne sont pas d’application.
Les fonctions attribuées au comité d’audit, au
comité de rémunération et au comité des risques par
les articles 49 à 51 sont exercées par l’organe légal
d’administration dans son ensemble, à l’exclusion de
ses membres qui sont chargés de la direction effective
ou, le cas échéant, de ses membres exécutifs.
Art. 280
Les articles 74 et 75 sont d’application étant entendu
que les références aux articles 151 et 189 doivent
être entendues comme l’étant respectivement aux
articles 285 et 286.
Art. 281
§ 1er. L’article 83 n’est pas d’application.
§ 2. Les entreprises visées à la présente Section
veillent à ce que les membres de l’organe légal d’admi-
nistration, de la direction effective et, le cas échéant, du
comité de direction, fassent preuve d’une disponibilité
suffisante dans l’exercice de leurs fonctions compte
tenu de l’ampleur et de la complexité des opérations
effectuées par l’entreprise et ne soient pas dans des
situations de conflit d’intérêts compte tenu des divers
mandats ou fonctions qu’ils exercent.
L’entreprise adopte et fait respecter des règles in-
ternes en vue du respect des objectifs visés à l’alinéa 1er
et de la publication de l’exercice de fonctions extérieures
par les personnes visées à l’alinéa 1er.
La Banque peut fixer les modalités des obligations
visées au présent paragraphe par la voie de règlement
929
1584/002
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
wijze bepalen waarop de in deze paragraaf bedoelde
verplichtingen moeten worden uitgevoerd.
Art. 282
De artikelen 86 tot 91 zijn niet van toepassing.
Art. 283
De artikelen 95 tot 97 en 99 tot 101 zijn niet van
toepassing.
De Bank kan, bij reglement vastgesteld met
toepassing van artikel 12bis, § 2 van de wet van
22 februari 1998, eisen dat de in deze Afdeling bedoelde
ondernemingen, volgens de frequentie die zij bepaalt,
informatie bekendmaken over hun solvabiliteit en hun
financiële positie.
Art. 284
De artikelen 107 tot 122 zijn niet van toepassing.
Art. 285
§ 1. In afwijking van de artikelen 151 tot 188 is het sol-
vabiliteitskapitaalvereiste waaraan de in deze Afdeling
bedoelde ondernemingen moeten voldoen, minstens
gelijk aan de som van de volgende bedragen:
1° voor niet-levensverzekeringsactiviteiten, met uit-
zondering van die welke betrekking hebben op lopende
renten en op de dekking van natuurrampen, stormen,
hagel of vorst: 25 % van de gemiddelde schadelast van
de laatste drie afgesloten boekjaren;
2° voor niet-levensverzekeringsactiviteiten die betrek-
king hebben op de dekking van natuurrampen, stormen,
hagel en vorst: 25 % van de gemiddelde schadelast van
de laatste zeven afgesloten boekjaren;
3° voor levensverzekeringsactiviteiten, met uitzon-
dering van die welke betrekking hebben op de dekking
van bijkomende risico’s in de zin van artikel 21, § 2, en
voor de lopende renten van de niet-levensverzekerings-
activiteiten, de som van:
a) 4 % van de technische voorzieningen van het
vorige boekjaar, met dien verstande dat dit percentage
verminderd wordt tot 1 % voor de activiteiten waarvoor
adopté en application de l’article 12bis, § 2 de la loi du
22 février 1998.
Art. 282
Les articles 86 à 91 ne sont pas d’application.
Art. 283
Les articles 95 à 97 et 99 à 101 ne sont pas
d’application.
La Banque peut, par la voie de règlement adopté
en application de l’article 12bis, § 2 de la loi du
22 février 1998, imposer aux entreprises visées par la
présente Section, selon la fréquence qu’elle détermine,
la publication d’informations relatives à leur solvabilité
et leur situation financière.
Art. 284
Les articles 107 à 122 ne sont pas d’application.
Art. 285
§ 1er. Par dérogation aux articles 151 à 188, le capital
de solvabilité requis que les entreprises visées à la pré-
sente Section détiennent est au moins égal à la somme
des montants suivants:
1° pour les activités d’assurances non-vie à l’excep-
tion de celles relatives aux rentes en cours et à la
couverture des risques de catastrophes naturelles, tem-
pêtes, grêle ou gelées: 25 % de la moyenne de la charge
des sinistres des trois derniers exercices clôturés;
2° pour les activités d’assurance non-vie relatives à
la couverture des risques de catastrophes naturelles,
de tempêtes, grêle et gelées: 25 % de la moyenne de
la charge des sinistres des sept derniers exercices
clôturés;
3° pour les activités d’assurance-vie, à l’exception de
celles relatives à la couverture de risques accessoires
au sens de l’article 21, § 2, et pour les rentes en cours
des activités d’assurance non-vie, la somme de:
a) 4 % des provisions techniques de l’exercice précé-
dent, ce pourcentage étant réduit à 1 % pour les activités
pour lesquelles le risque de placement est supporté par
930
1584/002
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
het beleggingsrisico wordt gedragen door de verze-
keringnemer en voor de activiteiten die tot tak 25 van
Bijlage II behoren;
b) 0,3 % van de niet-negatieve risicokapitalen van
het voorbije boekjaar.
4° voor de levensverzekeringsactiviteiten die betrek-
king hebben op de dekking van bijkomende risico’s
in de zin van artikel 21, § 2: 25 % van de gemiddelde
schadelast van de laatste drie afgesloten boekjaren.
Het solvabiliteitskapitaalvereiste is minstens gelijk
aan het bedrag dat met toepassing van artikel 189, § 1,
4° is vastgesteld, ongeacht het bedrag dat met toepas-
sing van het eerste lid is vastgesteld.
§ 2. Voor de toepassing van dit artikel bepaalt de
Bank, bij reglement vastgesteld met toepassing van
artikel 12bis, § 2 van de wet van 22 februari 1998:
1° de wijze van berekening van de schadelast;
2° de limieten waarbinnen met de uitbetalingen van
de herverzekeringsondernemingen en de effectiserings-
vehikels rekening wordt gehouden bij de berekening van
de bedoelde schadelast, de technische voorzieningen
en de risicokapitalen.
Art. 286
In afwijking van artikel 189 voldoen de in deze
Afdeling bedoelde ondernemingen aan een mi-
nimumkapitaalvereiste dat minstens gelijk is aan
60 % van het overeenkomstig artikel 285 berekende
solvabiliteitskapitaalvereiste.
Art. 287
§ 1. De artikelen 140 tot 150 zijn niet van toepassing.
§ 2. De volgende elementen worden in aanmerking
genomen voor de samenstelling van het in artikel
285 bedoelde solvabiliteitskapitaalvereiste:
1° het gestort maatschappelijk kapitaal, verhoogd met
de uitgiftepremies, of, voor de onderlinge verzekerings-
verenigingen, het gestorte deel van het maatschappelijk
fonds plus de ledenrekeningen;
2° de (wettelijke en vrije) reserves die niet tegenover
de verplichtingen staan of die niet zijn ingedeeld als
voorzieningen voor egalisatie en catastrofen;
le preneur d’assurance et les activités relevant de la
branche 25 de l’Annexe II;
b) 0,3 % des capitaux sous risque non négatifs de
l’exercice précédent.
4° pour les activités d’assurance-vie relatives à
la couverture des risques accessoires au sens de
l’article 21, § 2: 25 % de la moyenne de la charge des
sinistres des trois derniers exercices clôturés.
Quel que soit le montant déterminé en application
de l’alinéa 1er, le capital de solvabilité requis est au
moins égal au montant déterminé en application de
l’article 189, § 1er, 4°.
§ 2. Aux fins du présent article, la Banque précise, par
la voie d’un règlement adopté en application de l’article
12bis, § 2 de la loi du 22 février 1998:
1° le mode de calcul de la charge des sinistres;
2° les limites endéans lesquelles les interventions
des entreprises de réassurance et des véhicules de
titrisation sont prises en compte dans le calcul de la
charge des sinistres visée, des provisions techniques
et des capitaux sous risques.
Art. 286
Par dérogation à l’article 189, les entreprises visées
par la présente Section détiennent un minimum de capi-
tal requis au moins égal à 60 % du capital de solvabilité
requis calculé conformément à l’article 285.
Art. 287
§ 1er. Les articles 140 à 150 ne sont pas applicables.
§ 2. Les éléments suivants sont pris en considération
pour la constitution du capital de solvabilité requis visé
à l’article 285:
1° le capital social versé, majoré des primes d’émis-
sion ou, s’il s’agit d’associations d’assurance mutuelle,
le fonds initial effectif versé additionné des comptes de
sociétaires;
2° les réserves (légales et libres) ne correspondant
pas aux engagements ou qui ne sont pas classées
comme provisions pour égalisation et catastrophes;
931
1584/002
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
3° de overgebrachte resultaten;
4° het fonds voor toekomstige toewijzingen wanneer
dit kan worden gebruikt ter dekking van eventuele ver-
liezen en wanneer het niet beschikbaar is gesteld voor
uitkering aan de verzekeringnemers;
5° de achtergestelde leningen;
6° de helft van het niet-gestorte gedeelte van het
maatschappelijk kapitaal of van het maatschappelijk
fonds, zodra het gestorte gedeelte 25 % van dat kapitaal
of fonds bedraagt;
7° bij onderlinge verzekeringsverenigingen met vari-
abele bijdragen, de suppletiebijdragen die zij van hun
leden kunnen eisen in de volgende twaalf maanden;
8° de latente nettomeerwaarden die voortvloeien
uit de waardering van activa, voor zover deze latente
nettomeerwaarden geen uitzonderlijk karakter hebben.
Van de in het eerste lid bedoelde elementen worden
de eigen aandelen van de verzekeringsonderneming
evenals de in het eerste lid, 5° bedoelde elementen
afgetrokken die uitgegeven zijn door en rechtstreeks
worden gehouden door de verzekeringsonderneming.
De in het eerste lid, 5° tot 8° bedoelde elementen
mogen enkel in aanmerking worden genomen mits
de Bank daarvoor voorafgaandelijk haar toestemming
heeft verleend en indien het totaal van die elementen
niet meer bedraagt dan 60 % van het solvabiliteitska-
pitaalvereiste. De Bank verleent haar goedkeuring op
grond van:
1° de positie van de betrokken tegenpartijen, in ver-
band met hun vermogen en bereidheid om te betalen;
2° de invorderbaarheid van het vermogensbe-
standdeel, waarbij rekening wordt gehouden met de
rechtsvorm van het betrokken bestanddeel en met alle
omstandigheden die zouden kunnen beletten dat het
bestanddeel wordt gestort of opgevraagd;
3° informatie over de afloop van eerdere opvragingen
door de verzekerings-ondernemingen van dergelijk aan-
vullend eigen vermogen, voor zover die informatie op be-
trouwbare wijze kan worden gebruikt om de verwachte
afloop van toekomstige opvragingen te beoordelen.
§ 3. Voor de samenstelling van het minimumkapitaal-
vereiste mogen de in paragraaf 1, eerste lid, 1° tot 4°
bedoelde elementen in aanmerking worden genomen.
3° les résultats reportés;
4° le fonds pour dotations futures lorsqu’il peut être
utilisé pour couvrir des pertes éventuelles et qu’il n’a pas
été affecté à la participation des preneurs d’assurance;
5° les emprunts subordonnés;
6° la moitié de la fraction non versée du capital social
ou du fonds initial, dès que la partie versée atteint 25 %
de ce capital ou de ce fonds;
7° dans le cas d’une association d’assurance mu-
tuelle à cotisations variables, toute créance future que
cette association peut détenir sur ses membres par voie
de rappel de cotisations durant les douze mois à venir;
8° les plus-values latentes nettes provenant de
l’évaluation d’éléments d’actif, dans la mesure où
ces plus-values latentes nettes n’ont pas un caractère
exceptionnel.
Il est déduit des éléments visés à l’alinéa 1er, les
actions propres de l’entreprise d’assurance, ainsi que
les éléments visés au 5°, de l’alinéa 1er émis par et
détenus directement par l’entreprise d’assurance.
Les éléments visés aux 5° à 8° de l’alinéa 1er, ne
peuvent être pris en considération que moyennant
l’accord préalable de la Banque et à la condition que le
total de ces éléments n’excède pas la 60 % du capital de
solvabilité requis. La Banque fonde son approbation sur:
1° le statut des contreparties concernées, eu égard
à leur capacité et à leur disposition à payer;
2° la possibilité de récupération de l’élément de fonds
propres, compte tenu de la forme juridique de l’élément
considéré, ainsi que de toute circonstance qui pourrait
empêcher qu’il soit payé ou appelé avec succès;
3° toute information sur l’issue des appels émis dans
le passé par les entreprises d’assurance pour des élé-
ments de fonds propres semblables, dans la mesure où
cette information peut être raisonnablement utilisée pour
estimer l’issue attendue des futurs appels.
§ 3. Peuvent être pris en considération pour la consti-
tution du minimum de capital requis, les éléments visés
au paragraphe 1er, alinéa 1er, 1° à 4°.
932
1584/002
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
§ 4. De Bank kan bij reglement vastgesteld
overeenkomstig artikel 12bis, § 2 van de wet van
22 februari 1998 de overige voorwaarden bepalen waar-
aan de in dit artikel bedoelde eigenvermogensbestand-
delen moeten voldoen.
Art. 288
In afwijking van de artikelen 125 tot 139 be-
rekenen en boeken de in deze Afdeling bedoel-
de ondernemingen hun technische voorzieningen
volgens de regels van het koninklijk besluit van
17 november 1994 op de jaarrekening van de verzeke-
rings- en herverzekeringsondernemingen.
De in het eerste lid bedoelde technische voorzienin-
gen moeten op elk ogenblik gedekt zijn door gelijkwaar-
dige activa die de verzekeringsonderneming in volle
eigendom toebehoren.
In afwijking van artikel 123 kan de Bank, bij reglement
vastgesteld overeenkomstig artikel 12bis, § 2 van de wet
van 22 februari 1998, de regels voor de waardering van
de dekkingswaarden bepalen.
Artikel 194 is van toepassing met dien verstande
dat de activa overeenkomstig het derde lid worden
gewaardeerd.
Art. 289
De artikelen 204 tot 211 zijn niet van toepassing.
Art. 290
De artikelen 313 tot 316 zijn niet van toepassing.
Voor de toepassing van artikel 312 gelden de vol-
gende regels:
1° de frequentie van de van tevoren bepaalde tijdstip-
pen als bedoeld in paragraaf 2, 1°, a) van het genoemde
artikel 312 mag niet hoger zijn dan jaarlijks;
2° de Bank kan het regelmatig verstrekken van voor
toezichtsdoeleinden benodigde informatie beperken;
3° De Bank kan een onderneming vrijstellen van de
verplichting om itemgewijs informatie als bedoeld in het
genoemde artikel 312 te verstrekken, op voorwaarde dat
de onderneming in staat is om haar deze informatie op
eerste verzoek te verstrekken.
§ 4. La Banque peut, par la voie d’un règlement
pris conformément à l’article 12bis, § 2 de la loi du
22 février 1998, déterminer les autres conditions aux-
quelles les éléments de fonds propres visés au présent
article doivent répondre.
Art. 288
Par dérogation aux articles 125 à 139, les entreprises
visées par la présente Section calculent et comptabi-
lisent leurs provisions techniques selon les règles de
l’arrêté royal du 17 novembre 1994 relatif aux comptes
annuels des entreprises d’assurance et de réassurance.
Les provisions techniques visées à l’alinéa 1er sont
représentées à tout moment par des actifs équiva-
lents appartenant en pleine propriété à l’entreprise
d’assurance.
Par dérogation à l’article 123, la Banque peut, par
voie de règlement pris conformément à l’article 12bis,
§ 2 de la loi du 22 février 1998 déterminer les règles
d’évaluation des valeurs représentatives.
L’article 194 est applicable étant entendu que les
actifs sont évalués conformément à l’alinéa 3.
Art. 289
Les articles 204 à 211 ne sont pas d’application.
Art. 290
Les articles 313 à 316 ne sont pas d’application.
Pour l’application de l’article 312, les règles suivantes
sont applicables:
1° les moments prédéfinis visés au paragraphe 2,
1°, a) dudit article 312, ne peuvent avoir une fréquence
supérieure à un an;
2° la Banque peut limiter la communication régulière
des informations requises à des fins de contrôle;
3° la Banque peut dispenser une entreprise de l’obli-
gation de communiquer des informations visées audit
article 312 poste par poste à condition que l’entreprise
soit en mesure de lui fournir ces informations à la pre-
mière demande.
933
1584/002
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
Art. 291
Artikel 324 is niet van toepassing.
Art. 292
De artikelen 510 en 511 zijn van toepassing met dien
verstande dat de verwijzingen naar de artikelen 151 en
189 moeten worden opgevat als verwijzingen naar res-
pectievelijk de artikelen 285 en 286.
Art. 293
Indien een onderneming waarop de bepalingen van
deze Afdeling van toepassing zijn, niettegenstaande
de geografische beperking van haar activiteiten, ac-
tiviteiten uitoefent in het buitenland, stelt de Bank de
toezichthouders van de lidstaten waarin activiteiten
worden uitgeoefend, daarvan in kennis en verzoekt zij
hen passende maatregelen te treffen om te beletten
dat de onderneming deze activiteiten blijft uitoefenen
op hun grondgebied.
HOOFDSTUK III
Lokale verzekeringsondernemingen
Afdeling I
Toepassingsgebied
Art. 294
Dit Hoofdstuk is van toepassing op de verzekerings-
ondernemingen die hun verzekeringsactiviteiten beper-
ken tot de gemeente waar hun zetel is gevestigd of tot
die gemeente en de omliggende Belgische gemeenten.
Deze ondernemingen worden “lokale verzekeringson-
dernemingen” genoemd.
Art. 295
Met uitzondering van de bepalingen van dit hoofdstuk
en van de Boeken IV en V zijn de lokale verzekerings-
ondernemingen vrijgesteld van de toepassing van deze
wet.
Art. 291
L’article 324 n’est pas d’application.
Art. 292
Les articles 510 et 511 sont applicables étant entendu
que les références aux articles 151 et 189 doivent
s’entendre comme étant faites respectivement aux
articles 285 et 286.
Art. 293
Si, en violation de la limitation géographique de ses
activités, une entreprise bénéficiant des dispositions de
la présente Section exerce des activités à l’étranger,
la Banque informe les autorités de contrôle des États
membres dans lesquels des activités sont exercées et
leur demande de prendre les mesures appropriées pour
empêcher l’entreprise de poursuivre ces opérations sur
leur territoire.
CHAPITRE III
Entreprises locales d’assurance
Section Ire
Champ d’application
Art. 294
Le présent Chapitre est applicable aux entreprises
d’assurance qui restreignent leurs activités d’assurance
à la commune de leur siège et aux communes belges
limitrophes. Ces entreprises sont dénommées “entre-
prises locales d’assurance”.
Art. 295
À l’exception de celles prévues par le présent
Chapitre et des dispositions des Livres IV et V, les
entreprises locales d’assurance sont dispensées de
l’application de la présente loi.
934
1584/002
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
Afdeling II
Inschrijving
Art. 296
De toegang tot het verzekeringsbedrijf voor een lokale
verzekeringsonderneming wordt afhankelijk gesteld van
het verkrijgen van een voorafgaandelijke inschrijving.
Bij de inschrijvingsaanvraag die aan de Bank wordt
gericht, wordt een administratief dossier gevoegd dat
voldoet aan de door de Bank gestelde voorwaarden en
dat met name een beschrijving bevat van de beleids-
structuur van de onderneming en het bewijs dat voldaan
is aan de voorwaarden van artikel 298.
De Bank spreekt zich uit over de inschrijvingsaan-
vraag binnen zes maanden na indiening van een vol-
ledig dossier.
De beslissingen inzake inschrijving worden binnen
vijftien dagen ter kennis gebracht van de aanvragers
met een aangetekende brief of een brief met ontvangst-
bewijs, met inachtneming van de termijnen bedoeld in
het derde lid.
De Bank maakt een lijst op van de lokale verze-
keringsondernemingen die met toepassing van dit
Hoofdstuk zijn ingeschreven. Die lijst en alle daarin
aangebrachte wijzigingen worden op haar website
bekendgemaakt.
De artikelen 22, 23, 27 en 30 zijn van toepassing.
Art. 297
Een verzekeringsonderneming die overeenkomstig
Titel I van dit Boek een vergunning heeft verkregen,
kan afstand doen van haar vergunning en vragen om
ingeschreven te worden overeenkomstig dit Hoofdstuk,
indien:
1° zij voldoet aan alle in artikel 298 opgesomde
voorwaarden;
2° de in artikel 298, 3°, d) genoemde ondergrens in de
laatste drie jaar vóór de aanvraag niet werd overschre-
den en naar verwachting niet zal worden overschreden
in de vijf jaar na de aanvraag;
3° zij afstand doet van haar vergunning overeenkom-
stig artikel 538, met dien verstande dat paragraaf 6 van
Section II
Inscription
Art. 296
L’accès aux activités d’assurance par une entreprise
locale d’assurance est subordonné à l’octroi d’une
inscription préalable.
La demande d’inscription est adressée à la Banque,
accompagnée d’un dossier administratif répondant
aux conditions fixées par la Banque et qui comporte
notamment la description de la structure de gestion de
l’entreprise et la preuve que les conditions prévues par
l’article 298 sont satisfaites.
La Banque statue sur la demande d’inscription dans
les six mois de l’introduction d’un dossier complet.
Sans excéder le délai visé à l’alinéa 3, les décisions
en matière d’inscription sont notifiées aux demandeurs
dans les quinze jours par lettre recommandée à la poste
ou avec accusé de réception.
La Banque établit une liste des entreprises locales
d’assurance inscrites en application du présent
Chapitre. Cette liste et toutes les modifications qui y sont
apportées sont publiées sur son site Internet.
Les articles 22, 23, 27 et 30 sont d’application.
Art. 297
Une entreprise d’assurance agréée conformément au
Titre Ier du présent Livre peut renoncer à son agrément
et demander son inscription conformément au présent
Chapitre si:
1° elle remplit toutes les conditions énumérées à
l’article 298;
2° le seuil énoncé à l’article 298, 3°, d) n’a pas été
dépassé durant les trois années précédant la demande
et, selon les prévisions, n’est pas susceptible d’être
dépassé au cours des cinq années suivant la demande;
3° elle renonce à son agrément conformément à
l’article 538, le paragraphe 6 dudit article 538 n’étant
935
1584/002
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
het genoemde artikel 538 niet van toepassing is wan-
neer de onderneming met toepassing van dit Hoofdstuk
is ingeschreven.
Afdeling III
Voorwaarden voor de toekenning en het behoud van de
inschrijving
Art. 298
Om ingeschreven te kunnen worden moeten lokale
verzekeringsondernemingen aan de volgende voor-
waarden voldoen:
1° opgericht zijn in de vorm van een onderlinge ver-
zekeringsvereniging of een coöperatieve vennootschap;
2° een effectieve leiding hebben ingesteld die uit ten
minste twee personen bestaat die gezamenlijk optreden
en waarop artikel 40, § 1, tweede lid van deze wet en ar-
tikel 20 van de wet van 25 april 2014 van toepassing zijn;
3° hun activiteiten op de volgende wijze beperken:
a) de verzekerde goederen beantwoorden aan de
definitie van eenvoudige risico’s als bedoeld in arti-
kel 5 van het koninklijk besluit van 24 december 1992 tot
uitvoering van de wet van 25 juni 1992 op de landverze-
keringsovereenkomst, en zijn gelegen in de gemeente
waar de lokale verzekeringsonderneming haar zetel
heeft of in de omliggende Belgische gemeenten;
b) de verzekerde gevaren behoren tot de takken
8, 9 en 16 als vermeld in Bijlage I en, op voorwaarde
dat zij in de zin van artikel 21, § 2 bijkomend zijn bij de
voornoemde gevaren, tot de takken 1, 3, 13, 17 en 18 als
vermeld in dezelfde Bijlage;
c) zij beperken hun doel tot de directe verzekerings-
verrichtingen als bedoeld in a) en b) en de verrichtingen
die daar rechtstreeks uit voortvloeien, met uitsluiting van
elke andere handelsactiviteit;
d) het jaarlijks incasso voor de verrichtingen bedoeld
in a) en b) bedraagt niet meer dan één miljoen euro.
4° al hun directe verzekeringsactiviteiten herverzeke-
ren bij een onderneming die in België het herverzeke-
ringsbedrijf mag uitoefenen, ten belope van minstens
90 %, of 100 % voor aansprakelijkheidsrisico’s en
natuurrampen;
pas applicable dès lors que l’entreprise est inscrite en
application du présent Chapitre.
Section III
Conditions d’octroi et de maintien de l’inscription
Art. 298
L’inscription des entreprises locales d’assurance
est subordonnée au respect des conditions suivantes:
1° être constituée sous la forme d’association d’assu-
rance mutuelle ou de société coopérative;
2° avoir mis en place une direction effective consti-
tuée de deux personnes au moins agissant conjointe-
ment, l’article 40, § 1er, alinéa 2 de la présente loi et
l’article 20 de la loi du 25 avril 2014 leur étant applicable;
3° limiter leurs activités de la manière suivante:
a) les biens assurés répondent à la définition des
risques simples visée à l’article 5 de l’arrêté royal
du 24 décembre 1992 portant exécution de la loi du
25 juin 1992 sur le contrat d’assurance terrestre, et
sont situés dans la commune où l’entreprise locale
d’assurance a son siège ou dans les communes belges
limitrophes;
b) les périls assurés relèvent des branches 8, 9 et
16 mentionnées à l’Annexe I et, à condition qu’ils soient
accessoires au sens de l’article 21, § 2, aux périls pré-
cités, des branches 1, 3, 13, 17 et 18 mentionnées à la
même Annexe;
c) limiter leur objet aux opérations d’assurance directe
telles que visées aux a) et b) et aux opérations qui en
découlent directement à l’exclusion de toute autre acti-
vité commerciale;
d) limiter l’encaissement annuel concernant les
opérations visées aux a) et b) à un montant d’un million
d’euros.
4° faire réassurer l’ensemble de leurs activités d’as-
surance directe par une entreprise autorisée à exercer
l’activité de réassurance en Belgique à concurrence
d’au moins 90 %, ce pourcentage étant porté à 100 %
pour les risques de responsabilité et catastrophes
naturelles;
936
1584/002
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
5° de verzekeringsactiviteiten vóór 1 januari 2016 over-
eenkomstig de bepalingen onder 3° en 4° uitoefenen.
Afdeling IV
Toezicht
Art. 299
§ 1. De lokale verzekeringsondernemingen verstrek-
ken aan de Bank, op haar verzoek, alle informatie die
nodig is om na te gaan of voldaan is aan de in arti-
kel 298 bedoelde inschrijvingsvoorwaarden.
Voor de toepassing van het eerste lid kan de Bank
op individuele basis of bij reglement vastgesteld over-
eenkomstig artikel 12bis, paragraaf 2 van de wet van
22 februari 1998, de aard, de omvang, het formaat, de
frequentie en de wijze van indiening bepalen van de
informatie die haar door de lokale verzekeringsonder-
nemingen moet worden verstrekt.
De lokale verzekeringsondernemingen delen aan de
Bank op eigen initiatief en onverwijld alle factoren mee
die tot gevolg zouden kunnen hebben dat niet langer
voldaan is aan de inschrijvingsvoorwaarden.
De artikelen 304, tweede lid, 1° en 305 tot 307 zijn
van toepassing.
§ 2. Artikel 102, eerste lid, 2° en 3° en tweede lid en
de artikelen 105 en 106 zijn van toepassing.
Afdeling V
Uitzonderingsmaatregelen
Art. 300
Wanneer de Bank vaststelt dat een lokale verze-
keringsonderneming niet werkt overeenkomstig de
bepalingen van dit Hoofdstuk of de ter uitvoering ervan
genomen maatregelen, of wanneer zij over gegevens
beschikt waaruit blijkt dat het gevaar bestaat dat deze
onderneming in de komende twaalf maanden niet meer
zal werken overeenkomstig deze bepalingen, stelt zij de
termijn vast waarbinnen deze toestand moet worden
verholpen.
Indien de lokale verzekeringsonderneming de toe-
stand niet heeft verholpen bij het verstrijken van de met
toepassing van het eerste lid vastgestelde termijn, kan
de Bank een of meer van de maatregelen nemen die
5° exercer les activités d’assurance conformément
aux 3° et 4° antérieurement au 1er janvier 2016.
Section IV
Contrôle
Art. 299
§ 1er. Les entreprises locales d’assurance fournissent
à la Banque, à sa demande, toutes les informations
nécessaires en vue de vérifier le respect des conditions
d’inscription prévues à l’article 298.
Aux fins de l’alinéa 1er, la Banque peut définir, sur
une base individuelle ou par voie de règlement pris
conformément à l’article 12bis, paragraphe 2 de la loi
du 22 février 1998, la nature, la portée, le format, la
fréquence et les modalités de transmission des infor-
mations dont elle exige la communication de la part des
entreprises locales d’assurance.
Les entreprises locales d’assurance communiquent
à la Banque d’initiative, sans délai, tout élément sus-
ceptible de conduire au non-respect des conditions
d’inscription.
Les articles 304, alinéa 2, 1° et 305 à 307 sont
applicables.
§ 2. L’article 102, alinéa 1er, 2° et 3° et alinéa 2 et les
articles 105 et 106 sont applicables.
Section V
Mesures exceptionnelles
Art. 300
Lorsque la Banque constate qu’une entreprise d’as-
surance locale ne fonctionne pas en conformité avec les
dispositions du présent Chapitre ou des mesures prises
pour son exécution, ou qu’elle dispose d’éléments indi-
quant que cette entreprise risque de ne plus fonctionner
en conformité avec ces dispositions au cours des douze
prochains mois, elle fixe le délai dans lequel il doit être
remédié à cette situation.
Si, à l’issue du délai fixé en application de l’alinéa 1er,
l’entreprise locale d’assurance n’a pas remédié à la
situation, la Banque peut prendre une ou plusieurs
des mesures énumérées à l’article 517, § 1er, 1° à 7°.
937
1584/002
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
opgesomd zijn in artikel 517, § 1, 1° tot 7°. De paragra-
fen 2 tot 7 van hetzelfde artikel en artikel 518, eerste lid
zijn van overeenkomstige toepassing.
Afdeling VI
Beëindiging van de inschrijving
Art. 301
§ 1. Een ingeschreven lokale verzekeringsonderne-
ming kan afstand doen van de inschrijving voor al haar
activiteiten.
Artikel 538, § § 2 tot 5 is van overeenkomstige
toepassing.
§ 2. Indien de lokale verzekeringsonderneming de
toestand niet heeft verholpen bij het verstrijken van de
met toepassing van artikel 300, eerste lid vastgestelde
termijn, kan de Bank de inschrijving herroepen voor alle
verzekeringstakken die zij uitoefent.
In het geval bedoeld in het eerste lid wordt de
lokale verzekeringsonderneming van rechtswege
ontbonden en in vereffening gesteld overeenkomstig
de artikelen 183 en volgende van het Wetboek van
Vennootschappen.
§ 3. Het faillissement of de vrijwillige of gerechtelijke
ontbinding, in de zin van de artikelen 181 en 182 van
het Wetboek van Vennootschappen, van een lokale
verzekeringsonderneming heeft de doorhaling van haar
inschrijving tot gevolg voor alle verzekeringstakken die
zij uitoefent.
Art. 302
§ 1. Het is verboden nieuwe verzekeringsovereen-
komsten te sluiten wanneer de inschrijving is beëindigd.
Overeenkomstig het eerste lid en artikel 301, § 3, staan
artikel 187 van het Wetboek van Vennootschappen en ar-
tikel 46 van de faillissementswet van 8 augustus 1997 en-
kel toe dat de lopende verzekeringsovereenkomsten
worden uitgevoerd, met uitzondering van het sluiten van
nieuwe verzekeringsovereenkomsten.
§ 2. Indien de lokale verzekeringsonderneming,
niettegenstaande de geografische beperking van haar
activiteiten, activiteiten uitoefent in het buitenland, stelt
de Bank de toezichthouders van de lidstaten waarin
activiteiten worden uitgeoefend, daarvan in kennis en
verzoekt zij hen passende maatregelen te treffen om te
Les paragraphes 2 à 7 du même article et l’article 518,
alinéa 1er sont applicables par analogie.
Section VI
Fin de l’inscription
Art. 301
§ 1er. Une entreprise d’assurance locale inscrite a
la faculté de renoncer à l’inscription pour l’ensemble
de ses activités.
L’article 538, § § 2 à 5 est applicable par analogie.
§ 2. Si, à l’issue du délai fixé en application de
l’article 300, alinéa 1er, l’entreprise locale d’assurance
n’a pas remédié à la situation, la Banque peut révoquer
l’inscription pour l’ensemble des branches d’assurance
pratiquées.
Dans le cas visé à l’alinéa 1er, l’entreprise locale
d’assurance est dissoute de plein droit et entre en
liquidation conformément aux articles 183 et suivants
du Code des sociétés.
§ 3. La faillite ou la dissolution volontaire ou judiciaire
au sens des articles 181 et 182 du Code des sociétés
d’une entreprise locale d’assurance entraîne la radia-
tion de son inscription pour l’ensemble des branches
d’assurance pratiquées.
Art. 302
§ 1er. La fin de l’inscription emporte interdiction de
souscrire de nouveaux contrats d’assurance.
Conformément à l’alinéa 1er et à l’article 301, § 3,
l’article 187 du Code des sociétés et l’article 46 de la loi
du 8 août 1997 sur les faillites ne permettent que l’exécu-
tion de contrats d’assurance en cours, à l’exclusion de
la conclusion de tous nouveaux contrats d’assurance.
§ 2. Si, en violation de la limitation géographique de
ses activités, l’entreprise d’assurance locale exerce
des activités à l’étranger, la Banque informe les autori-
tés de contrôle des États membres dans lesquels des
activités sont exercées et leur demande de prendre
les mesures appropriées pour empêcher l’entreprise
938
1584/002
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
beletten dat de lokale verzekeringsonderneming deze
activiteiten blijft uitoefenen op hun grondgebied.
§ 3. Artikel 545 is van overeenkomstige toepassing.
TITEL IV
Toezicht op de ondernemingen
HOOFDSTUK I
Toezicht door de Bank
Afdeling I
Algemene beginselen
Art. 303
§ 1. De Bank waakt erover dat elke verzekerings- of
herverzekeringsonderneming werkt overeenkomstig de
bepalingen van deze wet, haar uitvoeringsbesluiten en
-reglementen en de rechtstreeks toepasbare Europese
verordeningen, onverminderd de bevoegdheden die aan
de FSMA zijn toegekend op grond van artikel 45, § 1,
eerste lid, 3°, en § 2 van de wet van 2 augustus 2002.
§ 2. Bij de uitoefening van haar algemene taken
1° houdt de Bank afdoende rekening met de gevolgen
die haar besluiten, inzonderheid in noodsituaties, kun-
nen hebben voor de stabiliteit van het financiële stelsel
van alle andere betrokken lidstaten, uitgaande van de
op het betrokken tijdstip beschikbare informatie; wan-
neer zich uitzonderlijke bewegingen op de financiële
markten voordoen, moet de Bank rekening houden met
de mogelijke procyclische effecten van haar optreden;
2° baseert haar toezicht op een toekomstgerichte,
risicogebaseerde benadering;
3° past zij overeenkomstig het evenredigheidsbegin-
sel de wettelijke en reglementaire vereisten toe, rekening
houdend met de aard, de omvang en de complexiteit
van de risico’s die inherent zijn aan de activiteit van de
verzekerings- of herverzekeringsonderneming.
§ 3. In afwijking van paragraaf 1, worden de door
deze wet opgelegde toezichtstaak en de desbetreffende
prerogatieven die door of krachtens deze wet en de
uitvoeringsmaatregelen van Richtlijn 2009/138/EG zijn
vastgelegd, toevertrouwd aan de Controledienst voor de
locale d’assurance de poursuivre ces opérations sur
leur territoire.
§ 3. L’article 545 est d’application par analogie.
TITRE IV
DU Contrôle des entreprises
CHAPITRE IER
Contrôle par la Banque
Section Ire
Principes généraux
Art. 303
§ 1er. La Banque veille à ce que chaque entreprise
d’assurance ou de réassurance opère conformément
aux dispositions de la présente loi, des arrêtés et rè-
glements pris en exécution de celle-ci ainsi que des
règlements européens directement applicables, sans
préjudice des compétences dévolues à la FSMA en
vertu de l’article 45, § 1er, alinéa 1er, 3°, et § 2, de la loi
du 2 août 2002.
§ 2. Dans l’exercice de ses missions générales, la
Banque
1° tient dûment compte de l’incidence potentielle de
ses décisions sur la stabilité du système financier de
tous les autres États membres concernés, en particulier
dans les situations d’urgence et ce, en se fondant sur
les informations disponibles au moment considéré; à
cet égard, dans les périodes d’extrêmes instabilité des
marchés financiers, la Banque prend en compte les
éventuels effets procycliques de son action;
2° fonde son contrôle sur une approche prospective
et basée sur les risques;
3° conformément au principe de proportionnalité,
applique les exigences légales et réglementaires eu
égard à la nature, à l’ampleur et à la complexité des
risques inhérents à l’activité de l’entreprise d’assurance
ou de réassurance.
§ 3. Par dérogation au paragraphe 1er, la mission de
contrôle prévue par la présente loi et les prérogatives
y afférentes prévues par ou en vertu de la présente
loi et par les mesures d’exécution de la Directive
2009/138/CE, sont confiées à l’Office de contrôle des
939
1584/002
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
ziekenfondsen voor wat de verzekeringsmaatschappijen
van onderlinge bijstand betreft.
Art. 304
Met het oog op haar opdracht kan de Bank zich
naast de informatie die de verzekerings- of herver-
zekeringsondernemingen overeenkomstig de bepa-
lingen van Afdeling III verstrekken, alle inlichtingen
doen verstrekken over de organisatie, de werking, de
positie en de verrichtingen van de verzekerings- of
herverzekeringsondernemingen.
Zij kan ter plaatse inspecties verrichten en ter plaatse
kennis nemen en een kopie maken van elk gegeven in
bezit van de onderneming,
1° om na te gaan of de wettelijke en reglementaire
bepalingen en de bepalingen van de rechtstreeks toe-
pasbare Europese verordeningen die betrekking hebben
op het statuut van de verzekerings- of herverzekerings-
ondernemingen, inzonderheid de bepalingen inzake de
solvabiliteitsvereisten, de technische voorzieningen, de
activa en het in aanmerking komend eigen vermogen,
zijn nageleefd en of de boekhouding en jaarrekening,
alsmede de haar door de onderneming voorgelegde
staten en inlichtingen, juist en waarheidsgetrouw zijn;
2° om het passende karakter te toetsen van het
governancesysteem en inzonderheid van de beleids-
structuren, de administratieve en boekhoudkundige
organisatie, de interne controle en het beleid inzake het
prospectieve beheer van de eigenvermogensbehoeften
en de liquiditeit van de onderneming;
3° om zich ervan te vergewissen dat het beleid van
de onderneming gezond en voorzichtig is en dat haar
positie of haar verrichtingen haar liquiditeit, rendabiliteit
of solvabiliteit niet in gevaar kunnen brengen.
De in het eerste en tweede lid bedoelde prerogatieven
omvatten ook de toegang tot de agenda’s en de notulen
van de vergaderingen van de verschillende organen van
de onderneming en van hun interne comités, evenals tot
de bijbehorende documenten en tot de resultaten van
de interne en/of externe beoordeling van de werking
van de genoemde organen.
Art. 305
In het kader van het door de Bank uitgeoefende
toezicht en met name van de inspecties, zijn de per-
soneelsleden van de Bank gemachtigd om van de
leiders en de werknemers van de verzekerings- of
mutualités en ce qui concerne les sociétés mutualistes
d’assurance.
Art. 304
Aux fins de sa mission, outre les informations que les
entreprises d’assurance ou de réassurance commu-
niquent conformément aux dispositions de la Section III,
la Banque peut se faire communiquer toutes informa-
tions relatives à l’organisation, au fonctionnement, à la
situation et aux opérations des entreprises d’assurance
ou de réassurance.
Elle peut procéder à des inspections sur place et
prendre connaissance et copie, sans déplacement, de
toute information détenue par l’entreprise, en vue
1° de vérifier le respect des dispositions légales et
réglementaires et des règlements européens directe-
ment applicables, relatives au statut des entreprises
d’assurance ou de réassurance, en particulier les
dispositions relatives aux exigences en matière de sol-
vabilité, de provisions techniques, d’actifs et de fonds
propres éligibles, ainsi que l’exactitude et la sincérité de
la comptabilité et des comptes annuels de même que
des états et autres informations qui lui sont transmis
par l’entreprise;
2° de vérifier le caractère adéquat du système de
gouvernance, et en particulier des structures de ges-
tion, de l’organisation administrative et comptable, du
contrôle interne et de la politique en matière de gestion
prospective des besoins en fonds propres et de la liqui-
dité de l’entreprise;
3° de s’assurer que la gestion de l’entreprise est
saine et prudente et que sa situation ou ses opérations
ne sont pas de nature à mettre en péril sa liquidité, sa
rentabilité ou sa solvabilité.
Les prérogatives visées aux alinéas 1er et 2 couvrent
également l’accès aux ordres du jour et aux procès-ver-
baux des réunions des différents organes de l’entreprise
et de leurs comités internes, ainsi qu’aux documents y
afférents et aux résultats de l’évaluation interne et/ou
externe du fonctionnement desdits organes.
Art. 305
Dans le cadre de son contrôle et notamment des
inspections, les agents de la Banque sont habilités à
recevoir des dirigeants et des employés de l’entreprise
d’assurance ou de réassurance toutes informations et
940
1584/002
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
herverzekeringsonderneming alle inlichtingen en uitleg
te verkrijgen die zij nodig achten voor de uitvoering van
hun opdrachten en kunnen zij te dien einde eisen dat er
gesprekken plaatsvinden met leiders of personeelsleden
van de onderneming die zij aanduiden.
Art. 306
De inspectieverslagen en meer in het algemeen
alle documenten die uitgaan van de Bank, waarvan zij
aangeeft dat ze vertrouwelijk zijn, mogen niet openbaar
worden gemaakt door de verzekerings- of herverzeke-
ringsondernemingen zonder uitdrukkelijke toestemming
van de Bank.
De niet-naleving van deze verplichting wordt bestraft
met de straffen waarin voorzien is in artikel 458 van het
Strafwetboek.
Art. 307
Onverminderd artikel 92, tweede lid, 3°, kan de Bank
in geval van uitbesteding ook haar inspectiepreroga-
tieven uitoefenen als bedoeld in artikel 304, tweede
lid, bij de ondernemingen waarop de verzekerings- of
herverzekeringsondernemingen een beroep doen als
dienstverleners (uitbesteding – outsourcing) om na te
gaan of de voorwaarden voor die dienstverlening geen
afbreuk doen aan de naleving door de verzekerings- of
herverzekeringsondernemingen van hun wettelijke en
reglementaire verplichtingen. De in de artikelen 305 en
310 bedoelde prerogatieven kunnen, naar analogie, ook
worden uitgeoefend ten aanzien van die dienstverleners.
De toezichthouders van een andere lidstaat waarvan
de verzekerings- of herverzekeringsondernemingen
die onder hun toezichtsbevoegdheid vallen, een be-
roep doen op in België gevestigde dienstverlenende
ondernemingen (uitbesteding – outsourcing), mogen
ten aanzien van die dienstverleners de in het eerste
lid bedoelde prerogatieven uitoefenen, in voorkomend
geval door middel van personen die zij daartoe machti-
gen. Wanneer zij daarom verzoeken kan de Bank haar
prerogatieven namens deze toezichthouders uitoefenen.
Art. 308
Met het oog op een efficiënt en gecoördineerd toe-
zicht op de verzekeringsondernemingen sluiten de Bank
en de FSMA enerzijds en de Bank en de Controledienst
explications qu’ils estiment nécessaires pour l’exercice
de leurs missions et peuvent, à cette fin, requérir la
tenue d’entretiens avec des dirigeants ou membres du
personnel de l’entreprise qu’ils désignent.
Art. 306
Les rapports d’inspection et plus généralement tous
les documents émanant de la Banque dont elle indique
qu’ils sont confidentiels ne peuvent être divulgués par
les entreprises d’assurance ou de réassurance sans le
consentement exprès de la Banque.
Le non-respect de cette obligation est puni des peines
prévues par l’article 458 du Code pénal.
Art. 307
Sans préjudice de l’article 92, alinéa 2, 3°, en cas de
recours à la sous-traitance, la Banque peut également
exercer ses prérogatives d’inspection visées à l’ar-
ticle 304, alinéa 2 auprès des entreprises auxquelles les
entreprises d’assurance ou de réassurance recourent
en qualité de prestataires de services (sous-traitance
– outsourcing) afin de vérifier si les conditions de ces
prestations ne sont pas de nature à porter atteinte au
respect par les entreprises d’assurance ou de réassu-
rance de leurs obligations légales et réglementaires.
Les prérogatives visées aux articles 305 et 310 peuvent
également, par analogie, être exercées à l’égard de ces
prestataires de services.
Les autorités de contrôle d’un autre État membre
dont les entreprises d’assurance ou de réassurance
qui ressortissent de leurs compétences de contrôle
recourent à des entreprises en qualité de prestataires
de services (sous-traitance – outsourcing) situées en
Belgique peuvent exercer à l’égard de ces prestataires
de services les prérogatives prévues à l’alinéa 1er , le
cas échéant par l’intermédiaire des personnes qu’elles
mandatent à cet effet. À leur demande, la Banque peut
exercer ces prérogatives pour le compte de de ces
autorités.
Art. 308
En vue d’assurer un contrôle efficace et coordonné
des entreprises d’assurance, la Banque et la FSMA,
d’une part, la Banque et l’Office de contrôle des
941
1584/002
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
voor de ziekenfondsen anderzijds, een overeenkomst.
Zij maken deze overeenkomst bekend op hun respec-
tieve websites.
Deze overeenkomsten bepalen de modaliteiten van
de samenwerking tussen, respectievelijk, de Bank en
de FSMA, en de Bank en de Controledienst voor de
ziekenfondsen in alle gevallen waar de wet voorziet in
een advies, raadpleging, informatie of ander contact
tussen deze instellingen of waar overleg tussen deze
instellingen noodzakelijk is om een eenvormige toepas-
sing van de wetgeving te verzekeren.
Art. 309
Relaties tussen een verzekerings- of herverzekerings-
onderneming en een bepaalde cliënt behoren niet tot
de bevoegdheid van de Bank tenzij het toezicht op die
onderneming dit vergt.
Afdeling II
Toezicht op in een andere lidstaat uitgeoefende activiteiten
Art. 310
§ 1. De Bank kan bij de bijkantoren van verzeke-
rings- of herverzekeringsondernemingen naar Belgisch
recht die in een andere lidstaat zijn gevestigd, na
voorafgaande kennisgeving aan de toezichthouders
van die staat, de in artikel 304, tweede lid bedoelde
inspecties verrichten, alsook alle inspecties met als
doel ter plaatse gegevens te verzamelen of te toetsen
over de leiding en het beleid van het bijkantoor, alsook
alle gegevens die het toezicht op de verzekerings- of
herverzekeringsonderneming kunnen vergemakkelijken.
De toezichthouders van de lidstaat van ontvangst kun-
nen aan die toetsing deelnemen.
Met hetzelfde doel en na kennisgeving aan de in
het eerste lid bedoelde autoriteiten, kan de Bank een
deskundige die zij aanstelt, gelasten met alle nuttige
controles en onderzoeken. De bezoldiging en de kosten
van deze deskundige worden door de onderneming
gedragen.
Evenzo kan zij deze autoriteiten verzoeken bepaalde
van de in het eerste lid bedoelde controles en onder-
zoeken te verrichten.
Wanneer de autoriteiten van de lidstaat van ont-
vangst haar echter verhinderen haar recht op die
controles uit te oefenen of indien de autoriteiten
van die lidstaat niet kunnen deelnemen aan die
mutualités, d’autre part, concluent un protocole. Elles
publient ce protocole sur leur site internet respectif.
Ces protocoles déterminent les modalités de la colla-
boration entre, respectivement, la Banque et la FSMA,
et la Banque et l’Office de contrôle des mutualités
dans tous les cas où la loi prévoit un avis, une consul-
tation, une information ou tout autre contact entre ces
institutions, ainsi que dans les cas où une concertation
entre ces institutions est nécessaire pour assurer une
application uniforme de la législation.
Art. 309
La Banque ne connaît des relations entre une
entreprise d’assurance ou de réassurance et un client
déterminé que dans la mesure requise pour le contrôle
de cette entreprise.
Section II
Contrôle des activités exercées dans un autre État membre
Art. 310
§ 1er. La Banque peut procéder auprès des succur-
sales des entreprises d’assurance ou de réassurance
de droit belge établies dans un autre État membre,
moyennant l’information préalable des autorités de
contrôle de cet État, aux inspections visées à l’ar-
ticle 304, alinéa 2, ainsi qu’à toute inspection en vue
de recueillir ou de vérifier sur place les informations
relatives à la direction et à la gestion de la succursale
ainsi que toutes informations susceptibles de faciliter le
contrôle de l’entreprise d’assurance ou de réassurance.
Les autorités de contrôle de l’État membre d’accueil
peuvent participer à cette vérification.
La Banque peut, aux mêmes fins, et après en avoir
avisé les autorités visées à l’alinéa 1er, charger un
expert, qu’elle désigne, d’effectuer les vérifications et
expertises utiles. La rémunération et les frais de l’expert
sont à charge de l’entreprise.
Elle peut, de même, demander à ces autorités de
procéder aux vérifications et expertises visées à l’ali-
néa 1er qu’elle leur précise.
Lorsqu’il lui est néanmoins interdit par les autorités
de l’État membre d’accueil d’exercer son droit à ces
vérifications ou que les autorités de cet État ne sont pas
en mesure de participer à ces vérifications, la Banque
942
1584/002
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
controles, kan de Bank overeenkomstig artikel 19 van
Verordening 1094/2010 de zaak aan EIOPA voorleggen
en om haar bijstand verzoeken.
§ 2. Wanneer de in artikel 307, eerste lid bedoelde
dienstverleners in een andere lidstaat zijn gevestigd, is
paragraaf 1 van overeenkomstige toepassing op de bij
hen verrichte controles.
Art. 311
Wanneer de toezichthouders van een lidstaat van
ontvangst vaststellen dat een verzekerings- of herver-
zekeringsonderneming dat op haar grondgebied een
bijkantoor heeft of aldaar werkzaam is in het kader van
het vrij verrichten van diensten, de op haar toepasse-
lijke wettelijke bepalingen van die lidstaat niet naleeft,
neemt de Bank op verzoek van deze toezichthouders
onverwijld alle passende maatregelen om ervoor te
zorgen dat de onderneming een einde maakt aan deze
onregelmatige situatie.
De Bank kan inzonderheid een of meer van de in de
artikelen 517 en 603 bedoelde maatregelen nemen.
De Bank brengt de toezichthouders van de lid-
staat van ontvangst op de hoogte van de getroffen
maatregelen.
In de gevallen bedoeld in artikel 155, lid 3 van Richtlijn
2009/138/EG kan de Bank de zaak aan EIOPA voorleg-
gen en om haar bijstand verzoeken overeenkomstig
artikel 19 van Verordening 1094/2010.
Afdeling III
Voor toezichtsdoeleinden te verstrekken informatie
Art. 312
§ 1. De verzekerings- of herverzekeringsondernemin-
gen verstrekken aan de Bank alle voor toezichtsdoel-
einden benodigde informatie, rekening houdend met
de doelstellingen van het toezicht die vastgelegd zijn in
artikel 303. Deze informatie bevat ten minste de gege-
vens die nodig zijn voor de uitvoering van de volgende
taken in het kader van de tenuitvoerlegging van het in
Afdeling IV bedoelde toezichtsproces:
1° beoordelen van het door de ondernemingen toe-
gepaste governancesysteem, de door hen uitgeoefende
activiteiten, de voor solvabiliteitsdoeleinden gehan-
teerde waarderingsgrondslagen, de risico’s waaraan zij
peut saisir l’EIOPA, et solliciter son aide conformément
à l’article 19 du Règlement 1094/2010.
§ 2. Lorsque les prestataires de services visés à
l’article 307, alinéa 1er sont situés dans un autre État
membre, le paragraphe 1er est applicable par analogie
en ce qui concerne les vérifications à leur égard.
Art. 311
À la demande des autorités de contrôle d’un État
membre d’accueil qui constatent qu’une entreprise
d’assurance ou de réassurance ayant une succursale
ou opérant dans le cadre de la libre prestation de ser-
vices sur son territoire ne respecte pas les dispositions
légales de cet État membre qui lui sont applicables, la
Banque prend, dans les plus brefs délais, toutes les
mesures appropriées pour que l’entreprise mette fin à
cette situation irrégulière.
En particulier, la Banque peut prendre une ou plu-
sieurs des mesures visées aux articles 517 et 603.
La Banque informe les autorités de contrôle de l’État
membre d’accueil des mesures qui ont été prises.
Dans les cas visés à l’article 155, paragraphe 3 de la
Directive 2009/138/CE, la Banque peut saisir l’EIOPA,
et solliciter son aide conformément à l’article 19 du
Règlement 1094/2010.
Section III
Informations aux fins du contrôle
Art. 312
§ 1er. Les entreprises d’assurance ou de réassurance
fournissent à la Banque toutes les informations néces-
saires aux fins du contrôle, compte tenu des objectifs
du contrôle établis à l’article 303. Ces informations
comprennent au minimum les informations nécessaires
à l’exécution des tâches suivantes, dans le cadre de
la mise en œuvre du processus de contrôle visé à la
Section IV:
1° évaluer le système de gouvernance appliqué par
les entreprises, leurs activités, les principes d’évaluation
qu’elles appliquent à des fins de solvabilité, les risques
auxquels elles sont exposées et leurs systèmes de
943
1584/002
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
blootstaan en hun risicobeheersystemen, hun kapitaal-
structuur, kapitaalbehoeften en kapitaalbeheer;
2° in het kader van de uitoefening van haar rechten en
functies met betrekking tot het toezicht elke passende
beslissing nemen.
§ 2. Voor de toepassing van paragraaf 1 kan de Bank:
1° de aard, de omvang, het formaat, de frequentie
en de wijze van indiening van de in paragraaf 1 be-
doelde informatie vaststellen, op individuele basis of
bij reglement vastgesteld overeenkomstig artikel 12bis,
§ 2 van de wet van 22 februari 1998, en deze informatie
bij de verzekerings- en herverzekeringsondernemingen
opvragen:
a) op van tevoren bepaalde tijdstippen;
b) wanneer er zich van tevoren omschreven gebeur-
tenissen voordoen;
c) bij onderzoek naar de situatie van een verzeke-
rings- of herverzekeringsonderneming;
2° alle informatie inwinnen over overeen komsten die
in het bezit zijn van tussenpersonen, of over overeen-
komsten die met derden worden aangegaan;
3° informatie opvragen bij externe deskundigen;
4° eisen dat haar geregeld andere cijfergegevens of
uitleg dan deze bedoeld in paragraaf 1 worden verstrekt,
indien zij deze gegevens nodig heeft om te kunnen
nagaan of de bepalingen van deze wet of van de ter
uitvoering ervan genomen besluiten en reglementen en
van de uitvoeringsmaatregelen van Richtlijn 2009/138/
EG zijn nageleefd.
§ 3. De in de paragrafen 1 en 2 bedoelde informatie
bestaat uit:
1° kwalitatieve of kwantitatieve elementen of een
passende combinatie daarvan;
2° historische, huidige of prospectieve elementen of
een passende combinatie daarvan;
3° gegevens uit interne of externe bronnen of een
passende combinatie daarvan.
§ 4. Voor de in de paragrafen 1 en 2 bedoelde infor-
matie worden de volgende beginselen in acht genomen:
gestion des risques, la structure de leur capital, leurs
besoins en capital et la gestion de leur capital;
2° prendre toute décision appropriée qu’appelle
l’exercice de ses droits et fonctions en matière de
contrôle.
§ 2. Aux fins du paragraphe 1er, la Banque peut:
1° définir, sur une base individuelle ou par voie d’un
règlement pris conformément à l’article 12bis, § 2, de
la loi du 22 février 1998, la nature, la portée, le format,
la fréquence et les modalités de transmission des
informations visées au paragraphe 1er, dont elle exige la
communication de la part des entreprises d’assurance
ou de réassurance aux moments suivants:
a) à des moments prédéfinis;
b) lorsque des événements prédéfinis se produisent;
c) lors d’enquêtes concernant la situation d’une
entreprise d’assurance ou de réassurance;
2° obtenir toute information relative aux contrats
détenus par des intermédiaires ou aux contrats conclus
avec des tiers;
3° exiger des informations de la part d’experts
externes;
4° prescrire la transmission régulière d’informations
chiffrées ou descriptives autres que celles visées au
paragraphe 1er, lorsque ces informations sont néces-
saires à la vérification du respect des dispositions de
la présente loi ou des arrêtés et règlements pris en
exécution de celle-ci ainsi que des mesures d’exécution
de la Directive 2009/138/CE.
§ 3. Les informations visées aux paragraphes 1er et
2 comprennent:
1° des éléments qualitatifs ou quantitatifs, ou toute
combinaison appropriée de ces éléments;
2° des éléments historiques, actuels ou prospectifs,
ou toute combinaison appropriée de ces éléments;
3° des données provenant de sources internes ou
externes, ou toute combinaison appropriée de ces
données.
§ 4. Les informations visées aux paragraphes 1er et
2 respectent les principes suivants:
944
1584/002
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
1° er moet rekening worden gehouden met de aard,
de omvang en de complexiteit van de activiteiten van de
betrokken onderneming, en met name met de risico’s
die aan die activiteit verbonden zijn;
2° zij is toegankelijk, in alle essentiële opzichten vol-
ledig, vergelijkbaar en in de tijd gezien consistent;
3° zij is relevant, betrouwbaar en begrijpelijk.
Art. 313
Niettegenstaande de van tevoren bepaalde tijdstip-
pen als bedoeld in artikel 312, § 2, 1°, a) maar onver-
minderd artikel 189, § 4, kan de Bank toestaan dat een
verzekerings- of herverzekeringsonderneming de voor
toezichtsdoeleinden benodigde informatie niet vaker
dan eenmaal per jaar meedeelt wanneer het verstrek-
ken van die informatie een belasting zou vormen die
niet in verhouding staat tot de aard, de omvang en de
complexiteit van de risico’s die verbonden zijn aan de
activiteit van de onderneming.
Art. 314
De Bank kan het regelmatig verstrekken van voor
toezichtsdoeleinden benodigde informatie beperken
of de verzekerings- of herverzekeringsondernemingen
vrijstellen van deze verplichting om itemgewijs informatie
te verstrekken wanneer:
1° het verstrekken van die informatie een belasting
zou vormen die niet in verhouding staat tot de aard, de
omvang en de complexiteit van de risico’s die verbonden
zijn aan de activiteit van de onderneming;
2° het verstrekken van die informatie niet nodig is voor
het effectieve toezicht op de onderneming;
3° de vrijstelling niet schadelijk is voor de stabiliteit
van de betrokken financiële stelsels in de Europese
Unie; en
4° de onderneming informatie op ad-hocbasis kan
verstrekken.
Art. 315
De artikelen 313 en 314, voor zover zij het itemge-
wijs verstrekken van informatie betreffen, zijn niet van
toepassing wanneer de verzekerings- of herverzeke-
ringsonderneming deel uitmaakt van een groep in de
zin van artikel 339, 2°, tenzij die onderneming tegenover
1° elles reflètent la nature, l’ampleur et la complexité
des activités de l’entreprise concernée et notamment
les risques inhérents à cette activité;
2° elles sont accessibles, complètes pour tout ce qui
est important, comparables et cohérentes dans la durée;
3° elles sont pertinentes, fiables et compréhensibles.
Art. 313
Nonobstant les moments prédéfinis visés à l’ar-
ticle 312, § 2, 1°, a) mais sans préjudice de l’article 189,
§ 4, la Banque peut autoriser une entreprise d’assurance
ou de réassurance à ne communiquer les informations
à des fins de contrôle qu’une fois par an au maximum
lorsque la fourniture de ces informations représenterait
une charge disproportionnée compte tenu de la nature,
de l’ampleur et de la complexité des risques inhérents
à l’activité de l’entreprise.
Art. 314
La Banque peut limiter la communication régulière
des informations requises à des fins de contrôle ou dis-
penser des entreprises d’assurance ou de réassurance
de cette obligation de communication d’informations
poste par poste, lorsque:
1° la fourniture de ces informations représenterait une
charge disproportionnée compte tenu de la nature, de
l’ampleur et de la complexité des risques inhérents à
l’activité de l’entreprise;
2° la fourniture de ces informations n’est pas néces-
saire au contrôle effectif de l’entreprise;
3° la dispense ne nuit pas à la stabilité des systèmes
financiers concernés dans l’Union européenne; et
4° l’entreprise est en mesure de fournir des informa-
tions de façon ad hoc.
Art. 315
Les articles 313 et 314, en ce qu’ils concernent la
communication d’informations poste par poste, ne
sont pas applicables lorsque l’entreprise d’assurance
ou de réassurance fait partie d’un groupe au sens de
l’article 339, 2°, à moins que cette entreprise démontre
945
1584/002
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
de Bank aantoont dat het frequenter verstrekken van
informatie dan eenmaal per jaar of het itemgewijs ver-
strekken van informatie niet aangewezen is, gelet op de
aard, de omvang en de complexiteit van de risico’s die
verbonden zijn aan de activiteit van de groep en rekening
houdend met de doelstelling van financiële stabiliteit.
De vrijstelling bedoeld in het eerste lid kan enkel aan
de volgende ondernemingen worden verleend:
1° ondernemingen die samen niet meer dan 20 %
van de Belgische verzekerings- of herverzekeringsmarkt
“niet-leven” vertegenwoordigen, waarbij het markt-
aandeel van die ondernemingen gebaseerd is op de
geboekte brutopremies;
2° ondernemingen die samen niet meer dan 20 %
van de Belgische verzekerings- of herverzekeringsmarkt
“leven” vertegenwoordigen, waarbij het marktaandeel
van die ondernemingen gebaseerd is op de bruto tech-
nische voorzieningen.
Bij het bepalen of ondernemingen voor die vrijstel-
lingen in aanmerking komen, geeft de Bank voorrang
aan de kleinste ondernemingen.
Art. 316
Voor de toepassing van de artikelen 313 en 314 be-
oordeelt de Bank in het kader van het prudentieel
toezichtsproces of het verstrekken van informatie een
belasting vormt die niet in verhouding staat tot de aard,
de omvang en de complexiteit van de risico’s waaraan
de onderneming blootstaat, waarbij ten minste rekening
wordt gehouden met:
1° het volume van de premies, de technische voor-
zieningen en de activa van de onderneming;
2° de volatiliteit van de schadegevallen en schade-
vergoedingen die gedekt worden door de onderneming;
3° de marktrisico’s die voortvloeien uit de beleggingen
van de onderneming;
4° de risicoconcentratie;
5° het totaal aantal levens- en niet-levensverzeke-
ringstakken waarvoor een vergunning is verleend;
6° mogelijke effecten van het beheer van de activa
van de onderneming op de financiële stabiliteit;
à la Banque que la communication d’informations à une
fréquence supérieure à une fois l’an ou poste par poste
est inappropriée, eu égard à la nature, à l’ampleur et à la
complexité des risques inhérents à l’activité du groupe
et compte tenu de l’objectif de stabilité financière.
La dispense visée à l’alinéa 1er n’est permise qu’aux
entreprises suivantes:
1° les entreprises qui, ensemble, ne représentent pas
plus de 20 % du marché belge d’assurance ou de réas-
surance non-vie, étant entendu que la part de marché
de ces entreprises repose sur des primes brutes émises;
2° les entreprises qui, ensemble, ne représentent
pas plus de 20 % du marché belge de l’assurance ou
de la réassurance vie, étant entendu que la part de
marché de ces entreprises repose sur les provisions
techniques brutes.
La Banque donne priorité aux plus petites entreprises
lorsqu’elle détermine l’éligibilité de ces entreprises à
ces dispenses.
Art. 316
Aux fins des articles 313 et 314, dans le cadre du
processus de contrôle prudentiel, la Banque évalue
si la fourniture d’informations représente une charge
disproportionnée eu égard à la nature, à l’ampleur et
à la complexité des risques à laquelle l’entreprise est
exposée, compte tenu, au moins:
1° du volume des primes, des provisions techniques
et des actifs de l’entreprise;
2° de la volatilité des sinistres et des indemnisations
couverts par l’entreprise;
3° des risques de marché auxquels les investisse-
ments de l’entreprise donnent lieu;
4° du niveau de concentrations du risque;
5° du nombre total de branches d’assurance-vie et
non-vie pour lesquelles l’agrément est accordé;
6° des effets potentiels de la gestion des actifs de
l’entreprise sur la stabilité financière;
946
1584/002
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
7° de systemen en structuren van de onderneming
om informatie te verstrekken voor toezichtsdoeleinden,
en de schriftelijk vast gelegde beleidslijn bedoeld in
artikel 77, § 7;
8° de geschiktheid van het governancesysteem van
de onderneming;
9° het niveau van het eigen vermogen ter dek-
king van het solvabiliteitskapitaalvereiste en van het
minimumkapitaalvereiste;
10° het feit of de onderneming al dan niet een verze-
keringscaptive of herverzekeringscaptive is die uitslui-
tend de risico’s dekt van de industriële of commerciële
groep waartoe zij behoort.
Art. 317
§ 1. Ten minste drie weken vóór de bijeenkomst van
de algemene vergadering of, bij ontstentenis ervan, van
het beslissingsorgaan van de onderneming, stellen de
verzekerings- of herverzekeringsondernemingen de
Bank in kennis van de ontwerpen van wijzigingen in de
statuten, alsook van de beslissingen die zij van plan zijn
tijdens die vergadering te nemen en die een weerslag
zouden kunnen hebben op de overeenkomsten in het
algemeen.
De Bank kan eisen dat de door haar geformuleerde
opmerkingen over die ontwerpen ter kennis worden ge-
bracht van de algemene vergadering of, bij ontstentenis
ervan, van het beslissingsorgaan van de onderneming.
§ 2. Binnen een maand na de goedkeuring ervan
door de algemene vergadering, of, bij ontstentenis,
door het bevoegde besluitvormingsorgaan, stellen de
verzekerings- of herverzekeringsondernemingen de
Bank in kennis van de wijzigingen in de statuten en van
de beslissingen die een weerslag kunnen hebben op
de overeenkomsten.
Binnen een termijn van een maand te rekenen vanaf
de datum waarop zij er kennis van heeft gekregen, kan
de Bank zich verzetten tegen de uitvoering van alle
beslissingen of wijzigingen als bedoeld in het eerste lid
die strijdig zouden zijn met de bepalingen van deze wet
of haar uitvoeringsmaatregelen of de uitvoeringsmaat-
regelen van Richtlijn 2009/138/EG.
7° des systèmes et structures de l’entreprise lui per-
mettant de communiquer des informations aux fins du
contrôle et de la politique écrite visée à l’article 77, § 7;
8° de l’adéquation du système de gouvernance de
l’entreprise;
9° du niveau des fonds propres couvrant le capital
de solvabilité requis et le minimum de capital requis;
10° du fait que l’entreprise est ou non une entreprise
captive d’assurance ou de réassurance couvrant uni-
quement les risques associés au groupe commercial
ou industriel auquel elle appartient.
Art. 317
§ 1er. Les entreprises d’assurance ou de réassurance
communiquent à la Banque au moins trois semaines
avant la réunion de l’assemblée générale ou, à son
défaut, de l’organe de décision de l’entreprise, les pro-
jets de modifications aux statuts, ainsi que les décisions
qu’elles se proposent de prendre lors de cette réunion
et qui sont susceptibles d’avoir une incidence sur les
contrats en général.
La Banque peut exiger que les observations qu’elle
formule concernant ces projets soient portées à la
connaissance de l’assemblée générale ou, à son défaut,
de l’organe de décision de l’entreprise.
§ 2. Les entreprises d’assurance ou de réassurance
communiquent à la Banque dans le mois suivant leur
approbation par l’assemblée générale ou, à son défaut,
par l’organe de décision compétent, les modifications
aux statuts ainsi que les décisions qui peuvent avoir une
incidence sur les contrats.
La Banque peut, dans un délai d’un mois à partir
de la date où elle en a eu connaissance, s’opposer à
l’exécution de toutes décisions ou modifications visées à
l’alinéa 1er, qui violeraient les dispositions de la présente
loi ou de ses mesures d’exécution ou des mesures
d’exécution de la Directive 2009/138/CE.
947
1584/002
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
Afdeling IV
Procedure van prudentieel toezicht
Onderafdeling I
Procedure van prudentiële toetsing en evaluatie
Art. 318
In het kader van haar opdracht als bedoeld in arti-
kel 303 onderzoekt en evalueert de Bank op regelmatige
basis de strategieën, processen en rapporteringspro-
cedures die de verzekerings- of herverzekeringsonder-
nemingen hebben vastgesteld om te voldoen aan de
bepalingen die door of krachtens deze wet zijn opgelegd
en aan de bepalingen van de maatregelen tot uitvoering
van Richtlijn 2009/138/EG.
Daarbij worden de kwalitatieve vereisten inzake het
governancesysteem beoordeeld, worden de risico’s
beoordeeld waaraan de betrokken ondernemingen
blootstaan of zouden kunnen blootstaan en wordt het
vermogen van deze ondernemingen beoordeeld om
deze risico’s te beoordelen rekening houdend met de
omgeving waarin zij werkzaam zijn.
Art. 319
De Bank onderzoekt en evalueert met name, over-
eenkomstig de maatregelen tot uitvoering van Richtlijn
2009/138/EG, of voldaan is aan:
1° de in artikel 42 beschreven vereisten inzake het
governancesysteem, met name de interne beoordeling
van het eigen risico en de solvabiliteit;
2° de vereisten inzake de technische voorzieningen,
als beschreven in de artikelen 124 tot 139;
3° de kapitaalvereisten als beschreven in de artike-
len 151 tot 189;
4° de beleggingsvoorschriften als beschreven in de
artikelen 190 tot 198;
5° de vereisten inzake de kwantiteit en de kwaliteit
van het eigen vermogen, als beschreven in de artikelen
140 tot 150;
6° wanneer de verzekerings- of herverzekerings-
onderneming een volledig of gedeeltelijk intern model
gebruikt: de vereisten die gesteld worden aan volledig
of gedeeltelijk interne modellen, als beschreven in de
artikelen 167 tot 188.
Section IV
Processus de surveillance prudentielle
Sous-section Ire
Procédure de contrôle et d’évaluation prudentiels
Art. 318
Dans le cadre de sa mission visée à l’article 303, la
Banque examine et évalue, sur une base régulière, les
stratégies, les processus et les procédures de com-
munication d’informations établis par les entreprises
d’assurance ou de réassurance en vue de se conformer
aux dispositions prévues par ou en vertu de la présente
loi ainsi qu’aux dispositions des mesures d’exécution
de la Directive 2009/138/CE.
Cet examen et cette évaluation comprennent l’appré-
ciation des exigences qualitatives relatives au système
de gouvernance, l’appréciation des risques auxquels
les entreprises concernées sont exposées ou pour-
raient être exposées et l’appréciation de leur capacité
à mesurer ces risques compte tenu de l’environnement
dans lequel elles opèrent.
Art. 319
En particulier, la Banque examine et évalue, confor-
mément aux mesures d’exécution de la Directive
2009/138/CE, s’il est satisfait:
1° aux exigences concernant le système de gouver-
nance prévues à l’article 42, notamment l’évaluation
interne des risques et de la solvabilité;
2° aux exigences concernant les provisions tech-
niques prévues aux articles 124 à 139;
3° aux exigences de capital prévues aux articles 151 à
189;
4° aux règles d’investissement prévues aux ar-
ticles 190 à 198;
5° aux exigences concernant la quantité et la qualité
des fonds propres prévues aux articles 140 à 150;
6° lorsque l’entreprise d’assurance ou de réassu-
rance utilise un modèle interne intégral ou partiel, aux
exigences applicables aux modèles internes intégraux
et partiels prévues aux articles 167 à 188.
948
1584/002
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
In dit verband zorgt de Bank voorpassende monito-
ringinstrumenten waarmee ze een verslechtering van
de financiële positie van een verzekerings- of herver-
zekeringsonderneming kan detecteren en waarmee ze
kan nagaan hoe deze verslechtering wordt verholpen.
Art. 320
De Bank beoordeelt ook de adequaatheid van de
methodes en praktijken van de verzekerings- of herver-
zekeringsondernemingen om mogelijke gebeurtenissen
of toekomstige veranderingen in de economische con-
junctuur in kaart te brengen die de algehele financiële
positie van de betrokken onderneming zouden kunnen
aantasten.
Ze beoordeelt het vermogen van de ondernemin-
gen om het hoofd te bieden aan dergelijke mogelijke
gebeurtenissen of toekomstige veranderingen in de
economische conjunctuur.
Art. 321
De Bank bepaalt de frequentie en de omvang van de
in de artikelen 318 tot 320 bedoelde onderzoeken en
evaluaties en houdt daarbij rekening met de omvang van
de betrokken verzekerings- of herverzekeringsonderne-
mingen, en met de aard, de omvang en de complexiteit
van hun activiteiten.
Onderafdeling II
Stresstests
Art. 322
Indien zij van oordeel is dat de stresstests die overeen-
komstig artikel 23 van Verordening 1094/2010 worden
uitgevoerd, onvoldoende resultaten opleveren, onder-
werpt de Bank de verzekerings- of herverzekeringson-
dernemingen aan specifieke prudentiële stresstests,
rekening houdend met de bijzondere kenmerken van
de verzekerings- en herverzekeringssector in België,
om de in de artikelen 318 tot 321 bedoelde toetsings-
en evaluatieprocedure en de uitoefening van het
groepstoezicht als bedoeld in Hoofdstuk II van Titel V
te vergemakkelijken.
À cet égard, la Banque met en place les outils de
suivi appropriés, qui lui permettent de détecter toute
détérioration de la situation financière d’une entreprise
d’assurance ou de réassurance et de vérifier de quelle
manière il y est porté remède.
Art. 320
La Banque évalue également l’adéquation des
méthodes et pratiques appliquées par les entreprises
d’assurance ou de réassurance en vue de détecter les
éventuels aléas ou changements de la conjoncture éco-
nomique qui pourraient avoir un impact défavorable sur
la situation financière globale de l’entreprise concernée.
Elle évalue la capacité desdites entreprises à sur-
monter ces éventuels aléas ou changements de la
conjoncture économique.
Art. 321
La Banque détermine la fréquence et l’ampleur des
examens et évaluations visés aux articles 318 à 320 en
tenant compte de la taille des entreprises d’assurance
ou de réassurance concernées, et de la nature, du
volume et de la complexité de leurs activités.
Sous-section II
Tests de résistance
Art. 322
Si elle estime que les tests de résistance effectués
conformément à l’article 23 du Règlement 1094/2010 ne
fournissent pas des résultats suffisants, la Banque peut
soumettre les entreprises d’assurance ou de réassu-
rance à des tests de résistance prudentiels spécifiques
prenant en compte les particularités du secteur de
l’assurance et de la réassurance en Belgique, aux fins
de faciliter la procédure de contrôle et d’évaluation visée
aux articles 318 à 321 ainsi que l’exercice du contrôle
de groupe visé au Chapitre II du Titre V.
949
1584/002
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
Onderafdeling III
Prudentiële maatregelen – Opslagfactor van het
kapitaalvereiste
Art. 323
§ 1. Op grond van de resultaten van de toetsings- en
evaluatieprocedure of van de stresstests die overeen-
komstig de artikelen 318 tot 322 worden uitgevoerd, kan
de Bank voor een verzekerings- of herverzekeringson-
derneming een specifieke kapitaalopslagfactor van het
kapitaalvereiste opleggen bovenop de vereisten die door
of krachtens deze wet of de uitvoeringsmaatregelen
van Richtlijn 2009/138/EG zijn opgelegd, om rekening
te houden met de risico’s waaraan deze onderneming
blootstaat of zou kunnen blootstaan.
§ 2. De kapitaalopslagfactor als bedoeld in paragraaf
1 kan enkel worden opgelegd in de volgende uitzonder-
lijke gevallen:
1° de Bank is van oordeel dat het risicoprofiel van de
verzekerings- of herverzekeringsonderneming signifi-
cant afwijkt van de hypothesen die ten grondslag liggen
aan het solvabiliteitskapitaalvereiste zoals dit met de
standaardformule overeenkomstig de artikelen 153 tot
166 is berekend, en:
a) dat het vereiste om op grond van artikel 173 een
intern model te gebruiken, niet is aangewezen of dat het
gebruik ervan ondoeltreffend is gebleken; of
b) dat overeenkomstig artikel 170 een volledig of
gedeeltelijk intern model wordt ontwikkeld, dat echter
nog niet operationeel is;
2° de Bank is van oordeel dat het risicoprofiel van
de verzekerings- of herverzekeringsonderneming sig-
nificant afwijkt van de hypothesen die ten grondslag
liggen aan het solvabiliteitskapitaalvereiste zoals dit
met een intern model of een gedeeltelijk intern model
overeenkomstig de artikelen 167 tot 188 is berekend,
omdat met bepaalde kwantificeerbare risico’s onvol-
doende rekening wordt gehouden en het niet binnen
een passend tijdskader gelukt is om het model beter af
te stemmen op het gegeven risicoprofiel;
3° de Bank is van oordeel dat het governancesysteem
van de verzekerings- of herverzekeringsonderneming
significant afwijkt van de normen van artikel 42, dat
de verzekerings- of herverzekeringsonderneming door
deze afwijkingen niet in staat is de risico’s waaraan
zij blootstaat of zou kunnen blootstaan, adequaat te
onderkennen, te meten, te bewaken, te beheren en te
rapporteren, en dat er geen andere maatregelen zijn
Sous-section III
Mesures prudentielles – Exigence de capital
supplémentaire
Art. 323
§ 1er. Sur la base des résultats de la procédure de
contrôle et d’évaluation ou des tests de résistance
effectués conformément aux articles 318 à 322, la
Banque peut imposer à une entreprise d’assurance ou
de réassurance une exigence spécifique de capital, qui
s’ajoute aux exigences requises par ou en vertu de la
présente loi ou des mesures d’exécution de la Directive
2009/138/CE, afin de tenir compte des risques auxquels
cette entreprise est ou pourrait être exposée.
§ 2. L’exigence de capital supplémentaire prévue au
paragraphe 1er ne peut être imposée que dans les cas
exceptionnels suivants:
1° la Banque estime que le profil de risque de l’entre-
prise d’assurance ou de réassurance s’écarte significa-
tivement des hypothèses qui sous-tendent le capital de
solvabilité requis, calculé à l’aide de la formule standard
conformément aux articles 153 à 166 et
a) que l’exigence de recourir à un modèle interne
en vertu de l’article 173 est inappropriée ou que son
utilisation s’est révélée inefficace; ou
b) qu’un modèle interne, partiel ou intégral, est en
cours de développement conformément à l’article 170,
sans toutefois être encore effectif;
2° la Banque estime que le profil de risque de
l’entreprise d’assurance ou de réassurance s’écarte
significativement des hypothèses qui sous-tendent le
capital de solvabilité requis, calculé à l’aide d’un modèle
interne ou d’un modèle interne partiel conformément
aux articles 167 à 188, parce que certains risques quan-
tifiables sont insuffisamment pris en compte et que le
modèle n’a pas été adapté dans un délai approprié de
manière à mieux refléter le profil de risque;
3° la Banque estime que le système de gouvernance
de l’entreprise d’assurance ou de réassurance s’écarte
significativement des normes prévues à l’article 42,
que l’entreprise d’assurance ou de réassurance n’est
de ce fait pas en mesure de déceler, de mesurer, de
contrôler, de gérer et de déclarer de manière adéquate
les risques auxquels elle est ou pourrait être exposée
et que l’application d’autres mesures n’est pas, en soi,
950
1584/002
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
die binnen een passend tijdskader tot voldoende ver-
betering zouden leiden;
4° de verzekerings- of herverzekeringsonderneming
past de in artikel 129 bedoelde matchingopslag, de in
artikel 131 bedoelde volatiliteitsaanpassing of de in de
artikelen 668 en 669 bedoelde overgangsmaatregelen
toe, en de Bank is van oordeel dat het risicoprofiel van
die onderneming significant afwijkt van de hypothesen
die ten grondslag liggen aan die aanpassingen en
overgangsmaatregelen.
§ 3. In de gevallen bedoeld in paragraaf 2, 1° en 2°
wordt de kapitaalopslagfactor zo berekend dat gewaar-
borgd is dat de onderneming voldoet aan artikel 151, § 3.
In de gevallen bedoeld in paragraaf 2, 3° staat de ka-
pitaalopslagfactor in verhouding tot de materiële risico’s
die voortvloeien uit de tekortkomingen die aanleiding
hebben gegeven tot het besluit van de Bank om de
opslagfactor op te leggen.
In de gevallen bedoeld in paragraaf 2, 4° staat de
kapitaalopslagfactor in verhouding tot de materiële
risico’s die voortvloeien uit de afwijking met betrekking
tot het risicoprofiel.
§ 4. In de gevallen bedoeld in paragraaf 2, 2° en 3°
zorgt de Bank ervoor dat de verzekerings- of herver-
zekeringsonderneming alles in het werk stelt om de
tekortkomingen te verhelpen die tot de toepassing van
een kapitaalopslagfactor hebben geleid.
§ 5. De kapitaalopslagfactoren die met toepassing
van dit artikel zijn opgelegd, worden ten minste eenmaal
per jaar door de Bank geëvalueerd. Zij worden opge-
heven wanneer de onderneming de tekortkomingen
heeft verholpen die tot de toepassing van deze factoren
hebben geleid.
§ 6. Behalve voor wat betreft de berekening van de
risicomarge als bedoeld in artikel 127, § 2 wanneer de
kapitaalopslagfactor werd opgelegd in de gevallen be-
doeld in paragraaf 2, 3°, wordt het solvabiliteitsvereiste
opgevat als het bedrag van dit vereiste, vermeerderd
met de kapitaalopslagfactor die met toepassing van dit
artikel wordt opgelegd.
susceptible de remédier suffisamment aux carences
constatées dans un délai approprié;
4° l’entreprise d’assurance ou de réassurance
applique l’ajustement égalisateur visé à l’article 129,
la correction pour volatilité visée à l’article 131 ou les
mesures transitoires visées aux articles 668 et 669 et la
Banque estime que le profil de risque de cette entreprise
s’écarte significativement des hypothèses sous-tendant
ces ajustements et corrections et mesures transitoires.
§ 3. Dans les cas visés au paragraphe 2, 1° et 2°, l’exi-
gence de capital supplémentaire est calculée de façon à
garantir que l’entreprise se conforme à l’article 151, § 3.
Dans les cas visés au paragraphe 2, 3°, l’exigence de
capital supplémentaire est proportionnée aux risques
importants découlant des carences qui ont fondé la
Banque à prendre la décision de l’imposer.
Dans les cas visés au paragraphe 2, 4°, l’exigence de
capital supplémentaire est proportionnée aux risques
importants découlant de l’écart constaté concernant le
profil de risque.
§ 4. Dans les cas visés au paragraphe 2, 2° et 3°, la
Banque veille à ce que l’entreprise d’assurance ou de
réassurance mette tout en oeuvre pour remédier aux
carences qui ont justifié de lui imposer une exigence de
capital supplémentaire.
§ 5. La Banque revoit les exigences de capital supplé-
mentaire imposées en application du présent article, au
moins une fois par an. Elle y met fin lorsque l’entreprise
a remédié aux carences qui ont conduit à la lui imposer.
§ 6. Sauf pour ce qui concerne le calcul de la marge
de risque visée à l’article 127, § 2 lorsque l’exigence
de capital supplémentaire a été imposée dans les
cas visés au paragraphe 2, 3°, le capital de solvabilité
requis s’entend de son montant majoré de l’exigence
de capital supplémentaire imposée en application du
présent article.
951
1584/002
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
Afdeling V
Informatieverstrekking aan EIOPA
Art. 324
Onverminderd artikel 35 van Verordening 1094/2010,
verstrekt de Bank jaarlijks de volgende informatie aan
EIOPA:
1° de gemiddelde kapitaalopslagfactor per onder-
neming en de verdeling van de kapitaalopslagfactoren
zoals de Bank deze in het voorgaande jaar heeft opge-
legd, berekend als een percentage van het solvabiliteits-
kapitaalvereiste en afzonderlijk aangegeven voor:
a) verzekerings- of herverzekeringsondernemingen;
b) levensverzekeringsondernemingen;
c) niet-levensverzekeringsondernemingen;
d) verzekeringsondernemingen die zowel levens-
verzekerings- als niet-levens verzekeringsactiviteiten
uitoefenen;
e) herverzekeringsondernemingen;
2° voor alle in punt 1° van deze paragraaf genoemde
gegevens: de verdeling van de kapitaalopslagfactoren
die respectievelijk op grond van artikel 323, § 2, 1°, 2°
of 3° , zijn opgelegd;
3° het aantal verzekerings- of herverzekeringson-
dernemingen dat gedeeltelijk is vrijgesteld van de
verplichting om regelmatig informatie te verstrekken
en het aantal verzekerings- of herverzekeringsonder-
nemingen dat is vrijgesteld van de verplichting om
itemgewijs informatie te verstrekken met toepassing van
de artikelen 313 en 314 , alsmede het volume van hun
kapitaalvereisten, premies, technische voorzieningen
en activa, respectievelijk gemeten als een percentage
van het totale volume van de kapitaalvereisten, premies,
technische voorzieningen en activa van de verzekerings-
of herverzekeringsondernemingen naar Belgisch recht;
4° het aantal groepen dat gedeeltelijk is vrijgesteld van
de verplichting om regelmatig informatie te verstrekken
en het aantal groepen dat overeenkomstig artikel 423 is
vrijgesteld van de verplichting om itemgewijs de in-
formatie te verstrekken, alsmede het volume van hun
kapitaalvereisten, premies, technische voorzieningen
en activa, respectievelijk gemeten als een percentage
van het totale volume van de kapitaalvereisten, premies,
technische voorzieningen en activa van alle groepen.
Section V
Informations à fournir à l’EIOPA
Art. 324
Sans préjudice de l’article 35 du Règlement 1094/2010,
la Banque fournit annuellement les informations sui-
vantes à l’EIOPA:
1° le montant moyen des exigences de capital supplé-
mentaire par entreprise et la répartition des exigences
de capital supplémentaire imposées par la Banque
durant l’année précédente, en pourcentage du capital
de solvabilité requis et selon la ventilation suivante:
a) les entreprises d’assurance ou de réassurance;
b) les entreprises d’assurance vie;
c) les entreprises d’assurance non-vie;
d) les entreprises d’assurance exerçant leurs activités
à la fois en vie et en non-vie;
e) les entreprises de réassurance;
2° pour chacune des publications prévues au 1° du
présent paragraphe, la proportion d’exigences de capital
supplémentaire imposées respectivement en vertu de
l’article 323, § 2, 1°, 2° ou 3°;
3° le nombre d’entreprises d’assurance ou de réas-
surance qui bénéficient de la limitation à l’obligation de
donner régulièrement des informations et le nombre
d’entreprises d’assurance ou de réassurance qui béné-
ficient de l’exemption de fournir des informations poste
par poste en application des articles 313 et 314, ainsi
que leur volume d’exigences de capital, primes, provi-
sions techniques et actifs, respectivement exprimés en
pourcentage du volume total des exigences de capital,
primes, provisions techniques et actifs des entreprises
d’assurance ou de réassurance de droit belge;
4° le nombre de groupes qui bénéficient de la limi-
tation à l’obligation de donner régulièrement des infor-
mations et le nombre de groupes qui bénéficient de
l’exemption de donner des informations poste par poste
prévue à l’article 423, ainsi que leur volume d’exigences
de capital, primes, provisions techniques et actifs, res-
pectivement exprimés en pourcentage du volume total
des exigences de capital, primes, provisions techniques
et actifs de l’ensemble des groupes.
952
1584/002
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
HOOFDSTUK II
Revisoraal toezicht
Afdeling I
Aanstelling en erkenning van de commissarissen
Art. 325
§ 1. Onverminderd artikel 87ter van de wet van
2 augustus 2002 mag de opdracht van commissaris
als bedoeld in het Wetboek van Vennootschappen,
in een verzekerings- of herverzekeringsonderneming
enkel worden toevertrouwd aan een of meer revisoren
of een of meer revisorenvennootschappen die daartoe
zijn erkend door de Bank overeenkomstig artikel 327.
In verzekerings- of herverzekeringsondernemingen
die met toepassing van het voornoemde Wetboek geen
commissaris moeten hebben, stelt de algemene verga-
dering van vennoten een of meer erkend revisoren of
erkende revisorenvennootschappen aan als bedoeld
in het eerste lid.
Zij nemen de taak waar van commissaris en dra-
gen die titel. De voorschriften van het Wetboek van
Vennootschappen met betrekking tot de commissaris-
sen-revisoren van naamloze vennootschappen zijn van
toepassing op de aanstelling en de opdracht van com-
missaris in deze ondernemingen. Voor de toepassing
van het Wetboek van Vennootschappen met betrekking
tot wat voorafgaat, vervangt de algemene vergadering
van vennoten de algemene vergadering van aandeel-
houders in vennootschappen waar de wet die niet instelt.
§ 2. De verzekerings- of herverzekeringsonderne-
mingen mogen plaatsvervangende commissarissen
aanstellen, die in geval van langdurige verhindering van
de commissaris diens taak waarnemen. De voorschrif-
ten van dit artikel en van artikel 326 zijn van toepassing
op deze plaatsvervangers.
Art. 326
Een erkende revisorenvennootschap doet voor de uit-
oefening van de opdracht van commissaris als bedoeld
in artikel 325, een beroep op een erkend revisor die zij
aanstelt overeenkomstig artikel 132 van het Wetboek
van Vennootschappen. De voorschriften van deze wet
en haar uitvoeringsbesluiten, die de aanstelling, de
opdracht, de verplichtingen en de verbodsbepalingen
voor commissarissen alsmede de voor hen geldende,
andere dan strafrechtelijke sancties regelen, gelden
CHAPITRE II
Contrôle revisoral
Section Ire
Désignation et agrément des commissaires
Art. 325
§ 1er. Sans préjudice de l’article 87ter de la loi du
2 août 2002, les fonctions de commissaire prévues par
le Code des sociétés ne peuvent être confiées, dans
les entreprises d’assurance ou de réassurance, qu’à un
ou plusieurs réviseurs ou à une ou plusieurs sociétés
de réviseurs agréés par la Banque conformément à
l’article 327.
Dans les entreprises d’assurance ou de réassurance
qui ne sont pas tenues d’avoir un commissaire en appli-
cation dudit Code, l’assemblée générale des associés
nomme un ou plusieurs réviseurs ou une ou plusieurs
sociétés de réviseurs agréés comme prévu à l’alinéa 1er.
Ils exercent les fonctions et portent le titre de commis-
saire. Les dispositions du Code des sociétés relatives
aux commissaires-reviseurs de sociétés anonymes
sont applicables à la désignation et aux fonctions de
commissaire exercées dans ces entreprises. Pour
l’application du Code des sociétés relativement à ce qui
précède, l’assemblée générale des associés remplace
l’assemblée générale des actionnaires dans les sociétés
où la loi n’organise pas celle-ci.
§ 2. Les entreprises d’assurance ou de réassurance
peuvent désigner des commissaires suppléants qui
exercent les fonctions de commissaire en cas d’empê-
chement durable de leur titulaire. Les dispositions du
présent article et de l’article 326 sont applicables à ces
suppléants.
Art. 326
Les sociétés de réviseurs agréées exercent les
fonctions de commissaire prévues à l’article 325 par
l’intermédiaire d’un réviseur agréé qu’elles désignent
conformément à l’article 132 du Code des sociétés. Les
dispositions de la présente loi et des arrêtés pris pour
son exécution et qui sont relatives à la désignation, aux
fonctions, aux obligations et aux interdictions des com-
missaires ainsi qu’aux sanctions, autres que pénales,
qui sont applicables à ces derniers sont applicables
953
1584/002
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
zowel voor de erkende revisorenvennootschappen als
voor de erkend revisoren die hen vertegen woordigen.
Een erkende revisorenvennootschap mag een plaats-
vervangend vertegenwoordiger aanstellen onder haar
leden die voldoen aan de aanstellingsvoorwaarden.
Art. 327
De Bank legt bij reglement vastgesteld met toepassing
van artikel 12bis, § 2 van de wet van 22 februari 1998 het
reglement vast voor de erkenning van revisoren en
revisorenvennootschappen.
Het erkenningsreglement wordt uitgevaardigd na
raadpleging van de erkend revisoren via hun represen-
tatieve beroepsvereniging.
Het Instituut der Bedrijfsrevisoren brengt de Bank op
de hoogte telkens als een tuchtprocedure wordt ingeleid
tegen een erkend revisor of een erkende revisorenven-
nootschap wegens een tekortkoming in de uitoefening
van zijn opdracht bij een verzekerings- of herverzeke-
ringsonderneming alsook telkens als een tuchtmaatregel
wordt genomen tegen een erkend revisor of een erkende
revisorenvennootschap, met opgave van de motivering.
Art. 328
Voor de aanstelling van erkend commissarissen
en plaatsvervangend erkend commissarissen bij ver-
zekerings- of herverzekeringsondernemingen is de
voorafgaande instemming vereist van de Bank. Deze
instemming moet worden gevraagd door het vennoot-
schapsorgaan dat de aanstelling voorstelt. Bij aanstel-
ling van een erkende revisorenvennootschap slaat deze
instemming zowel op de vennootschap als op haar
vertegenwoordiger.
Deze instemming is ook vereist voor de hernieuwing
van een opdracht.
Wanneer de aanstelling van de commissaris krach-
tens de wet geschiedt door de voorzitter van de recht-
bank van koophandel of het hof van beroep, kiest deze
uit een lijst van erkend revisoren waaraan de Bank haar
goedkeuring heeft gehecht.
Art. 329
De Bank kan haar instemming overeenkom-
stig artikel 328 met een erkend commissaris, een
plaatsvervangend erkend commissaris, een erkende
simultanément aux sociétés de réviseurs et aux révi-
seurs agréés qui les représentent.
Une société de réviseurs agréée peut désigner un
représentant suppléant parmi ses membres remplissant
les conditions pour être désignés.
Art. 327
La Banque arrête, par voie de règlement pris en appli-
cation de l’article 12bis, § 2 de la loi du 22 février 1998,
le règlement d’agrément des réviseurs et des sociétés
de réviseurs.
Le règlement d’agrément est pris après consultation
des réviseurs agréés représentés par leur organisation
professionnelle.
L’Institut des Réviseurs d’Entreprises informe la
Banque de l’ouverture de toute procédure disciplinaire à
l’encontre d’un réviseur agréé ou d’une société de révi-
seurs agréée pour manquement commis dans l’exercice
de ses fonctions auprès d’une entreprise d’assurance
ou de réassurance ainsi que de toute mesure discipli-
naire prise à l’encontre d’un réviseur agréé ou d’une
société de réviseurs agréée et de ses motifs.
Art. 328
La désignation des commissaires agréés et des
commissaires agréés suppléants auprès des entreprises
d’assurance ou de réassurance est subordonnée à
l’accord préalable de la Banque. Cet accord doit être
recueilli par l’organe social qui fait la proposition de
désignation. En cas de désignation d’une société de
réviseurs agréée, l’accord porte conjointement sur la
société et son représentant.
Le même accord est requis pour le renouvellement
du mandat.
Lorsque, en vertu de la loi, la nomination du commis-
saire est faite par le Président du Tribunal de Commerce
ou la Cour d’appel, ceux-ci font leur choix sur une liste
de réviseurs agréés sur laquelle la Banque a donné
son accord.
Art. 329
La Banque peut, en tout temps, révoquer, par déci-
sion motivée par des raisons tenant à leur statut ou à
l’exercice de leurs fonctions de réviseur agréé ou de
954
1584/002
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
revisorenvennootschap of een vertegenwoordiger of
plaatsvervangende vertegenwoordiger van een der-
gelijke vennootschap, steeds herroepen bij beslissing
die gemotiveerd is door redenen die verband houden
met hun statuut of hun opdracht als erkend revisor of
erkende revisorenvennootschap, zoals bepaald door
of krachtens deze wet. Met deze herroeping eindigt de
opdracht van commissaris.
Wanneer een erkend commissaris ontslag neemt,
worden de Bank en de verzekerings- of herverzeke-
ringsonderneming hiervan vooraf in kennis gesteld, met
opgave van de motivering.
Het erkenningsreglement regelt de procedure.
Bij afwezigheid van een plaatsvervangend erkend
commissaris of een plaatsvervangende vertegenwoor-
diger van een erkende revisorenvennootschap, zorgt
de verzekerings- of herverzekeringsonderneming of de
erkende revisorenvennootschap, met inachtneming van
artikel 328, binnen twee maanden voor zijn vervanging.
Het voorstel om een erkend commissaris in een
verzekerings- of herverzekeringsonderneming van zijn
opdracht te ontslaan, zoals geregeld bij de artikelen
135 en 136 van het Wetboek van Vennootschappen,
wordt ter advies voorgelegd aan de Bank. Dit advies
wordt meegedeeld aan de algemene vergadering.
Afdeling II
Opdracht van de erkend commissarissen
Art. 330
De erkend commissarissen als bedoeld in Afdeling I
verlenen hun medewerking aan het toezicht van de
Bank, op hun eigen en uitsluitende verantwoordelijkheid
en overeenkomstig deze Afdeling, volgens de regels van
het vak en de richtlijnen van de Bank.
De erkend commissarissen en de erkende revisoren-
vennootschappen mogen bij de buitenlandse bijkantoren
van de onderneming waarop zij toezicht houden, het
toezicht uitoefenen en de onderzoeken verrichten die
bij hun opdracht horen.
Art. 331
De erkend commissarissen beoordelen de in-
ternecontrolemaatregelen die de verzekerings- of
herverzekeringsondernemingen hebben getroffen
société de réviseurs agréée, tels que prévus par ou en
vertu de la présente loi, l’accord donné, conformément
à l’article 328, à un commissaire agréé, un commissaire
agréé suppléant, une société de réviseurs agréée ou
un représentant ou représentant suppléant d’une telle
société. Cette révocation met fin aux fonctions de
commissaire.
En cas de démission d’un commissaire agréé, la
Banque et l’entreprise d’assurance ou de réassurance
sont préalablement informées de cette démission, ainsi
que de ses motifs.
Le règlement d’agrément règle, pour le surplus, la
procédure.
En l’absence d’un commissaire agréé suppléant ou
d’un représentant suppléant d’une société de réviseurs
agréée l’entreprise d’assurance ou de réassurance ou
la société de réviseurs agréée pourvoit, dans le respect
de l’article 328, au remplacement dans les deux mois.
La proposition de révocation des mandats de com-
missaire agréé dans les entreprises d’assurance ou
de réassurance, telle que réglée par les articles 135 et
136 du Code des sociétés, est soumise à l’avis de
la Banque. Cet avis est communiqué à l’assemblée
générale.
Section II
Mission des commissaires agréés
Art. 330
Les commissaires agréés visés à la Section Ire col-
laborent au contrôle exercé par la Banque sous leur
responsabilité personnelle et exclusive et conformément
à la présente Section, aux règles de la profession et aux
instructions de la Banque.
Les commissaires agréés et les sociétés de réviseurs
agréées peuvent effectuer les vérifications et expertises
relevant de leurs fonctions auprès des succursales à
l’étranger de l’entreprise qu’ils contrôlent.
Art. 331
Les commissaires agréés évaluent les mesures de
contrôle interne adoptées par les entreprises d’assu-
rance ou de réassurance conformément à l’article 42,
955
1584/002
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
overeenkomstig artikel 42, § 1, 2°, en delen hun bevin-
dingen ter zake mee aan de Bank.
Art. 332
De erkend commissarissen brengen verslag uit bij de
Bank over de resultaten van het beperkt nazicht van de
periodieke financiële informatie die de verzekerings- of
herverzekeringsondernemingen aan het einde van het
eerste halfjaar aan de Bank bezorgt, waarin bevestigd
wordt dat zij geen kennis hebben van feiten waaruit zou
blijken dat deze periodieke informatie per einde halfjaar
niet in alle materieel belangrijke opzichten is opgesteld
volgens de voorschriften die door of krachtens deze wet,
de uitvoeringsmaatregelen van Richtlijn 2009/138/EG
en de instructies van de Bank zijn vastgesteld .
Bovendien bevestigen zij dat de periodieke financiële
informatie per einde halfjaar, voor wat de boekhoud-
kundige gegevens betreft, in alle materieel belangrijke
opzichten in overeenstemming is met de boekhouding
en de inventarissen inzake:
1° volledigheid, wat wil zeggen dat ze alle gegevens
bevat uit de boekhouding en de inventarissen op ba-
sis waarvan de periodieke financiële informatie wordt
opgesteld,
2° juistheid, wat wil zeggen dat ze de gegevens cor-
rect weergeeft uit de boekhouding en de inventarissen
op basis waarvan de periodieke financiële informatie
wordt opgesteld.
Zij bevestigen geen kennis te hebben van feiten
waaruit zou blijken dat de periodieke financiële infor-
matie per einde halfjaar niet is opgesteld, voor wat de
boekhoudkundige gegevens betreft, met toepassing van
de boeking- en waarderingsregels voor de opstelling van
de periodieke informatie met betrekking tot het laatste
boekjaar. De Bank kan de hier bedoelde periodieke
informatie nader bepalen.
Art. 333
De erkend commissarissen brengen eveneens ver-
slag uit bij de Bank over de resultaten van de controle
van de periodieke financiële informatie die de verze-
kerings- of herverzekeringsondernemingen aan het
einde van het boekjaar aan de Bank bezorgen, waarin
bevestigd wordt dat deze periodieke informatie in alle
materieel belangrijke opzichten werd opgesteld volgens
§ 1er, 2°, et ils communiquent leurs conclusions en la
matière à la Banque.
Art. 332
Les commissaires agréés font rapport à la Banque
sur les résultats de l’examen limité des informations
financières périodiques transmises par les entreprises
d’assurance ou de réassurance à la Banque à la fin
du premier semestre social, confirmant qu’ils n’ont
pas connaissance de faits dont il apparaîtrait que ces
informations périodiques n’ont pas, sous tous égards
significativement importants, été établies conformément
aux prescriptions prévues par ou en vertu de la loi, aux
mesures d’exécution de la Directive 2009/138/CE et aux
instructions de la Banque.
Ils confirment en outre que les informations finan-
cières périodiques arrêtés en fin de semestre sont, pour
ce qui est des données comptables y figurant, , sous
tous égards significativement importants, conformes à la
comptabilité et aux inventaires, en ce sens qu’elles sont:
1° complètes, c’est-à-dire qu’elles mentionnent toutes
les données figurant dans la comptabilité et dans les
inventaires sur la base desquels elles sont établies,
2° correctes, c’est-à-dire qu’elles concordent exac-
tement avec la comptabilité et avec les inventaires sur
la base desquels elles sont établies.
Ils confirment également n’avoir pas connaissance de
faits dont il apparaîtrait que les informations financières
périodiques arrêtées en fin de semestre n’ont pas été
établies, pour ce qui est des données comptables y
figurant, par application des règles de comptabilisation
et d’évaluation qui ont présidé à l’établissement des
informations périodiques afférentes au dernier exercice.
La Banque peut préciser quels sont en l’occurrence les
informations périodiques visées.
Art. 333
Les commissaires agréés font également rapport à
la Banque sur les résultats du contrôle des informations
financières périodiques transmises par les entreprises
d’assurance ou de réassurance à la Banque à la fin
de l’exercice social, confirmant que ces informations
périodiques sont, sous tous égards significativement
importants, établies conformément aux prescriptions
956
1584/002
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
de voorschriften die door of krachtens de wet, de uit-
voeringsmaatregelen van Richtlijn 2009/138/EG en de
instructies van de Bank zijn vastgesteld.
Bovendien bevestigen zij dat de periodieke financi-
ele informatie per einde van het boekjaar, voor wat de
boekhoudkundige gegevens betreft, in alle materieel
belangrijke opzichten in overeenstemming is met de
boekhouding en de inventarissen, inzake:
1° volledigheid, wat wil zeggen dat ze alle gegevens
bevat uit de boekhouding en de inventarissen op ba-
sis waarvan de periodieke financiële informatie wordt
opgesteld,
2° juistheid, wat wil zeggen dat ze de gegevens cor-
rect weergeeft uit de boekhouding en de inventarissen
op basis waarvan de periodieke financiële informatie
wordt opgesteld.
Zij bevestigen dat de periodieke financiële informatie
per einde van het boekjaar werd opgesteld, voor wat de
boekhoudkundige gegevens betreft, met toepassing van
de boekings- en waarderingsregels voor de opstelling
van de jaarrekening.
De Bank kan de hier bedoelde periodieke informatie
nader bepalen.
Art. 334
De erkend commissarissen brengen bij de Bank op
haar verzoek een bijzonder verslag uit over de orga-
nisatie, de activiteiten en de financiële structuur van
de onderneming; de kosten voor de opstelling van dit
verslag worden door de verzekerings- of herverzeke-
ringsonderneming gedragen.
Art. 335
In het kader van hun opdracht bij een verzekerings- of
herverzekeringsonderneming of een revisorale opdracht
bij een met een verzekerings- of herverzekeringsonder-
neming verbonden onderneming, brengen de erkend
commissarissen op eigen initiatief verslag uit bij de
Bank zodra zij kennis krijgen van beslissingen, feiten
of, in voorkomend geval, ontwikkelingen:
1° die de positie van de onderneming financieel of op
het vlak van haar administratieve en boekhoudkundige
organisatie of van haar interne controle, op betekenis-
volle wijze beïnvloeden of kunnen beïnvloeden;
prévues par ou en vertu de la loi, aux mesures d’exé-
cution de la Directive 2009/138/CE et aux instructions
de la Banque.
Ils confirment en outre que les informations finan-
cières périodiques arrêtées en fin d’exercice sont, pour
ce qui est des données comptables y figurant, sous tous
égards significativement importants, conformes à la
comptabilité et aux inventaires, en ce sens qu’elles sont:
1° complètes, c’est-à-dire qu’elles mentionnent toutes
les données figurant dans la comptabilité et dans les
inventaires sur la base desquels elles sont établies,
2° correctes, c’est-à-dire qu’elles concordent exac-
tement avec la comptabilité et avec les inventaires sur
la base desquels elles sont établies.
Ils confirment également que les informations finan-
cières périodiques arrêtées en fin d’exercice ont été
établies, pour les données comptables y figurant, par
application des règles de comptabilisation et d’évalua-
tion présidant à l’établissement des comptes annuels.
La Banque peut préciser quels sont en l’occurrence
les informations périodiques visés.
Art. 334
Les commissaires agréés font à la Banque, à sa
demande, des rapports spéciaux portant sur l’organisa-
tion, les activités et la structure financière de l’entreprise,
rapports dont les frais d’établissement sont supportés
par l’entreprise d’assurance ou de réassurance en
question.
Art. 335
Dans le cadre de leur mission auprès d’une entre-
prise d’assurance ou de réassurance, ou d’une mission
révisorale auprès d’une entreprise liée à une entreprise
d’assurance ou de réassurance, les commissaires
agréés font d’initiative rapport à la Banque dès qu’ils
constatent des décisions, des faits ou, le cas échéant,
des évolutions:
1° qui influencent ou peuvent influencer de façon
significative la situation de l’entreprise sous l’angle
financier ou sous l’angle de son organisation adminis-
trative et comptable ou de son contrôle interne;
957
1584/002
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
2° die de bedrijfscontinuïteit van de verzekerings- of
herverzekeringsonderneming kunnen aantasten;
3° die tot de niet-naleving van de voorschriften inzake
het solvabiliteitskapitaalvereiste kunnen leiden;
4° die tot de niet-naleving van de voorschriften inzake
het minimumkapitaalvereiste kunnen leiden;
5° die een overtreding van het Wetboek van
Vennootschappen, de statuten, deze wet en de ter
uitvoering ervan genomen besluiten en reglementen
kunnen vormen;
6° die kunnen leiden tot een weigering van de cer-
tificering van de jaarrekening of tot het formuleren van
voorbehoud.
Art. 336
De erkend commissarissen delen aan het directie-
comité van de verzekerings- of herverzekeringsonder-
neming of, bij ontstentenis van een directiecomité, aan
de personen belast met de effectieve leiding, de ver-
slagen mee die zij aan de Bank richten overeenkomstig
artikel 334. Artikel 306 is op deze mededelingen van
toepassing.
Zij bezorgen de Bank een kopie van de mededelingen
die zij aan het directiecomité van de verzekerings- of
herverzekeringsonderneming of, bij ontstentenis van
een directiecomité, aan de personen belast met de
effectieve leiding, richten en die betrekking hebben op
zaken die van belang kunnen zijn voor het toezicht dat
zij uitoefent.
Art. 337
Tegen erkend commissarissen die te goeder trouw
informatie hebben verstrekt als bedoeld in artikel 335,
kunnen geen burger rechtelijke, strafrechtelijke of tucht-
rechtelijke vorderingen worden ingesteld, noch profes-
sionele sancties worden uitgesproken.
2° qui peuvent porter atteinte à la continuité de
l’exploitation de l’entreprise d’assurance ou de
réassurance;
3° qui peuvent entraîner le non-respect des disposi-
tions relatives au capital de solvabilité requis;
4° qui peuvent entraîner le non-respect des disposi-
tions relatives au minimum de capital requis;
5° qui peuvent constituer des violations du Code des
sociétés, des statuts, de la présente loi et des arrêtés
et règlements pris pour son exécution;
6° qui sont de nature à entraîner le refus ou des
réserves en matière de certification des comptes.
Art. 336
Les commissaires agréés communiquent au comité
de direction de l’entreprise d’assurance ou de réassu-
rance ou, en l’absence de comité de direction, aux per-
sonnes en charge de la direction effective, les rapports
qu’ils adressent à la Banque conformément à l’article
334. Ces communications sont soumises à l’article 306.
Ils transmettent à la Banque copie des communica-
tions qu’ils adressent au comité de direction de l’entre-
prise d’assurance ou de réassurance ou, en l’absence
de comité de direction, aux personnes en charge de la
direction effective, et qui portent sur des questions de
nature à intéresser le contrôle exercé par elle.
Art. 337
Aucune action civile, pénale ou disciplinaire ne peut
être intentée ni aucune sanction professionnelle pro-
noncée contre les commissaires agréés qui ont procédé
de bonne foi à une information visée sous l’article 335.
958
1584/002
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
TITEL V
Toezicht op verzekerings- en herverzekeringsgroepen
en aanvullend toezicht op financiële conglomeraten
HOOFDSTUK I
Definities
Art. 338
Onverminderd artikel 15 wordt voor de toepassing
van deze Titel en van de uitvoeringsbesluiten en -re-
glementen ervan verstaan onder:
1° moederonderneming: een moederonderneming in
de zin van artikel 15, 39°, alsmede iedere onderneming
die, naar de mening van de Bank, feitelijk een overheer-
sende invloed op een andere onderneming uitoefent;
2° dochteronderneming: een dochteronderneming in
de zin van artikel 15, 40°, alsmede iedere onderneming
waarop, naar de mening van de Bank, een moederon-
derneming feitelijk een overheersende invloed uitoefent.
Alle dochterondernemingen van dochterondernemingen
worden eveneens geacht dochterondernemingen te zijn
van de moederonderneming die aan het hoofd staat van
die ondernemingen;
3° deelneming: een deelneming in de zin van artikel
15, 43°, alsmede het rechtstreeks of onrechtstreeks
in bezit hebben van stemrechten of kapitaal van een
andere onderneming waarop naar de mening van de
Bank feitelijk een aanzienlijke invloed wordt uitgeoefend;
4° verbonden onderneming: een dochteronderneming
of iedere andere onderneming waarin een deelneming
bestaat, of een onderneming waarmee een consortium
wordt gevormd in de zin van artikel 10 van het Wetboek
van Vennootschappen;
5° verzekeringsholding: een moederonderneming die
geen gemengde financiële holding is, en waarvan de
hoofdactiviteit bestaat uit het verkrijgen en houden van
deelnemingen in dochterondernemingen die uitsluitend
of hoofdzakelijk verzekerings- of herverzekeringsonder-
nemingen of verzekerings- of herverzekeringsonder-
nemingen van derde landen zijn, van welke dochter-
ondernemingen er ten minste één een verzekerings- of
herverzekeringsonderneming is;
6° gemengde verzekeringsholding: een moeder-
onderneming die geen verzekerings- of herverzeke-
ringsonderneming, verzekerings- of herverzekerings-
onderneming van een derde land, verzekeringsholding
TITRE V
Du contrôle des groupes d’assurance et de
réassurance et de la surveillance complémentaire
des conglomérats financiers
CHAPITRE IER
Définitions
Art. 338
Sans préjudice de l’article 15, pour l’application du
présent Titre et des arrêtés et règlements pris pour son
exécution, il y a lieu d’entendre par:
1° entreprise mère: outre une entreprise mère au
sens de l’article 15, 39°, toute entreprise qui exerce
effectivement, de l’avis de la Banque, une influence
dominante sur une autre entreprise;
2° entreprise filiale: outre une entreprise filiale au
sens de l’article 15, 40°, toute entreprise sur laquelle
une entreprise mère exerce effectivement, de l’avis de
la Banque, une influence dominante. Toute entreprise
filiale d’une entreprise filiale est également considérée
comme filiale de l’entreprise mère qui est à la tête de
ces entreprises;
3° participation: outre une participation au sens de
l’article 15, 43°, le fait de détenir directement ou indi-
rectement des droits de vote ou du capital dans une
autre entreprise sur laquelle, de l’avis de la Banque, une
influence notable est effectivement exercée;
4° entreprise liée: une entreprise qui est soit une
entreprise filiale, soit une autre entreprise dans laquelle
une participation est détenue, soit une entreprise avec
laquelle un consortium est formé au sens de l’article
10 du Code des sociétés;
5° société holding d’assurance: une entreprise mère
qui n’est pas une compagnie financière mixte et dont
l’activité principale consiste à acquérir et à détenir des
participations dans des entreprises filiales lorsque ces
entreprises filiales sont exclusivement ou principale-
ment des entreprises d’assurance ou de réassurance,
ou des entreprises d’assurance ou de réassurance de
pays tiers, l’une au moins de ces entreprises filiales
étant une entreprise d’assurance ou de réassurance;
6° société holding mixte d’assurance: une entre-
prise mère, autre qu’une entreprise d’assurance ou
de réassurance, qu’une entreprise d’assurance ou de
réassurance d’un pays tiers, qu’une société holding
959
1584/002
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
of gemengde financiële holding is, en die onder haar
dochterondernemingen ten minste één verzekerings- of
herverzekeringsonderneming telt;
7° gemengde financiële holding: een moeder-
onderneming die geen gereglementeerde onderneming
is en die aan het hoofd van een financieel conglomeraat
staat;
8° gereglementeerde onderneming: een verzeke-
rings- of herverzekeringsonderneming, een kredietin-
stelling, een beleggingsonderneming, een beheerven-
nootschap van instellingen voor collectieve belegging
of een beheerder van alternatieve instellingen voor
collectieve belegging;
9° financiële sector: de sector die bestaat uit een of
meer van de volgende ondernemingen:
a) een gereglementeerde onderneming die een kre-
dietinstelling is, een financiële instelling in de zin van
artikel 3, 41° van de wet van 25 april 2014, een onder-
neming die nevendiensten verricht in de zin van artikel
164, § 1, 4° van diezelfde wet; deze ondernemingen
behoren tot eenzelfde financiële sector, die “de bank-
sector” wordt genoemd;
b) een gereglementeerde onderneming die een
verzekerings- of herverzekeringsonderneming is, een
verzekeringsholding; deze ondernemingen behoren tot
eenzelfde financiële sector, die “de verzekeringssector”
wordt genoemd;
c) een gereglementeerde onderneming die een
beleggingsonderneming is, een onderneming die ne-
vendiensten verricht in de zin van artikel 46, 2°, van de
wet van 6 april 1995, een financiële instelling in de zin
van artikel 46, 29°, van diezelfde wet; deze onderne-
mingen behoren tot eenzelfde financiële sector, die “de
beleggings dienstensector” wordt genoemd.
10° financiële instelling: worden met financiële in-
stellingen als bedoeld in artikel 15, 48° gelijkgesteld,
de instellingen voor postcheque- en girodiensten, de
AICB-beheerders, de beheervennootschappen van
instellingen voor collectieve belegging, de vereffenings-
instellingen bedoeld in artikel 36/1, 14° van de wet van
22 februari 1998 en de instellingen waarvan het bedrijf
bestaat uit het gehele of gedeeltelijke operationele be-
heer van diensten die verstrekt worden door dergelijke
vereffeningsinstellingen.
d’assurance ou qu’une compagnie financière mixte,
qui compte parmi ses filiales au moins une entreprise
d’assurance ou de réassurance;
7° compagnie financière mixte: une entreprise mère,
autre qu’une entreprise réglementée, qui est à la tête
d’un conglomérat financier;
8° entreprise réglementée: une entreprise d’assu-
rance ou de de réassurance, un établissement de crédit,
une entreprise d’investissement, une société de gestion
d’organismes de placement collectif, un gestionnaire
d’organismes de placement collectif alternatifs;
9° secteur financier: le secteur composé d’une ou de
plusieurs des entreprises suivantes:
a) une entreprise réglementée ayant le statut d’éta-
blissement de crédit, un établissement financier au sens
de l’article 3, 41° de la loi du 25 avril 2014, une entreprise
de services auxiliaires au sens de l’article 164, § 1er, 4°
de cette même loi; ces entreprises font toutes partie du
même secteur financier qualifié de “secteur bancaire”;
b) une entreprise réglementée ayant le statut d’en-
treprise d’assurance ou de réassurance, une société
holding d’assurance; ces entreprises font toutes partie
du même secteur financier qualifié de “secteur des
assurances”;
c) une entreprise réglementée ayant le statut d’entre-
prise d’investissement, une entreprise qui fournit des
services auxiliaires au sens de l’article 46, 2°, de la loi
du 6 avril 1995, un établissement financier au sens de
l’article 46, 29°, de la même loi; ces entreprises font
toutes partie du même secteur financier qualifié de
“secteur des services d’investissement”.
10° établissement financier: sont assimilés à des
établissements financiers au sens de l’article 15, 48°, les
offices de chèques postaux, les gestionnaires d’OPCA,
les sociétés de gestion d’organismes de placement
collectif, les organismes de liquidation visés à l’article
36/1,14°, de la loi du 22 février 1998 ainsi que les orga-
nismes dont l’activité consiste à assurer, en tout ou en
partie, la gestion opérationnelle de services fournis par
de tels organismes de liquidation.
960
1584/002
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
Art. 339
Onverminderd de artikelen 15 en 338, wordt voor de
toepassing van Hoofdstuk II van deze Titel en van de
uitvoeringsbesluiten en -reglementen ervan verstaan
onder:
1° deelnemende onderneming: een onderneming die
een moederonderneming is of een andere onderneming
die een deelneming bezit, of een onderneming waarmee
een consortium wordt gevormd in de zin van artikel
10 van het Wetboek van Vennootschappen;
2° groep: een groep ondernemingen,
a) die bestaat uit een deelnemende onderneming,
haar dochterondernemingen en de entiteiten waarin de
deelnemende onderneming of haar dochteronderne-
mingen een deelneming aanhouden, alsook onderne-
mingen die een consortium vormen in de zin van artikel
10 van het Wetboek van Vennootschappen;
b) die stoelt op de totstandbrenging, middels contract
of op een andere wijze, van nauwe en duurzame finan-
ciële banden tussen die ondernemingen, met inbegrip
van onderlinge waarborgmaatschappijen of onderlinge
verzekeringsverenigingen, waarbij:
i. een van deze ondernemingen via centrale coördi-
natie feitelijk een overheersende invloed uitoefent op de
besluiten, ook financiële besluiten, van de andere on-
dernemingen die deel uitmaken van de groep; alsmede
ii. voor de vorming en ontbinding van dergelijke ban-
den ter wille van deze Titel vooraf toestemming moet
worden verleend door de groepstoezichthouder,
met dien verstande dat de onderneming die de gecen-
traliseerde coördinatie uitoefent, wordt beschouwd als
de moederonderneming en de andere ondernemingen
als dochterondernemingen;
3° groepstoezichthouder: de toezichthouder die
verantwoordelijk is voor het toezicht op het niveau van
de verzekerings- of herverzekeringsgroep en overeen-
komstig artikel 406 is aangewezen;
4° college van toezichthouders: een permanente
maar flexibele structuur voor samenwerking en coör-
dinatie tussen de toezichthouders van de betrokken
lidstaten en voor de vergemakkelijking van de besluit-
vorming met betrekking tot groepstoezicht;
Art. 339
Sans préjudice des articles 15 et 338, pour l’appli-
cation du Chapitre II du présent Titre et des arrêtés et
règlements pris pour son exécution, il y a lieu d’entendre
par:
1° entreprise participante: une entreprise qui est soit
une entreprise mère, soit une autre entreprise qui détient
une participation, soit une entreprise avec laquelle un
consortium est formé au sens de l’article 10 du Code
des sociétés;
2° groupe: un groupe d’entreprises,
a) soit composé d’une entreprise participante, de
ses filiales et des entités dans lesquelles l’entreprise
participante ou ses filiales détiennent une participation,
ainsi que des entreprises qui forment un consortium au
sens de l’article 10 du Code des sociétés;
b) soit fondé sur l’établissement, par voie contrac-
tuelle ou sous une autre forme, de relations financières
fortes et durables entre ces entreprises et qui peut
inclure des mutuelles ou des associations de type
mutuel, à condition:
i. qu’une de ces entreprises exerce effectivement,
au moyen d’une coordination centralisée, une influence
dominante sur les décisions, y compris les décisions
financières, des autres entreprises faisant partie du
groupe, et
ii. que l’établissement et la suppression desdites
relations, aux fins du présent Titre, soient soumis à
l’approbation préalable du contrôleur du groupe,
étant entendu que l’entreprise qui exerce la coordina-
tion centralisée est considérée comme l’entreprise mère
et les autres entreprises comme des filiales;
3° contrôleur du groupe: l’autorité de contrôle chargée
d’exercer le contrôle au niveau du groupe d’assurance
ou de réassurance, déterminée conformément à l’article
406;
4° collège des contrôleurs: une structure perma-
nente, mais souple, de coopération et de coordination
entre les autorités de contrôle des États membres con-
cernés visant à faciliter la prise de décisions relatives
au contrôle d’un groupe;
961
1584/002
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
5° betrokken toezichthouder: de toezichthouder van
een lidstaat waar een dochteronderneming haar zetel
heeft.
Art. 340
Onverminderd de artikelen 15 en 338, wordt voor de
toepassing van Hoofdstuk III van deze Titel en van de
uitvoeringsbesluiten en -reglementen ervan verstaan
onder:
1° groep: een geheel van ondernemingen dat ge-
vormd wordt door een moederonderneming, haar
dochterondernemingen, de ondernemingen waarin de
moederonderneming of haar dochter ondernemingen
rechtstreeks of onrecht streeks een deelneming aan-
houden, alsook de onder nemingen waarmee een con-
sortium wordt gevormd en de ondernemingen die door
deze laatste ondernemingen worden gecontroleerd of
waarin deze laatste ondernemingen een deel neming
aanhouden;
2° financieel conglomeraat: een groep of subgroep
waarvan ten minste één van de dochterondernemingen
een gereglementeerde onderneming is en die aan de
volgende voorwaarden voldoet:
a) wanneer een gereglementeerde onderneming aan
het hoofd van de groep of subgroep staat:
i. is deze onderneming de moederonderneming
van een onderneming in de financiële sector, een
onderneming die houdster is van een deelneming in
een onderneming in de financiële sector, dan wel een
onderneming die met een onderneming in de financiële
sector verbonden is onder de vorm van een consortium;
ii. is ten minste één van de entiteiten in de groep of
subgroep een onderneming uit de verzekeringssector
en is ten minste één van de entiteiten in de groep of
subgroep een onderneming uit de banksector of de
beleggingsdienstensector, en
iii. zijn de geconsolideerde en/of geaggregeerde
activiteiten van de tot de groep of subgroep behorende
entiteiten uit de verzekeringssector en van de entitei-
ten uit de banksector en de beleggingsdienstensector
significant in de zin van artikel 452, § 3; of
b) wanneer aan het hoofd van de groep of subgroep
geen gereglementeerde onderneming staat:
i. vinden de activiteit van de groep of subgroep in
hoofdzaak plaats in de financiële sector in de zin van
artikel 452, § 2;
5° autorité de contrôle concernée: l’autorité de con-
trôle d’un État membre dans lequel une entreprise filiale
a son siège social.
Art. 340
Sans préjudice des articles 15 et 338, pour l’application
du Chapitre III du présent Titre et des arrêtés et règle-
ments pris pour son exécution, il y a lieu d’entendre par:
1° groupe: l’ensemble des entreprises constitué par
l’entreprise mère, ses filiales, les entreprises dans les-
quelles l’entreprise mère ou ses filiales détiennent une
participation directe ou indirecte, ainsi que les entre-
prises qui constituent un consortium et les entreprises
contrôlées par ces dernières ou dans lesquelles elles
détiennent une participation;
2° conglomérat financier: un groupe ou un sous-
groupe dans lequel l’une au moins des filiales est une
entreprise réglementée et qui satisfait aux conditions
suivantes:
a) lorsqu’une entreprise réglementée est à la tête du
groupe ou du sous-groupe:
i. cette entreprise est l’entreprise mère d’une entre-
prise du secteur financier, ou d’une entreprise qui
détient une participation dans une entreprise du secteur
financier, ou d’une entreprise liée à une entreprise du
secteur financier sous la forme d’un consortium;
ii. l’une au moins des entités du groupe ou du sous-
groupe est une entreprise du secteur de l’assurance et
l’une au moins des entités du groupe ou du sous-groupe
est une entreprise du secteur bancaire ou du secteur
des services d’investissement; et
iii. les activités consolidées et/ou agrégées des
entités du groupe ou du sous-groupe qui font partie du
secteur de l’assurance, et des entités du secteur ban-
caire et du secteur des services d’investissement sont
importantes au sens de l’article 452, § 3; ou
b) lorsqu’il n’y a pas d’entreprise réglementée à la
tête du groupe ou du sous-groupe:
i. les activités du groupe ou du sous-groupe
s’exercent principalement dans le secteur financier au
sens de l’article 452, § 2;
962
1584/002
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
ii. is ten minste één van de entiteiten in de groep of
subgroep een onderneming uit de verzekeringssector en
ten minste één van de entiteiten in de groep of subgroep
een onderneming uit de banksector of de beleggings-
dienstensector, en
iii. zijn de geconsolideerde en/of geaggregeerde
activiteiten van de tot de groep of subgroep behorende
entiteiten uit de verzekeringssector en van de entitei-
ten uit de banksector en de beleggingsdienstensector
significant in de zin van artikel 452, § 3;
3° bevoegde autoriteiten: de nationale autoriteiten van
de lidstaten die krachtens wettelijke of reglementaire
bepalingen gemachtigd zijn om toezicht uit te oefenen
op gereglementeerde ondernemingen, hetzij op indivi-
duele, hetzij op groepswijde basis;
4° relevante bevoegde autoriteiten:
a) de bevoegde autoriteiten die verantwoordelijk zijn
voor het sectorale groepstoezicht op gereglementeerde
ondernemingen die deel uitmaken van een financieel
conglomeraat, en met name op de moederneming die
aan het hoofd van een sector staat;
b) de coördinator, indien deze niet behoort tot de
onder a) bedoelde autoriteiten;
c) in voorkomend geval, andere betrokken bevoegde
autoriteiten die naar het oordeel van de onder a) en
onder b) bedoelde autoriteiten relevant zijn.
Tot de inwerkingtreding van overeenkomstig artikel
21bis, lid 1, onder b) van Richtlijn 2002/87/EG vast te
stellen technische reguleringsnormen, wordt in het punt
c) bedoelde oordeel in het bijzonder rekening gehouden
met het marktaandeel dat de gereglementeerde onder-
nemingen van het financieel conglomeraat in andere
lidstaten hebben, inzonderheid indien dit meer dan 5 %
bedraagt, en met het belang van iedere in een andere
lidstaat gevestigde gereglementeerde onderneming in
het financieel conglomeraat;
5° coördinator: de bevoegde autoriteit die be-
last is met het uitoefenen van het aanvullende
conglomeraatstoezicht;
6° Gemengd Comité: het comité bedoeld in
artikel 54 van respectievelijk Verordening (EU)
nr. 1093/2010 van het Europees Parlement en de Raad
van 24 november 2010 tot oprichting van een Europese
toezichthoudende autoriteit (Europese Bankautoriteit),
tot wijziging van Besluit nr. 716/2009/EG en tot in-
trekking van Besluit 2009/78/EG van de Commissie,
Verordening (EU) nr. 1094/2010 en Verordening (EU)
ii. l’une au moins des entités du groupe ou du sous-
groupe est une entreprise du secteur de l’assurance et
l’une au moins des entités du groupe ou du sous-groupe
est une entreprise du secteur bancaire ou du secteur
des services d’investissement; et
iii. les activités consolidées et/ou agrégées des
entités du groupe ou du sous-groupe qui font partie du
secteur de l’assurance, et des entités du secteur ban-
caire et du secteur des services d’investissement sont
importantes au sens de l’article 452, § 3;
3° autorités compétentes: les autorités nationales
des États membres habilitées, en vertu de dispositions
légales ou réglementaires, à surveiller les entreprises
réglementées, que ce soit sur une base individuelle ou
à l’échelle du groupe;
4° autorités compétentes relevantes:
a) les autorités compétentes responsables du
contrôle du groupe sectoriel applicable aux entreprises
réglementées qui font partie d’un conglomérat financier,
et en particulier à l’entreprise mère à la tête d’un secteur;
b) le coordinateur, s’il ne figure pas parmi les autorités
visées au point a);
c) le cas échéant, d’autres autorités compétentes
concernées qui, de l’avis des autorités visées aux
points a) et b), sont pertinentes.
Jusqu’à l’entrée en vigueur de normes techniques de
réglementation adoptées conformément à l’article 21bis,
paragraphe 1, point b) de la Directive 2002/87/CE, l’avis
visé au point c) tient compte en particulier de la part de
marché détenue par les entreprises réglementées du
conglomérat financier dans les autres États membres,
en particulier si elle dépasse 5 %, ainsi que de l’impor-
tance au sein du conglomérat financier de toute entre-
prise réglementée établie dans un autre État membre;
5° coordinateur: l’autorité compétente chargée d’as-
surer la surveillance complémentaire des conglomérats;
6° comité mixte: le comité visé à l’article 54 respecti-
vement du Règlement (UE) n° 1093/2010 du Parlement
européen et du Conseil du 24 novembre 2010 instituant
une Autorité européenne de surveillance (Autorité
européenne des banques), modifiant la décision
n° 716/2009/CE et abrogeant la décision 2009/78/CE de
la Commission, du Règlement (UE) n° 1094/2010 et du
Règlement (UE) n°1095/2010 du Parlement européen
963
1584/002
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
nr. 1095/2010 van het Europees Parlement en de Raad
van 24 november 2010 tot oprichting van een Europese
toezichthoudende autoriteit (Europese Autoriteit voor ef-
fecten en markten), tot wijziging van Besluit nr. 716/2009/
EG en tot intrekking van Besluit 2009/77/EG van de
Commissie.
7° Europees Comité voor Financiële Conglomeraten:
het comité ingesteld bij artikel 21 van Richtlijn 2002/87/
EG;
8° sectorale regelgeving: deze wet, de wet van
25 april 2014, de wet van 6 april 1995, de wet van
3 augustus 2012 betreffende bepaalde vormen van col-
lectief beheer van beleggingsportefeuilles, evenals de
uitvoeringsbesluiten en – reglementen van deze wetten,
met uitsluiting van de bepalingen inzake het aanvullende
conglomeraatstoezicht op gereglementeerde onderne-
mingen in een financieel conglomeraat; de vergelijkbare
nationale regelgevingen en toezichtspraktijken in andere
lidstaten;
9° intragroeptransacties: verrichtingen die recht-
streeks of onrechtstreeks worden uitgevoerd, al
dan niet tegen betaling, tussen gereglementeerde
ondernemingen en andere ondernemingen die deel
uitmaken van hetzelfde financieel conglomeraat of met
die ondernemingen door nauwe banden verbonden
natuurlijke personen of rechtspersonen, en die al dan
niet betrekking hebben op de uitvoering van een con-
tractuele verplichting;
10° risicoconcentratie: het geheel van de posities
ingenomen door ondernemingen in een financieel con-
glomeraat, die potentieel tot verlies aanleiding kunnen
geven en die groot genoeg zijn om de financiële positie
in het algemeen en de solvabiliteit in het bijzonder van
de gereglementeerde ondernemingen in het financieel
conglomeraat in gevaar te brengen, en die voortvloeien
uit tegenpartij- of kredietrisico’s, beleggingsrisico’s,
verzekeringsrisico’s, marktrisico’s, of andere belangrijke
risico’s, of een combinatie of wisselwerking van deze
risico’s;
11° sectoraal groepstoezicht: het toezicht op geregle-
menteerde ondernemingen in uitvoering van Hoofdstuk
II van deze Titel, de artikelen 165 tot 184 van de wet van
25 april 2014, artikel 95 van de wet van 6 april 1995 of
artikel 241 van de wet betreffende bepaalde vormen
van collectief beheer van beleggingsportefeuilles, en
het toezicht in uitvoering van vergelijkbare nationale
regelgevingen en toezichtspraktijken in andere lidstaten;
12° Verordening 342/2014: Gedelegeerde
Verordening (EU) nr. 342/2014 van de Commissie van
et du Conseil du 24 novembre 2010 instituant une
Autorité européenne de surveillance (Autorité euro-
péenne des marchés financiers), modifiant la décision
n° 716/2009/CE et abrogeant la décision 2009/77/CE
de la Commission;
7° Comité européen des conglomérats financiers: le
comité institué par l’article 21 de la Directive 2002/87/
CE;
8° réglementation sectorielle: la présente loi, la
loi du 25 avril 2014, la loi du 6 avril 1995, la loi du
3 août 2012 relative à certaines formes de gestion col-
lective de portefeuilles d’investissement, ainsi que les
arrêtés et règlements pris en exécution de ces lois, à
l’exception des dispositions relatives à la surveillance
complémentaire des entreprises réglementées faisant
partie d’un conglomérat; les réglementations et pra-
tiques de contrôle nationales comparables en vigueur
dans d’autres États;
9° transactions intragroupe: les opérations effec-
tuées directement ou indirectement, à titre onéreux ou
non, entre des entreprises réglementées et d’autres
entreprises faisant partie du même conglomérat finan-
cier ou des personnes physiques ou morales liées à
ces entreprises par des liens étroits, que ces opéra-
tions concernent ou non l’exécution d’une obligation
contractuelle;
10° concentration des risques: l’ensemble des
positions qui ont été prises par des entreprises d’un
conglomérat financier, qui sont susceptibles de donner
lieu à des pertes, qui sont suffisamment importantes
pour compromettre la situation financière en général et
la solvabilité en particulier des entreprises réglementées
faisant partie dudit conglomérat financier, et qui résultent
de risques de contrepartie/de crédit, d’investissement,
d’assurance, de marché ou d’autres risques impor-
tants, ou d’une combinaison ou d’une interaction de
ces risques;
11° surveillance sectorielle du groupe: la surveillance
exercée sur les entreprises réglementées en applica-
tion du Chapitre II du présent Titre, les articles 165 à
184 de la loi du 25 avril 2014, l’article 95 de la loi du
6 avril 1995 ou l’article 241 de la loi relative à certaines
formes de gestion collective de portefeuilles d’inves-
tissement, ainsi que la surveillance exercée en appli-
cation de réglementations et de pratiques de contrôle
nationales comparables en vigueur dans d’autres États;
12° Règlement 342/2014: le règlement délé-
gué (UE) n° 342/2014 de la Commission du
964
1584/002
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
21 januari 2014 tot aanvulling van Richtlijn 2002/87/EG
van het Europees Parlement en de Raad en Verordening
(EU) nr. 575/2013 van het Europees Parlement en de
Raad ten aanzien van technische reguleringsnormen
voor de toepassing van de berekeningsmethoden
voor kapitaaltoereikendheidsvereisten voor financiële
conglomeraten.
13° Verordening 2015/2303: Gedelegeerde
Verordening (EU) 2015/2303 van de Commissie van
28 juli 2015 tot aanvulling van Richtlijn 2002/87/EG van
het Europees Parlement en de Raad met betrekking
tot technische reguleringsnormen tot specificering van
de definities van en coördinering van het aanvullende
toezicht op risicoconcentratie en intragroepstransacties.
Art. 341
Met het oog op een zo efficiënt mogelijk groepstoe-
zicht en een zo efficiënt mogelijk aanvullend conglo-
meraatstoezicht, kan de Bank individuele afwijkingen
toestaan op de bepalingen van deze Titel en, in voor-
komend geval, op de met toepassing van artikel 12bis,
§ 2 van de wet van 22 februari 1998 vastgestelde regle-
menten, voor zover deze in lijn blijven met de ter zake
relevante bepalingen van, naargelang van het geval,
Richtlijn 2009/138/EG en Richtlijn 2002/87/EG. In dat
geval stelt zij de Europese Commissie daarvan in kennis.
Art. 342
De Bank kan, in voorkomend geval bij reglement
vastgesteld met toepassing van artikel 12bis, § 2 van
de wet van 22 februari 1998, de praktische modaliteiten
van het groepstoezicht zoals opgenomen in Hoofdstuk
II van deze Titel en van het aanvullende conglomeraat-
stoezicht, zoals opgenomen in Hoofdstuk III van deze
titel, nader bepalen.
21 janvier 2014 complétant la directive 2002/87/CE
du Parlement européen et du Conseil et le règlement
(UE) n° 575/2013 du Parlement européen et du Conseil
par des normes techniques de la réglementation pour
l’application aux conglomérats financiers des méthodes
de calcul des exigences en matière d’adéquation des
fonds propres.
13° Règlement 2015/2303: le règlement délégué (UE)
2015/2303 de la Commission du 28 juillet 2015 complé-
tant la directive 2002/87/CE du Parlement européen et du
Conseil par des normes techniques de réglementation
précisant les définitions de la concentration de risques
et des transactions intragroupe et coordonnant leur
surveillance complémentaire.
Art. 341
En vue d’un contrôle de groupe et d’une surveillance
complémentaire des conglomérats aussi efficaces que
possible, la Banque peut autoriser des dérogations
individuelles aux dispositions du présent Titre, ainsi que,
le cas échéant, aux règlements pris en application de
l’article 12bis, § 2 de la loi du 22 février 1998, pour autant
qu’elles restent conformes aux dispositions pertinentes
en la matière de, selon le cas, la Directive 2009/138/CE
et la Directive 2002/87/CE. Dans ce cas, elle en informe
la Commission européenne.
Art. 342
La Banque peut, le cas échéant par voie de règle-
ment pris en application de l’article 12bis, § 2, de la loi
du 22 février 1998, préciser les modalités pratiques du
contrôle de groupe telles que prévues au Chapitre II
du présent Titre, et de la surveillance complémentaire
des conglomérats telles que prévues au Chapitre III du
présent Chapitre.
965
1584/002
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
HOOFDSTUK II
Toezicht op verzekerings- of
herverzekeringsondernemingen die deel uitmaken
van een verzekerings- of herverzekeringsgroep
Afdeling I
Toepassingsgevallen, reikwijdte en niveaus van het
groepstoezicht
Onderafdeling I
Toepassingsgevallen van het groepstoezicht
Art. 343
Verzekerings- of herverzekeringsondernemingen
naar Belgisch recht die deel uitmaken van een groep,
zijn onderworpen aan een toezicht op groepsniveau,
overeenkomstig dit Hoofdstuk, de uitvoeringsbesluiten
en -reglementen ervan en de uitvoeringsmaatregelen
van Richtlijn 2009/138/EG.
Het toezicht op groepsniveau wordt uitgeoefend op
verzekerings- of herverzekeringsondernemingen naar
Belgisch recht:
1° die een deelnemende onderneming in ten minste
één verzekerings- of herverzekeringsonderneming in
de Europese Economische Ruimte of van een derde
land zijn, overeenkomstig de Afdelingen I tot IV van dit
Hoofdstuk;
2° waarvan de moederonderneming een verzeke-
ringsholding of een gemengde financiële holding in de
Europese Economische Ruimte is, overeenkomstig de
Afdelingen I tot IV van dit Hoofdstuk;
3° waarvan de moederonderneming een verzeke-
ringsholding of een gemengde financiële holding van
een derde land of een verzekerings- of herverzekerings-
onderneming van een derde land is, overeenkomstig
Afdeling V van dit Hoofdstuk;
4° waarvan de moederonderneming een gemengde
verzekeringsholding in de Europese Economische
Ruimte of van een derde land is, overeenkomstig
Afdeling VI van dit Hoofdstuk.
Het toezicht op groepsniveau doet geen afbreuk aan
het toezicht dat op individuele basis wordt uitgeoefend
op verzekerings- of herverzekeringsondernemingen die
betrokken zijn in het toezicht op groepsniveau, behou-
dens andersluidende bepalingen die door of krachtens
dit Hoofdstuk of de uitvoeringsmaatregelen van Richtlijn
2009/138/EG zijn vastgelegd. De Bank kan evenwel
CHAPITRE II
Contrôle des entreprises d’assurance ou
de réassurance faisant partie d’un groupe
d’assurance ou de réassurance
Section Ire
Cas d’application, portée et niveaux du contrôle de groupe
Sous-section Ire
Cas d’application du contrôle de groupe
Art. 343
Les entreprises d’assurance ou de réassurance de
droit belge qui font partie d’un groupe sont soumises
à un contrôle au niveau du groupe, conformément au
présent Chapitre, aux arrêtés et règlements pris pour
son exécution ainsi qu’aux mesures d’exécution de la
Directive 2009/138/CE.
Le contrôle au niveau du groupe s’exerce sur les
entreprises d’assurance ou de réassurance de droit
belge:
1° qui sont une entreprise participante dans au moins
une entreprise d’assurance ou de réassurance dans
l’Espace économique européen ou d’un pays tiers,
conformément aux Sections Ire à IV du présent Chapitre;
2° dont l’entreprise mère est une société holding
d’assurance ou une compagnie financière mixte dans
l’Espace économique européen, conformément aux
Sections Ire à IV du présent Chapitre;
3° dont l’entreprise mère est une société holding
d’assurance ou une compagnie financière mixte d’un
pays tiers ou une entreprise d’assurance ou de réas-
surance d’un pays tiers, conformément à la Section V
du présent Chapitre;
4° dont l’entreprise mère est une société holding
mixte d’assurance dans l’Espace économique euro-
péen ou d’un pays tiers, conformément à la Section VI
du présent Chapitre.
Le contrôle au niveau du groupe ne porte pas
préjudice au contrôle, sur une base individuelle, des
entreprises d’assurance ou de réassurance incluses
dans le contrôle au niveau d’un groupe, sauf dispo-
sitions contraires prévues par ou en vertu du présent
Chapitre ou par les mesures d’exécution de la Directive
2009/138/CE. La Banque peut toutefois tenir compte des
966
1584/002
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
rekening houden met de implicaties van het toezicht
op groepsniveau bij de bepaling van de inhoud en de
modaliteiten van het toezicht op individuele basis op
verzekerings- of herverzekeringsondernemingen.
Art. 344
In de gevallen bedoeld in artikel 343, tweede lid, 1° en
2°, waarin de deelnemende verzekerings- of herverze-
keringsonderneming, de verzekeringsholding of de ge-
mengde financiële holding in de Europese Economische
Ruimte hetzij een verbonden onderneming van een
gereglementeerde entiteit of een gemengde financiële
holding is die overeenkomstig artikel 5, lid 2 van Richtlijn
2002/87/EG aan aanvullend toezicht is onderworpen,
hetzij zelf een gereglementeerde entiteit of een ge-
mengde financiële holding is die aan hetzelfde toezicht
is onderworpen, kan de groepstoezichthouder, na over-
leg met de andere betrokken toezichthouders, besluiten
op het niveau van deze deelnemende verzekerings- of
herverzekeringsonderneming, deze verzekeringsholding
of deze gemengde financiële holding het in de artikelen
388 en 389 bedoelde toezicht op de risicoconcentratie
of het in de artikelen 390 en 391 bedoelde toezicht op
intragroeptransacties of beide niet uit te oefenen.
Art. 345
Alle bepalingen van dit Hoofdstuk die van toepas-
sing zijn op groepsniveau wegens de positie van de
verzekeringsholding naar Belgisch recht, zijn ook van
toepassing op het niveau van een gemengde financiële
holding naar Belgisch recht voor zover:
1° de verzekeringssector de belangrijkste sector is
binnen het financieel conglomeraat;
2° minstens één van de dochterondernemingen een
verzekerings- of herverzekeringsonderneming is;
3° de Bank zowel het toezicht op groepsniveau als
het aanvullende conglomeraatstoezicht uitoefent.
Voor de toepassing van het eerste lid wordt de om-
vang van de verzekeringssector gemeten overeenkom-
stig artikel 452, § 3.
Voor de toepassing van dit artikel overlegt de Bank,
in haar hoedanigheid van groepstoezichthouder, met
de betrokken toezichthouders die belast zijn met het
toezicht op de dochterondernemingen en verkrijgt zij de
instemming van de consoliderende toezichthouder van
de banksector en de beleggingsdienstensector.
implications du contrôle au niveau du groupe dans la
détermination du contenu et des modalités du contrôle
sur une base individuelle des entreprises d’assurance
ou de réassurance.
Art. 344
Dans les cas visés à l’article 343, alinéa 2, 1° et 2°,
lorsque l’entreprise d’assurance ou de réassurance
participante, la société holding d’assurance ou la com-
pagnie financière mixte dans l’Espace économique
européen est soit une entreprise liée d’une entité régle-
mentée ou d’une compagnie financière mixte assujettie
à une surveillance complémentaire conformément à
l’article 5, § 2, de la directive 2002/87/CE, soit elle-même
une entité réglementée ou une compagnie financière
mixte assujettie à la même surveillance, le contrôleur
du groupe, peut, après consultation des autres autorités
de contrôle concernées, décider de ne pas effectuer le
contrôle de la concentration de risques visé aux articles
388 et 389, le contrôle des transactions intragroupe visé
aux articles 390 et 391 ou les deux, au niveau de cette
entreprise d’assurance ou de réassurance participante,
de cette société holding d’assurance ou de cette com-
pagnie financière mixte.
Art. 345
Toute disposition du présent Chapitre qui s’applique
au niveau du groupe en raison de la situation de la
société holding d’assurance de droit belge s’applique
également au niveau d’une compagnie financière mixte
de droit belge pour autant que:
1° le secteur des assurances soit le principal secteur
au sein du conglomérat financier;
2° l’une des filiales au moins soit une entreprise
d’assurance ou de réassurance;
3° la Banque exerce aussi bien le contrôle au niveau
du groupe que la surveillance complémentaire du
conglomérat.
Pour l’application de l’alinéa 1er, l’importance du
secteur des assurances est mesurée conformément à
l’article 452, § 3.
Pour l’application du présent article, la Banque, en
sa qualité de contrôleur du groupe, se concerte avec les
autorités de contrôle concernées chargées du contrôle
des filiales et obtient l’accord de l’autorité de surveil-
lance sur base consolidée du secteur bancaire et du
secteur des services d’investissement.
967
1584/002
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
In haar hoedanigheid van groepstoezichthouder stelt
de Bank de EBA en EIOPA in kennis van de krachtens
dit artikel genomen besluiten.
Art. 346
Onverminderd artikel 347 kan de Bank, wanneer een
verzekerings- of herverzekeringsonderneming die aan
het hoofd staat van een financieel conglomeraat of wan-
neer een gemengde financiële holding naar Belgisch
recht onderworpen is aan gelijkwaardige bepalingen van
Hoofdstuk II en Hoofdstuk III van deze Titel, met name
als het gaat om risicogebaseerd toezicht, in haar hoe-
danigheid van groepstoezichthouder besluiten op deze
gemengde financiële holding alleen de relevante bepa-
lingen van Hoofdstuk III van deze Titel toe te passen.
Voor de toepassing van dit artikel overlegt de Bank,
in haar hoedanigheid van groepstoezichthouder, met de
betrokken toezichthouders die belast zijn met het toe-
zicht op de dochterondernemingen en, in voorkomend
geval, met de consoliderende toezichthouder van de
banksector en de beleggingsdienstensector.
In haar hoedanigheid van groepstoezichthouder stelt
de Bank de EBA en EIOPA in kennis van de krachtens
dit artikel genomen besluiten.
Art. 347
Wanneer een verzekerings- of herverzekeringsonder-
neming deel uitmaakt van een financieel conglomeraat
waarin de verzekeringssector de belangrijkste sector is
en waarover de Bank zowel het toezicht op groepsniveau
als het aanvullende conglomeraatstoezicht uitoefent,
kan deze besluiten, na overleg met de bevoegde au-
toriteiten in de zin van artikel 340, 3°, dat de volgende
maatregelen van toepassing zijn:
1° wat betreft de verplichtingen en bevoegdheden
inzake risicogebaseerd toezicht, zoals neergelegd in
de artikelen 383 tot 401 en 417 tot 424, of onderdelen
daarvan, zal bij wijze van afwijking de groep als gedefi-
nieerd in artikel 340, 1° die het financieel conglomeraat
vormt, in aanmerking worden genomen als relevante
reikwijdte voor het toezicht op groepsniveau;
2° voor de naleving van de artikelen 459 tot 466 wor-
den de groepsrisico’s die voortvloeien uit intragroep-
transacties en risicoconcentratie binnen het financieel
conglomeraat, als een bijkomende risicocategorie
behandeld. Deze risico’s worden voldoende speci-
fiek behandeld, met inachtneming van de richtlijnen
of standaarden die de Europese toezichthoudende
La Banque, en sa qualité de contrôleur du groupe,
informe l’ABE et l’EIOPA des décisions arrêtées en
vertu du présent article.
Art. 346
Sans préjudice de l’article 347, lorsqu’une entreprise
d’assurance ou de réassurance à la tête d’un conglomé-
rat financier ou lorsqu’une compagnie financière mixte
de droit belge est soumise à des dispositions équiva-
lentes du Chapitre II et du Chapitre III du présent Titre,
plus particulièrement en termes de surveillance fondée
sur le risque, la Banque, en sa qualité de contrôleur du
groupe peut décider de n’appliquer à cette compagnie
financière mixte que les dispositions pertinentes du
Chapitre III du présent Titre.
Pour l’application du présent article, la Banque, en
sa qualité de contrôleur de groupe, se concerte avec les
autorités de contrôle concernées chargées du contrôle
des filiales et, le cas échéant, avec l’autorité de surveil-
lance sur base consolidée du secteur bancaire et du
secteur des services d’investissement.
La Banque, en sa qualité de contrôleur du groupe,
informe l’ABE et l’EIOPA des décisions arrêtées en
vertu du présent article.
Art. 347
Lorsqu’une entreprise d’assurance ou de réassu-
rance fait partie d’un conglomérat financier dans lequel
le secteur des assurances est le principal secteur et sur
lequel la Banque exerce tant le contrôle au niveau du
groupe que la surveillance complémentaire du conglo-
mérat, celle-ci peut décider, après concertation avec les
autorités compétentes au sens de l’article 340, 3°, que
les mesures suivantes sont d’application:
1° en ce qui concerne les obligations et compétences
relatives au contrôle fondé sur les risques, telles que
décrites aux articles 383 à 401 et 417 à 424, ou des
parties de ceux-ci, le groupe, tel que défini à l’article
340, 1° et qui constitue le conglomérat financier, sera,
par dérogation, pris en considération au titre de la portée
pertinente pour le contrôle au niveau du groupe;
2° pour le respect des articles 459 à 466, les risques
de groupe qui découlent des transactions intragroupe et
de la concentration des risques au sein du conglomérat
financier sont traités comme une catégorie de risques
supplémentaires. Ces risques sont traités de façon suf-
fisamment spécifique, tout en respectant les directives
ou normes édictées par les Autorités européennes de
968
1584/002
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
autoriteiten uitvaardigen en van de kwantitatieve of
kwalitatieve maatregelen waarnaar verwezen wordt in
de voornoemde artikelen;
3° voor de naleving van artikel 467 kunnen de be-
doelde stresstests op het niveau van het financieel
conglomeraat worden geïntegreerd in de stresstests
die vereist zijn op basis van artikel 322.
De praktische modaliteiten voor de toepassing van
het eerste lid worden schriftelijk vastgelegd in een
coördinatieregeling die met de relevante bevoegde au-
toriteiten in de zin van artikel 340, 4° is gesloten binnen
het college dat op de vereiste wijze is samengesteld op
basis van artikel 474.
In haar hoedanigheid van groepstoezichthouder stelt
de Bank de EBA en EIOPA in kennis van de krachtens
het eerste lid genomen besluiten.
Onderafdeling II
Reikwijdte van het groepstoezicht
Art. 348
De uitoefening van het groepstoezicht overeenkom-
stig dit Hoofdstuk betekent niet dat toezicht op individu-
ele basis moet worden uitgeoefend op de verzekerings-
of herverzekeringsondernemingen van een derde land,
op de verzekeringsholding, op de gemengde financiële
holding of op de gemengde verzekeringsholding die on-
der het toezicht op groepsniveau vallen, onverminderd
Afdeling IV van dit Hoofdstuk wat verzekeringsholdings
en gemengde financiële holdings betreft.
Art. 349
§ 1. De groepstoezichthouder kan per geval besluiten
om bij het in artikel 343 bedoelde toezicht op groeps-
niveau een onderneming niet in aanmerking te nemen:
1° indien de onderneming gevestigd is in een derde
land waar er juridische belemmeringen bestaan voor het
doorgeven van de benodigde informatie, onverminderd
het bepaalde in artikel 371;
2° indien de bij het toezicht te betrekken onderneming
in het licht van de doeleinden van het groepstoezicht
van te verwaarlozen betekenis is; of
surveillance, ainsi que les mesures quantitatives et
qualitatives auxquelles il est fait référence dans les
articles précités;
3° pour le respect de l’article 467, les tests de résis-
tance visés peuvent être intégrés au niveau du conglo-
mérat financier dans les tests de résistance requis sur
la base de l’article 322.
Les modalités pratiques relatives à l’application de
l’alinéa 1er sont consignées par écrit dans un règlement
de coordination conclu avec les autorités compétentes
relevantes au sens de l’article 340, 4°, au sein du col-
lège constitué de la manière requise sur la base de
l’article 474.
La Banque, en sa qualité de contrôleur du groupe,
informe l’ABE et l’EIOPA des décisions arrêtées en
vertu de l’alinéa 1er.
Sous-section II
Portée du contrôle de groupe
Art. 348
L’exercice du contrôle du groupe conformément au
présent Chapitre n’implique pas le contrôle sur une
base individuelle des entreprises d’assurance ou de
réassurance d’un pays tiers, de la société holding
d’assurance, de la compagnie financière mixte ou de
la société holding mixte d’assurance incluses dans
le contrôle au niveau du groupe, sans préjudice de
la Section IV du présent Chapitre en ce qui concerne
les sociétés holding d’assurance ou les compagnies
financières mixtes.
Art. 349
§ 1er. Le contrôleur du groupe peut décider, au cas par
cas, de ne pas inclure une entreprise dans le contrôle
au niveau du groupe visé à l’article 343:
1° lorsque l’entreprise est située dans un pays tiers
où des obstacles de nature juridique empêchent le
transfert des informations nécessaires, sans préjudice
de l’article 371;
2° lorsque l’entreprise à inclure ne présente qu’un
intérêt négligeable au regard des objectifs du contrôle
de groupe; ou
969
1584/002
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
3° indien het in aanmerking nemen van de onderne-
ming in het licht van de doeleinden van het groepstoe-
zicht ongepast of misleidend zou zijn.
Wanneer verscheidene ondernemingen van dezelfde
groep individueel genomen buiten beschouwing mogen
worden gelaten op grond van het eerste lid, 2°, moeten
deze toch bij het toezicht op groepsniveau in aanmer-
king worden genomen indien zij gezamenlijk van niet
te verwaarlozen betekenis zijn.
§ 2. Indien de Bank, in haar hoedanigheid van groeps-
toezichthouder, in de in paragraaf 1, eerste lid, 2° of 3°
bedoelde gevallen van mening is dat een verzekerings-
of herverzekeringsonderneming niet bij het toezicht op
groepsniveau in aanmerking moet worden genomen,
raadpleegt zij de andere betrokken toezichthouders
alvorens een besluit te nemen.
Art. 350
Wanneer een verzekerings- of herverzekeringson-
derneming op grond van artikel 349, § 1, eerste lid, 2°
of 3° of van een bepaling van het recht van een andere
lidstaat die voorziet in de omzetting van artikel 214, lid 2,
eerste alinea, onder b) of c), van Richtlijn 2009/138/EG,
niet bij het groepstoezicht in aanmerking wordt geno-
men, dient de onderneming naar Belgisch recht die aan
het hoofd van de groep staat, aan de toezichthouders
van de lidstaat waar deze niet in het groepstoezicht
opgenomen onderneming is gevestigd, alle informatie
te verstrekken die naar haar mening het toezicht op de
betrokken verzekerings- of herverzekeringsonderne-
ming kan vergemakkelijken.
Onderafdeling III
Niveaus
§ 1 – Uiteindelijke moederonderneming op het niveau
van de Europese Economische Ruimte
Art. 351
Wanneer de in artikel 343, tweede lid, 1° en 2°
bedoelde deelnemende verzekerings- of herverzeke-
ringsonderneming, verzekeringsholding of gemengde
financiële holding zelf een dochteronderneming van
een andere verzekerings- of herverzekeringsonderne-
ming, een andere verzekeringsholding of een andere
gemengde financiële holding met zetel in de Europese
Economische Ruimte is, zijn de bepalingen die door
of krachtens de Afdelingen II tot IV van dit Hoofdstuk
zijn vastgelegd, alleen van toepassing op het niveau
3° lorsque l’inclusion de l’entreprise est inappropriée
ou pourrait constituer une source de confusion, au
regard des objectifs du contrôle de groupe.
Lorsque plusieurs entreprises du même groupe,
considérées individuellement, peuvent être exclues sur
la base de l’alinéa 1er, 2°, il y a lieu de les inclure dans
le contrôle au niveau du groupe dès lors que, collec-
tivement, elles présentent un intérêt non négligeable.
§ 2. Lorsque la Banque, en sa qualité de contrôleur
du groupe, estime qu’une entreprise d’assurance ou de
réassurance ne devrait pas être incluse dans le contrôle
au niveau du groupe par application du paragraphe 1er,
alinéa 1er, 2° ou 3°, elle consulte les autres autorités de
contrôle concernées avant d’arrêter une décision.
Art. 350
Lorsqu’en application de l’article 349, § 1er, alinéa 1er,
2° ou 3° ou d’une disposition du droit d’un autre État
membre assurant la transposition de l’article 214,
paragraphe 2, alinéa 1er, point b) ou c), de la Directive
2009/138/CE, une entreprise d’assurance ou de réas-
surance n’est pas incluse dans le contrôle du groupe,
l’entreprise de droit belge qui se trouve à la tête du
groupe est tenue de fournir à l’autorité de contrôle de
l’État membre où cette entreprise non incluse dans
le contrôle du groupe est située, toute information
que celle-ci estime de nature à faciliter le contrôle de
l’entreprise d’assurance ou de réassurance concernée.
Sous-section III
Niveaux
§ 1er – Entreprise mère supérieure au niveau de
l’Espace économique européen
Art. 351
Lorsque l’entreprise d’assurance ou de réassurance
participante, la société holding d’assurance ou la com-
pagnie financière mixte visée à l’article 343, alinéa 2,
1° et 2°, est elle-même une entreprise filiale d’une autre
entreprise d’assurance ou de réassurance, d’une autre
société holding d’assurance ou d’une autre compagnie
financière mixte ayant son siège social dans l’Espace
économique européen, les dispositions prévues par
ou en vertu des Sections II à IV du présent Chapitre ne
s’appliquent qu’au niveau de l’entreprise d’assurance
970
1584/002
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
van de uiteindelijke moederverzekerings- of -herver-
zekeringsonderneming in de Europese Economische
Ruimte, de uiteindelijke moederverzekeringsholding of
de uiteindelijke gemengde financiële moederholding in
de Europese Economische Ruimte.
Art. 352
Wanneer de in artikel 351 bedoelde uiteindelijke
moederverzekerings- of -herverzekeringsonderneming
op het niveau van de Europese Economische Ruimte,
de uiteindelijke moederverzekeringsholding of de
uiteindelijke gemengde financiële moederholding op
het niveau van de Europese Economische Ruimte een
dochteronderneming van een overeenkomstig artikel 5,
lid 2, van Richtlijn 2002/87/EG aan aanvullend toezicht
onderworpen onderneming is, kan de groepstoezicht-
houder, na overleg met de andere betrokken toezicht-
houders, besluiten op het niveau van deze uiteindelijke
moederonderneming, moederverzekeringsholding of
moederholding het in de artikelen 388 en 389 bedoelde
toezicht op de risicoconcentratie of het in de artikelen
390 en 391 bedoelde toezicht op intragroeptransacties
of beide niet uit te oefenen.
§ 2 – Uiteindelijke moederonderneming op Belgisch
niveau
Art. 353
§ 1. Onverminderd de artikelen 351 en 352, wanneer
de zetel van de in artikel 351 bedoelde uiteindelijke
moederonderneming op het niveau van de Europese
Economische Ruimte niet in België is gelegen, kan de
Bank, na raadpleging van de groepstoezichthouder en
deze uiteindelijke moederonderneming op het niveau
van de Europese Economische Ruimte, besluiten de in
artikel 343, tweede lid, 1° en 2° bedoelde verzekerings-
of herverzekeringsonderneming, verzekeringsholding
of gemengde financiële holding aan het toezicht op
groepsniveau te onderwerpen overeenkomstig de be-
palingen die door of krachtens dit Hoofdstuk en door
de uitvoeringsmaatregelen van Richtlijn 2009/138/EG
zijn vastgelegd.
De in het eerste lid bedoelde verzekerings- of her-
verzekeringsonderneming, verzekeringsholding of
gemengde financiële holding, wordt als uiteindelijke
moederonderneming op Belgisch niveau aangemerkt.
De Bank legt haar besluit uit aan de groepstoezicht-
houder en aan de uiteindelijke moederonderneming
op het niveau van de Europese Economische Ruimte.
ou de réassurance mère supérieure dans l’Espace éco-
nomique européen, de la société holding d’assurance
mère supérieure ou de la compagnie financière mixte
mère supérieure dans l’Espace économique européen.
Art. 352
Lorsque l’entreprise d’assurance ou de réassurance
mère supérieure au niveau de l’Espace économique
européen, la société holding d’assurance mère supé-
rieure ou la compagnie financière mixte mère supérieure
au niveau de l’Espace économique européen, visée à
l’article 351 est une entreprise filiale d’une entreprise
assujettie à une surveillance complémentaire confor-
mément à l’article 5, § 2, de la Directive 2002/87/CE,
le contrôleur du groupe, peut, après consultation des
autres autorités de contrôle concernées, décider de
ne pas effectuer le contrôle de la concentration de
risques visé aux articles 388 et 389 ou le contrôle des
transactions intragroupe visé aux articles 390 et 391 ou
les deux, au niveau de cette entreprise, société ou
compagnie mère supérieure.
§ 2 – Entreprise mère supérieure au niveau belge
Art. 353
§ 1er. Sans préjudice des articles 351 et 352, lorsque
l’entreprise mère supérieure au niveau de l’Espace
économique européen visée à l’article 351 n’a pas
son siège social en Belgique, la Banque peut décider,
après consultation du contrôleur du groupe et de cette
entreprise mère supérieure au niveau de l’Espace éco-
nomique européen, d’assujettir l’entreprise d’assurance
ou de réassurance ou la société holding d’assurance
ou la compagnie financière mixte visée à l’article 343,
alinéa 2, 1° et 2°, au contrôle au niveau du groupe
conformément aux dispositions prévues par ou en vertu
du présent Chapitre et par les mesures d’exécution de
la Directive 2009/138/CE.
Cette entreprise d’assurance ou de réassurance, la
société holding d’assurance ou la compagnie financière
mixte visée à l’alinéa 1er est qualifiée d’entreprise mère
supérieure au niveau belge.
La Banque explique sa décision au contrôleur du
groupe et à l’entreprise mère supérieure au niveau de
l’Espace économique européen.
971
1584/002
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
§ 2. De Bank mag paragraaf 1 niet toepassen en
mag geen besluiten handhaven die met toepassing van
paragraaf 1 zijn genomen wanneer de in artikel 351 be-
doelde uiteindelijke moederonderneming op het niveau
van de Europese Economische Ruimte overeenkomstig
artikel 237 of 243 van Richtlijn 2009/138/EG toestem-
ming heeft verkregen om haar dochteronderneming, die
de uiteindelijke moederonderneming op Belgisch niveau
is, aan de artikelen 238 en 239 van Richtlijn 2009/138/
EG te onderwerpen.
Art. 354
§ 1. Wanneer zij artikel 353 toepast, kan de Bank
het groepstoezicht op de uiteindelijke moederonder-
neming op Belgisch niveau beperken tot een of meer
van de Onderafdelingen I, II of III van Afdeling II van dit
Hoofdstuk.
§ 2. Wanneer de Bank besluit de bepalingen van
Onderafdeling 1 van Afdeling II van dit Hoofdstuk op de
uiteindelijke moederonderneming op Belgisch niveau
toe te passen, wordt de keuze van de methode voor
de berekening van de solvabiliteit op het niveau van
de groep die overeenkomstig artikel 220 van Richtlijn
2009/138/EG door de groepstoezichthouder met be-
trekking tot de in artikel 351 bedoelde uiteindelijke
moederonderneming op het niveau van de Europese
Economische Ruimte wordt gemaakt, als definitief er-
kend en door de Bank toegepast.
§ 3. Wanneer de Bank besluit de bepalingen van
Onderafdeling 1 van Afdeling II van dit Hoofdstuk op de
uiteindelijke moederonderneming op Belgisch niveau
toe te passen en de in artikel 351 bedoelde uiteindelijke
moederonderneming op het niveau van de Europese
Economische Ruimte overeenkomstig artikel 231 of
artikel 233, lid 5 van Richtlijn 2009/138/EG toestemming
heeft verkregen om het solvabiliteitskapitaalvereiste van
de groep en het solvabiliteitskapitaalvereiste van de ver-
zekerings- of herverzekeringsondernemingen die deel
uitmaken van die groep, op basis van een intern model
te berekenen, wordt dit besluit als definitief erkend en
door de Bank toegepast.
Wanneer de Bank in een dergelijke situatie van
mening is dat het risicoprofiel van de uiteindelijke moe-
deronderneming op Belgisch niveau duidelijk afwijkt
van het op het niveau van de Europese Economische
Ruimte goedgekeurde interne model, en zolang deze
onderneming niet afdoende tegemoet komt aan de be-
zorgdheden van de Bank, kan zij besluiten een opslag-
factor toe te passen op het solvabiliteitskapitaalvereiste
van de groep dat voor de uiteindelijke moederonder-
neming op Belgisch niveau uit de toepassing van dit
§ 2. La Banque n’est pas autorisée à faire application
du paragraphe 1er ou à maintenir une décision prise
en application du paragraphe 1er lorsque l’entreprise
mère supérieure au niveau de l’Espace économique
européen visée à l’article 351 a obtenu, conformément
aux articles 237 ou 243 de la Directive 2009/138/CE,
l’autorisation d’assujettir sa filiale entreprise mère
supérieure au niveau belge aux articles 238 et 239 de
la Directive 2009/138/CE.
Art. 354
§ 1er. Lorsqu’elle fait application de l’article 353, la
Banque peut limiter le contrôle de groupe de l’entreprise
mère supérieure au niveau belge à une ou plusieurs des
Sous-sections Ire, II ou III de la Section II du présent
Chapitre.
§ 2. Lorsque la Banque décide d’appliquer à
l’entreprise mère supérieure au niveau belge les dis-
positions de la Sous-section 1re de la Section II du
présent Chapitre, le choix de la méthode de calcul de
la solvabilité au niveau du groupe, effectué conformé-
ment à l’article 220 de la Directive 2009/138/CE par le
contrôleur du groupe en ce qui concerne l’entreprise
mère supérieure au niveau de l’Espace économique
européen visée à l’article 351, est considéré comme
déterminant et est appliqué par la Banque.
§ 3. Lorsque la Banque décide d’appliquer à l’entre-
prise mère supérieure au niveau belge les dispositions
de la Sous-section 1re de la Section II du présent
Chapitre et que l’entreprise mère supérieure au niveau
de l’Espace économique européen visée à l’article
351 a obtenu, conformément à l’article 231 ou 233,
paragraphe 5 de la Directive 2009/138/CE, l’autorisation
de calculer sur la base d’un modèle interne le capital de
solvabilité requis du groupe et le capital de solvabilité
requis des entreprises d’assurance ou de réassurance
faisant partie du groupe, cette décision est considérée
comme déterminante et est appliquée par la Banque.
Dans ce cas, lorsque la Banque considère que le
profil de risque de l’entreprise mère supérieure au
niveau belge s’écarte significativement du modèle
interne approuvé au niveau de l’Espace économique
européen, elle peut décider d’imposer à l’entreprise
mère supérieure au niveau belge, en conséquence
de l’application de ce modèle et aussi longtemps que
cette entreprise ne répond pas de manière satisfaisante
aux préoccupations de la Banque, une exigence de
capital supplémentaire en ce qui concerne le capital
972
1584/002
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
model voortvloeit, of, in uitzonderlijke omstandigheden
waarin de toepassing van een dergelijke opslagfactor
niet gepast is, verlangen dat deze onderneming het
solvabiliteitskapitaalvereiste van de groep op basis van
de standaardformule berekent.
De Bank legt de krachtens het tweede lid genomen
besluiten uit aan de groepstoezichthouder en aan de
uiteindelijke moederonderneming op Belgisch niveau.
§ 4. Wanneer de Bank besluit de bepalingen van
Onderafdeling 1 van Afdeling II van dit Hoofdstuk op de
uiteindelijke moederonderneming op Belgisch niveau
toe te passen, is het deze onderneming niet toegestaan
overeenkomstig artikel 382 een aanvraag in te dienen
om één of meer van haar dochterondernemingen aan
de artikelen 384 en 385 te onderwerpen.
Art. 355
Wanneer een toezichthouder de Bank, in haar hoeda-
nigheid van groepstoezichthouder, ervan in kennis stelt
dat zij artikel 216, lid 1 of lid 4 van Richtlijn 2009/138/
EG heeft toepast, deelt de Bank dit mee aan het college
van toezichthouders overeenkomstig artikel 409, § 1.
§ 3 – Moederonderneming die meerdere lidstaten
bestrijkt
Art. 356
§ 1. In geval van toepassing van artikel 353, mag de
Bank een overeenkomst sluiten met toezichthouders van
andere lidstaten waar een andere verbonden uiteinde-
lijke moederonderneming op nationaal niveau aanwezig
is, teneinde groepstoezicht uit te oefenen op het niveau
van een subgroep die meerdere lidstaten bestrijkt.
Wanneer er overeenkomstig het eerste lid een over-
eenkomst is gesloten, mag geen groepstoezicht worden
uitgeoefend op het niveau van de uiteindelijke moe-
derondernemingen op nationaal niveau die in andere
lidstaten aanwezig zijn dan de lidstaat waar de in het
eerste lid bedoelde subgroep is gevestigd.
§ 2. De Bank en de toezichthouders die partij zijn
bij de in paragraaf 1 bedoelde overeenkomst kunnen
overeenkomen het groepstoezicht op het niveau van de
subgroep die meerdere lidstaten bestrijkt, te beperken
tot een of meer afdelingen van Hoofdstuk II van Titel III
van Richtlijn 2009/138/EG.
Wanneer de Bank en de toezichthouders die partij zijn
bij de in paragraaf 1 bedoelde overeenkomst besluiten
de solvabilité requis du groupe de cette entreprise ou,
dans des circonstances exceptionnelles, lorsque cette
exigence de capital supplémentaire serait inappropriée,
exiger de cette entreprise qu’elle calcule le capital de
solvabilité requis du groupe sur la base de la formule
standard.
La Banque explique les décisions prises en vertu de
l’alinéa 2 au contrôleur du groupe et à l’entreprise mère
supérieure au niveau belge.
§ 4. Lorsque la Banque décide d’appliquer à
l’entreprise mère supérieure au niveau belge les dis-
positions de la Sous-section 1re de la Section II du
présent Chapitre, cette entreprise n’est pas autorisée à
demander, conformément à l’article 382, l’autorisation
d’assujettir l’une quelconque de ses filiales aux articles
384 et 385.
Art. 355
Lorsqu’une autorité de contrôle informe la Banque, en
qualité de contrôleur du groupe, qu’elle a fait application
de l’article 216, paragraphe 1er ou paragraphe 4 de la
Directive 2009/138/CE, la Banque en informe le collège
des contrôleurs conformément à l’article 409, § 1er.
§ 3 – Entreprise mère couvrant plusieurs États
membres
Art. 356
§ 1er. En cas d’application de l’article 353, la Banque
peut conclure un accord avec les autorités de contrôle
dans les autres États membres où se trouve une autre
entreprise mère supérieure liée au niveau national, en
vue d’exercer un contrôle du groupe au niveau d’un
sous-groupe couvrant plusieurs États membres.
En cas de conclusion d’un accord conformément à
l’alinéa 1er, aucun contrôle du groupe n’est effectué au
niveau des entreprises mères supérieures au niveau
national qui se trouvent dans des États membres dif-
férents de l’État membre où est situé le sous-groupe
visé à l’alinéa 1er.
§ 2. La Banque et les autorités de contrôle parties
à l’accord visé au paragraphe 1er peuvent convenir de
limiter le contrôle du groupe au niveau du sous-groupe
couvrant plusieurs États membres, à une ou plusieurs
sections du Chapitre II du Titre III de la Directive
2009/138/CE.
Lorsque la Banque et les autorités de contrôle parties
à l’accord visé au paragraphe 1er décident d’appliquer
973
1584/002
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
de artikelen 218 tot 243 van Richtlijn 2009/138/EG toe
te passen, wordt de keuze van de methode voor de be-
rekening van de solvabiliteit op het niveau van de groep,
die overeenkomstig artikel 220 van Richtlijn 2009/138/
EG door de groepstoezichthouder met betrekking tot
de uiteindelijke moederonderneming op het niveau van
de Europese Economische Ruimte wordt gemaakt, als
definitief erkend en door de Bank en de toezichthouders
die partij zijn bij de in paragraaf 1 bedoelde overeen-
komst toegepast.
Ingeval de Bank en de toezichthouders die partij zijn
bij de in paragraaf 1 bedoelde overeenkomst besluiten
de artikelen 218 tot 243 van Richtlijn 2009/138/EG te
passen en ingeval de uiteindelijke moederonderneming
op het niveau van de Europese Economische Ruimte
overeenkomstig artikel 231 of artikel 233, lid 5, van
Richtlijn 2009/138/EG toestemming heeft verkregen
om het solvabiliteitskapitaalvereiste van de groep en
het solvabiliteitskapitaalvereiste van de verzekerings- of
herverzekeringsondernemingen die deel uitmaken van
de groep op basis van een intern model te berekenen,
wordt dat besluit als definitief erkend en door de Bank
en de toezichthouders die partij zijn bij de in paragraaf
1 bedoelde overeenkomst toegepast.
Wanneer de Bank en de toezichthouders die partij
zijn bij de in paragraaf 1 bedoelde overeenkomst, in
het in het derde lid bedoelde geval van mening zijn
dat het risicoprofiel van de subgroep die meerdere lid-
staten bestrijkt, duidelijk afwijkt van het op het niveau
van de Europese Economische Ruimte goedgekeurde
interne model, en zolang deze subgroep niet afdoende
tegemoet komt aan de bezorgdheden van de Bank en
van de toezichthouders die partij zijn bij de in paragraaf
1 bedoelde overeenkomst, kunnen zij besluiten op het
uit de toepassing van dit model voortvloeiende solva-
biliteitskapitaalvereiste van de subgroep die meerdere
lidstaten bestrijkt, een opslagfactor toe te passen of, in
uitzonderlijke omstandigheden waarin de toepassing
van een dergelijke opslagfactor niet gepast is, verlangen
dat deze subgroep die meerdere lidstaten bestrijkt, het
solvabiliteitskapitaalvereiste van de subgroep op basis
van de standaardformule berekent.
De Bank legt de krachtens het vierde lid genomen
besluiten uit aan de groepstoezichthouder en aan de
uiteindelijke moederonderneming op het niveau van de
Europese Economische Ruimte.
§ 3. De Bank en de toezichthouders die partij zijn
bij de met toepassing van dit artikel gesloten over-
eenkomst, leggen de genoemde overeenkomst uit
les articles 218 à 243 de la Directive 2009/138/CE, le
choix de la méthode de calcul de la solvabilité au niveau
du groupe, effectué conformément à l’article 220 de la
Directive 2009/138/CE par le contrôleur du groupe en ce
qui concerne l’entreprise mère supérieure au niveau de
l’Espace économique européen, est considéré comme
déterminant et est appliqué par la Banque et les autorités
de contrôle parties à l’accord visé au paragraphe 1er.
Lorsque la Banque et les autorités de contrôle parties
à l’accord visé au paragraphe 1er décident d’appliquer
les articles 218 à 243 de la Directive 2009/138/CE, et que
l’entreprise mère supérieure au niveau de l’Espace éco-
nomique européen a obtenu, conformément à l’article
231 ou 233, paragraphe 5 de la Directive 2009/138/CE,
l’autorisation de calculer sur la base d’un modèle interne
le capital de solvabilité requis du groupe et le capital
de solvabilité requis des entreprises d’assurance ou de
réassurance faisant partie du groupe, cette décision est
considérée comme déterminante et est appliquée par
la Banque et les autorités de contrôle parties à l’accord
visé au paragraphe 1er.
Dans le cas visé à l’alinéa 3, lorsque la Banque
et les autorités de contrôle parties à l’accord visé au
paragraphe 1er considèrent que le profil de risque du
sous-groupe couvrant plusieurs États membres s’écarte
significativement du modèle interne approuvé au niveau
de l’Espace économique européen, elles peuvent
décider d’imposer au sous-groupe couvrant plusieurs
États membres, en conséquence de l’application de
ce modèle et aussi longtemps que ce sous-groupe ne
répond pas de manière satisfaisante aux préoccupa-
tions de la Banque et des autorités de contrôle parties
à l’accord visé au paragraphe 1er , une exigence de
capital supplémentaire en ce qui concerne le capital
de solvabilité requis du sous-groupe couvrant plusieurs
États membres ou, dans des circonstances exception-
nelles, lorsque cette exigence de capital supplémentaire
serait inappropriée, exiger de ce sous-groupe couvrant
plusieurs États membres qu’il calcule le capital de sol-
vabilité requis du sous-groupe sur la base de la formule
standard.
La Banque explique les décisions prises en vertu
de l’alinéa 4 au contrôleur du groupe et à l’entreprise
mère supérieure au niveau de l’Espace économique
européen.
§ 3. La Banque et les autorités de contrôle parties
à l’accord conclu en application du présent article,
exposent ledit accord au contrôleur du groupe et à
974
1584/002
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
aan de groepstoezichthouder en aan de uiteindelijke
moederonderneming op het niveau van de Europese
Economische Ruimte.
§ 4. De in dit artikel bedoelde overeenkomst mag
geen betrekking hebben op een uiteindelijke moe-
deronderneming op Belgisch niveau of op een ander
nationaal niveau die met toepassing van de artikelen
237 of 243 van Richtlijn 2009/138/EG onderworpen is
aan de artikelen 238 en 239 van Richtlijn 2009/138/EG.
Art. 357
Wanneer een toezichthouder de Bank, in haar hoeda-
nigheid van groepstoezichthouder, ervan in kennis stelt
dat zij artikel 217, lid 1 of artikel 217, lid 2 juncto artikel
216, lid 4, tweede alinea van Richtlijn 2009/138/EG heeft
toegepast, deelt de Bank dit mee aan het college van
toezichthouders overeenkomstig artikel 409, § 1.
Afdeling II
Domeinen van het groepstoezicht
Onderafdeling I
Groepssolvabiliteit
§ 1– Algemene bepalingen
Art. 358
§ 1. Op de groepssolvabiliteit wordt toezicht uitge-
oefend overeenkomstig dit artikel en Onderafdeling III
van deze Afdeling.
§ 2. In het in artikel 343, tweede lid, 1° bedoelde
geval zorgt de deelnemende verzekerings- of herver-
zekeringsonderneming ervoor dat er in de groep in
aanmerking komend eigen vermogen beschikbaar is
dat altijd ten minste gelijk is aan het solvabiliteitskapi-
taalvereiste van de groep als berekend overeenkomstig
de artikelen 361 tot 380.
In het in artikel 343, tweede lid, 2° bedoelde geval
zorgt de verzekerings- of herverzekeringsonderneming
die deel uitmaakt van de groep ervoor dat er in de groep
in aanmerking komend eigen vermogen beschikbaar is
dat altijd ten minste gelijk is aan het solvabiliteitskapi-
taalvereiste van de groep als berekend overeenkomstig
artikel 381.
l’entreprise mère supérieure au niveau de l’Espace
économique européen.
§ 4. L’accord visé au présent article ne peut pas
porter sur une entreprise mère supérieure au niveau
belge ou à un autre niveau national qui est assujettie
aux articles 238 et 239 de la Directive 2009/138/CE
par application des articles 237 ou 243 de la Directive
2009/138/CE.
Art. 357
Lorsqu’une autorité de contrôle informe la Banque, en
sa qualité de contrôleur du groupe, qu’elle a fait appli-
cation de l’article 217, paragraphe 1er ou de l’article 217,
paragraphe 2 juncto article 216, paragraphe 4, alinéa
2 de la Directive 2009/138/CE, la Banque en informe le
collège des contrôleurs conformément à l’article 409,
§ 1er.
Section II
Domaines du contrôle de groupe
Sous-section Ire
Solvabilité du groupe
§ 1er– Dispositions générales
Art. 358
§ 1er. Le contrôle de la solvabilité du groupe est exercé
conformément au présent article, ainsi qu’à la Sous-
Section III de la présente Section.
§ 2. Dans le cas visé à l’article 343, alinéa 2, 1°,
l’entreprise d’assurance ou de réassurance participante
veille à ce que le groupe dispose en permanence d’un
montant de fonds propres éligibles au moins égal au
capital de solvabilité requis du groupe calculé confor-
mément aux articles 361 à 380.
Dans le cas visé à l’article 343, alinéa 2, 2°, l’entre-
prise d’assurance ou de réassurance faisant partie du
groupe veille à ce que le groupe dispose en permanence
d’un montant de fonds propres éligibles au moins égal
au capital de solvabilité requis du groupe calculé confor-
mément à l’article 381.
975
1584/002
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
De in deze paragraaf bedoelde vereisten zijn overeen-
komstig Afdeling III van dit Hoofdstuk aan het toezicht
van de groepstoezichthouder onderworpen.
§ 3. De deelnemende verzekerings- of herverzeke-
ringsonderneming die zich in het in artikel 343, tweede
lid, 1° bedoelde geval bevindt, en, indien aan het hoofd
van de groep geen verzekerings- of herverzekerings-
onderneming staat, de verzekeringsholding of de ge-
mengde financiële holding die zich in het in artikel 343,
tweede lid, 2° bedoelde geval bevindt, beschikken over
procedures om een verslechtering van de vereisten als
respectievelijk bedoeld in het eerste lid en het tweede lid
vast te stellen en om de groepstoezichthouder onmid-
dellijk in kennis te stellen wanneer zo’n verslechtering
zich voordoet.
Zodra zij vaststelt dat het solvabiliteitskapitaalvereiste
van de groep niet meer wordt nageleefd of dat het ge-
vaar dreigt dat het in de komende drie maanden niet
meer wordt nageleefd, stelt de in het eerste lid bedoelde
onderneming de groepstoezichthouder daarvan onmid-
dellijk in kennis.
Binnen twee maanden na de in het tweede lid
bedoelde vaststelling of de kennisgeving door de
groepstoezichthouder van het feit dat hij een dergelijke
vaststelling heeft gedaan, dient de in het eerste lid
bedoelde onderneming bij de groepstoezichthouder
ter goedkeuring een realistisch saneringsplan in, dat
het solvabiliteitskapitaalvereiste van de groep weer op
peil beoogt te brengen binnen uiterlijk zes maanden.
Na overleg met de betrokken toezichthouders kan de
groepstoezichthouder deze termijn met drie maanden
verlengen indien hij dit nodig acht. Artikel 510, § § 2 en
3 is van overeenkomstige toepassing.
Art. 359
Wanneer de Bank, in haar hoedanigheid van groeps-
toezichthouder, ervan in kennis wordt gesteld dat het
solvabiliteitskapitaalvereiste van de groep niet meer
wordt nageleefd of dat het gevaar dreigt dat het in de
komende drie maanden niet meer wordt nageleefd,
deelt zij dit mee aan de betrokken toezichthouders in
het college van toezichthouders, dat de situatie van de
groep vervolgens analyseert.
Art. 360
§ 1. De deelnemende verzekerings- of herverzeke-
ringsonderneming of, indien aan het hoofd van de groep
geen verzekerings- of herverzekeringsonderneming
Les exigences visées au présent paragraphe sont
soumises au contrôle prudentiel du contrôleur du
groupe, conformément à la Section III du présent
Chapitre.
§ 3. L’entreprise d’assurance ou de réassurance
participante dans le cas visé à l’article 343, alinéa
2, 1°, et, lorsque le groupe n’est pas dirigé par une
entreprise d’assurance ou de réassurance, la société
holding d’assurance ou la compagnie financière mixte
dans le cas visé à l’article 343, alinéa 2, 2°, mettent en
place des procédures leur permettant de détecter une
détérioration des exigences visées, respectivement, à
l’alinéa 1er et à l’alinéa 2, et d’informer immédiatement
le contrôleur du groupe lorsqu’une telle détérioration
se produit.
Dès qu’elle constate que le capital de solvabilité
requis du groupe n’est plus atteint, ou qu’il risque de ne
plus l’être dans les trois mois à venir, l’entreprise visée
à l’alinéa 1er en informe immédiatement le contrôleur
du groupe.
Dans les deux mois du constat visé à l’alinéa 2, ou
de la notification par le contrôleur du groupe qu’il a
procédé à un tel constat, l’entreprise visée à l’alinéa 1er
soumet au contrôleur du groupe, pour approbation, un
programme de rétablissement réaliste visant à rétablir
la capital de solvabilité requis du groupe dans un délai
n’excédant pas six mois. Le contrôleur du groupe peut,
s’il l’estime nécessaire et après concertation avec les
autorités de contrôle concernées, prolonger ce délai
de trois mois. L’article 510, § § 2 et 3 est applicable par
analogie.
Art. 359
Lorsque la Banque, en sa qualité de contrôleur du
groupe, est informée que le capital de solvabilité requis
du groupe n’est plus atteint, ou qu’il risque de ne plus
l’être dans les trois mois à venir, elle en informe les
autorités de contrôle concernées au sein du collège des
contrôleurs, qui analyse la situation du groupe.
Art. 360
§ 1er. L’entreprise d’assurance ou de réassurance par-
ticipante ou, lorsque le groupe n’est pas dirigé par une
entreprise d’assurance ou de réassurance, la société
976
1584/002
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
staat, de verzekeringsholding of de gemengde financiële
holding voeren de in artikel 358, § 2 bedoelde bereke-
ningen minstens eenmaal per jaar uit.
De voor de berekening benodigde gegevens en de
resultaten van de berekening worden aan de groepstoe-
zichthouder voorgelegd door de deelnemende verzeke-
rings- of herverzekeringsonderneming of, indien aan het
hoofd van de groep geen verzekerings- of herverzeke-
ringsonderneming staat, door de verzekeringsholding,
de gemengde financiële holding of de tot de groep
behorende verzekerings- of herverzekeringsonderne-
ming die door de groepstoezichthouder na overleg met
de betrokken toezichthouders en met de groep zelf is
aangewezen.
§ 2. Het solvabiliteitskapitaalvereiste van de groep
wordt continu bewaakt door de verzekerings- of herver-
zekeringsonderneming of, indien aan het hoofd van de
groep geen verzekerings- of herverzekeringsonderne-
ming staat, door de verzekeringsholding of de gemeng-
de financiële holding. Wanneer het risicoprofiel van de
groep in significante mate. afwijkt van de hypothesen
die aan het laatst gemelde solvabiliteitskapitaalvereiste
van de groep ten grondslag liggen, wordt dit solvabili-
teitskapitaalvereiste onmiddellijk herberekend en aan
de groepstoezichthouder meegedeeld.
Indien er aanwijzingen zijn dat het risicoprofiel van de
groep in significante mate is gewijzigd sinds de datum
waarop de laatste melding van het solvabiliteitskapi-
taalvereiste van de groep heeft plaatsgevonden, kan
de groepstoezichthouder een herberekening van het
dit solvabiliteitskapitaalvereiste verlangen.
§ 2 – Keuze van de methode voor de berekening van
de groepssolvabiliteit en algemene beginselen
Art. 361
De solvabiliteit op het niveau van de groep van een
deelnemende verzekerings- of herverzekeringsonder-
neming wordt berekend overeenkomstig de technische
beginselen die in de artikelen 362 tot 371 zijn beschre-
ven en volgens berekeningsmethode 1 als bedoeld in
de artikelen 372 tot 376 en in de uitvoeringsmaatregelen
van Richtlijn 2009/138/EG.
In afwijking van het eerste lid kan de groepstoezicht-
houder, na overleg met de betrokken toezichthouders en
de groep zelf, besluiten om voor deze groep berekenings-
methode 2 als bedoeld in de artikelen 377 tot 380 en in
de uitvoeringsmaatregelen van Richtlijn 2009/138/EG,
of een combinatie van de berekeningsmethodes 1 en
2 toe te passen indien de uitsluitende toepassing van
methode 1 ongepast zou zijn.
holding d’assurance ou la compagnie financière mixte
effectuent au moins une fois par an les calculs visés à
l’article 358, § 2.
Les données nécessaires à ce calcul et les résul-
tats obtenus sont fournis au contrôleur du groupe, par
l’entreprise d’assurance ou de réassurance participante
ou, lorsque le groupe n’est pas dirigé par une entreprise
d’assurance ou de réassurance, par la société holding
d’assurance, par la compagnie financière mixte ou par
l’entreprise d’assurance ou de réassurance du groupe
désignée à cette fin par le contrôleur du groupe après
consultation des autorités de contrôle concernées et du
groupe lui-même.
§ 2. L’entreprise d’assurance ou de réassurance, ou,
lorsque le groupe n’est pas dirigé par une entreprise
d’assurance ou de réassurance, la société holding
d’assurance ou la compagnie financière mixte sur-
veillent en permanence le montant du capital de solva-
bilité requis du groupe. Lorsque le profil de risque du
groupe s’écarte significativement des hypothèses qui
sous-tendaient le dernier capital de solvabilité requis
notifié par le groupe, ce capital est recalculé sans délai
et notifié au contrôleur du groupe.
Lorsque des éléments semblent indiquer que le profil
de risque du groupe a significativement changé depuis
la date de la dernière notification du capital de solvabilité
requis du groupe, le contrôleur du groupe peut exiger
que ce capital soit recalculé.
§ 2 – Choix de la méthode de calcul de la solvabilité
du groupe et principes généraux
Art. 361
Le calcul de la solvabilité au niveau du groupe d’une
entreprise d’assurance ou de réassurance participante
est effectué conformément aux principes techniques
énoncés aux articles 362 à 371 et selon la première
méthode de calcul définie aux articles 372 à 376 et par
les mesures d’exécution de la Directive 2009/138/CE.
Par dérogation à l’alinéa 1er, le contrôleur du groupe,
peut décider, après consultation des autorités de
contrôle concernées et du groupe lui-même, d’appliquer
à ce groupe la seconde méthode de calcul définie aux
articles 377 à 380 et par les mesures d’exécution de la
Directive 2009/138/CE, ou une combinaison des pre-
mière et seconde méthodes de calcul, si l’application
exclusive de la première méthode est inappropriée.
977
1584/002
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
Art. 362
§ 1. Bij de berekening van de groepssolvabiliteit van
een deelnemende verzekerings- of herverzekeringson-
derneming wordt rekening gehouden met het propor-
tionele deel dat de deelnemende onderneming in met
haar verbonden ondernemingen bezit.
Voor de toepassing van het eerste lid wordt onder
“proportioneel deel” het volgende verstaan:
1° ofwel, bij toepassing van methode 1 voor de be-
rekening van de groepssolvabiliteit, de percentages die
worden gebruikt voor de opstelling van de geconsoli-
deerde jaarrekening;
2° ofwel, bij toepassing van methode 2 voor de bere-
kening van de groepssolvabiliteit, het gedeelte van het
geplaatste kapitaal dat rechtstreeks of onrechtstreeks
het eigendom is van de deelnemende onderneming.
Ongeacht welke methode wordt toegepast voor de
berekening van de groepssolvabiliteit, wordt echter,
indien de verbonden onderneming een dochteronderne-
ming is die onvoldoende in aanmerking komend eigen
vermogen bezit om haar solvabiliteitskapitaalvereiste te
dekken, het totale solvabiliteitstekort van de dochteron-
derneming in aanmerking genomen.
In afwijking van het derde lid kan de groepstoe-
zichthouder toestaan dat het solvabiliteitstekort van
de dochteronderneming op proportionele grondslag in
aanmerking wordt genomen indien hij na overleg met
de betrokken toezichthouders van oordeel is dat de
aansprakelijkheid van de moederonderneming die een
gedeelte van het kapitaal in eigendom heeft, strikt tot
dat gedeelte van het kapitaal is beperkt.
§ 2. In de onderstaande gevallen bepaalt de groeps-
toezichthouder, na overleg met de betrokken toezicht-
houders en de groep zelf, het proportionele deel dat in
aanmerking wordt genomen:
1° indien tussen sommige van de ondernemingen in
een groep geen kapitaalbanden bestaan;
2° indien de Bank of een andere toezichthouder heeft
bepaald dat het rechtstreekse of onrechtstreekse bezit
van stemrechten of kapitaal van een onderneming als
een deelneming moet worden aangemerkt, omdat naar
haar mening feitelijk een aanzienlijke invloed op deze
onderneming wordt uitgeoefend;
3° indien de Bank of een andere toezichthouder heeft
bepaald dat een onderneming een moederonderneming
Art. 362
§ 1er. Le calcul de la solvabilité du groupe d’une entre-
prise d’assurance ou de réassurance participante tient
compte de la part proportionnelle détenue par l’entre-
prise participante dans ses entreprises liées.
Aux fins de l’alinéa 1er, la part proportionnelle
correspond:
1° lorsque la première méthode de calcul de la solva-
bilité du groupe est utilisée, aux pourcentages retenus
pour l’établissement des comptes consolidés; ou
2° lorsque la seconde méthode de calcul de la sol-
vabilité du groupe est utilisée, à la fraction du capital
souscrit qui est détenue, directement ou indirectement,
par l’entreprise participante.
Toutefois, indépendamment de la méthode de calcul
de la solvabilité du groupe utilisée, lorsque l’entreprise
liée est une entreprise filiale qui ne dispose pas de fonds
propres éligibles suffisants pour couvrir son capital de
solvabilité requis, la totalité du déficit de solvabilité de
la filiale doit être prise en compte.
Par dérogation à l’alinéa 3, le contrôleur du groupe
peut autoriser qu’il soit tenu compte du déficit de sol-
vabilité de la filiale sur une base proportionnelle s’il
estime, après consultation des autorités de contrôle
concernées, que la responsabilité de l’entreprise mère
détenant une part de capital est limitée strictement à
cette part de capital.
§ 2. Le contrôleur du groupe détermine, après consul-
tation des autorités de contrôle concernées et du groupe
lui-même, la part proportionnelle qui doit être prise en
considération dans les cas suivants:
1° lorsqu’il n’y a pas de lien en capital entre certaines
des entreprises appartenant à un groupe;
2° lorsque la Banque ou une autre autorité de
contrôle a établi que le fait de détenir, directement ou
indirectement, des droits de vote ou du capital dans
une entreprise est assimilable à une participation car
elle estime qu’une influence notable est effectivement
exercée sur cette entreprise;
3° lorsque la Banque ou une autre autorité de contrôle
a établi qu’une entreprise est l’entreprise mère d’une
978
1584/002
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
van een andere onderneming is, omdat de Bank of die
andere toezichthouder van oordeel is dat die onderne-
ming feitelijk een overheersende invloed op die andere
onderneming uitoefent.
Art. 363
§ 1. Het is niet toegestaan eigen vermogen dat voor
de dekking van het solvabiliteitskapitaalvereiste in aan-
merking komt, meerdere malen te gebruiken voor de
verschillende verzekerings- of herverzekeringsonderne-
mingen die bij de berekening van de groepssolvabiliteit
van een deelnemende verzekerings- of herverzekerings-
onderneming betrokken zijn.
Daartoe worden bij de berekening van de groepssol-
vabiliteit en voor zover de in de artikelen 372 tot 380 en
in de uitvoeringsmaatregelen van Richtlijn 2009/138/EG
beschreven berekeningsmethodes daarin niet voorzien,
de volgende bedragen van de berekening uitgesloten:
1° de waarde van activa van de deelnemende
verzekerings- of herverzekeringsonderneming die de
financiering vertegenwoordigen van eigen vermogen dat
in aanmerking komt voor de dekking van het solvabili-
teitskapitaalvereiste van één van de met haar verbonden
verzekerings- of herverzekeringsondernemingen;
2° de waarde van activa van een met de deelne-
mende verzekerings- of herverzekeringsonderneming
verbonden verzekerings- of herverzekeringsonderne-
ming die de financiering vertegenwoordigen van eigen
vermogen dat in aanmerking komt voor de dekking van
het solvabiliteitskapitaalvereiste van die deelnemende
verzekerings- of herverzekeringsonderneming;
3° de waarde van activa van een met de deelnemende
verzekerings- of herverzekeringsonderneming verbon-
den verzekerings- of herverzekeringsonderneming die
de financiering vertegenwoordigen van eigen vermogen
dat in aanmerking komt voor de dekking van het solvabi-
liteitskapitaalvereiste van andere met die deelnemende
verzekerings- of herverzekeringsonderneming verbon-
den verzekerings- of herverzekeringsondernemingen.
§ 2. Onverminderd paragraaf 1 mogen de onder-
staande vermogensbestanddelen alleen in de bereke-
ning van de groepssolvabiliteit worden betrokken voor
zover zij in aanmerking komen voor de dekking van het
solvabiliteitskapitaalvereiste van de betrokken verbon-
den onderneming:
1° surplusfondsen uit hoofde van artikel 145, tweede
lid, die gegenereerd worden in een verbonden levens-
verzekerings- of herverzekeringsonderneming van de
autre entreprise, car elle estime que la première exerce
effectivement une influence dominante sur la seconde.
Art. 363
§ 1er. Le double emploi des fonds propres éligibles
en couverture du capital de solvabilité requis des dif-
férentes entreprises d’assurance ou de réassurance
prises en compte dans le calcul de la solvabilité du
groupe d’une entreprise d’assurance ou de réassurance
participante est interdit.
À cet effet, lors du calcul de la solvabilité du groupe, si
les méthodes de calcul définies aux articles 372 à 380 et
par les mesures d’exécution de la Directive 2009/138/CE
ne le prévoient pas, les montants suivants sont exclus:
1° la valeur de tout actif de l’entreprise d’assurance
ou de réassurance participante qui correspond au finan-
cement de fonds propres éligibles couvrant le capital de
solvabilité requis d’une de ses entreprises d’assurance
ou de réassurance liées;
2° la valeur de tout actif d’une entreprise d’assurance
ou de réassurance liée de l’entreprise d’assurance ou
de réassurance participante qui correspond au finan-
cement de fonds propres éligibles couvrant le capital
de solvabilité requis de cette entreprise d’assurance ou
de réassurance participante;
3° la valeur de tout actif d’une entreprise d’assurance
ou de réassurance liée de l’entreprise d’assurance ou
de réassurance participante qui correspond au finance-
ment de fonds propres éligibles couvrant le capital de
solvabilité requis de toute autre entreprise d’assurance
ou de réassurance liée de cette entreprise d’assurance
ou de réassurance participante.
§ 2. Sans préjudice du paragraphe 1er, les éléments
suivants peuvent être pris en compte dans le calcul
de la solvabilité du groupe dans la mesure où ils sont
éligibles pour couvrir le capital de solvabilité requis de
l’entreprise liée concernée:
1° les fonds excédentaires relevant de l’article 145,
alinéa 2, d’une entreprise d’assurance-vie ou de
réassurance liée de l’entreprise d’assurance ou de
979
1584/002
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
deelnemende verzekerings- of herverzekeringsonder-
neming waarvoor de groepssolvabiliteit wordt berekend;
2° het geplaatste maar niet-gestorte aandelenkapitaal
van een verbonden verzekerings- of herverzekerings-
onderneming van de deelnemende verzekerings- of
herverzekeringsonderneming waarvoor de groepssol-
vabiliteit wordt berekend.
De volgende bestanddelen worden in elk geval van
de berekening van de groepssolvabiliteit uitgesloten:
1° geplaatst maar niet-gestort aandelenkapitaal dat
een potentiële verplichting van de zijde van de deelne-
mende onderneming vormt;
2° geplaatst maar niet-gestort aandelenkapitaal van
de deelnemende verzekerings- of herverzekeringson-
derneming dat een potentiële verplichting van de zijde
van een verbonden verzekerings- of herverzekerings-
onderneming vormt;
3° geplaatst maar niet-gestort aandelenkapitaal van
een verbonden verzekerings- of herverzekeringsonder-
neming dat een potentiële verplichting van de zijde van
een andere met dezelfde deelnemende verzekerings- of
herverzekeringsonderneming verbonden verzekerings-
of herverzekeringsonderneming vormt.
§ 3. Indien de Bank of een andere toezichthouder van
mening is dat bepaald ander dan in paragraaf 2 bedoeld
eigen vermogen dat voor de dekking van het solvabili-
teitskapitaalvereiste van een verbonden verzekerings- of
herverzekeringsonderneming in aanmerking komt, niet
effectief beschikbaar mag worden gesteld voor de dek-
king van het solvabiliteitskapitaalvereiste van de deel-
nemende verzekerings- of herverzekeringsonderneming
waarvoor de groepssolvabiliteit wordt berekend, mag
dat eigen vermogen slechts in de berekening worden
opgenomen voor zover het in aanmerking komt voor
de dekking van het solvabiliteitskapitaalvereiste van de
verbonden onderneming.
§ 4. De som van de in de paragrafen 2 en 3 bedoelde
eigenvermogensbestanddelen mag het solvabiliteits-
kapitaalvereiste van de verbonden verzekerings- of
herverzekeringsonderneming niet overschrijden.
§ 5. In aanmerking komend eigen vermogen van een
verbonden verzekerings- of herverzekeringsonderne-
ming van de deelnemende verzekerings- of herverze-
keringsonderneming waarvoor de groepssolvabiliteit
wordt berekend, en waarvan de inaanmerkingneming
voorafgaande toestemming vereist, naargelang van
het geval, van de Bank, overeenkomstig artikel 143,
of van een andere toezichthouder, overeenkomstig
réassurance participante pour laquelle la solvabilité du
groupe est calculée;
2° les fractions souscrites mais non versées du capital
d’une entreprise d’assurance ou de réassurance liée de
l’entreprise d’assurance ou de réassurance participante
pour laquelle la solvabilité du groupe est calculée.
Toutefois, les éléments suivants doivent dans tous
les cas être exclus du calcul de la solvabilité du groupe:
1° les fractions souscrites mais non versées du capital
qui représentent une obligation potentielle incombant à
l’entreprise participante;
2° les fractions souscrites mais non versées du
capital de l’entreprise d’assurance ou de réassurance
participante qui représentent une obligation potentielle
incombant à une entreprise d’assurance ou de réas-
surance liée;
3° les fractions souscrites mais non versées du capital
d’une entreprise d’assurance ou de réassurance liée
qui représentent une obligation potentielle incombant à
une autre entreprise d’assurance ou de réassurance liée
de la même entreprise d’assurance ou de réassurance
participante.
§ 3. Lorsque, la Banque ou une autre autorité de
contrôle considère que certains fonds propres éligibles
pour couvrir le capital de solvabilité requis d’une entre-
prise d’assurance ou de réassurance liée, autres que
ceux visés au paragraphe 2, ne peuvent être effecti-
vement rendus disponibles pour couvrir le capital de
solvabilité requis de l’entreprise d’assurance ou de
réassurance participante pour laquelle la solvabilité
du groupe est calculée, ces fonds propres ne peuvent
être inclus dans le calcul que dans la mesure où ils sont
éligibles pour couvrir le capital de solvabilité requis de
l’entreprise liée.
§ 4. La somme des fonds propres visés aux para-
graphes 2 et 3 ne peut pas dépasser le capital de
solvabilité requis de l’entreprise d’assurance ou de
réassurance liée.
§ 5. Les fonds propres éligibles d’une entreprise
d’assurance ou de réassurance liée à l’entreprise
d’assurance ou de réassurance participante pour
laquelle la solvabilité du groupe est calculée, lorsqu’ils
sont soumis à l’approbation préalable, selon le cas, de
la Banque, conformément à l’article 143, ou d’une autre
autorité de contrôle conformément à l’article 90 de la
Directive 2009/138/CE, ne peuvent être inclus dans le
980
1584/002
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
artikel 90 van Richtlijn 2009/138/EG, mag alleen in de
berekening worden betrokken voor zover daarvoor toe-
stemming is verkregen, naargelang van het geval, van
de Bank of van de toezichthouder die voor het toezicht
op die verbonden onderneming verantwoordelijk is.
Art. 364
Bij de berekening van de groepssolvabiliteit van
een deelnemende verzekerings- of herverzekerings-
onderneming wordt geen rekening gehouden met het
voor de dekking van het solvabiliteitskapitaalvereiste in
aanmerking komend eigen vermogen dat afkomstig is
van de wederzijdse financiering tussen de deelnemende
verzekerings- of herverzekeringsonderneming en:
1° een daarmee verbonden onderneming;
2° een daarin deelnemende onderneming;
3° een andere verbonden onderneming van een van
haar deelnemende ondernemingen.
Bij de berekening van de groepssolvabiliteit wordt
geen rekening gehouden met het voor de dekking van
het solvabiliteitskapitaalvereiste in aanmerking komend
eigen vermogen van een verbonden verzekerings- of
herverzekeringsonderneming van de deelnemende
verzekerings- of herverzekeringsonderneming waarvoor
de groepssolvabiliteit wordt berekend, wanneer het
desbetreffende eigen vermogen afkomstig is van de
wederzijdse financiering met een andere met die deel-
nemende verzekerings- of herverzekeringsonderneming
verbonden onderneming.
Er wordt ten minste geacht van wederzijdse finan-
ciering sprake te zijn wanneer een verzekerings- of
herverzekeringsonderneming of een van de met haar
verbonden ondernemingen houdster is van aandelen
in, of leningen verstrekt aan een andere onderneming
die, rechtstreeks of onrechtstreeks, houdster is van
voor de dekking van het solvabiliteitskapitaalvereiste
in aanmerking komend eigen vermogen van de eerste
onderneming.
Art. 365
De activa en passiva worden gewaardeerd overeen-
komstig artikel 123.
calcul que dans la mesure où ils ont été dûment approu-
vés, selon le cas, par la Banque ou par l’autorité de
contrôle en charge du contrôle de cette entreprise liée.
Art. 364
Dans le calcul de la solvabilité du groupe d’une
entreprise d’assurance ou de réassurance participante,
il n’est tenu compte d’aucun élément de fonds propres
éligibles pour couvrir le capital de solvabilité requis qui
proviendrait d’un financement réciproque entre l’entre-
prise d’assurance ou de réassurance participante et:
1° une entreprise liée;
2° une entreprise participante;
3° une autre entreprise liée de l’une quelconque de
ses entreprises participantes.
Dans le calcul de la solvabilité du groupe, il n’est tenu
compte d’aucun élément de fonds propres éligibles pour
couvrir le capital de solvabilité requis d’une entreprise
d’assurance ou de réassurance liée de l’entreprise d’as-
surance ou de réassurance participante pour laquelle
la solvabilité du groupe est calculée lorsque l’élément
en question provient d’un financement réciproque avec
une autre entreprise liée de cette entreprise d’assurance
ou de réassurance participante.
Le financement réciproque est réputé exister au
moins lorsqu’une entreprise d’assurance ou de réas-
surance, ou l’une quelconque de ses entreprises liées,
détient des parts dans une autre entreprise qui, direc-
tement ou indirectement, détient des fonds propres
éligibles en couverture du capital de solvabilité requis
de la première entreprise, ou lorsqu’elle accorde des
prêts à cette autre entreprise.
Art. 365
Les actifs et passifs sont évalués conformément à
l’article 123.
981
1584/002
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
§ 3 – Toepassing van de methodes voor de bereke-
ning van de groepssolvabiliteit
Art. 366
Wanneer meerdere verzekerings- of herverzekerings-
ondernemingen met de deelnemende verzekerings- of
herverzekeringsonderneming verbonden zijn, wordt elk
van deze verbonden verzekerings- of herverzekerings-
ondernemingen in aanmerking genomen bij de bere-
kening van de groepssolvabiliteit van de deelnemende
verzekerings- of herverzekeringsonderneming.
Wanneer de verbonden verzekerings- of herverze-
keringsonderneming haar zetel in een andere lidstaat
dan België heeft, wordt bij de berekening van de
groepssolvabiliteit van de deelnemende verzekerings-
of herverzekeringsonderneming met betrekking tot de
verbonden onderneming rekening gehouden met het
solvabiliteitskapitaalvereiste en met het voor de dekking
van dat vereiste in aanmerking komend eigen vermogen
als voorgeschreven in die andere lidstaat.
Art. 367
§ 1. Bij de berekening van de groepssolvabiliteit van
de deelnemende verzekerings- of herverzekeringson-
derneming die middels een verzekeringstussenholding
of een gemengde financiële holding een deelneming
bezit in een verbonden verzekerings- of herverzeke-
ringsonderneming of in een verzekerings- of herverze-
keringsonderneming van een derde land, wordt met de
positie van die verzekeringsholding of die gemengde
financiële holding rekening gehouden.
Louter voor deze berekening wordt de verzekerings-
tussenholding of de gemengde financiële tussenhol-
ding behandeld als betrof het een verzekerings- of
herverzekeringsonderneming die onderworpen is
aan de voorschriften van de artikelen 151 tot 188 met
betrekking tot het solvabiliteitskapitaalvereiste en aan
dezelfde voorwaarden als die van de artikelen 140 tot
150 met betrekking tot het voor de dekking van het
solvabiliteitskapitaalvereiste in aanmerking komend
eigen vermogen.
§ 2. Indien de verzekeringstussenholding of de ge-
mengde financiële tussenholding in het in paragraaf
1 bedoelde geval achtergestelde schuldvorderingen
of ander in aanmerking komend eigen vermogen bezit
waarvoor overeenkomstig artikel 150 een begrenzing
geldt, worden deze bestanddelen slechts als in aan-
merking komend eigen vermogen erkend ten belope
van het bedrag dat wordt verkregen door de in artikel
§ 3 – Application des méthodes de calcul de la sol-
vabilité du groupe
Art. 366
Lorsque plusieurs entreprises d’assurance ou de
réassurance sont liées à l’entreprise d’assurance ou de
réassurance participante, il est tenu compte de chacune
d’elles dans le calcul de la solvabilité du groupe de l’en-
treprise d’assurance ou de réassurance participante.
Lorsque l’entreprise d’assurance ou de réassurance
liée à son siège social dans un État membre autre que
la Belgique, le calcul de la solvabilité du groupe de
l’entreprise d’assurance ou de réassurance participante
tient compte, en ce qui concerne cette entreprise liée,
du capital de solvabilité requis et des fonds propres
éligibles pour le couvrir, tels que définis dans cet autre
État membre.
Art. 367
§ 1er. Pour le calcul de la solvabilité du groupe de
l’entreprise d’assurance ou de réassurance participante
qui détient, par l’intermédiaire d’une société holding
d’assurance ou d’une compagnie financière mixte, une
participation dans une entreprise d’assurance ou de
réassurance liée ou dans une entreprise d’assurance
ou de réassurance d’un pays tiers, la situation de cette
société holding d’assurance ou de cette compagnie
financière mixte est prise en compte.
Aux seules fins de ce calcul, la société holding
d’assurance intermédiaire ou la compagnie financière
mixte intermédiaire est traitée comme une entreprise
d’assurance ou de réassurance soumise aux règles
énoncées aux articles 151 à 188 en ce qui concerne le
capital de solvabilité requis, et aux mêmes conditions
que celles énoncées aux articles 140 à 150 en ce qui
concerne les fonds propres éligibles pour couvrir le
capital de solvabilité requis.
§ 2. Dans le cas visé au paragraphe 1er, si la société
holding d’assurance intermédiaire ou la compagnie
financière mixte intermédiaire détient des créances
subordonnées ou d’autres fonds propres éligibles
soumis aux limites prévues par l’article 150, ceux-ci
sont considérés comme des fonds propres éligibles à
concurrence des montants résultant de l’application des
limites prévues par l’article 150 à l’encours total des
982
1584/002
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
150 vastgelegde begrenzing toe te passen op het totale
in aanmerking komend eigen vermogen op groepsni-
veau in vergelijking met het solvabiliteitskapitaalvereiste
op groepsniveau.
In aanmerking komend eigen vermogen van een ver-
zekeringstussenholding of van een gemengde financiële
tussenholding dat de voorafgaande toestemming van
de Bank overeenkomstig artikel 143 of van een andere
toezichthouder overeenkomstig artikel 90 van Richtlijn
2009/138/EG zou vereisen, indien het in bezit van een
verzekerings- of herverzekeringsonderneming zou zijn,
mag alleen in de berekening van de groepssolvabiliteit
worden betrokken voor zover daarvoor toestemming is
verkregen van de groepstoezichthouder.
Art. 368
§ 1. Bij de berekening overeenkomstig de artikelen
377 tot 380 van de groepssolvabiliteit van een deelne-
mende verzekerings- of herverzekeringsonderneming
van een verzekerings- of herverzekeringsonderneming
van een derde land, wordt louter voor deze bereke-
ning de onderneming van het derde land op dezelfde
wijze behandeld als een verbonden verzekerings- of
herverzekeringsonderneming.
Wanneer het derde land waar deze onderneming
haar zetel heeft, de betrokken onderneming onderwerpt
aan een vergunning en haar een solvabiliteitsregeling
oplegt die ten minste gelijkwaardig is aan die van de
artikelen 75 tot 135 van Richtlijn 2009/138/EG, wordt
bij de berekening van de groepssolvabiliteit met betrek-
king tot deze onderneming rekening gehouden met het
solvabiliteitskapitaalvereiste en met het voor de dekking
van dat vereiste in aanmerking komend eigen vermogen,
als voorgeschreven door het betrokken derde land.
§ 2. Indien de Europese Commissie geen gedele-
geerde handeling heeft vastgesteld met toepassing van
artikel 227, lid 4 of lid 5 van Richtlijn 2009/138/EG, om de
gelijkwaardigheid te erkennen van de solvabiliteitsrege-
ling van een derde land met die van Richtlijn 2009/138/
EG, verifieert de groepstoezichthouder, op verzoek van
de deelnemende onderneming of op eigen initiatief, of de
regeling van het derde land ten minste gelijkwaardig is.
Hierbij raadpleegt de groepstoezichthouder, hierin
bijgestaan door EIOPA, de betrokken toezichthouders
alvorens een besluit over de gelijkwaardigheid te nemen.
Dit besluit wordt genomen op grond van de criteria die
krachtens artikel 227, lid 3 van Richtlijn 2009/138/EG
zijn vastgesteld.
fonds propres au niveau du groupe rapporté au capital
de solvabilité requis au niveau du groupe.
Les fonds propres éligibles d’une société holding
d’assurance intermédiaire ou d’une compagnie finan-
cière mixte intermédiaire, qui nécessiteraient l’appro-
bation préalable de la Banque conformément à l’article
143, ou d’une autre autorité de contrôle conformément
à l’article 90 de la Directive 2009/138/CE s’ils étaient
détenus par une entreprise d’assurance ou de réassu-
rance, ne peuvent être pris en compte dans le calcul
de la solvabilité du groupe que dans la mesure où ils
ont été dûment approuvés par le contrôleur du groupe.
Art. 368
§ 1er. Pour le calcul, conformément aux articles 377 à
380, de la solvabilité du groupe d’une entreprise d’assu-
rance ou de réassurance participante d’une entreprise
d’assurance ou de réassurance d’un pays tiers, cette
dernière est traitée, aux seules fins de ce calcul, comme
une entreprise d’assurance ou de réassurance liée.
Toutefois, lorsque le pays tiers dans lequel cette
entreprise a son siège social la soumet à un régime
d’agrément et lui impose un régime de solvabilité au
moins équivalent à celui établi par les articles 75 à
135 de la Directive 2009/138/CE, le calcul de la solva-
bilité du groupe tient compte, en ce qui concerne cette
entreprise, du capital de solvabilité requis et des fonds
propres éligibles pour le couvrir tels que définis par le
pays tiers concerné.
§ 2. Si la Commission européenne n’a pas adopté
d’acte délégué, en application de l’article 227, para-
graphe 4 ou paragraphe 5 de la Directive 2009/138/CE,
reconnaissant l’équivalence du régime de solvabilité
d’un pays tiers à celui instauré par la Directive 2009/138/
CE, le contrôleur du groupe vérifie, à la demande de
l’entreprise participante ou de sa propre initiative, si le
régime du pays tiers est au moins équivalent.
Pour ce faire, le contrôleur du groupe, assisté par
l’EIOPA, consulte les autorités de contrôle concernées,
avant de se prononcer sur l’équivalence. La décision
est prise sur la base des critères adoptés en vertu de
l’article 227, paragraphe 3 de la Directive 2009/138/CE.
983
1584/002
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
De groepstoezichthouder neemt ten aanzien van
een derde land geen enkel besluit dat indruist tegen
eventueel in een eerder stadium ten aanzien van dat
derde land genomen besluiten, tenzij zulks noodzakelijk
is als gevolg van belangrijke wijzigingen in de toezichts-
regeling die is vastgelegd in de artikelen 75 tot 135 van
Richtlijn 2009/138/EG en in de toezichtsregeling van
het derde land.
§ 3. Wanneer de Europese Commissie met toepas-
sing van artikel 227, lid 5 van Richtlijn 2009/138/EG
een gedelegeerde handeling heeft vastgesteld waarin
de toezichtsregeling van een derde land als voorlopig
gelijkwaardig wordt aangemerkt, wordt dat derde land
geacht gelijkwaardig te zijn voor de toepassing van
paragraaf 1, tweede lid.
Art. 369
Indien de Bank het oneens is met het krachtens artikel
227, lid 2 van Richtlijn 2009/138/EG genomen besluit,
kan zij binnen drie maanden na kennisgeving van het
besluit door de groepstoezichthouder de zaak aan
EIOPA voorleggen en om haar bijstand verzoeken over-
eenkomstig artikel 19 van Verordening nr. 1094/2010.
Art. 370
Bij de berekening van de groepssolvabiliteit van een
deelnemende verzekerings- of herverzekeringsonder-
neming in een kredietinstelling, beleggingsonderneming
of financiële instelling, mag de deelnemende verzeke-
rings- of herverzekeringsonderneming mutatis mutandis
de methodes 1 of 2 van Bijlage V toepassen.
Methode 1 van deze Bijlage wordt echter alleen toe-
gepast mits de groepstoezichthouder daarmee heeft
ingestemd gelet op het bevredigende niveau van ge-
integreerd beheer en interne controle van de entiteiten
die onder de consolidatie zouden vallen. De gekozen
methode wordt consequent toegepast in de tijd.
De groepstoezichthouder mag evenwel op verzoek
van de deelnemende onderneming of uit eigen bewe-
ging een in het eerste lid bedoelde deelneming van
het voor de dekking van de groepssolvabiliteit van de
deelnemende onderneming in aanmerking komend
eigen vermogen aftrekken.
Le contrôleur du groupe ne prend aucune décision
à l’égard d’un pays tiers qui contredise une décision
prise antérieurement à l’égard dudit pays tiers, à moins
qu’il ne soit nécessaire de prendre en compte des
modifications significatives apportées au régime de
contrôle instauré par les articles 75 à 135 de la Directive
2009/138/CE, et au régime de contrôle du pays tiers.
§ 3. Lorsque la Commission européenne a adopté, en
application de l’article 227, paragraphe 5 de la Directive
2009/138/CE, un acte délégué déterminant que le
régime de contrôle d’un pays tiers est provisoirement
équivalent, ce pays tiers est réputé équivalent aux fins
de l’application du paragraphe 1er, alinéa 2.
Art. 369
Si la Banque est en désaccord avec la décision prise
en vertu de l’article 227, paragraphe 2 de la Directive
2009/128/CE, elle peut, dans un délai de trois mois à
compter de la notification de la décision du contrôleur
du groupe, saisir l’EIOPA et solliciter son aide confor-
mément à l’article 19 du Règlement n° 1094/2010.
Art. 370
Pour le calcul de la solvabilité du groupe d’une
entreprise d’assurance ou de réassurance participante
d’un établissement de crédit, d’une entreprise d’inves-
tissement ou d’un établissement financier, l’entreprise
d’assurance ou de réassurance participante peut appli-
quer mutatis mutandis la méthode n° 1 ou la méthode
n° 2 énoncées à l’Annexe V.
Toutefois, la méthode n° 1 décrite dans cette Annexe
ne peut être appliquée qu’à la condition que le contrôleur
du groupe y ait marqué son accord en raison du niveau
satisfaisant de gestion intégrée et de contrôle interne
des entités qui relèveraient de la consolidation. La
méthode choisie est appliquée d’une manière constante
dans le temps.
Le contrôleur du groupe peut, à la demande de l’en-
treprise participante ou de sa propre initiative, déduire
toute participation visée à l’alinéa 1er des fonds propres
éligibles en couverture de la solvabilité du groupe de
l’entreprise participante.
984
1584/002
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
Art. 371
Wanneer, naargelang van het geval, de Bank of een
andere toezichthouder niet beschikt over de voor de
berekening van de groepssolvabiliteit van een deelne-
mende verzekerings- of herverzekeringsonderneming
benodigde informatie over een verbonden onderneming,
wordt de boekwaarde van deze onderneming in de
deelnemende verzekerings- of herverzekeringsonder-
neming in mindering gebracht op het voor de dekking
van de groepssolvabiliteit in aanmerking komend eigen
vermogen.
In dat geval worden met deze deelneming verband
houdende latente meerwaarden niet als voor de dekking
van de groepssolvabiliteit in aanmerking komend eigen
vermogen aanvaard.
§ 4 – Methode voor de berekening van de groepssol-
vabiliteit op basis van consolidatie van jaarrekeningen
Art. 372
De berekening van de groepssolvabiliteit van de deel-
nemende verzekerings- of herverzekeringsonderneming
aan de hand van de berekeningsmethode op basis van
consolidatie van jaarrekeningen, of “methode 1 voor de
berekening van de groepssolvabiliteit”, wordt uitgevoerd
aan de hand van de geconsolideerde jaarrekening.
De groepssolvabiliteit van de deelnemende verze-
kerings- of herverzekeringsonderneming is het verschil
tussen:
1° het eigen vermogen dat in aanmerking komt voor
de dekking van het op basis van geconsolideerde
gegevens berekende solvabiliteitskapitaalvereiste; en
2° het op basis van geconsolideerde gegevens be-
rekende solvabiliteitskapitaalvereiste op groepsniveau.
De voorschriften van de artikelen 140 tot 150 en van
de artikelen 151 tot 188, zijn respectievelijk van toepas-
sing voor de berekening van het voor de dekking van het
solvabiliteitskapitaalvereiste in aanmerking komend ei-
gen vermogen en van het op basis van geconsolideerde
gegevens berekende solvabiliteitskapitaalvereiste op
groepsniveau.
Art. 373
Het op basis van geconsolideerde gegevens
berekende solvabiliteitskapitaalvereiste op groeps-
niveau van de deelnemende verzekerings- of her-
verzekeringsonderneming, of het “geconsolideerde
Art. 371
Lorsque, selon le cas, la Banque ou une autre autorité
de contrôle ne dispose pas des informations relatives
à une entreprise liée, nécessaires au calcul de la sol-
vabilité du groupe d’une entreprise d’assurance ou
de réassurance participante, la valeur comptable de
cette entreprise dans l’entreprise d’assurance ou de
réassurance participante est déduite des fonds propres
éligibles à la couverture de la solvabilité du groupe.
Dans ce cas, aucune plus-value latente associée à
cette participation n’est considérée comme un élément
des fonds propres éligibles pour couvrir la solvabilité
du groupe.
§ 4 – Méthode de calcul de la solvabilité du groupe
fondée sur la consolidation comptable
Art. 372
Le calcul de la solvabilité du groupe de l’entreprise
d’assurance ou de réassurance participante sur base
de la méthode de calcul fondée sur la consolidation
comptable, ou “première méthode de calcul de la solva-
bilité du groupe”, est effectué sur la base des comptes
consolidés.
La solvabilité du groupe de l’entreprise d’assurance
ou de réassurance participante est égale à la différence
entre:
1° les fonds propres éligibles pour couvrir le capital
de solvabilité requis, calculés sur la base de données
consolidées; et
2° le capital de solvabilité requis au niveau du groupe,
calculé sur la base de données consolidées.
Les règles énoncées aux articles 140 à 150 et aux
articles 151 à 188 s’appliquent, respectivement, au
calcul des fonds propres éligibles pour couvrir le capital
de solvabilité requis et au calcul du capital de solvabilité
requis au niveau du groupe sur la base de données
consolidées.
Art. 373
Le capital de solvabilité requis au niveau du groupe
de l’entreprise d’assurance ou de réassurance partici-
pante sur la base de données consolidées, ou “capital
de solvabilité requis du groupe sur une base consolidée”,
985
1584/002
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
solvabiliteitskapitaalvereiste van de groep”, wordt be-
rekend aan de hand van de standaardformule of van
een goedgekeurd intern model. Deze berekening moet
stroken met de algemene beginselen vervat in de arti-
kelen 151 en 152 en in de artikelen 153 tot 166 indien de
standaardformule wordt gehanteerd, of in de artikelen
167 tot 188 indien een intern model wordt gebruikt,
evenals in de uitvoeringsmaatregelen van Richtlijn
2009/138/EG.
Het geconsolideerde solvabiliteitskapitaal-vereiste
van de groep is ten minste gelijk aan de som van:
1° het in artikel 189 bedoelde minimumkapitaalver-
eiste van de deelnemende verzekerings- of herverze-
keringsonderneming; en
2° het proportionele deel van de minimumka-
pitaalvereiste van de verbonden verzekerings- en
herverzekeringsondernemingen.
Dit minimum wordt gedekt door het in aanmerking
komend eigen kernvermogen dat overeenkomstig artikel
150, § 4, is bepaald.
Om uit te maken of dit in aanmerking komend eigen
vermogen het minimale geconsolideerde solvabiliteits-
kapitaalvereiste van de groep kan dekken, zijn de begin-
selen van de paragrafen 2 en 3 van deze Onderafdeling
van overeenkomstige toepassing. Artikel 511 is van
overeenkomstige toepassing.
Art. 374
§ 1. Indien een deelnemende verzekerings- of
herverzekeringsonderneming en haar verbonden on-
dernemingen, of de verbonden ondernemingen van
een verzekeringsholding of een gemengde financiële
holding gezamenlijk een aanvraag indienen om zowel
het geconsolideerde solvabiliteitskapitaalvereiste van de
groep als het solvabiliteitskapitaalvereiste van de tot de
groep behorende verzekerings- of herverzekeringson-
dernemingen op basis van een intern model te mogen
berekenen, bepalen de Bank en de betrokken toezicht-
houders in onderling overleg of zij deze aanvraag al dan
niet inwilligen en onder welke eventuele voorwaarden
deze aanvraag wordt ingewilligd.
De in de eerste lid bedoelde aanvraag wordt bij de
groepstoezichthouder ingediend.
De groepstoezichthouder stelt de betrokken toe-
zichthouders onverwijld in kennis en bezorgt hen de
volledige aanvraag.
est calculé sur la base de la formule standard ou d’un
modèle interne approuvé. Ce calcul doit être compatible
avec les principes généraux énoncés aux articles 151 et
152 et aux articles 153 à 166 en cas de recours à la
formule standard, ou aux articles 167 à 188 en cas de
recours à un modèle interne, ainsi que par les mesures
d’exécution de la Directive 2009/138/CE.
Le capital de solvabilité requis du groupe sur une
base consolidée est au moins égal à la somme:
1° du minimum de capital requis, visé à l’article 189,
de l’entreprise d’assurance ou de réassurance parti-
cipante; et
2° de la part proportionnelle du minimum de capital
requis des entreprises d’assurance et de réassurance
liées.
Ce minimum doit être couvert par les fonds propres
de base éligibles fixés par l’article 150, § 4.
Afin de déterminer si ces fonds propres éligibles per-
mettent d’assurer la couverture du minimum de capital
de solvabilité requis du groupe sur une base consolidée,
les principes énoncés aux paragraphes 2 et 3 de la
présente Sous-section sont applicables par analogie.
L’article 511 est applicable par analogie.
Art. 374
§ 1er. Dans le cas où une entreprise d’assurance ou
de réassurance participante et ses entreprises liées,
ou l’ensemble des entreprises liées d’une société
holding d’assurance ou d’une compagnie financière
mixte, demandent l’autorisation de calculer, sur la base
d’un modèle interne, le capital de solvabilité requis du
groupe sur base consolidée et le capital de solvabilité
requis des entreprises d’assurance ou de réassurance
du groupe, la Banque coopère avec les autorités de
contrôle concernées pour décider d’accorder ou non
cette autorisation et, le cas échéant, pour en définir les
conditions.
La demande visée à l’alinéa 1er est adressée au
contrôleur du groupe.
Le contrôleur du groupe informe sans délai les auto-
rités de contrôle concernées et leur communique la
demande complète.
986
1584/002
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
De Bank doet alles wat in haar vermogen ligt om bin-
nen zes maanden na de datum van ontvangst door de
groepstoezichthouder van de volledige aanvraag, met
de betrokken toezichthouders een gezamenlijk besluit
over de aanvraag te nemen. De groepstoezichthouder
bezorgt aan de aanvrager een document met een vol-
ledige opgave van de redenen waarop dit gezamenlijk
besluit is gebaseerd.
§ 2. Indien er binnen zes maanden na de ontvangst
door de groepstoezichthouder van de volledige aan-
vraag geen gezamenlijk besluit is genomen, neemt de
groepstoezichthouder op eigen gezag een besluit over
de aanvraag, onverminderd paragraaf 3.
De groepstoezichthouder houdt naar behoren re-
kening met de standpunten en voorbehouden die de
betrokken toezichthouders binnen de termijn van zes
maanden hebben geuit.
De groepstoezichthouder bezorgt aan de aanvrager
en aan de betrokken toezichthouders een document
met een volledige opgave van de redenen waarop zijn
besluit is gebaseerd.
Dit besluit wordt als definitief erkend en door de be-
trokken toezichthouders toegepast.
§ 3. Tijdens de in paragraaf 1, vierde lid bedoelde pe-
riode van zes maanden, en zolang er geen gezamenlijk
besluit is genomen, kan de Bank de zaak aan EIOPA
voorleggen overeenkomstig artikel 19 van Verordening
nr. 1094/2010.
De groepstoezichthouder schort zijn besluit op en
wacht het besluit af dat EIOPA eventueel overeenkom-
stig artikel 19, lid 3, van de genoemde verordening
neemt; vervolgens neemt hij zijn besluit in overeen-
stemming met het eventuele besluit van EIOPA. Dit
besluit wordt als definitief erkend en door de Bank en
de betrokken toezichthouders toegepast.
EIOPA neemt haar besluit binnen één maand.
Indien het door het panel voorgestelde besluit met
toepassing van artikel 41, leden 2 en 3, en artikel 44,
lid 1, derde alinea van Verordening nr. 1094/2010 wordt
afgewezen, neemt de groepstoezichthouder een defini-
tief besluit. Dit besluit wordt als definitief erkend en door
de Bank en de betrokken toezichthouders toegepast.
De termijn van zes maanden wordt beschouwd als de
verzoeningsperiode in de zin van artikel 19, lid 2, van
de genoemde verordening.
La Banque fait tout ce qui est en son pouvoir pour
parvenir, avec les autorités de contrôle concernées, à
une décision conjointe sur la demande dans un délai
de six mois à compter de la réception de la demande
complète par le contrôleur du groupe. Le contrôleur du
groupe fournit au demandeur un document précisant
l’ensemble des motivations de cette décision conjointe.
§ 2. Sans préjudice du paragraphe 3, à défaut d’adop-
tion d’une décision conjointe dans les six mois suivant
la réception par le contrôleur du groupe de la demande
complète, le contrôleur du groupe se prononce lui-même
sur la demande.
Le contrôleur du groupe tient dûment compte de l’avis
et des réserves exprimés par les autorités de contrôle
concernées dans le délai de six mois.
Le contrôleur du groupe transmet au demandeur
et aux autorités de contrôle concernées un document
précisant la motivation complète de sa décision.
Cette décision est considérée comme déterminante et
est appliquée par les autorités de contrôle concernées.
§ 3. Pendant la période de six mois visée au para-
graphe 1er, alinéa 4, et aussi longtemps qu’une déci-
sion conjointe n’a pas été prise, la Banque peut saisir
l’EIOPA conformément à l’article 19 du Règlement
no 1094/2010.
Le contrôleur du groupe diffère sa décision en
attendant une éventuelle décision de l’EIOPA arrêtée
conformément à l’article 19, paragraphe 3, dudit règle-
ment et arrête sa propre décision en se conformant à
la décision de l’EIOPA. Cette décision est considérée
comme déterminante et est appliquée par la Banque et
les autorités de contrôle concernées.
L’EIOPA arrête sa décision dans un délai d’un mois.
Si, en application de l’article 41, paragraphes 2 et 3,
et de l’article 44, paragraphe 1er, alinéa 3 du Règlement
n° 1094/2010, la décision proposée par le groupe
d’experts est rejetée, le contrôleur du groupe prend
une décision définitive. Cette décision est considérée
comme déterminante et est appliquée par la Banque et
les autorités de contrôle concernées. La période de six
mois est le délai de conciliation au sens de l’article 19,
§ 2, dudit règlement.
987
1584/002
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
Art. 375
Wanneer de Bank, bij toepassing van artikel 374,
van mening is dat het risicoprofiel van een onder haar
toezicht staande verzekerings- of herverzekeringson-
derneming duidelijk afwijkt van de hypothesen die ten
grondslag liggen aan het op het niveau van de groep
van de deelnemende verzekerings- of herverzekerings-
onderneming goedgekeurde interne model, en zolang
deze onderneming niet afdoende tegemoet komt aan
de bezorgdheden van de Bank, kan zij overeenkomstig
artikel 323 besluiten een opslagfactor toe te passen op
het solvabiliteitskapitaalvereiste dat voor deze onder-
neming uit de toepassing van het genoemde interne
model voortvloeit.
In uitzonderlijke omstandigheden waarin de toepas-
sing van de in het eerste lid bedoelde opslagfactor niet
gepast is, kan de Bank verlangen dat de betrokken on-
derneming haar solvabiliteitskapitaalvereiste berekent
op basis van de in de artikelen 151 tot 166 bedoelde
standaardformule. Overeenkomstig artikel 323, § 2, kan
de Bank op het uit de toepassing van de standaardfor-
mule voortvloeiende solvabiliteitskapitaalvereiste van
de betrokken verzekerings- of herverzekeringsonder-
neming een kapitaalopslagfactor toepassen.
De Bank legt eventuele in het eerste en het tweede
lid bedoelde besluiten uit aan zowel de verzekerings- of
herverzekeringsonderneming als aan de andere leden
van het college van toezichthouders.
Art. 376
Bij het bepalen of het geconsolideerde solvabiliteits-
kapitaalvereiste van de groep van de deelnemende
verzekerings- of herverzekeringsonderneming het risi-
coprofiel van de groep adequaat weergeeft, besteedt de
Bank, in haar hoedanigheid van groepstoezichthouder,
bijzondere aandacht aan elk geval waarin de in artikel
323, § 2 bedoelde omstandigheden zich op groepsni-
veau kunnen voordoen, met name indien:
1° specifieke risico’s op groepsniveau onvoldoende
gedekt zouden zijn door de standaardformule of het
gebruikte interne model omdat deze moeilijk te kwan-
tificeren zijn;
2° een kapitaalopslagfactor die met toepassing
van artikel 323 of 374, of van artikel 37 van Richtlijn
2009/138/EG naargelang van het geval door de Bank
of door een andere toezichthouder op het solvabiliteits-
kapitaalvereiste van de verbonden verzekerings- of
herverzekeringsondernemingen is toegepast.
Art. 375
En cas d’application de l’article 374, lorsque la
Banque considère que le profil de risque d’une entre-
prise d’assurance ou de réassurance qu’elle est chargée
de contrôler s’écarte significativement des hypothèses
qui sous-tendent le modèle interne approuvé au niveau
du groupe de l’entreprise d’assurance ou de réassu-
rance participante, elle peut imposer à cette entreprise,
conformément à l’article 323 et aussi longtemps que
l’entreprise ne répond pas de manière satisfaisante aux
préoccupations de la Banque, une exigence de capital
supplémentaire s’ajoutant à son capital de solvabilité
requis tel qu’il résulte de l’application dudit modèle.
Dans des circonstances exceptionnelles, lorsque
l’exigence de capital supplémentaire visée à l’alinéa 1er
serait inappropriée, la Banque peut exiger de l’entre-
prise concernée qu’elle calcule son capital de solvabilité
requis sur la base de la formule standard visée aux
articles 151 à 166. Conformément à l’article 323, § 2,
la Banque peut imposer une exigence de capital sup-
plémentaire s’ajoutant au capital de solvabilité requis
de cette entreprise d’assurance ou de réassurance
résultant de l’application de la formule standard.
La Banque explique toute décision visée aux alinéas
1er et 2 à l’entreprise d’assurance ou de réassurance
ainsi qu’aux autres membres du collège des contrôleurs.
Art. 376
Pour déterminer si le capital de solvabilité du groupe
de l’entreprise d’assurance ou de réassurance par-
ticipante, requis sur une base consolidée, reflète de
manière appropriée le profil de risque du groupe, la
Banque, en sa qualité de contrôleur du groupe, accorde
une attention particulière à toute situation où les circons-
tances visées à l’article 323, § 2, sont susceptibles de
se présenter au niveau du groupe et, notamment, aux
cas où:
1° un risque spécifique existant au niveau du groupe
ne serait, du fait qu’il est difficilement quantifiable, pas
suffisamment pris en compte par la formule standard
ou par le modèle interne utilisé;
2° une exigence de capital supplémentaire s’ajoutant
à leur capital de solvabilité requis est imposée aux entre-
prises d’assurance ou de réassurance liées par, selon
le cas, la Banque ou une autre autorité de contrôle en
application, respectivement, de l’article 323 ou 374, ou
de l’article 37 de la Directive 2009/138/CE.
988
1584/002
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
Wanneer het risicoprofiel van de groep niet adequaat
wordt weergegeven, kan op het geconsolideerde solva-
biliteitskapitaalvereiste van de groep een opslagfactor
worden toegepast.
Artikel 323 en de uitvoeringsmaatregelen van Richtlijn
2009/138/EG zijn van overeenkomstige toepassing.
§ 5 – Methode voor de berekening van de groeps-
solvabiliteit op basis van aftrek en aggregatie
Art. 377
§ 1. In geval van toepassing van de berekeningsme-
thode op basis van aftrek en aggregatie, of “methode
2 voor de berekening van de groepssolvabiliteit”, is de
groepssolvabiliteit van de deelnemende verzekerings- of
herverzekeringsonderneming het verschil tussen:
1° het geaggregeerde in aanmerking komend eigen
vermogen van de groep als bepaald in paragraaf 2; en
2° de waarde in de deelnemende verzekerings- of
herverzekeringsonderneming van de verbonden ver-
zekerings- of herverzekeringsondernemingen en het
geaggregeerde solvabiliteitskapitaalvereiste van de
groep als bepaald in paragraaf 3.
§ 2. Het geaggregeerde in aanmerking komend eigen
vermogen van de groep is gelijk aan de som van:
1° het eigen vermogen dat in aanmerking komt voor
de dekking van het solvabiliteitskapitaalvereiste van de
deelnemende verzekerings- of herverzekeringsonder-
neming; en
2° het proportionele deel van de deelnemende ver-
zekerings- of herverzekeringsonderneming in het eigen
vermogen dat in aanmerking komt voor de dekking van
het solvabiliteitskapitaalvereiste van de verbonden ver-
zekerings- of herverzekeringsondernemingen.
§ 3. Het geaggregeerde solvabiliteitskapitaalvereiste
van de groep is gelijk aan de som van:
1° het solvabiliteitskapitaalvereiste van de deelne-
mende verzekerings- of herverzekeringsonderneming;
en
2° het proportionele deel van het solvabiliteits-
kapitaalvereiste van de verbonden verzekerings- of
herverzekeringsondernemingen.
Lorsque le profil de risque du groupe n’est pas
suffisamment pris en compte, une exigence de capital
supplémentaire s’ajoutant au capital de solvabilité requis
du groupe sur une base consolidée peut être imposée.
L’article 323 ainsi que les mesures d’exécution de la
Directive 2009/138/CE, sont applicables par analogie.
§ 5 – Méthode de calcul de la solvabilité du groupe
fondée sur la déduction et l’agrégation
Art. 377
§ 1er. En cas d’application de la méthode de calcul
fondée sur la déduction et l’agrégation, ou “seconde
méthode de calcul de la solvabilité du groupe”, la sol-
vabilité du groupe de l’entreprise d’assurance ou de
réassurance participante, est égale à la différence entre:
1° les fonds propres éligibles du groupe sur une base
agrégée, tels que définis au paragraphe 2, et
2° la somme de la valeur des entreprises d’assurance
ou de réassurance liées dans l’entreprise d’assurance
ou de réassurance participante et du capital de solva-
bilité requis du groupe sur une base agrégée tel que
défini au paragraphe 3.
§ 2. Les fonds propres éligibles du groupe sur une
base agrégée correspondent à la somme:
1° des fonds propres éligibles pour couvrir le capital
de solvabilité requis de l’entreprise d’assurance ou de
réassurance participante; et
2° de la part proportionnelle de l’entreprise d’assu-
rance ou de réassurance participante dans les fonds
propres éligibles pour couvrir le capital de solvabilité
requis des entreprises d’assurance ou de réassurance
liées.
§ 3. Le capital de solvabilité requis du groupe sur une
base agrégée correspond à la somme:
1° du capital de solvabilité requis de l’entreprise
d’assurance ou de réassurance participante; et
2° de la part proportionnelle du capital de solvabilité
requis des entreprises d’assurance ou de réassurance
liées.
989
1584/002
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
Art. 378
Wanneer de deelneming in de verbonden verzeke-
rings- of herverzekeringsondernemingen geheel of ten
dele bestaat in de vorm van onrechtstreekse eigendom,
dan wordt in de waarde in de deelnemende verzeke-
rings- of herverzekeringsonderneming van de verbon-
den verzekerings- of herverzekeringsondernemingen de
waarde van die onrechtstreekse eigendom meegeno-
men, met inachtneming van de desbetreffende succes-
sieve belangen, en worden in de in artikel 377, § 2, 2°,
en § 3, 2°, bedoelde bestanddelen de overeenkomstige
proportionele delen meegenomen van respectievelijk
het eigen vermogen dat in aanmerking komt voor de dek-
king van het solvabiliteitskapitaalvereiste van de verbon-
den verzekerings- of herverzekeringsondernemingen
en het solvabiliteitskapitaalvereiste van de verbonden
verzekerings- of herverzekeringsondernemingen.
Art. 379
Indien een verzekerings- of herverzekeringsonder-
neming en haar verbonden ondernemingen, of de ver-
bonden ondernemingen van een verzekeringsholding
of een gemengde financiële holding gezamenlijk een
aanvraag indienen om het solvabiliteitskapitaalvereiste
van de verzekerings- of herverzekeringsondernemingen
in de groep op basis van een intern model te mogen
berekenen, zijn de artikelen 374 en 375 van overeen-
komstige toepassing.
Art. 380
Bij het bepalen of het overeenkomstig artikel 377,
§ 3 berekende geaggregeerde solvabiliteitskapitaal-
vereiste van de groep van de deelnemende verzeke-
rings- of herverzekeringsonderneming het risicoprofiel
van de groep adequaat weergeeft, besteden de Bank
en de betrokken toezichthouders bijzondere aandacht
aan eventuele specifieke risico’s op groepsniveau die
onvoldoende gedekt zouden zijn omdat ze moeilijk te
kwantificeren zijn.
Wanneer het risicoprofiel van de groep duidelijk
afwijkt van de hypothesen die aan het geaggregeerde
solvabiliteitskapitaalvereiste van de groep ten grondslag
liggen, kan op het geaggregeerde solvabiliteitskapi-
taalvereiste van de groep een opslagfactor worden
toegepast.
Artikel 323 en de uitvoeringsmaatregelen van Richtlijn
2009/138/EG zijn van overeenkomstige toepassing.
Art. 378
Lorsque la participation dans les entreprises d’assu-
rance ou de réassurance liées correspond, intégra-
lement ou partiellement, à une propriété indirecte, la
valeur dans l’entreprise d’assurance ou de réassurance
participante des entreprises d’assurance ou de réassu-
rance liées intègre la valeur de cette propriété indirecte,
compte tenu des intérêts successifs pertinents, et les
éléments visés à l’article 377, § 2, 2°, et § 3, 2°, com-
prennent les parts proportionnelles correspondantes,
respectivement, des fonds propres éligibles pour
couvrir le capital de solvabilité requis des entreprises
d’assurance ou de réassurance liées et du capital de
solvabilité requis des entreprises d’assurance ou de
réassurance liées.
Art. 379
Dans le cas où une entreprise d’assurance ou de
réassurance et ses entreprises liées, ou l’ensemble des
entreprises liées d’une société holding d’assurance ou
d’une compagnie financière mixte, demandent l’auto-
risation de calculer le capital de solvabilité requis des
entreprises d’assurance ou de réassurance du groupe
sur la base d’un modèle interne, les articles 374 et
375 sont applicables par analogie.
Art. 380
Pour déterminer si le capital de solvabilité requis du
groupe de l’entreprise d’assurance ou de réassurance
participante sur une base agrégée, calculé conformé-
ment à l’article 377, § 3, reflète de manière adéquate le
profil de risque du groupe, la Banque et les autorités de
contrôle concernées accordent une attention particulière
aux risques spécifiques existant au niveau du groupe
qui, du fait qu’ils sont difficilement quantifiables, ne
seraient pas suffisamment pris en compte.
Lorsque le profil de risque du groupe s’écarte signifi-
cativement des hypothèses qui sous-tendent le capital
de solvabilité requis du groupe sur une base agrégée,
une exigence de capital supplémentaire s’ajoutant au
capital de solvabilité requis du groupe sur une base
agrégée peut être imposée.
L’article 323 ainsi que les mesures d’exécution de la
Directive 2009/138/CE, sont applicables par analogie.
990
1584/002
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
§ 6 – Berekening van de groepssolvabiliteit voor
verzekerings- of herverzekeringsondernemingen die
dochteronderneming zijn van een verzekeringsholding
of een gemengde financiële holding
Art. 381
Wanneer de verzekerings- of herverzekeringson-
derneming de dochteronderneming van een verzeke-
ringsholding of een gemengde financiële holding is,
wordt de solvabiliteit van de groep op het niveau van
de verzekeringsholding of de gemengde financiële
holding berekend overeenkomstig de bepalingen van
deze Onderafdeling en de uitvoeringsmaatregelen van
Richtlijn 2009/138/EG.
Bij de in het eerste lid bedoelde berekening wordt de
moederonderneming behandeld als betrof het een ver-
zekerings- of herverzekeringsonderneming die onder-
worpen is aan de voorschriften van de artikelen 151 tot
188 met betrekking tot het solvabiliteitskapitaalvereiste
en aan dezelfde voorwaarden als die van de artikelen
140 tot 150 met betrekking tot het voor de dekking van
het solvabiliteitskapitaalvereiste in aanmerking komend
eigen vermogen.
§ 7 – Berekening van de solvabiliteit van groepen
met een gecentraliseerd risicobeheer
Art. 382
De artikelen 384 en 385 zijn van toepassing op elke
verzekerings- of herverzekeringsonderneming die de
dochteronderneming van een verzekerings- of herver-
zekeringsonderneming is of die de dochteronderne-
ming van een verzekeringsholding of een gemengde
financiële holding is, indien aan alle onderstaande
voorwaarden is voldaan:
1° de dochteronderneming ten aanzien waarvan de
groepstoezichthouder geen besluit overeenkomstig
artikel 349, heeft genomen, valt onder het toezicht op
groepsniveau dat overeenkomstig Titel III van Richtlijn
2009/138/EG door de groepstoezichthouder op het
niveau van de moederonderneming wordt uitgeoefend;
2° de risicobeheerprocedures en de internecontrole-
mechanismen van de moederonderneming bestrijken
de dochteronderneming, en de moederonderneming
toont ten genoegen van de Bank aan dat er van een
prudente bedrijfsvoering van de dochterverzekerings- of
herverzekeringsonderneming sprake is;
3° de moederonderneming heeft de instemming
verkregen als bedoeld in artikel 397;
§ 6 – Calcul de la solvabilité du groupe pour les
entreprises d’assurance ou de réassurance filiales
d’une société holding d’assurance ou d’une compa-
gnie financière mixte
Art. 381
Lorsque l’entreprise d’assurance ou de réassurance
est la filiale d’une société holding d’assurance ou d’une
compagnie financière mixte, la solvabilité du groupe est
calculée au niveau de la société holding d’assurance
ou de la compagnie financière mixte conformément aux
dispositions de la présente Sous-section et aux mesures
d’exécution de la Directive 2009/138/CE.
Aux fins du calcul visé à l’alinéa 1er, l’entreprise mère
est traitée comme une entreprise d’assurance ou de
réassurance soumise aux règles énoncées aux articles
151 à 188 en ce qui concerne le capital de solvabilité
requis, et aux mêmes conditions que celles énoncées
aux articles 140 à 150 en ce qui concerne les fonds
propres éligibles pour couvrir le capital de solvabilité
requis.
§ 7 – Calcul de la solvabilité des groupes à gestion
centralisée des risques
Art. 382
Les articles 384 et 385 s’appliquent à toute entreprise
d’assurance ou de réassurance qui est la filiale d’une
entreprise d’assurance ou de réassurance ou qui est la
filiale d’une société holding d’assurance ou d’une com-
pagnie financière mixte, lorsque toutes les conditions
suivantes sont réunies:
1° la filiale, à l’égard de laquelle le contrôleur du
groupe n’a pas pris la décision visée à l’article 349, est
incluse dans le contrôle au niveau du groupe réalisé par
ce contrôleur au niveau de l’entreprise mère conformé-
ment au Titre III de la Directive 2009/138/CE;
2° les procédures de gestion des risques et les
mécanismes de contrôle interne de l’entreprise mère
couvrent la filiale et la Banque est satisfaite de la gestion
prudente de l’entreprise d’assurance ou de réassurance
filiale par l’entreprise mère;
3° l’entreprise mère a reçu l’accord visé à l’article
397;
991
1584/002
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
4° de moederonderneming heeft de instemming
verkregen als bedoeld in artikel 405;
5° de moederonderneming heeft een aanvraag
ingediend om aan de artikelen 384 en 385 te worden
onderworpen en deze aanvraag is ingewilligd volgens
de procedure van artikel 383.
Art. 383
§ 1. Bij een aanvraag van toestemming om een
verzekerings- of herverzekeringsonderneming die de
dochteronderneming is van een verzekerings- of her-
verzekeringsonderneming of de dochteronderneming
van een verzekerings- of herverzekeringsholding, aan
de voorschriften van de artikelen 384 en 385 te onder-
werpen, bepaalt de Bank in het college van toezicht-
houders, in overleg met de betrokken toezichthouders,
of de aanvraag al dan niet wordt ingewilligd en onder
welke eventuele voorwaarden deze aanvraag wordt
ingewilligd.
De in het eerste lid bedoelde aanvraag wordt inge-
diend bij de Bank. Zij stelt de toezichthouders in het
college van toezichthouders in kennis en bezorgt hen
onverwijld de volledige aanvraag.
§ 2. De Bank doet alles wat in haar vermogen ligt om
binnen drie maanden na de datum van ontvangst van
de volledige aanvraag door de toezichthouders in het
college van toezichthouders, met die toezichthouders
een gezamenlijk besluit over de aanvraag te nemen.
Wanneer de Bank en de betrokken toezichthouders
een gezamenlijk besluit hebben genomen als bedoeld
in het eerste lid, bezorgt de Bank aan de aanvrager
het besluit met een volledige opgave van de redenen
waarop het is gebaseerd. Het gezamenlijk besluit wordt
als definitief erkend en door de Bank en de betrokken
toezichthouders toegepast.
§ 3. Indien er binnen drie maanden na de ontvangst
van de volledige aanvraag door de toezichthouders
in het college van toezichthouders geen gezamenlijk
besluit is genomen, neemt de groepstoezichthouder op
eigen gezag een besluit over de aanvraag, onvermin-
derd paragraaf 4.
De groepstoezichthouder houdt naar behoren re-
kening met de standpunten en voorbehouden die de
Bank en de toezichthouders van de lidstaten waar een
dochteronderneming haar zetel heeft, hebben geuit, en
met de door de andere toezichthouders in het college
van toezichthouders geuite voorbehouden.
4° l’entreprise mère a reçu l’accord visé à l’article 405;
5° l’entreprise mère a demandé l’autorisation d’être
assujettie aux articles 384 et 385 et sa demande a fait
l’objet d’une décision favorable prise conformément à
la procédure prévue à l’article 383.
Art. 383
§ 1er. En cas de demande d’autorisation d’assu-
jettissement d’une entreprise d’assurance ou de
réassurance filiale d’une entreprise d’assurance ou de
réassurance ou filiale d’une société holding d’assurance
ou de réassurance, aux règles énoncées aux articles
384 et 385, la Banque travaille au sein du collège des
contrôleurs, en pleine concertation avec les autorités
de contrôle concernées, en vue de décider s’il convient
ou non d’accorder l’autorisation demandée et, le cas
échéant, pour en définir les conditions.
La demande visée à l’alinéa 1er est adressée à la
Banque. Elle informe les autorités de contrôle au sein du
collège des contrôleurs et leur communique la demande
complète sans délai.
§ 2. La Banque fait tout ce qui est en son pouvoir
pour parvenir, avec les autorités de contrôle au sein du
collège des contrôleurs, à une décision conjointe sur la
demande dans un délai de trois mois à compter de la
réception de la demande complète par les autorités de
contrôle au sein du collège des contrôleurs.
Lorsque la Banque et les autorités de contrôle
concernées sont arrivées à la décision conjointe visée à
l’alinéa 1er, la Banque fournit au demandeur la décision
précisant l’ensemble des motivations. Cette décision
conjointe est considérée comme déterminante et est
appliquée par la Banque et les autorités de contrôle
concernées.
§ 3. Sans préjudice du paragraphe 4, à défaut d’adop-
tion d’une décision conjointe dans les trois mois de la
réception de de la demande complète par les autorités
de contrôle au sein du collège des contrôleurs, le contrô-
leur du groupe se prononce lui-même sur la demande.
Le contrôleur du groupe tient dûment compte de l’avis
et des réserves exprimés par la Banque et les autorités
de contrôle des États membres dans lequel une filiale
à son siège social, ainsi que des réserves exprimées
par les autres autorités de contrôle au sein du collège
des contrôleurs.
992
1584/002
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
Het besluit bevat een volledige opgave van de re-
denen waarop het is gebaseerd en een uitleg van elke
aanzienlijke afwijking van de voorbehouden van de
Bank of van de toezichthouders. De groepstoezicht-
houder bezorgt een kopie van het besluit aan de Bank
en aan de betrokken toezichthouders. Dit besluit wordt
als definitief erkend en door de Bank en de betrokken
toezichthouders toegepast.
§ 4. Tijdens de in paragraaf 2 bedoelde periode
van drie maanden, en zolang er geen gezamenlijk
besluit is genomen, kan de Bank de zaak aan EIOPA
voorleggen overeenkomstig artikel 19 van Verordening
nr. 1094/2010.
De groepstoezichthouder schort zijn besluit op en
wacht het besluit af dat EIOPA eventueel overeenkom-
stig artikel 19, lid 3, van de genoemde verordening
neemt; vervolgens neemt hij zijn besluit in overeen-
stemming met het eventuele besluit van EIOPA. Dit
besluit wordt als definitief erkend en door de Bank en
de betrokken toezichthouders toegepast.
EIOPA neemt haar besluit binnen één maand.
Indien het door het panel voorgestelde besluit met
toepassing van artikel 41, leden 2 en 3, en artikel 44,
lid 1, derde alinea van Verordening nr. 1094/2010 wordt
afgewezen, neemt de groepstoezichthouder een defini-
tief besluit. Dit besluit wordt als definitief erkend en door
de Bank en de betrokken toezichthouders toegepast.
De termijn van drie maanden wordt beschouwd als de
verzoeningsperiode in de zin van artikel 19, lid 2, van
de genoemde verordening.
Art. 384
§ 1. Onverminderd de artikelen 374 en 375, wordt
het solvabiliteitskapitaalvereiste van de dochterverze-
kerings- of herverzekeringsonderneming waarvoor de in
artikel 383 bedoelde aanvraag is ingewilligd, berekend
overeenkomstig dit artikel.
§ 2. Wanneer het solvabiliteitskapitaalvereiste van
de in paragraaf 1 bedoelde dochterverzekerings- of
herverzekeringsonderneming wordt berekend op basis
van een overeenkomstig de artikelen 374 en 375 op
groepsniveau goedgekeurd intern model en indien de
Bank van mening is dat het risicoprofiel van deze onder
haar toezicht staande onderneming duidelijk afwijkt van
dit model, en zolang deze onderneming niet afdoende
tegemoet komt aan de bezorgdheden van de Bank, kan
de Bank in de in artikel 323 bedoelde gevallen voorstel-
len een opslagfactor toe te passen op het solvabiliteits-
kapitaalvereiste dat voor deze dochteronderneming uit
La décision est dûment motivée et comporte une
explication de toute divergence importante par rapport
aux réserves exprimées par la Banque ou les autorités
de contrôle. Le contrôleur du groupe transmet une copie
de la décision à la Banque et aux autorités de contrôle
concernées. La décision est considérée comme déter-
minante et est appliquée par la Banque et les autorités
de contrôle concernées.
§ 4. Pendant la période de trois mois visée au para-
graphe 2, et aussi longtemps qu’une décision conjointe
n’a pas été prise, la Banque peut saisir l’EIOPA confor-
mément à l’article 19 du Règlement no 1094/2010.
Le contrôleur du groupe diffère sa décision en
attendant une éventuelle décision de l’EIOPA arrêtée
conformément à l’article 19, paragraphe 3, dudit règle-
ment et arrête sa propre décision en se conformant à
la décision de l’EIOPA. Cette décision est considérée
comme déterminante et est appliquée par la Banque et
les autorités de contrôle concernées.
L’EIOPA arrête sa décision dans un délai d’un mois.
Si, en application de l’article 41, paragraphes 2 et 3,
et de l’article 44, paragraphe 1er, alinéa 3 du Règlement
n° 1094/2010, la décision proposée par le groupe
d’experts est rejetée, le contrôleur du groupe prend
une décision définitive. Cette décision est considérée
comme déterminante et est appliquée par la Banque et
les autorités de contrôle concernées. La période de trois
mois est le délai de conciliation au sens de l’article 19,
§ 2, dudit règlement.
Art. 384
§ 1er. Sans préjudice des articles 374 et 375, le capital
de solvabilité requis de l’entreprise d’assurance ou de
réassurance filiale qui fait l’objet de l’autorisation visée
à l’article 383, est calculé conformément au présent
article.
§ 2. Lorsque le capital de solvabilité requis de l’entre-
prise d’assurance ou de réassurance filiale visée au
paragraphe 1er est calculé sur la base d’un modèle
interne approuvé au niveau du groupe conformément
aux articles 374 et 375 et que la Banque considère
que le profil de risque de cette entreprise qu’elle est
chargée de contrôler s’écarte significativement de ce
modèle, elle peut, dans les cas visés à l’article 323 et
aussi longtemps que cette entreprise ne répond pas de
manière satisfaisante aux préoccupations de la Banque,
proposer d’établir une exigence de capital supplémen-
taire s’ajoutant au capital de solvabilité requis de cette
993
1584/002
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
de toepassing van dit model voortvloeit, of, in uitzon-
derlijke omstandigheden waarin de toepassing van een
dergelijke opslagfactor niet gepast is, verlangen dat
deze onderneming haar solvabiliteitskapitaalvereiste
berekent op basis van de standaardformule als bedoeld
in de artikelen 151 tot 166.
De Bank bespreekt dit voorstel in het college van
toezichthouders en deelt de redenen waarom zij een
dergelijk voorstel doet, aan zowel de dochterverze-
kerings- of herverzekeringsonderneming als aan het
college van toezichthouders mee.
§ 3. Wanneer het solvabiliteitskapitaalvereiste van de
in paragraaf 1 bedoelde dochterverzekerings- of herver-
zekeringsonderneming wordt berekend op basis van de
in de artikelen 151 tot 166 bedoelde standaardformule
en indien de Bank van mening is dat het risicoprofiel
van die onderneming duidelijk afwijkt van de hypothe-
sen die aan de standaardformule ten grondslag liggen,
en zolang deze onderneming niet afdoende tegemoet
komt aan de bezorgdheden van de Bank, kan de Bank
in uitzonderlijke omstandigheden voorstellen dat de
onderneming een subset van de parameters die in de
standaardformule voor de berekening worden gebruikt,
vervangt door parameters die kenmerkend zijn voor
die onderneming bij de berekening van de modules
“verzekeringstechnisch risico leven”, “verzekeringstech-
nisch risico niet-leven” en “verzekeringstechnisch risico
ziektekosten”, zoals uiteengezet in artikel 166, of, in de
in artikel 323 bedoelde gevallen, op het solvabiliteits-
kapitaalvereiste van die onderneming een opslagfactor
toepassen.
De Bank bespreekt dit voorstel in het college van
toezichthouders en deelt de redenen waarom zij een
dergelijk voorstel doet, aan zowel de dochterverze-
kerings- of herverzekeringsonderneming als aan het
college van toezichthouders mee.
§ 4. De Bank doet alles wat in haar vermogen ligt om
met de toezichthouders in het college van toezichthou-
ders tot overeenstemming te komen over het voorstel
dat zij overeenkomstig paragraaf 1 of 2 heeft gedaan,
of over andere mogelijke maatregelen.
Dit besluit wordt als definitief erkend en door de Bank
en de betrokken toezichthouders toegepast.
§ 5. Tijdens een termijn van een maand na de
formulering van het voorstel als bedoeld in paragraaf
1 of 2, en zolang er geen overeenkomst is gesloten
in het college van toezichthouders, kan de Bank, in-
dien zij het oneens is met de groepstoezichthouder,
de zaak aan EIOPA voorleggen en om haar bijstand
filiale résultant de l’application de ce modèle ou, dans
des circonstances exceptionnelles où l’exigence de
capital supplémentaire ne serait pas appropriée, exiger
de l’entreprise qu’elle calcule son capital de solvabilité
requis sur la base de la formule standard visée aux
articles 151 à 166.
La Banque discute de sa proposition au sein du
collège des contrôleurs et en communique les raisons
à l’entreprise d’assurance ou de réassurance filiale et
au collège des contrôleurs.
§ 3. Lorsque le capital de solvabilité requis de l’entre-
prise d’assurance ou de réassurance filiale visée au
paragraphe 1er est calculé sur la base de la formule
standard visée aux articles 151 à 166 et que la Banque
considère que son profil de risque s’écarte significati-
vement des hypothèses qui sous-tendent cette formule,
elle peut, dans des circonstances exceptionnelles et
aussi longtemps que l’entreprise ne répond pas de
manière satisfaisante aux préoccupations de la Banque,
proposer que l’entreprise remplace un sous-ensemble
de paramètres utilisés dans le calcul selon la formule
standard par des paramètres spécifiques à cette entre-
prise lors du calcul des modules “risque de souscription
en vie”, “risque de souscription en non-vie”, et “risque de
souscription en santé”, comme indiqué à l’article 166,
ou, dans les cas visés à l’article 323, lui imposer une
exigence de capital supplémentaire s’ajoutant au capital
de solvabilité requis de cette entreprise.
La Banque discute de sa proposition au sein du
collège des contrôleurs et en communique les raisons
à l’entreprise d’assurance ou de réassurance filiale et
au collège des contrôleurs.
§ 4. La Banque fait tout ce qui est en son pouvoir
pour parvenir, avec les autorités de contrôle au sein du
collège des contrôleurs, à un accord sur la proposition
qu’elle a formulée conformément au paragraphe 1er ou
2, ou sur d’autres mesures éventuelles.
Cet accord est considéré comme déterminant et
est appliqué par la Banque et les autorités de contrôle
concernées.
§ 5. Pendant un délai d’un mois à compter de formu-
lation de la proposition visée au paragraphe 1er ou 2, et
aussi longtemps qu’un accord n’a pas été conclu au sein
du collège des contrôleurs, la Banque peut, en cas de
désaccord avec le contrôleur du groupe, saisir l’EIOPA
et solliciter son aide conformément à l’article 19 du
994
1584/002
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
verzoeken overeenkomstig artikel 19 van Verordening
nr. 1094/2010. EIOPA neemt haar besluit binnen een
maand nadat de zaak aan haar is voorgelegd. De termijn
van een maand wordt beschouwd als de verzoenings-
periode in de zin van artikel 19, lid 2 van Verordening
nr.1094/2010.
De Bank schort haar besluit op en wacht het besluit
af dat EIOPA eventueel overeenkomstig artikel 19 van
Verordening nr. 1094/2010 neemt; vervolgens neemt
zij haar besluit in overeenstemming met het eventuele
besluit van EIOPA.
Dit besluit wordt als definitief erkend en door de Bank
en de betrokken toezichthouders toegepast.
Het besluit bevat een volledige opgave van de rede-
nen waarop het is gebaseerd en wordt voorgelegd aan
de dochterverzekerings- of herverzekeringsonderne-
ming en aan het college van toezichthouders.
Art. 385
§ 1. In geval van niet-naleving van het solvabili-
teitskapitaalvereiste van een dochterverzekerings- of
herverzekeringsonderneming waarvoor de in artikel
383 bedoelde aanvraag is ingewilligd, en onverminderd
artikel 510, bezorgt de Bank aan het college van toezicht-
houders onverwijld het saneringsplan dat de dochter-
onderneming heeft ingediend om binnen zes maanden
na de vaststelling dat het solvabiliteitskapitaalvereiste
niet wordt nageleefd, het in aanmerking komend eigen
vermogen weer op peil te brengen of haar risicoprofiel
zodanig te verlagen dat het solvabiliteitskapitaalvereiste
weer wordt nageleefd.
De Bank doet alles wat in haar vermogen ligt om met
de toezichthouders in het college van toezichthouders
tot overeenstemming te komen over het voorstel dat zij
met het oog op de goedkeuring van het saneringsplan
heeft geformuleerd, en dit binnen vier maanden na de
datum waarop voor het eerst is vastgesteld dat het sol-
vabiliteitskapitaalvereiste niet wordt nageleefd.
Indien geen overeenstemming wordt bereikt, beslist
de Bank over de goedkeuring van het saneringsplan,
waarbij naar behoren rekening wordt gehouden met de
standpunten en voorbehouden van de toezichthouders
in het college van toezichthouders, onverminderd het
vierde lid.
Tijdens de in het tweede lid bedoelde termijn van vier
maanden, en zolang er geen overeenkomst is gesloten
in het college van toezichthouders, kan de Bank, indien
Règlement no 1094/2010. L’EIOPA arrête sa décision
dans un délai d’un mois à compter de cette saisine. La
période d’un mois est le délai de conciliation au sens de
l’article 19, paragraphe 2, du Règlement no 1094/2010.
La Banque diffère sa décision en attendant une
éventuelle décision de l’EIOPA arrêtée conformément
à l’article 19 du Règlement no 1094/2010 et arrête sa
propre décision en se conformant à cette décision de
l’EIOPA.
Cette décision est considérée comme déterminante et
est appliquée par la Banque et les autorités de contrôle
concernées.
La décision est dûment motivée et transmise à
l’entreprise d’assurance ou de réassurance filiale et au
collège des contrôleurs.
Art. 385
§ 1er. En cas de non-conformité au capital de solva-
bilité requis d’une entreprise d’assurance ou de réas-
surance filiale qui fait l’objet de l’autorisation visée à
l’article 383 et sans préjudice de l’article 510, la Banque
communique sans délai au collège des contrôleurs le
programme de rétablissement soumis par la filiale en
vue, dans un délai de six mois après la constatation
de sa non-conformité au capital de solvabilité requis,
de rétablir le niveau de fonds propres éligibles ou de
réduire son profil de risque afin d’assurer sa conformité
au capital de solvabilité requis.
La Banque fait tout ce qui est en son pouvoir pour
parvenir, avec les autorités de contrôle au sein du
collège des contrôleurs, à un accord sur la proposition
qu’elle a formulée quant à l’approbation du programme
de rétablissement, et ce, dans un délai de quatre mois
à compter du premier constat de non-conformité au
capital de solvabilité requis.
Sans préjudice à l’alinéa 4, à défaut d’un tel accord,
la Banque décide si le programme de rétablissement
doit être approuvé, en tenant dûment compte de l’avis
et des réserves exprimés par les autorités de contrôle
au sein du collège des contrôleurs.
Pendant le délai de quatre mois visé à l’alinéa 2, et
aussi longtemps qu’un accord n’a pas été conclu au sein
du collège des contrôleurs, en cas de désaccord avec
995
1584/002
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
zij het oneens is met de groepstoezichthouder over de
goedkeuring van het saneringsplan, met name over de
verlenging van de herstelperiode, de zaak aan EIOPA
voorleggen en om haar bijstand verzoeken overeenkom-
stig artikel 19 van Verordening nr. 1094/2010. EIOPA
neemt haar besluit binnen een maand nadat de zaak
aan haar is voorgelegd. De termijn van vier maanden
maand wordt beschouwd als de verzoeningsperiode in
de zin van artikel 19, lid 2 van Verordening nr.1094/2010.
De Bank schort haar besluit op en wacht het besluit
af dat EIOPA eventueel overeenkomstig artikel 19 van
Verordening nr. 1094/2010 neemt; vervolgens neemt
zij haar besluit in overeenstemming met het eventuele
besluit van EIOPA.
Dit besluit wordt als definitief erkend en door de Bank
en de betrokken toezichthouders toegepast.
Het besluit bevat een volledige opgave van de rede-
nen waarop het is gebaseerd en wordt voorgelegd aan
de dochterverzekerings- of herverzekeringsonderne-
ming en aan het college van toezichthouders.
§ 2. Indien de Bank bij een in paragraaf 1 bedoelde
dochterverzekerings- of herverzekeringsonderneming
overeenkomstig artikel 510 een verslechtering van de
financiële omstandigheden vaststelt, stelt zij het college
van toezichthouders onverwijld in kennis van de maatre-
gelen die zij voorstelt te nemen. Behalve in noodsituaties
moeten de te nemen maatregelen worden besproken in
het college van toezichthouders.
De Bank doet alles wat in haar vermogen ligt om
met de toezichthouders in het college van toezichthou-
ders tot overeenstemming te komen over de te nemen
maatregelen die zij heeft voorgesteld, en dit binnen één
maand na het tijdstip van de inkennisstelling.
Indien geen overeenstemming wordt bereikt, beslist
de Bank over de goedkeuring van de voorgestelde
maatregelen, waarbij naar behoren rekening wordt
gehouden met de standpunten en voorbehouden van
de toezichthouders in het college van toezichthouders,
onverminderd het vierde lid.
Behalve in noodsituaties geldt dat de Bank, tijdens
de in het tweede lid bedoelde termijn van een maand,
en zolang er geen overeenkomst is gesloten in het
college van toezichthouders, indien zij het oneens is
met de groepstoezichthouder over de goedkeuring van
de krachtens het eerste lid voorgestelde maatrege-
len, de zaak aan EIOPA kan voorleggen en om haar
bijstand kan verzoeken overeenkomstig artikel 19 van
Verordening nr. 1094/2010. EIOPA neemt haar besluit
le contrôleur du groupe sur l’approbation du programme
de rétablissement, notamment une prolongation du délai
de rétablissement, la Banque peut saisir l’EIOPA et
solliciter son assistance conformément à l’article 19 du
Règlement no 1094/2010. L’EIOPA arrête sa décision
dans un délai d’un mois à compter de cette saisine.
La période de quatre mois est le délai de conciliation
au sens de l’article 19, paragraphe 2, du Règlement
no 1094/2010.
La Banque diffère sa décision en attendant une
éventuelle décision de l’EIOPA arrêtée conformément
à l’article 19 du Règlement no 1094/2010 et arrête sa
propre décision en se conformant à cette décision de
l’EIOPA.
Cette décision est considérée comme déterminante et
est appliquée par la Banque et les autorités de contrôle
concernées.
La décision est dûment motivée et transmise à
l’entreprise d’assurance ou de réassurance filiale et au
collège des contrôleurs.
§ 2. Si la Banque détecte une dégradation des
conditions financières dans une entreprise d’assu-
rance ou de réassurance filiale visée au paragraphe
1er, conformément à l’article 510, elle notifie sans délai
au collège des contrôleurs les mesures qu’elle propose
de prendre. Sauf dans des situations d’urgence, les
mesures à prendre sont débattues au sein du collège
des contrôleurs.
La Banque fait tout ce qui est en son pouvoir pour
parvenir, avec les autorités de contrôle au sein du col-
lège des contrôleurs, à un accord sur les mesures à
prendre qu’elle a proposées, et ce, dans un délai d’un
mois à compter de la notification.
Sans préjudice à l’alinéa 4, à défaut d’un tel accord,
la Banque décide si les mesures proposées doivent être
approuvées, en tenant dûment compte de l’avis et des
réserves exprimés par les autorités de contrôle au sein
du collège des contrôleurs.
Sauf situations d’urgence, pendant le délai d’un
mois visé à l’alinéa 2, et aussi longtemps qu’un accord
n’a pas été conclu au sein du collège des contrôleurs,
en cas de désaccord avec le contrôleur du groupe sur
l’approbation des mesures proposées en vertu de l’ali-
néa 1er, la Banque peut saisir l’EIOPA et solliciter son
assistance conformément à l’article 19 du Règlement
no 1094/2010. L’EIOPA arrête sa décision dans un délai
d’un mois à compter de cette saisine. La période d’un
996
1584/002
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
binnen een maand nadat de zaak aan haar is voorge-
legd. De termijn van een maand wordt beschouwd als
de verzoeningsperiode in de zin van artikel 19, lid 2 van
Verordening nr. 1094/2010.
De Bank schort haar besluit op en wacht het besluit
af dat EIOPA eventueel overeenkomstig artikel 19 van
Verordening nr. 1094/2010 neemt; vervolgens neemt
zij haar besluit in overeenstemming met het eventuele
besluit van EIOPA.
Dit besluit wordt als definitief erkend en door de Bank
en de betrokken toezichthouders toegepast.
Het besluit bevat een volledige opgave van de rede-
nen waarop het is gebaseerd en wordt voorgelegd aan
de dochterverzekerings- of herverzekeringsonderne-
ming en aan het college van toezichthouders.
§ 3. In geval van niet-naleving van het minimum-
kapitaalvereiste van een in paragraaf 1 bedoelde
dochterverzekerings- of herverzekeringsonderneming,
en onverminderd artikel 511, bezorgt de Bank aan het
college van toezichthouders onverwijld het plan inzake
financiering op korte termijn dat de dochterverzeke-
rings- of herverzekeringsonderneming heeft ingediend
om binnen drie maanden na de datum waarop voor het
eerst is vastgesteld dat het minimumkapitaalvereiste
niet wordt nageleefd, het in aanmerking komend eigen
vermogen ter dekking van het minimumkapitaalvereiste
weer op peil te brengen of haar risicoprofiel zodanig te
verlagen dat het minimumkapitaalvereiste weer wordt
nageleefd. Ook het college van toezichthouders moet
in kennis worden gesteld van alle maatregelen die
worden genomen om toe te zien op de naleving van
het minimumkapitaalvereiste op het niveau van de
dochteronderneming.
Art. 386
Overeenkomstig artikel 239, lid 4 van Richtlijn
2009/138/EG kan de Bank, in haar hoedanigheid van
groepstoezichthouder, indien zij het oneens is over de
elementen bedoeld in artikel 239, lid 4, eerste alinea van
Richtlijn 2009/138/EG, met de toezichthouder van een
dochterverzekerings- of herverzekeringsonderneming
met zetel in een andere lidstaat en waarvoor de in arti-
kel 237 bedoelde aanvraag is ingewilligd, de zaak aan
EIOPA voorleggen en om haar bijstand verzoeken over-
eenkomstig artikel 19 van Verordening nr. 1094/2010.
mois est le délai de conciliation au sens de l’article 19,
paragraphe 2, du Règlement no 1094/2010.
La Banque diffère sa décision en attendant une
éventuelle décision de l’EIOPA arrêtée conformément
à l’article 19 du Règlement no 1094/2010 et arrête sa
propre décision en se conformant à cette décision de
l’EIOPA.
Cette décision est considérée comme déterminante et
est appliquée par la Banque et les autorités de contrôle
concernées.
La décision est dûment motivée et transmise à
l’entreprise d’assurance ou de réassurance filiale et au
collège des contrôleurs.
§ 3. En cas de non-conformité au minimum de capital
requis d’une entreprise d’assurance ou de réassurance
filiale visée au paragraphe 1er et sans préjudice de l’ar-
ticle 511, la Banque communique sans délai au collège
des contrôleurs le plan de financement à court terme
soumis par l’entreprise d’assurance ou de réassurance
filiale en vue, dans un délai de trois mois après la pre-
mière constatation de sa non-conformité au minimum
de capital requis, de rétablir le niveau de fonds propres
éligibles permettant d’atteindre le minimum de capital
requis ou de réduire son profil de risque afin d’assurer
sa conformité au minimum de capital requis. Le collège
des contrôleurs est aussi tenu informé de toute mesure
prise pour faire appliquer le minimum de capital requis
au niveau de la filiale.
Art. 386
Conformément à l’article 239, paragraphe 4 de la
Directive 2009/138/CE, la Banque, en sa qualité de
contrôleur du groupe, peut, en cas de désaccord sur
les points visés à l’article 239, paragraphe 4, alinéa 1er,
de la Directive 2009/138/CE avec l’autorité de contrôle
d’une entreprise d’assurance ou de réassurance filiale
ayant son siège social dans un autre État membre et
qui fait l’objet de l’autorisation visée à l’article 237 de
la Directive 2009/138/CE, saisir l’EIOPA et solliciter son
assistance, conformément à l’article 19 du Règlement
no 1094/2010.
997
1584/002
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
Art. 387
§ 1. De voorschriften waarin de artikelen 384 en
385 voorzien, zijn niet meer van toepassing indien:
1° niet meer wordt voldaan aan de voorwaarde van
artikel 382, 1°;
2° niet meer wordt voldaan aan de voorwaarde van
artikel 382, 2°, en de groep nalaat om binnen een pas-
sende termijn weer aan deze voorwaarde te voldoen;
3° niet meer wordt voldaan aan de voorwaarden van
artikel 382, 3° en 4°.
Indien de groepstoezichthouder in het in het eerste
lid, 1° bedoelde geval na raadpleging van het college
van toezichthouders besluit de dochteronderneming niet
langer in het door hem uitgeoefende groepstoezicht te
betrekken, stelt hij de Bank en de moederonderneming
onmiddellijk daarvan in kennis.
Voor de toepassing van artikel 382, 2°, 3° en 4°,
behoort het tot de verantwoordelijkheid van de moe-
deronderneming om ervoor te zorgen dat doorlopend
aan de voorwaarden wordt voldaan. Indien niet aan de
voorwaarden wordt voldaan, stelt zij de groepstoezicht-
houder en de Bank daar onverwijld van in kennis. De
moederonderneming legt een plan voor opdat binnen
een passende termijn weer aan de voorwaarden wordt
voldaan.
Onverminderd het derde lid verifieert de groeps-
toezichthouder ten minste eenmaal per jaar uit eigen
beweging of nog steeds aan de voorwaarden van artikel
382, 2°, 3° en 4° is voldaan. De groepstoezichthouder
verricht een dergelijke verificatie ook op verzoek van de
Bank wanneer deze zich ernstig zorgen maakt over de
vraag of nog steeds aan deze voorwaarden is voldaan.
Wanneer de verrichte verificatie tekortkomingen aan
het licht brengt, verlangt de groepstoezichthouder van
de moederonderneming dat deze een plan voorlegt
opdat binnen een passende termijn weer aan de voor-
waarden wordt voldaan.
Indien de groepstoezichthouder na raadpleging van
het college van toezichthouders vaststelt dat het in het
derde of vijfde lid bedoelde plan ontoereikend is, of later
constateert dat het niet binnen de overeengekomen
termijn wordt uitgevoerd, concludeert hij dat niet langer
aan de voorwaarden van artikel 382, 2°, 3° en 4° is vol-
daan en stelt hij de Bank daar onverwijld van in kennis.
§ 2. De regeling waarin de artikelen 384 en
385 voorzien, wordt opnieuw van toepassing indien de
Art. 387
§ 1er. Les règles énoncées aux articles 384 et
385 cessent d’être applicables dans les cas suivants:
1° la condition visée à l’article 382, 1° n’est plus
respectée;
2° la condition visée à l’article 382, 2° n’est plus res-
pectée et le groupe ne rétablit pas le respect de cette
condition dans un délai approprié;
3° les conditions visées à l’article 382, 3° et 4° ne
sont plus respectées.
Dans le cas visé à l’alinéa 1er, 1°, lorsque le contrôleur
du groupe décide, après avoir consulté le collège des
contrôleurs, de ne plus inclure la filiale dans le contrôle
du groupe qu’il effectue, il en informe immédiatement
la Banque et l’entreprise mère.
Aux fins de l’article 382, 2°, 3° et 4°, l’entreprise mère
a la responsabilité de veiller à ce que les conditions
soient respectées en permanence. Si ce n’est pas le
cas, l’entreprise mère en informe sans délai le contrôleur
du groupe et la Banque. L’entreprise mère présente un
plan visant à rétablir le respect des conditions dans un
délai approprié.
Sans préjudice de l’alinéa 3, le contrôleur du groupe
vérifie au moins une fois par an, de sa propre initiative,
que les conditions visées à l’article 382, 2°, 3° et 4°
continuent d’être respectées. Le contrôleur du groupe
procède également à cette vérification à la demande de
la Banque, lorsque cette dernière a de sérieux doutes
concernant le respect permanent de ces conditions.
Lorsque la vérification fait apparaître des déficiences,
le contrôleur du groupe impose à l’entreprise mère de
présenter un plan visant à rétablir le respect des condi-
tions dans un délai approprié.
Lorsque, après avoir consulté le collège des contrô-
leurs, le contrôleur du groupe estime que le plan visé
à l’alinéa 3 ou à l’alinéa 5 est insuffisant ou, ultérieu-
rement, qu’il n’est pas mis en œuvre dans le délai
convenu, il en conclut que les conditions visées à
l’article 382, 2°, 3° et 4° ne sont plus respectées et il
en informe sans délai la Banque.
§ 2. Le régime prévu aux articles 384 et 385 s’ap-
plique à nouveau lorsque l’entreprise mère présente
998
1584/002
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
moederonderneming een nieuwe aanvraag indient en
de aanvraag volgens de procedure van artikel 382 wordt
ingewilligd.
Onderafdeling II
Risicoconcentratie en intragroeptransacties
§ 1 – Risicoconcentratie
Art. 388
§ 1. Het toezicht op de risicoconcentratie op het
niveau van de verzekerings- of herverzekeringsgroep
wordt uitgeoefend overeenkomstig dit artikel en artikel
389, en overeenkomstig Onderafdeling III van deze
Afdeling.
§ 2. De verzekerings- of herverzekeringsonderne-
mingen, de verzekeringsholdings en de gemengde
financiële holdings rapporteren regelmatig en ten minste
eenmaal per jaar iedere significante risicoconcentratie
op het niveau van de groep aan de groepstoezichthou-
der, tenzij artikel 352 van toepassing is.
De benodigde informatie wordt aan de groepstoe-
zichthouder meegedeeld door de deelnemende verze-
kerings- of herverzekeringsonderneming of, indien aan
het hoofd van de groep geen verzekerings- of herverze-
keringsonderneming staat, door de verzekeringsholding,
de gemengde financiële holding of de verzekerings- of
herverzekeringsonderneming in de groep die daartoe
door de groepstoezichthouder na overleg met de be-
trokken toezichthouders en de groep is aangewezen.
De in het eerste lid bedoelde risicoconcentraties
zijn overeenkomstig Afdeling III van dit Hoofdstuk aan
het prudentieel toezicht van de groepstoezichthouder
onderworpen.
Art. 389
Na overleg met de betrokken toezichthouders en de
groep bepaalt de groepstoezichthouder welke types
risico’s in elk geval moeten worden gerapporteerd.
Bij het bepalen van, of het geven van een oordeel over
de types risico’s houden de groepstoezichthouder en de
betrokken toezichthouders rekening met de specifieke
groeps- en risicobeheerstructuur van de groep.
Met het oog op de aanmerking als significante risi-
coconcentratie die moet worden gerapporteerd, stelt
une nouvelle demande et obtient une décision favorable
conformément à la procédure prévue à l’article 382.
Sous-Section II
Concentration de risques et transactions intragroupe
§ 1er – Concentration des risques
Art. 388
§ 1er. Le contrôle de la concentration de risques au
niveau du groupe d’assurance ou de réassurance est
exercé conformément au présent article et à l’article
389, ainsi qu’à la Sous-Section III de la présente
Section.
§ 2. Les entreprises d’assurance ou de réassurance,
les sociétés holding d’assurance et les compagnies
financières mixtes déclarent régulièrement, et au moins
annuellement, au contrôleur du groupe toute concen-
tration de risques significatives au niveau du groupe, à
moins que l’article 352 ne s’applique.
Les informations nécessaires sont soumises au
contrôleur du groupe par l’entreprise d’assurance ou
de réassurance participante ou, lorsque le groupe
n’est pas dirigé par une entreprise d’assurance ou de
réassurance, par la société holding d’assurance, par la
compagnie financière mixte ou par l’entreprise d’assu-
rance ou de réassurance du groupe désignée à cette
fin par le contrôleur du groupe après consultation des
autorités de contrôle concernées et du groupe.
Les concentrations de risques visées à l’alinéa 1er
sont soumises au contrôle prudentiel du contrôleur
du groupe conformément à la Section III du présent
Chapitre.
Art. 389
Le contrôleur du groupe, identifie, après avoir
consulté les autorités de contrôle concernées ainsi
que le groupe, le type de risque qui doit être déclaré en
toutes circonstances.
Pour définir le type de risque ou donner leur avis
sur celui-ci, le contrôleur du groupe et les autorités
de contrôle concernées tiennent compte du groupe
concerné et de sa structure de gestion des risques.
Pour identifier les concentrations de risques signifi-
catives à déclarer, le contrôleur du groupe, après avoir
999
1584/002
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
de groepstoezichthouder, na overleg met de betrokken
toezichthouders en de groep, passende drempels vast
op basis van het solvabiliteitskapitaalvereiste, de tech-
nische voorzieningen, of beide.
Bij het toezicht op de risicoconcentraties let de
groepstoezichthouder vooral op mogelijke besmettings-
risico’s in de groep, op het risico van belangenconflicten
en op het niveau of het volume van de risico’s.
§ 2 – Intragroeptransacties
Art. 390
§ 1. Het toezicht op de intragroeptransacties wordt
uitgeoefend overeenkomstig dit artikel en artikel 391,
en overeenkomstig Onderafdeling III van deze Afdeling.
§ 2. De verzekerings- of herverzekeringsonderne-
mingen, de verzekeringsholdings en de gemengde
financiële holdings rapporteren regelmatig en ten minste
eenmaal per jaar alle significante intragroeptransacties
door verzekerings- of herverzekeringsondernemingen in
een groep aan de groepstoezichthouder, met inbegrip
van verrichtingen met een natuurlijke persoon die nauwe
banden heeft met een onderneming van die groep, tenzij
artikel 352 van toepassing is.
Bovendien moeten zeer significante intragroeptrans-
acties zo spoedig mogelijk worden gerapporteerd.
De benodigde informatie wordt aan de groepstoe-
zichthouder meegedeeld door de deelnemende verze-
kerings- of herverzekeringsonderneming of, indien aan
het hoofd van de groep geen verzekerings- of herverze-
keringsonderneming staat, door de verzekeringsholding,
de gemengde financiële holding of de verzekerings- of
herverzekeringsonderneming in de groep die door de
groepstoezichthouder na overleg met de betrokken
toezichthouders en de groep is aangewezen.
De intragroeptransacties zijn overeenkomstig
Afdeling III van dit Hoofdstuk aan het prudentieel toezicht
van de groepstoezichthouder onderworpen.
Art. 391
Na overleg met de betrokken toezichthouders en
de groep bepaalt de groepstoezichthouder welke ty-
pes intragroeptransacties in elk geval moeten worden
gerapporteerd.
consulté les autorités de contrôle concernées et le
groupe, impose des seuils appropriés basés sur le capi-
tal de solvabilité requis, sur les provisions techniques
ou sur les deux.
Lors du contrôle des concentrations de risques, le
contrôleur du groupe est particulièrement attentif au
risque possible de contagion dans le groupe, au risque
de conflit d’intérêts et au niveau ou au volume des
risques.
§ 2 – Transactions intragroupe
Art. 390
§ 1er. Le contrôle des transactions intragroupe est
exercé conformément au présent article et à l’article 391,
ainsi qu’à la Sous-Section III de la présente Section.
§ 2. Les entreprises d’assurance ou de réassurance,
les sociétés holding d’assurance et les compagnies
financières mixtes déclarent régulièrement, et au moins
annuellement, au contrôleur du groupe toutes les tran-
sactions intragroupe significatives effectuées par les
entreprises d’assurance ou de réassurance du groupe,
y compris celles effectuées avec une personne physique
ayant des liens étroits avec une entreprise du groupe,
à moins que l’article 352 ne s’applique.
En outre, les transactions intragroupe très signifi-
catives doivent être déclarées aussi rapidement que
possible.
Les informations nécessaires sont soumises au
contrôleur du groupe par l’entreprise d’assurance ou
de réassurance participante ou, lorsque le groupe
n’est pas dirigé par une entreprise d’assurance ou de
réassurance, par la société holding d’assurance, par la
compagnie financière mixte ou par l’entreprise d’assu-
rance ou de réassurance du groupe désignée à cette
fin par le contrôleur du groupe après consultation des
autorités de contrôle concernées et du groupe.
Les transactions intragroupes sont soumises au
contrôle prudentiel du contrôleur du groupe conformé-
ment à la Section III du présent Chapitre.
Art. 391
Le contrôleur du groupe identifie, après avoir consulté
les autorités de contrôle concernées ainsi que le groupe,
le type de transactions intragroupe qui doivent être
déclarées en toutes circonstances.
1000
1584/002
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
Bij het bepalen van, of het geven van een oordeel over
de types intragroeptransacties houden de groepstoe-
zichthouder en de betrokken toezichthouders rekening
met de specifieke groeps- en risicobeheerstructuur van
de groep.
Met het oog op de aanmerking als intragroep-
transacties die moet worden gerapporteerd, stelt de
groepstoezichthouder, na overleg met de betrokken
toezichthouders en de groep, passende drempels vast
op basis van het solvabiliteitskapitaalvereiste, de tech-
nische voorzieningen, of beide.
Bij het toezicht op de intragroeptransacties let de
groepstoezichthouder vooral op mogelijke besmettings-
risico’s in de groep, op het risico van belangenconflicten
en op het niveau of het volume van de risico’s.
Onderafdeling III
Governancesysteem op het niveau van de verzekerings- of
herverzekeringsgroep
§ 1 – Algemene bepalingen
Art. 392
De deelnemende verzekerings- of herverzekerings-
ondernemingen en de verzekerings- of herverzeke-
ringsondernemingen waarvan de moederonderneming
een verzekeringsholding of een gemengde financiële
holding in de Europese Economische Ruimte is, moet
op het niveau van de groep voldoen aan de vereisten
van Afdeling VII, Hoofdstuk II, Titel I van dit Boek en aan
Afdeling III, Hoofdstuk III, Titel II van dit Boek, zodat de
regelingen, procedures en mechanismen die zij krach-
tens deze bepalingen moeten opzetten, samenhang ver-
tonen en goed geïntegreerd zijn, de invloed van de in het
toezicht op de verzekerings- of herverzekeringsgroep
betrokken ondernemingen op andere ondernemingen
kan beoordeeld worden en alle gegevens en informatie
die voor de uitoefening van het groepstoezicht nodig
zijn, onderling uitgewisseld kunnen worden, en dat
kan worden ingegaan op de informatieverzoeken van
de groepstoezichthouder. Zij passen die regelingen,
procedures en mechanismen eveneens toe in hun niet
onder deze wet vallende dochterondernemingen. Ook
deze regelingen, procedures en mechanismen zijn
samenhangend en goed geïntegreerd, en ook deze
dochterondernemingen moeten de voor de uitoefening
van het groepstoezicht relevante gegevens en informatie
kunnen verstrekken.
Pour définir le type de transactions intragroupe ou
donner leur avis sur celui-ci, le contrôleur du groupe et
les autorités de contrôle concernées tiennent compte
du groupe concerné et de sa structure de gestion des
risques.
Pour identifier les transactions intragroupe à décla-
rer, le contrôleur du groupe, après avoir consulté les
autorités de contrôle concernées et le groupe, impose
des seuils appropriés basés sur le capital de solvabilité
requis, sur les provisions techniques ou sur les deux.
Lors du contrôle des transactions intragroupe, le
contrôleur du groupe est particulièrement attentif au
risque possible de contagion dans le groupe, au risque
de conflit d’intérêts et au niveau ou au volume des
risques.
Sous-Section III
Système de gouvernance au niveau du groupe
d’assurance ou de réassurance
§ 1er – Généralités
Art. 392
Les entreprises d’assurance ou de réassurance
participantes ainsi que les entreprises d’assurance ou
de réassurance dont l’entreprise mère est une société
holding d’assurance ou une compagnie financière
mixte dans l’Espace économique européen doivent
satisfaire au niveau du groupe aux exigences prévues
à la Section VII, Chapitre II, Titre Ier du présent Livre
ainsi qu’à la Section III, Chapitre III, Titre II du présent
Livre, de manière à assurer la cohérence et la bonne
intégration des dispositifs, processus et mécanismes
qu’elle sont tenues de mettre en place en vertu de
ces dispositions, à évaluer l’influence des entreprises
incluses dans le contrôle du groupe d’assurance ou
de réassurance sur d’autres entreprises et à échan-
ger entre elles toutes les données et informations
nécessaires à l’exercice du contrôle du groupe, ainsi
qu’à satisfaire aux demandes d’informations requises
par le contrôleur du groupe. Elles mettent en oeuvre
ces dispositifs, processus et mécanismes également
dans leurs filiales qui ne relèvent pas de la présente
loi. Lesdits dispositifs, processus et mécanismes sont
cohérents et bien intégrés et lesdites filiales doivent être
en mesure de fournir toute donnée et toute information
utiles à l’exercice du contrôle du groupe.
1001
1584/002
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
Art. 393
De verzekerings- of herverzekeringsonderneming
waarvan de moederonderneming een verzekerings-
holding of een gemengde financiële holding is waar-
van de zetel buiten België is gevestigd, ziet toe op
de naleving door haar moederonderneming van de
verplichtingen met betrekking tot het groepstoezicht die
voor die verzekeringsholding of gemengde financiële
holding voortvloeien uit Richtlijn 2008/139/EG en haar
uitvoeringsmaatregelen.
De verzekerings- of herverzekeringsonderneming
moet van de in het eerste lid bedoelde moederonder-
neming de medewerking verkrijgen voor het opzetten
van een passende beleidsstructuur die ertoe bijdraagt
dat het groepstoezicht zo efficiënt mogelijk kan worden
uitgeoefend en waakt erover dat de invloed van de
moederonderneming niet in strijd is met het Wetboek
van Vennootschappen en zijn uitvoeringsbesluiten en
geen afbreuk doet aan het toezicht op individuele basis
of aan het toezicht op groepsniveau dat van toepassing
is op de verzekerings- of herverzekeringsonderneming.
In het krachtens artikel 42, § 3 vereiste governance-
memorandum dient, wat betreft het toezicht op groeps-
niveau, te worden uitgewerkt hoe voldaan wordt aan het
bepaalde in het eerste en het tweede lid.
§ 2 – Risicobeheer en interne controle
Art. 394
Onverminderd artikel 392 worden de risicobeheer- en
internecontrolesystemen en verslaggevingsprocedures
in alle ondernemingen die overeenkomstig dit Hoofdstuk
in het groepstoezicht zijn betrokken, consequent toege-
past, zodat deze systemen en procedures op het niveau
van de groep kunnen worden gecontroleerd.
Onverminderd artikel 392 omvat de internecontrole-
systeem van de groep ten minste het volgende:
1° adequate procedures met betrekking tot de groeps-
solvabiliteit om alle bestaande materiële risico’s te be-
palen en te meten en het in aanmerking komend eigen
vermogen naar behoren af te stemmen op de risico’s;
2° gedegen rapporterings- en boekhoudkundige
systemen om de intragroeptransacties en de risicocon-
centratie te bewaken en te beheren.
Art. 393
L’entreprise d’assurance ou de réassurance dont
l’entreprise mère est une société holding d’assurance
ou une compagnie financière mixte dont le siège social
est établi en dehors de la Belgique, veille au respect
par son entreprise mère des obligations relatives au
contrôle du groupe, qui incombent à cette société hol-
ding d’assurance ou cette compagnie financière mixte
conformément à la Directive 2008/139/CE et à ses
mesures d’exécution.
L’entreprise d’assurance ou de réassurance doit
obtenir la coopération de l’entreprise mère visée à
l’alinéa 1er afin de mettre en place une structure de
gestion adéquate qui contribue à ce que le contrôle du
groupe puisse être exercé de la manière la plus efficace
possible, et veille à ce que l’influence de l’entreprise
mère ne soit pas contraire au Code des sociétés et
ses arrêtés d’exécution et ne porte pas préjudice au
contrôle sur base individuelle ou au contrôle au niveau
du groupe applicable à l’entreprise d’assurance ou de
réassurance.
Dans le mémorandum de gouvernance requis en
vertu de l’article 42, § 3, il convient d’établir, en ce qui
concerne le contrôle au niveau du groupe, comment il
est satisfait aux alinéas 1er et 2.
§ 2 – Gestion des risques et contrôle interne
Art. 394
Sans préjudice de l’article 392, les systèmes de
gestion des risques et de contrôle interne ainsi que
les procédures de déclaration sont appliqués de façon
cohérente dans toutes les entreprises incluses dans le
contrôle de groupe conformément au présent Chapitre
afin que ces systèmes et procédures puissent être
contrôlés au niveau du groupe.
Sans préjudice de l’article 392, le système de contrôle
interne d’un groupe comporte au moins les éléments
suivants:
1° des procédures adéquates en ce qui concerne
la solvabilité du groupe, permettant d’identifier et de
mesurer tous les risques importants encourus et de
rattacher d’une manière appropriée les fonds propres
éligibles aux risques;
2° des procédures saines de déclaration et de
comptabilité pour contrôler et gérer les transactions
intragroupe ainsi que la concentration de risques.
1002
1584/002
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
Art. 395
De in de artikelen 392 en 394 bedoelde verslag-
gevingssystemen en -procedures zijn overeenkomstig
Afdeling III van dit Hoofdstuk aan het prudentieel toezicht
van de groepstoezichthouder onderworpen.
§ 3 –Beoordeling van het eigen risico en de solva-
biliteit van de groep
Art. 396
De deelnemende verzekerings- of herverzekerings-
onderneming of, indien aan het hoofd van de groep geen
verzekerings- of herverzekeringsonderneming staat, de
verzekeringsholding of de gemengde financiële holding
voert de bij artikel 91 voorgeschreven beoordeling op
het niveau van de groep uit.
Wanneer de berekening van de solvabiliteit op het
niveau van de groep wordt uitgevoerd volgens bereke-
ningsmethode 1 als bedoeld in de artikelen 372 en 373,
dan zorgt de deelnemende verzekerings- of herverze-
keringsonderneming, de verzekeringsholding of de ge-
mengde financiële holding ervoor dat de groepstoezicht-
houder een helder inzicht heeft in het verschil tussen de
som van de verschillende solvabiliteitskapitaalvereisten
van alle verbonden verzekerings- of herverzekerings-
ondernemingen van de groep en het geconsolideerde
solvabiliteitskapitaalvereiste van de groep.
Art. 397
De deelnemende verzekerings- of herverzekerings-
onderneming, de verzekeringsholding of de gemengde
financiële holding mag, als de groepstoezichthouder
daarmee instemt, alle bij artikel 91 voorgeschreven
beoordelingen tegelijkertijd op het niveau van de groep
en op het niveau van een dochteronderneming van de
groep uitvoeren en mag één enkel document opstellen
dat op alle beoordelingen betrekking heeft.
Alvorens overeenkomstig het eerste lid zijn instem-
ming te geven, raadpleegt de groepstoezichthouder de
leden van het college van toezichthouders, waarbij hij
naar behoren rekening houdt met hun standpunten en
voorbehouden.
De instemming die overeenkomstig het eerste lid
door de groepstoezichthouder wordt gegeven, ontslaat
de betrokken dochterondernemingen niet van de ver-
plichting om ervoor te zorgen dat aan de vereisten van
artikel 91 is voldaan.
Art. 395
Les systèmes et les procédures de déclaration visés
aux articles 392 et 394 sont soumis au contrôle pruden-
tiel du contrôleur du groupe conformément à la Section
III du présent Chapitre.
§ 3 – Evaluation interne des risques et de la solvabilité
du groupe
Art. 396
L’entreprise d’assurance ou de réassurance parti-
cipante ou, lorsque le groupe n’est pas dirigé par une
entreprise d’assurance ou de réassurance, la société
holding d’assurance ou la compagnie financière mixte
procède au niveau du groupe à l’évaluation requise par
l’article 91.
Lorsque le calcul de solvabilité est mené au niveau
du groupe selon la première méthode de calcul défi-
nie aux articles 372 et 373, l’entreprise d’assurance
ou de réassurance participante, la société holding
d’assurance ou la compagnie financière mixte fournit
au contrôleur du groupe une analyse appropriée de la
différence entre la somme des différents montants de
capital de solvabilité requis pour toutes les entreprises
d’assurance ou de réassurance liées appartenant au
groupe et le capital de solvabilité requis pour le groupe
sur une base consolidée.
Art. 397
L’entreprise d’assurance ou de réassurance partici-
pante, la société holding d’assurance ou la compagnie
financière mixte peut, moyennant l’accord du contrôleur
du groupe, procéder en même temps à toutes les éva-
luations imposées conformément à l’article 91 au niveau
du groupe et au niveau de toute filiale du groupe et rédi-
ger un document unique couvrant toutes les évaluations.
Avant de donner l’accord prévu à l’alinéa 1er, le
contrôleur du groupe consulte les membres du collège
des contrôleurs et tient dûment compte de leurs avis et
de leurs réserves.
L’accord donné par le contrôleur du groupe conformé-
ment à l’alinéa 1er n’exempte pas les filiales concernées
de l’obligation de veiller au respect des exigences de
l’article 91.
1003
1584/002
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
In geval van toepassing van dit artikel, doet de deelne-
mende verzekerings- of herverzekeringsonderneming,
de verzekeringsholding of de gemengde financiële hol-
ding het enig document tegelijkertijd aan alle betrokken
toezichthouders toekomen.
Art. 398
De op groepsniveau uitgevoerde beoordeling van
het eigen risico en de solvabiliteit is overeenkomstig
Afdeling III van dit Hoofdstuk aan het prudentieel toezicht
van de groepstoezichthouder onderworpen.
Onderafdeling IV
Bekendmaking van informatie
§ 1– Verslag over de solvabiliteit en de financiële
positie van de groep
Art. 399
De deelnemende verzekerings- of herverzekerings-
onderneming of, indien aan het hoofd van de groep geen
verzekerings- of herverzekeringsonderneming staat, de
verzekeringsholding of de gemengde financiële holding
maakt jaarlijks een verslag over de solvabiliteit en de
financiële positie op het niveau van de groep openbaar.
Dit verslag bevat de informatie die krachtens
Verordening 2015/35 en de andere uitvoeringsmaat-
regelen van Richtlijn 2009/138/EG is vereist. Deze
informatie wordt integraal gepubliceerd of, mits de
groepstoezichthouder dit toestaat, onder verwijzing naar
informatie die qua aard en strekking gelijkwaardig is en
die in het kader van andere wettelijke of reglementaire
bepalingen gepubliceerd is.
Art. 400
§ 1. Bij belangrijke ontwikkelingen die duidelijk van
invloed zijn op de relevantie van de informatie die in
het verslag over de solvabiliteit en de financiële positie
van de groep is opgenomen, maakt de deelnemende
verzekerings- of herverzekeringsonderneming of, indien
aan het hoofd van de groep geen verzekerings- of her-
verzekeringsonderneming staat, de verzekeringsholding
of de gemengde financiële holding passende informatie
bekend over de aard en de gevolgen van die belangrijke
ontwikkelingen.
§ 2. Voor de toepassing van paragraaf 1 worden in
elk geval als belangrijke ontwikkelingen aangemerkt:
En cas d’application du présent article, l’entreprise
d’assurance ou de réassurance participante, la société
holding d’assurance ou la compagnie financière mixte
soumet le document unique simultanément à toutes les
autorités de contrôle concernées.
Art. 398
L’évaluation interne des risques et de la solvabilité
menée au niveau du groupe est soumise au contrôle
prudentiel du contrôleur du groupe conformément à la
Section III du présent Chapitre.
Sous-section IV
Informations à destination du public
§ 1er– Rapport sur la solvabilité et la situation finan-
cière du groupe
Art. 399
L’entreprise d’assurance ou de réassurance parti-
cipante ou, lorsque le groupe n’est pas dirigé par une
entreprise d’assurance ou de réassurance, la société
holding d’assurance ou la compagnie financières mixte
publie annuellement un rapport sur la solvabilité et la
situation financière au niveau du groupe.
Ce rapport comprend les informations exigées par
le Règlement 2015/35 et par les autres mesures d’exé-
cution de la Directive 2009/138/CE. Elles sont publiées
in extenso ou, moyennant l’autorisation du contrôleur
du groupe, par référence à des informations équiva-
lentes, dans leur nature et leur portée, publiées en vertu
d’autres dispositions légales ou réglementaires.
Art. 400
§ 1er. En cas d’événement majeur affectant significa-
tivement la pertinence des informations comprises dans
le rapport sur la solvabilité et la situation financière du
groupe, l’entreprise d’assurance ou de réassurance par-
ticipante ou, lorsque le groupe n’est pas dirigé par une
entreprise d’assurance ou de réassurance, la société
holding d’assurance ou la compagnie financière mixte
publient des informations appropriées sur la nature et
les effets dudit événement majeur.
§ 2. Aux fins du paragraphe 1er, sont au moins consi-
dérés comme un événement majeur l’observation d’un
1004
1584/002
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
een significante niet-naleving van het solvabiliteitskapi-
taalvereiste van de groep en het feit dat de groepstoe-
zichthouder binnen twee maanden na de datum waarop
de niet-naleving werd vastgesteld, geen realistisch
saneringsplan ontvangt.
In het in het eerste lid bedoelde geval maakt de onder-
neming onmiddellijk het tekortschietende bedrag bekend
en geeft zij daarbij uitleg over de oorzaak en de gevolgen
ervan, waarbij ook wordt vermeld welke corrigerende
maatregelen zijn getroffen. Wanneer ondanks een in
eerste instantie realistisch geacht saneringsplan, de
significante niet-naleving van het solvabiliteitskapitaal-
vereiste van de groep zes maanden na de vaststelling
ervan nog niet is verholpen, wordt het tekortschietende
bedrag aan het eind van deze periode bekendgemaakt
en wordt daarbij uitleg gegeven over de oorzaak en de
gevolgen ervan, waarbij ook wordt vermeld welke cor-
rigerende maatregelen zijn getroffen en welke verdere
corrigerende maatregelen zijn gepland.
Art. 401
Naast de al krachtens de artikelen 383 et 384 ver-
plicht bekend te maken informatie of uitleg over de
solvabiliteit en de financiële positie van de groep mag
de deelnemende verzekerings- of herverzekeringson-
derneming, of, indien aan het hoofd van de groep geen
verzekerings- of herverzekeringsonderneming staat, de
verzekeringsholding of de gemengde financiële holding
op eigen initiatief ook alle andere informatie en uitleg
hierover bekendmaken.
Art. 402
Onverminderd de artikelen 392 en 394 beschikt de
verzekerings- of herverzekeringsonderneming of, indien
aan het hoofd van de groep geen verzekerings- of her-
verzekeringsonderneming staat, de verzekeringsholding
of de gemengde financiële holding, over passende
structuren en systemen om aan de vereisten van de
artikelen 399 en 400 te voldoen, en over een schriftelijk
vastgelegd beleid dat waarborgt dat de overeenkomstig
de artikelen 399 en 400 bekendgemaakte informatie
altijd adequaat is.
Art. 403
De groepstoezichthouder kan toestaan dat een
deelnemende verzekerings- of herverzekeringsonder-
neming, een verzekeringsholding of een gemengde fi-
nanciële holding informatie als bedoeld in artikel 399 niet
bekendmaakt indien:
écart important par rapport au capital de solvabilité
requis du groupe et le fait que le contrôleur du groupe
n’obtient pas de programme réaliste de rétablissement
dans un délai de deux mois à compter de la date où
l’écart a été observé.
Dans le cas visé à l’alinéa 1er, l’entreprise publie
immédiatement le montant de l’écart constaté, assorti
d’une explication quant à son origine et ses consé-
quences et quant à toute mesure corrective qui aurait
été prise. Si, en dépit d’un programme de rétablissement
initialement considéré comme réaliste, un écart impor-
tant par rapport au capital de solvabilité requis du groupe
n’a pas été corrigé six mois après qu’il a été constaté,
le montant de cet écart est publié à l’expiration de ce
délai, avec une explication quant à son origine et ses
conséquences, y compris quant aux mesures correc-
tives prises et à toute nouvelle mesure corrective prévue.
Art. 401
L’entreprise d’assurance ou de réassurance parti-
cipante ou, lorsque le groupe n’est pas dirigé par une
entreprise d’assurance ou de réassurance, la société
holding d’assurance ou la compagnie financière mixte
peut publier à son initiative toute information ou expli-
cation relative à la solvabilité et à la situation financière
du groupe dont la publication n’est pas déjà exigée en
vertu des articles 383 et 384.
Art. 402
Sans préjudice des articles 392 et 394, l’entreprise
d’assurance ou de réassurance ou, lorsque le groupe
n’est pas dirigé par une entreprise d’assurance ou de
réassurance, la société holding d’assurance ou la com-
pagnie financière mixte met en place des structures et
des systèmes appropriés pour satisfaire aux exigences
énoncées aux articles 399 et 400, ainsi qu’une politique
écrite visant à garantir l’adéquation permanente de
toute information publiée conformément aux articles
399 et 400.
Art. 403
Le contrôleur du groupe peut autoriser une entre-
prise d’assurance ou de réassurance participante,
une société holding d’assurance ou une compagnie
financière mixte à ne pas publier une information visée
à l’article 399, dans les cas où:
1005
1584/002
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
1° door de bekendmaking van die informatie de
concurrenten van de betrokken onderneming duidelijk
onterecht worden bevoordeeld;
2° de onderneming wegens verplichtingen jegens de
verzekeringnemers of relaties met andere tegenpartijen,
een geheimhoudingsplicht heeft.
Wanneer de groepstoezichthouder heeft toegestaan
dat bepaalde informatie niet bekend wordt gemaakt,
vermeldt de verzekerings- of herverzekeringsonderne-
ming, de verzekeringsholding of de gemengde finan-
ciële holding dit in het verslag over de solvabiliteit en
de financiële positie van de groep, met opgave van de
redenen hiervoor.
Art. 404
De Bank kan de inhoud en de wijze van indiening van
de in deze Onderafdeling bedoelde informatie precise-
ren bij reglement vastgesteld met toepassing van artikel
12bis, § 2, van de wet van 22 februari 1998.
§ 2 – Enig verslag over de solvabiliteit en de finan-
ciële positie
Art. 405
Een deelnemende verzekerings- of herverzekerings-
onderneming, een verzekeringsholding of, indien aan
het hoofd van de groep geen verzekerings- of herver-
zekeringsonderneming staat, een gemengde financiële
holding kan, mits de groepstoezichthouder daarmee
instemt, één enkel verslag over haar solvabiliteit en haar
financiële positie verstrekken, dat het volgende bevat:
1° de informatie op het niveau van de groep die over-
eenkomstig artikel 399 openbaar moet worden gemaakt;
2° de informatie voor elk van de dochterondernemin-
gen binnen de groep, die individueel te identificeren
moet zijn en die naargelang van het geval overeen-
komstig de artikelen 95 tot 101 van deze wet of de
artikelen 51, 53, 54 en 55 van Richtlijn 2009/138/EG,
en overeenkomstig de uitvoeringsmaatregelen van deze
richtlijn openbaar moet worden gemaakt.
Alvorens overeenkomstig het eerste lid zijn instem-
ming te geven, raadpleegt de groeps-toezichthouder
de leden van het college van toezichthouders, waarbij
hij naar behoren rekening houdt met hun standpunten
en voorbehouden.
1° la publication de cette information conférerait aux
concurrents de l’entreprise concernée un avantage
indu important;
2° l’entreprise est tenue à une obligation de confi-
dentialité en raison d’obligations à l’égard des preneurs
d’assurance ou de relations avec d’autres contreparties.
Lorsque la non-publication d’une information est au-
torisée par le contrôleur du groupe, l’entreprise d’assu-
rance ou de réassurance participante, la société holding
d’assurance ou la compagnie financière l’indique dans
son rapport sur la solvabilité et la situation financière du
groupe et en explique les raisons.
Art. 404
La Banque peut préciser le contenu et les modalités
de présentation des informations prévues à la présente
Sous-section, par voie de règlement adopté en applica-
tion de l’article 12bis, § 2, de la loi du 22 février 1998.
§ 2 – Rapport unique sur la solvabilité et la situation
financière
Art. 405
Une entreprise d’assurance ou de réassurance parti-
cipante, une société holding d’assurance ou, lorsque le
groupe n’est pas dirigé par une entreprise d’assurance
ou de réassurance, une compagnie financière mixte
peut, moyennant l’accord du contrôleur du groupe,
publier un rapport unique sur sa solvabilité et sa situation
financière contenant les éléments suivants
1° les informations au niveau du groupe qui sont à
publier conformément à l’article 399;
2° les informations pour toute filiale du groupe qui
doivent être individuellement indentifiables et qui doivent
être publiées conformément, selon le cas, aux articles
95 à 101 de la présente loi ou aux articles 51, 53, 54 et
55 de la Directive 2009/138/CE, ainsi qu’aux mesures
d’exécution de cette directive.
Avant de donner l’accord prévu à l’alinéa 1er, le
contrôleur du groupe consulte les membres du collège
des contrôleurs et tient dûment compte de leurs avis
et réserves.
1006
1584/002
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
Art. 406
Indien het in artikel 405 bedoelde verslag niet de infor-
matie bevat die de Bank van een dochterverzekerings-
of herverzekeringsonderneming naar Belgisch recht
van de groep verlangt, en indien wezenlijke informatie
ontbreekt, kan de Bank van de betrokken dochteron-
derneming verlangen dat zij de nodige aanvullende
informatie openbaar maakt.
Afdeling III
Uitoefening van het groepstoezicht
Onderafdeling I
Aanwijzing van de groepstoezichthouder
Art. 407
§ 1. Onder de betrokken toezichthouders wordt één
enkele toezichthouder aangewezen die verantwoordelijk
is voor de coördinatie en uitoefening van het groeps-
toezicht, hierna de “groepstoezichthouder” genoemd.
§ 2. Het toezicht op het niveau van een verzekerings-
of herverzekeringsgroep wordt uitgeoefend door de
Bank wanneer zij de toezichthouder is van alle verze-
kerings- of herverzekeringsondernemingen in de groep.
In alle andere gevallen wordt, behoudens het bepaal-
de in artikel 408, de functie van groepstoezichthouder
als volgt uitgeoefend:
1° indien aan het hoofd van de groep een verzeke-
rings- of herverzekeringsonderneming naar Belgisch
recht staat, door de Bank;
2° indien aan het hoofd van een groep geen verze-
kerings- of herverzekeringsonderneming naar Belgisch
recht staat:
a) indien de moederonderneming van de verzeke-
rings- of herverzekeringsonderneming een verzeke-
ringsholding of een gemengde financiële holding is,
door de Bank;
b) indien meerdere verzekerings- of herverzeke-
ringsondernemingen in de Europese Economische
Ruimte, waaronder een verzekerings- of herverze-
keringsonderneming naar Belgisch recht, dezelfde
verzekeringsholding of gemengde financiële holding
als moederonderneming hebben en aan een van deze
ondernemingen een vergunning is verleend in de lidstaat
waar de verzekeringsholding of de gemengde financiële
Art. 406
Lorsque le rapport visé à l’article 405 ne contient
pas les informations que la Banque demande d’une
entreprise d’assurance ou de réassurance de droit belge
filiale du groupe, elle peut, si cette omission est subs-
tantielle, exiger que cette entreprise filiale concernée
publie les informations complémentaires nécessaires.
Section III
Exercice du contrôle du groupe
Sou-section Ire
Détermination du contrôleur du groupe
Art. 407
§ 1er. Un contrôleur unique, responsable de la coordi-
nation et de l’exercice du contrôle du groupe, dénommé
“contrôleur du groupe”, est désigné parmi les autorités
de contrôle concernées.
§ 2. Le contrôle au niveau d’un groupe d’assurance
ou de réassurance est exercé par la Banque lorsqu’elle
est l’autorité de contrôle de toutes les entreprises
d’assurance ou de réassurance du groupe.
Dans tous les autres cas et sous réserve de l’article
408, la tâche de contrôleur de groupe est exercée
comme suit:
1° dans le cas où le groupe est dirigé par une entre-
prise d’assurance ou de réassurance de droit belge,
par la Banque;
2° dans le cas où le groupe n’est pas dirigé par une
entreprise d’assurance ou de réassurance de droit
belge:
a) lorsque l’entreprise d’assurance ou de réas-
surance a pour entreprise mère une société holding
d’assurance ou une compagnie financière mixte, par
la Banque;
b) lorsque plusieurs entreprises d’assurance ou de
réassurance dans l’Espace économique européen,
dont une entreprise d’assurance ou de réassurance de
droit belge, ont pour entreprise mère la même société
holding d’assurance ou compagnie financière mixte et
que l’une de ces entreprises a été agréée dans l’État
membre dans lequel la société holding d’assurance ou
la compagnie financière mixte a son siège social, par
1007
1584/002
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
holding haar zetel heeft, door de toezichthouder van
de verzekerings- of herverzekeringsonderneming in
die lidstaat;
c) indien meerdere verzekeringsholdings of gemeng-
de financiële holdings met zetel in verschillende lidstaten
aan het hoofd van de groep staan en er in elk van deze
lidstaten, waaronder België, een verzekerings- of her-
verzekeringsonderneming is, door de toezichthouder
van de verzekerings- of herverzekeringsonderneming
met het hoogste balanstotaal;
d) indien meerdere verzekerings- of herverzekerings-
ondernemingen in de Europese Economische Ruimte,
waaronder België, dezelfde verzekeringsholding of
gemengde financiële holding als moederonderneming
hebben en aan geen van deze ondernemingen een
vergunning is verleend in de lidstaat waar de verzeke-
ringsholding of de gemengde financiële holding haar
zetel heeft, door de toezichthouder van de verzeke-
rings- of herverzekeringsonderneming met het hoogste
balanstotaal; of
e) indien de groep een groep is zonder moederonder-
neming, of in elk geval dat niet bedoeld is in de punten a)
tot d), door de toezichthouder die een vergunning heeft
verleend aan de verzekerings- of herverzekeringsonder-
neming met het hoogste balanstotaal.
Art. 408
§ 1. In bijzondere gevallen kunnen de Bank en de
betrokken toezichthouders gezamenlijk besluiten om af
te wijken van de criteria van artikel 407 indien de toepas-
sing ervan, gelet op de structuur van de groep en het
relatieve belang van de activiteiten van de verzekerings-
of herverzekeringsondernemingen in de verschillende
landen, ongepast zou zijn, en een andere toezichthouder
als groepstoezichthouder aanwijzen.
De Bank kan verzoeken om een discussie te openen
over de vraag of de in artikel 407 bedoelde criteria ge-
past zijn. Een dergelijke discussie vindt niet vaker dan
eenmaal per jaar plaats, op initiatief van de Bank of van
de betrokken toezichthouder.
De Bank doet alles wat in haar vermogen ligt om
binnen drie maanden na het verzoek om opening van
een discussie, met de betrokken toezichthouders een
gezamenlijk besluit over de keuze van de groepstoe-
zichthouder te nemen. Alvorens hun besluit te nemen,
bieden de Bank en de betrokken toezichthouders de
groep de gelegenheid haar standpunt kenbaar te maken.
l’autorité de contrôle de l’entreprise d’assurance ou de
réassurance dans cet État membre;
c) lorsque le groupe est dirigé par plusieurs sociétés
holding d’assurance ou compagnies financières mixtes
ayant leur siège social dans différents États membres, et
qu’il y a une entreprise d’assurance ou de réassurance
dans chacun de ces États membres, dont la Belgique,
par l’autorité de contrôle de l’entreprise d’assurance ou
de réassurance affichant le total du bilan le plus élevé;
d) lorsque plusieurs entreprises d’assurance ou de
réassurance dans l’Espace économique européen, dont
la Belgique, ont pour entreprise mère la même société
holding d’assurance ou compagnie financière mixte et
qu’aucune de ces entreprises n’a été agréée dans l’État
membre dans lequel la société holding d’assurance
ou compagnie financière mixte a son siège social, par
l’autorité de contrôle de l’entreprise d’assurance ou de
réassurance affichant le total du bilan le plus élevé; ou
e) lorsque le groupe n’a pas d’entreprise mère, ou
dans des circonstances qui ne sont pas visées aux
points a) à d), par l’autorité de contrôle qui a agréé
l’entreprise d’assurance ou de réassurance affichant
le total du bilan le plus élevé.
Art. 408
§ 1er. Dans des cas particuliers, la Banque et les
autorités de contrôle concernées peuvent prendre
conjointement la décision de déroger aux critères men-
tionnés à l’article 407 lorsqu’il apparaît inapproprié de
les appliquer compte tenu de la structure du groupe et
de l’importance relative des activités des entreprises
d’assurance ou de réassurance dans les différents
pays, et désigner une autre autorité de contrôle comme
contrôleur du groupe.
La Banque peut exiger l’ouverture d’une discussion
quant au point de savoir si les critères visés à l’article
407 sont appropriés. Ce type de discussion, à l’initiative
de la Banque ou d’une autorité de contrôle concernée,
a lieu au maximum une fois par an.
La Banque fait tout ce qui est en son pouvoir pour par-
venir, avec les autorités de contrôle concernées, à une
décision conjointe sur le choix du contrôleur du groupe
au plus tard trois mois après la demande d’ouverture
de la discussion. Avant de prendre leur décision, la
Banque et les autorités de contrôle concernées donnent
au groupe la possibilité d’exprimer son avis.
1008
1584/002
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
Indien de Bank met toepassing van deze paragraaf
als groepstoezichthouder is aangewezen, legt zij het ge-
zamenlijk besluit met volledige opgave van de redenen
waarop het is gebaseerd, voor aan de groep.
§ 2. Tijdens de in paragraaf 1, derde lid bedoelde ter-
mijn van drie maanden, en zolang er geen gezamenlijk
besluit is genomen, kan de Bank de zaak aan EIOPA
voorleggen overeenkomstig artikel 19 van Verordening
nr. 1094/2010.
In geval van toepassing van het eerste lid schorten de
Bank en de betrokken toezichthouders hun gezamenlijk
besluit op en wachten zij het besluit af dat EIOPA even-
tueel overeenkomstig artikel 19, lid 3, van Verordening
nr. 1094/2010 neemt. De in paragraaf 1, derde lid be-
doelde termijn van drie maanden wordt beschouwd als
de verzoeningsperiode in de zin van artikel 19, lid 2, van
Verordening nr. 1094/2010.
De Bank en de betrokken toezichthouders nemen
hun gezamenlijk besluit in overeenstemming met het
besluit van EIOPA. Dit gezamenlijk besluit wordt als
definitief erkend en wordt door de Bank en de betrokken
toezichthouders toegepast.
Indien de Bank met toepassing van deze paragraaf
als groepstoezichthouder is aangewezen, legt zij het ge-
zamenlijk besluit met volledige opgave van de redenen
waarop het is gebaseerd, voor aan de groep en aan het
college van toezichthouders.
§ 3. Indien er met toepassing van dit artikel geen
gezamenlijk besluit is genomen, wordt de functie van
groepstoezichthouder uitgeoefend door de toezichthou-
der die overeenkomstig artikel 407 is bepaald.
Onderafdeling II
Rechten en plichten van de groepstoezichthouder
en van de betrokken toezichthouders – College van
toezichthouders
Art. 409
§ 1. Onverminderd de andere bevoegdheden en
taken die haar door of krachtens deze wet en door de
uitvoeringsmaatregelen van Richtlijn 2009/138/EG zijn
opgelegd, verricht de Bank, in haar hoedanigheid van
groepstoezichthouder, de volgende taken:
1° zij coördineert de vergaring en verspreiding van
informatie die relevant of essentieel is in normale om-
standigheden en in noodsituaties, met inbegrip van de
Si la Banque est désignée contrôleur du groupe par
application du présent paragraphe, elle communique
au groupe la décision conjointe avec sa motivation
complète.
§ 2. Pendant le délai de trois mois visé au para-
graphe 1er, alinéa 3, et aussi longtemps qu’une déci-
sion commune n’a pas été prise, la Banque peut saisir
l’EIOPA conformément à l’article 19 du Règlement
no 1094/2010.
En cas d’application de l’alinéa 1er, la Banque et les
autorités de contrôle concernées diffèrent leur décision
conjointe en attendant une éventuelle décision de l’EIO-
PA arrêtée conformément à l’article 19, paragraphe 3,
du Règlement no 1094/2010. Le délai de trois mois visé
au paragraphe 1er, alinéa 3, est le délai de conciliation
au sens de l’article 19, paragraphe 2 du Règlement
no 1094/2010.
La Banque et les autorités de contrôle concernées
arrêtent leur propre décision conjointe en se conformant
à la décision de l’EIOPA. Cette décision conjointe est
considérée comme déterminante et est appliquée par la
Banque et les autorités de contrôle concernées.
Si la Banque est désignée contrôleur du groupe par
application du présent paragraphe, elle communique
au groupe et au collège des contrôleurs la décision
commune avec sa motivation complète.
§ 3. Si aucune décision conjointe n’a été prise en
application du présent article, la tâche du contrôleur
du groupe est exercée par l’autorité de contrôle définie
conformément à l’article 407.
Sous-section II
Droits et obligations du contrôleur du groupe et des
autorités de contrôle concernées – Collège des contrôleurs
Art. 409
§ 1er. Sans préjudice des autres compétences et
tâches qui lui sont dévolues par ou en vertu de la pré-
sente loi ainsi que par les mesures d’exécution de la
Directive 2009/138/CE, la Banque assure, en sa qualité
de contrôleur du groupe, les tâches suivantes:
1° elle coordonne la collecte et la diffusion des infor-
mations utiles ou essentielles, dans la marche normale
des affaires comme dans les situations d’urgence, y
1009
1584/002
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
verspreiding van informatie die van belang is voor het
toezicht door een betrokken toezichthouder;
2° zij oefent het prudentieel toezicht uit op en beoor-
deelt de financiële positie van de groep;
3° zij beoordeelt de naleving door de groep van de
voorschriften inzake solvabiliteit, risicoconcentratie en
intragroeptransacties, die door of krachtens Afdeling II
van dit Hoofdstuk en door de uitvoeringsmaatregelen
van Richtlijn 2009/138/EG zijn opgelegd;
4° zij beoordeelt het governancesysteem van de
groep, overeenkomstig Onderafdeling III van Afdeling II
van dit Hoofdstuk, en de vraag of de leden van het wet-
telijk bestuursorgaan, het directiecomité of, in voorko-
mend geval, de effectieve leiding van de deelnemende
onderneming naar Belgisch recht aan de vereisten van
de artikelen 40, 81 en 443, eerste lid voldoen;
5° zij plant en coördineert, aan de hand van regel-
matige bijeenkomsten die minstens eenmaal per jaar
plaatsvinden, of aan de hand van andere passende
middelen, de toezichtsactiviteiten in normale omstan-
digheden en in noodsituaties, in samenwerking met de
betrokken toezichthouders en rekening houdend met
de aard, de omvang en de complexiteit van de risico’s
die verbonden zijn aan de activiteiten van alle onderne-
mingen die deel uitmaken van de groep;
6° zij voert de andere taken uit en neemt de andere
maatregelen en besluiten die door of krachtens deze
wet en door de uitvoeringsmaatregelen van Richtlijn
2009/138/EG aan de groepstoezichthouder zijn toege-
wezen, met name het leiden van het validatieproces
van een intern model op groepsniveau overeenkomstig
de artikelen 374 en 377 tot 380 en het leiden van het
proces voor het toestaan van de toepassing van de in
de artikelen 383 tot 387 vastgelegde regeling.
§ 2. Wanneer een betrokken toezichthouder niet
samenwerkt met de Bank, in haar hoedanigheid van
groepstoezichthouder, in de mate die voor de uitvoering
van de in paragraaf 1 bedoelde taken wordt vereist,
kan de Bank de zaak aan EIOPA voorleggen en om
haar bijstand verzoeken overeenkomstig artikel 19 van
Verordening nr. 1094/2010.
Art. 410
Om de uitvoering van de groepstoezichtstaken als be-
doeld in artikel 409 te vergemakkelijken, richt de Bank,
in haar hoedanigheid van groepstoezichthouder, een
door haar voorgezeten college van toezichthouders op.
compris la diffusion des informations importantes pour le
contrôle exercé par une autorité de contrôle concernée;
2° elle assure le contrôle prudentiel et l’évaluation de
la situation financière du groupe;
3° elle évalue le respect, par le groupe, des règles
relatives à la solvabilité, à la concentration de risques
et aux transactions intragroupe prévues par ou en vertu
de la Section II du présent Chapitre ainsi que par les
mesures d’exécution de la Directive 2009/138/CE;
4° elle évalue le système de gouvernance du groupe,
conformément à la Sous-Section III de la Section II du
présent Chapitre, ainsi que le respect, par les membres
de l’organe légal d’administration, du comité de direc-
tion ou, le cas échéant, de la direction effective de
l’entreprise participante de droit belge, des exigences
énoncées aux articles 40, 81 et 443, alinéa 1er;
5° elle planifie et coordonne, par des réunions régu-
lières se tenant au moins une fois l’an ou par tout autre
moyen approprié, les activités de contrôle, dans la
marche normale des affaires comme dans les situations
d’urgence, en coopération avec les autorités de contrôle
concernées, en tenant compte de la nature, de l’ampleur
et de la complexité des risques inhérents à l’activité de
toutes les entreprises faisant partie du groupe;
6° elle effectue les autres tâches et prend les autres
mesures et décisions incombant au contrôleur du
groupe par ou en vertu de la présente loi ainsi que par
les mesures d’exécution de la Directive 2009/138/CE,
notamment mener le processus de validation de tout
modèle interne au niveau du groupe conformément
aux articles 374 et 377 à 380 et mener le processus
conduisant à autoriser l’application du régime prévu
par les articles 383 à 387.
§ 2. Lorsqu’une autorité de contrôle concernée ne
coopère pas avec la Banque, en sa qualité de contrôleur
du groupe, dans la mesure exigée aux fins de l’exécution
des tâches visées au paragraphe 1er, la Banque peut
saisir l’EIOPA et demander son assistance conformé-
ment à l’article 19 du Règlement n° 1094/2010.
Art. 410
Afin de faciliter l’exercice des tâches de contrôle du
groupe visées à l’article 409, la Banque, en sa qua-
lité de contrôleur du groupe, constitue un collège des
contrôleurs qu’elle préside.
1010
1584/002
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
Dit college van toezichthouders zorgt ervoor dat
de samenwerking, de informatie-uitwisseling en de
onderlinge raadpleging tussen de toezichthouders die
lid zijn van het college van toezichthouders verlopen
overeenkomstig de bepalingen van Titel III van Richtlijn
2009/138/EG en haar uitvoeringsmaatregelen, teneinde
de convergentie van hun besluiten en activiteiten te
bevorderen.
Art. 411
Het college van toezichthouders is samengesteld uit:
1° de Bank, in haar hoedanigheid van
groepstoezichthouder;
2° de betrokken toezichthouders;
3° EIOPA, overeenkomstig artikel 21 van Verordening
nr. 1094/2010;
4° op de voorwaarden die door de uitvoeringsmaat-
regelen van Richtlijn 2009/138/EG zijn vastgelegd, de
toezichthouders die belast zijn met het toezicht op een
belangrijk bijkantoor of een verbonden onderneming in
de groep, met dien verstande dat hun deelname zich
beperkt tot het doel van een efficiënte uitwisseling van
informatie tussen toezichthouders.
EIOPA wordt voor de toepassing van deze
Onderafdeling als een betrokken toezichthouder
beschouwd.
Met het oog op de doeltreffende werking van het col-
lege van toezichthouders kan het nodig zijn dat bepaalde
activiteiten door een beperkt aantal toezichthouders van
het college worden uitgevoerd.
Art. 412
Onverminderd de bepalingen die door of krachtens
deze wet en de uitvoeringsmaatregelen van Richtlijn
2009/138/EG zijn vastgelegd, stoelt de oprichting
en werking van het college van toezichthouders op
coördinatieafspraken tussen de Bank, in haar hoeda-
nigheid van groepstoezichthouder, en de betrokken
toezichthouders.
Onverminderd de bepalingen die door of krachtens
deze wet en de uitvoeringsmaatregelen van Richtlijn
2009/138/EG zijn vastgelegd, worden in de in het eer-
ste lid bedoelde coördinatieafspraken de procedures
gespecificeerd voor:
Dans le but de promouvoir la convergence de
leurs activités et décisions respectives, le collège des
contrôleurs veille à ce que la coopération, les échanges
d’informations et les consultations entre les autorités
de contrôle membres du collège des contrôleurs se
déroulent conformément aux dispositions du Titre III
de la Directive 2009/138/CE ainsi qu’à ses mesures
d’exécution.
Art. 411
Le collège des contrôleurs est composé:
1° de la Banque, en sa qualité de contrôleur du
groupe;
2° des autorités de contrôle concernées;
3° de l’EIOPA conformément à l’article 21 du
Règlement n° 1094/2010;
4° dans les conditions définies par les mesures
d’exécution de la Directive 2009/138/CE, les autorités de
contrôle chargées du contrôle d’une succursale impor-
tante ou d’une entreprise liée au sein du groupe, étant
entendu que leur participation se limite à la réalisation
de l’objectif consistant à assurer un échange efficace
des informations entre autorités de contrôle.
L’EIOPA est considérée comme une autorité de
contrôle concernée pour l’application de la présente
Sous-section.
Le bon fonctionnement du collège des contrôleurs
peut exiger que certaines activités soient menées par un
nombre réduit d’autorités de contrôle au sein de celui-ci.
Art. 412
Sans préjudice des dispositions prévues par ou en
vertu de la présente loi et des mesures d’exécution de
la Directive 2009/138/CE, la création et le fonctionne-
ment du collège des contrôleurs sont basés sur des
accords de coordination conclus par la Banque, en
sa qualité de contrôleur du groupe, et les autorités de
contrôle concernées.
Sans préjudice des dispositions prévues par ou en
vertu de la présente loi et des mesures d’exécution de
la Directive 2009/138/CE, les accords de coordination
visés à l’alinéa 1er précisent les procédures à suivre:
1011
1584/002
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
1° het besluitvormingsproces tussen de Bank, in haar
hoedanigheid van groepstoezichthouder, en de betrok-
ken toezichthouders, overeenkomstig de artikelen 374,
376, 407 en 408;
2° het overleg uit hoofde van de artikelen 359 en 413;
3° het overleg tussen de Bank, in haar hoedanigheid
van groepstoezichthouder, en de betrokken toezicht-
houders, met name als in de gevallen bedoeld in de
artikelen 343 tot 357, 360 tot 362, 368, 369, 388 tot 406,
421, 445 tot 448;
4° de samenwerking met andere toezichthouders dan
de betrokken toezichthouders.
Onverminderd de rechten en plichten die door of
krachtens deze wet en door de uitvoeringsmaatregelen
van Richtlijn 2009/138/EG zijn vastgelegd voor de Bank,
in haar hoedanigheid van groepstoezichthouder, en voor
de betrokken toezichthouders, kunnen in de coördina-
tieafspraken nog andere taken worden toevertrouwd
aan de Bank, in haar hoedanigheid van groepstoezicht-
houder, of aan andere toezichthouders of aan EIOPA,
ingeval dit leidt tot een efficiënter toezicht op de groep
en het geen afbreuk doet aan de toezichtsactiviteiten
van de leden van het college van toezichthouders ten
opzichte van hun individuele verantwoordelijkheden.
Art. 413
Wanneer een betrokken toezichthouder de zaak heeft
voorgelegd aan EIOPA met toepassing van artikel 248,
lid 4, tweede alinea van Richtlijn 2009/138/EG, neemt
de Bank, in haar hoedanigheid van groepstoezichtouder,
haar definitieve besluit over het meningsverschil over
een met toepassing van artikel 412 gemaakte coördi-
natieafspraak, binnen een termijn van twee maanden
na de ontvangst van het advies van EIOPA. Zij neemt
haar definitieve besluit in overeenstemming met het
eventuele besluit van EIOPA. Zij bezorgt haar besluit
aan de betrokken toezichthouders.
Art. 414
In haar hoedanigheid van groepstoezichthouder
belegt de Bank ten minste in de volgende geval-
len onverwijld een vergadering van alle betrokken
toezichthouders:
1° wanneer zij kennis heeft dat in belangrijke
mate wordt afgeweken van het solvabiliteitskapi-
taalvereiste of niet langer wordt voldaan aan het
1° par la Banque, en sa qualité de contrôleur du
groupe, et les autorités de contrôle concernées pour
prendre les décisions visées aux articles 374, 376,
407 et 408;
2° pour la consultation requise par les articles 359 et
413;
3° pour la consultation entre la Banque, en sa
qualité de contrôleur du groupe, et les autorités de
contrôle concernées, notamment dans les cas visés
aux articles 343 à 357, 360 à 362, 368, 369, 388 à 406,
421, 445 à 448;
4° en matière de coopération avec d’autres autorités
de contrôle que les autorités de contrôle concernées.
Sans préjudice des droits et devoirs conférés à la
Banque, en sa qualité de contrôleur du groupe, et aux
autorités de contrôle concernées, par ou en vertu de
la présente loi et par les mesures d’exécution de la
Directive 2009/138/CE, les accords de coordination
peuvent confier des tâches supplémentaires à la
Banque, en sa qualité de contrôleur du groupe, ou à
d’autres autorités de contrôle ou à l’EIOPA lorsqu’il en
résulte un contrôle plus efficace du groupe et pour autant
que les activités de contrôle des membres du collège
des contrôleurs, pour ce qui relève de leur responsabilité
individuelle, ne s’en trouvent pas entravées.
Art. 413
Lorsqu’une autorité de contrôle concerné a saisi
l’EIOPA en application de l’article 248, paragraphe 4,
alinéa 2 de la Directive 2009/138/CE, la Banque, en
sa qualité de contrôleur du groupe, arrête sa décision
finale sur la divergence de vues concernant un accord
de coordination conclu en application de l’article 412,
dans un délai de deux mois à compter de la réception
de l’avis de l’EIOPA. Elle prend sa décision finale en se
conformant à la décision de l’EIOPA. Elle transmet sa
décision aux autorités de contrôle concernées.
Art. 414
La Banque, en sa qualité de contrôleur du groupe,
convoque immédiatement une réunion de toutes les
autorités de contrôle concernées au moins dans les
circonstances suivantes:
1° lorsqu’elle a connaissance de l’existence d’une
violation sérieuse de l’exigence relative au capital
de solvabilité requis ou d’une violation de l’exigence
1012
1584/002
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
minimumkapitaalvereiste van een verzekerings- of
herverzekeringsonderneming die onder het toezicht op
groepsniveau valt;
2° wanneer zij vaststelt dat in belangrijke mate wordt
afgeweken van het op basis van geconsolideerde gege-
vens berekende solvabiliteitskapitaalvereiste op groeps-
niveau of van het geaggregeerde solvabiliteitskapitaal-
vereiste van de groep, naargelang van de methode die
overeenkomstig de artikelen 372 tot 380 wordt gebruikt;
3° wanneer zij kennis heeft van andere uitzonderlijke
omstandigheden.
Art. 415
De Bank verstrekt in haar hoedanigheid van groeps-
toezichthouder informatie aan EIOPA die van belang is
voor de evaluatie van de werking van de colleges van
toezichthouders, die EIOPA uitvoert overeenkomstig
artikel 248, lid 6 van Richtlijn 2009/138/EG. Zij verstrekt
ook informatie over de in het kader van deze werking
gerezen moeilijkheden.
Art. 416
§ 1. De Bank neemt in haar hoedanigheid van be-
trokken toezichthouder deel aan het college van toe-
zichthouders dat overeenkomstig artikel 248, lid 2 van
Richtlijn 2009/138/EG is opgericht door een toezicht-
houder van een andere lidstaat in zijn hoedanigheid
van groepstoezichthouder.
Zij werkt samen met de groepstoezichthouder, in de
mate die vereist is voor de uitvoering van de taken die
hem met toepassing van artikel 248, lid 1 van Richtlijn
2009/138/EG en haar uitvoeringsmaatregelen zijn opge-
legd. Wanneer de groepstoezichthouder de voornoemde
taken niet vervult, kan de Bank de zaak aan EIOPA voor-
leggen en om haar bijstand verzoeken overeenkomstig
artikel 19 van Verordening nr. 1094/2010.
Bij verschil van mening met de groepstoezichthouder
of een andere betrokken toezichthouder over de coör-
dinatieafspraak over de oprichting en de werking van
het college van toezichthouders waaraan zij deelneemt,
kan de Bank, in haar hoedanigheid van betrokken
toezichthouder, de zaak voorleggen aan EIOPA en om
haar bijstand verzoeken overeenkomstig artikel 19 van
Verordening nr. 1094/2010.
Bovendien kan de Bank, in haar hoedanigheid van
toezichthouder belast met het toezicht op een belangrijk
bijkantoor of op een verbonden onderneming van de
relative au minimum de capital requis, dans le chef d’une
entreprise d’assurance ou de réassurance incluse dans
le contrôle au niveau du groupe;
2° lorsqu’elle constate un écart important par rapport
au capital de solvabilité requis au niveau du groupe, cal-
culé sur la base des données consolidées, ou au capital
de solvabilité requis du groupe sur une base agrégée,
selon la méthode de calcul appliquée conformément
aux articles 372 à 380;
3° lorsqu’elle a connaissance de toute autre circons-
tance exceptionnelle.
Art. 415
La Banque, en sa qualité de contrôleur du groupe,
transmet à l’EIOPA les informations pertinentes pour
l’examen du fonctionnement des collèges des contrô-
leurs, auquel l’EIOPA procède conformément à l’article
248, paragraphe 6 de la Directive 2009/138/CE. Elle
transmet également des informations sur les difficultés
rencontrées dans ce fonctionnement.
Art. 416
§ 1er. La Banque, en sa qualité d’autorité de contrôle
concernée, participe au collège des contrôleurs consti-
tué, conformément à l’article 248, paragraphe 2 de la
Directive 2009/138/CE, par une autorité de contrôle d’un
autre État membre en qualité de contrôleur du groupe.
Elle coopère avec le contrôleur du groupe dans la
mesure exigée aux fins de l’exécution des tâches qui
incombent à celui-ci en application de l’article 248,
paragraphe 1er de la Directive 2009/138/CE et de ses
mesures d’exécution. Lorsque le contrôleur du groupe
ne s’acquitte pas des tâches précitées, la Banque peut
saisir l’EIOPA et demander son assistance conformé-
ment à l’article 19 du Règlement n° 1094/2010.
En cas de divergence de vues avec le contrôleur
du groupe ou une autre autorité de contrôle concer-
née concernant l’accord de coordination régissant la
création et le fonctionnement du collège de contrô-
leurs auquel elle participe, la Banque, en sa qualité
d’autorité de contrôle concernée, peut saisir l’EIOPA et
solliciter son assistance conformément à l’article 19 du
Règlement n° 1094/2010.
En outre, la Banque, en sa qualité d’autorité de
contrôle chargée du contrôle d’une succursale impor-
tante ou d’une entreprise liée au sein du groupe peut,
1013
1584/002
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
groep, op de voorwaarden vastgelegd in de uitvoerings-
maatregelen van Richtlijn 2009/138/EG, deelnemen aan
het college van toezichthouders dat is opgericht om het
toezicht op het niveau van de genoemde groep te verge-
makkelijken. In dat geval beperkt haar deelneming zich
tot het doel van een efficiënte uitwisseling van informatie
tussen toezichthouders.
§ 2. De Bank belegt ten minste in de volgende ge-
vallen onverwijld een vergadering van het college van
toezichthouders:
1° wanneer zij vaststelt dat in belangrijke mate wordt
afgeweken van het solvabiliteitskapitaalvereiste of niet
langer wordt voldaan aan het minimumkapitaalvereiste
van een verzekerings- of herverzekeringsonderneming
naar Belgisch recht die onder het toezicht op groeps-
niveau valt;
2° wanneer zij kennis heeft van andere uitzonderlijke
omstandigheden.
Onderafdeling III
Samenwerking en uitwisseling van informatie tussen
toezichthouders
Art. 417
De Bank werkt zowel in haar hoedanigheid van
groepstoezichthouder als van betrokken toezichthouder
nauw samen met de toezichthouders van de verze-
kerings- of herverzekeringsondernemingen die deel
uitmaken van verzekerings- of herverzekeringsgroep,
met name in gevallen waarin een verzekerings- of her-
verzekeringsonderneming met financiële moeilijkheden
wordt geconfronteerd.
Zij kan op eigen initiatief of op verzoek vertrouwelijke
informatie meedelen aan deze toezichthouders of hen
vragen haar relevante informatie mee te delen, wanneer
deze informatie van belang is om de uitoefening van de
toezichtstaken die aan haar of aan deze toezichthou-
ders zijn opgelegd krachtens Richtlijn 2009/138/EG
of haar uitvoeringsmaatregelen, mogelijk te maken of
te vergemakkelijken. De in dit lid bedoelde informatie
omvat onder meer informatie over het optreden van de
groep en de toezichthouders, en informatie die door de
groep is verstrekt.
Indien een in het eerste lid bedoelde toezichthouder
nalaat relevante informatie mee te delen of indien een
verzoek tot samenwerking van de Bank, en met name
om relevante informatie uit te wisselen, is afgewezen of
niet binnen twee weken gevolg heeft gekregen, kan de
dans les conditions définies par les mesures d’exécution
de la Directive 2009/138/CE, participer au collège des
contrôleurs mis en place pour faciliter le contrôle au
niveau dudit groupe. Dans ce cas, sa participation se
limite à la réalisation de l’objectif consistant à assurer
un échange efficace des informations entre autorités
de contrôle.
§ 2. La Banque convoque immédiatement une
réunion du collège des contrôleurs au moins dans les
circonstances suivantes:
1° lorsqu’elle a connaissance de l’existence d’une
violation sérieuse de l’exigence relative au capital de
solvabilité requis ou d’une violation de l’exigence rela-
tive au minimum de capital requis, dans le chef d’une
entreprise d’assurance ou de réassurance de droit belge
incluse dans le contrôle au niveau du groupe;
2° lorsque qu’elle a connaissance de toute autre
circonstance exceptionnelle.
Sous-section III
Coopération et échange d’informations entre les autorités
de contrôle
Art. 417
La Banque, que ce soit en sa qualité de contrôleur
du groupe ou d’autorité de contrôle concernée, coo-
père étroitement avec les autorités de contrôle des
entreprises d’assurance ou de réassurance faisant
partie d’un groupe d’assurance ou de réassurance, en
particulier dans les cas où une entreprise d’assurance
ou de réassurance connaît des difficultés financières.
Elle peut communiquer, d’initiative ou sur demande,
ou demander à ces autorités de contrôle des informa-
tions pertinentes lorsque celles-ci sont pertinentes pour
permettre et faciliter l’exercice des tâches de contrôle
qui lui sont confiées ou à ces autorités en vertu de la
Directive 2009/138/CE ou ses mesures d’exécution.
Les informations visées au présent alinéa comprennent,
sans s’y limiter, les informations concernant des actions
du groupe et des autorités de contrôle, ainsi que les
informations fournies par le groupe.
Si une autorité de contrôle visée à l’alinéa 1er omet de
communiquer des informations pertinentes, ou si une
demande de coopération de la Banque, en particulier
d’échange d’informations pertinentes, est rejetée ou
n’est pas suivie d’effet dans un délai de deux semaines,
1014
1584/002
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
Bank de zaak aan EIOPA voorleggen overeenkomstig
artikel 19 van Verordening nr. 1094/2010.
Art. 418
In haar hoedanigheid van groepstoezichthouder
verschaft de Bank aan de betrokken toezichthouders
en aan EIOPA informatie over de verzekerings- of her-
verzekeringsgroep, overeenkomstig de artikelen 95 en
96 en Onderafdeling V van deze Afdeling, inzonderheid
over de juridische structuur, het governancesysteem en
de organisatiestructuur van de groep.
Art. 419
Wanneer de Bank niet de groepstoezichthouder is
die met toepassing van artikel 407 is aangewezen, kan
de groepstoezichthouder haar verzoeken om van een
moederonderneming naar Belgisch recht alle informatie
te vragen die relevant is voor de uitoefening door de
groepstoezichthouder van zijn coördinatierechten en
-plichten als omschreven in Richtlijn 2009/138/EG en
haar uitvoeringsmaatregelen, en die informatie aan
hem door te geven.
Wanneer de Bank overeenkomstig artikel 407 de
groepstoezichthouder is en de moederonderneming
haar zetel in een andere lidstaat dan België heeft, kan de
Bank de toezichthouder van die lidstaat verzoeken om
van die moederonderneming alle informatie te vragen
die relevant is voor de uitoefening van haar coördina-
tierechten en -plichten als omschreven in deze wet,
Richtlijn 2009/138/EG en haar uitvoeringsmaatregelen,
en die informatie aan haar door te geven.
Art. 420
Wanneer een verzekerings- of herverzekeringsonder-
neming naar Belgisch recht en hetzij een kredietinstel-
ling, hetzij een beleggingsonderneming, hetzij beide,
rechtstreeks of onrechtstreeks verbonden zijn, dan wel
een gemeenschappelijke deelnemende onderneming
hebben, werkt de Bank nauw samen met de toezichthou-
ders van die kredietinstelling of beleggingsonderneming.
Onverminderd hun respectieve bevoegdheden kan
de Bank, op eigen initiatief of op verzoek, alle informatie
die de uitoefening van hun respectieve taken mogelijk
kan maken en kan vergemakkelijken en die het mogelijk
maakt toezicht uit te oefenen op de activiteiten en de
financiële positie van alle ondernemingen die aan hun
toezicht zijn onderworpen, meedelen of deze toezicht-
houders vragen haar dergelijke informatie mee te delen.
la Banque peut saisir l’EIOPA conformément à l’ar-
ticle 19 du Règlement n° 1094/2010.
Art. 418
La Banque, en sa qualité de contrôleur du groupe,
transmet aux autorités de contrôle concernées et
à l’EIOPA les informations concernant le groupe
d’assurance ou de réassurance, conformément aux
articles 95 et 96 et à la Sous-section V de la présente
Section, en particulier sur sa structure juridique, son sys-
tème de gouvernance et sa structure organisationnelle.
Art. 419
Lorsque la Banque n’est pas le contrôleur du groupe
désigné en application de l’article 407, elle peut être
invitée, par le contrôleur du groupe, à demander à une
entreprise mère de droit belge toute information utile
pour l’exercice par le contrôleur du groupe de ses droits
et obligations de coordination définis par la Directive
2009/138/CE et à ses mesures d’exécution, et à la lui
transmettre.
Lorsque la Banque est le contrôleur du groupe
conformément à l’article 407 et que l’entreprise mère
a son siège social dans un État membre autre que la
Belgique, la Banque peut inviter l’autorité de contrôle
de cet État membre à demander à cette entreprise mère
toute information utile pour l’exercice de ses droits et
obligations de coordination définis par la présent loi, la
Directive 2009/138/CE et à ses mesures d’exécution,
et à la lui transmettre.
Art. 420
Lorsqu’une entreprise d’assurance ou de réas-
surance de droit belge et un établissement de crédit
ou une entreprise d’investissement ou les deux, sont
directement ou indirectement liés ou ont une entreprise
participante commune, la Banque collabore étroitement
avec les autorités de contrôle de cet établissement de
crédit ou entreprise d’investissement.
Sans préjudice de leurs compétences respectives, la
Banque peut communiquer, d’initiative ou sur demande,
ou demander à ces autorités toutes les informations
susceptibles de permettre et faciliter l’exercice de leurs
tâches respectives et de permettre la surveillance de
l’activité et de la situation financière de l’ensemble des
entreprises soumises à leur surveillance.
1015
1584/002
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
Onderafdeling IV
Overleg tussen toezichthouders
Art. 421
Onverminderd Onderafdeling III van deze Afdeling
pleegt de Bank in het college van toezichthouders
overleg met de toezichthouders van de verzekerings- of
herverzekeringsondernemingen die onder het toezicht
op groepsniveau vallen, voordat zij een besluit neemt
over de volgende aangelegenheden:
1° veranderingen in het aandeelhouderschap, de
organisatie of de beleidsstructuur van een verzeke-
rings- of herverzekeringsonderneming die goedkeuring
of machtiging door de Bank vereisen; en
2° de verlenging van de herstelperiode overeenkom-
stig artikel 510;
3° de belangrijkste sancties en buitengewone maat-
regelen die door de Bank zijn getroffen, zoals onder
meer het toepassen van een opslagfactor op het solva-
biliteitskapitaalvereiste op grond van artikel 323 en het
opleggen van enigerlei beperking op het gebruik van een
intern model voor de berekening van het solvabiliteits-
kapitaalvereiste op grond van de artikelen 167 tot 188.
4° alle besluiten die gebaseerd zijn op van een andere
toezichthouder ontvangen informatie.
De Bank kan besluiten geen overleg als bedoeld in
het eerste lid te plegen in spoedeisende gevallen of
indien dat overleg de doeltreffendheid van haar besluit
in gevaar zou kunnen brengen. In dat geval stelt de
Bank de betrokken toezichthouders onverwijld daarvan
in kennis zodra zij haar besluit heeft genomen.
In afwijking van het tweede lid moet de Bank de
groepstoezichthouder altijd raadplegen wanneer zij van
plan is een besluit te nemen als bedoeld in het eerste
lid, 2° of 3°.
Onderafdeling V
Voor de uitoefening van het toezicht op groepsniveau te
verstrekken informatie
Art. 422
§ 1. De verzekerings- of herverzekeringsonderne-
mingen, de verzekeringsholdings en de gemengde
financiële holdings, hun dochterondernemingen en alle
andere ondernemingen die in het toezicht op groepsni-
veau zijn betrokken, verstrekken aan de Bank, in haar
Sous-section IV
Consultation entre autorités de contrôle
Art. 421
Sans préjudice de la Sous-Section III de la présente
Section, la Banque consulte, au sein du collège des
contrôleurs, les autorités de contrôle des entreprises
d’assurance ou de réassurance incluses dans le
contrôle au niveau du groupe, avant de prendre une
des décisions suivantes:
1° les modifications de la structure de l’actionnariat,
de l’organisation ou de la gestion d’une entreprise
d’assurance ou de réassurance, qui requièrent l’appro-
bation ou l’autorisation de la Banque; et
2° la prolongation du délai de rétablissement confor-
mément à l’article 510;
3° les principales sanctions et les mesures exception-
nelles prises par la Banque, y compris l’application d’une
exigence de capital supplémentaire s’ajoutant au capital
de solvabilité requis conformément à l’article 323 et
l’application de toute limitation de l’utilisation d’un
modèle interne pour le calcul du capital de solvabilité
requis conformément aux articles 167 à 188.
4° toute décision fondée sur les informations reçues
d’une autre autorité de contrôle.
La Banque peut décider de ne pas opérer de consul-
tation visée à l’alinéa 1er en cas d’urgence ou lorsque
cette consultation risquerait de compromettre l’efficacité
de sa décision. Dans ce cas, la Banque en informe sans
délai les autorités de contrôle concernées dès qu’elle
a pris sa décision.
Par dérogation à l’alinéa 2, la Banque doit toujours
consulter le contrôleur du groupe lorsqu’elle envisage
de prendre une décision visée à l’alinéa 1er, 2° ou 3°.
Sous-section V
Informations à fournir aux fins de l’exercice du contrôle au
niveau du groupe
Art. 422
§ 1er. Les entreprises d’assurance ou de réassurance,
les sociétés holding d’assurance et les compagnies
financières mixtes, leurs filiales et toutes les autres en-
treprises incluses dans le contrôle au niveau du groupe,
fournissent à la Banque, en sa qualité de contrôleur du
1016
1584/002
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
hoedanigheid van groepstoezichthouder, alle informatie
die nodig is voor de uitoefening van de toezichtstaken
die door of krachtens deze wet aan de groepstoezicht-
houder zijn toegewezen, en de informatie die nodig is
om met het oog op de uitoefening van de rechten en
plichten van de groepstoezichthouder met betrekking tot
het toezicht op groepsniveau, elke passende beslissing
te kunnen nemen.
§ 2. Voor de toepassing van paragraaf 1 kan de Bank:
1° op individuele basis of bij reglement vastgesteld
overeenkomstig artikel 12bis, § 2 van de wet van
22 februari 1998, de aard, de reikwijdte, het model, de
frequentie en de wijze van indiening vaststellen van de
in paragraaf 1 bedoelde informatie, en deze informatie
bij de in paragraaf 1 bedoelde ondernemingen opvragen:
a) op van tevoren bepaalde tijdstippen;
b) wanneer zich van tevoren omschreven gebeurte-
nissen voordoen;
c) bij onderzoek naar de positie van een verzekerings-
of herverzekeringsonderneming naar aanleiding van
haar opname in het toezicht op groepsniveau.
2° alle informatie inwinnen over overeenkomsten die
in het bezit zijn van tussenpersonen, of over overeen-
komsten die met derden worden gesloten;
3° informatie opvragen bij externe deskundigen;
4° voorschrijven dat haar geregeld andere dan de in
paragraaf 1 bedoelde cijfergegevens of uitleg worden
verstrekt, wanneer deze informatie nodig is om te kun-
nen nagaan of de voorschriften van deze wet of van
de uitvoeringsbesluiten en -reglementen ervan zijn
nageleefd.
Artikel 312, § 3 is van toepassing op de in de para-
grafen 1 en 2 bedoelde informatie.
§ 3. De in de paragrafen 1 en 2 bedoelde informatie
voldoet aan de volgende beginselen:
1° er moet rekening worden gehouden met de aard,
de omvang en de complexiteit van de activiteiten van
de verzekerings- of herverzekeringsgroep en met name
met de risico’s die aan die activiteiten verbonden zijn;
2° zij is toegankelijk, in alle essentiële opzichten vol-
ledig, vergelijkbaar en in de tijd gezien consistent;
groupe, toutes les informations nécessaires aux fins
de l’exercice des tâches de contrôle qui incombent au
contrôleur du groupe par ou en vertu de la présente
loi, ainsi que les informations nécessaires à la prise
de toute décision appropriée qu’appelle l’exercice des
droits et fonctions du contrôleur du groupe en matière
de contrôle au niveau du groupe.
§ 2. Aux fins du paragraphe 1er, la Banque peut:
1° définir, sur une base individuelle ou par voie d’un
règlement pris conformément à l’article 12bis, § 2, de
la loi du 22 février 1998, la nature, la portée, le format,
la fréquence et les modalités de transmission des
informations visées au paragraphe 1er, dont elle exige
la communication de la part des entreprises visées au
paragraphe 1er aux moments suivants:
a) à des moments prédéfinis;
b) lorsque des événements prédéfinis se produisent;
c) lors d’enquêtes concernant la situation d’une
entreprise d’assurance ou de réassurance en raison
de son inclusion dans le contrôle au niveau du groupe.
2° obtenir toute information relative aux contrats
détenus par des intermédiaires ou aux contrats conclus
avec des tiers;
3° exiger des informations de la part d’experts
externes;
4° prescrire la transmission régulière d’informations
chiffrées ou descriptives autres que celles visées au
paragraphe 1er, lorsque ces informations sont néces-
saires à la vérification du respect des dispositions de
la présente loi ou des arrêtés et règlements pris en
exécution de celle-ci.
L’article 312, § 3 est applicable aux informations
visées aux paragraphes 1er et 2.
§ 3. Les informations visées aux paragraphes 1er et
2 respectent les principes suivants:
1° elles reflètent la nature, l’ampleur et la complexité
des activités du groupe d’assurance ou de réassurance
et notamment les risques inhérents aux activités de
celui-ci;
2° elles sont accessibles, complètes pour tout ce qui
est important, comparables et cohérentes dans la durée;
1017
1584/002
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
3° zij is relevant, betrouwbaar en begrijpelijk.
Art. 423
Niettegenstaande de in artikel 422, § 2, a), bedoelde
van tevoren bepaalde tijdstippen kan de Bank, in haar
hoedanigheid van groepstoezichthouder, de regelma-
tige rapportering van de voor toezichtsdoeleinden te
verstrekken informatie met een frequentie van minder
dan een jaar op groepsniveau beperken, als alle ver-
zekerings- of herverzekeringsondernemingen die in het
toezicht op groepsniveau zijn betrokken, de toepassing
van artikel 313 genieten, rekening houdend met de
aard, de omvang en de complexiteit van de risico’s die
verbonden zijn aan de activiteiten van de groep.
Art. 424
In haar hoedanigheid van groepstoezichthouder kan
de Bank op groepsniveau een vrijstelling verlenen van
de verplichting om itemgewijs informatie te verstrekken,
als alle verzekerings- of herverzekeringsondernemingen
die in het toezicht op groepsniveau zijn betrokken, de
toepassing van artikel 314 genieten, rekening houdend
met de aard, de omvang en de complexiteit van de
risico’s die verbonden zijn aan de activiteiten van de
groep en met de doelstelling van financiële stabiliteit.
Art. 425
Indien de Bank, in haar hoedanigheid van groeps-
toezichthouder, informatie als bedoeld in de artikelen
422, 423 en 424 nodig heeft die reeds aan een andere
toezichthouder is verstrekt, treedt zij zo mogelijk met
deze toezichthouder in contact teneinde dubbele infor-
matieverstrekking door de onderneming aan de diverse
bij het toezicht op groepsniveau betrokken toezichthou-
ders te voorkomen.
Art. 426
De ondernemingen die met toepassing van artikel
349 niet in het toezicht op groepsniveau zijn betrok-
ken, moeten aan de Bank, in haar hoedanigheid van
groepstoezichthouder, alle gegevens en inlichtingen
verstrekken die deze dienstig acht voor de uitoefening
van het toezicht op groepsniveau.
Ondernemingen die uitsluitend of samen met an-
dere ondernemingen de controle hebben over een
verzekerings- of herverzekeringsonderneming naar
Belgisch recht, en de dochterondernemingen van die
3° elles sont pertinentes, fiables et compréhensibles.
Art. 423
Nonobstant les moments prédéfinis visés à l’article
422, § 2, a), la Banque, en sa qualité de contrôleur du
groupe, peut limiter la communication régulière des
informations à des fins de contrôle d’une fréquence infé-
rieure à un an au niveau du groupe, dès lors que toutes
les entreprises d’assurance ou de réassurance incluses
dans le contrôle au niveau du groupe bénéficient de
l’application de l’article 313, eu égard à la nature, à
l’ampleur et à la complexité des risques inhérents à
l’activité du groupe.
Art. 424
La Banque, en sa qualité de contrôleur du groupe,
peut dispenser de l’obligation de communiquer des
informations poste par poste au niveau du groupe, dès
lors que toutes les entreprises d’assurance ou de réas-
surance incluses dans le contrôle au niveau du groupe
bénéficient de l’application de l’article 314, eu égard
à la nature, à l’ampleur et à la complexité des risques
inhérents à l’activité du groupe ainsi qu’à l’objectif de
stabilité financière.
Art. 425
Lorsqu’elle a besoin d’informations visées aux
articles 422, 423 et 424, qui ont déjà été fournies à une
autre autorité de contrôle, la Banque, en sa qualité de
contrôleur du groupe s’adresse, dans la mesure du
possible, à cette autorité afin d’éviter toute duplication
dans le chef de l’entreprise dans la communication
d’informations aux diverses autorités participant au
contrôle au niveau du groupe.
Art. 426
Les entreprises qui ne sont pas incluses dans le
contrôle au niveau du groupe en application de l’article
349, sont tenues de communiquer à la Banque, en sa
qualité de contrôleur du groupe tous les renseignements
et informations que celle-ci estime nécessaires pour
l’exercice du contrôle au niveau du groupe.
Les entreprises qui contrôlent, exclusivement ou
conjointement avec d’autres, une entreprise d’assu-
rance ou de réassurance de droit belge, ainsi que les fi-
liales de ces entreprises, sont tenues, si ces entreprises
1018
1584/002
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
ondernemingen moeten, indien die ondernemingen en
dochterondernemingen niet in het toezicht op groeps-
niveau zijn betrokken, de Bank en de andere betrokken
toezichthouders alle gegevens en inlichtingen verstrek-
ken die nuttig zijn voor de uitoefening van het toezicht
op die verzekerings- of herverzekeringsonderneming.
Art. 427
Onverminderd de artikelen 422 tot 426, mag de Bank
zich alleen zelf rechtstreeks tot de ondernemingen in de
groep wenden om de informatie die nodig is voor de uit-
oefening van het toezicht op groepsniveau te verkrijgen,
indien deze informatie aan de in het groepstoezicht be-
trokken verzekerings- of herverzekeringsonderneming
is gevraagd, maar door deze onderneming niet binnen
een redelijke termijn is verstrekt.
Art. 428
§ 1. De Bank kan ter plaatse inspecties verrichten
en ter plaatse kennis nemen en een kopie maken van
elk gegeven in bezit van de verzekerings- of herverze-
keringsonderneming die onder het toezicht op groeps-
niveau valt, haar verbonden ondernemingen, haar
moederonderneming of de met haar moederonderne-
ming verbonden ondernemingen, om na te gaan of de
bepalingen die door of krachtens dit Hoofdstuk en door
de uitvoeringsmaatregelen van Richtlijn 2009/138/EG
zijn vastgelegd, zijn nageleefd en, met name, om na te
gaan of de in de artikelen 422, 423 en 424 bedoelde in-
formatie juist en volledig is. Artikel 304 is van toepassing.
Zij kan op kosten van deze ondernemingen de com-
missaris van deze ondernemingen of een door haar
daartoe erkende deskundige met deze verificaties
belasten.
De artikelen 305, 306 en 307 zijn van toepassing.
§ 2. Wanneer de in paragraaf 1 bedoelde onder-
nemingen hun zetel in een andere lidstaat hebben,
verzoekt de Bank de toezichthouder van die lidstaat om
de inspectie ter plaatse uit te voeren. De Bank verricht
deze inspectie zelf als zij daarvoor de toestemming
krijgt van de toezichthouder van die lidstaat. Wanneer
deze laatste de inspectie zelf wenst te verrichten, of
daartoe een revisor of een deskundige aanstelt, kan
de Bank niettemin aan de inspectie deelnemen indien
zij dat wenst.
Indien het door de Bank overeenkomstig het eerste
lid geformuleerde verzoek geen gevolg heeft gekregen
binnen twee weken, of indien zij om praktische redenen
et ces filiales ne sont pas incluses dans le contrôle au
niveau du groupe, de communiquer à la Banque et aux
autres autorités de contrôle concernées les informations
et renseignements utiles à l’exercice du contrôle de
cette entreprise d’assurance ou de réassurance.
Art. 427
Sans préjudice des articles 422 à 426, la Banque ne
peut s’adresser directement aux entreprises du groupe
pour obtenir les informations nécessaires à l’exercice du
contrôle au niveau du groupe que lorsque ces informa-
tions ont été demandées à l’entreprise d’assurance ou
de réassurance soumise au contrôle des groupes et que
cette entreprise n’a pas communiqué ces informations
dans un délai raisonnable.
Art. 428
§ 1er. La Banque peut procéder à des inspections sur
place et prendre connaissance et copie, sans dépla-
cement, de toute information détenue par l’entreprise
d’assurance ou de réassurance soumise à un contrôle
au niveau du groupe, par ses entreprises liées, par son
entreprise mère ou par les entreprises liées à son entre-
prise mère, en vue de vérifier le respect des dispositions
prévues par ou en vertu du présent Chapitre ainsi que
par les mesures d’exécution de la Directive 2009/138/CE
et, notamment, en vue de vérifier le caractère correct et
complet des informations visées aux articles 422, 423 et
424. L’article 304 est applicable.
Elle peut, aux frais de ces entreprises, charger le
commissaire de ces entreprises ou un expert désigné
par elle à cette fin, de procéder à ces vérifications.
Les articles 305, 306 et 307 sont applicables.
§ 2. Lorsque les entreprises visées au paragraphe 1er
ont leur siège social dans un autre État membre, la
Banque demande à l’autorité de contrôle de cet État
membre d’effectuer l’inspection sur place. La Banque
procède elle-même à cette inspection si elle en a reçu
l’autorisation de la part de l’autorité de contrôle de cet
État membre. Lorsque cette dernière effectue elle-même
l’inspection, ou désigne un réviseur ou un expert à cet
effet, la Banque peut néanmoins, si elle le souhaite, y
participer.
Lorsque la demande formulée par la Banque confor-
mément à l’alinéa 1er n’a pas été suivi d’effet dans
un délai de deux semaines, ou lorsqu’elle se voit en
1019
1584/002
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
niet kan deelnemen aan de inspectie ter plaatse, kan
de Bank de zaak aan EIOPA voorleggen en om haar
bijstand verzoeken overeenkomstig artikel 19 van
Verordening nr. 1094/2010.
§ 3. Wanneer de in paragraaf 1 bedoelde onderne-
mingen hun zetel in een derde land hebben, worden
de modaliteiten van de verificatie ter plaatse geregeld
in samenwerkingsovereenkomsten die de Bank met
de betrokken autoriteiten van dit derde land heeft ge-
sloten, in voorkomend geval overeenkomstig artikel
36/16, § 2 van de wet van 22 februari 1998, of die de
Europese Commissie overeenkomstig het bepaalde bij
artikel 264 van Richtlijn 2009/138/EG heeft gesloten.
Art. 429
§ 1. Wanneer het toezicht op het niveau van de ver-
zekerings- of herverzekeringsgroep wordt uitgeoefend
door een toezichthouder die onder het recht van een
andere lidstaat dan België ressorteert, verstrekken de
verzekerings- of herverzekeringsondernemingen, de
verzekeringsholdings, de gemengde financiële holdings
en hun dochterondernemingen naar Belgisch recht
aan deze toezichthouder de gegevens en inlichtingen
die deze dienstig acht voor de uitoefening van de toe-
zichtstaken waarmee hij als groepstoezichthouder is
belast overeenkomstig Richtlijn 2009/138/EG en haar
uitvoeringsmaatregelen.
Wanneer deze toezichthouder onder het recht van
een derde land ressorteert en de verplichting tot infor-
matieverstrekking voortvloeit uit samenwerkingsover-
eenkomsten die de Bank of de Europese Commissie
met toepassing van artikel 264 van Richtlijn 2009/138/
EG heeft gesloten, is het eerste lid van overeenkomstige
toepassing.
§ 2. Wanneer het toezicht op het niveau van de ver-
zekerings- of herverzekeringsgroep wordt uitgeoefend
door een toezichthouder die onder het recht van een
andere lidstaat dan België ressorteert, kan die toe-
zichthouder, om na te gaan of de bepalingen die door
of krachtens dit Hoofdstuk en door de uitvoeringsmaat-
regelen van Richtlijn 2009/138/EG zijn vastgelegd, zij,
nageleefd, ter plaatse in de in paragraaf 1 bedoelde
ondernemingen naar Belgisch recht, de gegevens en
inlichtingen toetsen die zij heeft ontvangen, of kan zij
erkend commissarissen of door haar erkende deskun-
digen hiermee belasten. De bepalingen van artikel 428,
§ 2 zijn van overeenkomstige toepassing.
Wanneer deze toezichthouder onder het recht van
een derde land ressorteert, zijn de bepalingen van artikel
428, § 3 van overeenkomstige toepassing.
pratique empêchée de participer à l’inspection sur
place, la Banque peut saisir l’EIOPA et solliciter son
assistance conformément à l’article 19 du Règlement
n° 1094/2010.
§ 3. Lorsque les entreprises visées au paragraphe 1er
ont leur siège social dans un pays tiers, les modalités de
la vérification sur place sont réglées dans des accords
de coopération que la Banque conclut avec les autorités
de pays tiers concernées, le cas échéant conformément
à l’article 36/16, § 2 de la loi du 22 février 1998 ou que la
Commission européenne a conclus conformément aux
dispositions de l’article 264 de la Directive 2009/138/CE.
Art. 429
§ 1er. Lorsque le contrôle au niveau du groupe d’assu-
rance ou de réassurance est exercée par une autorité
de contrôle qui relève d’un État membre, autre que la
Belgique, les entreprises d’assurance ou de réassu-
rance, les sociétés holding d’assurance, les compagnies
financières mixtes et leurs filiales de droit belge com-
muniquent à cette autorité de contrôle les informations
et renseignements que celle-ci juge nécessaires pour
l’exercice des tâches de contrôle qui lui incombent en
sa qualité de contrôleur du groupe conformément à la
Directive 2009/138/CE et à ses mesures d’exécution.
Lorsque cette autorité relève du droit d’un pays tiers
et que l’obligation d’information découle d’accords de
coopération conclus par la Banque ou la Commission
européenne en application de l’article 264 de la Directive
2009/138/CE, l’alinéa 1er est applicable par analogie.
§ 2. Lorsque le contrôle au niveau du groupe d’assu-
rance ou de réassurance est exercée par une autorité
de contrôle qui relève d’un État membre, autre que la
Belgique, cette autorité peut, en vue de vérifier le respect
des dispositions prévues par ou en vertu du présent
Chapitre ainsi que par les mesures d’exécution de la
Directive 2009/138/CE, procéder sur place dans les
entreprises de droit belge visées au paragraphe 1er, à la
vérification des informations et renseignements qu’elle a
reçus, ou peut charger des commissaires agréés ou des
experts agréés par elles d’y procéder. Les dispositions
de l’article 428, § 2 sont applicables par analogie.
Lorsque cette autorité relève du droit d’un pays tiers,
les dispositions de l’article 428, § 3 sont applicables
par analogie.
1020
1584/002
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
Onderafdeling VI
Revisoraal toezicht
Art. 430
Het bepaalde bij de artikelen 330 tot 337 betreffende
de opdracht van erkend commissaris van een verzeke-
rings- of herverzekeringsonderneming is van overeen-
komstige toepassing op verzekerings- of herverzekering
ondernemingen die aan een toezicht op groepsniveau
zijn onderworpen overeenkomstig artikel 343.
Art. 431
§ 1. In een verzekeringsholding of in een gemengde
financiële holding naar Belgisch recht die onder het
door de Bank uitgeoefende toezicht op groepsniveau
valt, wordt de opdracht van commissaris als bedoeld in
het Wetboek van Vennootschappen toevertrouwd aan
een of meer revisoren of revisorenvennootschappen die
overeenkomstig artikel 327 door de Bank erkend zijn
voor de opdracht van commissaris bij een verzekerings-
of herverzekeringsonderneming. De artikelen 325 tot
329 zijn van overeenkomstige toepassing.
§ 2. De commissarissen aangesteld bij een in pa-
ragraaf 1 bedoelde verzekeringsholding of gemengde
financiële holding verlenen hun medewerking aan de
uitoefening van het toezicht op groepsniveau waarmee
de Bank is belast, op hun eigen en uitsluitende verant-
woordelijkheid en overeenkomstig deze paragraaf, vol-
gens de regels van het vak en de richtlijnen van de Bank.
Art. 432
De commissarissen aangesteld bij een in artikel
431 bedoelde onderneming beoordelen het passend
karakter op het niveau van de groep van de internecon-
trolemaatregelen als bedoeld in artikel 42, § 1, 2° en
delen hun bevindingen ter zake mee aan de Bank.
Art. 433
De commissarissen aangesteld bij een in artikel
431 bedoelde onderneming brengen verslag uit aan de
Bank over de resultaten van het beperkt nazicht van de
periodieke staten die de verzekeringsholding of de ge-
mengde financiële holding aan het einde van het eerste
halfjaar aan de Bank bezorgt, waarin bevestigd wordt dat
zij geen kennis hebben van feiten waaruit zou blijken dat
deze periodieke staten niet in alle materieel belangrijke
Sous-section V
Contrôle révisoral
Art. 430
Les dispositions des articles 330 à 337 concernant
les fonctions de commissaire agréé d’une entreprise
d’assurance ou de réassurance sont applicables par
analogie aux entreprises d’assurance ou de réassu-
rance soumises à un contrôle au niveau du groupe
conformément à l’article 343.
Art. 431
§ 1er. Dans une société holding d’assurance ou dans
une compagnie financière mixte de droit belge incluse
dans un contrôle au niveau du groupe exercé par la
Banque, les fonctions de commissaire visées au Code
des sociétés sont confiées à un ou plusieurs réviseurs
ou à une ou plusieurs sociétés de réviseurs, qui, confor-
mément à l’article 327, sont agréés par la Banque pour
les fonctions de commissaire auprès d’une entreprise
d’assurance ou de réassurance. Les articles 325 à
329 sont applicables par analogie.
§ 2. Les commissaires désignés auprès d’une société
holding d’assurance ou d’une compagnie financière
mixte visée au paragraphe 1er, prêtent leur coopération
à l’exercice du contrôle au niveau du groupe dont est
chargée la Banque, sous leur responsabilité personnelle
et exclusive et conformément au présent paragraphe,
aux règles de la profession et aux instructions de la
Banque.
Art. 432
Les commissaires désignés dans une entreprise
visée à l’article 431 évaluent le caractère adéquat au
niveau du groupe des mesures de contrôle interne
visées à l’article 42, § 1er, 2° et ils communiquent leurs
conclusions à la Banque.
Art. 433
Les commissaires agréés désignés dans une entre-
prise visée à l’article 431 font rapport à la Banque sur les
résultats de l’examen limité des états périodiques trans-
mis par la société holding d’assurance ou la compagnie
financière mixte à la Banque à la fin du premier semestre
social, confirmant qu’ils n’ont pas connaissance de
faits dont il apparaîtrait que ces états périodiques n’ont
pas, sous tous égards significativement importants, été
1021
1584/002
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
opzichten zijn opgesteld volgens de voorschriften die
door of krachtens deze wet, de uitvoeringsmaatregelen
van Richtlijn 2009/138/EG en de instructies van de Bank
zijn vastgesteld.
Bovendien bevestigen zij dat de periodieke staten
per einde halfjaar, voor wat de boekhoudkundige ge-
gevens betreft, in alle materieel belangrijke opzichten
in overeenstemming zijn met de boekhouding en de
inventarissen inzake:
1° volledigheid, wat wil zeggen dat ze alle gegevens
bevatten uit de boekhouding en de inventarissen op
basis waarvan de periodieke staten worden opgesteld,
2° juistheid, wat wil zeggen dat ze de gegevens cor-
rect weergeven uit de boekhouding en de inventaris-
sen op basis waarvan deze periodieke staten worden
opgesteld.
Zij bevestigen geen kennis te hebben van feiten waar-
uit zou blijken dat de periodieke staten per einde half-
jaar niet zijn opgesteld, voor wat de boekhoudkundige
gegevens betreft, met toepassing van de boekings- en
waarderingsregels voor de opstelling van de periodieke
staten met betrekking tot het laatste boekjaar. De Bank
kan de hier bedoelde periodieke staten nader bepalen.
Art. 434
De erkend commissarissen aangesteld bij een in
artikel 431 bedoelde onderneming brengen ook verslag
uit bij de Bank over de resultaten van de controle van
de periodieke staten die de verzekeringsholding of de
gemengde financiële holding aan het einde van het
boekjaar aan de Bank bezorgt, waarin bevestigd wordt
dat deze periodieke staten in alle materieel belangrijke
opzichten zijn opgesteld volgens de voorschriften die
door of krachtens deze wet, de uitvoeringsmaatregelen
van Richtlijn 2009/138/EG en de instructies van de Bank
zijn vastgesteld.
Bovendien bevestigen zij dat de periodieke staten per
einde van het boekjaar, voor wat de boekhoudkundige
gegevens betreft, in alle materieel belangrijke opzichten
in overeenstemming zijn met de boekhouding en de
inventarissen inzake:
1° volledigheid, wat wil zeggen dat ze alle gegevens
bevatten uit de boekhouding en de inventarissen op
basis waarvan de periodieke staten worden opgesteld,
établis conformément aux prescriptions prévues par
ou en vertu de la loi, aux mesures d’exécution de la
Directive 2009/138/CE et aux instructions de la Banque.
Ils confirment en outre que les états périodiques
arrêtées en fin de semestre sont, pour ce qui est des
données comptables y figurant, complets et corrects
et sont, sous tous égards significativement importants,
conformes à la comptabilité et aux inventaires, en ce
sens qu’ils sont:
1° complets, c’est-à-dire qu’ils mentionnent toutes
les données figurant dans la comptabilité et dans les
inventaires sur la base desquels ils sont établis,
2° corrects, c’est-à-dire qu’ils concordent exactement
avec la comptabilité et avec les inventaires sur la base
desquels ils sont établis.
Ils confirment également n’avoir pas connaissance de
faits dont il apparaîtrait que les états périodiques arrêtés
en fin de semestre n’ont pas été établis, pour ce qui
est des données comptables y figurant, par application
des règles de comptabilisation et d’évaluation qui ont
présidé à l’établissement des états périodiques afférents
au dernier exercice. La Banque peut préciser quels sont
en l’occurrence les états périodiques visés.
Art. 434
Les commissaires agréés désignés dans une entre-
prise visée à l’article 431 font également rapport à la
Banque sur les résultats du contrôle des états pério-
diques transmis par la société holding d’assurance ou
la compagnie financière mixte à la Banque à la fin de
l’exercice social, confirmant que ces états périodiques
sont, sous tous égards significativement importants,
établis conformément aux prescriptions prévues par
ou en vertu de la loi, aux mesures d’exécution de la
Directive 2009/138/CE et aux instructions de la Banque.
Ils confirment en outre que les états périodiques arrê-
tés en fin d’exercice sont, pour ce qui est des données
comptables y figurant, sous tous égards significative-
ment importants, conformes à la comptabilité et aux
inventaires, en ce sens qu’ils sont:
1° complets, c’est-à-dire qu’ils mentionnent toutes
les données figurant dans la comptabilité et dans les
inventaires sur la base desquels ils sont établis,
1022
1584/002
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
2° juistheid, wat wil zeggen dat ze de gegevens
correct weergeven uit de boekhouding en de inventa-
rissen op basis waarvan de periodieke staten worden
opgesteld.
Zij bevestigen dat de periodieke staten per einde
van het boekjaar werden opgesteld, voor wat de boek-
houdkundige gegevens betreft, met toepassing van de
boekings- en waarderingsregels voor de opstelling van
de jaarrekening.
De Bank kan de hier bedoelde periodieke staten
nader bepalen.
Art. 435
De erkend commissarissen aangesteld bij een in
artikel 431 bedoelde onderneming brengen bij de Bank
op haar verzoek een bijzonder verslag uit over de orga-
nisatie, de activiteiten en de financiële structuur op het
niveau van de verzekerings- of herverzekeringsgroep;
de kosten voor de opstelling van dit verslag worden
door de verzekeringsholding of de gemengde financiële
holding gedragen.
Art. 436
In het kader van hun opdracht bij een in artikel
431 bedoelde onderneming of een revisorale opdracht
bij een met een dergelijke onderneming verbonden
onderneming, brengen de erkend commissarissen op
eigen initiatief verslag uit bij de Bank zodra zij kennis
krijgen van beslissingen, feiten of, in voorkomend geval,
ontwikkelingen:
1° die de positie van de verzekerings- of herverzeke-
ringsgroep financieel of op het vlak van haar adminis-
tratieve en boekhoudkundige organisatie of van haar
interne controle, op betekenisvolle wijze beïnvloeden
of kunnen beïnvloeden;
2° die tot de niet-naleving van de voorschriften inzake
het solvabiliteitskapitaalvereiste op groepsniveau kun-
nen leiden;
3° die een overtreding van het Wetboek van
Vennootschappen, de statuten, deze wet en de ter
uitvoering ervan genomen besluiten en reglementen
kunnen vormen voor wat de verzekeringsholding of de
gemengde financiële holding betreft;
4° die kunnen leiden tot een weigering van de certi-
ficering van de geconsolideerde jaarrekening of tot het
formuleren van voorbehoud.
2° corrects, c’est-à-dire qu’ils concordent exactement
avec la comptabilité et avec les inventaires sur la base
desquels ils sont établis.
Ils confirment également que les états périodiques
arrêtés en fin d’exercice ont été établis, pour les don-
nées comptables y figurant, par application des règles
de comptabilisation et d’évaluation présidant à l’établis-
sement des comptes annuels.
La Banque peut préciser quels sont en l’occurrence
les états périodiques visés.
Art. 435
Les commissaires agréés désignés dans une
entreprise visée à l’article 431 font à la Banque, à sa
demande, des rapports spéciaux portant sur l’organisa-
tion, les activités et la structure financière au niveau du
groupe d’assurance ou de réassurance, rapports dont
les frais d’établissement sont supportés par la société
holding d’assurance ou la compagnie financière mixte.
Art. 436
Dans le cadre de leur mission auprès d’une entreprise
visée à l’article 431, ou d’une mission révisorale auprès
d’une entreprise liée à une telle entreprise, les com-
missaires agréés font d’initiative rapport à la Banque
dès qu’ils constatent des décisions, des faits ou, le cas
échéant, des évolutions:
1° qui influencent ou peuvent influencer de façon
significative la situation du groupe d’assurance ou de
réassurance sous l’angle financier ou sous l’angle de
son organisation administrative et comptable ou de son
contrôle interne;
2° qui peuvent entraîner le non-respect des disposi-
tions relatives au capital de solvabilité requis au niveau
du groupe;
3° qui peuvent constituer des violations du Code des
sociétés, des statuts, de la présente loi et des arrêtés et
règlements pris pour son exécution en ce qui concerne
la société holding d’assurance ou la compagnie finan-
cière mixte;
4° qui sont de nature à entraîner le refus ou des
réserves en matière de certification des comptes
consolidés.
1023
1584/002
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
Art. 437
De erkend commissarissen delen aan de leiders van
de verzekerings- of herverzekeringsonderneming de
verslagen mee die zij aan de Bank richten overeenkom-
stig artikel 435. Artikel 306 is op deze mededelingen
van toepassing.
Zij bezorgen de Bank een kopie van de mededelingen
die zij aan deze leiders richten en die betrekking hebben
op zaken die van belang kunnen zijn voor het toezicht
dat zij uitoefent.
Art. 438
Tegen erkend commissarissen die te goeder trouw
informatie hebben verstrekt als bedoeld in artikel 436,
kunnen geen burgerrechtelijke, strafrechtelijke of tucht-
rechtelijke vorderingen worden ingesteld, noch profes-
sionele sancties worden uitgesproken.
Art. 439
Wanneer de moederonderneming van een verzeke-
rings- of herverzekeringsonderneming naar Belgisch
recht een verzekeringsholding of een gemengde financi-
ele holding met zetel in een andere lidstaat is, die onder
het door de Bank uitgeoefende toezicht op groepsniveau
valt, wordt de opdracht bepaald bij de artikelen 432 tot
436 op overeenkomstige wijze uitgeoefend door de
commissaris die met een vergelijkbare taak bij deze ver-
zekeringsholding of gemengde financiële holding is aan-
gesteld. Bij afwezigheid van een dergelijke commissaris
wordt de in de artikelen 432 tot 436 bedoelde opdracht
uitgeoefend door de commissaris die is aangesteld bij
de verzekerings- of herverzekeringsonderneming naar
Belgisch recht die een dochteronderneming is van deze
verzekeringsholding of gemengde financiële holding.
Art. 440
De commissarissen aangesteld bij verzekerings- of
herverzekeringsondernemingen, verzekeringsholdings
of gemengde financiële holdings naar Belgisch recht
overeenkomstig de artikelen 430 en 431, hebben voor
de uitoefening van hun opdracht als bepaald bij deze
artikelen, toegang tot en inzage in alle documenten
en stukken die uitgaan zowel van de in het toezicht op
groepsniveau betrokken dochterondernemingen, als van
de in artikel 349 bedoelde ondernemingen.
Het bepaalde bij artikel 35 van de wet van
22 februari 1998 is van toepassing wat de informatie
Art. 437
Les commissaires agréés communiquent aux diri-
geants de l’entreprise d’assurance ou de réassurance
les rapports qu’ils adressent à la Banque conformément
à l’article 435. Ces communications sont soumises à
l’article 306.
Ils transmettent à la Banque copie des communica-
tions qu’ils adressent à ces dirigeants et qui portent
sur des questions de nature à intéresser le contrôle
exercé par elle.
Art. 438
Aucune action civile, pénale ou disciplinaire ne peut
être intentée ni aucune sanction professionnelle pro-
noncée contre les commissaires agréés qui ont procédé
de bonne foi à une information visée sous l’article 436.
Art. 439
Lorsque l’entreprise mère d’une entreprise d’assu-
rance ou de réassurance de droit belge, est une société
holding d’assurance ou une compagnie financière mixte
dont le siège est établi dans un autre État membre et
incluse dans le contrôle au niveau du groupe exercé par
la Banque, la mission définie aux articles 432 à 436 est
exercée par analogie par le commissaire désigné avec
une tâche comparable auprès de cette société holding
d’assurance ou compagnie financière mixte. A défaut
d’un tel commissaire, la mission visée aux articles 432 à
436 est exercée par le commissaire désigné auprès de
l’entreprise d’assurance ou de réassurance de droit
belge filiale de cette société holding d’assurance ou
compagnie financière mixte.
Art. 440
Les commissaires désignés auprès d’entreprises
d’assurance ou de réassurance, de sociétés holding
d’assurance ou de compagnies financières mixtes de
droit belge conformément aux articles 430 et 431, ont,
pour l’exercice de leur mission, telle que visée à ces
articles, accès à et peuvent prendre connaissance de
tous les documents et pièces émanant tant des filiales
incluses dans le contrôle au niveau du groupe que des
entreprises visées à l’article 349.
Les dispositions de l’article 35 de la loi du
22 février 1998 s’appliquent en ce qui concerne les
1024
1584/002
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
betreft waarvan zij kennis hebben genomen in uitvoering
van het eerste lid.
Onderafdeling VII
Prudentiële maatregelen
Art. 441
Indien de verzekerings- of herverzekeringsonder-
nemingen naar Belgisch recht die in een toezicht op
groepsniveau zijn betrokken, de voorschriften die door
of krachtens dit Hoofdstuk of de uitvoeringsmaatregelen
van Richtlijn 2009/138/EG zijn opgelegd niet naleven, of
indien die voorschriften in acht worden genomen maar
de groepssolvabiliteit toch dreigt te worden ondermijnd,
of indien de intragroeptransacties of de risicoconcentra-
ties de financiële positie van de genoemde verzekerings-
of herverzekeringsondernemingen bedreigen, neemt de
Bank, in haar hoedanigheid van groepstoezichthouder,
1° ten aanzien van de deelnemende verzekerings- of
herverzekeringsonderneming naar Belgisch recht, de
nodige maatregelen als bedoeld in Titel VI van deze
wet om de vastgestelde situatie zo spoedig mogelijk
recht te zetten;
2° ten aanzien van de moederverzekeringsholding of
de gemengde financiële moederholding naar Belgisch
recht, de nodige maatregelen als bedoeld in de artike-
len 508, § 1 en 517, § 1, 1° tot 5° om de vastgestelde
situatie zo spoedig mogelijk recht te zetten.
Indien de Bank in het in het eerste lid bedoelde geval
niet de groepstoezichthouder is, neemt zij de in dit lid
bedoelde maatregelen respectievelijk ten aanzien van
de verzekerings- of herverzekeringsonderneming of de
verzekeringsholding of de gemengde financiële holding,
op verzoek van de groepstoezichthouder of op eigen
initiatief beweging, rekening houdend met de bevindin-
gen van de groepstoezichthouder met betrekking tot
de naleving van de bepalingen die van toepassing zijn
op die entiteiten.
Indien nodig coördineert de Bank de met toepassing
van dit artikel genomen maatregelen met de betrokken
toezichthouders, met inbegrip van, naargelang het ge-
val, de groepstoezichthouder.
Art. 442
Wanneer de Bank, in haar hoedanigheid van groeps-
toezichthouder, vaststelt dat de verzekerings- of her-
verzekeringsondernemingen met zetel in een andere
informations dont ils ont pris connaissance en exécution
de l’alinéa 1er.
Sous-section VII
Mesures prudentielles
Art. 441
Lorsque les entreprises d’assurance ou de réassu-
rance de droit belge soumises à un contrôle au niveau
du groupe, ne se conforment pas aux exigences prévues
par ou en vertu du présent Chapitre ou des mesures
d’exécution de la Directive 2009/138/CE, ou lorsque
ces exigences sont respectées mais que la solvabilité
du groupe risque malgré tout d’être compromise, ou
lorsque les transactions intragroupe ou les concen-
trations de risques menacent la situation financière
desdites entreprises d’assurance ou de réassurance,
la Banque, en sa qualité de contrôleur du groupe prend,
1° à l’égard de l’entreprise d’assurance ou de réassu-
rance participante de droit belge, les mesures visées au
Titre VI de la présente loi qui sont nécessaires pour qu’il
soit remédié dès que possible à la situation constatée;
2° à l’égard de la société holding d’assurance ou de
la compagnie financière mixte entreprise mère de droit
belge, les mesures visées aux articles 508, § 1er et 517,
§ 1er, 1° à 5° qui sont nécessaires pour qu’il soit remédié
dès que possible à la situation constatée.
Lorsque, dans la situation visée à l’alinéa 1er, la
Banque n’est pas le contrôleur du groupe, elle prend
les mesures qui y sont visées, respectivement, à l’égard
de l’entreprise d’assurance ou de réassurance ou de la
société holding d’assurance ou de la compagnie finan-
cière mixte, à la demande du contrôleur du groupe ou
de sa propre initiative, tenant compte des constatations
formulées par le contrôleur du groupe quant au respect
des dispositions applicables à ces entités.
S’il y a lieu, la Banque coordonne les mesures prises
en application du présent article avec les autorités de
contrôle concernées, en ce compris, selon le cas, avec
le contrôleur du groupe.
Art. 442
Lorsque la Banque, en sa qualité de contrôleur du
groupe, constate que les entreprises d’assurance ou
de réassurance ayant leur siège social dans un État
1025
1584/002
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
lidstaat dan België die in het door haar uitgeoefende
toezicht op groepsniveau zijn betrokken, de voorschrif-
ten van Richtlijn 2009/138/EG of van haar uitvoerings-
maatregelen niet naleven, of indien die voorschriften in
acht worden genomen maar de groepssolvabiliteit toch
dreigt te worden ondermijnd, of indien de intragroep-
transacties of de risicoconcentraties de financiële positie
van de genoemde verzekerings- of herverzekeringson-
dernemingen bedreigen, deelt zij haar bevindingen mee
aan de toezichthouder van de lidstaat waar, naargelang
van het geval, de deelnemende moederverzekerings- of
-herverzekeringsonderneming of de moederverzeke-
ringsholding of de gemengde financiële moederholding,
haar zetel heeft, opdat deze toezichthouder de in zijn
nationale wetgeving bepaalde maatregelen neemt die
nodig zijn om de vastgestelde situatie zo spoedig mo-
gelijk recht te zetten.
Afdeling IV
Verzekeringsholdings en gemengde financiële holdings
Art. 443
Onverminderd artikel 348 zijn de artikelen 39, 40, 41,
45, § § 1, 3 en 4, 46, § § 1, 3 en 4, 47, 64 tot 72, 81, 82,
83, 93 et 94 eveneens van overeenkomstige toepassing
op alle verzekeringsholdings naar Belgisch recht en alle
gemengde financiële holding naar Belgisch recht die in
een toezicht op groepsniveau zijn betrokken.
Onverminderd artikel 441 zijn de artikelen 508, § 1 en
517 van toepassing op de verzekeringsholding naar
Belgisch recht en op de gemengde financiële holding
naar Belgisch recht bij overtreding van de bepalingen
van het eerste lid.
Art. 444
In haar hoedanigheid van groepstoezichthouder stelt
de Bank de lijst op van de verzekeringsholdings die
betrokken zijn in het door haar uitgeoefende toezicht
op groepsniveau.
Zij maakt deze lijst over aan de toezichthouders van
de andere lidstaten, aan EIOPA en aan de Europese
Commissie.
membre autre que la Belgique, et soumises à un contrôle
au niveau du groupe qu’elle est chargée d’exercer,
ne se conforment pas aux exigences prévues par la
Directive 2009/138/CE ou par ses mesures d’exécu-
tion, ou lorsque ces exigences sont respectées mais
que la solvabilité du groupe risque malgré tout d’être
compromise, ou lorsque les transactions intragroupe
ou les concentrations de risques menacent la situation
financière desdites entreprises d’assurance ou de réas-
surance, elle communique ses constatations à l’autorité
de contrôle de l’État membre dans lequel, selon le cas,
l’entreprise d’assurance ou de réassurance participante
ou la société holding d’assurance ou la compagnie
financière mixte entreprise mère a son siège social,
afin que cette autorité de contrôle prenne les mesures
prévues par sa législation nationale qui sont nécessaires
pour qu’il soit remédié dès que possible à la situation
constatée.
Section IV
Sociétés holding d’assurance et compagnies financières
mixtes
Art. 443
Sans préjudice de l’article 348, les articles 39, 40, 41,
45, § § 1er, 3 et 4, 46, § § 1er, 3 et 4, 47, 64 à 72, 81, 82,
83, 93 et 94 sont applicables par analogie à toute société
holding d’assurance de droit belge et toute compagnie
financière mixte de droit belge incluses dans un contrôle
au niveau du groupe.
Sans préjudice de l’article 441, les articles 508, § 1er
et 517 sont applicables à la société holding d’assurance
de droit belge et à la compagnie financière mixte de
droit belge en cas de violation des dispositions visées
à l’alinéa 1er.
Art. 444
La Banque, en sa qualité de contrôleur du groupe,
établit la liste des sociétés holding d’assurance incluses
dans le contrôle au niveau du groupe qu’elle exerce.
Elle communique cette liste aux autorités de contrôle
des autres États membres, à l’EIOPA et à la Commission
européenne.
1026
1584/002
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
Afdeling V
Moederondernemingen met zetel in een derde land
Art. 445
Wanneer de verzekerings- of herverzekeringsonder-
neming als moederonderneming een verzekeringshol-
ding, een gemengde financiële holding van een derde
land of een verzekerings- of herverzekeringsonderne-
ming van een derde land heeft, verifieert de Bank, indien
zij de toezichthouder is die de groepstoezichthouder zou
zijn indien de criteria van artikel 247, lid 2 van Richtlijn
2009/138/EG van toepassing waren (hierna “de funge-
rend groepstoezichthouder” genoemd) of deze verze-
kerings- of herverzekeringsonderneming onderworpen
is aan een door een toezichthouder van een derde land
uitgeoefend toezicht dat gelijkwaardig is aan het toezicht
waarin Titel III van Richtlijn 2009/138/EG voorziet voor
de deelnemende verzekerings- of herverzekeringson-
dernemingen of voor de verzekerings- of herverzeke-
ringsondernemingen waarvan de moederonderneming
een verzekeringsholding of een gemengde financiële
holding met zetel in een lidstaat is.
De Bank verricht de in het eerste lid bedoelde veri-
ficatie wanneer de Europese Commissie geen gede-
legeerde handeling heeft vastgesteld overeenkomstig
artikel 260, lid 3 of 5 van Richtlijn 2009/138/EG om te
bepalen of het prudentieel regime van het betrokken
derde land gelijkwaardig is aan dat waarin Titel III van
Richtlijn 2009/138/EG voorziet. Zij doet dit op verzoek
van de moederonderneming of van de dochterverze-
kerings- of herverzekeringsonderneming of op haar
eigen initiatief.
Voor de in het tweede lid bedoelde verificatie wordt
de Bank, in haar hoedanigheid van fungerend groeps-
toezichthouder, bijgestaan door EIOPA overeenkom-
stig artikel 33, lid 2 van Verordening nr. 1094/2010. Zij
raadpleegt de betrokken toezichthouders alvorens een
besluit over de gelijkwaardigheid te nemen. Dit besluit
wordt genomen op grond van de criteria die overeen-
komstig artikel 260, lid 2 van Richtlijn 2009/138/EG zijn
vastgesteld.
In haar hoedanigheid van fungerend groepstoezicht-
houder neemt de Bank ten aanzien van een derde land
geen enkel besluit dat indruist tegen eventueel in een
eerder stadium ten aanzien van dat derde land genomen
besluiten, tenzij zulks noodzakelijk is als gevolg van
belangrijke wijzigingen in de toezichtsregeling die is
vastgelegd in Richtlijn 2009/138/EG of in de toezichts-
regeling van het derde land.
Section V
Entreprises mères ayant leur siège social dans un pays
tiers
Art. 445
Lorsque l’entreprise d’assurance ou de réassurance
a pour entreprise mère une société holding d’assurance,
une compagnie financière mixte d’un pays tiers ou une
entreprise d’assurance ou de réassurance d’un pays
tiers, la Banque, lorsqu’elle est l’autorité de contrôle qui
jouerait le rôle de contrôleur du groupe si les critères
énoncés à l’article 247, paragraphe 2, de la Directive
2009/138/CE devaient s’appliquer (ci-après dénommé
“contrôleur f.f. du groupe”), vérifie si cette entreprise
d’assurance ou de réassurance est soumise à un
contrôle par une autorité de pays tiers, équivalent à celui
prévu par le Titre III de la Directive 2009/138/CE pour les
entreprises d’assurance et de réassurance participantes
ou les entreprises d’assurance et de réassurance dont
l’entreprise mère est une société holding d’assurance
ou une compagnie financière mixte dont le siège social
est situé dans un État membre.
La Banque procède à la vérification visée à l’alinéa
1er lorsque la Commission européenne n’a pas adopté
d’acte délégué conformément à l’article 260, para-
graphe 3 ou 5 de la Directive 2009/138/CE déterminant
l’équivalence du régime prudentiel du pays tiers concer-
né, à celui établi par le Titre III de la Directive 2009/138/
CE. Elle agit à la demande de l’entreprise mère ou de
l’entreprise d’assurance ou de réassurance filiale, ou
de sa propre initiative.
Aux fins de la vérification prévue à l’alinéa 2, la
Banque, en sa qualité de contrôleur f.f. du groupe,
est assistée par l’EIOPA conformément à l’article 33,
paragraphe 2, du Règlement n° 1094/2010. Elle consulte
les autorités de contrôle concernées avant de se pro-
noncer sur l’équivalence. La décision est prise sur la
base des critères adoptés en vertu de l’article 260,
paragraphe 2 de la Directive 2009/138/CE.
La Banque, en sa qualité de contrôleur f.f. du groupe
ne prend aucune décision à l’égard d’un pays tiers qui
s’oppose à une décision prise antérieurement à l’égard
dudit pays tiers, à moins qu’il ne soit nécessaire de
prendre en compte des modifications significatives dans
le régime de contrôle instauré par la Directive 2009/138/
CE ou dans le régime de contrôle du pays tiers.
1027
1584/002
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
Art. 446
Overeenkomstig artikel 260, lid 1, vierde alinea van
Richtlijn 2009/138/EG kan de Bank de zaak aan EIOPA
voorleggen en om haar bijstand verzoeken, overeen-
komstig artikel 19 van Verordening nr. 1094/2010,
wanneer zij het oneens is met het door de fungerend
groepstoezichthouder genomen besluit over de ge-
lijkwaardigheid van de regeling voor het prudentieel
toezicht van een derde land.
Art. 447
Wanneer er sprake is van gelijkwaardig toezicht in de
zin van artikel 260 van Richtlijn 2009/138/EG, vertrouwt
de Bank op het gelijkwaardige toezicht op groepsniveau
dat wordt uitgeoefend door de toezichthouders van het
derde land, met dien verstande dat de artikelen 441 en
442 en de Afdelingen III en IV van dit Hoofdstuk van
overeenkomstige toepassing zijn op de samenwerking
met de toezichthouders van derde landen.
Het eerste lid is ook van toepassing wanneer de
Europese Commissie overeenkomstig artikel 260, lid
7 van Richtlijn 2009/138/EG heeft vastgesteld dat er
sprake is van tijdelijke gelijkwaardigheid, tenzij er in een
lidstaat een verzekerings- of herverzekeringsonderne-
ming is met een balanstotaal dat groter is dan het balan-
stotaal van de moederonderneming in een derde land.
In dat geval wordt de functie van groepstoezichthouder
uitgeoefend door de fungerend groepstoezichthouder.
Art. 448
§ 1. Indien er geen sprake is van gelijkwaardig toe-
zicht in de zin van artikel 260 van Richtlijn 2009/138/
EG, past de Bank, in haar hoedanigheid van groeps-
toezichthouder, op de verzekerings- of herverzeke-
ringsonderneming waarvan de moederonderneming
een verzekeringsholding, een gemengde financiële
holding van een derde land of een verzekerings- of
herverzekeringsonderneming van een derde land is,
op overeenkomstige wijze de bepalingen toe die door
of krachtens dit Hoofdstuk zijn vastgelegd.
De in de Afdelingen I tot IV van dit Hoofdstuk be-
doelde algemene beginselen en methodes zijn van
toepassing op het niveau van de verzekeringsholding,
de gemengde financiële holding of de verzekerings- of
herverzekeringsonderneming van het derde land.
Uitsluitend voor de berekening van de groepssolva-
biliteit wordt de moederonderneming behandeld alsof
het een verzekerings- of herverzekeringsonderneming
Art. 446
Conformément à l’article 260, paragraphe 1er, ali-
néa 4 de la Directive 2009/138/CE, la Banque peut
saisir l’EIOPA et solliciter son assistance, conformément
à l’article 19 du Règlement no 1094/2010, lorsqu’elle
est en cas de désaccord avec la décision prise par le
contrôleur f.f. du groupe sur l’équivalence du régime de
contrôle prudentiel d’un pays tiers.
Art. 447
En cas d’équivalence de contrôle, au sens de l’article
260 de la Directive 2009/138/CE, la Banque s’appuie
sur le contrôle au niveau du groupe exercé de façon
équivalente par les autorités de pays tiers, étant entendu
que les articles 441 et 442 ainsi que les Sections III et
IV du présent Chapitre sont applicables par analogie à
la coopération avec les autorités de pays tiers.
L’alinéa 1er est également applicable en cas d’équi-
valence temporaire déterminée par la Commission
européenne conformément à l’article 260, paragraphe
7 de la Directive 2009/138/CE, sauf si une entreprise
d’assurance ou de réassurance située dans un État
membre présente un bilan total supérieur au bilan total
de l’entreprise mère située dans un pays tiers. Dans ce
cas, la tâche du contrôleur du groupe est exercée par
le contrôleur f.f. du groupe.
Art. 448
§ 1er. À défaut de contrôle équivalent au sens de
l’article 260 de la Directive 2009/138/CE, la Banque, en
sa qualité de contrôleur du groupe, applique à l’entre-
prise d’assurance ou de réassurance dont l’entreprise
mère est une société holding d’assurance, une compa-
gnie financière mixte d’un pays tiers ou une entreprise
d’assurance ou de réassurance d’un pays tiers, de
manière analogue les dispositions prévues par ou en
vertu du présent Chapitre.
Les principes généraux et méthodes visés aux
Sections Ire à IV du présent Chapitre s’appliquent au
niveau de la société holding d’assurance, de la com-
pagnie financière mixte ou de l’entreprise d’assurance
ou de réassurance du pays tiers.
Aux seules fins du calcul de la solvabilité du groupe,
l’entreprise mère est considérée comme une entreprise
d’assurance ou de réassurance soumise aux mêmes
1028
1584/002
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
was die onderworpen is aan dezelfde voorwaarden als
die van de artikelen 140 tot 150, wat het voor de dek-
king van het solvabiliteitskapitaalvereiste in aanmerking
komend eigen vermogen betreft en aan:
1° een overeenkomstig de beginselen van artikel
366 bepaald solvabiliteitskapitaalvereiste indien het
een verzekeringsholding of een gemengde financiële
holding betreft;
2° een overeenkomstig de beginselen van artikel
367 bepaald solvabiliteitskapitaalvereiste indien het een
verzekerings- of herverzekeringsonderneming van een
derde land betreft.
§ 2. In afwijking van paragraaf 1, is de Bank, in haar
hoedanigheid van groepstoezichthouder, gemachtigd
om na overleg met de betrokken toezichthouders, an-
dere methodes toepassen die een passend toezicht op
de in het eerste lid bedoelde verzekerings- of herver-
zekeringsonderneming waarborgen en de mogelijkheid
bieden de doeleinden van het toezicht op groepsniveau
als omschreven in Titel III van Richtlijn 2009/138/EG te
verwezenlijken.
De Bank kan meer bepaald verlangen dat een verze-
keringsholding met zetel in de Europese Economische
Ruimte of een gemengde financiële holding met zetel
in de Europese Economische Ruimte wordt opgericht,
en op de verzekerings- of herverzekeringsondernemin-
gen in de groep aan het hoofd waarvan deze verzeke-
ringsholding of gemengde financiële holding staat, dit
Hoofdstuk toepassen.
De Bank deelt aan de betrokken toezichthouders en
aan de Europese Commissie alle besluiten mee die
overeenkomstig deze paragraaf worden genomen.
Art. 449
Wanneer de in artikel 445 bedoelde moederonder-
neming zelf een dochteronderneming van een verzeke-
ringsholding of een gemengde financiële holding met
zetel in een derde land, dan wel een verzekerings- of
herverzekeringsonderneming van een derde land is,
voert de Bank als fungerend groepstoezichthouder de
verificatie als bedoeld in artikel 445 alleen uit op het
niveau van de uiteindelijke moederonderneming die
een verzekeringsholding van een derde land, een ge-
mengde financiële holding van een derde land of een
verzekerings- of herverzekeringsonderneming van een
derde land is.
conditions que celles établies aux articles 140 à 150, en
ce qui concerne les fonds propres éligibles pour couvrir
le capital de solvabilité requis et à l’une des exigences
suivantes:
1° un capital de solvabilité requis déterminé confor-
mément aux principes de l’article 366 s’il s’agit d’une
société holding d’assurance ou d’une compagnie
financière mixte;
2° un capital de solvabilité requis déterminé confor-
mément aux principes de l’article 367 s’il s’agit d’une
entreprise d’assurance ou de réassurance d’un pays
tiers.
§ 2. Par dérogation au paragraphe 1er, la Banque,
en sa qualité de contrôleur du groupe, est habilitée,
après consultation des autorités de contrôle concer-
nées, à appliquer d’autres méthodes garantissant un
contrôle approprié de l’entreprise d’assurance ou de
réassurance visée au paragraphe 1er et permettant la
réalisation des objectifs de contrôle au niveau du groupe
conformément au Titre III de la Directive 2009/138/CE.
La Banque peut, en particulier, exiger la constitution
d’une société holding d’assurance ayant son siège
social dans l’Espace économique européen ou d’une
compagnie financière mixte ayant son siège social
dans l’Espace économique européen et appliquer le
présent Chapitre aux entreprises d’assurance ou de
réassurance du groupe dirigé par cette société holding
d’assurance ou cette compagnie financière holding
mixte.
La Banque communique aux autorités de contrôle
concernées et à la Commission européenne toute
décision prise en application du présent paragraphe.
Art. 449
Lorsque l’entreprise mère visée à l’article 445 est
elle-même filiale d’une société holding d’assurance ou
d’une compagnie financière mixte ayant son siège social
dans un pays tiers ou d’une entreprise d’assurance
ou de réassurance d’un pays tiers, la Banque, en sa
qualité de contrôleur f.f. du groupe, procède à la vérifi-
cation prévue par l’article 445 uniquement au niveau de
l’entreprise mère supérieure qui est une société holding
d’assurance d’un pays tiers, une compagnie financière
mixte d’un pays tiers ou une entreprise d’assurance ou
de réassurance d’un pays tiers.
1029
1584/002
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
In haar hoedanigheid van fungerend groepstoe-
zichthouder kan de Bank evenwel, bij gebreke van
een gelijkwaardig toezicht in de zin van artikel 260 van
Richtlijn 2009/138/EG, een nieuwe verificatie uitvoeren
op een lager niveau waar er een moederonderneming
van verzekerings- of herverzekeringsondernemingen
bestaat, ongeacht of het een verzekeringsholding van
een derde land, een gemengde financiële holding van
een derde land of een verzekerings- of herverzekerings-
onderneming van een derde land betreft. Zij legt haar
besluit uit aan de groep.
Artikel 448 is van overeenkomstige toepassing.
Afdeling VI
Gemengde verzekeringsholdings
Art. 450
§ 1. Wanneer een of meer verzekerings- of herverze-
keringsondernemingen naar Belgisch recht als moeder-
onderneming een gemengde verzekeringsholding heb-
ben, kan de Bank alle gegevens en inlichtingen vragen
die zij nodig acht voor de uitoefening van haar toezicht
op individuele basis en op groepsniveau, op deze ver-
zekerings- of herverzekeringsondernemingen, hetzij
rechtstreeks van de gemengde verzekeringsholding,
hetzij via de dochterverzekerings- of herverzekerings-
ondernemingen. In dit laatste geval blijft de gemengde
verzekeringsholding samen met de rapporterende
verzekerings- of herverzekeringsonderneming verant-
woordelijk voor de juistheid en stipte mededeling van
de verstrekte informatie.
Indien de in het eerste lid bedoelde gemengde
verzekeringsholding een onderneming naar Belgisch
recht is, beschikt zij over een passende administratieve
en boekhoudkundige organisatie en interne controle,
teneinde de juistheid en conformiteit met de geldende
regels te waarborgen van de te verstrekken gegevens
en inlichtingen.
§ 2. De Bank kan de met toepassing van paragraaf
1 verstrekte gegevens en inlichtingen ter plaatse
controleren.
Indien de gemengde verzekeringsholding of een van
haar dochterondernemingen in een andere lidstaat dan
België is gevestigd, geschiedt de controle ter plaatse
van de informatie in overeenstemming met de procedure
die vervat is in artikel 429. Indien die gemengde verze-
keringsholding of een van de dochterondernemingen
La Banque, en sa qualité de contrôleur f.f. du groupe,
peut toutefois, en l’absence d’un contrôle équivalent
au sens de l’article 260 de la Directive 2009/108/CE,
procéder à une nouvelle vérification à un niveau inférieur
où existe une entreprise mère d’entreprises d’assurance
ou de réassurance, que ce soit au niveau d’une société
holding d’assurance d’un pays tiers, d’une compagnie
financière mixte d’un pays tiers ou d’une entreprise
d’assurance ou de réassurance d’un pays tiers. Elle
explique sa décision au groupe.
L’article 448 est applicable par analogie.
Section VI
Sociétés holding mixtes d’assurance
Art. 450
§ 1er. Lorsqu’une ou plusieurs entreprises d’assu-
rance ou de réassurance de droit belge ont pour entre-
prise mère une société holding mixte d’assurance, la
Banque peut demander toutes les données et informa-
tions qu’elle juge nécessaires pour l’exercice de son
contrôle sur base individuelle et au niveau du groupe,
de ces entreprises d’assurance ou de réassurance, soit
directement à la société holding mixte d’assurance, soit
par l’intermédiaire des entreprises d’assurance ou de
réassurance filiales. Dans ce dernier cas, la société
holding mixte d’assurance demeure, avec l’entreprise
d’assurance ou de réassurance faisant rapport, res-
ponsable du caractère correct et de la communication
ponctuelle des informations fournies.
Si la société holding mixte d’assurance visée à l’ali-
néa 1er est une entreprise de droit belge, elle dispose
d’une organisation administrative et comptable et d’un
contrôle interne adéquats, afin de garantir que les infor-
mations et renseignements à fournir soient corrects et
conformes aux règles applicables.
§ 2. La Banque peut contrôler sur place les données
et informations fournies en application du paragraphe 1er.
Si la société holding mixte d’assurance ou une de
ses filiales est établie dans un État membre autre que
la Belgique, le contrôle sur place des informations
se fait selon la procédure énoncée à l’article 429. Si
cette société holding mixte d’assurance ou une de ses
filiales est un établissement de crédit ou une entreprise
1030
1584/002
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
daarvan een kredietinstelling of een beleggingsonder-
neming is, kan ook de procedure van artikel 420 worden
gevolgd.
Wanneer de gemengde verzekeringsholding of een
van haar dochterondernemingen haar zetel buiten de
Europese Economische Ruimte heeft, worden de mo-
daliteiten voor de uitvoering van het bepaalde bij para-
graaf 1 vastgelegd in samenwerkingsovereenkomsten
tussen de Bank en de betrokken autoriteiten van derde
landen, in voorkomend geval overeenkomstig artikel
36/16, § 2 van de wet van 22 februari 1998, of in samen-
werkingsovereenkomsten die de Europese Commissie
heeft gesloten overeenkomstig het bepaalde in artikel
264 van Richtlijn 2009/138/EG.
§ 3. De Bank kan de met toepassing van paragraaf
1 verstrekte gegevens en inlichtingen laten verifiëren
op hun juistheid en volledigheid:
1° wanneer de rapporterende onderneming een
vennootschap naar Belgisch recht is, door de erkend
commissaris van deze onderneming;
2° wanneer de rapporterende onderneming haar
zetel buiten België heeft, door de erkend commissaris
van de verzekerings- of herverzekeringsonderneming
naar Belgisch recht die een dochteronderneming van
de gemengde verzekeringsholding is.
Wat de gegevens en inlichtingen betreft die uitgaan
van gemengde holdings en hun dochterondernemingen,
is voor de erkend commissarissen het recht bedoeld in
artikel 440 op overeenkomstige wijze van toepassing.
§ 4. De in paragraaf 1 bedoelde gegevens en in-
lichtingen moeten de Bank met name in staat stellen
de volgende aspecten te beoordelen: de soliditeit van
de verzekerings- of herverzekeringsonderneming, de
invloed van de gemengde verzekeringsholding op
het beleid van de dochterverzekerings- of -herverze-
keringsondernemingen, en de transacties tussen de
verzekerings- of herverzekeringsonderneming en de
gemengde verzekeringsholding.
§ 5. De in paragraaf 1 bedoelde verzekerings- of
herverzekeringsondernemingen beschikken over pas-
sende risicobeheerprocessen en internecontrolemecha-
nismen, met inbegrip van gedegen rapporterings- en
boekhoudkundige systemen, met het oog op een pas-
sende herkenning, meting, bewaking en controle van
transacties met hun gemengde moederverzekerings-
holding en de met haar verbonden ondernemingen.
Zij rapporteren alle belangrijke transacties met deze
d’investissement, la procédure énoncée à l’article
420 peut également être appliquée.
Lorsque la société holding mixte d’assurance ou une
de ses filiales a son siège social en dehors de l’Espace
économique européen, les modalités d’exécution
des dispositions du paragraphe 1er sont réglées dans
des accords de coopération que la Banque conclut
avec les autorités de pays tiers concernés, le cas
échéant conformément à l’article 36/16, § 2 de la loi
du 22 février 1998 ou que la Commission européenne
a conclus conformément aux dispositions de l’article
264 de la Directive 2009/138/CE.
§ 3. La Banque peut faire vérifier le caractère correct
et complet des informations et renseignements commu-
niqués en application du paragraphe 1er:
1° lorsque l’entreprise faisant rapport est une société
de droit belge, par le commissaire de cette entreprise;
2° lorsque l’entreprise faisant rapport a établi son
siège social en dehors de la Belgique, par le commis-
saire agréé de l’entreprise d’assurance ou de réas-
surance de droit belge que la société holding mixte
d’assurance a pour filiale.
En ce qui concerne les informations et renseigne-
ments émanant de compagnies mixtes et de leurs
filiales, le droit visé à l’article 440 s’applique par ana-
logie aux commissaires agréés.
§ 4. Les informations et renseignements visés au pa-
ragraphe 1er doivent permettre à la Banque d’apprécier,
notamment, la solidité des entreprise d’assurance ou
de réassurance, l’influence de la société holding mixte
d’assurance sur la gestion des entreprises d’assurance
ou de réassurance filiales, et les opérations des entre-
prises d’assurance ou de réassurance avec la société
holding mixte d’assurance.
§ 5. Les entreprises d’assurance ou de réassurance
visées au paragraphe 1er disposent de processus de
gestion des risques, ainsi que de mécanismes de
contrôle interne adéquats, y compris de procédures
saines d’information et de comptabilité, afin de détec-
ter, de mesurer, de suivre et de contrôler de manière
appropriée les transactions effectuées avec leur société
holding mixte d’assurance mère et les entreprises
liées à celle-ci. Elles déclarent toutes les transactions
1031
1584/002
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
entiteiten. Deze procedures en belangrijke transacties
worden door de Bank gecontroleerd.
De artikelen 390, 391, 417 tot 430, 441, leden 1, 2°,
2 en 3, en 442 zijn van overeenkomstige toepassing.
Indien de aard en de omvang van de in het eerste
lid bedoelde transacties een bedreiging vormen voor
de financiële positie van de dochterverzekerings- of
-herverzekeringsonderneming naar Belgisch recht,
neemt de Bank passende maatregelen. Onverminderd
eventuele andere maatregelen kan zij eisen dat deze
verrichtingen worden stopgezet.
HOOFDSTUK III
Aanvullend conglomeraatstoezicht
Afdeling I
Toepassingsgevallen, reikwijdte en niveaus van het
aanvullende conglomeraatstoezicht
Onderafdeling I
Toepassingsgevallen van het aanvullende
conglomeraatstoezicht
Art. 451
In de mate en op de wijze bepaald in dit Hoofdstuk
en de uitvoeringsbesluiten en -reglementen ervan zijn
verzekerings- of herverzekeringsondernemingen naar
Belgisch recht
1° die aan het hoofd staan van een financieel con-
glomeraat; of
2° met als moederonderneming een gemengde fi-
nanciële holding met zetel in een lidstaat
o n d e r w o r p e n a a n e e n a a n v u l l e n d
conglomeraatstoezicht.
Indien meerdere gereglementeerde ondernemingen
dochteronderneming zijn van de in het eerste lid, 2°
bedoelde gemengde financiële holding, is het aanvul-
lende conglomeraatstoezicht alleen van toepassing
op de verzekerings- of herverzekeringsonderneming
naar Belgisch recht voor zover de Bank, met toepas-
sing van artikel 471 bevoegd is voor het aanvullende
conglomeraatstoezicht.
Het aanvullende conglomeraatstoezicht doet
geen afbreuk aan het individuele toezicht van elke
d’importance significative effectuées avec ces entités.
Ces procédures et transactions d’importance significa-
tive font l’objet d’un contrôle par la Banque.
Les articles 390, 391, 417 à 430, 441, alinéas 1er, 2°,
2 et 3, et 442 sont applicables par analogie.
Si la nature et l’ampleur des transactions visées à
l’alinéa 1er compromettent la situation financière de
l’entreprise d’assurance ou de réassurance de droit
belge filiale, la Banque prend des mesures appropriées.
Sans préjudice d’autres mesures éventuelles, elle peut
exiger qu’il soit mis fin à ces opérations.
CHAPITRE III
Surveillance complémentaire des conglomérats
Section Ire
Cas d’application, portée et niveaux de la surveillance
complémentaire des conglomérats
Sous-section Ire
Cas d’application de la surveillance complémentaire des
conglomérats
Art. 451
Dans la mesure et selon les modalités prévues
par le présent Chapitre et ses arrêtés et règlements
d’exécution, les entreprises d’assurance ou de réas-
surance de droit belge:
1° qui sont à la tête d’un conglomérat financier; ou
2° dont l’entreprise mère est une société financière
mixte ayant son siège dans un État membre
sont soumises à une surveillance complémentaire
des conglomérats.
Si plusieurs entreprises réglementées sont des filiales
de la compagnie financière mixte visée à l’alinéa 1er,
2°, la surveillance complémentaire des conglomérats
s’applique uniquement à l’entreprise d’assurance ou de
réassurance de droit belge, pour autant que la Banque
soit compétente pour la surveillance complémentaire
des conglomérats en application de l’article 471.
La surveillance complémentaire des conglomérats
ne porte pas préjudice au contrôle individuel de toute
1032
1584/002
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
gereglementeerde onderneming die binnen de reik-
wijdte van het het aanvullende conglomeraatstoezicht
valt, behoudens andersluidende bepalingen die door of
krachtens dit Hoofdstuk zijn vastgelegd. Er kan evenwel
rekening worden gehouden met de implicaties van het
aanvullende conglomeraatstoezicht bij de bepaling van
de inhoud en de modaliteiten van het individueel toezicht
op verzekerings- of herverzekeringsondernemingen.
Art. 452
§ 1. Om te bepalen of een groep een financieel
conglomeraat is in de zin van artikel 340, 2°, zijn de
in de volgende paragrafen bepaalde drempels van
toepassing.
§ 2. De activiteiten van een groep worden geacht in
hoofdzaak in de financiële sector plaats te vinden in de
zin van artikel 340, 2°, b), i), indien de verhouding tussen
het gezamenlijk balanstotaal van de tot de financiële
sector behorende ondernemingen in de groep, en het
gezamenlijke balanstotaal van alle tot de groep beho-
rende ondernemingen groter is dan 40 %.
§ . 3. De activiteiten van de tot een groep behorende
ondernemingen uit eenzelfde financiële sector worden
geacht significant te zijn in de zin van artikel 340, 2°, a),
iii) of b), iii), indien:
1° hetzij het gemiddelde van de volgende twee ver-
houdingen groter is dan 10 %: de verhouding tussen
het gezamenlijke balanstotaal van alle ondernemingen
in de groep die behoren tot diezelfde financiële sector
en het gezamenlijke balanstotaal van alle tot de groep
behorende ondernemingen uit de financiële sector, en
de verhouding tussen de gezamenlijke solvabiliteitsver-
eisten van alle ondernemingen in de groep die beho-
ren tot diezelfde financiële sector en de gezamenlijke
solvabiliteitsvereisten van alle tot de groep behorende
ondernemingen uit de financiële sector;
2° hetzij het gezamenlijke balanstotaal van de onder-
nemingen die behoren tot de kleinste financiële sector
in de groep groter is dan 6 miljard euro;
Voor de toepassing van het eerste lid:
1° worden de banksector en de beleggingsdiensten-
sector samengenomen en beschouwd als behorende
tot eenzelfde financiële sector;
2° wordt onder de kleinste financiële sector in een
financieel conglomeraat verstaan, de financiële sector
met het kleinste gemiddelde en onder de belangrijkste
entreprise réglementée qui relève de la portée de la
surveillance complémentaire des conglomérats, sauf
dispositions contraires prévues par ou en vertu du
présent Chapitre. Il peut toutefois être tenu compte
des implications de la surveillance complémentaire
des conglomérats dans la détermination du contenu
et des modalités du contrôle individuel des entreprises
d’assurance ou de réassurance.
Art. 452
§ 1er. Pour déterminer si un groupe est un conglomérat
financier au sens de l’article 340, 2°, les seuils définis
aux paragraphes suivants sont d’application.
§ 2. Les activités d’un groupe sont réputées s’exer-
cer principalement dans le secteur financier au sens
de l’article 340, 2°, b), i), si le rapport entre le total du
bilan commun des entreprises du groupe appartenant
au secteur financier et le total du bilan commun de
l’ensemble des entreprises du groupe dépasse 40 %.
§ 3. Les activités des entreprises d’un groupe qui
font partie du même secteur financier sont réputées
importantes au sens de l’article 340, 2°, a), iii) ou b), iii) si
1° soit la moyenne des deux rapports suivants est
supérieure à 10 %: le rapport entre le total du bilan com-
mun de l’ensemble des entreprises du groupe qui font
partie dudit même secteur financier et le total du bilan
commun de l’ensemble des entreprises du groupe qui
appartiennent au secteur financier, et le rapport entre les
exigences de solvabilité communes de l’ensemble des
entreprises du groupe qui font partie dudit même secteur
financier et les exigences de solvabilité communes de
l’ensemble des entreprises du groupe qui appartiennent
au secteur financier;
2° soit le total du bilan commun des entreprises qui
font partie du secteur financier le moins important au
sein du groupe est supérieur à 6 milliards d’euros.
Pour l’application de l’alinéa 1er:
1° le secteur bancaire et le secteur des services
d’investissement sont agrégés et considérés comme
faisant partie du même secteur financier;
2° le secteur financier le moins important au sein
d’un conglomérat financier s’entend du secteur financier
qui présente la moyenne la plus basse et le secteur
1033
1584/002
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
financiële sector in een financieel conglomeraat, de
sector met het grootste gemiddelde.
§ 4. De relevante bevoegde autoriteiten kunnen bij
onderlinge overeenkomst besluiten een groep niet als
een financieel conglomeraat aan te merken of kunnen
besluiten de bepalingen van de artikelen 7, 8, 9 en 9bis
van Richtlijn 2002/87/EG niet toe te passen, indien zij
oordelen dat het onder de werkingssfeer van het aan-
vullende conglomeraatstoezicht brengen van de groep
of de toepassing van die bepalingen in het licht van de
doeleinden van het aanvullende conglomeraatstoezicht
onnodig, ongepast of misleidend is, in de hierna vol-
gende gevallen:
1° indien de groep de in paragraaf 3, eerste lid, 2°
bedoelde drempel bereikt, maar het in paragraaf 3,
eerste lid, 1° bedoelde gemiddelde onder de 10 % blijft;
2° indien de groep het in paragraaf 3, eerste lid, 1°
bedoelde gemiddelde bereikt, maar de kleinste sector
onder het in paragraaf 3, eerste lid, 2° bedoelde bedrag
van 6 miljard euro blijft.
Besluiten genomen met toepassing van het eerste
lid worden aan de andere bevoegde autoriteiten mee-
gedeeld, en deze worden, behoudens buitengewone
omstandigheden, door de bevoegde autoriteiten open-
baar gemaakt.
§ 5. Voor de toepassing van de paragrafen 2 tot 4 kun-
nen de relevante bevoegde autoriteiten gezamenlijk
beslissen om:
1° voor de berekening van de drempels een onderne-
ming buiten beschouwing te laten, om dezelfde reden als
zij met toepassing van artikel 458, § 2 kunnen worden
weggelaten voor de berekening van de solvabiliteitsver-
eisten, tenzij de entiteit van een lidstaat naar een derde
land verhuisd is en er aanwijzingen zijn dat de entiteit
haar locatie veranderd heeft om zich aan de regulering
te onttrekken;
2° een groep die niet meer voldoet aan de drempels
van de paragrafen 2 tot 4, maar die er gedurende drie
opeenvolgende jaren aan voldaan heeft, als een finan-
cieel conglomeraat aan te merken teneinde een plotse
verandering van toezichtregime te voorkomen, dan wel
anders te beslissen of een eerder genomen beslissing
te herzien omwille van blijvende significante wijzigingen
in de structuur van de groep;
3° één of meer deelnemingen in de kleinste sector
buiten beschouwing laten indien deze deelnemingen
bepalend zijn voor de identificatie van een groep als
financier le plus important au sein d’un conglomérat
financier s’entend du secteur qui présente la moyenne
la plus élevée.
§ 4. Les autorités compétentes relevantes peuvent
décider, d’un commun accord, de ne pas considérer
un groupe comme un conglomérat financier ou de ne
pas appliquer les dispositions des articles 7, 8 et 9 et
9bis de la Directive 2002/87/CE, si elles estiment que
l’inclusion du groupe dans le champ d’application de
la surveillance complémentaire des conglomérats ou
l’application de ces dispositions n’est pas nécessaire,
ou inappropriée ou source de confusion eu égard aux
objectifs de la surveillance complémentaire des conglo-
mérats et ce, dans les cas suivants:
1° si le groupe atteint le seuil visé au paragraphe 3, ali-
néa 1er, 2°, mais que la moyenne visée au paragraphe 3,
alinéa 1er, 1° ne dépasse pas les 10 %;
2° si le groupe atteint la moyenne visée au para-
graphe 3, alinéa 1er, 1°, mais que le secteur le moins
important reste sous le montant de 6 milliards d’euros
visé au paragraphe 3, alinéa 1er, 2°.
Les décisions qui sont prises en application de l’ali-
néa 1er sont communiquées aux autres autorités com-
pétentes, et celles-ci sont publiées, sauf circonstances
exceptionnelles, par les autorités compétentes.
§ 5. Pour l’application des paragraphes 2 à 4, les
autorités compétentes relevantes peuvent décider d’un
commun accord:
1° de ne pas inclure une entreprise dans le calcul des
seuils, pour la même raison que cette entreprise peut,
en application de l’article 458, § 2 ne pas être incluse
dans le calcul des exigences de solvabilité, sauf dans le
cas où l’entité a été transférée d’un État membre dans
un pays tiers et où il y a des indications qu’elle a changé
d’implantation à seule fin d’éviter la réglementation;
2° de considérer comme un conglomérat financier
un groupe qui ne satisfait plus aux seuils prévus aux
paragraphes 2 à 4, mais qui y a satisfait pendant trois
années consécutives, de manière à éviter un brusque
changement de régime de surveillance, ou de prendre
une autre décision, voire de reconsidérer une décision
antérieure, en cas de modification importante et durable
de la structure du groupe;
3° d’exclure une ou plusieurs participations dans le
secteur le moins important si ces participations sont
déterminantes pour l’identification d’un groupe en tant
1034
1584/002
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
financieel conglomeraat en samengenomen van te
verwaarlozen belang zijn gelet op de doelstellingen van
het aanvullende conglomeraatstoezicht.
Indien een groep overeenkomstig de paragrafen 2 tot
4 als financieel conglomeraat wordt aangemerkt, wor-
den de in het eerste lid van deze paragraaf bedoelde
beslissingen genomen op basis van een voorstel van
de Bank indien deze coördinator is.
§ 6. Voor de toepassing van paragraaf 2 en para-
graaf 3, eerste lid, 1° kunnen de relevante bevoegde
autoriteiten in uitzonderlijke gevallen bij onderlinge over-
eenkomst het gezamenlijke balanstotaal als parameter
vervangen door, of aanvullen met, één of meer van
de hierna volgende andere parameters, indien zij van
oordeel zijn dat deze andere parameters in het licht van
de doelstellingen van het aanvullende conglomeraats-
toezicht een betere weergave zijn van het bedrijf van
de groep; deze andere parameters zijn: de inkomens-
structuur, activiteiten buiten balanstelling van de groep
en totaal beheerd vermogen. De Bank bepaalt in haar
hoedanigheid van coördinator hoe deze parameters
dienen te worden berekend.
§ 7. Indien een aan aanvullend conglomeraatstoezicht
onderworpen financieel conglomeraat niet meer voldoet
aan een of meerdere van de in de paragrafen 2 tot
4 bepaalde drempels, worden de drempels gedurende
de drie volgende jaren als volgt vervangen: 40 % wordt
35 %, 10 % wordt 8 % en 6 miljard euro wordt 5 mil-
jard euro, om plotse veranderingen van toezichtregime
te voorkomen.
In afwijking van het eerste lid kan de Bank, in haar
hoedanigheid van coördinator, na instemming van de
andere relevante bevoegde autoriteiten, beslissen
deze lagere drempels niet of niet meer toe te pas-
sen in de voornoemde periode van drie jaar, rekening
houdend met de doelstellingen van het aanvullende
conglomeraatstoezicht.
§ 8. De in dit artikel bedoelde berekeningen inzake
het gezamenlijke balanstotaal worden gemaakt op ba-
sis van het geaggregeerde balanstotaal van de tot de
groep behorende ondernemingen, uitgaande van hun
meest recente jaarrekening, volgens de voorschriften
bepaald door de Bank, indien deze coördinator is.
Ondernemingen waarin de groep deelnemingen heeft,
worden in aanmerking genomen voor het bedrag van
hun balanstotaal dat overeenkomt met het geaggregeer-
de proportionele aandeel van de groep. Indien voor een
bepaalde groep of delen van de groep geconsolideerde
jaarrekeningen worden opgesteld, worden deze gebruikt
voor de berekeningen.
que conglomérat financier et si, collectivement, elles
présentent un intérêt négligeable au regard des objectifs
de la surveillance complémentaire.
Si un groupe est qualifié de conglomérat financier
conformément aux paragraphes 2 à 4, les décisions
visées à l’alinéa 1er du présent paragraphe sont prises
sur la base d’une proposition de la Banque si elle est
coordinateur.
§ 6. Pour l’application du paragraphe 2 et du para-
graphe 3, alinéa 1er, 1°, les autorités compétentes rele-
vantes peuvent, dans des cas exceptionnels et d’un
commun accord, remplacer ou compléter le paramètre
fondé sur le total du bilan commun par l’un des para-
mètres suivants ou par plusieurs d’entre eux, si elles
estiment que ces paramètres, eu égard aux objectifs
de la surveillance complémentaire des conglomérats,
reproduisent mieux l’activité du groupe; ces paramètres
sont la structure des revenus, les activités hors bilan du
groupe et les actifs totaux sous gestion. La Banque, en
sa qualité de coordinateur, définit le mode de calcul de
ces paramètres.
§ 7. Si un conglomérat financier soumis à la surveil-
lance complémentaire ne satisfait plus à un ou plusieurs
des seuils fixés aux paragraphes 2 à 4, ces seuils sont
remplacés pour les trois années suivantes, par les
seuils suivants: 40 % devient 35 %, 10 % devient 8 %
et 6 milliards d’euros devient 5 milliards d’euros, afin
d’éviter de brusques changements de régime.
Par dérogation à l’alinéa 1er, la Banque, en sa qualité
de coordinateur, peut décider, avec l’accord des autres
autorités compétentes relevantes, de ne pas ou de ne
plus appliquer ces seuils inférieurs durant la période de
trois ans précitée, en tenant compte des objectifs de la
surveillance complémentaire des conglomérats.
§ 8. Les calculs relatifs au total du bilan commun, tels
que visés dans le présent article, sont effectués sur la
base du total du bilan agrégé des entreprises faisant par-
tie du groupe, en partant de leurs comptes annuels les
plus récents, selon les règles définies par la Banque si
elle est coordinateur. Les entreprises dans lesquelles le
groupe détient des participations sont prises en compte
à concurrence du montant de leur total de bilan qui cor-
respond à la part proportionnelle agrégée détenue par
le groupe. Si, pour un groupe déterminé ou des parties
du groupe, des comptes consolidés sont établis, les
calculs sont effectués à partir de ces comptes.
1035
1584/002
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
De in dit artikel bedoelde solvabiliteitsvereisten wor-
den berekend volgens de bepalingen van de sectorale
regelgeving die op de betrokken gereglementeerde
ondernemingen van toepassing is.
§ 9. De bevoegde autoriteiten herbeoordelen op
jaarbasis de vrijstellingen van de toepassing van het
aanvullende conglomeraatstoezicht en evalueren de
kwantitatieve indicatoren waarin dit artikel voorziet,
alsmede de risicobeoordelingen van financiële groepen.
Art. 453
§ 1. De Bank gaat na of verzekerings- of herverzeke-
ringsondernemingen die overeenkomstig het Belgisch
recht een vergunning hebben verkregen, deel uitmaken
van een financieel conglomeraat. Daartoe werkt de
Bank nauw samen met de bevoegde autoriteiten van
andere tot die groep behorende gereglementeerde
ondernemingen die overeenkomstig het Europees recht
een vergunning hebben verkregen. Indien de Bank
van oordeel is dat de betrokken groep een financieel
conglomeraat is en niet reeds aan aanvullend conglo-
meraatstoezicht onderworpen is, dan deelt zij dit mee
aan de andere relevante bevoegde autoriteiten en aan
het Gemengd Comité.
§ 2. In haar hoedanigheid van coördinator, stelt de
Bank de moederonderneming van de groep, of bij ont-
stentenis van een moederonderneming, de gereglemen-
teerde onderneming met het grootste balanstotaal in de
belangrijkste financiële sector in de groep, in kennis van
de identificatie van de groep als een financieel conglo-
meraat, alsmede van haar aanwijzing als coördinator. Zij
informeert hierover eveneens de bevoegde autoriteiten
van andere tot de groep behorende gereglementeerde
ondernemingen die overeenkomstig het Europees recht
een vergunning hebben verkregen, de bevoegde auto-
riteiten van de lidstaat waar de gemengde financiële
holding haar zetel heeft, het Gemengd Comité, alsook,
zo zij dit noodzakelijk acht in het licht van de doelstel-
lingen van het aanvullende conglomeraatstoezicht, de
autoriteiten van derde landen.
Onderafdeling II
Reikwijdte van het aanvullende conglomeraatstoezicht
Art. 454
De in artikel 451 bedoelde verzekerings- of herver-
zekeringsondernemingen voldoen aan de vereisten
Les exigences de solvabilité visées dans le présent
article sont calculées selon les dispositions de la régle-
mentation sectorielle qui est applicable aux entreprises
réglementées concernées.
§ 9. Les autorités compétentes réévaluent sur une
base annuelle les dispenses à l’application de la sur-
veillance complémentaire du conglomérat et examinent
les indicateurs quantitatifs prévus au présent article
ainsi que les évaluations, fondées sur les risques, des
groupes financiers.
Art. 453
§ 1er. La Banque vérifie si les entreprises d’assurance
ou de réassurance agréées conformément au droit
belge, font partie d’un conglomérat financier. Elle opère
à cet effet en étroite collaboration avec les autorités
compétentes d’autres entreprises réglementées appar-
tenant à ce groupe qui sont agréées conformément au
droit européen. Si la Banque estime que le groupe en
question est un conglomérat financier et que ce dernier
Ne soit pas déjà soumis à une surveillance complémen-
taire des conglomérats, elle en avise les autres autorités
compétentes relevantes et le comité mixte.
§ 2. La Banque, en sa qualité de coordinateur, informe
l’entreprise mère du groupe ou, à défaut d’entreprise
mère, l’entreprise réglementée qui affiche le total du
bilan le plus élevé dans le secteur financier le plus
important du groupe, du fait que le groupe a été identifié
comme conglomérat financier et qu’elle a été désignée
comme coordinateur. Elle en informe également les
autorités compétentes des autres entreprises régle-
mentées appartenant à ce groupe qui sont agréées
conformément au droit européen, les autorités com-
pétentes de l’État dans lequel la compagnie financière
mixte a son siège social, le comité mixte, ainsi que,
si elle le juge nécessaire eu égard aux objectifs de la
surveillance complémentaire des conglomérats, les
autorités de pays tiers.
Sous-section II
Portée de la surveillance complémentaire des
conglomérats
Art. 454
Les entreprises d’assurance ou de réassurance
visées à l’article 451 répondent aux exigences visées
1036
1584/002
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
van de artikelen 459 tot 467 op het niveau van het
financieel conglomeraat. Deze reikwijdte van het aan-
vullende conglomeraatstoezicht stemt overeen met
alle ondernemingen, hetzij gereglementeerd, hetzij
ongereglementeerd, die deel uitmaken van de groep
als gedefinieerd in artikel 340, 1° vertrekkende vanuit de
verzekerings- of herverzekeringsonderneming aan het
hoofd van het financieel conglomeraat dan wel vanuit de
gemengde financiële holding met zetel in de Europese
Economische Ruimte.
Art. 455
Het aanvullende conglomeraatstoezicht heeft niet tot
gevolg dat op een gemengde financiële holding en op
elke andere in de reikwijdte van dit toezicht opgenomen
onderneming individueel toezicht wordt uitgeoefend.
Onderafdeling III
Niveaus van het aanvullende conglomeraatstoezicht
Art. 456
Wanneer een financieel conglomeraat zelf deel uit-
maakt van een ander financieel conglomeraat dat aan
een aanvullend conglomeraatstoezicht is onderworpen,
kan de Bank, in haar hoedanigheid van coördinator, de
in artikel 451 bedoelde verzekerings- of herverzeke-
ringsondernemingen die deel uitmaken van de subgroep
geheel of gedeeltelijk vrijstellen van het aanvullende
conglomeraatstoezicht indien de doelstellingen ervan
in voldoende mate bereikt worden door het aanvul-
lende conglomeraatstoezicht op het ander financieel
conglomeraat.
Afdeling II
Domeinen van het aanvullende conglomeraatstoezicht
Onderafdeling I
Aanvullend solvabiliteitstoezicht
Art. 457
De in artikel 451 bedoelde verzekerings- of herver-
zekeringsondernemingen zijn onderworpen aan een
aanvullend solvabiliteitstoezicht op het niveau van de
groep. Dit aanvullend toezicht slaat op:
aux articles 459 à 467 au niveau du conglomérat finan-
cier. Cette portée de la surveillance complémentaire
des conglomérats correspond à toutes les entreprises,
réglementées ou non, qui font partie du groupe tel que
défini à l’article 340, 1°, en prenant comme point de
départ l’entreprise d’assurance ou de réassurance qui
se situe à la tête du conglomérat financier ou la com-
pagnie financière mixte dont le siège est établi dans
l’Espace économique européen.
Art. 455
La surveillance complémentaire des conglomérats
n’entraîne pas l’exercice d’un contrôle individuel sur une
compagnie financière mixte, ni sur toute autre entreprise
reprise dans la portée de cette surveillance.
Sous-section III
Niveaux de la surveillance complémentaire des
conglomérats
Art. 456
Lorsqu’un conglomérat financier fait lui-même partie
d’un autre conglomérat financier soumis à une surveil-
lance complémentaire des conglomérats, la Banque, en
sa qualité de coordinateur, peut exempter, en tout ou en
partie, les entreprises d’assurance ou de réassurance
visées à l’article 451 qui font partie du sous-groupe,
de la surveillance complémentaire des conglomérats si
les objectifs de cette dernière sont atteints de manière
suffisante par la surveillance complémentaire exercée
sur l’autre conglomérat financier.
Section II
Domaines de la surveillance complémentaire des
conglomérats
Sous-section Ire
Surveillance complémentaire de la solvabilité
Art. 457
Les entreprises d’assurance ou de réassurance
visées à l’article 451 sont soumises à une surveillance
complémentaire de la solvabilité au niveau du groupe.
La surveillance complémentaire porte sur:
1037
1584/002
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
1° de naleving van het vereiste dat er steeds ei-
gen vermogen beschikbaar is op het niveau van het
financieel conglomeraat dat minstens gelijk is aan de
solvabiliteitsvereisten; het eigen vermogen en de solva-
biliteitsvereisten op het niveau van het financieel conglo-
meraat worden berekend volgens een van de methodes
bepaald in Bijlage V, en met naleving van de bepalingen
en beginselen opgenomen in Verordening 342/2014;
2° het passende karakter van de beheersprocedures
en de internecontroleprocedures met betrekking tot de
solvabiliteit van de groep, overeenkomstig het bepaalde
in Onderafdeling V van deze Afdeling;
3° het passende karakter van de strategieën inzake
eigen vermogen.
De in het eerste lid bedoelde voorschriften worden
gecontroleerd door de Bank, in haar hoedanigheid
van coördinator, overeenkomstig Afdeling IV van dit
Hoofdstuk. Zij zorgt ervoor dat de in het eerste lid be-
doelde berekening ten minste eenmaal per jaar wordt
uitgevoerd. De resultaten van de berekening en de voor
de berekening benodigde gegevens worden aan haar
voorgelegd door de verzekerings- of herverzekerings-
onderneming, door de gemengde financiële holding of
door een tot het financieel conglomeraat behorende
gereglementeerde onderneming die de Bank na overleg
met de andere relevante bevoegde autoriteiten en met
het financieel conglomeraat heeft aangewezen.
Art. 458
§ 1. In afwijking van de reikwijdte van het in arti-
kel 454 bedoelde aanvullende conglomeraatstoezicht
worden voor de toepassing van artikel 457, eerste lid, 1°
alle ondernemingen in de groep die tot de financiële
sector behoren, in het aanvullende solvabiliteitstoezicht
opgenomen.
§ 2. In afwijking van paragraaf 1 kan de Bank in haar
hoedanigheid van coördinator besluiten in onderstaande
gevallen een bepaalde onderneming buiten de reikwijdte
van het aanvullende solvabiliteitstoezicht van artikel 457,
eerste lid, 1° te laten:
1° indien de onderneming gevestigd is in een derde
land waar er juridische belemmeringen bestaan voor het
doorgeven van de benodigde informatie, onverminderd
de sectorale regelgeving die betrekking heeft op de voor
de bevoegde autoriteiten geldende verplichting om de
vergunning te weigeren indien de doeltreffende uitoefe-
ning van hun toezichthoudende taken wordt belemmerd;
1° le respect de l’exigence que les fonds propres
soient en permanence disponibles au niveau du conglo-
mérat financier et au moins égaux aux exigences de
solvabilité; les fonds propres et les exigences de solva-
bilité au niveau du conglomérat financier sont calculés
selon l’une des méthodes définies à l’Annexe V, et dans
le respect des dispositions et principes repris dans le
Règlement 342/2014;
2° le caractère adéquat des procédures de gestion et
des dispositifs de contrôle interne relatifs à la solvabilité
du groupe, conformément aux dispositions de la Sous-
section V de la présente Section;
3° le caractère adéquat des stratégies en matière de
fonds propres.
Les prescriptions visées à l’alinéa 1er relèvent du
contrôle de la Banque, en sa qualité de coordinateur,
conformément à la Section IV de ce Chapitre. Elle veille
à ce que le calcul visé à l’alinéa 1er soit effectué au moins
une fois par an. Les résultats du calcul et les données
pertinentes sur lesquelles il est fondé lui sont soumis
par l’entreprise d’assurance ou de réassurance, par la
compagnie financière mixte, ou par une entreprise régle-
mentée faisant partie du conglomérat financier désignée
par la Banque après consultation des autres autorités
compétentes relevantes et du conglomérat financier.
Art. 458
§ 1er. Par dérogation à la portée de la surveil-
lance complémentaire des conglomérats visée à
l’article 454, toutes les entreprises du groupe, faisant
partie du secteur financier, relèvent de la surveillance
complémentaire de la solvabilité pour l’application de
l’article 457, alinéa 1er, 1°.
§ 2. Par dérogation au 1er paragraphe, la Banque,
en sa qualité de coordinateur, peut décider, dans les
cas suivants, de ne pas inclure une entreprise donnée
dans la portée de la surveillance complémentaire de la
solvabilité visée à l’article 457, alinéa 1er, 1°:
1° lorsque l’entreprise est située dans un pays tiers
où des obstacles juridiques empêchent le transfert des
informations nécessaires, sans préjudice des règles
sectorielles faisant obligation aux autorités compétentes
de refuser l’agrément lorsque l’exercice effectif de leur
fonction de surveillance est empêché;
1038
1584/002
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
2° indien de onderneming in het licht van de doel-
einden van het aanvullende conglomeraatstoezicht op
gereglementeerde ondernemingen in een financieel
conglomeraat van te verwaarlozen betekenis is;
3° indien het in aanmerking nemen van de onderne-
ming in het licht van de doeleinden van het aanvullende
conglomeraatstoezicht ongepast of misleidend zou zijn.
Indien in het onder het eerste lid, 2° bedoelde geval
verscheidene ondernemingen uit te sluiten zijn, moeten
deze toch in aanmerking worden genomen indien zij
gezamenlijk van niet te verwaarlozen betekenis zijn.
§ 3. Indien de Bank, in haar hoedanigheid van
coördinator, van mening is dat een verzekerings- of
herverzekeringsonderneming niet zou mogen worden
opgenomen in het aanvullende conglomeraatstoezicht
met toepassing van paragraaf 2, eerste lid, 3°, raad-
pleegt zij de andere relevante bevoegde autoriteiten
voordat zij een besluit neemt, behoudens in spoedei-
sende gevallen.
Onderafdeling II
Aanvullend toezicht op risicoconcentratie
Art. 459
De in artikel 451 bedoelde verzekerings- of herverze-
keringsondernemingen zijn onderworpen aan een aan-
vullend toezicht op de risicoconcentratie. Onverminderd
de bepalingen van Verordening 2015/2303, slaat dit
aanvullende toezicht op:
1° de identificatie en de rapportering van significante
risicoconcentraties;
2° het passend karakter van de beheersprocedures
en de internecontroleprocedures met betrekking tot de
risicoconcentratie van de groep, overeenkomstig het
bepaalde in Onderafdeling V van deze Afdeling.
Bij het toezicht wordt inzonderheid aandacht be-
steed aan de volgende aspecten: het zogenaamde
besmettingsrisico in de groep, de aanwezigheid van
belangenconflicten, de omzeiling van de sectorale
regelgeving, alsook het niveau en de omvang van de
risicoconcentratie.
2° lorsque l’entreprise présente un intérêt négligeable
au regard des objectifs que poursuit la surveillance com-
plémentaire des entreprises réglementées appartenant
à un conglomérat financier;
3° lorsque son inclusion est inappropriée ou risque
d’induire une confusion, au regard des objectifs de la
surveillance complémentaire des conglomérats.
Lorsque plusieurs entreprises sont à exclure dans
le cas visé à l’alinéa 1er, 2°, il y a lieu toutefois de les
inclure dès lors que, collectivement, elles présentent un
intérêt non négligeable.
§ 3. Lorsque la Banque, en sa qualité de coordinateur,
estime qu’une entreprise d’assurance ou de réassu-
rance ne devrait pas être incluse dans la surveillance
complémentaire des conglomérats par application du
paragraphe 2, alinéa 1er, 3°, elle consulte les autres
autorités compétentes relevantes avant d’arrêter une
décision, sauf en cas d’urgence.
Sous-section II
Surveillance complémentaire en matière de concentration
des risques
Art. 459
Les entreprises d’assurance ou de réassurance
visées à l’article 451 sont soumises à une surveillance
complémentaire en matière de concentration des
risques. Sans préjudice des dispositions reprises dans
le Règlement 2015/2303, la surveillance complémen-
taire porte sur:
1° l’identification et le reporting des concentrations
de risque importantes;
2° le caractère adéquat des procédures de gestion
et des dispositifs de contrôle interne en matière de
concentration des riques du groupe conformément
aux dispositions de la Sous-section V de la présente
Section.
La surveillance porte en particulier sur les aspects
suivants: le risque dit de contagion au sein du groupe,
l’existence de conflits d’intérêts, les contournements
de la réglementation sectorielle, ainsi que le niveau et
l’ampleur de la concentration des risques.
1039
1584/002
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
Art. 460
§ 1. De Bank, stelt, in haar hoedanigheid van coördi-
nator, voor de toepassing van artikel 459, eerste lid, 1°, in
overleg met de andere relevante bevoegde autoriteiten
en na raadpleging van het financieel conglomeraat,
de drempels vast voor het identificeren en het rappor-
teren van elke significante risicoconcentratie binnen
het financieel conglomeraat. Zij legt de drempels vast
op basis van een of beide van volgende parameters:
het reglementaire eigen vermogen en de technische
voorzieningen.
Indien geen drempels zijn vastgesteld, worden risi-
coconcentraties geacht significant te zijn indien deze
groter zijn dan 10 % van de solvabiliteitsvereiste van
het betrokken financieel conglomeraat.
§ 2. Onverminderd het bepaalde in artikel 459 kan
de Bank, in haar hoedanigheid van coördinator, begren-
zingsnormen of andere evenwaardige toezichtmaatre-
gelen opleggen ter beheersing van de risicoconcen-
tratie op het niveau van een financieel conglomeraat.
Teneinde omzeiling van de sectorale regelgeving inzake
risicoconcentratie tegen te gaan, kan zij ook beslissen,
overeenkomstig artikel 347, de sectorale bepalingen ter
zake naar analogie toe te passen op het niveau van het
financieel conglomeraat. Zij raadpleegt voorafgaandelijk
de andere relevante bevoegde autoriteiten.
Onderafdeling III
Aanvullend toezicht op intragroeptransacties
Art. 461
De in artikel 451 bedoelde verzekerings- of her-
verzekeringsondernemingen zijn onderworpen aan
een aanvullend toezicht op de intragroeptransac-
ties. Onverminderd de bepalingen van Verordening
2015/2303, slaat dit aanvullende toezicht op:
1° de identificatie en de rapportering van significante
intragroeptransacties;
2° het passend karakter van de beheersprocedures
en de internecontroleprocedures met betrekking tot
intragroeptransacties, overeenkomstig het bepaalde in
Onderafdeling V van deze Afdeling.
Bij het toezicht wordt inzonderheid aandacht be-
steed aan volgende aspecten: het zogenaamde
besmettingsrisico in de groep, de aanwezigheid van
Art. 460
§ 1er. La Banque fixe, en sa qualité de coordinateur,
pour l’application de l’ article 459, alinéa 1er, 1°, en
conceration avec les autres autorités compétentes rele-
vantes et après consultation du conglomérat financier,
les seuils pour l’identification et le reporting de chaque
concentration de risques importante au sein du conglo-
mérat financier. Elle détermine les seuils sur la base des
deux paramètres suivants ou de l’un de ces paramètres
seulement: les fonds propres réglementaires et les
provisions techniques.
Si aucun seuil n’a été fixé, les concentrations de
risques sont réputées importantes si elles excèdent
10 % de l’exigence de solvabilité du conglomérat finan-
cier en question.
§ 2. Sans préjudice des dispositions de l’article 459,
la Banque peut, en sa qualité de coordinateur, imposer
des normes de limitation ou d’autres mesures de surveil-
lance équivalentes pour la maîtrise de la concentration
des risques au niveau d’un conglomérat financier. Afin
de s’opposer au contournement de la réglementation
sectorielle en matière de concentration des risques, elle
peut également décider, conformément à l’article 347,
d’appliquer par analogie les dispositions sectorielles
en la matière au niveau du conglomérat financier. Elle
consulte préalablement les autres autorités compétentes
relevantes.
Sous-section III
Surveillance complémentaire des transactions intragroupe
Art. 461
Les entreprises d’assurance ou de réassurance
visées à l’article 451 sont soumises à une surveil-
lance complémentaire des transactions intragroupe.
Sans préjudice des dispositions reprises dans le
Règlement 2015/2303, la surveillance complémentaire
porte sur:
1° l’identification et le reporting des transactions
intragroupe importantes;
2° le caractère adéquat des procédures de gestion
et des dispositifs de contrôle interne en matière d’tran-
sactions intragroupe, conformément aux dispositions
de la Sous-section V de la présente Section.
La surveillance porte en particulier sur les aspects
suivants: le risque dit de contagion au sein du groupe,
l’existence de conflits d’intérêts, les contournements
1040
1584/002
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
belangenconflicten, de omzeiling van de sectorale
regelgeving, alsook het niveau en de omvang van de
intragroeptransacties.
Art. 462
§ 1. Voor de toepassing van artikel 461, eerste lid, 1°
stelt de Bank, in haar hoedanigheid van coördinator, in
overleg met de andere relevante bevoegde autoriteiten
en na raadpleging van het financieel conglomeraat,
passende drempels vast voor het identificeren en het
rapporteren van significante intragroeptransacties. Zij
legt de drempels vast op basis van een of beide van
volgende parameters: het reglementaire eigen vermo-
gen en de technische voorzieningen.
Indien geen drempels zijn vastgesteld, worden intra-
groeptransacties geacht significant te zijn indien deze
groter zijn dan 5 % van het solvabiliteitsvereiste van het
betrokken financieel conglomeraat.
§ 2. Onverminderd het bepaalde in artikel 461 kan de
Bank, in haar hoedanigheid van coördinator, begren-
zingsnormen of andere evenwaardige toezichtmaatre-
gelen opleggen ter verwezenlijking van de doelstellingen
van het aanvullende conglomeraatstoezicht inzake
intragroeptransacties. Teneinde omzeiling van de sec-
torale regelgeving inzake intragroeptransacties tegen te
gaan, kan zij ook beslissen, overeenkomstig artikel 347,
de sectorale bepalingen ter zake naar analogie toe te
passen op het niveau van het financieel conglomeraat.
Zij raadpleegt voorafgaandelijk de andere relevante
bevoegde autoriteiten.
Onderafdeling IV
Periodieke rapportering
Art. 463
§ 1. Voor het in Onderafdelingen I, II en III van deze
Afdeling geregelde aanvullende conglomeraatstoezicht
worden aan de Bank, in haar hoedanigheid van coör-
dinator, volgens de modaliteiten die zij bepaalt en min-
stens tweemaal per jaar, de volgende staten voorgelegd:
1° een boekhoudstaat die betrekking heeft op de
financiële positie van het financieel conglomeraat en die
minstens bestaat uit de balans en de resultatenrekening;
2° een staat waaruit de naleving blijkt van de normen
bepaald bij of in uitvoering van de artikelen 457, eer-
ste lid, 1°, 460, § 2, en 462, § 2, en een staat met opgave
van de significante risicoconcentraties en significante
de la réglementation sectorielle, ainsi que le niveau et
l’ampleur des transactions intragroupe.
Art. 462
§ 1er. Pour l’application de l’article 461, alinéa 1er, 1°,
la Banque fixe, en sa qualité de coordinateur, en concer-
tation avec les autres autorités compétentes relevantes
et après consultation du conglomérat financier, des
seuils adéquats pour l’identification et le reporting de
toute opération intragroupe importante. Elle détermine
les seuils sur la base des deux paramètres suivants ou
de l’un de ces paramètres seulement: les fonds propres
réglementaires et les provisions techniques.
Si aucun seuil n’a été fixé, les transactions intra-
groupe sont réputées importantes si elles excèdent 5 %
de l’exigence de solvabilité du conglomérat financier
en question.
§ 2. Sans préjudice des dispositions de l’article 461,
la Banque peut, en sa qualité de coordinateur, imposer
des normes de limitation ou d’autres mesures de sur-
veillance équivalentes pour la réalisation des objectifs
de la surveillance complémentaire du conglomérat en
matière d’transactions intragroupe. Afin de s’opposer
au contournement de la réglementation sectorielle en
matière d’transactions intragroupe, elle peut également
décider, conformément à l’article 347, d’appliquer, par
analogie, les dispositions sectorielles en la matière au
niveau du conglomérat financier. Elle consulte préala-
blement les autres autorités compétentes relevantes.
Sous-section IV
Reporting périodique
Art. 463
§ 1er. Pour la surveillance complémentaire des
conglomérats réglée par les Sous-sections I, II et III de
la présente Section, les états suivants sont soumis à la
Banque, en sa qualité de coordinateur, selon les moda-
lités qu’elle détermine, et au moins deux fois par an:
1° un état comptable portant sur la situation financière
du conglomérat financier et comprenant au moins le
bilan et le compte de résultats.
2° un état constatant le respect des normes définies
par ou en exécution des articles 457, alinéa 1er, 1°, 460,
§ 2, et 462, § 2, ainsi qu’un état indiquant les concen-
trations de risques importantes et les transactions
1041
1584/002
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
intragroeptransacties bedoeld in de artikelen 459, eer-
ste lid, 1°, en 461, eerste lid, 1°.
Te dien einde bepaalt de Bank, in haar hoedanigheid
van coördinator, in overleg met de andere relevante
bevoegde autoriteiten, de categorieën verrichtingen,
risico’s en posities die voor de opvolging van de sig-
nificante risicoconcentraties en intragroeptransacties
moeten worden gerapporteerd; zij kan daarbij rekening
houden met de specifieke groeps- en risicobeheerstruc-
tuur van het betrokken financieel conglomeraat.
§ 2. De in paragraaf 1 bedoelde staten worden ge-
rapporteerd door de verzekerings- of herverzekerings-
onderneming, door de gemengde financiële holding of
door een tot het financieel conglomeraat behorende
gereglementeerde onderneming, die de Bank, na over-
leg met de andere relevante bevoegde autoriteiten en
met het financieel conglomeraat heeft aangewezen.
Onderafdeling V
Risicobeheer- en internecontroleprocedures
Art. 464
De in artikel 451 bedoelde verzekerings- of herverze-
keringsondernemingen zorgen ervoor dat het financieel
conglomeraat beschikt over passende risicobeheer- en
internecontroleprocedures en over een passende ad-
ministratieve en boekhoudkundige organisatie.
Inzonderheid dienen deze risicobeheer- en inter-
necontroleprocedures aanwezig te zijn op gecon-
solideerd en gesubconsolideerd niveau bij de in ar-
tikel 451 bedoelde moederondernemingen, ongeacht
of het om de verzekerings- of herverzekeringsonderne-
ming gaat of om de gemengde financiële holding aan
het hoofd van het financieel conglomeraat, en bij alle
gereglementeerde ondernemingen die deel uitmaken
van het financieel conglomeraat, zodat de risicobeheer-
en internecontroleprocedures samenhang vertonen
en goed geïntegreerd zijn, de invloed van de tot de
groep behorende ondernemingen op de gereglemen-
teerde ondernemingen kan beoordeeld worden en
alle gegevens en informatie die voor het aanvullende
conglomeraatstoezicht van belang zijn, kunnen worden
verkregen. Deze moederondernemingen passen die ri-
sicobeheer- en internecontroleprocedures eveneens toe
in hun niet-gereglementeerde dochterondernemingen.
Ook deze risicobeheer- en internecontroleprocedures
zijn samenhangend en goed geïntegreerd, en ook deze
intragroupe importantes visées aux articles 459, ali-
néa 1er, 1°, et 461, alinéa 1er, 1°.
À cette fin, la Banque détermine, en sa qualité de
coordinateur, en concertation avec les autres autorités
compétentes relevantes, les catégories d’opérations, de
risques et de positions qui doivent être notifiées pour
le suivi des concentrations des risques et transactions
intragroupe importantes; elle peut à cet égard tenir
compte des spécificités de la structure de groupe et de
la structure de la gestion des risques du conglomérat
financier concerné.
§ 2. Les états visés au paragraphe 1er sont notifiés
par l’entreprise d’assurance ou de réassurance, la com-
pagnie financière mixte, ou une entreprise réglementée
faisant partie du conglomérat financier désignée par la
Banque après consultation des autres autorités compé-
tentes relevantes et du conglomérat financier.
Sous-section V
Procédures de gestion des risques et dispositions de
contrôle interne
Art. 464
Les entreprises d’assurance ou de réassurance
visées à l’article 451 veillent à ce que le conglomérat
financier dispose de procédures de gestion des risques
et de dispositifs de contrôle interne, ainsi que d’une
organisation administrative et comptable, qui soient
adéquats.
En particulier, ces procédures de gestion des risques
et ces dispositifs de contrôle interne doivent être pré-
sents au niveau consolidé et sous-consolidé dans les
entreprises mères visées à l’article 451, qu’il s’agisse
de l’entreprise d’assurance ou de réassurance ou de
la compagnie financière mixte à la tête du conglomérat
financier, ainsi que dans toutes les entreprises régle-
mentées faisant partie du conglomérat financier, de telle
sorte que les procédures de gestion des risques et les
dispositifs de contrôle interne soient cohérents et bien
intégrés, que l’influence exercée par les entreprises
du groupe sur les entreprises réglementées puisse
être évaluée et que toutes les données et informations
importantes pour la surveillance complémentaire du
conglomérat puissent être obtenues. Ces entreprises
mères appliquent ces procédures de gestion des risques
et dispositifs de contrôle interne également dans leurs
filiales non réglementées. Ces procédures de gestion
des risques et dispositifs de contrôle interne sont éga-
lement cohérents et bien intégrés, et ces filiales doivent
1042
1584/002
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
dochterondernemingen moeten de voor het toezicht
relevante gegevens en informatie kunnen verstrekken.
Art. 465
§ 1. De risicobeheerprocedures omvatten:
1° een passend bestuur en beheer, met goedkeuring
en periodieke evaluatie van de strategie en het beleid
door de bevoegde organen, met betrekking tot alle
belangrijke risico’s die op het niveau van het financieel
conglomeraat worden gelopen;
2° een passend solvabiliteitsbeleid, dat met name
de toekomstige gevolgen anticipeert voor de groep van
de gevolgde bedrijfsstrategie op het risicoprofiel van
de groep en de in Onderafdeling I van deze Afdeling
bedoelde solvabiliteitsvereisten;
3° passende procedures die waarborgen dat de ri-
sicobeheer- en risico-opvolgingssystemen voldoende
zijn geïntegreerd in de organisatie van de groep en dat
de in de ondernemingen van de groep gehanteerde
systemen met elkaar in overeenstemming zijn, zodat op
het niveau van het financieel conglomeraat de risico’s
correct worden geïdentificeerd, opgevolgd en beheerst;
4° regelmatig geactualiseerde regelingen om bij te
dragen tot de verwezenlijking en, in voorkomend geval,
de ontwikkeling van passende herstel- en afwikkelings-
mechanismen en -plannen.
§ 2. De internecontroleprocedures omvatten:
1° passende procedures voor het opvolgen van de
solvabiliteit op het niveau van de groep, zodat alle
belangrijke risico’s correct worden geïdentificeerd en
opgevolgd en het eigen vermogen voldoende is in het
licht van de gelopen risico’s;
2° het passende karakter van de procedures en syste-
men voor de identificatie, meting, opvolging en beheer-
sing van de intragroeptransacties en risicoconcentraties.
§ 3. De in artikel 451 bedoelde verzekerings- of
herverzekeringsondernemingen beschikken over een
passende boekhoudkundige en administratieve organi-
satie die de juistheid en conformiteit met de geldende
regels waarborgt van de voor het aanvullende conglo-
meraatstoezicht verstrekte gegevens en inlichtingen en
de opstelling van de jaarrekeningen.
aussi pouvoir fournir les données et informations perti-
nentes pour la surveillance.
Art. 465
§ 1er. Les procédures de gestion des risques
comprennent:
1° une administration et une gestion adéquates, avec
approbation et évaluation périodique de la stratégie et
de la politique par les organes compétents, et portant
sur tous les risques importants encourus au niveau du
conglomérat financier;
2° une politique de solvabilité adéquate, qui veille
notamment à anticiper pour le groupe les conséquences
futures de la stratégie d’exploitation suivie sur le profil de
risque du groupe et les exigences de solvabilité visées
à la Sous-section I er de la présente Section;
3° des procédures adéquates garantissant que les
systèmes de gestion et de suivi des risques sont suf-
fisamment intégrés à l’organisation du groupe et que
les systèmes utilisés dans les entreprises du groupe
concordent entre eux, de telle sorte qu’au niveau du
conglomérat financier, les risques fassent l’objet d’une
identification, d’un suivi et d’une maîtrise corrects.
4° des dispositifs régulièrement mis à jour pour par-
ticiper à la réalisation et, le cas échéant, au développe-
ment de mécanismes et de plans de redressement et
de résolution des défaillances appropriés.
§ 2. Les dispositifs de contrôle interne comprennent:
1° des procédures adéquates pour le suivi de la sol-
vabilité au niveau du groupe, de telle sorte que tous les
risques importants fassent l’objet d’une identification
et d’un suivi corrects et que les fonds propres soient
suffisants au regard des risques encourus;
2° l’examen du caractère adéquat des procédures et
des systèmes pour l’identification, la mesure, le suivi et
la maîtrise des transactions intragroupe et des concen-
trations de risques.
§ 3. Les entreprises d’assurance ou de réassurance
visées à l’article 451 disposent d’une organisation
administrative et comptable qui garantisse le carac-
tère correct et conforme aux règles en vigueur des
renseignements et informations communiqués pour
la surveillance complémentaire du conglomérat et de
l’établissement des comptes annuels.
1043
1584/002
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
Art. 466
De in artikel 451 bedoelde verzekerings- of herver-
zekeringsondernemingen zorgen voor een transparante
groepsstructuur. De verzekerings- of herverzekerings-
onderneming, de gemengde financiële holding of een
tot het financieel conglomeraat behorende gereglemen-
teerde onderneming die de Bank, in haar hoedanigheid
van coördinator, na overleg met de andere relevante
bevoegde autoriteiten en met het financieel conglome-
raat heeft aangewezen, doen daartoe het volgende:
1° zij delen aan de Bank regelmatig bijzonderheden
mee omtrent hun juridische structuur, hun regeling
voor de bedrijfsorganisatie en hun beleidsstructuur, die
gelden voor alle gereglementeerde ondernemingen,
niet-gereglementeerde dochterondernemingen en sig-
nificante bijkantoren;
2° zij maken op het niveau van het financieel con-
glomeraat jaarlijks een beschrijving van de juridische
structuur, van de regeling voor de bedrijfsorganisatie
en van de beleidsstructuur voor het publiek openbaar
en zorgen ervoor dat alle gereglementeerde onderne-
mingen deze informatie ook openbaar maken, hetzij
door volledige vermelding, hetzij door verwijzing naar
gelijkwaardige informatie.
Onderafdeling VI
Stresstests
Art. 467
In haar hoedanigheid van coördinator beoordeelt de
Bank minstens jaarlijks de noodzaak van stresstests
op het niveau van het financieel conglomeraat. Zij
stemt haar beoordeling af op de stresstest die worden
georganiseerd voor de belangrijkste financiële sector
vertegenwoordigd in het financieel conglomeraat en
overlegt met de andere relevante bevoegde autoriteiten.
Voor het toepassen van deze stresstests houdt de
Bank rekening met parameters die specifieke risico’s
verbonden aan financiële conglomeraten kunnen
identificeren.
De Bank deelt de resultaten van de stresstests mee
aan het Gemengd Comité.
Art. 466
Les entreprises d’assurance ou de réassurance
visées à l’article 451 veillent à la transparence de la
structure du groupe. L’entreprise d’assurance ou de
réassurance, la compagnie financière mixte ou une
entreprise réglementée faisant partie du conglomérat
financier que la Banque, en sa qualité de coordinateur,
a désignée après concertation avec les autres autorités
compétentes relevantes et avec le conglomérat finan-
cier, procèdent à cet égard comme suit:
1° elles communiquent régulièrement à la Banque
les particularités de leur structure juridique, de leur
dispositif d’organisation d’entreprise et de leur structure
de gestion englobant toutes les entreprises réglemen-
tées, les filiales non réglementées et les succursales
d’importance significative;
2° elles publient une fois par an au niveau du conglo-
mérat financier une description de la structure juridique,
du dispositif d’organisation d’entreprise et de leur struc-
ture de gestion destinée au public et veillent à ce que
toutes les entreprises réglementées publient également
ces informations soit intégralement, soit en renvoyant à
des informations équivalentes.
Sous-section VI
Tests de résistance
Art. 467
La Banque, en sa qualité de coordinateur, évalue au
moins une fois par an la nécessité de tests de résis-
tance au niveau du conglomérat financier. À cette fin,
elle aligne son évaluation sur les tests de résistance
qui sont organisés pour le secteur financier le plus
important représenté au sein du conglomérat financier
et se concerte avec les autres autorités compétentes
relevantes.
Pour l’application de ces tests de résistance, la
Banque prend en considération des paramètres qui
peuvent identifier des risques spécifiques associés aux
conglomérats financiers.
La Banque communique les résultats des tests de
résistance au comité mixte.
1044
1584/002
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
Onderafdeling VII
Governance
Art. 468
§ 1. Wanneer de Bank krachtens artikel 471 het
aanvullende conglomeraatstoezicht uitoefent op
een in artikel 451 bedoelde verzekerings- of her-
verzekeringsonderneming, dan zijn de in dit artikel
451 bedoelde moederondernemingen die hun zetel in
België hebben verantwoordelijk voor de naleving van
de verplichtingen met betrekking tot het aanvullende
conglomeraatstoezicht.
Bij de uitoefening van de coördinatie en het toezicht
waarmee zij belast zijn als hoofd van het financieel
conglomeraat, vaardigen de in het eerste lid bedoelde
moederondernemingen richtlijnen uit aan de onderne-
mingen die deel uitmaken van het financieel conglome-
raat met het oog op het naleven van de verplichtingen
die voortvloeien uit het aanvullende conglomeraats-
toezicht en op het verzekeren van de stabiliteit van het
financieel conglomeraat. Deze richtlijnen mogen niet in
strijd zijn met het Wetboek van Vennootschappen en
zijn uitvoeringsbesluiten en mogen geen afbreuk doen
aan het toezicht op individuele basis op verzekerings- of
herverzekeringsondernemingen die deel uitmaken van
het financieel conglomeraat.
§ 2. Wanneer de Bank krachtens artikel 471 het
aanvullende conglomeraatstoezicht uitoefent op een
verzekerings- of herverzekeringsonderneming be-
doeld in artikel 451 met als moederonderneming een
gemengde financiële holding met zetel buiten België,
waakt deze verzekerings- of herverzekeringsonderne-
ming over de naleving door haar moederonderneming
van de verplichtingen met betrekking tot het aanvullende
conglomeraatstoezicht.
De verzekerings- of herverzekeringsonderneming
dient van de bedoelde moederonderneming de me-
dewerking te verkrijgen voor het opzetten van een
passende beleidsstructuur die ertoe bijdraagt dat het
aanvullende conglomeraatstoezicht zo efficiënt mo-
gelijk kan worden uitgeoefend en waakt erover dat
de invloed van de moederonderneming niet in strijd
is met het Wetboek van Vennootschappen en zijn
uitvoeringsbesluiten en geen afbreuk doet aan het
toezicht op individuele basis dat van toepassing is op
de verzekerings- of herverzekeringsonderneming of het
aanvullende conglomeraatstoezicht.
§ 3. In het krachtens artikel 42, § 3 vereiste internal
governancememorandum dient, wat betreft het niveau
van het financieel conglomeraat, te worden uitgewerkt
Sous-section VII
Gouvernance
Art. 468
§ 1er. Lorsque la Banque exerce, en vertu de l’ar-
ticle 471, la surveillance complémentaire des conglomé-
rats sur une entreprise d’assurance ou de réassurance
visée à l’article 451, les entreprises mères visées audit
article 451 qui ont leur siège social en Belgique sont
responsables du respect des obligations relatives à la
surveillance complémentaire des conglomérats.
Dans l’exercice de la coordination et du contrôle
qui leur incombent en tant qu’entreprises faîtières du
conglomérat financier, les entreprises mères visées à
l’alinéa 1er édictent des directives pour les entreprises
qui font partie du conglomérat financier en vue du res-
pect des obligations qui découlent de la surveillance
complémentaire des conglomérats et de l’obligation
d’assurer la stabilité du conglomérat financier. Ces
directives ne peuvent pas être contraires au Code des
sociétés et ses arrêtes d’exécution et ne peuvent porter
préjudice au contrôle exercé sur base individuelle sur
les entreprises d’assurance ou de réassurance qui font
partie du conglomérat financier.
§ 2. Lorsque la Banque exerce, en vertu de l’ar-
ticle 471, la surveillance complémentaire des conglomé-
rats sur une entreprise d’assurance ou de réassurance
visée à l’article 451 dont l’entreprise mère est une com-
pagnie financière mixte dont le siège social est établi
en dehors de la Belgique, cette entreprise d’assurance
ou de réassurance veille au respect par son entreprise
mère des obligations relatives à la surveillance complé-
mentaire des conglomérats.
L’entreprise d’assurance ou de réassurance doit
obtenir la coopération de l’entreprise mère visée afin
de mettre en place une structure de gestion adéquate
qui contribue à ce que la surveillance complémentaire
des conglomérats puisse être exercée de la manière
la plus efficace possible, et veille à ce que l’influence
de l’entreprise mère ne soit pas contraire au Code des
sociétés et ses arrêtés d’exécution et ne porte pas
préjudice au contrôle sur base individuelle applicable
à l’entreprise d’assurance ou de réassurance ou à la
surveillance complémentaire des conglomérats.
§ 3. Dans le mémorandum de gouvernance interne
requis en vertu de l’article 42, § 3, il convient d’établir,
en ce qui concerne le niveau du conglomérat financier,
1045
1584/002
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
hoe voldaan wordt aan de beginselen vervat in de pa-
ragrafen 1 en 2.
§ 4. In de gevallen bedoeld in paragraaf 1 verstrekken
de betrokken verantwoordelijke moederondernemingen
de krachtens artikel 463 van deze wet vereiste rapporte-
ring, evenals, op verzoek van de Bank, alle bijkomende
inlichtingen die nuttig zijn voor het uitoefenen van het
aanvullende conglomeraatstoezicht.
§ 5. Wanneer de Bank krachtens artikel 471 het
aanvullende conglomeraatstoezicht uitoefent in andere
gevallen dan deze bedoeld in de paragrafen 1 en 2, kan
zij per geval nader bepalen hoe de beginselen van de
paragrafen 1 tot 4 van overeenkomstige toepassing zijn.
§ 6. Voor de toepassing van de paragrafen 1, 2 en
5 raadpleegt de Bank, in voorkomend geval, de andere
bevoegde autoriteiten.
§ 7. Wanneer een andere bevoegde autoriteit dan de
Bank het aanvullende conglomeraatstoezicht uitoefent
over een verzekerings- of herverzekeringsonderneming
naar Belgisch recht, dient deze verzekerings- of herver-
zekeringsonderneming na te gaan of de invloed van haar
moederonderneming niet in strijd is met het Wetboek
van Vennootschappen en zijn uitvoeringsbesluiten en
geen afbreuk doet aan het toezicht op individuele basis
waaraan deze verzekerings- of herverzekeringsonder-
neming is onderworpen.
Art. 469
§ 1. Het directiecomité, in voorkomend geval de ef-
fectieve leiding, van de in artikel 451 bedoelde moeder-
ondernemingen naar Belgisch recht, die betrokken zijn
in het aanvullende conglomeraatstoezicht uitgeoefend
door de Bank, verklaart dat de in artikel 468, § 4 be-
doelde rapporteringen in overeenstemming zijn met de
boekhouding en de inventarissen. Daartoe is vereist
dat de staten volledig zijn, wat wil zeggen dat ze alle
gegevens bevatten uit de boekhouding en de inventaris-
sen op basis waarvan deze staten worden opgesteld,
en juist zijn, wat wil zeggen dat ze de gegevens correct
weergeven uit de boekhouding en de inventarissen
op basis waarvan deze staten worden opgesteld. Het
directiecomité, in voorkomend geval de effectieve
leiding, bevestigt het nodige gedaan te hebben opdat
de voornoemde staten volgens de geldende regels
opgemaakt zijn, en opgesteld zijn met toepassing van
de boekings- en waarderingsregels voor de opstel-
ling van de geconsolideerde jaarrekening, of, voor de
rapporteringsstaten die geen betrekking hebben op
het einde van het boekjaar, met toepassing van de
comment il est satisfait aux principes figurant aux para-
graphes 1er et 2.
§ 4. Dans les cas visés aux paragraphes 1er et 2, les
entreprises mères responsables précitées fournissent le
reporting requis en vertu de l’article 463 de la présente
loi, ainsi que, à la demande de la Banque, toutes les
informations complémentaires utiles pour l’exercice de
la surveillance complémentaire des conglomérats.
§ 5. Lorsque la Banque exerce, en vertu de
l’article 471, la surveillance complémentaire des
conglomérats dans des cas autres que ceux visés aux
paragraphes 1er et 2, elle peut préciser au cas par cas
comment les principes visés aux paragraphes 1er à
4 s’appliquent par analogie.
§ 6. Pour l’application des paragraphes 1er, 2 et 5, la
Banque consulte, le cas échéant, les autres autorités
compétentes.
§ 7. Lorsqu’une autre autorité compétente que la
Banque exerce la surveillance complémentaire des
conglomérats sur une entreprise d’assurance ou de
réassurance de droit belge, il incombe à cette entreprise
d’assurance ou de réassurance de vérifier si l’influence
de son entreprise mère n’est pas contraire au Code
des sociétés et ses arrêtés d’exécution et ne porte pas
préjudice au contrôle sur base individuelle auquel cette
entreprise d’assurance ou de réassurance est soumise.
Art. 469
§ 1er. Le comité de direction, le cas échéant la direction
effective des entreprises mères visées à l’article 451 de
droit belge qui sont incluses dans le contrôle de groupe
ou la surveillance complémentaire des conglomérats
exercée par la Banque, déclare que les reportings visés
à l’article 468, § 4 sont conformes à la comptabilité et
aux inventaires. Il est à cette effet requis que les états
soient complets, c’est-à-dire qu’ils mentionnent toutes
les données figurant dans la comptabilité et dans les
inventaires sur la base desquels ils sont établis, et qu’ils
soient corrects, c’est-à-dire qu’ils concordent exacte-
ment avec la comptabilité et avec les inventaires sur la
base desquels ils sont établis. Le comité de direction,
le cas échéant la direction effective, confirme avoir fait
le nécessaire pour que les états précités soient établis
selon les instructions en vigueur, ainsi que par appli-
cation des règles de comptabilisation et d’évaluation
présidant à l’établissement des comptes consolidés,
ou, s’agissant des états qui ne se rapportent pas à la
fin de l’exercice comptable, par application des règles
de comptabilisation et d’évaluation qui ont présidé à
1046
1584/002
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
boekings- en waarderingsregels voor de opstelling van
de geconsolideerde jaarrekening met betrekking tot het
laatste boekjaar.
§ 2. Artikel 80 is van overeenkomstige toepassing op
het directiecomité, in voorkomend geval de effectieve
leiding, van de in paragraaf 1 bedoelde moederonder-
nemingen wat betreft de maatregelen opgenomen in de
artikelen 464 tot 466.
Art. 470
Onverminderd het beginsel vervat in artikel 455 en
wanneer het aanvullende conglomeraatstoezicht uitge-
oefend wordt door de Bank, zijn de volgende artikelen
van deze wet op overeenkomstige wijze van toepassing
op de gemengde financiële holding naar Belgisch recht:
de artikelen 39, 40, 41, 45, § § 1, 3 en 4, 46, § § 1, 3 en
4, 47, 64 tot 72, 81, 82, 83, 508, § 1 en 517.
Afdeling III
Uitoefening van het aanvullende conglomeraatstoezicht
Onderafdeling I
Aanwijzing van de coördinator
Art. 471
§ 1. Teneinde een passend aanvullend conglome-
raatstoezicht te verzekeren, wordt uit de bevoegde
autoriteiten van de betrokken lidstaten, met inbegrip van
die van de lidstaat waar de gemengde financiële holding
haar zetel heeft, één enkele coördinator aangewezen die
verantwoordelijk is voor de coördinatie en de uitoefening
van het aanvullende conglomeraatstoezicht.
§ 2. Het aanvullende conglomeraatstoezicht op de in
artikel 451, eerste lid bedoelde verzekerings- of herver-
zekeringsondernemingen wordt als volgt uitgeoefend:
1° door de Bank in het in artikel 451, eerste lid, 1°
bedoelde geval;
2° indien aan het hoofd van het financieel conglome-
raat een Belgische gemengde financiële holding staat,
door de Bank, onverminderd de punten 3° tot 7°;
3° indien naast een Belgische verzekerings- of
herverzekeringsonderneming ten minste één andere
Belgische gereglementeerde onderneming eenzelfde
l’établissement des comptes consolidés afférents au
dernier exercice.
§ 2. L’article 80 est applicable par analogie au comité
de direction, le cas échéant à la direction effective, des
entreprises mères visées au paragraphe 1er en ce qui
concerne les mesures figurant aux articles 464 à 466.
Art. 470
Sans préjudice du principe figurant à l’article 455, et
lorsque la surveillance complémentaire du conglomérat
est exercée par la Banque, les articles suivants sont
applicables par analogie à la compagnie financière
mixte de droit belge: les articles 39, 40, 41, 45, § § 1er,
3 et 4, 46, § § 1er, 3 et 4, 47, 64 à 72, 81, 82, 83, 508,
§ 1er et 517.
Section III
Exercice de la surveillance complémentaire des
conglomérats
Sous-section Ire
Détermination du coordinateur
Art. 471
§ 1er. Afin de garantir une surveillance complémen-
taire des conglomérats appropriée, il est procédé à la
désignation, parmi les autorités compétentes des États
membres concernés, en ce compris celles de l’État
membre où la compagnie financière mixte a son siège
social, d’un coordinateur unique qui est responsable
de la coordination et de l’exercice de la surveillance
complémentaire des conglomérats.
§ 2. La surveillance complémentaire des conglo-
mérats exercée sur les entreprises d’assurance ou de
réassurance visées à l’article 451, alinéa 1er, est exercée
comme suit:
1° par la B an que d ans le c as v i sé à
l’article 451, alinéa 1er, 1°;
2° si le conglomérat financier est chapeauté par une
compagnie financière mixte belge, par la Banque, sans
préjudice des points 3° à 7°:
3° si, outre une entreprise d’assurance ou de réas-
surance belge, au moins une autre entreprise régle-
mentée belge a une même compagnie financière mixte
1047
1584/002
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
Belgische gemengde financiële holding aan het hoofd
van het financieel conglomeraat heeft, door de Belgische
bevoegde autoriteit belast met het prudentieel toezicht
op de Belgische gereglementeerde onderneming met
het grootste balanstotaal;
4° indien de gemengde financiële holding aan het
hoofd van het financieel conglomeraat haar zetel in een
andere lidstaat dan België heeft en in deze lidstaat een
dochteronderneming heeft die een gereglementeerde
onderneming is, door de bevoegde autoriteit van dat
land;
5° indien de gemengde financiële holding aan het
hoofd van het financieel conglomeraat haar zetel in
een andere lidstaat dan België heeft en in deze lid-
staat ten minste twee dochterondernemingen heeft die
een gereglementeerde onderneming zijn, met elk een
verschillende bevoegde autoriteit, door de bevoegde
autoriteit van de gereglementeerde onderneming in de
belangrijkste financiële sector;
6° indien meerdere gemengde financiële holdings,
met zetel in verschillende lidstaten, aan het hoofd
staan van het financieel conglomeraat, en er in elk van
deze lidstaten een gereglementeerde onderneming is,
door de bevoegde autoriteit van de gereglementeerde
onderneming met het hoogste balanstotaal indien de
activiteiten van deze ondernemingen plaatsvinden in
dezelfde financiële sector, of door de bevoegde autoriteit
van de gereglementeerde onderneming in de belang-
rijkste financiële sector;
7° indien ten minste twee gereglementeerde onder-
nemingen met zetel in een lidstaat dezelfde gemengde
financiële holding als moederonderneming hebben en
aan geen van deze ondernemingen een vergunning is
verleend in de lidstaat waar de gemengde financiële
holding haar zetel heeft, door de bevoegde autoriteit
van de gereglementeerde onderneming met het hoogste
balanstotaal in de belangrijkste financiële sector.
8° indien het financiële conglomeraat een groep is
zonder moederonderneming aan het hoofd, of in alle
andere dan de voormelde gevallen, door de bevoegde
autoriteit die belast is met het toezicht op de geregle-
menteerde onderneming met het hoogste balanstotaal
in de belangrijkste financiële sector.
Art. 472
De Bank en de andere relevante bevoegde autoritei-
ten kunnen in bijzondere gevallen in gemeen overleg
overeenkomen om van de in artikel 471 bepaalde be-
voegdheidsregeling af te wijken, indien de toepassing
belge à la tête du conglomérat financier, par l’autorité
compétente belge chargée du contrôle prudentiel de
l’entreprise réglementée belge dont le total de bilan
est le plus élevé;
4° si la compagnie financière mixte à la tête du
conglomérat financier a son siège social dans un autre
État membre que la Belgique et qu’elle a dans cet État
membre une filiale qui est une entreprise réglementée,
par l’autorité compétente de ce pays;
5° si la compagnie financière mixte à la tête du
conglomérat financier a son siège social dans un autre
État membre que la Belgique et qu’elle a dans cet État
membre au moins deux filiales qui sont des entreprises
réglementées, avec chacune une autorité compétente
différente, par l’autorité compétente de l’entreprise
réglementée du secteur financier le plus important;
6° si plusieurs compagnies financières mixtes ayant
leur siège social dans différents États membres sont à
la tête du conglomérat financier, et qu’il y ait une entre-
prise réglementée dans chacun de ces États membres,
par l’autorité compétente de l’entreprise réglementée
ayant le total de bilan le plus élevé si les activités de ces
entreprises se situent dans le même secteur financier,
ou par l’autorité compétente de l’entreprise réglementée
du secteur financier le plus important;
7° si au moins deux entreprises réglementées ayant
leur siège social dans un État membre ont comme
entreprise mère la même compagnie financière mixte
et qu’aucune de ces entreprises ne dispose d’un agré-
ment dans l’État où la compagnie financière mixte a son
siège social, par l’autorité compétente de l’entreprise
réglementée dont le total de bilan est le plus élevé dans
le secteur financier le plus important;
8° si le conglomérat financier est un groupe sans
entreprise mère à la tête du groupe, ainsi que dans
tous les cas autres que les cas précités, par l’autorité
compétente chargée du contrôle de l’entreprise régle-
mentée dont le total de bilan est le plus élevé dans le
secteur financier le plus important.
Art. 472
La Banque et les autres autorités compétentes rele-
vantes peuvent, dans des cas particuliers, convenir de
commun accord de déroger aux règles de compétence
définies à l’article 471, si leur application, compte tenu
1048
1584/002
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
ervan, gelet op de structuur van het financieel conglo-
meraat en het relatieve belang van de activiteiten van
de groep in de verschillende lidstaten, niet passend zou
zijn, en een andere bevoegde autoriteit belasten met het
aanvullende conglomeraatstoezicht. Zij raadplegen het
financieel conglomeraat alvorens hierover een beslis-
sing te nemen.
Onderafdeling II
Rechten en plichten van de coördinator – College
Art. 473
§ 1. Onverminderd de andere bevoegdheden en taken
die haar door of krachtens deze wet en door Richtlijn
2002/87/EG worden toegewezen, omvatten de taken
van de Bank, in haar hoedanigheid van coördinator:
1° het coördineren van de vergaring en de versprei-
ding van relevante en essentiële informatie, in normale
omstandigheden en in noodsituaties, met inbegrip van
de verspreiding van informatie die van belang is voor
het toezicht door een bevoegde autoriteit krachtens de
sectorale regelgeving;
2° het toezicht op, inclusief de evaluatie van, de finan-
ciële positie van het financieel conglomeraat;
3° het toezicht op de naleving van de bepalingen van
de artikelen 457 tot 462 inzake solvabiliteit, risicocon-
centratie en intragroeptransacties, en op de naleving van
de in artikel 463 bedoelde rapporteringsverplichtingen;
4° het toezicht op, inclusief de evaluatie van, de struc-
tuur, de organisatie en de internecontroleprocedures
van het financieel conglomeraat, als bedoeld in de
artikelen 464 tot 466;
5° het plannen en coördineren van toezichtsactivi-
teiten, in normale omstandigheden en in noodsituaties,
in samenwerking met de andere relevante bevoegde
autoriteiten;
6° het nemen van maatregelen en sancties ten aan-
zien van de gemengde financiële holding.
§ 2. De relevante bevoegde autoriteiten kunnen, in
voorkomend geval in overleg met andere bevoegde
autoriteiten, overeenkomen de Bank, in haar hoeda-
nigheid van coördinator, andere toezichtstaken toe te
vertrouwen, buiten de in paragraaf 1 bedoelde taken.
de la structure du conglomérat financier et l’importance
relative de l’activité du groupe dans les différents États
membres, n’est pas adéquate, et charger une autre
autorité compétente de la surveillance complémentaire
des conglomérats. Elles consultent le conglomérat
financier avant de prendre une décision en la matière.
Sous-section II
Droits et obligations du coordinateur – Collège
Art. 473
§ 1er. Sans préjudice des autres compétences et
tâches qui lui sont dévolues par ou en vertu de la
présente loi ainsi que par la Directive 2002/87/CE, les
tâches de la Banque en sa qualité de coordinateur
comprennent:
1° la coordination de la collecte et de la diffusion des
informations pertinentes et essentielles, en continuité
d’exploitation comme dans les situations d’urgence, en
ce compris la diffusion des informations importantes
pour la surveillance par une autorité compétente en
vertu de la réglementation sectorielle;
2° le contrôle, en ce compris l’évaluation, de la situa-
tion financière du conglomérat financier;
3° le contrôle du respect des dispositions des
articles 457 à 462 en matière de solvabilité, de concen-
tration des risques et d’transactions intragroupes, ainsi
que du respect des obligations de reporting visées à
l’article 463;
4° le contrôle, en ce compris l’évaluation, de la struc-
ture, de l’organisation et des dispositifs de contrôle
interne du conglomérat financier, tels que visés aux
articles 464 à 466;
5° la planification et la coordination d’activités de
surveillance, en continuité d’exploitation comme dans
les situations d’urgence, en coopération avec les autres
autorités compétentes relevantes;
6° la prise de mesures et de sanctions à l’égard de
la compagnie financière mixte.
§ 2. Les autorités compétentes relevantes peuvent,
le cas échéant en concertation avec d’autres autorités
compétentes, convenir de confier à la Banque, en sa
qualité de coordinateur, d’autres tâches de surveillance
que celles prévues au paragraphe 1er.
1049
1584/002
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
Art. 474
§ 1. In haar hoedanigheid van coördinator richt de
Bank voor het aanvullende conglomeraatstoezicht een
college op om vorm te geven aan de uit hoofde van dit
Hoofdstuk vereiste samenwerking en de uitoefening
van de taken als coördinator en, onder voorbehoud
van vertrouwelijkheidsvereisten en van het recht van
de Unie, de passende coördinatie en samenwerking
met de betrokken toezichthoudende autoriteiten van
derde landen.
§ 2. Wanneer relevante bevoegde autoriteiten reeds
deelnemen aan een college opgericht krachtens arti-
kel 248, lid 2, van Richtlijn 2009/138/EG of artikel 116 van
Richtlijn 2013/36/EU, dan zal het college op het niveau
van het financieel conglomeraat functioneren binnen
het college opgericht voor de belangrijkste financiële
sector. De banksector en de beleggingsdienstensector
worden voor dit doeleinde samen beschouwd.
De regels voor de in paragraaf 1 bedoelde coördinatie
worden apart opgenomen in de schriftelijke coördina-
tieafspraken die worden ingesteld voor het sectorale
college. In haar hoedanigheid van coördinator beslist
de Bank, als voorzitter van dit sectorale college, welke
andere bevoegde autoriteiten aan een vergadering of
een activiteit van dat college deelnemen.
Art. 475
Onverminderd de in de overige bepalingen van dit
Hoofdstuk bedoelde samenwerkings overeenkomsten en
coördinatieafspraken , sluit de Bank, in haar hoedanig-
heid van coördinator, met andere bevoegde autoriteiten
de overeenkomsten die noodzakelijk zijn voor de verwe-
zenlijking van het aanvullende conglomeraatstoezicht
als bepaald bij dit Hoofdstuk. Deze overeenkomsten
regelen waar nodig de modaliteiten van uitoefening van
dit toezicht, met inbegrip van de modaliteiten van sa-
menwerking en informatie-uitwisseling onder bevoegde
autoriteiten. Zij kunnen inzonderheid de procedures
regelen voor de besluitvorming tussen de relevante
bevoegde autoriteiten.
Art. 476
In haar hoedanigheid van coördinator stelt de Bank
lijsten op van de gemengde financiële holdings die be-
trokken zijn bij het door haar uitgeoefende aanvullende
conglomeraatstoezicht.
Art. 474
§ 1er. La Banque, en sa qualité de coordinateur,
établit un collège pour la surveillance complémentaire
des conglomérats afin de concrétiser la coopération
prévue au présent Chapitre et l’accomplissement des
missions de coordinateur et, s’il y a lieu, la coordina-
tion et la coopération appropriées avec les autorités de
surveillance concernées des pays tiers, dans le respect
des exigences de confidentialité et du droit de l’Union.
§ 2. Lorsque des autorités compétentes relevantes
participent déjà à un collège établi en vertu de l’article
248, paragraphe 2 de la Directive 2009/138/CE ou de
l’article 116 de la Directive 2013/36/UC, le collège fonc-
tionnera au niveau du conglomérat financier au sein du
collège établi pour le secteur financier le plus important.
Le secteur bancaire et le secteur des services d’inves-
tissement sont agrégés à cette fin.
Les modalités de la coordination évoquée au para-
graphe 1er sont établies de manière distincte dans des
accords de coordination écrits constitués pour le collège
sectoriel. La Banque, en sa qualité de coordinateur,
décide, en tant que président de ce collège sectoriel,
quelles autres autorités compétentes participent à une
réunion ou à toute activité dudit collège.
Art. 475
Sans préjudice des accords de coopération et de
coordination visés dans les autres dispositions du pré-
sent Chapitre, la Banque, en sa qualité de coordinateur,
conclut avec d’autres autorités compétentes les accords
qui sont nécessaires à la réalisation de la surveillance
complémentaire des conglomérats telle que définie dans
le présent Chapitre. Ces accords règlent au besoin les
modalités de l’exercice de ce contrôle, en ce compris les
modalités de coopération et d’échange d’informations
entre autorités compétentes. Ils peuvent en particulier
régler les procédures de prise de décision entre les
autorités compétentes relevantes.
Art. 476
La Banque, en sa qualité de coordinateur, établit des
listes des compagnies financières mixtes concernées
par la surveillance complémentaire des conglomérats
exercée par elle.
1050
1584/002
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
Zij maakt deze lijsten over aan de bevoegde auto-
riteiten van de andere lidstaten, EIOPA, EBA en de
Europese Commissie.
Art. 477
Onverminderd de delegatie van specifieke toezichts-
bevoegdheden en -verantwoordelijkheden overeen-
komstig de sectorale regelgeving, doet de aanwijzing
van de Bank als coördinator geen afbreuk aan de in de
sectorale regelgeving bepaalde taken en verantwoor-
delijkheden van de relevante bevoegde autoriteiten.
Onderafdeling III
Samenwerking en uitwisseling van informatie tussen de
bevoegde autoriteiten
Art. 478
De Bank, ongeacht of zij optreedt als coördinator of
als bevoegde autoriteit zonder coördinator te zijn, werkt
nauw samen met de andere bevoegde autoriteiten, on-
geacht of deze optreden als coördinator of als bevoegde
autoriteit zonder coördinator te zijn.
De Bank kan aan deze bevoegde autoriteiten, op ei-
gen initiatief of op verzoek, alle informatie, met inbegrip
van vertrouwelijke informatie, meedelen of vragen, wan-
neer deze essentieel of relevant is om de uitoefening toe
te laten of te vergemakkelijken van de toezichtstaken die
aan haar of aan deze autoriteiten werden toevertrouwd
krachtens de sectorale regelgeving en het aanvullende
conglomeraatstoezicht krachtens Richtlijn 2002/87/EG.
Deze samenwerking betreft ten minste de vergaring
en uitwisseling van informatie met betrekking tot de
volgende aspecten:
1° de juridische structuur, de regeling voor de be-
drijfsorganisatie en de beleidsstructuur van de groep,
die gelden voor alle gereglementeerde ondernemin-
gen, niet-gereglementeerde dochterondernemingen
en belangrijke bijkantoren in de zin van artikel 354 van
Verordening 2015/35 die tot het financieel conglomeraat
behoren, de houders van gekwalificeerde deelnemingen
op het niveau van de uiteindelijke moederonderneming,
alsmede de bevoegde autoriteiten voor de gereglemen-
teerde ondernemingen in de groep;
2° de door het financieel conglomeraat gevolgde
strategie;
Elle communique ces listes aux autorités compé-
tentes des autres États membres, à l’EIOPA, à l’ABE
et à la Commission européenne.
Art. 477
Sans préjudice de la délégation de compétences et
de responsabilités de surveillance spécifiques confor-
mément à la réglementation sectorielle, la désignation
de la Banque en sa qualité de coordinateur ne porte
pas préjudice aux tâches et responsabilités des auto-
rités compétentes relevantes telles que définies par la
réglementation sectorielle.
Sous-section III
Coopération et échange d’informations entre les autorités
compétentes
Art. 478
La Banque, que ce soit en sa qualité de coordinateur
ou d’autorité compétente sans être coordinateur, coo-
père étroitement avec les autres autorités compétentes,
qu’elles soient coordinateur ou autorité compétente sans
être coordinateur.
Elle peut communiquer, d’initiative ou sur demande,
ou demander à ces autorités compétentes toutes infor-
mations, y comprises les informations confidentielles,
lorsque celles-ci sont essentielles ou pertinentes pour
permettre et faciliter l’exercice des tâches de surveil-
lance qui lui sont confiées ou sont confiées à ces auto-
rités en vertu de la réglementation sectorielle et de la
surveillance complémentaire des conglomérats en vertu
de la Directive 2002/87/CE.
Cette coopération recouvre au moins la collecte et
l’échange d’informations sur les éléments suivants:
1° la structure juridique du groupe, son dispositif
d’organisation d’entreprise et sa structure de gestion
englobant toutes les entreprises réglementées, les
filiales non réglementées et les succursales importantes
au sens de l’article 354 du Règlement 2015/35 appar-
tenant au conglomérat financier, les détenteurs de
participations qualifiées au niveau de l’entreprise mère
faîtière, ainsi que les autorités compétentes pour les
entreprises réglementées dudit groupe;
2° les stratégies du conglomérat financier;
1051
1584/002
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
3° de financiële positie van het financieel conglome-
raat, met name de toereikendheid van het eigen vermo-
gen, de intragroeptransacties, de risicoconcentratie en
de winstgevendheid;
4° de belangrijkste aandeelhouders en de leiding van
het financieel conglomeraat;
5° de organisatie en de risicobeheer- en inter-
necontroleprocedures op het niveau van het financieel
conglomeraat;
6° de procedures voor de vergaring van informatie bij
de ondernemingen in het financieel conglomeraat en de
verificatie van deze informatie;
7° ongunstige ontwikkelingen bij gereglementeerde
ondernemingen of bij andere ondernemingen in het
financieel conglomeraat die ernstige nadelige gevolgen
voor de gereglementeerde ondernemingen kunnen
hebben;
8° belangrijke sancties en buitengewone maatregelen
die de bevoegde autoriteiten in overeenstemming met
de sectorale regelgeving of Richtlijn 2002/87/EG heb-
ben getroffen.
De Bank kan tevens informatie uitwisselen met het
ESRB wat betreft de uitoefening van het toezicht op
verzekerings- of herverzekeringsondernemingen die
deel uitmaken van een financieel conglomeraat.
Art. 479
§ 1. Indien de Bank in het geval van een moeder-
onderneming naar Belgisch recht niet zelf op grond
van artikel 471 het aanvullende conglomeraatstoezicht
uitoefent, kan haar verzocht worden, door de met dit
toezicht belaste bevoegde autoriteiten, om bij de moe-
deronderneming de inlichtingen op te vragen die voor
dat toezicht dienstig zijn, en om die inlichtingen aan hen
door te geven.
§ 2. Indien de Bank op grond van artikel 471 het aan-
vullende conglomeraatstoezicht uitoefent en de moe-
deronderneming haar zetel in een andere lidstaat dan
België heeft, kan de Bank aan de bevoegde autoriteit
van die lidstaat vragen om bij die moederonderneming
alle inlichtingen op te vragen die voor dat toezicht dien-
stig zijn, en om die inlichtingen aan haar door te geven.
3° la situation financière du conglomérat financier,
notamment en ce qui concerne l’adéquation des fonds
propres, les transactions intragroupe, la concentration
des risques et la rentabilité;
4° les principaux actionnaires et la direction du
conglomérat financier;
5° l’organisation, la gestion des risques et les sys-
tèmes de contrôle interne à l’échelle du conglomérat
financier;
6° les procédures de collecte d’informations auprès
des entreprises du conglomérat financier et de vérifica-
tion desdites informations;
7° les évolutions négatives que connaissent des
entreprises réglementées ou d’autres entreprises du
conglomérat financier et qui sont de nature à nuire gra-
vement auxdites entreprises réglementées;
8° les sanctions significatives et mesures exception-
nelles décidées par les autorités compétentes confor-
mément à la réglementation sectorielle ou à la Directive
2002/87/CE.
La Banque peut également échanger des informa-
tions avec le CERS en ce qui concerne l’exercice du
contrôle des entreprises d’assurance ou de réassurance
qui font partie d’un conglomérat financier.
Art. 479
§ 1er. Lorsque la Banque, dans le cas d’une entre-
prise mère de droit belge, n’exerce pas elle-même la
surveillance complémentaire des conglomérats en vertu
de l’article 471, elle peut être invitée, par les autorités
compétentes chargées d’exercer ce contrôle, à deman-
der à l’entreprise mère toute information pertinente pour
l’exercice de ce contrôle, et à la leur transmettre.
§ 2. Lorsqu’en vertu de l’article 471, la Banque exerce
la surveillance complémentaire du conglomérat et
que l’entreprise mère a son siège social dans un État
membre autre que la Belgique, la Banque peut inviter
l’autorité compétente de cet État membre à demander à
cette entreprise mère toute information pertinente pour
l’exercice de ce contrôle, et à la lui transmettre.
1052
1584/002
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
Art. 480
Wanneer een bevoegde autoriteit van een andere
lidstaat het aanvullende conglomeraatstoezicht uitoefent
op een verzekerings- of herverzekeringsonderneming
die een dochteronderneming is van een gemengde fi-
nanciële holding naar Belgisch recht, gaat de Bank na,
wanneer zij daartoe het verzoek krijgt van die bevoegde
autoriteit, hoe zij medewerking kan verlenen voor het
toepassen van de maatregelen die zouden bestaan in
de lidstaat van die bevoegde autoriteit met het oog op
het betrekken van de gemengde financiële holdings in
het aanvullende conglomeraatstoezicht.
Art. 481
Het inwinnen, uitwisselen of bezitten van informatie
door de Bank en de bevoegde autoriteiten met het oog
op het vergemakkelijken van het aanvullende conglo-
meraatstoezicht met betrekking tot de ondernemingen
genoemd in artikel 483, § 1, betekent geenszins dat
de Bank een afzonderlijk toezicht uitoefent op deze
ondernemingen.
Onderafdeling IV
Overleg tussen bevoegde autoriteiten
Art. 482
Onverminderd haar verantwoordelijkheden als om-
schreven in de sectorale regelgeving, pleegt de Bank,
voordat zij een besluit neemt in verband met de hierna
vermelde aangelegenheden, overleg indien dat besluit
van belang is voor de toezichtstaken van andere be-
voegde autoriteiten:
1° wijzigingen in de aandeelhoudersstructuur, de or-
ganisatie of het bestuur van gereglementeerde onderne-
mingen in een financieel conglomeraat, die goedkeuring
of machtiging door de bevoegde autoriteiten vereisen;
2° voorgenomen belangrijke sancties of buitenge-
wone maatregelen.
De Bank kan besluiten geen overleg te plegen in
spoedeisende gevallen of indien dat overleg de doeltref-
fendheid van haar besluiten in gevaar kan brengen. In
dat geval stelt de Bank de andere bevoegde autoriteiten
daar onverwijld van in kennis.
Art. 480
Lorsqu’une autorité compétente d’un autre État
membre exerce la surveillance complémentaire des
conglomérats sur une entreprise d’assurance ou de
réassurance qui est filiale d’une compagnie financière
mixte de droit belge, la Banque vérifie, lorsque cette
autorité compétente le lui demande, comment elle peut
prêter sa coopération pour l’application des mesures qui
existeraient dans l’État membre de l’autorité compétente
en vue de l’inclusion des compagnies financières mixtes
dans la surveillance complémentaire des conglomérats.
Art. 481
La collecte, l’échange ou la détention d’informations
par la Banque et les autorités compétentes en vue de fa-
ciliter la surveillance complémentaire des conglomérats
en ce qui concerne les entreprises citées à l’article 483,
§ 1er, ne signifient pas que la Banque exerce une fonction
de contrôle sur ces entreprises prises individuellement.
Sous-section IV
Consultation entre autorités compétentes
Art. 482
Sans préjudice de ses responsabilités telles qu’elles
sont définies par la réglementation sectorielle, la Banque
procède à une concertation sur les points figurant ci-
après, avant de prendre une décision intéressant les
missions de contrôle exercées par d’autres autorités
compétentes:
1° des modifications de l’actionnariat, de l’organi-
sation ou de la direction des entreprises réglementées
faisant partie d’un conglomérat financier requérant l’ap-
probation ou l’autorisation des autorités compétentes;
2° les sanctions significatives et mesures exception-
nelles envisagées.
La Banque peut décider de ne pas se concerter avec
ses homologues en cas d’urgence ou lorsque cette
concertation risque de compromettre l’efficacité des
décisions. En pareil cas, la Banque informe sans délai
les autres autorités compétentes.
1053
1584/002
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
Onderafdeling V
Voor de uitoefening van het aanvullende
conglomeraatstoezicht te verstrekken informatie
Art. 483
§ 1. Onverminderd de toepasselijke periodieke rap-
portering, dient de Bank toegang te krijgen, door de
betrokken verzekerings- of herverzekeringsonderne-
mingen, en gemengde financiële holdings, hun
dochterondernemingen en alle andere in het financieel
conglomeraat opgenomen ondernemingen, hetzij direct
hetzij indirect te benaderen, tot alle inlichtingen die nut-
tig zijn voor het door haar uitgeoefende aanvullende
conglomeraatstoezicht.
De overeenkomstig artikel 458, § 2 buiten het aanvul-
lende conglomeraatstoezicht gelaten ondernemingen,
moeten de Bank, in haar hoedanigheid van coördinator,
alle gegevens en inlichtingen verstrekken die zij dienstig
acht voor haar aanvullende conglomeraatstoezicht.
Ondernemingen die uitsluitend of samen met an-
dere ondernemingen de controle hebben over een
verzekerings- of herverzekeringsonderneming naar
Belgisch recht, en de dochterondernemingen van deze
ondernemingen moeten, indien die ondernemingen en
dochterondernemingen niet vallen onder het toepas-
singsgebied van het aanvullende conglomeraatstoe-
zicht, de Bank en de andere bevoegde autoriteiten alle
gegevens en inlichtingen verstrekken die nuttig zijn voor
de uitoefening van het toezicht op deze verzekerings- of
herverzekeringsonderneming.
§ 2. De Bank kan eisen dat de in paragraaf 1 be-
doelde inlichtingen omtrent ondernemingen met zetel in
een andere lidstaat dan België haar worden meegedeeld
door de naar Belgisch recht opgerichte verzekerings- of
herverzekeringsonderneming of gemengde financiële
holding, of dat inlichtingen omtrent ondernemingen met
zetel in een derde land haar worden meegedeeld door
een verzekerings- of herverzekeringsonderneming, of
gemengde financiële holding met zetel in een lidstaat.
§ 3. Indien een verzekerings- of herverzekerings-
onderneming naar Belgisch recht buiten het financieel
conglomeraat wordt gelaten door een andere be-
voegde autoriteit die optreedt als coördinator, kan de
Bank eisen dat de moederonderneming aan het hoofd
van het financieel conglomeraat haar de gegevens
Sous-section V
Informations à fournir aux fins de l’exercice de la
surveillance complémentaire des conglomérats
Art. 483
§ 1er. Sans préjudice du reporting périodique appli-
cable, la Banque doit avoir accès, dans ses contacts
directs ou indirects avec les entreprises d’assurance
ou de réassurance, et les compagnies financières
mixtes concernées, leurs filiales et toutes les autres
entreprises incluses dans le conglomérat financier, à
toute information utile pour l’exercice de sa surveillance
complémentaire des conglomérats.
Les entreprises qui ne sont pas incluses dans la
surveillance complémentaire des conglomérats confor-
mément à l’article 458, § 2, sont tenues de communi-
quer à la Banque, en sa qualité de coordinateur, tous
les renseignements et informations que celle-ci estime
nécessaires pour sa surveillance complémentaire des
conglomérats.
Les entreprises qui contrôlent, exclusivement ou
conjointement avec d’autres, une entreprise d’assu-
rance ou de réassurance de droit belge, ainsi que les
filiales de ces entreprises, sont tenues, si ces entre-
prises et ces filiales ne tombent pas dans le champ
d’application de la surveillance complémentaire des
conglomérats, de communiquer à la Banque et aux
autres autorités compétentes les informations et ren-
seignements utiles à l’exercice du contrôle de cette
entreprise d’assurance ou de réassurance.
§ 2. La Banque peut exiger que les informations
visées au paragraphe 1er concernant les entreprises
dont le siège social est établi dans un État membre
autre que la Belgique lui soient communiquées par
l’entreprise d’assurance ou de réassurance, ou la com-
pagnie financière mixte constituée selon le droit belge,
ou que les informations relatives aux entreprises dont
le siège social est établi dans un pays tiers lui soient
communiquées par une entreprise d’assurance ou de
réassurance, ou une compagnie financière mixte ayant
leur siège social dans un État membre.
§ 3. Si une entreprise d’assurance ou de réassurance
de droit belge est laissée en dehors du conglomérat
financier par une autre autorité compétente qui agit
en qualité de coordinateur, la Banque peut exiger que
l’entreprise mère qui chapeaute le conglomérat financier
lui communique les informations et renseignements
1054
1584/002
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
en inlichtingen bezorgt die zij dienstig acht voor de
uitoefening van haar toezicht op die verzekerings- of
herverzekeringsonderneming.
Art. 484
Wanneer de Bank, in het kader van het door haar
uitgeoefende individuele toezicht, groepstoezicht of
aanvullende conglomeraatstoezicht, informatie wenst te
verkrijgen die in uitvoering van de sectorale regelgev-
ing reeds gerapporteerd is aan een andere bevoegde
autoriteit, richt zij zich in de mate van het mogelijke
tot die bevoegde autoriteit voor het verkrijgen van die
informatie.
Art. 485
Zonder dat zij hiertegen bezwaren van privaatre-
chtelijke aard kunnen tegenwerpen, met name betref-
fende geheimhoudingsverbintenissen of de aard van
hun banden, delen de in het aanvullende conglomer-
aatstoezicht opgenomen ondernemingen, alsook de
overeenkomstig artikel 458, § 2 buiten het aanvullende
conglomeraatstoezicht gelaten ondernemingen die tot
een financieel conglomeraat behoren elkaar alle nuttige
gegevens en inlichtingen mee.
Art. 486
§ 1. De Bank kan de naleving van de bij dit Hoofdstuk
bepaalde verplichtingen , en de juistheid en volledigheid
van de verstrekte gegevens en inlichtingen ter plaatse
nagaan in de in artikel 483, § 1 bedoelde ondernemin-
gen. Zij kan op kosten van deze ondernemingen com-
missarissen of door haar daartoe erkende buitenlandse
deskundigen hiermee belasten.
§ 2. Wanneer de in paragraaf 1 bedoelde onderne-
mingen hun zetel in een andere lidstaat hebben, ver-
zoekt de Bank de bevoegde autoriteit van die lidstaat
om deze controle uit te voeren. De Bank verricht deze
controle zelf als zij daarvoor de toestemming heeft
gekregen van de bevoegde autoriteit van die lidstaat.
Wanneer deze laatste de controle zelf wenst te doen,
of een erkend revisor of een deskundige daartoe aan-
stelt, kan de Bank niettemin aan de controle deelnemen
indien zij dat wenst.
§ 3. Wanneer de in paragraaf 1 bedoelde onderne-
mingen hun zetel in een derde land hebben, worden
de modaliteiten van de verificatie ter plaatse geregeld
in samenwerkingsovereenkomsten die de Bank met
qu’elle juge utiles pour l’exercice de son contrôle de
cette entreprise d’assurance ou de réassurance.
Art. 484
Lorsque la Banque, dans le cadre du contrôle sur
base individuelle, du contrôle des groupes ou de la sur-
veillance complémentaire des conglomérats, souhaite
obtenir des informations qui ont déjà été communiquées
en exécution de la réglementation sectorielle à une autre
autorité compétente, elle s’adresse dans la mesure du
possible à cette autorité compétente pour obtenir ces
informations.
Art. 485
Sans pouvoir y opposer d’objections tirées du droit
privé, tenant notamment à des engagements de confi-
dentialité ou à la nature de leurs liens, les entreprises
incluses dans la surveillance complémentaire des
conglomérats, ainsi que les entreprises appartenant à
un conglomérat financier écartées de la surveillance
complémentaire des conglomérats conformément à
l’article 458, § 2 se communiquent mutuellement les
informations et renseignements utiles.
Art. 486
§ 1er. La Banque peut procéder à la vérification sur
place du respect des obligations visées par le présent
Chapitre, ainsi que du caractère correct et complet des
informations et renseignements communiqués, dans les
entreprises visées à l’article 483, § 1er Elle peut, aux
frais de ces entreprises, charger des commissaires ou
des experts étrangers agréés par elle à cet effet, de
procéder à ces vérifications.
§ 2. Lorsque les entreprises visées au paragraphe 1er
ont leur siège social dans un autre État membre, la
Banque demande à l’autorité compétente de cet État
membre d’effectuer ce contrôle. La Banque procède
elle-même à ce contrôle si elle en a reçu l’autorisation
de la part de l’autorité compétente de cet État membre.
Lorsque cette dernière souhaite effectuer elle-même ce
contrôle, ou désigne un réviseur agréé ou un expert à
cet effet, la Banque peut néanmoins, si elle le souhaite,
y être associée.
§ 3. Lorsque les entreprises visées au paragraphe 1er
ont leur siège social dans un pays tiers, les modalités de
la vérification sur place sont réglées dans des accords de
coopération que la Banque a conclus avec les autorités
1055
1584/002
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
de betrokken buitenlandse autoriteiten heeft gesloten,
in voorkomend geval overeenkomstig artikel 36/16,
§ 2 van de wet van 22 februari 1998, of die de Europese
Commissie met de betrokken buitenlandse autoriteiten
heeft gesloten, overeenkomstig het bepaalde bij arti-
kel 264 van Richtlijn 2009/138/EG.
Art. 487
§ 1. Wanneer het aanvullende conglomeraatstoezicht
wordt uitgeoefend door een autoriteit die een bevoegde
autoriteit is die onder het recht van een andere lidstaat
dan België ressorteert, verstrekken de Belgische
verzekerings- of herverzekeringsondernemingen en
gemengde financiële holdings en hun dochteronder-
nemingen deze bevoegde autoriteit de gegevens en
inlichtingen die deze dienstig acht voor het aanvullende
conglomeraatstoezicht waarmee deze is belast, hetzij
direct, hetzij indirect.
Wanneer deze autoriteit onder het recht van een der-
de land ressorteert en de verplichting tot informatiever-
strekking voortvloeit uit samenwerkingsovereenkomsten
die de Bank met de betrokken buitenlandse autoriteit
heeft gesloten, is het eerste lid van overeenkomstige
toepassing.
§ 2. Wanneer het aanvullende conglomeraatstoezicht
wordt uitgeoefend door een autoriteit die een bevoegde
autoriteit is die onder het recht van een andere lidstaat
dan België ressorteert, kan deze bevoegde autoriteit,
om de naleving na te gaan van de bepalingen die door
of krachtens dit Hoofdstuk zijn vastgelegd, ter plaatse in
de in artikel 483, § 1 bedoelde ondernemingen met zetel
in België overgaan tot een toetsing van de gegevens en
inlichtingen die zij heeft ontvangen, of erkende commis-
sarissen of door haar erkende deskundigen hiermee
belasten. De bepalingen van artikel 485, § 2 zijn van
overeenkomstige toepassing.
Wanneer deze autoriteit onder het recht van een der-
de land ressorteert, zijn de bepalingen van artikel 485,
§ 3 van overeenkomstige toepassing.
Onderafdeling VI
Revisoraal toezicht
Art. 488
Het bepaalde bij de artikelen 330 tot 337 betreffende
de opdracht van erkend commissaris bij een verzeker-
ings- of herverzekeringsonderneming op individuele
basis is van overeenkomstige toepassing met betrekking
étrangères concernées, le cas échéant conformément à
l’article 36/16, § 2 de la loi du 22 février 1998 ou que la
Commission européenne a conclus conformément aux
dispositions de l’article 264 de la Directive 2009/138/CE.
Art. 487
§ 1er. Lorsque la surveillance complémentaire des
conglomérats est exercée par une autorité qui est
une autorité compétente relevant d’un État membre,
autre que la Belgique, les entreprises d’assurance ou
de réassurance et les compagnies financières mixtes
et leurs filiales de droit belge communiquent à cette
autorité compétente les informations et renseignements
que celle-ci juge utiles pour l’exercice de la surveillance
complémentaire des conglomérats dont elle est char-
gée, soit directement, soit indirectement.
Lorsque cette autorité relève du droit d’un pays tiers
et que l’obligation d’information découle d’accords de
coopération conclus par la Banque avec l’autorité étran-
gère concernée, l’alinéa 1er est applicable par analogie.
§ 2. Lorsque la surveillance complémentaire des
conglomérats est exercée par une autorité compétente
qui relève d’un État membre, autre que la Belgique,
cette autorité peut, en vue de vérifier le respect des dis-
positions prévues par ou en vertu du présent Chapitre,
procéder sur place dans les entreprises visées à l’ar-
ticle 483, § 1er, ayant leur siège social en Belgique, à la
vérification des informations et renseignements qu’elle
a reçus ou charger des commissaires agréés ou des
experts agréés par elle d’y procéder. Les dispositions
de l’article 485, § 2, sont applicables par analogie.
Lorsque cette autorité relève du droit d’un pays tiers,
les dispositions de l’article 485, § 3 sont applicables
par analogie.
Sous-section VI
Contrôle révisoral
Art. 488
Les dispositions des articles 330 à 337 concernant
les fonctions de commissaire agréé d’une entreprise
d’assurance ou de réassurance sur une base indivi-
duelle sont applicables par analogie en ce qui concerne
1056
1584/002
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
tot verzekerings- of herverzekeringsondernemingen
bedoeld in artikel 451, eerste lid, 1° voor het aanvullende
conglomeraatstoezicht waaraan deze verzekerings- of
herverzekeringsondernemingen zijn onderworpen.
Art. 489
§ 1. In een gemengde financiële holding naar
Belgisch recht als bedoeld in artikel 451, eerste lid, 2°,
die betrokken is in het door de Bank uitgeoefende
aanvullende conglomeraatstoezicht, wordt de opdracht
van commissaris als bedoeld in het Wetboek van
Vennootschappen , toevertrouwd aan een of meer re-
visoren of revisorenvennootschappen die door de Bank
zijn erkend overeenkomstig, naargelang van het geval,
artikel 327 van deze wet, artikel 222 van de wet van
25 april 2014, of artikel 96 van de wet van 6 april 1995.
Het college van revisoren of de revisorenvennootschap-
pen, aangesteld bij een gemengde financiële holding,
moeten zo zijn samengesteld dat zij, hetzij individueel,
hetzij samen, erkend zijn in elk van de financiële sector-
en waarin het financieel conglomeraat een significante
activiteit heeft. De Bank kan met verwijzing naar de in
artikel 452 bedoelde drempels bepalen wat onder sig-
nificante activiteit moet worden verstaan. De bepalingen
van de sectorale regelgeving inzake revisoraal toezicht
zijn van overeenkomstige toepassing.
§ 2. De erkende commissarissen aangesteld bij de
in paragraaf 1 bedoelde gemengde financiële hold-
ings verlenen hun medewerking aan het aanvullende
conglomeraatstoezicht waarmee de Bank is belast,
op hun eigen en uitsluitende verantwoordelijkheid en
overeenkomstig deze paragraaf, volgens de regels van
het vak en de richtlijnen van de Bank.
Art. 490
De erkende commissarissen aangesteld bij de in
artikel 489 bedoelde gemengde financiële holdings
beoordelen het passend karakter van de risicobeheer-
procedures, de internecontroleprocedures en de admin-
istratieve en boekhoudkundige organisatie als bedoeld
in de artikelen 464 tot 466 en delen hun bevindingen
ter zake mee aan de Bank.
Art. 491
De erkende commissarissen aangesteld bij een in
artikel 489 bedoelde onderneming brengen verslag uit
bij de Bank over de resultaten van het beperkt nazicht
van de in artikel 463 bedoelde staten die de gemengde
financiële holding aan het einde van het eerste halfjaar
les entreprises d’assurance ou de réassurance visées
à l’article 451, alinéa 1er, 1° pour la surveillance com-
plémentaire des conglomérats dont font l’objet les
entreprises d’assurance ou de réassurance.
Art. 489
§ 1er. Dans une compagnie financière mixte de droit
belge visée à l’article 451, alinéa 1er, 2°, et incluse
dans la surveillance complémentaire des conglomérats
exercée par la Banque, les fonctions de commissaire
visées au Code des sociétés, sont, confiées à un ou
plusieurs réviseurs ou à une ou plusieurs sociétés de
réviseurs, qui sont agréés par la Banque conformément,
selon le cas, à l’article 327 de la présente loi, à l’article
222 de la loi du 25 avril 2014 ou à l’article 96 de la loi du
6 avril 1995. Le collège de réviseurs ou les sociétés de
réviseurs, désignés auprès d’une compagnie financière
mixte, doivent présenter une composition telle qu’ils
soient, soit individuellement, soit conjointement, agréés
dans chacun des secteurs financiers dans lesquels
le conglomérat financier exerce une activité significa-
tive. La Banque peut, par référence aux seuils visés à
l’article 452, déterminer ce qu’il y a lieu d’entendre par
activité significative. Les dispositions de la réglemen-
tation sectorielle en matière de contrôle révisoral sont
applicables par analogie.
§ 2. Les commissaires agréés désignés auprès des
compagnies financières mixtes visées au paragraphe 1er
prêtent leur coopération à la surveillance complémen-
taire des conglomérats dont est chargée la Banque,
sous leur responsabilité personnelle et exclusive et
conformément au présent paragraphe, aux règles de la
profession et aux instructions de la Banque.
Art. 490
Les commissaires agréés désignés dans les com-
pagnies financières mixtes visées à l’article 489 éva-
luent le caractère adéquat des procédures de gestion
des risques, des dispositifs de contrôle interne et de
l’organisation administrative et comptable, visés aux
articles 464 à 466, et communiquent leurs conclusions
en la matière à la Banque.
Art. 491
Les commissaires agréés désignés dans une
société visée à l’article 489 font rapport à la Banque
sur les résultats de l’examen limité des états transmis
par la compagnie financière mixte conformément à
l’article 463 à la Banque à la fin du premier semestre
1057
1584/002
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
aan de Bank bezorgt, waarin bevestigd wordt dat zij
geen kennis hebben van feiten waaruit zou blijken dat
deze periodieke staten per einde halfjaar niet in alle
materieel belangrijke opzichten zijn opgesteld volgens
de voorschriften die door of krachtens de wet en de
instructies van de Bank zijn vastgesteld.
Bovendien bevestigen zij dat deze staten per einde
halfjaar, voor wat de boekhoudkundige gegevens betreft
in alle materieel belangrijke opzichten in overeenstem-
ming zijn met de boekhouding en de inventarissen,
inzake
1° volledigheid, wat wil zeggen dat ze alle gegevens
bevatten uit de boekhouding en de inventarissen op
basis waarvan deze staten worden opgesteld, en
2° juistheid, wat wil zeggen dat ze de gegevens cor-
rect weergeven uit de boekhouding en de inventarissen
op basis waarvan deze staten worden opgesteld.
Zij bevestigen eveneens geen kennis te hebben van
feiten waaruit zou blijken dat de periodieke staten per
einde halfjaar niet zijn opgesteld, voor wat de boek-
houdkundige gegevens betreft, met toepassing van
de boekings- en waarderingsregels voor de opstelling
van de periodieke staten met betrekking tot het laatste
boekjaar. De Bank kan de hier bedoelde periodieke
staten nader bepalen.
Art. 492
De erkende commissarissen aangesteld bij een in
artikel 489 bedoelde onderneming brengen ook verslag
uit bij de Bank over de resultaten van de controle van de
periodieke staten die de gemengde financiële holding
aan het einde van het boekjaar aan de Bank bezorgt,
waarin bevestigd wordt dat deze periodieke staten in alle
materieel belangrijke opzichten zijn opgesteld volgens
de voorschriften die door of krachtens de wet en de
instructies van de Bank zijn vastgesteld.
Bovendien bevestigen zij dat deze staten per einde
van het boekjaar, voor wat de boekhoudkundige ge-
gevens betreft in alle materieel belangrijke opzichten
in overeenstemming zijn met de boekhouding en de
inventarissen, inzake:
1° volledigheid, wat wil zeggen dat ze alle gegevens
bevatten uit de boekhouding en de inventarissen op
basis waarvan deze staten worden opgesteld, en
2° juistheid, wat wil zeggen dat ze de gegevens cor-
rect weergeven uit de boekhouding en de inventarissen
op basis waarvan deze staten worden opgesteld.
social, confirmant qu’ils n’ont pas connaissance de faits
dont il apparaîtrait que ces états périodiques arrêtés
en fin de semestre, n’ont pas, sous tous égards signi-
ficativement importants, été établis conformément aux
prescriptions prévues par ou en vertu de la loi et aux
instructions de la Banque.
Ils confirment en outre que ces états arrêtés en fin
de semestre sont, pour ce qui est des données comp-
tables, sous tous égards significativement importants,
conformes à la comptabilité et aux inventaires, en ce
sens qu’ils sont:
1° complets, c’est-à-dire qu’ils mentionnent toutes
les données figurant dans la comptabilité et dans les
inventaires sur la base desquels ils sont établis, et
2° corrects, c’est-à-dire qu’ils concordent exactement
avec la comptabilité et avec les inventaires sur la base
desquels ils sont établis.
Ils confirment également n’avoir pas connaissance de
faits dont il apparaîtrait que les états périodiques arrêtés
en fin de semestre n’ont pas été établis, pour ce qui
est des données comptables y figurant, par application
des règles de comptabilisation et d’évaluation qui ont
présidé à l’établissement des états périodiques afférents
au dernier exercice. La Banque peut préciser quels sont
en l’occurrence les états périodiques visés.
Art. 492
Les commissaires agréés désignés dans une entre-
prise visée à l’article 489 font également rapport à la
Banque sur les résultats du contrôle des états pério-
diques transmis par la compagnie financière mixte à la
Banque à la fin de l’exercice social, confirmant qu’ils
sont, sous tous égards significativement importants,
établis conformément aux prescriptions prévues par
ou en vertu de la loi et aux instructions de la Banque.
Ils confirment en outre que ces états arrêtés en fin
d’exercice comptable sont, pour ce qui est des données
comptables, sous tous égards significativement impor-
tants, conformes à la comptabilité et aux inventaires,
en ce sens qu’ils sont:
1° complets, c’est-à-dire qu’ils mentionnent toutes
les données figurant dans la comptabilité et dans les
inventaires sur la base desquels ils sont établis, et
2° corrects, c’est-à-dire qu’ils concordent exactement
avec la comptabilité et avec les inventaires sur la base
desquels ils sont établis.
1058
1584/002
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
Zij bevestigen eveneens dat de periodieke staten per
einde van het boekjaar werden opgesteld, voor wat de
boekhoudkundige gegevens betreft, met toepassing van
de boekings- en waarderingsregels voor de opstelling
van de jaarrekening.
De Bank kan de hier bedoelde staten nader bepalen.
Art. 493
De erkende commissarissen aangesteld bij een in
artikel 489 bedoelde onderneming brengen bij de Bank
op haar verzoek een bijzonder verslag uit over de in de
artikelen 457 tot 460 en de artikelen 490 tot 492 be-
doelde aspecten.
Art. 494
In het kader van hun opdracht bij de gemengde finan-
ciële holding, of een revisorale opdracht bij een met de
gemengde financiële holding verbonden onderneming,
brengen de erkende commissarissen op eigen initiatief
verslag uit bij de Bank zodra zij kennis krijgen van beslis-
singen, feiten of, in voorkomend geval, ontwikkelingen:
1° die een betekenisvolle invloed hebben of kunnen
hebben op de situatie van de groep vanuit financieel
oogpunt of vanuit het oogpunt van zijn administratieve
en boekhoudkundige organisatie of van zijn interne
controle;
2° die een schending kunnen uitmaken van het
Wetboek van Vennootschappen, van de statuten of van
deze wet of de besluiten en reglementen die in uitvoering
van deze wet worden genomen met betrekking tot de
gemengde financiële holding;
3° die kunnen leiden tot een weigering van de certi-
ficering van de geconsolideerde jaarrekening of tot het
formuleren van voorbehoud.
Art. 495
De kosten voor de opstelling van deze verslagen
worden door de gemengde financiële holding, door
de verzekerings- of herverzekeringsonderneming naar
Belgisch recht of door beide samen gedragen.
Ils confirment également que les états périodiques
arrêtés en fin d’exercice ont été établis, pour les don-
nées comptables y figurant, par application des règles
de comptabilisation et d’évaluation présidant à l’établis-
sement des comptes annuels.
La Banque peut préciser quels sont en l’occurrence
les états visés.
Art. 493
Les commissaires agréés désignés dans une
entreprise visée à l’article 489 font à la Banque, à sa
demande, des rapports spéciaux portant sur les aspects
visés aux articles 457 à 460 et aux articles 490 à 492.
Art. 494
Dans le cadre de leur mission auprès de la compagnie
financière mixte, ou d’une mission révisorale auprès
d’une entreprise liée à la compagnie financière mixte,
les commissaires agréés font d’initiative rapport à la
Banque dès qu’ils constatent des décisions, des faits
ou, le cas échéant, des évolutions:
1° qui influencent ou peuvent influencer de façon
significative la situation du groupe sous l’angle financier
ou sous l’angle de son organisation administrative et
comptable ou de son contrôle interne;
2° qui peuvent constituer une violation du Code
des sociétés, des statuts ou de la présente loi et des
arrêtés et règlements pris pour son exécution en ce qui
concerne la compagnie financière mixte;
3° qui sont de nature à entraîner le refus ou des ré-
serves en matière de certification des comptes annuels
consolidés.
Art. 495
Les frais pour l’établissement de ces rapports sont
pris en charge par la compagnie financière mixte, par
l’entreprise d’assurance ou de réassurance de droit
belge ou par les deux ensemble.
1059
1584/002
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
Art. 496
De erkende commissarissen delen aan de leiding
van de verzekerings- of herverzekeringsonderneming
de verslagen mee die zij richten aan de Bank in over-
eenstemming met artikel 494. Deze mededelingen zijn
onderworpen aan artikel 306.
Zij bezorgen aan de Bank een kopie van de mede-
delingen die zij richten aan deze leiding en die zaken
betreffen die van belang kunnen zijn voor het door haar
uitgeoefende toezicht.
Art. 497
Geen enkele burgerlijke, straf- of disciplinaire vorde-
ring mag worden ingesteld en geen enkele professionele
sanctie mag worden uitgesproken tegen de erkende
commissarissen die te goeder trouw zijn overgegaan
tot de mededeling van gegevens bedoeld in artikel 495.
Art. 498
Wanneer de moederonderneming een in artikel 451,
eerste lid, 2° bedoelde gemengde financiële holding is,
met zetel in een andere lidstaat, die betrokken is in het
door de Bank uitgeoefende aanvullende conglomeraats-
toezicht , wordt de opdracht bepaald bij de artikelen 489,
§ 2 tot 494 op overeenkomstige wijze uitgeoefend door
de erkende commissaris die met een vergelijkbare taak
bij deze gemengde financiële holding is aangesteld. Bij
afwezigheid van een dergelijke commissaris wordt de
bedoelde opdracht uitgeoefend door de commissaris
die aangesteld is bij een gereglementeerde onderne-
ming naar Belgisch recht die onder het toezicht van de
Bank staat en dochteronderneming is van de bedoelde
gemengde financiële holding.
Art. 499
De erkende commissarissen aangesteld bij verzeke-
rings- of herverzekeringsondernemingen, of gemengde
financiële holdings naar Belgisch recht overeenkomstig
de artikelen 488 tot 498, hebben voor de uitoefening van
hun opdracht als bepaald bij deze artikelen, toegang tot
en inzage in alle documenten en stukken die uitgaan
zowel van de in het financieel conglomeraat opgenomen
dochterondernemingen, als van de in artikel 483, § 1,
tweede lid bedoelde ondernemingen.
Het bepaalde bij artikel 35 van de wet van
22 februari 1998 is van toepassing wat de informatie
Art. 496
Les commissaires agréés communiquent aux diri-
geants de l’entreprise d’assurance ou de réassurance
les rapports qu’ils adressent à la Banque conformément
à l’article 494. Ces communications sont soumises à
l’article 306.
Ils transmettent à la Banque copie des communica-
tions qu’ils adressent à ces dirigeants et qui portent
sur des questions de nature à intéresser le contrôle
exercé par elle.
Art. 497
Aucune action civile, pénale, ou disciplinaire ne peut
être intentée ni aucune sanction professionnelle pronon-
cée contre les commissaires agréés qui ont procédé de
bonne foi à la communication d’une information visée
sous l’article 495.
Art. 498
Lorsque l’entreprise mère est une compagnie finan-
cière mixte visée à l’article 451, alinéa 1er, 2°, dont le
siège est établi dans un autre État membre et incluse
dans la surveillance complémentaire des conglo-
mérats exercé par la Banque, la mission définie aux
articles 489, § 2 à 494 est exercée par analogie par le
commissaire agréé désigné avec une tâche comparable
auprès de cette compagnie financière mixte. À défaut
d’un tel commissaire, la mission visée est exercée par
le commissaire désigné auprès d’une entreprise régle-
mentée de droit belge qui se trouve sous le contrôle de
la Banque et est une filiale de la compagnie financière
mixte visée.
Art. 499
Les commissaires agréés désignés auprès d’entre-
prises d’assurance ou de réassurance, ou de compa-
gnies financières mixtes de droit belge conformément
aux articles 488 à 498, ont, pour l’exercice de leur mis-
sion telle que visée à ces articles, accès à et peuvent
prendre connaissance de tous les documents et pièces
émanant tant des filiales reprises dans le conglomérat
financier que des entreprises visées à l’article 483,
§ 1er, alinéa 2.
Les dispositions de l’article 35 de la loi du
22 février 1998 s’appliquent en ce qui concerne les
1060
1584/002
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
betreft waarvan zij kennis hebben genomen in uitvoering
van het eerste lid.
Afdeling IV
Andere financiële groepen
Art. 500
Indien in andere dan de in artikel 451 bedoelde
gevallen een onderneming een deelneming of een
andere kapitaalbinding heeft met één of meer andere
ondernemingen, of, buiten een deelneming of andere
kapitaalbinding, op dergelijke ondernemingen invloed
van betekenis uitoefent, en een van de voormelde
ondernemingen een verzekerings- of herverzekerings-
onderneming naar Belgisch recht is, kan de Bank, in
haar hoedanigheid van relevante bevoegde autoriteit,
samen met de andere relevante bevoegde autoriteiten,
in gemeenschappelijk overleg beslissen een aanvullend
conglomeraatstoezicht uit te oefenen op de geregle-
menteerde ondernemingen in de groep. De relevante
bevoegde autoriteiten bepalen gezamenlijk de moda-
liteiten van dit aanvullende conglomeraatstoezicht, en
meer in het bijzonder welke artikelen van dit Hoofdstuk
betreffende het aanvullende conglomeraatstoezicht
van toepassing zijn. Zij nemen hun beslissing met in-
achtneming van de doelstellingen van het aanvullende
conglomeraatstoezicht als bepaald in dit Hoofdstuk en
houden daarbij rekening met de internationale beginse-
len inzake aanvullend conglomeraatstoezicht.
Voor de toepassing van het bepaalde in het eerste
lid moet voldaan worden aan de voorwaarden van arti-
kel 340, 2°, a) ii) en iii) of b), ii) en iii).
Art. 501
De bevoegde autoriteit die belast is met het aan-
vullende conglomeraatstoezicht op de groep wordt
aangeduid met overeenkomstige toepassing van het
bepaalde in artikel 471.
Indien met toepassing van artikel 500, eerste lid
beslist wordt een aanvullend conglomeraatstoezicht
uit te oefenen, is het bepaalde bij artikel 453, § 2 op
overeenkomstige wijze van toepassing.
informations dont ils ont pris connaissance en exécution
de l’alinéa 1er.
Section IV
Autres groupes financiers
Art. 500
Si, dans des cas autres que ceux visés à l’article 451,
une entreprise a une participation dans, ou un autre lien
en capital avec, une ou plusieurs autres entreprises, ou,
en dehors de toute participation ou de tout autre lien
en capital, exerce une influence notable sur de telles
entreprises, et que l’une des entreprises précitées
soit une entreprise d’assurance ou de réassurance
de droit belge, la Banque peut, en sa qualité d’autorité
compétente relevante, décider en concertation avec
les autres autorités compétentes relevantes d’exercer
une surveillance complémentaire des conglomérats sur
les entreprises réglementées du groupe. Les autorités
compétentes relevantes définissent conjointement les
modalités de cette surveillance complémentaire des
conglomérats, et déterminent en particulier les articles
du présent Chapitre concernant la surveillance complé-
mentaire des conglomérats qui sont applicables. Elles
prennent leur décision dans le respect des objectifs de
la surveillance complémentaire des conglomérats tels
que définis par le présent Chapitre, et tiennent compte
dans ce cadre des principes internationaux en matière
de surveillance complémentaire des conglomérats.
Pour l’application des dispositions de l’alinéa 1er, il
doit être satisfait aux conditions de l’article 340, 2°, a),
ii) et iii), ou b), ii) et iii).
Art. 501
L’autorité compétente chargée de la surveillance
complémentaire des conglomérats est désignée par
application analogue des dispositions de l’article 471.
Si, par application de l’article 500, alinéa 1er, il est
décidé de procéder à une surveillance complémentaire
des conglomérats, les dispositions de l’article 453, § 2,
sont applicables par analogie.
1061
1584/002
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
Afdeling V
Moederondernemingen uit derde landen
Art. 502
Verzekerings- of herverzekeringsondernemingen
naar Belgisch recht met als moederonderneming een
gereglementeerde onderneming aan het hoofd van een
financieel conglomeraat of een gemengde financiële
holding met zetel in een derde land, die niet reeds on-
derworpen zijn aan of opgenomen zijn in de reikwijdte
van het door de Bank of een andere bevoegde autoriteit
uitgeoefende aanvullende conglomeraatstoezicht, over-
eenkomstig dit Hoofdstuk, 0worden aan een aanvullend
conglomeraatstoezicht onderworpen overeenkomstig de
bepalingen van deze Afdeling.
Art. 503
§ 1. De Bank verifieert of de in artikel 502 bedoelde
verzekerings- of herverzekeringsondernemingen onder-
worpen zijn aan een door een bevoegde autoriteit van
een derde land uitgeoefend toezicht dat gelijkwaardig
is aan het aanvullende conglomeraatstoezicht overeen-
komstig de bepalingen van dit Hoofdstuk.
Zij doet dit op eigen initiatief dan wel op verzoek van
de in artikel 502 bedoelde moederondernemingen of
van de verzekerings- of herverzekeringsonderneming
naar Belgisch recht.
Alvorens een beslissing te nemen raadpleegt de Bank
de andere bevoegde autoriteiten over de al dan niet
gelijkwaardigheid van het bedoelde toezicht.
Aangaande deze gelijkwaardigheid houdt de Bank re-
kening met de richtsnoeren opgesteld door het Gemengd
Comité overeenkomstig de artikelen 16 en 56 van
Verordening 1093/2010, Verordening 1094/2010 of
Verordening 1095/2010, over het aanvullende conglo-
meraatstoezicht, overeenkomstig Richtlijn 2002/87/EG:
§ 2. Indien met overeenkomstige toepassing van het
bepaalde in artikel 10 van Richtlijn 2002/87/EG een
andere bevoegde autoriteit dan de Bank coördinator
is, geschiedt de verificatie en raadpleging door deze
andere bevoegde autoriteit en kan de Bank haar bev-
indingen en zienswijze over de in paragraaf 1 bedoelde
gelijkwaardigheid aan deze andere bevoegde autoriteit
meedelen.
W a n n e e r d e B a n k v a n m e n i n g v e r -
schilt over een door een andere bevoegde au-
toriteit overeenkomstig het eerste lid genomen
Section V
Entreprises mères établies dans un pays tiers
Art. 502
Les entreprises d’assurance ou de réassurance de
droit belge dont l’entreprise mère est une entreprise
réglementée à la tête d’un conglomérat financier ou
une compagnie financière mixte ayant son siège social
dans un pays tiers, et qui ne font pas déjà l’objet ou
ne relèvent pas encore de la portée de la surveillance
complémentaire des conglomérats conformément au
présent Chapitre, exercée par la Banque ou par une
autre autorité compétente, sont soumises à une surveil-
lance complémentaire des conglomérats conformément
aux dispositions de la présente Section.
Art. 503
§ 1er. La Banque vérifie si les entreprises d’assurance
ou de réassurance visées à l’article 502 sont soumises
à un contrôle exercé par une autorité compétente d’un
pays tiers, équivalent à la surveillance complémentaire
des conglomérats conformément aux dispositions du
présent Chapitre.
Elle le fait de sa propre initiative ou à la demande des
entreprises mères visées à l’article 502 ou de l’entre-
prise d’assurance ou de réassurance de droit belge.
Avant de prendre sa décision, la Banque consulte
les autres autorités compétentes sur l’équivalence ou
non du contrôle visé.
En ce qui concerne cette équivalence, la Banque tient
compte des directives établies par le comité mixte confor-
mément aux articles 16 et 56 du Règlement 1093/2010,
du Règlement 1094/2010 ou du Règlement 1095/2010,
relatives à la surveillance complémentaire des conglo-
mérats conformément à la Directive 2002/87/CE.:
§ 2. Si, par application analogue des dispositions
de l’article 10 de la Directive 2002/87/CE, une autre
autorité compétente que la Banque est le coordinateur,
la vérification et la consultation sont effectuées par
cette autre autorité compétente, la Banque pouvant lui
communiquer ses constatations et son point de vue sur
l’équivalence visée au paragraphe 1er.
Lorsque la Banque a un avis différent quant à une
décision prise par une autre autorité compétente
conformément à l’alinéa 1er, l’article 19, selon le cas,
1062
1584/002
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
besluit, is artikel 19, naargelang van het geval, van
Verordening 1094/2010, van Verordening 1093/2010 of
van Verordening 1095/2010 van toepassing.
§ 3. Indien de procedure in de paragrafen 1 en 2 leidt
tot de vaststelling dat er geen gelijkwaardigheid is,
worden de betrokken verzekerings- of herverzekerings-
ondernemingen naar Belgisch recht onderworpen aan
een aanvullend conglomeraatstoezicht, met overeen-
komstige toepassing van de bepalingen van paragraaf 1,
eerste lid, door de Bank indien zij de bevoegde autoriteit
is die belast zou zijn met het aanvullende conglome-
raatstoezicht met overeenkomstige toepassing van de
bepalingen van artikel 471.
In afwijking van het eerste lid kan de Bank, na overleg
met de andere relevante bevoegde autoriteiten, ook
beslissen een andere passende toezichtsmethode toe
te passen die de doelstellingen achter de bepalingen
bedoeld in paragraaf 2, eerste lid dient te verwezenlijken.
De Bank kan meer bepaald eisen dat de verzekerings-
of herverzekeringsondernemingen naar Belgisch recht
en de eventuele andere gereglementeerde ondernemin-
gen opgericht naar het recht van een lidstaat, worden
ondergebracht in een groep met aan het hoofd een
gemengde financiële holding opgericht naar het recht
van een lidstaat, en de bepalingen van dit Hoofdstuk toe-
passen op het niveau van het financieel conglomeraat
met aan het hoofd deze gemengde financiële holding.
In dat geval stelt de Bank de overige relevante
bevoegde autoriteiten en de Europese Commissie in
kennis van elke beslissing genomen met toepassing
van het tweede en het derde lid.
Voor de toepassing van het eerste tot het vierde lid
sluit de Bank de nodige overeenkomsten met de rele-
vante bevoegde autoriteiten.
TITEL VI
In moeilijkheden of in een onregelmatige
situatie verkerende verzekerings- of
herverzekeringsondernemingen
HOOFDSTUK I
Evenwicht van de tarieven
Art. 504
Indien de Bank vaststelt of indien een verzekerings- of
herverzekeringsonderneming haar ervan in kennis stelt
du Règlement 1094/2010, du Règlement 1093/2010 ou
du Règlement 1095/2010 s’applique.
§ 3. Si la procédure prévue aux paragraphes 1er et
2 permet de conclure à l’absence d’équivalence, les
entreprises d’assurance ou de réassurance de droit
belge concernées sont soumises à une surveillance
complémentaire des conglomérats par application
analogue des dispositions du paragraphe 1er, alinéa 1er,
effectuée par la Banque si elle est l’autorité compétente
qui serait chargée de la surveillance complémentaire
des conglomérats par application analogue des dispo-
sitions de l’article 471.
Par dérogation à l’alinéa 1er, la Banque peut, après
concertation avec les autres autorités compétentes
relevantes, également décider d’appliquer une autre
méthode de contrôle adéquate, laquelle doit réaliser
les objectifs des dispositions visées au paragraphe 2,
alinéa 1er.
La Banque peut en particulier exiger que les entre-
prises d’assurance ou de réassurance de droit belge et
les éventuelles autres entreprises réglementées consti-
tuées selon le droit d’un État membre soient incluses
dans un groupe ayant à sa tête une compagnie finan-
cière mixte constituée selon le droit d’un État membre,
et appliquer les dispositions du présent Chapitre au
niveau du conglomérat financier ayant à sa tête cette
compagnie financière mixte.
Dans ce cas, la Banque avise les autres autorités
compétentes relevantes et la Commission européenne
de toute décision prise en application des alinéas 2 et 3.
Pour l’application des alinéas 1er à 4, la Banque
conclut les accords nécessaires avec les autorités
compétentes relevantes.
TITRE VI
Des entreprises d’assurance ou de réassurance en
difficulté ou en situation irrégulière
CHAPITRE IER
Mise en équilibre des tarifs
Art. 504
Si la Banque constate ou si une entreprise d’assu-
rance ou de réassurance l’informe que l’application
1063
1584/002
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
dat de toepassing van één van haar tarieven verliesla-
tend is of dreigt te worden, kan de Bank eisen dat de
betrokken onderneming dit tarief in evenwicht brengt.
Dit in evenwicht brengen van het tarief kan een aan-
passing van de dekkingsvoorwaarden inhouden.
In afwijking van artikel 41 van de Wet Verzekeringen
en onverminderd het opzeggingsrecht van de verzeke-
ringnemer, wordt de tariefverhoging voor levensverze-
kerings- en -herverzekeringsovereenkomsten toegepast
overeenkomstig het bepaalde in artikel 216, § 3.
Art. 505
Wanneer de overeenkomsten waarop artikel 504 be-
trekking heeft, andere dan beroepsgebonden ziektever-
zekeringsovereen-komsten in de zin van artikel 202 van
de Wet Verzekeringen zijn, raadpleegt de Bank de FSMA
vooraleer een beslissing te nemen.
De FSMA deelt haar advies mee aan de Bank bin-
nen een termijn van een maand na ontvangst van het
verzoek om advies. Bij gebreke van advies binnen deze
termijn wordt ervan uitgegaan dat zij geen opmerkingen
heeft.
Art. 506
De verhoging van een tarief is niet onderworpen aan
de verplichting tot prijsverhogingsaangifte als bedoeld in
de wet van 22 januari 1945 betreffende de economische
reglementering en de prijzen, en de uitvoeringsbesluiten
ervan.
Art. 507
De Bank stelt de FSMA en de Prijzencommissie in
kennis van de beslissing tot tariefverhoging van een
verzekerings onderneming.
De Bank laat tevens in het Belgisch Staatsblad een
uittreksel van de beslissing publiceren, waarin het per-
centage van de toegestane verhoging wordt vermeld.
d’un de ses tarifs donne lieu ou risque de donner lieu à
des pertes, la Banque peut exiger que cette entreprise
mette ce tarif en équilibre.
La mise en équilibre du tarif peut comporter une
adaptation des conditions de couverture.
Par dérogation à l’article 41 de la Loi assurances et
sans préjudice du droit de résiliation dans le chef du
preneur d’assurance, le relèvement d’un tarif s’applique
pour ce qui concerne les contrats d’assurance et de ré-
assurance vie, de la manière prévue à l’article 216, § 3.
Art. 505
Lorsque les contrats concernés par l ’ar-
ticle 504 consistent dans des contrats d’assurance-
maladie non liés à l’activité professionnelle au sens de
l’article 202 de la Loi assurances, la Banque consulte
la FSMA avant de prendre sa décision.
La FSMA communique son avis à la Banque dans un
délai d’un mois à compter de la réception de la demande
d’avis. À défaut d’avis dans ce délai, il est considéré
qu’elle n’a pas d’observation à formuler.
Art. 506
Le relèvement d’un tarif n’est pas soumis à l’obliga-
tion de déclaration des hausses de prix visée par la loi
du 22 janvier 1945 sur la réglementation économique
et les prix et par ses arrêtés d’exécution.
Art. 507
La Banque informe la FSMA et la Commission des
prix de la décision de relèvement du tarif d’une entre-
prise d’assurance.
La Banque fait également procéder à la publication
au Moniteur belge d’un extrait de la décision indiquant
le pourcentage du relèvement autorisé.
1064
1584/002
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
HOOFDSTUK II
Herstelmaatregelen
Afdeling I
Dwingende maatregelen
Art. 508
§ 1. Wanneer de Bank vaststelt dat een verze-
kerings- of herverzekeringsonderneming niet werkt
overeenkomstig de bepalingen van deze wet, haar
uitvoeringsbesluiten en -reglementen of de uitvoerings-
maatregelen van Richtlijn 2009/138/EG, of wanneer zij
over gegevens beschikt waaruit blijkt dat het gevaar
bestaat dat deze onderneming in de komende twaalf
maanden niet meer zal werken overeenkomstig deze
bepalingen, stelt zij de termijn vast waarbinnen deze
toestand moet worden verholpen.
§ 2 Zolang de verzekerings- of herverzekeringsonder-
neming de in paragraaf 1 bedoelde toestand niet heeft
verholpen, kan de Bank te allen tijde:
1° de toepassing opleggen van bijzondere regels
inzake waardering of waardeaanpassing voor de bere-
kening van de eigenvermogensvereisten die opgelegd
zijn door of krachtens deze wet of door de uitvoerings-
maatregelen van Richtlijn 2009/138/EG;
2° de verdeling van winstdelingen en restorno’s of
de toekenning van verdeelde winstdelingen beperken
of verbieden, na raadpleging van de FSMA;
3° alle dividenduitkeringen of betalingen, met name
van interesten, aan aandeelhouders of houders van
kernkapitaalinstrumenten, beperken of verbieden, voor
zover de schorsing van de betalingen die daaruit zou
voortvloeien, niet leidt tot de opening van een liquida-
tieprocedure met toepassing van de bepalingen van de
faillissementswet van 8 augustus 1997;
4° de gehele of gedeeltelijke reservering van uitkeer-
bare winst opleggen;
5° eisen dat de variabele component van de belo-
ning van de personen waarop het beloningsbeleid van
toepassing is, beperkt wordt tot een percentage van
de winst;
6° specifieke liquiditeitsnormen opleggen, die
dwingender zijn dan deze waarin voorzien is door
CHAPITRE II
Mesures de redressement
Section Ire
Mesures contraignantes
Art. 508
§ 1er. Lorsque la Banque constate qu’une entreprise
d’assurance ou de réassurance ne fonctionne pas en
conformité avec les dispositions de la présente loi, des
arrêtés et règlements pris pour son exécution ou les
mesures d’exécution de la Directive 2009/138/CE, ou
qu’elle dispose d’éléments indiquant que cette entre-
prise risque de ne plus fonctionner en conformité avec
ces dispositions au cours des douze prochains mois,
la Banque fixe le délai dans lequel il doit être remédié
à cette situation.
§ 2. Aussi longtemps qu’il n’a pas été remédié par
l’entreprise d’assurance ou de réassurance à la situa-
tion visée au paragraphe 1er, la Banque peut, à tout
moment:
1° imposer l’application de règles particulières en
matière d’évaluation ou d’ajustement de valeur pour le
calcul des exigences de fonds propres prévues par ou
en vertu de la présente loi ou par les mesures d’exécu-
tion de la Directive 2009/138/CE;
2° limiter ou interdire la répartition de participations
aux bénéfices et de ristournes ou l’attribution de par-
ticipations bénéficiaires réparties, après consultation
de la FSMA;
3° limiter ou interdire toute distribution de dividendes
ou tout paiement, notamment d’intérêts, aux action-
naires ou aux titulaires d’instruments de fonds propres
de base, dans la mesure où la suspension des verse-
ments qui en résulterait n’entraîne pas les conditions
d’ouverture d’une procédure de liquidation en appli-
cation des dispositions de la loi du 8 août 1997 sur les
faillites;
4° imposer la mise en réserve totale ou partielle des
bénéfices distribuables;
5° imposer de limiter la composante de la rémunéra-
tion variable des personnes visées par la politique de
rémunération à un pourcentage du bénéfice;
6° imposer des normes spécifiques de liquidité, plus
contraignantes que celles définies par des règlements le
1065
1584/002
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
reglementen die in voorkomend geval met toepassing
van deze wet zijn vastgesteld, waaronder beperkingen
ten aanzien van mismatches tussen activa en passiva
van de verzekerings- of herverzekeringsonderneming;
7° eisen dat de verzekerings- of herverzekeringson-
derneming het risico dat verbonden is aan bepaalde ac-
tiviteiten of producten of aan haar organisatie, beperkt,
in voorkomend geval door de integrale of gedeeltelijke
overdracht op te leggen van haar bedrijf of haar net;
8° normen opleggen inzake risicoconcentratie of ter
beperking van de blootstellingen die van toepassing zijn
op de activa en die dwingender zijn dan deze waarin
voorzien is door of krachtens deze wet;
9° een aanvullende rapporteringsverplichting op-
leggen of een frequentere rapportering opleggen dan
waarin voorzien is door of krachtens deze wet of door
de uitvoeringsmaatregelen van Richtlijn 2009/138/EG
, met name voor de rapportering over risico’s, eigen
vermogen of liquiditeitsposities;
10° volledigere en frequentere openbaarmakingen
eisen dan deze waarin voorzien is door of krachtens
deze wet of door de uitvoeringsmaatregelen van Richtlijn
2009/138/EG;
§ 3.Wanneer de Bank van oordeel is dat de maatrege-
len die de verzekerings- of herverzekeringsonderneming
binnen de met toepassing van paragraaf 1 vastgestelde
termijn heeft genomen om de vastgestelde toestand te
verhelpen, bevredigend zijn, heft zij volgens de modali-
teiten die zij bepaalt, alle of een deel van de maatregelen
op waartoe zij met toepassing van paragraaf 2 heeft
besloten.
Afdeling II
Uitvoering van het herstelplan
Art. 509
Zolang de verzekerings- of herverzekeringsonderne-
ming de toestand bedoeld in artikel 508, § 1 niet heeft
verholpen, en onverminderd de maatregelen bedoeld
in paragraaf 2 van het genoemde artikel, kan de Bank
te allen tijde en volgens de modaliteiten die zij bepaalt,
eisen dat de onderneming het met toepassing van ar-
tikel 204 opgestelde herstelplan geheel of gedeeltelijk
uitvoert.
cas échéant adoptés en application de la présente loi, en
ce compris des limitations aux asymétries d’échéance
entre actifs et passifs de l’entreprise d’assurance ou
de réassurance;
7° imposer que l’entreprise d’assurance ou de réas-
surance diminue le risque inhérent à certaines activités
ou produits ou à son organisation, le cas échéant en
imposant la cession de tout ou partie de ses activités
ou de son réseau;
8° imposer des normes en matière de concentration
des risques ou de limitation des expositions applicables
aux actifs plus contraignantes que celles définies par
ou en vertu de la présente loi;
9° imposer une obligation d’information (reporting)
supplémentaire ou imposer une fréquence d’information
(reporting) plus élevée que ce qui est prévu par ou en
vertu de la présente loi ou par les mesures d’exécution
de la Directive 2009/138/CE, notamment en matière de
risques, de fonds propres ou de positions de liquidité;
10° imposer la publication d’informations plus com-
plètes et plus fréquentes que celles prévues par ou en
vertu de la présente loi ou par les mesures d’exécution
de la Directive 2009/138/CE;
§ 3. Lorsque la Banque estime que les mesures prises
par l’entreprise d’assurance ou de réassurance dans le
délai fixé en application du paragraphe 1er pour remédier
à la situation constatée sont satisfaisantes, elle lève,
selon les modalités qu’elle détermine, tout ou partie
des mesures décidées en application du paragraphe 2.
Section II
Mise en œuvre du plan de redressement
Art. 509
Aussi longtemps que l’entreprise d’assurance ou
de réassurance n’a pas remédié à la situation visée
à l’article 508, § 1er, et sans préjudice des mesures
visées au paragraphe 2 dudit article, la Banque peut à
tout moment, et selon les modalités qu’elle détermine,
requérir que l’entreprise mette en œuvre tout ou partie
du plan de redressement élaboré en application de
l’article 204.
1066
1584/002
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
Afdeling III
Saneringsplan en plan inzake financiering op korte termijn
Art. 510
§ 1. Zodra een verzekerings- of herverzekeringson-
derneming vaststelt dat zij niet meer voldoet aan het
solvabiliteitskapitaalvereiste als bedoeld in artikel 151,
of dat het gevaar dreigt dat zij er in de komende drie
maanden niet meer aan voldoet, stelt ze de Bank daar-
van onmiddellijk in kennis.
Binnen twee maanden na de vaststelling bedoeld
in het eerste lid of de kennisgeving door de Bank van
het feit dat zij een dergelijke vaststelling heeft gedaan,
dient de onderneming bij de Bank ter goedkeuring
een realistisch saneringsplan in om het in aanmerking
komend eigen vermogen ter dekking van het solvabi-
liteitskapitaalvereiste weer op peil te brengen of haar
risicoprofiel zodanig te verlagen dat weer wordt voldaan
aan het solvabiliteitskapitaalvereiste binnen uiterlijk zes
maanden. De Bank kan deze termijn met drie maanden
verlengen indien zij dit nodig acht.
§ 2. Het saneringsplan bevat ten minste voor de
volgende drie boekjaren een gedetailleerde beschrij-
ving van de volgende elementen of de desbetreffende
rechtvaardigingen:
1° een raming van de te verwachten beheerkosten,
met name van de algemene kosten en de commissies;
2° een raming van de ontvangsten en uitgaven,
zowel wat het rechtstreekse verzekeringsbedrijf als de
aangenomen herverzekeringen en de overdrachten uit
hoofde van herverzekering betreft;
3° een balansprognose;
4° een raming van de financiële middelen ter dekking
van de technische voorzieningen, en van het solvabi-
liteitskapitaalvereiste en het minimumkapitaalvereiste;
5° het algemene onderschrijvings- en tariferingsbeleid;
6° het algemene herverzekerings- of retrocessiebeleid;
7° de relevante bepalingen van het ter uitvoering van
de artikelen 204 tot 206 opgestelde herstelplan.
Section III
Programme de rétablissement et plan de financement à
court terme
Art. 510
§ 1er. Dès qu’elle constate que son capital de solva-
bilité requis n’est plus conforme aux exigences prévues
par l’article 151 ou qu’il risque de ne plus l’être dans les
trois prochains mois, toute entreprise d’assurance ou
de réassurance en informe immédiatement la Banque.
Dans les deux mois du constat visé à l’alinéa 1er
ou de la notification effectuée par la Banque selon
laquelle elle a procédé à un tel constat, l’entreprise
soumet à la Banque, pour approbation, un programme
de rétablissement réaliste visant à rétablir le niveau de
fonds propres éligibles couvrant le capital de solvabilité
requis ou réduire son profil de risque afin de garantir
la conformité du capital de solvabilité requis dans un
délai n’excédant pas six mois. La Banque peut, si elle
l’estime nécessaire, prolonger ce délai de trois mois.
§ 2. Le programme de rétablissement comprend au
moins pour les trois exercices financiers subséquents,
une description détaillée des éléments suivants, ou les
justifications y afférentes:
1° une estimation prévisionnelle des frais de gestion,
notamment des frais généraux et des commissions;
2° une estimation des recettes et des dépenses, tant
pour les affaires directes que pour les acceptations et
les cessions en réassurance;
3° un bilan prévisionnel;
4° une estimation des ressources financières devant
servir à la couverture des provisions techniques, ainsi
que du capital de solvabilité requis et du minimum de
capital requis;
5° la politique générale de souscription et de
tarification;
6° la politique générale en matière de réassurance
ou de rétrocession;
7° les dispositions pertinentes du plan de redresse-
ment établi en exécution des articles 204 à 206.
1067
1584/002
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
De Bank kan alle aanvullende informatie of recht-
vaardigingen eisen die zij noodzakelijk acht voor de
beoordeling van het plan.
§ 3. In uitzonderlijke ongunstige omstandigheden als
bedoeld in artikel 138, lid 4 van Richtlijn 2009/138/EG,
die als zodanig worden aangemerkt door EIOPA, kan
de Bank de in paragraaf 1, tweede lid bedoelde termijn
voor de desbetreffende onderneming verlengen met een
periode van maximum zeven jaar, rekening houdend met
alle relevante factoren, en met name met de gemiddelde
looptijd van de technische voorzieningen.
De betrokken verzekerings- of herverzekeringson-
derneming dient om de drie maanden een tussentijds
verslag in bij de Bank waarin wordt aangegeven welke
maatregelen er zijn getroffen en welke vooruitgang
er is geboekt om het in aanmerking komend eigen
vermogen ter dekking van het solvabiliteitskapitaal-
vereiste weer op peil te brengen of haar risicoprofiel
zodanig te verlagen dat weer wordt voldaan aan het
solvabiliteitskapitaalvereiste.
De in het eerste lid bedoelde verlenging wordt in-
getrokken als uit het tussentijds verslag blijkt dat er
geen duidelijke vooruitgang is geboekt door de onder-
neming in het licht van de in het tweede lid bedoelde
doelstellingen.
Art. 511
§ 1. Zodra een verzekerings- of herverzekeringson-
derneming vaststelt dat zij niet meer voldoet aan het
minimumkapitaalvereiste als bedoeld in artikel 189, of
dat het gevaar dreigt dat zij er in de komende drie maan-
den niet meer aan voldoet, stelt ze de Bank daarvan
onmiddellijk in kennis.
Binnen een maand na de vaststelling bedoeld in
het eerste lid of de kennisgeving door de Bank van
het feit dat zij een dergelijke vaststelling heeft gedaan,
dient de onderneming bij de Bank ter goedkeuring een
realistisch plan inzake financiering op korte termijn in
om het in aanmerkend komend kernvermogen binnen
uiterlijk drie maanden op het niveau van het minimum-
kapitaalvereiste terug te brengen of haar risicoprofiel
zodanig te verlagen dat weer wordt voldaan aan het
minimumkapitaalvereiste.
§ 2. Het plan inzake financiering op korte termijn bevat
ten minste voor de volgende drie boekjaren een gedetail-
leerde beschrijving van de in artikel 510, § 2 bedoelde
elementen en de desbetreffende rechtvaardigingen.
La Banque peut exiger tout complément d’information
ou de justification qu’elle estime nécessaire à l’évalua-
tion du plan.
§ 3. En cas de situation défavorable exceptionnelle
telle que visée à l’article 138, paragraphe 4 de la
Directive 2009/138/CE et déclarée comme telle par
l’EIOPA, la Banque peut prolonger, pour l’entreprise
affectée, le délai visé au paragraphe 1er, alinéa 2 d’une
durée maximale de sept ans compte tenu de tous les
facteurs pertinents et notamment de la durée moyenne
des provisions techniques.
L’entreprise d’assurance ou de réassurance concer-
née soumet tous les trois mois à la Banque un rapport
intermédiaire exposant les mesures prises et les pro-
grès accomplis pour rétablir le niveau de fonds propres
éligibles correspondant au capital de solvabilité requis
ou pour réduire son profil de risque afin de garantir la
conformité du capital de solvabilité requis.
La prolongation visée à l’alinéa 1er est retirée lorsque
le rapport intermédiaire montre qu’aucun progrès signi-
ficatif n’a été accompli par l’entreprise au regard des
objectifs visés à l’alinéa 2.
Art. 511
§ 1er. Dès qu’elle constate que son minimum de capi-
tal requis n’est plus conforme aux exigences prévues
par l’article 189 ou qu’il risque de ne plus l’être dans les
trois prochains mois, toute entreprise d’assurance ou
de réassurance en informe immédiatement la Banque.
Dans le mois du constat visé à l’alinéa 1er ou de
la notification effectuée par la Banque selon laquelle
elle a procédé à un tel constat, l’entreprise soumet à
la Banque, pour approbation, un plan de financement
à court terme réaliste visant à rétablir, dans un délai
n’excédant pas trois mois, les fonds propres de base
éligibles au moins au niveau du minimum de capital
requis ou à réduire son profil de risque pour garantir la
conformité du minimum de capital requis.
§ 2. Le plan de financement à court terme comporte
au moins, pour les trois exercices financiers subsé-
quents, une description détaillée des éléments visés
à l’article 510, § 2 et les justifications s’y rapportant.
1068
1584/002
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
Art. 512
Zolang het in artikel 510 bedoelde saneringsplan of
het in artikel 511 bedoelde plan inzake financiering op
korte termijn loopt en de Bank van oordeel is dat de
rechten van de verzekeringnemers, de verzekerden of
de begunstigden of de naleving van de rechten die uit
de herverzekeringsovereenkomsten voortvloeien, in het
gedrag komen, onthoudt zij zich van de afgifte van de in
artikel 109, eerste lid en artikel 116, eerste lid bedoelde
solvabiliteitsattesten.
Afdeling IV
Beperking van de bevoegdheid om over de activa te
beschikken
Art. 513
Onverminderd de andere maatregelen die door of
krachtens de wet zijn vastgelegd, kan de Bank de vrije
beschikking over de activa van een verzekerings- of
herverzekeringsonderneming, waar zij zich ook bevin-
den, beperken of ontnemen in de volgende gevallen:
1° indien de onderneming zich niet conformeert aan
de bepalingen van de artikelen 124 tot 139 voor wat de
technische voorzieningen betreft;
2° in de uitzonderlijke omstandigheid dat de Bank,
wanneer de onderneming een saneringsplan heeft
ingediend of moet indienen krachtens artikel 510, van
oordeel is dat de financiële positie van de onderneming
verder zal verslechteren;
3° indien niet meer wordt voldaan aan het overeenkom-
stig artikel 189 vastgestelde minimumkapitaalvereiste;
4° indien de solvabiliteitspositie van de onderneming
blijft verslechteren of de belangen van de verzekering-
nemers, de verzekerden of de begunstigden van de ver-
zekeringsovereenkomsten of de naleving van de rechten
die uit de herverzekeringsovereenkomsten voortvloeien,
in het gedrag komen, ondanks de uitvoering van een
saneringsplan of een plan inzake financiering op korte
termijn.
Art. 514
§ 1. Het verbod op de vrije beschikking over de in
België gelokaliseerde activa dat met toepassing van
artikel 513 wordt opgelegd, wordt door de volgende
bepalingen beheerst:
Art. 512
Aussi longtemps que le programme de rétablissement
visé à l’article 510 ou le plan de financement à court
terme visé à l’article 511 est en cours et que la Banque
estime que les droits des preneurs d’assurance, des
assurés ou des bénéficiaires ou le respect des droits
découlant des contrats de réassurance, sont menacés,
elle s’abstient de délivrer les attestations de solvabilité
visées aux articles 109, alinéa 1er et 116, alinéa 1er.
Section IV
Limitation du pouvoir de disposer des actifs
Art. 513
Sans préjudice des autres mesures prévues par ou en
vertu de la loi, la Banque peut restreindre ou interdire la
libre disposition des actifs d’une entreprise d’assurance
ou de réassurance, quelle que soit leur localisation, dans
les cas suivants:
1° si l’entreprise ne se conforme pas aux dispositions
des articles 124 à 139 en ce qui concerne les provisions
techniques;
2° dans la circonstance exceptionnelle où, lorsque
l’entreprise a soumis ou est tenue de soumettre un
programme de rétablissement en vertu de l’article 510,
la Banque est d’avis que la situation financière de
l’entreprise va se détériorer davantage;
3° si le minimum de capital requis n’est plus conforme
aux dispositions de l’article 189;
4° si, malgré la mise en œuvre d’un programme de
rétablissement ou d’un plan de financement à court
terme, la solvabilité de l’entreprise continue à se dété-
riorer ou que les intérêts des preneurs d’assurance, des
assurés ou des bénéficiaires des contrats d’assurance
ou le respect des droits découlant des contrats de réas-
surance sont menacés.
Art. 514
§ 1er. L’interdiction de la libre disposition des actifs
localisés en Belgique en application de l’article 513 est
régie par les dispositions suivantes:
1069
1584/002
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
1° Zonder dat een dergelijke mededeling een voor-
waarde uitmaakt voor het verbod, bezorgt de onder-
neming aan de Bank een volledige inventaris van haar
activa, met inbegrip van de andere activa dan deze die
ter dekking van de technische voorzieningen worden
aangehouden. Voor elke daad van beschikking of toe-
wijzing met betrekking tot die activa is de voorafgaande
toestemming van de Bank vereist.
2° Voor de activa die op een rekening zijn ingeschre-
ven, beveelt de Bank de in bewaring nemende instelling
de rekening te blokkeren. Voor de andere voor bewaar-
geving vatbare activa beveelt de Bank de onderneming
ze onmiddellijk in bewaring te geven op een bijzondere
rekening ter verwezenlijking van de blokkering van de
activa bij een kredietinstelling, beursvennootschap of
buitenlandse beleggingsonderneming waarvan de ver-
gunning het in ontvangst nemen van tegoeden dekt en
die onder het recht van een lidstaat ressorteert.
De in bewaring nemende instellingen mogen de
activa die ze voor rekening van de verzekerings- of her-
verzekeringsonderneming in bewaring houden, slechts
teruggeven op voorlegging van de toestemming van
de Bank. Deze laatste brengt de in bewaring nemende
instellingen op de hoogte van de verplichtingen die
krachtens dit artikel op hen rusten. Deze instellingen
worden verantwoordelijk gehouden voor de geldelijke
verliezen die voortvloeien uit de niet-naleving van de op
hen rustende verplichtingen die vastgesteld zijn in dit lid.
3° De in België gestorte bedragen ter uitvoering
van vorderingen van de verzekerings- of herverzeke-
ringsonderneming worden gestort op een bijzondere
geblokkeerde rekening bij een kredietinstelling naar
Belgisch recht of die onder het recht van een lidstaat
ressorteert, en vallen onder dezelfde regeling als de
activa bedoeld in 1°.
4° Wat de andere activa betreft die niet voor bewaar-
geving vatbaar zijn, kan de Koning, op advies van de
Bank, de regels vaststellen inzake de bewarende maat-
regelen die op deze activa van toepassing kunnen zijn.
5° De onroerende activa zijn onderworpen aan
een wettelijke hypotheek ten bate van de geza-
menlijke schuldeisers uit hoofde van verzekering of
herverzekering.
De inschrijving wordt gevorderd door de Bank, onder
de voorwaarden bepaald in de artikelen 82 tot 87 van
de hypotheekwet.
De inschrijving wordt doorgehaald of verminderd
met instemming van de Bank, onder de voorwaarden
bepaald in de artikelen 92 tot 95 van de hypotheekwet.
1° Sans qu’une telle communication ne constitue
un préalable à l’interdiction, l’entreprise communique
à la Banque un inventaire complet de ses actifs, en ce
compris les actifs autres que ceux détenus pour couvrir
les provisions techniques. Tout acte de disposition ou
d’affectation de ces actifs est subordonné à l’autorisa-
tion préalable de la Banque.
2° Pour les actifs faisant l’objet d’une inscription en
compte, la Banque ordonne à l’organisme dépositaire
le blocage du compte. Pour les autres actifs suscep-
tibles de dépôt, la Banque ordonne à l’entreprise le
dépôt immédiat sur un compte spécial matérialisant le
blocage des actifs ouvert auprès d’un établissement
de crédit, d’une société de bourse ou d’une entreprise
d’investissement étrangère dont l’agrément couvre la
réception d’avoirs, relevant du droit d’un État membre.
Les organismes dépositaires ne peuvent restituer
les actifs qu’ils détiennent pour compte de l’entreprise
d’assurance ou de réassurance que sur production de
l’autorisation de la Banque. Celle-ci informe les orga-
nismes dépositaires des obligations qui leur incombent
en vertu du présent article. Ces organismes sont tenus
responsables des pertes de valeur résultant du non-
respect de leurs obligations prévues au présent alinéa.
3° Les sommes versées en Belgique en exécution des
créances de l’entreprise d’assurance ou de réassurance
sont versées sur un compte spécial et bloqué auprès
d’un établissement de crédit de droit belge ou relevant
du droit d’un État membre, et suivent le même régime
que les actifs visés au 1°.
4° En ce qui concerne les autres actifs non suscep-
tibles de dépôt, le Roi peut, sur avis de la Banque,
fixer les règles relatives aux mesures conservatoires
auxquelles ils peuvent être soumis.
5° Les actifs immobiliers sont soumis à une hypo-
thèque légale au profit de l’ensemble des créanciers
d’assurance ou de réassurance.
L’inscription est requise par la Banque dans les condi-
tions prévues aux articles 82 à 87 de la loi hypothécaire.
L’inscription est radiée ou réduite du consentement
de la Banque dans les conditions prévues aux articles
92 à 95 de la loi hypothécaire.
1070
1584/002
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
De kosten en rechten van inschrijving, doorhaling
en vermindering komen ten laste van de betrokken
onderneming.
6° De Bank kan zich met een aangetekende brief
aan de hypotheekbewaarders verzetten tegen de
doorhaling of de vermindering van de hypotheek ver-
leend door een derde ten bate van de verzekerings- of
herverzekeringsonderneming.
§ 2. De roerende dekkingswaarden die het voor-
werp uitmaken van de bepalingen van paragraaf 1 zijn
niet voor beslag vatbaar, tenzij in het voordeel van de
schuldeisers die houders zijn van rechten die te goeder
trouw zijn verkregen krachtens een formaliteit vervuld
vóór de toewijzing van de betreffende waarden als
dekkingswaarden.
Art. 515
De Bank stelt de toezichthouders van de betrok-
ken lidstaten van ontvangst vooraf in kennis van haar
voornemen om de vrije beschikking over de activa te
beperken of te ontnemen.
De Bank kan de toezichthouders van de lidstaten op
het grondgebied waarvan de activa van de onderneming
gelokaliseerd zijn, verzoeken de nodige maatregelen te
nemen om de effectiviteit te verzekeren van de beper-
king van of het verbod op de vrije beschikking over die
activa. De Bank bepaalt op welke activa deze maatre-
gelen van toepassing zullen zijn.
Art. 516
Op verzoek van een toezichthouder van een lidstaat
kan de Bank overeenkomstig artikel 513 de vrije beschik-
king over de activa van een verzekerings- of herverze-
keringsonderneming die onder het recht van die lidstaat
ressorteert, beperken of ontnemen indien die activa op
het Belgische grondgebied gelokaliseerd zijn en door
deze toezichthouder zijn aangeduid.
Afdeling V
Uitzonderlijke herstelmaatregelen
Art. 517
§ 1. Wanneer de Bank vaststelt dat een verze-
kerings- of herverzekeringsonderneming niet of niet
langer voldoet aan de met toepassing van artikel 508,
§ 2 genomen maatregelen, of dat zij de toestand na
Les frais et droits relatifs à l’inscription, à la radia-
tion et à la réduction sont à charge de l’entreprise
concernée.
6° La Banque peut, par lettre recommandée adres-
sée aux conservateurs des hypothèques, s’opposer à
la radiation ou la réduction de l’hypothèque consentie
par un tiers au profit de l’entreprise d’assurance ou de
réassurance.
§ 2. Les valeurs représentatives mobilières qui font
l’objet des dispositions du paragraphe 1er sont insaisis-
sables, sauf au profit des créanciers titulaires de droits
acquis de bonne foi en vertu d’une formalité accomplie
avant l’affectation desdites valeurs au titre de valeurs
représentatives.
Art. 515
La Banque informe préalablement les autorités de
contrôle des États membres d’accueil concernés de son
intention de restreindre ou d’interdire la libre disposition
des actifs.
La Banque peut demander aux autorités de contrôle
des États membres sur le territoire desquels sont situés
les actifs de l’entreprise de prendre les mesures néces-
saires en vue d’assurer l’effectivité de la restriction ou
de l’interdiction de la libre disposition de ces actifs. La
Banque désigne les actifs visés par ces mesures.
Art. 516
À la demande d’une autorité de contrôle d’un État
membre, la Banque peut restreindre ou interdire confor-
mément à l’article 513 la libre disposition des actifs
appartenant à une entreprise d’assurance ou de réas-
surance relevant du droit de cet État qui sont localisés
sur le territoire belge et que cette autorité a désignés.
Section V
Mesures de redressement exceptionnelles
Art. 517
§ 1er. Sans préjudice des autres dispositions prévues
par ou en vertu de la présente loi, lorsque la Banque
constate qu’une entreprise d’assurance ou de réassu-
rance ne se conforme pas ou cesse de se conformer aux
1071
1584/002
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
het verstrijken van de met toepassing van artikel 508,
§ 1 vastgestelde termijn niet heeft verholpen, kan de
Bank, onverminderd de andere bepalingen die door of
krachtens deze wet zijn vastgesteld:
1° een speciaal commissaris aanstellen.
In dit geval is voor alle handelingen en beslissingen
van alle organen van de onderneming, alsook voor die
van de personen die instaan voor het beleid, zijn schrif-
telijke, algemene of bijzondere toestemming vereist; de
Bank kan de verrichtingen waarvoor toestemming is
vereist, evenwel beperken.
De speciaal commissaris mag elk voorstel dat hij
nuttig acht, voorleggen aan alle organen van de onder-
neming, inclusief de algemene vergadering.
De leden van de bestuurs- en beleidsorganen en de
personen die instaan voor het beleid, die handelingen
stellen of beslissingen nemen zonder de vereiste toe-
stemming van de speciaal commissaris, zijn hoofdelijk
aansprakelijk voor het nadeel dat hieruit voortvloeit voor
de onderneming of voor derden.
Indien de Bank de aanstelling van een speciaal com-
missaris in het Belgisch Staatsblad heeft bekendge-
maakt, met opgave van de handelingen en beslissingen
waarvoor zijn toestemming vereist is, zijn alle handelin-
gen en beslissingen zonder deze vereiste toestemming
nietig, tenzij de speciaal commissaris die bekrachtigt.
Onder dezelfde voorwaarden zijn alle beslissingen van
de algemene vergadering zonder de vereiste toestem-
ming van de speciaal commissaris nietig, tenzij hij die
bekrachtigt.
De bezoldiging van de speciaal commissaris wordt
vastgesteld door de Bank en gedragen door de
onderneming.
De Bank kan een plaatsvervangend commissaris
aanstellen;
2° de vervanging gelasten van alle of een deel van de
leden van het wettelijk bestuursorgaan, van het direc-
tiecomité en/of in voorkomend geval van de personen
belast met de effectieve leiding van de verzekerings- of
herverzekeringsonderneming, binnen een termijn die
zij bepaalt en, zo binnen deze termijn geen vervanging
geschiedt, in de plaats van de voltallige bestuurs- en
beleidsorganen van de onderneming een of meer
voorlopige bestuurders of zaakvoerders aanstellen
mesures adoptées en application de l’article 508, § 2, ou
qu’à l’issue du délai fixé en application de l’article 508,
§ 1er, elle n’a pas remédié à la situation, la Banque peut:
1° désigner un commissaire spécial.
Dans ce cas, l’autorisation écrite, générale ou spé-
ciale, de celui-ci est requise pour tous les actes et
décisions de tous les organes de l’entreprise et pour
ceux des personnes chargées de la gestion; la Banque
peut toutefois limiter le champ des opérations soumises
à autorisation.
Le commissaire spécial peut soumettre à la délibé-
ration de tous les organes de l’entreprise, y compris
l’assemblée générale, toute proposition qu’il juge
opportune.
Les membres des organes d’administration et de
gestion et les personnes chargées de la gestion qui
accomplissent des actes ou prennent des décisions
sans avoir recueilli l’autorisation requise du commissaire
spécial sont responsables solidairement du préjudice
qui en est résulté pour l’entreprise ou les tiers.
Si la Banque a publié au Moniteur belge la dési-
gnation du commissaire spécial et spécifié les actes et
décisions soumis à son autorisation, les actes et déci-
sions intervenus sans cette autorisation alors qu’elle
était requise sont nuls, à moins que le commissaire
spécial ne les ratifie. Dans les mêmes conditions toute
décision d’assemblée générale prise sans avoir recueilli
l’autorisation requise du commissaire spécial est nulle,
à moins que le commissaire spécial ne la ratifie.
La rémunération du commissaire spécial est fixée par
la Banque et supportée par l’entreprise.
La Banque peut désigner un commissaire suppléant;
2° enjoindre le remplacement de tout ou partie des
membres de l’organe légal d’administration, du comité
de direction et/ou, le cas échéant, des personnes char-
gées de la direction effective de l’entreprise d’assurance
ou de réassurance, dans un délai qu’elle fixe et, à défaut
d’un tel remplacement dans ce délai, substituer à l’en-
semble des organes d’administration et de gestion de
l’entreprise un ou plusieurs administrateurs ou gérants
provisoires qui disposent, seuls ou collégialement selon
1072
1584/002
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
die alleen of collegiaal, naargelang van het geval, de
bevoegdheden hebben van de vervangen personen.
De Bank maakt haar beslissing bekend in het Belgisch
Staatsblad.
Wanneer de omstandigheden dit rechtvaardigen,
kan de Bank een of meer voorlopige bestuurders of
zaakvoerders aanstellen zonder vooraf de vervanging
te gelasten van alle of een deel van de leiders van de
onderneming.
Mits de Bank hiermee instemt, kan of kunnen de
voorlopige bestuurder(s) of zaakvoerder(s) een alge-
mene vergadering bijeenroepen en de agenda ervan
vaststellen.
De Bank kan volgens de modaliteiten die zij bepaalt
eisen dat de voorlopige bestuurder(s) of zaakvoerder(s)
aan haar verslag uitbrengen over de financiële positie
van de onderneming en over de maatregelen die zij in
het kader van hun opdracht hebben genomen, evenals
over de financiële positie aan het begin en aan het einde
van die opdracht.
De bezoldiging van de voorlopige bestuurder(s) of
zaakvoerder(s) wordt vastgesteld door de Bank en
gedragen door de betrokken onderneming.
De Bank kan de voorlopige bestuurder(s) of
zaakvoerder(s) te allen tijde vervangen, hetzij ambts-
halve, hetzij op verzoek van een meerderheid van
aandeelhouders of vennoten, wanneer zij aantonen dat
het beleid van de betrokkenen niet langer de nodige
waarborgen biedt;
3° de verzekerings- of herverzekeringsonderneming
gelasten binnen de door haar vastgestelde termijn een
algemene vergadering van aandeelhouders bijeen te
roepen waarvan zij de agenda vaststelt;
4° voor de duur die zij bepaalt, de rechtstreekse
of onrechtstreekse uitoefening van het bedrijf van de
onderneming geheel of ten dele schorsen dan wel
verbieden. Deze schorsing kan, in de door de Bank
bepaalde mate, de volledige of gedeeltelijke schorsing
van de uitvoering van de lopende overeenkomsten tot
gevolg hebben, zonder dat deze schorsing langer mag
duren dan twee maanden of een reden mag zijn voor
niet-betaling van de premies die reeds verschuldigd
waren vóór de datum van de schorsingsmaatregel.
De leden van de bestuurs- en beleidsorganen en de
personen die instaan voor het beleid, die handelingen
stellen of beslissingen nemen ondanks de schorsing
of het verbod, zijn hoofdelijk aansprakelijk voor het
le cas, des pouvoirs des personnes remplacées. La
Banque publie sa décision au Moniteur belge.
Lorsque les circonstances le justifient, la Banque
peut procéder à la désignation d’un ou plusieurs
administrateurs ou gérants provisoires sans procéder
préalablement à l’injonction de remplacer tout ou partie
des dirigeants de l’entreprise.
Moyennant l’autorisation de la Banque, le ou les ad-
ministrateurs ou gérants provisoires peuvent convoquer
une assemblée générale et en établir l’ordre du jour.
La Banque peut requérir, selon les modalités qu’elle
détermine, que le ou les administrateurs ou gérants
provisoires lui fassent rapport sur la situation financière
de l’entreprise et sur les mesures prises dans le cadre
de leur mission, ainsi que sur la situation financière au
début et à la fin de cette mission.
La rémunération du ou des administrateurs ou
gérants provisoires est fixée par la Banque et supportée
par l’entreprise concernée.
La Banque peut, à tout moment, remplacer le ou les
administrateurs ou gérants provisoires, soit d’office,
soit à la demande d’une majorité des actionnaires ou
associés lorsque ceux-ci justifient que la gestion des
intéressés ne présente plus les garanties nécessaires;
3° enjoindre à l’entreprise d’assurance ou de réas-
surance de convoquer, dans le délai qu’elle fixe, une
assemblée générale des actionnaires, dont elle établit
l’ordre du jour;
4° suspendre, pour la durée qu’elle détermine, l’exer-
cice direct ou indirect de tout ou partie de l’activité de
l’entreprise ou interdire cet exercice. Cette suspension
peut, dans la mesure déterminée par la Banque, impli-
quer la suspension totale ou partielle de l’exécution
des contrats en cours, sans qu’une telle suspension
ne puisse excéder deux mois ni constituer une cause
de non versement des primes dues avant la date de la
mesure de suspension.
Les membres des organes d’administration et de
gestion et les personnes chargées de la gestion qui
accomplissent des actes ou prennent des décisions
en violation de la suspension ou de l’interdiction sont
1073
1584/002
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
nadeel dat hieruit voortvloeit voor de onderneming of
voor derden.
Indien de Bank de schorsing of het verbod in het
Belgisch Staatsblad heeft bekendgemaakt, zijn alle
hiermee strijdige handelingen en beslissingen nietig;
5° de verzekerings- of herverzekeringsonderneming
gelasten de aandelen over te dragen die zij bezit;
6° de vrije beschikking over de activa van de verze-
kerings- of herverzekeringsonderneming beperken of
ontnemen, in welk geval de artikelen 514 en 515 van
toepassing zijn;
7° de verzekerings- of herverzekeringsonderneming
gelasten een deel of het geheel van haar activiteiten over
te dragen, met inbegrip van een deel of het geheel van
haar portefeuille, waardoor de rechten en verplichtingen
die voortvloeien uit vervallen of lopende verzekerings- of
herverzekeringsovereenkomsten worden overgedragen,
alsmede de activa die ter dekking van die verplichtingen
worden aangehouden, binnen de termijn die de Bank
bepaalt. In dat geval zijn de artikelen 102 tot 106 en
artikel 547, § 2, 1° van toepassing;
8° de vergunning herroepen, voor één of meer of
voor alle verzekeringstakken waarvoor de verzekerings-
onderneming een vergunning heeft verkregen, of voor
een deel of het geheel van de activiteiten waarvoor de
herverzekeringsonderneming een vergunning heeft
verkregen.
§ 2. Niettegenstaande de voorwaarden voor de
toepassing van paragraaf 1, kan de Bank in uiterst
spoedeisende gevallen of indien de vrijwaring van de
rechten van de schuldeisers uit hoofde van verzekering
dit vereist, de maatregelen als bedoeld in de genoemde
paragraaf 1 treffen zonder vooraf een termijn op te
leggen.
§ 3. De in paragraaf 1 bedoelde beslissingen van de
Bank hebben voor de onderneming uitwerking vanaf
de datum van de kennisgeving ervan met een aange-
tekende brief of een brief met ontvangstbewijs en, voor
derden, vanaf de datum van de bekendmaking ervan
of de vervulling van de formaliteiten overeenkomstig de
voorschriften van paragraaf 1.
§ 4. De Bank kan de in dit artikel bedoelde maatre-
gelen ook nemen wanneer een verzekerings- of herver-
zekeringsonderneming een vergunning heeft verkregen
door middel van valse verklaringen of op enige andere
onregelmatige wijze.
responsables solidairement du préjudice qui en est
résulté pour l’entreprise ou les tiers.
Si la Banque a publié la suspension ou l’interdiction
au Moniteur belge, les actes et décisions intervenus à
l’encontre de celle-ci sont nuls;
5° enjoindre à l’entreprise d’assurance ou de réas-
surance de céder des droits d’associés qu’elle détient;
6° restreindre ou interdire la libre disposition des
actifs de l’entreprise d’assurance ou de réassurance,
les articles 514 et 515 étant applicables;
7° enjoindre à l’entreprise d’assurance ou de réas-
surance de transférer une partie ou l’ensemble de ses
activités, en ce compris tout ou partie de son portefeuille
impliquant ainsi la cession des droits et obligations
découlant des contrats d’assurance ou de réassu-
rance, échus ou en cours, ainsi que les actifs détenus
en couverture de ces obligations dans le délai fixé par
la Banque. En ce cas les articles 102 à 106 et l’article
547, § 2, 1° sont d’application;
8° révoquer l’agrément, pour une, plusieurs ou
l’ensemble des branches d’assurance pour lesquelles
l’entreprise d’assurance est agréée ou pour tout ou
partie des activités pour lesquelles l’entreprise de réas-
surance est agréée.
§ 2. Nonobstant les conditions d’application du
paragraphe 1er, en cas d’extrême urgence ou lorsque
la sauvegarde des droits des créanciers d’assurance
le requiert, la Banque peut adopter les mesures visées
audit paragraphe 1er sans qu’un délai soit préalablement
fixé.
§ 3. Les décisions de la Banque visées au para-
graphe 1er sortissent leurs effets à l’égard de l’entreprise
à dater de leur notification à celle-ci par lettre recom-
mandée ou avec accusé de réception et, à l’égard des
tiers, à dater de leur publication ou formalités accomplies
conformément aux dispositions du paragraphe 1er.
§ 4. La Banque peut également adopter les mesures
visées au présent article dans le cas où une entreprise
d’assurance ou de réassurance a obtenu un agrément
au moyen de fausses déclarations ou par tout autre
moyen irrégulier.
1074
1584/002
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
§ 5. Wanneer de Bank kennis heeft van het feit dat
een verzekerings- of herverzekeringsonderneming een
bijzonder mechanisme heeft ingesteld met als doel of
gevolg fiscale fraude door derden te bevorderen, zijn
artikel 508, evenals paragraaf 1, 1°, 2°, 4° en 6° en de
paragrafen 2 en 3 van dit artikel van toepassing.
§ 6. Bij ernstige en stelselmatige overtreding van de
regels bedoeld in artikel 45, § 1, eerste lid, 3°, of § 2 van
de wet van 2 augustus 2002, kan de Bank de vergun-
ning herroepen op verzoek van de FSMA, volgens de
procedure en de regels bepaald bij artikel 36bis van
diezelfde wet.
§ 7. De rechtbank van koophandel spreekt op verzoek
van elke belanghebbende de nietigverklaringen uit als
bedoeld in paragraaf 1, 1° en 4°.
De nietigheidsvordering wordt ingesteld tegen de
onderneming. Indien verantwoord om ernstige redenen,
kan de eiser in kort geding de voorlopige schorsing vor-
deren van de gewraakte handelingen of beslissingen.
Het schorsingsbevel en het vonnis van nietigverklaring
hebben uitwerking ten aanzien van iedereen. Ingeval
de geschorste of vernietigde handeling of beslissing
bekendgemaakt is, worden het schorsingsbevel en het
vonnis van nietigverklaring bij uittreksel op dezelfde
wijze bekendgemaakt.
Wanneer de nietigheid afbreuk kan doen aan de
rechten die een derde te goeder trouw ten aanzien van
de onderneming heeft verworven, kan de rechtbank
verklaren dat die nietigheid geen uitwerking heeft ten
aanzien van de betrokken rechten, onverminderd het
eventuele recht van de eiser op schadevergoeding.
De nietigheidsvordering kan niet meer worden in-
gesteld na afloop van een termijn van zes maanden
vanaf de datum waarop de betrokken handelingen of
beslissingen kunnen worden tegengeworpen aan wie
hun nietigheid inroept, of hem bekend zijn.
Art. 518
De Bank stelt de FSMA in kennis van de beslissingen
genomen overeenkomstig de artikelen 504 tot 517 en
houdt de FSMA op de hoogte van de behandeling van
het beroep tegen deze beslissingen.
Zij brengt hiervan tevens de toezichthouders op de
hoogte van de andere lidstaten waar de verzekerings-
of herverzekeringsonderneming een bijkantoor heeft
gevestigd of activiteiten uitoefent in het kader van het
vrij verrichten van diensten.
§ 5. L’article 508, ainsi que le paragraphe 1er, 1°, 2°,
4° et 6° et les paragraphes 2 et 3 du présent article sont
applicables au cas où la Banque a connaissance du
fait qu’une entreprise d’assurance ou de réassurance
a mis en place un mécanisme particulier ayant pour but
ou pour effet de favoriser la fraude fiscale par des tiers.
§ 6. En cas d’infraction grave et systématique aux
règles visées à l’article 45, § 1er, alinéa 1er, 3°, ou § 2,
de la loi du 2 août 2002, la Banque peut révoquer l’agré-
ment sur demande de la FSMA selon la procédure et les
modalités fixées par l’article 36bis de cette même loi.
§ 7. Le tribunal de commerce prononce à la requête
de tout intéressé, les nullités prévues au paragraphe
1er, 1° et 4°.
L’action en nullité est dirigée contre l’entreprise. Si
des motifs graves le justifient, le demandeur en nullité
peut solliciter en référé la suspension provisoire des
actes ou décisions attaqués. L’ordonnance de suspen-
sion et le jugement prononçant la nullité produisent leurs
effets à l’égard de tous. Au cas où l’acte ou la décision
suspendu ou annulé a fait l’objet d’une publication,
l’ordonnance de suspension et le jugement prononçant
la nullité sont publiés en extrait dans les mêmes formes.
Lorsque la nullité est de nature à porter atteinte
aux droits acquis de bonne foi par un tiers à l’égard
de l’entreprise, le tribunal peut déclarer sans effet la
nullité à l’égard de ces droits, sans préjudice du droit
du demandeur à des dommages et intérêts s’il y a lieu.
L’action en nullité ne peut plus être intentée après
l’expiration d’un délai de six mois à compter de la date
à laquelle les actes ou décisions intervenus sont oppo-
sables à celui qui invoque la nullité ou sont connus de lui.
Art. 518
La Banque informe la FSMA des décisions prises
conformément aux articles 504 à 517 et tient la FSMA
informée des suites données aux recours pris contre
ces décisions.
Elle en informe également les autorités de contrôle
des autres États membres dans lesquels l’entreprise
d’assurance ou de réassurance a établi des succur-
sales ou exerce des activités sous le régime de la libre
prestation de services.
1075
1584/002
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
HOOFDSTUK III
Maatregelen ter bescherming van het financiële
stelsel
Afdeling I
Daden van beschikking
Art. 519
Indien een van de in artikel 508, § 1, vermelde toe-
standen van dien aard is dat zij de stabiliteit van het
Belgische of internationale financiële stelsel dreigt aan
te tasten wegens de omvang van de verbintenissen
van de betrokken verzekerings- of herverzekeringson-
derneming of haar rol in het financiële stelsel, kan de
Koning, bij een in Ministerraad overlegd besluit, hetzij
op verzoek van de Bank, hetzij op eigen initiatief, na het
advies te hebben ingewonnen van de Bank, elke daad
van beschikking vaststellen, ten gunste van de Staat
om of het even welke andere publiek- of privaatrech-
telijke Belgische of buitenlandse persoon, met name
elke overdracht, verkoop of inbreng met betrekking tot:
1° activa, passiva of één of meer bedrijfstakken
en meer algemeen, alle of een deel van de rechten
en verplichtingen van de betrokken verzekerings- of
herverzekeringsonderneming;
2° al dan niet stemrechtverlenende aandelen die
al dan niet het kapitaal vertegenwoordigen, die door
de verzekerings- of herverzekeringsonderneming zijn
uitgegeven.
Art. 520
Het koninklijk besluit dat met toepassing van arti-
kel 519 wordt genomen, bepaalt de schadeloosstelling
die betaald moet worden aan de eigenaars van de goe-
deren of de houders van de rechten waarop de in het
besluit vastgestelde daad van beschikking betrekking
heeft. Indien de bij het koninklijk besluit aangewezen
overnemer een andere persoon is dan de Staat, komt de
prijs die volgens de met de Staat gesloten overeenkomst
verschuldigd is door de overnemer, als vergoeding toe
aan de genoemde eigenaars of houders, volgens de
verdeelsleutel die in hetzelfde besluit is vastgelegd.
Art. 521
Het koninklijk besluit dat met toepassing van arti-
kel 519 wordt genomen, wordt ter kennis gebracht van de
betrokken verzekerings- of herverzekeringsonderneming.
CHAPITRE III
Mesures de sauvegarde du système financier
Section Ire
Actes de disposition
Art. 519
Lorsqu’une des situations énoncées à l’article 508,
§ 1er, est susceptible d’affecter la stabilité du système
financier belge ou international en raison du volume
des engagements de l’entreprise d’assurance ou de
réassurance concernée ou de son rôle dans le système
financier, le Roi peut, par arrêté délibéré en Conseil
des ministres, soit à la demande de la Banque, soit
d’initiative, après avis de la Banque, arrêter tout acte
de disposition, en faveur de l’État ou de toute autre
personne, belge ou étrangère, de droit public ou de
droit privé, notamment tout acte de cession, de vente
ou d’apport portant sur:
1° des actifs, des passifs ou une ou plusieurs
branches d’activités et plus généralement, tout ou partie
des droits et obligations de l’entreprise d’assurance ou
de réassurance concernée;
2° des titres ou parts, représentatifs ou non du capital,
conférant ou non un droit de vote, émis par l’entreprise
d’assurance ou de réassurance.
Art. 520
L’arrêté royal pris en application de l’article 519 définit
l’indemnité payable aux propriétaires des biens ou aux
titulaires des droits faisant l’objet de l’acte de disposition
prévu par l’arrêté. Si le cessionnaire désigné par l’arrêté
royal est une personne autre que l’État, le prix dû par
le cessionnaire aux termes de la convention conclue
avec l’État revient auxdits propriétaires ou titulaires à
titre d’indemnité, selon la clef de répartition définie par
le même arrêté.
Art. 521
L’arrêté royal pris en application de l’article 519 est
notifié à l’entreprise d’assurance ou de réassurance
concernée. Les mesures prévues par cet arrêté font,
1076
1584/002
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
De maatregelen waarin dit besluit voorziet, worden bo-
vendien bekendgemaakt via een bericht in het Belgisch
Staatsblad. Dit bericht wordt bovendien bekendgemaakt
op de website van de betrokken onderneming.
Zodra zij de in het eerste lid bedoelde kennisgeving
heeft ontvangen, verliest de verzekerings- of herverze-
keringsonderneming de vrije beschikking over de activa
waarop de in het koninklijk besluit vastgestelde daden
van beschikking betrekking hebben.
Art. 522
Het is niet mogelijk om de in artikel 519 bedoelde
daden niet-tegenwerpbaar te verklaren krachtens de
artikelen 17, 18 of 20 van de faillissementswet van
8 augustus 1997 of artikel 1167 van het Burgerlijk
Wetboek.
Niettegenstaande elke strijdige contractuele bepa-
ling mogen de door de Koning met toepassing van
artikel 519 vastgestelde maatregelen noch tot gevolg
hebben dat de bepalingen van een tussen de verzeke-
rings- of herverzekeringsonderneming en één of meer
derden gesloten overeenkomst worden gewijzigd, noch
dat een einde wordt gesteld aan een dergelijke over-
eenkomst, noch dat aan één van de betrokken partijen
het recht wordt verleend om de overeenkomst eenzijdig
te beëindigen.
Ten aanzien van de door de Koning met toepassing
van artikel 519 vastgestelde maatregelen geldt geen en-
kele statutaire of contractuele goedkeuringsclausule en
geen enkel statutair of contractueel recht van voorkoop,
geen enkele optie tot aankoop van een derde, en geen
enkele statutaire of contractuele clausule die de wijzi-
ging van de controle over de betrokken verzekerings- of
herverzekeringsonderneming verhindert.
De Koning is gemachtigd om alle overige regelingen
te treffen die nodig zijn om de goede uitvoering van de
met toepassing van artikel 519 genomen maatregelen
te verzekeren.
Art. 523
De burgerrechtelijke aansprakelijk-heid van de per-
sonen die in naam van de Staat of op diens verzoek
optreden in het kader van de in deze Afdeling bedoelde
maatregelen, wegens of met betrekking tot hun beslis-
singen, daden of handelingen in het kader van deze
maatregelen, is beperkt tot gevallen van bedrog of zware
fout in hun hoofde.
en outre, l’objet d’une publication par avis au Moniteur
belge. Cet avis est en outre publié sur le site internet
de l’entreprise concernée.
Dès le moment où elle a reçu la notification visée à
l’alinéa 1er, l’entreprise d’assurance ou de réassurance
perd la libre disposition des actifs visés par les actes de
disposition prévus par l’arrêté royal.
Art. 522
Les actes visés à l’article 519 ne peuvent faire l’objet
d’une inopposabilité en vertu des articles 17, 18 ou
20 de la loi du 8 août 1997 sur les faillites ou de l’article
1167 du Code civil.
Nonobstant toute disposition conventionnelle
contraire, les mesures arrêtées par le Roi en application
de l’article 519 ne peuvent avoir pour effet de modifier
les termes d’une convention conclue entre l’entreprise
d’assurance ou de réassurance et un ou plusieurs tiers,
ou de mettre fin à une telle convention, ni de donner à
aucune partie le droit de la résilier unilatéralement.
Sont inopérantes à l’égard des mesures arrêtées
par le Roi en application de l’article 519, toute clause
statutaire ou conventionnelle d’agrément ou de pré-
emption, toute option d’achat d’un tiers, ainsi que
toute clause statutaire ou conventionnelle empêchant
la modification du contrôle de l’entreprise d’assurance
ou de réassurance.
Le Roi est habilité à prendre toutes autres dispositions
nécessaires en vue d’assurer la bonne exécution des
mesures prises en application de l’article 519.
Art. 523
La responsabilité civile des personnes, agissant au
nom de l’État ou à sa demande, intervenant dans le
cadre des opérations visées par la présente Section,
encourue en raison de ou en relation avec leurs déci-
sions, actes ou comportements dans le cadre de ces
opérations est limitée aux cas de dol et de faute lourde
dans leur chef.
1077
1584/002
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
Het al dan niet bestaan van een zware fout wordt
beoordeeld op grond van de concrete omstandigheden
van het betrokken geval, en met name van de hoog-
dringendheid waarmee die personen werden gecon-
fronteerd, van de praktijken op de financiële markten,
van de complexiteit van het betrokken geval, van de
bedreigingen voor de bescherming van het spaarwe-
zen en van het gevaar voor schade aan de nationale
economie ingevolge de discontinuïteit van de betrokken
verzekerings- of herverzekeringsonderneming.
Art. 524
Alle geschillen waartoe de in deze Afdeling bedoelde
daden en de in artikel 523 bedoelde aansprakelijkheid
aanleiding zouden kunnen geven, behoren tot de uitslui-
tende bevoegdheid van de Belgische rechtbanken, die
uitsluitend het Belgische recht toepassen.
Art. 525
Voor de toepassing van de Collectieve arbeids-
overeenkomst nr. 32bis gesloten op 7 juni 1985 in de
Nationale Arbeidsraad, betreffende het behoud van de
rechten van de werknemers bij wijziging van werkgever
ingevolge de overgang van ondernemingen krachtens
overeenkomst en tot regeling van de rechten van de
werknemers die overgenomen worden bij overname van
activa na faillissement, worden de daden die krachtens
artikel 519, 1°, zijn verricht, beschouwd als daden die
door de verzekerings- of herverzekeringsonderneming
zelf zijn gesteld.
Art. 526
Onverminderd de algemene rechtsbeginselen die hij
zou kunnen inroepen, kan de raad van bestuur van de
verzekerings- of herverzekeringsonderneming afwijken
van de statutaire beperkingen van zijn bestuursbe-
voegdheden indien een van de in artikel 508, § 1, eerste
lid, vermelde toestanden van dien aard is dat zij de
stabiliteit van het Belgische of internationale financiële
stelsel dreigt aan te tasten wegens de omvang van de
verbintenissen van de betrokken verzekerings- of her-
verzekeringsonderneming of haar rol in het financiële
stelsel. De raad van bestuur stelt een bijzonder verslag
op waarin wordt verantwoord waarom deze bepaling
wordt toegepast, en waarin de genomen beslissingen
worden uiteengezet; dit verslag wordt binnen twee
maanden bezorgd aan de algemene vergadering.
L’existence d’une faute lourde est appréciée en tenant
compte des circonstances concrètes du cas d’espèce
et notamment de l’urgence à laquelle ces personnes
étaient confrontées, des pratiques des marchés finan-
ciers, de la complexité du cas d’espèce, des menaces
sur la protection de l’épargne et du risque de dommage
à l’économie nationale qu’entraînerait la discontinuité de
l’entreprise d’assurance ou de réassurance concernée.
Art. 524
Tous les litiges auxquels les actes visés dans la
présente Section, ainsi que la responsabilité visée
à l’article 523, pourraient donner lieu relèvent de la
compétence exclusive des tribunaux belges, lesquels
appliqueront exclusivement la loi belge.
Art. 525
Pour l’application de la Convention collective de tra-
vail n° 32bis conclue le 7 juin 1985 au sein du Conseil
national du travail, concernant le maintien des droits des
travailleurs en cas de changement d’employeur du fait
d’un transfert conventionnel d’entreprise et réglant les
droits des travailleurs repris en cas de reprise de l’actif
après faillite, les actes accomplis en vertu de l’article
519, 1°, sont considérées comme des actes accom-
plis par l’entreprise d’assurance ou de réassurance
elle-même.
Art. 526
Sans préjudice des principes généraux de droit qu’il
pourrait invoquer, le conseil d’administration de l’entre-
prise d’assurance ou de réassurance peut déroger
aux restrictions statutaires à ses pouvoirs de gestion
lorsqu’une des situations énoncées à l’article 508, § 1er,
alinéa 1er, est susceptible d’affecter la stabilité du
système financier belge ou international en raison du
volume des engagements de l’entreprise d’assurance
ou de réassurance concernée ou de son rôle dans le
système financier. Le conseil d’administration établit un
rapport spécial justifiant le recours à la présente dispo-
sition et exposant les décisions prises; ce rapport est
transmis dans les deux mois à l’assemblée générale.
1078
1584/002
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
Afdeling II
Gerechtelijke controle
Art. 527
Voor de toepassing van deze Afdeling en van de ter
uitvoering ervan genomen besluiten en reglementen,
dient te worden verstaan onder:
1° koninklijk besluit: het koninklijk besluit dat na over-
leg in de Ministerraad is vastgesteld met toepassing
van artikel 519;
2° daad van beschikking: de beslissing tot overdracht
of de andere daad van beschikking waarin het koninklijk
besluit voorziet;
3° rechtbank: de rechtbank van eerste aanleg te
Brussel;
4° eigenaars: de natuurlijke of rechtspersonen die op
de datum van het koninklijk besluit eigenaar zijn van de
activa of aandelen dan wel houder zijn van de rechten
die het voorwerp uitmaken van de daad van beschikking;
5° derde-overnemer: de natuurlijke of rechts persoon,
andere dan de Belgische Staat, die volgens het ko-
ninklijk besluit de activa, aandelen of rechten die het
voorwerp uitmaken van de daad van beschikking zal
verwerven;
6° schadeloosstelling: de schadeloosstelling die door
het koninklijk besluit ten voordele van de eigenaars
wordt vastgesteld als tegenprestatie voor de daad van
beschikking.
Art. 528
Elke daad van beschikking wordt vooraf door de
rechtbank gecontroleerd overeenkomstig deze Afdeling.
Het koninklijk besluit treedt in werking op de dag
waarop het in artikel 534 bedoelde vonnis wordt be-
kendgemaakt in het Belgisch Staatsblad.
Art. 529
§ 1. De Belgische Staat dient ter griffie van de recht-
bank een verzoekschrift in teneinde te laten vaststellen
dat de daad van beschikking in overeenstemming is met
de wet en dat de schadeloosstelling haar billijk voorkomt,
met name rekening houdend met de criteria bepaald in
artikel 533, § 4.
Section II
Contrôle judiciaire
Art. 527
Pour l’application de la présente Section et des
arrêtés et règlements pris pour son exécution, il y a lieu
d’entendre par:
1° l’arrêté royal: l’arrêté royal délibéré en Conseil des
ministres pris en application de l’article 519;
2° l’acte de disposition: la décision de la cession ou
l’autre acte de disposition prévu par l’arrêté royal;
3° le tribunal: le tribunal de première instance de
Bruxelles;
4° les propriétaires: les personnes physiques ou
morales qui, à la date de l’arrêté royal, sont propriétaires
des actifs, titres ou parts, ou titulaires des droits, faisant
l’objet de l’acte de disposition;
5° le tiers-cessionnaire: la personne physique ou
morale autre que l’État belge qui, aux termes de l’arrêté
royal, est appelée à acquérir les actifs, titres ou parts,
ou droits, faisant l’objet de l’acte de disposition;
6° l’indemnité compensatoire: l’indemnité que l’arrêté
royal prévoit en faveur des propriétaires en contrepartie
de l’acte de disposition.
Art. 528
Tout acte de disposition fait l’objet d’un contrôle préa-
lable par le tribunal conformément à la présente Section.
L’arrêté royal entre en vigueur le jour de la publication
au Moniteur belge du jugement visé à l’article 534.
Art. 529
§ 1er. L’État belge dépose au greffe du tribunal une
requête tendant à faire constater que l’acte de disposi-
tion est conforme à la loi et que l’indemnité compensa-
toire paraît juste compte tenu notamment des critères
prévus à l’article 533, § 4.
1079
1584/002
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
§ 2. Op straffe van nietigheid bevat dit verzoekschrift:
1° de identiteit van de betrokken verzekerings- of
herverzekeringsonderneming;
2° in voorkomend geval, de identiteit van de
derde-overnemer;
3° de verantwoording van de daad van beschikking in
het licht van de criteria vastgesteld in artikel 519;
4° de schadeloosstelling, de elementen op grond
waarvan zij werd vastgesteld, met name wat het varia-
bele deel betreft waaruit zij zou zijn samengesteld en,
in voorkomend geval, de sleutel voor de verdeling onder
de eigenaars;
5° in voorkomend geval, de vereiste toelatingen
van overheidsinstanties en alle andere opschortende
voorwaarden waaraan de daad van beschikking is
onderworpen;
6° in voorkomend geval, de prijs die met de derde-
overnemer is overeengekomen voor de activa of
aandelen die het voorwerp uitmaken van de daad van
beschikking, alsook de mechanismen voor prijsherzie-
ning of -aanpassing;
7° de opgave van dag, maand en jaar;
8° de handtekening van de persoon die de Belgische
Staat vertegenwoordigt of van de advocaat van de
Belgische Staat.
Bij het verzoekschrift wordt een kopie van het konink-
lijk besluit gevoegd.
§ 3. De bepalingen van Titel Vbis van Boek II van
Deel IV van het Gerechtelijk Wetboek, met inbegrip
van de artikelen 1034bis tot 1034sexies, zijn niet van
toepassing op het verzoekschrift.
Art. 530
De procedure die is ingeleid met het in artikel 529 be-
doelde verzoekschrift, sluit alle andere gelijktijdige of
toekomstige beroepen of rechtsvorderingen tegen het
koninklijk besluit of tegen de daad van beschikking uit,
met uitzondering van de vordering bedoeld in artikel 537.
Ingevolge de indiening van het verzoekschrift ver-
valt elke andere procedure gericht tegen het koninklijk
besluit of de daad van beschikking, die voorheen zou
zijn ingeleid en nog hangende zou zijn voor een ander
gewoon of administratief rechtscollege.
§ 2. À peine de nullité, la requête contient:
1° l’identité de l’entreprise d’assurance ou de réas-
surance concernée;
2° le cas échéant, l’identité du tiers-cessionnaire;
3° la justification de l’acte de disposition au regard
des critères énoncés à l’article 519;
4° l’indemnité compensatoire, les bases sur les-
quelles celle-ci a été déterminée, notamment en ce qui
concerne la partie variable qui la composerait et, le cas
échéant, la clef de répartition entre les propriétaires;
5° le cas échéant, les autorisations d’autorités pu-
bliques requises et toutes les autres conditions suspen-
sives auxquelles l’acte de disposition est subordonné;
6° le cas échéant, le prix convenu avec le tiers-ces-
sionnaire pour les actifs, titres ou parts faisant l’objet
de l’acte de disposition et les mécanismes de révision
ou d’ajustement de ce prix;
7° l’indication des jour, mois et an;
8° la signature de la personne qui représente l’État
belge ou de son avocat.
Une copie de l’arrêté royal est jointe à la requête.
§ 3. Les dispositions du Titre Vbis du Livre II de
la quatrième Partie du Code judiciaire, y compris les
articles 1034bis à 1034sexies, ne sont pas applicables
à la requête.
Art. 530
La procédure introduite par la requête visée à
l’article 529 exclut tous autres recours ou actions,
simultanés ou futurs, contre l’arrêté royal ou contre
l’acte de disposition, à l’exception de la demande visée
à l’article 537.
Le dépôt de la requête rend sans objet toute autre
procédure, dirigée contre l’arrêté royal ou l’acte de dis-
position, qui aurait été antérieurement introduite et serait
encore pendante devant une autre juridiction judiciaire
ou administrative.
1080
1584/002
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
Art. 531
§ 1. Binnen vierentwintig uur na de indiening van
het verzoekschrift als bedoeld in artikel 529, bepaalt de
voorzitter van de rechtbank bij beschikking dag en uur
van de in artikel 533 bedoelde rechtszitting, die moet
plaatsvinden binnen zeven dagen na de indiening van
het verzoekschrift. In deze beschikking worden alle in
artikel 529, § 2, bepaalde vermeldingen opgenomen.
§ 2. De beschikking wordt door de griffie bij gerechts-
brief ter kennis gebracht van de Belgische Staat, van de
betrokken verzekerings- of herverzekeringsonderneming
alsook, in voorkomend geval, van de derde-overnemer.
Zij wordt tezelfdertijd bekendgemaakt in het Belgisch
Staatsblad. Deze bekendmaking geldt als kennisgeving
aan de eventuele andere eigenaars dan de betrokken
verzekerings- of herverzekeringsonderneming.
Bovendien wordt de beschikking door de betrokken
verzekerings- of herverzekeringsonderneming binnen
vierentwintig uur na de kennisgeving op haar website
gepubliceerd.
Art. 532
De in artikel 531, § 2, bedoelde personen kunnen ter
griffie kosteloos inzage nemen van het in artikel 529 be-
doelde verzoekschrift en de bijlagen ervan, tot het in
artikel 534 bedoelde vonnis wordt uitgesproken.
Art. 533
§ 1. Tijdens de zitting die door de voorzitter van de
rechtbank is vastgelegd, alsook tijdens eventuele latere
zittingen die de rechtbank nuttig acht, hoort de recht-
bank de Belgische Staat, de betrokken verzekerings- of
herverzekeringsonderneming, in voorkomend geval de
derde-overnemer alsook de eigenaars die vrijwillig tus-
senkomen in de procedure.
§ 2. In afwijking van de bepalingen van Hoofdstuk II
van Titel III van Boek II van Deel IV van het Gerechtelijk
Wetboek, mag geen enkele andere persoon dan deze
bedoeld in het vorige lid, optreden in de procedure.
§ 3. Na de partijen te hebben gehoord, gaat de recht-
bank na of de daad van beschikking in overeenstem-
ming is met de wet en of de schadeloosstelling haar
billijk voorkomt.
§ 4. De rechtbank houdt rekening met de daad-
werkelijke situatie van de betrokken verzekerings- of
herverzekeringsonderneming op het ogenblik dat de
Art. 531
§ 1er. Dans les vingt-quatre heures du dépôt de la
requête visée à l’article 529, le président du tribunal fixe,
par voie d’ordonnance, les jour et heure de l’audience
visée à l’article 533, laquelle doit avoir lieu dans les
sept jours qui suivent le dépôt de la requête. Cette
ordonnance reproduit l’intégralité des mentions prévues
à l’article 529, § 2.
§ 2. L’ordonnance est notifiée par le greffe par pli
judiciaire à l’État belge, à l’entreprise d’assurance ou
de réassurance concernée ainsi que, le cas échéant,
au tiers-cessionnaire. Elle est simultanément publiée
au Moniteur belge. Cette publication vaut notification
à l’égard des propriétaires autres, le cas échéant, que
l’entreprise d’assurance ou de réassurance concernée.
Dans les vingt-quatre heures de la notification, l’entre-
prise d’assurance ou de réassurance concernée publie
également l’ordonnance sur son site internet.
Art. 532
Les personnes visées à l’article 531, § 2 peuvent,
jusqu’au prononcé du jugement visé à l’article 534,
consulter gratuitement au greffe la requête visée à
l’article 529 ainsi que ses annexes.
Art. 533
§ 1er. Lors de l’audience fixée par le président du
tribunal et lors d’éventuelles audiences postérieures
que le tribunal estime utile de fixer, le tribunal entend
l’État belge, l’entreprise d’assurance ou de réassurance
concernée, le cas échéant le tiers-cessionnaire ainsi
que les propriétaires qui interviennent volontairement
à la procédure.
§ 2. Par dérogation aux dispositions du Chapitre II
du Titre III du Livre II de la quatrième Partie du Code
judiciaire, aucune autre personne que celles visées à
l’alinéa précédent ne peut intervenir à la procédure.
§ 3. Après avoir entendu les observations des parties,
le tribunal vérifie si l’acte de disposition est conforme à
la loi et si l’indemnité compensatoire paraît juste.
§ 4. Le tribunal tient compte de la situation concrète
de l’entreprise d’assurance ou de réassurance concer-
née au moment de l’adoption de l’acte de disposition,
1081
1584/002
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
daad van beschikking wordt aangenomen, met name
met haar financiële situatie zoals die was of zou zijn
geweest indien haar geen rechtstreekse of onrecht-
streekse overheidssteun zou zijn verleend. Ten behoeve
van dit lid worden met overheidssteun gelijkgesteld, de
dringende voorschotten van liquide middelen evenals de
garanties die door een publiekrechtelijk rechtspersoon
worden verleend.
§ 5. De rechtbank spreekt zich uit in een en hetzelfde
vonnis dat wordt gewezen binnen twintig dagen na de
rechtszitting die door de voorzitter van de rechtbank is
vastgelegd.
Art. 534
Het vonnis waarmee de rechtbank vaststelt dat de
daad van beschikking in overeenstemming is met de
wet en de schadeloosstelling haar billijk voorkomt,
geldt als akte van eigendomsoverdracht van de activa
en aandelen die het voorwerp uitmaken van de daad
van beschikking, evenwel onder voorbehoud van de op-
schortende voorwaarden bedoeld in artikel 529, § 2, 5°.
Art. 535
Tegen het in artikel 534 bedoelde vonnis is geen
beroep, verzet of derdenverzet mogelijk.
Het vonnis wordt bij gerechtsbrief ter kennis gebracht
van de Belgische Staat, de betrokken verzekerings- of
herverzekeringsonderneming en, in voorkomend geval,
de derde-overnemer, en wordt tezelfdertijd bij uittreksel
bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad.
Deze bekendmaking van het vonnis geldt als ken-
nisgeving aan de eventuele andere eigenaars dan de
betrokken verzekerings- of herverzekeringsonderne-
ming, en maakt de daad van beschikking zonder verdere
formaliteiten tegenstelbaar aan derden.
Bovendien wordt het vonnis door de betrokken
verzekerings- of herverzekeringsonderneming binnen
vierentwintig uur na de kennisgeving op haar website
gepubliceerd.
Art. 536
Na kennisgeving van het in artikel 534 bedoelde von-
nis, geeft de Belgische Staat of, in voorkomend geval,
de derde-overnemer, de schadeloosstelling in bewaring
bij de Deposito- en Consignatiekas, zonder dat hiervoor
enige formaliteit moet worden vervuld.
et notamment de sa situation financière telle qu’elle
était ou aurait été si les aides publiques, dont il a
bénéficié directement ou indirectement, n’avaient pas
été consenties. Pour l’application du présent alinéa,
sont assimilées à des aides publiques, les avances de
liquidités d’urgence et garanties consenties par une
personne morale de droit public.
§ 5. Le tribunal statue par un seul et même jugement
qui est rendu dans les vingt jours qui suivent l’audience
fixée par le président du tribunal.
Art. 534
Le jugement par lequel le tribunal constate que l’acte
de disposition est conforme à la loi et que l’indemnité
compensatoire paraît juste, est translatif de la propriété
des actifs, titres ou parts faisant l’objet de l’acte de
disposition, sous réserve cependant des conditions
suspensives visées à l’article 529, § 2, 5°.
Art. 535
Le jugement visé à l’article 534 n’est susceptible ni
d’appel ni d’opposition ni de tierce opposition.
Il est notifié par pli judiciaire à l’État belge, à l’entre-
prise d’assurance ou de réassurance concernée ainsi
que, le cas échéant, au tiers-cessionnaire, et est simul-
tanément publié par extrait au Moniteur belge.
Cette publication vaut notification à l’égard des
propriétaires autres, le cas échéant, que l’entreprise
d’assurance ou de réassurance concernée, et emporte
l’opposabilité de l’acte de disposition aux tiers, sans
autre formalité.
Dans les vingt-quatre heures de la notification, l’entre-
prise d’assurance ou de réassurance concernée publie
également le jugement sur son site Internet.
Art. 536
Suite à la notification du jugement visé à l’article 534,
l’État belge ou, le cas échéant, le tiers-cessionnaire
dépose l’indemnité compensatoire à la Caisse des
dépôts et consignations, sans qu’aucune formalité ne
soit requise à cet égard.
1082
1584/002
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
De Belgische Staat ziet erop toe dat in het Belgisch
Staatsblad een bericht wordt bekendgemaakt waarin
bevestigd wordt dat voldaan is aan de opschortende
voorwaarden bedoeld in artikel 529, § 2, 5°.
Zodra het in het tweede lid bedoelde bericht is gepu-
bliceerd, stort de Deposito- en Consignatiekas, op de
door de Koning vastgestelde wijze, het bedrag van de in
bewaring gegeven schadeloosstelling aan de eigenaars,
onverminderd eventueel regelmatig derdenbeslag op of
verzet tegen het gedeponeerde bedrag.
Art. 537
De eigenaars kunnen bij de rechtbank een vordering
tot herziening van de schadeloosstelling indienen, en dit
op straffe van verval binnen twee maanden te rekenen
vanaf de bekendmaking in het Belgisch Staatsblad
van het in artikel 534 bedoelde vonnis. Deze vordering
heeft geen enkel gevolg ten aanzien van de eigendoms-
overdracht van de activa of aandelen die het voorwerp
uitmaken van de daad van beschikking.
De vordering tot herziening wordt voor het overige
geregeld door het Gerechtelijk Wetboek. Artikel 533,
§ 4, is van toepassing.
TITEL VII
Beëindiging van de vergunning
HOOFDSTUK I
Doorhaling van de vergunning
Afdeling I
Afstand van de vergunning
Art. 538
§ 1. Een verzekerings- of herverzekeringsonder-
neming die krachtens deze wet een vergunning heeft
verkregen, kan volledig of gedeeltelijk afstand doen van
haar vergunning.
§ 2. Het verzoek tot afstand wordt aan de Bank gericht
en vermeldt de verzekeringstakken en herverzekerings-
activiteiten waarvoor om afstand wordt verzocht. Bij het
verzoek wordt een plan gevoegd waarin wordt aangege-
ven op welke wijze de onderneming haar verplichtingen
zal afwikkelen die voortvloeien uit de verzekerings- of
herverzekeringsovereenkomsten die betrekking hebben
Un avis confirmant la réalisation des conditions sus-
pensives visées à l’article 529, § 2, 5°, est publié au
Moniteur belge par les soins de l’État belge.
Dès la publication visée à l’alinéa 2, la Caisse des
dépôts et consignations est tenue de remettre aux pro-
priétaires, suivant les modalités arrêtées par le Roi, le
montant de l’indemnité compensatoire consignée, sans
préjudice des éventuelles saisies-arrêt ou oppositions
régulièrement effectuées sur le montant consigné.
Art. 537
Les propriétaires peuvent introduire devant le tribunal,
à peine de déchéance dans un délai de deux mois à
compter de la publication au Moniteur belge du juge-
ment visé à l’article 534, une demande en révision de
l’indemnité compensatoire. Cette demande n’exerce
aucun effet sur le transfert de propriété des actifs, titres
ou parts faisant l’objet de l’acte de disposition.
La demande en révision est, pour le surplus, régie
par le Code judiciaire. L’article 533, § 4, est applicable.
TITRE VII
De la fin de l’agrément
CHAPITRE IER
Radiation de l’agrément
Section Ire
Renonciation à l’agrément
Art. 538
§ 1er. Une entreprise d’assurance ou de réassurance
agréée en vertu de la présente loi a la faculté de renon-
cer à tout ou partie de son agrément.
§ 2. La demande de renonciation est adressée à la
Banque et indique les branches d’assurance et activi-
tés de réassurance pour lesquelles la renonciation est
demandée. La demande est accompagnée d’un plan
précisant la manière dont l’entreprise entend procéder
à la liquidation de ses engagements résultant des
contrats d’assurance ou de réassurance relevant des
1083
1584/002
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
op de activiteiten waarvoor om afstand van de vergun-
ning wordt verzocht.
Bij gebreke van een dergelijk plan of wanneer zij van
oordeel is dat het in het eerste lid bedoelde plan niet de
nodige waarborgen biedt voor de bescherming van de
schuldeisers uit hoofde van verzekering of herverzeke-
ring, kan de Bank alle maatregelen treffen ter omkade-
ring van de correcte afwikkeling van de verzekerings- of
herverzekeringsverplichtingen van de onderneming en
met name alle maatregelen ter vrijwaring van de rech-
ten van de schuldeisers uit hoofde van verzekering of
herverzekering. Deze maatregelen omvatten de in de
artikelen 509 tot 517 bedoelde maatregelen.
Wanneer zij van oordeel is dat het in het eerste lid
bedoelde plan voldoende waarborgen biedt voor de
bescherming van de schuldeisers uit hoofde van verze-
kering of herverzekering, haalt de Bank de vergunning
door voor alle of een deel van de takken en activiteiten
waarvoor om afstand wordt verzocht.
§ 3. De Bank bepaalt de datum waarop de met
toepassing van dit artikel uitgesproken doorhaling uit-
werking heeft.
Wanneer het een verzekeringsonderneming betreft,
raadpleegt de Bank de FSMA over de toereikendheid
van de waarborgen voor de bescherming van de schuld-
eisers uit hoofde van verzekering vooraleer deze datum
te bepalen. De FSMA deelt haar advies mee aan de
Bank uiterlijk binnen twintig dagen vanaf de datum van
ontvangst van het verzoek om advies.
§ 4. Op de website van de Bank wordt bekendge-
maakt dat de vergunning is doorgehaald als gevolg van
het feit dat de onderneming afstand heeft gedaan van
haar vergunning.
§ 5. De verzekerings- of herverzekeringsonderne-
ming waarvan de vergunning met toepassing van dit
artikel werd doorgehaald, verstrekt aan de Bank een
geactualiseerde versie van het in paragraaf 2, eerste lid
bedoelde plan, op de voorwaarden, met name inzake
frequentie en inhoud, die geval per geval door de Bank
worden bepaald.
§ 6. De verzekerings- of herverzekeringsonderne-
mingen waarvan de vergunning met toepassing van
dit artikel werd doorgehaald, worden vermeld in een
specifieke rubriek van de in artikel 31 bedoelde lijst.
Wijzigingen in deze rubriek worden ter kennis gebracht
van de toezichthouders van de andere lidstaten.
activités pour lesquelles la renonciation de l’agrément
est demandée.
À défaut d’un tel plan ou lorsqu’elle estime que le
plan visé à l’alinéa 1er ne présente pas les garanties
suffisantes au regard de la protection des créanciers
d’assurance ou de réassurance, la Banque peut prendre
toutes mesures visant à encadrer une liquidation cor-
recte des engagements d’assurance ou de réassurance
de l’entreprise et notamment, toutes mesures visant
à préserver les droits des créanciers d’assurance ou
de réassurance. Ces mesures incluent les mesures
prévues aux articles 509 à 517.
Lorsqu’elle estime que le plan visé à l’alinéa 1er
présente les garanties suffisantes au regard de la pro-
tection des créanciers d’assurance ou de réassurance,
la Banque radie l’agrément pour tout ou partie des
branches et activités pour lesquelles la renonciation
est demandée.
§ 3. La Banque fixe la date des effets de la radiation
prononcée en application du présent article.
Lorsqu’il s’agit d’une entreprise d’assurance, la
Banque consulte la FSMA sur la présence de garanties
suffisantes au regard de la protection des créanciers
d’assurance, avant de fixer cette date. La FSMA com-
munique son avis à la Banque au plus tard dans un
délai de vingt jours à compter de la date à laquelle elle
a reçu la demande d’avis.
§ 4. La radiation faisant suite à la renonciation est
publiée sur le site internet de la Banque.
§ 5. L’entreprise d’assurance ou de réassurance
dont l’agrément a été radié en application du présent
article fournit à la Banque une actualisation du plan
visé au paragraphe 2, alinéa 1er selon les conditions,
notamment de fréquence et de contenu, fixées, au cas
par cas, par la Banque.
§ 6. Les entreprises d’assurance ou de réassurance
dont l’agrément a été radié en application du présent
article sont mentionnées sous une rubrique spécifique
de la liste visée à l’article 31. Toute modification de cette
rubrique est portée à la connaissance des autorités de
contrôle des autres États membres.
1084
1584/002
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
Afdeling II
Doorhaling wegens niet-uitoefening van de activiteit
Art. 539
§ 1. Bij een beslissing die met een aangetekende
brief of met een brief met ontvangstbewijs ter kennis
wordt gebracht, kan de Bank de vergunning doorhalen
van verzekerings- of herverzekeringsondernemingen.
1° die hun activiteiten niet hebben aangevat bin-
nen twaalf maanden nadat zij de vergunning hebben
verkregen;
2° die al meer dan 6 maanden geen activiteiten meer
uitoefenen;
§ 2. Paragraaf 1 is van toepassing op de
verzekeringstak(ken) of de herverzekeringsactiviteit(en)
waarop de in paragraaf 1 bedoelde situatie betrekking
heeft.
Afdeling III
Doorhaling van rechtswege
Art. 540
De vergunning van een verzekerings- of herverzeke-
ringsonderneming wordt van rechtswege doorgehaald
voor alle verzekeringstakken en/of herverzekerings-
activiteiten wanneer deze onderneming:
1° failliet wordt verklaard;
2° het voorwerp uitmaakt van een vrijwillige of ge-
rechtelijke ontbinding in de zin van de artikelen 181 en
182 van het Wetboek van Vennootschappen.
HOOFDSTUK II
Herroeping van de vergunning
Art. 541
Onverminderd de gevallen waarin de herroeping van
de vergunning wordt uitgesproken met toepassing van
artikel 517, § 1, 8°, herroept de Bank de vergunning
voor alle verzekeringstakken en verzekerings- en her-
verzekeringsactiviteiten wanneer een verzekerings- of
herverzekeringsonderneming niet langer voldoet aan
het minimumkapitaalvereiste en de Bank van oordeel is
dat het met toepassing van artikel 511 voorgelegde plan
voor financiering op korte termijn duidelijk inadequaat
Section II
Radiation pour non exercice de l’activité
Art. 539
§ 1er. La Banque peut radier par décision notifiée
par lettre recommandée ou avec accusé de récep-
tion, l’agrément des entreprises d’assurance ou de
réassurance
1° qui n’ont pas entamé leurs activités dans les douze
mois de l’agrément;
2° qui ont cessé d’exercer leurs activités depuis plus
de 6 mois;
§ 2. Le paragraphe 1er est applicable à la ou les
branches d’assurance ou la ou les activités de réassu-
rance concernées par la situation visée au paragraphe
1er.
Section III
Radiation de plein droit
Art. 540
L’agrément des entreprises d’assurance ou de
réassurance est radié de plein droit en ce qui concerne
l’ensemble des branches d’assurance et/ou des activi-
tés de réassurance en cas de:
1° faillite prononcée à leur encontre;
2° dissolution volontaire ou judiciaire au sens des
articles 181 et 182 du Code des sociétés.
CHAPITRE II
Révocation de l’agrément
Art. 541
Sans préjudice des cas de révocation de l’agrément
prononcée en application de l’article 517, § 1er, 8°,
la Banque révoque l’agrément en ce qui concerne
l’ensemble des branches et activités d’assurance ou
de réassurance lorsqu’une entreprise d’assurance
ou de réassurance ne dispose plus du minimum de
capital requis et que la Banque considère que le plan
de financement à court terme présenté en application
de l’article 511 est manifestement insuffisant ou que
1085
1584/002
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
is of dat de betrokken onderneming er niet in slaagt om
het goedgekeurde plan te volgen binnen drie maanden
na de vaststelling dat niet meer wordt voldaan aan het
minimumkapitaalvereiste.
Art. 542
Wanneer de vergunning met toepassing van artikel
517, § 1, 8° of van artikel 541 wordt herroepen voor alle
verzekeringstakken en/of herverzekeringsactiviteiten,
wordt de onderneming van rechtswege ontbonden en in
vereffening gesteld overeenkomstig de artikelen 183 en
volgende van het Wetboek van Vennootschappen.
HOOFDSTUK III
Gemeenschappelijke bepalingen betreffende
de verschillende gevallen van verlies van de
vergunning
Art. 543
Bij volledige of gedeeltelijke afstand, doorhaling of
herroeping van de vergunning is het verboden nieuwe
overeenkomsten te sluiten in de verzekeringstakken en
voor de herverzekeringsactiviteiten waarop het verlies
van de vergunning betrekking heeft.
Overeenkomstig het eerste lid en artikel 540, staan
artikel 187 van het Wetboek van Vennootschappen
en artikel 46 van de faillissementswet van
8 augustus 1997 enkel toe dat de lopende verzekerings-
of herverzekeringsovereenkomsten worden uitgevoerd,
met uitzondering van het sluiten van nieuwe verzeke-
rings- of herverzekeringsovereenkomsten.
Art. 544
De Bank stelt de FSMA en de toezichthouders van
de andere lidstaten waar de verzekerings- of herverze-
keringsonderneming activiteiten uitoefent, in kennis van
het verlies van de vergunning.
Zij verzoekt deze laatste passende maatregelen te
treffen om te beletten dat de verzekerings- of herver-
zekeringsonderneming op hun grondgebied nieuwe
activiteiten aanvangt.
Art. 545
De verzekerings- of herverzekeringsondernemingen
die niet langer over een vergunning beschikken op
l’entreprise concernée ne se conforme pas au plan
approuvé dans les trois mois qui suivent la constatation
de la non-conformité du minimum de capital requis.
Art. 542
Lorsque l’agrément est révoqué en application de
l’article 517, § 1er, 8° ou de l’article 541 pour l’ensemble
des branches d’assurance et/ou activités de réassu-
rance, l’entreprise est dissoute de plein droit et entre en
liquidation conformément aux articles 183 et suivants
du Code des sociétés.
CHAPITRE III
Dispositions communes aux différents cas de
perte de l’agrément
Art. 543
La renonciation à l’agrément, la radiation ou la
révocation de l’agrément, totale ou partielle, emporte
interdiction de souscrire de nouveaux contrats dans les
branches d’assurance et les activités de réassurance
concernées par la perte d’agrément.
Conformément à l’alinéa 1er et à l’article 540, les
articles 187 du Code des sociétés et 46 de la loi du
8 août 1997 sur les faillites ne permettent que l’exécution
de contrats d’assurance ou de réassurance en cours, à
l’exclusion de la conclusion de tous nouveaux contrats
d’assurance ou de réassurance.
Art. 544
La Banque informe la FSMA et les autorités de
contrôle des autres États membres où l’entreprise
d’assurance ou de réassurance exerce des activités
de la perte de l’agrément.
Elle demande à ces dernières de prendre les mesures
appropriées pour empêcher l’entreprise d’assurance ou
de réassurance de commencer de nouvelles opérations
sur leur territoire.
Art. 545
Les entreprises d’assurance ou de réassurance
qui ne disposent plus d’un agrément en vertu de
1086
1584/002
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
grond van artikel 517, § 1, 8° of van de bepalingen van
deze Titel, blijven onderworpen aan deze wet en haar
uitvoeringsbesluiten en -reglementen evenals aan de
bepalingen van de uitvoeringsmaatregelen van Richtlijn
2009/138/EG, tot al haar verzekerings- of herverzeke-
ringsovereenkomsten en alle desbetreffende verplich-
tingen afgewikkeld zijn, tenzij de Bank hen vrijstelt van
de toepassing van bepaalde voorschriften.
Art. 546
De Bank kan, in voorkomend geval in samenwer-
king met de toezichthouders van de andere lidstaten,
aan de in deze Titel bedoelde ondernemingen alle
passende maatregelen opleggen tot vrijwaring van
de rechten van de verzekeringnemers, de verzeker-
den en de begunstigden van de verzekerings- en
herverzekeringsovereenkomsten.
Zij kan met name alle maatregelen treffen als bedoeld
in Titel IV, inzonderheid deze bedoeld in artikel 517, § 1,
zonder vooraf een termijn vast te stellen.
Indien er een overdracht is opgelegd op grond van
artikel 517, § 1, 7°, kan de Bank haar maatregel gepaard
doen gaan met een aanpassing, in de toekomst, van de
gewaarborgde rendementsvoet in levensverzekerings-
overeenkomsten, zonder dat deze aanpassing tot een
lagere rendementsvoet mag leiden dan deze die op de
Belgische verzekeringsmarkt wordt geboden op de dag
dat het besluit hiertoe wordt genomen door de Bank.
De Bank raadpleegt de FSMA over de naleving van de
voormelde ondergrens van de rendementsvoet.
De maatregelen bedoeld in het eerste lid omvatten
ook de mogelijkheid voor de Bank om de verzekerings-
en herverzekeringsovereenkomst te beëindigen volgens
de modaliteiten en binnen de termijn die zij bepaalt.
Art. 547
§ 1. De Bank mag de in artikel 546, derde lid be-
doelde aanpassing van de rendementsvoet enkel
doorvoeren en de overeenkomsten enkel beëindigen
overeenkomstig artikel 546, vierde lid, indien het niet
nemen van deze maatregelen een nadeel inhoudt voor
de betrokken schuldeisers uit hoofde van verzekering.
§ 2. Voor de toepassing van met name paragraaf 1,
moeten de maatregelen bedoeld in artikel 546, inzon-
derheid de portefeuilleoverdracht, die in voorkomend
geval gepaard gaat met een vermindering van de ren-
dementsvoet, voldoen aan de volgende voorwaarden:
l’article 517, § 1er, 8° ou des dispositions du présent
Titre, restent soumises à la présente loi et aux arrêtés
et règlements pris pour son exécution ainsi qu’aux
dispositions des mesures d’exécution de la Directive
2009/138/CE jusqu’à ce que soient liquidés tous ses
contrats d’assurance ou de réassurance, ainsi que tous
les engagements y afférents, à moins que la Banque ne
les en dispense pour certaines dispositions.
Art. 546
La Banque peut imposer aux entreprises visées au
présent Titre, le cas échéant avec le concours des
autorités de contrôle des autres États membres, toutes
mesures propres à sauvegarder les droits des preneurs
d’assurance, des assurés et des bénéficiaires des
contrats d’assurance et de réassurance.
Elle peut notamment prendre toutes mesures visées
au Titre IV, en particulier celles visées à l’article 517,
§ 1er sans que la fixation préalable d’un délai ne soit
nécessaire.
En cas de transfert imposé sur la base de l’article 517,
§ 1er, 7°, la Banque peut accompagner sa mesure d’une
adaptation, pour le futur, du taux de rendement garanti
par des contrats d’assurance-vie, sans toutefois qu’une
telle adaptation puisse conduire à taux de rendement
inférieur à celui offert en Belgique par le marché de
l’assurance au jour de la décision de la Banque. La
Banque consulte la FSMA sur le respect de la limite
précitée du taux de rendement.
Les mesures visées à l’alinéa 1er incluent également
la possibilité pour la Banque de mettre fin aux contrats
d’assurance et de réassurance selon les modalités et
dans le délai qu’elle détermine.
Art. 547
§ 1er. La Banque ne peut procéder à l’adaptation du
taux de rendement visée à l’article 546, alinéa 3 ou
mettre fin aux contrats tel que prévu à l’article 546,
alinéa 4 que si, à défaut de ces mesures, le sort des
créanciers d’assurance concernés s’avérerait moins
favorable.
§ 2. Aux fins notamment du paragraphe 1er, les
mesures visées à l’article 546, en particulier le trans-
fert de portefeuille, le cas échéant accompagné d’une
réduction de taux de rendement, doivent respecter les
conditions suivantes:
1087
1584/002
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
1° de portefeuilleoverdracht, inzonderheid de vast-
stelling van de activa waarmee de overdracht van de
verzekeringsverplichtingen gepaard gaat, mag geen
afbreuk doen aan de gelijkheid van de schuldeisers uit
hoofde van verzekering. Deze gelijkheid vereist:
a) per afzonderlijk beheer, een verdeling van de in
artikel 194 bedoelde activa naar rato van de overge-
dragen verplichtingen;
en voor het overige, indien nodig,
b) een verdeling van de overige activa naar rato van
de overgedragen verplichtingen die niet onder a) vallen,
ten opzichte van alle verzekeringsverplichtingen van de
verzekeringsonderneming,
zoals deze overgedragen verplichtingen gewaardeerd
worden op het ogenblik van de overdracht.
2° de verzekeringsovereenkomsten kunnen maar
worden beëindigd en er kan maar een vermindering
van de rendementsvoet worden opgelegd indien de
voortzetting van de verzekeringsovereenkomsten tot
een deficitaire vereffening zou leiden. Bovendien wordt
de vermindering van de rendementsvoet op een zoda-
nige wijze uitgevoerd dat het verlies dat voortvloeit uit
de vermindering van de rendementsvoet verdeeld wordt
over alle schuldeisers uit hoofde van verzekering die tot
hetzelfde afzonderlijke beheer behoren.
Indien er niettegenstaande het tweede lid, 2°, een
batig saldo bij vereffening zou zijn, wordt het bedrag
daarvan uitsluitend verdeeld onder de schuldeisers
uit hoofde van verzekering, naar rato van de bedragen
waarop ze recht zouden hebben gehad indien hun
overeenkomsten werden voortgezet.
Art. 548
Naast de soortgelijke maatregelen waarin de uitvoe-
ringsmaatregelen van Richtlijn 2009/138/EG voorzien,
kan de Bank een beperking van of een verbod op de
terugbetaling en uitkering van kapitaal of interesten
opleggen ten aanzien van houders van kernvermo-
gensinstrumenten, in afwachting van de maatregelen
ter vrijwaring van de rechten van de schuldeisers uit
hoofde van verzekering die met toepassing van de
artikelen 546 en 547 worden getroffen.
Van het in het eerste lid bedoelde prerogatief kan
maar gebruik worden gemaakt in de gevallen bedoeld
1° le transfert de portefeuille, en particulier la détermi-
nation des actifs qui accompagne la cession des enga-
gements d’assurance ne peut porter atteinte à l’égalité
entre les créanciers d’assurance. Cette égalité requiert:
a) par gestions distinctes, une répartition des actifs
visés à l’article 194 au prorata des engagements cédés;
et pour le surplus si nécessaire,
b) une répartition des autres actifs au prorata des
engagements cédés, non couverts par le a), par rapport
à l’ensemble des engagements d’assurance de l’entre-
prise d’assurance,
tels que ces engagements cédés sont évalués au
moment de la cession.
2° il ne peut être mis fin aux contrats d’assurance ou
une réduction de taux ne peut être ordonnée que dans
l’hypothèse où la continuité des contrats d’assurance
conduirait à une liquidation déficitaire. La réduction
de taux est, en outre, effectuée de manière à répartir
sur l’ensemble des créanciers d’assurance relevant
d’une même gestion distincte, la perte résultant de la
diminution de taux.
Si nonobstant l’alinéa 2, 2°, un boni de liquidation
devait apparaître, son montant est exclusivement
réparti au profit des créanciers d’assurance au prorata
des montants auxquels ils auraient eu droit en cas de
continuité de leurs contrats.
Art. 548
Outre les mesures similaires prévues par les mesures
d’exécution de la Directive 2009/138/CE, la Banque peut
ordonner des limitation et interdictions de rembourse-
ment et paiement, de capital ou d’intérêts, à l’égard des
titulaires d’instruments de fonds propre de base, dans
l’attente des mesures destinées à sauvegarder les droits
des créanciers d’assurance adoptées en application
des articles 546 et 547.
L’usage de la prérogative visée à l’alinéa 1er est limité
aux situations visées à l’article 542 et tient compte de la
1088
1584/002
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
in artikel 542 en op voorwaarde dat rekening wordt
gehouden met de situatie van de schuldeisers van de
verzekeringsonderneming zoals die voortvloeit uit de
toepassing van de artikelen 643 en 644.
Art. 549
Ingeval de financiële situatie van een in deze Titel
bedoelde verzekerings- of herverzekeringsonderneming
verslechtert, kan de Bank, in afwijking van artikel 6 van
de faillissementswet van 8 augustus 1997, de zaak uit
eigen beweging bij dagvaarding aanhangig maken bij
de rechtbank van koophandel.
De artikelen 545 tot 548 zijn niet van toepassing bij
doorhaling van de vergunning van een failliet verklaarde
verzekerings- of herverzekeringsonderneming.
BOEK III
VERZEKERINGS- OF HERVERZEKERINGSONDER-
NEMINGEN NAAR BUITENLANDS RECHT
TITEL I
Verzekerings- of herverzekeringsondernemingen die
onder het recht van een andere lidstaat ressorteren
HOOFDSTUK I
Uitoefening van activiteiten in België door
verzekeringsondernemingen die onder het recht
van een andere lidstaat ressorteren
Afdeling I
Toegang tot het bedrijf
Onderafdeling I
Opening van bijkantoren
Art. 550
§ 1. Verzekeringsondernemingen die onder het recht
van een andere lidstaat ressorteren en die op grond
van hun nationaal recht verzekeringsactiviteiten in hun
lidstaat van herkomst mogen uitoefenen, mogen die
activiteiten via de vestiging van een bijkantoor in België
uitoefenen, op voorwaarde dat de toezichthouders van
die lidstaat van herkomst aan de Bank het dossier heb-
ben bezorgd dat mutatis mutandis de gegevens bevat
als bedoeld in artikel 108, § 1, tweede lid, 1° tot 4°
evenals de aanvullende gegevens bedoeld in artikel 109.
situation des créanciers de l’entreprise d’assurance telle
qu’elle résulte de l’application des articles 643 et 644.
Art. 549
En cas de détérioration de la situation financière
d’une entreprise d’assurance ou de réassurance visée
au présent Titre, la Banque peut, par dérogation à
l’article 6 de la loi du 8 août 1997 sur les faillites, d’ini-
tiative saisir le tribunal de commerce par voie de citation.
Les articles 545 à 548 ne sont pas applicables en cas
de radiation de l’agrément d’une entreprise d’assurance
ou de réassurance déclarée en faillite.
LIVRE III
DES ENTREPRISES D’ASSURANCE OU DE
RÉASSURANCE DE DROIT ETRANGER
TITRE IER
Des entreprises d’assurance ou de réassurance
relevant du droit d’un autre État membre
CHAPITRE IER
Exercice d’activités en Belgique par des
entreprises d’assurance relevant du droit d’un
autre État membre
Section Ire
Accès à l’activité
Sous-section Ire
Ouverture de succursales
Art. 550
§ 1er. Les entreprises d’assurance relevant du droit
d’un autre État membre, qui sont habilitées en vertu de
leur droit national à exercer dans leur État d’origine des
activités d’assurance peuvent, par voie d’installation de
succursales, exercer ces activités en Belgique, à condi-
tion que les autorités de contrôle de cet État d’origine
aient communiqué à la Banque le dossier contenant,
mutatis mutandis, les éléments d’information visés à
l’article 108, § 1er, alinéa 2, 1° à 4° ainsi que les éléments
d’information additionnels visés à l’article 109.
1089
1584/002
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
§ 2. Dit dossier bevat eveneens:
1° ingeval de verzekeringsonderneming haar bijkan-
toor arbeidsongevallenrisico’s wil laten dekken:
a) het bewijs dat het Fonds voor arbeidsongevallen
door de verzekeringsonderneming in kennis werd ge-
steld van de voorgenomen activiteit;
b) het bewijs dat de verzekeringsonderneming zich
er ten aanzien van het Fonds voor arbeidsongevallen
toe heeft verbonden om op het eerste verzoek van het
genoemde Fonds een bankgarantie als bedoeld in arti-
kel 60 van de arbeidsongevallenwet van 10 april 1971 te
vestigen met het oog op de schadeloosstelling van de
arbeidsongevallen wanneer de verzekeringsonderne-
ming in gebreke is gebleven.
2° ingeval de verzekeringsonderneming overeen-
komsten met betrekking tot de verplichte aansprake-
lijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen wenst uit
te geven, met uitzondering van de aansprakelijkheid
van de vervoerder, een verklaring waaruit blijkt dat de
onderneming zich heeft aangesloten bij het Belgisch
Gemeenschappelijk Waarborgfonds en bij het Belgisch
Bureau.
Art. 551
De Bank beschikt over een termijn van twee maan-
den vanaf de ontvangst van de gegevens bedoeld in
artikel 550 om aan de toezichthouders van de lidstaat
van herkomst van de betrokken onderneming de in
artikel 564 bedoelde bepalingen van algemeen belang
mee te delen.
Art. 552
De activiteiten die in hoofde van het bijkantoor zijn
toegestaan, mogen in België worden aangevat vanaf
de datum waarop de toezichthouder van de lidstaat
van herkomst de in artikel 551 bedoelde mededeling
heeft ontvangen en uiterlijk bij het verstrijken van de in
artikel 551 bedoelde termijn van twee maanden.
Art. 553
De Bank bezorgt aan de FSMA binnen de in arti-
kel 551 bedoelde termijn het in artikel 550 bedoelde
informatiedossier evenals alle latere wijzingen in de
daarin opgenomen gegevens.
§ 2. Ce dossier comprend également:
1° dans le cas où l’entreprise d’assurance entend
faire couvrir par sa succursale les risques d’accident
du travail:
a) la preuve que l’entreprise d’assurance a informé
de l’activité envisagée le Fonds des accidents du travail;
b) la preuve que l’entreprise d’assurance s’est
engagée à l’égard du Fonds des accidents du travail
à constituer, à la première demande dudit Fonds, une
garantie bancaire telle que visée à l’article 60 de la loi
du 10 avril 1971 sur les accidents du travail en vue de
pourvoir à la réparation des accidents du travail dans
les cas où l’entreprise d’assurance est restée en défaut.
2° dans le cas où l’entreprise d’assurance entend
pratiquer l’assurance obligatoire de la responsabilité en
matière de véhicules terrestres automoteurs, à l’exclu-
sion de la responsabilité du transporteur, une déclara-
tion selon laquelle l’entreprise est devenue membre du
Fonds commun de garantie belge et du Bureau belge.
Art. 551
La Banque dispose d’un délai de deux mois à partir de
la réception des informations visées à l’article 550 pour
indiquer aux autorités de contrôle de l’État membre
d’origine de l’entreprise concernée, les dispositions
d’intérêt général visées à l’article 564.
Art. 552
Les activités autorisées dans le chef de la succursale
peuvent débuter en Belgique à partir de la date à laquelle
l’autorité de contrôle de l’État membre d’origine a reçu
la communication visée à l’article 551 et au plus tard à
l’échéance du délai de deux mois visé à l’article 551.
Art. 553
La Banque communique à la FSMA dans le délai
visé à l’article 551 le dossier d’information visé à l’ar-
ticle 550 ainsi que toute modification ultérieure apportée
aux informations qu’il contient.
1090
1584/002
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
Art. 554
De verzekeringsonderneming die in België een bijkan-
toor heeft geopend, deelt aan de Bank alle wijzigingen
mee die zij van plan is aan te brengen in de gegevens
die opgenomen zijn in het informatiedossier bedoeld in
artikel 550, en dit minstens één maand voor het aan-
brengen van deze wijzigingen.
Art. 555
De Bank stelt de lijst op van de in artikel 550 bedoelde
bijkantoren van verzekeringsondernemingen. Die lijst en
alle daarin aangebrachte wijzigingen worden op haar
website bekendgemaakt.
Onderafdeling II
Vrije dienstverrichting
Art. 556
§ 1. Verzekeringsondernemingen die onder het
recht van een andere lidstaat ressorteren en die op
grond van hun nationaal recht verzekeringsactiviteiten
in hun lidstaat van herkomst mogen uitoefenen, mogen
die activiteiten in het kader van het vrij verrichten van
diensten in België uitoefenen, op voorwaarde dat de
toezichthouders van die lidstaat van herkomst aan de
Bank het dossier hebben bezorgd met de gegevens als
bedoeld in artikel 115, § 1 ,1° et 2° en de aanvullende
gegevens bedoeld in artikel 116.
§ 2. Dit dossier bevat eveneens:
1° ingeval de verzekeringsonderneming arbeidson-
gevallenrisico’s wil dekken:
a) het bewijs dat het Fonds voor arbeidsongevallen
door de verzekeringsonderneming in kennis werd ge-
steld van de voorgenomen activiteit;
b) het bewijs dat de verzekeringsonderneming zich
er ten aanzien van het Fonds voor arbeidsongevallen
toe heeft verbonden om op het eerste verzoek van het
genoemde Fonds een bankgarantie als bedoeld in arti-
kel 60 van de arbeidsongevallenwet van 10 april 1971 te
vestigen met het oog op de schadeloosstelling van de
arbeidsongevallen wanneer de verzekeringsonderne-
ming in gebreke is gebleven;
c) de naam en het adres van de vertegenwoordiger
bedoeld in artikel 557, § § 2 en 3;
Art. 554
L’entreprise d’assurance qui a ouvert une succursale
en Belgique notifie à la Banque toute modification qu’elle
entend apporter aux informations contenues dans le
dossier d’information visé à l’article 550 et ce, un mois
au moins avant que cette modification ne soit effectuée.
Art. 555
La Banque établit la liste des succursales d’entre-
prises d’assurance visées à l’article 550. Cette liste
ainsi que toutes les modifications qui y sont apportées
sont publiées sur son site internet.
Sous-section II
Libre prestation de services
Art. 556
§ 1er. Les entreprises d’assurance relevant du droit
d’un autre État membre, qui sont habilitées en vertu
de leur droit national à exercer dans leur État d’origine
des activités d’assurance, peuvent exercer ces activi-
tés en Belgique sous le régime de la libre prestation
de services, à condition que les autorités de contrôle
de cet État d’origine aient communiqué à la Banque le
dossier contenant les éléments d’information visés à
l’article 115, § 1er, 1° et 2° ainsi que les éléments d’infor-
mation additionnels visés à l’article 116.
§ 2. Ce dossier comprend également:
1° dans le cas où l’entreprise d’assurance entend
couvrir les risques d’accident du travail:
a) la preuve que l’entreprise d’assurance a informé
de l’activité envisagée le Fonds des accidents du travail;
b) la preuve que l’entreprise d’assurance s’est
engagée à l’égard du Fonds des accidents du travail
à constituer, à la première demande dudit Fonds, une
garantie bancaire telle que visée à l’article 60 de la loi
du 10 avril 1971 sur les accidents du travail en vue de
pourvoir à la réparation des accidents du travail lorsque
l’entreprise d’assurance est restée en défaut;
c) le nom et l’adresse du représentant visé à l’ar-
ticle 557, § § 2 et 3;
1091
1584/002
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
2° ingeval de verzekeringsonderneming overeen-
komsten met betrekking tot de verplichte aansprake-
lijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen wenst uit te
geven, met uitzondering van de aansprakelijkheid van
de vervoerder:
a) een verklaring waaruit blijkt dat de onderneming zich
heeft aangesloten bij het Belgisch Gemeenschappelijk
Waarborgfonds en bij het Belgisch Bureau;
b) de naam en het adres van de schaderegelaar
bedoeld in artikel 21 van Richtlijn 2009/103/EG;
c) de naam en het adres van de vertegenwoordiger
bedoeld in artikel 557, § § 1 en 3.
Art. 557
§ 1. De verzekeringsonderneming die in het kader
van het vrij verrichten van diensten overeenkomsten met
betrekking tot de verplichte aansprakelijkheidsverzeke-
ring inzake motorrijtuigen wenst uit te geven, met uit-
zondering van de aansprakelijkheid van de vervoerder,
zorgt ervoor dat het feit dat zij haar activiteiten in België
niet via een bijkantoor uitoefent, er niet toe leidt dat per-
sonen die een schadevordering indienen die ontstaan
is uit voorvallen die zich op het Belgische grondgebied
hebben voorgedaan, in een nadeliger positie verkeren.
Hiertoe stelt de onderneming een vertegenwoordiger
aan die zijn woonplaats of zijn gewone verblijfplaats in
België heeft en over de nodige professionele betrouw-
baarheid en deskundigheid beschikt om zijn opdracht
uit te voeren.
Deze vertegenwoordiger verzamelt alle nodige
informatie over de schadedossiers en beschikt over
voldoende bevoegdheid om de verzekeringsonderne-
ming te vertegenwoordigen tegenover personen die een
schadevergoeding kunnen eisen, met inbegrip van de
betaling van deze schadevergoeding, en om de onder-
neming voor de Belgische rechtbanken en autoriteiten
te vertegenwoordigen of zo nodig te laten vertegenwoor-
digen in verband met deze schadevorderingen.
Deze vertegenwoordiger beschikt ook over de be-
voegdheid om de verzekeringsonderneming te verte-
genwoordigen bij de bevoegde Belgische autoriteiten
voor de controle op het bestaan en de geldigheid van
overeenkomsten met betrekking tot de verplichte aan-
sprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen.
§ 2. De verzekeringsonderneming die in het kader van
het vrij verrichten van diensten arbeidsongevallenrisico’s
2° dans le cas où l’entreprise d’assurance entend
pratiquer l’assurance obligatoire de la responsabilité en
matière de véhicules terrestres automoteurs, à l’exclu-
sion de la responsabilité du transporteur:
a) une déclaration selon laquelle l’entreprise est
devenue membre du Fonds commun de garantie belge
et du Bureau belge;
b) le nom et l’adresse du représentant chargé du
règlement des sinistres visé à l’article 21 de la Directive
2009/103/CE;
c) le nom et l’adresse du représentant visé à l’ar-
ticle 557, § § 1er et 3.
Art. 557
§ 1er. L’entreprise d’assurance qui entend pratiquer
en libre prestation de services l’assurance obligatoire
de la responsabilité en matière de véhicules terrestres
automoteurs, à l’exclusion de la responsabilité du trans-
porteur, s’assure que les personnes présentant une
demande d’indemnisation au titre d’événements surve-
nant sur le territoire belge ne soient pas placées dans
une situation moins favorable du fait que l’entreprise
n’exerce pas son activité en Belgique par l’intermédiaire
d’une succursale.
À cette fin, l’entreprise désigne un représentant qui
a son domicile ou sa résidence habituelle en Belgique
et dispose d’une honorabilité professionnelle et d’une
expertise adéquate pour l’exercice de sa mission.
Ce représentant réunit toutes les informations néces-
saires en relation avec les dossiers d’indemnisation et
dispose de pouvoirs suffisants pour représenter l’entre-
prise d’assurance auprès des personnes qui peuvent
réclamer une indemnisation, y compris le paiement de
celle-ci, et pour la représenter ou, si cela est nécessaire,
la faire représenter, pour ce qui concerne ces demandes
d’indemnisation devant les juridictions et les autorités
belges.
Ce représentant dispose également du pouvoir de
représenter l’entreprise d’assurance devant les autorités
belges compétentes pour le contrôle de l’existence et de
la validité de contrats relatifs à l’assurance obligatoire de
la responsabilité en matière de véhicules automoteurs.
§ 2. L’entreprise d’assurance qui entend faire cou-
vrir en libre prestation de services les risques liés aux
1092
1584/002
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
wil laten dekken, stelt voor wat betreft de verzekerings-
overeenkomsten met betrekking tot arbeidsongevallen,
een vertegenwoordiger aan die mutatis mutandis vol-
doet aan de voorwaarden van paragraaf 1.
§ 3. De functie van de vertegenwoordiger bedoeld in
paragraaf 1 kan worden vervuld door de schaderegelaar
die overeenkomstig artikel 556, § 2, 2°, b) wordt aange-
steld, voor zover de voorwaarden van paragraaf 1 zijn
vervuld.
De aanstelling door een verzekeringsonderneming
van een vertegenwoordiger met toepassing van de
paragrafen 1 of 2 wordt niet beschouwd als de opening
van een bijkantoor.
Art. 558
De verzekeringsonderneming mag haar activiteiten
in België aanvatten in het kader van het vrij verrichten
van diensten vanaf de datum waarop ze door de toe-
zichthouders van haar lidstaat van herkomst in kennis
werd gesteld van de mededeling aan de Bank van het
dossier bedoeld in artikel 556.
Art. 559
De Bank bezorgt aan de FSMA het in artikel 556 be-
doelde dossier evenals alle latere wijzigingen in de
daarin opgenomen gegevens.
Art. 560
Wanneer de verzekeringsonderneming voornemens
is een wijziging aan te brengen in de in artikel 556 be-
doelde gegevens, volgt zij daartoe de procedure waarin
deze Afdeling voorziet.
Art. 561
De Bank stelt de lijst op van de in artikel 556 bedoelde
verzekeringsondernemingen. Die lijst en alle daarin
aangebrachte wijzigingen worden op haar website
bekendgemaakt.
accidents du travail désigne un représentant qui répond,
mutatis mutandis, aux conditions visées au paragraphe
1er en ce qui concerne les contrats d’assurance relatifs
aux accidents du travail.
§ 3. Le rôle du représentant visé au paragraphe 1er
peut être assuré par le représentant chargé du règle-
ment des sinistres désigné conformément à l’article 556,
§ 2, 2°, b), pour autant que les conditions visées au
paragraphe 1er soient satisfaites.
La désignation par une entreprise d’assurance d’un
représentant en application des paragraphes 1er ou
2 ne constitue pas en soi l’ouverture d’une succursale.
Art. 558
L’entreprise d’assurance peut commencer ses acti-
vités en libre prestation de service en Belgique à partir
de la date à laquelle elle a été avisée par les autorités
de contrôle de son État membre d’origine de la com-
munication à la Banque du dossier visé à l’article 556.
Art. 559
La Banque communique à la FSMA le dossier visé
à l’article 556 ainsi que toute modification ultérieure
apportée aux informations qu’il contient.
Art. 560
Toute modification que l’entreprise d’assurance en-
tend apporter aux informations visées à l’article 556 est
soumise à la procédure prévue à la présente Section.
Art. 561
La Banque établit la liste des entreprises d’assurance
visées à l’article 556. Cette liste ainsi que toutes les
modifications qui y sont apportées sont publiées sur
son site internet.
1093
1584/002
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
Afdeling II
Bedrijfsuitoefening
Art. 562
§ 1. De in dit Hoofdstuk bedoelde verzekeringsonder-
nemingen moeten blijvend voldoen aan de voorwaarden
die door of krachtens de artikelen 550, 556 en 557 van
deze wet zijn vastgesteld.
§ 2. Indien de Bank redenen heeft om aan te nemen
dat de activiteiten van de verzekeringsonderneming
haar financiële soliditeit kunnen aantasten, stelt zij de
toezichthouders van de lidstaat van herkomst daarvan
in kennis.
Art. 563
De in de artikelen 550 en 556 bedoelde verzeke-
ringsondernemingen moeten bij de uitoefening van hun
activiteiten in België, aan hun naam hun lidstaat van
herkomst toevoegen en, in het geval van artikel 550,
hun zetel.
Art. 564
§ 1. De bepalingen van dit Hoofdstuk doen geen
afbreuk aan de naleving, bij de uitoefening van in België
toegestane verzekeringsactiviteiten, van de wettelijke en
reglementaire bepalingen die om redenen van algemeen
belang in België van toepassing zijn op verzekerings-
ondernemingen en hun verrichtingen.
De in dit Hoofdstuk bedoelde verzekeringsonderne-
mingen mogen inzonderheid met alle beschikbare com-
municatiemiddelen in België reclame maken voor hun
diensten, mits zij de om redenen van algemeen belang
vastgestelde voorschriften inzake vorm en inhoud van
dergelijke reclame naleven.
De Bank deelt aan de in artikel 550 bedoelde verze-
keringsondernemingen mee welke bepalingen bij haar
weten van algemeen belang zijn. Hiertoe wint zij het
advies van de FSMA in.
De bepalingen van dit Hoofdstuk doen evenmin
afbreuk aan de naleving, bij de uitoefening van andere
activiteiten dan in België toegestane verzekeringsacti-
viteiten, van de wettelijke en reglementaire bepalingen
die in België van toepassing zijn op die activiteiten.
§ 2. De artikelen 199 tot 203 zijn van toepassing op
de in artikel 550 bedoelde verzekeringsondernemingen.
Section II
Exercice de l’activité
Art. 562
§ 1er. Les entreprises d’assurance visées au présent
Chapitre doivent en permanence satisfaire aux condi-
tions prévues par ou en vertu des articles 550, 556 et
557 de la présente loi.
§ 2. Lorsque la Banque a des raisons de considérer
que les activités de l’entreprise d’assurance pourraient
porter atteinte à sa solidité financière, elle en informe
les autorités de contrôle de l’État membre d’origine.
Art. 563
Les entreprises d’assurance visées aux articles 550 et
556 font, dans l’exercice de leurs activités en Belgique,
accompagner leur dénomination de la mention de leur
État d’origine et, dans le cas de l’article 550, de leur
siège social.
Art. 564
§ 1er. Les dispositions du présent Chapitre ne portent
pas préjudice au respect, dans l’exercice des activités
d’assurance autorisées en Belgique, des dispositions
légales et réglementaires applicables en Belgique aux
entreprises d’assurance et à leurs opérations pour des
raisons d’intérêt général.
En particulier, les entreprises d’assurance visées au
présent Chapitre peuvent faire de la publicité pour leurs
services, par tous les moyens de communication dis-
ponibles, en Belgique, pour autant qu’elles respectent
les règles arrêtées pour des raisons d’intérêt général
qui régissent la forme et le contenu de cette publicité.
La Banque donne aux entreprises d’assurance visées
à l’article 550 communication des dispositions qui, à sa
connaissance, ont ce caractère. Elle recueille à cet effet
l’avis de la FSMA.
Les dispositions du présent Chapitre ne portent pas
davantage préjudice au respect, dans l’exercice d’acti-
vités autres que les activités d’assurance autorisées en
Belgique, des dispositions légales et réglementaires
applicables, en Belgique, à ces activités.
§ 2. Les articles 199 à 203 sont applicables aux
entreprises d’assurance visées à l’article 550.
1094
1584/002
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
Afdeling III
Toezicht
Art. 565
Behalve het toezicht waaraan zij onderworpen zijn
krachtens andere wettelijke of reglementaire bepalingen
die hun activiteiten regelen, staan de in dit Hoofdstuk
bedoelde verzekeringsondernemingen onder het toe-
zicht van de Bank voor wat betreft de naleving van de
artikelen 550, 556 en 557.
Art. 566
Op verzoek van de Bank dienen de verzekeringson-
dernemingen alle inlichtingen en documenten te ver-
strekken die vereist zijn voor het toezicht op de naleving
van de in artikel 562 bedoelde bepalingen.
Met hetzelfde doel kan de Bank ook in het Belgische
bijkantoor inspecties ter plaatse verrichten of een kopie
maken van alle gegevens waarover het bijkantoor van
de verzekeringsonderneming beschikt.
In het kader van het toezicht waarin deze Afdeling
voorziet, dienen de verzekeringsagenten, -makelaars
of -tussenpersonen aan de Bank op eenvoudig verzoek
alle inlichtingen te verstrekken over de verzekerings-
overeenkomsten waarvoor zij als tussenpersonen zijn
opgetreden en die betrekking hebben op in België
gelegen risico’s.
In de gevallen bedoeld in het tweede lid brengt de
Bank de toezichthouders van de lidstaat van herkomst
voorafgaandelijk op de hoogte.
Art. 567
§ 1. De toezichthouders van de lidstaat van herkomst
kunnen, na de Bank daarvan voorafgaandelijk in kennis
te hebben gesteld, bij de in artikel 550 bedoelde bijkan-
toren controles en inspecties ter plaatse verrichten om
zelf of, in voorkomend geval, via de personen die zij
daartoe machtigen, de gegevens die voor het toezicht op
de financiële positie van de verzekeringsonderneming
noodzakelijk zijn, te verifiëren of op te vragen. De Bank
kan deelnemen aan deze verificatie.
§ 2. Portefeuilleoverdrachten waarbij rechten en ver-
plichtingen worden overgedragen van verzekeringsover-
eenkomsten waarvoor de lidstaat van de verbintenis of
van het risico België is, en die verricht worden door de in
Section III
Contrôle
Art. 565
Outre le contrôle dont elles font l’objet par ailleurs en
vertu de dispositions légales ou réglementaires régis-
sant leurs activités, les entreprises d’assurance visées
au présent Chapitre sont soumises au contrôle de la
Banque en ce qui concerne le respect des articles 550,
556 et 557.
Art. 566
Sur demande de la Banque, les entreprises d’assu-
rance doivent soumettre tous renseignements et fournir
tous documents en vue du contrôle du respect des
dispositions visées à l’article 562.
Dans le même but, la Banque peut également procé-
der à des inspections sur place dans la succursale belge
ou prendre copie de toute information en possession de
la succursale de l’entreprise d’assurance.
Dans le cadre du contrôle prévu à la présente Section,
les agents, courtiers ou intermédiaires d’assurance sont
tenus de fournir à la Banque, sur simple demande, tous
renseignements concernant les contrats d’assurance à
propos desquels ils sont intervenus en qualité d’inter-
médiaires et qui sont relatifs à des risques situés en
Belgique.
Dans les cas visés à l’alinéa 2, la Banque informe
préalablement les autorités de contrôle de l’État membre
d’origine.
Art. 567
§ 1er. Les autorités de contrôle de l’État membre
d’origine sont habilitées, après en avoir préalablement
informé la Banque, à procéder à des contrôles et
inspections sur place auprès des succursales visées
à l’article 550 en vue de vérifier ou recueillir, le cas
échéant, par l’intermédiaire des personnes qu’elles
mandatent, les informations qui sont nécessaires pour
assurer le contrôle de la situation financière de l’entre-
prise d’assurance. La Banque peut participer à cette
vérification.
§ 2. Les cessions de portefeuille impliquant la ces-
sion de droits et obligations de contrats d’assurance à
propos desquels l’État d’engagement est la Belgique
ou le risque y est situé, effectuées par les entreprises
1095
1584/002
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
dit Hoofdstuk bedoelde verzekeringsondernemingen en
toegelaten zijn door de toezichthouders van hun lidstaat
van herkomst, worden bekendgemaakt in België. Deze
bekendmaking wordt op verzoek van deze autoriteiten
door de Bank verricht volgens de modaliteiten van
artikel 106.
Afdeling IV
Uitzonderingsmaatregelen
Art. 568
Wanneer de Bank vaststelt dat een verzekeringson-
derneming die onder het recht van een andere lidstaat
ressorteert en die in België werkzaam is via een bijkan-
toor of in het kader van het vrij verrichten van diensten,
zich niet conformeert aan de in de artikelen 562 en
564 bedoelde bepalingen, voor zover de inhoud van
deze bepalingen onder de bevoegdheid van de Bank
valt, maant zij de verzekeringsonderneming aan om,
binnen de termijn die zij bepaalt, de vastgestelde toe-
stand te verhelpen.
De Bank stelt de FSMA in kennis van haar voornemen
om het vorige lid toe te passen.
Indien de toestand na de termijn bedoeld in het eerste
lid niet is verholpen, brengt de Bank de toezichthouders
van de betrokken lidstaat van herkomst daarvan op de
hoogte.
Art. 569
§ 1. Wanneer de overtredingen blijven aanhouden,
kan de Bank passende maatregelen nemen, met name
de maatregelen waarin artikel 517 voorziet.
Wanneer deze maatregel evenredig blijkt, kan de
Bank de onderneming ook verbieden nieuwe verzeke-
ringsovereenkomsten te sluiten in België en kan zij op
kosten van de onderneming overgaan tot de publicatie
van de verbodsbepalingen in de kranten van haar keuze
of op de plaatsen en voor de duur die zij bepaalt.
Indien de Bank bovendien van oordeel is dat de
toezichthouder van de lidstaat van herkomst geen
passende maatregelen heeft genomen om de onre-
gelmatige situatie als bedoeld in artikel 568 te ver-
helpen, kan zij de zaak overeenkomstig artikel 19 van
Verordening 1094/2010 aan EIOPA voorleggen en haar
om bijstand verzoeken.
d’assurance visées au présent Chapitre, autorisées par
les autorités de contrôle de leur État membre d’origine
font l’objet d’une publicité en Belgique. Cette publicité
est, à la demande de ces autorités, effectuée par la
Banque selon les modalités prévues à l’article 106.
Section IV
Mesures exceptionnelles
Art. 568
Lorsque la Banque constate qu’une entreprise
d’assurance relevant du droit d’un autre État membre
opérant en Belgique par la voie d’une succursale ou
sous le régime de la libre prestation de services ne se
conforme pas aux dispositions visées aux articles 562 et
564, dans la mesure où les matières visées par ces dis-
positions relèvent de la compétence de la Banque, elle
met l’entreprise d’assurance en demeure de remédier,
dans le délai qu’elle détermine, à la situation constatée.
La Banque informe la FSMA de son intention de faire
application de l’alinéa précédent.
Si, au terme du délai visé à l’alinéa 1er, il n’a pas été
remédié à la situation, la Banque en informe les autorités
de contrôle de l’État membre d’origine concerné.
Art. 569
§ 1er. En cas de persistance des manquements, la
Banque peut prendre les mesures appropriées, notam-
ment celles prévues par l’article 517.
Lorsqu’une telle mesure s’avère proportionnée la
Banque peut également interdire à l’entreprise de
conclure de nouveaux contrats d’assurance en Belgique
et faire procéder, aux frais de l’entreprise, à la publica-
tion de la mesure d’interdiction dans les journaux de
son choix ou dans les lieux et pendant la durée qu’elle
détermine.
En outre, si la Banque considère que l’autorité de
contrôle de l’État membre d’origine n’a pas pris les
mesures adéquates en vue de remédier à la situation
de non-conformité visée à l’article 568 elle peut saisir
l’EIOPA, et demander son assistance conformément à
l’article 19 du Règlement 1094/2010.
1096
1584/002
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
Artikel 517, § 5 is van toepassing.
§ 2. De Bank brengt de toezichthouders van de
lidstaat van herkomst op de hoogte vooraleer zij de in
paragraaf 1 bedoelde maatregelen neemt.
Art. 570
In spoedeisende gevallen kan de Bank de in arti-
kel 569, § 1 bedoelde maatregelen nemen zonder vooraf
een termijn vast te stellen; zij stelt de toezichthouders
van de lidstaat van herkomst hiervan in kennis onmiddel-
lijk nadat zij de genoemde maatregelen heeft genomen.
Art. 571
De Bank brengt de FSMA onmiddellijk op de hoogte
van de maatregelen die zij op grond van de artike-
len 569 en 570 heeft genomen, alsook het Fonds voor
arbeidsongevallen wanneer deze maatregelen worden
genomen ten aanzien van ondernemingen die arbeids-
ongevallenrisico’s dekken.
De Bank deelt aan de Europese Commissie en aan
EIOPA het aantal en de aard van de gevallen mee
waarin maatregelen zijn genomen overeenkomstig de
artikelen 569 en 570.
Art. 572
De Bank kan, op verzoek van de betrokken bevoegde
Belgische autoriteiten, de artikelen 568 tot 570 toepas-
sen op een in dit Hoofdstuk bedoelde verzekeringson-
derneming wanneer zij in België, in het kader van haar
verzekeringsactiviteiten, handelingen heeft gesteld die
strijdig zijn met de wettelijke of reglementaire bepalin-
gen van algemeen belang als bedoeld in artikel 564,
eerste lid.
Art. 573
Bij doorhaling of herroeping van de vergunning van
een verzekeringsonderneming door de toezichthouder
van haar lidstaat van herkomst, neemt de Bank, op
verzoek van deze autoriteit, passende maatregelen om
te beletten dat de betrokken verzekeringsonderneming
in België nieuwe overeenkomsten sluit of nieuwe acti-
viteiten aanvangt.
Na deze autoriteit in kennis te hebben gesteld, kan de
Bank inzonderheid de sluiting bevelen van het bijkan-
toor dat deze verzekeringsonderneming in België heeft
L’article 517, § 5 est applicable.
§ 2. La Banque informe les autorités de contrôle de
l’État membre d’origine avant de prendre les mesures
prévues au paragraphe 1er.
Art. 570
En cas d’urgence, la Banque peut prendre les
mesures visées à l’article 569, § 1er sans qu’un délai
ne soit préalablement fixé et en informant les autorités
de contrôle de l’État membre d’origine immédiatement
après avoir pris lesdites mesures.
Art. 571
La Banque informe immédiatement la FSMA des
mesures qu’elle a prises sur la base des articles 569 et
570, ainsi que le Fonds des accidents du travail lorsque
ces mesures sont prises à l’égard d’entreprises couvrant
les risques d’accident du travail.
La Banque communique à la Commission euro-
péenne et à l’EIOPA le nombre et la nature des cas dans
lesquels des mesures ont été prises conformément aux
articles 569 et 570.
Art. 572
La Banque peut, à la demande des autorités
belges compétentes concernées, faire application des
articles 568 à 570 à l’égard d’une entreprise d’assu-
rance visée au présent Chapitre lorsqu’elle a accompli
en Belgique, dans le cadre de ses activités d’assu-
rance, des actes contraires aux dispositions légales
ou réglementaires d’intérêt général telles que visées à
l’article 564, alinéa 1er.
Art. 573
En cas de radiation ou de révocation de l’agrément
de l’entreprise d’assurance par l’autorité de contrôle
de son État membre d’origine, la Banque prend, à la
demande de cette autorité, les mesures appropriées en
vue d’empêcher l’entreprise d’assurance concernée
de conclure de nouveaux contrats ou opérations en
Belgique.
En particulier, la Banque peut ordonner, après en
avoir donné avis à cette autorité, la fermeture de la
succursale que cette entreprise d’assurance a établie
1097
1584/002
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
gevestigd. Zij kan een voorlopige zaakvoerder aanstel-
len die toeziet op de vrijwaring van de tegoeden van het
bijkantoor in afwachting van een uitspraak omtrent hun
bestemming en die gemachtigd is in het belang van de
verzekeringnemers, de verzekerden en de begunstigden
in België alle bewarende maatregelen te treffen.
De Bank stelt de FSMA in kennis van de beslissing
tot doorhaling of herroeping van de vergunning van de
verzekeringsonderneming door de toezichthouder van
haar lidstaat, evenals van de maatregelen die zij met
toepassing van dit artikel neemt.
Art. 574
Indien de toezichthouders van de lidstaat van her-
komst van een verzekeringsonderneming daarom
verzoeken, kan de Bank, overeenkomstig de artikelen
513 tot 515, de vrije beschikking over de op het Belgische
grondgebied gelokaliseerde activa die door deze auto-
riteiten zijn aangeduid, beperken of ontnemen.
HOOFDSTUK II
Uitoefening van activiteiten in België door
herverzekeringsondernemingen die onder het
recht van een andere lidstaat ressorteren
Afdeling I
Toegang tot het bedrijf
Art. 575
Herverzekeringsondernemingen die onder het recht
van een andere lidstaat dan België ressorteren, mogen
in België, via de vestiging van een bijkantoor of in het
kader van het vrij verrichten van diensten, de herverze-
keringsactiviteiten uitoefenen waarvoor zij in hun lidstaat
van herkomst een vergunning hebben verkregen.
Afdeling II
Bedrijfsuitoefening
Art. 576
De bepalingen van dit Hoofdstuk doen geen afbreuk
aan de naleving, bij de uitoefening van herverzekerings-
activiteiten in België, van de wettelijke en reglementaire
bepalingen die om redenen van algemeen belang in
België van toepassing zijn op herverzekeringsonder-
nemingen en hun verrichtingen.
en Belgique. Elle peut désigner un gérant provisoire qui
s’assure de la préservation des avoirs de la succursale
en attendant qu’il soit statué sur leur destination, et qui
est habilité à prendre toutes mesures conservatoires
dans l’intérêt des preneurs d’assurance, des assurés
et des bénéficiaires en Belgique.
La Banque informe la FSMA de la décision de radia-
tion ou de révocation de l’agrément de l’entreprise d’as-
surance par l’autorité de contrôle de son État membre,
ainsi que des mesures qu’elle prend en application du
présent article.
Art. 574
Si les autorités de contrôle de l’État membre d’ori-
gine d’une entreprise d’assurance le requièrent, la
Banque peut restreindre ou interdire conformément aux
articles 513 à 515 la libre disposition des actifs localisés
sur le territoire belge que ces autorités ont désignés.
CHAPITRE II
Exercice d’activités en Belgique par des
entreprises de réassurance relevant du droit d’un
autre État membre
Section Ire
Accès à l’activité
Art. 575
Les entreprises de réassurance relevant du droit d’un
État membre autre que la Belgique peuvent y exercer,
par la voie d’installation d’une succursale ou sous le
régime de la libre prestation de services, les opérations
de réassurance pour lesquelles elles ont obtenu un
agrément dans leur État membre d’origine.
Section II
Exercice de l’activité
Art. 576
Les dispositions du présent Chapitre ne portent pas
préjudice au respect, dans l’exercice des activités de
réassurance exercées en Belgique, des dispositions
légales et réglementaires applicables en Belgique aux
entreprises de réassurance et à leurs opérations pour
des raisons d’intérêt général.
1098
1584/002
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
De bepalingen van dit Hoofdstuk doen evenmin
afbreuk aan de naleving, bij de uitoefening van andere
activiteiten dan herverzekeringsactiviteiten, van de wet-
telijke en reglementaire bepalingen die in België van
toepassing zijn op die activiteiten.
De artikelen 199 tot 202 zijn van toepassing op de in
artikel 575 bedoelde herverzekeringsondernemingen
die hun activiteiten in België uitoefenen via de vestiging
een bijkantoor.
Art. 577
De in artikel 575 bedoelde herverzekeringsonderne-
mingen moeten bij de uitoefening van hun activiteiten in
België, aan hun naam hun lidstaat van herkomst toevoe-
gen en, wanneer zij hun activiteiten via een bijkantoor
uitoefenen, hun zetel.
Afdeling III
Toezicht
Onderafdeling I
Algemene bepalingen
Art. 578
De toezichthouders van de lidstaat van herkomst kun-
nen, na de Bank daarvan voorafgaandelijk in kennis te
hebben gesteld, bij de in artikel 575 bedoelde bijkanto-
ren controles en inspecties ter plaatse verrichten om zelf
of, in voorkomend geval, via de personen die zij daartoe
machtigen, de gegevens die voor het toezicht op de
financiële positie van de herverzekeringsonderneming
noodzakelijk zijn, te verifiëren of op te vragen. De Bank
kan deelnemen aan deze verificatie.
§ 2. Indien de Bank redenen heeft om aan te nemen
dat de activiteiten van de herverzekeringsonderneming
haar financiële soliditeit kunnen aantasten, stelt zij de
toezichthouders van de lidstaat van herkomst daarvan
in kennis.
Les dispositions du présent Chapitre ne portent pas
davantage préjudice au respect, dans l’exercice des
activités autres que les activités de réassurance, des
dispositions légales et réglementaires applicables, en
Belgique, à ces activités.
Les articles 199 à 202 sont applicables aux entre-
prises de réassurance visées à l’article 575 qui exercent
leur activité en Belgique par la voie d’installation d’une
succursale.
Art. 577
Les entreprises de réassurance visées à l’ar-
ticle 575 font, dans l’exercice de leurs activités en
Belgique, accompagner leur dénomination de la mention
de leur État d’origine ainsi que, lorsqu’elles exercent
leurs activités par la voie d’une succursale, de la men-
tion de leur siège social.
Section III
Contrôle
Sous-section Ire
Généralités
Art. 578
§ 1er. Les autorités de contrôle de l’État membre
d’origine sont habilitées, après en avoir préalablement
informé la Banque, à procéder à des contrôles et
inspections sur place auprès des succursales visées
à l’article 575 en vue de vérifier ou recueillir, le cas
échéant, par l’intermédiaire des personnes qu’elles
mandatent, les informations qui sont nécessaires pour
assurer le contrôle de la situation financière de l’entre-
prise de réassurance. La Banque peut participer à cette
vérification.
§ 2. Lorsque la Banque a des raisons de considé-
rer que les activités de l’entreprise de réassurance
pourraient porter atteinte à sa solidité financière, elle
en informe les autorités de contrôle de l’État membre
d’origine.
1099
1584/002
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
Onderafdeling II
Uitzonderingsmaatregelen
Art. 579
Wanneer de Bank vaststelt dat een herverzeke-
ringsonderneming die onder het recht van een andere
lidstaat ressorteert en die in België werkzaam is via
een bijkantoor of in het kader van het vrij verrichten van
diensten, zich niet conformeert aan de in België gel-
dende wettelijke en reglementaire bepalingen die tot de
bevoegdheidssfeer van de Bank behoren, maant zij de
herverzekeringsonderneming aan om, binnen de termijn
die zij bepaalt, de vastgestelde toestand te verhelpen.
De Bank stelt de betrokken toezichthouders van de
lidstaat van herkomst hiervan in kennis.
Art. 580
§ 1. Wanneer de overtredingen blijven aanhouden,
kan de Bank passende maatregelen nemen, met name
de maatregelen waarin artikel 517 voorziet.
Wanneer deze maatregel evenredig blijkt, kan de
Bank de onderneming ook verbieden nieuwe herverze-
keringsovereenkomsten te sluiten in België en kan zij op
kosten van de onderneming overgaan tot de publicatie
van de verbodsbepalingen in de kranten van haar keuze
of op de plaatsen en voor de duur die zij bepaalt.
Indien de Bank bovendien van oordeel is dat de
toezichthouder van de lidstaat van herkomst geen
passende maatregelen heeft genomen om de onre-
gelmatige situatie als bedoeld in artikel 26 te verhel-
pen, kan zij de zaak overeenkomstig artikel 19 van
Verordening 1094/2010 aan EIOPA voorleggen en haar
om bijstand verzoeken.
Artikel 517, § 5 is van toepassing.
§ 2. De Bank brengt de toezichthouders van de
lidstaat van herkomst op de hoogte vooraleer zij de in
paragraaf 1 bedoelde maatregelen neemt.
Art. 581
De Bank brengt de FSMA onmiddellijk op de hoogte
van de maatregelen die zij op grond van de artike-
len 579 en 580 heeft genomen.
Sous-section II
Mesures exceptionnelles
Art. 579
Lorsque la Banque constate qu’une entreprise de
réassurance relevant du droit d’un autre État membre
opérant en Belgique par la voie d’une succursale ou
sous le régime de la libre prestation de services ne
se conforme pas aux dispositions légales et régle-
mentaires applicables en Belgique dans le domaine
de compétence de la Banque, elle met l’entreprise de
réassurance en demeure de remédier, dans le délai
qu’elle détermine, à la situation constatée.
La Banque en informe les autorités de contrôle de
l’État membre d’origine concernées.
Art. 580
§ 1er. En cas de persistance des manquements, la
Banque peut prendre les mesures appropriées, notam-
ment celles prévues par l’article 517.
Lorsqu’une telle mesure s’avère proportionnée,
la Banque peut également interdire à l’entreprise de
conclure de nouveaux contrats de réassurance en
Belgique et faire procéder, aux frais de l’entreprise,
à la publication de la mesure d’interdiction dans les
journaux de son choix ou dans les lieux et pendant la
durée qu’elle détermine.
En outre, si la Banque considère que l’autorité de
contrôle de l’État membre d’origine n’a pas pris les
mesures adéquates en vue de remédier à la situation
de non-conformité visée à l’article 26 elle peut saisir
l’EIOPA, et demander son assistance conformément à
l’article 19 du Règlement 1094/2010.
L’article 517, § 5 est applicable.
§ 2. La Banque informe les autorités de contrôle de
l’État membre d’origine avant de prendre les mesures
prévues au paragraphe 1er.
Art. 581
La Banque informe immédiatement la FSMA des
mesures qu’elle a prises sur la base des articles 579 et
580.
1100
1584/002
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
Art. 582
Bij doorhaling of herroeping van de vergunning van
een herverzekeringsonderneming door de toezichthou-
der van haar lidstaat van herkomst, neemt de Bank, op
verzoek van deze toezichthouder, passende maatrege-
len om te beletten dat de betrokken herverzekerings-
onderneming in België nieuwe overeenkomsten sluit of
nieuwe activiteiten aanvangt.
Na deze autoriteit in kennis te hebben gesteld, kan de
Bank inzonderheid de sluiting bevelen van het bijkantoor
dat deze herverzekeringsonderneming in België heeft
gevestigd. Zij kan een voorlopige zaakvoerder aanstel-
len die toeziet op de vrijwaring van de tegoeden van het
bijkantoor in afwachting van een uitspraak omtrent hun
bestemming en die gemachtigd is in het belang van de
herverzekeringsbegunstigden in België alle bewarende
maatregelen te treffen.
Art. 583
Indien de toezichthouders van de lidstaat van her-
komst van een herverzekeringsonderneming daarom
verzoeken, kan de Bank, overeenkomstig de artike-
len 513 tot 515, de vrije beschikking over de op het
Belgische grondgebied gelokaliseerde activa die door
deze autoriteiten zijn aangeduid, beperken of ontnemen.
TITEL II
Verzekerings- of herverzekeringsondernemingen die
onder het recht van een derde land ressorteren
HOOFDSTUK I
Bijkantoren in België van
verzekeringsondernemingen die onder het recht
van een derde land ressorteren
Afdeling I
Toegang tot het bedrijf in België
Art. 584
Onverminderd de bepalingen van de internationale
verdragen waarbij België partij is, moeten de verzeke-
ringsondernemingen die onder het recht van een derde
land ressorteren en waaraan in die hoedanigheid een
vergunning werd verleend in dit derde land, alvorens
een bijkantoor te openen om hun activiteiten in België
uit te oefenen, een vergunning verkrijgen van de Bank.
Art. 582
En cas de radiation ou de révocation de l’agrément
de l’entreprise de réassurance par l’autorité de contrôle
de son État membre d’origine, la Banque prend, à la
demande de cette autorité de contrôle, les mesures
appropriées en vue d’empêcher l’entreprise de réas-
surance concernée de conclure de nouveaux contrats
ou opérations en Belgique.
En particulier, elle peut ordonner, après en avoir don-
né avis à cette autorité, la fermeture de la succursale que
cette entreprise de réassurance a établie en Belgique.
Elle peut désigner un gérant provisoire qui s’assure de
la préservation des avoirs de la succursale en attendant
qu’il soit statué sur leur destination, et qui est habilité
à prendre toutes mesures conservatoires dans l’intérêt
des bénéficiaires de réassurance en Belgique.
Art. 583
Si les autorités de contrôle de l’État membre d’ori-
gine d’une entreprise de réassurance le requièrent, la
Banque peut restreindre ou interdire conformément aux
articles 513 à 515 la libre disposition des actifs localisés
sur le territoire belge que ces autorités ont désigné.
TITRE II
Des entreprises d’assurance ou de réassurance
relevant du droit de pays tiers
CHAPITRE IER
Succursales en Belgique d’entreprises
d’assurance relevant du droit de pays tiers
Section Ire
Accès à l’activité en Belgique
Art. 584
Sans préjudice des dispositions des Traités interna-
tionaux auxquels la Belgique est partie, les entreprises
d’assurance relevant du droit d’un pays tiers dûment
agréées en cette qualité dans ce pays doivent, avant
d’ouvrir une succursale en vue d’exercer leurs activités
en Belgique, se faire agréer auprès de la Banque.
1101
1584/002
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
Voor de uitvoering van de internationale verdragen
waarbij België partij is, kan de Koning de voorwaarden
en modaliteiten bepalen waaronder de verzekerings-
ondernemingen waarop deze verdragen van toepas-
sing zijn, een recht van vestiging en vrij verrichten van
diensten kunnen genieten voor de uitoefening van hun
activiteiten in België.
Art. 585
§ 1. In verband met de toekenning van de vergunning
als bedoeld in artikel 584, zijn de volgende artikelen
van toepassing:
1° de artikelen 22, 23, 24, 26, 27 28, 29, 30, 32, 34,
1° en 35, met dien verstande dat
a) artikel 18, derde lid niet van toepassing is;
b) de verzekeringsonderneming in haar land van
herkomst gemachtigd is om de activiteiten uit te oefe-
nen die in haar programma van werkzaamheden zijn
opgenomen;
c) het administratief dossier bovendien de naam, het
adres en de bevoegdheden bevat van de algemeen
lasthebber als bedoeld in artikel 593;
d) de verwijzing naar artikel 23 geldt voor de verze-
keringsonderneming waarvan het bijkantoor afhangt;
2° artikel 31, met dien verstande dat de in deze Titel
bedoelde bijkantoren in een bijzondere rubriek van de
lijst worden vermeld;
3° artikel 37, 2° en 3°;
4° de artikelen 39 tot 43, met dien verstande dat de
verwijzing naar de artikelen 39 en 43 geldt voor de ver-
zekeringsonderneming waarvan het bijkantoor afhangt
en dat de verwijzing naar de artikelen 40 tot 42 geldt
voor het bijkantoor in België;
5° artikel 62, voor zover de verzekeringsonderne-
ming niet kan aantonen dat de verbintenissen van
haar Belgisch bijkantoor minstens in dezelfde mate
gedekt zijn door een regeling ter bescherming van de
schuldeisers uit hoofde van verzekering in haar land van
herkomst als door de regelingen in België, voor wat de
types van gedekte overeenkomsten en het vastgestelde
beschermingsniveau betreft.
Naast het vereiste bedoeld in het eerste lid, 3°, toont
de onderneming aan
Le Roi peut, pour l’exécution de Traités internationaux
auxquels la Belgique est partie, préciser les conditions
et les modalités selon lesquelles les entreprises d’as-
surance visées par ces Traités bénéficient d’un droit
d’établissement ou de prestation de services en vue
de l’exercice de leurs activités en Belgique.
Art. 585
§ 1er. Aux fins de l’octroi de l’agrément visé à l’ar-
ticle 584, sont applicables:
1° les articles 22, 23, 24, 26, 27 28, 29, 30, 32, 34, 1°
et 35, étant entendu que
a) l’article 18, alinéa 3 n’est pas applicable;
b) l’entreprise d’assurance est autorisée dans son
pays d’origine à exercer les activités contenues dans
son programme d’activités;
c) le dossier administratif comporte en outre le nom,
l’adresse et les pouvoirs du mandataire général visé à
l’article 593;
d) la référence faite à l’article 23 vaut pour l’entreprise
d’assurance dont relève la succursale;
2° l’article 31, les succursales visées au présent Titre
étant mentionnées à une rubrique spéciale de la liste;
3° l’article 37, 2° et 3°;
4° les articles 39 à 43, étant entendu que la réfé-
rence faite à les articles 39 et 43 vaut pour l’entreprise
d’assurance dont relève la succursale et que la réfé-
rence faite aux articles 40 à 42 vaut pour la succursale
en Belgique;
5° l’article 62 dans la mesure où l’entreprise
d’assurance ne peut établir que les engagements de
sa succursale belge sont couverts par un système de
protection des créanciers d’assurance au sein de son
pays d’origine dans une mesure au moins équivalente à
celle résultant des systèmes mis en place en Belgique,
quant aux types de contrats couverts et au niveau de
protection prévu.
Outre l’exigence visée à l’alinéa 1er, 3°, l’entreprise
démontre
1102
1584/002
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
a) dat haar bijkantoor over het nodige in aanmerking
komende eigen vermogen beschikt om de helft van de
absolute ondergrens van het minimumkapitaalvereiste
als vastgelegd in artikel 189, § 1, 4° te bereiken;
b) dat zij in België over activa beschikt voor het in a)
bedoelde bedrag en dat zij bovendien de helft van deze
activa bij een financiële intermediair heeft gedeponeerd,
om ze onbeschikbaar te maken. De Bank bepaalt, bij
reglement vastgesteld met toepassing van artikel 12bis,
§ 2 van de wet van 22 februari 1998, de voorwaarden
en modaliteiten waaraan deze onbeschikbaarheid moet
voldoen.
§ 2. De vergunning als bedoeld in paragraaf 1 kan
slechts worden toegekend indien voldaan is aan de
volgende voorwaarden:
1° de statuten van de betrokken verzekeringsonder-
neming zijn niet strijdig met de bepalingen van deze
wet en haar uitvoeringsbesluiten en -reglementen; in-
zonderheid mogen de statuten niet toestaan dat andere
activiteiten worden uitgeoefend dan deze die bedoeld
zijn in artikel 34, 1°;
2° de toezichthouder die belast is met het toezicht
op de verzekeringsonderneming in het derde land, be-
vestigt dat de onderneming voldoet aan de prudentiële
vereisten die op haar van toepassing zijn in dat land.
§ 3. Onverminderd de paragrafen 1 en 2 kan aan een
bijkantoor van een verzekeringsonderneming die onder
het recht van een derde land ressorteert slechts een
vergunning worden toegekend indien voldaan is aan
de volgende algemene voorwaarden:
1° de verzekeringsonderneming is in haar land van
herkomst aan een prudentieel toezicht onderworpen
dat gelijkwaardig is aan het prudentieel toezicht dat bij
Richtlijn 2009/138/EG en haar uitvoeringsmaatregelen
wordt geregeld;
2° de Bank heeft met de betrokken autoriteit van een
derde land een samenwerkingsovereenkomst onder-
tekend voor de uitwisseling van informatie om op de
activiteiten van het Belgische bijkantoor een doeltreffend
toezicht te kunnen uitoefenen. De Bank kan afwijken
van deze voorwaarde indien zij in een concreet geval
van oordeel is dat deze haar kennis van de verzeke-
ringsonderneming en van de groep waartoe zij behoort,
niet wezenlijk verbetert wat betreft haar organisatie en
de risico’s die voortvloeien uit haar activiteiten, in het
bijzonder de risico’s ten aanzien van de schuldeisers uit
hoofde van verzekering van het Belgische bijkantoor.
a) que sa succursale fait l’objet d’une dotation en
fonds propres éligibles nécessaires pour atteindre la
moitié du seuil absolu du minimum de capital requis
prévu à l’article 189, § 1er, 4°;
b) qu’elle dispose en Belgique d’actifs pour le mon-
tant visé au a) et qu’elle a, en outre, déposé la moitié
de ces actifs auprès d’un intermédiaire financier, de
telle manière à les rendre indisponibles. La Banque
détermine, par voie de règlement pris en application
de l’article 12bis, § 2 de la loi du 22 février 1998, les
conditions et modalités auxquelles doit répondre cette
indisponibilité.
§ 2. L’octroi de l’agrément visé au paragraphe 1er est
également soumis au respect des conditions suivantes:
1° les statuts de l’entreprise d’assurance concernée
ne sont pas contraires aux dispositions de la présente loi
et de ses arrêtés et règlement d’exécution; en particulier,
les statuts ne peuvent autoriser une activité autre que
celles visées à l’article 34, 1°;
2° l’autorité de contrôle en charge du contrôle de
l’entreprise d’assurance dans le pays tiers confirme que
l’entreprise satisfait aux exigences prudentielles qui lui
sont applicables dans ce pays.
§ 3. Sans préjudice des paragraphes 1er et 2, l’octroi
d’un agrément à une succursale d’une entreprise d’as-
surance relevant du droit d’un pays tiers est également
soumis au respect des conditions générales suivantes:
1° l’entreprise d’assurance est soumise, dans son
pays d’origine, à un contrôle prudentiel de nature équi-
valente à celui organisé par la Directive 2009/138/CE
et ses mesures d’exécution;
2° la Banque a signé avec l’autorité du pays tiers
concernée un accord de coopération impliquant un
échange d’informations lui permettant d’exercer un
contrôle efficace des activités de la succursale belge.
La Banque peut déroger au respect de cette condition
si, au regard du cas d’espèce, elle estime que celle-ci
n’est pas de nature à améliorer substantiellement la
connaissance de l’entreprise d’assurance, en ce com-
pris du groupe auquel elle appartient, sous l’angle de
son organisation et des risques générés par ses activi-
tés, spécialement les risques à l’égard des créanciers
d’assurance de la succursale belge.
1103
1584/002
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
§ 4. Zonder afbreuk te doen aan de internationale
overeenkomsten die België binden, kan de Bank een
vergunning weigeren aan het bijkantoor van een verze-
keringsonderneming die ressorteert onder het recht van
een derde land dat niet dezelfde toegangsmogelijkhe-
den tot zijn markt biedt aan verzekeringsondernemingen
naar Belgisch recht.
§ 5. De Bank kan ook een vergunning weigeren aan
een in deze Titel bedoeld bijkantoor indien zij van oor-
deel is dat voor de bescherming van de verzekeringne-
mers, de verzekerden en de begunstigden of voor een
gezond en voorzichtig beleid van de onderneming of nog
voor de stabiliteit van het financiële stelsel, de oprichting
van een vennootschap naar Belgisch recht vereist is.
Bij een dergelijke beslissing kan met name rekening
worden gehouden met de volgende criteria:
1° het feit dat de verzekeringsonderneming in het
derde land, of binnen de groep waartoe zij behoort,
de door het bijkantoor voorgenomen activiteiten niet
effectief uitoefent;
2° het belang van het bijkantoor in verhouding tot de
omvang van de verzekeringsonderneming.
§ 6. Alvorens zich uit te spreken over de vergun-
ningsaanvraag van een bijkantoor, raadpleegt de Bank
de betrokken autoriteit van het derde land.
De Bank spreekt zich over de vergunningsaanvraag
van het bijkantoor uit na advies van de FSMA over de
bescherming van de verzekeringnemers, de verze-
kerden en de begunstigden. De FSMA verstrekt haar
advies binnen een termijn van een maand te rekenen
vanaf de ontvangst van de door de Bank geformuleerde
adviesaanvraag, waarbij alle nuttige, van de vergun-
ningaanvragende onderneming ontvangen stukken zijn
gevoegd. Afwezigheid van advies binnen deze termijn
geldt als positief advies.
Afdeling II
Bedrijfsuitoefening
Art. 586
De Belgische bijkantoren van verzekeringsonderne-
mingen die onder het recht van een derde land ressor-
teren moeten blijvend voldoen aan de door of krachtens
artikel 584 vastgelegde voorwaarden.
§ 4. Sans préjudice des Accords internationaux liant la
Belgique, la Banque peut refuser d’agréer la succursale
d’une entreprise d’assurance relevant du droit d’un pays
tiers qui n’accorde pas les mêmes possibilités d’accès à
son marché aux entreprise d’assurance de droit belge.
§ 5. La Banque peut également refuser l’agrément
d’une succursale visée au présent Titre si elle estime
que la protection des preneurs d’assurance, des assu-
rés et des bénéficiaires ou la gestion saine et prudente
de l’entreprise ou encore la stabilité du système financier
requiert la constitution d’une société de droit belge.
Une telle décision peut notamment tenir compte des
critères suivants:
1° l’absence d’exercice effectif par l’entreprise
d’assurance dans le pays tiers, ou au sein du groupe
auquel appartient l’entreprise d’assurance, des activités
projetées par la succursale;
2° l’importance de la succursale par rapport à la taille
de l’entreprise d’assurance.
§ 6. Avant de statuer sur la demande d’agrément
de la succursale, la Banque consulte l’autorité du pays
tiers concernée.
La Banque se prononce sur la demande d’agré-
ment de la succursale sur avis de la FSMA en ce qui
concerne la protection des preneurs d’assurance, des
assurés et des bénéficiaires. La FSMA rend son avis
dans un délai d’un mois à compter de la réception de la
demande d’avis formulée par la Banque, accompagnée
de toutes les pièces utiles reçues de l’entreprise qui
sollicite l’agrément. L’absence d’avis dans ce délai est
considéré comme un avis positif.
Section II
Exercice de l’activité
Art. 586
Les succursales belges des entreprises d’assurance
relevant du droit d’un pays tiers doivent en permanence
satisfaire aux conditions prévues par ou en vertu de
l’article 584.
1104
1584/002
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
Art. 587
Op de in artikel 584 bedoelde bijkantoren zijn de
volgende artikelen van toepassing:
1° artikel 71;
2° artikel 83, voor wat betreft de algemeen lasthebber
van het bijkantoor, als bedoeld in artikel 593, evenals,
in voorkomend geval, de andere personen die met
de effectieve leiding van het bijkantoor zijn belast, en
artikel 81, voor wat betreft diezelfde personen en, in
voorkomend geval, de verantwoordelijken voor de on-
afhankelijke controlefuncties in het bijkantoor;
3° artikel 93, met dien verstande dat de leiders van
het bijkantoor gelijkgesteld worden met de leden van
het wettelijk bestuursorgaan;
4° de artikelen 36 en 38, § 1;
5° de artikelen 102, 103, 104, § 1, 1° en § 2, 105 en
106, met dien verstande dat:
a) artikel 102, eerste lid, 1° betrekking heeft op het
bijkantoor in België;
b) in de gevallen bedoeld in artikel 102, eerste lid, 3°
waar de overnemende onderneming een bijkantoor is
van een verzekeringsonderneming die onder het recht
van een derde land ressorteert, die op het grondgebied
van een andere lidstaat is gevestigd, verleent de Bank
haar toestemming voor een portefeuilleoverdracht enkel
indien:
— de toezichthouders van de betrokken lidstaat heb-
ben ingestemd met de overdracht, en
— deze toezichthouders verklaren dat de betrokken
overnemende onderneming, na de voorgenomen over-
dracht, over voldoende in aanmerking komend eigen
vermogen beschikt om het solvabiliteitskapitaalvereiste
dat met toepassing van de wetgeving van die lidstaat is
opgelegd, te dekken;
c) wanneer daarom verzocht wordt door het in arti-
kel 584 bedoelde bijkantoor in zijn hoedanigheid van
overdragende onderneming, mag de toestemming als
bedoeld in artikel 102, eerste lid, 3° enkel worden ver-
leend indien de Bank de instemming heeft verkregen
van de toezichthouders van de andere lidstaten waar de
risico’s zijn gelegen of, naargelang van het geval, van
Art. 587
Sont applicables aux succursales visées à
l’article 584:
1° l’article 71;
2° l’article 83 en ce qui concerne le mandataire
général de la succursale visé à l’article 593 ainsi que,
le cas échéant, les autres personnes chargées de la
direction effective de la succursale et l’article 81 en ce
qui concerne ces mêmes personnes et, le cas échéant,
les responsables des fonctions de contrôle indépen-
dantes au sein de la succursale;
3° l’article 93, étant entendu que les dirigeants de
la succursale sont assimilés aux membres de l’organe
légal d’administration;
4° les articles 36 et 38, § 1er;
5° les articles 102, 103, 104, § 1er, 1° et § 2, 105 et
106, étant entendu en outre que:
a) l’article 102 alinéa 1er, 1° concerne la succursale
en Belgique;
b) dans les cas visés à l’article 102, alinéa 1er, 3°
où l’entreprise cessionnaire est une succursale d’une
entreprise d’assurance relevant du droit d’un pays
tiers, située sur le territoire d’un autre État membre,
la Banque ne donne son autorisation à un transfert de
portefeuille que si:
— les autorités de contrôle de l’État membre concer-
né ont donné leur accord à un tel transfert, et
— que ces autorités attestent que l’entreprise ces-
sionnaire concernée dispose, compte tenu du transfert
envisagé, de fonds propres éligibles suffisants pour
couvrir le capital de solvabilité requis exigé en applica-
tion de la législation de cet État;
c) lorsqu’elle est demandée par la succursale visée
à l’article 584 en qualité d’entreprise cédante, l’auto-
risation visée à l’article 102, alinéa 1er, 3° ne peut être
donnée que si la Banque a reçu l’accord des autorités
de contrôle des autres États membres où les risques
sont situés ou, selon le cas, des autorités de contrôle des
États membres de l’engagement. À défaut de réponse
1105
1584/002
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
de toezichthouders van de lidstaten van de verbintenis.
Indien de geraadpleegde buitenlandse toezichthouders
niet hebben gereageerd binnen een termijn van drie
maanden, worden zij geacht hun instemming te heb-
ben gegeven.
Art. 588
§ 1. Op de in artikel 584 bedoelde bijkantoren zijn
ook de volgende artikelen van toepassing:
1° de artikelen 123 tot 139;
2° de artikelen 76, 199 tot 203, met dien verstande
dat voor de toepassing van artikel 76, de plaats waar
de documenten met betrekking tot de verrichtingen die
via het bijkantoor worden uitgevoerd worden bewaard,
de zetel van het bijkantoor is.
§ 2. De Koning bepaalt de verplichtingen en de mo-
daliteiten inzake de openbaarmaking van de jaarlijkse
boekhoudkundige situaties van de in artikel 584 be-
doelde bijkantoren.
Art. 589
§ 1. De in artikel 584 bedoelde bijkantoren moeten
over eigen vermogen beschikken dat voldoet aan de
volgende regels:
1° het eigen vermogen voldoet aan de artikelen
140 tot 150;
2° het eigen vermogen voldoet aan het solvabiliteits-
kapitaalvereiste en aan het minimumkapitaalvereiste
die overeenkomstig de artikelen 151 tot 189 worden
berekend, met dien verstande dat voor de toepassing
van die vereisten, zowel voor levensverzekeringen als
voor niet-levensverzekeringen, enkel de verrichtingen in
aanmerking worden genomen die door het betrokken
bijkantoor worden uitgevoerd;
3° de vereiste absolute ondergrens is gelijk aan de
helft van het in artikel 189, § 1, 4° bedoelde bedrag.
Het overeenkomstig artikel 585, tweede lid, b), ge-
storte depot wordt onder het in aanmerking komend
kernvermogen ter dekking van het minimumkapitaal-
vereiste gerekend.
§ 2. Artikel 323 is van toepassing met dien verstande
dat de opslagfactor een aanvullend vereiste is met
betrekking tot het eigenvermogensvereiste dat met
toepassing van die artikel is opgelegd.
des autorités étrangères consultées dans un délai de
trois mois, leur accord est présumé.
Art. 588
§ 1er. Sont également applicables aux succursales
visées à l’article 584:
1° les articles 123 à 139;
2° les articles 76, 199 à 203, étant entendu qu’aux fins
de l’application de l’article 76, le lieu de conservation
des documents relatifs aux opérations effectuées par
le biais de la succursale est le siège de la succursale.
§ 2. Le Roi détermine les obligations et les modalités
en matière de publication des situations comptables
annuelles des succursales visées à l’article 584.
Art. 589
§ 1er. Les succursales visées à l’article 584 doivent
faire l’objet d’une dotation en fonds propres répondant
aux règles suivantes:
1° la dotation en fonds propres respecte les ar-
ticles 140 à 150;
2° la dotation en fonds propres respecte les exigences
de capital de solvabilité requis et d’un minimum de capi-
tal requis calculés conformément aux articles 151 à 189,
étant entendu qu’aux fins de ces exigences, seules sont
prises en considération, tant pour l’assurance vie que
pour l’assurance non-vie, les opérations réalisées par
la succursale concernée;
3° l’exigence de seuil absolu correspond à la moitié
du montant visé à l’article 189, § 1er, 4°.
Le dépôt effectué conformément à l’article 585, alinéa
2, b) est comptabilisé dans les fonds propres de base
éligibles destinés à couvrir le minimum de capital requis.
§ 2. L’article 323 est applicable étant entendu que
l’exigence supplémentaire vise une exigence supplé-
mentaire relative à la dotation en fonds propres requise
en application du présent article.
1106
1584/002
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
§ 3. Artikel 91 is van toepassing op de in artikel
584 bedoelde bijkantoren.
Art. 590
De in artikel 584 bedoelde bijkantoren mogen het
niet-levensverzekeringsbedrijf en het levensverzeke-
ringsbedrijf niet gelijktijdig uitoefenen.
Art. 591
§ 1. De artikelen 190 tot 193 zijn van toepassing voor
wat de activa betreft die het bijkantoor bezit.
§ 2. Onverminderd artikel 585, § 1, tweede lid, zijn de
artikelen 194 en 195 eveneens van toepassing op de ver-
bintenissen die door het bijkantoor worden aangegaan.
De activa bedoeld in de artikelen 194 en 195 moeten in
België gelokaliseerd zijn.
§ 3. In afwijking van paragraaf 2 mogen de activa
maar in België gelokaliseerd zijn ten belope van het mi-
nimumkapitaalvereiste en, voor het resterende gedeelte,
in een lidstaat, wanneer de onderneming aantoont dat
zij voldoet aan de volgende voorwaarden:
1° het recht inzake liquidatieprocedures van het derde
land garandeert dat de schuldeisers uit hoofde van ver-
zekering van wie de rechten bij het Belgische bijkantoor
zijn onderschreven, gelijkwaardig worden behandeld als
de schuldeisers uit hoofde van verzekering van wie de
rechten bij de verzekeringsonderneming in het derde
land zijn onderschreven; en
2° ingeval er tegen de verzekeringsonderneming een
liquidatieprocedure wordt geopend in het derde land,
kent het recht dat deze procedure regelt aan de schuld-
eisers uit hoofde van verzekering waarvan de rechten bij
het Belgische bijkantoor zijn onderschreven, een rang
toe die een gelijkwaardige bescherming biedt als deze
waarin de artikelen 643 en 644 voorzien.
Art. 592
Op de in artikel 584 bedoelde bijkantoren zijn ook de
volgende artikelen van toepassing:
1° de artikelen 212 tot 221;
2° de artikelen 230 en 231;
3° de artikelen 232 tot 238;
§ 3. L’article 91 est d’application aux succursales
visées à l’article 584.
Art. 590
Les succursales visées à l’article 584 ne peuvent
exercer simultanément les activités d’assurance non-vie
et d’assurance vie.
Art. 591
§ 1er. Les articles 190 à 193 sont d’application en ce
qui concerne les actifs détenus par la succursale.
§ 2. Sans préjudice de l’article 585, § 1er, alinéa 2,
les articles 194 et 195 sont également applicables aux
engagements contractés par la succursale. Les actifs
visés aux articles 194 et 195 doivent être localisés en
Belgique.
§ 3. Par dérogation au paragraphe 2, les actifs
peuvent n’être localisés en Belgique que jusqu’à concur-
rence du minimum de capital requis et, pour le surplus,
au sein d’un État membre lorsque l’entreprise démontre
qu’elle satisfait aux conditions suivantes:
1° le droit des procédures de liquidation du pays
tiers assure aux créanciers d’assurance dont les droits
ont été souscrits auprès de la succursale belge, un
traitement qui est équivalent à celui des créanciers
d’assurance dont les droits ont été souscrits auprès de
l’entreprise d’assurance dans le pays tiers; et
2° en cas de procédure de liquidation ouverte à
l’encontre de l’entreprise d’assurance dans le pays tiers,
le droit régissant cette procédure octroie aux créanciers
d’assurance dont les droits ont été souscrits auprès
de la succursale belge un rang offrant une protection
similaire à celle prévue aux articles 643 et 644.
Art. 592
Sont également applicables aux succursales visées
à l’article 584:
1° les articles 212 à 221;
2° les articles 230 et 231;
3° les articles 232 à 238;
1107
1584/002
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
4° de artikelen 240 en 241.
Art. 593
De in artikel 584 bedoelde bijkantoren moeten een
algemeen lasthebber aanduiden. De artikelen 81, 83 en
93 zijn op hem van toepassing.
Bovendien moet die algemeen lasthebber zijn
woonplaats of gewone verblijfplaats in België hebben
en moet hij over voldoende bevoegdheden beschik-
ken om de verzekeringsonderneming ten opzichte van
derden te verbinden en om haar in haar betrekkingen
met de Belgische autoriteiten en rechterlijke instanties
te vertegenwoordigen.
In geval van verzaking aan of intrekking van het
mandaat of in geval van overlijden van de algemeen
lasthebber, neemt de verzekeringsonderneming de
nodige maatregelen opdat de opvolger binnen een
maand in functie is.
Art. 594
§ 1. De verzekeringsondernemingen die onder het
recht van een derde land ressorteren en die met toe-
passing van dit Hoofdstuk in België een vergunning
hebben aangevraagd of verkregen en in een of meer
andere lidstaten een vergunning hebben verkregen voor
de vestiging van een bijkantoor, kunnen vragen om het
voordeel te genieten van de volgende bijzondere bepa-
lingen, die enkel gezamenlijk kunnen worden toegekend:
1° het solvabiliteitskapitaalvereiste wordt berekend
op basis van het geheel van de activiteiten die in de lid-
staten worden uitgeoefend. Bij deze berekening worden
enkel de verrichtingen van alle in lidstaten gevestigde
bijkantoren in aanmerking genomen;
2° in afwijking van artikel 585, tweede lid, b), wordt
het depot dat met toepassing van deze bepaling is op-
gelegd, uitgevoerd in de lidstaat van de in paragraaf 2,
tweede lid bedoelde toezichthouder;
3° in afwijking van artikel 592, mogen de activa die
tegenover het minimumkapitaalvereiste staan gelokali-
seerd zijn in een van de lidstaten waar zij hun activiteit
uitoefenen.
§ 2. De in paragraaf 1 bedoelde aanvraag moet wor-
den ingediend bij de Bank en bij de toezichthouders van
elk van de andere betrokken lidstaten. In deze aanvraag
moet de onderneming aangeven welke toezichthouder
belast zal zijn met het toezicht op de solvabiliteit voor
4° les articles 240 et 241.
Art. 593
Les succursales visées à l’article 584 doivent dési-
gner un mandataire général. Les articles 81, 83 et 93 lui
sont applicables.
Ce mandataire général doit, en outre, avoir son
domicile ou sa résidence habituelle en Belgique et
doit disposer des pouvoirs suffisants pour engager
l’entreprise d’assurance à l’égard des tiers et pour
la représenter dans les relations avec les autorités et
juridictions belges.
En cas de renonciation au mandat ou de révocation
de celui-ci ou en cas de décès du mandataire général,
l’entreprise d’assurance prend les mesures nécessaires
pour que le successeur soit en fonction dans le mois.
Art. 594
§ 1er. Les entreprises d’assurance relevant du droit
de pays tiers qui ont sollicité ou obtenu un agrément en
Belgique en application du présent Chapitre et dans un
ou plusieurs autres États membres pour l’établissement
d’une succursale peuvent demander le bénéfice des
dispositions particulières suivantes, qui ne peuvent être
accordées que conjointement:
1° le capital de solvabilité requis est calculé en fonc-
tion de l’ensemble de l’activité exercée au sein des États
membres. À cette fin, seules les opérations réalisées
par l’ensemble des succursales établies au sein d’États
membres sont prises en considération pour ce calcul;
2° par dérogation à l’article 585, alinéa 2, b), le dépôt
requis en application de cette disposition est effectué
dans l’État membre de l’autorité de contrôle visée au
paragraphe 2, alinéa 2;
3° par dérogation à l’article 592, les actifs repré-
sentatifs du minimum de capital requis peuvent être
localisés dans l’un des États membres où elles exercent
leur activité.
§ 2. La demande visée au paragraphe 1er doit être dé-
posée auprès de la Banque et des autorités de contrôle
de chacun des autres États membres concernés. Dans
cette demande, l’entreprise doit indiquer l’autorité de
contrôle qui sera chargée de vérifier la solvabilité des
1108
1584/002
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
het geheel van de activiteiten van de bijkantoren die in
de Europese Economische Ruimte zijn gevestigd.
De keuze van de toezichthouder moet door de on-
derneming met redenen worden omkleed en door die
toezichthouder worden aanvaard.
§ 3. Het voordeel van de in paragraaf 1 bedoelde
bijzondere bepalingen kan enkel worden toegekend
aan de onderneming mits de toezichthouders van alle
andere betrokken lidstaten hun toestemming verlenen.
Deze bijzondere bepalingen zijn maar van toepassing
vanaf de datum waarop de gekozen toezichthouder aan
de andere toezichthouders bevestigt dat hij zijn aanstel-
ling aanvaardt en dat hij toezicht zal houden op de na-
leving van de solvabiliteitsvereisten door de bijkantoren
die in de Europese Economische Ruimte zijn gevestigd,
voor het geheel van hun activiteiten.
Wanneer een toezichthouder van een andere lidstaat
wordt gekozen met toepassing van de paragrafen 2 en
3, verstrekt de Bank aan die toezichthouder de nodige
inlichtingen voor het toezicht op de naleving van de
vereisten inzake de globale solvabiliteit van de betrok-
ken verzekeringsonderneming.
Het voordeel van de in paragraaf 1 bedoelde bijzon-
dere bepalingen wordt van rechtswege opgeheven op
verzoek van de Bank aan de andere betrokken toezicht-
houders of op verzoek van een van hen. Deze opheffing
wordt ter kennis gebracht van het in artikel 584 bedoelde
bijkantoor.
§ 4. Wanneer zij met toepassing van de paragrafen
2 en 3 wordt gekozen, stelt de Bank EIOPA daarvan in
kennis.
Afdeling III
Toezicht
Art. 595
De volgende artikelen zijn van toepassing:
1° de artikelen 303 tot 309;
2° de artikelen 504 tot 507;
3° de artikelen 510, 511, 513 tot 515, met dien ver-
stande dat, in de gevallen bedoeld in artikel 594, de
toezichthouder die belast is met het toezicht op de na-
leving van de solvabiliteitsvereisten door de bijkantoren
die in de verschillende lidstaten zijn gevestigd, voor het
succursales établies au sein de l’Espace économique
européen pour l’ensemble de leurs opérations.
Le choix de l’autorité de contrôle effectué par l’entre-
prise doit être motivé et accepté par cette autorité.
§ 3. Le bénéfice des dispositions particulières pré-
vues au paragraphe 1er ne peut être octroyé à l’entre-
prise qu’avec l’accord des autorités de contrôle de tous
les États membres concernés.
Ces dispositions particulières ne sont applicables
qu’à la date à laquelle l’autorité de contrôle choisie
confirme aux autres autorités de contrôle qu’elle ac-
cepte sa désignation et qu’elle vérifiera les exigences
de solvabilité des succursales établies à l’intérieur de
l’Espace économique européen pour l’ensemble de
leurs opérations.
Lorsqu’une autorité de contrôle d’un autre État
membre est choisie en application des paragraphes 2 et
3, la Banque fournit à cette autorité les informations
nécessaires à la vérification des exigences de solvabilité
globale de l’entreprise d’assurance concernée.
Le bénéfice des dispositions particulières prévues
au paragraphe 1er est retiré de plein droit en cas de
demande de la Banque adressée aux autres autorités
de contrôle concernées ou à la demande de l’une de
celles-ci. Ce retrait est notifié à la succursale visée à
l’article 584.
§ 4. Lorsqu’elle est choisie en application des para-
graphes 2 et 3, la Banque en informe l’EIOPA.
Section III
Contrôle
Art. 595
Sont applicables:
1° les articles 303 à 309;
2° les articles 504 à 507;
3° les articles 510, 511, 513 à 515, étant entendu que
dans les cas visés à l’article 594, l’autorité de contrôle
chargée de vérifier le respect des exigences de sol-
vabilité des succursales établies au sein de différents
États membres pour l’ensemble de leurs opérations
1109
1584/002
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
geheel van hun activiteiten, ook de prerogatieven kan
uitoefenen waarop die bepalingen betrekking hebben.
Art. 596
De leiding van de in deze Titel bedoelde bijkantoren
moet een of meer erkend revisoren of een of meer
erkende revisorenvennootschappen aanstellen over-
eenkomstig artikel 327. Op dezelfde wijze kan zij een
plaatsvervanger aanstellen.
Bij aanstelling van een revisorenvennootschap is
artikel 326 van overeenkomstige toepassing.
Artikel 328, artikel 329, eerste tot vierde lid, artikel
330, eerste lid 1 en de artikelen 331 tot 337 zijn mutatis
mutandis van toepassing.
Art. 597
§ 1. De Bank kan op basis van het wederkerigheids-
beginsel met de autoriteiten van derde landen van de
verzekeringsonderneming en met de bevoegde autori-
teiten van derde landen van de andere bijkantoren van
deze onderneming die buiten België zijn gevestigd,
overeenkomen welke verplichtingen en verbodsbe-
palingen voor het bijkantoor in België gelden, hoe het
toezicht wordt opgevat en uitgeoefend en op welke
wijze de samenwerking en de informatie-uitwisseling
met deze autoriteiten, zoals bedoeld in de artikelen
36/16 en 36/17 van de wet van 22 februari 1998, worden
georganiseerd.
§ 2. Om regels en modaliteiten te kunnen vaststel-
len die beter aansluiten bij de aard en spreiding van de
activiteiten van de verzekeringsonderneming en haar
toezicht, mogen de overeenkomsten, met de goedkeu-
ring van de minister bevoegd voor Economie, afwijken
van de bepalingen van deze wet.
Voor zover er een algemeen toezicht bestaat dat vol-
doet aan de criteria vastgesteld door of krachtens deze
wet, mogen deze overeenkomsten vrijstelling verlenen
van de toepassing van bepaalde voorschriften van deze
wet en van haar uitvoeringsbesluiten en -reglementen.
De in dit artikel bedoelde overeenkomsten mogen
voor de bijkantoren waarop zij betrekking hebben, geen
gunstiger regels bevatten dan voor de in België geves-
tigde bijkantoren van verzekeringsondernemingen die
onder het recht van een andere lidstaat ressorteren.
peut également exercer les prérogatives visées par
ces dispositions.
Art. 596
La direction des succursales visées au présent Titre
est tenue de désigner un ou plusieurs reviseurs agréés
ou une ou plusieurs sociétés de reviseurs agréées
conformément à l’article 327. Elle peut désigner, pareil-
lement, un suppléant.
En cas de désignation d’une société de reviseurs,
l’article 326 est applicable par analogie.
Les articles 328, 329, alinéas 1er à 4, 330, alinéa 1er
et 331 à 337 sont, mutatis mutandis, applicables.
Art. 597
§ 1er. La Banque peut convenir, sur base de réci-
procité, avec les autorités de pays tiers de l’entreprise
d’assurance et avec les autorités, compétentes et de
pays tiers, des autres succursales de cette entreprise
établies dans d’autres États que la Belgique, de règles
relatives aux obligations et interdictions concernant la
succursale en Belgique, de l’objet et de modalités de
sa surveillance ainsi que des modalités de la collabora-
tion et de l’échange d’informations avec ces autorités,
telles que prévues aux articles 36/16 et 36/17 de la loi
du 22 février 1998.
§ 2. Les conventions peuvent, moyennant l’approba-
tion du ministre ayant l’économie dans ses attributions,
déroger aux dispositions de la présente loi en vue de
fixer des règles et modalités plus appropriées à la nature
et à la répartition des activités de l’entreprise d’assu-
rance et de son contrôle.
Moyennant l’existence d’un contrôle global répondant
aux critères prévus par ou en vertu de la présente loi,
ces conventions peuvent dispenser de l’application de
certaines dispositions de la présente loi et des arrêtés
et règlements pris pour son exécution.
Les conventions prévues par le présent article ne
peuvent comporter au bénéfice des succursales qu’elles
concernent des règles plus favorables que celles qui
s’appliquent aux succursales établies en Belgique
d’entreprise d’assurance relevant du droit d’un autre
État membre.
1110
1584/002
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
Afdeling IV
Uitzonderingsmaatregelen, sancties en beëindiging van de
vergunning
Art. 598
§ 1. De artikelen 508 en 517 zijn van toepassing.
Bij intrekking van de vergunning door de Bank we-
gens niet-naleving van de regels inzake de solvabiliteits-
vereisten, stelt de Bank de andere toezichthouders als
bedoeld in artikel 594 hiervan in kennis.
Bij intrekking van de vergunning door een toezicht-
houder die met toepassing van artikel 594, § § 2 en 3 is
aangesteld, trekt de Bank eveneens de in artikel 585 be-
doelde vergunning in.
§ 2. De Bank kan de vergunning van een in dit
Hoofdstuk bedoeld bijkantoor ook herroepen indien zij
van oordeel is dat voor de bescherming van de schuld-
eisers uit hoofde van verzekering of voor een gezond
en voorzichtig beleid van de verzekeringsonderneming
of nog voor de stabiliteit van het financiële stelsel, de
oprichting van een vennootschap naar Belgisch recht
vereist is. De Bank kan hiertoe gebruik maken van de
criteria bedoeld in artikel 585, § 4.
De Bank stelt de FSMA in kennis van de overeen-
komstig het eerste lid genomen besluiten.
Art. 599
De artikelen 538 tot 541, artikel 543, eerste lid en
544 tot 547 zijn van toepassing.
HOOFDSTUK II
Uitoefening van activiteiten in België
via de vestiging van een bijkantoor of
het vrij verrichten van diensten, door
herverzekeringsondernemingen die onder het
recht van een derde land ressorteren
Art. 600
Herverzekeringsondernemingen die onder het recht
van een derde land ressorteren en waarvan de solva-
biliteitsregeling waaraan ze krachtens deze wetgeving
onderworpen zijn, met toepassing van artikel 172, lid
3 van Richtlijn 2009/138/EG als gelijkwaardig wordt
beschouwd met de regeling waarin deze richtlijn voorziet
voor de ondernemingen die onder het recht van een
Section IV
Mesures exceptionnelles, sanctions et fin de l’agrément
Art. 598
§ 1er. Sont applicables les articles 508 et 517.
En cas de retrait d’agrément par la Banque justifié
par le non-respect des règles relatives aux exigences
de solvabilité, la Banque informe les autres autorités de
contrôle visées à l’article 594.
En cas de retrait d’agrément par une autorité de
contrôle désignée en application de l’article 594,
§ § 2 et 3, la Banque retire également l’agrément visé
à l’article 585.
§ 2. La Banque peut encore révoquer l’agrément
d’une succursale visée au présent Chapitre si elle es-
time que la protection des créanciers d’assurance ou la
gestion saine et prudente de l’entreprise d’assurance ou
encore la stabilité du système financier exige la constitu-
tion d’une société de droit belge. La Banque peut faire
usage, à cet effet, des critères visés à l’article 585, § 4.
La Banque informe la FSMA des décisions prises
conformément à l’alinéa 1er
Art. 599
Les articles 538 à 541, 543, alinéa 1er et 544 à
547 sont d’application.
CHAPITRE II
Activités en Belgique, par voie de succursale
ou en libre prestation de services, par des
entreprises de réassurance relevant du droit de
pays tiers
Art. 600
Les entreprises de réassurance qui relèvent du droit
d’un pays tiers et dont le régime de solvabilité auquel
elles sont assujetties en application de cette législation
est, en application de l’article 172, paragraphe 3 de la
Directive 2009/138/CE, considéré comme équivalent
à celui établi par cette directive pour les entreprises
relevant du droit d’un État membre, sont autorisées
1111
1584/002
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
lidstaat ressorteren, mogen in België via de vestiging
van een bijkantoor of het vrij verrichten van diensten
de herverzekeringsactiviteiten uitoefenen waarvoor zij
in hun lidstaat van herkomst een vergunning hebben
verkregen.
In dit verband zijn de bepalingen van Hoofdstuk II van
Titel I mutatis mutandis van toepassing.
Art. 601
De herverzekeringsondernemingen die onder het
recht van een derde land ressorteren en waarvan de
solvabiliteitsregeling waaraan ze krachtens deze wetge-
ving onderworpen zijn, met toepassing van artikel 172,
lid 3 van Richtlijn 2009/138/EG, niet als gelijkwaardig
wordt beschouwd met de regeling waarin deze richtlijn
voorziet voor de ondernemingen die onder het recht van
een lidstaat ressorteren, mogen in België, via de vesti-
ging van een bijkantoor, de herverzekeringsactiviteiten
uitoefenen waarvoor zij in hun lidstaat van herkomst een
vergunning hebben verkregen, mits inachtneming van
de bepalingen van Hoofdstuk I van deze Titel.
BOEK IV
DWANGSOMMEN EN ANDERE
DWANGMAATREGELEN
Art. 602
Onverminderd de andere bij deze wet voorgeschre-
ven maatregelen, kan de Bank openbaar maken dat
een verzekerings- of herverzekeringsonderneming, een
verzekeringsholding, een gemengde financiële holding
of een gemengde verzekeringsholding naar Belgisch of
buitenlands recht, geen gevolg heeft gegeven aan haar
aanmaningen om zich binnen de termijn die zij bepaalt
te conformeren aan de voorschriften van deze wet of
van de ter uitvoering ervan genomen besluiten of regle-
menten of van Verordening 2015/35 of van alle andere
uitvoeringsmaatregelen van Richtlijn 2009/138/EG.
Art. 603
§ 1. Onverminderd de andere bij deze wet voorge-
schreven maatregelen, kan de Bank voor een verze-
kerings- of herverzekeringsonderneming, een verze-
keringsholding, een gemengde financiële holding of
een gemengde verzekeringsholding naar Belgisch of
buitenlands recht, een termijn bepalen:
à exercer en Belgique, par la voie d’installation d’une
succursale ou sous le régime de la libre prestation de
services, les opérations de réassurance pour lesquelles
elles ont obtenu un agrément dans leur État d’origine.
À cette fin, les dispositions du Chapitre II du Titre I
sont, mutatis mutandis, d’application.
Art. 601
Les entreprises de réassurance qui relèvent du
droit d’un pays tiers et dont le régime de solvabilité
auquel elles sont assujetties en application de cette
législation n’est pas, en application de l’article 172,
paragraphe 3 de la Directive 2009/138/CE, considéré
comme équivalent à celui établi par cette directive pour
les entreprises relevant du droit d’un État membre, sont
autorisées à exercer en Belgique, par la voie d’installa-
tion d’une succursale, les opérations de réassurance
pour lesquelles elles ont obtenu un agrément dans leur
État d’origine moyennant le respect des dispositions du
Chapitre Ier du présent Titre.
LIVRE IV
DES ASTREINTES ET AUTRES MESURES
COERCITIVES
Art. 602
Sans préjudice des autres mesures prévues par la
présente loi, la Banque peut publier qu’une entreprise
d’assurance ou de réassurance, une société holding
d’assurance, une compagnie financière mixte ou une
société holding mixte d’assurance de droit belge ou de
droit étranger ne s’est pas conformée aux injonctions
qui lui ont été faites de respecter dans le délai qu’elle
détermine des dispositions de la présente loi ou des
arrêtés ou règlements pris pour son exécution ou du
Règlement 2015/35 ou de toutes autres mesures d’exé-
cution de la Directive 2009/138/CE.
Art. 603
§ 1er. Sans préjudice des autres mesures prévues par
la présente loi, la Banque peut fixer à une entreprise
d’assurance ou de réassurance, une société holding
d’assurance, une compagnie financière mixte ou une
société holding mixte d’assurance de droit belge ou de
droit étranger, un délai dans lequel:
1112
1584/002
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
1° waarbinnen zij zich moet conformeren aan welbe-
paalde voorschriften van deze wet, van de ter uitvoe-
ring ervan genomen besluiten of reglementen of van
Verordening 2015/35 of van alle uitvoeringsmaatregelen
van Richtlijn 2009/138/EG of
2° waarbinnen zij de nodige aanpassingen moet
aanbrengen in haar regeling voor de bedrijfsorganisatie
of haar beleid inzake eigenvermogensbehoeften en het
beheer van haar risico’s. Deze aanmaning geldt voor de
bijkantoren van verzekerings- of herverzekeringsonder-
nemingen die onder het recht van een andere lidstaat
ressorteren enkel voor wat betreft de niet-nakoming van
een van de in de artikel 564, eerste lid en artikel 576,
eerste lid bedoelde verplichtingen;
§ 2. Indien de onderneming in gebreke blijft bij het
verstrijken van de termijn, kan de Bank, na de onderne-
ming gehoord of tenminste opgeroepen te hebben, haar
een dwangsom opleggen van maximum 2 500 000 euro
per overtreding en maximum 50 000 euro per dag
vertraging.
§ 3. Bij de vaststelling van het bedrag van de dwang-
som wordt met name rekening gehouden met
1° de ernst van de vastgestelde tekortkomingen en,
in voorkomend geval, de potentiële impact van die te-
kortkomingen op de stabiliteit van het financiële stelsel;
2° de financiële draagkracht van de betrokken on-
derneming, zoals die met name blijkt uit haar omzet.
§ 4. De dwangsommen die met toepassing van para-
graaf 2 worden opgelegd, worden ingevorderd ten bate
van de Schatkist door de Administratie van het Kadaster,
de Registratie en de Domeinen.
BOEK V
SANCTIES
TITEL I
Administratieve boetes
Art. 604
§ 1. Onverminderd andere bij deze wet voorge-
schreven maatregelen en onverminderd de bij andere
wetten of reglementen voorgeschreven maatregelen,
kan de Bank, indien zij een inbreuk vaststelt op de
bepalingen van deze wet, op de maatregelen geno-
men in uitvoering ervan of op Verordening 2015/35 of
op alle andere uitvoeringsmaatregelen van Richtlijn
1° elle doit se conformer à des dispositions déter-
minées de la présente loi, des arrêtés ou règlements
pris pour son exécution ou du Règlement 2015/35 ou
de toutes autres mesures d’exécution de la Directive
2009/138/CE ou
2° elle doit apporter les adaptations qui s’imposent
à son dispositif d’organisation d’entreprise ou à sa
politique concernant ses besoins en fonds propres et à
la gestion de ses risques. Cette injonction n’est appli-
cable aux succursales d’entreprise d’assurance ou de
réassurance relevant d’un autre État membre, que pour
ce qui concerne un manquement à une des obligations
visées aux articles 564, alinéa 1er et 576, alinéa 1er;
§ 2. Si l’entreprise reste en défaut à l’expiration du
délai, la Banque peut, l’entreprise entendue ou à tout le
moins convoquée, lui infliger une astreinte à raison d’un
montant maximum de 2 500 000 euros par infraction et
de maximum 50 000 euros par jour de retard.
§ 3. Le montant de l’astreinte est fixé en tenant
notamment compte
1° de la gravité des manquements rencontrés et, le
cas échéant, de l’impact potentiel de ces manquements
sur la stabilité du système financier;
2° de l’assise financière de l’entreprise en cause,
telle qu’elle ressort notamment de son chiffre d’affaires.
§ 4. Les astreintes imposées en application du
paragraphe 2 sont recouvrées au profit du Trésor par
l’Administration du Cadastre, de l’Enregistrement et
des Domaines.
LIVRE V
DES SANCTIONS
TITRE IER
Des amendes administratives
Art. 604
§ 1er. Sans préjudice d’autres mesures prévues par la
présente loi et sans préjudice des mesures prévues par
d’autres lois ou d’autres règlements, la Banque peut,
lorsqu’elle constate une infraction aux dispositions de la
présente loi, aux mesures prises en exécution de celle-ci
ou au Règlement 2015/35 ou à toutes autres mesures
d’exécution de la Directive 2009/138/CE, infliger une
1113
1584/002
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
2009/138/EG, een administratieve boete opleggen aan
een verzekerings- of herverzekeringsonderneming, een
verzekeringsholding, een gemengde financiële holding
of een gemengde verzekeringsholding naar Belgisch of
buitenlands recht, aan een of meer leden van het wet-
telijk bestuursorgaan of van het directiecomité van die
entiteiten, aan de personen die bij ontstentenis van een
directiecomité deelnemen aan hun effectieve leiding, die
voor de vastgestelde tekortkoming verantwoordelijk zijn.
§ 2. De administratieve geldboete die aan de onder-
neming of aan de in paragraaf 1 bedoelde entiteit wordt
opgelegd, voor hetzelfde feit of hetzelfde geheel van
feiten, bedraagt minimum 1 % en maximum 10 % van
de technische en financiële opbrengsten van de entiteit
van het voorbije boekjaar.
De administratieve geldboete die aan een natuurlijke
persoon wordt opgelegd, voor hetzelfde feit of hetzelfde
geheel van feiten, bedraagt minimum 5 000 euro en
maximum 5 000 000 euro.
§ 3. De boetes die met toepassing van paragraaf
1 worden opgelegd door de Bank, worden ingevorderd
ten bate van de Schatkist door de Administratie van het
Kadaster, de Registratie en de Domeinen.
§ 4. Het bedrag van de boete wordt met name vast-
gesteld op grond van
1° de ernst en de duur van de tekortkomingen;
2° de mate van verantwoordelijkheid van de
betrokkene;
3° de financiële draagkracht van de betrokkene, zoals
die met name blijkt uit de totale omzet van de betrokken
rechtspersoon of uit het jaarinkomen van de betrokken
natuurlijke persoon;
4° het voordeel of de winst die deze tekortkomingen
eventueel opleveren;
5° het nadeel dat derden door deze tekortkomingen
hebben geleden, voor zover dit kan worden bepaald;
6° de mate van medewerking van de betrokken na-
tuurlijke of rechtspersoon met de bevoegde autoriteiten;
7° vroegere tekortkomingen van de betrokkene;
8° de potentiële negatieve impact van de tekortkomin-
gen op de stabiliteit van het financiële stelsel.
amende administrative à une entreprise d’assurance ou
de réassurance, à une société holding d’assurance, à
une compagnie financière mixte, à une société holding
mixte d’assurance, de droit belge ou de droit étranger à
un ou plusieurs des membres de l’organe légal d’admi-
nistration ou du comité de direction de ces entités, aux
personnes qui, en l’absence de comité de direction,
participent à leur direction effective, responsables du
manquement constaté.
§ 2. Le montant de l’amende administrative infligée
à l’entité visée au paragraphe 1er, pour le même fait ou
pour le même ensemble de faits, est de minimum 1 %
et de maximum de 10 % des produits techniques et
financiers de l’entité au cours de l’exercice précédent.
Le montant de l’amende administrative infligée à une
personne physique, pour le même fait ou pour le même
ensemble de faits, est de minimum 5 000 euros et de
maximum 5 000 000 euros.
§ 3. Les amendes imposées par la Banque en appli-
cation du paragraphe 1er sont recouvrées au profit du
Trésor par l’Administration du Cadastre, de l’Enregis-
trement et des Domaines.
§ 4. Le montant de l’amende est notamment fixé en
fonction
1° de la gravité et de la durée des manquements;
2° du degré de responsabilité de la personne en
cause;
3° de l’assise financière de la personne en cause,
telle qu’elle ressort notamment du chiffre d’affaires total
de la personne morale en cause ou des revenus annuels
de la personne physique en cause;
4° des avantages ou profits éventuellement tirés de
ces manquements;
5° d’un préjudice subi par des tiers du fait des man-
quements, dans la mesure où il peut être déterminé;
6° du degré de coopération avec les autorités com-
pétentes dont a fait preuve la personne physique ou
morale en cause;
7° des manquements antérieurs commis par la per-
sonne en cause;
8° de l’impact négatif potentiel des manquements sur
la stabilité du système financier.
1114
1584/002
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
§ 5. Wanneer de Bank maatregelen die zij over-
eenkomstig dit artikel oplegt, openbaar maakt, stelt zij
tezelfdertijd EIOPA en de toezichthouder van de betrok-
ken lidstaat in kennis, indien het een verzekerings- of
herverzekeringsonderneming betreft die activiteiten
uitoefent in een andere lidstaat.
TITEL II
Strafrechtelijke sancties
Art. 605
§ 1. Met een gevangenisstraf van één maand tot één
jaar en met een geldboete van 50 euro tot 10 000 euro
of met één van die straffen alleen wordt gestraft:
1° wie zich niet conformeert aan artikel 16;
2° wie de activiteit uitoefent van een verzekerings- of
herverzekeringsonderneming als bedoeld in artikel 17 of
in Boek III, Titel II zonder een vergunning te bezitten of
wanneer de vergunning is doorgehaald of herroepen;
3° wie met opzet de kennisgevingen als bedoeld in de
artikelen 64 en 68 niet verricht, wie het verzet negeert
als bedoeld in artikel 66, tweede lid, of wie de schorsing
negeert als bedoeld in artikel 72, eerste lid, 1°;
4° de leden van het wettelijk bestuursorgaan en de
andere in artikel 83 bedoelde personen die de bepalin-
gen van dit artikel overtreden;
5° de leden van het wettelijk bestuursorgaan of van
het directiecomité of de personen belast met de effec-
tieve leiding die de artikelen 93, 102, 2° en 3°, 426, 428,
483 of 486 overtreden;
6° de leden van het wettelijk bestuursorgaan of
van het directiecomité of de personen belast met de
effectieve leiding van een verzekerings- of herverzeke-
ringsonderneming die in het buitenland een bijkantoor
openen of diensten verstrekken, zonder de kennisge-
vingen te hebben verricht als bepaald in de artikelen
108, 113, 115 of 120 of die zich niet conformeren aan
de artikelen 112, 119 of 122;
7° de leden van het wettelijk bestuursorgaan of van
het directiecomité of de personen belast met de effec-
tieve leiding van een verzekerings- of herverzekerings-
onderneming die de in de artikelen 199, 201, 342, 564,
§ 2, 576, derde lid of 588, § 1, 2° bedoelde besluiten of
reglementen overtreden;
§ 5. Lorsque la Banque rend publiques des mesures
imposées conformément au présent article, elle informe
en même temps l’EIOPA ainsi que l’autorité de contrôle
de l’État membre concerné s’il s’agit d’une entreprise
d’assurance ou de réassurance exerçant une activité
dans un autre État membre.
TITRE II
Des sanctions pénales
Art. 605
§ 1er. Sont punis d’un emprisonnement d’un mois à
un an et d’une amende de 50 euros à 10 000 euros ou
d’une de ces peines seulement:
1° ceux qui ne se conforment pas à l’article 16;
2° ceux qui exercent l’activité d’une entreprise
d’assurance ou de réassurance visée à l’article 17 ou
au Livre III, Titre II sans que cette entreprise soit agréé
ou alors que l’agrément a été radié ou révoqué;
3° ceux qui, sciemment, s’abstiennent de faire les
notifications prévues aux articles 64 et 68, ceux qui
passent outre à l’opposition visée à l’article 66, alinéa
2 ou ceux qui passent outre à la suspension visée à
l’article 72, alinéa 1er, 1°;
4° les membres de l’organe légal d’administration
et les autres personnes visées à l’article 83 qui contre-
viennent aux dispositions de cet article;
5° les membres de l’organe légal d’administration ou
du comité de direction ou les personnes en charge de
la direction effective qui contreviennent aux articles 93,
102, 2° et 3°, 426, 428, 483 ou 486;
6° les membres de l’organe légal d’administration ou
du comité de direction ou les personnes en charge de la
direction effective d’une entreprise d’assurance ou de
réassurance qui, à l’étranger, ouvrent une succursale
ou y prestent des services sans avoir procédé aux noti-
fications prévues par les articles 108, 113, 115 ou 120 ou
qui ne se conforment pas aux articles 112, 119 ou 122;
7° les membres de l’organe légal d’administration ou
du comité de direction ou les personnes en charge de
la direction effective d’une entreprise d’assurance ou
de réassurance qui contreviennent aux arrêtés ou aux
règlements visés aux articles 199, 201, 342, 564, § 2,
576, alinéa 3 ou 588, § 1er, 2°;
1115
1584/002
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
8° de leden van het wettelijk bestuursorgaan of
van het directiecomité of de personen belast met de
effectieve leiding van een verzekerings- of herverze-
keringsonderneming die zich niet conformeren aan de
artikelen 201 of 202.
9° wie handelingen stelt of verrichtingen uitvoert zon-
der daartoe de toestemming te hebben verkregen van
de speciaal commissaris als bedoeld in artikel 517, § 1,
1° of die indruisen tegen een schorsingsbeslissing die
overeenkomstig artikel 517, § 1, 4° is genomen, wie geen
gevolg geeft aan de aanmaning die overeenkomstig de
artikelen 568, eerste lid of 579, eerste lid aan hem is
gericht, of wie zich niet conformeert aan de maatregelen
die met toepassing van de artikelen 569, § 1, eerste lid,
580, § 1, 573 of 582 zijn getroffen;
10° wie als commissaris, erkend revisor of onafhan-
kelijk deskundige, rekeningen, jaarrekeningen, balansen
en resultatenrekeningen of geconsolideerde jaarreke-
ningen van ondernemingen dan wel periodieke staten of
inlichtingen certificeert, goedkeurt of bekrachtigt terwijl
niet is voldaan aan de voorschriften van deze wet of van
haar uitvoeringsbesluiten en -reglementen of de uitvoe-
ringsmaatregelen van Richtlijn 2009/138/EG en daarvan
kennis heeft, of niet heeft gedaan wat hij normaal had
moeten doen om zich ervan te vergewissen of aan die
bepalingen was voldaan;
11° wie de onderzoeken en controles verhindert
waartoe hij verplicht is in het land of in het buitenland
dan wel weigert de gegevens te verstrekken waartoe hij
verplicht is op grond van deze wet en de uitvoerings-
maatregelen van Richtlijn 2009/138/EG of wie bewust
onjuiste of onvolledige inlichtingen verstrekt;
12° elke bestuurder en zaakvoerder die zich niet
houdt aan de voorschriften van de artikelen 325, § 1 ,
eerste lid, en 596;
§ 2. Overtredingen van het verbod van artikel 41 wor-
den gestraft met een gevangenisstraf van drie maanden
tot twee jaar en met een geldboete van 1 000 euro tot
10 000 euro.
Art. 606
De voorschriften van Boek I van het Strafwetboek,
Hoofdstuk VII en artikel 85 niet uitgezonderd, zijn van
toepassing op de misdrijven die door deze Titel worden
bestraft.
8° les membres de l’organe légal d’administration ou
du comité de direction ou les personnes en charge de
la direction effective d’une entreprise d’assurance ou
de réassurance qui ne se conforment pas aux articles
201 ou 202.
9° ceux qui accomplissent des actes ou opérations
sans avoir obtenu l’autorisation du commissaire spécial
prévue à l’article 517, § 1er, 1°, ou à l’encontre d’une
décision de suspension prise conformément à l’article
517, § 1er, 4°, qui ne se conforment pas à la mise en
demeure prise en application aux articles 568, alinéa 1er
ou 579, alinéa 1er ou aux mesures prises en application
des articles 569, § 1er, alinéa 1er , 580, § 1er, 573 ou 582.
10° ceux qui, en qualité de commissaire, de reviseur
agréé ou d’expert indépendant, ont attesté, approuvé
ou confirmé des comptes, des comptes annuels, des
bilans et comptes de résultats ou des comptes conso-
lidés d’entreprises ou des états périodiques ou des
renseignements lorsque les dispositions de la présente
loi ou des arrêtés et règlements pris pour son exécution
ou les mesures d’exécution de la Directive 2009/138/
CE, n’ont pas été respectées, soit en sachant qu’elles
ne l’avaient pas été, soit en n’ayant pas accompli les
diligences normales pour s’assurer qu’elles avaient été
respectées;
11° ceux qui font obstacle aux inspections et véri-
fications auxquelles ils sont tenus dans le pays ou à
l’étranger ou refusent de donner des renseignements
qu’ils sont tenus de fournir en vertu de la présente loi
et des mesures d’exécution de la Directive 2009/138/
CE ou qui donnent sciemment des renseignements
inexacts ou incomplets;
12° les administrateurs et gérants qui ne respectent
pas les dispositions des articles 325, § 1er , alinéas 1er
et 596;
§ 2. Toute infraction à l’interdiction visée à l’article
41 est punie d’un emprisonnement de trois mois à deux
ans et d’une amende de 1 000 euros à 10 000 euros.
Art. 606
Les dispositions du Livre Ier du Code pénal, sans
exception du chapitre VII et de l’article 85, sont appli-
cables aux infractions pénales punies par la présente loi.
1116
1584/002
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
Art. 607
De verzekerings- of herverzekeringsondernemingen
zijn burgerrechtelijk aansprakelijk voor de geldboetes
waartoe de leden van hun wettelijk bestuursorgaan of
van hun directiecomité, de personen belast met hun
effectieve leiding of hun lasthebbers met toepassing
van de voorschriften van deze Titel worden veroordeeld.
Art. 608
Ieder opsporingsonderzoek ten gevolge van de
overtreding van deze wet of één van de in artikel
20 van de wet van 25 april 2014 bedoelde wetgevingen,
tegen leden van het wettelijk bestuursorgaan of van
het directiecomité, personen belast met de effectieve
leiding, lasthebbers of erkend commissarissen van
verzekerings- of herverzekeringsondernemingen en
ieder opsporingsonderzoek ten gevolge van een over-
treding van deze wet tegen iedere andere natuurlijke of
rechtspersoon, moet ter kennis worden gebracht van de
Bank en van de FSMA, ieder voor wat zijn bevoegdhe-
den betreft, door de gerechtelijke of bestuursrechtelijke
autoriteit waar dit aanhangig is gemaakt.
Iedere strafrechtelijke vordering op grond van in het
eerste lid bedoelde misdrijven moet ter kennis worden
gebracht van de Bank en van de FSMA, ieder voor wat
zijn bevoegdheden betreft, door het openbaar ministerie.
Art. 609
De Bank en de FSMA zijn gerechtigd in elke stand
van het geding tussen te komen voor de strafrechter
bij wie een door deze wet bestraft misdrijf aanhangig
is, zonder dat zij daarom het bestaan van enig nadeel
hoeven aan te tonen.
De tussenkomst geschiedt volgens de regels die
gelden voor de burgerlijke partij.
Art. 607
Les entreprises d’assurance ou de réassurance sont
civilement responsables des amendes auxquelles sont
condamnés leurs membres de l’organe légal d’admi-
nistration ou du comité de direction, les personnes en
charge de la direction effective ou leurs mandataires en
application des dispositions du présent Titre.
Art. 608
Toute information du chef d’infraction à la présente
loi ou à l’une des législations visées à l’article 20 de
la loi du 25 avril 2014 à l’encontre de membres de
l’organe légal d’administration ou du comité de direction,
de personnes en charge de la direction effective, de
mandataires ou de commissaires agréés d’entreprise
d’assurance ou de réassurance et toute information du
chef d’infraction à la présente loi à l’encontre de toute
autre personne physique ou morale doit être portée à
la connaissance de la Banque et de la FSMA, chacune
dans son domaine de compétence par l’autorité judi-
ciaire ou administrative qui en est saisie.
Toute action pénale du chef des infractions visées
à l’alinéa 1er doit être portée à la connaissance de la
Banque et de la FSMA, chacune dans son domaine de
compétence, à la diligence du ministère public.
Art. 609
La Banque et la FSMA sont habilitées à intervenir en
tout état de cause devant la juridiction répressive saisie
d’une infraction punie par la présente loi, sans qu’elles
aient à justifier d’un dommage.
L’intervention suit les règles applicables à la partie
civile.
1117
1584/002
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
BOEK VI
VOOR VERZEKERINGSONDERNEMINGEN
GELDENDE REGELS VAN HET
INTERNATIONAAL PRIVAATRECHT
INZAKE SANERINGSMAATREGELEN EN
LIQUIDATIEPROCEDURES
TITEL I
Saneringsmaatregelen
HOOFDSTUK I
Bevoegdheidsregeling en erkenning van
buitenlandse maatregelen
Art. 610
Onder voorbehoud van de artikelen 598 en 614, zijn
de Belgische saneringsautoriteiten uitsluitend bevoegd
om saneringsmaatregelen te treffen ten aanzien van
verzekerings ondernemingen naar Belgisch recht. Deze
saneringsmaatregelen worden ten uitvoer gelegd en
hebben rechtswerking overeenkomstig de Belgische
wetgeving, onder voorbehoud van de preciseringen
en uitzonderingen die in deze wet zijn vastgesteld. De
Belgische sanerings autoriteiten kunnen inzonderheid
geen saneringsmaatregelen treffen ten aanzien van een
verzekeringsonderneming die onder het recht van een
andere lidstaat ressorteert, en evenmin ten aanzien van
een in België gevestigd bijkantoor van een dergelijke
onderneming.
Art. 611
De saneringsmaatregelen die door de saneringsauto-
riteiten van een andere lidstaat zijn getroffen ten aanzien
van een verzekerings onderneming die onder het recht
van die lidstaat ressorteert, hebben rechtswerking in
België overeenkomstig de wetgeving van die lidstaat
zodra zij aldaar rechtswerking hebben, en dit onver-
minderd hun eventuele bekendmaking in België. Deze
saneringsmaatregelen zijn zonder verdere formaliteiten
van toepassing in België.
LIVRE VI
DES RÈGLES DE DROIT INTERNATIONAL PRIVÉ EN
MATIÈRE DE MESURES D’ASSAINISSEMENT ET
DE PROCÉDURES DE LIQUIDATION APPLICABLES
À DES ENTREPRISES D’ASSURANCE
TITRE IER
Des mesures d’assainissement
CHAPITRE IER
Règle de compétence et réception des mesures
étrangères
Art. 610
Sous réserve des articles 598 et 614, les autorités
d’assainissement belges ne sont compétentes pour
adopter des mesures d’assainissement qu’à l’égard des
entreprises d’assurance de droit belge. Ces mesures
sont appliquées et produisent leurs effets conformément
à la législation belge, sous réserve des précisions et
exceptions prévues par la présente loi. En particulier,
les autorités d’assainissement belges ne peuvent
adopter une mesure d’assainissement concernant une
entreprise d’assurance relevant du droit d’un autre État
membre et ce, y compris en ce qui concerne la succur-
sale d’une telle entreprise située en Belgique.
Art. 611
Nonobstant la publicité dont elles peuvent faire
l’objet en Belgique, les mesures d’assainissement
décidées par les autorités d’assainissement d’un autre
État membre concernant une entreprise d’assurance
relevant du droit de cet État produisent leurs effets en
Belgique selon la législation de cet État dès qu’elles
produisent leurs effets dans l’État membre où elles
ont été adoptées. Ces mesures ne nécessitent aucune
formalité en Belgique.
1118
1584/002
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
HOOFDSTUK II
Overleg en informatieverstrekking
Afdeling I
Verzekeringsondernemingen naar Belgisch recht
Art. 612
De Koning stelt de Bank onverwijld in kennis van zijn
beslissing om een saneringsmaatregel te treffen met
toepassing van artikel 519; hij doet dit zo mogelijk vóór
de vaststelling van deze maatregel of anders onmid-
dellijk daarna.
De Bank stelt de FSMA en de toezichthouders van
alle andere lidstaten onmiddellijk en met alle dienstige
middelen in kennis van de vaststelling van alle sane-
ringsmaatregelen alsmede van de concrete gevolgen
die deze maatregelen zouden kunnen hebben. Daartoe
houdt de Koning de Bank op de hoogte van het verloop
van de tenuitvoerlegging van artikel 519.
Art. 613
Indien de rechten van derden in een andere lidstaat
waar de betrokken verzekeringsonderneming een
bijkantoor heeft of diensten verricht, kunnen worden
aangetast door de tenuitvoerlegging van een sanerings-
maatregel die overeenkomstig artikel 610 werd getroffen,
en indien er tegen deze maatregel een beroep werd
ingesteld, maakt de Bank of, met betrekking tot de daden
van beschikking bedoeld in artikel 519, de Koning, de
beslissing bekend overeenkomstig de van toepassing
zijnde wettelijke bepalingen en ziet zij of hij erop toe dat
zo snel mogelijk een uittreksel uit die beslissing wordt
bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese
Unie, in de officiële taal of een van de officiële talen van
die lidstaten. Deze bekendmaking beïnvloedt op geen
enkele wijze de gevolgen van de saneringsmaatregel,
met name voor de schuldeisers van de betrokken verze-
keringsonderneming. In het uittreksel worden ten minste
de volgende gegevens vermeld:
1° het onderwerp en de juridische grondslag van de
genomen beslissing, met vermelding van het feit dat
de maatregel wordt beheerst door het Belgische recht;
2° de saneringsautoriteiten en, in voorkomend geval,
de aangewezen saneringscommissaris;
3° de termijnen om beroep in te stellen en de con-
tactgegevens van de autoriteit die bevoegd is voor het
beroep.
CHAPITRE II
Concertation et information
Section Ire
Entreprises d’assurance de droit belge
Art. 612
Le Roi informe sans délai la Banque de sa décision
d’adopter une mesure d’assainissement en application
de l’article 519, si possible avant l’adoption de celle-ci
ou, sinon, immédiatement après.
La Banque porte immédiatement à la connaissance
de la FSMA et des autorités de contrôle de tous les
autres États membres, par tous moyens utiles, l’adop-
tion de toutes mesures d’assainissement et les effets
concrets que ces mesures pourraient avoir. À cette fin,
le Roi tient la Banque informée de l’évolution relative à
la mise en application de l’article 519.
Art. 613
Lorsque la mise en œuvre d’une mesure d’assai-
nissement prise conformément à l’article 610 est sus-
ceptible d’affecter les droits de tiers dans un autre État
membre où l’entreprise d’assurance a une succursale
ou fournit des services, et qu’un recours est ouvert
contre la mesure, la Banque ou, lorsqu’il s’agit d’actes
de disposition visés à l’article 519, le Roi, assure la
publicité de la décision conformément aux dispositions
légales en vigueur et veille à faire publier le plus rapi-
dement possible un extrait de cette décision, dans la ou
une des langues officielles de ces États membres, au
Journal officiel de l’Union européenne. Cette publicité
est sans impact sur les effets de la mesure d’assainis-
sement, notamment à l’égard des créanciers de l’entre-
prise d’assurance. Elle mentionne au moins:
1° l’objet et la base juridique de la décision prise avec
la mention que la mesure est régie par le droit belge;
2° les autorités d’assainissement et, le cas échéant,
le commissaire à l’assainis sement désigné;
3° les délais de recours et les coordonnées de l’auto-
rité compétente pour connaître du recours.
1119
1584/002
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
Voor derden met woonplaats of gewone verblijfplaats
in een andere lidstaat vangt de termijn om beroep in
te stellen tegen de vaststelling van een sanerings-
maatregel aan op de datum van bekendmaking in het
Publicatieblad van de Europese Unie.
Afdeling II
Verzekeringsondernemingen die onder het recht van een
derde land ressorteren
Art. 614
De Bank stelt de toezichthouders van de andere
lidstaten waar de verzekerings onderneming die onder
het recht van een derde land ressorteert eveneens
een bijkantoor heeft, onverwijld en met alle dienstige
middelen in kennis van haar beslissing om krachtens
artikel 598 een sanerings maatregel te treffen alsmede
van de concrete gevolgen van deze maatregel; zij doet
dit zo mogelijk vóór de vaststelling van deze maatregel
of anders onmiddellijk daarna. De Bank beijvert zich om
haar optreden te coördineren met dat van de toezicht-
houders, de saneringsautoriteiten en, in voorkomend
geval, de liquidatieautoriteiten van de verzekeringson-
dernemingen van de andere lidstaten.
TITEL II
Faillissement en andere liquidatieprocedures die op
insolventie berusten
HOOFDSTUK I
Bevoegdheidsregeling en erkenning van
buitenlandse maatregelen
Art. 615
De rechtbank van koophandel is uitsluitend bevoegd
om verzekeringsondernemingen naar Belgisch recht fail-
liet te verklaren. Dit impliceert dat zij een verzekerings-
onderneming die onder een buitenlands recht ressor-
teert, alsook haar in België gevestigde bijkantoren, niet
failliet kan verklaren.
Art. 616
Een liquidatieprocedure die is geopend door de liqui-
datieautoriteiten van een andere lidstaat ten aanzien van
een verzekeringsonderneming die onder het recht van
die lidstaat ressorteert, wordt zonder enige formaliteit
Le délai de recours concernant l’adoption d’une
mesure d’assainissement prend cours, à l’égard des
tiers ayant leur domicile ou leur résidence habituelle
dans un autre État membre, à la date de la publication
dans le Journal officiel de l’Union européenne.
Section II
Entreprises d’assurance relevant du droit d’un pays tiers
Art. 614
La Banque informe sans délai et par tous moyens
utiles, les autorités de contrôle des autres États
membres où l’entreprise d’assurance relevant du droit
d’un pays tiers a également une succursale de sa
décision d’adopter une mesure d’assainissement en
vertu de l’article 598, et des effets concrets de cette
mesure, dans la mesure du possible avant l’adoption
de celle-ci ou, sinon, immédiatement après. La Banque
s’efforce de coordonner son action avec celle des auto-
rités de contrôle, d’assainissement et, le cas échéant,
de liquidation des entreprises d’assurance des autres
États membres.
TITRE II
De la faillite et autres procédures de liquidation
fondées sur l’insolvabilité
CHAPITRE IER
Règle de compétence et réception des
procédures étrangères
Art. 615
Le tribunal de commerce n’est compétent pour
décider de l’ouverture d’une faillite qu’à l’égard des
entreprises d’assurance de droit belge. En particulier,
le tribunal de commerce ne peut ouvrir une faillite
concernant une entreprise d’assurance relevant d’un
droit étranger et ce, y compris en ce qui concerne la
succursale d’un telle entreprise située en Belgique.
Art. 616
Les procédures de liquidation dont l’ouverture est
décidée par les autorités de liquidation d’un autre État
membre concernant une entreprise d’assurance rele-
vant du droit de cet État sont reconnues en Belgique
1120
1584/002
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
erkend in België en heeft rechtswerking in België zodra
ze rechtswerking heeft in de lidstaat waar ze is geopend.
Art. 617
Een buitenlandse rechterlijke beslissing inzake een
liquidatieprocedure die berust op insolventie van een
verzekeringsonderneming die onder het recht van een
derde land ressorteert, kan maar erkend worden en uit-
voerbaar worden verklaard in België indien de volgende
voorwaarden vervuld zijn:
1° het recht inzake insolventieprocedures van het
derde land garandeert dat de schuldeisers uit hoofde
van verzekering die hun overeenkomst bij het Belgische
bijkantoor hebben gesloten, gelijkwaardig worden be-
handeld als de schuldeisers uit hoofde van verzekering
die hun overeenkomst bij de verzekeringsonderneming
in het derde land hebben gesloten;
2° het recht dat de insolventieprocedure in het derde
land regelt, kent aan de schuldeisers uit hoofde van ver-
zekering die hun overeenkomst bij het Belgische bijkan-
toor hebben gesloten, een gelijkwaardige bescherming
toe als deze waarin de artikelen 643 en 644 voorzien.
HOOFDSTUK II
Verzekeringsondernemingen naar Belgisch recht
Afdeling I
Overleg en informatieverstrekking
Art. 618
Onverminderd artikel 640 stelt de rechtbank van
koophandel de Bank onverwijld in kennis van haar
beslissing om een onderneming failliet te verklaren,
alsmede van de concrete gevolgen van het faillisse-
ment; zij doet dit zo mogelijk vóór de faillietverklaring
of anders onmiddellijk daarna. De Bank deelt deze
informatie onverwijld en met alle dienstige middelen
mee aan de FSMA en aan de toezichthouders van alle
andere lidstaten.
Art. 619
De curator of curators die zijn aangesteld over-
eenkomstig artikel 11 van de faillissementswet van
8 augustus 1997, zorgen voor de bekendmaking bedoeld
in artikel 38 van dezelfde wet, eveneens via publicatie
sans aucune formalité et y produisent leurs effets dès
qu’elles produisent leurs effets dans l’État membre où
elles ont été ouvertes.
Art. 617
Une décision judiciaire étrangère concernant une
procédure de liquidation fondée sur l’insolvabilité d’une
entreprise d’assurance relevant du droit de pays tiers
ne peut être reconnue et rendue exécutoire en Belgique
que si les conditions suivantes sont satisfaites:
1° le droit des procédures d’insolvabilité du pays tiers
assure aux créanciers d’assurance ayant conclu leur
contrat auprès de la succursale belge, un traitement qui
est équivalent à celui des créanciers d’assurance ayant
conclu leur contrat auprès de l’entreprise d’assurance
dans le pays tiers;
2° le droit régissant la procédure d’insolvabilité dans
le pays tiers octroie aux créanciers d’assurance ayant
conclu leur contrat auprès de la succursale belge une
protection similaire à celle prévue aux articles 643 et
644.
CHAPITRE II
Entreprises d’assurance de droit belge
Section Ire
Concertation et information
Art. 618
Sans préjudice de l’article 640, le tribunal de com-
merce informe sans délai la Banque de sa décision
d’ouvrir une procédure de faillite et des effets concrets
de la faillite, dans la mesure du possible avant l’ouver-
ture de celle-ci ou sinon immédiatement après. La
Banque communique sans délai et par tous moyens
utiles cette information à la FSMA et aux autorités de
contrôle de tous les autres États membres.
Art. 619
Le ou les curateurs désignés conformément à l’article
11 de la loi du 8 août 1997 sur les faillites, assurent la
publicité visée à l’article 38 de la même loi, également
par la publication de l’extrait au Journal officiel de
1121
1584/002
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
van het uittreksel in het Publicatieblad van de Europese
Unie. Hiertoe wordt gebruik gemaakt van een formulier
dat in alle officiële talen van de Europese Unie het
opschrift draagt: “Oproep tot indiening van schuldvor-
deringen. Termijnen”.
De bekendmaking vermeldt minstens:
1° dat de liquidatieprocedure beheerst wordt door
het Belgische recht;
2° de gegevens van de bevoegde rechtbank en van
de aangestelde curator.
Art. 620
Indien de schuldeisers aan wie een individuele ken-
nisgeving wordt gericht als bedoeld in artikel 62 van de
faillissementswet van 8 augustus 1997, hun woonplaats
of gewone verblijfplaats in een andere lidstaat hebben,
wordt in het rondschrijven, naast de vermelding van
de gegevens van het in artikel 619 bedoelde uittreksel,
tevens meegedeeld dat de schuldeisers met een voor-
recht of een zakelijke zekerheid verplicht zijn aangifte
te doen van hun schuldvorderingen, en welke de ge-
volgen zijn van de niet-naleving van de termijnen die
zijn vastgelegd in artikel 72 van de faillissements wet
van 8 augustus 1997. In geval van schuldvorderingen
uit hoofde van verzekering vermeldt het rondschrijven
tevens welke de algemene gevolgen van de liquida-
tieprocedure voor de verzekeringsovereenkomsten
zijn, inzon derheid de datum waarop de verzekerings-
overeenkomsten of -verrichtingen geen effect meer
sorteren, alsmede de rechten en verplichtingen van
de verzekerde in verband met de overeenkomst of
verrichting.
Het rondschrijven als bedoeld in artikel 62 van de
faillissementswet van 8 augustus 1997, dat is opgesteld
in de taal van de procedure of, voor de schuldeisers
uit hoofde van verzekering met gewone verblijfplaats,
woonplaats of statutaire zetel in een andere lidstaat, in
een officiële taal van die lidstaat, draagt in alle officiële
talen van de Europese Unie het opschrift “Oproep tot
indiening van schuldvorderingen. Termijnen”.
l’Union européenne. Un formulaire portant dans toutes
les langues officielles de l’Union européenne le titre
“Invitation à produire une créance. Délais à respecter”
est utilisé à cet effet.
La publicité mentionne au moins:
1° que la procédure de liquidation est régie par le
droit belge;
2° les coordonnées du tribunal compétent et du
curateur désigné.
Art. 620
Lorsque l’avertissement individuel des créanciers
visé à l’article 62 de la loi du 8 août 1997 sur les fail-
lites concerne des créanciers ayant leur domicile ou
leur résidence habituelle dans un autre État membre,
la circulaire indique également, outre les informations
mentionnées dans l’extrait visé à l’article 619, l’obliga-
tion pour les créanciers bénéficiant d’un privilège ou
d’une sûreté réelle de déclarer leurs créances ainsi
que les conséquences liées à l’inobservation des délais
prévus par l’article 72 de la loi du 8 août 1997 sur les
faillites. Dans le cas des créances d’assurance, la
circulaire mentionne en outre les effets généraux de la
procédure de liquidation sur les contrats d’assurance,
en particulier la date à laquelle les contrats d’assurance
ou les opérations cessent de produire leurs effets et les
droits et obligations de l’assuré concernant le contrat
ou l’opération.
La circulaire visée à l’article 62 de la loi du
8 août 1997 sur les faillites, rédigée dans la langue
de la procédure ou, pour les créanciers détenant une
créance d’assurance et ayant leur résidence habituelle,
leur domicile ou leur siège statutaire dans un autre État
membre, dans une langue officielle dudit État membre,
porte, dans toutes les langues officielles de l’Union
européenne, le titre “Invitation à produire une créance
– Délais à respecter”.
1122
1584/002
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
Afdeling II
Procedurele aspecten en toepasselijk recht
Art. 621
Het faillissement van verzekerings ondernemingen
naar Belgisch recht wordt beheerst door het Belgische
recht, onder voorbehoud van de preciseringen en uit-
zonderingen die in deze wet zijn vastgesteld.
Art. 622
§ 1. Schuldeisers met woonplaats of gewone verblijf-
plaats in een andere lidstaat kunnen aangifte doen van
hun schuldvorderingen of hun opmerkingen indienen in
een officiële taal van die lidstaat, met vermelding van
het opschrift “Indiening van een schuldvordering” of
“Indiening van opmerkingen betreffende een schuld-
vordering” in de taal van de procedure in België. Artikel
63 van de faillissementswet van 8 augustus 1997 is van
toepassing. De overeen komstig de artikelen 643 en
644 aan schuld vorderingen uit hoofde van verzekering
verleende voorrang hoeft echter niet te worden vermeld.
§ 2. De schuldvorderingen van schuldeisers met
woonplaats of gewone verblijfplaats in een andere lid-
staat krijgen dezelfde behandeling en in het bijzonder
dezelfde rang als soortgelijke schuldvorderingen die
de schul deisers met woonplaats of gewone verblijf-
plaats in België kunnen aangeven. Daartoe worden de
schuldvorderingen van soortgelijke schuldeisers als
gelijkwaardig beschouwd.
Het eerste lid geldt ook voor schuldeisers met woon-
plaats of gewone verblijfplaats in een derde land, voor
zover het recht dat in dat land van toepassing is, niet in
de mogelijkheid voorziet om een insolventie procedure
te openen ten aanzien van de betrokken verzekerings-
onderneming en de in België geopende procedure in
dat land effect kan sorteren. Als dit niet het geval is,
worden die schuldeisers voor de in België geopende
procedure gelijkgesteld met chirografaire schuldeisers.
Art. 623
De curator of curators die zijn aangesteld over-
eenkomstig artikel 11 van de faillissements wet van
8 augustus 1997 houden de schuldeisers regelmatig
op de hoogte van het verloop van de procedure op de
wijze die zij daartoe het meest geschikt achten.
Section II
Eléments de procédure et loi applicable
Art. 621
La procédure de faillite relative à une entreprise
d’assurance de droit belge est régie par le droit belge,
sous réserve des précisions et exceptions prévues par
la présente loi.
Art. 622
§ 1er. Les créanciers ayant leur domicile ou leur rési-
dence habituelle dans un autre État membre peuvent
déclarer leurs créances et présenter leurs observations
dans une langue officielle de cet État accompagnées de
la mention “Production de créances” ou “Présentation
des observations relatives aux créances” dans la langue
de la procédure en Belgique. L’article 63 de la loi du
8 août 1997 sur les faillites est d’application. Le privilège
octroyé aux créances d’assurance conformément aux
articles 643 et 644 ne doit toutefois pas être mentionné.
§ 2. Les créances des créanciers ayant leur domicile
ou leur résidence habituelle dans un autre État membre
bénéficient du même traitement et, en particulier, du
même rang que les créances de nature équivalente
susceptibles d’être déclarées par des créanciers ayant
leur domicile ou leur résidence habituelle en Belgique.
À cette fin, les créances présentées par des créanciers
de même nature sont considérées comme des créances
équivalentes.
L’alinéa 1er est également applicable en ce qui
concerne les créanciers ayant leur domicile ou leur
résidence habituelle dans un pays tiers, pour autant
que le droit applicable dans cet État ne permette pas
l’ouverture d’une procédure d’insolvabilité à l’encontre
de l’entreprise d’assurance concernée et que la pro-
cédure ouverte en Belgique puisse produire ses effets
dans cet État. Dans la négative, ces créanciers sont
assimilés à des créanciers chirographaires pour les
besoins de la procédure ouverte en Belgique.
Art. 623
Le ou les curateurs désignés conformément à l’article
11 de la loi du 8 août 1997 sur les faillites informent
régulièrement les créanciers, dans la forme qu’ils jugent
la plus appropriée, du déroulement de la procédure.
1123
1584/002
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
Op verzoek van de toezichthouders van de andere
lidstaten deelt de Bank hen informatie mee over het
verloop van de liquidatie procedure. De rechtbank van
koophandel houdt de Bank daartoe op de hoogte van
het verloop van de procedure.
HOOFDSTUK III
Verzekeringsondernemingen die onder het recht
van een derde land ressorteren
Art. 624
Wanneer een verzekerings-onderneming die onder
het recht van een derde land ressorteert, bijkantoren
heeft in België en in andere lidstaten, beijveren de Bank,
de liquidatieautoriteiten en de toezichthouders van die
lidstaten zich om hun optreden te coördineren.
TITEL III
Liquidatieprocedures die niet op insolventie berusten
betreffende verzekeringsondernemingen die onder
het recht van een derde land ressorteren
Art. 625
Indien de vergunning van een onderneming die onder
het recht van een derde land ressorteert, wordt door-
gehaald of herroepen of indien deze onderneming zelf
afstand doet van de vergunning voor al haar verrichtin-
gen in België, kan de Bank een liquidateur benoemen
met als opdracht alle activa van de onderneming in
België te gelde te maken en alle in België aangegane
verbintenissen af te wikkelen.
Onverminderd artikel 599 bepaalt de Koning op ad-
vies van de Bank de bevoegdheden en verplichtingen
van die liquidateur.
De kosten van de vereffening zijn ten laste van de
betrokken onderneming.
De bepalingen van dit artikel zijn niet van toepassing
wanneer er ten aanzien van de verzekeringsonderne-
ming die onder het recht van een derde land ressorteert,
op het tijdstip van de herroeping van de vergunning,
in dat land een liquidatieprocedure is geopend die op
insolventie berust.
À la demande des autorités de contrôle des autres
États membres, la Banque fournit des informations sur
le déroulement de la procédure de liquidation. À cette
fin, le tribunal de commerce tient la Banque informée
de l’évolution de la procédure.
CHAPITRE III
Entreprises d’assurance relevant du droit d’un
pays tiers
Art. 624
Lorsqu’une entreprise d’assurance relevant du droit
d’un pays tiers possède des succursales en Belgique et
dans d’autres États membres, la Banque, ainsi que les
autorités de liquidation et les autorités de contrôle de ces
États membres, s’efforcent de coordonner leur action.
TITRE III
Des procédures de liquidation non fondées
sur l’insolvabilité concernant des entreprises
d’assurance relevant du droit de pays tiers
Art. 625
Lorsqu’une entreprise relevant du droit de pays tiers
fait l’objet d’une radiation, d’une révocation d’agré-
ment ou renonce à l’agrément pour l’ensemble de ses
opérations en Belgique, la Banque peut nommer un
liquidateur chargé de réaliser tous les actifs de l’entre-
prise en Belgique et de liquider tous les engagements
contractés en Belgique.
Sans préjudice de l’article 599, le Roi détermine, sur
avis de la Banque, les pouvoirs et obligations d’un tel
liquidateur.
Les frais de la liquidation sont à charge de l’entreprise
concernée.
Les dispositions du présent article ne sont pas appli-
cables lorsque l’entreprise d’assurance relevant du droit
d’un pays tiers fait l’objet d’une procédure de liquidation
fondée sur l’insolvabilité dans cet État au moment de la
révocation de l’agrément.
1124
1584/002
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
Art. 626
§ 1. Een beslissing tot vereffening die niet op insol-
ventie berust, van een verzekeringsonderneming die
onder het recht van een derde land ressorteert, kan
maar erkend worden en uitvoerbaar worden verklaard
in België indien de volgende voorwaarden vervuld zijn;
1° het recht van het derde land dat de liquidatiepro-
cedure regelt, garandeert dat de schuldeisers uit hoofde
van verzekering die hun overeenkomst bij het Belgische
bijkantoor hebben gesloten, gelijkwaardig worden be-
handeld als de schuldeisers uit hoofde van verzekering
die hun overeenkomst bij de verzekeringsonderneming
in het derde land hebben gesloten;
2° het recht dat de liquidatieprocedure regelt in het
derde land, kent aan de schuldeisers uit hoofde van ver-
zekering die hun overeenkomst bij het Belgische bijkan-
toor hebben gesloten, een gelijkwaardige bescherming
toe als deze waarin de artikelen 643 en 644 voorzien.
§ 2. Artikel 625 is niet van toepassing wanneer een
liquidatieprocedure die niet berust op insolvabiliteit van
een verzekeringsonderneming die onder het recht van
een derde land ressorteert, in België wordt erkend en
uitvoerbaar wordt verklaard overeenkomstig paragraaf 1.
Art. 627
Wanneer een verzekeringsonderneming die onder
het recht van een derde land ressorteert, bijkantoren
heeft in België en in andere lidstaten, beijveren de Bank,
de liquidatieautoriteiten en de toezichthouders van die
lidstaten zich om hun optreden te coördineren. Ook de
eventuele liquidateurs beijveren zich om hun optreden
te coördineren.
TITEL IV
Vereffening van bijzondere vermogens
Art. 628
§ 1. Onverminderd artikel 631 en artikel 195, tweede
lid, wordt de behandeling van activa als bedoeld in ar-
tikel 194 dat die bezwaard zijn met een zakelijk recht,
bepaald door de Belgische wet als lex fori concursus.
§ 2. Onverminderd artikel 632 wordt de behandeling
van activa als bedoeld in artikel 194 waarop een eigen-
domsvoorbehoud rust, bepaald door de Belgische wet
als lex fori concursus.
Art. 626
§ 1er. Une décision de liquidation non fondée sur
l’insolvabilité d’une entreprise d’assurance relevant
du droit de pays tiers ne peut être reconnue et rendue
exécutoire en Belgique que si les conditions suivantes
sont satisfaites:
1° le droit du pays tiers régissant la procédure de
liquidation assure aux créanciers d’assurance ayant
conclu leur contrat auprès de la succursale belge, un
traitement qui est équivalent à celui des créanciers
d’assurance ayant conclu leur contrat auprès de l’entre-
prise d’assurance dans le pays tiers;
2° le droit régissant la procédure de liquidation dans
le pays tiers octroie aux créanciers d’assurance ayant
conclu leur contrat auprès de la succursale belge une
protection similaire à celle prévue aux articles 643 et
644.
§ 2. L’article 625 n’est pas d’application lorsqu’une
procédure de liquidation non fondée sur l’insolvabilité
d’une entreprise d’assurance relevant du droit de pays
tiers est reconnue et rendue exécutoire en Belgique
conformément au paragraphe 1er.
Art. 627
Lorsqu’une entreprise d’assurance relevant du droit
de pays tiers possède des succursales en Belgique
et dans d’autres États membres, la Banque, ainsi que
les autorités de liquidation et les autorités de contrôle
de ces États membres, s’efforcent de coordonner leur
action. Les éventuels liquidateurs s’efforcent eux aussi
de coordonner leur action.
TITRE IV
De la liquidation des patrimoines spéciaux
Art. 628
§ 1er. Sans préjudice de l’article 631 et de l’article 195,
alinéa 2, le sort d’un actif visé à l’article 194 faisant
l’objet d’un droit réel est déterminé conformément à la
loi belge au titre de lex fori concursus.
§ 2. Sans préjudice de l’article 632, le sort d’un actif
visé à l’article 194 faisant l’objet d’une clause de réserve
de propriété est déterminé conformément à la loi belge
au titre de lex fori concursus.
1125
1584/002
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
§ 3. Onverminderd artikel 633 en de verplichting voor
een verzekeringsonderneming om voor de waardering
van haar activa als bedoeld in artikel 194, de schuld-
vorderingen op een derde te ramen na aftrek van de
schulden jegens die derde, wordt de behandeling van
dergelijke activa die het voorwerp uitmaken van een
wettelijke of contractuele schuldvergelijking, bepaald
door de Belgische wet als lex fori concursus.
§ 4. Voor de toepassing van dit artikel omvat de
Belgische wet haar bepalingen inzake materieel recht
die voortvloeien uit de omzetting van de Europese
richtlijnen die de in de paragrafen 1 tot 3 bedoelde
aangelegenheden regelen.
Art. 629
De samenstelling van de activa die op het tijdstip van
de beslissing tot opening van een liquidatieprocedure
zijn ingeschreven in de doorlopende inventaris overeen-
komstig artikel 195, wordt daarna niet meer veranderd;
in de doorlopende inventaris worden geen wijzigingen
aangebracht, behalve voor de verbetering van zuiver
materiële fouten, tenzij de liquidatieautoriteiten daarvoor
toestemming geven.
Onverminderd het eerste lid voegt de liquidateur
aan de genoemde activa de kapitaalopbrengst er-
van toe, alsmede het bedrag van het premie-incasso
(zuivere premies) in het betrokken afzonderlijk beheer
voor de periode tussen het tijdstip van opening van de
liquidatieprocedure en het tijdstip van uitkering van de
schuldvorderingen uit hoofde van verzekering, of tot het
tijdstip van portefeuilleoverdracht.
Indien de opbrengst van de te gelde gemaakte activa
lager is dan het bedrag waarvoor zij in de doorlopende
inventaris gewaardeerd zijn, dient de liquidateur die
situatie te rechtvaardigen bij de Bank.
§ 3. Sans préjudice de l’article 633 et de l’obligation
pour une entreprise d’assurance d’évaluer les créances
sur un tiers déduction faite des dettes envers ce tiers
pour la valorisation de ses actifs visés à l’article 194,
le sort d’un tel actif faisant l’objet d’une compensation
légale ou conventionnelle est déterminé conformément
à la loi belge au titre de lex fori concursus.
§ 4. Pour les besoins du présent article, la loi belge
inclut ses dispositions de droit matériel découlant de la
transposition de directives européennes régissant les
matières visées aux paragraphes 1er à 3.
Art. 629
La composition des actifs inscrits dans l’inventaire
permanent conformément à l’article 195, au moment de
la décision d’ouvrir la procédure de liquidation, ne peut
plus, dès ce moment, être modifiée; aucune modification
ne peut être apportée à l’inventaire permanent, excep-
tion faite de la correction d’erreurs purement matérielles,
sauf autorisation des autorités de liquidation.
Nonobstant l’alinéa 1er, le liquidateur ajoute auxdits
actifs leur produit financier, ainsi que le montant des
primes (primes pures) encaissées dans la gestion
distincte concernée pour la période comprise entre
l’ouverture de la procédure de liquidation et le paiement
des créances d’assurances ou jusqu’au transfert de
portefeuille.
Si le produit de la réalisation des actifs est inférieur
à leur évaluation telle qu’elle figure dans l’inventaire
permanent, le liquidateur est tenu d’en donner la justi-
fication à la Banque.
1126
1584/002
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
TITEL V
Gemeenschappelijke regels betreffende
saneringsmaatregelen en liquidatieprocedures
HOOFDSTUK I
Uitzonderingen op en nuanceringen van
de toepassing van het Belgische recht als
procedurerecht
Art. 630
In afwijking van de artikelen 610 en 621 worden de
gevolgen van een saneringsmaatregel of een liquida-
tieprocedure voor:
1° arbeidsovereenkomsten en arbeids-betrekkingen,
uitsluitend beheerst door het recht van de lidstaat dat
op de arbeidsovereenkomst of -betrekking van toepas-
sing is;
2° overeenkomsten die recht geven op het genot of
de verkrijging van een onroerend goed, uitsluitend be-
heerst door het recht van de lidstaat op het grondgebied
waarvan het onroerend goed gelegen is. Die wet geving
bepaalt of het goed roerend of onroerend is;
3° de rechten van de verzekeringsonderneming op
een onroerend goed, een schip of een luchtvaartuig
die onderworpen zijn aan inschrijving in een openbaar
register, beheerst door het recht van de lidstaat onder
het gezag waarvan het register wordt bijgehouden;
4° transacties op een buitenlandse gereglemen-
teerde markt in de zin van artikel 2, 6° van de wet van
2 augustus 2002 betreffende het toezicht op de financi-
ele sector en de financiële diensten, uitsluitend beheerst
door het recht dat op die markt van toepassing is;
5° aanhangige rechtsgedingen betreffende een goed
of recht waarover de verzekeringsonderneming het
beheer en de beschikking heeft verloren, uitsluitend
beheerst door het recht van de lidstaat waar het rechts-
geding aanhangig is.
Op advies van de Bank kan de Koning de in het
eerste lid, 4° bedoelde regel uitbreiden tot transacties
op markten voor financiële instrumenten die georgani-
seerd zijn met toepassing van artikel 15 van de wet van
2 augustus 2002.
TITRE V
Des règles communes aux mesures
d’assainissement et aux procédures de liquidation
CHAPITRE IER
Exceptions et tempéraments à l’application de la
loi belge comme loi de la procédure
Art. 630
Par dérogation aux articles 610 et 621, les effets
d’une mesure d’assainissement ou d’une procédure
de liquidation sur:
1° les contrats de travail et les relations de travail
sont exclusivement régis par la loi de l’État membre
applicable au contrat ou à la relation de travail;
2° le contrat donnant le droit de jouir d’un bien immo-
bilier ou de l’acquérir est exclusivement régi par la loi
de l’État membre sur le territoire duquel cet immeuble
est situé. Cette loi détermine si le bien est meuble ou
immeuble;
3° les droits de l’entreprise d’assurance sur un bien
immobilier, un navire ou un aéronef, qui sont soumis à
inscription dans un registre public, sont régis par la loi de
l’État membre sous l’autorité duquel le registre est tenu;
4° les transactions effectuées dans le cadre d’un
marché réglementé étranger au sens de l’article 2, 6°,
de la loi du 2 août 2002 relative à la surveillance du
secteur financier et aux services financiers sont régis
exclusivement par la loi applicable audit marché;
5° une instance en cours concernant un actif ou un
droit dont l’entreprise d’assurance est dessaisie sont
régis exclusivement par le droit de l’État membre dans
lequel l’instance est en cours.
Le Roi peut, sur avis de la Banque, étendre la règle
visée au l’alinéa 1er, 4°, à des transactions effectuées
sur des marchés d’instruments financiers organisés
en application de l’article 15 de la loi du 2 août 2002.
1127
1584/002
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
Art. 631
§ 1. Het treffen van saneringsmaatregelen of de
opening van een faillissementsprocedure raakt niet aan
het zakelijk recht van een schuldeiser of van een derde
op materiële of immateriële, roerende of onroerende
goederen – zowel bepaalde goederen als gehelen van
onbepaalde goederen met wisselende samenstelling –
die toebehoren aan de verzekeringsonderneming en die
zich op het tijdstip waarop deze maatregelen worden
getroffen of deze procedure wordt geopend, op het
grondgebied van een andere lidstaat bevinden.
§ 2. Onder “rechten” in de zin van paragraaf 1 wordt
met name verstaan:
1° het recht een goed te gelde te maken of te gelde
te laten maken en te worden voldaan uit de opbrengst
van of de inkomsten uit dat goed, in het bijzonder op
grond van een pand of een hypotheek;
2° het exclusieve recht een schuldvordering te innen,
met name door middel van een pandrecht op de schuld-
vordering of door de cessie van die schuldvordering tot
zekerheid;
3° het recht om het goed terug te eisen en/of de te-
ruggave ervan te verlangen van eenieder die het tegen
de wil van de rechthebbende in bezit of in gebruik heeft;
4° het zakelijke recht om van een goed de vruchten
te trekken.
§ 3. Met een zakelijk recht wordt gelijkgesteld, het in
een openbaar register ingeschreven recht tot verkrijging
van een zakelijk recht in de zin van paragraaf 1, dat aan
derden kan worden tegengeworpen.
Art. 632
Het treffen van saneringsmaatregelen of de opening
van een faillissementsprocedure tegen een verzeke-
ringsonderneming die een goed koopt, laat de op een
eigendomsvoorbehoud berustende rechten van de
verkoper onverlet wanneer dat goed zich, op het tijdstip
waarop de maatregelen worden getroffen of de proce-
dure wordt geopend, bevindt op het grondgebied van
een andere lidstaat dan de lidstaat waar de maatregelen
worden getroffen of de procedure wordt geopend.
Het treffen van saneringsmaatregelen of de opening
van een faillissementsprocedure tegen een verzeke-
ringsonderneming die de hoedanigheid van verkoper
heeft, nadat de levering van het verkochte goed heeft
plaatsgevonden, is geen grond voor ontbinding of
Art. 631
§ 1er. La mise en œuvre d’une mesure d’assainisse-
ment ou l’ouverture d’une procédure de faillite n’affecte
pas le droit réel d’un créancier ou d’un tiers sur des
biens corporels ou incorporels, meubles ou immeubles
– à la fois des biens déterminés et des ensembles de
biens indéterminés dont la composition est sujette à
modification – appartenant à l’entreprise d’assurance
et qui se trouvent, au moment de la mise en œuvre de
telles mesures ou de l’ouverture d’une procédure, sur
le territoire d’un autre État membre.
§ 2. Les droits visés au paragraphe 1er sont
notamment:
1° le droit de réaliser ou de faire réaliser le bien et
d’être désintéressé par le produit ou les revenus de
ce bien, en particulier en vertu d’un gage ou d’une
hypothèque;
2° le droit exclusif de recouvrer une créance, notam-
ment en vertu de la mise en gage ou de la cession de
cette créance à titre de garantie;
3° le droit de revendiquer le bien et/ou d’en réclamer
la restitution entre les mains de quiconque le détient ou
en jouit contre la volonté de l’ayant droit;
4° le droit réel de percevoir les fruits d’un bien.
§ 3. Est assimilé à un droit réel le droit, inscrit dans
un registre public et opposable aux tiers, permettant
d’obtenir un droit réel au sens du paragraphe 1er.
Art. 632
La mise en œuvre d’une mesure d’assainissement
ou l’ouverture d’une procédure de faillite à l’encontre
d’une entreprise d’assurance achetant un bien n’affecte
pas les droits du vendeur fondés sur une réserve de pro-
priété lorsque ce bien se trouve, au moment de la mise
en œuvre de telles mesures ou de l’ouverture d’une
telle procédure, sur le territoire d’un État membre autre
que l’État dans lequel de telles mesures sont mises en
œuvre ou dans lequel une telle procédure est ouverte.
La mise en œuvre d’une mesure d’assainissement ou
l’ouverture d’une procédure de faillite à l’encontre d’une
entreprise d’assurance ayant la qualité de vendeur,
après la livraison du bien faisant l’objet de la vente, ne
constitue pas une cause de résolution ou de résiliation
1128
1584/002
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
opzegging van de verkoop en belet de koper niet de
eigendom van het gekochte goed te verkrijgen wanneer
dit goed zich, op het tijdstip waarop de maatregelen
worden getroffen of de procedure wordt geopend, be-
vindt op het grondgebied van een andere lidstaat dan
de lidstaat waar de maatregelen worden getroffen of de
procedure wordt geopend.
Art. 633
Het treffen van saneringsmaatregelen of de opening
van een faillissementsprocedure laat het recht van een
schuldeiser op schuldvergelijking van zijn vordering met
de vordering van de verzekeringsonderneming onverlet
wanneer die schuldvergelijking is toegestaan door het
recht dat op de vordering van de verzekeringsonderne-
ming van toepassing is.
Art. 634
Onverminderd artikel 630, eerste lid, 1° tot 3°, en on-
der voorbehoud van artikel 635, doen de artikelen 631,
§ 1, 632 en 633 geen afbreuk aan de toepassing van
de artikelen 17 tot 20 van de faillissementswet van
8 augustus 1997.
Artikel 1167 van het Burgerlijk Wetboek en de
artikelen 17 tot 20 van de faillissementswet van
8 augustus 1997 zijn niet van toepassing wanneer de
begunstigde van een rechtshandeling als bedoeld in de
genoemde bepalingen, het bewijs levert dat de rechts-
handeling onderworpen is aan het recht van een lidstaat
dat niet het Belgische recht is en dat dit recht in casu
niet voorziet in de mogelijkheid om die rechtshandeling
te betwisten.
Art. 635
In afwijking van artikel 517, § 1, 1° en 4° en arti-
kel 16 van de faillissementswet van 8 augustus 1997,
en niettegenstaande de artikelen 17 tot 20 van laatst-
genoemde wet, indien de verzekerings onderneming na
het treffen van een saneringsmaatregel of na de opening
van een faillissementsprocedure, onder bezwarende titel
beschikt over een onroerend goed, een schip of een
luchtvaartuig dat onderworpen is aan inschrijving in een
openbaar register, dan wel over financiële instrumenten
waarvan het bestaan of de overdracht een inschrijving
veronderstelt in een wettelijk voorgeschreven register
of op een wettelijk voorgeschreven rekening, of die
geplaatst zijn in een gecentraliseerd effectendepot dat
door het recht van een lidstaat wordt beheerst, wordt
de la vente et ne fait pas obstacle à l’acquisition par
l’acheteur de la propriété du bien vendu, lorsque ce
bien se trouve au moment de la mise en œuvre de telles
mesures ou de l’ouverture d’une telle procédure sur le
territoire d’un État membre autre que l’État dans lequel
de telles mesures sont mises en œuvre ou dans lequel
une telle procédure est ouverte.
Art. 633
La mise en œuvre d’une mesure d’assainissement
ou l’ouverture d’une procédure de faillite n’affecte pas
le droit d’un créancier d’invoquer la compensation de
sa créance avec la créance de l’entreprise d’assurance,
lorsque cette compensation est permise par la loi appli-
cable à la créance de l’entreprise d’assurance.
Art. 634
Sans préjudice de l’article 630, alinéa 1er, 1° à 3°,
et sous réserve de l’article 635, les articles 631, § 1er,
632 et 633 ne font pas obstacle à l’application des
articles 17 à 20 de la loi du 8 août 1997 sur les faillites.
L’article 1167 du Code civil et les articles 17 à 20 de
la loi du 8 août 1997 sur les faillites ne sont pas appli-
cables lorsque le bénéficiaire d’un acte visé auxdites
dispositions apporte la preuve que l’acte est soumis à la
loi d’un État membre autre que la loi belge et que cette
loi ne prévoit, en l’espèce, aucun moyen de remettre
en cause cet acte.
Art. 635
Par dérogation à l’article 517, § 1er, 1° et 4° et à l’article
16 de la loi du 8 août 1997 sur les faillites, et nonobstant
les articles 17 à 20 de cette dernière loi, si l’entreprise
d’assurance dispose à titre onéreux, après l’adoption
d’une mesure d’assainissement ou l’ouverture d’une
procédure de faillite, d’un bien immobilier, d’un navire
ou d’un aéronef soumis à inscription dans un registre
public ou d’instruments financiers dont l’existence ou le
transfert suppose une inscription dans un registre léga-
lement prescrit ou sur un compte légalement prescrit ou
qui sont placés dans un système de dépôts centralisé
régi par la loi d’un État membre, la nullité ou l’inoppo-
sabilité de cet acte est appréciée au regard de la loi de
l’État membre sur le territoire duquel le bien immobilier
1129
1584/002
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
de nietigheid of de niet-tegen werpbaarheid van deze
handeling beoordeeld op grond van het recht van de
lidstaat op het grondgebied waarvan dat onroerend goed
gelegen is of onder het gezag waarvan dat register, die
rekening of dat effectendepot wordt bijgehouden.
HOOFDSTUK II
Informatieverstrekking
Art. 636
Onverminderd de artikelen 610 en 615, wanneer de
toezichthouders van de lidstaat van herkomst van een
verzekerings onderneming de Bank in kennis stellen van
hun beslissing tot opening van een liquidatie procedure
of tot vaststelling van een sanerings maatregel, stelt de
Bank de FSMA hiervan in kennis. De Bank en de FSMA
kunnen een bericht laten publiceren in het Belgisch
Staatsblad en in twee dagbladen of periodieke uitgaven
met regionale spreiding.
Dat bericht bevat minstens een uittreksel uit die
beslissing en vermeldt de autoriteiten die bevoegd zijn
om een saneringsmaatregel te treffen of een liquidatie-
procedure te openen, het recht dat deze maatregelen
of procedures beheerst en, naargelang het geval, de
aangewezen liquidateur of saneringscommissaris, en
wordt bekendgemaakt in minstens één van de officiële
talen in België.
HOOFDSTUK III
Saneringscommissarissen en liquidateurs
Afdeling I
Erkenning van buitenlandse maatregelen en procedures
Art. 637
De benoeming van een saneringscommissaris of
van een liquidateur door een autoriteit van een andere
lidstaat, wordt aangetoond met een voor eensluidend
gewaarmerkt afschrift van de beslissing tot benoeming
of van ieder ander door die autoriteit opgesteld attest.
Hoewel er geen legalisatie of soortgelijke formaliteit
wordt verlangd, dient niettemin een vertaling te worden
gemaakt van het in het eerste lid bedoelde document,
in de taal of een van de talen van het taalgebied waar
de saneringscommissaris of de liquidateur wil optreden.
est situé, ou sous l’autorité duquel ce registre, ce compte
ou ce système de dépôt est tenu.
CHAPITRE II
Information
Art. 636
Sans préjudice des articles 610 et 615, lorsque les
autorités de contrôle de l’État membre d’origine d’une
entreprise d’assurance informent la Banque de la déci-
sion d’ouvrir une procédure de liquidation ou d’adopter
une mesure d’assainissement, la Banque en informe
la FSMA. La Banque et la FSMA peuvent faire publier
un avis au Moniteur belge et dans deux quotidiens ou
périodiques à diffusion régionale.
Cet avis contient au moins un extrait de cette décision
et mentionne les autorités compétentes pour adopter
une mesure d’assainissement ou ouvrir une procédure
de liquidation, la loi régissant ces mesures ou procé-
dures et, selon le cas, le liquidateur ou le commissaire
à l’assainissement désigné, et est publié au moins dans
une des langues officielles en Belgique.
CHAPITRE III
Commissaires à l’assainissement et liquidateurs
Section Ire
Réception des mesures et procédures étrangères
Art. 637
La nomination d’un commissaire à l’assainissement
ou d’un liquidateur par une autorité d’un autre État
membre est établie par la présentation d’une copie cer-
tifiée conforme à l’original de la décision qui le nomme
ou par toute autre attestation établie par cette autorité.
Sans qu’aucune légalisation ou formalité analogue
ne soit exigée, il sera néanmoins établi une traduction
du document visé à l’alinéa 1er dans la langue ou une
des langues de la région linguistique sur le territoire
de laquelle le commissaire à l’assainissement ou le
liquidateur veut agir.
1130
1584/002
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
Art. 638
§ 1. De saneringscommissarissen en de liquidateurs
die aangesteld zijn door een autoriteit van een andere
lidstaat kunnen in België alle bevoegdheden uitoefenen
die zij gemachtigd zijn uit te oefenen op het grondgebied
van die andere lidstaat.
Hetzelfde geldt voor de personen die zij aanwijzen,
overeenkomstig het recht van die lidstaat, om hen bij
te staan of te vertegenwoordigen bij de afwikkeling van
een saneringsmaatregel of een liquidatieprocedure.
§ 2. Bij de uitoefening van hun bevoegdheden in
België leven de in paragraaf 1 bedoelde saneringscom-
missarissen en liquidateurs de Belgische wetgeving na,
meer bepaald wat betreft de wijze waarop goederen
te gelde worden gemaakt en het informeren van de
werknemers. Deze bevoegdheden mogen noch de
aanwending van dwangmiddelen behelzen, noch het
recht om uitspraak te doen in gedingen of geschillen.
§ 3. De in paragraaf 1 bedoelde saneringscommis-
sarissen en liquidateurs stellen de Kruispuntbank als
bedoeld in artikel 3 van de wet van 16 januari 2003 tot
oprichting van een Kruispuntbank van Ondernemingen,
tot modernisering van het handelsregister, tot oprich-
ting van erkende ondernemingsloketten en houdende
diverse bepalingen, in kennis van de saneringsmaat-
regelen en de liquidatieprocedures waartoe is beslist
door een autoriteit van een andere lidstaat, opdat ze
worden ingeschreven.
Afdeling II
Belgische saneringscommissarissen en liquidateurs
Art. 639
De curator of curators die aangesteld is of zijn over-
eenkomstig artikel 11 van de faillisse ments wet van
8 augustus 1997 nemen alle nodige maatregelen om de
inschrijving van een liquidatieprocedure in een openbaar
register van een andere lidstaat die krachtens de wetge-
ving van die lidstaat verplicht gesteld is, te waarborgen.
De kosten die voortvloeien uit een inschrijving in
een openbaar register van een andere lidstaat worden
beschouwd als kosten met betrekking tot de procedure,
ongeacht of de inschrijving verplicht is of geschiedt op
initiatief van de in het eerste lid bedoelde personen.
Art. 638
§ 1er. Les commissaires à l’assainissement et les
liquidateurs désignés par une autorité d’un autre État
membre peuvent exercer en Belgique tous les pouvoirs
qu’ils sont habilités à exercer sur le territoire de cet
autre État.
Il en va de même en ce qui concerne les personnes
qu’ils auraient désignées, conformé ment à la loi de cet
État, en vue de les assister ou de les représenter dans le
déroulement d’une mesure d’assainissement ou d’une
procédure de liquidation.
§ 2. Dans l’exercice de leurs pouvoirs en Belgique,
les commissaires à l’assainissement et les liquidateurs
visés au paragraphe 1er respectent la législation belge,
en particulier en ce qui concerne les modalités de réa-
lisation de biens ainsi que l’information des travailleurs.
Leurs pouvoirs ne peuvent inclure le recours à la force
ni le droit de statuer sur un litige ou un différend.
§ 3. Les commissaires à l’assainissement et les
liquidateurs visés au paragraphe 1er communiquent
à la Banque-Carrefour visée à l’article 3 de la loi
du 16 janvier 2003 portant création d’une Banque-
Carrefour des Entreprises, modernisation du registre
de commerce, création de guichet-entreprises agréés
et portant diverses dispositions, les mesures d’assai-
nissement et les procédures de liquidation décidées
par une autorité d’un autre État membre en vue de leur
inscription.
Section II
Commissaires à l’assainissement et liquidateurs belges
Art. 639
Le ou les curateurs désignés conformément à l’article
11 de la loi du 8 août 1997 sur les faillites prennent
toutes les mesures nécessaires en vue d’assurer une
inscription d’une procédure de liquidation dans un
registre public d’un autre État membre lorsque cette
inscription est rendue obligatoire en vertu de la légis-
lation de cet État.
Les frais découlant d’une inscription dans un registre
public d’un autre État membre sont considérés comme
des frais de la procédure, que l’inscription soit obliga-
toire ou qu’elle résulte de l’initiative des personnes
visées à l’alinéa 1er.
1131
1584/002
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
BOEK VII
MATERIEELRECHTELIJKE ASPECTEN VAN
LIQUIDATIEPROCEDURES
TITEL I
Bijzondere regels in geval van een
faillissementsprocedure
Art. 640
§ 1. Behalve wanneer er een dagvaarding wordt
verricht met toepassing van artikel 549, eerste lid, kan
de opening van een faillissementsprocedure of een
voorlopige ontneming van beheer in de zin van artikel
8 van de faillissementswet van 8 augustus 1997 tegen
een verzekerings- of herverzekeringsonderneming
enkel worden uitgesproken na eensluidend advies van
de Bank.
§ 2. Het verzoek om advies wordt schriftelijk aan de
Bank gericht. Bij dit verzoek worden de nodige docu-
menten ter informatie gevoegd.
De Bank brengt haar advies uit binnen vijftien dagen
na de ontvangst van het verzoek om advies. Ingeval een
procedure betrekking heeft op een verzekerings- of her-
verzekeringsonderneming waarvan de Bank vermoedt
dat er zich belangrijke verwikkelingen kunnen voordoen
op het vlak van het systeemrisico of waarvoor een
voorafgaande coördinatie met buitenlandse autoriteiten
vereist is, beschikt de Bank over een ruimere termijn om
haar advies uit te brengen, met dien verstande dat de
totale termijn niet meer dan dertig dagen mag bedra-
gen. Indien de Bank van oordeel is dat zij gebruik moet
maken van deze uitzonderlijke termijn, brengt zij dit ter
kennis van de rechterlijke instantie die een uitspraak
moet doen. De termijn waarover de Bank beschikt om
een advies uit te brengen, schorst de termijn waarbin-
nen de rechterlijke instantie uitspraak moet doen. Indien
de Bank geen advies verstrekt binnen de vastgestelde
termijn, kan de rechtbank uitspraak doen.
De Bank verstrekt haar advies schriftelijk. Het wordt
door ongeacht welk middel bezorgd aan de griffier, die
het doorgeeft aan de voorzitter van de rechtbank van
koophandel en aan de procureur des Konings. Het
advies wordt toegevoegd aan het dossier.
Art. 641
De curator of curators bedoeld in artikel 27 van de
faillissementswet van 8 augustus 1997, evenals de
LIVRE VII
DES ASPECTS DE DROIT MATÉRIEL DES
PROCÉDURES DE LIQUIDATION
TITRE IER
Des règles particulières en cas de procédure de
faillite
Art. 640
§ 1er. Sauf en ce qui concerne les cas de citation
effectuée en application de l’article 549, alinéa 1er,
l’ouverture d’une procédure de faillite ou un dessai-
sissement provisoire au sens de l’article 8 de la loi du
8 août 1997 sur les faillites à l’encontre d’une entreprise
d’assurance ou de réassurance ne peut être prononcé
que sur avis conforme de la Banque.
§ 2. La saisine de la Banque est écrite. Elle est ac-
compagnée des pièces nécessaires à son information.
La Banque rend son avis dans un délai de quinze
jours à compter de la réception de la demande d’avis. La
Banque peut, dans le cas d’une procédure relative à une
entreprise d’assurance ou de réassurance susceptible
de présenter, selon son appréciation, des implications
systémiques importantes ou qui nécessite au préalable
une coordination avec des autorités étrangères, rendre
son avis dans un délai plus long, sans toutefois que le
délai total ne puisse excéder trente jours. Lorsqu’elle
estime devoir faire usage de ce délai exceptionnel,
la Banque le notifie à la juridiction appelée à statuer.
Le délai dont dispose la Banque pour rendre son avis
suspend le délai dans lequel la juridiction doit statuer.
En l’absence de réponse de la Banque dans le délai
imparti, le tribunal peut statuer.
L’avis de la Banque est écrit. Il est transmis par tout
moyen au greffier, qui le remet au président du tribunal
de commerce et au procureur du Roi. L’avis est versé
au dossier.
Art. 641
Le ou les curateurs visés à l’article 27 de la loi du
8 août 1997 sur les faillites, ainsi que les personnes
1132
1584/002
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
personen die als curator zijn toegevoegd met toepas-
sing van het voornoemde artikel 27, vierde lid, worden
aangewezen op advies van de Bank.
TITEL II
Bijzondere regels in geval van een
liquidatieprocedure in de zin van artikel 183 van het
Wetboek van Vennootschappen
Art. 642
§ 1. Behalve in geval van ontbinding van rechtswege
met toepassing van artikel 542, is voor de ontbinding
van een verzekerings- of herverzekeringsonderneming,
ongeacht of deze vrijwillig of gerechtelijk geschiedt en de
daaropvolgende vereffening in de zin van het Wetboek
van Vennootschappen, het eensluidend advies van de
Bank vereist.
Alvorens uitspraak te doen over een in het Wetboek
van Vennootschappen vastgelegde grond tot gerech-
telijke ontbinding van een verzekerings- of herverzeke-
ringsonderneming, richt de rechtbank van koophandel
een verzoek om advies aan de Bank volgens de proce-
dure van artikel 640, § 2.
§ 2. Bij vrijwillige of gerechtelijke ontbinding of
ontbinding met toepassing van artikel 542 van de
verzekerings- of herverzekeringsonderneming, kan de
liquidateur, die aangewezen wordt overeenkomstig de
statutaire of wettelijke regels, slechts worden benoemd
met goedkeuring van de Bank.
Onverminderd de wettelijke bepalingen die van
toepassing zijn op de handels vennootschappen en
onverminderd artikel 545, bepaalt de Koning op advies
van de Bank de bevoegdheden en verplichtingen van
de liquidateur, in het bijzonder wat de vereffening betreft
van de schuldvorderingen uit hoofde van verzekering.
De liquidateur moet in elk geval voldoen aan verzoe-
ken om informatie van de Bank en moet de Bank ook
uit eigen beweging inlichten over het verloop van zijn
opdracht.
§ 3. De Bank stelt de toezichthouders van alle an-
dere lidstaten en, indien het om een verzekeringson-
derneming gaat, de FSMA, onverwijld in kennis van
elke ontbinding, alsmede van de mogelijke concrete
gevolgen ervan.
adjointes en application dudit article 27, alinéa 4, sont
désignés sur avis de la Banque.
TITRE II
Des règles particulières en cas de procédure de
liquidation au sens de l’article 183 du Code des
sociétés
Art. 642
§ 1er. Sauf en ce qui concerne les dissolutions de
plein droit en application de l’article 542, toutes dissolu-
tions d’une entreprise d’assurance ou de réassurance,
qu’elles soient volontaires ou judicaires, et la liquidation
au sens du Code des sociétés qui s’ensuit, requièrent
l’avis conforme de la Banque.
Avant qu’il ne soit statué sur une cause de dissolution
judiciaire prévue par le Code des sociétés à l’égard
d’une entreprise d’assurance ou de réassurance, le
tribunal de commerce saisit la Banque d’une demande
d’avis selon la procédure prévue à l’article 640, § 2.
§ 2. En cas de dissolution volontaire ou judiciaire ou
de dissolution en application de l’article 542 de l’entre-
prise d’assurance ou de réassurance, le liquidateur,
qui est désigné conformément aux règles statutaires
ou légales, ne peut être nommé qu’avec l’approbation
de la Banque.
Sans préjudice des dispositions légales applicables
aux sociétés commerciales et de l’article 545, le Roi
détermine, sur avis de la Banque les pouvoirs et les
obligations du liquidateur, spécialement en ce qui
concerne la liquidation des créances d’assurance. En
tout état de cause, le liquidateur est tenu de répondre
aux demandes d’information que lui adresse la Banque
et doit, en outre, informer d’initiative la Banque de l’évo-
lution de sa mission.
§ 3. La Banque informe sans délai les autorités de
contrôle de tous les autres États membres et, s’agis-
sant d’une entreprise d’assurance, la FSMA, de toute
dissolution ainsi que de ses effets concrets possibles.
1133
1584/002
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
TITEL III
Gemeenschappelijke bepalingen betreffende
de verschillende liquidatieprocedures en andere
gevallen van samenloop
Art. 643
De gezamenlijke activa als bedoeld in artikel 194 vor-
men per afzonderlijk beheer als bedoeld in artikel
230 een bijzonder vermogen dat is voorbehouden ter
nakoming van de verbintenissen tegenover de verzeke-
ringnemers, verzekerden of verzekeringsbegunstigden
die onder dat beheer vallen, bij absolute voorrang ten
opzichte van alle andere schuldvorderingen op de
verzekeringsonderneming
Het bijzonder vermogen van elk afzonderlijk beheer
bestaat uit de inhoud van de bij artikel 195 voorgeschre-
ven doorlopende inventaris.
Art. 644
Elke vereffening van bijzondere vermogens moet
rekening houden met de rechten van de schuldeisers
uit hoofde van verzekering, met de in het tweede lid
bedoelde schuldeisers en met de gelijkheid van alle
schuldeisers van eenzelfde rang.
In afwijking van artikel 643, eerste lid, mag de liqui-
dateur op ieder bijzonder vermogen voorafneming doen
van zijn bezoldiging en die van zijn personeel en van alle
andere vereffeningskosten, voor zover deze kosten de
vereffening van dit vermogen ten goede komen.
Indien er na de vereffening van een bijzonder vermo-
gen een positief saldo overblijft, wordt dit saldo verdeeld
over de andere bijzondere vermogens naar rato van de
tekorten van die bijzondere vermogens.
Indien er na de vereffening van alle bijzondere ver-
mogens nog een beschikbaar saldo overblijft, wordt dit
toegewezen aan de massa van de schuldeisers.
Indien de bijzondere vermogens ontoereikend zijn
om de schuldeisers uit hoofde van verzekering volledig
schadeloos te stellen, behouden dezen voor het overige
een bevoorrechte schuldvordering op de onderneming.
Dit voorrecht is algemeen; de bijzondere voorrechten
en de algemene voorrechten van werknemers, van de
Schatkist en van socialezekerheidsinstellingen en soci-
ale verzekeraars, evenals de uitoefening van zakelijke
rechten gaan erboven.
TITRE III
Dispositions communes aux différentes procédures
de liquidation et autres situations de concours
Art. 643
L’ensemble des actifs visés à l’article 194 forme, par
gestions distinctes visées à l’article 230, un patrimoine
spécial réservé à l’exécution des engagements envers
les preneurs d’assurance, assurés ou bénéficiaires
d’assurances relevant de cette gestion, par priorité
absolue par rapport à toutes autres créances sur l’entre-
prise d’assurance.
Le patrimoine spécial de chaque gestion distincte
est constitué par le contenu de l’inventaire permanent
prescrit par l’article 195.
Art. 644
Toute liquidation de patrimoines spéciaux doit être
faite en tenant compte des droits des créanciers déte-
nant une créance d’assurance et des créanciers visés
à l’alinéa 2 en respectant l’égalité entre tous les créan-
ciers de même rang.
Par dérogation à l’article 643, alinéa 1er, le liquida-
teur peut prélever sur chaque patrimoine spécial sa
rémunération, celle de son personnel et tous les autres
frais de liquidation dans la mesure où ils ont profité à la
liquidation de ce patrimoine.
Si la liquidation d’un patrimoine spécial laisse un
solde positif, ce solde est partagé entre les autres
patrimoines spéciaux, au prorata des déficits de ces
patrimoines spéciaux.
Si après la liquidation de tous les patrimoines spé-
ciaux, il subsiste encore un solde disponible, celui-ci
est attribué à la masse des créanciers.
En cas d’insuffisance des patrimoines spéciaux pour
désintéresser totalement les créanciers détenant une
créance d’assurance, ceux-ci conservent pour le surplus
une créance privilégiée contre l’entreprise. Ce privilège
est général; il est primé par les privilèges spéciaux ainsi
que par les privilèges généraux des travailleurs salariés,
du Trésor et des organismes et assureurs sociaux, ainsi
que par l’exercice de droits réels.
1134
1584/002
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
BOEK VI
SLOT-, WIJZIGINGS-, OVERGANGS- EN
OPHEFFINGSBEPALINGEN
TITEL I
Overgangsbepalingen
Art. 645
De verzekeringsondernemingen die op de datum
van inwerkingtreding van deze wet zijn opgenomen in
de lijst van de verzekeringsondernemingen als bedoeld
in artikel 4 van de wet van 9 juli 1975 betreffende de
controle der verzekeringsondernemingen, verkrijgen
voor de toepassing van deze wet van rechtswege een
vergunning in die hoedanigheid.
De verzekeringsondernemingen die onder het recht
van een lidstaat ressorteren en die opgenomen zijn in de
lijsten bedoeld in artikel 66 van de wet van 9 juli 1975 be-
treffende de controle der verzekeringsondernemingen,
worden van rechtswege opgenomen, naargelang van
het geval, in de lijst bedoeld in artikel 555 of 561.
Art. 646
§ 1. De verzekerings ondernemingen bedoeld in arti-
kel 275 die hun activiteiten uitoefenden op de datum van
inwerkingtreding van deze wet, worden voorlopig opge-
nomen in de lijst bedoeld in artikel 275, § 2, vijfde lid.
Deze ondernemingen beschikken over een termijn
van vier maanden vanaf de inwerkingtreding van deze
wet om aan de Bank de in artikel 275, § 2 bedoelde
inschrijvings aanvraag te richten.
§ 2. De in artikel 276 bedoelde verzekeringsonder-
nemingen beschikken over een termijn van een jaar te
rekenen vanaf de inwerkingtreding van deze wet om te
voldoen aan de bepalingen van de artikelen 276 tot 293.
§ 3. De lokale verzekeringsondernemingen bedoeld in
artikel 294 die hun activiteiten uitoefenden op de datum
van inwerkingtreding van deze wet, worden voorlopig
opgenomen in de lijst bedoeld in artikel 296.
Deze ondernemingen beschikken over een termijn
van vier maanden vanaf de inwerkingtreding van deze
wet om aan de Bank de in artikel 296 bedoelde inschrij-
vingsaanvraag te richten.
LIVRE VI
DISPOSITIONS FINALES, MODIFICATIVES,
TRANSITOIRES ET ABROGATOIRES
TITRE IER
Dispositions transitoires
Art. 645
Les entreprises d’assurance inscrites, à la date
d’entrée en vigueur de la présente loi, à la liste des
entreprises d’assurances visée à l’article 4 de la loi du
9 juillet 1975 relative au contrôle des entreprises d’assu-
rances sont de plein droit agréées, en cette qualité, pour
l’application de la présente loi.
Les entreprises d’assurance relevant du droit d’un
État membre enregistrées sur les listes visés à l’article
66 de la loi du 9 juillet 1975 relative au contrôle des entre-
prises d’assurances sont, de plein droit, enregistrées,
selon les cas, sur la liste prévue à l’article 555 ou 561.
Art. 646
§ 1er. Les entreprises d’assurance visées à l’article
275 qui exerçaient leurs activités à la date d’entrée en
vigueur de la présente loi sont provisoirement inscrites
à la liste visée à l’article 275, § 2, alinéa 5.
Ces entreprises bénéficient d’un délai de quatre mois
à dater de l’entrée en vigueur de la présente loi pour
adresser à la Banque la demande d’inscription visée à
l’article 275, § 2.
§ 2. Les entreprises d’assurance visées à l’article
276 bénéficient d’un délai d’un an à dater de l’entrée
en vigueur de la présente loi, pour se conformer aux
dispositions des articles 276 à 293.
§ 3. Les entreprises locales d’assurance visées
à l’article 294 qui exerçaient leurs activités à la date
d’entrée en vigueur de la présente loi sont provisoire-
ment inscrites à la liste visée à l’article 296.
Ces entreprises bénéficient d’un délai de quatre mois
à dater de l’entrée en vigueur de la présente loi pour
adresser à la Banque la demande d’inscription visée
à l’article 296.
1135
1584/002
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
Art. 647
§ 1. De koninklijk besluiten, de reglementen van de
Bank en alle andere handelingen van reglementaire
aard die ter uitvoering van de wet van 9 juli 1975 betref-
fende de controle der verzekeringsondernemingen zijn
vastgesteld, blijven van toepassing in de mate dat de
bepalingen van deze wet voorzien in de algemene of
specifieke juridische machtigingen die nodig zijn voor
deze reglementaire handelingen zijn en dat hun inhoud
niet in strijd is met deze wet.
§ 2. De machtigingen en afwijkingen die door de
Bank zijn verleend en alle handelingen met individu-
ele draagwijdte die eerder zijn vastgesteld op grond
van de wet van 9 juli 1975 betreffende de controle der
verzekeringsondernemingen of van de reglementaire
handelingen die ter uitvoering ervan zijn vastgesteld,
blijven geldig, tenzij zij overeenkomstig deze wet worden
herroepen of gewijzigd.
Art. 648
De herverzekeringsondernemingen die op de datum
van inwerkingtreding van deze wet zijn opgenomen in
de lijst van de herverzekeringsondernemingen als be-
doeld in artikel 11 van de wet van 16 februari 2009 op
het herverzekeringsbedrijf, verkrijgen voor de toepas-
sing van deze wet van rechtswege een vergunning in
die hoedanigheid.
Art. 649
De verzekeringsondernemingen die op de datum
van inwerkingtreding van deze wet zijn opgenomen in
de lijst van de verzekeringsondernemingen als bedoeld
in artikel 4 van de wet van 9 juli 1975 betreffende de
controle der verzekeringsondernemingen en die op die-
zelfde datum een herverzekeringsactiviteit uitoefenden,
verkrijgen voor de toepassing van deze wet van rechts-
wege een vergunning als herverzekeringsonderneming.
Art. 650
§ 1. De koninklijke besluiten, de reglementen van de
Bank en alle andere handelingen van reglementaire aard
die ter uitvoering van de wet van 16 februari 2009 op
het herverzekeringsbedrijf zijn vastgesteld, blijven van
toepassing in de mate dat de bepalingen van deze wet
voorzien in de algemene of specifieke juridische mach-
tigingen die nodig zijn voor deze reglementaire hande-
lingen en dat hun inhoud niet in strijd is met deze wet.
Art. 647
§ 1er. Les arrêtés royaux, les règlements de la Banque
ainsi que tous autres actes de nature réglementaire
adoptés en exécution de la loi du 9 juillet 1975 relative
au contrôle des entreprises d’assurances demeurent
applicables dans la mesure où les dispositions de la pré-
sente loi prévoient les habilitations juridiques, générales
ou spécifiques, nécessaires à ces actes réglementaires
et que leur contenu n’est pas contraire à la présente loi.
§ 2. Les autorisations et dérogations données par la
Banque ainsi que tous actes de portée individuelle adop-
tés antérieurement sur base de la loi du 9 juillet 1975 re-
lative au contrôle des entreprises d’assurances ou
des actes réglementaires adoptés pour son exécution,
restent en vigueur, sauf leur révocation ou modification
décidée conformément à la présente loi.
Art. 648
Les entreprises de réassurance inscrites, à la date
d’entrée en vigueur de la présente loi, à la liste des
entreprises de réassurances visée à l’article 11 de la
loi du 16 février 2009 relative à la réassurance sont de
plein droit agréées, en cette qualité, pour l’application
de la présente loi.
Art. 649
Les entreprises d’assurance inscrites, à la date
d’entrée en vigueur de la présente loi, à la liste des
entreprises d’assurances visée à l’article 4 de la loi
du 9 juillet 1975 relative au contrôle des entreprises
d’assurances et qui, à cette même date, exerçaient une
activité de réassurance, sont de plein droit agréées en
qualité d’entreprise de réassurance pour l’application
de la présente loi.
Art. 650
§ 1er. Les arrêtés royaux, les règlements de la Banque
ainsi que tous autres actes de nature réglementaire
adoptés en exécution de la loi du 16 février 2009 rela-
tive à la réassurance demeurent applicables dans la
mesure où les dispositions de la présente loi prévoient
les habilitations juridiques, générales ou spécifiques,
nécessaires à ces actes réglementaires et que leur
contenu n’est pas contraire à la présente loi.
1136
1584/002
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
§ 2. De machtigingen en afwijkingen die door de
Bank zijn verleend en alle handelingen met individuele
draagwijdte die eerder zijn vastgesteld op grond van de
wet van 16 februari 2009 op het herverzekeringsbedrijf
of van de reglementaire handelingen die ter uitvoering
ervan zijn vastgesteld, blijven geldig, tenzij zij overeen-
komstig deze wet worden herroepen of gewijzigd.
Art. 651
In afwijking van artikel 40, § 1, eerste lid, mogen de
rechtspersonen die op 7 mei 2014 een functie uitoefen-
den van lid van het wettelijk bestuursorgaan van een
verzekerings- of herverzekeringsonderneming, hun
lopend mandaat blijven uitoefenen tot het verstrijkt. Tot
het verstrijken van de in dit artikel bedoelde mandaten
is artikel 40, § 1, tweede lid van toepassing op de vaste
vertegenwoordiger van de rechtspersoon.
Art. 652
§ 1. In afwijking van de artikelen 48, 50 en 51 be-
schikken de verzekerings- of herverzekeringsonderne-
mingen over een termijn van zes maanden vanaf de
inwerkingtreding van deze wet om te voldoen aan de
verplichting tot oprichting van een remuneratiecomité
en een risicocomité.
§ 2. In afwijking van artikel 56 beschikken de verze-
kerings- of herverzekeringsondernemingen over een
termijn van zes maanden vanaf de inwerkingtreding van
deze wet om te voldoen aan de verplichting tot oprichting
van een risicobeheerfunctie in overeenstemming met
het genoemde artikel 56.
§ 3. De leningen, kredieten, waarborgen of verzeke-
ringsovereenkomsten die vóór de inwerkingtreding van
deze wet zijn verstrekt en die niet in overeenstemming
zijn met het bepaalde in artikel 93, moeten uiterlijk op
30 juni 2016 worden beëindigd.
Art. 653
In afwijking van artikel 96, § 4 hoeft de kapitaalop-
slagfactor of het effect van de specifieke parameters
die de verzekerings- of herverzekeringsonderneming
krachtens artikel 166 moet hanteren, niet apart bekend-
gemaakt te worden gedurende een overgangsperiode
die op 31 december 2020 verstrijkt, ook al wordt het
totale solvabiliteitskapitaalvereiste als bedoeld in arti-
kel 96, § 1, 5°, b) bekendgemaakt.
§ 2. Les autorisations et dérogations données
par la Banque ainsi que tous actes de portée indivi-
duelle adoptés antérieurement sur base de la loi du
16 février 2009 relative à la réassurance ou des actes
réglementaires adoptés pour son exécution, restent en
vigueur, sauf leur révocation ou modification décidée
conformément à la présente loi.
Art. 651
Par dérogation à l’article 40, § 1er, alinéa 1er, les
personnes morales qui, au 7 mai 2014, exerçaient une
fonction de membre de l’organe légal d’administration
d’une entreprise d’assurance ou de réassurance sont
autorisées à poursuivre l’exercice de leur mandat en
cours jusqu’à l’expiration de celui-ci. Jusqu’à l’expira-
tion des mandats visés par le présent article, l’article 40,
§ 1er, alinéa 2 est applicable au représentant permanent
de la personne morale.
Art. 652
§ 1er. Par dérogation aux articles 48, 50, 51, les entre-
prises d’assurance ou de réassurance bénéficient d’un
délai de six mois à compter de l’entrée en vigueur de
la présente loi pour satisfaire à l’obligation de mettre
en place un comité de rémunération et un comité des
risques.
§ 2. Par dérogation à l’article 56, les entreprises
d’assurance ou de réassurance bénéficient d’un délai
de six mois à compter de l’entrée en vigueur de la
présente loi pour satisfaire à l’obligation de mettre en
place une fonction de gestion des risques en conformité
avec ledit article 56.
§ 3. Les prêts, crédits, garanties ou contrats d’assu-
rance accordés avant l’entrée en vigueur de la présente
loi et qui ne sont pas conformes au prescrit de l’ar-
ticle 93, doivent prendre fin au plus tard le 30 juin 2016.
Art. 653
Par dérogation à l’article 96, § 4, même si l’ensemble
du capital de solvabilité requis visé à l’article 96, § 1er,
5°, b), est publié, l’exigence de capital supplémentaire
ou l’effet des paramètres spécifiques que l’entreprise
d’assurance ou de réassurance est tenue d’utiliser
en vertu de l’article 166 n’ont pas à faire l’objet d’une
divulgation séparée pendant une période transitoire se
terminant le 31 décembre 2020.
1137
1584/002
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
Art. 654
§ 1. Tot 31 december 2017 passen de verzeke-
rings- of herverzekeringsondernemingen de in artikel
189, § 3 bedoelde percentages uitsluitend toe op het
solvabiliteitskapitaalvereiste van de onderneming als
berekend volgens de standaardformule bedoeld in de
artikelen 153 tot 166.
§ 2. In afwijking van de artikelen 511 en 541 be-
schikken de verzekerings- of herverzekeringsonder-
nemingen die op 31 december 2015 voldoen aan de
vereiste solvabiliteitsmarge die door of krachtens de
wet van 9 juli 1975 betreffende de controle der verze-
keringsondernemingen of door of krachtens de wet van
16 februari 2009 op het herverzekeringsbedrijf is vast-
gelegd, en die op de datum van inwerkingtreding van
deze wet niet over voldoende in aanmerking komend
kernvermogen ter dekking van het minimumkapitaal-
vereiste beschikken, over een termijn die eindigt op
31 december 2016 om te voldoen aan artikel 75.
Indien een onderneming bij het verstrijken van de in
het eerste lid genoemde termijn niet over voldoende in
aanmerking komend kernvermogen ter dekking van het
minimumkapitaalvereiste beschikt, wordt haar vergun-
ning met toepassing van artikel 517, § 1, 8° ingetrokken.
Art. 655
Zolang de maximale referentierentevoeten voor le-
vensverzekerings-verrichtingen niet zijn vastgesteld met
toepassing van artikel 216, blijven de met toepassing van
artikel 19, § § 2 en 3 van de wet van juli 1975 betreffende
de controle der verzekeringsondernemingen of artikel
24 van het koninklijk besluit van 14 november 2003 be-
treffende de levensverzekeringsactiviteit vastgestelde
maximale correlatieve rentevoeten van toepassing.
Art. 656
In afwijking van artikel 224, tweede lid, maar on-
verminderd de artikelen 224, derde lid en 225 tot 229,
mogen de in artikel 223 bedoelde ondernemingen
die eveneens herverzekeringsactiviteiten “leven” en
“niet-leven” uitoefenen, tot 31 december 2019, al
deze herverzekeringsactiviteiten samen beheren met
hetzij hun levensverzekeringsactiviteiten, hetzij hun
niet-levensverzekeringsactiviteiten.
De Bank trekt het voordeel van de toepassing van
het eerste lid in wanneer de verzekeringsonderneming
niet voldoet aan de vereisten van artikel 224, derde lid.
Art. 654
§ 1er. Jusqu’au 31 décembre 2017, les entreprises
d’assurance ou de réassurance appliquent les pourcen-
tages visés à l’article 189, § 3 exclusivement au capital
de solvabilité requis de l’entreprise calculé selon la
formule standard prévue aux articles 153 à 166.
§ 2. Par dérogation aux articles 511 et 541, les
entreprises d’assurance ou de réassurance qui, au
31 décembre 2015, respectaient les exigences de
marge de solvabilité prévues par ou en vertu de la loi du
9 juillet 1975 relative au contrôle des entreprises d’assu-
rances ou par ou en vertu de la loi du 16 février 2009 re-
lative à la réassurance et qui, à la date d’entrée en
vigueur de la présente loi, ne disposent pas d’un
montant suffisant de fonds propres de base éligibles
pour couvrir le minimum de capital requis, disposent
d’un délai se terminant le 31 décembre 2016 pour se
conformer à l’article 75.
Les entreprises qui, à l’expiration du délai prévu à
l’alinéa 1er, ne disposent pas d’un montant suffisant de
fonds propres de base éligibles pour couvrir le minimum
de capital requis se voient retirer leur agrément en
application de l’article 517, § 1er, 8°.
Art. 655
Tant que les taux maximums de référence des opé-
rations d’assurance vie n’ont pas été fixés en appli-
cation de l’article 216, les taux maximums corrélatifs
fixés en application de l’article 19, § § 2 et 3 de la loi
du 9 juillet 1975 relative au contrôle des entreprises
d’assurances ou de l’article 24 de l’arrêté royal du
14 novembre 2003 relatif à l’activité d’assurance sur la
vie, restent d’application.
Art. 656
Par dérogation à l’article 224, alinéa 2 mais sans
préjudice des articles 224, alinéa 3 et 225 à 229, les
entreprises visées à l’article 223 qui exercent également
des activités de réassurance vie et non-vie peuvent,
jusqu’au 31 décembre 2019, gérer l’ensemble de ces
activités de réassurance de manière conjointe avec
soit leurs activités d’assurance vie, soit leurs activités
d’assurance non-vie.
La Banque retire le bénéfice de l’alinéa 1er à l’entre-
prise d’assurance qui ne respecte pas les exigences
prévues à l’article 224, alinéa 3.
1138
1584/002
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
Art. 657
De onderlinge verzekeringsverenigingen als bedoeld
in artikel 244 gaan uiterlijk op 31 december 2017 over
tot de formele aanpassing van hun statuten en verze-
keringsovereenkomsten en van alle voor het publiek
bestemde documenten, voor wat de vermelding van
hun rechtsvorm betreft.
Art. 658
In afwijking van artikel 538, § § 1, 2, 3 en 5 en van
artikel 545, zijn de verzekerings- of herverzekeringson-
dernemingen die op 1 januari 2016, zonder in vereffening
te zijn in de zin van de artikelen 183 en volgende van
het Wetboek van Vennootschappen, het sluiten van
nieuwe overeenkomsten hebben gestaakt en uitsluitend
hun bestaande portefeuille beheren met het oog op de
beëindiging van hun activiteit, zijn vrijgesteld van de
toepassing van de bepalingen van Boek II van deze
wet indien aan alle volgende voorwaarden is voldaan:
1° de onderneming heeft de Bank ervan verzekerd
dat zij haar lopende activiteiten tegen 1 januari 2019 zal
beëindigen of zij is onderworpen aan saneringsmaat-
regelen en er is met toepassing van artikel 517, § 1, 2°
een voorlopige bestuurder of zaakvoerder aangewezen;
2° de onderneming maakt geen deel uit van een
groep, tenzij alle ondernemingen van de groep hun ac-
tiviteiten hebben beëindigd overeenkomstig dit artikel of
de nationale bepalingen tot omzetting van artikel 308ter,
leden 1 tot 3 van Richtlijn 2009/138/EG;
3° de onderneming stelt de Bank uiterlijk op
15 januari 2016 in kennis van haar voornemen om de
bepalingen van dit artikel toe te passen;
4° de onderneming dient bij de Bank een plan in
waarin wordt aangegeven hoe de onderneming haar
verplichtingen zal afwikkelen.
De Bank trekt het voordeel van de bepalingen van
dit artikel in:
— op 1 januari 2019, voor de ondernemingen die zich
ertoe verbonden hebben hun activiteiten op die datum
te beëindigen;
— op 1 januari 2021, voor de ondernemingen die
onderworpen zijn aan saneringsmaatregelen;
of op een eerdere datum indien de Bank van mening
is dat de onderneming onvoldoende vooruitgang heeft
geboekt met het beëindigen van haar activiteit.
Art. 657
Les associations d’assurance mutuelle visées
à l’article 244 adaptent formellement, pour le
31 décembre 2017, leurs statuts, contrats d’assurance
et tous documents à destination du public, en ce qui
concerne l’indication de leur forme juridique.
Art. 658
Par dérogation aux articles 538, § § 1er, 2, 3 et 5 et
545, les entreprises d’assurance ou de réassurance qui,
au 1er janvier 2016, sans être en liquidation au sens des
articles 183 et suivants du Code des sociétés, ont cessé
de souscrire de nouveaux contrats et se contentent
d’administrer leur portefeuille existant en vue de mettre
un terme à leur activité sont dispensées des dispositions
du Livre II de la présente loi si toutes les conditions
suivantes sont remplies:
1° l’entreprise s’est engagée auprès de la Banque
à mettre fin aux activités en cours pour le 1er jan-
vier 2019 ou elle fait l’objet de mesures d’assainisse-
ment et qu’un administrateur ou gérant provisoire a été
désigné en application de l’article 517, § 1er, 2°;
2° l’entreprise ne fait pas partie d’un groupe à moins
que toutes les entreprises du groupe n’aient cessé
leurs activités conformément au présent article ou aux
dispositions nationales transposant l’article 308ter,
paragraphes 1er à 3 de la Directive 2009/138/CE;
3° l’entreprise notifie à la Banque, au plus tard le
15 janvier 2016, son intention de bénéficier des dispo-
sitions du présent article;
4° l’entreprise présente à la Banque un plan préci-
sant la manière dont l’entreprise entend procéder à la
liquidation de ses engagements.
La Banque retire le bénéfice des dispositions du
présent article:
— le 1er janvier 2019 pour les entreprises qui se sont
engagées à cesser leurs activités à cette date;
— le 1er janvier 2021 pour les entreprises faisant
l’objet de mesures d’assainissement;
ou à une date antérieure si la Banque estime que les
progrès accomplis aux fins de la cessation de l’activité
de l’entreprise sont insuffisants.
1139
1584/002
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
Bij gebreke van plan als bedoeld in het eerste lid, 4°,
of wanneer zij van mening is dat dit plan onvoldoende
waarborgen biedt voor de bescherming van de schuld-
eisers uit hoofde van verzekering en herverzekering,
kan de Bank alle ondersteunende maatregelen nemen
voor een correcte afwikkeling van de verzekerings- en
herverzekeringsverplichtingen van de onderneming
en met name alle maatregelen om de rechten van de
schuldeisers uit hoofde van verzekering en herverze-
kering te vrijwaren. Deze maatregelen omvatten ook
de maatregelen vastgesteld in de artikelen 504 tot 517,
546 en 547.
De in dit artikel bedoelde verzekerings- of herverzeke-
ringsondernemingen verstrekken aan de Bank jaarlijks
een geactualiseerde versie van het plan bedoeld in het
eerste lid, 4°. Bovendien bepaalt de Bank geval per geval
de inhoud van het geactualiseerde plan.
Art. 659
§ 1. Gedurende een periode van ten hoogste vier jaar
vanaf 1 januari 2016, wordt de maximumtermijn waarbin-
nen de verzekerings- of herverzekeringsondernemingen
de in artikel 312 bedoelde informatie jaarlijks of minder
frequent moeten verstrekken, vastgesteld op twintig
weken vanaf de afsluiting van het boekjaar van de onder-
neming, dat tussen 30 juni 2016 en 1 januari 2017 ein-
digt. Deze termijn wordt elk boekjaar met twee weken
verkort en wordt vastgesteld op veertien weken vanaf
de afsluiting van het boekjaar van de onderneming dat
tussen 30 juni 2019 en 1 januari 2020 eindigt.
§ 2. Gedurende een periode van ten hoogste vier
jaar vanaf 1 januari 2016, wordt de maximumtermijn
waarbinnen de verzekerings- of herverzekeringson-
dernemingen de in artikel 312 bedoelde informatie op
kwartaalbasis moeten verstrekken, vastgesteld op acht
weken vanaf elk kwartaal dat tussen 1 januari 2016 en
1 januari 2017 eindigt. Deze termijn wordt elk boekjaar
met een week verkort en wordt vastgesteld op vijf
weken vanaf elk kwartaal dat tussen 30 juni 2019 en
1 januari 2020 eindigt.
Art. 660
Gedurende een periode van ten hoogste vier jaar
vanaf 1 januari 2016, wordt de maximumtermijn waarbin-
nen de verzekerings- of herverzekeringsondernemingen
de in de artikelen 95 en 96 bedoelde informatie moeten
verstrekken, vastgesteld op twintig weken vanaf de
afsluiting van het boekjaar van de onderneming dat
tussen 30 juni 2016 en 1 januari 2017 eindigt. Deze
À défaut du plan visé à l’alinéa 1er, 4°, ou lorsqu’elle
estime que ce plan ne présente pas les garanties
suffisantes au regard de la protection des créanciers
d’assurance et de réassurance, la Banque peut prendre
toutes mesures visant à encadrer une liquidation cor-
recte des engagements d’assurance et de réassurance
de l’entreprise et notamment, toutes mesures visant à
préserver les droits des créanciers d’assurance et de
réassurance. Ces mesures incluent les mesures pré-
vues aux articles 504 à 517, 546 et 547.
Les entreprises d’assurance ou de réassurance
visées au présent article fournissent annuellement à
la Banque une actualisation du plan visé à l’alinéa 1er,
4°. La Banque détermine en outre, au cas par cas, le
contenu du plan actualisé.
Art. 659
§ 1er. Durant une période n’excédant pas quatre ans
à compter du 1er janvier 2016, le délai maximum dans
lequel les entreprises d’assurance ou de réassurance
doivent fournir les informations visées à l’article 312,
selon une périodicité annuelle ou moins fréquente, est
fixé à vingt semaines à partir de la clôture de l’exercice
comptable de l’entreprise clos entre le 30 juin 2016 et
le 1er janvier 2017. Ce délai diminue de deux semaines
à chaque exercice comptable pour être fixé à quatorze
semaines à partir de la clôture de l’exercice comp-
table de l’entreprise clos entre le 30 juin 2019 et le
1er janvier 2020.
§ 2. Durant une période n’excédant pas quatre
ans à compter du 1er janvier 2016, le délai maximum
dans lequel les entreprises d’assurance ou de réassu-
rance doivent fournir les informations visées à l’article
312, selon une périodicité trimestrielle, est fixé à huit
semaines à partir de tout trimestre clos entre le 1er jan-
vier 2016 et le 1er janvier 2017. Ce délai diminue d’une
semaine à chaque exercice comptable pour être fixé
à cinq semaines à partir de tout trimestre clos entre le
30 juin 2019 et le 1er janvier 2020.
Art. 660
Durant une période n’excédant pas quatre ans à
compter du 1er janvier 2016, le délai maximum dans
lequel les entreprises d’assurance ou de réassurance
doivent fournir les informations visées à aux articles
95 et 96, est fixé à vingt semaines à partir de la clôture
de l’exercice comptable de l’entreprise clos entre le
30 juin 2016 et le 1er janvier 2017. Ce délai diminue
1140
1584/002
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
termijn wordt elk boekjaar met twee weken verkort en
wordt vastgesteld op veertien weken vanaf de afslui-
ting van het boekjaar van de onderneming dat tussen
30 juni 2019 en 1 januari 2020 eindigt.
Art. 661
Voor wat betreft de in de artikelen 93, 94 en 307 ver-
vatte informatieverplichtingen zijn de artikelen 659 en
660 van overeenkomstige toepassing op deelnemende
verzekerings- of herverzekeringsondernemingen, verze-
keringsholdings en gemengde financiële holdings, met
dien verstande dat de in de artikelen 659 en 660 bedoel-
de termijnen telkens met zes weken worden verlengd.
Art. 662
§ 1er. Niettegenstaande artikel 147 worden kernver-
mogensbestanddelen gedurende ten hoogste tien jaar
na 1 januari 2016 tot het in Tier 1 ingedeelde kernver-
mogen gerekend, indien die bestanddelen:
1° zijn uitgegeven vóór 18 januari 2015;
2° op 31 december 2015 konden worden gebruikt,
rekening houdend met hun kenmerken, om aan ten
hoogste 50 % van de voorgeschreven beschikbare
solvabiliteitsmarge te voldoen, overeenkomstig de
bepalingen van de wet van 9 juli 1975 betreffende de
controle der verzekeringsondernemingen of de wet van
16 februari 2009 op het herverzekeringsbedrijf en hun
uitvoeringsbesluiten en -reglementen;
§ 2. De in paragraaf 1 bedoelde vrijstelling geldt niet
voor kernvermogensbestanddelen die met toepassing
van artikel 147 in Tier 2 kunnen worden ingedeeld.
Art. 663
§ 1. In afwijking van artikel 147 worden kernvermo-
gensbestanddelen gedurende ten hoogste tien jaar na
1 januari 2016 tot het in Tier 2 ingedeelde kernvermogen
gerekend, indien die bestanddelen:
1° zijn uitgegeven vóór 18 januari 2015;
2° op 31 december 2015 konden worden gebruikt,
rekening houdend met hun kenmerken, om aan ten
hoogste 25 % van de voorgeschreven beschikbare
solvabiliteitsmarge te voldoen, overeenkomstig de
bepalingen van de wet van 9 juli 1975 betreffende de
de deux semaines à chaque exercice comptable pour
être fixé à quatorze semaines à partir de la clôture
de l’exercice comptable de l’entreprise clos entre le
30 juin 2019 et le 1er janvier 2020.
Art. 661
Les articles 659 et 660 sont applicables par analo-
gie en ce qui concerne les obligations d’informations
prévues aux articles 93, 94 et 307 aux entreprises
d’assurance ou de réassurance participantes, aux
sociétés holding d’assurance et aux compagnies finan-
cières mixtes, étant entendu que les délais visés aux
articles 659 et 660 sont prolongés, chaque fois, de six
semaines.
Art. 662
§ 1er. Nonobstant l’article 147, les éléments de fonds
propres de base sont inclus dans les fonds propres de
base de niveau 1 pour une durée maximale de dix ans
après le 1er janvier 2016, si ces éléments:
1° ont été émis avant le 18 janvier 2015;
2° pouvaient, au 31 décembre 2015, compte tenu de
leurs caractéristiques, être utilisés afin de respecter la
marge de solvabilité disponible dans une proportion
n’excédant pas 50 % de la marge de solvabilité confor-
mément aux dispositions de la loi du 9 juillet 1975 rela-
tive au contrôle des entreprises d’assurances ou de la
loi du 16 février 2009 relative à la réassurance et de
leurs arrêtés et règlements d’exécution;
§ 2. Les éléments de fonds propres de base qui
peuvent être classés au niveau 2 en application de
l’article 147 ne bénéficient pas de l’assimilation prévue
au paragraphe 1er.
Art. 663
§ 1er. Par dérogation à l’article 147, les éléments
de fonds propres de base sont inclus dans les fonds
propres de base de niveau 2 pour une durée maximale
de dix ans après le 1er janvier 2016, si ces éléments:
1° ont été émis avant le 18 janvier 2015;
2° pouvaient, au 31 décembre 2015, compte tenu de
leurs caractéristiques, être utilisés afin de respecter la
marge de solvabilité disponible dans une proportion
n’excédant pas 25 % de la marge de solvabilité confor-
mément aux dispositions de la loi du 9 juillet 1975 relative
1141
1584/002
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
controle der verzekeringsondernemingen of de wet van
16 februari 2009 op het herverzekeringsbedrijf en hun
uitvoeringsbesluiten en -reglementen.
Art. 664
Op de verzekerings- of herverzekeringsonderne-
mingen die beleggen in verhandelbare effecten of in
andere op herverpakte leningen gebaseerde financiële
instrumenten die vóór 1 januari 2011 zijn uitgegeven,
zijn de vereisten van Verordening 2015/35 slechts van
toepassing indien er na 31 december 2014 nieuwe
onderliggende vorderingen werden toegevoegd of be-
staande onderliggende vorderingen werden vervangen.
Art. 665
Niettegenstaande artikel 74, artikel 151, § 2, tweede
lid en § 3, en artikel 154 zijn de volgende regels van
toepassing:
1° tot en met 31 december 2017 zijn de standaardpa-
rameters die moeten worden gebruikt bij de berekening
van de submodule “concentratierisico” en de submodule
“spreadrisico – spread risk” volgens de standaardformu-
le, dezelfde voor vorderingen op de centrale overheden
of de centrale banken van de lidstaten die uitgedrukt en
gefinancierd zijn in de nationale munteenheid van een
lidstaat, als voor dergelijke vorderingen die uitgedrukt
en gefinancierd zijn in euro;
2° in 2018 worden de standaardparameters die moe-
ten worden gebruikt bij de berekening van de submodule
“concentratierisico” en de submodule “spreadrisico –
spread risk” volgens de standaardformule, met 80 %
verminderd voor vorderingen op de centrale overheden
of de centrale banken van de lidstaten die uitgedrukt
en gefinancierd zijn in de nationale munteenheid van
een lidstaat;
3° in 2019 worden de standaardparameters die moe-
ten worden gebruikt bij de berekening van de submodule
“concentratierisico” en de submodule “spreadrisico –
spread risk” volgens de standaardformule, met 50 %
verminderd voor vorderingen op de centrale overheden
of de centrale banken van de lidstaten die uitgedrukt
en gefinancierd zijn in de nationale munteenheid van
een lidstaat;
4° met ingang van 1 januari 2020 worden de stan-
daardparameters die moeten worden gebruikt bij de
berekening van de submodule “concentratierisico” en de
submodule “spreadrisico” volgens de standaardformule,
au contrôle des entreprises d’assurances ou de la loi
du 16 février 2009 relative à la réassurance et de leurs
arrêtés et règlements d’exécution.
Art. 664
En ce qui concerne les entreprises d’assurance ou
de réassurance qui investissent dans des valeurs mobi-
lières négociables ou d’autres instruments financiers
reposant sur des emprunts reconditionnés qui ont été
émis avant le 1er janvier 2011, les exigences prévues
par le Règlement 2015/35 s’appliquent uniquement
si des expositions sous-jacentes ont été remplacées
ou complétées par de nouvelles expositions après le
31 décembre 2014.
Art. 665
Nonobstant les articles 74, 151, § 2, alinéa 2 et § 3,
et 154, les règles suivantes sont d’application:
1° jusqu’au 31 décembre 2017, les paramètres stan-
dard à utiliser pour calculer le sous-module de risque
de concentration et le sous-module “risque de marge –
spread risk” selon la formule standard sont les mêmes,
pour les expositions sur les administrations centrales et
les banques centrales des États membres qui sont libel-
lées et financées dans la monnaie nationale d’un État
membre, que ceux qui s’appliqueraient à de pareilles
expositions libellées et financées en euros;
2° en 2018, les paramètres standard à utiliser pour
calculer le sous-module de risque de concentration et
le sous-module “risque de marge – spread risk” selon
la formule standard sont réduits de 80 % pour les expo-
sitions sur les administrations centrales et les banques
centrales des États membres qui sont libellées et
financées dans la monnaie nationale d’un État membre;
3° en 2019, les paramètres standard à utiliser pour
calculer le sous-module de risque de concentration et
le sous-module “risque de marge – spread risk” selon
la formule standard sont réduits de 50 % pour les expo-
sitions sur les administrations centrales et les banques
centrales des États membres qui sont libellées et
financées dans la monnaie nationale d’un État membre;
4° à partir du 1er janvier 2020, les paramètres stan-
dard à utiliser pour calculer le sous-module de risque
de concentration et le sous-module “risque de spread”
selon la formule standard ne sont pas réduits pour les
1142
1584/002
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
niet verminderd voor vorderingen op de centrale over-
heden en de centrale banken van de lidstaten die uitge-
drukt en gefinancierd zijn in de nationale munteenheid
van een andere lidstaat.
Art. 666
Niettegenstaande artikel 74, artikel 151, § 2, tweede
lid en § 3, en artikel 154 worden de standaardparameters
die moeten worden gebruikt voor aandelen die uiterlijk
op 1 januari 2016 door de onderneming zijn verworven,
wanneer de submodule “aandelenrisico” wordt berekend
volgens de standaardformule zonder gebruik te maken
van de in artikel 162 beschreven mogelijkheid, berekend
als het gewogen gemiddelde van:
a) de standaardparameter die moet worden gebruikt
bij de berekening van de submodule “aandelenrisico”
overeenkomstig artikel 162; en
b) de standaardparameter die moet worden gebruikt
wanneer de submodule “aandelenrisico” wordt berekend
volgens de standaardformule zonder gebruik te maken
van de in artikel 162 beschreven mogelijkheid.
Het gewicht van de in het eerste lid, b), bedoelde para-
meter neemt aan het eind van elk jaar ten minste lineair
toe van 0 % in het jaar dat aanvangt op 1 januari 2016 tot
100 % op 1 januari 2023.
Art. 667
Wanneer de verzekerings- of herverzekeringsonder-
nemingen die voldeden aan de vereiste solvabiliteits-
marge als bedoeld in de wet van 9 juli 1975 betreffende
de controle der verzekeringsondernemingen of de wet
van 16 februari 2009 op het herverzekeringsbedrijf en
hun uitvoeringsbesluiten en -reglementen, maar in het
eerste jaar van toepassing van deze wet niet voldoen
aan het solvabiliteitskapitaalvereiste, eist de Bank, niet-
tegenstaande artikel 510, § § 1 en 2 en onverminderd
paragraaf 3 van het genoemde artikel, dat de betrokken
verzekerings- of herverzekeringsonderneming de nodige
maatregelen treft om uiterlijk op 31 december 2017 het
in aanmerking komend eigen vermogen ter dekking van
het solvabiliteitskapitaalvereiste op peil te brengen of
haar risicoprofiel zodanig te verlagen dat wordt voldaan
aan het solvabiliteitskapitaalvereiste.
De betrokken verzekerings- of herverzekeringson-
derneming dient om de drie maanden een tussentijds
verslag in bij de Bank waarin wordt aangegeven welke
maatregelen er zijn getroffen en welke vooruitgang er is
expositions sur les administrations centrales et les
banques centrales des États membres qui sont libellées
et financées dans la monnaie nationale de tout autre
État membre.
Art. 666
Nonobstant les articles 74, 151, § 2, alinéa 2 et § 3,
et 154, les paramètres standards à utiliser pour les
actions acquises par l’entreprise au plus tard le 1er jan-
vier 2016 lors du calcul du sous-module “risque sur
actions” selon la formule standard sans faire usage de
la possibilité prévue sous l’article 162, équivalent aux
moyennes pondérées:
a) du paramètre standard à utiliser pour le calcul
du sous-module “risque sur actions” conformément à
l’article 162; et
b) du paramètre standard à utiliser pour le calcul
du sous-module “risque sur actions” selon la formule
standard sans la possibilité prévue sous l’article 162.
Le coefficient affecté au paramètre visé à l’alinéa 1er,
b), s’accroît d’une manière au moins linéaire à la fin
de chaque année, de 0 % pour l’année commen-
çant le 1er janvier 2016 jusqu’à 100 % à compter du
1er janvier 2023.
Art. 667
Nonobstant l’article 510, § § 1er et 2 et sans préjudice
du paragraphe 3 dudit article, lorsque les entreprises
d’assurance ou de réassurance qui se conformaient
à l’exigence de marge de solvabilité prévue par la loi
du 9 juillet 1975 relative au contrôle des entreprises
d’assurances ou la loi du 16 février 2009 relative à la
réassurance et leurs arrêtés et règlements d’exécution,
mais ne respectent pas le capital de solvabilité requis
durant la première année d’application de la présente
loi, la Banque exige de l’entreprise d’assurance ou de
réassurance concernée qu’elle prenne les mesures
nécessaires pour établir le niveau de fonds propres éli-
gibles couvrant le capital de solvabilité requis ou réduire
son profil de risque afin de garantir le respect de l’exi-
gence de capital de solvabilité au 31 décembre 2017.
L’entreprise d’assurance ou de réassurance concer-
née soumet tous les trois mois à la Banque un rapport
intermédiaire exposant les mesures prises et les pro-
grès accomplis pour établir le niveau de fonds propres
1143
1584/002
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
geboekt om het in aanmerking komend eigen vermogen
ter dekking van het solvabiliteitskapitaalvereiste op peil
te brengen of haar risicoprofiel zodanig te verlagen dat
wordt voldaan aan het solvabiliteitskapitaalvereiste.
De in het eerste lid bedoelde verlenging wordt in-
getrokken wanneer uit het tussentijds verslag blijkt
dat er geen duidelijke vooruitgang is geboekt door de
onderneming bij het weer op peil brengen van het in
aanmerking komend eigen vermogen ter dekking van
het solvabiliteitskapitaalvereiste of bij het zodanig verla-
gen van het risicoprofiel dat weer wordt voldaan aan het
solvabiliteitskapitaalvereiste, tussen de datum waarop is
vastgesteld dat niet meer werd voldaan aan het solva-
biliteitskapitaalvereiste en de datum van indiening van
het tussentijds verslag.
Art. 668
§ 1. In afwijking van de artikelen 126 tot 131 kan de
Bank toestaan dat de verzekerings- of herverzekerings-
ondernemingen bij wijze van overgangsmaatregel een
uitzonderingsregeling toepassen op de relevante risico-
vrije rentetermijnstructuur voor levensverzekerings- en
-herverzekeringsverplichtingen die voldoen aan de
volgende voorwaarden:
1° de verzekerings- of herverzekerings-verplich-
tingen die voortvloeien uit overeenkomsten die vóór
1 januari 2016 zijn gesloten, met uitzondering van de
verlengingen van overeenkomsten vanaf die datum;
2° tot 1 januari 2016 zijn de technische voorzieningen
voor de verzekerings- en herverzekeringsverplichtingen
vastgesteld overeenkomstig de bepalingen van de wet
van 9 juli 1975 betreffende de controle der verzekerings-
ondernemingen of de wet van 16 februari 2009 op het
herverzekeringsbedrijf en hun uitvoeringsbesluiten en
-reglementen;
3° de in artikel 129 bedoelde matchingopslag wordt
niet op de verzekerings- en herverzekeringsverplichtin-
gen toegepast.
§ 2. De in paragraaf 1 bedoelde uitzonderingsregeling
die bij wijze van overgangsmaatregel wordt toegepast,
maakt het mogelijk om de matchingopslag voor elke
valuta te berekenen als een deel van het verschil tussen:
1° de rentevoet die de verzekerings- of herverze-
keringsovereenkomst op 31 december 2015 heeft
va s tg e s te l d ove r e e n ko m s t i g d e b e p a l i n -
gen van de wet van 9 juli 1975 betreffende de
éligibles correspondant au capital de solvabilité requis
ou pour réduire son profil de risque afin de garantir la
conformité du capital de solvabilité requis.
Le bénéfice de la prolongation prévue à l’alinéa 1er est
retiré lorsque le rapport intermédiaire montre qu’aucun
progrès significatif n’a été accompli par l’entreprise afin
de rétablir le niveau de fonds propres éligibles corres-
pondant au capital de solvabilité requis ou de réduire le
profil de risque afin de garantir la conformité du capital
de solvabilité requis, entre la date de la constatation de
la non-conformité du capital de solvabilité requis et la
date de remise du rapport intermédiaire.
Art. 668
§ 1er. Par dérogation aux articles 126 à 131, la
Banque peut autoriser les entreprises d’assurance ou
de réassurance à appliquer, à titre transitoire, un régime
dérogatoire à la courbe pertinente des taux d’intérêt
sans risque pour les engagements d’assurance-vie et
de réassurance vie répondant aux conditions suivantes:
1° les engagements d’assurance ou de réassurance
découlent de contrats qui ont été conclus avant le 1er jan-
vier 2016, à l’exclusion des renouvellements de contrats
qui ont lieu à partir de cette date;
2° jusqu’au 1er janvier 2016, les provisions techniques
constituées pour les engagements d’assurance et
de réassurance ont été déterminées conformément
aux dispositions de la loi du 9 juillet 1975 relative au
contrôle des entreprises d’assurances ou de la loi du
16 février 2009 relative à la réassurance et de leurs
arrêtés et règlements d’exécution;
3° l’ajustement égalisateur visé à l’article 129 n’est
pas appliqué aux engagements d’assurance et de
réassurance.
§ 2. Le régime dérogatoire transitoire visé au para-
graphe 1er permet, dans chaque devise, de calculer
l’ajustement comme une part de la différence entre:
1° le taux d’intérêt déterminé par l’entreprise
d’assurance ou de réassurance conformément aux
dispositions de la loi du 9 juillet 1975 relative au
contrôle des entreprises d’assurances ou de la loi du
1144
1584/002
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
controle der verzekeringsondernemingen of de wet van
16 februari 2009 op het herverzekeringsbedrijf en hun
uitvoeringsbesluiten en -reglementen; en
2° de jaarlijkse effectieve rente, berekend als de
unieke discontovoet die, wanneer hij wordt toegepast
op de kasstromen uit de portefeuille van verzekerings-
en herverzekeringsverplichtingen die voldoen aan de
voorwaarden van paragraaf 1, resulteert in een waarde
die gelijk is aan de waarde van de beste schatting van de
portefeuille van die verzekerings- en herverzekerings-
verplichtingen met inachtneming van de tijdswaarde van
geld en met gebruikmaking van de relevante risicovrije
rentetermijnstructuur als bedoeld in artikel 126, § 2.
Wanneer de verzekerings- of herverzekeringson-
dernemingen de volatiliteitsaanpassing als bedoeld in
artikel 131 toepassen, is de in het eerste lid, 2° bedoelde
risicovrije rentetermijnstructuur de in artikel 131 be-
doelde risicovrije rentetermijnstructuur.
Indien de Bank haar toestemming verleent over-
eenkomstig paragraaf 3, neemt het in het eerste lid
bedoelde deel aan het eind van elk jaar lineair af van
100 % in het jaar dat aanvangt op 1 januari 2016 tot 0 %
op 1 januari 2032.
§ 3. De toestemming van de Bank als bedoeld in pa-
ragraaf 1, eerste lid, kan maar worden gegeven indien
de onderneming aantoont, op basis van een dossier
waarvan de Bank de inhoud bepaalt, dat zij op grond
van geloofwaardige prognoses met betrekking tot de
marktomstandigheden en haar risicotolerantielimieten,
in staat is om gedurende de volledige overgangsperiode
te voldoen aan de solvabiliteitsvereisten, rekening hou-
dend met de toepassing van de regels inzake lineaire
vermindering als bedoeld in paragraaf 2, derde lid.
De Bank bevestigt de ontvangst van het dossier be-
doeld in het eerste lid en laat de onderneming binnen
vijftien dagen na ontvangst van het dossier weten dat
het dossier volledig is en onderzocht kan worden, of dat
zij aanvullende informatie nodig heeft.
De Bank spreekt zich uit over het verzoek om toe-
stemming binnen twee maanden na de indiening van
een volledig dossier en uiterlijk binnen drie maanden
na ontvangst van het verzoek.
§ 4. Naast het vereiste van artikel 670, gelden voor
de verzekerings- of herverzekeringsondernemingen
die overeenkomstig dit artikel bij wijze van overgangs-
maatregel de uitzonderingsregeling toepassen op de
relevante risicovrije rentetermijnstructuur de volgende
vereisten:
16 février 2009 relative à la réassurance et de leurs arrê-
tés et règlements d’exécution au 31 décembre 2015; et
2° le taux annuel effectif, calculé comme le taux
unique d’actualisation qui, s’il était appliqué aux flux de
trésorerie du portefeuille d’engagements d’assurance
et de réassurance répondant aux conditions visées au
paragraphe 1er, donnerait une valeur égale à la valeur
de la meilleure estimation du portefeuille de ces enga-
gements d’assurance et de réassurance pour laquelle
la valeur temporelle de l’argent est prise en compte
en suivant la courbe pertinente des taux d’intérêt sans
risque visée à l’article 126, § 2.
Lorsque les entreprises d’assurance ou de réassu-
rance font usage de la correction pour volatilité visée à
l’article 131, la courbe pertinente des taux d’intérêt sans
risque visée à l’alinéa 1er, 2° est la courbe pertinente des
taux d’intérêt sans risque visée à l’article 131.
En cas d’autorisation de la Banque donnée conformé-
ment au paragraphe 3, la part visée l’alinéa 1er diminue
d’une manière linéaire à la fin de chaque année et ce,
de 100 % pour la première année commençant au
1er janvier 2016 jusqu’à 0 % au 1er janvier 2032.
§ 3. L’autorisation de la Banque visée au para-
graphe 1er, alinéa 1er, ne peut être donnée que si
l’entreprise démontre, sur la base d’un dossier dont la
Banque détermine le contenu, qu’elle est, sur la base de
projections crédibles des conditions de marché et de ses
limites de tolérance aux risques, en mesure de satisfaire
aux exigences de solvabilité, tout au long de la période
transitoire, compte tenu de l’application des modalités
de diminution linéaire prévue au paragraphe 2, alinéa 3.
La Banque accuse réception du dossier visé à
l’alinéa 1er et, dans les quinze jours de la réception du
dossier, indique à l’entreprise si le dossier est complet
en vue de son examen ou s’il requiert des informations
complémentaires.
La Banque statue sur la demande d’autorisation dans
les deux mois de l’introduction d’un dossier complet et
au plus tard dans les trois mois de la réception de la
demande.
§ 4. Outre l’exigence prévue sous l’article 670,
les entreprises d’assurance ou de réassurance qui
appliquent, à titre transitoire, le régime dérogatoire
à la courbe pertinente des taux d’intérêt sans risque
conformément au présent article:
1145
1584/002
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
— zij tellen de toelaatbare verzekerings- en herverze-
keringsverplichtingen niet mee bij de berekening van de
volatiliteitsaanpassing als bedoeld in artikel 131;
— zij vermelden in hun verslag over hun solvabiliteit
en financiële positie als bedoeld in de artikelen 95 en
96 dat zij de overgangs-risicovrije rentetermijnstruc-
tuur toepassen en kwantificeren het effect dat het niet
toepassen van die overgangsmaatregel zou hebben op
hun financiële positie.
Art. 669
§ 1. In afwijking van de artikelen 124 tot 139 kan de
Bank toestaan dat de verzekerings- of herverzekerings-
ondernemingen bij wijze van overgangsmaatregel een
aftrek toepassen op hun technische voorzieningen met
betrekking tot de op 1 januari 2016 bestaande verze-
kerings- of herverzekeringsverplichtingen. Die aftrek
kan worden toegepast op het niveau van homogene
risicogroepen als bedoeld in artikel 135.
De aftrek bedoeld in het eerste lid komt overeen met
het verschil tussen
1° het bedrag van de technische voorzieningen na
aftrek van de schuldvorderingen die voortvloeien uit
herverzekerings-overeenkomsten en effectiseringsve-
hikels, berekend op 1 januari 2016 met toepassing van
de artikelen 124 tot 139, en
2° het bedrag van de technische voorzieningen na
aftrek van de schuldvorderingen die voortvloeien uit her-
verzekerings-overeenkomsten, berekend met toepas-
sing van de bepalingen van de wet van 9 juli 1975 betref-
fende de controle der verzekeringsondernemingen of de
wet van 16 februari 2009 op het herverzekeringsbedrijf
en hun uitvoeringsbesluiten- en reglementen.
Wanneer de verzekerings- of herverzekeringson-
dernemingen gebruikmaken van artikel 131, wordt het
bedrag bedoeld in het tweede lid, 1° berekend met de
volatiliteitsaanpassing op 1 januari 2016.
Indien de Bank haar toestemming verleent overeen-
komstig paragraaf 2, neemt het maximale aftrekbare
deel van de technische voorzieningen aan het eind van
elk jaar lineair af van 100 % in het jaar dat aanvangt op
1 januari 2016 tot 0 % op 1 januari 2032.
Onder voorbehoud van de voorafgaande goedkeuring
van of op initiatief van de Bank kunnen de bedragen van
de technische voorzieningen, in voorkomend geval met
inbegrip van het bedrag van de volatiliteitsaanpassing,
— n’incluent pas les engagements d’assurance et de
réassurance admissibles dans le calcul de la correction
pour volatilité visé à l’article 131;
— indiquent dans leur rapport sur leur solvabi-
lité et leur situation financière visé aux articles 95 et
96 qu’elles appliquent la courbe des taux d’intérêt
sans risque transitoire et quantifient l’incidence sur leur
situation financière qui résulterait d’une non application
de la présente mesure transitoire.
Art. 669
§ 1er. Par dérogation aux articles 124 à 139, la
Banque peut autoriser les entreprises d’assurance ou
de réassurance à appliquer, à titre transitoire, en ce qui
concerne les engagements d’assurance ou de réas-
surance existants au 1er janvier 2016, une déduction à
leurs provisions techniques. Cette déduction peut être
appliquée au niveau des groupes de risques homogènes
visés à l’article 135.
La déduction visée à l’alinéa 1er correspond à la
différence entre
1° le montant des provisions techniques, après
déduction des créances découlant des contrats de
réassurance et des véhicules de titrisation, calculées au
1er janvier 2016 en application des articles 124 à 139, et
2° le montant des provisions techniques, après
déduction des créances découlant des contrats de réas-
surance, calculées en application des dispositions de la
loi du 9 juillet 1975 relative au contrôle des entreprises
d’assurances ou de la loi du 16 février 2009 relative
à la réassurance et de leurs arrêtés et règlements
d’exécution.
Lorsque les entreprises d’assurance ou de réassu-
rance font usage de l’article 131, le calcul du montant
visé à l’alinéa 2, 1° est calculé avec la correction pour
volatilité au 1er janvier 2016.
En cas d’autorisation de la Banque donnée conformé-
ment au paragraphe 2, la part déductible maximale des
provisions techniques diminue d’une manière linéaire à
la fin de chaque année et ce, de 100 % pour la première
année commençant au 1er janvier 2016 jusqu’à 0 % au
1er janvier 2032.
Sous réserve de l’approbation préalable ou sur
l’initiative de la Banque, les montants des provisions
techniques, intégrant le cas échéant le montant de
la correction pour volatilité, entrant dans le calcul de
1146
1584/002
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
die worden gebruikt voor de berekening overeenkomstig
deze paragraaf van de overgangsaftrek, om de vieren-
twintig maanden worden herberekend, of frequenter
indien het risicoprofiel van de onderneming wezenlijk is
veranderd als gevolg van een verwerving of een over-
dracht van op 1 januari 2016 bestaande verzekerings- of
herverzekeringsverplichtingen.
§ 2. De toestemming van de Bank als bedoeld in pa-
ragraaf 1, eerste lid, kan maar worden gegeven indien
de onderneming aantoont, op basis van een dossier
waarvan de Bank de inhoud bepaalt, dat zij op grond
van geloofwaardige prognoses met betrekking tot de
marktomstandigheden en haar risicotolerantielimieten,
in staat is om gedurende de volledige overgangsperiode
te voldoen aan de regels inzake lineaire vermindering
van de aftrek als bedoeld in paragraaf 1, vierde lid.
De Bank bevestigt de ontvangst van het dossier be-
doeld in het eerste lid en laat de onderneming binnen
vijftien dagen na ontvangst van het dossier weten dat
het dossier volledig is en onderzocht kan worden, of dat
zij aanvullende informatie nodig heeft.
De Bank spreekt zich uit over het verzoek om toe-
stemming binnen twee maanden na de indiening van
een volledig dossier en uiterlijk binnen drie maanden
na ontvangst van het verzoek.
De Bank kan de in paragraaf 1 bedoelde aftrek beper-
ken indien de toepassing ervan zou kunnen resulteren
in een vermindering van de voor de onderneming ver-
eiste financiële middelen ten opzichte van de vereiste
financiële middelen als berekend overeenkomstig de
bepalingen van de wet van 9 juli 1975 betreffende
de controle der verzekeringsondernemingen of de
wet van 16 februari 2009 op het herverzekeringsbe-
drijf en hun uitvoeringsbesluiten en -reglementen op
31 december 2015.
Om te garanderen dat de onderneming de regels
inzake lineaire vermindering van de aftrek als bedoeld
in paragraaf 1, vierde lid naleeft, kan de Bank aan haar
toestemming ook voorwaarden verbinden waarvan de
niet-naleving tot gevolg heeft dat de Bank de krachtens
dit artikel verleende toestemming kan opheffen.
Indien de Bank haar toestemming na 1 januari 2016 ver-
leent, moet de verzekerings- of herverzekeringsonder-
neming de lineariteit van het in paragraaf 1, vierde lid
bedoelde aftrekbare deel in acht nemen alsof de toe-
stemming was verleend op 1 januari 2016.
§ 3. Naast het vereiste van artikel 670 vermelden
de verzekerings- of herverzekeringsondernemingen
die overeenkomstig dit artikel de overgangsaftrek
la déduction transitoire déterminée conformément au
présent paragraphe, peuvent être recalculés tous les
vingt-quatre mois ou plus fréquemment en cas de
changement sensible du profil de risque de l’entreprise
à la suite d’une acquisition ou d’une cession d’enga-
gements d’assurance ou de réassurance existants au
1er janvier 2016.
§ 2. L’autorisation de la Banque visée au para-
graphe 1er, alinéa 1er, ne peut être donnée que si
l’entreprise démontre, sur la base d’un dossier dont la
Banque détermine le contenu, qu’elle est, sur la base
de projections crédibles des conditions de marché et
de ses limites de tolérance aux risques, en mesure de
satisfaire, tout au long de la période transitoire, aux
modalités de réduction linéaire de la déduction telle que
visée au paragraphe 1er, alinéa 4.
La Banque accuse réception du dossier visé à
l’alinéa 1er et, dans les quinze jours de la réception du
dossier, indique à l’entreprise si le dossier est complet
en vue de son examen ou s’il requiert des informations
complémentaires.
La Banque statue sur la demande d’autorisation dans
les deux mois de l’introduction d’un dossier complet et
au plus tard dans les trois mois de la réception de la
demande.
La Banque peut limiter la déduction visée au para-
graphe 1er si son application est susceptible de se
traduire par de moindres exigences en matière de res-
sources financières applicables à l’entreprise que celles
qui sont calculées conformément aux dispositions de la
loi du 9 juillet 1975 relative au contrôle des entreprises
d’assurances ou de la loi du 16 février 2009 relative à
la réassurance et de leurs arrêtés et règlements d’exé-
cution au 31 décembre 2015.
En vue de s’assurer du respect par l’entreprise des
modalités de diminution linéaire de la déduction telle
que visée au paragraphe 1er, alinéa 4, la Banque peut
également assortir son autorisation de conditions dont
le non-respect permet à la Banque de mettre fin à
l’autorisation donnée en application du présent article.
En cas d’autorisation de la Banque accordée posté-
rieurement au 1er janvier 2016, l’entreprise d’assurance
ou de réassurance doit respecter la linéarité de la part
déductible visée au paragraphe 1er, alinéa 4 comme
si l’autorisation avait été accordée au 1er janvier 2016.
§ 3. Outre l’exigence prévue sous l’article 670, les
entreprises d’assurance ou de réassurance qui ap-
pliquent, conformément au présent article, la déduction
1147
1584/002
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
toepassen op de technische voorzieningen, in hun
verslag over hun solvabiliteit en financiële positie als
bedoeld in de artikelen 95 en 96 dat zij deze overgangs-
aftrekregeling toepassen en kwantificeren zij het effect
dat het niet toepassen van die overgangsmaatregel zou
hebben op hun financiële positie.
Art. 670
De verzekerings- of herverzekeringsondernemin-
gen kunnen de toestemming die met toepassing van
artikel 668 wordt verleend en deze die met toepassing
van artikel 669 wordt verleend, niet cumulatief verkrij-
gen voor dezelfde verplichtingen die onder de takken
vermeld in Bijlage II vallen.
Art. 671
§ 1. De verzekerings- of herverzekeringsonderne-
mingen die de in artikel 668 of 669 bedoelde over-
gangsmaatregelen toepassen, dienen jaarlijks een
verslag in bij de Bank waarin wordt aangegeven welke
maatregelen er zijn getroffen en welke vooruitgang er
is geboekt om aan het einde van de overgangsperiode
aan het solvabiliteitskapitaalvereiste te voldoen. De
Bank trekt haar toestemming voor de toepassing van
de overgangsmaatregel in wanneer uit dit tussentijds
verslag blijkt dat het onrealistisch is dat aan het einde
van de overgangsperiode aan het solvabiliteitskapitaal-
vereiste zal worden voldaan.
Bovendien lichten de verzekerings- of herverze-
keringsondernemingen die de in de artikelen 668 of
669 bedoelde overgangsmaatregelen toepassen, de
Bank in wanneer zij vaststellen dat zij zonder de toe-
passing van die overgangsmaatregelen niet aan het
solvabiliteitskapitaalvereiste zouden voldoen. De Bank
eist dat de betrokken verzekerings- of herverzekerings-
onderneming de nodige maatregelen treft om aan het
einde van de overgangsperiode aan het solvabiliteits-
kapitaalvereiste te voldoen.
Binnen twee maanden na de vaststelling dat zonder
de toepassing van de in de artikelen 668 of 669 be-
doelde overgangsmaatregelen niet aan het solvabili-
teitskapitaalvereiste zou worden voldaan, dient de be-
trokken verzekerings- of herverzekeringsonderneming
bij de Bank een geleidelijke-invoeringsplan in waarin
wordt aangegeven welke maatregelen er zijn gepland
om aan het einde van de overgangsperiode het in
aanmerking komend eigen vermogen ter dekking van
het solvabiliteitskapitaalvereiste op peil te brengen of
haar risicoprofiel zodanig te verlagen dat wordt voldaan
aan het solvabiliteitskapitaalvereiste. De betrokken
transitoire aux provisions techniques indiquent dans leur
rapport sur leur solvabilité et leur situation financière visé
aux articles 95 et 96 qu’elles appliquent ce régime de
déduction transitoire et quantifient l’incidence sur leur
situation financière qui résulterait d’une non application
de cette mesure transitoire.
Art. 670
Les entreprises d’assurance ou de réassurance ne
peuvent bénéficier cumulativement d’une autorisation
donnée en application de l’article 668 et d’une autori-
sation donnée en application de l’article 669 pour les
mêmes engagements relevant des branches mention-
nées de l’Annexe II.
Art. 671
§ 1er. Les entreprises d’assurance ou de réassu-
rance qui bénéficient des mesures transitoires visées
à l’article 668 ou 669 présentent chaque année à la
Banque un rapport exposant les mesures prises et les
progrès accomplis pour garantir le respect de l’exigence
de capital de solvabilité à la fin de la période transitoire.
La Banque retire l’autorisation d’appliquer la mesure
transitoire lorsqu’il ressort de ce rapport intermédiaire
que le respect de l’exigence de capital de solvabilité à
la fin de la période transitoire constitue une perspective
irréaliste.
Les entreprises d’assurance ou de réassurance
qui bénéficient des mesures transitoires visées aux
articles 668 ou 669, informent, en outre, la Banque
dès qu’elles constatent qu’elles ne respecteraient pas
l’exigence de capital de solvabilité sans l’application
de ces mesures transitoires. La Banque exige de
l’entreprise d’assurance ou de réassurance concernée
qu’elle prenne les mesures nécessaires pour garantir
le respect de l’exigence de capital de solvabilité à la fin
de la période transitoire.
Dans les deux mois suivant le constat du non-respect
de l’exigence de capital de solvabilité sans le bénéfice
des mesures transitoires visées aux articles 668 ou 669,
l’entreprise d’assurance ou de réassurance concernée
présente à la Banque un plan de mise en oeuvre pro-
gressive exposant les mesures prévues afin d’établir le
niveau de fonds propres éligibles correspondant au capi-
tal de solvabilité requis ou de réduire son profil de risque
afin de garantir le respect de l’exigence de capital de
solvabilité à la fin de la période transitoire. L’entreprise
d’assurance ou de réassurance concernée peut actua-
liser le plan de mise en oeuvre progressive durant la
1148
1584/002
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
verzekerings- of herverzekeringsonderneming kan het
geleidelijke-invoeringsplan gedurende de overgangspe-
riode aanpassen. Bovendien dienen de ondernemingen
die de in artikel 669 bedoelde overgangsmaatregel
toepassen jaarlijks een verslag in waarin wordt aan-
gegeven welke maatregelen er zijn getroffen en welke
vooruitgang er is geboekt met het in dit lid bedoelde
geleidelijke-invoeringsplan.
§ 2. Tot 1 januari 2021 verstrekt de Bank aan EIOPA
jaarlijks de volgende informatie:
1° de beschikbaarheid van langetermijngaranties in
verzekeringsproducten op de nationale markt en het
gedrag van verzekerings- en herverzekeringsonderne-
mingen als langetermijnbeleggers;
2° het aantal verzekerings- en herverzekeringson-
dernemingen dat de matchingopslag, de volatiliteits-
aanpassing, de verlenging van de herstelperiode met
toepassing van artikel 510, § 3, de looptijdgebaseerde
submodule “aandelenrisico” en de overgangsmaatre-
gelen als bedoeld in de artikelen 668 en 669 toepast;
3° het effect op de financiële positie van de verze-
kerings- en herverzekeringsondernemingen van de
matchingopslag, de volatiliteitsaanpassing, het me-
chanisme voor de symmetrische aanpassing aan het
aandelenkapitaalvereiste, de looptijdgebaseerde sub-
module “aandelenrisico” en de overgangsmaatregelen
als bedoeld in de artikelen 668 en 669, op nationaal
niveau, en geanonimiseerd voor elke onderneming;
4° het effect van de matchingopslag, de volatiliteits-
aanpassing, het mechanisme voor de symmetrische
aanpassing aan het aandelenkapitaalvereiste en de
looptijdgebaseerde submodule “aandelenrisico” op het
beleggingsgedrag van de verzekerings- en herverzeke-
ringsondernemingen en het feit of deze maatregelen al
dan niet leiden tot een onrechtmatig capital relief;
5° het effect van een eventuele verlenging van de
overeenkomstig artikel 510, § 3, verleende herstel-
periode, op de inspanningen van verzekerings- en
herverzekeringsondernemingen om het niveau van het
in aanmerking komend eigen vermogen ter dekking
van het solvabiliteitskapitaalvereiste te herstellen of
het risicoprofiel te verlagen om te garanderen dat het
solvabiliteitskapitaalvereiste wordt nageleefd;
6° indien verzekerings- en herverzekeringsonder-
nemingen de overgangsmaatregelen als bedoeld in
de artikelen 668 en 669 toepassen, of zij zich hou-
den aan de in paragraaf 1 van dit artikel bedoelde
période transitoire. Les entreprises bénéficiant de la
mesure transitoire visée à l’article 669 présentent, en
outre, chaque année un rapport exposant les mesures
prises et les progrès accomplis dans le cadre du plan
de mise en oeuvre progressive visé au présent alinéa.
§ 2. Jusqu’au 1er janvier 2021, la Banque fournit
à l’EIOPA, sur une base annuelle, les informations
suivantes:
1° la disponibilité des garanties à longue échéance
des produits d’assurance sur le marché national et les
pratiques des entreprises d’assurance et de réassu-
rance en tant qu’investisseurs à long terme;
2° le nombre d’entreprises d’assurance et de
réassurance qui appliquent l’ajustement égalisateur, la
correction pour volatilité et la prolongation du délai de
rétablissement en application de l’article 510, § 3, le
sous-module “risque sur actions” fondé sur la durée et
les mesures transitoires énoncées aux articles 668 et
669;
3° les effets, sur la situation financière des entreprises
d’assurance et de réassurance, de l’ajustement égali-
sateur, de la correction pour volatilité, du mécanisme
d’ajustement symétrique de l’exigence de capital pour
actions, du sous-module “risque sur actions” fondé sur la
durée et des mesures transitoires énoncées aux articles
668 et 669, au niveau national et dans des conditions
rendues anonymes pour chaque entreprise;
4° l’effet de l’ajustement égalisateur, de la correction
pour volatilité, du mécanisme d’ajustement symétrique
de l’exigence de capital pour actions et du sous-module
“risque sur actions” fondé sur la durée sur les pratiques
d’investissement des entreprises d’assurance et de
réassurance et le fait que ces mesures entraînent ou
non un allègement indu des exigences de fonds propres;
5° l’effet de toute prolongation du délai de rétablis-
sement consenti conformément à l’article 510, § 3, sur
les efforts déployés par les entreprises d’assurance et
de réassurance pour rétablir le niveau de fonds propres
éligibles couvrant le capital de solvabilité requis ou
réduire le profil de risque en vue de garantir le respect
de l’exigence de capital de solvabilité;
6° lorsque les entreprises d’assurance et de réas-
surance appliquent les mesures transitoires énoncées
aux articles 668 et 669, le respect, par lesdites entre-
prises, des plans de mise en oeuvre graduelle visés au
1149
1584/002
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
geleidelijke-invoeringsplannen, alsmede de vooruit-
zichten op een gereduceerde afhankelijkheid van deze
overgangsmaatregelen, met inbegrip van maatregelen
die genomen zijn of naar verwachting genomen zullen
worden door de ondernemingen en de Bank, met in-
achtneming van het toepasselijke rechtskader.
Art. 672
§ 1. Niettegenstaande artikel 357, § 2, zijn de over-
gangsbepalingen van de artikelen 661 tot 665 en 668 tot
671, § 1 mutatis mutandis van toepassing op het niveau
van de groep.
Niettegenstaande artikel 357, § § 2 en 3, zijn de
overgangsbepalingen van artikel 667 mutatis mutandis
van toepassing op het niveau van de groep wanneer de
deelnemende verzekerings- of herverzekeringsonder-
nemingen of de verzekerings- of herverzekeringson-
dernemingen die tot een groep behoren, voldeden aan
het vereiste van aangepaste solvabiliteit als bedoeld in
Hoofdstuk VIIbis van de wet van 9 juli 1975 betreffende
de controle der verzekeringsondernemingen, maar niet
voldoen aan het solvabiliteitskapitaalvereiste van de
groep.
§ 2. In afwijking van artikel 373 kan de uiteindelijke
moederonderneming tot 31 maart 2022 een aanvraag in-
dienen voor de toepassing van een intern groepsmodel
op een deel van de groep indien zowel de verzekerings-
of herverzekeringsonderneming als de uiteindelijke
moederonderneming in dezelfde lidstaat zijn gevestigd
en indien dit deel een apart onderdeel vormt met een
duidelijk ander risicoprofiel van de rest van de groep.
Art. 673
Tot 31 december 2020 is artikel 600 van toepassing
op de herverzekeringsondernemingen die onder het
recht van een derde land ressorteren en die opgenomen
zijn in de lijst die met toepassing van artikel 172, lid 4,
derde alinea van Richtlijn 2009/138/EG gepubliceerd
wordt door EIOPA.
Art. 674
De verzekeringsondernemingen gaan uiterlijk op
1 januari 2019 over tot de formele aanpassing van hun
overeenkomsten van tak 27 als vermeld in Bijlage II.
paragraphe 1er du présent article et les perspectives
d’une réduction de la dépendance à l’égard de ces
mesures transitoires, y compris les mesures qui ont été
prises ou devraient être prises par les entreprises et la
Banque, compte tenu du cadre juridique applicable.
Art. 672
§ 1er. Nonobstant l’article 357, § 2, les dispositions
transitoires prévues aux articles 661 à 665 et 668 à 671,
§ 1er s’appliquent mutatis mutandis au niveau du groupe.
Nonobstant l’article 357, § § 2 et 3, les dispositions
transitoires prévues à l’article 667 s’appliquent mutatis
mutandis au niveau du groupe lorsque les entreprises
d’assurance ou de réassurance participantes ou les
entreprises d’assurance ou de réassurance appar-
tenant à un groupe se conformaient à l’exigence de
solvabilité ajustée prévue sous le Chapitre VIIbis de la
loi du 9 juillet 1975 relative au contrôle des entreprises
mais ne se conforment pas à l’exigence de capital de
solvabilité applicable au groupe.
§ 2. Par dérogation à l’article 373, l’entreprise mère
supérieure peut demander, avant le 31 mars 2022, à être
autorisée à appliquer un modèle interne de groupe qu’à
une partie du groupe pourvu que, à la fois, l’entreprise
d’assurance ou de réassurance et l’entreprise mère
supérieure soient situées dans le même État membre
et que cette partie constitue une partie distincte ayant
un profil de risque sensiblement différent de celui du
reste du groupe.
Art. 673
Jusqu’au 31 décembre 2020, l’article 600 est d’ap-
plication aux entreprises de réassurance relevant du
droit d’un pays tiers qui figurent sur la liste publiée par
l’EIOPA en application de l’article 172, paragraphe 4,
alinéa 3 de la Directive 2009/138/CE.
Art. 674
Les entreprises d’assurance adaptent formellement
les contrats relevant de la branche 27 mentionnée à
l’Annexe II au plus tard le 1er janvier 2019.
1150
1584/002
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
TITEL II
Slotbepalingen en diverse bepalingen
Art. 675
Artikel 2, § 1quater van de wet van 9 juli 1975 betref-
fende de controle der verzekeringsondernemingen, inge-
voegd bij artikel 30, 2° van de wet van 26 april 2010, zo-
als dit bestond voor de opheffing ervan bij artikel 761 van
deze wet, moet geïnterpreteerd worden in die zin dat
de onderlinge verzekeringsverenigingen en de coöpe-
ratieve vennootschappen die hun verzekeringsactiviteit
beperken tot de gemeente waar hun maatschappelijke
zetel is gevestigd of tot die gemeente en de omliggende
gemeenten, vrijgesteld zijn van de toepassing van de
bepalingen van de wet van 9 juli 1975 betreffende de
controle der verzekeringsondernemingen, met uitzonde-
ring van de bepalingen van die wet die door de Koning
van toepassing zijn verklaard volgens de regels en de
modaliteiten die Hij bepaalt.
Art. 676
Onverminderd de verplichtingen die door het
Unierecht aan België zijn opgelegd, kan de Koning, bij
een in Ministerraad overlegd besluit, de bijzondere re-
gels bepalen die van toepassing zijn op de verzekerings-
ondernemingen voor wat betreft de toekenning van bui-
tenwettelijke voordelen aan de werknemers bedoeld in
koninklijk besluit nr. 50 van 24 oktober 1967 betreffende
het rust- en overlevingspensioen voor werknemers en
aan de personen bedoeld in artikel 32, eerste lid, 1° en
2° van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992,
die buiten een arbeidsovereenkomst zijn tewerkgesteld.
Art. 677
Onverminderd de bepalingen van Richtlijn 2009/138/
EG en de uitvoeringsmaatregelen ervan, kan de Koning
bij een koninklijk besluit vastgesteld na overleg in de
Ministerraad en op advies van de Bank of van de FSMA,
ieder voor wat zijn bevoegdheden betreft, en van de
Controledienst voor de ziekenfondsen, de verzeke-
ringsmaatschappijen van onderlinge bijstand vrijstellen
van de toepassing van sommige bepalingen van deze
wet en aangeven welke regels in plaats daarvan van
toepassing zijn.
Art. 678
De in euro luidende bedragen in deze wet wor-
den aangepast conform de aanpassing die in het
TITRE II
Dispositions finales et diverses
Art. 675
L’article 2, § 1erquater de la loi du 9 juillet 1975 relative
au contrôle des entreprises d’assurances, inséré par
l’article 30, 2° de la loi du 26 avril 2010, tel qu’il existait
avant son abrogation par l’article 761 de la présente
loi, doit s’interpréter en ce sens que les associations
d’assurances mutuelles et les sociétés coopératives qui
restreignent leur activité d’assurance à la commune de
leur siège social ou à cette commune et aux communes
voisines sont dispensées de l’application des disposi-
tions de la loi du 9 juillet 1975 relative au contrôle des
entreprises d’assurances sauf les dispositions de cette
loi rendues applicables par le Roi selon les règles et
modalités qu’Il détermine.
Art. 676
Sans préjudice des obligations imposées à la
Belgique par le droit de l’Union, le Roi peut déterminer,
par arrêté délibéré en Conseil des ministres, les règles
particulières applicables aux entreprises d’assurance
en ce qui concerne l’octroi d’avantages extra-légaux
aux travailleurs salariés visés par l’arrêté royal n° 50 du
24 octobre 1967 relatif à la pension de retraite et de
survie des travailleurs salariés et aux personnes visées
à l’article 32, alinéa 1er, 1° et 2° du Code des Impôts sur
les Revenus 1992, occupées en dehors d’un contrat
de travail.
Art. 677
Sans préjudice des dispositions de la Directive
2009/138/CE et de ses mesures d’exécution, le Roi
peut, par arrêté royal délibéré en Conseil des ministres
et sur avis de la Banque ou de la FSMA, chacune dans
son domaine de compétence, et de l’Office de contrôle
des mutualités, dispenser les sociétés mutualistes
d’assurance de l’application de certaines dispositions
de la présente loi et préciser les règles qui leur sont
éventuellement applicables en lieu et place.
Art. 678
Les montants libellés en euros figurant dans la pré-
sente loi font l’objet d’une révision de manière conforme
1151
1584/002
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
Publicatieblad van de Europese Unie wordt bekendge-
maakt door de Europese Commissie met toepassing van
artikel 300 van de Richtlijn. De in dit artikel bedoelde
aanpassing heeft uitwerking binnen zes maanden te
rekenen vanaf de genoemde bekendmaking.
Art. 679
Het koninklijk besluit van 11 juni 2015 houdende aan-
wijzing van de bevoegde autoriteit verantwoordelijk voor
het uitvoeren van de vergunning en het toezicht op de
centrale effectenbewaarinstellingen wordt bekrachtigd
met uitwerking op 19 juni 2015.
TITEL III
Wijzigingsbepalingen
HOOFDSTUK I
Wijziging in de wet van 12 juli 1957 betreffende
het rust- en overlevingspensioen voor bedienden
Art. 680
In Artikel 22, § 2 van de wet van 12 juli 1957 betref-
fende het rust- en overlevingspensioen voor bedienden,
laatstelijk gewijzigd bij de wet van 28 april 2003, worden
de woorden “bij een verzekeringsonderneming of -instel-
ling bedoeld in artikel 2, § 1 en § 3, 5°, van de wet van
9 juli 1975 betreffende de controle der verzekeringson-
dernemingen, voor zover zij door de Koning zijn erkend
volgens de door Hem vastgestelde voorwaarden.”
vervangen door de woorden “bij een verzekeringson-
derneming bedoeld in artikel 5, eerste lid, 1°, van de
wet van [___] 2015 op het statuut van en het toezicht
op verzekerings- of herverzekeringsondernemingen.”.
HOOFDSTUK II
Wijziging in de arbeidsongevallenwet van
10 april 1971
Art. 681
In artikel 48ter, eerste lid van de arbeidsongeval-
lenwet van 10 april 1971, laatstelijk gewijzigd bij de wet
van 10 augustus 2001, worden de woorden “bedoeld
in artikel 80 van de wet van 9 juli 1975 betreffende de
controle der verzekeringsondernemingen” vervangen
door de woorden “bedoeld in artikel 24, § 1, 1°, van de
wet van [___] 2015 op het statuut van en het toezicht
op verzekerings- of herverzekeringsondernemingen,”.
à la révision publiée au Journal officiel de l’Union euro-
péenne par la Commission européenne en application
de l’article 300 de la Directive. La révision prévue au
présent article sort ses effets dans les six mois à comp-
ter de ladite publication.
Art. 679
L’arrêté royal du 11 juin 2015 portant désignation de
l’autorité compétente en charge de l’agrément et de
la surveillance des dépositaires centraux de titres est
confirmé avec effet au 19 juin 2015.
TITRE III
Dispositions modificatives
CHAPITRE IER
Modification de la loi du 12 juillet 1957 relative à la
pension de retraite et de survie des employés
Art. 680
Dans l’article 22, § 2, de la loi du 12 juillet 1957 rela-
tive à la pension de retraite et de survie des employés,
modifié en dernier lieu par la loi du 28 avril 2003, les
mots “auprès d’une entreprise ou d’un organisme
d’assurances visés à l’article 2, § 1er et § 3, 5°, de la
loi du 9 juillet 1975 relative au contrôle des entreprises
d’assurances, pour autant qu’ils ont été agréés par le
Roi, dans les conditions qu’Il détermine.” sont remplacés
par les mots “auprès d’une entreprise d’assurance visée
à l’article 5, alinéa 1er, 1°, de la loi du [___] 2015 relative
au statut et au contrôle des entreprises d’assurance ou
de réassurance.”.
CHAPITRE II
Modification de la loi du 10 avril 1971 sur les
accidents du travail
Art. 681
Dans l’article 48ter, alinéa 1er, de la loi du
10 avril 1971 sur les accidents du travail, modifié en
dernier lieu par la loi du 10 août 2001, les mots “visé à
l’article 80 de la loi du 9 juillet 1975 relative au contrôle
des entreprises d’assurances,” sont remplacés par
les mots “visé à l’article 24, § 1er, 1°, de la loi du [___]
2015 relative au statut et au contrôle des entreprises
d’assurance ou de réassurance,”.
1152
1584/002
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
Art. 682
In artikel 49, eerste lid, 1° van dezelfde wet worden de
woorden “overeenkomstig de wet van 9 juli 1975 betref-
fende de controle op de verzekeringsondernemingen”
vervangen door de woorden “overeenkomstig de wet
van [___] 2015 op het statuut van en het toezicht op
verzekerings- of herverzekeringsondernemingen”.
Art. 683
In artikel 52 van dezelfde wet worden de woor-
den “bedoeld in artikel 68, § 1, 5°, van de wet van
9 juli 1975 betreffende de controle der verzekeringson-
dernemingen” vervangen door de woorden “bedoeld
in artikel 556, § 2, 1°, van de wet van [___] 2015 op
het statuut van en het toezicht op verzekerings- of
herverzekeringsondernemingen”.
Art. 684
Artikel 54bis van dezelfde wet wordt vervangen als
volgt:
“Wanneer bij de overdrachten bedoeld in artikel 102,
eerste lid, 3°, van de wet van [___] 2015 op het statuut
van en het toezicht op verzekerings- of herverzeke-
ringsondernemingen een verzekeringsonderneming die
de wettelijke arbeidsongevallenverzekering uitoefent,
betrokken is, kan de Nationale Bank van België de
toestemming enkel verlenen na advies van het beheers-
comité van het Fonds voor arbeidsongevallen.
Indien een dergelijke verzekeringsonderneming be-
trokken is bij een herstructurering van vennootschappen
als bedoeld in boek XI van de wet van 7 mei 1999 hou-
dende het Wetboek van Vennootschappen, stelt de
Nationale Bank van België het Fonds voor arbeidson-
gevallen hiervan onverwijld in kennis.”.
Art. 685
In artikel 88quater, § 1 van dezelfde wet worden de
volgende wijzigingen aangebracht:
1° de bepaling onder 1° wordt vervangen als volgt:
“1° de Nationale Bank van België;”
2° er wordt een bepaling onder 1bis° ingevoegd,
luidende:
Art. 682
Dans l’article 49, alinéa 1er, 1°, de la même loi, les
mots “conformément à la loi du 9 juillet 1975 relative au
contrôle des entreprises d’assurances” sont remplacés
par les mots “conformément à la loi du [___] 2015 rela-
tive au statut et au contrôle des entreprises d’assurance
ou de réassurance”.
Art. 683
Dans l’article 52 de la même loi, les mots “visé à
l’article 68, § 1er, 5°, de la loi du 9 juillet 1975 relative au
contrôle des entreprises d’assurances” sont remplacés
par les mots “visé à l’article 556, § 2, 1°, de la loi du [___]
2015 relative au statut et au contrôle des entreprises
d’assurance ou de réassurance”.
Art. 684
L’article 54bis de la même loi est remplacé par ce
qui suit:
“Lorsque, lors des cessions visées à l’article 102,
alinéa 1er, 3°, de la loi du [___] 2015 relative au statut et
au contrôle des entreprises d’assurance ou de réassu-
rance, une entreprise d’assurance exerçant l’assurance
légale contre les accidents du travail est concernée, la
Banque nationale de Belgique ne peut accorder l’auto-
risation qu’après avis du comité de gestion du Fonds
des accidents du travail.
Si une telle entreprise d’assurance est concernée
par une restructuration de sociétés visée au livre XI de
la loi du 7 mai 1999 contenant le Code des sociétés, la
Banque nationale de Belgique en informe le Fonds des
accidents du travail sans délai.”.
Art. 685
Dans l’article 88quater, § 1er, de la même loi, les
modifications suivantes sont apportées:
1° le 1° est remplacé par ce qui suit:
“1° à la Banque nationale de Belgique;”
2° il est inséré un 1bis° rédigé comme suit:
1153
1584/002
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
“1bis° de Autoriteit voor Financiële Diensten en
Markten;”
Art. 686
In artikel 91, § 2 van dezelfde wet, laatstelijk gewijzigd
bij de wet van 21 december 2013, wordt de bepaling
onder 2° vervangen als volgt:
“2° aan de Nationale Bank van België en de Autoriteit
voor Financiële Diensten en Markten vragen om de
maatregelen toe te passen die bedoeld zijn, voor de
Nationale Bank van België, in artikel 517 of 569 van
de wet van [___] 2015 op het statuut van en het toe-
zicht op verzekerings- of herverzekeringsondernemin-
gen en, voor de Autoriteit voor Financiële Diensten
en Markten, in artikel 36bis, § 2, van de wet van
2 augustus 2002 betreffende het toezicht op de finan-
ciële sector en de financiële diensten, artikel 288 van
de wet van 4 april 2014 betreffende de verzekeringen
of artikel 291 van dezelfde wet. Indien nodig verzoekt
de minister bevoegd voor Sociale Zaken de Nationale
Bank van België of de Autoriteit voor Financiële Diensten
en Markten onverwijld de genoemde maatregelen te
nemen.
Onverminderd het eerste lid stelt het Fonds voor
arbeidsongevallen de Nationale Bank van België en de
Autoriteit voor Financiële Diensten en Markten in kennis
van de tekortkomingen vastgesteld bij een verzeke-
ringsonderneming die onder het recht van een andere
lidstaat van de Europese Unie ressorteert dan België,
met het oog op de toepassing, door de Nationale Bank
van België, van met name de artikelen 566 tot 574 van
de wet van [___] 2015 op het statuut van en het toezicht
op verzekerings- of herverzekeringsondernemingen en,
door de Autoriteit voor Financiële Diensten en Markten,
van met name de artikelen 286, 291 en 293 van de wet
van 4 april 2014 betreffende de verzekeringen.”.
HOOFDSTUK III
Wijziging in de wet van
21 november 1989 betreffende de verplichte
aansprakelijkheidsverzekering inzake
motorrijtuigen
Art. 687
Artikel 10, § 2 van de wet van 21 november 1989 be-
treffende de verplichte aansprakelijkheidsverzekering
inzake motorrijtuigen wordt vervangen als volgt:
“1bis° à l’Autorité des services et marchés financiers;”
Art. 686
Dans l’article 91, § 2, de la même loi, modifié en
dernier lieu par la loi du 21 décembre 2013, le 2° est
remplacé par ce qui suit:
“2° demander à la Banque nationale de Belgique et
l’Autorité des services et marchés financiers d’appli-
quer les mesures visées, pour la Banque nationale
de Belgique, aux articles 517 ou 569 de la loi du [___]
2015 relative au statut et au contrôle des entreprises
d’assurance ou de réassurance et, pour l’Autorité des
services et marchés financiers, aux articles 36bis, § 2,
de la loi du 2 août 2002 relative à la surveillance du sec-
teur financier et aux services financiers, 288 de la loi du
4 avril 2014 relative aux assurances, ou 291 de la même
loi. Au besoin, le ministre qui a les Affaires sociales
dans ses attributions demande à la Banque nationale
de Belgique ou à l’Autorité des services et marchés
financiers de prendre sans délai lesdites mesures.
Sans préjudice de l’alinéa 1er, le Fonds des accidents
du travail informe la Banque nationale de Belgique et
l’Autorité des services et marchés financiers des man-
quements constatés dans une entreprise d’assurance
qui relève du droit d’un État membre de l’Union euro-
péenne autre que la Belgique, en vue de l’application,
par la Banque nationale de Belgique, notamment, des
articles 566 à 574 de la loi du [___] 2015 relative au
statut et au contrôle des entreprises d’assurance ou de
réassurance et, par l’Autorité des services et marchés
financiers, notamment, des articles 286, 291 et 293 de
la loi du 4 avril 2014 relative aux assurances.”.
CHAPITRE III
Modification de la loi du
21 novembre 1989 relative à l’assurance
obligatoire de la responsabilité en matière de
véhicules automoteurs
Art. 687
L’article 10, § 2 de la loi du 21 novembre 1989 rela-
tive à l’assurance obligatoire de la responsabilité en
matière de véhicules automoteurs est remplacé par la
disposition suivante:
1154
1584/002
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
“§ 2. De nationale of gewestelijke instellingen van
openbaar nut voor gemeenschappelijk vervoer zijn vrij-
gesteld van de in artikel 2 bedoelde verzekeringsplicht
op voorwaarde dat zij een verzekeringsovereenkomst
hebben gesloten bij een verzekeringsonderneming die
met toepassing van artikel 28 van de wet van [___]
op het statuut van en het toezicht op verzekerings- of
herverzekeringsondernemingen een vergunning heeft
verkregen of die met toepassing van artikel 550 of artikel
556 van dezelfde wet haar activiteiten in België mag
uitoefenen.
De in het eerste lid bedoelde overeenkomst dekt de
benadeelde onder de voorwaarden van de artikelen
3 en 4.
Voor de toepassing van deze paragraaf kunnen de
excepties, vrijstellingen, de nietigheid en het verval van
recht voortvloeiend uit de wet of de overeenkomst en
die hun oorzaak vinden in een feit dat zich voor of na
het schadegeval heeft voorgedaan, aan de benadeelde
niet worden tegengeworpen.
Indien de nietigverklaring, de opzegging, de beëin-
diging of de schorsing van de overeenkomst geschied
is voordat het schadegeval zich heeft voorgedaan, kan
zij echter aan de benadeelde worden tegengeworpen.”.
HOOFDSTUK IV
Wijzigingen in de wet van
6 augustus 1990 betreffende de ziekenfondsen en
de landsbonden van ziekenfondsen
Art. 688
In artikel 9, § 1septies, vijfde lid van de wet van
6 augustus 1990 betreffende de ziekenfondsen en de
landsbonden van ziekenfondsen, ingevoegd bij de wet
van 26 april 2010, worden de woorden “aan de wet van
9 juli 1975 betreffende de controle der verzekerings-
ondernemingen,” vervangen door de woorden “aan de
wet van [___] 2015 op het statuut van en het toezicht
op verzekerings- of herverzekeringsondernemingen,”.
Art. 689
In artikel 43ter van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet
van 22 februari 1998, worden de volgende wijzingen
aangebracht:
1° in het eerste lid worden de woorden “van een bank-
product, zoals bepaald in de wet van 22 maart 1993 op
het statuut van en het toezicht op de kredietinstellingen”
“§ 2. Les organismes d’intérêt public de transport
en commun nationaux ou régionaux sont dispensés
de l’obligation d’assurance visée à l’article 2 à condi-
tion que ces organismes aient souscrit auprès d’une
entreprise d’assurance agréée en application de
l’article 28 de la loi du [_____] relative au statut et au
contrôle des entreprises d’assurance ou de réassurance
ou autorisée à exercer ses activités en Belgique en appli-
cation de l’article 550 ou de l’article 556 de la même loi.
Le contrat visé à l’alinéa 1er couvre la personne lésée
dans les conditions prévues aux articles 3 et 4.
Pour l’application du présent paragraphe, les excep-
tions, franchises, nullités et déchéances découlant de
la loi ou du contrat, et trouvant leur cause dans un fait
antérieur ou postérieur au sinistre, sont inopposables
à la personne lésée.
Sont toutefois opposables à la personne lésée l’annu-
lation, la résiliation, l’expiration ou la suspension du
contrat, intervenues avant la survenance du sinistre.”.
CHAPITRE IV
Modifications de la loi du 6 août 1990 relative aux
mutualités et aux unions nationales de mutualité
Art. 688
Dans l’article 9, § 1ersepties, alinéa 5, de la loi du
6 août 1990 relative aux mutualités et aux unions natio-
nales de mutualité, inséré par la loi du 26 avril 2010, les
mots “à la loi du 9 juillet 1975 relative au contrôle des
entreprises d’assurances,” sont remplacés par les mots
“à la loi du [___] 2015 relative au statut et au contrôle
des entreprises d’assurance ou de réassurance,”.
Art. 689
Dans l’article 43ter, de la même loi, inséré par la loi
du 22 février 1998, les modifications suivantes sont
apportées:
1° à l’alinéa 1er, les mots “d’un produit bancaire au
sens de la loi du 22 mars 1993 relative au statut et au
contrôle des institutions de crédit” sont remplacés par
1155
1584/002
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
vervangen door de woorden “van een bankproduct, in
het kader van een activiteit als bedoeld in artikel 4 van de
wet van 25 april 2014 op het statuut van en het toezicht
op kredietinstellingen”;
2° in het tweede lid worden de woorden “zoals
bepaald in de wet van 22 maart 1993 betreffende het
statuut van en het toezicht op de kredietinstellingen”
vervangen door de woorden “zoals bepaald in artikel
4 van de wet van 25 april 2014 op het statuut van en
het toezicht op kredietinstellingen”.
Art. 690
In artikel 52, 11° van dezelfde wet, ingevoegd bij de
wet van 26 april 2010, worden de woorden “volgens de
bepalingen van de wetten van 9 juli 1975 betreffende de
controle der verzekeringsondernemingen,” vervangen
door de woorden “volgens de bepalingen van de wet-
ten van [___] 2015 op het statuut van en het toezicht
op verzekerings- of herverzekeringsondernemingen,”.
Art. 691
In artikel 62quater van dezelfde wet, ingevoegd bij
de wet van 26 april 2010, worden de woorden “van de
wet van 9 juli 1975 betreffende de controle der verzeke-
ringsondernemingen” vervangen door de woorden “van
de wet van [___] 2015 op het statuut van en het toezicht
op verzekerings- of herverzekeringsondernemingen”.
Art. 692
In artikel 68, 2° van dezelfde wet, ingevoegd bij de
wet van 2 juni 2010, worden de volgende wijzigingen
aangebracht:
1° in de bepaling onder a) worden de woorden “in
toepassing van artikel 3 van de wet van 9 juli 1975 be-
treffende de controle der verzekeringsondernemingen”
vervangen door de woorden “in toepassing van de
artikelen 28 en 584 van de wet van [___] 2015 op
het statuut van en het toezicht op verzekerings- of
herverzekeringsondernemingen”;
2° de bepaling onder b) wordt opgeheven;
3° in de bepaling onder c) worden de woorden “be-
doeld in artikel 21octies van de wet van 9 juli 1975 be-
treffende de controle der verzekeringsondernemingen;”
vervangen door de woorden “bedoeld in artikel 504 van
de wet van [___] 2015 op het statuut van en het toezicht
op verzekerings- of herverzekeringsondernemingen;”;
les mots “d’un produit bancaire dans le cadre d’une acti-
vité visée à l’article 4 de la loi du 25 avril 2014 relative
au statut et au contrôle des établissements de crédit”;
2° à l’alinéa 2, les mots “au sens de la loi du
22 mars 1993 relative au statut et au contrôle des insti-
tutions de crédit” sont remplacés par les mots “au sens
de l’article 4 de la loi du 25 avril 2014 relative au statut
et au contrôle des établissements de crédit”.
Art. 690
Dans l’article 52, 11° de la même loi, inséré par la
loi du 26 avril 2010, les mots “conformément aux dis-
positions des lois des 9 juillet 1975 relative au contrôle
des entreprises d’assurances,” sont remplacés par les
mots “conformément aux dispositions des lois des [___]
2015 relative au statut et au contrôle des entreprises
d’assurance ou de réassurance,”.
Art. 691
Dans l’article 62quater de la même loi, inséré par la loi
du 26 avril 2010, les mots “de la loi du 9 juillet 1975 rela-
tive au contrôle des entreprises d’assurances” sont
remplacés par les mots “de la loi du [___] 2015 relative
au statut et au contrôle des entreprises d’assurance ou
de réassurance”.
Art. 692
Dans l’article 68, 2°, de la même loi, inséré par la
loi du 2 juin 2010, les modifications suivantes sont
apportées:
1° au a), les mots “en application de l’article 3 de la
loi du 9 juillet 1975 relative au contrôle des entreprises
d’assurances;” sont remplacés par les mots “en applica-
tion des articles 28 et 584 de la loi du [___] 2015 relative
au statut et au contrôle des entreprises d’assurance ou
de réassurance;”;
2° le b) est abrogé;
3° au c), les mots “visées à l’article 21octies de la
loi du 9 juillet 1975 relative au contrôle des entreprises
d’assurances;” sont remplacés par les mots “visées
à l’article 504 de la loi du [___] 2015 relative au sta-
tut et au contrôle des entreprises d’assurance ou de
réassurance;”;
1156
1584/002
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
4° in de bepaling onder d) worden de woorden
“bedoeld in artikel 26, § § 1, tweede lid, 2°, 3° en
4°, en 5, 8 en 9, van de wet van 9 juli 1975 betref-
fende de controle der verzekeringsondernemingen;”
vervangen door de woorden “bedoeld in artikel 517,
§ 1, 2°, 4°, 6°, 7° en 8°, van de wet van [___] 2015 op
het statuut van en het toezicht op verzekerings- of
herverzekeringsondernemingen;”;
5° in de bepaling onder e) worden de woorden
“bedoeld in artikel 43 van de wet van 9 juli 1975 betref-
fende de controle der verzekeringsondernemingen;”
vervangen door de woorden “bedoeld in de artikelen 517,
§ 1, 8°, 541 en 598, § 2, van de wet van [___] 2015 op
het statuut van en het toezicht op verzekerings- of
herverzekeringsondernemingen;”;
6° in de bepaling onder f) worden de woorden
“bedoeld in de artikelen 51 en 58 van de wet van
9 juli 1975 betreffende de controle der verzekerings-
ondernemingen of wanneer de Controledienst geen
beslissing heeft bekendgemaakt binnen de termijn
vastgelegd in artikel 51, tweede lid, van dezelfde wet;”
vervangen door de woorden “bedoeld in de artikelen
108, § 3 en 115, § 2, van de wet van [___] 2015 op
het statuut van en het toezicht op verzekerings- of
herverzekeringsondernemingen;”;
Art. 693
In artikel 75, § 1 van dezelfde wet wordt de bepaling
onder 3° opgeheven.
HOOFDSTUK V
Wijziging in de wet van 25 juni 1992 op de
landverzekeringsovereenkomst
Art. 694
In artikel 140, vierde lid van de wet van 25 juni 1992 op
de landverzekeringsovereenkomst, laatstelijk gewijzigd
bij de wet van 30 juli 2013, worden de woorden “van
artikel 21octies van de wet van 9 juli 1975 betreffende
de controle der verzekeringsondernemingen” vervangen
door de woorden “van artikel 504 van de wet van [___]
2015 op het statuut van en het toezicht op verzekerings-
of herverzekeringsondernemingen”.
4° au d), les mots “visées à l’article 26, § § 1er, alinéa
2, 2°, 3° et 4°, et 5, 8 et 9, de la loi du 9 juillet 1975 rela-
tive au contrôle des entreprises d’assurances;” sont
remplacés par les mots “visées à l’article 517, § 1er,
2°, 4°, 6°, 7° et 8°, de la loi du [___] 2015 relative au
statut et au contrôle des entreprises d’assurance ou de
réassurance;”;
5° au e), les mots “visées à l’article 43 de la loi
du 9 juillet 1975 relative au contrôle des entreprises
d’assurances;” sont remplacés par les mots “visées aux
articles 517, § 1er, 8°, 541 et 598, § 2, de la loi du [___]
2015 relative au statut et au contrôle des entreprises
d’assurance ou de réassurance;”;
6° au f), les mots “visées aux articles 51 et 58 de la
loi du 9 juillet 1975 relative au contrôle des entreprises
d’assurances ou lorsque l’Office de contrôle n’a pas
notifié de décision dans le délai fixé à l’article 51, alinéa
2, de la même loi;” sont remplacés par les mots “visées
aux articles 108, § 3 et 115, § 2, de la loi du [___]
2015 relative au statut et au contrôle des entreprises
d’assurance ou de réassurance;”;
Art. 693
Dans l’article 75, § 1er, de la même loi, le 3° est
abrogé.
CHAPITRE V
Modification de la loi du 25 juin 1992 sur le contrat
d’assurance terrestre
Art. 694
Dans l’article 140, alinéa 4, de la loi du 25 juin 1992 sur
le contrat d’assurance terrestre, modifié en dernier
lieu par la loi du 30 juillet 2013, les mots “de l’article
21octies de la loi du 9 juillet 1975 relative au contrôle
des entreprises d’assurances” sont remplacés par les
mots “de l’article 504 de la loi du [___] 2015 relative au
statut et au contrôle des entreprises d’assurance ou
de réassurance”.
1157
1584/002
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
HOOFDSTUK VI
Wijzigingen in de wet van 11 januari 1993 tot
voorkoming van het gebruik van het financiële
stelsel voor het witwassen van geld en de
financiering van terrorisme
Art. 695
In artikel 2, § 1 van de wet van 11 januari 1993 tot
voorkoming van het gebruik van het financiële stelsel
voor het witwassen van geld en de financiering van ter-
rorisme, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 25 april 2014,
worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in de bepaling onder 6° worden de woorden “, met
toepassing van de wet van 9 juli 1975 betreffende de
controle der verzekeringsondernemingen,” vervangen
door de woorden “met toepassing van de wet van [___]
2015 op het statuut van en het toezicht op verzekerings-
of herverzekeringsondernemingen”;
2° in de bepaling onder 7° worden de woorden “be-
doeld in de wet van 9 juli 1975 betreffende de controle
der verzekeringsondernemingen; “vervangen door de
woorden “bedoeld in de wet van [____] 2015 op
het statuut van en het toezicht op verzekerings- of
herverzekeringsondernemingen;”.
HOOFDSTUK VII
Wijzigingen in de wet van 6 april 1995 inzake
het statuut van en het toezicht op de
beleggingsondernemingen
Art. 696
In artikel 45, § 1 van de wet van 6 april 1995 inzake
het statuut van en het toezicht op de beleggingsonderne-
mingen, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 25 april 2014,
wordt de bepaling onder 2° vervangen als volgt:
“2° de verzekerings- en herverzekeringsondernemin-
gen bedoeld in de Boeken II en III van de wet van [___]
2015 op het statuut van en het toezicht op verzekerings-
of herverzekeringsondernemingen”.
Art. 697
In artikel 95bis, § 1 van dezelfde wet, laatstelijk gewij-
zigd bij de wet van 25 april 2014, worden de volgende
wijzigingen aangebracht:
CHAPITRE VI
Modifications de la loi du 11 janvier 1993 relative à
la prévention de l’utilisation du système financier
aux fins du blanchiment de capitaux et du
financement du terrorisme
Art. 695
Dans l’article 2, § 1er, de la loi du 11 janvier 1993 rela-
tive à la prévention de l’utilisation du système financier
aux fins du blanchiment de capitaux et du financement
du terrorisme, modifié en dernier lieu par la loi du
25 avril 2014, les modifications suivantes sont apportées:
1° au 6°, les mots “en application de la loi du
9 juillet 1975 relative au contrôle des entreprises d’assu-
rances;” sont remplacés par les mots “en application de
la loi du [___] 2015 relative au statut et au contrôle des
entreprises d’assurance ou de réassurance;”;
2° au 7°, les mots “visé par la loi du 9 juillet 1975 rela-
tive au contrôle des entreprises d’assurances;” sont
remplacés par les mots “visé par la loi du [____]
2015 relative au statut et au contrôle des entreprises
d’assurance ou de réassurance;”.
CHAPITRE VII
Modifications de la loi du 6 avril 1995 relative
au statut et au contrôle des entreprises
d’investissement
Art. 696
Dans l’article 45, § 1er, de la loi du 6 avril 1995 relative
au statut et au contrôle des entreprises d’investisse-
ment, modifié en dernier lieu par la loi du 25 avril 2014,
le 2° est remplacé par ce qui suit:
“2° aux entreprises d’assurance et de réassurance
visées aux Livres II et III de la loi du [___] 2015 relative
au statut et au contrôle des entreprises d’assurance ou
de réassurance”.
Art. 697
Dans l’article 95bis, § 1er, de la même loi, modifié en
dernier lieu par la loi du 25 avril 2014, les modifications
suivantes sont apportées:
1158
1584/002
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
1° in de bepaling onder 3° worden de woorden “hetzij
een verzekeringsonderneming als gedefinieerd in artikel
91bis, 1° en 2°, van de wet van 9 juli 1975 betreffende
de controle der verzekeringsondernemingen, hetzij een
herverzekeringsonderneming als gedefinieerd in artikel
82, 3° en 4°, van de wet van 16 februari 2009 op het
herverzekeringsbedrijf” vervangen door de woorden
“hetzij een verzekerings- of herverzekeringsonderne-
ming waarvan de zetel gelegen is in een lidstaat of in
een derde land in de zin van de wet van [___] 2015 op
het statuut van en het toezicht op verzekerings- of
herverzekeringsondernemingen”;
2° in de bepaling onder 4°, b) worden de woorden
“verzekeringsholding in de zin van artikel 91bis, 9°,
van dezelfde wet;” vervangen door de woorden “ver-
zekeringsholding in de zin van artikel 338, 5°, van de
wet van [___] 2015 op het statuut van en het toezicht
op verzekerings- of herverzekeringsondernemingen;”;
3° in de bepaling onder 6° worden de woorden
“hoofdstuk VIIbis van de wet van 9 juli 1975 of artikel
82 van de wet van 16 februari 2009 op het herverze-
keringsbedrijf.” vervangen door de woorden “Boek II,
Titel V, Hoofdstuk III, van de wet van [___] 2015 op
het statuut van en het toezicht op verzekerings- of
herverzekeringsondernemingen.”.
HOOFDSTUK VII
Wijzigingen in de wet van 22 februari 1998 tot
vaststelling van het organiek statuut van de
Nationale Bank van België
Art. 698
In artikel 35 van dezelfde wet, laatstelijk gewijzigd
bij het koninklijk besluit van 3 maart 2011, worden de
volgende wijzigingen aangebracht:
1° het tweede lid wordt opgeheven;
2° artikel 35, als gewijzigd bij de bepaling onder 1°
van dit artikel en waarvan de bestaande tekst paragraaf
1 zal vormen, wordt aangevuld met de paragrafen 2 en
3, luidende:
“§ 2. Onverminderd paragraaf 1 mag de Bank ver-
trouwelijke informatie meedelen:
1° ingeval de mededeling van dergelijke informatie
wordt voorgeschreven of toegestaan door of krachtens
de wet;
1° au 3°, les mots “soit une entreprise d’assurances
telle que définie à l’article 91bis, 1° et 2°, de la loi
du 9 juillet 1975 relative au contrôle des entreprises
d’assurances, soit une entreprise de réassurance
telle que définie à l’article 82, 3° et 4°, de la loi du
16 février 2009 relative à la réassurance” sont rempla-
cés par les mots “soit une entreprise d’assurance ou
de réassurance ayant son siège social dans un État
membre ou dans un pays tiers au sens de la loi du [___]
2015 relative au statut et au contrôle des entreprises
d’assurance ou de réassurance”;
2° au 4°, b), les mots “société holding d’assurances
au sens de l’article 91bis, 9°, de la même loi;” sont
remplacés par les mots “société holding d’assurance au
sens de l’article 338, 5°, de la loi du [___] 2015 relative
au statut et au contrôle des entreprises d’assurance ou
de réassurance;”;
3° au 6°, les mots “au chapitre VIIbis de la loi du
9 juillet 1975 ou à l’article 82 de la loi du 16 février 2009 re-
lative à la réassurance.” sont remplacés par les mots “au
Livre II, Titre V, Chapitre III, de la loi du [___] 2015 rela-
tive au statut et au contrôle des entreprises d’assurance
ou de réassurance.”.
CHAPITRE VII
Modifications de la loi du 22 février 1998 fixant
le statut organique de la Banque nationale de
Belgique
Art. 698
Dans l’article 35 de la même loi, modifié en dernier
lieu par l’arrêté royal du 3 mars 2011, les modifications
suivantes sont apportées:
1° l’alinéa 2 est abrogé;
2° l’article 35, tel que modifié par le 1° du présent
article et dont le texte actuel formera le paragraphe
1er, est complété par les paragraphes 2 et 3 rédigés
comme suit:
“§ 2. Nonobstant le paragraphe 1er, la Banque peut
communiquer des informations confidentielles:
1° dans les cas où la communication de telles infor-
mations est prévue ou autorisée par ou en vertu de la loi;
1159
1584/002
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
2° voor de aangifte van strafrechtelijke misdrijven bij
de gerechtelijke autoriteiten;
3° in het kader van administratieve of gerechtelijke be-
roepsprocedures tegen de handelingen of beslissingen
van de Bank, en in het kader van elk ander rechtsgeding
waarbij de Bank partij is;
4° in beknopte of samengevoegde vorm zodat indivi-
duele natuurlijke of rechtspersonen niet kunnen worden
geïdentificeerd.
De Bank kan de beslissing om strafrechtelijke mis-
drijven bij de gerechtelijke autoriteiten aan te geven,
openbaar maken.
§ 3. Binnen de grenzen van het recht van de Europese
Unie en binnen de eventuele beperkingen waarin bij of
krachtens een wet uitdrukkelijk is voorzien, mag de Bank
gebruikmaken van de vertrouwelijke informatie waarover
zij in het kader van haar wettelijke opdrachten beschikt,
om haar taken en opdrachten als bedoeld in de artikelen
12, § 1, 12ter, 36/2, 36/3 en haar opdrachten binnen het
ESCB uit te voeren.”
Art. 699
In Hoofdstuk IV van dezelfde wet wordt een artikel
35/1 ingevoegd, luidende:
“Art. 35/1. § 1. In afwijking van artikel 35 en binnen
de grenzen van het recht van de Europese Unie mag
de Bank vertrouwelijke informatie meedelen:
1° die zij ontvangen heeft in het kader van de uitvoe-
ring van haar opdracht als bedoeld in artikel 39 van de
wet van 11 januari 1993 tot voorkoming van het gebruik
van het financiële stelsel voor het witwassen van geld
en de financiering van terrorisme,
a) aan de autoriteiten van de Europese Unie en
van andere lidstaten van de Europese Economische
Ruimte, alsook aan de autoriteiten van derde Staten
die een bevoegdheid uitoefenen die vergelijkbaar is
met die als bedoeld in artikel 39 van de voormelde wet
van 11 januari 1993;
b) aan de bevoegde autoriteiten van de Europese
Unie en van andere lidstaten van de Europese
Economische Ruimte en aan de bevoegde autoriteiten
van derde Staten die één of meerdere bevoegdheden
uitoefenen die vergelijkbaar zijn met die als bedoeld
in de artikelen 36/2 en 36/3, alsook aan de Europese
Centrale Bank voor wat betreft de taken die haar zijn
opgedragen bij Verordening (EU) nr. 1024/2013 van de
2° pour dénoncer des infractions pénales aux auto-
rités judiciaires;
3° dans le cadre de recours administratifs ou juri-
dictionnels contre les actes ou décisions de la Banque
ou dans le cadre de toute autre instance à laquelle la
Banque est partie;
4° sous une forme sommaire ou agrégée de façon
à ce que des personnes physiques ou morales indivi-
duelles ne puissent pas être identifiées.
La Banque peut rendre publique la décision de dé-
noncer des infractions pénales aux autorités judiciaires.
§ 3. Dans les limites du droit de l’Union européenne
et des éventuelles restrictions expressément prévues
par ou en vertu d’une loi, la Banque peut faire usage
des informations confidentielles qu’elle détient dans le
cadre de ses missions légales, pour l’accomplissement
de ses missions visées aux articles 12, § 1er, 12ter, 36/2,
36/3 et de ses missions au sein du SEBC.”.
Art. 699
Dans le Chapitre IV de la même loi, il est inséré un
article 35/1 rédigé comme suit:
“Art. 35/1. § 1er. Par dérogation à l’article 35 et dans
les limites du droit de l’Union européenne, la Banque
peut communiquer des informations confidentielles:
1° reçues dans le cadre de l’exercice de sa mission
visée à l’article 39 de la loi du 11 janvier 1993 relative
à la prévention de l’utilisation du système financier aux
fins du blanchiment de capitaux et du financement du
terrorisme,
a) aux autorités de l’Union européenne et d’autres
États membres de l’Espace économique européen
ainsi qu’aux autorités d’États tiers qui exercent une
compétence comparable à celle visée à l’article 39 de
la loi précitée du 11 janvier 1993;
b) aux autorités compétentes de l’Union européenne
et d’autres États membres de l’Espace économique
européen et aux autorités compétentes d’États tiers qui
exercent une ou plusieurs compétences comparables
à celles visées aux articles 36/2 et 36/3, ainsi qu’à la
Banque centrale européenne en ce qui concerne les
missions qui lui sont confiées par le Règlement (UE)
n° 1024/2013 du Conseil du 15 octobre 2013 confiant à la
1160
1584/002
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
Raad van 15 oktober 2013 waarbij aan de Europese
Centrale Bank specifieke taken worden opgedragen
betreffende het beleid inzake het prudentieel toezicht
op kredietinstellingen;
2° in het kader van de uitvoering van haar taak als
bedoeld in artikel 12ter, § 1, en met het oog op de uit-
oefening van die taak,
a) aan de afwikkelingsautoriteiten van de Europese
Unie en van andere lidstaten van de Europese
Economische Ruimte, alsook aan de autoriteiten van
derde Staten die belast zijn met taken die te vergelijken
zijn met die als bedoeld in artikel 12ter, § 1;
b) aan de personen of autoriteiten als bedoeld in
artikel 36/14, § 1, 1°, 2°, 3°, 4°, 5°, 8°, 11°, 18° en 19°;
c) aan de minister van Financiën;
d) aan iedere andere persoon, ongeacht of hij onder
het Belgische recht of onder een buitenlands recht valt,
wanneer dit noodzakelijk is voor het plannen of uitvoeren
van een afwikkelingsmaatregel, en met name,
— aan de bijzondere bestuurders die krachtens arti-
kel 281, § 2 van de wet van 25 april 2014 op het statuut
van en het toezicht op kredietinstellingen zijn benoemd;
— aan het orgaan dat bevoegd is voor de financie-
ringsregelingen voor de afwikkeling;
— aan auditors, boekhouders, juridische en profes-
sionele adviseurs, taxateurs en andere deskundigen
die rechtstreeks of onrechtstreeks door de Bank, een
afwikkelingsautoriteit, een bevoegd ministerie of een
potentiële verwerver in de arm zijn genomen;
— aan een overbruggingsinstelling als bedoeld in
artikel 260 van de wet van 25 april 2014 op het statuut
van en het toezicht op kredietinstellingen of aan een
vehikel voor activabeheer als bedoeld in artikel 265 van
dezelfde wet;
— aan de personen of autoriteiten als bedoeld in
artikel 36/14, § 1, 6°, 7°, 9°, 10°, 12°, 15° et 20°;
— aan de potentiële verwervers van effecten of
tegoeden die respectievelijk zijn uitgegeven of worden
aangehouden door de instelling die het voorwerp uit-
maakt van een afwikkelingsprocedure.
e) onverminderd de punten a) tot d), aan elke per-
soon of autoriteit die met een taak of opdracht is belast
als bedoeld in Richtlijn 2014/59/EU van het Europees
Parlement en de Raad van 15 mei 2014 betreffende de
Banque centrale européenne des missions spécifiques
ayant trait aux politiques en matière de surveillance
prudentielle des établissements de crédit;
2° dans le cadre de l’exercice de sa mission visée
à l’article 12ter, § 1er, et aux fins de l’accomplissement
de cette mission,
a) aux autorités de résolution de l’Union européenne
et d’autres États membres de l’Espace économique
européen, ainsi qu’aux autorités d’États tiers chargées
de missions équivalentes à celles visées à l’article
12ter, § 1er;
b) aux personnes ou autorités visées à l’article 36/14,
§ 1er, 1°, 2°, 3°, 4°, 5°, 8°, 11°, 18° et 19°;
c) au ministre des Finances;
d) à toute personne, qu’elle soit de droit belge ou
qu’elle relève d’un droit étranger, lorsque cela s’avère
nécessaire à la planification ou à la réalisation d’une
action de résolution, et notamment,
— aux administrateurs spéciaux nommés en vertu
de l’article 281, § 2 de la loi du 25 avril 2014 relative
au statut et au contrôle des établissements de crédit;
— à l’organe chargé des dispositifs de financement
pour la résolution;
— aux auditeurs, comptables, conseillers juridiques
et professionnels, évaluateurs et autres experts enga-
gés directement ou indirectement par la Banque, une
autorité de résolution, un ministère compétent ou un
acquéreur potentiel;
— à un établissement-relais visé à l’article 260 de la
loi du 25 avril 2014 relative au statut et au contrôle des
établissements de crédit ou à une structure de gestion
des actifs visée à l’article 265 de la même loi;
— aux personnes ou autorités visées à l’article 36/14,
§ 1er, 6°, 7°, 9°, 10°, 12°, 15° et 20°;
— aux acquéreurs potentiels de titres ou d’avoirs
respectivement émis ou détenus par l’établissement
faisant l’objet d’une procédure de résolution.
e) sans préjudice des points a) à d), à toute personne
ou autorité investie d’une fonction ou d’une mission en
vertu de la Directive 2014/59/UE du Parlement européen
et du Conseil du 15 mai 2014 établissant un cadre pour
1161
1584/002
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
totstandbrenging van een kader voor het herstel en de
afwikkeling van kredietinstellingen en beleggingsonder-
nemingen, wanneer de mededeling van vertrouwelijke
informatie over een persoon als bedoeld in artikel 1, lid
1, onder a), b), c) of d) van de genoemde Richtlijn voor-
afgaandelijk werd goedgekeurd door deze persoon of
door de autoriteit die ten aanzien van die persoon een
taak uitoefent die te vergelijken is met die als bedoeld in
artikel 12, § 1 en artikel 12ter, wanneer deze informatie
afkomstig is van deze persoon of autoriteit;
§ 2. De Bank mag enkel vertrouwelijke informatie
krachtens paragraaf 1 meedelen op voorwaarde dat de
autoriteiten, instellingen of personen die deze informatie
ontvangen, deze informatie gebruiken voor de uitvoering
van hun opdrachten, en dat zij, wat die informatie betreft,
aan een beroepsgeheim zijn gebonden dat te vergelijken
is met dat als bedoeld in artikel 35. Bovendien mag de
informatie die afkomstig is van een autoriteit van een
andere lidstaat enkel bekendgemaakt worden aan een
autoriteit van een derde Staat mits deze autoriteit uit-
drukkelijk akkoord gaat met deze bekendmaking, en,
in voorkomend geval, mits de informatie alleen voor de
door deze autoriteit toegestane doeleinden bekendge-
maakt wordt. Evenzo mag de informatie die afkomstig is
van een autoriteit van een derde Staat enkel bekendge-
maakt worden mits deze autoriteit uitdrukkelijk akkoord
gaat met deze bekendmaking, en, in voorkomend geval,
mits de informatie alleen voor de door deze autoriteit
toegestane doeleinden bekendgemaakt wordt.
De Bank mag enkel vertrouwelijke informatie krach-
tens paragraaf 1 meedelen aan de autoriteiten van
derde Staten waarmee zij een samenwerkingsakkoord
heeft gesloten waarin wordt voorzien in de uitwisseling
van informatie.
§ 3. Onverminderd de strengere bepalingen van de
bijzondere wetten die op hen van toepassing zijn, zijn
de Belgische personen, autoriteiten en instellingen ge-
bonden aan het in artikel 35 bedoelde beroepsgeheim
voor wat betreft de vertrouwelijke informatie die zij van
de Bank ontvangen met toepassing van paragraaf 1.”
Art. 700
In artikel 36/1 van dezelfde wet, laatstelijk gewijzigd
bij de wet van 25 april 2014, worden de volgende wijzi-
gingen aangebracht:
1° de bepaling onder 6° wordt vervangen als volgt:
“6° “verzekeringsonderneming of herverzekerings-
onderneming”: een onderneming als bedoeld in artikel
le redressement et la résolution des établissements de
crédit et des entreprises d’investissement, lorsque la
communication des informations confidentielles concer-
nant une personne visée à l’article 1er, paragraphe 1er,
point a), b), c) ou d) de ladite Directive a été préalable-
ment approuvée par cette personne ou par l’autorité qui
exerce une mission identique à celles visées aux articles
12, § 1er et 12ter à l’égard de cette personne, lorsque les
informations proviennent de cette personne ou autorité.
§ 2. La Banque ne peut communiquer des informa-
tions confidentielles en vertu du paragraphe 1er qu’à la
condition qu’elles soient destinées à l’accomplissement
des missions des autorités, organismes ou personnes
qui en sont les destinataires et que les informations
soient dans leur chef couvertes par un devoir de secret
professionnel équivalent à celui prévu à l’article 35.
En outre, les informations provenant d’une autorité
d’un autre État membre ne peuvent être divulguée à
une autorité d’un État tiers qu’avec l’accord explicite
de cette autorité et, le cas échéant, aux seules fins
pour lesquelles cette autorité a marqué son accord. De
même, les informations provenant d’une autorité d’un
État tiers ne peuvent être divulguée qu’avec l’accord
explicite de cette autorité et, le cas échéant, aux seules
fins pour lesquelles cette autorité a marqué son accord.
La Banque ne peut communiquer des informations
confidentielles en vertu du paragraphe 1er qu’aux
seules autorités d’État tiers avec lesquelles elle a
conclu un accord de coopération prévoyant un échange
d’information.
§ 3. Sans préjudice des dispositions plus sévères
des lois particulières qui les régissent, les personnes,
autorités et organismes belges sont tenus au secret
professionnel prévu à l’article 35 quant aux informa-
tions confidentielles qu’ils reçoivent de la Banque en
application du paragraphe 1er.”
Art. 700
Dans l’article 36/1 de la même loi, modifié en dernier
lieu par la loi du 25 avril 2014, les modifications suivantes
sont apportées:
1° le 6° est remplacé par ce qui suit:
“6° “entreprise d’assurance ou de réassurance”: toute
entreprise visée à l’article 5, alinéa 1er, 1° ou 2° de la
1162
1584/002
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
5, eerste lid, 1° of 2° van de wet van [____] 2015 op
het statuut van en het toezicht op verzekerings- of
herverzekeringsondernemingen;”;
2° de bepaling onder 7° wordt opgeheven.
Art. 701
In artikel 36/2 van dezelfde wet, laatstelijk gewijzigd
bij de wet van 25 april 2014, worden de volgende wijzi-
gingen aangebracht:
1° er wordt een tweede lid ingevoegd, luidende:
“Voor het toezicht op de verzekeringsondernemingen
duidt de Bank binnen het directiecomité of onder de
personeelsleden een vertegenwoordiger aan die met
raadgevende stem zitting heeft in het beheerscomité
en in bepaalde technische comités van het Fonds voor
arbeidsongevallen.”;
2° in het tweede lid, waarvan de bestaande tekst met
toepassing van de bepaling onder 1° van dit artikel het
derde lid zal vormen, worden de woorden “het vorige
lid” vervangen door de woorden “het eerste lid”;
3° het vierde lid, a), waarvan de bestaande tekst met
toepassing van de bepaling onder 1° van dit artikel het
vijfde lid, a) zal vormen, wordt aangevuld met de woor-
den “en van de Europese Autoriteit voor verzekeringen
en bedrijfspensioenen”;
4° in het vierde lid, b), waarvan de bestaande tekst
met toepassing van de bepaling onder 1° van dit artikel
het vijfde lid, b) zal vormen, worden de woorden “en door
de Europese Autoriteit voor verzekeringen en bedrijfs-
pensioenen” ingevoegd tussen de woorden “door de
Europese Bankautoriteit” en de woorden “vastgestelde
maatregelen”.
Art. 702
In artikel 36/3, § 2 van dezelfde wet, laatstelijk gewij-
zigd bij de wet van 25 april 2014, worden de woorden
“en de verzekerings- en herverzekeringsondernemin-
gen” ingevoegd tussen de woorden “met uitzondering
van de kredietinstellingen” en de woorden “, welke als
systeemrelevant moeten worden beschouwd”.
loi du [____] 2015 relative au statut et au contrôle des
entreprises d’assurance ou de réassurance;”;
2° le 7° est abrogé.
Art. 701
Dans l’article 36/2, de la même loi, modifié en dernier
lieu par la loi du 25 avril 2014, les modifications suivantes
sont apportées:
1° il est inséré un alinéa 2 rédigé comme suit:
“S’agissant du contrôle des entreprises d’assurance,
la Banque désigne au sein du comité de direction ou
parmi les membres du personnel un représentant qui
siège avec voix consultative au comité de gestion et à
certains comités techniques du Fonds des accidents
du travail.”;
2° à l’alinéa 2, dont le texte actuel formera l’ali-
néa 3 en application du 1° du présent article, les mots
“à l’alinéa précédent,” sont remplacés par les mots “à
l’alinéa 1er,”;
3° l’alinéa 4, a), dont le texte actuel formera l’alinéa 5,
a) en application du 1° du présent article, est complété
par les mots “et de l’Autorité européenne des assu-
rances et des pensions professionnelles”;
4° à l’alinéa 4, b), dont le texte actuel formera l’alinéa
5, b) en application du 1° du présent article, les mots
“et par l’Autorité européenne des assurances et des
pensions professionnelles” sont insérés entre les mots
“par l’Autorité bancaire européenne” et les mots “et, si
elle ne le fait pas,”.
Art. 702
Dans l’article 36/3, § 2 de la même loi, modifié en
dernier lieu par la loi du 25 avril 2014, les mots “et des
entreprises d’assurance et de réassurance” sont insé-
rés entre les mots “à l’exception des établissements de
crédit” et les mots “, ceux qui doivent être considérés
comme systémiques”.
1163
1584/002
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
Art. 703
In artikel 36/6 van dezelfde wet, laatstelijk gewijzigd
bij de wet van 25 april 2014, wordt paragraaf 2 vervan-
gen als volgt:
“§ 2. De Bank verstrekt op haar website eveneens de
volgende informatie:
1° naast de wetgeving op het statuut van en het
toezicht op de kredietinstellingen en de beursvennoot-
schappen en de wetgeving op het statuut van en het
toezicht op de verzekerings- en herverzekeringsonder-
nemingen, evenals de besluiten, reglementen en circu-
laires genomen in uitvoering of met toepassing van deze
wetgeving of van de Europeesrechtelijke verordeningen
ter zake, een omzettingstabel van de bepalingen van de
Europese richtlijnen inzake prudentieel toezicht op kre-
dietinstellingen en beursvennootschappen en toezicht
op de verzekerings- en herverzekeringsondernemingen,
met opgaaf van de gekozen opties;
2° de doelstellingen van het toezicht dat door haar
wordt uitgeoefend met toepassing van de in 1° bedoelde
wetgeving en de taken en activiteiten die zij in die hoe-
danigheid uitoefent, in het bijzonder de toetsingscriteria
en de methodiek die zij gebruikt bij haar beoordeling als
bedoeld in artikel 142 van de wet van 25 april 2014 op het
statuut van en het toezicht op de kredietinstellingen en
in de artikelen 318 tot 321 van de wet van [__] 2015 op
het statuut van en het toezicht op verzekerings- en
herverzekeringsondernemingen;
3° geaggregeerde statistische gegevens over de
belangrijkste aspecten inzake toepassing van de in 1°
bedoelde wetgeving;
4° andere informatie, als voorgeschreven bij de
besluiten en reglementen genomen in uitvoering van
deze wet.
De in het eerste lid bedoelde informatie wordt bekend-
gemaakt volgens de richtsnoeren die in voorkomend
geval zijn opgesteld door de Europese Commissie, de
Europese Bankautoriteit of de Europese Autoriteit voor
verzekeringen en bedrijfspensioenen. De Bank zorgt
voor een geregelde actualisering van de op haar website
verstrekte informatie.
De Bank maakt ook alle andere informatie bekend
die vereist is met toepassing van de Unierechtelijke
handelingen die van toepassing zijn op het vlak van het
toezicht op kredietinstellingen en beursvennootschap-
pen en op het vlak van het toezicht op verzekerings- en
herverzekeringsondernemingen.
Art. 703
Dans l’article 36/6 de la même loi, modifié en der-
nier lieu par la loi du 25 avril 2014, le paragraphe 2 est
remplacé par ce qui suit:
“§ 2. La Banque fournit également sur son site internet
les informations suivantes:
1° outre la législation relative au statut et au contrôle
des établissements de crédit et des sociétés de bourse
et la législation relative au statut et au contrôle des
entreprises d’assurance et de réassurance, ainsi que les
arrêtés, règlements et circulaires pris en exécution ou
en application de ces législations ou des règlements du
droit de l’Union européenne relatifs à ces matières, un
tableau de transposition des dispositions des directives
européennes relatives à la surveillance prudentielle des
établissements de crédit et des sociétés de bourse et
à la surveillance des entreprises d’assurance et de
réassurance, indiquant les options retenues;
2° les objectifs du contrôle qu’elle exerce en appli-
cation des législations visées au 1° et les fonctions et
activités exercées à ce titre, en particulier, les critères
de vérification et les méthodes qu’elle utilise pour
procéder à l’évaluation visée à l’article 142 de la loi
du 25 avril 2014 relative au statut et au contrôle des
établissements de crédit et aux articles 318 à 321 de
la loi du [__] 2015 relative au statut et au contrôle des
entreprises d’assurance et de réassurance;
3° des données statistiques agrégées sur les prin-
cipaux aspects relatifs à l’application des législations
visées au 1°;
4° toute autre information prescrite par les arrêtés et
règlements pris en exécution de la présente loi.
Les informations visées à l’alinéa 1er sont publiées
selon les lignes directrices établies, le cas échéant,
par la Commission européenne, l’Autorité bancaire
européenne ou l’Autorité européenne des assurances
et des pensions professionnelles. La Banque veille à
actualiser régulièrement les informations fournies sur
son site internet.
La Banque publie également toutes autres infor-
mations requises en application des actes du droit de
l’Union européenne applicables dans le domaine du
contrôle des établissements de crédit et des sociétés de
bourse et dans le domaine du contrôle des entreprises
d’assurance et de réassurance.
1164
1584/002
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
De Bank kan volgens de modaliteiten die zij vaststelt
en met inachtneming van het recht van de Europese
Unie de resultaten bekendmaken van de stresstests
die zij overeenkomstig het recht van de Europese Unie
heeft uitgevoerd.”.
Art. 704
In Hoofdstuk IV/1, Afdeling 1 van dezelfde wet wordt
een artikel 36/7/1 ingevoegd, luidende:
“Art. 36/7/1. Tegen een personeelslid van een finan-
ciële instelling als bedoeld in artikel 36/2 die de Bank
te goeder trouw heeft ingelicht over een feitelijke of
vermeende inbreuk op de wetten en reglementen die het
statuut van en het toezicht op de genoemde financiële
instellingen regelen, kunnen geen burgerrechtelijke,
strafrechtelijke of tuchtrechtelijke vorderingen worden
ingesteld, noch professionele sancties worden uitge-
sproken omwille van het feit dat hij deze informatie
heeft verstrekt.
Elke nadelige of discriminatoire behandeling van deze
persoon alsook elke verbreking van de arbeidsverhou-
ding naar aanleiding van de melding die deze persoon
heeft verricht, is verboden.
In geval van niet-naleving van het eerste en het
tweede lid kan de Bank een administratieve sanctie
uitspreken met toepassing van de bepalingen betref-
fende administratieve sancties die opgenomen zijn in
de wetgeving met betrekking tot het statuut van en het
toezicht op instellingen als bedoeld in artikel 36/2.”.
Art. 705
Artikel 36/13 van dezelfde wet wordt opgeheven.
Art. 706
In artikel 36/14 van dezelfde wet, laatstelijk gewijzigd
bij de wet van 25 april 2014, worden de volgende wijzi-
gingen aangebracht:
1° in paragraaf 1, 5° worden de woorden “deposito-
of beleggersbeschermingsregeling” vervangen door
de woorden “beschermingsregeling voor deposito’s,
beleggers of levensverzekeringen”;
2° paragraaf 1, 12° wordt vervangen als volgt:
“12° binnen de grenzen van het recht van de Europese
Unie, aan de Belgische mededingingsautoriteit;”;
La Banque peut publier, selon les modalités qu’elle
détermine et dans le respect du droit de l’Union euro-
péenne, les résultats des tests de résistance conduits
conformément au droit de l’Union européenne.”.
Art. 704
Dans le Chapitre IV/1, Section 1re, de la même loi, il
est inséré un article 36/7/1 rédigé comme suit:
“Art. 36/7/1. Le membre du personnel d’un établis-
sement financier visé à l’article 36/2 qui a informé la
Banque, de bonne foi, d’une infraction supposée ou
avérée aux lois et règlements qui régissent le statut et le
contrôle desdits établissements financiers, ne peut faire
l’objet d’aucune action civile, pénale ou disciplinaire ni
se voir imposer aucune sanction professionnelle, qui
serait intentée ou prononcée en raison du fait qu’il a
procédé à ladite information.
Tout traitement défavorable ou discriminatoire à
l’égard de cette personne ainsi que toute rupture de la
relation de travail en raison du signalement auquel cette
personne a procédé, est interdit.
En cas de manquement aux alinéas 1er et 2, la Banque
peut prononcer une sanction administrative en applica-
tion des dispositions relatives aux sanctions administra-
tives contenues dans les législations régissant le statut
et le contrôle des établissements visés à l’article 36/2.”.
Art. 705
L’article 36/13 de la même loi est abrogé.
Art. 706
Dans l’article 36/14 de la même loi, modifié en dernier
lieu par la loi du 25 avril 2014, les modifications suivantes
sont apportées:
1° au paragraphe 1er, 5°, les mots “système de protec-
tion des dépôts ou des investisseurs;” sont remplacés
par les mots “système de protection des dépôts, des
investisseurs ou des assurances sur la vie;”;
2° le paragraphe 1er, 12°, est remplacé par ce qui suit:
“12° dans les limites du droit de l’Union européenne,
à l’Autorité belge de la concurrence;”;
1165
1584/002
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
3° in paragraaf 1 wordt een bepaling onder 21° inge-
voegd, luidende:
“21° aan de Controledienst voor de ziekenfondsen
en de landsbonden van ziekenfondsen, voor de uit-
oefening van zijn wettelijke opdrachten als bedoeld
in artikel 303, § 3 van de wet van [___] 2015 op het
statuut van en het toezicht op verzekerings- of herver-
zekeringsondernemingen, met betrekking tot de maat-
schappijen van onderlinge bijstand als bedoeld in artikel
43bis, § 5 of artikel 70, § § 6, 7 en 8 van de wet van
6 augustus 1990 betreffende de ziekenfondsen en de
landsbonden van ziekenfondsen en hun verrichtingen;”;
4° in paragraaf 1 wordt een bepaling onder 22° inge-
voegd, luidende:
“22° binnen de grenzen van het recht van de
Europese Unie, aan de afwikkelingsautoriteiten als
bedoeld in artikel 3 van Richtlijn 2014/59/EU van het
Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 be-
treffende de totstandbrenging van een kader voor het
herstel en de afwikkeling van kredietinstellingen en be-
leggingsondernemingen, aan de autoriteiten van derde
Staten die belast zijn met taken die te vergelijken zijn met
die als bedoeld in artikel 12ter, § 1, waarmee de Bank
een samenwerkingsakkoord heeft gesloten waarin wordt
voorzien in de uitwisseling van informatie, alsook aan de
bevoegde ministeries van de lidstaten van de Europese
Economische Ruimte, wanneer dit noodzakelijk is voor
het plannen of uitvoeren van afwikkelingsmaatregel.”;
5° in paragraaf 3 wordt het woord “personen,” inge-
voegd tussen de woorden “de in § 1 bedoelde Belgische”
en de woorden “autoriteiten en instellingen”.
Art. 707
In artikel 36/16 van dezelfde wet, laatstelijk gewijzigd
bij het koninklijk besluit van 12 november 2013, worden
de volgende wijzigingen aangebracht:
1° paragraaf 1 wordt aangevuld met een lid, luidende:
“Overeenkomstig het recht van de Europese
Unie werkt de Bank ook samen met De Europese
Bankautoriteit, de Europese Autoriteit voor verzeke-
ringen en bedrijfspensioenen, de Europese Autoriteit
voor effecten en markten en de Europese Centrale
Bank voor wat betreft de taken die haar zijn opge-
dragen bij Verordening (EU) nr. 1024/2013 van de
Raad van 15 oktober 2013 waarbij aan de Europese
Centrale Bank specifieke taken worden opgedragen
3° au paragraphe 1er, il est inséré un 21° rédigé
comme suit:
“21° à l’Office de contrôle des mutualités et des
unions nationales de mutualités, pour l’exercice de
ses missions légales visées à l’article 303, § 3 de la
loi du [___] 2015 relative au statut et au contrôle des
entreprises d’assurance ou de réassurance, en ce qui
concerne les sociétés mutualistes visées à l’article
43bis, § 5, ou à l’article 70, § § 6, 7 et 8, de la loi du
6 août 1990 relative aux mutualités et aux unions natio-
nales de mutualités et leurs opérations;”;
4° au paragraphe 1er, il est inséré un 22° rédigé
comme suit:
“22° dans les limites du droit de l’Union européenne,
aux autorités de résolution visées à l’article 3 de la
Directive 2014/59/UE du Parlement européen et du
Conseil du 15 mai 2014 établissant un cadre pour le
redressement et la résolution des établissements de
crédit et des entreprises d’investissement, aux autorités
d’États tiers chargées de missions équivalentes à celles
visées à l’article 12ter, § 1er avec lesquelles la Banque a
conclu un accord de coopération prévoyant un échange
d’information, ainsi qu’aux ministères compétents des
États membres de l’Espace économique européen
lorsque cela s’avère nécessaire à la planification ou à
la réalisation d’une action de résolution.”;
5° au paragraphe 3, le mot “personnes,” est inséré
entre les mots “qui les régissent, les” et les mots “auto-
rités et organismes belges”.
Art. 707
Dans l’article 36/16 de la même loi, modifié en dernier
lieu par l’arrêté royal du 12 novembre 2013, les modifi-
cations suivantes sont apportées:
1° le paragraphe 1er est complété par un alinéa rédigé
comme suit:
“De même, conformément au droit de l’Union euro-
péenne, la Banque coopère avec l’Autorité bancaire
européenne, l’Autorité européenne des assurances et
des pensions professionnelles, l’Autorité européenne
des marchés financiers, ainsi que la Banque centrale
européenne en ce qui concerne les missions qui lui
sont confiées par le Règlement (UE) n° 1024/2013 du
Conseil du 15 octobre 2013 confiant à la Banque cen-
trale européenne des missions spécifiques ayant trait
1166
1584/002
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
betreffende het beleid inzake het prudentieel toezicht
op kredietinstellingen.”;
2° in paragraaf 2 worden de woorden “eerste lid,”
ingevoegd tussen de woorden “waarvan sprake in § 1,”
en de woorden “overeenkomsten”;
3° paragraaf 3 wordt opgeheven.
Art. 708
In artikel 36/22 van dezelfde wet, laatstelijk gewijzigd
bij de wet van 27 mei 2014, worden de volgende wijzi-
gingen aangebracht:
1° in de bepaling onder 7° worden de woorden “krach-
tens artikel 4 van de wet van 9 juli 1975 betreffende de
controle der verzekeringsondernemingen; eenzelfde
beroep kan worden ingesteld indien de Bank geen
uitspraak heeft gedaan binnen de termijn vastgelegd
bij het vierde lid van voormeld artikel 4; in dit laatste
geval wordt het beroep behandeld als was de aanvraag
verworpen bij het verstrijken van de termijn;” vervangen
door de woorden “krachtens de artikelen 28 en 584 van
de wet van [___] 2015 op het statuut van en het toezicht
op verzekerings- of herverzekeringsondernemingen;”;
2° de bepaling onder 8° wordt opgeheven;
3° de bepaling onder 9° wordt vervangen als volgt:
“9° door de verzekerings- of herverzekeringsonder-
neming, tegen de beslissingen tot tariefverhoging die
de Bank heeft genomen krachtens artikel 504 van de
voormelde wet van [___] 2015;”;
4° de bepaling onder 10° wordt vervangen als volgt:
“10° door de verzekerings- of herverzekeringson-
derneming, tegen de beslissingen die de Bank heeft
genomen krachtens artikel 517, § 1, 1°, 2°, 4°, 6° en 7°
van de voormelde wet van [___] 2015;”;
5° de bepaling onder 11° wordt vervangen als volgt:
“11° door de verzekerings- of herverzekeringsonder-
neming, tegen de beslissingen tot herroeping van de
vergunning die de Bank heeft genomen krachtens de
artikelen 517, § 1, 8°, 541 en 598, § 2 van de voormelde
wet van [___] 2015;”;
6° de bepaling onder 12° wordt vervangen als volgt:
“12° door de verzekeringsonderneming, tegen de
beslissingen tot verzet die de Bank heeft genomen
aux politiques en matière de surveillance prudentielle
des établissements de crédit.”;
2° au paragraphe 2, les mots “, alinéa 1er,” sont insérés
entre les mots “visées au § 1er” et les mots “des accords”;
3° le paragraphe 3 est abrogé.
Art. 708
Dans l’article 36/22 de la même loi, modifié en dernier
lieu par la loi du 27 mai 2014, les modifications suivantes
sont apportées:
1° au 7°, les mots “en vertu de l’article 4 de la loi du
9 juillet 1975 relative au contrôle des entreprises d’assu-
rances; un même recours est ouvert lorsque la Banque
n’a pas statué dans les délais fixés à l’alinéa 4 de l’ar-
ticle 4 précité; dans ce dernier cas, le recours est traité
comme s’il y avait eu rejet de la demande;” sont rem-
placés par les mots “en vertu des articles 28 et 584 de
la loi du [___] 2015 relative au statut et au contrôle des
entreprises d’assurance ou de réassurance;”;
2° le 8° est abrogé;
3° le 9° est remplacé par ce qui suit:
“9° à l’entreprise d’assurance ou de réassurance,
contre les décisions de relèvement de tarif prises par
la Banque en vertu de l’article 504 de la loi du [___]
2015 précitée;”;
4° le 10° est remplacé par ce qui suit:
“10° à l’entreprise d’assurance ou de réassurance,
contre les décisions prises par la Banque en vertu de
l’article 517, § 1er, 1°, 2°, 4°, 6° et 7°, de la loi du [___]
2015 précitée;”;
5° le 11° est remplacé par ce qui suit:
“11° à l’entreprise d’assurance ou de réassurance,
contre les décisions de révocation de l’agrément prises
par la Banque en vertu de des articles 517, § 1er, 8°,
541 et 598, § 2 de la loi du [___] 2015 précitée;”;
6° le 12° est remplacé par ce qui suit:
“12° à l’entreprise d’assurance, contre les décisions
d’opposition prises par la Banque en vertu des articles
1167
1584/002
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
krachtens de artikelen 108, § 3 en 115, § 2 van de
voormelde wet van [___] 2015, of wanneer de Bank
geen beslissing heeft meegedeeld binnen de termijnen
vastgelegd in de artikelen 108, § 3, tweede lid en 115,
§ 2, tweede lid van dezelfde wet;”;
7° er wordt een bepaling onder 12bis° ingevoegd,
luidende:
“12bis° door de verzekeringsonderneming, tegen
de beslissingen die de Bank heeft genomen krachtens
artikel 569 van de voormelde wet van [___] 2015;”;
8° de bepaling onder 14° wordt opgeheven;
9° de bepaling onder 15° wordt vervangen als volgt:
“15° door de herverzekeringsonderneming, tegen
de beslissingen tot verzet die de Bank heeft genomen
krachtens de artikelen 114 en 121 van de voormelde wet,
voor zover zij respectievelijk verwijzen naar de artikelen
108, § 3 en 115, § 2 van dezelfde wet of wanneer de Bank
geen beslissing heeft meegedeeld binnen de termijnen
vastgelegd in de artikelen 108, § 3, tweede lid en 121,
2° van dezelfde wet;”;
10° de bepaling onder 16° wordt opgeheven;
11° de bepaling onder 17° wordt opgeheven;
12° de bepaling onder 18° wordt vervangen als volgt:
“18° door de herverzekeringsonderneming, tegen
de beslissingen die de Bank heeft genomen krachtens
de artikelen 600 en 601, voor zover zij respectievelijk
verwijzen naar de artikelen 580 en 598 van de voor-
melde wet;”;
13° de bepaling onder 22° wordt vervangen als volgt:
“22° door de betrokken instelling, tegen de be-
slissingen die de Bank heeft genomen krachtens
artikel 517, § 6 van de wet van [___] 2015 op het
statuut van en het toezicht op verzekerings- of
herverzekeringsondernemingen;”;
14° in de bepaling onder 35° worden de woorden “arti-
kel 74, § 1, derde lid van de wet van 16 februari 2009 op
het herverzekeringsbedrijf” vervangen door de woor-
den “artikel 603, § 2 van de wet van [___] 2015 op
het statuut van en het toezicht op verzekerings- of
herverzekeringsondernemingen”.
108, § 3 et 115, § 2 de la loi du [___] 2015 précitée ou
lorsque la Banque n’a pas notifié de décision dans les
délais fixés aux articles 108, § 3, alinéa 2 et 115, § 2,
alinéa 2, de la même loi;”;
7° il est inséré un 12bis° rédigé comme suit:
“12bis° à l’entreprise d’assurance, contre les déci-
sions prises par la Banque en vertu de l’article 569 de
la loi du [___] 2015 précitée;”;
8° le 14° est abrogé;
9° le 15° est remplacé par ce qui suit:
“15° à l’entreprise de réassurance, contre les déci-
sions d’opposition prises par la Banque en vertu des
articles 114 et 121 de la loi précitée en ce qu’ils réfèrent
respectivement aux articles 108, § 3 et 115, § 2 de la
même loi ou lorsque la Banque n’a pas notifié de déci-
sion dans les délais fixés aux articles 108, § 3, alinéa
2, et 121, 2°, de la même loi;”;
10° le 16° est abrogé;
11° le 17° est abrogé;
12° le 18° est remplacé par ce qui suit:
“18° à l’entreprise de réassurance, contre les déci-
sions prises par la Banque en vertu des articles 600 et
601 en ce qu’ils réfèrent respectivement aux articles
580 et 598 de la loi précitée;”;
13° le 22° est remplacé par ce qui suit:
“22° à l’établissement concerné, contre les décisions
prises par la Banque en vertu de l’article 517, § 6 de la
loi du [___] 2015 relative au statut et au contrôle des
entreprises d’assurance ou de réassurance;”;
14° au 35°, les mots “de l’article 74, § 1er, alinéa 3 de
la loi du 16 février 2009 relative à la réassurance,” sont
remplacés par les mots “de l’article 603, § 2 de la loi du
[___] 2015 relative au statut et au contrôle des entre-
prises d’assurance ou de réassurance,”.
1168
1584/002
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
Art. 709
In artikel 36/24, § 1, 1° van dezelfde wet, laatstelijk ge-
wijzigd bij de wet van 25 april 2014, worden de woorden
“ten opzichte van de wet van 9 juli 1975 betreffende de
controle der verzekeringsondernemingen,” vervangen
door de woorden “ten opzichte van de wet van [___]
2015 op het statuut van en het toezicht op verzekerings-
of herverzekeringsondernemingen,”.
HOOFDSTUK IX
Wijzigingen in de wet van
2 augustus 2002 betreffende het toezicht op de
financiële sector en de financiële diensten
Art. 710
In artikel 45, § 1, 3°, f, van de wet van
2 augustus 2002 betreffende het toezicht op de finan-
ciële sector en de financiële diensten, laatstelijk gewij-
zigd bij de wet van 25 april 2014, worden de woorden
“artikel 14bis van de wet van 9 juli 1975 betreffende
de controle der verzekeringsondernemingen,” vervan-
gen door de woorden “artikel 42 van de wet van [___]
2015 op het statuut van en het toezicht op verzekerings-
of herverzekeringsondernemingen,”.
Art. 711
In artikel 121, § 1, 4° van dezelfde wet, laatstelijk ge-
wijzigd bij de wet van 19 april 2014, worden de woorden
“artikel 82, § 1, eerste lid van de wet van 9 juli 1975 be-
treffende de controle der verzekeringsondernemingen,”
vervangen door de woorden “de artikelen 294, § 1,
1°, 295, § 1, 1°, 299, § 1 en 300, § 1 van de wet van
4 april 2014 betreffende de verzekeringen,”.
Art. 712
In artikel 122 van dezelfde wet, laatstelijk gewijzigd bij
het koninklijk besluit van 3 maart 2011, wordt de bepaling
onder 12° vervangen als volgt:
“12° door de verzekeringsonderneming, tegen de
beslissingen tot uitbreiding van het verzoek om inlich-
tingen die de FSMA heeft genomen krachtens artikel
286, § 3, van de wet van 4 april 2014 betreffende de
verzekeringen;”
Art. 709
Dans l’article 36/24, § 1er, 1°, de la même loi, modifié
en dernier lieu par la loi du 25 avril 2014, les mots “à la
loi du 9 juillet 1975 relative au contrôle des entreprises
d’assurances,” sont remplacés par les mots “à la loi du
[___] 2015 relative au statut et au contrôle des entre-
prises d’assurance ou de réassurance,”.
CHAPITRE IX
Modifications de la loi du 2 août 2002 relative à la
surveillance du secteur financier et aux services
financiers
Art. 710
Dans l’article 45, § 1er, 3°, f, de la loi du 2 août 2002 re-
lative à la surveillance du secteur financier et aux
services financiers, modifié en dernier lieu par la loi
du 25 avril 2014, les mots “l’article 14bis de la loi du
9 juillet 1975 relative au contrôle des entreprises d’assu-
rances,” sont remplacés par les mots “l’article 42 de la
loi du [___] 2015 relative au statut et au contrôle des
entreprises d’assurance ou de réassurance,”.
Art. 711
Dans l’article 121, § 1er, 4°, de la même loi, modifié
en dernier lieu par la loi du 19 avril 2014, les mots “de
l’article 82, § 1er, alinéa 1er, de la loi du 9 juillet 1975 rela-
tive au contrôle des entreprises d’assurances,” sont rem-
placés par les mots “des articles 294, § 1er, 1°, 295, § 1er,
1°, 299, § 1er et 300, § 1er de la loi du 4 avril 2014 relative
aux assurances,”.
Art. 712
Dans l’article 122 de la même loi, modifié en dernier
par l’arrêté royal du 3 mars 2011, le 12° est remplacé
par ce qui suit:
“12° à l’entreprise d’assurance contre les décisions
de demande d’extension de renseignements prises
par la FSMA en vertu de l’article 286, § 3, de la loi du
4 avril 2014 relative aux assurances;”.
1169
1584/002
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
HOOFDSTUK X
Wijzigingen in de programmawet (I) van
24 december 2002: wet op de aanvullende
pensioenen voor zelfstandigen
Art. 713
In artikel 42 van de programmawet (I) van
24 december 2002: wet op de aanvullende pensioe-
nen voor zelfstandigen, laatstelijk gewijzigd bij de wet
van 15 mei 2014, worden de volgende wijzigingen
aangebracht:
1° in de bepaling onder 2° worden de woorden
“bedoeld in artikel 2, § 1 of § 3, 5°, van de wet van
9 juli 1975 betreffende de controle der verzekeringson-
dernemingen,” vervangen door de woorden “bedoeld
in de Boeken II en III van de wet van [___]2015 op
het statuut van en het toezicht op verzekerings- of
herverzekeringsondernemingen,”;
2° in de bepaling onder 12° worden de woorden “de
wet van 9 juli 1975 betreffende de controle der verzeke-
ringsondernemingen” vervangen door de woorden “de
wet van [___]2015 op het statuut van en het toezicht
op verzekerings- of herverzekeringsondernemingen”.
Art. 714
Artikel 81 van dezelfde wet wordt opgeheven.
HOOFDSTUK XI
Wijziging in de wet van 28 april 2003 betreffende
de aanvullende pensioenen en het
belastingstelsel van die pensioenen en van
sommige aanvullende voordelen inzake sociale
zekerheid
Art. 715
In artikel 3, § 1 van de wet van 28 april 2003 betref-
fende de aanvullende pensioenen en het belastingstel-
sel van die pensioenen en van sommige aanvullende
voordelen inzake sociale zekerheid, laatstelijk gewijzigd
bij de wet van 15 mei 2014, worden de volgende wijzi-
gingen aangebracht:
1° in de bepaling onder 16° worden de woorden “een
instelling bedoeld in artikel 2, § 1 of § 3, 5°, van de
wet van 9 juli 1975” vervangen door de woorden “een
instelling bedoeld in de Boeken II en III van de wet van
[___] 2015”;
CHAPITRE X
Modifications de la loi programme (I) du
24 décembre 2002: loi sur les pensions
complémentaires des indépendants
Art. 713
Dans l’article 42 de la loi programme (I) du
24 décembre 2002: loi sur les pensions complémen-
taires des indépendants, modifié en dernier lieu par
la loi du 15 mai 2014, les modifications suivantes sont
apportées:
1° au 2°, les mots “visés à l’article 2, § 1er ou § 3,
5°, de la loi du 9 juillet 1975 relative au contrôle des
entreprises d’assurances,” sont remplacés par les mots
“visés aux Livres II et III de la loi du [___]2015 relative
au statut et au contrôle des entreprises d’assurance et
de réassurance,”;
2° au 12°, les mots “la loi du 9 juillet 1975 relative
au contrôle des entreprises d’assurances” sont rem-
placés par les mots “la loi du [___]2015 relative au
statut et au contrôle des entreprises d’assurance ou
de réassurance”.
Art. 714
L’article 81 de la même loi est abrogé.
CHAPITRE XI
Modification de la loi du 28 avril 2003 relative
aux pensions complémentaires et au régime
fiscal de celles-ci et de certains avantages
complémentaires en matière de sécurité sociale
Art. 715
Dans l’article 3, § 1er, de la loi du 28 avril 2003 relative
aux pensions complémentaires et au régime fiscal de
celles-ci et de certains avantages complémentaires en
matière de sécurité sociale, modifié en dernier lieu par
la loi du 15 mai 2014, les modifications suivantes sont
apportées:
1° au 16°, les mots “un organisme visé à l’article 2,
§ 1er ou § 3, 5°, de la loi du 9 juillet 1975” sont remplacés
par les mots “un organisme visé aux Livres II et III de la
loi du [___] 2015”;
1170
1584/002
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
2° in de bepaling onder 20° worden de woorden “de
wet van 9 juli 1975 betreffende de controle deze verze-
keringsondernemingen” vervangen door de woorden “de
wet van [___] 2015 op het statuut van en het toezicht
op verzekerings- of herverzekeringsondernemingen”.
HOOFDSTUK XII
Wijzigingen in de wet van
27 oktober 2006 betreffende het toezicht op de
instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening
Art. 716
In artikel 3, § 1 van de wet van 27 oktober 2006 be-
treffende het toezicht op de instellingen voor bedrijfspen-
sioenvoorziening wordt de bepaling onder 3° vervangen
als volgt:
“3° een verzekeringsonderneming bedoeld in
de Boeken II en III van de wet van [___]2015 op
het statuut van en het toezicht op verzekerings- of
herverzekeringsondernemingen.”
Art. 717
In artikel 5, tweede lid van dezelfde wet wordt de
bepaling onder 6° vervangen als volgt:
“6° van de Commissie voor Verzekeringen ingesteld
door artikel 301 van de wet van 4 april 2014 betreffende
de verzekeringen.”.
Art. 718
In artikel 139, eerste lid, 2de streepje van dezelfde wet
worden de woorden “, bedoeld in artikel 2, § 1, van de
wet van 9 juli 1975 betreffende de controle der verze-
keringsondernemingen;” vervangen door de woorden
“bedoeld in de Boeken II en III van de wet van [___]
2015 op het statuut van en het toezicht op verzekerings-
of herverzekeringsondernemingen;”.
Art. 719
Artikel 227 van dezelfde wet wordt opgeheven.
Art. 720
In artikel 228, § 3 van dezelfde wet worden de
woorden “ingesteld door artikel 41 van de wet van
2° au 20°, les mots “la loi du 9 juillet 1975 relative
au contrôle des entreprises d’assurances” sont rem-
placés par les mots “la loi du [___] 2015 relative au
statut et au contrôle des entreprises d’assurance ou
de réassurance”.
CHAPITRE XII
Modifications de la loi du 27 octobre 2006 relative
au contrôle des institutions de retraite
professionnelle
Art. 716
Dans l’article 3, § 1er, de la loi du 27 octobre 2006 re-
lative au contrôle des institutions de retraite profession-
nelle, le 3° est remplacé par ce qui suit:
“3° une entreprise d’assurance visée aux Livres II et
III de la loi du [___]2015 relative au statut et au contrôle
des entreprises d’assurance ou de réassurance.”
Art. 717
Dans l’article 5, alinéa 2, de la même loi, le 6° est
remplacé par ce qui suit:
“6° de la Commission des Assurances instituée
par l’article 301 de la loi du 4 avril 2014 relative aux
assurances.”.
Art. 718
Dans l’article 139, alinéa 1er, 2e tiret, de la même loi, les
mots “visée à l’article 2, § 1er, de la loi du 9 juillet 1975 re-
lative au contrôle des entreprises d’assurances;” sont
remplacés par les mots “visée aux Livres II et III de la
loi du [___] 2015 relative au statut et au contrôle des
entreprises d’assurance ou de réassurance;”.
Art. 719
L’article 227 de la même loi est abrogé.
Art. 720
Dans l’article 228, § 3 de la même loi, les mots “ins-
tituée par l’article 41 de la loi du 9 juillet 1975 relative
1171
1584/002
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
9 juli 1975 betreffende de controle der verzekeringson-
dernemingen,” vervangen door de woorden “ingesteld
door artikel 301 van de wet van 4 april 2014 betreffende
de verzekeringen,”.
HOOFDSTUK XII
Wijzigingen in de wet van
3 augustus 2012 betreffende de instellingen
voor collectieve belegging die voldoen aan de
voorwaarden van Richtlijn 2009/65/EG en de
instellingen voor belegging in schuldvorderingen
Art. 721
In artikel 3 van de wet van 3 augustus 2012 betref-
fende de instellingen voor collectieve belegging die
voldoen aan de voorwaarden van Richtlijn 2009/65/EG
en de instellingen voor belegging in schuldvorderingen,
laatstelijk gewijzigd bij de wet van 25 april 2014, worden
de volgende wijzigingen aangebracht:
1° de bepaling onder 45° wordt vervangen als volgt:
“45° “wet van [___]2015”: de wet van [___] 2015 op
het statuut van en het toezicht op verzekerings- of
herverzekeringsondernemingen;”;
2° de bepaling onder 55° wordt opgeheven.
Art. 722
In artikel 241 van dezelfde wet, laatstelijk gewijzigd
bij de wet van 25 april 2014, worden de volgende wijzi-
gingen aangebracht:
1° in paragraaf 1, 2° worden de woorden “artikel 91oc-
tiesdecies van de wet van 9 juli 1975 of artikel 98 van de
wet van 16 februari 2009;” vervangen door de woorden
“artikel 338, 7° van de wet van [__]2015;”;
2° in paragraaf 1, 3°, tweede lid worden de woor-
den “hoofdstuk VIIbis van de wet van 9 juli 1975 of
titel VIII van de wet van 16 februari 2009.” vervangen
door de woorden “Titel V, Hoofdstuk II van de wet van
[___]2015.”;
3° in paragraaf 5 worden de woorden “artikel 98 van
de wet van 16 februari 2009 of artikel 91octiesdecies
van de wet van 9 juli 1975,” vervangen door de woorden
“Titel V, Hoofdstuk III van de wet van [___] 2015,”.
au contrôle des entreprises d’assurances” sont rempla-
cés par les mots “instituée par l’article 301 de la loi du
4 avril 2014 relative aux assurances.”.
CHAPITRE XII
Modifications de la loi du 3 août 2012 relative aux
organismes de placement collectif qui répondent
aux conditions de la Directive 2009/65/CE et aux
organismes de placement en créances
Art. 721
Dans l’article 3 de la loi du 3 août 2012 relative aux
organismes de placement collectif qui répondent aux
conditions de la Directive 2009/65/CE et aux organismes
de placement en créances, modifié en dernier lieu par
la loi du 25 avril 2014, les modifications suivantes sont
apportées:
1° le 45° est remplacé par ce qui suit:
“45° par “loi du [___]2015”: la loi du [___]2015 relative
au statut et au contrôle des entreprises d’assurance ou
de réassurance;”;
2° le 55° est abrogé.
Art. 722
Dans l’article 241 de la même loi, modifié en dernier
lieu par la loi du 25 avril 2014, les modifications suivantes
sont apportées:
1° au paragraphe 1er, 2°, les mots “de l’article 91octies
decies de la loi du 9 juillet 1975 ou de l’article 98 de la
loi du 16 février 2009;” sont remplacés par les mots “de
l’article 338, 7° de la loi du [__]2015;”;
2° au paragraphe 1er, 3°, alinéa 2, les mots “du cha-
pitre VIIbis de la loi du 9 juillet 1975 ou du titre VIII de
la loi du 16 février 2009.” sont remplacés par les mots
“du Titre V, Chapitre II de la loi du [___]2015.”;
3° au paragraphe 5, les mots “de l’article 98 de la loi
du 16 février 2009 ou de l’article 91octiesdecies de la
loi du 9 juillet 1975,” sont remplacés par les mots “du
Titre V, Chapitre III de la loi du [___] 2015,”.
1172
1584/002
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
HOOFDSTUK XIV
Wijziging in de wet van
26 december 2013 houdende diverse bepalingen
inzake de thematische volksleningen
Art. 723
In artikel 2, 6° van de wet van 26 december 2013 hou-
dende diverse bepalingen inzake de thematische
volksleningen worden de woorden “met een toelating op
grond van artikel 2bis van de wet van 9 juli 1975 betref-
fende de controle der verzekeringsondernemingen” en
de woorden “op grond van Hoofdstuk Vter van de voor-
noemde wet van 9 juli 1975;” respectievelijk vervangen
door de woorden “, waaraan een vergunning is verleend
op grond van artikel 28 van de wet van [___]2015 op
het statuut van en het toezicht op verzekerings- of her-
verzekeringsondernemingen” en door de woorden “op
grond van Boek III, Titel I van de voornoemde wet van
[___] 2015;”.
HOOFDSTUK XV
Wijzigingen in de wet van 4 april 2014 betreffende
de verzekeringen
Art. 724
In artikel 5 van de wet van 4 april 2014 betreffende
de verzekeringen worden de volgende wijzigingen
aangebracht:
1° de bepaling onder 40° wordt vervangen als volgt:
“40° “Herverzekeringsonderneming”: een onderne-
ming als gedefinieerd in artikel 5, eerste lid, 2°, van de
wet van [___] 2015 op het statuut van en het toezicht
op verzekerings- of herverzekeringsondernemingen;”;
2° de bepaling onder 42° wordt vervangen als volgt:
“42° “Wet van [___] 2015”: de wet van [___]2015 op
het statuut van en het toezicht op verzekerings- of
herverzekeringsondernemingen;”.
Art. 725
In artikel 7 van dezelfde wet worden de woorden “de
wet van 9 juli 1975,” vervangen door de woorden “de
wet van [___] 2015,”.
CHAPITRE XIV
Modification de la loi du
26 décembre 2013 portant diverses dispositions
concernant les prêts-citoyens thématiques
Art. 723
Dans l’article 2, 6°, de la loi du 26 décembre 2013 por-
tant diverses dispositions concernant les prêts-citoyens
thématiques, les mots “agréée sur la base de l’article
2bis de la loi du 9 juillet 1975 relative au contrôle des
entreprises d’assurances” et les mots “sur la base du
Chapitre Vter de la loi du 9 juillet 1975 précitée;” sont
respectivement remplacés par les mots “agréée sur la
base de l’article 28 de la loi du [___]2015 relative au
statut et au contrôle des entreprises d’assurance ou de
réassurance” et par les mots “sur la base du Livre III,
Titre Ier de la loi du [___] 2015 précitée;”.
CHAPITRE XV
Modifications de la loi du 4 avril 2014 sur les
assurances
Art. 724
Dans l’article 5 de la loi du 4 avril 2014 sur les assu-
rances, les modifications suivantes sont apportées:
1° le 40° est remplacé par ce qui suit:
“40° “entreprise de réassurance”: une entreprise telle
que définie à l’article 5, alinéa 1er, 2°, de la loi du [___]
2015 relative au statut et au contrôle des entreprises
d’assurance ou de réassurance;”;
2° le 42° est remplacé par ce qui suit:
“42° “la loi du [___] 2015”: la loi du [___]2015 relative
au statut et au contrôle des entreprises d’assurance ou
de réassurance;”.
Art. 725
Dans l’article 7 de la même loi, les mots “, de la loi
du 9 juillet 1975,” sont remplacés par les mots “, de la
loi du [___] 2015,”.
1173
1584/002
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
Art. 726
In artikel 17 van dezelfde wet worden de woorden “de
in artikel 78 van de wet van 9 juli 1975 bedoelde publi-
catie” vervangen door de woorden “de in de artikelen
106 of 567, § 2 van de wet van [___] 2015 bedoelde
publicatie”.
Art. 727
In artikel 18, § 1 van dezelfde wet worden de woor-
den “bedoeld in artikel 78 van de wet van 9 juli 1975”
vervangen door de woorden “bedoeld in de artikelen
106 of 567, § 2 van de wet van [___] 2015”.
Art. 728
In artikel 22 van dezelfde wet worden de volgende
wijzigingen aangebracht:
1° in paragraaf 1 worden de woorden “of met de
bepalingen van de wet van 9 juli 1975” en de woorden
“dan wel met de bepalingen van de wet van 9 juli 1975”
respectievelijk vervangen door de woorden “of met
de bepalingen van de wet van [___] 2015” en door de
woorden “dan wel met de bepalingen van de wet van
[___] 2015”;
2° paragraaf 2 wordt opgeheven.
Art. 729
In artikel 33, § 2 van dezelfde wet worden de woorden
“zoals bedoeld in artikel 68 van de wet van 9 juli 1975,”
vervangen door de woorden “zoals bedoeld in artikel
557 van de wet van [___] 2015,”.
Art. 730
In artikel 34, eerste lid, b) van dezelfde wet worden
de woorden “zoals bedoeld in artikel 68 van de wet van
9 juli 1975” vervangen door de woorden “zoals bedoeld
in artikel 557 van de wet van [___] 2015”.
Art. 731
In artikel 41 van dezelfde wet worden de woorden
“overeenkomstig artikel 21octies, § 2, eerste en tweede
lid, van de wet van 9 juli 1975” vervangen door de
woorden “overeenkomstig artikel 504 van de wet van
[__] 2015”.
Art. 726
Dans l’article 17 de la même loi, les mots “visée à
l’article 78 de la loi du 9 juillet 1975” sont remplacés
par les mots “visée aux articles 106 ou 567, § 2 de la
loi du [___] 2015”.
Art. 727
Dans l’article 18, § 1er, de la même loi, les mots “visée
à l’article 78 de la loi du 9 juillet 1975” sont remplacés
par les mots “visée aux articles 106 ou 567,§ 2 de la loi
du [___] 2015”.
Art. 728
Dans l’article 22 de la même loi, les modifications
suivantes sont apportées:
1° au paragraphe 1er, les mots “ou aux dispositions
de la loi du 9 juillet 1975” et les mots “ou avec les dis-
positions de la loi du 9 juillet 1975” sont respectivement
remplacés par les mots “ou aux dispositions de la loi du
[___] 2015” et par les mots “ou avec les dispositions de
la loi du [___] 2015”;
2° le paragraphe 2 est abrogé.
Art. 729
Dans l’article 33, § 2, de la même loi, les mots “tel
que visé à l’article 68 de la loi du 9 juillet 1975” sont
remplacés par les mots “tel que visé à l’article 557 de
la loi du [___] 2015”.
Art. 730
Dans l’article 34, alinéa 1er, b) de la même loi, les mots
“tel que visé à l’article 68 de la loi du 9 juillet 1975” sont
remplacés par les mots “tel que visé à l’article 557 de
la loi du [___] 2015”.
Art. 731
Dans l’article 41 de la même loi, les mots “conformé-
ment à l’article 21octies, § 2, alinéas 1er et 2, de la loi
du 9 juillet 1975” sont remplacés par les mots “confor-
mément à l’article 504 de la loi du [__] 2015”.
1174
1584/002
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
Art. 732
In artikel 204, § 4 van dezelfde wet worden de
woorden “artikel 21octies van de wet van 9 juli 1975”
vervangen door de woorden “artikel 504 van de wet
van [___] 2015”.
Art. 733
In artikel 267, § 1, vierde lid van dezelfde wet worden
de woorden “een verzekeringsonderneming onder-
worpen aan het aanvullend toezicht op een verzeke-
ringsonderneming in de zin van artikel 91ter van de
Wet van 9 juli 1975,” vervangen door de woorden “een
verzekeringsonderneming die onderworpen is aan een
groepstoezicht in de zin van Boek II, Titel V, Hoofdstuk III
van de wet van [__] 2015,”.
Art. 734
In artikel 297, § 2 van dezelfde wet worden de woor-
den “de betekenis die hieraan wordt gegeven in de wet
van 9 juli 1975.” vervangen door de woorden “de beteke-
nis die hieraan wordt gegeven in de wet van [___] 2015.”.
Art. 735
In artikel 302, § 2, 1° van dezelfde wet worden de
woorden “of van de wet van 9 juli 1975,” vervangen door
de woorden “of van de wet van [___] 2015,”.
HOOFDSTUK XVI
Wijzigingen in de wet van 25 april 2014 op het
statuut van en het toezicht op kredietinstellingen
Art. 736
In artikel 2, 2° van de wet van 25 april 2014 op het sta-
tuut van en het toezicht op kredietinstellingen worden de
woorden “die geregeld zijn bij de wet van 9 juli 1975 be-
treffende de controle der verzekeringsondernemingen.”
vervangen door de woorden “die geregeld zijn bij de
wet van [___] 2015 op het statuut van en het toezicht
op verzekerings- of herverzekeringsondernemingen.”
Art. 737
In artikel 3 van dezelfde wet worden de volgende
wijzigingen aangebracht:
Art. 732
Dans l’article 204, § 4, de la même loi, les mots
“ni à l’article 21octies de la loi du 9 juillet 1975.” sont
remplacés par les mots “ni à l’article 504 de la loi du
[___] 2015.”.
Art. 733
Dans l’article 267, § 1er, alinéa 4 de la même loi, les
mots “une entreprise d’assurances soumise à la surveil-
lance complémentaire sur les entreprises d’assurances
au sens de l’article 91ter de la loi du 9 juillet 1975” sont
remplacés par les mots “une entreprise d’assurance
soumise à un contrôle de groupe au sens du Livre II,
Titre V, Chapitre III de la loi du [__] 2015”.
Art. 734
Dans l’article 297, § 2, de la même loi, les mots “au
sens qui leur est donné dans la loi du 9 juillet 1975.”
est remplacés par les mots “au sens qui leur est donné
dans la loi du [___] 2015.”.
Art. 735
Dans l’article 302, § 2, 1°, de la même loi, les mots
“ou de la loi du 9 juillet 1975” sont remplacés par les
mots “ou de la loi du [___] 2015”.
CHAPITRE XVI
Modifications de la loi du 25 avril 2014 relative au
statut et au contrôle des établissements de crédit
Art. 736
Dans l’article 2, 2° de la loi du 25 avril 2014 relative
au statut et au contrôle des établissements de crédit,
les mots “régies par la loi du 9 juillet 1975 relative au
contrôle des entreprises d’assurances.” sont remplacés
par les mots “régies par la loi du [___] 2015 relative au
statut et au contrôle des entreprises d’assurance ou de
réassurance.”.
Art. 737
Dans l’article 3 de la même loi, les modifications
suivantes sont apportées:
1175
1584/002
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
1° de bepaling onder 26° wordt vervangen als volgt:
“26° de begrippen controle, deelneming, deelne-
mingsverhouding, moederonderneming, dochteron-
derneming, consortium en verbonden onderneming:
de omschrijving die hiervan wordt gegeven in de uit-
voeringsbesluiten van artikel 106, § 1 van deze wet;”;
2° de bepaling onder 31° wordt vervangen als volgt:
“31° verzekeringsonderneming: een onderneming als
bedoeld in artikel 5, eerste lid, 1° van de wet van [___]
2015 op het statuut van en het toezicht op verzekerings-
of herverzekeringsondernemingen;”;
3° de bepaling onder 32° wordt vervangen als volgt:
“32° herverzekeringsonderneming: een onderneming
als bedoeld in artikel 5, eerste lid, 2° van de wet van
[___] 2015 op het statuut van en het toezicht op verze-
kerings- of herverzekeringsondernemingen;”;
4° de bepaling onder 43° wordt vervangen als volgt:
“43° verzekeringsholding: een verzekeringsholding in
de zin van artikel 338, 5° van de wet van [___] 2015 op
het statuut van en het toezicht op verzekerings- of
herverzekeringsondernemingen;”;
5° de bepaling onder 44° wordt vervangen als volgt:
“44° gemengde verzekeringsholding: een gemengde
verzekeringsholding in de zin van artikel 338, 6° van de
wet van [___] 2015 op het statuut van en het toezicht
op verzekerings- of herverzekeringsondernemingen;”.
Art. 738
In artikel 9 van dezelfde wet worden de volgende
wijzigingen aangebracht:
1° de zin”Bij gebreke van gekwalificeerde deelnemin-
gen heeft de kennisgeving betrekking op de identiteit
van de twintig grootste aandeelhouders en hun kapi-
taalfractie.” wordt geschrapt;
2° artikel 9, als gewijzigd bij de bepaling onder 1° van
dit artikel en waarvan de bestaande tekst het eerste
lid zal vormen, wordt aangevuld met een tweede lid,
luidende:
“Bij gebreke van gekwalificeerde deelnemingen heeft
de in het eerste lid bedoelde kennisgeving betrekking
op de identiteit van de twintig grootste aandeelhouders
en hun kapitaalfractie.”.
1° le 26° est remplacé par ce qui suit:
“26° les notions de contrôle, participation, lien de
participation, entreprise-mère, filiale, consortium et
entreprise liée, le sens qui leur est conféré par les arrêtés
d’exécution de l’article 106, § 1er, de la présente loi;”;
2° le 31° est remplacé par ce qui suit:
“31° entreprise d’assurance, une entreprise visée à
l’article 5, alinéa 1er, 1°, de la loi du [___] 2015 relative
au statut et au contrôle des entreprises d’assurance ou
de réassurance;”;
3° le 32° est remplacé par ce qui suit:
“32° entreprise de réassurance, une entreprise visée
à l’article 5, alinéa 1er, 2° de la loi du [___] 2015 relative
au statut et au contrôle des entreprises d’assurance ou
de réassurance;”;
4° le 43° est remplacé par ce qui suit:
“43° société holding d’assurance, une société holding
d’assurance au sens de l’article 338, 5° de la loi du [___]
2015 relative au statut et au contrôle des entreprises
d’assurance ou de réassurance;”;
5° le 44° est remplacé par ce qui suit:
“44° société holding mixte d’assurance, une société
holding mixte d’assurance au sens de l’article 338, 6°
de la loi du [___] 2015 relative au statut et au contrôle
des entreprises d’assurance ou de réassurance;” .
Art. 738
Dans l’article 9 de la même loi, les modifications
suivantes sont apportées:
1° la phrase “A défaut de participation qualifiée, la
communication porte sur l’identité des vingt principaux
actionnaires et leur quotité dans le capital.” est abrogée;
2° l’article 9, tel que modifié par le 1° du présent article
et dont le texte actuel formera l’alinéa 1er, est complété
par un alinéa 2 rédigé comme suit:
“À défaut de participation qualifiée, la communication
visée à l’alinéa 1er porte sur l’identité des vingt princi-
paux actionnaires et leur quotité dans le capital.”
1176
1584/002
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
Art. 739
In artikel 20, § 1 van dezelfde wet worden de volgende
wijzigingen aangebracht:
1° in de bepaling onder 2° wordt de bepaling onder
n) vervangen als volgt:
“n) de artikelen 83 en 87 van de wet van 9 juli 1975 be-
treffende de controle der verzekeringsondernemingen;”;
2° de bepaling onder 2° wordt aangevuld met een
bepaling onder z/5), luidende:
“z/5) artikel 605 van de wet van [__] 2015 op
het statuut van en het toezicht op verzekerings- of
herverzekeringsondernemingen;”;
3° in de bepaling onder 3° wordt een bepaling onder
d) ingevoegd, luidende:
“d) van de artikelen bedoeld in artikel 605 van de
wet van [___] 2015 op het statuut van en het toezicht
op verzekerings- of herverzekeringsondernemingen;”.
Art. 740
In artikel 72, § 1, 2° van dezelfde wet, gewijzigd bij de
wet van [__] 2015 [___], worden de woorden “, eerste
lid” ingevoegd tussen de woorden “aan de in artikel 9”
en de woorden “bedoelde personen”.
Art. 741
In artikel 164, § 3, 7° van dezelfde wet worden de
volgende wijzigingen aangebracht:
1° de woorden “, de wet van 9 juli 1975 betreffende
de controle der verzekeringsondernemingen,” worden
vervangen door de woorden “, de wet van [___] 2015 op
het statuut van en het toezicht op verzekerings- of
herverzekeringsondernemingen,”;
2° de woorden “de wet van 6 april 1995, de wet van
16 februari 2009,” worden geschrapt.
Art. 742
In artikel 170 van dezelfde wet worden de volgende
wijzigingen aangebracht:
Art. 739
Dans l’article 20, § 1er, de la même loi, les modifica-
tions suivantes sont apportées:
1° au 2°, le n) est remplacé par ce qui suit:
“n) aux articles 83 et 87 de la loi du 9 juillet 1975 rela-
tive au contrôle des entreprises d’assurances;”;
2° le 2° est complété par un z/5) rédigé comme suit:
“z/5) à l’article 605 de la loi du [__] 2015 rela-
tive au contrôle des entreprises d’assurance ou de
réassurance;”;
3° au 3°, un d) rédigé comme suit est inséré:
“d) aux articles visés à l’article 605 de la loi du [___]
2015 relative au contrôle des entreprises d’assurance
ou de réassurance;”.
Art. 740
Dans l’article 72, § 1er, 2°, de la même loi, modifié
par la loi du [__] 2015 [___], les mots “, alinéa 1er” sont
insérés entre les mots “aux personnes visées à l’article
9” et les mots “ainsi qu’aux membres de leurs différents
organes”.
Art. 741
Dans l’article 164, § 3, 7°, de la même loi, les modi-
fications suivantes sont apportées:
1° les mots “, la loi du 9 juillet 1975 relative au contrôle
des entreprises d’assurances,” sont remplacés par les
mots “, la loi du [___] 2015 relative au statut et au contrôle
des entreprises d’assurance ou de réassurance,”;
2° les mots “la loi du 16 février 2009 relative à la
réassurance,” sont abrogés.
Art. 742
À l’article 170 de la même loi, les modifications sui-
vantes sont apportées:
1177
1584/002
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
1° in paragraaf 1 wordt het derde lid opgeheven;
2° in paragraaf 1 wordt het vroegere vierde lid, dat
het derde lid wordt, vervangen als volgt:
“Voor de toepassing van deze paragraaf verkrijgt de
toezichthouder in zijn hoedanigheid van consoliderende
toezichthouder het akkoord van de betrokken bevoegde
autoriteiten die belast zijn met het toezicht op de doch-
terondernemingen en van de groepstoezichthouder in
de verzekeringssector.”;
3° in paragraaf 1 wordt het vroegere vijfde lid
opgeheven;
4° er wordt een paragraaf 1/1 ingevoegd, luidende:
“§ 1/1. Onverminderd de toepassing van paragraaf
2, indien een kredietinstelling naar Belgisch recht die
aan het hoofd staat van een financieel conglomeraat of
een gemengde financiële holding naar Belgisch recht
onderworpen is aan gelijkwaardige bepalingen van dit
Hoofdstuk die enerzijds betrekking hebben op het ge-
consolideerde toezicht, anderzijds op het aanvullende
conglomeraatstoezicht, en met name als deze bepalin-
gen betrekking hebben op risicogebaseerd toezicht, kan
de toezichthouder besluiten op deze kredietinstelling
of gemengde financiële holding alleen de relevante
bepalingen die betrekking hebben op het aanvullende
conglomeraatstoezicht toe te passen.”;
5° in paragraaf 2 worden in de bepaling onder 1° de
woorden “en die het financieel conglomeraat vormt,”
ingevoegd tussen de woorden “de groep zoals gede-
finieerd in artikel 164, § 3” en “in aanmerking worden
genomen”;
6° in paragraaf 3, tweede zin, worden de woorden
“De toezichthouder pleegt daartoe overleg” geschrapt;
7° er wordt een paragraaf 4 ingevoegd, luidende:
“§ 4. In zijn hoedanigheid van consoliderende toezicht-
houder stelt de toezichthouder de EBA en de Europese
Autoriteit voor Verzekeringen en Bedrijfspensioenen in
kennis van het krachtens paragraaf 1, derde lid verkre-
gen akkoord, het krachtens paragraaf 1/1 genomen be-
sluit en de krachtens § 3 getroffen coördinatieregeling.”.
Art. 743
In artikel 171, § 2 van dezelfde wet, wordt tussen het
derde en het vierde lid een lid ingevoegd, luidende:
1° au paragraphe 1er, l’alinéa 3 est abrogé;
2° au paragraphe 1er, l’alinéa 4 ancien, devenant
l’alinéa 3, est remplacé par ce qui suit:
“Pour l’application de ce paragraphe, l’autorité
de contrôle, en sa qualité d’autorité de surveillance
sur base consolidée, obtient l’accord des autorités
compétentes concernées chargées du contrôle des
filiales et du contrôleur du groupe dans le secteur de
l’assurance.”;
3° au paragraphe 1er, l’alinéa 5 ancien est abrogé;
4° il est inséré un paragraphe 1/1 rédigé comme suit:
“§ 1/1. Sans préjudice de l’application du para-
graphe 2, lorsqu’un établissement de crédit à la tête
d’un conglomérat financier ou une compagnie financière
mixte de droit belge sont soumis à des dispositions
équivalentes du présent Chapitre qui portent d’une part
sur le contrôle sur base consolidée et d’autre part sur la
surveillance complémentaire des conglomérats, et plus
particulièrement lorsque ces dispositions portent sur le
contrôle fondé sur les risques, l’autorité de contrôle peut
décider de n’appliquer à cet établissement de crédit ou
cette compagnie financière mixte que les dispositions
pertinentes qui portent sur la surveillance complémen-
taire des conglomérats.”;
5° au paragraphe 2, 1°, les mots “et qui constitue le
conglomérat financier,” sont insérés entre les mots “le
groupe, tel que défini à l’article 164, § 3,” et les mots
“sera, par dérogation, pris en considération”;
6° au paragraphe 3, 2e phrase, les mots “L’autorité de
contrôle se concerte à cette fin” sont abrogés;
7° il est inséré un paragraphe 4 rédigé comme suit:
“§ 4. L’autorité de contrôle, en sa qualité d’autorité
de surveillance sur base consolidée, informe l’ABE et
l’Autorité européenne des assurances et des pensions
professionnelles de l’accord obtenu en vertu du para-
graphe 1er, alinéa 3, de la décision arrêtée en vertu du
paragraphe 1/1, et du règlement de coordination pris
en vertu du § 3.”.
Art. 743
A l’article 171, § 2, de la même loi, entre l’alinéa 3 et
l’alinéa 4, il est inséré un alinéa rédigé comme suit:
1178
1584/002
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
“Onverminderd artikel 212, wanneer de toezich-
thouder op grond van artikel 111, lid 5 van Richtlijn
2013/36/EU werd of is aangewezen als consoliderende
toezichthouder voor het uitoefenen van het geconsoli-
deerd toezicht op een kredietinstelling die onder het
recht van een andere lidstaat ressorteert en waarvan
de moederonderneming een financiële holding of ge-
mengde financiële holding naar Belgisch recht is, zonder
dat een kredietinstelling naar Belgisch recht aanwezig
is in het geconsolideerde geheel, zijn de bepalingen
die gelden voor de kredietinstellingen als bedoeld in
artikel 165, 2° van overeenkomstige toepassing op de
voornoemde holding.”.
Art. 744
In Boek II, Titel III, Hoofdstuk IV, Afdeling II,
Onderafdeling III van dezelfde wet wordt een artikel
183/1 ingevoegd, luidende:
“Art. 183/1. Een kredietinstelling naar Belgisch recht
die een consortium vormt met een of meer andere
ondernemingen, valt onder een geconsolideerd toezicht
dat geldt voor alle ondernemingen van het consortium
en hun dochterondernemingen. De bepalingen die
gelden voor de kredietinstellingen als bedoeld in artikel
165, 2° zijn van toepassing.”.
Art. 745
In de Nederlandse tekst van artikel 194, § 2 van
dezelfde wet, wordt de bepaling onder 4° vervangen
als volgt: “4° regelmatig geactualiseerde regelingen om
bij te dragen tot de verwezenlijking en, in voorkomend
geval, de ontwikkeling van passende herstel- en afwik-
kelingsmechanismen en -plannen.”.
Art. 746
In de Franse tekst van artikel 196, § 2 van dezelfde
wet worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in de bepaling onder 3° worden de woorden “au-
torité compétente belge chargée du contrôle” vervan-
gen door de woorden “autorité compétente chargée
du contrôle”;
2° in de bepaling onder 5° worden de woorden “et
que cet État membre a” vervangen door de woorden
“et a dans cet État membre”.
“Sans préjudice de l’article 212, lorsque l’autorité de
contrôle a été ou est désignée, en vertu de l’article 111,
paragraphe 5 de la Directive 2013/36/UE, comme auto-
rité de surveillance sur base consolidée pour l’exercice
du contrôle consolidé à l’égard d’un établissement
de crédit qui relève d’un autre État membre et dont
l’entreprise mère est une compagnie financière ou
une compagnie financière mixte de droit belge, sans
qu’un établissement de crédit de droit belge figure dans
l’ensemble consolidé, les dispositions applicables aux
établissements de crédit visés à l’article 165, 2°, sont
applicables par analogie à la compagnie précitée.”.
Art. 744
Dans le Livre II, Titre III, Chapitre IV, Section II,
Sous-section III, de la même loi, il est inséré un ar-
ticle 183/1 rédigé comme suit:
“Art. 183/1. Un établissement de crédit de droit belge
qui constitue un consortium avec une ou plusieurs autres
entreprises relève d’un contrôle sur base consolidée qui
s’applique à l’ensemble des entreprises du consortium
ainsi qu’à leurs filiales. Les dispositions applicables aux
établissements de crédit visés à l’article 165, 2°, trouvent
à s’appliquer en l’espèce.”.
Art. 745
Dans le texte néerlandais de l’article 194, § 2, de
la même loi, le 4° est remplacé par la disposition sui-
vante: “4° regelmatig geactualiseerde regelingen om
bij te dragen tot de verwezenlijking en, in voorkomend
geval, de ontwikkeling van passende herstel- en afwik-
kelingsmechanismen en -plannen.”.
Art. 746
Dans le texte français de l’article 196, § 2, de la même
loi, les modifications suivantes sont apportées:
1° au 3°, les mots “autorité compétente belge char-
gée du contrôle” sont remplacés par les mots “autorité
compétente chargée du contrôle”;
2° au 5°, les mots “et que cet État membre a” sont
remplacés par les mots “et a dans cet État membre”.
1179
1584/002
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
Art. 747
In artikel 196, § 3 van dezelfde wet worden de vol-
gende wijzigingen aangebracht:
1° de woorden “paragraaf 1” worden vervangen door
de woorden “paragraaf 2”;
2° er wordt een tweede lid ingevoegd, luidende:
“Wanneer de toezichthouder op grond van artikel
11, lid 3 van Richtlijn 2002/87/EG is aangewezen als
coördinator voor het uitoefenen van het aanvullende
conglomeraatstoezicht op een kredietinstelling die
onder het recht van een andere lidstaat ressorteert
en waarvan de moederonderneming een gemengde
financiële holding naar Belgisch recht is, zonder dat
een kredietinstelling naar Belgisch recht of een andere
gereglementeerde onderneming naar Belgisch recht die
op individuele basis aan het toezicht van de toezicht-
houder is onderworpen, aanwezig is in de groep die het
financieel conglomeraat vormt, zijn de bepalingen die
gelden voor de kredietinstellingen als bedoeld in artikel
185, eerste lid, 2° van overeenkomstige toepassing op
de voornoemde holding, behoudens afwijkende regelin-
gen in de overeenkomst tussen de bevoegde autoriteiten
als bedoeld in artikel 11, lid 3 van Richtlijn 2002/87/EG.”.
Art. 748
In artikel 210, § 1, 2°, van dezelfde wet worden de woor-
den “, artikel 40 van de wet van 9 juli 1975 betreffende de
controle der verzekeringsondernemingen, artikel 42 van
de wet van 16 februari 2009 op het herverzekeringsbe-
drijf” vervangen door de woorden “, artikel 327 van de
wet van [___] 2015 op het statuut van en het toezicht
op verzekerings- of herverzekeringsondernemingen”.
Art. 749
In de Franse tekst van artikel 213, § 1, derde lid van
dezelfde wet worden de woorden “et ces filiales” tus-
sen de woorden “si ces entreprises” en de woorden “ne
tombent pas” geschrapt.
Art. 750
In de Franse tekst van artikel 217, § 1, eerste lid van
dezelfde wet worden de woorden “ainsi que les com-
pagnies financières mixtes et leurs filiales” vervangen
door de woorden “ainsi que les compagnies mixtes et
leurs filiales”.
Art. 747
A l’article 196, § 3, de la même loi, les modifications
suivantes sont apportées:
1° les mots “paragraphe 1er” sont remplacés par les
mots “paragraphe 2”;
2° il est inséré un alinéa 2 rédigé comme suit:
“Lorsque l’autorité de contrôle est désignée, en vertu
de l’article 11, paragraphe 3 de la Directive 2002/87/CE,
comme coordinateur pour l’exercice de la surveillance
complémentaire des conglomérats à l’égard d’un éta-
blissement de crédit qui relève d’un autre État membre
et dont l’entreprise mère est une compagnie financière
mixte de droit belge, sans qu’un établissement de crédit
de droit belge ou une autre entreprise réglementée de
droit belge soumise sur une base individuelle au contrôle
de l’autorité de contrôle figure dans le groupe consti-
tuant le conglomérat, les dispositions applicables aux
établissements de crédit visés à l’article 185, alinéa 1er,
2°, sont applicables par analogie à la compagnie préci-
tée, sauf dispositions dérogatoires dans l’accord entre
autorités compétentes visé à l’article 11, paragraphe
3 de la Directive 2002/87/CE.”.
Art. 748
Dans l’article 210, § 1er, 2°, de la même loi, les mots
“, à l’article 40 de la loi du 9 juillet 1975 relative au
contrôle des entreprises d’assurances, à l’article 42 de
la loi du 16 février 2009 relative à la réassurance” sont
remplacés par les mots “, à l’article 327 de la loi du [___]
2015 relative au statut et au contrôle des entreprises
d’assurance ou de réassurance”.
Art. 749
Dans le texte français de l’article 213, § 1er, alinéa 3,
de la même loi, les mots “et ces filiales” situés entre les
mots “si ces entreprises” et les mots “ne tombent pas”
sont abrogés.
Art. 750
Dans le texte français de l’article 217, § 1er, alinéa 1er,
de la même loi, les mots “ainsi que les compagnies fi-
nancières mixtes et leurs filiales” sont remplacés par les
mots “ainsi que les compagnies mixtes et leurs filiales”.
1180
1584/002
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
Art. 751
In artikel 219, § 4, vijfde lid van dezelfde wet worden
de woorden “met de betrokken bevoegde autoriteiten”
vervangen door de woorden “met de relevante bevoegde
autoriteiten”.
Art. 752
In artikel 3, § 1, tweede lid van Bijlage VI van dezelfde
wet worden de woorden “de artikelen 15 en 91nonies
van de wet van 9 juli 1975 betreffende de controle
der verzekeringsondernemingen.” vervangen door de
woorden “de artikelen 151 en 456 van de wet van [___]
2015 op het statuut van en het toezicht op verzekerings-
of herverzekeringsondernemingen.”.
HOOFDSTUK XVI
Wijzigingen in het Wetboek van Economisch
Recht
Art. 753
In artikel I.9, 72° van het Wetboek van Economisch
Recht worden de woorden “bedoeld in artikel 2, § 1,
van de wet van 9 juli 1975 betreffende de controle
der verzekeringsondernemingen;” vervangen door de
woorden “bedoeld in artikel 5, eerste lid, 1°, van de
wet van [___]2015 op het statuut van en het toezicht
op verzekerings- of herverzekeringsondernemingen;”.
Art. 754
In artikel VII.119, § 1, 2° van hetzelfde Wetboek, inge-
voegd bij de wet van 19 april 2014, worden de volgende
wijzigingen aangebracht:
1° de woorden “door de Koning” worden geschrapt;
2° de woorden “met toepassing van de wet van
9 juli 1975 betreffende de controle der verzekerings-
ondernemingen;” worden vervangen door de woor-
den “met toepassing van de wet van [___] 2015 op
het statuut van en het toezicht op verzekerings- of
herverzekeringsondernemingen;”.
Art. 755
In artikel VII.173 van hetzelfde Wetboek, ingevoegd
bij de wet van 19 april 2014, worden de woorden “hetzij
Art. 751
Dans l’article 219, § 4, alinéa 5, de la même loi, les
mots “avec les autorités compétentes concernées” sont
remplacés par les mots “avec les autorités compétentes
relevantes”.
Art. 752
Dans l’article 3, § 1er, alinéa 2 de l’Annexe VI de la
même loi, les mots “la marge de solvabilité imposée par
les articles 15 et 91nonies de la loi du 9 juillet 1975 rela-
tive au contrôle des entreprises d’assurances.” sont
remplacés par les mots “les exigences de solvabilité
conformément aux articles 151 et 358 de la loi du [___]
2015 relative au statut et au contrôle des entreprises
d’assurance ou de réassurance.”.
CHAPITRE XVI
Modifications au Code de droit économique
Art. 753
Dans l’article I.9, 72°, du Code de droit écono-
mique, les mots “visée à l’article 2, § 1er, de la loi
du 9 juillet 1975 relative au contrôle des entreprises
d’assurances;” sont remplacés par les mots “visée à
l’article 5, alinéa 1er, 1°, de la loi du [___]2015 relative
au statut et au contrôle des entreprises d’assurance ou
de réassurance;”.
Art. 754
Dans l’article VII.119, § 1er, 2°, du même Code, inséré
par la loi du 19 avril 2014, les modifications suivantes
sont apportées:
1° les mots “par le Roi” sont abrogés;
2° les mots “en application de la loi du 9 juillet 1975 re-
lative au contrôle des entreprises d’assurances;” sont
remplacés par les mots “en application de la loi du [___]
2015 relative au statut et au contrôle des entreprises
d’assurance ou de réassurance;”.
Art. 755
Dans l’article VII.173 du même Code, inséré par la
loi du 19 avril 2014, les mots “soit comme entreprises
1181
1584/002
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
als verzekeringsondernemingen op de in artikel 4 van
de wet van 9 juli 1975 betreffende de controle der verze-
keringsondernemingen bedoelde lijst” vervangen door
de woorden “hetzij als verzekeringsondernemingen op
de lijst als bedoeld in artikel 31 van de wet van [__]
2015 op het statuut van en het toezicht op verzekerings-
of herverzekeringsondernemingen”.
Art. 756
In artikel VII.176, § 3 van hetzelfde Wetboek, ingevoegd
bij de wet van 19 april 2014, worden de woorden “op de
in de artikelen 4 en 66 van de wet van 9 juli 1975 be-
treffende de controle der verzekeringsondernemingen
bedoelde lijsten” vervangen door de woorden “op de
lijsten als bedoeld in de artikelen 31 en 555 van de wet
van [___] 2015 op het statuut van en het toezicht op
verzekerings- of herverzekeringsondernemingen”.
Art. 757
In artikel XI.250, tweede lid van hetzelfde Wetboek,
ingevoegd bij de wet van 19 april 2014, worden de vol-
gende wijzigingen aangebracht:
1° in de bepaling onder 2° wordt de bepaling onder
o) vervangen als volgt:
“o) de artikelen 83 tot 87 van de wet van 9 juli 1975 be-
treffende de controle der verzekeringsondernemingen;”;
2° de bepaling onder 2° wordt aangevuld met een
bepaling onder s), luidende:
“s) artikel 605 van de wet van [__]2015 op het
statuut van en het toezicht op verzekerings- of
herverzekeringsondernemingen;”.
Art. 758
In artikel XII.4, eerste lid van hetzelfde Wetboek,
ingevoegd bij de wet van 15 december 2013, worden
de woorden “blijven de hoofdstukken IIIbis, IIIter, Vbis
en Vter van de wet van 9 juli 1975 betreffende de con-
trole der verzekeringsondernemingen van toepassing.”
vervangen door de woorden “blijven Boek II, Titel II,
Hoofdstuk V, Afdelingen 2 tot 4, en Boek III, Titel I van
de wet van [__] 2015 op het statuut van en het toezicht
op verzekerings- of herverzekeringsondernemingen
van toepassing.”.
d’assurances sur la liste prévue à l’article 4 de la loi
du 9 juillet 1975 relative au contrôle des entreprises
d’assurances” sont remplacés par les mots “soit comme
entreprises d’assurance sur la liste prévue à l’article
31 de la loi du [__] 2015 relative au statut et au contrôle
des entreprises d’assurance ou de réassurance”.
Art. 756
Dans l’article VII.176, § 3, du même Code, inséré
par la loi du 19 avril 2014, les mots “aux articles 4 et
66 de la loi du 9 juillet 1975 relative au contrôle des
entreprises d’assurances” sont remplacés par les mots
“aux articles 31 et 555 de la loi du [___] 2015 relative
au statut et au contrôle des entreprises d’assurance ou
de réassurance”.
Art. 757
Dans l’article XI.250, alinéa 2, du même Code, inséré
par la loi du 19 avril 2014, les modifications suivantes
sont apportées:
1° au 2°, le o) est remplacé par ce qui suit:
“o) aux articles 83 à 87 de la loi du 9 juillet 1975 rela-
tive au contrôle des entreprises d’assurances;”;
2° le 2° est complété par un s) rédigé comme suit:
“s) à l’article 605 de la loi du [__]2015 relative au
statut et au contrôle des entreprises d’assurance ou
de réassurance;”.
Art. 758
Dans l’article XII.4, alinéa 1er, du même Code, inséré
par la loi du 15 décembre 2013, les mots “les chapitres
IIIbis, IIIter, Vbis et Vter de la loi du 9 juillet 1975 rela-
tive au contrôle des entreprises d’assurances restent
d’application.” sont remplacés par les mots “le Livre II,
Titre II, Chapitre V, Section 2 à 4, et le Livre III, Titre Ier
de la loi du [__] 2015 relative au statut et au contrôle
des entreprises d’assurance ou de réassurance sont
d’application.”.
1182
1584/002
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
HOOFDSTUK XVII
Overige bepalingen
Art. 759
In de wetten die verwijzingen bevatten naar Bijlage I
van het koninklijk besluit van 22 februari 1991 houdende
algemeen reglement betreffende de controle op de
verzekeringsondernemingen, moeten deze verwijzingen
worden gelezen als verwijzingen naar Bijlage I van de
wet van [__] 2015 op het statuut van en het toezicht op
verzekerings- of herverzekeringsondernemingen voor
wat betreft de groep van activiteiten “niet-leven” en als
verwijzingen naar Bijlage II van dezelfde wet voor wat
betreft de groep van activiteiten “leven”.
Art. 760
Onverminderd de wijzigingen die bij de ontwerparti-
kelen 680 tot 684, 686, 688 tot 698, 700, 701, 706 tot
737, 739, 741, 748 en 752 tot 758 zijn aangebracht,
moeten in de wetten die verwijzingen bevatten naar
de wet van 9 juli 1975 of naar het koninklijk besluit
van 22 februari 1991 houdende algemeen reglement
betreffende de controle op de verzekeringsonder-
nemingen, deze verwijzingen in voorkomend geval
worden gelezen als verwijzingen naar de bepalingen
met hetzelfde voorwerp van de wet [___] 2015 op
het statuut van en het toezicht op verzekerings- of
herverzekeringsondernemingen.
TITEL IV
Opheffingsbepalingen
Art. 761
De wet van 9 juli 1975 betreffende de controle der
verzekeringsondernemingen wordt opgeheven.
Art. 762
De wet van 16 februari 2009 op het herverzekerings-
bedrijf wordt opgeheven.
CHAPITRE XVII
Autres dispositions
Art. 759
Dans les lois comprenant des références à l’Annexe
I de l’arrêté royal du 22 février 1991 portant règlement
général relatif au contrôle des entreprises d’assurances,
ces références doivent être lues comme des références
à l’Annexe I de la loi du [__] 2015 relative au statut et
au contrôle des entreprises d’assurance ou de réassu-
rance, pour ce qui concerne le groupe d’activité “non-
vie” et comme des références à l’Annexe II de la même
loi pour ce qui concerne le groupe d’activité “vie”.
Art. 760
Sans préjudice des modifications apportées par les
articles en projet 680 à 684, 686, 688 à 698, 700, 701,
706 à 737, 739, 741, 748 et 752 à 758, dans les lois
comprenant des références à la loi du 9 juillet 1975 ou à
l’arrêté royal du 22 février 1991 portant règlement géné-
ral relatif au contrôle des entreprises d’assurances, ces
références doivent être lues, le cas échéant, comme des
références aux dispositions, dont l’objet est identique,
de la loi du [___] 2015 relative au statut et au contrôle
des entreprises d’assurance ou de réassurance.
TITRE IV
Dispositions abrogatoireS
Art. 761
La loi du 9 juillet 1975 relative au contrôle des entre-
prises d’assurances est abrogée.
Art. 762
La loi du 16 février 2009 relative à la réassurance
est abrogée.
1183
1584/002
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
BOEK IX
INWERKINGTREDING
Art. 763
Deze wet treedt in werking de dag waarop ze in het
Belgisch Staatsblad wordt bekendgemaakt.
Gegeven te Brussel, 6 januari 2016
FILIP
VAN KONINGSWEGE:
De minister van Economie en Consumenten,
Kris PEETERS
De minister van Binnenlandse Zaken,
Jan JAMBON
De minister van Financiën,
Johan VAN OVERTVELDT
De minister van Justitie,
Koen GEENS
LIVRE IX
ENTRÉE EN VIGUEUR
Art. 763
La présente loi entre en vigueur le jour de sa publi-
cation au Moniteur belge.
Donné à Bruxelles, le 6 janvier 2016
PHILIPPE
PAR LE ROI:
Le ministre de l’Economie et Consommateurs,
Kris PEETERS
Le ministre de l’Intérieur,
Jan JAMBON
Le ministre des Finances,
Johan VAN OVERTVELDT
Le ministre de la Justice,
Koen GEENS
1184
1584/002
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
BIJLAGEN
ANNEXES
BIJLAGE I
INDELING VAN DE RISICO’S PER TAK
VOOR DE NIET-
LEVENSVERZEKERINGSACTIVITEITEN
ANNEXE I
CLASSIFICATION DES RISQUES PAR BRANCHE
POUR LES ACTIVITÉS D'ASSURANCE NON-VIE
1.
Ongevallen (met inbegrip van
arbeidsongevallen en beroepsziekten)
1.
Accidents (y compris les accidents de
travail et les maladies professionnelles)
-
forfaitaire uitkeringen;
-
prestations forfaitaires;
-
schadeloosstellingen;
-
prestations indemnitaires;
-
combinaties daarvan;
-
combinaisons de ces prestations;
-
vervoerde personen.
-
personnes transportées.
2.
Ziekte
2.
Maladie
-
forfaitaire uitkeringen;
-
prestations forfaitaires;
-
schadeloosstellingen;
-
prestations indemnitaires;
-
combinaties daarvan.
-
combinaisons de ces prestations.
3.
Voertuigcasco (met uitzondering van
rollend spoorwegmaterieel)
3.
Corps de véhicules terrestres (autres que
ferroviaires)
Alle schade toegebracht aan:
Tout dommage subi par:
-
motorrijtuigen;
-
les véhicules terrestres automoteurs;
-
voertuigen zonder motor.
-
les véhicules terrestres non
automoteurs.
4.
Casco rollend spoorwegmaterieel
4.
Corps de véhicules ferroviaires
Alle schade toegebracht aan rollend
spoorwegmaterieel.
Tout dommage subi par les véhicules
ferroviaires.
5.
Luchtvaartuigcasco
5.
Corps de véhicules aériens
Alle schade toegebracht aan
luchtvaartuigen.
Tout dommage subi par les véhicules
aériens.
6.
Casco zee-
en binnenschepen
6.
Corps de véhicules maritimes, lacustres
et fluviaux
Alle schade toegebracht aan:
Tout dommage subi par:
-
binnenschepen;
-
les véhicules fluviaux;
-
schepen voor de vaart op meren;
-
les véhicules lacustres;
-
zeeschepen.
-
les véhicules maritimes.
7.
Vervoerde goederen (met inbegrip van
koopwaren, bagage en alle andere
goederen)
7.
Marchandises transportées (y compris
les marchandises, bagages et tous autres
biens)
Alle schade toegebracht aan vervoerde
goederen of bagage, onafhankelijk van de
Tout dommage subi par les marchandises
transportées ou bagages, quel que soit le
1185
1584/002
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
aard van het transportmiddel.
moyen de transport.
8.
Brand en natuurevenementen
8.
Incendie et éléments naturels
Alle schade toegebracht aan goederen
(met uitzondering van de goederen die
onder de takken 3, 4, 5, 6 en 7 zijn
begrepen) wanneer deze veroorzaakt is
door:
Tout dommage subi par les biens
(autres que les biens compris
dans les branches 3, 4, 5, 6 et 7)
lorsqu'il est causé par:
-
brand;
-
un incendie;
-
ontploffing;
-
une explosion;
-
storm;
-
une tempête;
-
natuurevenementen,
met uitzondering van storm;
-
des éléments naturels autres que la
tempête;
-
kernenergie;
-
l’énergie nucléaire;
-
aardverzakking.
-
un affaissement de terrain.
9.
Andere schade aan goederen
9.
Autres dommages aux biens
Alle schade toegebracht aan goederen
(met uitzondering van de goederen die
onder de takken 3, 4, 5, 6 en 7 zijn
begrepen), wanneer deze schade
veroorzaakt is door hagel of vorst,
alsmede door alle overige niet onder tak
8 begrepen evenementen, zoals diefstal.
Tout dommage subi par les biens (autres
que les biens compris dans les branches
3, 4, 5, 6 et 7) lorsque ce dommage est
causé par la grêle ou le gel, ainsi que par
tout événement, tel le vol, autre que ceux
compris dans la branche 8.
10.
Burgerrechtelijke aansprakelijkheid
motorrijtuigen
10.
Responsabilité civile véhicules terrestres
automoteurs
Elke aansprakelijkheid die het gevolg is
van het gebruik van motorrijtuigen (met
inbegrip van de aansprakelijkheid van de
vervoerder).
Toute responsabilité résultant de l'emploi
de véhicules terrestres automoteurs
(y compris la responsabilité du
transporteur).
11.
Burgerrechtelijke aansprakelijkheid
luchtvaartuigen
11.
Responsabilité civile véhicules aériens
Elke aansprakelijkheid die het gevolg is
van het gebruik van luchtvaartuigen (met
inbegrip van de aansprakelijkheid van de
vervoerder).
Toute responsabilité résultant de l'emploi
de véhicules aériens (y compris la
responsabilité du transporteur).
12.
Burgerrechtelijke aansprakelijkheid zee-
en binnenschepen
12.
Responsabilité civile véhicules
maritimes, lacustres et fluviaux
Elke aansprakelijkheid die het gevolg is
van het gebruik van zee- en
binnenschepen (met inbegrip van de
aansprakelijkheid van de vervoerder).
Toute responsabilité résultant de l'emploi
de véhicules fluviaux, lacustres et
maritimes (y compris la responsabilité du
transporteur).
13.
Algemene burgerrechtelijke
aansprakelijkheid
13.
Responsabilité civile générale
Alle overige niet onder de takken 10, 11
en 12 vermelde vormen van
aansprakelijkheid.
Toute responsabilité autre que celles
mentionnées sous les branches 10, 11 et
12.
1186
1584/002
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
14.
Krediet
14.
Crédit
-
algemene insolventie;
-
insolvabilité générale;
-
exportkrediet;
-
crédit à l'exportation;
-
verkoop op afbetaling;
-
vente à tempérament;
-
hypothecair krediet;
-
crédit hypothécaire;
-
landbouwkrediet.
-
crédit agricole.
15.
Borgtocht
15.
Caution
-
directe borgtocht;
-
caution directe;
-
indirecte borgtocht.
-
caution indirecte.
16.
Diverse geldelijke verliezen
16.
Pertes pécuniaires diverses
-
risico van gebrek aan werk;
-
risques de chômage;
-
(algemeen) tekort aan ontvangsten;
-
insuffisance de recettes (générale);
-
slecht weer;
-
mauvais temps;
-
winstderving;
-
pertes de bénéfices;
-
doorlopende algemene kosten;
-
persistance de frais généraux;
-
onvoorziene bedrijfsuitgaven;
-
dépenses commerciales imprévues;
-
verlies van verkoopwaarde;
-
perte de la valeur vénale;
-
huur - of inkomstenderving;
-
pertes de loyers ou de revenus;
-
andere indirecte bedrijfsverliezen;
-
autres pertes commerciales
indirectes;
-
niet met een bedrijf samenhangende
geldelijke verliezen;
-
autres pertes pécuniaires non
commerciales;
-
overige geldelijke verliezen.
-
autres pertes pécuniaires.
17.
Rechtsbijstand
17.
Protection juridique
Rechtsbijstand.
Protection juridique.
18.
Hulpverlening
18.
Assistance
-
hulpverlening aan in moeilijkheden
verkerende personen die op reis zijn
of zich buiten hun woonplaats of
gewone verblijfplaats bevinden;
-
assistance aux personnes en difficulté
au cours de déplacements, d'absences
de leur domicile ou de leur résidence
habituelle ;
-
hulpverlening onder andere
omstandigheden.
-
assistance en d’autres circonstances.
1187
1584/002
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
BIJLAGE II
INDELING VAN DE RISICO’S PER TAK VOOR DE
LEVENSVERZEKERINGSACTIVITEITEN
ANNEXE II
CLASSIFICATION DES RISQUES PAR BRANCHE
POUR LES ACTIVITÉS D'ASSURANCE-VIE
A.
Voor zover zij uit een overeenkomst
voortvloeien, worden de volgende
levensverzekeringen respectievelijk in de
takken 21, 22, 23 en 24 ingedeeld :
A.
Sont classées respectivement dans les
branches 21, 22, 23 et 24, les assurances-vie
suivantes lorsqu'elles découlent d'un contrat :
21.
de in de punten a), b) en, c) opgesomde
levensverzekeringen, met uitzondering
van die welke tot de takken 22 en 23
behoren:
21.
les assurances-vie énumérées aux points
a), b) et c), à l'exception de celles reprises
dans les branches 22 et 23 :
a)
levensverzekeringen, namelijk
verzekeringen bij leven,
verzekeringen bij overlijden,
gemengde verzekeringen,
levensverzekeringen met
contraverzekering;
a)
l'assurance-"vie", qui comprend
l'assurance en cas de vie,
l'assurance en cas de décès,
l'assurance mixte, l'assurance sur la
vie avec contre-assurance ;
b)
lijfrenteverzekeringen;
b)
l'assurance de rente ;
c)
aanvullende verzekeringen die een
aanvulling vormen op een
levensverzekering, met name
verzekeringen tegen lichamelijk
letsel, met inbegrip van arbeids-
ongeschiktheid, verzekeringen bij
overlijden ten gevolge van een
ongeval en verzekeringen tegen
invaliditeit ten gevolge van
ongeval of ziekte;
c)
les assurances complémentaires
souscrites en complément d'une
assurance-vie, et notamment les
assurances "atteintes corporelles y
compris l'incapacité de travail
professionnel", les assurances
"décès à la suite d'accident" et les
assurances "invalidité à la suite
d'accident ou de maladie" ;
22.
verzekeringen in verband met huwelijk
en geboorte;
22.
l'assurance nuptialité et l'assurance
natalité ;
23.
levensverzekeringen als bedoeld in tak
21, a) en b) die verbonden zijn met
beleggingsfondsen;
23.
les assurances-vie visées sous la branche
21, a) et b) qui sont liées à des
fonds d'investissement ;
24.
het in Ierland en het Verenigd Koninkrijk
bestaande type van niet-opzegbare
ziekteverzekering van lange duur dat
"permanent health insurance not subject
to cancellation" wordt genoemd.
24.
les types d'assurance-maladie à long
terme, non résiliable, pratiquée
actuellement en Irlande et au Royaume-
Uni ("permanent health insurance not
subject to cancellation").
B.
Voor zover zij voortvloeien uit een
overeenkomst en voor zover zij onder het
toezicht staan van de autoriteiten die belast zijn
met het toezicht op particuliere verzekeringen,
worden de volgende verrichtingen
respectievelijk in de takken 25, 26, 27 en 28
ingedeeld :
B.
Sont classées respectivement dans les
branches 25, 26, 27 et 28, les opérations
suivantes lorsqu'elles découlent d'un contrat et
pour autant qu'elles soient soumises au contrôle
des autorités chargées du contrôle des
assurances privées :
25.
tontineverrichtingen, namelijk de
verrichtingen waarbij deelgenoot-
25.
les opérations tontinières, à savoir les
opérations comportant la constitution
1188
1584/002
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
schappen worden gevormd waarbij de
deelgenoten zich aaneensluiten om
gezamenlijk hun bijdragen te
kapitaliseren en het aldus gevormde
vermogen te verdelen tussen de
overlevenden of tussen de
rechthebbenden van de overledenen.
d'associations réunissant des adhérents en
vue de capitaliser en commun leurs
cotisations et de répartir ensuite l'avoir
ainsi constitué soit entre les survivants,
soit entre les ayants droit des décédés
26.
kapitalisatieverrichtingen die gebaseerd
zijn op een actuariële techniek, waarbij in
ruil voor van tevoren vastgestelde
stortingen ineens of periodieke
stortingen, verbintenissen worden
aangegaan die voor wat betreft hun duur
en hun bedrag bepaald zijn.
26.
les opérations de capitalisation basées sur
une technique actuarielle comportant, en
échange de versements uniques ou
périodiques fixés à l'avance, des
engagements déterminés quant à leur
durée et à leur montant.
27.
het beheer van collectieve pensioen-
fondsen daaronder begrepen:
27.
les opérations de gestion de fonds
collectifs de retraite comprenant :
a)
het beheer van beleggingen en met
name van de activa die tegenover
de reserves staan van de
instellingen die uitkeringen
verstrekken bij overlijden, bij
leven of bij beëindiging of
vermindering van de
werkzaamheid,
a)
la gestion des placements et
notamment des actifs représentatifs
des réserves des organismes qui
fournissent des prestations en cas
de décès, en cas de vie ou en cas
de cessation ou de réduction
d'activités,
b)
verrichtingen als bedoeld onder a),
wanneer deze vergezeld gaan van
een verzekeringsgarantie die
betrekking heeft hetzij op het
behoud van het kapitaal, hetzij op
de betaling van een minimumrente;
b)
les opérations visées au a)
lorsqu'elles sont assorties d'une
garantie d'assurance portant soit
sur la conservation du capital, soit
sur le service d'un intérêt minimal ;
28.
door levensverzekeringsondernemingen
uitgevoerde verrichtingen zoals die welke
bedoeld zijn in boek IV, titel 4, hoofdstuk
1, van de Franse "Code des assurances”.
28.
les opérations effectuées par des
entreprises d'assurance-vie, telles que
celles visées par le code français des
assurances au livre IV, titre 4, chapitre 1.
C.
Worden in tak 29 ingedeeld:
C.
Sont classées dans la branche 29 :
de in de socialeverzekeringswetgeving
omschreven of bedoelde verrichtingen in
verband met de duur van het leven van de
mens, voor zover deze in
overeenstemming met de wetgeving van
een lidstaat door levensverzekerings-
ondernemingen voor eigen risico worden
verricht of beheerd.
les opérations dépendant de la durée de la
vie humaine, définies ou prévues par la
législation des assurances sociales, pour
autant qu'elles soient pratiquées ou gérées
par des entreprises d'assurance-vie et à
leur propre risque, en conformité avec la
législation d'un État membre.
1189
1584/002
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
BIJLAGE III
STANDAARDFORMULE VOOR DE BEREKENING
VAN HET SOLVABILITEITSKAPITAALVEREISTE
(SOLVENCY CAPITAL REQUIREMENT - SCR)
ANNEXE III
FORMULE STANDARD POUR LE CALCUL
DU CAPITAL DE SOLVABILITE REQUIS
(SOLVENCY CAPITAL REQUIREMENT - SCR)
1.
Berekening van het
kernsolvabiliteitskapitaalvereiste
1.
Calcul du capital de solvabilité
requis de base
Het kernsolvabiliteitskapitaalvereiste (“kern-
SCR”), als bedoeld in artikel 154, § 1 van deze
wet, wordt als volgt berekend:
Le capital de solvabilité requis de base ("SCR
de base") défini à l'article 154, § 1er de la
présente loi, se calcule comme suit:
¦
u
u
ji,
j
i
ji,
SCR
SCR
Corr
kern
SCR
¦
u
u
ji,
j
i
ji,
SCR
SCR
Corr
base
de
SCR
waarbij SCRi staat voor de risicomodule i, SCRj
voor de risicomodule j en waarbij "i,j" betekent
dat de som van de verschillende termen op alle
mogelijke combinaties van i en j betrekking
moeten hebben. In de berekening worden SCRi
en SCRj vervangen door:
où SCRi représente le module de risque i et
SCRj le module de risque j, et où "i,j" indique
que la somme des différents termes doit couvrir
toutes les combinaisons possibles de i et j. Dans
le calcul, SCRi et SCRj sont remplacés par:
-
SCRniet-leven, hetgeen staat voor de module
“verzekeringstechnisch risico “niet-
leven””;
-
SCRnon-vie, qui représente le module
"risque de souscription en non-vie";
-
SCRleven, hetgeen staat voor de module
”verzekeringstechnisch risico “leven””;
-
SCRvie, qui représente le module "risque
de souscription en vie";
-
SCRziekte, hetgeen staat voor de module
“verzekeringstechnisch risico
ziektekosten”;
-
SCRsanté, qui représente le module "risque
de souscription en santé";
-
SCRmarkt, hetgeen staat voor de module
“marktrisico”;
-
SCRmarché, qui représente le module
"risque de marché";
-
SCRtegenpartij, hetgeen staat voor de
module “tegenpartijrisico”.
-
SCRdéfaut, qui représente le module
"risque de contrepartie".
De factor Corri,j staat voor de waarde die is
vermeld in rij i en kolom j van de volgende
correlatiematrix:
Le facteur Corr i,j représente l'élément figurant
dans la ligne i et la colonne j de la matrice de
corrélation suivante:
j
i
Markt
Tegen-
partij
Leven
Ziekte
Niet-
leven
j
i
Marché
Défaut
Vie
Santé
Non-vie
Markt
1
0,25
0,25
0,25
0,25
Marché
1
0,25
0,25
0,25
0,25
Tegen-
partij
0,25
1
0,25
0,25
0,5
Défaut
0,25
1
0,25
0,25
0,5
Leven
0,25
0,25
1
0,25
0
Vie
0,25
0,25
1
0,25
0
Ziekte
0,25
0,25
0,25
1
0
Santé
0,25
0,25
0,25
1
0
Niet-
leven
0,25
0,5
0
0
1
Non-vie
0,25
0,5
0
0
1
1190
1584/002
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
2.
Berekening van de module
“verzekeringstechnisch risico “niet-leven””
2.
Calcul du module
« risque de souscription en non-vie »
De module “verzekeringstechnisch risico “niet-
leven””, als bedoeld in artikel 156 van deze
wet, wordt als volgt berekend:
Le module "risque de souscription en non-vie"
défini à l'article 156 de la présente loi, se
calcule comme suit:
¦
u
u
j
i,
j
i
j
i,
schade
SCR
SCR
Corr
SCR
¦
u
u
ji,
j
i
ji,
vie
-
non
SCR
SCR
Corr
SCR
waarbij SCRi staat voor de submodule i, SCRj
voor de submodule j en waarbij "i,j" betekent
dat de som van de verschillende termen op alle
mogelijke combinaties van i en j betrekking
moet hebben. In de berekening worden SCRi en
SCRj vervangen door:
où SCRi représente le sous-module i et SCRj le
sous-module j, et où "i,j" indique que la somme
des différents termes doit couvrir toutes les
combinaisons possibles de i et j. Dans le calcul,
SCRi et SCRj sont remplacés par:
-
SCR premie en voorzieningen niet-leven, hetgeen staat
voor
de
submodule
“premie-
en
voorzieningenrisico niet-leven”;
-
SCRprimes et réserve non-vie, qui représente le
sous-module "risque de primes et réserve
en non-vie";
-
SCRcatastrofe niet-leven, hetgeen staat voor de
submodule “catastroferisico niet-leven”.
-
SCRcatastrophe
non-vie,
qui
représente
le
sous-module "risque de catastrophe en non-
vie".
3.
Berekening van de module
“verzekeringstechnisch risico “leven””
3.
Calcul du module
« risque de souscription en vie »
De
module
“verzekeringstechnisch
risico
“leven””, als bedoeld in artikel 157 van deze
wet, wordt als volgt berekend:
Le module "risque de souscription en vie"
défini à l'article 157 de la présente loi, se
calcule comme suit:
¦
u
u
j
i,
j
i
j
i,
leven
SCR
SCR
Corr
SCR
¦
u
u
j
i,
j
i
j
i,
vie
SCR
SCR
Corr
SCR
waarbij SCRi staat voor de submodule i, SCRj
voor de submodule j en waarbij "i,j" betekent
dat de som van de verschillende termen op alle
mogelijke combinaties van i en j betrekking
moet hebben. In de berekening worden SCRi en
SCRj vervangen door:
où SCRi représente le sous-module i et SCRj le
sous-module j, et où "i,j" indique que la somme
des différents termes doit couvrir toutes les
combinaisons possibles de i et j. Dans le calcul,
SCRi et SCRj sont remplacés par:
-
SCRoverlijden,
hetgeen
staat
voor
de
submodule “overlijdensrisico”;
-
SCRmortalité, qui représente le sous-module
"risque de mortalité";
-
SCRlangleven,
hetgeen
staat
voor
de
submodule “langlevenrisico”;
-
SCRlongévité, qui représente le sous-module
"risque de longévité";
-
SCRinvaliditeit,
hetgeen
staat
voor
de
submodule
“invaliditeits-
en
morbiditeitsrisico”;
-
SCRinvalidité, qui représente le sous-module
"risque d'invalidité – de morbidité";
-
SCRkosten
leven, hetgeen staat voor de
submodule “kostenrisico leven”;
-
SCRdépenses
vie,
qui
représente
le
sous-module "risque de dépenses en vie";
1191
1584/002
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
-
SCRherziening,
hetgeen
staat
voor
de
submodule “herzieningsrisico”;
-
SCRrévision, qui représente le sous-module
"risque de révision";
-
SCRbeëindiging,
hetgeen
staat
voor
de
submodule
“risico
van
voortijdige
beëindiging”;
-
SCRcessation, qui représente le sous-module
"risque de cessation";
-
SCRcatastrofe
leven, hetgeen staat voor de
submodule “catastroferisico leven”.
-
SCRcatastrophe
vie,
qui
représente
le
sous-module "risque de catastrophe en
vie".
4.
Berekening van de module
“marktrisico”
4.
Calcul du module « risque de
marché »
Structuur van de module “marktrisico”
Structure du module "risque de marché"
De module “marktrisico”, als bedoeld in
artikel 159 van deze wet, wordt als volgt
berekend:
Le module "risque de marché" défini à
l'article 159 de la présente loi, se calcule
comme suit:
¦
u
u
j
i,
j
i
j
i,
markt
SCR
SCR
Corr
SCR
¦
u
u
j
i,
j
i
j
i,
marché
SCR
SCR
Corr
SCR
waarbij SCRi staat voor de submodule i, SCRj
voor de submodule j en waarbij "i,j" betekent
dat de som van de verschillende termen op alle
mogelijke combinaties van i en j betrekking
moet hebben. In de berekening worden SCRi en
SCRj vervangen door:
où SCRi représente le sous-module i et SCRj le
sous-module j, et où "i,j" indique que la somme
des différents termes doit couvrir toutes les
combinaisons possibles de i et j. Dans le calcul,
SCRi et SCRj sont remplacés par:
-
SCRrente,
hetgeen
staat
voor
de
submodule “renterisico”;
-
SCRtaux
d'intérêt,
qui
représente
le
sous-module "risque de taux d'intérêt";
-
SCRaandelen, hetgeen staat voor de
submodule “aandelenrisico”;
-
SCRactions,
qui
représente
le
sous-module "risque sur actions";
-
SCRvastgoed, hetgeen staat voor de
submodule “vastgoedrisico”;
-
SCRactifs
immobiliers, qui représente le
sous-module "risque sur actifs immobiliers";
-
SCRspread,
hetgeen
staat
voor
de
submodule “spreadrisico”;
-
SCRmarge, qui représente le sous-module
"risque lié à la marge";
-
SCRconcentratie, hetgeen staat voor de
submodule “marktrisicoconcentratie”;
-
SCRconcentrations,
qui
représente
le
sous-module
"concentrations
du
risque
de marché";
-
SCRvaluta,
hetgeen
staat
voor
de
submodule “valutarisico”.
-
SCRchange,
qui
représente
le
sous-module "risque de change".
1192
1584/002
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
BIJLAGE IV
GROEPEN VAN NIET-
LEVENSVERZEKERINGSTAKKEN
ANNEXE IV
GROUPES DE BRANCHES D’ASSURANCE NON-
VIE
1°
Ongevallen en ziekte (takken 1 en 2 van
Bijlage I);
1°
Accidents et maladie (branches 1 et 2 de
l’Annexe I) ;
2°
Motorrijtuigenverzekering (takken 3, 7
en 10 van Bijlage I; de cijfers betreffende
tak
10,
met
uitzondering
van
de
wettelijke
aansprakelijkheid
van
de
vervoerder,
worden
afzonderlijk
gespecificeerd);
2°
Assurance automobile (branches 3, 7 et
10 de l’Annexe I, les chiffres relatifs à la
branche
10,
à
l’exclusion
de
la
responsabilité du transporteur, devant
être communiqués séparément) ;
3°
Brand- en andere schade aan goederen
(takken 8 en 9 van Bijlage I);
3°
Incendie et autres dommages aux biens
(branches 8 et 9 de l’Annexe I) ;
4°
Luchtvaart-, zee- en transportverzekering
(takken 4, 5, 6, 7, 11 en 12 van Bijlage I);
4°
Assurance aviation, maritime et transport
(branches 4, 5, 6, 7, 11 et 12 de
l’Annexe I) ;
5°
Algemene burgerrechtelijke aansprake-
lijkheid (tak 13 van Bijlage I);
5°
Responsabilité
civile
générale
(branche 13 de l’Annexe I) ;
6°
Krediet en borgtocht (takken 14 en 15
van Bijlage I);
6°
Crédit et caution (branches 14 et 15 de
l’Annexe I) ;
7°
Overige takken (takken 16, 17 en 18 van
Bijlage I).
7°
Autres branches (branches 16, 17 et 18
de l’Annexe I).
1193
1584/002
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
BIJLAGE V
SOLVABILITEIT OP HET NIVEAU VAN EEN
FINANCIEEL CONGLOMERAAT
ANNEXE V
SOLVABILITE AU NIVEAU D’UN
CONGLOMERAT FINANCIER
Art. 1. De gereglementeerde ondernemingen
dienen op het niveau van het financieel
conglomeraat
te
beschikken
over
eigen
vermogen dat minstens gelijk is aan de
solvabiliteitsvereisten
berekend
op
groepsniveau. Het eigen vermogen en de
solvabiliteitsvereisten worden berekend volgens
één van de in artikel 2 van deze Bijlage bepaalde
methodes, met toepassing van de in artikel 3 van
deze Bijlage bepaalde beginselen en met
naleving van de bepalingen en beginselen van
Verordening 342/2014 en de bijlage ervan.
Art. 1er. Les entreprises réglementées doivent
disposer, au niveau du conglomérat financier, de
fonds propres au moins égaux aux exigences de
solvabilité calculées au niveau du groupe. Les
fonds propres et les exigences de solvabilité sont
calculés selon l’une des méthodes définies à
l’article 2 de la présente Annexe, en application
des principes décrits à l’article 3 de la présente
Annexe et dans le respect des dispositions et
principes repris dans le Règlement 342/2014 et
son annexe.
De Bank bepaalt als coördinator de methode die
wordt toegepast. Een combinatie van deze
methoden mag zij slechts toestaan in de in
artikel 16 van Verordening 342/2014 bepaalde
omstandigheden. Zij pleegt over de toe te passen
methode voorafgaandelijk overleg met de andere
betrokken toezichthouders en met het betrokken
financieel conglomeraat.
La Banque, en sa qualité de coordinateur, définit
la méthode appliquée. Elle ne peut autoriser une
combinaison de ces méthodes que dans les
circonstances déterminées à l’article 16 du
Règlement 342/2014.
Elle
se
concerte
préalablement sur la méthode à appliquer avec
les autres autorités de contrôle concernées et
avec le conglomérat financier concerné.
Art. 2. Berekeningsmethodes:
Art. 2. Méthodes de calcul :
§ 1. Methode 1: methode op basis van de
geconsolideerde rekeningen
§ 1er. Méthode 1 :
méthode
basée
sur
les
comptes consolidés
Het eigen vermogen en de solvabiliteitsvereisten
op groepsniveau worden berekend op basis van
de geconsolideerde positie van de groep, aan de
hand van de geconsolideerde jaarrekeningen of
tussentijdse geconsolideerde rekeningen. De
geconsolideerde positie van de groep is de
positie van het geconsolideerde geheel dat een
consoliderende onderneming vormt met de
andere
in
de
consolidatie
opgenomen
ondernemingen. Onverminderd het bepaalde in
artikel 3, § 1 van deze Bijlage, wordt de
geconsolideerde
positie
bepaald
met
overeenkomstige toepassing van de sectorale
regelgeving inzake sectoraal groepstoezicht.
Les fonds propres et les exigences de solvabilité
au niveau du groupe sont calculés sur la base de
la
situation
consolidée
du
groupe
telle
qu’attestée
par
les
comptes
annuels
ou
intérimaires consolidés. La situation consolidée
du groupe est la situation de l’ensemble
consolidé
que
constitue
une
entreprise
consolidante avec les autres entreprises incluses
dans le périmètre de consolidation. Sans
préjudice des dispositions de l'article 3, § 1er de
la présente Annexe, la situation consolidée est
déterminée par application analogue de la
réglementation sectorielle en matière de contrôle
sectoriel du groupe.
De bestanddelen van het eigen vermogen op
groepsniveau zijn die welke in de relevante
sectorale
regelgeving
van
de
in
de
geconsolideerde
positie
opgenomen
ondernemingen
erkend
worden
als
eigenvermogensbestanddeel.
Les éléments de fonds propres au niveau du
groupe sont ceux qui sont reconnus comme
éléments de fonds propres par la réglementation
sectorielle pertinente des entreprises incluses
dans la situation consolidée.
Het solvabiliteitsvereiste op groepsniveau is
gelijk aan de som van de solvabiliteitsvereisten
voor elke onderscheiden financiële sector die in
L’exigence de solvabilité au niveau du groupe
est égale à la somme des exigences de
solvabilité relatives à chaque secteur financier
1194
1584/002
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
de
groep
vertegenwoordigd
is.
De
solvabiliteitsvereisten voor elke onderscheiden
financiële sector worden berekend volgens de
relevante sectorale regelgeving. Voor niet-
gereglementeerde
ondernemingen
uit
de
financiële sector die niet bij de bovengenoemde
berekeningen
van
de
sectorale
solvabiliteitsvereisten zijn meegeteld, wordt een
theoretisch solvabiliteitsvereiste berekend.
distinct qui est représenté au sein du groupe. Les
exigences de solvabilité relatives à chaque
secteur financier distinct sont calculées selon la
réglementation sectorielle pertinente. Pour les
entreprises non réglementées appartenant au
secteur financier qui ne sont pas incluses dans
les calculs précités des exigences de solvabilité
sectorielles, le calcul se fait selon une exigence
de solvabilité théorique.
§ 2. Methode 2:
methode
gebaseerd
op
aggregatie en aftrek
§ 2. Méthode 2 : méthode basée sur l’agrégation
et la déduction
Het eigen vermogen en de solvabiliteitsvereisten
worden berekend aan de hand van de
jaarrekeningen of tussentijdse rekeningen van
elk van de ondernemingen in de groep.
Les fonds propres et les exigences de solvabilité
sont calculés sur la base des comptes annuels ou
intérimaires de chacune des entreprises du
groupe.
Het eigen vermogen op groepsniveau is gelijk
aan de som van de eigen vermogens van elke tot
de financiële sector behorende gereglementeerde
en niet-gereglementeerde onderneming in het
financieel conglomeraat. De bestanddelen van
het groepseigen vermogen zijn die welke in de
relevante
sectorale
regelgeving
van
de
desbetreffende ondernemingen erkend worden
als eigenvermogensbestanddeel.
Les fonds propres au niveau du groupe sont
égaux à la somme des fonds propres de chacune
des entreprises réglementées ou non qui, dans le
conglomérat financier, appartient au secteur
financier. Les éléments de fonds propres du
groupe sont ceux qui sont reconnus comme
éléments
de
fonds
propres
dans
la
réglementation
sectorielle
pertinente
des
entreprises concernées.
Het solvabiliteitsvereiste op groepsniveau is
gelijk
aan
de
som
van,
enerzijds,
de
solvabiliteitsvereisten voor elke tot de financiële
sector behorende gereglementeerde en niet-
gereglementeerde onderneming in het financieel
conglomeraat - berekend volgens de relevante
sectorale regelgeving -, en anderzijds, de
boekwaarde
van
alle
deelnemingen
in
ondernemingen van de groep. Voor niet-
gereglementeerde ondernemingen die tot de
financiële sector behoren en, die niet bij de
bovengenoemde berekeningen van de sectorale
solvabiliteitsvereisten zijn meegeteld, wordt een
theoretisch
solvabiliteitsvereiste
berekend
overeenkomstig
artikel 12
van
Verordening 342/2014.
L’exigence de solvabilité au niveau du groupe
est égale à la somme, d'une part, des exigences
de solvabilité pour chacune des entreprises
réglementées ou non, qui, dans le conglomérat
financier, appartient au secteur financier –
calculées selon la réglementation sectorielle
pertinente –
et, d’autre part, de la valeur
comptable de toutes les participations dans des
entreprises du groupe. Pour les entreprises non
réglementées appartenant au secteur financier
qui ne sont pas incluses dans les calculs précités
des exigences de solvabilité sectorielles, le
calcul se fait selon une exigence de solvabilité
théorique, conformément à l’article 12 du
Règlement 342/2014.
Onverminderd het bepaalde in artikel 3 § 2 van
deze Bijlage inzake eigen vermogenstekorten in
dochterondernemingen, wordt bij de toepassing
van deze methode rekening gehouden met het
evenredig deel dat de moederonderneming of de
onderneming met een deelneming bezit in een
andere
onderneming
van
het
financieel
conglomeraat. Onder evenredig deel wordt
verstaan, het gedeelte van het geplaatste kapitaal
dat rechtstreeks of onrechtstreeks door deze
onderneming wordt gehouden.
Sans préjudice des dispositions de l'article 3 § 2
de la présente Annexe en matière de déficits de
fonds propres dans les filiales, il est tenu
compte, dans l’application de cette méthode, de
la
quote-part
que
l’entreprise
mère
ou
l’entreprise ayant une participation détient dans
une autre entreprise du conglomérat financier.
Par quote-part, il y a lieu d’entendre la partie du
capital placé qui est détenue directement ou
indirectement par cette entreprise.
Art. 3. Beginselen gemeenschappelijk aan de Art. 3 . Principes communs aux deux méthodes
1195
1584/002
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
twee methodes
§ 1. Met de “solvabiliteitsvereisten voor de
ondernemingen die tot de verzekeringssector
behoren”
wordt
bedoeld
de
solvabiliteitsvereisten in overeenstemming met
de artikelen 151 en 378 van deze wet.
§ 1er. Par « exigences de solvabilité pour les
entreprises
appartenant
au
secteur
des
assurances », il y a lieu d’entendre les exigences
de solvabilité conformément aux articles 151 et
378 de la présente loi.
Met
de
“solvabiliteitsvereisten
voor
de
ondernemingen
die
tot
de
bank-
en
beleggingsdienstensector
behoren”
wordt
bedoeld,
de
solvabiliteitsvereisten
overeenkomstig
Par
« exigences
de
solvabilité
pour
les
entreprises appartenant au secteur bancaire et au
secteur des services d’investissement », il y a
lieu d’entendre les exigences de solvabilité
conformément:
- Deel 3,
Titel I,
Hoofdstuk 1
van
Verordening 575/2013;
- à la troisième Partie, Titre Ier, Chapitre 1er du
Règlement 575/2013 ;
- de artikelen 94, 96, 98, 149 en 150 van de wet
van 25 april 2014;
- aux articles 94, 96, 98, 149 et 150 de la loi du
25 avril 2014 ;
- de
artikelen 458
en
459
van
Verordening 575/2013; en
- aux
articles 458
et
459
du
Règlement 575/2013; et
- in
voorkomend
geval
de
reglementen
vastgesteld met toepassing van artikel 12bis, § 2
van de wet van 22 februari 1998, in uitvoering
van de vorige punten.
- le cas échéant aux règlements arrêtés en
application de l’article 12bis, § 2, de la loi du
22 février 1998,
en
exécution
des
points
précédents.
§ 2. Eigenvermogenstekorten
in
dochterondernemingen (in geval van niet-
gereglementeerde ondernemingen wordt het
theoretische tekort berekend aan de hand van de
theoretische solvabiliteitsvereiste) worden voor
het totale bedrag in aanmerking genomen.
§ 2. Les déficits de fonds propres dans des
filiales (en cas d’entreprises non réglementées,
le déficit théorique est calculé sur la base de
l’exigence de solvabilité théorique) sont pris en
considération pour le montant total.
In afwijking hiervan kan de Bank als coördinator
toestaan dat het evenredig deel van het tekort in
rekening wordt gebracht, indien haar op
duidelijke wijze aangetoond wordt dat de
verantwoordelijkheid
van
de
moederonderneming
in
de
groep
verhoudingsgewijze beperkt is tot het deel van
het kapitaal dat zij in die onderneming bezit, op
grond van de verantwoordelijkheid die de
overige aandeelhouders dragen in verhouding tot
hun inbreng in het kapitaal en hun voldoende
solvabiliteit.
Par dérogation, la Banque en sa qualité de
coordinateur peut autoriser que la quote-part du
déficit soit prise en considération, s’il lui est
démontré clairement que la responsabilité de
l’entreprise
mère
dans
le
groupe
est
proportionnellement limitée à la partie du capital
qu’elle détient dans cette entreprise, sur la base
de la responsabilité que les autres actionnaires
portent en proportion de leur apport dans le
capital et sur la base de leur solvabilité
suffisante.
Indien tussen de ondernemingen in een
financieel conglomeraat geen kapitaalbanden
bestaan, bepaalt de Bank, na overleg met de
andere
betrokken
toezichthouders,
het
evenredige deel dat in aanmerking moet worden
genomen voor de berekening van het eigen
vermogen van de groep. De Bank houdt daarbij
rekening met de verantwoordelijkheid en het
risico waartoe de bestaande betrekkingen tussen
die ondernemingen aanleiding geven.
S’il n’existe pas de liens en capital entre les
entreprises d’un conglomérat financier, la
Banque détermine, après concertation avec les
autres autorités de contrôle concernées, la quote-
part qui doit entrer en considération pour le
calcul des fonds propres du groupe. La Banque
tient compte à cet égard de la responsabilité et
du risque auxquels les relations existantes entre
ces entreprises peuvent donner lieu.
§ 3. Bij de berekening van het eigen vermogen § 3. Lors du calcul des fonds propres au niveau
1196
1584/002
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
op het niveau van een financieel conglomeraat
zal elke artificiële eigenvermogensvorming
binnen een financieel conglomeraat, zoals het
meer dan eenmaal in aanmerking nemen van
dezelfde eigenvermogensbestanddelen (multiple
gearing) en de niet passende transformatie van
de
aard
van
de
werkmiddelen,
worden
geëlimineerd. Daartoe zullen de relevante
beginselen van de sectorale regelgeving naar
analogie worden toegepast.
d’un conglomérat financier, toute création
artificielle de fonds propres au sein d’un
conglomérat financier, telle que la prise en
considération répétée des mêmes éléments de
fonds
propres
(multiple
gearing)
et
la
transformation non adéquate de la nature des
moyens, sera éliminée. À cet effet, les principes
pertinents de la réglementation sectorielle seront
applicables par analogie.
§ 4. De solvabiliteitsvereisten van de tot een
bepaalde
financiële
sector
behorende
ondernemingen in een financieel conglomeraat,
dienen
te
worden
gedekt
door
eigenvermogensbestanddelen als gedefinieerd in
de relevante sectorale regelgeving. Aanvullende
solvabiliteitsvereisten op het niveau van het
financieel conglomeraat moeten worden gedekt
door eigenvermogensbestanddelen die in elk van
de sectorale regelgevingen erkend worden
(« sectoroverschrijdend eigen vermogen »).
§ 4. Les exigences de solvabilité des entreprises
d’un conglomérat financier qui font partie d’un
secteur
financier
déterminé
doivent
être
couvertes par des éléments de fonds propres tels
que définis par la réglementation sectorielle
pertinente.
Les
exigences
de
solvabilité
complémentaires au niveau du conglomérat
financier doivent être couvertes par des éléments
de fonds propres reconnus dans chacune des
réglementations sectorielles (« fonds propres
transsectoriels »).
Indien
de
sectorale
regelgeving
het
in
aanmerking
nemen
van
eigen
vermogensinstrumenten
aan
beperkingen
onderwerpt,
zijn
deze
beperkingen
van
overeenkomstige toepassing bij de berekening
van het eigen vermogen op het niveau van het
financieel conglomeraat.
Si la réglementation sectorielle soumet la prise
en considération d’instruments de fonds propres
à des limitations, celles-ci sont applicables par
analogie au calcul des fonds propres au niveau
du conglomérat financier.
Bij
het
in
aanmerking
nemen
van
eigenvermogensbestanddelen op het niveau van
het financieel conglomeraat houdt de Bank
rekening met eventuele beperkingen in de
beschikbaarheid en overdraagbaarheid ervan
tussen de verschillende ondernemingen in de
groep, in het licht van de doeleinden van het
aanvullend
conglomeraatstoezicht
in
het
algemeen en de solvabiliteitsvoorschriften in het
bijzonder.
Lors de la prise en considération d’éléments de
fonds propres au niveau du conglomérat
financier, la Banque tient compte de limitations
éventuelles à leur disponibilité et à leur
cessibilité entre les différentes entreprises du
groupe, à la lumière des finalités de la
surveillance complémentaire du conglomérat en
général et des dispositions en matière de
solvabilité en particulier.
Het theoretisch solvabiliteitsvereiste voor een
niet-gereglementeerde
onderneming
uit
de
financiële sector is het solvabiliteitsvereiste
waaraan een dergelijke onderneming krachtens
de relevante sectorale regelgeving zou moeten
voldoen indien het om een gereglementeerde
onderneming van die specifieke financiële sector
zou gaan. Het solvabiliteitsvereiste van een
gemengde financiële holding wordt berekend
overeenkomstig de sectorale regelgeving van de
belangrijkste financiële sector in de groep.
L’exigence de solvabilité théorique pour une
entreprise non réglementée du secteur financier
est l’exigence de solvabilité à laquelle une telle
entreprise devrait satisfaire en vertu de la
réglementation
sectorielle
pertinente
s’il
s’agissait d’une entreprise réglementée de ce
secteur financier spécifique. L’exigence de
solvabilité d’une compagnie financière mixte est
calculée conformément à la réglementation
sectorielle du secteur financier le plus important
du groupe.
Centrale drukkerij – Imprimerie centrale