Document 56K0272/001

🏛️ KAMER Legislatuur 56 📁 0272 Wetsontwerp 🌐 NL

Inhoud

25 september 2024 25 septembre 2024 0272/001 DOC 56 0272/001 DOC 56 00308 K A M E R • 1e   Z I T T I N G VA N D E 56 e  Z I T T I N G S P E R I O D E 2024 C H A M B R E 1e S E S S I O N D E L A 56 e  L É G I S L AT U R E BUITENGEWONE ZITTING 2024 SESSION EXTRAORDINAIRE 2024 Chambre des représentants de Belgique Belgische Kamer van volksvertegenwoordigers RÉSUMÉ La présente proposition de loi modifie les dispositions relatives au partage amiable et au partage judiciaire contenues dans le Code judiciaire, afin notamment de permettre l’application desdites dispositions lorsque, à défaut d’indivision entre les parties, un partage ne se justifie pas, mais qu’une liquidation est néanmoins requise en vue de la fixation de leurs droits, en vertu des dispositions relatives soit aux régimes matrimoniaux soit aux successions contenues dans le Code civil. La présente proposition de loi entend également remédier très ponctuellement à certaines difficultés et/ ou à certaines controverses actuellement rencontrées dans le cadre des procédures de liquidation-partage judiciaires et en matière d’inventaire. C’est l’objet des modifications proposées à l’article 1184 (relatif à l’inventaire) du Code judiciaire. C’est également l’objet du nouvel alinéa ajouté in fine de l’article 1214, § 2, et du paragraphe 8 ajouté à l’article 1214 du même Code. SAMENVATTING Dit wetsvoorstel wijzigt de bepalingen betreffende de minnelijke verdeling en de gerechtelijke verdeling opgenomen in het Gerechtelijk Wetboek, met name om de toepassing van de vermelde bepalingen toe te laten indien, bij gebrek aan onverdeeldheid tussen de partijen, een verdeling niet kan worden verantwoord, maar een vereffening niettemin vereist is met het oog op de vaststelling van hun rechten, krachtens de be- palingen betreffende het huwelijksvermogensrecht of het erfrecht zoals voorzien in het Burgerlijk Wetboek. Dit wetsvoorstel beoogt ook een heel punctuele oplossing te bieden voor bepaalde moeilijkheden en/of bepaalde controverses die zich momenteel voordoen in het kader van procedures tot gerechtelijke vereffe- ning-verdeling en op het vlak van boedelbeschrijving. Dat is het doel van de voorgestelde wijzigingen aan artikel 1184 (betreffende de boedelbeschrijving) van het Gerechtelijk Wetboek. Dit is ook het doel van het nieuwe lid dat wordt toegevoegd in fine van artikel 1214, § 2, en van de paragraaf 8 die wordt toegevoegd in artikel 1214 van hetzelfde Wetboek. tot wijziging van de artikelen 572bis en 1184 van het Gerechtelijk Wetboek, van het hoofdstuk VI, van boek IV, van het vierde deel van hetzelfde Wetboek, met betrekking tot de verdelingen en veilingen, evenals van artikel 4.101 van het Burgerlijk Wetboek (ingediend door de heer Philippe Goffin c.s.) WETSVOORSTEL modifiant les articles 572bis et 1184 du Code judiciaire, le chapitre VI, du livre IV, de la quatrième partie du même Code, relatif aux partages et licitations, ainsi que l’article 4.101 du Code civil (déposée par M. Philippe Goffin et consorts) PROPOSITION DE LOI 0272/001 DOC 56 2 K A M E R • 1e   Z I T T I N G VA N D E 56 e  Z I T T I N G S P E R I O D E 2024 C H A M B R E 1e S E S S I O N D E L A 56 e  L É G I S L AT U R E N-VA : Nieuw-Vlaamse Alliantie VB : Vlaams Belang MR : Mouvement Réformateur PS : Parti Socialiste PVDA-PTB : Partij van de Arbeid van België – Parti du Travail de Belgique Les Engagés : Les Engagés Vooruit : Vooruit cd&v : Christen-Democratisch en Vlaams Ecolo-Groen : Ecologistes Confédérés pour l’organisation de luttes originales – Groen Open Vld : Open Vlaamse liberalen en democraten DéFI : Démocrate Fédéraliste Indépendant Abréviations dans la numérotation des publications: Afkorting bij de nummering van de publicaties: DOC 56 0000/000 Document de la 56e législature, suivi du numéro de base et numéro de suivi DOC 56 0000/000 Parlementair document van de 56e zittingsperiode + basisnummer en volgnummer QRVA Questions et Réponses écrites QRVA Schriftelijke Vragen en Antwoorden CRIV Version provisoire du Compte Rendu Intégral CRIV Voorlopige versie van het Integraal Verslag CRABV Compte Rendu Analytique CRABV Beknopt Verslag CRIV Compte Rendu Intégral, avec, à gauche, le compte rendu intégral et, à droite, le compte rendu analytique traduit des interventions (avec les annexes) CRIV Integraal Verslag, met links het definitieve integraal verslag en rechts het vertaalde beknopt verslag van de toespraken (met de bijlagen) PLEN Séance plénière PLEN Plenum COM Réunion de commission COM Commissievergadering MOT Motions déposées en conclusion d’interpellations (papier beige) MOT Moties tot besluit van interpellaties (beigekleurig papier) 3 0272/001 DOC 56 3 K A M E R • 1e   Z I T T I N G VA N D E 56 e  Z I T T I N G S P E R I O D E 2024 C H A M B R E 1e S E S S I O N D E L A 56 e  L É G I S L AT U R E DÉVELOPPEMENTS Mesdames, Messieurs, La présente proposition reprend, en l’adaptant, le texte de la proposition DOC 55 3738/001. Suite à la réforme du droit successoral opérée par les lois des 31 juillet 2017 et 22 juillet 2018, une difficulté se pose quant à l’application de la procédure de liquidation- partage judiciaire dans certains dossiers de succession. En effet, la réforme du droit successoral entrée en vigueur le 1er septembre 2018 a notamment eu pour objet de remplacer l’ancien principe de la réserve héréditaire en nature par une réserve (et donc une réduction) en valeur. Ainsi, alors que précédemment, la réserve était conçue comme une pars hereditatis (une portion minimale dans la succession, dont les héritiers réservataires devaient être remplis au moyen de biens dépendant de la suc- cession), les héritiers réservataires limités à leur réserve sont désormais – en principe – remplis de celle-ci sous la forme d’une indemnité, payée par le(s) gratifié(s) dont l(a)(es) libéralité(s) doi(ven)t être réduite(s). L’héritier réservataire exhérédé (ou limité à sa réserve) ne jouit donc plus d’un droit réel sur les actifs succes- soraux, mais est titulaire d’une créance à l’encontre du gratifié, sous réserve toutefois des cas exceptionnels dans lesquels la réserve demeure en nature. Il en résulterait notamment qu’en présence (par exemple) de deux enfants dont l’un est institué en qua- lité de légataire universel et l’autre est (corrélativement) limité à sa réserve en valeur, aucune indivision n’existe entre les deux enfants, s’agissant des actifs successo- raux délaissés par le défunt: l’enfant institué légataire universel peut, seul, prétendre à la propriété de l’inté- gralité des actifs successoraux, à charge de payer à l’héritier réservataire évincé une indemnité correspondant à sa réserve en valeur (G. Hollanders de Ouderaen et J. Fillenbaum, “La réserve en valeur: aperçu de quelques impacts civils (passés inaperçu)”, Rev. Not. belge, 2021, pp. 1026 et suiv., spéc. pp. 1028 et 1029; V. Wyart, “La réduction en valeur et les droits du conjoint survivant”, in Le couple et le droit patrimonial de la famille, sous la coord. de V. Wyart, Bruxelles, Larcier, 2022, pp. 99 et suiv., spéc. pp. 101 et 102; F. Lalière, “Le légataire face à l’acquisition de la propriété, à la délivrance, à la réserve en valeur et à l’acte d’hérédité”, in Le “nouveau” TOELICHTING Dames en Heren, Dit voorstel neemt, met een aantal aanpassingen, de tekst over van voorstel DOC 55 3738/001. Als gevolg van de hervorming van het erfrecht die tot stand kwam door de wetten van 31 juli 2017 en 22 juli 2018, rijst een probleem met betrekking tot de toepassing van de procedure van gerechtelijke veref- fening-verdeling in bepaalde nalatenschapsdossiers. De hervorming van het erfrecht die in werking is ge- treden op 1 september 2018 had immers onder meer als doel het oude principe van de erfrechtelijke reserve in natura te vervangen door een reserve (en dus een inkorting) in waarde. Daar waar de reserve voordien opgevat werd als een pars hereditatis (een minimumdeel van de nalatenschap dat aan de reservataire erfgenamen moest toekomen door middel van goederen uit de nalatenschap), krijgen de reservataire erfgenamen van wie het erfdeel wordt beperkt tot de reserve, deze voortaan – in principe – uitgekeerd in de vorm van een vergoeding, betaald door de begunstigde(n) van wie de gift(en) moet(en) worden ingekort. De onterfde reservataire erfgenaam (of de reservataire erfgenaam wiens deel beperkt wordt tot de reserve) geniet dus niet meer van een zakelijk recht op het nala- tenschapsvermogen, maar is titularis van een vordering tegen de begunstigde, behoudens echter uitzonderlijke gevallen waarin de reserve in natura behouden blijft. Hieruit zou meer bepaald volgen dat wanneer er (bij- voorbeeld) twee kinderen zijn waarvan het ene wordt aangesteld als algemene legataris en het andere zijn erfdeel (daarmee samenhangend) beperkt ziet tot zijn reserve in waarde, er geen onverdeeldheid bestaat tussen de twee kinderen, met betrekking tot de goede- ren uit de nalatenschap die worden nagelaten door de erflater. Het kind dat wordt aangesteld als algemene legataris kan als enige aanspraak maken op de eigen- dom van alle goederen uit de nalatenschap en moet aan de uitgesloten reservataire erfgenaam een vergoeding betalen die overeenkomt met zijn reserve in waarde (G. Hollanders de Ouderaen en J. Fillenbaum, “La réserve en valeur: aperçu de quelques impacts civils (passés inaperçu)”, Rev. Not. belge 2021, p. 1026 e.v., in het bijzonder p. 1028 en 1029; V. Wyart, “La réduction en valeur et les droits du conjoint survivant”, in Le couple et le droit patrimonial de la famille, gecoördineerd door V. Wyart, Brussel, Larcier, 2022, p. 99 e.v., in het bijzonder 0272/001 DOC 56 4 K A M E R • 1e   Z I T T I N G VA N D E 56 e  Z I T T I N G S P E R I O D E 2024 C H A M B R E 1e S E S S I O N D E L A 56 e  L É G I S L AT U R E testament. Le testament sous ses nouvelles facettes, ALN, Bruxelles, Larcier, 2022, pp. 203 et suiv., spéc. pp. 207 et 208, n° 9; A. Wylleman, “Wie kan vanaf wan- neer welke bevoegdheden uitoefenen over de goederen die behoren tot een opengevallen nalatenschap?”, in Patrimonium 2021, pp. 231 et suiv.; Ch. Declerck et S. Mosselmans, “Welke rechtpositie heeft de onterfde reservataire erfgerechtigde in het nieuwe erfrecht?”, in Patrimonium 2021, pp. 261 et suiv.). Or, le recours à la procédure de partage judiciaire prévue aux articles 1207 et suivants du Code judiciaire suppose, en principe, l’existence (ou, à tout le moins, la vraisemblance) d’une indivision entre les parties (N. Gendrin et D. Karadsheh, Liquidation-partage, coll. R.P.D.B., Bruxelles, Larcier, 2020, p. 30, n° 21, p. 93, n° 88 et p. 94, n° 90). Dès lors, en l’absence d’indivision, la procédure de partage judicaire ne pourrait – selon la doctrine majo- ritaire – être mise en œuvre (voyez, en ce sens: G. Hollanders de Ouderaen et J. Fillenbaum, “La réserve en valeur: aperçu de quelques impacts civils (passés inaperçu)”, op. cit., spéc. p. 1029; V. Wyart, “La réduction en valeur et les droits du conjoint survivant”, op. cit., spéc. pp. 105 et 106; F. Lalière, “Le légataire face à l’acquisition de la propriété, à la délivrance, à la réserve en valeur et à l’acte d’hérédité”, op. cit., spéc. p. 208, n° 9). Il ne fait toutefois pas de doute que la fixation du montant de l’indemnité de réduction due à l’héritier réservataire évincé requiert la liquidation – c’est-à-dire la fixation (chiffrée) des droits des parties – même si celle-ci ne donnera pas lieu à un partage (au sens de l’attribution de lots), et que la procédure prévue par les articles 1207 et suivants du Code judiciaire constitue la voie procédurale la plus adéquate pour ce faire. La procédure de liquidation-partage judiciaire constitue en effet la voie procédurale la plus pertinente pour chiffrer le montant de l’indemnité réservataire devant être payée à l’héritier réservataire, puisque le montant de sa créance dépend notamment de l’actif et du passif successoral (dont il faut dresser l’inventaire) et des calculs à effectuer dans le cadre de la liquidation de la succession (consti- tution de la masse de calcul du disponible, imputation des libéralités, prise en considération des libéralités rapportables consenties aux héritiers, qui constituent des “avances” sur leur part successorale, …), même p. 101 en 102; F. Lalière, “Le légataire face à l’acquisition de la propriété, à la délivrance, à la réserve en valeur et à l’acte d’hérédité”, in Le “nouveau” testament. Le testament sous ses nouvelles facettes, ALN, Brussel, Larcier, 2022, p. 203 e.v., in het bijzonder p. 207 en 208, nr. 9; A. Wylleman, “Wie kan vanaf wanneer welke be- voegdheden uitoefenen over de goederen die behoren tot een opengevallen nalatenschap?”, in Patrimonium 2021, p. 231 e.v.; Ch. Declerck en S. Mosselmans, “Welke recht- positie heeft de onterfde reservataire erfgerechtigde in het nieuwe erfrecht?”, in Patrimonium 2021, p. 261 e.v.). De toepassing van de procedure van gerechtelijke verdeling voorzien in de artikelen 1207 en volgende van het Gerechtelijk Wetboek veronderstelt, in principe, echter het bestaan (of ten minste de waarschijnlijkheid) van een onverdeeldheid tussen de partijen (N. Gendrin en D. Karadsheh, Liquidation-partage, coll. R.P.D.B., Brussel, Larcier, 2020, p. 30, nr. 21, p. 93, nr. 88 en p. 94, nr. 90). Bij gebrek aan onverdeeldheid kan de procedure van gerechtelijke verdeling bijgevolg – volgens de meerder- heidsrechtsleer – niet worden toegepast (zie in deze zin: G. Hollanders de Ouderaen en J. Fillenbaum, “La réserve en valeur: aperçu de quelques impacts civils (passés inaperçu)”, op. cit., in het bijzonder p. 1029; V. Wyart, “La réduction en valeur et les droits du conjoint survi- vant”, op. cit., in het bijzonder p. 105 en 106; F. Lalière “Le légataire face à l’acquisition de la propriété, à la délivrance, à la réserve en valeur et à l’acte d’hérédité”, op. cit., in het bijzonder p. 208, nr. 9). Het lijdt echter geen twijfel dat voor het bepalen van het bedrag van de inkortingsvergoeding die verschul- digd is aan de uitgesloten reservataire erfgenaam, de vereffening, met andere woorden het bepalen van de rechten van de partijen (op cijfermatige wijze), vereist is, zelfs indien deze vereffening geen aanleiding geeft tot een verdeling (in de zin van de toewijzing van kavels), en dat de procedure voorzien in de artikelen 1207 en volgende van het Gerechtelijk Wetboek de meest ge- schikte procedurele weg hiervoor is. De procedure van gerechtelijke vereffening-verdeling is immers de meest adequate werkwijze om het bedrag te berekenen van de reservataire vergoeding die moet worden betaald aan de reservataire erfgenaam, aange- zien het bedrag van zijn vordering met name afhankelijk is van de activa en de passiva van de nalatenschap (waarvan de boedelbeschrijving moet worden opge- steld) en van de berekeningen die worden uitgevoerd in het kader van de vereffening van de nalatenschap (samenstelling van de rekenboedel ter berekening van het beschikbaar deel, aanrekening van de giften, in 5 0272/001 DOC 56 5 K A M E R • 1e   Z I T T I N G VA N D E 56 e  Z I T T I N G S P E R I O D E 2024 C H A M B R E 1e S E S S I O N D E L A 56 e  L É G I S L AT U R E si – dans l’hypothèse envisagée ici – la procédure ne se soldera pas par la constitution et l’attribution de lots. Cette problématique fait actuellement l’objet de débats doctrinaux. Certains auteurs, tout en admettant (pour certains d’entre eux) qu’il s’agit pourtant de la voie procédurale la plus adéquate pour aboutir à la fixation des droits des parties, estiment qu’en l’état actuel du droit, il ne serait – à défaut d’indivision – pas possible de recourir à la procédure de partage judicaire décrite aux articles 1207 et suivants du Code judiciaire dans la situation évoquée ici (G. Hollanders de Ouderaen et J. Fillenbaum, “La réserve en valeur: aperçu de quelques impacts civils (passés inaperçu)”, op. cit., spéc. p. 1029; V. Wyart, “La réduction en valeur et les droits du conjoint survivant”, op. cit., spéc. pp. 105 et 106; F. Lalière, “Le légataire face à l’acquisition de la propriété, à la délivrance, à la réserve en valeur et à l’acte d’hérédité”, op. cit., spéc. p. 208, n° 9). D’autres auteurs estiment qu’une demande de liqui- dation de la succession sans partage pourrait être valablement fondée sur les articles 1207 et suivants du Code judicaire, sur la base notamment de l’argument “qui peut le plus peut le moins” (si le juge peut désigner un notaire pour liquider et partager la succession, il peut également désigner un notaire chargé uniquement de liquider celle-ci (H. Casman et F. Lalière, “La réserve en valeur et l’institution d’un cohéritier en qualité de légataire universel”, in Evolutions récentes du droit patrimonial de la famille, sous la coord. de L. Barnich et M. Van Molle, coll. Master en Notariat de l’ULB, Limal, Anthémis, 2023, pp. 95 et suiv., spéc. p. 115 n° 42)). L’argument de l’existence d’une indivision à tout le moins s’agis- sant du passif successoral est également invoqué par certains auteurs pour justifier le recours à la procédure de partage judiciaire (F. Tainmont, “Quelques incidences pratiques de la réforme du droit des successions”, in Tapas de droit notarial 2022, sous la dir. de F. Tainmont et J.-L. Van Boxstael, coll. Patrimoine et notariat, Bruxelles, Larcier, 2022, p. 7 et suiv., spéc. pp. 23 et 24, nos 30 et 31; J.-L. Renchon, “Actualités en droit des successions. À propos de certains effets problématiques de la réforme de notre droit des successions”, in États généraux du droit de la famille IV, Bruxelles-Limal, Larcier-Anthémis, 2022, pp. 83 et suiv., spéc. p. 108, n° 43). aanmerking nemen van de giften aan de erfgenamen die moeten worden ingebracht, die “voorschotten” op hun erfdeel zijn, …), zelfs indien de procedure – in de hier beoogde hypothese – niet uitmondt in de vorming en de toewijzing van kavels. Deze problematiek maakt momenteel het voorwerp uit van debatten in de rechtsleer. Bepaalde auteurs, waarvan sommigen evenwel toe- geven dat het toch de meest geschikte procedurele weg is om de rechten van de partijen te bepalen, zijn van mening dat in de huidige stand van het recht, bij gebrek aan onverdeeldheid, in de hier aangehaalde situatie het niet mogelijk zou zijn om over te gaan tot de procedure van gerechtelijke verdeling bedoeld in de artikelen 1207 en volgende van het Gerechtelijk Wetboek (G. Hollanders de Ouderaen en J. Fillenbaum, “La réserve en valeur: aperçu de quelques impacts civils (passés inaperçu)”, op. cit., in het bijzonder p. 1029; V. Wyart, “La réduction en valeur et les droits du conjoint survivant”, op. cit., in het bijzonder p. 105 en 106; F. Lalière, “Le légataire face à l’acquisition de la propriété, à la délivrance, à la réserve en valeur et à l’acte d’hérédité”, op. cit., in het bijzonder p. 208, nr. 9). Andere auteurs zijn van mening dat een vordering tot vereffening van de nalatenschap zonder verdeling geldig zou kunnen gegrond worden op basis van de ar- tikelen 1207 en volgende van het Gerechtelijk Wetboek, onder meer op grond van het argument dat “qui potest plus, potest minus” (indien de rechter een notaris kan aanstellen om de nalatenschap te vereffenen en te ver- delen, kan hij ook een notaris aanstellen die uitsluitend belast is met het vereffenen van deze nalatenschap (H. Casman en F. Lalière, “La réserve en valeur et l’institution d’un cohéritier en qualité de légataire universel”, in er, gecoördineerd door L. Barnich en M. Van Molle, coll. Master en Notariat van de ULB, Limal, Anthémis, 2023, p. 95 e.v., in het bijzonder p. 115 nr. 42)). Het argument van het bestaan van een onverdeeldheid ten minste voor de passiva van de nalatenschap wordt door bepaalde auteurs ook ingeroepen om de toepassing van de procedure van gerechtelijke verdeling te rechtvaardigen (F. Tainmont, “Quelques incidences pratiques de la réforme du droit des successions”, in Tapas de droit notarial 2022, on- der leiding van F. Tainmont en J.-L. Van Boxstael, coll. Patrimoine et notariat, Brussel, Larcier, 2022, p. 7 e.v., in het bijzonder p. 23 en 24, nrs. 30 en 31; J.-L. Renchon, “Actualités en droit des successions. À propos de certains effets problématiques de la réforme de notre droit des successions”, in États généraux du droit de la famille IV, Brussel-Limal, Larcier-Anthémis, 2022, p. 83 e.v., in het bijzonder p. 108, nr. 43). 0272/001 DOC 56 6 K A M E R • 1e   Z I T T I N G VA N D E 56 e  Z I T T I N G S P E R I O D E 2024 C H A M B R E 1e S E S S I O N D E L A 56 e  L É G I S L AT U R E D’autres auteurs encore estiment qu’une demande de liquidation et de partage de la succession pourrait être introduite sur la base des dispositions actuelles nonobstant l’absence d’indivision sur les biens délaissés par le défunt: la masse successorale – qui ne comprend pas uniquement les biens délaissés, mais inclut éga- lement les sommes dues au titre du rapport et/ou de la réduction – constitue, selon ces auteurs, une masse indivise susceptible de faire l’objet d’une liquidation et d’un partage en application des articles 1207 et sui- vants du Code judiciaire (voyez l’opinion défendue par H. Casman in H. Casman et F. Lalière, “La réserve en valeur et l’institution d’un cohéritier en qualité de légataire universel”, op. cit., pp. 115 à 119, nos 43 à 46.). Certains suggèrent également (sous la forme inter- rogative) que l’héritier réservataire évincé pourrait être considéré comme un “copartageant” (et pourrait donc participer aux opérations de partage) dès lors que la fixation du montant de l’indemnité réservataire qui lui est due suppose la prise en compte des libéralités rapportables consenties à chacun des héritiers (dont il fait partie): les opérations de rapport intervenant dans le cadre du partage, il faudrait nécessairement, dans cette perspective, procéder à un partage auquel l’héritier réservataire évincé devrait pouvoir participer (H. Casman et A. Michielsens, “Plichten van de notaris ten aanzien van een onterfde reservataire erfgenaam”, in Tapas de droit notarial 2020-2021, sous la coord. de J.-L. Van Boxstael, coll. Patrimoine et notariat, Bruxelles, Larcier, 2022, pp. 65 et suiv., spéc. p. 67, n° 3; H. Casman et A. Michielsens, “Quels devoirs pour le notaire envers un héritier réservataire exhérédé?”, Rev. Not. belge, 2023, pp. 330 et suiv., spéc. p. 332, n° 3). La problématique est encore soulevée et analysée par d’autres auteurs (voyez notamment: Ch. Declerck et S. Mosselmans, “Welke rechtpositie heeft de onterfde reservataire erfgerechtigde in het nieuwe erfrecht?”, in Patrimonium 2021, pp. 261 et suiv., Ch. Declerck et S. Mosselmans, “Gerechtelijke vereffening-verdeling in tien actuele vragen en antwoorden”, in Familiaal ver- mogensrecht, A.-L. Verbeke, Ch. Declerck et J. Du Mongh (eds), Themis, vol. 121, Intersentia, 2022, pp. 52 et 53, n° 4). Cette question a notamment été évoquée au Comité d’Études et de Législation de la Fédération Royale du notariat belge (CEL) qui, aux termes de ses conclusions, a estimé que “(l)a procédure de liquidation-partage semble actuellement constituer le moyen procédural, sinon le plus évident, à tout le moins le plus pragmatique pour réaliser ces opérations. Un notaire sera alors chargé Nog andere auteurs zijn van mening dat een vorde- ring tot vereffening en verdeling van de nalatenschap zou kunnen worden ingesteld op basis van de huidige bepalingen zelfs indien er geen onverdeeldheid bestaat van de goederen die worden nagelaten door de erflater: de nalatenschapsboedel, die niet alleen de nagelaten goederen omvat, maar ook de bedragen verschuldigd ten titel van inbreng en/of inkorting, is volgens deze auteurs, een onverdeelde boedel die in aanmerking komt voor vereffening en verdeling in toepassing van de artikelen 1207 en volgende van het Gerechtelijk Wetboek (zie de mening verdedigd door H. Casman in H. Casman en F. Lalière, “La réserve en valeur et l’institution d’un cohéritier en qualité de légataire universel”, op. cit., p. 115 tot 119, nrs. 43 tot 46.). Sommigen opperen ook (in de vorm van een vraag) dat de uitgesloten reservataire erfgenaam zou kunnen worden beschouwd als een “deelgenoot” (en dus zou kunnen deelnemen aan de verdelingsverrichtingen) gezien het feit dat bij de bepaling van het bedrag van de reservataire vergoeding die hem verschuldigd is, rekening moet worden gehouden met de giften die moeten wor- den ingebracht toegekend aan elk van de erfgenamen (waarvan hij deel uitmaakt). Aangezien de inbrengver- richtingen in het kader van de verdeling plaatsvinden, moet in dit perspectief noodzakelijkerwijze worden overgegaan tot een verdeling waaraan de uitgesloten reservataire erfgenaam zou moeten kunnen deelnemen (H. Casman en A. Michielsens, “Plichten van de notaris ten aanzien van een onterfde reservataire erfgenaam”, in Tapas de droit notarial 2020-2021, gecoördineerd door J.-L. Van Boxstael, coll. Patrimoine et notariat, Brussel, Larcier, 2022, p. 65 e.v. in het bijzonder p. 67, nr. 3; H. Casman en A. Michielsens, “Quels devoirs pour le notaire envers un héritier réservataire exhérédé?”, Rev. Not. belge 2023, p. 330 e.v., in het bijzonder p. 332, nr. 3). De problematiek wordt ook door andere auteurs aangehaald en geanalyseerd (zie o.m.: Ch. Declerck en S. Mosselmans, “Welke rechtpositie heeft de ont- erfde reservataire erfgerechtigde in het nieuwe erf- recht?”, in Patrimonium 2021, p. 261 e.v., Ch. Declerck en S. Mosselmans, “Gerechtelijke vereffening-verdeling in tien actuele vragen en antwoorden”, in Familiaal vermo- gensrecht, A.-L. Verbeke, Ch. Declerck en J. Du Mongh (eds), Themis, vol. 121, Intersentia, 2022, p. 52 en 53, nr. 4). Deze vraag werd met name behandeld in het Comité voor Studie en Wetgeving van de Koninklijke Federatie van het Belgisch Notariaat (CSW) dat, volgens de be- woordingen van zijn conclusies, meent: “(d)e procedure van vereffening verdeling lijkt thans het meest evidente, of althans het meest pragmatische kader te verstrekken waarin deze verrichtingen plaats kunnen vinden. Dan 7 0272/001 DOC 56 7 K A M E R • 1e   Z I T T I N G VA N D E 56 e  Z I T T I N G S P E R I O D E 2024 C H A M B R E 1e S E S S I O N D E L A 56 e  L É G I S L AT U R E des opérations juridiques de reconstitution de cette masse, et proposera le calcul permettant de déterminer le quantum de l’indemnité réservataire. Il prendra compte ensuite des revendications des héritiers et les fera, s’il échet, trancher par le tribunal.” (CEL, dossiers n° 4452, 4452bis et 4452ter, in Travaux du Comité d’Études et de Législation, Rapports, Bruxelles, Larcier, 2023/1, pp. 6 et suiv., spéc. p. 135). Cependant, conscient de la difficulté technique résultant de l’absence d’indivision entre le légataire universel et l’héritier réservataire évincé, le Comité d’Études et de Législation ajoute toutefois que “de lege ferenda une intervention du législateur en vue de clarifier le texte du Code judiciaire sur ce point, et de prévenir toute controverse sur cette question, serait utile.” (CEL, dos- siers n° 4452, 4452bis et 4452ter, in Travaux du Comité d’Études et de Législation, Rapports, Bruxelles, Larcier, 2023/1, p. 135). L’intervention du législateur sur ce point est également suggérée par d’autres auteurs (voyez notamment F. Tainmont, “Quelques incidences pratiques de la réforme du droit des successions”, op. cit., p. 24, n° 31). S’il n’appartient pas aux auteurs de la présente pro- position de se prononcer sur le bien-fondé des thèses en présence de lege lata, le seul constat de l’existence d’une controverse quant à la possibilité de mettre en œuvre la procédure de liquidation-partage judiciaire dans les hypothèses envisagées ici justifie assurément une intervention législative, afin de mettre fin aux hésitations actuelles et de restaurer la sécurité juridique. Dans ce contexte, la présente proposition de loi a pour objet de mettre fin à l’incertitude actuelle, en adaptant ponctuellement les dispositions relatives au partage judiciaire contenues dans le Code judiciaire, afin de rendre celles-ci également applicables lorsque, à défaut d’indivision entre les parties, un partage n’est pas requis mais qu’une liquidation s’impose néanmoins en vue de la fixation des droits de celles-ci. Les dispositions relatives au partage amiable conte- nues dans les articles 1205 et 1206 sont également modifiées, dès lors que la problématique se pose dans les mêmes termes, s’agissant de ce type de partage. Par ailleurs, la présente proposition de loi entend également remédier très ponctuellement à certaines difficultés et/ou à certaines controverses actuellement rencontrées en la matière. C’est l’objet des modifications proposées à l’article 1184 (relatif à l’inventaire) du Code judiciaire. C’est également l’objet du nouvel alinéa ajouté in fine de l’article 1214, § 2, et du paragraphe 8 ajouté à l’article 1214 du même Code. Ces modifications seront wordt een notaris belast met de juridische verrichtingen, zoals de samenstelling van de boedel, en zal hij een berekening voorstellen om het bedrag te bepalen van de inkortingsvordering. Hij zal ook rekening houden met de aanspraken van de erfgenamen en zal ze, indien nodig, door de rechtbank laten trancheren.” (CSW, dos- siers nrs. 4452, 4452bis en 4452ter, in CSW, Verslagen, Brussel, Larcier, 2023/1, pp. 6 e.v., bijz. p. 135). Omwille van de technische moeilijkheden ten gevolge van het gebrek aan onverdeeldheid tussen de algemene legataris en de uitgesloten reservataire erfgenaam, voegt het Comité voor Studie en Wetgeving er echter aan toe dat “de lege ferenda (…) de wetgever zou moeten tus- senkomen om de tekst van het Gerechtelijk Wetboek op dit punt te verduidelijken, en geschillen over deze vraag te vermijden.” (CSW, dossiers nr. 4452, 4452bis en 4452ter, in CSW, Verslagen, Brussel, Larcier, 2023/1, p. 135). De tussenkomst van de wetgever op dit vlak wordt ook voorgesteld door andere auteurs (zie onder meer F. Tainmont, “Quelques incidences pratiques de la réforme du droit des successions”, op. cit., p. 24, nr. 31). Hoewel het niet toekomt aan de auteurs van dit voor- stel om zich uit te spreken over de gegrondheid van de bestaande stellingen de lege lata, rechtvaardigt de loutere vaststelling van het bestaan van een controverse met betrekking tot de mogelijkheid om de procedure van gerechtelijke vereffening-verdeling aan te wenden in de hier beoogde gevallen ongetwijfeld een wetgevend optreden, om een einde te stellen aan de huidige twijfel en de rechtszekerheid te herstellen. In dit kader, beoogt dit wetsvoorstel om een einde te stellen aan de huidige onzekerheid door de bepalingen met betrekking tot de gerechtelijke verdeling opgenomen in het Gerechtelijk Wetboek punctueel aan te passen, zodat deze ook van toepassing zijn wanneer er, bij gebrek aan onverdeeldheid tussen de partijen, geen verdeling vereist is, maar een vereffening zich toch opdringt met het oog op het bepalen van de rechten van de partijen. De bepalingen met betrekking tot de minnelijke ver- deling vermeld in de artikelen 1205 en 1206, worden eveneens gewijzigd, aangezien dezelfde problematiek zich stelt voor dit soort verdeling. Dit wetsvoorstel beoogt bovendien eveneens een punctuele oplossing te bieden voor bepaalde proble- men en/of bepaalde controverses die zich momenteel voordoen in deze materie. Dat is het doel van de voorge- stelde wijzigingen aan artikel 1184 (met betrekking tot de boedelbeschrijving) van het Gerechtelijk Wetboek. Dat is ook het doel van het nieuwe lid dat wordt toegevoegd in fine aan artikel 1214, § 2, en van paragraaf 8 die wordt 0272/001 DOC 56 8 K A M E R • 1e   Z I T T I N G VA N D E 56 e  Z I T T I N G S P E R I O D E 2024 C H A M B R E 1e S E S S I O N D E L A 56 e  L É G I S L AT U R E plus amplement explicitées à l’occasion du commentaire des articles concernés. COMMENTAIRE DES ARTICLES CHAPITRE 1ER Disposition générale Article 1er Cette disposition décrit le fondement constitutionnel de la proposition. CHAPITRE 2 Modifications du Code judiciaire Art. 2 L’article 572bis, 10°, du Code judiciaire (relatif à la compétence d’attribution du tribunal de la famille) confère actuellement au tribunal de la famille la compétence pour connaître “des demandes en partage”. Comme exposé aux termes des développements qui précèdent, l’objet de la présente modification législative est (notamment) de permettre la mise en œuvre de la procédure de partage judiciaire prévue aux articles 1207 et suivants du Code judiciaire lorsque, à défaut d’indivision entre les parties, il n’est procédé qu’à la liquidation de leurs droits et non au partage. Dans cette perspective, l’article 572bis, 10°, est modi- fié pour conférer désormais au tribunal de la famille la compétence pour connaître des demandes en liquidation ou en partage visées à l’article 1207 du Code judiciaire. La précision qu’il s’agit des demandes de liquidation ou de partage visées à l’article 1207 (du Code judicaire) est apportée ici afin d’éviter toute confusion au regard d’autres hypothèses de liquidation, telle notamment la liquidation des sociétés opérée en vertu du Code des sociétés et des associations, qui relève – quant à elle – de la compétence du tribunal de l’entreprise. toegevoegd aan artikel 1214 van hetzelfde Wetboek. Deze wijzigingen worden uitvoeriger behandeld in de toelichting bij de desbetreffende artikelen. ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING HOOFDSTUK 1 Algemene bepaling Artikel 1 Deze bepaling beschrijft de grondwettelijke grondslag van het huidige voorstel. HOOFDSTUK 2 Wijzigingen van het Gerechtelijk Wetboek Art. 2 Artikel 572bis, 10°, van het Gerechtelijk Wetboek (betreffende de bevoegdheden toegekend aan de fami- lierechtbank) verleent de familierechtbank momenteel de bevoegdheid om kennis te nemen van “vorderingen tot verdeling”. Zoals hiervoor uiteengezet, is het doel van deze wetswijziging (onder meer) om de toepassing van de procedure van gerechtelijke verdeling voorzien in de artikelen 1207 en volgende van het Gerechtelijk Wetboek mogelijk te maken wanneer bij gebrek aan onverdeeld- heid tussen de partijen, enkel wordt overgegaan tot de vereffening van hun rechten en niet tot de verdeling. Vanuit dit oogpunt wordt artikel 572bis, 10°, gewij- zigd om de familierechtbank voortaan de bevoegdheid te verlenen om kennis te nemen van vorderingen tot vereffening of tot verdeling bedoeld in artikel 1207 van het Gerechtelijk Wetboek. De verduidelijking dat het gaat om vorderingen tot vereffening of tot verdeling bedoeld in artikel 1207 (van het Gerechtelijk Wetboek) wordt hier aangebracht om elke verwarring te vermijden met betrekking tot andere gevallen van vereffening, zoals met name de vereffening van vennootschappen krachtens het Wetboek van ven- nootschappen en verenigingen, die van zijn kant onder de bevoegdheid van de ondernemingsrechtbank valt. 9 0272/001 DOC 56 9 K A M E R • 1e   Z I T T I N G VA N D E 56 e  Z I T T I N G S P E R I O D E 2024 C H A M B R E 1e S E S S I O N D E L A 56 e  L É G I S L AT U R E Art. 3 Aux termes de l’actuel article 1184 du Code judiciaire – contenu dans les dispositions relatives à l’inventaire – le juge de paix est compétent pour connaitre (notamment) des difficultés relatives à l’inventaire. Parallèlement à cette disposition, l’article 1216 du Code judiciaire – contenu dans les dispositions relatives à la procédure de partage judiciaire – confère au tribunal de la famille ayant ordonné le partage (ou, désormais, la liquidation) la compétence pour connaître, moyennant le dépôt d’un procès-verbal intermédiaire par le notaire- liquidateur, de tous litiges ou difficultés survenant pos- térieurement à l’ouverture des opérations et qui “sont à ce points essentiels qu’ils empêchent l’établissement d’un état liquidatif”. La lecture combinée de ces deux dispositions suscite, en pratique, des questions quant la répartition des com- pétences entre le juge de paix et le tribunal de la famille en matière d’inventaire: laquelle de ces deux juridictions est-elle compétente pour connaitre des difficultés qui surgissent à l’occasion de l’établissement de l’inventaire dressé dans le cadre d’une procédure de partage (ou, désormais, de liquidation) judiciaire, par exemple, en cas de difficulté d’accès aux lieux ou de difficulté liée à la prestation de serment (refus de prêter serment)? Si la doctrine considère généralement que le juge de paix et le tribunal de la famille jouissent, à cet égard, d’une compétence concurrente (voyez, en ce sens: N. Gendrin et D. Karadsheh, Liquidation-partage, op. cit., p. 151, n° 143; C. De Boe et J.-Fr. van Drooghenbroeck, “L’inventaire après la réforme du partage judiciaire”, J.J.P., 2013/3-4, pp. 137 et suiv., spéc. p. 151, n° 27, et les références citées; L. Sterckx, “Fiche n° 11: Questions liées à l’inventaire (dans le cadre du partage judiciaire)”, Rev. Not. belge, 2016, pp. 149 à 160, spéc. p. 157 in fine), la question est néanmoins discutée. Ainsi, certains auteurs se prononcent en faveur de la compétence (exclusive) du juge de paix (voyez notam- ment en ce sens, Ph. De Page et I. De Stefani, La loi du 13 août 2011 réformant la procédure de liquida- tion-partage judiciaire. Commentaire pratique, Kluwer, 2012, p. 79), tandis que d’autres auteurs se prononcent en faveur de la compétence exclusive du tribunal de la famille (voyez notamment en ce sens, P. Van den Eynde, “L’inventaire”, in La nouvelle procédure de liquida- tion-partage judiciaire – Première analyse de la loi du 13 août 2011, Bruxelles, Bruylant, 2012, pp. 153 et suiv., spéc. p. 160). Voyez également les références Art. 3 Krachtens het huidige artikel 1184 van het Gerechtelijk Wetboek, dat deel uitmaakt van de bepalingen betref- fende de boedelbeschrijving, is de vrederechter bevoegd om (onder meer) kennis te nemen van de problemen met betrekking tot de boedelbeschrijving. Naast deze bepaling, verleent artikel 1216 van het Gerechtelijk Wetboek, dat deel uitmaakt van de bepalin- gen betreffende de procedure van gerechtelijke verdeling, de familierechtbank die de verdeling (of, voortaan, de vereffening) heeft gelast, de bevoegdheid om, middels de neerlegging van een tussentijds proces-verbaal door de notaris-vereffenaar, kennis te nemen van alle geschillen of moeilijkheden die zich voordoen na de opening van de werkzaamheden en die “dermate essentieel zijn dat zij het opstellen van een staat van vereffening beletten”. De gecombineerde lezing van deze twee bepalingen roept in de praktijk vragen op over de verdeling van de bevoegdheden tussen de vrederechter en de familierecht- bank met betrekking tot de boedelbeschrijving: welke van deze twee rechterlijke instanties is bevoegd om kennis te nemen van de moeilijkheden die zich voordoen bij het opstellen van de boedelbeschrijving in het kader van een procedure van gerechtelijke verdeling (of voortaan vereffening), bijvoorbeeld in geval van moeilijkheden op het vlak van toegang tot de plaatsen of moeilijkheden met betrekking tot de eedaflegging (weigering om de eed af te leggen)? Hoewel de rechtsleer over het algemeen meent dat de vrederechter en de familierechtbank in dit opzicht een gedeelde bevoegdheid hebben (zie in deze zin: N. Gendrin en D. Karadsheh, Liquidation-partage, op. cit., p. 151, nr. 143; C. De Boe en J.-Fr. van Drooghenbroeck, “L’inventaire après la réforme du partage judiciaire”, T.Vred. 2013/3-4, p. 137 e.v., in het bijzonder p. 151, nr. 27, en de verwijzingen aldaar; L. Sterckx, “Fiche n° 11: Questions liées à l’inventaire (dans le cadre du partage judiciaire)”, Rev. Not. belge 2016, p. 149 tot 160, in het bijzonder p. 157 in fine), blijft de vraag omstreden. Zo spreken sommige auteurs zich uit ten gunste van de (exclusieve) bevoegdheid van de vrederechter (zie in deze zin o.m. Ph. De Page en I. De Stefani, La loi du 13 août 2011 réformant la procédure de liquidation- partage judiciaire. Commentaire pratique, Kluwer, 2012, p. 79), terwijl andere auteurs zich uitspreken ten gunste van de exclusieve bevoegdheid van de familierechtbank (zie in deze zin o.m. P. Van den Eynde, “L’inventaire”, in La nouvelle procédure de liquidation-partage judiciaire – Première analyse de la loi du 13 août 2011, Brussel, Bruylant, 2012, p. 153 e.v., in het bijzonder p. 160). Zie ook de verwijzingen aangehaald door L. Sterckx, 0272/001 DOC 56 10 10 K A M E R • 1e   Z I T T I N G VA N D E 56 e  Z I T T I N G S P E R I O D E 2024 C H A M B R E 1e S E S S I O N D E L A 56 e  L É G I S L AT U R E citées par L. Sterckx, “Fiche n° 11: Questions liées à l’inventaire (dans le cadre du partage judiciaire)”, op. cit., pp. 156 à 158). Dans ce contexte, il advient, en pratique, que des juges de paix (ou des tribunaux) déclinent respective- ment leur compétence, pour renvoyer les parties vers le tribunal ou vers le juge de paix (voyez notamment Civ. Marche-en-Famenne, 9 décembre 2012, inédit, R.G. n° 11-415-A, cité par J.-L. Renchon, “Quelques problé- matiques de liquidations et partages”, États généraux du droit de la famille, Bruxelles-Limal, Larcier-Anthémis, 2014, p. 179, note infra-paginale n° 20), ce qui suscite d’importants retards dans la poursuite de la procédure, outre l’incompréhension des citoyens. Dans ce contexte, la présente proposition entend résoudre la difficulté en confirmant la compétence concurrente des deux juridictions, pour connaitre des difficultés relatives à l’inventaire dressé dans le cadre d’une procédure de liquidation-partage judiciaire. Ainsi, l’alinéa 1er de l’article 1184 du Code judiciaires est complété par la phrase suivante: “Lorsqu’il est procédé à l’inventaire en vertu de l’article 1214, le notaire peut alternativement soumettre les difficultés au tribunal de la famille qui l’a désigné, conformément à l’article 1216.”. Cet ajout confirme la possibilité, pour le notaire, de s’adresser, à son choix, soit au juge de paix soit – lorsque l’inventaire est établi dans le cadre d’une procédure de liquidation-partage judiciaire – au tribunal de la famille l’ayant désigné en qualité de notaire-liquidateur. Le choix de la juridiction à saisir appartient au seul notaire. Le choix ainsi laissé au notaire permettra à ce dernier de s’adresser, en fonction du dossier et du type de dif- ficulté, à la juridiction la plus adéquate pour solutionner le litige ou la difficulté. Ainsi, si la difficulté ou le litige rencontré(e) ne concerne que l’établissement ou la clô- ture de l’inventaire (par exemple une difficulté pratique d’accès aux lieux ou le refus de prêter serment de l’une des parties), il est probable que le juge de paix constitue, eu égard notamment à sa proximité, la juridiction la plus à même solutionner ou trancher rapidement et effica- cement la difficulté. En revanche, dans l’hypothèse où d’autres difficultés que celles liées à l’inventaire seraient, par ailleurs, rencontrées dans le cadre de la procédure de liquidation-partage judiciaire (lesquelles difficultés devront, quant à elles, en toute hypothèse, être soumises au tribunal de la famille en application de l’article 1216 du Code judiciaire, pour autant, naturellement, que – selon “Fiche n° 11: Questions liées à l’inventaire (dans le cadre du partage judiciaire)”, op. cit., p. 156 tot 158). In dit kader, gebeurt het in de praktijk dat vrederech- ters (of rechtbanken) hun bevoegdheid afwijzen en de partijen respectievelijk doorverwijzen naar de rechtbank of naar de vrederechter (zie onder meer Rb. Marche- en-Famenne, 9 december 2012, niet gepubliceerd, rolnummer 11-415-A, aangehaald door J.-L. Renchon, “Quelques problématiques de liquidations et partages”, États généraux du droit de la famille, Brussel-Limal, Larcier-Anthémis, 2014, p. 179, voetnoot nr. 20), wat leidt tot grote vertragingen bij de afhandeling van de procedure, bovenop het onbegrip bij de burgers. In dit kader, beoogt dit wetsvoorstel het probleem op te lossen door de gedeelde bevoegdheid van de twee rechterlijke instanties om kennis te nemen van de moeilijkheden met betrekking tot de boedelbeschrijving opgesteld in het kader van een procedure van gerech- telijke vereffening-verdeling, te bevestigen. Zo wordt het eerste lid van artikel 1184 van het Gerechtelijk Wetboek aangevuld met de volgende zin: “Wanneer er wordt overgegaan tot de boedelbeschrijving krachtens artikel 1214, kan de notaris als alternatief de moeilijkheden neerleggen bij de familierechtbank die hem heeft aangesteld, overeenkomstig artikel 1216.” Deze toevoeging bevestigt de mogelijkheid waarover de notaris beschikt om zich, naar zijn keuze, ofwel te richten tot de vrederechter, ofwel, wanneer de boe- delbeschrijving wordt opgesteld in het kader van een procedure van gerechtelijke vereffening-verdeling, tot de familierechtbank die hem heeft aangesteld in de hoedanigheid van notaris-vereffenaar. De keuze inzake de rechterlijke instantie die wordt gevat, komt enkel aan de notaris toe. De keuze waarover de notaris hierdoor beschikt, laat hem toe om zich, in functie van het dossier en de aard van de moeilijkheid, te wenden tot de meest geschikte rechterlijke instantie om het geschil of het probleem op te lossen. Indien de moeilijkheid of het geschil in kwes- tie alleen betrekking heeft op het opstellen of afsluiten van de boedelbeschrijving (bijvoorbeeld een praktische moeilijkheid in verband met de toegang tot de plaatsen of de weigering van één van de partijen om de eed af te leggen), is de vrederechter omwille van zijn nabijheid waarschijnlijk de meest geschikte rechterlijke instantie om de moeilijkheid snel en doeltreffend op te lossen of een beslissing hierover te nemen. Indien zich in het kader van de procedure van gerechtelijke vereffening-verdeling daarentegen andere moeilijkheden voordoen dan deze die betrekking hebben op de boedelbeschrijving, (waarbij die moeilijkheden op zich in elk geval moeten worden 11 0272/001 DOC 56 11 K A M E R • 1e   Z I T T I N G VA N D E 56 e  Z I T T I N G S P E R I O D E 2024 C H A M B R E 1e S E S S I O N D E L A 56 e  L É G I S L AT U R E les termes de l’article 1216 précité – ces litiges ou dif- ficultés soient “à ce point essentiels qu’ils empêchent l’établissement de l’état liquidatif”), il pourrait s’avérer plus opportun et plus efficace de soumettre l’ensemble des difficultés (en ce compris celles liées à l’inventaire) au tribunal de la famille. De même, lorsque la difficulté à faire trancher est liée à l’inventaire mais est également susceptible de toucher le fond du droit (par exemple lorsque, pour identifier les biens à inventorier, se pose la question du statut ou de la propriété de ceux-ci), la saisie du tribunal de la famille semble devoir être privi- légiée. En toute hypothèse, le choix de la juridiction à saisir appartient au notaire. Par ailleurs, à l’article 1184, alinéa 3, du Code judi- ciaire, les mots “de paix” sont supprimés, en telle sorte que cet alinéa sera désormais libellé comme suit: “Pour le surplus, les objets inventoriés seront confiés à la personne désignée par le juge, à la requête du notaire instrumentant.”. Ce nouveau libellé (qui mentionne, de manière générale, “le juge” et non plus “le juge de paix”) permet de viser, dans cet alinéa, tant l’hypothèse dans laquelle c’est le juge de paix qui a été saisi de la difficulté que l’hypothèse où la difficulté a été soumise au tribunal de la famille. Art. 4 L’intitulé du chapitre VI, livre IV, de la quatrième par- tie du Code judiciaire est modifié, pour indiquer que le présent chapitre s’applique également à l’hypothèse dans laquelle seule la liquidation des droits est opérée, même si celle-ci ne sera pas suivie d’un partage, à défaut d’indivision entre les parties. Art. 5 L’intitulé de la section première du chapitre VI, livre IV, de la quatrième partie du Code judiciaire (relative au partage amiable) est modifié pour indiquer que la pré- sente section s’applique tant à l’hypothèse dans laquelle seule la liquidation amiable est opérée qu’à celle dans laquelle ladite liquidation est suivie d’un partage amiable. voorgelegd aan de familierechtbank overeenkomstig artikel 1216 van het Gerechtelijk Wetboek, voor zover uiteraard – volgens de bewoording van voornoemd artikel 1216 – de geschillen of moeilijkheden “dermate essentieel zijn dat ze het opstellen van de […] staat van vereffening beletten”), kan het echter interessanter en efficiënter zijn om alle moeilijkheden (inclusief deze met betrekking tot de boedelbeschrijving) voor te leggen aan de familierechtbank. Zo ook wanneer de moeilijk- heid die moet beslecht worden, verband houdt met de boedelbeschrijving maar eveneens aan de grond van het recht zou kunnen raken (bijvoorbeeld wanneer, om de in de boedelbeschrijving op te nemen goederen te identificeren, de vraag rijst naar hun statuut of eigendom), lijkt het vatten van de familierechtbank de voorkeur te moeten krijgen. De keuze van de rechterlijke instantie waarbij het dossier aanhangig zal worden gemaakt, ligt in elk geval bij de notaris. In artikel 1184, derde lid, van het Gerechtelijk Wetboek wordt het woord “vrederechter” bovendien vervangen door “rechter”, zodat dit lid voortaan als volgt luidt: “Voor het overige worden de beschreven voorwerpen, op verzoek van de optredende notaris, toevertrouwd aan de persoon die de rechter aanwijst.”. Door deze nieuwe formulering (die meer algemeen spreekt over “de rechter” in plaats van over “de vrederechter”), is het mogelijk om in dit lid zowel te verwijzen naar gevallen waarin de moeilijkheden aanhangig werden gemaakt bij de vrederechter, als naar gevallen waarbij de moeilijkheden werden voorgelegd aan de familierechtbank. Art. 4 Het opschrift van hoofdstuk VI, boek IV, van het vierde deel van het Gerechtelijk Wetboek wordt gewijzigd, om aan te duiden dat dit hoofdstuk ook van toepassing is op gevallen waarin alleen wordt overgegaan tot de vereffening van de rechten, zelfs indien deze niet wordt gevolgd door een verdeling, bij gebrek aan onverdeeld- heid tussen de partijen. Art. 5 Het opschrift van de eerste afdeling van hoofdstuk VI, boek IV, van het vierde deel van het Gerechtelijk Wetboek (betreffende de minnelijke verdeling) wordt gewijzigd om erop te wijzen dat deze afdeling zowel van toepas- sing is op gevallen waarin alleen wordt overgegaan tot de minnelijke vereffening, als op gevallen waarin deze vereffening wordt gevolgd door een minnelijke verdeling. 0272/001 DOC 56 12 12 K A M E R • 1e   Z I T T I N G VA N D E 56 e  Z I T T I N G S P E R I O D E 2024 C H A M B R E 1e S E S S I O N D E L A 56 e  L É G I S L AT U R E Art. 6 À l’article 1205 du Code judiciaire, l’alinéa premier est remplacé, pour viser désormais tant l’hypothèse dans laquelle les parties procèdent amiablement à la (seule) liquidation de leurs droits que l’hypothèse dans laquelle ladite liquidation est suivie d’un partage amiable. À cette fin, les parties sont, aux termes de la disposition telle que nouvellement libellée, autorisées à procéder de commun accord à la liquidation et, le cas échéant, au partage, comme elles en auront décidé. Le libellé nouveau utilise le vocable “les parties” et non le vocable “les indivisaires” qui était précédemment utilisé à l’article 1205, alinéa 1er, du Code judiciaire, dès lors que la disposition vise désormais également l’hypothèse d’une liquidation amiable intervenant entre des parties qui ne sont pas en indivision, ainsi que le précise le nouvel alinéa 2. La présente proposition complète, par ailleurs, l’ar- ticle 1205 du Code judiciaire par un second alinéa, qui précise que les dispositions contenues dans la présente section s’appliquent également lorsque, à défaut d’indivi- sion entre les parties, il n’est procédé qu’à la liquidation de leurs droits, c’est-à-dire aux opérations permettant de fixer le quantum de ceux-ci. Cette hypothèse justifie également l’insertion d’un alinéa 2 à l’article 1207 du Code judiciaire – relatif à la liquidation-partage judiciaire – au commentaire duquel il est renvoyé, pour de plus amples développements. Art. 7 L’article 1206 du Code judiciaire est adapté ponc- tuellement, pour viser désormais tant l’hypothèse dans laquelle, à défaut d’indivision entre les parties, il n’est procédé qu’à la liquidation (amiable) de leurs droits que l’hypothèse dans laquelle il est procédé à un partage amiable. Ainsi: — aux alinéas 1er et 2, le mot “indivisaires” est remplacé par le mot “parties”, qui est plus générique, en ce qu’il permet de viser également l’hypothèse où les parties ne sont pas en indivision, mais où une liquidation de leurs droits est néanmoins requise; — aux alinéas 1er et 6, des modifications sont apportées pour viser désormais la liquidation et, le cas échéant, le Art. 6 In artikel 1205 van het Gerechtelijk Wetboek wordt het eerste lid vervangen, om voortaan zowel te verwijzen naar gevallen waarin de partijen uitsluitend overgaan tot de minnelijke vereffening van hun rechten, als naar gevallen waarin deze vereffening wordt gevolgd door een minnelijke verdeling. Hiertoe worden de partijen krachtens de nieuwe bewoordingen van de bepaling gemachtigd om in onderlinge overeenstemming over te gaan tot de vereffening en, in voorkomend geval, tot de verdeling, zoals zij beslissen. De nieuwe formulering gebruikt het woord “partijen” en niet het woord “medeëigenaars” dat voordien werd gebruikt in artikel 1205, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek, aangezien de bepaling voortaan ook de ge- vallen van een minnelijke vereffening voorziet tussen partijen die niet in onverdeeldheid zijn, zoals bepaald in het nieuwe tweede lid. Dit wetsvoorstel vult artikel 1205 van het Gerechtelijk Wetboek bovendien aan met een tweede lid, dat ver- meldt dat de bepalingen opgenomen in dit deel ook van toepassing zijn wanneer er bij gebrek aan onverdeeld- heid tussen de partijen, alleen wordt overgegaan tot de vereffening van hun rechten, met andere woorden tot de werkzaamheden die toelaten om het quantum ervan te bepalen. Dit rechtvaardigt ook de toevoeging van een tweede lid aan artikel 1207 van het Gerechtelijk Wetboek met be- trekking tot de gerechtelijke vereffening-verdeling. We verwijzen naar de toelichting hierbij voor meer uitleg. Art. 7 Artikel 1206 van het Gerechtelijk Wetboek wordt punc- tueel gewijzigd om voortaan zowel rekening te houden met gevallen waarbij bij gebrek aan onverdeeldheid tussen de partijen enkel wordt overgegaan tot de (min- nelijke) vereffening van hun rechten, als met de gevallen waarin wordt overgegaan tot een minnelijke verdeling. Aldus: — in het eerste en het tweede lid wordt het woord “medeëigenaars” vervangen door het woord “partijen”, dat algemener is, aangezien dit toelaat ook de gevallen te beogen waarin de partijen niet in onverdeeldheid zijn, maar waarbij een vereffening van hun rechten evenwel vereist is; — worden in het eerste en het zesde lid wijzigin- gen aangebracht om voortaan de vereffening en, in 13 0272/001 DOC 56 13 K A M E R • 1e   Z I T T I N G VA N D E 56 e  Z I T T I N G S P E R I O D E 2024 C H A M B R E 1e S E S S I O N D E L A 56 e  L É G I S L AT U R E partage, c’est-à-dire pour autant qu’un partage s’impose en raison de l’existence d’une indivision entre les parties; — une modification est apportée à l’alinéa 3 pour préciser que l’avis des experts quant à la formation des lots n’intervient que le cas échéant, c’est-à-dire pour autant qu’un partage s’impose en raison de l’existence d’une indivision entre les parties; — à l’alinéa 6, la référence à la forme du partage judi- caire est remplacée par l’expression “forme judiciaire”. Art. 8 L’intitulé de la section 2 du chapitre VI, livre IV, de la quatrième partie du Code judiciaire (relative au partage judiciaire) est modifié pour viser tant la liquidation judicaire que le partage judiciaire, la liquidation pouvant intervenir sans nécessairement être suivie d’un partage dans les cas qui sont décrits à l’article 1207, alinéa 2, du Code judiciaire tel que modifié par la présente proposition. Ce nouveau libellé permet d’indiquer que la présente section s’applique tant à l’hypothèse dans laquelle seule la liquidation judiciaire est opérée (en raison de l’absence d’indivision être les parties) qu’à celle dans laquelle ladite liquidation est suivie d’un partage. Art. 9 L’intitulé de la sous-section première, section 2, cha- pitre VI, livre IV, de la quatrième partie du Code judi- ciaire est modifié, pour indiquer que ladite sous-section s’applique tant à l’hypothèse dans laquelle la demande et le jugement ne concernent que la (seule) liquidation judiciaire qu’à l’hypothèse dans laquelle la demande et le jugement concernent (également) le partage judiciaire. Art. 10 Plusieurs modifications sont apportées à l’ar- ticle 1207 du Code judiciaire. D’une part, l’alinéa 1er est ponctuellement adapté, pour viser désormais tant l’hypothèse dans laquelle seule la liquidation est demandée, que l’hypothèse voorkomend geval, de verdeling te voorzien, d.i. in zo- verre een verdeling zich opdringt wegens het bestaan van een onverdeeldheid tussen de partijen; — wordt een wijziging aangebracht aan het derde lid om te verduidelijken dat het advies van de deskundigen over het vormen van de kavels enkel in voorkomend geval wordt gegeven, met andere woorden in zoverre een verdeling zich opdringt vanwege het bestaan van een onverdeeldheid tussen de partijen; — wordt in het zesde lid de verwijzing naar de vorm van de gerechtelijke verdeling vervangen door de uit- drukking “gerechtelijke vorm”. Art. 8 Het opschrift van afdeling 2 van hoofdstuk VI, boek IV, van het vierde deel van het Gerechtelijk Wetboek (betref- fende de gerechtelijke verdeling) wordt gewijzigd om zowel rekening te houden met de gerechtelijke vereffening als met de gerechtelijke verdeling, aangezien de vereffening kan gebeuren zonder dat zij noodzakelijkerwijze wordt gevolgd door een verdeling in de gevallen beschreven in artikel 1207, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek zoals gewijzigd door dit voorstel. Dit nieuw opschrift laat toe aan te duiden dat deze afdeling zowel van toepassing is op de gevallen waarin alleen de gerechtelijke vereffening gebeurt (wegens het gebrek aan onverdeeldheid tussen de partijen) als op deze waarbij deze vereffening wordt gevolgd door een verdeling. Art. 9 Het opschrift van de eerste onderafdeling, afde- ling 2, hoofdstuk VI, boek IV, van het vierde deel van het Gerechtelijk Wetboek wordt gewijzigd om aan te geven dat deze onderafdeling zowel van toepassing is op gevallen waarbij de vordering en het vonnis (uitsluitend) betrekking hebben op de gerechtelijke vereffening, als op de gevallen waarin de vordering en het vonnis (even- eens) betrekking hebben op de gerechtelijke verdeling. Art. 10 Er worden meerdere wijzigingen aangebracht aan artikel 1207 van het Gerechtelijk Wetboek. Enerzijds wordt het eerste lid punctueel aangepast om voortaan zowel rekening te houden met de gevallen waarin alleen de vereffening wordt gevorderd, als met 0272/001 DOC 56 14 14 K A M E R • 1e   Z I T T I N G VA N D E 56 e  Z I T T I N G S P E R I O D E 2024 C H A M B R E 1e S E S S I O N D E L A 56 e  L É G I S L AT U R E dans laquelle la demande porte sur la liquidation et sur le partage. Ainsi, le mot “indivisaires” est remplacé par le mot “parties” (plus générique, en ce qu’il permet de viser également l’hypothèse où les parties ne sont pas en indivision, mais où une liquidation de leurs droits est néanmoins requise), et la disposition prévoit désormais que la liquidation et, le cas échéant, le partage (c’est- à-dire pour autant qu’un partage s’impose en raison de l’existence d’une indivision entre les parties), ont lieu judiciairement, à défaut de liquidation-partage amiable. D’autre part, un second alinéa est introduit à l’ar- ticle 1207 du Code judiciaire, libellé comme suit: “Les dispositions contenues dans les sections 2 et 3 du pré- sent chapitre s’appliquent également, même à défaut d’indivision, lorsque, en vertu du titre 3 du livre 2 du Code civil ou du livre 4 du Code civil, la demande ne peut porter que sur la liquidation. En ce cas, les articles 1209, § 3, 1212, 1214, § 1er, alinéas 3 à 6, 1214, § 6, alinéa 2, 1224 et 1224/1 ne sont applicables qu’à l’égard des parties indivisaires.”. Comme déjà mentionné aux termes de l’exposé des motifs, l’objet de la présente modification législative est essentiellement d’adapter ponctuellement les dispo- sitions relatives au partage judiciaire contenues dans le Code judiciaire, afin de rendre celles-ci également applicables lorsque, à défaut d’indivision entre les par- ties, un partage n’est pas requis mais qu’une liquidation s’impose néanmoins en vue de la fixation du montant de leurs droits. Il est précisé qu’il convient d’entendre par “liquidation”, au sens de la présente proposition, l’ensemble des opérations (au sens large) permettant d’aboutir à la détermination en valeur, c’est-à-dire en numéraire, des droits de chacune des parties. La liqui- dation comporte ainsi essentiellement deux aspects: la détermination de la masse et la valorisation des droits des parties, qui consiste à chiffrer les droits de chacun (N. Gendrin et D. Karadsheh, op. cit., p. 181, n° 175. Voyez également, ce sens: T. Van Sinay, “Hoofdstuk I – Enkele inleidende begrippen”, in Handboek gerechtelijke verdeling, Bruxelles, Intersentia, 2010, pp. 1-2, n° 2; C. Engels, “Partages et licitations judiciaires”, dans Rép. not., tome XIII, La procédure notariale, livre 5/3, Bruxelles, Larcier, 2015, p. 67, n° 12; A. Deliège, “L’état liquidatif”, in La liquidation-partage, coll. ALN, Bruxelles, Larcier, 2010, pp. 191 et suiv., spéc. p. 193; R. Dekkers, H. Casman, A.-L. Verbeke, E. Alofs, Erfrecht & giften. Na de codificatie van 2022, 4e éd., Bruxelles, Intersentia, 2023, pp. 143 à 145, n° 147). Cette idée est traduite dans le second alinéa inséré à l’article 1207 du Code judiciaire, dont l’objet est de gevallen waarin de vordering zowel betrekking heeft op de vereffening als op de verdeling. Zo wordt het woord “mede-eigenaars” vervangen door het woord “partijen”, (algemener aangezien het toelaat om ook rekening te houden met de gevallen waarin de partijen niet in onverdeeldheid zijn, maar waarbij een vereffening van hun rechten toch vereist is) en voorziet de bepaling voortaan dat de vereffening en, in voorkomend geval, de verdeling (d.i. in zoverre een verdeling zich opdringt wegens het bestaan van een onverdeeldheid tussen de partijen) gerechtelijk gebeuren, bij gebrek aan minnelijke vereffening-verdeling. Anderzijds wordt een tweede lid toegevoegd aan artikel 1207 van het Gerechtelijk Wetboek, met de vol- gende bewoordingen: “De bepalingen opgenomen in de afdelingen 2 en 3 van dit hoofdstuk zijn eveneens van toepassing, zelfs bij gebrek aan onverdeeldheid, wanneer, krachtens titel 3 van boek 2 of boek 4 van het Burgerlijk Wetboek, het verzoek enkel betrekking kan hebben op de vereffening. In dat geval, zijn de artike- len 1209, § 3, 1212, 1214, § 1, lid 3 tot 6, 1214, § 6, lid 2, 1224 en 1224/1 slechts van toepassing ten aanzien van de partijen-deelgenoten.”. Zoals reeds vermeld in de memorie van toelichting, is het doel van deze wetswijziging vooral om de bepalingen betreffende de gerechtelijke verdeling opgenomen in het Gerechtelijk Wetboek punctueel te wijzigen, om te zorgen dat deze ook van toepassing zijn wanneer, bij gebrek aan onverdeeldheid tussen de partijen, geen verdeling vereist is, maar een vereffening zich toch opdringt met het oog op het bepalen van het bedrag van hun rechten. Er wordt verduidelijkt dat onder “vereffening”, in de zin van huidig voorstel, moet worden verstaan: het geheel aan verrichtingen (in de ruime zin) die toelaten om de rechten van elk van de partijen in waarde, zijnde cijferma- tig, te bepalen. De vereffening bestaat dus hoofdzakelijk uit twee aspecten: de vaststelling van de massa en de waardering van de rechten van de partijen, die bestaat in het becijferen van de rechten van elkeen (N. Gendrin en D. Karadsheh, op. cit., p. 181, nr. 175. Zie eveneens in dezelfde zin: T. Van Sinay, “Hoofdstuk I – Enkele inleidende begrippen”, in Handboek gerechtelijke verdeling, Brussel, Intersentia, 2010, p. 1-2, nr. 2; C. Engels, “Partages et licitations judiciaires”, in Rép. not., tome XIII, La procédure notariale, boek 5/3, Brussel, Larcier, 2015, p. 67, nr. 12; A. Deliège, “L’état liquidatif”, in La liquidation-partage, coll. ALN, Brussel, Larcier, 2010, p. 191 e.v., bijz. p. 193; R. Dekkers, H. Casman, A.-L. Verbeke, E. Alofs, Erfrecht & giften. Na de codificatie van 2022, 4e ed., Brussel, Intersentia, 2023, p. 143 tot 145, nr. 147). Deze idee wordt vertaald in het tweede lid dat wordt toegevoegd aan artikel 1207 van het Gerechtelijk Wetboek, 15 0272/001 DOC 56 15 K A M E R • 1e   Z I T T I N G VA N D E 56 e  Z I T T I N G S P E R I O D E 2024 C H A M B R E 1e S E S S I O N D E L A 56 e  L É G I S L AT U R E rendre les dispositions relatives au partage judiciaire également applicables lorsqu’il n’est procédé qu’à la liquidation. La disposition nouvelle n’étend toutefois l’application des articles 1207 à 1225 du Code judiciaire qu’aux seules hypothèses où, à défaut d’indivision entre les parties, la demande ne peut (juridiquement) porter que sur la liquidation (et non sur le partage), en vertu soit du titre 3 du livre 2 du Code civil (relatif aux relations patrimoniales des couples) soit du livre 4 du Code civil (relatif aux successions, donations et testaments). Des parties se trouvant en situation d’indivision ne pourraient dès lors délibérément limiter leur demande à la seule liquidation de leurs droits, cette possibilité étant limitée, aux termes de l’article 1207, alinéa 2, proposé, à l’hypothèse dans laquelle, en l’absence d’indivision, le partage ne se conçoit pas. Par ailleurs, la présente proposition n’étend l’appli- cation des articles 1207 et suivants du Code judicaire qu’aux hypothèses dans lesquelles seule la liquidation est (juridiquement) requise en vertu soit du titre 3 du livre 2 du Code civil (relatif aux relations patrimoniales des couples) soit du livre 4 du Code civil (relatif aux successions, donations et testaments). Il s’agit de ne pas étendre, dans le cadre de dispositions législatives à portée essentiellement technique, la compétence ratione personae du tribunal de la famille à des hypothèses qui sont actuellement exclues de celle-ci. En effet, aux termes de l’actuel article 572bis, 3°, 9° et 10°, du Code judiciaire, le tribunal de la famille est actuellement compétent pour connaître des demandes entre époux et cohabitants légaux relatives à l’exercice de leurs droits ou à leurs biens ainsi que les mesures provisoires qui s’y rapportent (572bis, 3°, du Code judiciaire), des demandes relatives aux régimes matri- moniaux, aux successions, aux donations entre vifs ou aux testaments (572bis, 9°, du Code judiciaire) et des demandes de partage (quelle que soit la qualité des indivisaires, mais pour autant que l’existence ou la vrai- semblance d’une indivision soit établie: article 572bis, 10°, du Code judiciaire). Ainsi: le tribunal de la famille est actuellement compétent, en vertu de l’article 572bis, 10°, du Code judiciaire, pour met als doel te zorgen dat de bepalingen met betrekking tot de gerechtelijke verdeling ook van toepassing zijn wanneer alleen wordt overgegaan tot de vereffening. De nieuwe bepaling breidt de toepassing van de artikelen 1207 tot 1225 van het Gerechtelijk Wetboek echter alleen uit tot de gevallen waarbij, bij gebrek aan onverdeeldheid tussen de partijen, de vordering (juri- disch) enkel betrekking kan hebben op de vereffening (en niet op de verdeling), hetzij uit hoofde van titel 3 van boek 2 van het Burgerlijk Wetboek (betreffende het relatievermogensrecht), hetzij boek 4 van het Burgerlijk Wetboek (betreffende de nalatenschappen, schenkingen en testamenten). Partijen die zich in onverdeeldheid bevinden, kunnen hun vordering dientengevolge niet bewust beperken tot de vereffening van hun rechten, aangezien deze mo- gelijkheid krachtens het voorgestelde artikel 1207, lid 2, beperkt wordt tot de gevallen waarin de verdeling niet aan de orde is wegens het gebrek aan onverdeeldheid. Dit voorstel breidt bovendien de toepassing van de artikelen 1207 en volgende van het Gerechtelijk Wetboek alleen uit tot de gevallen waarin de vereffening (juridisch) vereist is krachtens hetzij titel 3 van boek 2 van het Burgerlijk Wetboek (betreffende het relatievermogens- recht), hetzij boek 4 van het Burgerlijk Wetboek (betref- fende nalatenschappen, schenkingen en testamenten). Het beoogt dus niet, binnen het kader van de wettelijke bepalingen met een hoofdzakelijk technische reikwijdte, de bevoegdheid ratione personae van de familierecht- bank uit te breiden tot gevallen die er momenteel van uitgesloten zijn. Krachtens het huidige artikel 572bis, 3°, 9° en 10°, van het Gerechtelijk Wetboek, is de familierechtbank momenteel immers bevoegd om kennis te nemen van de vorderingen tussen echtgenoten en wettelijk samen- wonenden betreffende de uitoefening van hun rechten of betreffende hun goederen, alsook de voorlopige maatregelen die daarop betrekking hebben (572bis, 3°, van het Gerechtelijk Wetboek), van de vorderingen met betrekking tot het huwelijksvermogensrecht, de erfopvolging, schenkingen onder levenden of testamen- ten (572bis, 9°, van het Gerechtelijk Wetboek) en van vorderingen tot verdeling (ongeacht de hoedanigheid van de mede-eigenaars, maar in zoverre het bestaan of de waarschijnlijkheid van een onverdeeldheid werd aangetoond: artikel 572bis, 10°, van het Gerechtelijk Wetboek). Aldus: is de familierechtbank momenteel krachtens arti- kel 572bis, 10°, van het Gerechtelijk Wetboek bevoegd 0272/001 DOC 56 16 16 K A M E R • 1e   Z I T T I N G VA N D E 56 e  Z I T T I N G S P E R I O D E 2024 C H A M B R E 1e S E S S I O N D E L A 56 e  L É G I S L AT U R E ordonner qu’il soit procédé au partage conformément aux articles 1207 et suivants du Code judiciaire dès lors que l’existence (ou la vraisemblance) d’une indivision est établie, et ce quelle que soit la qualité des parties et même si la situation d’indivision ne relève pas de la sphère familiale. Par ailleurs, en application de l’actuel article 572bis, 3° ou 9°, du Code judiciaire, le tribunal de la famille peut également connaître des demandes limitées à la (seule) liquidation des droits entre les parties, pour autant que celles-ci soient des époux ou des cohabitants légaux (article 572bis, 3°) ou que la demande soit relative à un régime matrimonial ou à une succession (article 572bis, 9°). Toutefois, en cette hypothèse, le tribunal ne peut ordonner, à défaut d’indivision, qu’il soit procédé à un partage conformément aux articles 1207 et suivants du Code judiciaire: la procédure prévue aux articles 1207 et suivants du Code judiciaire n’étant actuellement pas applicable en pareille hypothèse, la désignation d’un notaire-liquidateur chargé (notamment) d’établir les comptes entre les parties n’est pas possible et “le litige est tranché directement, le cas échéant après mise en état, par le tribunal de la famille” (N. Gendrin et D. Karadsheh, Liquidation-partage, op. cit., pp. 97 et 98, n° 93). En revanche, les (seules) liquidations entre des par- ties qui ne sont ni des époux ni des cohabitants légaux – tels notamment l’établissement de comptes résultant de la vie commune entre des cohabitants de faits – ne relèvent actuellement pas de la compétence du tribunal de la famille et n’entrent pas dans le champ d’applica- tion des articles 1207 et suivants du Code judiciaire (à défaut d’indivision), sans que la Cour constitutionnelle n’ait relevé de discrimination à cet égard (C. const., arrêt n° 1/2017 du 19 janvier 2017; voyez également N. Gendrin et D. Karadsheh, Liquidation-partage, op. cit., pp. 97 et 98, n° 93). Ces demandes relèvent de la com- pétence du tribunal de première instance. La présente proposition – dont la portée est essen- tiellement technique – n’entend pas, à ce stade, modifier cette limitation de la compétence ratione personae et ratione materiae du tribunal de la famille. C’est la raison pour laquelle la présente proposition n’étend l’application des articles 1207 et suivants du Code judicaire qu’aux hypothèses dans lesquelles la liquidation est – seule – (juridiquement) requise en vertu soit du titre 3 du livre 2 du Code civil (relatif aux relations patrimoniales des couples), soit du livre 4 du Code civil (relatif aux successions, donations et testaments). om te gelasten dat wordt overgegaan tot de verdeling con- form de artikelen 1207 en volgende van het Gerechtelijk Wetboek zodra het bestaan (of de waarschijnlijkheid) van een onverdeeldheid wordt vastgesteld, en dit ongeacht de hoedanigheid van de partijen en zelfs indien de toestand van onverdeeldheid niet binnen de familiale sfeer valt. kan de familierechtbank krachtens het huidige arti- kel 572bis, 3° of 9°, van het Gerechtelijk Wetboek, boven- dien ook kennis nemen van vorderingen die uitsluitend beperkt zijn tot de vereffening van de rechten tussen de partijen, in zoverre deze personen echtgenoten of wettelijk samenwonenden (artikel 572bis, 3°) zijn of de vordering betrekking heeft op een huwelijksstelsel of op een nalatenschap (artikel 572bis, 9°). In dit geval kan de rechtbank, bij gebrek aan onverdeeldheid, echter niet ge- lasten dat wordt overgegaan tot een verdeling conform de artikelen 1207 en volgende van het Gerechtelijk Wetboek. Aangezien de procedure voorzien in de artikelen 1207 en volgende van het Gerechtelijk Wetboek momenteel in dit geval niet van toepassing is, is het niet mogelijk een notaris-vereffenaar aan te stellen die (onder meer) be- last is met het opstellen van de rekeningen tussen de partijen en “wordt het geschil rechtstreeks beslecht door de familierechtbank, in voorkomend geval na instaatstel- ling” (N. Gendrin en D. Karadsheh, Liquidation-partage, op. cit., p. 97 en 98, nr. 93). (Loutere) vereffeningen tussen partijen die geen echtgenoten of wettelijk samenwonenden zijn, zoals met name het opstellen van rekeningen met betrekking tot het gezamenlijk leven van feitelijk samenwonenden, vallen daarentegen momenteel niet onder de bevoegd- heid van de familierechtbank en behoren niet tot het toepassingsgebied van de artikelen 1207 en volgende van het Gerechtelijk Wetboek (bij gebrek aan onverdeeld- heid), zonder dat het Grondwettelijk Hof in dit kader een discriminatie heeft vastgesteld (Grondwettelijk Hof, ar- rest nr. 1/2017 van 19 januari 2017; zie ook N. Gendrin en D. Karadsheh, Liquidation-partage, op. cit., p. 97 en 98, nr. 93). Deze vorderingen vallen onder de bevoegdheid van de rechtbank van eerste aanleg. Dit voorstel, dat hoofdzakelijk technisch van aard is, beoogt momenteel niet om deze beperking van de bevoegdheid ratione personae en ratione materiae van de familierechtbank te wijzigen. Om die reden breidt dit voorstel de toepassing van de artikelen 1207 en volgende van het Gerechtelijk Wetboek slechts uit tot de gevallen waarin – uitsluitend – de vereffening (wettelijk) vereist is, hetzij krachtens titel 3 van boek 2 van het Burgerlijk Wetboek (betref- fende het relatievermogensrecht), hetzij boek 4 van het Burgerlijk Wetboek (betreffende nalatenschappen, schenkingen en testamenten). 17 0272/001 DOC 56 17 K A M E R • 1e   Z I T T I N G VA N D E 56 e  Z I T T I N G S P E R I O D E 2024 C H A M B R E 1e S E S S I O N D E L A 56 e  L É G I S L AT U R E L’hypothèse envisagée ici est essentiellement celle dans laquelle, conformément au livre 4 du Code civil, un (ou plusieurs) enfant(s) (ou le conjoint survivant, s’agis- sant de sa réserve abstraite) est (sont), conformément aux dispositions contenues dans le livre 4 du Code civil, limité(s) à sa (leur) réserve en valeur, tandis qu’un (ou plusieurs) autre(s) enfants(s) (voire le conjoint survivant) ont été institués en qualité de légataire(s) universels(s). Dès lors qu’il(s) ne joui(ssen)t de leur réserve qu’en valeur (sous la forme d’une indemnité due par le ou les gratifiés), l(’)(es) enfant(s) limité(s) à sa (leur) réserve ne peu(ven)t prétendre à aucun droit sur les actifs de la succession comme tels, de sorte qu’il(s) n’est (ne sont) pas en indivision avec le(s) légataire(s) universel(s) s’agissant desdits actifs. Pourtant, il est, en pareille hypothèse, nécessaire de liquider la succession afin (notamment) fixer le montant de l’indemnité réservataire devant être payée à (aux) (l’héritier(s) réservataire(s). En effet, ce montant dépend notamment de l’actif et du passif successoraux (dont il faut dresser l’inventaire) et des calculs à effectuer dans le cadre de la liquidation de la succession (constitution de la masse de calcul du disponible, imputation des libéralités consenties par le défunt, prise en considération des libéralités rapportables consenties aux héritiers, qui constituent des “avances” sur leur part successo- rale, …), même si – dans l’hypothèse envisagée ici – la procédure ne se soldera pas par un “partage” au sens de la constitution et l’attribution de lots. En revanche, la constitution d’une “masse de partage” sera requise, dès lors que c’est à ce stade que sont prises en considération les libéralités rapportables consenties par le défunt. Il existe encore d’autres hypothèses dans lesquelles une liquidation s’impose mais pas un partage, à défaut d’indivision entre les parties concernées. Ainsi, en droit des régimes matrimoniaux (régi par le titre 3 du livre 2 du Code civil), lorsque des époux ont été mariés sous un régime de communauté aux termes d’une convention matrimoniale incluant une clause d’attribution de toute la communauté au bénéfice du conjoint survivant, il n’y a, au décès du premier mourant, pas d’indivision entre les héritiers du prémourant et le conjoint survivant sur les biens communs, dès lors que ceux-ci reviennent intégralement au conjoint survivant, en vertu de la clause d’attribution de la communauté. Toutefois, nonobstant cette absence d’indivision, il convient de liquider la communauté pour établir notam- ment le compte des récompenses qui pourraient, le cas échéant, être dues par l’un ou l’autre des époux au profit Het geval dat hier wordt beoogd, is hoofdzakelijk dat waarbij, krachtens boek 4 van het Burgerlijk Wetboek, een (of meerdere) kind(eren) (of de langstlevende echtgenoot met betrekking tot zijn abstracte reserve) overeenkomstig de bepalingen opgenomen in boek 4 van het Burgerlijk Wetboek, beperkt worden tot hun reserve in waarde, terwijl een (of meerdere) ander(e) kind(eren) (of zelfs de langstlevende echtgenoot) werden aangesteld als algemene legataris(sen). Aangezien zij slechts in waarde kunnen genieten van hun reserve (in de vorm van een vergoeding verschuldigd door de begunstigden), kan (kunnen) het (de) kind(eren) dat (die) beperkt word(t)(en) tot hun reserve geen aanspraak maken op rechten op het nalatenschapsvermogen op zich, zodat deze niet in onverdeeldheid is (zijn) met de algemene legataris(sen) wat betreft dit vermogen. In dergelijk geval is het echter noodzakelijk om de nalatenschap te vereffenen, (onder meer) om het bedrag te bepalen van de reservataire vergoeding die moet worden betaald aan de reservataire erfgena(a)m(en). Dit bedrag is immers onder meer afhankelijk van de activa en de passiva van de nalatenschap (waarvan een boedelbeschrijving moet worden opgesteld) en van de berekeningen die moeten worden gemaakt in het kader van de vereffening van de nalatenschap (samenstelling van de rekenboedel ter berekening van het beschikbaar deel, aanrekening van de giften verleend door de erflater, in aanmerking nemen van de giften aan de erfgenamen die moeten worden ingebracht, die “voorschotten” op hun erfdeel zijn, …), zelfs indien de procedure – in de hier beoogde hypothese niet uitmondt in een “verdeling” in de zin van de vorming en de toewijzing van kavels. Daarentegen is de samenstelling van een “te verdelen boedel” vereist, aangezien in dit stadium rekening wordt gehouden met de giften verleend door de erflater, die moeten worden ingebracht. Er bestaan nog andere gevallen waarbij wel een ver- effening maar geen verdeling vereist is, bij gebrek aan onverdeeldheid tussen de partijen in kwestie. Zo is er volgens het huwelijksvermogensrecht (gere- geld in titel 3 van boek 2 van het Burgerlijk Wetboek), wanneer echtgenoten gehuwd zijn onder een stelsel van gemeenschap met een huwelijksovereenkomst die een clausule bevat waarbij de volledige gemeenschap wordt toegewezen aan de langstlevende echtgenoot bij het overlijden van de eerststervende echtgenoot, geen onverdeeldheid van de goederen in de gemeenschap tussen de erfgenamen van de eerststervende echtge- noot en de langstlevende echtgenoot, aangezien deze volledig toekomen aan de langstlevende echtgenoot krachtens het verblijvingsbeding van de gemeenschap. Niettegenstaande dit gebrek aan onverdeeldheid, moet de gemeenschap echter vereffend worden om onder 0272/001 DOC 56 18 18 K A M E R • 1e   Z I T T I N G VA N D E 56 e  Z I T T I N G S P E R I O D E 2024 C H A M B R E 1e S E S S I O N D E L A 56 e  L É G I S L AT U R E de la communauté, ou inversement (voyez, s’agissant de cette hypothèse: H. Casman et F. Lalière, “La réserve en valeur et l’institution d’un cohéritier en qualité de légataire universel”, op. cit., p. 114, n° 40). Le second alinéa inséré à l’article 1207 du Code judicaire a pour objectif de rencontrer ces hypothèses en ce qu’il permet, d’une part, au juge saisi en pareille circonstance, de faire droit à une demande limitée à la liquidation (sans constitution ni attribution de lots) et, d’autre part, au notaire-liquidateur et aux parties de poursuivre la procédure dans le respect des différentes étapes et des règles qui s’imposent en vertu de celle-ci. Ainsi, les étapes nécessaires à la liquidation des droits des parties seront observées en pareille hypothèse, afin notamment d’établir le montant de leurs droits (ouverture des opérations, inventaire ou détermination amiable de la masse à liquider, communication des pièces et formulation des revendications des parties, aperçu des revendications des parties effectué par le notaire, observations des parties quant à leurs reven- dications respectives, établissement d’un état liquidatif par le notaire, contredits, saisine du tribunal en cas de contredits, …), mais les étapes relatives à la composi- tion et à l’attribution des lots ne seront pas applicables en l’absence d’indivision (les dispositions légales y relatives étant adaptées en conséquence, aux termes de la présente proposition: cf. infra). La disposition nouvelle précise également qu’en ce cas, certaines dispositions – à savoir celles spécifique- ment relatives à l’hypothèse d’une indivision – ne seront applicables qu’à l’égard des parties indivisaires (pour autant qu’il y ait des indivisaires). Ainsi, par exemple, dans l’hypothèse d’un défunt ayant laissé trois enfants dont seul l’un est limité à sa réserve en valeur alors que les deux autres ont été désignés en qualité de légataires universels, il n’existe pas d’indivision sur les biens successoraux entre l’enfant limité à sa réserve et ses cohéritiers institués en qualité de légataires universels, mais il existe, en revanche, une indivision entre les deux enfants légataires universels. En ce cas, les dispositions visées par la dernière phrase de l’alinéa 2 inséré à l’article 1207 du Code judiciaire ne seront applicables qu’entre les deux enfants désignés en qualité de légataires universels. meer de rekening van de vergoedingen op te stellen die, in voorkomend geval, door een van de echtgenoten verschuldigd kunnen zijn ten gunste van de gemeenschap of omgekeerd (zie met betrekking tot dit geval: H. Casman en F. Lalière, “La réserve en valeur et l’institution d’un cohéritier en qualité de légataire universel”, op. cit., p. 114, nr. 40). Het doel van het tweede lid dat wordt toegevoegd aan artikel 1207 van het Gerechtelijk Wetboek is om rekening te houden met deze gevallen, in zoverre het de rechter gevat voor een dergelijke zaak, toelaat om recht te doen aan een vordering die wordt beperkt tot de vereffening (zonder vorming noch toewijzing van kavels) en, anderzijds, de notaris-vereffenaar en de partijen toelaat om de procedure verder te zetten rekening houdend met de verschillende stappen en regels die hiervoor gelden. Zo zullen de stappen die nodig zijn voor de vereffening van de rechten van de partijen in dit geval worden nageleefd, met name om het bedrag van hun rechten te bepalen (opening van de werkzaamheden, boedelbeschrijving of minnelijke bepaling van de te vereffenen boedel, voorlegging van de stukken en formulering van de aanspraken van de partijen, overzicht van de aanspraken van de partijen opgesteld door de notaris, opmerkingen van de partijen over hun respectievelijke aanspraken, opstellen van een staat van vereffening door de notaris, bezwaren, vatten van de rechtbank in geval van bezwaren, …), maar de stappen met betrekking tot de vorming en de toewijzing van kavels zullen niet van toepassing zijn bij gebrek aan onverdeeldheid (waarbij de wettelijke bepalingen die hierop betrekking hebben dientengevolge worden aangepast krachtens dit voorstel: cf. infra). De nieuwe bepaling verduidelijkt ook dat in dit geval sommige bepalingen, met name deze die specifiek betrekking hebben op de gevallen van onverdeeldheid, slechts van toepassing zijn ten aanzien van de partijen- deelgenoten (in zoverre er deelgenoten zijn). Zo bestaat er bijvoorbeeld in het geval waarbij een erflater drie kinderen nalaat waarvan slechts één beperkt wordt tot zijn reserve in waarde terwijl de andere twee worden aan- gesteld als algemene legatarissen, geen onverdeeldheid voor de goederen van de nalatenschap tussen het kind dat beperkt is tot zijn reserve en zijn mede-erfgenamen aangesteld in de hoedanigheid van algemene legataris- sen, maar bestaat er wel een onverdeeldheid tussen de twee kinderen die algemene legatarissen zijn. In dit geval zijn de bepalingen die vallen onder de laatste zin van het tweede lid die werd ingevoegd in artikel 1207 van het Gerechtelijk Wetboek, alleen van toepassing tussen de twee kinderen aangesteld als algemene legatarissen. 19 0272/001 DOC 56 19 K A M E R • 1e   Z I T T I N G VA N D E 56 e  Z I T T I N G S P E R I O D E 2024 C H A M B R E 1e S E S S I O N D E L A 56 e  L É G I S L AT U R E Ces dispositions (dont l’application est limitées aux seuls indivisaires) sont les suivantes: — l’article 1209, § 3, du Code judiciaire, relatif au jugement actant l’accord des parties sur la vente publique ou de gré à gré de tous ou partie des biens indivis et aux effet dudit accord; — l’article 1212 du Code judiciaire, relatif à la gestion de la masse indivise; — l’article 1214, § 1er, alinéas 3 à 6, relatifs à la vente publique et à la vente de gré à gré des biens indivis; — l’article 1214, § 6, alinéa 2, relatif à la compétence du notaire-liquidateur, nonobstant l’absence ou le refus de signer d’une partie, de recevoir le prix d’adjudication et autres créances, en donner quittance et donner main- levée de toute inscription, transcription et opposition; — l’article 1224 du Code judiciaire, relatif à la vente des biens non commodément partageables en nature; — l’article 1224/1 relatif à l’hypothèse particulière dans laquelle les biens non commodément partageables en nature au sens de l’article 1224 sont des meubles. Art. 11 L’article 1208 du Code judiciaire est adapté pour viser désormais tant l’hypothèse dans laquelle, à défaut d’indivision entre les parties, il n’est procédé qu’à la liquidation de leurs droits que l’hypothèse dans laquelle il est procédé à un partage. Ainsi: — le paragraphe 1er, relatif à jonction des causes, en cas de pluralités de demandes sollicitant le partage de la même indivision est adapté pour viser également l’hypothèses de la pluralité de demandes visant la liqui- dation de la même masse; — les paragraphes 2 et 3 – qui énoncent le principe selon lequel s’il existe entre les parties une autre indivision n’impliquant pas de tiers et dont la liquidation préalable est nécessaire pour aboutir au partage sollicité, la demande et le jugement prononcé comprennent de plein droit la Het gaat om volgende bepalingen (waarvan de toe- passing beperkt is tot de deelgenoten alleen): — artikel 1209, § 3, van het Gerechtelijk Wetboek, met betrekking tot het vonnis waarin het akkoord van de partijen over de verkoop, openbaar of uit de hand, van alle of een deel van de onverdeelde goederen wordt vastgesteld, en met betrekking tot de gevolgen van dit akkoord; — artikel 1212 van het Gerechtelijk Wetboek, met betrekking tot het beheer van de onverdeelde boedel; — artikel 1214, § 1, lid 3 tot 6, met betrekking tot de openbare verkoop en de verkoop uit de hand van de onverdeelde goederen; — artikel 1214, § 6, lid 2, betreffende de bevoegdheid van de notaris-vereffenaar om, niettegenstaande een partij afwezig is of weigert te tekenen, de toewijzings- prijzen en andere schuldvorderingen te ontvangen, er kwijting van te geven en opheffing te verlenen van elke inschrijving, overschrijving en verzet; — artikel 1224 van het Gerechtelijk Wetboek, betref- fende de verkoop van goederen waarvan de gevoeglijke verdeling in natura onmogelijk is; — artikel 1224/1 betreffende het specifieke geval waarin de goederen die niet gevoeglijk in natura verdeelbaar zijn in de zin van artikel 1224, roerende goederen zijn. Art. 11 Artikel 1208 van het Gerechtelijk Wetboek wordt aangepast zodat het voortaan zowel rekening houdt met gevallen waarin, bij gebrek aan onverdeeldheid tussen de partijen, uitsluitend wordt overgegaan tot de vereffening van hun rechten, als met gevallen waarin wordt overgegaan tot een verdeling. Aldus: — wordt de eerste paragraaf, met betrekking tot de samenvoeging van zaken, in geval van meerdere vorde- ringen waarin de verdeling van dezelfde onverdeeldheid wordt gevraagd, aangepast om ook rekening te houden met gevallen van meerdere vorderingen met betrekking tot de vereffening van dezelfde boedel; — paragrafen 2 en 3 – die het principe vermelden dat indien tussen de partijen een andere onverdeeldheid bestaat waarbij geen derden betrokken zijn en waarbij de voorafgaande vereffening noodzakelijk is om de gevorderde verdeling te voltrekken, de vordering en het 0272/001 DOC 56 20 20 K A M E R • 1e   Z I T T I N G VA N D E 56 e  Z I T T I N G S P E R I O D E 2024 C H A M B R E 1e S E S S I O N D E L A 56 e  L É G I S L AT U R E liquidation de cette indivision – sont respectivement adaptés pour viser désormais l’hypothèse dans laquelle la liquidation d’une autre masse (pas nécessairement indivise) n’impliquant pas de tiers est nécessaire pour aboutir à la liquidation ou au partage sollicité; — le paragraphe 4, relatif à l’hypothèse du partage distinct pouvant être ordonné par le juge s’agissant des biens situés à l’étranger qu’il désigne, est adapté pour autoriser également qu’il soit procédé à une liquidation distincte s’agissant de ces biens. Art. 12 L’article 1210 du Code judiciaire, relatif à la désignation du notaire-liquidateur, est adapté en ses paragraphes 1er et 4, pour viser désormais tant l’hypothèse dans laquelle, à défaut d’indivision entre les parties, seule la liquidation est ordonnée que l’hypothèse dans laquelle le tribunal ordonne le partage. Art. 13 Plusieurs modifications sont apportées à l’ar- ticle 1214 du Code judiciaire, dont trois ne sont pas directement liées à la nécessité de rendre les dispositions relatives au partage judiciaire également applicables lorsque les opérations sont limitées à la liquidation. Il s’agit, en premier lieu, de l’ajout du terme “explici- tement” à l’article 1214, § 2, alinéa 1er. Aux termes de l’actuel article 1214, § 2, alinéa 1er, du Code judiciaire, les parties sont autorisées à renoncer à l’établissement d’un inventaire, pour autant qu’elles s’accordent pour indiquer au notaire-liquidateur quelle est la masse à partager. Ceci suppose toutefois un accord de chacune d’elles tant sur le principe de la renonciation à l’inventaire que sur l’étendue de la masse à liquider ou à partager (C. Aughuet et M. Carbone, “La procédure de liquidation-partage judiciaire nouvelle est arrivée!”, Act. dr. fam., 2012, p. 78 et suiv, spéc. p. 88, n° 17). Les travaux préparatoires de la loi du 13 août 2011 ré- formant la procédure de liquidation-partage judiciaire (qui a introduit cette disposition) précisent qu’“il résulte du libellé de la disposition que si l’une des parties est incapable ou si l’une d’elles est absente ou ne marque pas son accord pour une dispense d’inventaire ou un inventaire uitgesproken vonnis van rechtswege de vereffening van deze onverdeeldheid inhouden – worden respectievelijk aangepast om voortaan rekening te houden met gevallen waarin de vereffening van een andere (niet noodzakelijk onverdeelde) boedel waarbij geen derden betrokken zijn, noodzakelijk is om de gevorderde vereffening of verdeling te voltrekken; — paragraaf 4, betreffende het geval waarin de rechter een afzonderlijke verdeling kan bevelen voor de in het buitenland gelegen goederen die hij aanwijst, wordt gewijzigd om ook de voltrekking van een afzonderlijke vereffening voor deze goederen toe te laten. Art. 12 Artikel 1210 van het Gerechtelijk Wetboek betreffende de notaris-vereffenaar wordt aangepast in de eerste en de vierde paragraaf, teneinde voortaan zowel rekening te houden met gevallen waarin alleen de vereffening wordt gevorderd bij gebrek aan onverdeeldheid tussen de partijen, als met gevallen waarin de rechtbank de verdeling beveelt. Art. 13 Er worden meerdere wijzigingen aangebracht aan artikel 1214 van het Gerechtelijk Wetboek, waarvan er drie niet rechtstreeks verband houden met de noodzaak om de bepalingen betreffende de gerechtelijke verdeling ook toepasselijk te maken wanneer de procedure wordt beperkt tot de vereffening. Het gaat in eerste instantie om de toevoeging van het woord “uitdrukkelijk” aan artikel 1214, § 2, eerste lid. Krachtens het huidige artikel 1214, § 2, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek, hebben de partijen het recht om af te zien van het opstellen van de boedelbeschrijving, voor zover zij gezamenlijk aan de notaris-vereffenaar aanduiden welke goederen afhangen van de te verdelen boedel. Dit veronderstelt echter dat alle partijen het zowel eens zijn over de afstand van de boedelbeschrijving als over de omvang van de te vereffenen of te verdelen boedel (C. Aughuet en M. Carbone, “La procédure de liquidation-partage judiciaire nouvelle est arrivée!”, Act. dr. fam., 2012, p. 78 e.v., in het bijzonder p. 88, nr. 17). De voorbereidende werkzaamheden voor de wet van 13 augustus 2011 houdende hervorming van de procedure van gerechtelijke vereffening-verdeling (waarbij deze bepaling werd ingevoerd) verduidelijken dat “uit de tekst van de bepaling volgt dat wanneer een van de partijen onbekwaam is of indien een van de partijen 21 0272/001 DOC 56 21 K A M E R • 1e   Z I T T I N G VA N D E 56 e  Z I T T I N G S P E R I O D E 2024 C H A M B R E 1e S E S S I O N D E L A 56 e  L É G I S L AT U R E sur déclarations, l’inventaire sera toujours requis. Le juge de paix ne peut ni autoriser la renonciation à l’inventaire au nom d’un incapable, ni autoriser qu’il soit procédé au nom de celui-ci à un inventaire sur déclarations (sous réserve, s’agissant de l’inventaire sur déclarations, du cas où il est impossible de procéder autrement visé à l’article 1182, alinéa 2, C. jud.)” (Proposition de loi réformant la procédure de liquidation-partage judiciaire, Commentaire des articles, Doc. parl., Sén., sess. ord. 2010-2011, n° 5-405/1, p. 34). Dans le même sens, la doctrine considère que: “la renonciation [à l’inventaire] devant nécessairement intervenir à l’unanimité des parties concernées par la procédure de liquidation-partage, l’absence ou le refus de l’une seule d’entre elles empêchera toute dispense d’inventaire” (C. De Boe et J.-Fr. van Drooghenbroeck, “L’inventaire après la réforme du partage judiciaire”, J.J.P., 2013, pp. 137 et suiv., spéc. p. 140, n° 9). Cependant, la Cour de cassation a jugé, aux termes d’un arrêt du 6 janvier 2022, que la disposition “n’em- pêche pas le notaire-liquidateur de déduire, dans des circonstances qui ne sont susceptibles d’aucune autre explication, de l’absence ou du silence circonstancié de l’un des copartageants que celui-ci consent à la renonciation à un inventaire ainsi qu’à l’indication des biens qui dépendent de la masse à partager” (Cass., 6 janvier 2022, R.W., 2021-22, p. 1437; T. Not., 2022, p. 215, traduction libre). La Cour de cassation admet ainsi que la renonciation à l’établissement d’un inventaire puisse intervenir tacitement, et même en l’absence de l’une des parties. Dans la mesure où tel n’était pas le vœu du législateur lors de l’adoption de la loi du 13 avril 2011 réformant la procédure de liquidation-partage judiciaire (voyez l’extrait des travaux préparatoires cité ci-dessus), la présente proposition ajoute, à l’article 1214, § 2, alinéa 1er, du Code judiciaire, la précision que la renonciation des parties à l’inventaire doit intervenir “explicitement”. La possibilité, prévue à l’article 1214, § 2, alinéa 1er, du Code judiciaire, de renoncer à l’établissement d’un inventaire constitue, en effet, une exception à l’obligation générale d’établir un inventaire, qui suppose nécessai- rement l’accord explicite de toute les parties tant sur le principe de la renonciation à l’inventaire que sur l’étendue de la masse à liquider ou à partager. Il en résulte que afwezig is of niet akkoord gaat met een vrijstelling van boedelbeschrijving of met een boedelbeschrijving op verklaring, de boedelbeschrijving, steeds zal vereist zijn. De vrederechter kan geen machtiging geven om aan de boedelbeschrijving te verzaken namens een onbekwame, noch om namens de onbekwame deze op verklaring op te maken (onder voorbehoud van de boedelbeschrijving op verklaring voor het geval die niet anders kan worden verricht zoals bedoeld in artikel 1182, tweede lid, van het gerechtelijk wetboek.)” (Wetsvoorstel houdende hervorming van de procedure van gerechte- lijke vereffening-verdeling, Artikelsgewijze toelichting, Parl. St. Senaat, 2010-2011, nr. 5-405/1, p. 34). Op dezelfde manier overweegt de rechtsleer dat: “aan- gezien het afzien [van de boedelbeschrijving] noodzakelij- kerwijze moet gebeuren bij unanimiteit van de partijen die betrokken zijn bij de procedure van vereffening-verdeling, verhindert de afwezigheid of de weigering van een van de partijen elke vrijstelling van boedelbeschrijving” (C. De Boe en J.-Fr. van Drooghenbroeck, “L’inventaire après la réforme du partage judiciaire”, T.Vred. 2013, p. 137 e.v., in het bijzonder p. 140, nr. 9, vrije vertaling). In een arrest van 6 januari 2022 heeft het Hof van Cassatie echter geoordeeld: “Voormelde bepalingen staan niet eraan in de weg dat de notaris-vereffenaar onder omstandigheden die niet voor een andere uitleg vatbaar zijn, uit de afwezigheid of het omstandig stilzwij- gen van een van de deelgenoten afleidt dat deze instemt met de afstand van een boedelbeschrijving evenals met de aanduiding van de goederen die afhangen van de te verdelen boedel” (Cass., 6 januari 2022, R.W., 2021-22, p. 1437; T. Not., 2022, p. 215). Het Hof van Cassatie erkent hierdoor dat de verzaking van het opstellen van een boedelbeschrijving stilzwijgend kan gebeuren, en zelfs bij afwezigheid van een van de partijen. In zoverre dit niet de wens van de wetgever was bij het aannemen van de wet van 13 april 2011 houdende her- vorming van de procedure van gerechtelijke vereffening- verdeling (zie het uittreksel uit de hierboven geciteerde voorbereidende werkzaamheden), voegt dit voorstel aan artikel 1214, § 2, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek, de verduidelijking toe dat de verzaking door de partijen van de boedelbeschrijving “uitdrukkelijk” moet gebeuren. De mogelijkheid die in artikel 1214, § 2, eerste alinea, van het Gerechtelijk Wetboek wordt voorzien om af te zien van het opstellen van een boedelbeschrijving, vormt immers een uitzondering op de algemene verplichting om een boedelbeschrijving op te stellen, die noodza- kelijkerwijze het uitdrukkelijke akkoord van alle partijen veronderstelt, zowel over het principe van de verzaking 0272/001 DOC 56 22 22 K A M E R • 1e   Z I T T I N G VA N D E 56 e  Z I T T I N G S P E R I O D E 2024 C H A M B R E 1e S E S S I O N D E L A 56 e  L É G I S L AT U R E ladite renonciation ne pourrait intervenir tacitement ni, a fortiori, en l’absence de l’une des parties. L’utilisation du terme “explicitement” fait ici écho à la jurisprudence de la Cour de cassation relative aux accords procéduraux intervenus entre les parties qui, pour autant qu’ils soient “explicites” lient le juge (Cass., 9 mai 2008, J.T., 2008, p. 721, note J.-Fr. van Drooghenbroeck, R.W., 2008-2009, p. 1765, note S. Mosselmans). La deuxième modification de fond apportée à l’ar- ticle 1214 du Code judiciaire est la précision, au § 2, alinéa 2, que le notaire-liquidateur fixe, outre les jour et heure auxquels il sera procédé à la première vacation d’inventaire (ce qui est déjà prévu par la disposition), le lieu où celle-ci se tiendra. Il est vrai qu’aux termes de l’article 1182 du Code judi- ciaire, l’inventaire “est fait dans les lieux où se trouvent les objets à inventorier”. Toutefois, il semble qu’en pra- tique, la question du lieu de l’inventaire suscite parfois certaines discussions, notamment lorsque la résidence et le domicile de l’une des parties ne coïncident pas. La modification proposée tend à remédier à cette difficulté, en invitant le notaire-liquidateur à préciser le lieu où se tiendra l’inventaire. Enfin, la troisième adaptation de fond apportée à l’article 1214 du Code judiciaire concerne l’hypothèse dans laquelle un inventaire a déjà été réalisé (le cas échéant avant la mise en œuvre de la procédure de liquidation-partage judiciaire), en application des ar- ticles 1175 et suivants du Code judiciaire. En cette hypo- thèse, il semble inopportun, dans un souci d’efficacité et d’accélération de la procédure – qui constituaient déjà l’un des objectifs du législateur lors de l’adoption de la loi du 13 avril 2011 réformant la procédure de liquida- tion-partage judiciaire – d’imposer l’établissement d’un nouvel inventaire ab initio, alors qu’un inventaire existe déjà et que cet inventaire a été établi conformément aux dispositions du Code judiciaire relatives à l’inventaire. Dans cette perspective, l’article 1214, § 2, de Code judiciaire est complété d’un dernier alinéa, pour prévoir qu’en pareille hypothèse, il est procédé à l’inventaire imposé dans le cadre de la procédure de liquidation- partage judiciaire par l’établissement d’un procès-verbal de récolement de l’inventaire déjà établi, le cas échéant actualisé ou complété à raison d’éléments nouveaux. aan de boedelbeschrijving als over de omvang van de te vereffenen of te verdelen boedel. Als gevolg hiervan kan deze afstand niet stilzwijgend gebeuren, noch, a fortiori, bij afwezigheid van een van de partijen. Het gebruik van de term “uitdrukkelijk” weerspiegelt hierbij de rechtspraak van het Hof van Cassatie betref- fende procedurele akkoorden aangegaan tussen de partijen die, in zoverre ze “uitdrukkelijk” zijn, bindend zijn voor de rechter (Cass., 9 mei 2008, J.T., 2008, p. 721, noot J.-Fr. van Drooghenbroeck, R.W., 2008-2009, p. 1765, noot S. Mosselmans). De tweede wijziging ten gronde aangebracht aan artikel 1214 van het Gerechtelijk Wetboek is de verdui- delijking, in § 2, lid 2, dat de notaris-vereffenaar, naast de dag en het uur waarop er tot de eerste vacatie van boedelbeschrijving zal worden overgegaan (hetgeen reeds werd voorzien in de bepaling), de plaats vastlegt waar deze zal worden gehouden. Het is inderdaad zo dat, volgens de bewoordingen van artikel 1182 van het Gerechtelijk Wetboek, de boe- delbeschrijving “geschiedt in de plaatsen waar de te beschrijven voorwerpen zich bevinden”. Het lijkt ech- ter dat, in de praktijk, de vraag naar de plaats van de boedelbeschrijving soms aanleiding geeft tot bepaalde discussies, meer bepaald wanneer de verblijfplaats en de woonplaats van één van de partijen niet overeenstemmen. De voorgestelde wijziging beoogt om tegemoet te ko- men aan deze moeilijkheid, door de notaris-vereffenaar uit te nodigen om de plaats te verduidelijken waar de boedelbeschrijving zal worden gehouden. De derde wijziging ten gronde aangebracht aan arti- kel 1214 van het Gerechtelijk Wetboek heeft ten slotte betrekking op gevallen waarin reeds een boedelbe- schrijving werd opgesteld (in voorkomend geval vooraf- gaand aan het in gang zetten van de procedure van de gerechtelijke vereffening-verdeling), overeenkomstig de artikelen 1175 en volgende van het Gerechtelijk Wetboek. In dit geval lijkt het, met het oog op de efficiëntie en de snelheid van de procedure, die reeds tot de doelstellin- gen van de wetgever behoorden bij het aannemen van de wet van 13 april 2011 houdende hervorming van de procedure van gerechtelijke vereffening-verdeling, niet opportuun om de opstelling ab initio van een nieuwe boedelbeschrijving op te leggen, wanneer dergelijke boedelbeschrijving reeds bestaat en werd opgesteld krachtens de bepalingen van het Gerechtelijk Wetboek betreffende de boedelbeschrijving. In dit kader wordt artikel 1214, § 2, van het Gerechtelijk Wetboek aange- vuld met een laatste lid om te voorzien dat in dergelijke gevallen wordt overgegaan tot de boedelbeschrijving opgelegd in het kader van de procedure van gerechtelijke 23 0272/001 DOC 56 23 K A M E R • 1e   Z I T T I N G VA N D E 56 e  Z I T T I N G S P E R I O D E 2024 C H A M B R E 1e S E S S I O N D E L A 56 e  L É G I S L AT U R E Ainsi, dans l’hypothèse où l’inventaire précédemment établi en application des articles 1175 et suivants du Code judiciaire serait complet, le procès-verbal de récolement constatera que cet inventaire tient lieu d’inventaire établi dans le cadre de la procédure de liquidation-partage judiciaire. En revanche, dans l’hypothèse où l’inventaire établi en application des articles 1175 et suivants du Code judiciaire ne serait que partiel ou que l’actualisation des estimations serait requise, le procès-verbal de récole- ment comportera une actualisation de cet inventaire ou le complètera, de la manière et dans les délais prévus par la procédure de liquidation-partage judiciaire. Par ailleurs, l’article 13 de la présente proposition apporte encore aux § 2, § 3, § 5 et § 7, de l’article 1214 du Code judiciaire une série d’adaptations techniques pour viser désormais tant l’hypothèse dans laquelle, à défaut d’indivision entre les parties, seule la liquidation est (légalement) requise que l’hypothèse dans laquelle il convient également de procéder au partage. Ainsi: — il est désormais fait référence, aux § 2 et § 3, à la masse “à liquider ou à partager” (et non plus uniquement à la masse “à partager”); — au § 5, le terme “copartageants” est remplacé par le terme “parties” (qui est plus générique, en ce qu’il permet de viser également l’hypothèse où les parties ne sont pas en indivision, mais où une liquidation de leurs droits est néanmoins requise); — au § 5, il est désormais précisé que le notaire procède “le cas échéant” à la composition des lots et aux attributions à faire à chacune des parties: en effet, l’établissement de lots n’est requise qu’en cas de partage et non lorsque les opérations sont limitées à la seule liquidation; — au § 7, il est désormais précisé que le notaire dresse, en un état liquidatif, le “projet de liquidation et, le cas échéant, de partage”: cette nouvelle formulation permet de viser également l’hypothèse dans laquelle il convient de procéder à la liquidation sans que celle-ci ne soit suivie d’un partage. Enfin, l’article 13 de la présente proposition apporte, en son 6°, une modification qui n’est pas liée à la nécessité de rendre les dispositions relatives au partage judiciaire vereffening-verdeling door het opstellen van een proces- verbaal van vergelijking van de reeds opgestelde boe- delbeschrijving, in voorkomend geval geactualiseerd of aangevuld omwille van nieuwe elementen. In het geval dat de boedelbeschrijving die voorafgaandelijk werd opgesteld conform de artikelen 1175 en volgende van het Gerechtelijk Wetboek volledig is, stelt dit proces- verbaal van vergelijking aldus vast dat deze als boedel- beschrijving opgesteld in het kader van de procedure van gerechtelijke vereffening-verdeling geldt. In het geval de boedelbeschrijving opgesteld krachtens de artikelen 1175 en volgende van het Gerechtelijk Wetboek slechts gedeeltelijk is of de actualisering van de schat- tingen vereist is, zal het proces-verbaal van vergelijking een actualisatie of aanvulling van deze boedelbeschrijving inhouden, op de manier en binnen de termijnen voorzien in de procedure van gerechtelijke vereffening-verdeling. Artikel 13 van dit voorstel brengt bovendien ook een aantal technische wijzigingen aan, aan § 2, § 3, § 5 en § 7, van artikel 1214 van het Gerechtelijk Wetboek om voortaan zowel te verwijzen naar gevallen waarin alleen de vereffening (wettelijk) vereist is bij gebrek aan on- verdeeldheid, als met gevallen waarin ook moet worden overgaan tot de verdeling. Aldus: — wordt in § 2 en § 3 voortaan verwezen naar “de te vereffenen of te verdelen” boedel (en niet meer uitsluitend naar de “te verdelen” boedel); — wordt in § 5 het woord “deelgenoten” vervangen door het woord “partijen” (dat algemener is aangezien het toelaat ook rekening te houden met gevallen waarin er geen onverdeeldheid tussen de partijen is, maar een vereffening van hun rechten toch vereist is); — wordt in § 5 voortaan verduidelijkt dat de notaris “in voorkomend geval” de kavels samenstelt en de af- rekening doet die met elk van de partijen moet worden gedaan: het samenstellen van de kavels is immers al- leen vereist in geval van verdeling en niet wanneer de procedure louter beperkt is tot de vereffening; — wordt in § 7 voortaan verduidelijkt dat de notaris, in een staat van vereffening, het “ontwerp van vereffening en, in voorkomend geval, van verdeling” opmaakt: deze nieuwe formulering laat toe om ook rekening te houden met gevallen waarin moet worden overgegaan tot de vereffening zonder dat deze moet worden gevolgd door een verdeling. Ten slotte brengt artikel 13 van dit voorstel, in zijn 6°, een wijziging aan die geen verband houdt met de nood- zaak om de bepalingen betreffende de gerechtelijke 0272/001 DOC 56 24 24 K A M E R • 1e   Z I T T I N G VA N D E 56 e  Z I T T I N G S P E R I O D E 2024 C H A M B R E 1e S E S S I O N D E L A 56 e  L É G I S L AT U R E également applicables lorsque les opérations sont limitées à la liquidation. Ainsi, la disposition complète l’article 1214 du Code judiciaire (qui contient les dispo- sitions générales), en insérant un paragraphe 8, libellé comme suit: “Les délais convenus ou fixés en application de la présente section se comptent conformément au chapitre VIII de la première partie du présent Code.”. Il semble en effet que, dans la pratique, certaines contestations s’élèvent parfois quant à la manière dont il convient de computer les délais convenus amiable- ment ou fixés par la loi dans le cadre de la procédure de liquidation-partage judiciaire. Dans la mesure où ils sont convenus ou fixés en application de dispositions contenues dans le Code judiciaire, ces délais sont régis, s’agissant notamment de leur computation, par les principes généraux contenus aux articles 48 à 57 du Code judiciaire. Le paragraphe 8 inséré par la présente proposition le précise désormais explicitement. Art. 14 L’article 1217, alinéa 1er, du Code judiciaire (relatif au calendrier de mise en état conventionnel applicable à la phase notariale des opérations) est ponctuellement adapté, pour viser désormais tant l’hypothèse dans laquelle, à défaut d’indivision entre les parties, il n’est procédé qu’à la liquidation, que l’hypothèse dans laquelle il est également procédé à un partage. Art. 15 L’article 1218, § 3, alinéa 1er, du Code judiciaire (relatif au calendrier de mise en état légal applicable à la phase notariale des opérations) est ponctuellement adapté, en ses alinéas 1er et 2, pour viser désormais tant l’hypothèse dans laquelle, à défaut d’indivision entre les parties, il n’est procédé qu’à la liquidation, que l’hypothèse dans laquelle il est également procédé à un partage. Par ailleurs, une modification technique est apportée à l’article 1218, § 3, 3°, du Code judicaire. Cette disposition (issue de la loi du 13 août 2011 ré- formant la procédure de liquidation-partage judiciaire) énonce actuellement que lorsqu’il a été fait applica- tion de l’article 1216 du Code judiciaire (c’est-à-dire lorsqu’un procès-verbal intermédiaire a été déposé au tribunal pour l’inviter à trancher les litiges ou difficultés verdeling ook van toepassing te maken wanneer de verrichtingen beperkt zijn tot de vereffening. De bepa- ling vervolledigt aldus artikel 1214 van het Gerechtelijk Wetboek (dat de algemene bepalingen bevat) met een paragraaf 8 die als volgt luidt: “De termijnen die in toepas- sing van deze afdeling zijn overeengekomen of bepaald, worden berekend overeenkomstig hoofdstuk VIII van het eerste deel van dit Wetboek.”. In de praktijk blijken immers soms geschillen te rijzen over de wijze waarop de termijnen die in het kader van de procedure van gerechtelijke vereffening-verdeling minnelijk zijn overeengekomen of bij wet zijn bepaald, moeten worden berekend. Aangezien deze termijnen zijn overeengekomen of bepaald op grond van bepa- lingen van het Gerechtelijk Wetboek, gelden voor deze termijnen, met name voor wat de berekening ervan betreft, de algemene principes die zijn vervat in de artikelen 48 tot 57 van het Gerechtelijk Wetboek. Dit wordt voortaan uitdrukkelijk gepreciseerd in paragraaf 8, ingevoegd door dit voorstel. Art. 14 Artikel 1217, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek (betreffende de termijnen voor de conventionele instaat- stelling die van toepassing zijn op de notariële fase van de werkzaamheden) wordt punctueel gewijzigd om voortaan zowel rekening te houden met gevallen waarin bij gebrek aan onverdeeldheid tussen de partijen alleen wordt overgegaan tot de vereffening, als met gevallen waarin ook wordt overgegaan tot een verdeling. Art. 15 Artikel 1218, § 3, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek (betreffende de termijnen voor de wettelijke instaatstelling die van toepassing zijn op de notariële fase van de werkzaamheden) wordt punctueel gewijzigd in het eerste en het tweede lid, om voortaan zowel rekening te houden met gevallen waarin bij gebrek aan onver- deeldheid tussen de partijen alleen wordt overgegaan tot de vereffening, als met gevallen waarin ook wordt overgegaan tot de verdeling. Bovendien wordt een technische wijziging aangebracht aan artikel 1218, § 3, 3°, van het Gerechtelijk Wetboek. Deze bepaling (die voortvloeit uit de wet van 13 au- gustus 2011 houdende hervorming van de procedure van gerechtelijke vereffening-verdeling) vermeldt thans dat wanneer er toepassing wordt gemaakt van artikel 1216 van het Gerechtelijk Wetboek (zijnde wanneer een tussen- tijds proces-verbaal werd neergelegd bij de rechtbank 25 0272/001 DOC 56 25 K A M E R • 1e   Z I T T I N G VA N D E 56 e  Z I T T I N G S P E R I O D E 2024 C H A M B R E 1e S E S S I O N D E L A 56 e  L É G I S L AT U R E rencontrés par le notaire-liquidateur pour l’établissement de l’état liquidatif), le délai de quatre mois imparti au notaire-liquidateur pour l’établissement de l’état liquidatif commence à courir lorsque la décision tranchant les litiges ou difficultés est passée en force de chose jugée. Or, depuis la réforme opérée par la loi du 19 oc- tobre 2015 “modifiant le droit de la procédure civile et portant des dispositions diverses en matière de justice” et la loi du 6 juillet 2017 “portant simplification, harmoni- sation, informatisation et modernisation de dispositions de droit civil et de procédure civile ainsi que du notariat, et portant diverses mesures en matière de justice”, les jugements définitifs sont exécutoires par provision nonobstant appel (et sans garantie si le juge n’a pas ordonné qu’il en soit constitué une): voyez, à cet égard, le libellé de l’article 1397 du Code judiciaire tel qu’il résulte des deux lois précitées. Dans ce contexte, le libellé actuel de l’article 1218, § 3, 3° – qui, étant antérieur aux lois précitées des 19 oc- tobre 2015 et 6 juillet 2017 – impose (toujours), pour faire courir le délai qu’il prévoit, que la décision soit passée en force de chose jugée, alors que l’exécu- tion provisoire est désormais de droit (sauf décision contraire du juge), suscite actuellement certaines inter- rogations en doctrine et en jurisprudence (G. de Leval, J. Van Compernolle et F. Georges, “L’impact de la loi du 19 octobre 2015 sur le droit judiciaire notarial”, Rev. not. belge, 2016, p. 299; N. Gendrin et D. Karadsheh, Liquidation-partage, op. cit., pp. 346 et 347, n° 370; B. Van den Bergh, “Artikel 1223 Ger.W.”, Gerechtelijk recht. Artikelsgewijze commentaar met overzicht van rechtspraak en rechtsleer (f. mob.), Malines, Kluwer, 2021, p. 23, note infrapaginale n° 2; C. De Boe, M. Mallien et J.-E. Beernaert, “L’exécution provisoire des décisions en droit familial”, Le Tribunal de la famille, des réformes aux bonnes pratiques, Bruxelles, Larcier, 2018, p. 414, n° 38). Il est dès lors proposé, dans un souci de cohérence avec l’article 1397 du Code judiciaire (tel qu’il résulte des lois précitées des 19 octobre 2015 et 6 juillet 2017) d’adapter le libellé de l’article 1218, § 3, 3°, du même Code, afin de prévoir désormais deux hypothèses: — soit la décision rendue suite au dépôt du procès- verbal intermédiaire est, conformément au droit commun, exécutoire par provision: en ce cas, sa mise en œuvre (et donc l’entame du délai imparti au notaire-liquidateur) suppose la requête écrite de l’une des parties qui, met het verzoek om de geschillen en moeilijkheden te beslechten die de notaris-vereffenaar ondervindt bij het opstellen van de staat van vereffening), de termijn van vier maanden toegekend aan de notaris-vereffenaar om zijn staat van vereffening op te stellen begint te lopen wanneer de beslissing tot beslechting van de geschillen of moeilijkheden in kracht van gewijsde is getreden. Echter, sinds de hervorming doorgevoerd door de wet van 19 oktober 2015 “houdende wijziging van het burger- lijk procesrecht en houdende diverse bepalingen inzake justitie” en de wet van 6 juli 2017 “houdende vereenvou- diging, harmonisering, informatisering en modernisering van bepalingen van burgerlijke recht en van burgerlijk procesrecht alsook van het notariaat, en houdende di- verse bepalingen inzake justitie”, zijn de eindvonnissen uitvoerbaar bij voorraad en zulks niettegenstaande hoger beroep (en zonder zekerheidsstelling indien de rechter deze niet heeft bevolen): zie hieromtrent de bewoording van artikel 1397 van het Gerechtelijk Wetboek zoals deze voortvloeit uit de twee voormelde wetten. In deze context roept de huidige bewoording van artikel 1218, § 3, 3° – die, daterend van vóór de voor- noemde wetten van 19 oktober 2015 en 6 juli 2017 – (nog steeds) vereist dat, om de termijn die hierin is voorzien te doen lopen, de beslissing in kracht van gewijsde is getreden, terwijl de voorlopige tenuitvoerlegging inmid- dels wettelijk is aangenomen (behoudens andersluidende beslissing van de rechter), thans enkele vraagtekens op in de rechtsleer en in de rechtspraak (G. de Leval, J. Van Compernolle en F. Georges, “L’impact de la loi du 19 octobre 2015 sur le droit judiciaire notarial”, Rev. not. belge, 2016, p. 299; N. Gendrin en D. Karadsheh, Liquidation-partage, op. cit., p. 346 en 347, nr. 370; B. Van den Bergh, “Artikel 1223 Ger.W.”, Gerechtelijk recht. Artikelsgewijze commentaar met overzicht van rechtspraak en rechtsleer (losbl.), Mechelen, Kluwer, 2021, p. 23, voetnoot nr. 2; C. De Boe, M. Mallien en J.-E. Beernaert, “L’exécution provisoire des décisions en droit familial”, Le Tribunal de la famille, des réformes aux bonnes pratiques, Brussel, Larcier, 2018, p. 414, nr. 38). Er wordt bijgevolg voorgesteld, omwille van de co- herentie met artikel 1397 van het Gerechtelijk Wetboek (zoals dit voortvloeit uit voornoemde wetten van 19 ok- tober 2015 en 6 juli 2017) om de bewoording van arti- kel 1218, § 3, 3°, van datzelfde Wetboek aan te passen om vanaf nu twee gevallen te voorzien: — ofwel is de beslissing ingevolge de neerlegging van het tussentijds proces-verbaal, overeenkomstig het gemeen recht, uitvoerbaar bij voorraad: in dat geval, veronderstelt zijn tenuitvoerlegging (en dus de start van de termijn toegekend aan de notaris-vereffenaar) het 0272/001 DOC 56 26 26 K A M E R • 1e   Z I T T I N G VA N D E 56 e  Z I T T I N G S P E R I O D E 2024 C H A M B R E 1e S E S S I O N D E L A 56 e  L É G I S L AT U R E conformément à l’article 1398 du Code judiciaire, en poursuivra l’exécution à ses risques et périls; — soit la décision n’est pas exécutoire par provision: en ce cas, il convient que celle-ci soit passée en force de chose jugée pour faire courir le délai imparti au notaire-liquidateur. Art. 16 L’intitulé précédent l’article 1223 du Code judiciaire – actuellement libellé en ces termes: “Du partage en nature” – est remplacé comme suit: “De la liquidation donnant lieu, le cas échéant, à un partage en nature”. Ce nouveau libellé permet de viser désormais tant l’hypothèse dans laquelle, à défaut d’indivision entre les parties, il n’est procédé qu’à la liquidation, que l’hypo- thèse dans laquelle il est procédé à un partage – et plus particulièrement à un partage en nature, ce qui est l’hypothèse envisagée à l’article 1223 du Code judiciaire. Art. 17 L’article 1223 du Code judiciaire est ponctuellement adapté, conformément au nouvel intitulé de la disposition tel qu’il résulte de la modification opérée par l’article 16 de la présente proposition, pour viser désormais tant l’hypo- thèse dans laquelle, à défaut d’indivision entre les parties, il n’est procédé qu’à la liquidation, que l’hypothèse dans laquelle il est procédé à un partage en nature. Ainsi: — au § 1er, alinéa 1er, le terme “indivisaire” est remplacé par le mot “partie”, qui est plus générique, en ce qu’il permet de viser également l’hypothèse où les parties ne sont pas en indivision, mais où une liquidation de leurs droits est néanmoins requise; — il est désormais fait référence, à plusieurs reprises dans la disposition, à la clôture des opérations et le cas échéant, à l’attribution des lots: en effet, la clôture des opérations ne sera désormais pas nécessairement suivie par l’attribution de lots, le partage (par l’attribution de lots) n’étant requis que pour autant qu’une indivision existe entre les parties; schriftelijk verzoek van één van de partijen die, over- eenkomstig artikel 1398 van het Gerechtelijk Wetboek, de uitvoering ervan vervolgt op zijn risico; — ofwel is de beslissing niet uitvoerbaar bij voor- raad: in dat geval, moet deze in kracht van gewijsde zijn getreden om de termijn toegekend aan de notaris- vereffenaar te doen lopen. Art. 16 Het opschrift voorafgaand aan artikel 1223 van het Gerechtelijk Wetboek, dat momenteel luidt “De verdeling in natura”, wordt als volgt gewijzigd: “De vereffening die, in voorkomend geval, aanleiding geeft tot een verdeling in natura”. Deze nieuwe formulering laat toe om voortaan zowel rekening te houden met gevallen waarin, bij gebrek aan onverdeeldheid tussen de partijen alleen wordt overge- gaan tot de vereffening, als met gevallen waarin wordt overgegaan tot een verdeling, en meer bepaald tot een verdeling in natura, zijnde het geval dat voorzien is in artikel 1223 van het Gerechtelijk Wetboek. Art. 17 Artikel 1223 van het Gerechtelijk Wetboek wordt punctueel gewijzigd, overeenkomstig de nieuwe titel van de bepaling die resulteert uit de wijziging tot stand gebracht door artikel 16 van dit voorstel, om voortaan zowel rekening te houden met gevallen waarin bij gebrek aan onverdeeldheid tussen de partijen uitsluitend wordt overgegaan tot de vereffening, als met gevallen waarin wordt overgegaan tot een verdeling in natura. Aldus: — in § 1, eerste lid, wordt de term “deelgenoot” ver- vangen door het woord “partij”, dat algemener is, aan- gezien het ook gevallen beoogt waarin de partijen niet in onverdeeldheid zijn, maar waarbij een vereffening van hun rechten evenwel vereist is; — in de bepaling wordt voortaan meermaals verwezen naar de sluiting van de werkzaamheden en in voorkomend geval, naar de toewijzing van de kavels: de sluiting van de werkzaamheden zal voortaan immers niet noodza- kelijk worden gevolgd door de toewijzing van kavels, aangezien de verdeling (door de toewijzing van kavels) alleen nog vereist is wanneer er een onverdeeldheid bestaat tussen de partijen; 27 0272/001 DOC 56 27 K A M E R • 1e   Z I T T I N G VA N D E 56 e  Z I T T I N G S P E R I O D E 2024 C H A M B R E 1e S E S S I O N D E L A 56 e  L É G I S L AT U R E — pour les mêmes raisons, la disposition est modifiée, en son § 2, alinéa 2, pour préciser que la liquidation et, le cas échéant, l’acte de partage sont définitifs comme liquidation ou partage amiables; — la notion de “projet de partage” est systématique- ment remplacée par celle de “projet de liquidation et, le cas échéant, de partage”: cette nouvelle formulation permet de viser également l’hypothèse où, à défaut d’indivision entre les parties, le projet d’état liquidatif établi par le notaire-liquidateur est limité à la liquidation des droits des parties, sans que celle-ci ne soit suivie d’un partage. Par ailleurs, le § 5 de l’article 1223 du Code judiciaire est également adapté, pour les mêmes motifs que ceux ayant justifié la modification de l’article 1218, § 3, 3°, du Code judiciaire. En effet, cette disposition énonce actuellement qu’“En cas d’homologation de l’état liquidatif contenant le projet de partage, le greffier notifie au notaire-liqui- dateur la décision intervenue. Le notaire-liquidateur dépose au rang de ses minutes la décision passée en force de chose jugée”. La disposition impose ainsi que la décision soit passée en force de chose jugée pour être déposée au rang des minutes du notaire alors que – comme déjà signalé à l’occasion du commentaire de l’article 15 de la présente proposition – l’exécution provisoire des jugements défi- nitifs est désormais de droit (sauf décision contraire du juge), au regard de l’article 1397 du Code judiciaire tel qu’il résulte des lois du 19 octobre 2015 et 6 juillet 2017. Dès lors, pour les mêmes motifs que ceux ayant justifié la modification de l’article 1218, § 3, 3°, du Code judiciaire (voyez l’article 15 de la présente proposition), l’article 1223, § 5, du Code judiciaire est adaptés pour prévoir désormais deux hypothèses: — soit la décision homologuant l’état liquidatif est, conformément au droit commun, exécutoire par provision: en ce cas, son dépôt au rang des minutes du notaire- liquidateur suppose la requête écrite de l’une des parties qui, conformément à l’article 1398 du Code judiciaire, en poursuivra l’exécution à ses risques et périls; — soit la décision n’est pas exécutoire: en ce cas, il convient que celle-ci soit passée en force de chose jugée pour que le notaire-liquidateur puisse la déposer au rang de ses minutes. — om dezelfde redenen wordt § 2, tweede lid, van de bepaling gewijzigd om te verduidelijken dat de veref- fening en, in voorkomend geval, de akte van verdeling, definitief zijn als minnelijke vereffening of verdeling; — het begrip “ontwerp van verdeling” wordt sys- tematisch vervangen door “ontwerp van vereffening en, in voorkomend geval, van verdeling”: deze nieuwe formulering laat toe om ook rekening te houden met gevallen waarin, bij gebrek aan onverdeeldheid tussen de partijen, het ontwerp van de staat van vereffening opgesteld door de notaris-vereffenaar wordt beperkt tot de vereffening van de rechten van de partijen, zonder dat deze wordt gevolgd door een verdeling. Bovendien wordt § 5 van artikel 1223 van het Gerechtelijk Wetboek eveneens aangepast, om dezelfde reden als diegene die de wijziging aan artikel 1218, § 3, 3°, van het Gerechtelijk Wetboek heeft gerechtvaardigd. Deze bepaling voorziet thans inderdaad: “In geval van homologatie van de staat van vereffening houdende het ontwerp van verdeling geeft de griffier kennis van de uitspraak aan de notaris-vereffenaar. De notaris- vereffenaar rangschikt de uitspraak die in kracht van gewijsde is gegaan onder zijn minuten”. De bepaling legt bijgevolg op dat de beslissing in kracht van gewijsde is gegaan om onder de minuten van de notaris te worden gerangschikt terwijl – zoals reeds werd opgemerkt bij de commentaar van artikel 15 van het huidig voorstel – de voorlopige tenuitvoerlegging van de eindvonnissen thans wettelijk aangenomen is (behoudens andersluidende beslissing van de rechter), ingevolge artikel 1397 van het Gerechtelijk Wetboek zoals dit voort- vloeit uit de wetten van 19 oktober 2015 en 6 juli 2017. Bijgevolg, om dezelfde redenen als deze die de wijzi- ging van artikel 1218, § 3, 3°, van het Gerechtelijk Wetboek hebben gerechtvaardigd (zie artikel 15 van huidig voor- stel), wordt artikel 1223, § 5, van het Gerechtelijk Wetboek aangepast om vanaf nu twee gevallen te voorzien: — ofwel is de beslissing die de staat van vereffe- ning homologeert, overeenkomstig het gemeen recht, uitvoerbaar bij voorraad: in dat geval, veronderstelt de rangschikking onder de minuten van de notaris-vereffe- naar het schriftelijk verzoek van één van de partijen die overeenkomstig artikel 1398 van het Gerechtelijk Wetboek de voorlopige tenuitvoerlegging vervolgt op zijn risico; — ofwel is de beslissing niet uitvoerbaar bij voor- raad: in dat geval, moet deze in kracht van gewijsde zijn getreden opdat de notaris-vereffenaar deze onder zijn minuten kan rangschikken. 0272/001 DOC 56 28 28 K A M E R • 1e   Z I T T I N G VA N D E 56 e  Z I T T I N G S P E R I O D E 2024 C H A M B R E 1e S E S S I O N D E L A 56 e  L É G I S L AT U R E Art. 18 L’article 1225 du Code judiciaire est ponctuellement adapté pour viser désormais tant l’hypothèse dans laquelle il est procédé à un partage que l’hypothèse dans laquelle il est procédé à la seule liquidation des droits, à défaut d’indivision entre les parties. Ainsi, le nouveau libellé vise désormais tant les par- tages dans lesquels des mineurs ou des personnes protégées sont intéressés que les liquidations dans lesquelles ceux-ci sont intéressés. Par ailleurs, une erreur orthographique de la disposi- tion est corrigée: il convient en effet d’écrire “auxquels sont intéressées des personnes protégées déclarées incapables” (le mot “intéressées” au féminin pluriel) et non “auxquels sont intéressés des personnes protégées déclarées incapables”. Enfin, les références au “Code civil” sont remplacées par des références à “l’ancien Code civil”, dès lors que les dispositions auxquelles il est renvoyé sont contenues dans une partie du Code civil non encore codifiée. CHAPITRE 3 Modification du Code civil Art. 19 L’article 4.101 du Code civil – relatif à l’opposition à partage pouvant être formée par le(s) créancier(s) d’un héritier – est ponctuellement modifié, en écho aux modifications apportées aux dispositions relatives à la procédure de liquidation-partage contenues aux articles 1206 et suivants du Code judiciaire et tendant à permettre la mise en œuvre desdites dispositions également lorsque seule la liquidation s’impose, à l’exclusion du partage. Pour mémoire, l’actuel article 4.101 du Code civil autorise les créanciers des héritiers, pour éviter que le partage ne soit fait en fraude de leurs droits, à s’opposer à ce qu’il y soit procédé hors de leur présence, étant toutefois entendu qu’ils ne peuvent attaquer un partage consommé, à moins toutefois qu’il n’y ait été procédé sans eux et au préjudice d’une opposition qu’ils auraient formée. Art. 18 Artikel 1225 van het Gerechtelijk Wetboek wordt punctueel aangepast om voortaan zowel rekening te houden met de gevallen waarin wordt overgegaan tot een verdeling als met gevallen waarin alleen wordt over- gegaan tot de vereffening bij gebrek aan onverdeeldheid tussen de partijen. Zo houdt de nieuwe formulering voortaan zowel reke- ning met verdelingen waarbij minderjarigen of beschermde personen een belang hebben, als met vereffeningen waarbij deze personen een belang hebben. In de Franse tekst van de bepaling wordt bovendien een schrijffout gecorrigeerd. De juiste schrijfwijze is immers “auxquels sont intéressées des personnes protégées déclarées incapables” (met het woord “intéressées” in het vrouwelijk meervoud) en niet “auxquels sont intéres- sés des personnes protégées déclarées incapables”. Ten slotte worden de verwijzingen naar het “Burgerlijk Wetboek” vervangen door verwijzingen naar het “oud Burgerlijk Wetboek”, aangezien de bepalingen waarnaar wordt verwezen opgenomen zijn in een deel van het Burgerlijk Wetboek dat nog niet is gecodificeerd. HOOFDSTUK 3 Wijzigingen van het Burgerlijk Wetboek Art. 19 Artikel 4.101 van het Burgerlijk Wetboek – met betrek- king tot het verzet tegen de verdeling dat kan worden geformuleerd door een/de schuldeiser(s) van een erfge- naam – wordt punctueel aangepast, in overeenstemming met de wijzigingen aangebracht aan de bepalingen inzake de procedure van vereffening-verdeling opgenomen in de artikelen 1206 en volgende van het Gerechtelijk Wetboek en met als doel het eveneens toelaten van de uitoefening van deze bepalingen wanneer enkel de ver- effening zich opdringt, met uitsluiting van de verdeling. Ter herinnering, het huidig artikel 4.101 van het Burgerlijk Wetboek laat de schuldeisers van de erfgena- men toe, om zich te verzetten tegen het feit dat er buiten hun aanwezigheid om tot de verdeling wordt overgegaan, om te vermijden dat deze met miskenning van hun rechten plaatsvindt; hierbij evenwel in acht nemend dat ze een voltrokken verdeling niet kunnen aanvechten, tenzij er hiertoe zonder hen werd overgegaan en ten nadele van een verzet dat ze zouden hebben geformuleerd. 29 0272/001 DOC 56 29 K A M E R • 1e   Z I T T I N G VA N D E 56 e  Z I T T I N G S P E R I O D E 2024 C H A M B R E 1e S E S S I O N D E L A 56 e  L É G I S L AT U R E Il convient dès lors d’adapter la disposition, pour confirmer, pour autant que de besoin, que cette possi- bilité est également offerte au(x) créancier(s) de l’héritier réservataire dont les droits sont limités à une indemnité en valeur, mais – s’agissant desdits créanciers – dans les limites des droits de leur débiteur (qui, par hypothèse, participe à la liquidation mais pas au partage). Dès lors, les modifications apportées à l’article 4.101 du Code civil ont pour objectif de permettre au(x) créancier(s) de l’héritier réservataire dont les droits sont limités à une indemnité en valeur de s’opposer à ce qu’il soit procédé hors de leur présence à la liquidation (et non au partage) ou de mettre en cause – dans les conditions énoncées par la disposition – ladite liquidation (et non le partage). Le libellé de cette modification est suggéré par F. Lalière dans “Le créancier de l’héritier exhérédé peut-il encore faire “opposition au partage” au sens de l’article 4.101 du Code civil”, Les masses de partage: nouveautés et évolutions récentes, coll. Patrimoines & Fiscalités, Limal, Anthémis, 2023, pp. 149 et suiv., spéc. p. 161. CHAPITRE 4 Disposition transitoire Art. 20 L’article 20 de la présente proposition contient une disposition transitoire relative à l’entrée en vigueur libellée comme suit: “Les dispositions telles qu’elles étaient d’application avant l’entrée en vigueur de la présente loi restent applicables aux affaires dans lesquelles la demande en partage est pendante et qui ont été mises en délibéré au moment de l’entrée en vigueur de la présente loi.” Cette formulation reprend textuellement celle de l’article 9 de la loi du 13 août 2011 réformant la procédure de liquidation-partage judiciaire. Comme pour l’application de la loi du 13 août 2011, la date-pivot retenue ici pour l’application des dispositions nouvelles est celle de la mise en délibéré des demandes en liquidation-partage. Ainsi, les demandes en partage prises en délibéré avant l’entrée en vigueur de la loi nouvelle continueront d’être régies par les anciennes dispositions, tandis que les procédures pour lesquelles De bepaling moet dus worden aangepast om, voor zoveel als nodig, te bevestigen dat deze mogelijkheid eveneens toekomt aan de schuldeiser(s) van de reser- vataire erfgenaam waarvan de rechten beperkt worden tot een vergoeding in waarde, maar – wat deze schuld- eisers betreft – binnen de grenzen van de rechten van hun schuldenaar (die, per hypothese, deelneemt aan de vereffening maar niet aan de verdeling). Bijgevolg hebben de aanpassingen aangebracht aan artikel 4.101 van het Burgerlijk Wetboek tot doel om toe te laten aan de schuldeiser(s) van de reservataire erfgenaam waarvan de rechten beperkt worden tot een vergoeding in waarde zich te verzetten dat er buiten hun aanwezigheid wordt overgegaan tot de vereffening (en niet de verdeling) of om deze vereffening (en niet de verdeling) in twijfel te trekken onder de voorwaarden die worden uiteengezet door de bepaling. De bewoording van deze wijziging werd voorgesteld door F. Lalière in “Le créancier de l’héritier exhérédé peut-il encore faire “opposition au partage” au sens de l’article 4.101 du Code civil”, Les masses de partage: nouveautés et évolutions récentes, coll. Patrimoines & Fiscalités, Limal, Anthémis, 2023, p. 149 e.v., bijz. p. 161. HOOFDSTUK 4 Overgangsbepaling Art. 20 Artikel 20 van huidig voorstel voorziet in een over- gangsbepaling met betrekking tot de inwerkingtreding als volgt: “Op de zaken waarin de vordering tot verdeling han- gende is en die op het ogenblik van inwerkingtreding van deze wet in beraad zijn genomen, blijven de bepalingen van toepassing zoals die golden voor de inwerkingtreding van deze wet.” Deze formulering herneemt tekstueel deze voor- zien in artikel 9 van de wet van 13 augustus 2011 hou- dende hervorming van de procedure van gerechtelijke vereffening-verdeling. Net zoals voor de toepassing van de wet van 13 au- gustus 2011, is de weerhouden spildatum voor de toe- passing van de nieuwe bepalingen hier het in beraad nemen van de vorderingen tot vereffening-verdeling. Bijgevolg zullen de vorderingen tot verdeling die in beraad werden genomen vóór de inwerkingtreding van de nieuwe wetten nog steeds beheerst worden door de 0272/001 DOC 56 30 30 K A M E R • 1e   Z I T T I N G VA N D E 56 e  Z I T T I N G S P E R I O D E 2024 C H A M B R E 1e S E S S I O N D E L A 56 e  L É G I S L AT U R E les demandes en liquidation-partage n’ont pas encore été prises en délibéré lors de l’entrée en vigueur de la loi (et donc, a fortiori, les demandes en liquidation-partage initiée à partir de l’entrée en vigueur de la loi nouvelle) se verront appliquer les dispositions nouvelles. Le libellé de l’article 20 permet, en outre d’invoquer les dispositions nouvelles pour la première fois en degré d’appel, au titre de “demande nouvelle”. Par ailleurs, la présente proposition ne contient pas de disposition relative à son entrée en vigueur, de sorte que la loi nouvelle entrera en vigueur, conformément au droit commun, le dixième jour suivant sa publication au Moniteur belge. Philippe Goffin (MR) Pierre Jadoul (MR) Catherine Delcourt (MR) Mathieu Bihet (MR) oude bepalingen, terwijl de procedures waarvoor de vorderingen tot vereffening-verdeling nog niet werden in beraad genomen bij de inwerkingtreding van de wet (en dus, a fortiori, de vorderingen tot vereffening-verdeling ingesteld vanaf de inwerkingtreding van de nieuwe wet) zullen vallen onder de toepassing van de nieuwe bepalingen. De bewoording van artikel 20 laat bovendien toe om de nieuwe bepalingen voor het eerst in te roepen in hoger beroep, ten titel van “nieuwe vordering”. Verder voorziet huidig voorstel geen bepalingen met betrekking tot de inwerkingtreding, zodat de nieuwe wet in werking zal treden op de tiende dag volgend op de publicatie ervan in het Belgisch Staatsblad, overeen- komstig het gemeen recht. 31 0272/001 DOC 56 31 K A M E R • 1e   Z I T T I N G VA N D E 56 e  Z I T T I N G S P E R I O D E 2024 C H A M B R E 1e S E S S I O N D E L A 56 e  L É G I S L AT U R E PROPOSITION DE LOI CHAPITRE 1ER Disposition générale Article 1er La présente loi règle une matière visée à l’article 74 de la Constitution. CHAPITRE 2 Modifications du Code judiciaire Art. 2 À l’article 572bis, 10°, du Code judiciaire, les modifi- cations suivantes sont apportées: 1° les mots “en liquidation ou” sont insérés entre le mot “demandes” et les mots “en partage”; 2° les mots “visées à l’article 1207” sont insérés in fine de la disposition, après le mot “partage”. Art. 3 À l’article 1184 du même Code, les modifications suivantes sont apportées: 1° l’alinéa 1er est complété d’une phrase libellée comme suit: “Lorsqu’il est procédé à l’inventaire en vertu de l’ar- ticle 1214, le notaire peut alternativement soumettre les difficultés au tribunal de la famille qui l’a désigné, conformément à l’article 1216.”; 2° à l’alinéa 3, les mots “de paix” sont supprimés. Art. 4 L’intitulé du chapitre VI, livre IV, de la quatrième partie du même Code est remplacé comme suit: “Chapitre VI. Des liquidations, partages et licitations” WETSVOORSTEL HOOFDSTUK 1 Algemene bepaling Artikel 1 Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 74 van de Grondwet. HOOFDSTUK 2 Wijzigingen van het Gerechtelijk Wetboek Art. 2 In artikel 572bis, 10°, van het Gerechtelijk Wetboek, worden de volgende wijzigingen aangebracht: 1° de woorden “tot vereffening of” worden ingevoegd tussen het woord “vorderingen” en de woorden “tot verdeling”; 2° de woorden “bedoeld in artikel 1207” worden inge- voegd in fine van de bepaling, na het woord “verdeling”. Art. 3 In artikel 1184 van hetzelfde Wetboek, worden de volgende wijzigingen aangebracht: 1° het eerste lid wordt aangevuld met een zin met volgende bewoording: “Wanneer er wordt overgegaan tot de boedelbeschrij- ving krachtens artikel 1214, kan de notaris als alternatief de moeilijkheden neerleggen bij de familierechtbank die hem heeft aangesteld, overeenkomstig artikel 1216.”; 2° in het derde lid, wordt het woord “vrederechter” vervangen door het woord “rechter”. Art. 4 Het opschrift van hoofdstuk VI, boek IV, van het vierde deel van hetzelfde Wetboek wordt vervangen als volgt: “Hoofdstuk VI. Vereffening, verdeling en veiling” 0272/001 DOC 56 32 32 K A M E R • 1e   Z I T T I N G VA N D E 56 e  Z I T T I N G S P E R I O D E 2024 C H A M B R E 1e S E S S I O N D E L A 56 e  L É G I S L AT U R E Art. 5 L’intitulé de la section première du chapitre VI, livre IV, de la quatrième partie du même Code est remplacé comme suit: “De la liquidation et du partage amiables” Art. 6 À l’article 1205 du même Code, les modifications suivantes sont apportées: 1° à l’alinéa 1er: a) les mots “tous les indivisaires” sont remplacés par les mots “toutes les parties”; b) les mots “majeurs, présents ou dûment représentés” sont remplacés par les mots “majeures, présentes ou dûment représentées”; c) le mots “ils” est, chaque fois, remplacé par le mot “elles”; d) les mots “à la liquidation et, le cas échéant,” sont insérés entre le mot “accord” et les mots “au partage”; 2° un second alinéa est inséré, libellé comme suit: “Les dispositions contenues dans la présente section s’appliquent également lorsque, à défaut d’indivision entre les parties, il n’est procédé qu’à la liquidation de leurs droits.”. Art. 7 À l’article 1206 du même Code, les modifications suivantes sont apportées: 1° à l’alinéa 1er: a) le mot “indivisaires” est remplacé par le mot “parties”; b) les mots “le partage se fait” sont remplacés par les mots “la liquidation et, le cas échéant, le partage se font”; 2° à l’alinéa 2, les mots “Tous les indivisaires” sont remplacés par les mots “Toutes les parties”; Art. 5 Het opschrift van de eerste afdeling van hoofdstuk VI, boek IV, van het vierde deel van hetzelfde Wetboek wordt vervangen als volgt: “Minnelijke vereffening en verdeling” Art. 6 In artikel 1205 van hetzelfde Wetboek, worden de volgende wijzigingen aangebracht: 1° in het eerste lid: a) het woord “medeëigenaars” wordt vervangen door het woord “partijen”; b) in de Franse tekst worden de woorden “majeurs, présents ou dûment représentés” vervangen door de woorden “majeures, présentes ou dûment représentées”; c) in de Franse tekst wordt het woord “ils” telkens vervangen door het woord “elles”; d) de woorden “de vereffening en, in voorkomend geval,” worden ingevoegd tussen de woorden “te allen tijde” en de woorden “de verdeling”; 2° een tweede lid wordt ingevoegd, opgesteld als volgt: “De bepalingen opgenomen in deze afdeling zijn eveneens van toepassing indien, bij gebrek aan onver- deeldheid tussen de partijen, er slechts wordt overgegaan tot de vereffening van hun rechten.”. Art. 7 In artikel 1206 van hetzelfde Wetboek, worden de volgende wijzigingen aangebracht: 1° in het eerste lid: a) het woord “medeëigenaars” wordt vervangen door het woord “partijen”; b) de woorden “geschiedt de verdeling” worden ver- vangen door de woorden “geschieden de vereffening en, in voorkomend geval, de verdeling”; 2° in het tweede lid, wordt het woord “medeëigenaars” vervangen door het woord “partijen”; 33 0272/001 DOC 56 33 K A M E R • 1e   Z I T T I N G VA N D E 56 e  Z I T T I N G S P E R I O D E 2024 C H A M B R E 1e S E S S I O N D E L A 56 e  L É G I S L AT U R E 3° à l’alinéa 3, les mots “, le cas échéant,” sont insérés entre le mot “donneront” et les mots “leur avis”; 4° à l’alinéa 6, dernière phrase: a) les mots “la liquidation et, le cas échéant,” sont insérés entre les mots “d’approbation,” et les mots “le partage”; b) le mot “peut” est remplacé par le mot “peuvent”; c) les mots “forme du partage judiciaire” sont rempla- cés par les mots “forme judiciaire”. Art. 8 L’intitulé de la section 2 du chapitre VI, livre IV, de la quatrième partie du même Code est remplacé comme suit: “De la liquidation et du partage judiciaires”. Art. 9 L’intitulé de la sous-section première, section 2, cha- pitre VI, livre IV, de la quatrième partie du même Code est remplacé comme suit:  “De l’introduction de la demande et du jugement ordonnant la liquidation et, le cas échéant, le partage judiciaires” Art. 10 À l’article 1207 du même Code, les modifications suivantes sont apportées: 1° à l’alinéa 1er: a) les mots “tous les indivisaires” sont remplacés par les mots “toutes les parties”; b) les mots “la liquidation et, le cas échéant,” sont insérés entre les mots “alinéa 6,” et les mots “le partage”; c) les mots “a lieu” sont remplacés par les mots “ont lieu”; 3° in het derde lid, worden de woorden “, in voorko- mend geval,” ingevoegd tussen de woorden “de partijen” en de woorden “advies zullen geven”; 4° in het zesde lid, de laatste zin: a) worden de woorden “de vereffening en, in voorko- mend geval,” ingevoegd tussen het woord “goedkeuring kan” en de woorden “de verdeling niet worden voortgezet”; b) het woord “kan” wordt vervangen door het woord “kunnen”; c) de woorden “dan in de vorm van de gerechtelijke verdeling” worden vervangen door de woorden “dan in gerechtelijke vorm”. Art. 8 Het opschrift van de tweede afdeling van hoofdstuk VI, van boek IV, van het vierde deel van hetzelfde Wetboek wordt vervangen als volgt: “Gerechtelijke vereffening en verdeling” Art. 9 Het opschrift van de eerste onderafdeling, afdeling 2, hoofdstuk VI, boek IV, van het vierde deel van hetzelfde Wetboek wordt vervangen als volgt: “De inleiding van de vordering en het vonnis dat de gerechtelijke vereffening en, in voorkomend geval, verdeling beveelt” Art. 10 In artikel 1207 van hetzelfde Wetboek, worden de volgende wijzigingen aangebracht: 1° in het eerste lid: a) het woord “mede-eigenaars” wordt vervangen door het woord “partijen”; b) worden de woorden “geschiedt de verdeling” ver- vangen door de woorden “geschieden de vereffening en, in voorkomend geval, de verdeling”; c) in de Franse tekst worden de woorden “a lieu” vervangen door de woorden “ont lieu”; 0272/001 DOC 56 34 34 K A M E R • 1e   Z I T T I N G VA N D E 56 e  Z I T T I N G S P E R I O D E 2024 C H A M B R E 1e S E S S I O N D E L A 56 e  L É G I S L AT U R E 2° un second alinéa est inséré, libellé comme suit: “Les dispositions contenues dans les sections 2 et 3 du présent chapitre s’appliquent également, même à défaut d’indivision, lorsque, en vertu du titre 3 du livre 2 ou du livre 4 du Code civil, la demande ne peut porter que sur la liquidation. En ce cas, les articles 1209, § 3, 1212, 1214, § 1er, alinéas 3 à 6, 1214, § 6, alinéa 2, 1224 et 1224/1 ne sont applicables qu’à l’égard des parties indivisaires.”. Art. 11 À l’article 1208 du même Code, les modifications suivantes sont apportées: 1° au paragraphe 1er, les mots “la liquidation de la même masse ou” sont insérés entre le mot “séparément” et les mots “le partage”; 2° le paragraphe 2 est remplacé comme suit: “Si la liquidation d’une autre masse ou indivision que celle visée au paragraphe 1er est nécessaire pour abou- tir à la liquidation ou au partage sollicité, la demande s’étend de plein droit à la liquidation de cette masse ou de cette indivision, pour autant que celle-ci n’implique pas de tiers.”; 3° au paragraphe 3: a) les mots “de la masse ou” sont insérés entre les mots “pour procéder à la liquidation” et les mots “de l’indivision”; b) les mots “à la liquidation ou” sont insérés entre le mot “aboutir” et les mots “au partage”; 4° au paragraphe 4: a) dans la première phrase, les mots “une liquidation distincte ou” sont insérés entre le mot “ordonner” et les mots “un partage”; b) dans la dernière phrase, les mots “à cette liquidation distincte ou” sont insérés entre le mot “applicables” et les mots “à ce partage”. 2° een tweede lid wordt ingevoegd, opgesteld als volgt: “De bepalingen opgenomen in de afdelingen 2 en 3 van dit hoofdstuk zijn eveneens van toepassing, zelfs bij ge- brek aan onverdeeldheid, wanneer, krachtens titel 3 van boek 2 of boek 4 van het Burgerlijk Wetboek, het ver- zoek enkel betrekking kan hebben op de vereffening. In dat geval, zijn de artikelen 1209, § 3, 1212, 1214, § 1, lid 3 tot 6, 1214, § 6, lid 2, 1224 en 1224/1 slechts van toepassing ten aanzien van de partijen-deelgenoten.”. Art. 11 In artikel 1208 van hetzelfde Wetboek, worden de volgende wijzigingen aangebracht: 1° in de eerste paragraaf, worden de woorden “Indien betreffende dezelfde onverdeeldheid meerdere eisers afzonderlijk de verdeling vorderen” vervangen door de woorden “Indien meerdere eisers afzonderlijk de veref- fening van dezelfde boedel of de verdeling van dezelfde onverdeeldheid vorderen”; 2° paragraaf 2 wordt vervangen als volgt: “Indien de vereffening van een andere boedel of onver- deeldheid dan deze bedoeld in paragraaf 1 noodzakelijk is om de gevorderde vereffening of verdeling te voltrek- ken, strekt de vordering zich van rechtswege uit tot de vereffening van deze boedel of deze onverdeeldheid, voor zover er geen derden betrokken zijn.”; 3° in paragraaf 3: a) de woorden “van de boedel of” worden ingevoegd tussen de woorden “de vereffening” en de woorden “van de onverdeeldheid”; b) de woorden “vereffening of” worden ingevoegd tus- sen de woorden “de bevolen” en het woord “verdeling”; 4° in paragraaf 4: a) in de eerste zin “de afzonderlijke vereffening of” invoegen tussen de woorden “met redenen omklede beslissing,” en de woorden “de afzonderlijke verdeling”; b) in de laatste zin, de woorden “deze afzonder- lijke vereffening of” invoegen tussen de woorden “niet van toepassing op” en de woorden “deze afzonderlijke verdeling”. 35 0272/001 DOC 56 35 K A M E R • 1e   Z I T T I N G VA N D E 56 e  Z I T T I N G S P E R I O D E 2024 C H A M B R E 1e S E S S I O N D E L A 56 e  L É G I S L AT U R E Art. 12 À l’article 1210 du même Code, les modifications suivantes sont apportées: 1° au paragraphe 1er, alinéa 1er, les mots “la liquida- tion ou” sont insérés entre les mots “S’il ordonne” et les mots “le partage”; 2° au paragraphe 4, les mots “de la liquidation ou” sont insérés entre les mots “dans le cadre” et les mots “du partage”. Art. 13 À l’article 1214 du même Code, les modifications suivantes sont apportées: 1° au paragraphe 2, alinéa 1er: a) le mot “explicitement” est inséré entre les mots “y renoncent” et les mots “en indiquant”; b) les mots “à liquider ou” sont, chaque fois, insérés entre le mot “masse” et les mots “à partager”; 2° au paragraphe 2, alinéa 2, les mots “ainsi que le lieu où elle se tiendra” sont insérés entre les mots “première vacation d’inventaire” et les mots “, laquelle a lieu”; 3° le paragraphe 2 est complété par un dernier alinéa libellé comme suit: “Lorsqu’un inventaire a été établi en application du chapitre II du livre IV de la quatrième partie du présent Code, il est procédé à l’inventaire par l’établissement d’un procès-verbal de récolement dudit inventaire, le cas échéant complété à raison d’éléments nouveaux.”; 4° au paragraphe 3, les mots “compris dans la masse à liquider ou” sont insérés entre le mot “biens” et les mots “à partager”; 5° au paragraphe 5: a) le mot “copartageants” est, chaque fois, remplacé par le mot “parties”; b) les mots “et, le cas échéant” sont insérés entre le mot “générale” et les mots “, à la composition”; Art. 12 In artikel 1210 van hetzelfde Wetboek, worden de volgende wijzigingen aangebracht: 1° in paragraaf 1, eerste lid, worden de woorden “de vereffening of” ingevoegd tussen de woorden “de rechtbank” en “de verdeling”; 2° in paragraaf 4, worden de woorden “vereffening of” ingevoegd tussen de woorden “de bevolen” en het woord “verdeling”. Art. 13 In artikel 1214 van hetzelfde Wetboek, worden de volgende wijzigingen aangebracht: 1° in paragraaf 2, eerste lid: a) het woord “uitdrukkelijk” wordt ingevoegd tussen de woorden “bekwaam zijn,” en de woorden “hiervan afzien”; b) de woorden “van de te verdelen boedel” worden telkens vervangen door de woorden “van de te veref- fenen of de te verdelen boedel”; 2° in paragraaf 2, tweede lid, worden de woorden “evenals de plaats waar deze zal worden gehouden” ingevoegd tussen de woorden “eerste vacatie van de boedelbeschrijving” en de woorden “, die plaats heeft”; 3° paragraaf 2 wordt aangevuld met een laatste lid, opgesteld als volgt: “Wanneer een boedelbeschrijving werd opgesteld in toepassing van hoofdstuk II van boek IV van het vierde deel van dit Wetboek, wordt er overgegaan tot de boedelbeschrijving door het opstellen van een proces- verbaal van vergelijking van die boedelbeschrijving, in voorkomend geval geactualiseerd of aangevuld omwille van nieuwe elementen.”; 4° in paragraaf 3 worden de woorden “de te verdelen goederen” vervangen door de woorden “de goederen opgenomen in de te vereffenen of de te verdelen boedel”; 5° in paragraaf 5: a) het woord “deelgenoten” wordt telkens vervangen door het woord “partijen”; b) de woorden “en stelt, in voorkomend geval,” wor- den ingevoegd tussen de woorden “vormt de algemene boedel,” en de woorden “de kavels samen”; 0272/001 DOC 56 36 36 K A M E R • 1e   Z I T T I N G VA N D E 56 e  Z I T T I N G S P E R I O D E 2024 C H A M B R E 1e S E S S I O N D E L A 56 e  L É G I S L AT U R E c) le mot “chacun” est remplacé par le mot “chacune”; 6° au paragraphe 7, les mots “de liquidation et, le cas échéant,” sont insérés entre le mot “projet” et les mots “de partage”; 7° un paragraphe 8 est inséré, libellé comme suit: “Les délais convenus ou fixés en application de la présente section se comptent conformément au cha- pitre VIII de la première partie du présent Code.”. Art. 14 À l’article 1217, alinéa 1er, du même Code, les modi- fications suivantes sont apportées: 1° les mots “de la liquidation et, le cas échéant,” sont insérés entre le mot “poursuite” et les mots “du partage”; 2° le mot “judiciaire” est remplacé par le mot “judiciaires”. Art. 15 À l’article 1218, § 3, du même Code, les modifications suivantes sont apportées: 1° à l’alinéa 1er, les mots “de liquidation et, le cas échéant,” sont insérés entre le mot “projet” et les mots “de partage”; 2° à l’alinéa 1er, 3°, les mots “la décision tranchant les litiges ou difficultés est passée en force de chose jugée” sont remplacés par les mots “l’une des parties requiert, par écrit, le notaire-liquidateur de poursuivre, conformément à l’article 1398, l’exécution provisoire de la décision tranchant les litiges ou difficultés ou, si la décision n’est pas exécutoire par provision, lorsque celle-ci est passée en force de chose jugée”; 3° à l’alinéa 2, les mots “de liquidation et, le cas échéant,” sont insérés entre le mot “projet” et les mots “de partage”. c) in de Franse tekst wordt het woord “chacun” ver- vangen door het woord “chacune”; 6° in paragraaf 7, worden de woorden “vereffening en, in voorkomend geval, van” ingevoegd tussen de woorden “het ontwerp van” en de woorden “verdeling op”; 7° een paragraaf 8 wordt ingevoegd, opgesteld als volgt: “De termijnen die in toepassing van deze afdeling zijn overeengekomen of bepaald, worden berekend overeenkomstig hoofdstuk VIII van het eerste deel van dit Wetboek.”. Art. 14 In artikel 1217, eerste lid, van hetzelfde Wetboek, worden de volgende wijzigingen aangebracht: 1° de woorden “vereffening en, in voorkomend geval,” worden ingevoegd tussen het woord “gerechtelijke” en het woord “verdeling”; 2° in de Franse tekst wordt het woord “judiciaire” vervangen door het woord “judiciaires”. Art. 15 In artikel 1218, § 3, van hetzelfde Wetboek, worden de volgende wijzigingen aangebracht: 1° in het eerste lid, worden de woorden “vereffening en, in voorkomend geval, van” ingevoegd tussen de woorden “het ontwerp van” en het woord “verdeling”; 2° in het eerste lid, 3°, worden de woorden “de beslis- sing tot beslechting van de geschillen of moeilijkheden in kracht van gewijsde is gegaan” vervangen door de woorden “één van de partijen de notaris-vereffenaar schriftelijk verzoekt om, overeenkomstig artikel 1398, de voorlopige tenuitvoerlegging te vervolgen van de beslis- sing tot beslechting van de geschillen of moeilijkheden of, indien de beslissing niet uitvoerbaar bij voorraad is, wanneer deze in kracht van gewijsde is gegaan”; 3° in het tweede lid, worden de woorden “vereffening en, in voorkomend geval, van” ingevoegd tussen de woorden “het ontwerp van” en het woord “verdeling”. 37 0272/001 DOC 56 37 K A M E R • 1e   Z I T T I N G VA N D E 56 e  Z I T T I N G S P E R I O D E 2024 C H A M B R E 1e S E S S I O N D E L A 56 e  L É G I S L AT U R E Art. 16 L’intitulé précédent l’article 1223 du même Code est remplacé comme suit: “De la liquidation donnant lieu, le cas échéant, à un partage en nature” Art. 17 À l’article 1223 du même Code, les modifications suivantes sont apportées: 1° au paragraphe 1er, alinéa 1er: a) les mots “la clôture des opérations et, le cas échéant, à” sont insérés entre les mots “Préalablement à” et les mots “l’attribution”; b) le mot “indivisaire” est remplacé par le mot “partie”; c) les mots “de liquidation et, le cas échéant,” sont insérés entre le mot “projet” et les mots “de partage”; 2° au paragraphe 1er, alinéa 2: a) les mots “de liquidation et, le cas échéant,” sont insérés entre les mots “projet” et les mots “de partage”; b) les mots “sommation et, le cas échéant,” sont remplacés par les mots “sommation ainsi que, le cas échéant,”; c) les mots “à l’attribution des lots et à la clôture des opérations” sont remplacés par les mots “à la clôture des opérations et, le cas échéant, à l’attribution des lots”; 3° au paragraphe 1er, alinéa 3: a) les mots “à la clôture des opérations et, le cas échéant,” sont insérés entre les mots “leur présence,” et les mots “à l’attribution des lots”; b) les mots “de liquidation et, le cas échéant,” sont insérés entre les mots “le projet” et les mots “de partage visé à l’article 1214, § 7”; Art. 16 Het opschrift dat voorafgaat aan artikel 1223 van hetzelfde Wetboek wordt vervangen als volgt: “De vereffening die, in voorkomend geval, aanleiding geeft tot een verdeling in natura” Art. 17 In artikel 1223 van hetzelfde Wetboek, worden de volgende wijzigingen aangebracht: 1° in paragraaf 1, eerste lid: a) de woorden: “de sluiting van de werkzaamheden en, in voorkomend geval,” worden ingevoegd tussen het woord “Voor” en de woorden “de toewijzing”; b) het woord “deelgenoot” wordt vervangen door het woord “partij”; c) de woorden “van vereffening en, in voorkomend geval,” worden ingevoegd tussen de woorden “het ont- werp” en de woorden “van verdeling”; 2° in paragraaf 1, tweede lid: a) de woorden “van vereffening en, in voorkomend geval,” worden ingevoegd tussen de woorden “het ont- werp” en de woorden “van verdeling”; b) de woorden “aanmaning, en, in voorkomend ge- val,” worden vervangen door de woorden “aanmaning, evenals, in voorkomend geval,”; c) de woorden “toewijzing van de kavels en de sluiting der werkzaamheden” worden vervangen door de woor- den “sluiting van de werkzaamheden en, in voorkomend geval, bij de toewijzing van de kavels”; 3° in paragraaf 1, derde lid: a) de woorden “de sluiting van de werkzaamheden en, in voorkomend geval,” worden ingevoegd tussen de woorden “de partijen ervan dat” en de woorden “de toewijzing van de kavels”; b) de woorden “van vereffening en, in voorkomend geval,” worden ingevoegd tussen de woorden “het ont- werp” en de woorden “van verdeling”; 0272/001 DOC 56 38 38 K A M E R • 1e   Z I T T I N G VA N D E 56 e  Z I T T I N G S P E R I O D E 2024 C H A M B R E 1e S E S S I O N D E L A 56 e  L É G I S L AT U R E 4° au paragraphe 1er, alinéa 4: a) les mots “de liquidation et, le cas échéant,” sont insérés entre les mots “le projet” et les mots “de partage visé à l’article 1214, § 7”; b) les mots “et, le cas échéant, de leurs observations” sont remplacés par les mots “ainsi que, le cas échéant, de leurs observations”; 5° au paragraphe 2, alinéa 1er: a) les mots “, lors de” sont remplacés par le mot “à”; b) les mots “et, le cas échéant,” sont insérés entre les mots “alinéa 2,” et les mots “à l’attribution”; 6° au paragraphe 2, alinéa 2: a) les mots “L’acte de partage” sont remplacés par les mots “L’acte portant la liquidation et, le cas échéant, le partage”; b) les mots “comme partage amiable” sont remplacés par les mots “comme liquidation et, le cas échéant, partage amiables”; 7° au paragraphe 3, alinéa 5, les mots “de liquidation et, le cas échéant,” sont insérés entre le mot “projet” et les mots “de partage”; 8° au paragraphe 4, alinéa 1er, les mots “de liquidation et, le cas échéant,” sont insérés entre le mot “projet” et les mots “de partage”; 9° au paragraphe 5: a) les mots “de liquidation et, le cas échéant,” sont insérés entre le mot “projet” et les mots “de partage”; b) les mots “au rang de ses minutes la décision pas- sée en force de chose jugée” sont remplacés par les mots “la décision au rang de ses minutes à la requête de la partie qui poursuit l’exécution provisoire de celle-ci conformément à l’article 1398 ou, si la décision n’est pas exécutoire par provision, lorsque celle-ci est passée en force de chose jugée”; 4° in paragraaf 1, vierde lid: a) de woorden “van vereffening en, in voorkomend geval,” worden ingevoegd tussen de woorden “het ont- werp” en de woorden “van verdeling”; b) de woorden “en, in voorkomend geval, hun opmer- kingen” worden vervangen door de woorden “evenals, in voorkomend geval, hun opmerkingen”; 5° in paragraaf 2, eerste lid: a) de woorden “, bij” worden vervangen door de woor- den “over tot”; b) de woorden “over tot de toewijzing van de kavels” worden vervangen door de woorden “en, in voorkomend geval, tot de toewijzing van de kavels”; 6° in paragraaf 2, tweede lid: a) de woorden “De akte van verdeling” worden ver- vangen door de woorden “De akte van vereffening en, in voorkomend geval, van verdeling”; b) de woorden “als minnelijke verdeling” worden ver- vangen door de woorden “als minnelijke vereffening en, in voorkomend geval, verdeling”; 7° in paragraaf 3, vijfde lid, worden de woorden “van vereffening en, in voorkomend geval,” ingevoegd tussen de woorden “het ontwerp” en de woorden “van verdeling”; 8° in paragraaf 4, eerste lid, worden de woorden “van vereffening en, in voorkomend geval,” ingevoegd tussen de woorden “het ontwerp” en de woorden “van verdeling”; 9° in paragraaf 5: a) worden de woorden “van vereffening en, in voor- komend geval,” ingevoegd tussen de woorden “het ontwerp” en de woorden “van verdeling”; b) worden de woorden “De notaris-vereffenaar rang- schikt de uitspraak die in kracht van gewijsde is gegaan onder zijn minuten” vervangen door de woorden “De notaris-vereffenaar rangschikt de uitspraak onder zijn minuten op schriftelijk verzoek van de partij die de voor- lopige tenuitvoerlegging ervan verzoekt overeenkomstig artikel 1398 of, indien de beslissing niet uitvoerbaar bij voorraad is, wanneer deze in kracht van gewijsde is gegaan”; 39 0272/001 DOC 56 39 K A M E R • 1e   Z I T T I N G VA N D E 56 e  Z I T T I N G S P E R I O D E 2024 C H A M B R E 1e S E S S I O N D E L A 56 e  L É G I S L AT U R E 10° au paragraphe 6, alinéa 1er: a) les mots “de liquidation et, le cas échéant,” sont insérés entre le mot “projet” et les mots “de partage complémentaire”; b) les mots “de liquidation et, le cas échéant,” sont insérés entre le mot “projet” et les mots “de partage conforme”. Art. 18 À l’article 1225 du même Code, les modifications suivantes sont apportées: 1° les mots “aux liquidations ou” sont insérés entre le mot “relatives” et les mots “aux partages auxquels des mineurs sont intéressés”; 2° les mots “aux partages auxquels sont intéressés des personnes protégées” sont remplacés par les mots “aux liquidations ou aux partages auxquels sont intéressées des personnes protégées”; 3° les mots “du Code civil” sont chaque fois remplacés par les mots “de l’ancien Code civil”. CHAPITRE 3 Modification du Code civil Art. 19 À l’article 4.101 du Code civil, les modifications sui- vantes sont apportées: 1° dans l’intitulé de la disposition, les mots “à la liqui- dation et, le cas échéant,” sont insérés entre le mot “Opposition” et les mots “au partage”; 2° à l’alinéa 1er, les mots “la liquidation et, le cas échéant,” sont insérés entre les mots “éviter que” et les mots “le partage”; 3° à l’alinéa 1er, de la version néerlandaise du texte, les mots “in de verdeling” sont remplacés par le mot “hierin”; 10° in paragraaf 6, eerste lid: a) de woorden “van vereffening en, in voorkomend geval,” worden ingevoegd tussen de woorden “het ont- werp” en de woorden “van verdeling of een staat van vereffening”; b) de woorden “van vereffening en, in voorkomend geval,” worden ingevoegd tussen de woorden “het ont- werp” en de woorden “van verdeling overeenkomstig”. Art. 18 In artikel 1225 van hetzelfde Wetboek, worden de volgende wijzigingen aangebracht: 1° de woorden “vereffeningen of” worden ingevoegd tussen de woorden “dit hoofdstuk betreffende” en de woorden “verdelingen waarbij minderjarigen een belang hebben”; 2° de woorden “op de verdelingen waarmee het be- lang gemoeid is van beschermde personen” worden vervangen door de woorden “op de vereffeningen of de verdelingen waarmee het belang gemoeid is van beschermde personen”; 3° de woorden “het Burgerlijk Wetboek” worden telkens vervangen door de woorden “het oud Burgerlijk Wetboek”. HOOFDSTUK 3 Wijzigingen van het Burgerlijk Wetboek Art. 19 In artikel 4.101 van het Burgerlijk Wetboek worden de volgende wijzigingen aangebracht: 1° in het opschrift van de bepaling, worden de woor- den “de vereffening en, in voorkomend geval, tegen” ingevoegd tussen de woorden “Verzet tegen” en de woorden “de verdeling”; 2° in het eerste lid, worden de woorden “de veref- fening en, in voorkomend geval,” ingevoegd tussen de woorden “beletten dat” en “de verdeling”; 3° in het eerste lid, worden de woorden “in de verde- ling” vervangen door het woord “hierin”; 0272/001 DOC 56 40 40 K A M E R • 1e   Z I T T I N G VA N D E 56 e  Z I T T I N G S P E R I O D E 2024 C H A M B R E 1e S E S S I O N D E L A 56 e  L É G I S L AT U R E 4° à l’alinéa 2, les mots “une liquidation dont les opérations ont été clôturées, ou” sont insérés entre le mot “attaquer” et les mots “un partage”. CHAPITRE 4 Disposition transitoire Art. 20 Les dispositions telles qu’elles étaient d’application avant l’entrée en vigueur de la présente loi restent applicables aux affaires dans lesquelles la demande en partage est pendante et qui ont été mises en délibéré au moment de l’entrée en vigueur de la présente loi. 2 septembre 2024 Philippe Goffin (MR) Pierre Jadoul (MR) Catherine Delcourt (MR) Mathieu Bihet (MR) 4° in het tweede lid, worden de woorden “een veref- fening waarvan de werkzaamheden zijn gesloten, of” ingevoegd tussen de woorden “Tegen” en “een voltrok- ken verdeling”. HOOFDSTUK 4 Overgangsbepaling Art. 20 Op de zaken waarin de vordering tot verdeling han- gende is en die op het ogenblik van inwerkingtreding van deze wet in beraad zijn genomen, blijven de bepalingen van toepassing zoals die golden voor de inwerkingtreding van deze wet. 2 september 2024 Centrale drukkerij - Imprimerie centrale

Vragen over dit document?

Stel uw vragen aan onze juridische AI-assistent

Open chatbot