Inhoud
25 september 2024
25 septembre 2024
0272/001
DOC 56
0272/001
DOC 56
00308
K A M E R • 1e Z I T T I N G VA N D E 56 e Z I T T I N G S P E R I O D E
2024
C H A M B R E 1e S E S S I O N D E L A 56 e L É G I S L AT U R E
BUITENGEWONE ZITTING 2024
SESSION EXTRAORDINAIRE 2024
Chambre des représentants
de Belgique
Belgische Kamer van
volksvertegenwoordigers
RÉSUMÉ
La présente proposition de loi modifie les dispositions
relatives au partage amiable et au partage judiciaire
contenues dans le Code judiciaire, afin notamment de
permettre l’application desdites dispositions lorsque,
à défaut d’indivision entre les parties, un partage ne
se justifie pas, mais qu’une liquidation est néanmoins
requise en vue de la fixation de leurs droits, en vertu
des dispositions relatives soit aux régimes matrimoniaux
soit aux successions contenues dans le Code civil.
La présente proposition de loi entend également
remédier très ponctuellement à certaines difficultés et/
ou à certaines controverses actuellement rencontrées
dans le cadre des procédures de liquidation-partage
judiciaires et en matière d’inventaire. C’est l’objet
des modifications proposées à l’article 1184 (relatif à
l’inventaire) du Code judiciaire. C’est également l’objet
du nouvel alinéa ajouté in fine de l’article 1214, § 2, et
du paragraphe 8 ajouté à l’article 1214 du même Code.
SAMENVATTING
Dit wetsvoorstel wijzigt de bepalingen betreffende
de minnelijke verdeling en de gerechtelijke verdeling
opgenomen in het Gerechtelijk Wetboek, met name
om de toepassing van de vermelde bepalingen toe te
laten indien, bij gebrek aan onverdeeldheid tussen de
partijen, een verdeling niet kan worden verantwoord,
maar een vereffening niettemin vereist is met het oog
op de vaststelling van hun rechten, krachtens de be-
palingen betreffende het huwelijksvermogensrecht of
het erfrecht zoals voorzien in het Burgerlijk Wetboek.
Dit wetsvoorstel beoogt ook een heel punctuele
oplossing te bieden voor bepaalde moeilijkheden en/of
bepaalde controverses die zich momenteel voordoen
in het kader van procedures tot gerechtelijke vereffe-
ning-verdeling en op het vlak van boedelbeschrijving.
Dat is het doel van de voorgestelde wijzigingen aan
artikel 1184 (betreffende de boedelbeschrijving) van
het Gerechtelijk Wetboek. Dit is ook het doel van het
nieuwe lid dat wordt toegevoegd in fine van artikel 1214,
§ 2, en van de paragraaf 8 die wordt toegevoegd in
artikel 1214 van hetzelfde Wetboek.
tot wijziging van de artikelen 572bis en
1184 van het Gerechtelijk Wetboek,
van het hoofdstuk VI, van boek IV,
van het vierde deel van hetzelfde Wetboek,
met betrekking tot de verdelingen en
veilingen, evenals van artikel 4.101
van het Burgerlijk Wetboek
(ingediend door de heer Philippe Goffin c.s.)
WETSVOORSTEL
modifiant les articles 572bis et
1184 du Code judiciaire,
le chapitre VI, du livre IV,
de la quatrième partie du même Code,
relatif aux partages et
licitations, ainsi que l’article 4.101
du Code civil
(déposée par M. Philippe Goffin et consorts)
PROPOSITION DE LOI
0272/001
DOC 56
2
K A M E R • 1e Z I T T I N G VA N D E 56 e Z I T T I N G S P E R I O D E
2024
C H A M B R E 1e S E S S I O N D E L A 56 e L É G I S L AT U R E
N-VA
:
Nieuw-Vlaamse Alliantie
VB
:
Vlaams Belang
MR
:
Mouvement Réformateur
PS
:
Parti Socialiste
PVDA-PTB
:
Partij van de Arbeid van België – Parti du Travail de Belgique
Les Engagés
:
Les Engagés
Vooruit
:
Vooruit
cd&v
:
Christen-Democratisch en Vlaams
Ecolo-Groen
:
Ecologistes Confédérés pour l’organisation de luttes originales – Groen
Open Vld
:
Open Vlaamse liberalen en democraten
DéFI
:
Démocrate Fédéraliste Indépendant
Abréviations dans la numérotation des publications:
Afkorting bij de nummering van de publicaties:
DOC 56 0000/000 Document de la 56e législature, suivi du numéro de base
et numéro de suivi
DOC 56 0000/000 Parlementair document van de 56e zittingsperiode +
basisnummer en volgnummer
QRVA
Questions et Réponses écrites
QRVA
Schriftelijke Vragen en Antwoorden
CRIV
Version provisoire du Compte Rendu Intégral
CRIV
Voorlopige versie van het Integraal Verslag
CRABV
Compte Rendu Analytique
CRABV
Beknopt Verslag
CRIV
Compte Rendu Intégral, avec, à gauche, le compte rendu
intégral et, à droite, le compte rendu analytique traduit
des interventions (avec les annexes)
CRIV
Integraal Verslag, met links het definitieve integraal
verslag en rechts het vertaalde beknopt verslag van
de toespraken (met de bijlagen)
PLEN
Séance plénière
PLEN
Plenum
COM
Réunion de commission
COM
Commissievergadering
MOT
Motions déposées en conclusion d’interpellations (papier
beige)
MOT
Moties tot besluit van interpellaties (beigekleurig
papier)
3
0272/001
DOC 56
3
K A M E R • 1e Z I T T I N G VA N D E 56 e Z I T T I N G S P E R I O D E
2024
C H A M B R E 1e S E S S I O N D E L A 56 e L É G I S L AT U R E
DÉVELOPPEMENTS
Mesdames, Messieurs,
La présente proposition reprend, en l’adaptant, le
texte de la proposition DOC 55 3738/001.
Suite à la réforme du droit successoral opérée par les
lois des 31 juillet 2017 et 22 juillet 2018, une difficulté se
pose quant à l’application de la procédure de liquidation-
partage judiciaire dans certains dossiers de succession.
En effet, la réforme du droit successoral entrée en
vigueur le 1er septembre 2018 a notamment eu pour objet
de remplacer l’ancien principe de la réserve héréditaire
en nature par une réserve (et donc une réduction) en
valeur.
Ainsi, alors que précédemment, la réserve était conçue
comme une pars hereditatis (une portion minimale dans
la succession, dont les héritiers réservataires devaient
être remplis au moyen de biens dépendant de la suc-
cession), les héritiers réservataires limités à leur réserve
sont désormais – en principe – remplis de celle-ci sous
la forme d’une indemnité, payée par le(s) gratifié(s) dont
l(a)(es) libéralité(s) doi(ven)t être réduite(s).
L’héritier réservataire exhérédé (ou limité à sa réserve)
ne jouit donc plus d’un droit réel sur les actifs succes-
soraux, mais est titulaire d’une créance à l’encontre du
gratifié, sous réserve toutefois des cas exceptionnels
dans lesquels la réserve demeure en nature.
Il en résulterait notamment qu’en présence (par
exemple) de deux enfants dont l’un est institué en qua-
lité de légataire universel et l’autre est (corrélativement)
limité à sa réserve en valeur, aucune indivision n’existe
entre les deux enfants, s’agissant des actifs successo-
raux délaissés par le défunt: l’enfant institué légataire
universel peut, seul, prétendre à la propriété de l’inté-
gralité des actifs successoraux, à charge de payer à
l’héritier réservataire évincé une indemnité correspondant
à sa réserve en valeur (G. Hollanders de Ouderaen et
J. Fillenbaum, “La réserve en valeur: aperçu de quelques
impacts civils (passés inaperçu)”, Rev. Not. belge, 2021,
pp. 1026 et suiv., spéc. pp. 1028 et 1029; V. Wyart, “La
réduction en valeur et les droits du conjoint survivant”,
in Le couple et le droit patrimonial de la famille, sous la
coord. de V. Wyart, Bruxelles, Larcier, 2022, pp. 99 et
suiv., spéc. pp. 101 et 102; F. Lalière, “Le légataire
face à l’acquisition de la propriété, à la délivrance, à la
réserve en valeur et à l’acte d’hérédité”, in Le “nouveau”
TOELICHTING
Dames en Heren,
Dit voorstel neemt, met een aantal aanpassingen, de
tekst over van voorstel DOC 55 3738/001.
Als gevolg van de hervorming van het erfrecht die
tot stand kwam door de wetten van 31 juli 2017 en
22 juli 2018, rijst een probleem met betrekking tot de
toepassing van de procedure van gerechtelijke veref-
fening-verdeling in bepaalde nalatenschapsdossiers.
De hervorming van het erfrecht die in werking is ge-
treden op 1 september 2018 had immers onder meer
als doel het oude principe van de erfrechtelijke reserve
in natura te vervangen door een reserve (en dus een
inkorting) in waarde.
Daar waar de reserve voordien opgevat werd als een
pars hereditatis (een minimumdeel van de nalatenschap
dat aan de reservataire erfgenamen moest toekomen
door middel van goederen uit de nalatenschap), krijgen
de reservataire erfgenamen van wie het erfdeel wordt
beperkt tot de reserve, deze voortaan – in principe –
uitgekeerd in de vorm van een vergoeding, betaald door
de begunstigde(n) van wie de gift(en) moet(en) worden
ingekort.
De onterfde reservataire erfgenaam (of de reservataire
erfgenaam wiens deel beperkt wordt tot de reserve)
geniet dus niet meer van een zakelijk recht op het nala-
tenschapsvermogen, maar is titularis van een vordering
tegen de begunstigde, behoudens echter uitzonderlijke
gevallen waarin de reserve in natura behouden blijft.
Hieruit zou meer bepaald volgen dat wanneer er (bij-
voorbeeld) twee kinderen zijn waarvan het ene wordt
aangesteld als algemene legataris en het andere zijn
erfdeel (daarmee samenhangend) beperkt ziet tot zijn
reserve in waarde, er geen onverdeeldheid bestaat
tussen de twee kinderen, met betrekking tot de goede-
ren uit de nalatenschap die worden nagelaten door de
erflater. Het kind dat wordt aangesteld als algemene
legataris kan als enige aanspraak maken op de eigen-
dom van alle goederen uit de nalatenschap en moet aan
de uitgesloten reservataire erfgenaam een vergoeding
betalen die overeenkomt met zijn reserve in waarde
(G. Hollanders de Ouderaen en J. Fillenbaum, “La réserve
en valeur: aperçu de quelques impacts civils (passés
inaperçu)”, Rev. Not. belge 2021, p. 1026 e.v., in het
bijzonder p. 1028 en 1029; V. Wyart, “La réduction en
valeur et les droits du conjoint survivant”, in Le couple
et le droit patrimonial de la famille, gecoördineerd door
V. Wyart, Brussel, Larcier, 2022, p. 99 e.v., in het bijzonder
0272/001
DOC 56
4
K A M E R • 1e Z I T T I N G VA N D E 56 e Z I T T I N G S P E R I O D E
2024
C H A M B R E 1e S E S S I O N D E L A 56 e L É G I S L AT U R E
testament. Le testament sous ses nouvelles facettes,
ALN, Bruxelles, Larcier, 2022, pp. 203 et suiv., spéc.
pp. 207 et 208, n° 9; A. Wylleman, “Wie kan vanaf wan-
neer welke bevoegdheden uitoefenen over de goederen
die behoren tot een opengevallen nalatenschap?”, in
Patrimonium 2021, pp. 231 et suiv.; Ch. Declerck et
S. Mosselmans, “Welke rechtpositie heeft de onterfde
reservataire erfgerechtigde in het nieuwe erfrecht?”, in
Patrimonium 2021, pp. 261 et suiv.).
Or, le recours à la procédure de partage judiciaire
prévue aux articles 1207 et suivants du Code judiciaire
suppose, en principe, l’existence (ou, à tout le moins,
la vraisemblance) d’une indivision entre les parties
(N. Gendrin et D. Karadsheh, Liquidation-partage, coll.
R.P.D.B., Bruxelles, Larcier, 2020, p. 30, n° 21, p. 93,
n° 88 et p. 94, n° 90).
Dès lors, en l’absence d’indivision, la procédure de
partage judicaire ne pourrait – selon la doctrine majo-
ritaire – être mise en œuvre (voyez, en ce sens: G.
Hollanders de Ouderaen et J. Fillenbaum, “La réserve
en valeur: aperçu de quelques impacts civils (passés
inaperçu)”, op. cit., spéc. p. 1029; V. Wyart, “La réduction
en valeur et les droits du conjoint survivant”, op. cit., spéc.
pp. 105 et 106; F. Lalière, “Le légataire face à l’acquisition
de la propriété, à la délivrance, à la réserve en valeur et
à l’acte d’hérédité”, op. cit., spéc. p. 208, n° 9).
Il ne fait toutefois pas de doute que la fixation du
montant de l’indemnité de réduction due à l’héritier
réservataire évincé requiert la liquidation – c’est-à-dire
la fixation (chiffrée) des droits des parties – même si
celle-ci ne donnera pas lieu à un partage (au sens de
l’attribution de lots), et que la procédure prévue par les
articles 1207 et suivants du Code judiciaire constitue la
voie procédurale la plus adéquate pour ce faire.
La procédure de liquidation-partage judiciaire constitue
en effet la voie procédurale la plus pertinente pour chiffrer
le montant de l’indemnité réservataire devant être payée
à l’héritier réservataire, puisque le montant de sa créance
dépend notamment de l’actif et du passif successoral
(dont il faut dresser l’inventaire) et des calculs à effectuer
dans le cadre de la liquidation de la succession (consti-
tution de la masse de calcul du disponible, imputation
des libéralités, prise en considération des libéralités
rapportables consenties aux héritiers, qui constituent
des “avances” sur leur part successorale, …), même
p. 101 en 102; F. Lalière, “Le légataire face à l’acquisition
de la propriété, à la délivrance, à la réserve en valeur
et à l’acte d’hérédité”, in Le “nouveau” testament. Le
testament sous ses nouvelles facettes, ALN, Brussel,
Larcier, 2022, p. 203 e.v., in het bijzonder p. 207 en 208,
nr. 9; A. Wylleman, “Wie kan vanaf wanneer welke be-
voegdheden uitoefenen over de goederen die behoren tot
een opengevallen nalatenschap?”, in Patrimonium 2021,
p. 231 e.v.; Ch. Declerck en S. Mosselmans, “Welke recht-
positie heeft de onterfde reservataire erfgerechtigde in
het nieuwe erfrecht?”, in Patrimonium 2021, p. 261 e.v.).
De toepassing van de procedure van gerechtelijke
verdeling voorzien in de artikelen 1207 en volgende
van het Gerechtelijk Wetboek veronderstelt, in principe,
echter het bestaan (of ten minste de waarschijnlijkheid)
van een onverdeeldheid tussen de partijen (N. Gendrin
en D. Karadsheh, Liquidation-partage, coll. R.P.D.B.,
Brussel, Larcier, 2020, p. 30, nr. 21, p. 93, nr. 88 en
p. 94, nr. 90).
Bij gebrek aan onverdeeldheid kan de procedure van
gerechtelijke verdeling bijgevolg – volgens de meerder-
heidsrechtsleer – niet worden toegepast (zie in deze zin:
G. Hollanders de Ouderaen en J. Fillenbaum, “La réserve
en valeur: aperçu de quelques impacts civils (passés
inaperçu)”, op. cit., in het bijzonder p. 1029; V. Wyart,
“La réduction en valeur et les droits du conjoint survi-
vant”, op. cit., in het bijzonder p. 105 en 106; F. Lalière
“Le légataire face à l’acquisition de la propriété, à la
délivrance, à la réserve en valeur et à l’acte d’hérédité”,
op. cit., in het bijzonder p. 208, nr. 9).
Het lijdt echter geen twijfel dat voor het bepalen van
het bedrag van de inkortingsvergoeding die verschul-
digd is aan de uitgesloten reservataire erfgenaam, de
vereffening, met andere woorden het bepalen van de
rechten van de partijen (op cijfermatige wijze), vereist is,
zelfs indien deze vereffening geen aanleiding geeft tot
een verdeling (in de zin van de toewijzing van kavels),
en dat de procedure voorzien in de artikelen 1207 en
volgende van het Gerechtelijk Wetboek de meest ge-
schikte procedurele weg hiervoor is.
De procedure van gerechtelijke vereffening-verdeling
is immers de meest adequate werkwijze om het bedrag
te berekenen van de reservataire vergoeding die moet
worden betaald aan de reservataire erfgenaam, aange-
zien het bedrag van zijn vordering met name afhankelijk
is van de activa en de passiva van de nalatenschap
(waarvan de boedelbeschrijving moet worden opge-
steld) en van de berekeningen die worden uitgevoerd
in het kader van de vereffening van de nalatenschap
(samenstelling van de rekenboedel ter berekening van
het beschikbaar deel, aanrekening van de giften, in
5
0272/001
DOC 56
5
K A M E R • 1e Z I T T I N G VA N D E 56 e Z I T T I N G S P E R I O D E
2024
C H A M B R E 1e S E S S I O N D E L A 56 e L É G I S L AT U R E
si – dans l’hypothèse envisagée ici – la procédure ne
se soldera pas par la constitution et l’attribution de lots.
Cette problématique fait actuellement l’objet de débats
doctrinaux.
Certains auteurs, tout en admettant (pour certains
d’entre eux) qu’il s’agit pourtant de la voie procédurale
la plus adéquate pour aboutir à la fixation des droits des
parties, estiment qu’en l’état actuel du droit, il ne serait
– à défaut d’indivision – pas possible de recourir à la
procédure de partage judicaire décrite aux articles 1207 et
suivants du Code judiciaire dans la situation évoquée
ici (G. Hollanders de Ouderaen et J. Fillenbaum, “La
réserve en valeur: aperçu de quelques impacts civils
(passés inaperçu)”, op. cit., spéc. p. 1029; V. Wyart, “La
réduction en valeur et les droits du conjoint survivant”,
op. cit., spéc. pp. 105 et 106; F. Lalière, “Le légataire
face à l’acquisition de la propriété, à la délivrance, à la
réserve en valeur et à l’acte d’hérédité”, op. cit., spéc.
p. 208, n° 9).
D’autres auteurs estiment qu’une demande de liqui-
dation de la succession sans partage pourrait être
valablement fondée sur les articles 1207 et suivants du
Code judicaire, sur la base notamment de l’argument
“qui peut le plus peut le moins” (si le juge peut désigner
un notaire pour liquider et partager la succession, il peut
également désigner un notaire chargé uniquement de
liquider celle-ci (H. Casman et F. Lalière, “La réserve en
valeur et l’institution d’un cohéritier en qualité de légataire
universel”, in Evolutions récentes du droit patrimonial de
la famille, sous la coord. de L. Barnich et M. Van Molle,
coll. Master en Notariat de l’ULB, Limal, Anthémis,
2023, pp. 95 et suiv., spéc. p. 115 n° 42)). L’argument
de l’existence d’une indivision à tout le moins s’agis-
sant du passif successoral est également invoqué par
certains auteurs pour justifier le recours à la procédure
de partage judiciaire (F. Tainmont, “Quelques incidences
pratiques de la réforme du droit des successions”, in
Tapas de droit notarial 2022, sous la dir. de F. Tainmont et
J.-L. Van Boxstael, coll. Patrimoine et notariat, Bruxelles,
Larcier, 2022, p. 7 et suiv., spéc. pp. 23 et 24, nos 30 et 31;
J.-L. Renchon, “Actualités en droit des successions. À
propos de certains effets problématiques de la réforme
de notre droit des successions”, in États généraux du
droit de la famille IV, Bruxelles-Limal, Larcier-Anthémis,
2022, pp. 83 et suiv., spéc. p. 108, n° 43).
aanmerking nemen van de giften aan de erfgenamen
die moeten worden ingebracht, die “voorschotten” op
hun erfdeel zijn, …), zelfs indien de procedure – in de
hier beoogde hypothese – niet uitmondt in de vorming
en de toewijzing van kavels.
Deze problematiek maakt momenteel het voorwerp
uit van debatten in de rechtsleer.
Bepaalde auteurs, waarvan sommigen evenwel toe-
geven dat het toch de meest geschikte procedurele weg
is om de rechten van de partijen te bepalen, zijn van
mening dat in de huidige stand van het recht, bij gebrek
aan onverdeeldheid, in de hier aangehaalde situatie het
niet mogelijk zou zijn om over te gaan tot de procedure
van gerechtelijke verdeling bedoeld in de artikelen 1207 en
volgende van het Gerechtelijk Wetboek (G. Hollanders
de Ouderaen en J. Fillenbaum, “La réserve en valeur:
aperçu de quelques impacts civils (passés inaperçu)”,
op. cit., in het bijzonder p. 1029; V. Wyart, “La réduction
en valeur et les droits du conjoint survivant”, op. cit.,
in het bijzonder p. 105 en 106; F. Lalière, “Le légataire
face à l’acquisition de la propriété, à la délivrance, à la
réserve en valeur et à l’acte d’hérédité”, op. cit., in het
bijzonder p. 208, nr. 9).
Andere auteurs zijn van mening dat een vordering
tot vereffening van de nalatenschap zonder verdeling
geldig zou kunnen gegrond worden op basis van de ar-
tikelen 1207 en volgende van het Gerechtelijk Wetboek,
onder meer op grond van het argument dat “qui potest
plus, potest minus” (indien de rechter een notaris kan
aanstellen om de nalatenschap te vereffenen en te ver-
delen, kan hij ook een notaris aanstellen die uitsluitend
belast is met het vereffenen van deze nalatenschap (H.
Casman en F. Lalière, “La réserve en valeur et l’institution
d’un cohéritier en qualité de légataire universel”, in er,
gecoördineerd door L. Barnich en M. Van Molle, coll.
Master en Notariat van de ULB, Limal, Anthémis, 2023,
p. 95 e.v., in het bijzonder p. 115 nr. 42)). Het argument van
het bestaan van een onverdeeldheid ten minste voor de
passiva van de nalatenschap wordt door bepaalde auteurs
ook ingeroepen om de toepassing van de procedure van
gerechtelijke verdeling te rechtvaardigen (F. Tainmont,
“Quelques incidences pratiques de la réforme du droit
des successions”, in Tapas de droit notarial 2022, on-
der leiding van F. Tainmont en J.-L. Van Boxstael, coll.
Patrimoine et notariat, Brussel, Larcier, 2022, p. 7 e.v.,
in het bijzonder p. 23 en 24, nrs. 30 en 31; J.-L. Renchon,
“Actualités en droit des successions. À propos de certains
effets problématiques de la réforme de notre droit des
successions”, in États généraux du droit de la famille IV,
Brussel-Limal, Larcier-Anthémis, 2022, p. 83 e.v., in het
bijzonder p. 108, nr. 43).
0272/001
DOC 56
6
K A M E R • 1e Z I T T I N G VA N D E 56 e Z I T T I N G S P E R I O D E
2024
C H A M B R E 1e S E S S I O N D E L A 56 e L É G I S L AT U R E
D’autres auteurs encore estiment qu’une demande
de liquidation et de partage de la succession pourrait
être introduite sur la base des dispositions actuelles
nonobstant l’absence d’indivision sur les biens délaissés
par le défunt: la masse successorale – qui ne comprend
pas uniquement les biens délaissés, mais inclut éga-
lement les sommes dues au titre du rapport et/ou de
la réduction – constitue, selon ces auteurs, une masse
indivise susceptible de faire l’objet d’une liquidation et
d’un partage en application des articles 1207 et sui-
vants du Code judiciaire (voyez l’opinion défendue par
H. Casman in H. Casman et F. Lalière, “La réserve en
valeur et l’institution d’un cohéritier en qualité de légataire
universel”, op. cit., pp. 115 à 119, nos 43 à 46.).
Certains suggèrent également (sous la forme inter-
rogative) que l’héritier réservataire évincé pourrait être
considéré comme un “copartageant” (et pourrait donc
participer aux opérations de partage) dès lors que la
fixation du montant de l’indemnité réservataire qui lui
est due suppose la prise en compte des libéralités
rapportables consenties à chacun des héritiers (dont
il fait partie): les opérations de rapport intervenant
dans le cadre du partage, il faudrait nécessairement,
dans cette perspective, procéder à un partage auquel
l’héritier réservataire évincé devrait pouvoir participer
(H. Casman et A. Michielsens, “Plichten van de notaris
ten aanzien van een onterfde reservataire erfgenaam”,
in Tapas de droit notarial 2020-2021, sous la coord. de
J.-L. Van Boxstael, coll. Patrimoine et notariat, Bruxelles,
Larcier, 2022, pp. 65 et suiv., spéc. p. 67, n° 3; H. Casman
et A. Michielsens, “Quels devoirs pour le notaire envers
un héritier réservataire exhérédé?”, Rev. Not. belge,
2023, pp. 330 et suiv., spéc. p. 332, n° 3).
La problématique est encore soulevée et analysée
par d’autres auteurs (voyez notamment: Ch. Declerck
et S. Mosselmans, “Welke rechtpositie heeft de onterfde
reservataire erfgerechtigde in het nieuwe erfrecht?”,
in Patrimonium 2021, pp. 261 et suiv., Ch. Declerck et
S. Mosselmans, “Gerechtelijke vereffening-verdeling in
tien actuele vragen en antwoorden”, in Familiaal ver-
mogensrecht, A.-L. Verbeke, Ch. Declerck et J. Du Mongh
(eds), Themis, vol. 121, Intersentia, 2022, pp. 52 et 53,
n° 4).
Cette question a notamment été évoquée au Comité
d’Études et de Législation de la Fédération Royale du
notariat belge (CEL) qui, aux termes de ses conclusions, a
estimé que “(l)a procédure de liquidation-partage semble
actuellement constituer le moyen procédural, sinon le
plus évident, à tout le moins le plus pragmatique pour
réaliser ces opérations. Un notaire sera alors chargé
Nog andere auteurs zijn van mening dat een vorde-
ring tot vereffening en verdeling van de nalatenschap
zou kunnen worden ingesteld op basis van de huidige
bepalingen zelfs indien er geen onverdeeldheid bestaat
van de goederen die worden nagelaten door de erflater:
de nalatenschapsboedel, die niet alleen de nagelaten
goederen omvat, maar ook de bedragen verschuldigd
ten titel van inbreng en/of inkorting, is volgens deze
auteurs, een onverdeelde boedel die in aanmerking
komt voor vereffening en verdeling in toepassing van de
artikelen 1207 en volgende van het Gerechtelijk Wetboek
(zie de mening verdedigd door H. Casman in H. Casman
en F. Lalière, “La réserve en valeur et l’institution d’un
cohéritier en qualité de légataire universel”, op. cit.,
p. 115 tot 119, nrs. 43 tot 46.).
Sommigen opperen ook (in de vorm van een vraag)
dat de uitgesloten reservataire erfgenaam zou kunnen
worden beschouwd als een “deelgenoot” (en dus zou
kunnen deelnemen aan de verdelingsverrichtingen)
gezien het feit dat bij de bepaling van het bedrag van de
reservataire vergoeding die hem verschuldigd is, rekening
moet worden gehouden met de giften die moeten wor-
den ingebracht toegekend aan elk van de erfgenamen
(waarvan hij deel uitmaakt). Aangezien de inbrengver-
richtingen in het kader van de verdeling plaatsvinden,
moet in dit perspectief noodzakelijkerwijze worden
overgegaan tot een verdeling waaraan de uitgesloten
reservataire erfgenaam zou moeten kunnen deelnemen
(H. Casman en A. Michielsens, “Plichten van de notaris
ten aanzien van een onterfde reservataire erfgenaam”,
in Tapas de droit notarial 2020-2021, gecoördineerd
door J.-L. Van Boxstael, coll. Patrimoine et notariat,
Brussel, Larcier, 2022, p. 65 e.v. in het bijzonder p. 67,
nr. 3; H. Casman en A. Michielsens, “Quels devoirs pour le
notaire envers un héritier réservataire exhérédé?”, Rev.
Not. belge 2023, p. 330 e.v., in het bijzonder p. 332, nr. 3).
De problematiek wordt ook door andere auteurs
aangehaald en geanalyseerd (zie o.m.: Ch. Declerck
en S. Mosselmans, “Welke rechtpositie heeft de ont-
erfde reservataire erfgerechtigde in het nieuwe erf-
recht?”, in Patrimonium 2021, p. 261 e.v., Ch. Declerck
en S. Mosselmans, “Gerechtelijke vereffening-verdeling in
tien actuele vragen en antwoorden”, in Familiaal vermo-
gensrecht, A.-L. Verbeke, Ch. Declerck en J. Du Mongh
(eds), Themis, vol. 121, Intersentia, 2022, p. 52 en 53,
nr. 4).
Deze vraag werd met name behandeld in het Comité
voor Studie en Wetgeving van de Koninklijke Federatie
van het Belgisch Notariaat (CSW) dat, volgens de be-
woordingen van zijn conclusies, meent: “(d)e procedure
van vereffening verdeling lijkt thans het meest evidente,
of althans het meest pragmatische kader te verstrekken
waarin deze verrichtingen plaats kunnen vinden. Dan
7
0272/001
DOC 56
7
K A M E R • 1e Z I T T I N G VA N D E 56 e Z I T T I N G S P E R I O D E
2024
C H A M B R E 1e S E S S I O N D E L A 56 e L É G I S L AT U R E
des opérations juridiques de reconstitution de cette
masse, et proposera le calcul permettant de déterminer
le quantum de l’indemnité réservataire. Il prendra compte
ensuite des revendications des héritiers et les fera, s’il
échet, trancher par le tribunal.” (CEL, dossiers n° 4452,
4452bis et 4452ter, in Travaux du Comité d’Études et
de Législation, Rapports, Bruxelles, Larcier, 2023/1,
pp. 6 et suiv., spéc. p. 135).
Cependant, conscient de la difficulté technique résultant
de l’absence d’indivision entre le légataire universel et
l’héritier réservataire évincé, le Comité d’Études et de
Législation ajoute toutefois que “de lege ferenda une
intervention du législateur en vue de clarifier le texte
du Code judiciaire sur ce point, et de prévenir toute
controverse sur cette question, serait utile.” (CEL, dos-
siers n° 4452, 4452bis et 4452ter, in Travaux du Comité
d’Études et de Législation, Rapports, Bruxelles, Larcier,
2023/1, p. 135). L’intervention du législateur sur ce point
est également suggérée par d’autres auteurs (voyez
notamment F. Tainmont, “Quelques incidences pratiques
de la réforme du droit des successions”, op. cit., p. 24,
n° 31).
S’il n’appartient pas aux auteurs de la présente pro-
position de se prononcer sur le bien-fondé des thèses
en présence de lege lata, le seul constat de l’existence
d’une controverse quant à la possibilité de mettre en
œuvre la procédure de liquidation-partage judiciaire dans
les hypothèses envisagées ici justifie assurément une
intervention législative, afin de mettre fin aux hésitations
actuelles et de restaurer la sécurité juridique.
Dans ce contexte, la présente proposition de loi a pour
objet de mettre fin à l’incertitude actuelle, en adaptant
ponctuellement les dispositions relatives au partage
judiciaire contenues dans le Code judiciaire, afin de
rendre celles-ci également applicables lorsque, à défaut
d’indivision entre les parties, un partage n’est pas requis
mais qu’une liquidation s’impose néanmoins en vue de
la fixation des droits de celles-ci.
Les dispositions relatives au partage amiable conte-
nues dans les articles 1205 et 1206 sont également
modifiées, dès lors que la problématique se pose dans
les mêmes termes, s’agissant de ce type de partage.
Par ailleurs, la présente proposition de loi entend
également remédier très ponctuellement à certaines
difficultés et/ou à certaines controverses actuellement
rencontrées en la matière. C’est l’objet des modifications
proposées à l’article 1184 (relatif à l’inventaire) du Code
judiciaire. C’est également l’objet du nouvel alinéa ajouté
in fine de l’article 1214, § 2, et du paragraphe 8 ajouté à
l’article 1214 du même Code. Ces modifications seront
wordt een notaris belast met de juridische verrichtingen,
zoals de samenstelling van de boedel, en zal hij een
berekening voorstellen om het bedrag te bepalen van
de inkortingsvordering. Hij zal ook rekening houden met
de aanspraken van de erfgenamen en zal ze, indien
nodig, door de rechtbank laten trancheren.” (CSW, dos-
siers nrs. 4452, 4452bis en 4452ter, in CSW, Verslagen,
Brussel, Larcier, 2023/1, pp. 6 e.v., bijz. p. 135).
Omwille van de technische moeilijkheden ten gevolge
van het gebrek aan onverdeeldheid tussen de algemene
legataris en de uitgesloten reservataire erfgenaam, voegt
het Comité voor Studie en Wetgeving er echter aan toe
dat “de lege ferenda (…) de wetgever zou moeten tus-
senkomen om de tekst van het Gerechtelijk Wetboek
op dit punt te verduidelijken, en geschillen over deze
vraag te vermijden.” (CSW, dossiers nr. 4452, 4452bis
en 4452ter, in CSW, Verslagen, Brussel, Larcier, 2023/1,
p. 135). De tussenkomst van de wetgever op dit vlak
wordt ook voorgesteld door andere auteurs (zie onder
meer F. Tainmont, “Quelques incidences pratiques de la
réforme du droit des successions”, op. cit., p. 24, nr. 31).
Hoewel het niet toekomt aan de auteurs van dit voor-
stel om zich uit te spreken over de gegrondheid van
de bestaande stellingen de lege lata, rechtvaardigt de
loutere vaststelling van het bestaan van een controverse
met betrekking tot de mogelijkheid om de procedure van
gerechtelijke vereffening-verdeling aan te wenden in
de hier beoogde gevallen ongetwijfeld een wetgevend
optreden, om een einde te stellen aan de huidige twijfel
en de rechtszekerheid te herstellen.
In dit kader, beoogt dit wetsvoorstel om een einde te
stellen aan de huidige onzekerheid door de bepalingen
met betrekking tot de gerechtelijke verdeling opgenomen
in het Gerechtelijk Wetboek punctueel aan te passen,
zodat deze ook van toepassing zijn wanneer er, bij gebrek
aan onverdeeldheid tussen de partijen, geen verdeling
vereist is, maar een vereffening zich toch opdringt met
het oog op het bepalen van de rechten van de partijen.
De bepalingen met betrekking tot de minnelijke ver-
deling vermeld in de artikelen 1205 en 1206, worden
eveneens gewijzigd, aangezien dezelfde problematiek
zich stelt voor dit soort verdeling.
Dit wetsvoorstel beoogt bovendien eveneens een
punctuele oplossing te bieden voor bepaalde proble-
men en/of bepaalde controverses die zich momenteel
voordoen in deze materie. Dat is het doel van de voorge-
stelde wijzigingen aan artikel 1184 (met betrekking tot de
boedelbeschrijving) van het Gerechtelijk Wetboek. Dat
is ook het doel van het nieuwe lid dat wordt toegevoegd
in fine aan artikel 1214, § 2, en van paragraaf 8 die wordt
0272/001
DOC 56
8
K A M E R • 1e Z I T T I N G VA N D E 56 e Z I T T I N G S P E R I O D E
2024
C H A M B R E 1e S E S S I O N D E L A 56 e L É G I S L AT U R E
plus amplement explicitées à l’occasion du commentaire
des articles concernés.
COMMENTAIRE DES ARTICLES
CHAPITRE 1ER
Disposition générale
Article 1er
Cette disposition décrit le fondement constitutionnel
de la proposition.
CHAPITRE 2
Modifications du Code judiciaire
Art. 2
L’article 572bis, 10°, du Code judiciaire (relatif à la
compétence d’attribution du tribunal de la famille) confère
actuellement au tribunal de la famille la compétence
pour connaître “des demandes en partage”.
Comme exposé aux termes des développements qui
précèdent, l’objet de la présente modification législative
est (notamment) de permettre la mise en œuvre de la
procédure de partage judiciaire prévue aux articles 1207 et
suivants du Code judiciaire lorsque, à défaut d’indivision
entre les parties, il n’est procédé qu’à la liquidation de
leurs droits et non au partage.
Dans cette perspective, l’article 572bis, 10°, est modi-
fié pour conférer désormais au tribunal de la famille la
compétence pour connaître des demandes en liquidation
ou en partage visées à l’article 1207 du Code judiciaire.
La précision qu’il s’agit des demandes de liquidation
ou de partage visées à l’article 1207 (du Code judicaire)
est apportée ici afin d’éviter toute confusion au regard
d’autres hypothèses de liquidation, telle notamment la
liquidation des sociétés opérée en vertu du Code des
sociétés et des associations, qui relève – quant à elle
– de la compétence du tribunal de l’entreprise.
toegevoegd aan artikel 1214 van hetzelfde Wetboek.
Deze wijzigingen worden uitvoeriger behandeld in de
toelichting bij de desbetreffende artikelen.
ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING
HOOFDSTUK 1
Algemene bepaling
Artikel 1
Deze bepaling beschrijft de grondwettelijke grondslag
van het huidige voorstel.
HOOFDSTUK 2
Wijzigingen van het Gerechtelijk Wetboek
Art. 2
Artikel 572bis, 10°, van het Gerechtelijk Wetboek
(betreffende de bevoegdheden toegekend aan de fami-
lierechtbank) verleent de familierechtbank momenteel
de bevoegdheid om kennis te nemen van “vorderingen
tot verdeling”.
Zoals hiervoor uiteengezet, is het doel van deze
wetswijziging (onder meer) om de toepassing van de
procedure van gerechtelijke verdeling voorzien in de
artikelen 1207 en volgende van het Gerechtelijk Wetboek
mogelijk te maken wanneer bij gebrek aan onverdeeld-
heid tussen de partijen, enkel wordt overgegaan tot de
vereffening van hun rechten en niet tot de verdeling.
Vanuit dit oogpunt wordt artikel 572bis, 10°, gewij-
zigd om de familierechtbank voortaan de bevoegdheid
te verlenen om kennis te nemen van vorderingen tot
vereffening of tot verdeling bedoeld in artikel 1207 van
het Gerechtelijk Wetboek.
De verduidelijking dat het gaat om vorderingen tot
vereffening of tot verdeling bedoeld in artikel 1207 (van
het Gerechtelijk Wetboek) wordt hier aangebracht om
elke verwarring te vermijden met betrekking tot andere
gevallen van vereffening, zoals met name de vereffening
van vennootschappen krachtens het Wetboek van ven-
nootschappen en verenigingen, die van zijn kant onder
de bevoegdheid van de ondernemingsrechtbank valt.
9
0272/001
DOC 56
9
K A M E R • 1e Z I T T I N G VA N D E 56 e Z I T T I N G S P E R I O D E
2024
C H A M B R E 1e S E S S I O N D E L A 56 e L É G I S L AT U R E
Art. 3
Aux termes de l’actuel article 1184 du Code judiciaire –
contenu dans les dispositions relatives à l’inventaire – le
juge de paix est compétent pour connaitre (notamment)
des difficultés relatives à l’inventaire.
Parallèlement à cette disposition, l’article 1216 du Code
judiciaire – contenu dans les dispositions relatives à la
procédure de partage judiciaire – confère au tribunal de
la famille ayant ordonné le partage (ou, désormais, la
liquidation) la compétence pour connaître, moyennant
le dépôt d’un procès-verbal intermédiaire par le notaire-
liquidateur, de tous litiges ou difficultés survenant pos-
térieurement à l’ouverture des opérations et qui “sont
à ce points essentiels qu’ils empêchent l’établissement
d’un état liquidatif”.
La lecture combinée de ces deux dispositions suscite,
en pratique, des questions quant la répartition des com-
pétences entre le juge de paix et le tribunal de la famille
en matière d’inventaire: laquelle de ces deux juridictions
est-elle compétente pour connaitre des difficultés qui
surgissent à l’occasion de l’établissement de l’inventaire
dressé dans le cadre d’une procédure de partage (ou,
désormais, de liquidation) judiciaire, par exemple, en
cas de difficulté d’accès aux lieux ou de difficulté liée
à la prestation de serment (refus de prêter serment)?
Si la doctrine considère généralement que le juge de
paix et le tribunal de la famille jouissent, à cet égard,
d’une compétence concurrente (voyez, en ce sens:
N. Gendrin et D. Karadsheh, Liquidation-partage, op. cit.,
p. 151, n° 143; C. De Boe et J.-Fr. van Drooghenbroeck,
“L’inventaire après la réforme du partage judiciaire”,
J.J.P., 2013/3-4, pp. 137 et suiv., spéc. p. 151, n° 27, et
les références citées; L. Sterckx, “Fiche n° 11: Questions
liées à l’inventaire (dans le cadre du partage judiciaire)”,
Rev. Not. belge, 2016, pp. 149 à 160, spéc. p. 157 in fine),
la question est néanmoins discutée.
Ainsi, certains auteurs se prononcent en faveur de la
compétence (exclusive) du juge de paix (voyez notam-
ment en ce sens, Ph. De Page et I. De Stefani, La loi
du 13 août 2011 réformant la procédure de liquida-
tion-partage judiciaire. Commentaire pratique, Kluwer,
2012, p. 79), tandis que d’autres auteurs se prononcent
en faveur de la compétence exclusive du tribunal de la
famille (voyez notamment en ce sens, P. Van den Eynde,
“L’inventaire”, in La nouvelle procédure de liquida-
tion-partage judiciaire – Première analyse de la loi
du 13 août 2011, Bruxelles, Bruylant, 2012, pp. 153 et
suiv., spéc. p. 160). Voyez également les références
Art. 3
Krachtens het huidige artikel 1184 van het Gerechtelijk
Wetboek, dat deel uitmaakt van de bepalingen betref-
fende de boedelbeschrijving, is de vrederechter bevoegd
om (onder meer) kennis te nemen van de problemen
met betrekking tot de boedelbeschrijving.
Naast deze bepaling, verleent artikel 1216 van het
Gerechtelijk Wetboek, dat deel uitmaakt van de bepalin-
gen betreffende de procedure van gerechtelijke verdeling,
de familierechtbank die de verdeling (of, voortaan, de
vereffening) heeft gelast, de bevoegdheid om, middels de
neerlegging van een tussentijds proces-verbaal door de
notaris-vereffenaar, kennis te nemen van alle geschillen
of moeilijkheden die zich voordoen na de opening van
de werkzaamheden en die “dermate essentieel zijn dat
zij het opstellen van een staat van vereffening beletten”.
De gecombineerde lezing van deze twee bepalingen
roept in de praktijk vragen op over de verdeling van de
bevoegdheden tussen de vrederechter en de familierecht-
bank met betrekking tot de boedelbeschrijving: welke van
deze twee rechterlijke instanties is bevoegd om kennis
te nemen van de moeilijkheden die zich voordoen bij
het opstellen van de boedelbeschrijving in het kader van
een procedure van gerechtelijke verdeling (of voortaan
vereffening), bijvoorbeeld in geval van moeilijkheden op
het vlak van toegang tot de plaatsen of moeilijkheden met
betrekking tot de eedaflegging (weigering om de eed af te
leggen)? Hoewel de rechtsleer over het algemeen meent
dat de vrederechter en de familierechtbank in dit opzicht
een gedeelde bevoegdheid hebben (zie in deze zin:
N. Gendrin en D. Karadsheh, Liquidation-partage, op. cit.,
p. 151, nr. 143; C. De Boe en J.-Fr. van Drooghenbroeck,
“L’inventaire après la réforme du partage judiciaire”, T.Vred.
2013/3-4, p. 137 e.v., in het bijzonder p. 151, nr. 27, en de
verwijzingen aldaar; L. Sterckx, “Fiche n° 11: Questions
liées à l’inventaire (dans le cadre du partage judiciaire)”,
Rev. Not. belge 2016, p. 149 tot 160, in het bijzonder
p. 157 in fine), blijft de vraag omstreden.
Zo spreken sommige auteurs zich uit ten gunste van
de (exclusieve) bevoegdheid van de vrederechter (zie
in deze zin o.m. Ph. De Page en I. De Stefani, La loi
du 13 août 2011 réformant la procédure de liquidation-
partage judiciaire. Commentaire pratique, Kluwer, 2012,
p. 79), terwijl andere auteurs zich uitspreken ten gunste
van de exclusieve bevoegdheid van de familierechtbank
(zie in deze zin o.m. P. Van den Eynde, “L’inventaire”, in
La nouvelle procédure de liquidation-partage judiciaire
– Première analyse de la loi du 13 août 2011, Brussel,
Bruylant, 2012, p. 153 e.v., in het bijzonder p. 160).
Zie ook de verwijzingen aangehaald door L. Sterckx,
0272/001
DOC 56
10
10
K A M E R • 1e Z I T T I N G VA N D E 56 e Z I T T I N G S P E R I O D E
2024
C H A M B R E 1e S E S S I O N D E L A 56 e L É G I S L AT U R E
citées par L. Sterckx, “Fiche n° 11: Questions liées à
l’inventaire (dans le cadre du partage judiciaire)”, op. cit.,
pp. 156 à 158).
Dans ce contexte, il advient, en pratique, que des
juges de paix (ou des tribunaux) déclinent respective-
ment leur compétence, pour renvoyer les parties vers le
tribunal ou vers le juge de paix (voyez notamment Civ.
Marche-en-Famenne, 9 décembre 2012, inédit, R.G.
n° 11-415-A, cité par J.-L. Renchon, “Quelques problé-
matiques de liquidations et partages”, États généraux
du droit de la famille, Bruxelles-Limal, Larcier-Anthémis,
2014, p. 179, note infra-paginale n° 20), ce qui suscite
d’importants retards dans la poursuite de la procédure,
outre l’incompréhension des citoyens.
Dans ce contexte, la présente proposition entend
résoudre la difficulté en confirmant la compétence
concurrente des deux juridictions, pour connaitre des
difficultés relatives à l’inventaire dressé dans le cadre
d’une procédure de liquidation-partage judiciaire.
Ainsi, l’alinéa 1er de l’article 1184 du Code judiciaires est
complété par la phrase suivante: “Lorsqu’il est procédé
à l’inventaire en vertu de l’article 1214, le notaire peut
alternativement soumettre les difficultés au tribunal de
la famille qui l’a désigné, conformément à l’article 1216.”.
Cet ajout confirme la possibilité, pour le notaire, de
s’adresser, à son choix, soit au juge de paix soit – lorsque
l’inventaire est établi dans le cadre d’une procédure de
liquidation-partage judiciaire – au tribunal de la famille
l’ayant désigné en qualité de notaire-liquidateur. Le
choix de la juridiction à saisir appartient au seul notaire.
Le choix ainsi laissé au notaire permettra à ce dernier
de s’adresser, en fonction du dossier et du type de dif-
ficulté, à la juridiction la plus adéquate pour solutionner
le litige ou la difficulté. Ainsi, si la difficulté ou le litige
rencontré(e) ne concerne que l’établissement ou la clô-
ture de l’inventaire (par exemple une difficulté pratique
d’accès aux lieux ou le refus de prêter serment de l’une
des parties), il est probable que le juge de paix constitue,
eu égard notamment à sa proximité, la juridiction la plus
à même solutionner ou trancher rapidement et effica-
cement la difficulté. En revanche, dans l’hypothèse où
d’autres difficultés que celles liées à l’inventaire seraient,
par ailleurs, rencontrées dans le cadre de la procédure
de liquidation-partage judiciaire (lesquelles difficultés
devront, quant à elles, en toute hypothèse, être soumises
au tribunal de la famille en application de l’article 1216 du
Code judiciaire, pour autant, naturellement, que – selon
“Fiche n° 11: Questions liées à l’inventaire (dans le cadre
du partage judiciaire)”, op. cit., p. 156 tot 158).
In dit kader, gebeurt het in de praktijk dat vrederech-
ters (of rechtbanken) hun bevoegdheid afwijzen en de
partijen respectievelijk doorverwijzen naar de rechtbank
of naar de vrederechter (zie onder meer Rb. Marche-
en-Famenne, 9 december 2012, niet gepubliceerd,
rolnummer 11-415-A, aangehaald door J.-L. Renchon,
“Quelques problématiques de liquidations et partages”,
États généraux du droit de la famille, Brussel-Limal,
Larcier-Anthémis, 2014, p. 179, voetnoot nr. 20), wat
leidt tot grote vertragingen bij de afhandeling van de
procedure, bovenop het onbegrip bij de burgers.
In dit kader, beoogt dit wetsvoorstel het probleem
op te lossen door de gedeelde bevoegdheid van de
twee rechterlijke instanties om kennis te nemen van de
moeilijkheden met betrekking tot de boedelbeschrijving
opgesteld in het kader van een procedure van gerech-
telijke vereffening-verdeling, te bevestigen.
Zo wordt het eerste lid van artikel 1184 van het
Gerechtelijk Wetboek aangevuld met de volgende zin:
“Wanneer er wordt overgegaan tot de boedelbeschrijving
krachtens artikel 1214, kan de notaris als alternatief de
moeilijkheden neerleggen bij de familierechtbank die
hem heeft aangesteld, overeenkomstig artikel 1216.”
Deze toevoeging bevestigt de mogelijkheid waarover
de notaris beschikt om zich, naar zijn keuze, ofwel te
richten tot de vrederechter, ofwel, wanneer de boe-
delbeschrijving wordt opgesteld in het kader van een
procedure van gerechtelijke vereffening-verdeling, tot
de familierechtbank die hem heeft aangesteld in de
hoedanigheid van notaris-vereffenaar. De keuze inzake
de rechterlijke instantie die wordt gevat, komt enkel aan
de notaris toe.
De keuze waarover de notaris hierdoor beschikt, laat
hem toe om zich, in functie van het dossier en de aard
van de moeilijkheid, te wenden tot de meest geschikte
rechterlijke instantie om het geschil of het probleem op
te lossen. Indien de moeilijkheid of het geschil in kwes-
tie alleen betrekking heeft op het opstellen of afsluiten
van de boedelbeschrijving (bijvoorbeeld een praktische
moeilijkheid in verband met de toegang tot de plaatsen
of de weigering van één van de partijen om de eed af
te leggen), is de vrederechter omwille van zijn nabijheid
waarschijnlijk de meest geschikte rechterlijke instantie
om de moeilijkheid snel en doeltreffend op te lossen of
een beslissing hierover te nemen. Indien zich in het kader
van de procedure van gerechtelijke vereffening-verdeling
daarentegen andere moeilijkheden voordoen dan deze
die betrekking hebben op de boedelbeschrijving, (waarbij
die moeilijkheden op zich in elk geval moeten worden
11
0272/001
DOC 56
11
K A M E R • 1e Z I T T I N G VA N D E 56 e Z I T T I N G S P E R I O D E
2024
C H A M B R E 1e S E S S I O N D E L A 56 e L É G I S L AT U R E
les termes de l’article 1216 précité – ces litiges ou dif-
ficultés soient “à ce point essentiels qu’ils empêchent
l’établissement de l’état liquidatif”), il pourrait s’avérer
plus opportun et plus efficace de soumettre l’ensemble
des difficultés (en ce compris celles liées à l’inventaire)
au tribunal de la famille. De même, lorsque la difficulté à
faire trancher est liée à l’inventaire mais est également
susceptible de toucher le fond du droit (par exemple
lorsque, pour identifier les biens à inventorier, se pose
la question du statut ou de la propriété de ceux-ci), la
saisie du tribunal de la famille semble devoir être privi-
légiée. En toute hypothèse, le choix de la juridiction à
saisir appartient au notaire.
Par ailleurs, à l’article 1184, alinéa 3, du Code judi-
ciaire, les mots “de paix” sont supprimés, en telle sorte
que cet alinéa sera désormais libellé comme suit: “Pour
le surplus, les objets inventoriés seront confiés à la
personne désignée par le juge, à la requête du notaire
instrumentant.”. Ce nouveau libellé (qui mentionne,
de manière générale, “le juge” et non plus “le juge de
paix”) permet de viser, dans cet alinéa, tant l’hypothèse
dans laquelle c’est le juge de paix qui a été saisi de la
difficulté que l’hypothèse où la difficulté a été soumise
au tribunal de la famille.
Art. 4
L’intitulé du chapitre VI, livre IV, de la quatrième par-
tie du Code judiciaire est modifié, pour indiquer que le
présent chapitre s’applique également à l’hypothèse
dans laquelle seule la liquidation des droits est opérée,
même si celle-ci ne sera pas suivie d’un partage, à
défaut d’indivision entre les parties.
Art. 5
L’intitulé de la section première du chapitre VI, livre IV,
de la quatrième partie du Code judiciaire (relative au
partage amiable) est modifié pour indiquer que la pré-
sente section s’applique tant à l’hypothèse dans laquelle
seule la liquidation amiable est opérée qu’à celle dans
laquelle ladite liquidation est suivie d’un partage amiable.
voorgelegd aan de familierechtbank overeenkomstig
artikel 1216 van het Gerechtelijk Wetboek, voor zover
uiteraard – volgens de bewoording van voornoemd
artikel 1216 – de geschillen of moeilijkheden “dermate
essentieel zijn dat ze het opstellen van de […] staat van
vereffening beletten”), kan het echter interessanter en
efficiënter zijn om alle moeilijkheden (inclusief deze met
betrekking tot de boedelbeschrijving) voor te leggen
aan de familierechtbank. Zo ook wanneer de moeilijk-
heid die moet beslecht worden, verband houdt met de
boedelbeschrijving maar eveneens aan de grond van
het recht zou kunnen raken (bijvoorbeeld wanneer, om
de in de boedelbeschrijving op te nemen goederen te
identificeren, de vraag rijst naar hun statuut of eigendom),
lijkt het vatten van de familierechtbank de voorkeur te
moeten krijgen. De keuze van de rechterlijke instantie
waarbij het dossier aanhangig zal worden gemaakt, ligt
in elk geval bij de notaris.
In artikel 1184, derde lid, van het Gerechtelijk Wetboek
wordt het woord “vrederechter” bovendien vervangen door
“rechter”, zodat dit lid voortaan als volgt luidt: “Voor het
overige worden de beschreven voorwerpen, op verzoek
van de optredende notaris, toevertrouwd aan de persoon
die de rechter aanwijst.”. Door deze nieuwe formulering
(die meer algemeen spreekt over “de rechter” in plaats
van over “de vrederechter”), is het mogelijk om in dit lid
zowel te verwijzen naar gevallen waarin de moeilijkheden
aanhangig werden gemaakt bij de vrederechter, als naar
gevallen waarbij de moeilijkheden werden voorgelegd
aan de familierechtbank.
Art. 4
Het opschrift van hoofdstuk VI, boek IV, van het vierde
deel van het Gerechtelijk Wetboek wordt gewijzigd, om
aan te duiden dat dit hoofdstuk ook van toepassing
is op gevallen waarin alleen wordt overgegaan tot de
vereffening van de rechten, zelfs indien deze niet wordt
gevolgd door een verdeling, bij gebrek aan onverdeeld-
heid tussen de partijen.
Art. 5
Het opschrift van de eerste afdeling van hoofdstuk VI,
boek IV, van het vierde deel van het Gerechtelijk Wetboek
(betreffende de minnelijke verdeling) wordt gewijzigd
om erop te wijzen dat deze afdeling zowel van toepas-
sing is op gevallen waarin alleen wordt overgegaan tot
de minnelijke vereffening, als op gevallen waarin deze
vereffening wordt gevolgd door een minnelijke verdeling.
0272/001
DOC 56
12
12
K A M E R • 1e Z I T T I N G VA N D E 56 e Z I T T I N G S P E R I O D E
2024
C H A M B R E 1e S E S S I O N D E L A 56 e L É G I S L AT U R E
Art. 6
À l’article 1205 du Code judiciaire, l’alinéa premier est
remplacé, pour viser désormais tant l’hypothèse dans
laquelle les parties procèdent amiablement à la (seule)
liquidation de leurs droits que l’hypothèse dans laquelle
ladite liquidation est suivie d’un partage amiable. À cette
fin, les parties sont, aux termes de la disposition telle
que nouvellement libellée, autorisées à procéder de
commun accord à la liquidation et, le cas échéant, au
partage, comme elles en auront décidé.
Le libellé nouveau utilise le vocable “les parties” et
non le vocable “les indivisaires” qui était précédemment
utilisé à l’article 1205, alinéa 1er, du Code judiciaire,
dès lors que la disposition vise désormais également
l’hypothèse d’une liquidation amiable intervenant entre
des parties qui ne sont pas en indivision, ainsi que le
précise le nouvel alinéa 2.
La présente proposition complète, par ailleurs, l’ar-
ticle 1205 du Code judiciaire par un second alinéa, qui
précise que les dispositions contenues dans la présente
section s’appliquent également lorsque, à défaut d’indivi-
sion entre les parties, il n’est procédé qu’à la liquidation
de leurs droits, c’est-à-dire aux opérations permettant
de fixer le quantum de ceux-ci.
Cette hypothèse justifie également l’insertion d’un
alinéa 2 à l’article 1207 du Code judiciaire – relatif à la
liquidation-partage judiciaire – au commentaire duquel
il est renvoyé, pour de plus amples développements.
Art. 7
L’article 1206 du Code judiciaire est adapté ponc-
tuellement, pour viser désormais tant l’hypothèse dans
laquelle, à défaut d’indivision entre les parties, il n’est
procédé qu’à la liquidation (amiable) de leurs droits que
l’hypothèse dans laquelle il est procédé à un partage
amiable.
Ainsi:
— aux alinéas 1er et 2, le mot “indivisaires” est remplacé
par le mot “parties”, qui est plus générique, en ce qu’il
permet de viser également l’hypothèse où les parties
ne sont pas en indivision, mais où une liquidation de
leurs droits est néanmoins requise;
— aux alinéas 1er et 6, des modifications sont apportées
pour viser désormais la liquidation et, le cas échéant, le
Art. 6
In artikel 1205 van het Gerechtelijk Wetboek wordt het
eerste lid vervangen, om voortaan zowel te verwijzen
naar gevallen waarin de partijen uitsluitend overgaan
tot de minnelijke vereffening van hun rechten, als naar
gevallen waarin deze vereffening wordt gevolgd door
een minnelijke verdeling. Hiertoe worden de partijen
krachtens de nieuwe bewoordingen van de bepaling
gemachtigd om in onderlinge overeenstemming over
te gaan tot de vereffening en, in voorkomend geval, tot
de verdeling, zoals zij beslissen.
De nieuwe formulering gebruikt het woord “partijen”
en niet het woord “medeëigenaars” dat voordien werd
gebruikt in artikel 1205, eerste lid, van het Gerechtelijk
Wetboek, aangezien de bepaling voortaan ook de ge-
vallen van een minnelijke vereffening voorziet tussen
partijen die niet in onverdeeldheid zijn, zoals bepaald
in het nieuwe tweede lid.
Dit wetsvoorstel vult artikel 1205 van het Gerechtelijk
Wetboek bovendien aan met een tweede lid, dat ver-
meldt dat de bepalingen opgenomen in dit deel ook van
toepassing zijn wanneer er bij gebrek aan onverdeeld-
heid tussen de partijen, alleen wordt overgegaan tot
de vereffening van hun rechten, met andere woorden
tot de werkzaamheden die toelaten om het quantum
ervan te bepalen.
Dit rechtvaardigt ook de toevoeging van een tweede lid
aan artikel 1207 van het Gerechtelijk Wetboek met be-
trekking tot de gerechtelijke vereffening-verdeling. We
verwijzen naar de toelichting hierbij voor meer uitleg.
Art. 7
Artikel 1206 van het Gerechtelijk Wetboek wordt punc-
tueel gewijzigd om voortaan zowel rekening te houden
met gevallen waarbij bij gebrek aan onverdeeldheid
tussen de partijen enkel wordt overgegaan tot de (min-
nelijke) vereffening van hun rechten, als met de gevallen
waarin wordt overgegaan tot een minnelijke verdeling.
Aldus:
— in het eerste en het tweede lid wordt het woord
“medeëigenaars” vervangen door het woord “partijen”,
dat algemener is, aangezien dit toelaat ook de gevallen
te beogen waarin de partijen niet in onverdeeldheid zijn,
maar waarbij een vereffening van hun rechten evenwel
vereist is;
— worden in het eerste en het zesde lid wijzigin-
gen aangebracht om voortaan de vereffening en, in
13
0272/001
DOC 56
13
K A M E R • 1e Z I T T I N G VA N D E 56 e Z I T T I N G S P E R I O D E
2024
C H A M B R E 1e S E S S I O N D E L A 56 e L É G I S L AT U R E
partage, c’est-à-dire pour autant qu’un partage s’impose
en raison de l’existence d’une indivision entre les parties;
— une modification est apportée à l’alinéa 3 pour
préciser que l’avis des experts quant à la formation des
lots n’intervient que le cas échéant, c’est-à-dire pour
autant qu’un partage s’impose en raison de l’existence
d’une indivision entre les parties;
— à l’alinéa 6, la référence à la forme du partage judi-
caire est remplacée par l’expression “forme judiciaire”.
Art. 8
L’intitulé de la section 2 du chapitre VI, livre IV, de la
quatrième partie du Code judiciaire (relative au partage
judiciaire) est modifié pour viser tant la liquidation judicaire
que le partage judiciaire, la liquidation pouvant intervenir
sans nécessairement être suivie d’un partage dans les
cas qui sont décrits à l’article 1207, alinéa 2, du Code
judiciaire tel que modifié par la présente proposition.
Ce nouveau libellé permet d’indiquer que la présente
section s’applique tant à l’hypothèse dans laquelle
seule la liquidation judiciaire est opérée (en raison de
l’absence d’indivision être les parties) qu’à celle dans
laquelle ladite liquidation est suivie d’un partage.
Art. 9
L’intitulé de la sous-section première, section 2, cha-
pitre VI, livre IV, de la quatrième partie du Code judi-
ciaire est modifié, pour indiquer que ladite sous-section
s’applique tant à l’hypothèse dans laquelle la demande
et le jugement ne concernent que la (seule) liquidation
judiciaire qu’à l’hypothèse dans laquelle la demande et
le jugement concernent (également) le partage judiciaire.
Art. 10
Plusieurs modifications sont apportées à l’ar-
ticle 1207 du Code judiciaire.
D’une part, l’alinéa 1er est ponctuellement adapté,
pour viser désormais tant l’hypothèse dans laquelle
seule la liquidation est demandée, que l’hypothèse
voorkomend geval, de verdeling te voorzien, d.i. in zo-
verre een verdeling zich opdringt wegens het bestaan
van een onverdeeldheid tussen de partijen;
— wordt een wijziging aangebracht aan het derde lid
om te verduidelijken dat het advies van de deskundigen
over het vormen van de kavels enkel in voorkomend
geval wordt gegeven, met andere woorden in zoverre
een verdeling zich opdringt vanwege het bestaan van
een onverdeeldheid tussen de partijen;
— wordt in het zesde lid de verwijzing naar de vorm
van de gerechtelijke verdeling vervangen door de uit-
drukking “gerechtelijke vorm”.
Art. 8
Het opschrift van afdeling 2 van hoofdstuk VI, boek IV,
van het vierde deel van het Gerechtelijk Wetboek (betref-
fende de gerechtelijke verdeling) wordt gewijzigd om zowel
rekening te houden met de gerechtelijke vereffening als
met de gerechtelijke verdeling, aangezien de vereffening
kan gebeuren zonder dat zij noodzakelijkerwijze wordt
gevolgd door een verdeling in de gevallen beschreven
in artikel 1207, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek
zoals gewijzigd door dit voorstel.
Dit nieuw opschrift laat toe aan te duiden dat deze
afdeling zowel van toepassing is op de gevallen waarin
alleen de gerechtelijke vereffening gebeurt (wegens
het gebrek aan onverdeeldheid tussen de partijen) als
op deze waarbij deze vereffening wordt gevolgd door
een verdeling.
Art. 9
Het opschrift van de eerste onderafdeling, afde-
ling 2, hoofdstuk VI, boek IV, van het vierde deel van
het Gerechtelijk Wetboek wordt gewijzigd om aan te
geven dat deze onderafdeling zowel van toepassing is op
gevallen waarbij de vordering en het vonnis (uitsluitend)
betrekking hebben op de gerechtelijke vereffening, als
op de gevallen waarin de vordering en het vonnis (even-
eens) betrekking hebben op de gerechtelijke verdeling.
Art. 10
Er worden meerdere wijzigingen aangebracht aan
artikel 1207 van het Gerechtelijk Wetboek.
Enerzijds wordt het eerste lid punctueel aangepast
om voortaan zowel rekening te houden met de gevallen
waarin alleen de vereffening wordt gevorderd, als met
0272/001
DOC 56
14
14
K A M E R • 1e Z I T T I N G VA N D E 56 e Z I T T I N G S P E R I O D E
2024
C H A M B R E 1e S E S S I O N D E L A 56 e L É G I S L AT U R E
dans laquelle la demande porte sur la liquidation et sur
le partage. Ainsi, le mot “indivisaires” est remplacé par
le mot “parties” (plus générique, en ce qu’il permet de
viser également l’hypothèse où les parties ne sont pas
en indivision, mais où une liquidation de leurs droits est
néanmoins requise), et la disposition prévoit désormais
que la liquidation et, le cas échéant, le partage (c’est-
à-dire pour autant qu’un partage s’impose en raison de
l’existence d’une indivision entre les parties), ont lieu
judiciairement, à défaut de liquidation-partage amiable.
D’autre part, un second alinéa est introduit à l’ar-
ticle 1207 du Code judiciaire, libellé comme suit: “Les
dispositions contenues dans les sections 2 et 3 du pré-
sent chapitre s’appliquent également, même à défaut
d’indivision, lorsque, en vertu du titre 3 du livre 2 du
Code civil ou du livre 4 du Code civil, la demande ne peut
porter que sur la liquidation. En ce cas, les articles 1209,
§ 3, 1212, 1214, § 1er, alinéas 3 à 6, 1214, § 6, alinéa 2,
1224 et 1224/1 ne sont applicables qu’à l’égard des
parties indivisaires.”.
Comme déjà mentionné aux termes de l’exposé des
motifs, l’objet de la présente modification législative est
essentiellement d’adapter ponctuellement les dispo-
sitions relatives au partage judiciaire contenues dans
le Code judiciaire, afin de rendre celles-ci également
applicables lorsque, à défaut d’indivision entre les par-
ties, un partage n’est pas requis mais qu’une liquidation
s’impose néanmoins en vue de la fixation du montant
de leurs droits. Il est précisé qu’il convient d’entendre
par “liquidation”, au sens de la présente proposition,
l’ensemble des opérations (au sens large) permettant
d’aboutir à la détermination en valeur, c’est-à-dire en
numéraire, des droits de chacune des parties. La liqui-
dation comporte ainsi essentiellement deux aspects: la
détermination de la masse et la valorisation des droits
des parties, qui consiste à chiffrer les droits de chacun
(N. Gendrin et D. Karadsheh, op. cit., p. 181, n° 175.
Voyez également, ce sens: T. Van Sinay, “Hoofdstuk I –
Enkele inleidende begrippen”, in Handboek gerechtelijke
verdeling, Bruxelles, Intersentia, 2010, pp. 1-2, n° 2;
C. Engels, “Partages et licitations judiciaires”, dans
Rép. not., tome XIII, La procédure notariale, livre 5/3,
Bruxelles, Larcier, 2015, p. 67, n° 12; A. Deliège, “L’état
liquidatif”, in La liquidation-partage, coll. ALN, Bruxelles,
Larcier, 2010, pp. 191 et suiv., spéc. p. 193; R. Dekkers,
H. Casman, A.-L. Verbeke, E. Alofs, Erfrecht & giften. Na
de codificatie van 2022, 4e éd., Bruxelles, Intersentia,
2023, pp. 143 à 145, n° 147).
Cette idée est traduite dans le second alinéa inséré
à l’article 1207 du Code judiciaire, dont l’objet est de
gevallen waarin de vordering zowel betrekking heeft op
de vereffening als op de verdeling. Zo wordt het woord
“mede-eigenaars” vervangen door het woord “partijen”,
(algemener aangezien het toelaat om ook rekening
te houden met de gevallen waarin de partijen niet in
onverdeeldheid zijn, maar waarbij een vereffening van
hun rechten toch vereist is) en voorziet de bepaling
voortaan dat de vereffening en, in voorkomend geval,
de verdeling (d.i. in zoverre een verdeling zich opdringt
wegens het bestaan van een onverdeeldheid tussen de
partijen) gerechtelijk gebeuren, bij gebrek aan minnelijke
vereffening-verdeling.
Anderzijds wordt een tweede lid toegevoegd aan
artikel 1207 van het Gerechtelijk Wetboek, met de vol-
gende bewoordingen: “De bepalingen opgenomen in
de afdelingen 2 en 3 van dit hoofdstuk zijn eveneens
van toepassing, zelfs bij gebrek aan onverdeeldheid,
wanneer, krachtens titel 3 van boek 2 of boek 4 van het
Burgerlijk Wetboek, het verzoek enkel betrekking kan
hebben op de vereffening. In dat geval, zijn de artike-
len 1209, § 3, 1212, 1214, § 1, lid 3 tot 6, 1214, § 6, lid 2,
1224 en 1224/1 slechts van toepassing ten aanzien van
de partijen-deelgenoten.”.
Zoals reeds vermeld in de memorie van toelichting, is
het doel van deze wetswijziging vooral om de bepalingen
betreffende de gerechtelijke verdeling opgenomen in het
Gerechtelijk Wetboek punctueel te wijzigen, om te zorgen
dat deze ook van toepassing zijn wanneer, bij gebrek
aan onverdeeldheid tussen de partijen, geen verdeling
vereist is, maar een vereffening zich toch opdringt met
het oog op het bepalen van het bedrag van hun rechten.
Er wordt verduidelijkt dat onder “vereffening”, in de zin
van huidig voorstel, moet worden verstaan: het geheel
aan verrichtingen (in de ruime zin) die toelaten om de
rechten van elk van de partijen in waarde, zijnde cijferma-
tig, te bepalen. De vereffening bestaat dus hoofdzakelijk
uit twee aspecten: de vaststelling van de massa en de
waardering van de rechten van de partijen, die bestaat
in het becijferen van de rechten van elkeen (N. Gendrin
en D. Karadsheh, op. cit., p. 181, nr. 175. Zie eveneens in
dezelfde zin: T. Van Sinay, “Hoofdstuk I – Enkele inleidende
begrippen”, in Handboek gerechtelijke verdeling, Brussel,
Intersentia, 2010, p. 1-2, nr. 2; C. Engels, “Partages et
licitations judiciaires”, in Rép. not., tome XIII, La procédure
notariale, boek 5/3, Brussel, Larcier, 2015, p. 67, nr. 12;
A. Deliège, “L’état liquidatif”, in La liquidation-partage,
coll. ALN, Brussel, Larcier, 2010, p. 191 e.v., bijz. p. 193;
R. Dekkers, H. Casman, A.-L. Verbeke, E. Alofs, Erfrecht
& giften. Na de codificatie van 2022, 4e ed., Brussel,
Intersentia, 2023, p. 143 tot 145, nr. 147).
Deze idee wordt vertaald in het tweede lid dat wordt
toegevoegd aan artikel 1207 van het Gerechtelijk Wetboek,
15
0272/001
DOC 56
15
K A M E R • 1e Z I T T I N G VA N D E 56 e Z I T T I N G S P E R I O D E
2024
C H A M B R E 1e S E S S I O N D E L A 56 e L É G I S L AT U R E
rendre les dispositions relatives au partage judiciaire
également applicables lorsqu’il n’est procédé qu’à la
liquidation.
La disposition nouvelle n’étend toutefois l’application
des articles 1207 à 1225 du Code judiciaire qu’aux
seules hypothèses où, à défaut d’indivision entre les
parties, la demande ne peut (juridiquement) porter que
sur la liquidation (et non sur le partage), en vertu soit
du titre 3 du livre 2 du Code civil (relatif aux relations
patrimoniales des couples) soit du livre 4 du Code civil
(relatif aux successions, donations et testaments).
Des parties se trouvant en situation d’indivision ne
pourraient dès lors délibérément limiter leur demande à
la seule liquidation de leurs droits, cette possibilité étant
limitée, aux termes de l’article 1207, alinéa 2, proposé,
à l’hypothèse dans laquelle, en l’absence d’indivision,
le partage ne se conçoit pas.
Par ailleurs, la présente proposition n’étend l’appli-
cation des articles 1207 et suivants du Code judicaire
qu’aux hypothèses dans lesquelles seule la liquidation
est (juridiquement) requise en vertu soit du titre 3 du
livre 2 du Code civil (relatif aux relations patrimoniales
des couples) soit du livre 4 du Code civil (relatif aux
successions, donations et testaments). Il s’agit de ne
pas étendre, dans le cadre de dispositions législatives à
portée essentiellement technique, la compétence ratione
personae du tribunal de la famille à des hypothèses qui
sont actuellement exclues de celle-ci.
En effet, aux termes de l’actuel article 572bis, 3°, 9°
et 10°, du Code judiciaire, le tribunal de la famille est
actuellement compétent pour connaître des demandes
entre époux et cohabitants légaux relatives à l’exercice
de leurs droits ou à leurs biens ainsi que les mesures
provisoires qui s’y rapportent (572bis, 3°, du Code
judiciaire), des demandes relatives aux régimes matri-
moniaux, aux successions, aux donations entre vifs ou
aux testaments (572bis, 9°, du Code judiciaire) et des
demandes de partage (quelle que soit la qualité des
indivisaires, mais pour autant que l’existence ou la vrai-
semblance d’une indivision soit établie: article 572bis,
10°, du Code judiciaire).
Ainsi:
le tribunal de la famille est actuellement compétent,
en vertu de l’article 572bis, 10°, du Code judiciaire, pour
met als doel te zorgen dat de bepalingen met betrekking
tot de gerechtelijke verdeling ook van toepassing zijn
wanneer alleen wordt overgegaan tot de vereffening.
De nieuwe bepaling breidt de toepassing van de
artikelen 1207 tot 1225 van het Gerechtelijk Wetboek
echter alleen uit tot de gevallen waarbij, bij gebrek aan
onverdeeldheid tussen de partijen, de vordering (juri-
disch) enkel betrekking kan hebben op de vereffening
(en niet op de verdeling), hetzij uit hoofde van titel 3 van
boek 2 van het Burgerlijk Wetboek (betreffende het
relatievermogensrecht), hetzij boek 4 van het Burgerlijk
Wetboek (betreffende de nalatenschappen, schenkingen
en testamenten).
Partijen die zich in onverdeeldheid bevinden, kunnen
hun vordering dientengevolge niet bewust beperken tot
de vereffening van hun rechten, aangezien deze mo-
gelijkheid krachtens het voorgestelde artikel 1207, lid 2,
beperkt wordt tot de gevallen waarin de verdeling niet
aan de orde is wegens het gebrek aan onverdeeldheid.
Dit voorstel breidt bovendien de toepassing van de
artikelen 1207 en volgende van het Gerechtelijk Wetboek
alleen uit tot de gevallen waarin de vereffening (juridisch)
vereist is krachtens hetzij titel 3 van boek 2 van het
Burgerlijk Wetboek (betreffende het relatievermogens-
recht), hetzij boek 4 van het Burgerlijk Wetboek (betref-
fende nalatenschappen, schenkingen en testamenten).
Het beoogt dus niet, binnen het kader van de wettelijke
bepalingen met een hoofdzakelijk technische reikwijdte,
de bevoegdheid ratione personae van de familierecht-
bank uit te breiden tot gevallen die er momenteel van
uitgesloten zijn.
Krachtens het huidige artikel 572bis, 3°, 9° en 10°,
van het Gerechtelijk Wetboek, is de familierechtbank
momenteel immers bevoegd om kennis te nemen van
de vorderingen tussen echtgenoten en wettelijk samen-
wonenden betreffende de uitoefening van hun rechten
of betreffende hun goederen, alsook de voorlopige
maatregelen die daarop betrekking hebben (572bis,
3°, van het Gerechtelijk Wetboek), van de vorderingen
met betrekking tot het huwelijksvermogensrecht, de
erfopvolging, schenkingen onder levenden of testamen-
ten (572bis, 9°, van het Gerechtelijk Wetboek) en van
vorderingen tot verdeling (ongeacht de hoedanigheid
van de mede-eigenaars, maar in zoverre het bestaan
of de waarschijnlijkheid van een onverdeeldheid werd
aangetoond: artikel 572bis, 10°, van het Gerechtelijk
Wetboek).
Aldus:
is de familierechtbank momenteel krachtens arti-
kel 572bis, 10°, van het Gerechtelijk Wetboek bevoegd
0272/001
DOC 56
16
16
K A M E R • 1e Z I T T I N G VA N D E 56 e Z I T T I N G S P E R I O D E
2024
C H A M B R E 1e S E S S I O N D E L A 56 e L É G I S L AT U R E
ordonner qu’il soit procédé au partage conformément
aux articles 1207 et suivants du Code judiciaire dès lors
que l’existence (ou la vraisemblance) d’une indivision
est établie, et ce quelle que soit la qualité des parties
et même si la situation d’indivision ne relève pas de la
sphère familiale.
Par ailleurs, en application de l’actuel article 572bis,
3° ou 9°, du Code judiciaire, le tribunal de la famille peut
également connaître des demandes limitées à la (seule)
liquidation des droits entre les parties, pour autant que
celles-ci soient des époux ou des cohabitants légaux
(article 572bis, 3°) ou que la demande soit relative à un
régime matrimonial ou à une succession (article 572bis,
9°). Toutefois, en cette hypothèse, le tribunal ne peut
ordonner, à défaut d’indivision, qu’il soit procédé à un
partage conformément aux articles 1207 et suivants du
Code judiciaire: la procédure prévue aux articles 1207 et
suivants du Code judiciaire n’étant actuellement pas
applicable en pareille hypothèse, la désignation d’un
notaire-liquidateur chargé (notamment) d’établir les
comptes entre les parties n’est pas possible et “le litige est
tranché directement, le cas échéant après mise en état,
par le tribunal de la famille” (N. Gendrin et D. Karadsheh,
Liquidation-partage, op. cit., pp. 97 et 98, n° 93).
En revanche, les (seules) liquidations entre des par-
ties qui ne sont ni des époux ni des cohabitants légaux
– tels notamment l’établissement de comptes résultant
de la vie commune entre des cohabitants de faits – ne
relèvent actuellement pas de la compétence du tribunal
de la famille et n’entrent pas dans le champ d’applica-
tion des articles 1207 et suivants du Code judiciaire (à
défaut d’indivision), sans que la Cour constitutionnelle
n’ait relevé de discrimination à cet égard (C. const.,
arrêt n° 1/2017 du 19 janvier 2017; voyez également
N. Gendrin et D. Karadsheh, Liquidation-partage, op. cit.,
pp. 97 et 98, n° 93). Ces demandes relèvent de la com-
pétence du tribunal de première instance.
La présente proposition – dont la portée est essen-
tiellement technique – n’entend pas, à ce stade, modifier
cette limitation de la compétence ratione personae et
ratione materiae du tribunal de la famille.
C’est la raison pour laquelle la présente proposition
n’étend l’application des articles 1207 et suivants du
Code judicaire qu’aux hypothèses dans lesquelles la
liquidation est – seule – (juridiquement) requise en vertu
soit du titre 3 du livre 2 du Code civil (relatif aux relations
patrimoniales des couples), soit du livre 4 du Code civil
(relatif aux successions, donations et testaments).
om te gelasten dat wordt overgegaan tot de verdeling con-
form de artikelen 1207 en volgende van het Gerechtelijk
Wetboek zodra het bestaan (of de waarschijnlijkheid) van
een onverdeeldheid wordt vastgesteld, en dit ongeacht de
hoedanigheid van de partijen en zelfs indien de toestand
van onverdeeldheid niet binnen de familiale sfeer valt.
kan de familierechtbank krachtens het huidige arti-
kel 572bis, 3° of 9°, van het Gerechtelijk Wetboek, boven-
dien ook kennis nemen van vorderingen die uitsluitend
beperkt zijn tot de vereffening van de rechten tussen
de partijen, in zoverre deze personen echtgenoten of
wettelijk samenwonenden (artikel 572bis, 3°) zijn of de
vordering betrekking heeft op een huwelijksstelsel of op
een nalatenschap (artikel 572bis, 9°). In dit geval kan de
rechtbank, bij gebrek aan onverdeeldheid, echter niet ge-
lasten dat wordt overgegaan tot een verdeling conform de
artikelen 1207 en volgende van het Gerechtelijk Wetboek.
Aangezien de procedure voorzien in de artikelen 1207 en
volgende van het Gerechtelijk Wetboek momenteel in
dit geval niet van toepassing is, is het niet mogelijk een
notaris-vereffenaar aan te stellen die (onder meer) be-
last is met het opstellen van de rekeningen tussen de
partijen en “wordt het geschil rechtstreeks beslecht door
de familierechtbank, in voorkomend geval na instaatstel-
ling” (N. Gendrin en D. Karadsheh, Liquidation-partage,
op. cit., p. 97 en 98, nr. 93).
(Loutere) vereffeningen tussen partijen die geen
echtgenoten of wettelijk samenwonenden zijn, zoals
met name het opstellen van rekeningen met betrekking
tot het gezamenlijk leven van feitelijk samenwonenden,
vallen daarentegen momenteel niet onder de bevoegd-
heid van de familierechtbank en behoren niet tot het
toepassingsgebied van de artikelen 1207 en volgende
van het Gerechtelijk Wetboek (bij gebrek aan onverdeeld-
heid), zonder dat het Grondwettelijk Hof in dit kader een
discriminatie heeft vastgesteld (Grondwettelijk Hof, ar-
rest nr. 1/2017 van 19 januari 2017; zie ook N. Gendrin en
D. Karadsheh, Liquidation-partage, op. cit., p. 97 en 98,
nr. 93). Deze vorderingen vallen onder de bevoegdheid
van de rechtbank van eerste aanleg.
Dit voorstel, dat hoofdzakelijk technisch van aard
is, beoogt momenteel niet om deze beperking van de
bevoegdheid ratione personae en ratione materiae van
de familierechtbank te wijzigen.
Om die reden breidt dit voorstel de toepassing van
de artikelen 1207 en volgende van het Gerechtelijk
Wetboek slechts uit tot de gevallen waarin – uitsluitend
– de vereffening (wettelijk) vereist is, hetzij krachtens
titel 3 van boek 2 van het Burgerlijk Wetboek (betref-
fende het relatievermogensrecht), hetzij boek 4 van
het Burgerlijk Wetboek (betreffende nalatenschappen,
schenkingen en testamenten).
17
0272/001
DOC 56
17
K A M E R • 1e Z I T T I N G VA N D E 56 e Z I T T I N G S P E R I O D E
2024
C H A M B R E 1e S E S S I O N D E L A 56 e L É G I S L AT U R E
L’hypothèse envisagée ici est essentiellement celle
dans laquelle, conformément au livre 4 du Code civil, un
(ou plusieurs) enfant(s) (ou le conjoint survivant, s’agis-
sant de sa réserve abstraite) est (sont), conformément
aux dispositions contenues dans le livre 4 du Code civil,
limité(s) à sa (leur) réserve en valeur, tandis qu’un (ou
plusieurs) autre(s) enfants(s) (voire le conjoint survivant)
ont été institués en qualité de légataire(s) universels(s).
Dès lors qu’il(s) ne joui(ssen)t de leur réserve qu’en
valeur (sous la forme d’une indemnité due par le ou les
gratifiés), l(’)(es) enfant(s) limité(s) à sa (leur) réserve
ne peu(ven)t prétendre à aucun droit sur les actifs de
la succession comme tels, de sorte qu’il(s) n’est (ne
sont) pas en indivision avec le(s) légataire(s) universel(s)
s’agissant desdits actifs.
Pourtant, il est, en pareille hypothèse, nécessaire de
liquider la succession afin (notamment) fixer le montant
de l’indemnité réservataire devant être payée à (aux)
(l’héritier(s) réservataire(s). En effet, ce montant dépend
notamment de l’actif et du passif successoraux (dont il
faut dresser l’inventaire) et des calculs à effectuer dans
le cadre de la liquidation de la succession (constitution
de la masse de calcul du disponible, imputation des
libéralités consenties par le défunt, prise en considération
des libéralités rapportables consenties aux héritiers,
qui constituent des “avances” sur leur part successo-
rale, …), même si – dans l’hypothèse envisagée ici – la
procédure ne se soldera pas par un “partage” au sens
de la constitution et l’attribution de lots. En revanche, la
constitution d’une “masse de partage” sera requise, dès
lors que c’est à ce stade que sont prises en considération
les libéralités rapportables consenties par le défunt.
Il existe encore d’autres hypothèses dans lesquelles
une liquidation s’impose mais pas un partage, à défaut
d’indivision entre les parties concernées.
Ainsi, en droit des régimes matrimoniaux (régi par le
titre 3 du livre 2 du Code civil), lorsque des époux ont
été mariés sous un régime de communauté aux termes
d’une convention matrimoniale incluant une clause
d’attribution de toute la communauté au bénéfice du
conjoint survivant, il n’y a, au décès du premier mourant,
pas d’indivision entre les héritiers du prémourant et le
conjoint survivant sur les biens communs, dès lors que
ceux-ci reviennent intégralement au conjoint survivant,
en vertu de la clause d’attribution de la communauté.
Toutefois, nonobstant cette absence d’indivision, il
convient de liquider la communauté pour établir notam-
ment le compte des récompenses qui pourraient, le cas
échéant, être dues par l’un ou l’autre des époux au profit
Het geval dat hier wordt beoogd, is hoofdzakelijk dat
waarbij, krachtens boek 4 van het Burgerlijk Wetboek, een
(of meerdere) kind(eren) (of de langstlevende echtgenoot
met betrekking tot zijn abstracte reserve) overeenkomstig
de bepalingen opgenomen in boek 4 van het Burgerlijk
Wetboek, beperkt worden tot hun reserve in waarde,
terwijl een (of meerdere) ander(e) kind(eren) (of zelfs
de langstlevende echtgenoot) werden aangesteld als
algemene legataris(sen). Aangezien zij slechts in waarde
kunnen genieten van hun reserve (in de vorm van een
vergoeding verschuldigd door de begunstigden), kan
(kunnen) het (de) kind(eren) dat (die) beperkt word(t)(en)
tot hun reserve geen aanspraak maken op rechten op
het nalatenschapsvermogen op zich, zodat deze niet in
onverdeeldheid is (zijn) met de algemene legataris(sen)
wat betreft dit vermogen.
In dergelijk geval is het echter noodzakelijk om de
nalatenschap te vereffenen, (onder meer) om het bedrag
te bepalen van de reservataire vergoeding die moet
worden betaald aan de reservataire erfgena(a)m(en).
Dit bedrag is immers onder meer afhankelijk van de
activa en de passiva van de nalatenschap (waarvan een
boedelbeschrijving moet worden opgesteld) en van de
berekeningen die moeten worden gemaakt in het kader
van de vereffening van de nalatenschap (samenstelling
van de rekenboedel ter berekening van het beschikbaar
deel, aanrekening van de giften verleend door de erflater,
in aanmerking nemen van de giften aan de erfgenamen
die moeten worden ingebracht, die “voorschotten” op
hun erfdeel zijn, …), zelfs indien de procedure – in de
hier beoogde hypothese niet uitmondt in een “verdeling”
in de zin van de vorming en de toewijzing van kavels.
Daarentegen is de samenstelling van een “te verdelen
boedel” vereist, aangezien in dit stadium rekening wordt
gehouden met de giften verleend door de erflater, die
moeten worden ingebracht.
Er bestaan nog andere gevallen waarbij wel een ver-
effening maar geen verdeling vereist is, bij gebrek aan
onverdeeldheid tussen de partijen in kwestie.
Zo is er volgens het huwelijksvermogensrecht (gere-
geld in titel 3 van boek 2 van het Burgerlijk Wetboek),
wanneer echtgenoten gehuwd zijn onder een stelsel
van gemeenschap met een huwelijksovereenkomst die
een clausule bevat waarbij de volledige gemeenschap
wordt toegewezen aan de langstlevende echtgenoot bij
het overlijden van de eerststervende echtgenoot, geen
onverdeeldheid van de goederen in de gemeenschap
tussen de erfgenamen van de eerststervende echtge-
noot en de langstlevende echtgenoot, aangezien deze
volledig toekomen aan de langstlevende echtgenoot
krachtens het verblijvingsbeding van de gemeenschap.
Niettegenstaande dit gebrek aan onverdeeldheid, moet
de gemeenschap echter vereffend worden om onder
0272/001
DOC 56
18
18
K A M E R • 1e Z I T T I N G VA N D E 56 e Z I T T I N G S P E R I O D E
2024
C H A M B R E 1e S E S S I O N D E L A 56 e L É G I S L AT U R E
de la communauté, ou inversement (voyez, s’agissant
de cette hypothèse: H. Casman et F. Lalière, “La réserve
en valeur et l’institution d’un cohéritier en qualité de
légataire universel”, op. cit., p. 114, n° 40).
Le second alinéa inséré à l’article 1207 du Code
judicaire a pour objectif de rencontrer ces hypothèses
en ce qu’il permet, d’une part, au juge saisi en pareille
circonstance, de faire droit à une demande limitée à la
liquidation (sans constitution ni attribution de lots) et,
d’autre part, au notaire-liquidateur et aux parties de
poursuivre la procédure dans le respect des différentes
étapes et des règles qui s’imposent en vertu de celle-ci.
Ainsi, les étapes nécessaires à la liquidation des droits
des parties seront observées en pareille hypothèse,
afin notamment d’établir le montant de leurs droits
(ouverture des opérations, inventaire ou détermination
amiable de la masse à liquider, communication des
pièces et formulation des revendications des parties,
aperçu des revendications des parties effectué par le
notaire, observations des parties quant à leurs reven-
dications respectives, établissement d’un état liquidatif
par le notaire, contredits, saisine du tribunal en cas de
contredits, …), mais les étapes relatives à la composi-
tion et à l’attribution des lots ne seront pas applicables
en l’absence d’indivision (les dispositions légales y
relatives étant adaptées en conséquence, aux termes
de la présente proposition: cf. infra).
La disposition nouvelle précise également qu’en ce
cas, certaines dispositions – à savoir celles spécifique-
ment relatives à l’hypothèse d’une indivision – ne seront
applicables qu’à l’égard des parties indivisaires (pour
autant qu’il y ait des indivisaires). Ainsi, par exemple,
dans l’hypothèse d’un défunt ayant laissé trois enfants
dont seul l’un est limité à sa réserve en valeur alors
que les deux autres ont été désignés en qualité de
légataires universels, il n’existe pas d’indivision sur les
biens successoraux entre l’enfant limité à sa réserve
et ses cohéritiers institués en qualité de légataires
universels, mais il existe, en revanche, une indivision
entre les deux enfants légataires universels. En ce
cas, les dispositions visées par la dernière phrase de
l’alinéa 2 inséré à l’article 1207 du Code judiciaire ne
seront applicables qu’entre les deux enfants désignés
en qualité de légataires universels.
meer de rekening van de vergoedingen op te stellen
die, in voorkomend geval, door een van de echtgenoten
verschuldigd kunnen zijn ten gunste van de gemeenschap
of omgekeerd (zie met betrekking tot dit geval: H. Casman
en F. Lalière, “La réserve en valeur et l’institution d’un
cohéritier en qualité de légataire universel”, op. cit.,
p. 114, nr. 40).
Het doel van het tweede lid dat wordt toegevoegd
aan artikel 1207 van het Gerechtelijk Wetboek is om
rekening te houden met deze gevallen, in zoverre het
de rechter gevat voor een dergelijke zaak, toelaat om
recht te doen aan een vordering die wordt beperkt
tot de vereffening (zonder vorming noch toewijzing
van kavels) en, anderzijds, de notaris-vereffenaar en
de partijen toelaat om de procedure verder te zetten
rekening houdend met de verschillende stappen en
regels die hiervoor gelden. Zo zullen de stappen die
nodig zijn voor de vereffening van de rechten van de
partijen in dit geval worden nageleefd, met name om
het bedrag van hun rechten te bepalen (opening van
de werkzaamheden, boedelbeschrijving of minnelijke
bepaling van de te vereffenen boedel, voorlegging van
de stukken en formulering van de aanspraken van de
partijen, overzicht van de aanspraken van de partijen
opgesteld door de notaris, opmerkingen van de partijen
over hun respectievelijke aanspraken, opstellen van een
staat van vereffening door de notaris, bezwaren, vatten
van de rechtbank in geval van bezwaren, …), maar de
stappen met betrekking tot de vorming en de toewijzing
van kavels zullen niet van toepassing zijn bij gebrek
aan onverdeeldheid (waarbij de wettelijke bepalingen
die hierop betrekking hebben dientengevolge worden
aangepast krachtens dit voorstel: cf. infra).
De nieuwe bepaling verduidelijkt ook dat in dit geval
sommige bepalingen, met name deze die specifiek
betrekking hebben op de gevallen van onverdeeldheid,
slechts van toepassing zijn ten aanzien van de partijen-
deelgenoten (in zoverre er deelgenoten zijn). Zo bestaat
er bijvoorbeeld in het geval waarbij een erflater drie
kinderen nalaat waarvan slechts één beperkt wordt tot
zijn reserve in waarde terwijl de andere twee worden aan-
gesteld als algemene legatarissen, geen onverdeeldheid
voor de goederen van de nalatenschap tussen het kind
dat beperkt is tot zijn reserve en zijn mede-erfgenamen
aangesteld in de hoedanigheid van algemene legataris-
sen, maar bestaat er wel een onverdeeldheid tussen de
twee kinderen die algemene legatarissen zijn. In dit geval
zijn de bepalingen die vallen onder de laatste zin van het
tweede lid die werd ingevoegd in artikel 1207 van het
Gerechtelijk Wetboek, alleen van toepassing tussen de
twee kinderen aangesteld als algemene legatarissen.
19
0272/001
DOC 56
19
K A M E R • 1e Z I T T I N G VA N D E 56 e Z I T T I N G S P E R I O D E
2024
C H A M B R E 1e S E S S I O N D E L A 56 e L É G I S L AT U R E
Ces dispositions (dont l’application est limitées aux
seuls indivisaires) sont les suivantes:
— l’article 1209, § 3, du Code judiciaire, relatif au
jugement actant l’accord des parties sur la vente publique
ou de gré à gré de tous ou partie des biens indivis et
aux effet dudit accord;
— l’article 1212 du Code judiciaire, relatif à la gestion
de la masse indivise;
— l’article 1214, § 1er, alinéas 3 à 6, relatifs à la vente
publique et à la vente de gré à gré des biens indivis;
— l’article 1214, § 6, alinéa 2, relatif à la compétence
du notaire-liquidateur, nonobstant l’absence ou le refus
de signer d’une partie, de recevoir le prix d’adjudication
et autres créances, en donner quittance et donner main-
levée de toute inscription, transcription et opposition;
— l’article 1224 du Code judiciaire, relatif à la vente
des biens non commodément partageables en nature;
— l’article 1224/1 relatif à l’hypothèse particulière
dans laquelle les biens non commodément partageables
en nature au sens de l’article 1224 sont des meubles.
Art. 11
L’article 1208 du Code judiciaire est adapté pour
viser désormais tant l’hypothèse dans laquelle, à défaut
d’indivision entre les parties, il n’est procédé qu’à la
liquidation de leurs droits que l’hypothèse dans laquelle
il est procédé à un partage.
Ainsi:
— le paragraphe 1er, relatif à jonction des causes,
en cas de pluralités de demandes sollicitant le partage
de la même indivision est adapté pour viser également
l’hypothèses de la pluralité de demandes visant la liqui-
dation de la même masse;
— les paragraphes 2 et 3 – qui énoncent le principe
selon lequel s’il existe entre les parties une autre indivision
n’impliquant pas de tiers et dont la liquidation préalable est
nécessaire pour aboutir au partage sollicité, la demande
et le jugement prononcé comprennent de plein droit la
Het gaat om volgende bepalingen (waarvan de toe-
passing beperkt is tot de deelgenoten alleen):
— artikel 1209, § 3, van het Gerechtelijk Wetboek,
met betrekking tot het vonnis waarin het akkoord van
de partijen over de verkoop, openbaar of uit de hand,
van alle of een deel van de onverdeelde goederen wordt
vastgesteld, en met betrekking tot de gevolgen van dit
akkoord;
— artikel 1212 van het Gerechtelijk Wetboek, met
betrekking tot het beheer van de onverdeelde boedel;
— artikel 1214, § 1, lid 3 tot 6, met betrekking tot de
openbare verkoop en de verkoop uit de hand van de
onverdeelde goederen;
— artikel 1214, § 6, lid 2, betreffende de bevoegdheid
van de notaris-vereffenaar om, niettegenstaande een
partij afwezig is of weigert te tekenen, de toewijzings-
prijzen en andere schuldvorderingen te ontvangen, er
kwijting van te geven en opheffing te verlenen van elke
inschrijving, overschrijving en verzet;
— artikel 1224 van het Gerechtelijk Wetboek, betref-
fende de verkoop van goederen waarvan de gevoeglijke
verdeling in natura onmogelijk is;
— artikel 1224/1 betreffende het specifieke geval waarin
de goederen die niet gevoeglijk in natura verdeelbaar
zijn in de zin van artikel 1224, roerende goederen zijn.
Art. 11
Artikel 1208 van het Gerechtelijk Wetboek wordt
aangepast zodat het voortaan zowel rekening houdt
met gevallen waarin, bij gebrek aan onverdeeldheid
tussen de partijen, uitsluitend wordt overgegaan tot de
vereffening van hun rechten, als met gevallen waarin
wordt overgegaan tot een verdeling.
Aldus:
— wordt de eerste paragraaf, met betrekking tot de
samenvoeging van zaken, in geval van meerdere vorde-
ringen waarin de verdeling van dezelfde onverdeeldheid
wordt gevraagd, aangepast om ook rekening te houden
met gevallen van meerdere vorderingen met betrekking
tot de vereffening van dezelfde boedel;
— paragrafen 2 en 3 – die het principe vermelden dat
indien tussen de partijen een andere onverdeeldheid
bestaat waarbij geen derden betrokken zijn en waarbij
de voorafgaande vereffening noodzakelijk is om de
gevorderde verdeling te voltrekken, de vordering en het
0272/001
DOC 56
20
20
K A M E R • 1e Z I T T I N G VA N D E 56 e Z I T T I N G S P E R I O D E
2024
C H A M B R E 1e S E S S I O N D E L A 56 e L É G I S L AT U R E
liquidation de cette indivision – sont respectivement
adaptés pour viser désormais l’hypothèse dans laquelle
la liquidation d’une autre masse (pas nécessairement
indivise) n’impliquant pas de tiers est nécessaire pour
aboutir à la liquidation ou au partage sollicité;
— le paragraphe 4, relatif à l’hypothèse du partage
distinct pouvant être ordonné par le juge s’agissant des
biens situés à l’étranger qu’il désigne, est adapté pour
autoriser également qu’il soit procédé à une liquidation
distincte s’agissant de ces biens.
Art. 12
L’article 1210 du Code judiciaire, relatif à la désignation
du notaire-liquidateur, est adapté en ses paragraphes 1er
et 4, pour viser désormais tant l’hypothèse dans laquelle,
à défaut d’indivision entre les parties, seule la liquidation
est ordonnée que l’hypothèse dans laquelle le tribunal
ordonne le partage.
Art. 13
Plusieurs modifications sont apportées à l’ar-
ticle 1214 du Code judiciaire, dont trois ne sont pas
directement liées à la nécessité de rendre les dispositions
relatives au partage judiciaire également applicables
lorsque les opérations sont limitées à la liquidation.
Il s’agit, en premier lieu, de l’ajout du terme “explici-
tement” à l’article 1214, § 2, alinéa 1er.
Aux termes de l’actuel article 1214, § 2, alinéa 1er, du
Code judiciaire, les parties sont autorisées à renoncer
à l’établissement d’un inventaire, pour autant qu’elles
s’accordent pour indiquer au notaire-liquidateur quelle est
la masse à partager. Ceci suppose toutefois un accord
de chacune d’elles tant sur le principe de la renonciation
à l’inventaire que sur l’étendue de la masse à liquider ou
à partager (C. Aughuet et M. Carbone, “La procédure de
liquidation-partage judiciaire nouvelle est arrivée!”, Act.
dr. fam., 2012, p. 78 et suiv, spéc. p. 88, n° 17).
Les travaux préparatoires de la loi du 13 août 2011 ré-
formant la procédure de liquidation-partage judiciaire (qui a
introduit cette disposition) précisent qu’“il résulte du libellé
de la disposition que si l’une des parties est incapable
ou si l’une d’elles est absente ou ne marque pas son
accord pour une dispense d’inventaire ou un inventaire
uitgesproken vonnis van rechtswege de vereffening van
deze onverdeeldheid inhouden – worden respectievelijk
aangepast om voortaan rekening te houden met gevallen
waarin de vereffening van een andere (niet noodzakelijk
onverdeelde) boedel waarbij geen derden betrokken
zijn, noodzakelijk is om de gevorderde vereffening of
verdeling te voltrekken;
— paragraaf 4, betreffende het geval waarin de rechter
een afzonderlijke verdeling kan bevelen voor de in het
buitenland gelegen goederen die hij aanwijst, wordt
gewijzigd om ook de voltrekking van een afzonderlijke
vereffening voor deze goederen toe te laten.
Art. 12
Artikel 1210 van het Gerechtelijk Wetboek betreffende
de notaris-vereffenaar wordt aangepast in de eerste en
de vierde paragraaf, teneinde voortaan zowel rekening
te houden met gevallen waarin alleen de vereffening
wordt gevorderd bij gebrek aan onverdeeldheid tussen
de partijen, als met gevallen waarin de rechtbank de
verdeling beveelt.
Art. 13
Er worden meerdere wijzigingen aangebracht aan
artikel 1214 van het Gerechtelijk Wetboek, waarvan er
drie niet rechtstreeks verband houden met de noodzaak
om de bepalingen betreffende de gerechtelijke verdeling
ook toepasselijk te maken wanneer de procedure wordt
beperkt tot de vereffening.
Het gaat in eerste instantie om de toevoeging van
het woord “uitdrukkelijk” aan artikel 1214, § 2, eerste lid.
Krachtens het huidige artikel 1214, § 2, eerste lid, van
het Gerechtelijk Wetboek, hebben de partijen het recht
om af te zien van het opstellen van de boedelbeschrijving,
voor zover zij gezamenlijk aan de notaris-vereffenaar
aanduiden welke goederen afhangen van de te verdelen
boedel. Dit veronderstelt echter dat alle partijen het zowel
eens zijn over de afstand van de boedelbeschrijving
als over de omvang van de te vereffenen of te verdelen
boedel (C. Aughuet en M. Carbone, “La procédure de
liquidation-partage judiciaire nouvelle est arrivée!”, Act.
dr. fam., 2012, p. 78 e.v., in het bijzonder p. 88, nr. 17).
De voorbereidende werkzaamheden voor de wet
van 13 augustus 2011 houdende hervorming van de
procedure van gerechtelijke vereffening-verdeling (waarbij
deze bepaling werd ingevoerd) verduidelijken dat “uit
de tekst van de bepaling volgt dat wanneer een van de
partijen onbekwaam is of indien een van de partijen
21
0272/001
DOC 56
21
K A M E R • 1e Z I T T I N G VA N D E 56 e Z I T T I N G S P E R I O D E
2024
C H A M B R E 1e S E S S I O N D E L A 56 e L É G I S L AT U R E
sur déclarations, l’inventaire sera toujours requis. Le juge
de paix ne peut ni autoriser la renonciation à l’inventaire
au nom d’un incapable, ni autoriser qu’il soit procédé au
nom de celui-ci à un inventaire sur déclarations (sous
réserve, s’agissant de l’inventaire sur déclarations, du
cas où il est impossible de procéder autrement visé
à l’article 1182, alinéa 2, C. jud.)” (Proposition de loi
réformant la procédure de liquidation-partage judiciaire,
Commentaire des articles, Doc. parl., Sén., sess. ord.
2010-2011, n° 5-405/1, p. 34).
Dans le même sens, la doctrine considère que: “la
renonciation [à l’inventaire] devant nécessairement
intervenir à l’unanimité des parties concernées par la
procédure de liquidation-partage, l’absence ou le refus
de l’une seule d’entre elles empêchera toute dispense
d’inventaire” (C. De Boe et J.-Fr. van Drooghenbroeck,
“L’inventaire après la réforme du partage judiciaire”,
J.J.P., 2013, pp. 137 et suiv., spéc. p. 140, n° 9).
Cependant, la Cour de cassation a jugé, aux termes
d’un arrêt du 6 janvier 2022, que la disposition “n’em-
pêche pas le notaire-liquidateur de déduire, dans des
circonstances qui ne sont susceptibles d’aucune autre
explication, de l’absence ou du silence circonstancié
de l’un des copartageants que celui-ci consent à la
renonciation à un inventaire ainsi qu’à l’indication des
biens qui dépendent de la masse à partager” (Cass.,
6 janvier 2022, R.W., 2021-22, p. 1437; T. Not., 2022,
p. 215, traduction libre). La Cour de cassation admet
ainsi que la renonciation à l’établissement d’un inventaire
puisse intervenir tacitement, et même en l’absence de
l’une des parties.
Dans la mesure où tel n’était pas le vœu du législateur
lors de l’adoption de la loi du 13 avril 2011 réformant la
procédure de liquidation-partage judiciaire (voyez l’extrait
des travaux préparatoires cité ci-dessus), la présente
proposition ajoute, à l’article 1214, § 2, alinéa 1er, du Code
judiciaire, la précision que la renonciation des parties à
l’inventaire doit intervenir “explicitement”.
La possibilité, prévue à l’article 1214, § 2, alinéa 1er,
du Code judiciaire, de renoncer à l’établissement d’un
inventaire constitue, en effet, une exception à l’obligation
générale d’établir un inventaire, qui suppose nécessai-
rement l’accord explicite de toute les parties tant sur le
principe de la renonciation à l’inventaire que sur l’étendue
de la masse à liquider ou à partager. Il en résulte que
afwezig is of niet akkoord gaat met een vrijstelling van
boedelbeschrijving of met een boedelbeschrijving op
verklaring, de boedelbeschrijving, steeds zal vereist
zijn. De vrederechter kan geen machtiging geven om
aan de boedelbeschrijving te verzaken namens een
onbekwame, noch om namens de onbekwame deze
op verklaring op te maken (onder voorbehoud van de
boedelbeschrijving op verklaring voor het geval die niet
anders kan worden verricht zoals bedoeld in artikel 1182,
tweede lid, van het gerechtelijk wetboek.)” (Wetsvoorstel
houdende hervorming van de procedure van gerechte-
lijke vereffening-verdeling, Artikelsgewijze toelichting,
Parl. St. Senaat, 2010-2011, nr. 5-405/1, p. 34).
Op dezelfde manier overweegt de rechtsleer dat: “aan-
gezien het afzien [van de boedelbeschrijving] noodzakelij-
kerwijze moet gebeuren bij unanimiteit van de partijen die
betrokken zijn bij de procedure van vereffening-verdeling,
verhindert de afwezigheid of de weigering van een van
de partijen elke vrijstelling van boedelbeschrijving”
(C. De Boe en J.-Fr. van Drooghenbroeck, “L’inventaire
après la réforme du partage judiciaire”, T.Vred. 2013,
p. 137 e.v., in het bijzonder p. 140, nr. 9, vrije vertaling).
In een arrest van 6 januari 2022 heeft het Hof van
Cassatie echter geoordeeld: “Voormelde bepalingen
staan niet eraan in de weg dat de notaris-vereffenaar
onder omstandigheden die niet voor een andere uitleg
vatbaar zijn, uit de afwezigheid of het omstandig stilzwij-
gen van een van de deelgenoten afleidt dat deze instemt
met de afstand van een boedelbeschrijving evenals met
de aanduiding van de goederen die afhangen van de te
verdelen boedel” (Cass., 6 januari 2022, R.W., 2021-22,
p. 1437; T. Not., 2022, p. 215). Het Hof van Cassatie
erkent hierdoor dat de verzaking van het opstellen van
een boedelbeschrijving stilzwijgend kan gebeuren, en
zelfs bij afwezigheid van een van de partijen.
In zoverre dit niet de wens van de wetgever was bij het
aannemen van de wet van 13 april 2011 houdende her-
vorming van de procedure van gerechtelijke vereffening-
verdeling (zie het uittreksel uit de hierboven geciteerde
voorbereidende werkzaamheden), voegt dit voorstel aan
artikel 1214, § 2, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek,
de verduidelijking toe dat de verzaking door de partijen
van de boedelbeschrijving “uitdrukkelijk” moet gebeuren.
De mogelijkheid die in artikel 1214, § 2, eerste alinea,
van het Gerechtelijk Wetboek wordt voorzien om af te
zien van het opstellen van een boedelbeschrijving, vormt
immers een uitzondering op de algemene verplichting
om een boedelbeschrijving op te stellen, die noodza-
kelijkerwijze het uitdrukkelijke akkoord van alle partijen
veronderstelt, zowel over het principe van de verzaking
0272/001
DOC 56
22
22
K A M E R • 1e Z I T T I N G VA N D E 56 e Z I T T I N G S P E R I O D E
2024
C H A M B R E 1e S E S S I O N D E L A 56 e L É G I S L AT U R E
ladite renonciation ne pourrait intervenir tacitement ni,
a fortiori, en l’absence de l’une des parties.
L’utilisation du terme “explicitement” fait ici écho à la
jurisprudence de la Cour de cassation relative aux accords
procéduraux intervenus entre les parties qui, pour autant
qu’ils soient “explicites” lient le juge (Cass., 9 mai 2008,
J.T., 2008, p. 721, note J.-Fr. van Drooghenbroeck, R.W.,
2008-2009, p. 1765, note S. Mosselmans).
La deuxième modification de fond apportée à l’ar-
ticle 1214 du Code judiciaire est la précision, au § 2,
alinéa 2, que le notaire-liquidateur fixe, outre les jour et
heure auxquels il sera procédé à la première vacation
d’inventaire (ce qui est déjà prévu par la disposition), le
lieu où celle-ci se tiendra.
Il est vrai qu’aux termes de l’article 1182 du Code judi-
ciaire, l’inventaire “est fait dans les lieux où se trouvent
les objets à inventorier”. Toutefois, il semble qu’en pra-
tique, la question du lieu de l’inventaire suscite parfois
certaines discussions, notamment lorsque la résidence
et le domicile de l’une des parties ne coïncident pas.
La modification proposée tend à remédier à cette
difficulté, en invitant le notaire-liquidateur à préciser le
lieu où se tiendra l’inventaire.
Enfin, la troisième adaptation de fond apportée à
l’article 1214 du Code judiciaire concerne l’hypothèse
dans laquelle un inventaire a déjà été réalisé (le cas
échéant avant la mise en œuvre de la procédure de
liquidation-partage judiciaire), en application des ar-
ticles 1175 et suivants du Code judiciaire. En cette hypo-
thèse, il semble inopportun, dans un souci d’efficacité et
d’accélération de la procédure – qui constituaient déjà
l’un des objectifs du législateur lors de l’adoption de la
loi du 13 avril 2011 réformant la procédure de liquida-
tion-partage judiciaire – d’imposer l’établissement d’un
nouvel inventaire ab initio, alors qu’un inventaire existe
déjà et que cet inventaire a été établi conformément aux
dispositions du Code judiciaire relatives à l’inventaire.
Dans cette perspective, l’article 1214, § 2, de Code
judiciaire est complété d’un dernier alinéa, pour prévoir
qu’en pareille hypothèse, il est procédé à l’inventaire
imposé dans le cadre de la procédure de liquidation-
partage judiciaire par l’établissement d’un procès-verbal
de récolement de l’inventaire déjà établi, le cas échéant
actualisé ou complété à raison d’éléments nouveaux.
aan de boedelbeschrijving als over de omvang van de te
vereffenen of te verdelen boedel. Als gevolg hiervan kan
deze afstand niet stilzwijgend gebeuren, noch, a fortiori,
bij afwezigheid van een van de partijen.
Het gebruik van de term “uitdrukkelijk” weerspiegelt
hierbij de rechtspraak van het Hof van Cassatie betref-
fende procedurele akkoorden aangegaan tussen de
partijen die, in zoverre ze “uitdrukkelijk” zijn, bindend zijn
voor de rechter (Cass., 9 mei 2008, J.T., 2008, p. 721,
noot J.-Fr. van Drooghenbroeck, R.W., 2008-2009, p. 1765,
noot S. Mosselmans).
De tweede wijziging ten gronde aangebracht aan
artikel 1214 van het Gerechtelijk Wetboek is de verdui-
delijking, in § 2, lid 2, dat de notaris-vereffenaar, naast
de dag en het uur waarop er tot de eerste vacatie van
boedelbeschrijving zal worden overgegaan (hetgeen
reeds werd voorzien in de bepaling), de plaats vastlegt
waar deze zal worden gehouden.
Het is inderdaad zo dat, volgens de bewoordingen
van artikel 1182 van het Gerechtelijk Wetboek, de boe-
delbeschrijving “geschiedt in de plaatsen waar de te
beschrijven voorwerpen zich bevinden”. Het lijkt ech-
ter dat, in de praktijk, de vraag naar de plaats van de
boedelbeschrijving soms aanleiding geeft tot bepaalde
discussies, meer bepaald wanneer de verblijfplaats en de
woonplaats van één van de partijen niet overeenstemmen.
De voorgestelde wijziging beoogt om tegemoet te ko-
men aan deze moeilijkheid, door de notaris-vereffenaar
uit te nodigen om de plaats te verduidelijken waar de
boedelbeschrijving zal worden gehouden.
De derde wijziging ten gronde aangebracht aan arti-
kel 1214 van het Gerechtelijk Wetboek heeft ten slotte
betrekking op gevallen waarin reeds een boedelbe-
schrijving werd opgesteld (in voorkomend geval vooraf-
gaand aan het in gang zetten van de procedure van de
gerechtelijke vereffening-verdeling), overeenkomstig de
artikelen 1175 en volgende van het Gerechtelijk Wetboek.
In dit geval lijkt het, met het oog op de efficiëntie en de
snelheid van de procedure, die reeds tot de doelstellin-
gen van de wetgever behoorden bij het aannemen van
de wet van 13 april 2011 houdende hervorming van de
procedure van gerechtelijke vereffening-verdeling, niet
opportuun om de opstelling ab initio van een nieuwe
boedelbeschrijving op te leggen, wanneer dergelijke
boedelbeschrijving reeds bestaat en werd opgesteld
krachtens de bepalingen van het Gerechtelijk Wetboek
betreffende de boedelbeschrijving. In dit kader wordt
artikel 1214, § 2, van het Gerechtelijk Wetboek aange-
vuld met een laatste lid om te voorzien dat in dergelijke
gevallen wordt overgegaan tot de boedelbeschrijving
opgelegd in het kader van de procedure van gerechtelijke
23
0272/001
DOC 56
23
K A M E R • 1e Z I T T I N G VA N D E 56 e Z I T T I N G S P E R I O D E
2024
C H A M B R E 1e S E S S I O N D E L A 56 e L É G I S L AT U R E
Ainsi, dans l’hypothèse où l’inventaire précédemment
établi en application des articles 1175 et suivants du Code
judiciaire serait complet, le procès-verbal de récolement
constatera que cet inventaire tient lieu d’inventaire établi
dans le cadre de la procédure de liquidation-partage
judiciaire. En revanche, dans l’hypothèse où l’inventaire
établi en application des articles 1175 et suivants du Code
judiciaire ne serait que partiel ou que l’actualisation des
estimations serait requise, le procès-verbal de récole-
ment comportera une actualisation de cet inventaire ou
le complètera, de la manière et dans les délais prévus
par la procédure de liquidation-partage judiciaire.
Par ailleurs, l’article 13 de la présente proposition
apporte encore aux § 2, § 3, § 5 et § 7, de l’article 1214 du
Code judiciaire une série d’adaptations techniques pour
viser désormais tant l’hypothèse dans laquelle, à défaut
d’indivision entre les parties, seule la liquidation est
(légalement) requise que l’hypothèse dans laquelle il
convient également de procéder au partage.
Ainsi:
— il est désormais fait référence, aux § 2 et § 3, à la
masse “à liquider ou à partager” (et non plus uniquement
à la masse “à partager”);
— au § 5, le terme “copartageants” est remplacé par
le terme “parties” (qui est plus générique, en ce qu’il
permet de viser également l’hypothèse où les parties
ne sont pas en indivision, mais où une liquidation de
leurs droits est néanmoins requise);
— au § 5, il est désormais précisé que le notaire
procède “le cas échéant” à la composition des lots
et aux attributions à faire à chacune des parties: en
effet, l’établissement de lots n’est requise qu’en cas de
partage et non lorsque les opérations sont limitées à la
seule liquidation;
— au § 7, il est désormais précisé que le notaire
dresse, en un état liquidatif, le “projet de liquidation et,
le cas échéant, de partage”: cette nouvelle formulation
permet de viser également l’hypothèse dans laquelle il
convient de procéder à la liquidation sans que celle-ci
ne soit suivie d’un partage.
Enfin, l’article 13 de la présente proposition apporte, en
son 6°, une modification qui n’est pas liée à la nécessité
de rendre les dispositions relatives au partage judiciaire
vereffening-verdeling door het opstellen van een proces-
verbaal van vergelijking van de reeds opgestelde boe-
delbeschrijving, in voorkomend geval geactualiseerd of
aangevuld omwille van nieuwe elementen. In het geval
dat de boedelbeschrijving die voorafgaandelijk werd
opgesteld conform de artikelen 1175 en volgende van
het Gerechtelijk Wetboek volledig is, stelt dit proces-
verbaal van vergelijking aldus vast dat deze als boedel-
beschrijving opgesteld in het kader van de procedure
van gerechtelijke vereffening-verdeling geldt. In het
geval de boedelbeschrijving opgesteld krachtens de
artikelen 1175 en volgende van het Gerechtelijk Wetboek
slechts gedeeltelijk is of de actualisering van de schat-
tingen vereist is, zal het proces-verbaal van vergelijking
een actualisatie of aanvulling van deze boedelbeschrijving
inhouden, op de manier en binnen de termijnen voorzien
in de procedure van gerechtelijke vereffening-verdeling.
Artikel 13 van dit voorstel brengt bovendien ook een
aantal technische wijzigingen aan, aan § 2, § 3, § 5 en
§ 7, van artikel 1214 van het Gerechtelijk Wetboek om
voortaan zowel te verwijzen naar gevallen waarin alleen
de vereffening (wettelijk) vereist is bij gebrek aan on-
verdeeldheid, als met gevallen waarin ook moet worden
overgaan tot de verdeling.
Aldus:
— wordt in § 2 en § 3 voortaan verwezen naar “de te
vereffenen of te verdelen” boedel (en niet meer uitsluitend
naar de “te verdelen” boedel);
— wordt in § 5 het woord “deelgenoten” vervangen
door het woord “partijen” (dat algemener is aangezien
het toelaat ook rekening te houden met gevallen waarin
er geen onverdeeldheid tussen de partijen is, maar een
vereffening van hun rechten toch vereist is);
— wordt in § 5 voortaan verduidelijkt dat de notaris
“in voorkomend geval” de kavels samenstelt en de af-
rekening doet die met elk van de partijen moet worden
gedaan: het samenstellen van de kavels is immers al-
leen vereist in geval van verdeling en niet wanneer de
procedure louter beperkt is tot de vereffening;
— wordt in § 7 voortaan verduidelijkt dat de notaris, in
een staat van vereffening, het “ontwerp van vereffening
en, in voorkomend geval, van verdeling” opmaakt: deze
nieuwe formulering laat toe om ook rekening te houden
met gevallen waarin moet worden overgegaan tot de
vereffening zonder dat deze moet worden gevolgd door
een verdeling.
Ten slotte brengt artikel 13 van dit voorstel, in zijn 6°,
een wijziging aan die geen verband houdt met de nood-
zaak om de bepalingen betreffende de gerechtelijke
0272/001
DOC 56
24
24
K A M E R • 1e Z I T T I N G VA N D E 56 e Z I T T I N G S P E R I O D E
2024
C H A M B R E 1e S E S S I O N D E L A 56 e L É G I S L AT U R E
également applicables lorsque les opérations sont
limitées à la liquidation. Ainsi, la disposition complète
l’article 1214 du Code judiciaire (qui contient les dispo-
sitions générales), en insérant un paragraphe 8, libellé
comme suit: “Les délais convenus ou fixés en application
de la présente section se comptent conformément au
chapitre VIII de la première partie du présent Code.”.
Il semble en effet que, dans la pratique, certaines
contestations s’élèvent parfois quant à la manière dont
il convient de computer les délais convenus amiable-
ment ou fixés par la loi dans le cadre de la procédure
de liquidation-partage judiciaire. Dans la mesure où ils
sont convenus ou fixés en application de dispositions
contenues dans le Code judiciaire, ces délais sont
régis, s’agissant notamment de leur computation, par
les principes généraux contenus aux articles 48 à 57 du
Code judiciaire. Le paragraphe 8 inséré par la présente
proposition le précise désormais explicitement.
Art. 14
L’article 1217, alinéa 1er, du Code judiciaire (relatif au
calendrier de mise en état conventionnel applicable à
la phase notariale des opérations) est ponctuellement
adapté, pour viser désormais tant l’hypothèse dans
laquelle, à défaut d’indivision entre les parties, il n’est
procédé qu’à la liquidation, que l’hypothèse dans laquelle
il est également procédé à un partage.
Art. 15
L’article 1218, § 3, alinéa 1er, du Code judiciaire (relatif
au calendrier de mise en état légal applicable à la phase
notariale des opérations) est ponctuellement adapté, en
ses alinéas 1er et 2, pour viser désormais tant l’hypothèse
dans laquelle, à défaut d’indivision entre les parties, il
n’est procédé qu’à la liquidation, que l’hypothèse dans
laquelle il est également procédé à un partage.
Par ailleurs, une modification technique est apportée
à l’article 1218, § 3, 3°, du Code judicaire.
Cette disposition (issue de la loi du 13 août 2011 ré-
formant la procédure de liquidation-partage judiciaire)
énonce actuellement que lorsqu’il a été fait applica-
tion de l’article 1216 du Code judiciaire (c’est-à-dire
lorsqu’un procès-verbal intermédiaire a été déposé au
tribunal pour l’inviter à trancher les litiges ou difficultés
verdeling ook van toepassing te maken wanneer de
verrichtingen beperkt zijn tot de vereffening. De bepa-
ling vervolledigt aldus artikel 1214 van het Gerechtelijk
Wetboek (dat de algemene bepalingen bevat) met een
paragraaf 8 die als volgt luidt: “De termijnen die in toepas-
sing van deze afdeling zijn overeengekomen of bepaald,
worden berekend overeenkomstig hoofdstuk VIII van het
eerste deel van dit Wetboek.”.
In de praktijk blijken immers soms geschillen te rijzen
over de wijze waarop de termijnen die in het kader van
de procedure van gerechtelijke vereffening-verdeling
minnelijk zijn overeengekomen of bij wet zijn bepaald,
moeten worden berekend. Aangezien deze termijnen
zijn overeengekomen of bepaald op grond van bepa-
lingen van het Gerechtelijk Wetboek, gelden voor deze
termijnen, met name voor wat de berekening ervan
betreft, de algemene principes die zijn vervat in de
artikelen 48 tot 57 van het Gerechtelijk Wetboek. Dit
wordt voortaan uitdrukkelijk gepreciseerd in paragraaf 8,
ingevoegd door dit voorstel.
Art. 14
Artikel 1217, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek
(betreffende de termijnen voor de conventionele instaat-
stelling die van toepassing zijn op de notariële fase van
de werkzaamheden) wordt punctueel gewijzigd om
voortaan zowel rekening te houden met gevallen waarin
bij gebrek aan onverdeeldheid tussen de partijen alleen
wordt overgegaan tot de vereffening, als met gevallen
waarin ook wordt overgegaan tot een verdeling.
Art. 15
Artikel 1218, § 3, eerste lid, van het Gerechtelijk
Wetboek (betreffende de termijnen voor de wettelijke
instaatstelling die van toepassing zijn op de notariële fase
van de werkzaamheden) wordt punctueel gewijzigd in het
eerste en het tweede lid, om voortaan zowel rekening
te houden met gevallen waarin bij gebrek aan onver-
deeldheid tussen de partijen alleen wordt overgegaan
tot de vereffening, als met gevallen waarin ook wordt
overgegaan tot de verdeling.
Bovendien wordt een technische wijziging aangebracht
aan artikel 1218, § 3, 3°, van het Gerechtelijk Wetboek.
Deze bepaling (die voortvloeit uit de wet van 13 au-
gustus 2011 houdende hervorming van de procedure van
gerechtelijke vereffening-verdeling) vermeldt thans dat
wanneer er toepassing wordt gemaakt van artikel 1216 van
het Gerechtelijk Wetboek (zijnde wanneer een tussen-
tijds proces-verbaal werd neergelegd bij de rechtbank
25
0272/001
DOC 56
25
K A M E R • 1e Z I T T I N G VA N D E 56 e Z I T T I N G S P E R I O D E
2024
C H A M B R E 1e S E S S I O N D E L A 56 e L É G I S L AT U R E
rencontrés par le notaire-liquidateur pour l’établissement
de l’état liquidatif), le délai de quatre mois imparti au
notaire-liquidateur pour l’établissement de l’état liquidatif
commence à courir lorsque la décision tranchant les
litiges ou difficultés est passée en force de chose jugée.
Or, depuis la réforme opérée par la loi du 19 oc-
tobre 2015 “modifiant le droit de la procédure civile et
portant des dispositions diverses en matière de justice”
et la loi du 6 juillet 2017 “portant simplification, harmoni-
sation, informatisation et modernisation de dispositions
de droit civil et de procédure civile ainsi que du notariat,
et portant diverses mesures en matière de justice”,
les jugements définitifs sont exécutoires par provision
nonobstant appel (et sans garantie si le juge n’a pas
ordonné qu’il en soit constitué une): voyez, à cet égard,
le libellé de l’article 1397 du Code judiciaire tel qu’il
résulte des deux lois précitées.
Dans ce contexte, le libellé actuel de l’article 1218,
§ 3, 3° – qui, étant antérieur aux lois précitées des 19 oc-
tobre 2015 et 6 juillet 2017 – impose (toujours), pour
faire courir le délai qu’il prévoit, que la décision soit
passée en force de chose jugée, alors que l’exécu-
tion provisoire est désormais de droit (sauf décision
contraire du juge), suscite actuellement certaines inter-
rogations en doctrine et en jurisprudence (G. de Leval,
J. Van Compernolle et F. Georges, “L’impact de la loi
du 19 octobre 2015 sur le droit judiciaire notarial”, Rev.
not. belge, 2016, p. 299; N. Gendrin et D. Karadsheh,
Liquidation-partage, op. cit., pp. 346 et 347, n° 370;
B. Van den Bergh, “Artikel 1223 Ger.W.”, Gerechtelijk
recht. Artikelsgewijze commentaar met overzicht van
rechtspraak en rechtsleer (f. mob.), Malines, Kluwer, 2021,
p. 23, note infrapaginale n° 2; C. De Boe, M. Mallien et
J.-E. Beernaert, “L’exécution provisoire des décisions en
droit familial”, Le Tribunal de la famille, des réformes aux
bonnes pratiques, Bruxelles, Larcier, 2018, p. 414, n° 38).
Il est dès lors proposé, dans un souci de cohérence
avec l’article 1397 du Code judiciaire (tel qu’il résulte
des lois précitées des 19 octobre 2015 et 6 juillet 2017)
d’adapter le libellé de l’article 1218, § 3, 3°, du même
Code, afin de prévoir désormais deux hypothèses:
— soit la décision rendue suite au dépôt du procès-
verbal intermédiaire est, conformément au droit commun,
exécutoire par provision: en ce cas, sa mise en œuvre
(et donc l’entame du délai imparti au notaire-liquidateur)
suppose la requête écrite de l’une des parties qui,
met het verzoek om de geschillen en moeilijkheden te
beslechten die de notaris-vereffenaar ondervindt bij het
opstellen van de staat van vereffening), de termijn van
vier maanden toegekend aan de notaris-vereffenaar om
zijn staat van vereffening op te stellen begint te lopen
wanneer de beslissing tot beslechting van de geschillen
of moeilijkheden in kracht van gewijsde is getreden.
Echter, sinds de hervorming doorgevoerd door de wet
van 19 oktober 2015 “houdende wijziging van het burger-
lijk procesrecht en houdende diverse bepalingen inzake
justitie” en de wet van 6 juli 2017 “houdende vereenvou-
diging, harmonisering, informatisering en modernisering
van bepalingen van burgerlijke recht en van burgerlijk
procesrecht alsook van het notariaat, en houdende di-
verse bepalingen inzake justitie”, zijn de eindvonnissen
uitvoerbaar bij voorraad en zulks niettegenstaande hoger
beroep (en zonder zekerheidsstelling indien de rechter
deze niet heeft bevolen): zie hieromtrent de bewoording
van artikel 1397 van het Gerechtelijk Wetboek zoals deze
voortvloeit uit de twee voormelde wetten.
In deze context roept de huidige bewoording van
artikel 1218, § 3, 3° – die, daterend van vóór de voor-
noemde wetten van 19 oktober 2015 en 6 juli 2017 – (nog
steeds) vereist dat, om de termijn die hierin is voorzien
te doen lopen, de beslissing in kracht van gewijsde is
getreden, terwijl de voorlopige tenuitvoerlegging inmid-
dels wettelijk is aangenomen (behoudens andersluidende
beslissing van de rechter), thans enkele vraagtekens
op in de rechtsleer en in de rechtspraak (G. de Leval,
J. Van Compernolle en F. Georges, “L’impact de la loi
du 19 octobre 2015 sur le droit judiciaire notarial”, Rev.
not. belge, 2016, p. 299; N. Gendrin en D. Karadsheh,
Liquidation-partage, op. cit., p. 346 en 347, nr. 370;
B. Van den Bergh, “Artikel 1223 Ger.W.”, Gerechtelijk
recht. Artikelsgewijze commentaar met overzicht van
rechtspraak en rechtsleer (losbl.), Mechelen, Kluwer,
2021, p. 23, voetnoot nr. 2; C. De Boe, M. Mallien en
J.-E. Beernaert, “L’exécution provisoire des décisions en
droit familial”, Le Tribunal de la famille, des réformes aux
bonnes pratiques, Brussel, Larcier, 2018, p. 414, nr. 38).
Er wordt bijgevolg voorgesteld, omwille van de co-
herentie met artikel 1397 van het Gerechtelijk Wetboek
(zoals dit voortvloeit uit voornoemde wetten van 19 ok-
tober 2015 en 6 juli 2017) om de bewoording van arti-
kel 1218, § 3, 3°, van datzelfde Wetboek aan te passen
om vanaf nu twee gevallen te voorzien:
— ofwel is de beslissing ingevolge de neerlegging
van het tussentijds proces-verbaal, overeenkomstig het
gemeen recht, uitvoerbaar bij voorraad: in dat geval,
veronderstelt zijn tenuitvoerlegging (en dus de start van
de termijn toegekend aan de notaris-vereffenaar) het
0272/001
DOC 56
26
26
K A M E R • 1e Z I T T I N G VA N D E 56 e Z I T T I N G S P E R I O D E
2024
C H A M B R E 1e S E S S I O N D E L A 56 e L É G I S L AT U R E
conformément à l’article 1398 du Code judiciaire, en
poursuivra l’exécution à ses risques et périls;
— soit la décision n’est pas exécutoire par provision:
en ce cas, il convient que celle-ci soit passée en force
de chose jugée pour faire courir le délai imparti au
notaire-liquidateur.
Art. 16
L’intitulé précédent l’article 1223 du Code judiciaire
– actuellement libellé en ces termes: “Du partage en
nature” – est remplacé comme suit: “De la liquidation
donnant lieu, le cas échéant, à un partage en nature”.
Ce nouveau libellé permet de viser désormais tant
l’hypothèse dans laquelle, à défaut d’indivision entre les
parties, il n’est procédé qu’à la liquidation, que l’hypo-
thèse dans laquelle il est procédé à un partage – et
plus particulièrement à un partage en nature, ce qui est
l’hypothèse envisagée à l’article 1223 du Code judiciaire.
Art. 17
L’article 1223 du Code judiciaire est ponctuellement
adapté, conformément au nouvel intitulé de la disposition
tel qu’il résulte de la modification opérée par l’article 16 de
la présente proposition, pour viser désormais tant l’hypo-
thèse dans laquelle, à défaut d’indivision entre les parties,
il n’est procédé qu’à la liquidation, que l’hypothèse dans
laquelle il est procédé à un partage en nature.
Ainsi:
— au § 1er, alinéa 1er, le terme “indivisaire” est remplacé
par le mot “partie”, qui est plus générique, en ce qu’il
permet de viser également l’hypothèse où les parties
ne sont pas en indivision, mais où une liquidation de
leurs droits est néanmoins requise;
— il est désormais fait référence, à plusieurs reprises
dans la disposition, à la clôture des opérations et le cas
échéant, à l’attribution des lots: en effet, la clôture des
opérations ne sera désormais pas nécessairement suivie
par l’attribution de lots, le partage (par l’attribution de
lots) n’étant requis que pour autant qu’une indivision
existe entre les parties;
schriftelijk verzoek van één van de partijen die, over-
eenkomstig artikel 1398 van het Gerechtelijk Wetboek,
de uitvoering ervan vervolgt op zijn risico;
— ofwel is de beslissing niet uitvoerbaar bij voor-
raad: in dat geval, moet deze in kracht van gewijsde
zijn getreden om de termijn toegekend aan de notaris-
vereffenaar te doen lopen.
Art. 16
Het opschrift voorafgaand aan artikel 1223 van het
Gerechtelijk Wetboek, dat momenteel luidt “De verdeling
in natura”, wordt als volgt gewijzigd: “De vereffening die,
in voorkomend geval, aanleiding geeft tot een verdeling
in natura”.
Deze nieuwe formulering laat toe om voortaan zowel
rekening te houden met gevallen waarin, bij gebrek aan
onverdeeldheid tussen de partijen alleen wordt overge-
gaan tot de vereffening, als met gevallen waarin wordt
overgegaan tot een verdeling, en meer bepaald tot een
verdeling in natura, zijnde het geval dat voorzien is in
artikel 1223 van het Gerechtelijk Wetboek.
Art. 17
Artikel 1223 van het Gerechtelijk Wetboek wordt
punctueel gewijzigd, overeenkomstig de nieuwe titel van
de bepaling die resulteert uit de wijziging tot stand
gebracht door artikel 16 van dit voorstel, om voortaan
zowel rekening te houden met gevallen waarin bij gebrek
aan onverdeeldheid tussen de partijen uitsluitend wordt
overgegaan tot de vereffening, als met gevallen waarin
wordt overgegaan tot een verdeling in natura.
Aldus:
— in § 1, eerste lid, wordt de term “deelgenoot” ver-
vangen door het woord “partij”, dat algemener is, aan-
gezien het ook gevallen beoogt waarin de partijen niet
in onverdeeldheid zijn, maar waarbij een vereffening
van hun rechten evenwel vereist is;
— in de bepaling wordt voortaan meermaals verwezen
naar de sluiting van de werkzaamheden en in voorkomend
geval, naar de toewijzing van de kavels: de sluiting van
de werkzaamheden zal voortaan immers niet noodza-
kelijk worden gevolgd door de toewijzing van kavels,
aangezien de verdeling (door de toewijzing van kavels)
alleen nog vereist is wanneer er een onverdeeldheid
bestaat tussen de partijen;
27
0272/001
DOC 56
27
K A M E R • 1e Z I T T I N G VA N D E 56 e Z I T T I N G S P E R I O D E
2024
C H A M B R E 1e S E S S I O N D E L A 56 e L É G I S L AT U R E
— pour les mêmes raisons, la disposition est modifiée,
en son § 2, alinéa 2, pour préciser que la liquidation et,
le cas échéant, l’acte de partage sont définitifs comme
liquidation ou partage amiables;
— la notion de “projet de partage” est systématique-
ment remplacée par celle de “projet de liquidation et,
le cas échéant, de partage”: cette nouvelle formulation
permet de viser également l’hypothèse où, à défaut
d’indivision entre les parties, le projet d’état liquidatif
établi par le notaire-liquidateur est limité à la liquidation
des droits des parties, sans que celle-ci ne soit suivie
d’un partage.
Par ailleurs, le § 5 de l’article 1223 du Code judiciaire
est également adapté, pour les mêmes motifs que ceux
ayant justifié la modification de l’article 1218, § 3, 3°, du
Code judiciaire.
En effet, cette disposition énonce actuellement
qu’“En cas d’homologation de l’état liquidatif contenant
le projet de partage, le greffier notifie au notaire-liqui-
dateur la décision intervenue. Le notaire-liquidateur
dépose au rang de ses minutes la décision passée en
force de chose jugée”.
La disposition impose ainsi que la décision soit passée
en force de chose jugée pour être déposée au rang des
minutes du notaire alors que – comme déjà signalé à
l’occasion du commentaire de l’article 15 de la présente
proposition – l’exécution provisoire des jugements défi-
nitifs est désormais de droit (sauf décision contraire du
juge), au regard de l’article 1397 du Code judiciaire tel
qu’il résulte des lois du 19 octobre 2015 et 6 juillet 2017.
Dès lors, pour les mêmes motifs que ceux ayant
justifié la modification de l’article 1218, § 3, 3°, du Code
judiciaire (voyez l’article 15 de la présente proposition),
l’article 1223, § 5, du Code judiciaire est adaptés pour
prévoir désormais deux hypothèses:
— soit la décision homologuant l’état liquidatif est,
conformément au droit commun, exécutoire par provision:
en ce cas, son dépôt au rang des minutes du notaire-
liquidateur suppose la requête écrite de l’une des parties
qui, conformément à l’article 1398 du Code judiciaire,
en poursuivra l’exécution à ses risques et périls;
— soit la décision n’est pas exécutoire: en ce cas,
il convient que celle-ci soit passée en force de chose
jugée pour que le notaire-liquidateur puisse la déposer
au rang de ses minutes.
— om dezelfde redenen wordt § 2, tweede lid, van
de bepaling gewijzigd om te verduidelijken dat de veref-
fening en, in voorkomend geval, de akte van verdeling,
definitief zijn als minnelijke vereffening of verdeling;
— het begrip “ontwerp van verdeling” wordt sys-
tematisch vervangen door “ontwerp van vereffening
en, in voorkomend geval, van verdeling”: deze nieuwe
formulering laat toe om ook rekening te houden met
gevallen waarin, bij gebrek aan onverdeeldheid tussen
de partijen, het ontwerp van de staat van vereffening
opgesteld door de notaris-vereffenaar wordt beperkt tot
de vereffening van de rechten van de partijen, zonder
dat deze wordt gevolgd door een verdeling.
Bovendien wordt § 5 van artikel 1223 van het
Gerechtelijk Wetboek eveneens aangepast, om dezelfde
reden als diegene die de wijziging aan artikel 1218, § 3,
3°, van het Gerechtelijk Wetboek heeft gerechtvaardigd.
Deze bepaling voorziet thans inderdaad: “In geval
van homologatie van de staat van vereffening houdende
het ontwerp van verdeling geeft de griffier kennis van
de uitspraak aan de notaris-vereffenaar. De notaris-
vereffenaar rangschikt de uitspraak die in kracht van
gewijsde is gegaan onder zijn minuten”.
De bepaling legt bijgevolg op dat de beslissing in
kracht van gewijsde is gegaan om onder de minuten van
de notaris te worden gerangschikt terwijl – zoals reeds
werd opgemerkt bij de commentaar van artikel 15 van het
huidig voorstel – de voorlopige tenuitvoerlegging van de
eindvonnissen thans wettelijk aangenomen is (behoudens
andersluidende beslissing van de rechter), ingevolge
artikel 1397 van het Gerechtelijk Wetboek zoals dit voort-
vloeit uit de wetten van 19 oktober 2015 en 6 juli 2017.
Bijgevolg, om dezelfde redenen als deze die de wijzi-
ging van artikel 1218, § 3, 3°, van het Gerechtelijk Wetboek
hebben gerechtvaardigd (zie artikel 15 van huidig voor-
stel), wordt artikel 1223, § 5, van het Gerechtelijk Wetboek
aangepast om vanaf nu twee gevallen te voorzien:
— ofwel is de beslissing die de staat van vereffe-
ning homologeert, overeenkomstig het gemeen recht,
uitvoerbaar bij voorraad: in dat geval, veronderstelt de
rangschikking onder de minuten van de notaris-vereffe-
naar het schriftelijk verzoek van één van de partijen die
overeenkomstig artikel 1398 van het Gerechtelijk Wetboek
de voorlopige tenuitvoerlegging vervolgt op zijn risico;
— ofwel is de beslissing niet uitvoerbaar bij voor-
raad: in dat geval, moet deze in kracht van gewijsde
zijn getreden opdat de notaris-vereffenaar deze onder
zijn minuten kan rangschikken.
0272/001
DOC 56
28
28
K A M E R • 1e Z I T T I N G VA N D E 56 e Z I T T I N G S P E R I O D E
2024
C H A M B R E 1e S E S S I O N D E L A 56 e L É G I S L AT U R E
Art. 18
L’article 1225 du Code judiciaire est ponctuellement
adapté pour viser désormais tant l’hypothèse dans
laquelle il est procédé à un partage que l’hypothèse
dans laquelle il est procédé à la seule liquidation des
droits, à défaut d’indivision entre les parties.
Ainsi, le nouveau libellé vise désormais tant les par-
tages dans lesquels des mineurs ou des personnes
protégées sont intéressés que les liquidations dans
lesquelles ceux-ci sont intéressés.
Par ailleurs, une erreur orthographique de la disposi-
tion est corrigée: il convient en effet d’écrire “auxquels
sont intéressées des personnes protégées déclarées
incapables” (le mot “intéressées” au féminin pluriel) et
non “auxquels sont intéressés des personnes protégées
déclarées incapables”.
Enfin, les références au “Code civil” sont remplacées
par des références à “l’ancien Code civil”, dès lors que
les dispositions auxquelles il est renvoyé sont contenues
dans une partie du Code civil non encore codifiée.
CHAPITRE 3
Modification du Code civil
Art. 19
L’article 4.101 du Code civil – relatif à l’opposition
à partage pouvant être formée par le(s) créancier(s)
d’un héritier – est ponctuellement modifié, en écho
aux modifications apportées aux dispositions relatives
à la procédure de liquidation-partage contenues aux
articles 1206 et suivants du Code judiciaire et tendant
à permettre la mise en œuvre desdites dispositions
également lorsque seule la liquidation s’impose, à
l’exclusion du partage.
Pour mémoire, l’actuel article 4.101 du Code civil
autorise les créanciers des héritiers, pour éviter que le
partage ne soit fait en fraude de leurs droits, à s’opposer
à ce qu’il y soit procédé hors de leur présence, étant
toutefois entendu qu’ils ne peuvent attaquer un partage
consommé, à moins toutefois qu’il n’y ait été procédé
sans eux et au préjudice d’une opposition qu’ils auraient
formée.
Art. 18
Artikel 1225 van het Gerechtelijk Wetboek wordt
punctueel aangepast om voortaan zowel rekening te
houden met de gevallen waarin wordt overgegaan tot
een verdeling als met gevallen waarin alleen wordt over-
gegaan tot de vereffening bij gebrek aan onverdeeldheid
tussen de partijen.
Zo houdt de nieuwe formulering voortaan zowel reke-
ning met verdelingen waarbij minderjarigen of beschermde
personen een belang hebben, als met vereffeningen
waarbij deze personen een belang hebben.
In de Franse tekst van de bepaling wordt bovendien een
schrijffout gecorrigeerd. De juiste schrijfwijze is immers
“auxquels sont intéressées des personnes protégées
déclarées incapables” (met het woord “intéressées” in
het vrouwelijk meervoud) en niet “auxquels sont intéres-
sés des personnes protégées déclarées incapables”.
Ten slotte worden de verwijzingen naar het “Burgerlijk
Wetboek” vervangen door verwijzingen naar het “oud
Burgerlijk Wetboek”, aangezien de bepalingen waarnaar
wordt verwezen opgenomen zijn in een deel van het
Burgerlijk Wetboek dat nog niet is gecodificeerd.
HOOFDSTUK 3
Wijzigingen van het Burgerlijk Wetboek
Art. 19
Artikel 4.101 van het Burgerlijk Wetboek – met betrek-
king tot het verzet tegen de verdeling dat kan worden
geformuleerd door een/de schuldeiser(s) van een erfge-
naam – wordt punctueel aangepast, in overeenstemming
met de wijzigingen aangebracht aan de bepalingen inzake
de procedure van vereffening-verdeling opgenomen
in de artikelen 1206 en volgende van het Gerechtelijk
Wetboek en met als doel het eveneens toelaten van de
uitoefening van deze bepalingen wanneer enkel de ver-
effening zich opdringt, met uitsluiting van de verdeling.
Ter herinnering, het huidig artikel 4.101 van het
Burgerlijk Wetboek laat de schuldeisers van de erfgena-
men toe, om zich te verzetten tegen het feit dat er buiten
hun aanwezigheid om tot de verdeling wordt overgegaan,
om te vermijden dat deze met miskenning van hun rechten
plaatsvindt; hierbij evenwel in acht nemend dat ze een
voltrokken verdeling niet kunnen aanvechten, tenzij er
hiertoe zonder hen werd overgegaan en ten nadele van
een verzet dat ze zouden hebben geformuleerd.
29
0272/001
DOC 56
29
K A M E R • 1e Z I T T I N G VA N D E 56 e Z I T T I N G S P E R I O D E
2024
C H A M B R E 1e S E S S I O N D E L A 56 e L É G I S L AT U R E
Il convient dès lors d’adapter la disposition, pour
confirmer, pour autant que de besoin, que cette possi-
bilité est également offerte au(x) créancier(s) de l’héritier
réservataire dont les droits sont limités à une indemnité
en valeur, mais – s’agissant desdits créanciers – dans
les limites des droits de leur débiteur (qui, par hypothèse,
participe à la liquidation mais pas au partage).
Dès lors, les modifications apportées à l’article 4.101 du
Code civil ont pour objectif de permettre au(x) créancier(s)
de l’héritier réservataire dont les droits sont limités à une
indemnité en valeur de s’opposer à ce qu’il soit procédé
hors de leur présence à la liquidation (et non au partage)
ou de mettre en cause – dans les conditions énoncées
par la disposition – ladite liquidation (et non le partage).
Le libellé de cette modification est suggéré par
F. Lalière dans “Le créancier de l’héritier exhérédé
peut-il encore faire “opposition au partage” au sens de
l’article 4.101 du Code civil”, Les masses de partage:
nouveautés et évolutions récentes, coll. Patrimoines
& Fiscalités, Limal, Anthémis, 2023, pp. 149 et suiv.,
spéc. p. 161.
CHAPITRE 4
Disposition transitoire
Art. 20
L’article 20 de la présente proposition contient une
disposition transitoire relative à l’entrée en vigueur
libellée comme suit:
“Les dispositions telles qu’elles étaient d’application
avant l’entrée en vigueur de la présente loi restent
applicables aux affaires dans lesquelles la demande en
partage est pendante et qui ont été mises en délibéré
au moment de l’entrée en vigueur de la présente loi.”
Cette formulation reprend textuellement celle de
l’article 9 de la loi du 13 août 2011 réformant la procédure
de liquidation-partage judiciaire.
Comme pour l’application de la loi du 13 août 2011, la
date-pivot retenue ici pour l’application des dispositions
nouvelles est celle de la mise en délibéré des demandes
en liquidation-partage. Ainsi, les demandes en partage
prises en délibéré avant l’entrée en vigueur de la loi
nouvelle continueront d’être régies par les anciennes
dispositions, tandis que les procédures pour lesquelles
De bepaling moet dus worden aangepast om, voor
zoveel als nodig, te bevestigen dat deze mogelijkheid
eveneens toekomt aan de schuldeiser(s) van de reser-
vataire erfgenaam waarvan de rechten beperkt worden
tot een vergoeding in waarde, maar – wat deze schuld-
eisers betreft – binnen de grenzen van de rechten van
hun schuldenaar (die, per hypothese, deelneemt aan
de vereffening maar niet aan de verdeling).
Bijgevolg hebben de aanpassingen aangebracht aan
artikel 4.101 van het Burgerlijk Wetboek tot doel om
toe te laten aan de schuldeiser(s) van de reservataire
erfgenaam waarvan de rechten beperkt worden tot een
vergoeding in waarde zich te verzetten dat er buiten hun
aanwezigheid wordt overgegaan tot de vereffening (en
niet de verdeling) of om deze vereffening (en niet de
verdeling) in twijfel te trekken onder de voorwaarden
die worden uiteengezet door de bepaling.
De bewoording van deze wijziging werd voorgesteld
door F. Lalière in “Le créancier de l’héritier exhérédé
peut-il encore faire “opposition au partage” au sens de
l’article 4.101 du Code civil”, Les masses de partage:
nouveautés et évolutions récentes, coll. Patrimoines &
Fiscalités, Limal, Anthémis, 2023, p. 149 e.v., bijz. p. 161.
HOOFDSTUK 4
Overgangsbepaling
Art. 20
Artikel 20 van huidig voorstel voorziet in een over-
gangsbepaling met betrekking tot de inwerkingtreding
als volgt:
“Op de zaken waarin de vordering tot verdeling han-
gende is en die op het ogenblik van inwerkingtreding van
deze wet in beraad zijn genomen, blijven de bepalingen
van toepassing zoals die golden voor de inwerkingtreding
van deze wet.”
Deze formulering herneemt tekstueel deze voor-
zien in artikel 9 van de wet van 13 augustus 2011 hou-
dende hervorming van de procedure van gerechtelijke
vereffening-verdeling.
Net zoals voor de toepassing van de wet van 13 au-
gustus 2011, is de weerhouden spildatum voor de toe-
passing van de nieuwe bepalingen hier het in beraad
nemen van de vorderingen tot vereffening-verdeling.
Bijgevolg zullen de vorderingen tot verdeling die in
beraad werden genomen vóór de inwerkingtreding van
de nieuwe wetten nog steeds beheerst worden door de
0272/001
DOC 56
30
30
K A M E R • 1e Z I T T I N G VA N D E 56 e Z I T T I N G S P E R I O D E
2024
C H A M B R E 1e S E S S I O N D E L A 56 e L É G I S L AT U R E
les demandes en liquidation-partage n’ont pas encore
été prises en délibéré lors de l’entrée en vigueur de la loi
(et donc, a fortiori, les demandes en liquidation-partage
initiée à partir de l’entrée en vigueur de la loi nouvelle)
se verront appliquer les dispositions nouvelles.
Le libellé de l’article 20 permet, en outre d’invoquer
les dispositions nouvelles pour la première fois en degré
d’appel, au titre de “demande nouvelle”.
Par ailleurs, la présente proposition ne contient pas
de disposition relative à son entrée en vigueur, de sorte
que la loi nouvelle entrera en vigueur, conformément au
droit commun, le dixième jour suivant sa publication au
Moniteur belge.
Philippe Goffin (MR)
Pierre Jadoul (MR)
Catherine Delcourt (MR)
Mathieu Bihet (MR)
oude bepalingen, terwijl de procedures waarvoor de
vorderingen tot vereffening-verdeling nog niet werden in
beraad genomen bij de inwerkingtreding van de wet (en
dus, a fortiori, de vorderingen tot vereffening-verdeling
ingesteld vanaf de inwerkingtreding van de nieuwe
wet) zullen vallen onder de toepassing van de nieuwe
bepalingen.
De bewoording van artikel 20 laat bovendien toe om
de nieuwe bepalingen voor het eerst in te roepen in
hoger beroep, ten titel van “nieuwe vordering”.
Verder voorziet huidig voorstel geen bepalingen met
betrekking tot de inwerkingtreding, zodat de nieuwe wet
in werking zal treden op de tiende dag volgend op de
publicatie ervan in het Belgisch Staatsblad, overeen-
komstig het gemeen recht.
31
0272/001
DOC 56
31
K A M E R • 1e Z I T T I N G VA N D E 56 e Z I T T I N G S P E R I O D E
2024
C H A M B R E 1e S E S S I O N D E L A 56 e L É G I S L AT U R E
PROPOSITION DE LOI
CHAPITRE 1ER
Disposition générale
Article 1er
La présente loi règle une matière visée à l’article 74 de
la Constitution.
CHAPITRE 2
Modifications du Code judiciaire
Art. 2
À l’article 572bis, 10°, du Code judiciaire, les modifi-
cations suivantes sont apportées:
1° les mots “en liquidation ou” sont insérés entre le
mot “demandes” et les mots “en partage”;
2° les mots “visées à l’article 1207” sont insérés in fine
de la disposition, après le mot “partage”.
Art. 3
À l’article 1184 du même Code, les modifications
suivantes sont apportées:
1° l’alinéa 1er est complété d’une phrase libellée comme
suit:
“Lorsqu’il est procédé à l’inventaire en vertu de l’ar-
ticle 1214, le notaire peut alternativement soumettre
les difficultés au tribunal de la famille qui l’a désigné,
conformément à l’article 1216.”;
2° à l’alinéa 3, les mots “de paix” sont supprimés.
Art. 4
L’intitulé du chapitre VI, livre IV, de la quatrième partie
du même Code est remplacé comme suit:
“Chapitre VI. Des liquidations, partages et licitations”
WETSVOORSTEL
HOOFDSTUK 1
Algemene bepaling
Artikel 1
Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in
artikel 74 van de Grondwet.
HOOFDSTUK 2
Wijzigingen van het Gerechtelijk Wetboek
Art. 2
In artikel 572bis, 10°, van het Gerechtelijk Wetboek,
worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° de woorden “tot vereffening of” worden ingevoegd
tussen het woord “vorderingen” en de woorden “tot
verdeling”;
2° de woorden “bedoeld in artikel 1207” worden inge-
voegd in fine van de bepaling, na het woord “verdeling”.
Art. 3
In artikel 1184 van hetzelfde Wetboek, worden de
volgende wijzigingen aangebracht:
1° het eerste lid wordt aangevuld met een zin met
volgende bewoording:
“Wanneer er wordt overgegaan tot de boedelbeschrij-
ving krachtens artikel 1214, kan de notaris als alternatief
de moeilijkheden neerleggen bij de familierechtbank die
hem heeft aangesteld, overeenkomstig artikel 1216.”;
2° in het derde lid, wordt het woord “vrederechter”
vervangen door het woord “rechter”.
Art. 4
Het opschrift van hoofdstuk VI, boek IV, van het vierde
deel van hetzelfde Wetboek wordt vervangen als volgt:
“Hoofdstuk VI. Vereffening, verdeling en veiling”
0272/001
DOC 56
32
32
K A M E R • 1e Z I T T I N G VA N D E 56 e Z I T T I N G S P E R I O D E
2024
C H A M B R E 1e S E S S I O N D E L A 56 e L É G I S L AT U R E
Art. 5
L’intitulé de la section première du chapitre VI, livre IV,
de la quatrième partie du même Code est remplacé
comme suit:
“De la liquidation et du partage amiables”
Art. 6
À l’article 1205 du même Code, les modifications
suivantes sont apportées:
1° à l’alinéa 1er:
a) les mots “tous les indivisaires” sont remplacés par
les mots “toutes les parties”;
b) les mots “majeurs, présents ou dûment représentés”
sont remplacés par les mots “majeures, présentes ou
dûment représentées”;
c) le mots “ils” est, chaque fois, remplacé par le mot
“elles”;
d) les mots “à la liquidation et, le cas échéant,” sont
insérés entre le mot “accord” et les mots “au partage”;
2° un second alinéa est inséré, libellé comme suit:
“Les dispositions contenues dans la présente section
s’appliquent également lorsque, à défaut d’indivision
entre les parties, il n’est procédé qu’à la liquidation de
leurs droits.”.
Art. 7
À l’article 1206 du même Code, les modifications
suivantes sont apportées:
1° à l’alinéa 1er:
a) le mot “indivisaires” est remplacé par le mot “parties”;
b) les mots “le partage se fait” sont remplacés par les
mots “la liquidation et, le cas échéant, le partage se font”;
2° à l’alinéa 2, les mots “Tous les indivisaires” sont
remplacés par les mots “Toutes les parties”;
Art. 5
Het opschrift van de eerste afdeling van hoofdstuk VI,
boek IV, van het vierde deel van hetzelfde Wetboek wordt
vervangen als volgt:
“Minnelijke vereffening en verdeling”
Art. 6
In artikel 1205 van hetzelfde Wetboek, worden de
volgende wijzigingen aangebracht:
1° in het eerste lid:
a) het woord “medeëigenaars” wordt vervangen door
het woord “partijen”;
b) in de Franse tekst worden de woorden “majeurs,
présents ou dûment représentés” vervangen door de
woorden “majeures, présentes ou dûment représentées”;
c) in de Franse tekst wordt het woord “ils” telkens
vervangen door het woord “elles”;
d) de woorden “de vereffening en, in voorkomend
geval,” worden ingevoegd tussen de woorden “te allen
tijde” en de woorden “de verdeling”;
2° een tweede lid wordt ingevoegd, opgesteld als volgt:
“De bepalingen opgenomen in deze afdeling zijn
eveneens van toepassing indien, bij gebrek aan onver-
deeldheid tussen de partijen, er slechts wordt overgegaan
tot de vereffening van hun rechten.”.
Art. 7
In artikel 1206 van hetzelfde Wetboek, worden de
volgende wijzigingen aangebracht:
1° in het eerste lid:
a) het woord “medeëigenaars” wordt vervangen door
het woord “partijen”;
b) de woorden “geschiedt de verdeling” worden ver-
vangen door de woorden “geschieden de vereffening
en, in voorkomend geval, de verdeling”;
2° in het tweede lid, wordt het woord “medeëigenaars”
vervangen door het woord “partijen”;
33
0272/001
DOC 56
33
K A M E R • 1e Z I T T I N G VA N D E 56 e Z I T T I N G S P E R I O D E
2024
C H A M B R E 1e S E S S I O N D E L A 56 e L É G I S L AT U R E
3° à l’alinéa 3, les mots “, le cas échéant,” sont insérés
entre le mot “donneront” et les mots “leur avis”;
4° à l’alinéa 6, dernière phrase:
a) les mots “la liquidation et, le cas échéant,” sont
insérés entre les mots “d’approbation,” et les mots “le
partage”;
b) le mot “peut” est remplacé par le mot “peuvent”;
c) les mots “forme du partage judiciaire” sont rempla-
cés par les mots “forme judiciaire”.
Art. 8
L’intitulé de la section 2 du chapitre VI, livre IV, de la
quatrième partie du même Code est remplacé comme suit:
“De la liquidation et du partage judiciaires”.
Art. 9
L’intitulé de la sous-section première, section 2, cha-
pitre VI, livre IV, de la quatrième partie du même Code
est remplacé comme suit:
“De l’introduction de la demande et du jugement
ordonnant la liquidation et, le cas échéant, le partage
judiciaires”
Art. 10
À l’article 1207 du même Code, les modifications
suivantes sont apportées:
1° à l’alinéa 1er:
a) les mots “tous les indivisaires” sont remplacés par
les mots “toutes les parties”;
b) les mots “la liquidation et, le cas échéant,” sont
insérés entre les mots “alinéa 6,” et les mots “le partage”;
c) les mots “a lieu” sont remplacés par les mots “ont
lieu”;
3° in het derde lid, worden de woorden “, in voorko-
mend geval,” ingevoegd tussen de woorden “de partijen”
en de woorden “advies zullen geven”;
4° in het zesde lid, de laatste zin:
a) worden de woorden “de vereffening en, in voorko-
mend geval,” ingevoegd tussen het woord “goedkeuring
kan” en de woorden “de verdeling niet worden voortgezet”;
b) het woord “kan” wordt vervangen door het woord
“kunnen”;
c) de woorden “dan in de vorm van de gerechtelijke
verdeling” worden vervangen door de woorden “dan in
gerechtelijke vorm”.
Art. 8
Het opschrift van de tweede afdeling van hoofdstuk VI,
van boek IV, van het vierde deel van hetzelfde Wetboek
wordt vervangen als volgt:
“Gerechtelijke vereffening en verdeling”
Art. 9
Het opschrift van de eerste onderafdeling, afdeling 2,
hoofdstuk VI, boek IV, van het vierde deel van hetzelfde
Wetboek wordt vervangen als volgt:
“De inleiding van de vordering en het vonnis dat
de gerechtelijke vereffening en, in voorkomend geval,
verdeling beveelt”
Art. 10
In artikel 1207 van hetzelfde Wetboek, worden de
volgende wijzigingen aangebracht:
1° in het eerste lid:
a) het woord “mede-eigenaars” wordt vervangen door
het woord “partijen”;
b) worden de woorden “geschiedt de verdeling” ver-
vangen door de woorden “geschieden de vereffening
en, in voorkomend geval, de verdeling”;
c) in de Franse tekst worden de woorden “a lieu”
vervangen door de woorden “ont lieu”;
0272/001
DOC 56
34
34
K A M E R • 1e Z I T T I N G VA N D E 56 e Z I T T I N G S P E R I O D E
2024
C H A M B R E 1e S E S S I O N D E L A 56 e L É G I S L AT U R E
2° un second alinéa est inséré, libellé comme suit:
“Les dispositions contenues dans les sections 2 et 3 du
présent chapitre s’appliquent également, même à défaut
d’indivision, lorsque, en vertu du titre 3 du livre 2 ou du
livre 4 du Code civil, la demande ne peut porter que sur la
liquidation. En ce cas, les articles 1209, § 3, 1212, 1214,
§ 1er, alinéas 3 à 6, 1214, § 6, alinéa 2, 1224 et 1224/1 ne
sont applicables qu’à l’égard des parties indivisaires.”.
Art. 11
À l’article 1208 du même Code, les modifications
suivantes sont apportées:
1° au paragraphe 1er, les mots “la liquidation de la
même masse ou” sont insérés entre le mot “séparément”
et les mots “le partage”;
2° le paragraphe 2 est remplacé comme suit:
“Si la liquidation d’une autre masse ou indivision que
celle visée au paragraphe 1er est nécessaire pour abou-
tir à la liquidation ou au partage sollicité, la demande
s’étend de plein droit à la liquidation de cette masse ou
de cette indivision, pour autant que celle-ci n’implique
pas de tiers.”;
3° au paragraphe 3:
a) les mots “de la masse ou” sont insérés entre les
mots “pour procéder à la liquidation” et les mots “de
l’indivision”;
b) les mots “à la liquidation ou” sont insérés entre le
mot “aboutir” et les mots “au partage”;
4° au paragraphe 4:
a) dans la première phrase, les mots “une liquidation
distincte ou” sont insérés entre le mot “ordonner” et les
mots “un partage”;
b) dans la dernière phrase, les mots “à cette liquidation
distincte ou” sont insérés entre le mot “applicables” et
les mots “à ce partage”.
2° een tweede lid wordt ingevoegd, opgesteld als volgt:
“De bepalingen opgenomen in de afdelingen 2 en 3 van
dit hoofdstuk zijn eveneens van toepassing, zelfs bij ge-
brek aan onverdeeldheid, wanneer, krachtens titel 3 van
boek 2 of boek 4 van het Burgerlijk Wetboek, het ver-
zoek enkel betrekking kan hebben op de vereffening.
In dat geval, zijn de artikelen 1209, § 3, 1212, 1214, § 1,
lid 3 tot 6, 1214, § 6, lid 2, 1224 en 1224/1 slechts van
toepassing ten aanzien van de partijen-deelgenoten.”.
Art. 11
In artikel 1208 van hetzelfde Wetboek, worden de
volgende wijzigingen aangebracht:
1° in de eerste paragraaf, worden de woorden “Indien
betreffende dezelfde onverdeeldheid meerdere eisers
afzonderlijk de verdeling vorderen” vervangen door de
woorden “Indien meerdere eisers afzonderlijk de veref-
fening van dezelfde boedel of de verdeling van dezelfde
onverdeeldheid vorderen”;
2° paragraaf 2 wordt vervangen als volgt:
“Indien de vereffening van een andere boedel of onver-
deeldheid dan deze bedoeld in paragraaf 1 noodzakelijk
is om de gevorderde vereffening of verdeling te voltrek-
ken, strekt de vordering zich van rechtswege uit tot de
vereffening van deze boedel of deze onverdeeldheid,
voor zover er geen derden betrokken zijn.”;
3° in paragraaf 3:
a) de woorden “van de boedel of” worden ingevoegd
tussen de woorden “de vereffening” en de woorden “van
de onverdeeldheid”;
b) de woorden “vereffening of” worden ingevoegd tus-
sen de woorden “de bevolen” en het woord “verdeling”;
4° in paragraaf 4:
a) in de eerste zin “de afzonderlijke vereffening of”
invoegen tussen de woorden “met redenen omklede
beslissing,” en de woorden “de afzonderlijke verdeling”;
b) in de laatste zin, de woorden “deze afzonder-
lijke vereffening of” invoegen tussen de woorden “niet
van toepassing op” en de woorden “deze afzonderlijke
verdeling”.
35
0272/001
DOC 56
35
K A M E R • 1e Z I T T I N G VA N D E 56 e Z I T T I N G S P E R I O D E
2024
C H A M B R E 1e S E S S I O N D E L A 56 e L É G I S L AT U R E
Art. 12
À l’article 1210 du même Code, les modifications
suivantes sont apportées:
1° au paragraphe 1er, alinéa 1er, les mots “la liquida-
tion ou” sont insérés entre les mots “S’il ordonne” et les
mots “le partage”;
2° au paragraphe 4, les mots “de la liquidation ou”
sont insérés entre les mots “dans le cadre” et les mots
“du partage”.
Art. 13
À l’article 1214 du même Code, les modifications
suivantes sont apportées:
1° au paragraphe 2, alinéa 1er:
a) le mot “explicitement” est inséré entre les mots “y
renoncent” et les mots “en indiquant”;
b) les mots “à liquider ou” sont, chaque fois, insérés
entre le mot “masse” et les mots “à partager”;
2° au paragraphe 2, alinéa 2, les mots “ainsi que le lieu
où elle se tiendra” sont insérés entre les mots “première
vacation d’inventaire” et les mots “, laquelle a lieu”;
3° le paragraphe 2 est complété par un dernier alinéa
libellé comme suit:
“Lorsqu’un inventaire a été établi en application du
chapitre II du livre IV de la quatrième partie du présent
Code, il est procédé à l’inventaire par l’établissement
d’un procès-verbal de récolement dudit inventaire, le
cas échéant complété à raison d’éléments nouveaux.”;
4° au paragraphe 3, les mots “compris dans la masse
à liquider ou” sont insérés entre le mot “biens” et les
mots “à partager”;
5° au paragraphe 5:
a) le mot “copartageants” est, chaque fois, remplacé
par le mot “parties”;
b) les mots “et, le cas échéant” sont insérés entre le
mot “générale” et les mots “, à la composition”;
Art. 12
In artikel 1210 van hetzelfde Wetboek, worden de
volgende wijzigingen aangebracht:
1° in paragraaf 1, eerste lid, worden de woorden
“de vereffening of” ingevoegd tussen de woorden “de
rechtbank” en “de verdeling”;
2° in paragraaf 4, worden de woorden “vereffening
of” ingevoegd tussen de woorden “de bevolen” en het
woord “verdeling”.
Art. 13
In artikel 1214 van hetzelfde Wetboek, worden de
volgende wijzigingen aangebracht:
1° in paragraaf 2, eerste lid:
a) het woord “uitdrukkelijk” wordt ingevoegd tussen de
woorden “bekwaam zijn,” en de woorden “hiervan afzien”;
b) de woorden “van de te verdelen boedel” worden
telkens vervangen door de woorden “van de te veref-
fenen of de te verdelen boedel”;
2° in paragraaf 2, tweede lid, worden de woorden
“evenals de plaats waar deze zal worden gehouden”
ingevoegd tussen de woorden “eerste vacatie van de
boedelbeschrijving” en de woorden “, die plaats heeft”;
3° paragraaf 2 wordt aangevuld met een laatste lid,
opgesteld als volgt:
“Wanneer een boedelbeschrijving werd opgesteld
in toepassing van hoofdstuk II van boek IV van het
vierde deel van dit Wetboek, wordt er overgegaan tot de
boedelbeschrijving door het opstellen van een proces-
verbaal van vergelijking van die boedelbeschrijving, in
voorkomend geval geactualiseerd of aangevuld omwille
van nieuwe elementen.”;
4° in paragraaf 3 worden de woorden “de te verdelen
goederen” vervangen door de woorden “de goederen
opgenomen in de te vereffenen of de te verdelen boedel”;
5° in paragraaf 5:
a) het woord “deelgenoten” wordt telkens vervangen
door het woord “partijen”;
b) de woorden “en stelt, in voorkomend geval,” wor-
den ingevoegd tussen de woorden “vormt de algemene
boedel,” en de woorden “de kavels samen”;
0272/001
DOC 56
36
36
K A M E R • 1e Z I T T I N G VA N D E 56 e Z I T T I N G S P E R I O D E
2024
C H A M B R E 1e S E S S I O N D E L A 56 e L É G I S L AT U R E
c) le mot “chacun” est remplacé par le mot “chacune”;
6° au paragraphe 7, les mots “de liquidation et, le cas
échéant,” sont insérés entre le mot “projet” et les mots
“de partage”;
7° un paragraphe 8 est inséré, libellé comme suit:
“Les délais convenus ou fixés en application de la
présente section se comptent conformément au cha-
pitre VIII de la première partie du présent Code.”.
Art. 14
À l’article 1217, alinéa 1er, du même Code, les modi-
fications suivantes sont apportées:
1° les mots “de la liquidation et, le cas échéant,” sont
insérés entre le mot “poursuite” et les mots “du partage”;
2° le mot “judiciaire” est remplacé par le mot
“judiciaires”.
Art. 15
À l’article 1218, § 3, du même Code, les modifications
suivantes sont apportées:
1° à l’alinéa 1er, les mots “de liquidation et, le cas
échéant,” sont insérés entre le mot “projet” et les mots
“de partage”;
2° à l’alinéa 1er, 3°, les mots “la décision tranchant
les litiges ou difficultés est passée en force de chose
jugée” sont remplacés par les mots “l’une des parties
requiert, par écrit, le notaire-liquidateur de poursuivre,
conformément à l’article 1398, l’exécution provisoire
de la décision tranchant les litiges ou difficultés ou, si
la décision n’est pas exécutoire par provision, lorsque
celle-ci est passée en force de chose jugée”;
3° à l’alinéa 2, les mots “de liquidation et, le cas
échéant,” sont insérés entre le mot “projet” et les mots
“de partage”.
c) in de Franse tekst wordt het woord “chacun” ver-
vangen door het woord “chacune”;
6° in paragraaf 7, worden de woorden “vereffening en,
in voorkomend geval, van” ingevoegd tussen de woorden
“het ontwerp van” en de woorden “verdeling op”;
7° een paragraaf 8 wordt ingevoegd, opgesteld als
volgt:
“De termijnen die in toepassing van deze afdeling
zijn overeengekomen of bepaald, worden berekend
overeenkomstig hoofdstuk VIII van het eerste deel van
dit Wetboek.”.
Art. 14
In artikel 1217, eerste lid, van hetzelfde Wetboek,
worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° de woorden “vereffening en, in voorkomend geval,”
worden ingevoegd tussen het woord “gerechtelijke” en
het woord “verdeling”;
2° in de Franse tekst wordt het woord “judiciaire”
vervangen door het woord “judiciaires”.
Art. 15
In artikel 1218, § 3, van hetzelfde Wetboek, worden
de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in het eerste lid, worden de woorden “vereffening
en, in voorkomend geval, van” ingevoegd tussen de
woorden “het ontwerp van” en het woord “verdeling”;
2° in het eerste lid, 3°, worden de woorden “de beslis-
sing tot beslechting van de geschillen of moeilijkheden
in kracht van gewijsde is gegaan” vervangen door de
woorden “één van de partijen de notaris-vereffenaar
schriftelijk verzoekt om, overeenkomstig artikel 1398, de
voorlopige tenuitvoerlegging te vervolgen van de beslis-
sing tot beslechting van de geschillen of moeilijkheden
of, indien de beslissing niet uitvoerbaar bij voorraad is,
wanneer deze in kracht van gewijsde is gegaan”;
3° in het tweede lid, worden de woorden “vereffening
en, in voorkomend geval, van” ingevoegd tussen de
woorden “het ontwerp van” en het woord “verdeling”.
37
0272/001
DOC 56
37
K A M E R • 1e Z I T T I N G VA N D E 56 e Z I T T I N G S P E R I O D E
2024
C H A M B R E 1e S E S S I O N D E L A 56 e L É G I S L AT U R E
Art. 16
L’intitulé précédent l’article 1223 du même Code est
remplacé comme suit:
“De la liquidation donnant lieu, le cas échéant, à un
partage en nature”
Art. 17
À l’article 1223 du même Code, les modifications
suivantes sont apportées:
1° au paragraphe 1er, alinéa 1er:
a) les mots “la clôture des opérations et, le cas échéant,
à” sont insérés entre les mots “Préalablement à” et les
mots “l’attribution”;
b) le mot “indivisaire” est remplacé par le mot “partie”;
c) les mots “de liquidation et, le cas échéant,” sont
insérés entre le mot “projet” et les mots “de partage”;
2° au paragraphe 1er, alinéa 2:
a) les mots “de liquidation et, le cas échéant,” sont
insérés entre les mots “projet” et les mots “de partage”;
b) les mots “sommation et, le cas échéant,” sont
remplacés par les mots “sommation ainsi que, le cas
échéant,”;
c) les mots “à l’attribution des lots et à la clôture des
opérations” sont remplacés par les mots “à la clôture des
opérations et, le cas échéant, à l’attribution des lots”;
3° au paragraphe 1er, alinéa 3:
a) les mots “à la clôture des opérations et, le cas
échéant,” sont insérés entre les mots “leur présence,”
et les mots “à l’attribution des lots”;
b) les mots “de liquidation et, le cas échéant,” sont
insérés entre les mots “le projet” et les mots “de partage
visé à l’article 1214, § 7”;
Art. 16
Het opschrift dat voorafgaat aan artikel 1223 van
hetzelfde Wetboek wordt vervangen als volgt:
“De vereffening die, in voorkomend geval, aanleiding
geeft tot een verdeling in natura”
Art. 17
In artikel 1223 van hetzelfde Wetboek, worden de
volgende wijzigingen aangebracht:
1° in paragraaf 1, eerste lid:
a) de woorden: “de sluiting van de werkzaamheden
en, in voorkomend geval,” worden ingevoegd tussen het
woord “Voor” en de woorden “de toewijzing”;
b) het woord “deelgenoot” wordt vervangen door het
woord “partij”;
c) de woorden “van vereffening en, in voorkomend
geval,” worden ingevoegd tussen de woorden “het ont-
werp” en de woorden “van verdeling”;
2° in paragraaf 1, tweede lid:
a) de woorden “van vereffening en, in voorkomend
geval,” worden ingevoegd tussen de woorden “het ont-
werp” en de woorden “van verdeling”;
b) de woorden “aanmaning, en, in voorkomend ge-
val,” worden vervangen door de woorden “aanmaning,
evenals, in voorkomend geval,”;
c) de woorden “toewijzing van de kavels en de sluiting
der werkzaamheden” worden vervangen door de woor-
den “sluiting van de werkzaamheden en, in voorkomend
geval, bij de toewijzing van de kavels”;
3° in paragraaf 1, derde lid:
a) de woorden “de sluiting van de werkzaamheden
en, in voorkomend geval,” worden ingevoegd tussen
de woorden “de partijen ervan dat” en de woorden “de
toewijzing van de kavels”;
b) de woorden “van vereffening en, in voorkomend
geval,” worden ingevoegd tussen de woorden “het ont-
werp” en de woorden “van verdeling”;
0272/001
DOC 56
38
38
K A M E R • 1e Z I T T I N G VA N D E 56 e Z I T T I N G S P E R I O D E
2024
C H A M B R E 1e S E S S I O N D E L A 56 e L É G I S L AT U R E
4° au paragraphe 1er, alinéa 4:
a) les mots “de liquidation et, le cas échéant,” sont
insérés entre les mots “le projet” et les mots “de partage
visé à l’article 1214, § 7”;
b) les mots “et, le cas échéant, de leurs observations”
sont remplacés par les mots “ainsi que, le cas échéant,
de leurs observations”;
5° au paragraphe 2, alinéa 1er:
a) les mots “, lors de” sont remplacés par le mot “à”;
b) les mots “et, le cas échéant,” sont insérés entre les
mots “alinéa 2,” et les mots “à l’attribution”;
6° au paragraphe 2, alinéa 2:
a) les mots “L’acte de partage” sont remplacés par les
mots “L’acte portant la liquidation et, le cas échéant, le
partage”;
b) les mots “comme partage amiable” sont remplacés
par les mots “comme liquidation et, le cas échéant,
partage amiables”;
7° au paragraphe 3, alinéa 5, les mots “de liquidation
et, le cas échéant,” sont insérés entre le mot “projet” et
les mots “de partage”;
8° au paragraphe 4, alinéa 1er, les mots “de liquidation
et, le cas échéant,” sont insérés entre le mot “projet” et
les mots “de partage”;
9° au paragraphe 5:
a) les mots “de liquidation et, le cas échéant,” sont
insérés entre le mot “projet” et les mots “de partage”;
b) les mots “au rang de ses minutes la décision pas-
sée en force de chose jugée” sont remplacés par les
mots “la décision au rang de ses minutes à la requête
de la partie qui poursuit l’exécution provisoire de celle-ci
conformément à l’article 1398 ou, si la décision n’est pas
exécutoire par provision, lorsque celle-ci est passée en
force de chose jugée”;
4° in paragraaf 1, vierde lid:
a) de woorden “van vereffening en, in voorkomend
geval,” worden ingevoegd tussen de woorden “het ont-
werp” en de woorden “van verdeling”;
b) de woorden “en, in voorkomend geval, hun opmer-
kingen” worden vervangen door de woorden “evenals,
in voorkomend geval, hun opmerkingen”;
5° in paragraaf 2, eerste lid:
a) de woorden “, bij” worden vervangen door de woor-
den “over tot”;
b) de woorden “over tot de toewijzing van de kavels”
worden vervangen door de woorden “en, in voorkomend
geval, tot de toewijzing van de kavels”;
6° in paragraaf 2, tweede lid:
a) de woorden “De akte van verdeling” worden ver-
vangen door de woorden “De akte van vereffening en,
in voorkomend geval, van verdeling”;
b) de woorden “als minnelijke verdeling” worden ver-
vangen door de woorden “als minnelijke vereffening en,
in voorkomend geval, verdeling”;
7° in paragraaf 3, vijfde lid, worden de woorden “van
vereffening en, in voorkomend geval,” ingevoegd tussen
de woorden “het ontwerp” en de woorden “van verdeling”;
8° in paragraaf 4, eerste lid, worden de woorden “van
vereffening en, in voorkomend geval,” ingevoegd tussen
de woorden “het ontwerp” en de woorden “van verdeling”;
9° in paragraaf 5:
a) worden de woorden “van vereffening en, in voor-
komend geval,” ingevoegd tussen de woorden “het
ontwerp” en de woorden “van verdeling”;
b) worden de woorden “De notaris-vereffenaar rang-
schikt de uitspraak die in kracht van gewijsde is gegaan
onder zijn minuten” vervangen door de woorden “De
notaris-vereffenaar rangschikt de uitspraak onder zijn
minuten op schriftelijk verzoek van de partij die de voor-
lopige tenuitvoerlegging ervan verzoekt overeenkomstig
artikel 1398 of, indien de beslissing niet uitvoerbaar bij
voorraad is, wanneer deze in kracht van gewijsde is
gegaan”;
39
0272/001
DOC 56
39
K A M E R • 1e Z I T T I N G VA N D E 56 e Z I T T I N G S P E R I O D E
2024
C H A M B R E 1e S E S S I O N D E L A 56 e L É G I S L AT U R E
10° au paragraphe 6, alinéa 1er:
a) les mots “de liquidation et, le cas échéant,” sont
insérés entre le mot “projet” et les mots “de partage
complémentaire”;
b) les mots “de liquidation et, le cas échéant,” sont
insérés entre le mot “projet” et les mots “de partage
conforme”.
Art. 18
À l’article 1225 du même Code, les modifications
suivantes sont apportées:
1° les mots “aux liquidations ou” sont insérés entre le
mot “relatives” et les mots “aux partages auxquels des
mineurs sont intéressés”;
2° les mots “aux partages auxquels sont intéressés des
personnes protégées” sont remplacés par les mots “aux
liquidations ou aux partages auxquels sont intéressées
des personnes protégées”;
3° les mots “du Code civil” sont chaque fois remplacés
par les mots “de l’ancien Code civil”.
CHAPITRE 3
Modification du Code civil
Art. 19
À l’article 4.101 du Code civil, les modifications sui-
vantes sont apportées:
1° dans l’intitulé de la disposition, les mots “à la liqui-
dation et, le cas échéant,” sont insérés entre le mot
“Opposition” et les mots “au partage”;
2° à l’alinéa 1er, les mots “la liquidation et, le cas
échéant,” sont insérés entre les mots “éviter que” et les
mots “le partage”;
3° à l’alinéa 1er, de la version néerlandaise du texte, les
mots “in de verdeling” sont remplacés par le mot “hierin”;
10° in paragraaf 6, eerste lid:
a) de woorden “van vereffening en, in voorkomend
geval,” worden ingevoegd tussen de woorden “het ont-
werp” en de woorden “van verdeling of een staat van
vereffening”;
b) de woorden “van vereffening en, in voorkomend
geval,” worden ingevoegd tussen de woorden “het ont-
werp” en de woorden “van verdeling overeenkomstig”.
Art. 18
In artikel 1225 van hetzelfde Wetboek, worden de
volgende wijzigingen aangebracht:
1° de woorden “vereffeningen of” worden ingevoegd
tussen de woorden “dit hoofdstuk betreffende” en de
woorden “verdelingen waarbij minderjarigen een belang
hebben”;
2° de woorden “op de verdelingen waarmee het be-
lang gemoeid is van beschermde personen” worden
vervangen door de woorden “op de vereffeningen of
de verdelingen waarmee het belang gemoeid is van
beschermde personen”;
3° de woorden “het Burgerlijk Wetboek” worden telkens
vervangen door de woorden “het oud Burgerlijk Wetboek”.
HOOFDSTUK 3
Wijzigingen van het Burgerlijk Wetboek
Art. 19
In artikel 4.101 van het Burgerlijk Wetboek worden de
volgende wijzigingen aangebracht:
1° in het opschrift van de bepaling, worden de woor-
den “de vereffening en, in voorkomend geval, tegen”
ingevoegd tussen de woorden “Verzet tegen” en de
woorden “de verdeling”;
2° in het eerste lid, worden de woorden “de veref-
fening en, in voorkomend geval,” ingevoegd tussen de
woorden “beletten dat” en “de verdeling”;
3° in het eerste lid, worden de woorden “in de verde-
ling” vervangen door het woord “hierin”;
0272/001
DOC 56
40
40
K A M E R • 1e Z I T T I N G VA N D E 56 e Z I T T I N G S P E R I O D E
2024
C H A M B R E 1e S E S S I O N D E L A 56 e L É G I S L AT U R E
4° à l’alinéa 2, les mots “une liquidation dont les
opérations ont été clôturées, ou” sont insérés entre le
mot “attaquer” et les mots “un partage”.
CHAPITRE 4
Disposition transitoire
Art. 20
Les dispositions telles qu’elles étaient d’application
avant l’entrée en vigueur de la présente loi restent
applicables aux affaires dans lesquelles la demande en
partage est pendante et qui ont été mises en délibéré
au moment de l’entrée en vigueur de la présente loi.
2 septembre 2024
Philippe Goffin (MR)
Pierre Jadoul (MR)
Catherine Delcourt (MR)
Mathieu Bihet (MR)
4° in het tweede lid, worden de woorden “een veref-
fening waarvan de werkzaamheden zijn gesloten, of”
ingevoegd tussen de woorden “Tegen” en “een voltrok-
ken verdeling”.
HOOFDSTUK 4
Overgangsbepaling
Art. 20
Op de zaken waarin de vordering tot verdeling han-
gende is en die op het ogenblik van inwerkingtreding van
deze wet in beraad zijn genomen, blijven de bepalingen
van toepassing zoals die golden voor de inwerkingtreding
van deze wet.
2 september 2024
Centrale drukkerij - Imprimerie centrale