Inhoud
20 december 2024
20 décembre 2024
0272/002
DOC 56
0272/002
DOC 56
00849
K A M E R • 2e Z I T T I N G VA N D E 56 e Z I T T I N G S P E R I O D E
2024
2025
C H A M B R E 2e S E S S I O N D E L A 56 e L É G I S L AT U R E
Chambre des représentants
de Belgique
Belgische Kamer van
volksvertegenwoordigers
tot wijziging van de artikelen 572bis en
1184 van het Gerechtelijk Wetboek,
van het hoofdstuk VI, van boek IV,
van het vierde deel van hetzelfde Wetboek,
met betrekking tot de verdelingen en
veilingen, evenals van artikel 4.101
van het Burgerlijk Wetboek
WETSVOORSTEL
modifiant les articles 572bis et
1184 du Code judiciaire,
le chapitre VI, du livre IV,
de la quatrième partie du même Code,
relatif aux partages et
licitations, ainsi que l’article 4.101
du Code civil
PROPOSITION DE LOI
Amendementen
Amendements
Voir:
Doc 56 0272/ (S.E. 2024):
001:
Proposition de loi de M. Goffin et consorts.
Zie:
Doc 56 0272/ (B.Z. 2024):
001:
Wetsvoorstel van de heer Goffin c.s..
0272/002
DOC 56
2
K A M E R • 2e Z I T T I N G VA N D E 56 e Z I T T I N G S P E R I O D E
2024
2025
C H A M B R E 2e S E S S I O N D E L A 56 e L É G I S L AT U R E
N° 1 de MM. Goffin et Jadoul
Art. 2/1 (nouveau)
Insérer un article 2/1, rédigé comme suit:
“Art. 2/1. Dans l’article 1179 du même Code, les
mots “fixe les jour et heure auxquels il sera procédé
à l’inventaire ainsi que le lieu où celui-ci se tiendra
et” sont insérés entre les mots “le notaire” et le mot
“convoque”.”
JUSTIFICATION
Le présent amendement est fait suite à une suggestion
formulée par le Professeur Moreau aux termes de son avis
écrit déposé auprès de la Commission de la Justice de la
Chambre des représentants, dans le cadre de l’examen de
la présente proposition de loi.
En effet, le Professeur Moreau relève que la présente pro-
position de loi suggère d’adapter l’article 1214, § 2, alinéa 2,
du Code judiciaire, pour préciser que, lorsqu’il fixe les jour
et heure de la tenue de la première vacation d’inventaire, le
notaire fixe également le lieu où celle-ci se tiendra. Comme
exposé aux termes du commentaire de la disposition, cette
précision est apportée dès lors qu’en pratique, “la question
du lieu de l’inventaire suscite parfois certaines discussions,
notamment lorsque la résidence et le domicile d’une des
parties ne coïncident pas”.
Eu égard à cette justification, le Professeur Moreau sug-
gère d’apporter la même précision à l’article 1179 du Code
judiciaire, relativement à l’hypothèse où l’inventaire n’est pas
dressé dans le cadre d’une procédure de liquidation-partage.
Le présent amendement intègre cette suggestion.
Philippe Goffin (MR)
Pierre Jadoul (MR)
Nr. 1 van de heren Goffin en Jadoul
Art. 2/1 (nieuw)
Een artikel 2/1 invoegen, luidende:
“Art. 2/1. In artikel 1179 van hetzelfde Wetboek wor-
den de woorden “roept de notaris” vervangen door de
woorden “legt de notaris de dag en het uur vast waarop
tot de boedelbeschrijving zal worden overgegaan
evenals de plaats waar deze zal gehouden worden en
roept hij”.”
VERANTWOORDING
Dit amendement is opgesteld naar aanleiding van een sug-
gestie die professor Moreau heeft gedaan in het schriftelijk
advies dat hij heeft neergelegd bij de Commissie Justitie van
de Kamer van volksvertegenwoordigers, in het kader van de
analyse van dit wetsvoorstel.
Professor Moreau merkt immers op dat het huidige wets-
voorstel een wijziging inhoudt van artikel 1214, § 2, tweede
lid, van het Gerechtelijk Wetboek om te verduidelijken dat de
notaris, bij de vaststelling van de dag en het uur waarop tot de
eerste vacatie van boedelbeschrijving zal worden overgegaan,
ook de plaats vaststelt waar deze zal worden gehouden. Zoals
in de toelichting bij de bepaling wordt uiteengezet, is deze
verduidelijking aangebracht omdat in de praktijk “de vraag
naar de plaats van de boedelbeschrijving soms aanleiding
geeft tot bepaalde discussies, meer bepaald wanneer de
verblijfplaats en de woonplaats van één van de partijen niet
overeenstemmen”.
In het licht van deze rechtvaardiging stelt professor Moreau
voor dezelfde verduidelijking aan te brengen in artikel 1179 van
het Gerechtelijk Wetboek, met betrekking tot de hypothese
waarin de boedelbeschrijving niet wordt opgemaakt in het
kader van een procedure van vereffening-verdeling.
Dit amendement neemt deze suggestie over.
3
0272/002
DOC 56
K A M E R • 2e Z I T T I N G VA N D E 56 e Z I T T I N G S P E R I O D E
2024
2025
C H A M B R E 2e S E S S I O N D E L A 56 e L É G I S L AT U R E
N° 2 de MM. Goffin et Jadoul
Art. 3
Apporter les modifications suivantes:
1° avant le 1°, insérer un 0°, rédigé comme suit:
“0° à l’alinéa 1er:
a) les mots “qui met son ordonnance sur la minute du
procès-verbal” sont remplacés par les mots “par simple
demande écrite déposée ou adressée au greffe”;
b) la phrase “Lorsqu’il est procédé à l’inventaire en
vertu de l’article 1214, le notaire peut alternativement
soumettre les difficultés au tribunal de la famille qui l’a
désigné, conformément à l’article 1216.” est abrogée;”;
2° insérer un 1°/1, rédigé comme suit:
1°/1 un alinéa est inséré après l’alinéa premier, libellé
comme suit:
“Lorsqu’il est procédé à l’inventaire en vertu de
l’article 1214, le notaire peut soumettre les difficultés
visées à l’alinéa 1er soit au tribunal de la famille qui l’a
désigné, conformément à l’article 1216, soit au juge de
paix, conformément à l’alinéa 1er.”;
3° dans le 2°, remplacer les mots “à l’alinéa 3” par
les mots “à l’alinéa 3 devenant l’alinéa 4”.
JUSTIFICATION
Le présent amendement modifie l’article 1184 du Code
judiciaire sur plusieurs points.
En premier lieu, l’article 1184, alinéa 1er, du Code judiciaire
est modifié pour faire suite (notamment) à une suggestion
formulée par le Professeur Verstraete aux termes de son
Nr. 2 van de heren Goffin en Jadoul
Art. 3
De volgende wijzigingen aanbrengen:
1° vóór de bepaling onder 1°, een bepaling onder
0° invoegen, luidende
“0° in het eerste lid:
a) de woorden “die zijn beschikking stelt op de
minuut van het proces-verbaal” worden vervangen
door de woorden “bij eenvoudig schriftelijk verzoek
neergelegd bij of gericht aan de griffie”;
b) de zin “Wanneer er wordt overgegaan tot de boe-
delbeschrijving krachtens artikel 1214, kan de notaris
als alternatief de moeilijkheden neerleggen bij de fami-
lierechtbank die hem heeft aangesteld, overeenkomstig
artikel 1216.” wordt opgeheven;”;
2° een bepaling onder 1°/1 invoegen, luidende:
1°/1 na het eerste lid wordt een lid ingevoegd,
luidende:
“Wanneer er wordt overgegaan tot de boedelbe-
schrijving krachtens artikel 1214, kan de notaris de
moeilijkheden bedoeld in het eerste lid neerleggen
ofwel bij de familierechtbank die hem heeft aangesteld
overeenkomstig artikel 1216, ofwel bij de vrederechter
overeenkomstig het eerste lid.”;
3° in de bepaling onder 2°, de woorden “in het
derde lid” vervangen door de woorden “in het derde
lid dat het vierde lid wordt”.
VERANTWOORDING
Dit amendement wijzigt artikel 1184 van het Gerechtelijk
Wetboek op verschillende vlakken.
Ten eerste wordt artikel 1184, eerste lid van het Gerechtelijk
Wetboek aangepast (meer bepaald) naar aanleiding van
een suggestie die professor Verstraete heeft gedaan in het
0272/002
DOC 56
4
K A M E R • 2e Z I T T I N G VA N D E 56 e Z I T T I N G S P E R I O D E
2024
2025
C H A M B R E 2e S E S S I O N D E L A 56 e L É G I S L AT U R E
avis écrit déposé auprès de la Commission de la Justice de
la Chambre des représentants, dans le cadre de l’examen de
la présente proposition de loi.
En effet, la disposition suscite actuellement deux types
de difficultés.
La première difficulté est relative à la manière dont il
convient de saisir le juge de paix d’une difficulté relative à
l’inventaire, en application de l’article 1184 du Code judiciaire.
Cette question fait actuellement l’objet de discussions, la
disposition étant muette à ce sujet.
A ce sujet, certains estiment que le juge de paix peut être
saisi par le dépôt d’une requête unilatérale déformalisée,
sur pied des articles 1025 et suivants du Code judiciaire (F.
Debucquoy, “Enkele mensenrechtelijke bedenkingen”, R.W.,
2019-20, liv. 6, p. 209; S. Deschamps, “Le notaire commis et son
juge civil”, in Le notaire, le juge et l’avocat – Heurs et malheurs
du notaire commis, sous la dir. de J. van Compernolle et J.-L.
Ledoux, Bruxelles, Bruylant, 1996, p. 58, n° 39; C. Engels,
Procesrecht in verband met het notariaat, Bruges, la Charte,
2010, p. 66, n° 82; N. Gendrin et D. Karadsheh, Liquidation-
partage, coll. R.P.D.B., Bruxelles, Larcier, 2020, p. 152, n° 143;
M. Storme, L. De Keyser et B. Verheye, Notarieel familiaal ver-
mogensrecht, Leuven, Acco, 2022, p. 135, n° 280; J.P. Uccle,
16 janvier 2009, Rev. not. b., 2010, liv. 3041, p. 292; Civ.
Bruges, 26 septembre 1997, T. Not., 1998, p. 132; J.P. Izegem,
30 septembre 1992, T. Not., 1993, p. 112.).
D’autres sont d’avis que la procédure peut être introduite
par le notaire par le dépôt d’un procès-verbal faisant état de
la difficulté (Ch. Aughuet et C. De Boe, “La dualité des com-
pétences pour les difficultés en matière d’inventaire”, in Le
droit judiciaire notarial en épines et broussailles, sous la dir.
de C. De Boe, J.-Fr. van Drooghenbroeck et R. Wauters,
Bruxelles, Larcier, 2023, p. 221, n° 9; Ch. Aughuet et P. Nicaise,
“Questions pratiques liées à l’inventaire”, in Questions pra-
tiques liées à la procédure de liquidation-partage judiciaire,
OBFG-FRNB, Bruxelles, Bruylant, 2008, p. 96; L. Sterckx,
“Questions liées à l’inventaire (dans le cadre du partage
judiciaire)”, Rev. not. b., 2016, p. 158, n° 9; J. van Compernolle,
“La commission du notaire par justice: typologie et principes
généraux”, in Le notaire, le juge et l’avocat – Heurs et mal-
heurs du notaire commis, sous la dir. de J. van Compernolle
et J.-L. Ledoux, Bruxelles, Bruylant, 1996, p. 35; J.-Fr. van
Drooghenbroeck, “Inventaire préalable à liquidation-partage:
comment lever les blocages?”, Rev. not. b., 2007, pp. 220
schriftelijk advies dat hij heeft neergelegd bij de Commissie
Justitie van de Kamer van volksvertegenwoordigers, in het
kader van de analyse van dit wetsvoorstel.
De bepaling leidt momenteel immers tot twee soorten
moeilijkheden.
De eerste moeilijkheid heeft betrekking op de manier waar-
op een moeilijkheid met betrekking tot de boedelbeschrijving
moet worden neergelegd bij de vrederechter, in toepassing
van artikel 1184 van het Gerechtelijk Wetboek.
Deze kwestie maakt momenteel het voorwerp uit van be-
twisting, aangezien deze bepaling geen gewag maakt hiervan.
In dat verband zijn sommigen van mening dat de vre-
derechter kan worden gevat via de neerlegging van een
eenzijdig gedeformaliseerd verzoekschrift, op grond van de
artikelen 1025 en volgende van het Gerechtelijk Wetboek (F.
Debucquoy, “Enkele mensenrechtelijke bedenkingen”, R.W.
2019-20, afl. 6, p. 209; S. Deschamps, “Le notaire commis et
son juge civil”, in Le notaire, le juge et l’avocat – Heurs et
malheurs du notaire commis, dir. J. van Compernolle en J.-
.L. Ledoux, Brussel, Bruylant, 1996, p. 58, nr. 39; C. Engels,
Procesrecht in verband met het notariaat, Brugge, la Charte,
2010, p. 66, nr. 82; N. Gendrin en D. Karadsheh, Liquidation-
partage, coll. R.P.D.B., Brussel, Larcier, 2020, p. 152, nr. 143;
M. Storme, L. De Keyser en B. Verheye, Notarieel familiaal
vermogensrecht, Leuven, Acco, 2022, p. 135, nr. 280; Vred.
Ukkel 16 januari 2009, Rev. not. b., 2010, afl. 3041, p. 292;
Rb. Brugge 26 september 1997, T. Not., 1998, p. 132; Vred.
Izegem 30 september 1992, T. Not., 1993, p. 112.).
Anderen zijn van mening dat de procedure kan worden
ingeleid door de notaris, door de neerlegging van een proces-
verbaal waarin de moeilijkheid wordt vermeld (Ch. Aughuet en
C. De Boe, “La dualité des compétences pour les difficultés en
matière d’inventaire”, in Le droit judiciaire notarial en épines
et broussailles, dir. C. De Boe, J.-Fr. van Drooghenbroeck en
R. Wauters, Brussel, Larcier, 2023, p. 221, nr. 9; Ch. Aughuet
en P. Nicaise, “Questions pratiques liées à l’inventaire”, in
Questions pratiques liées à la procédure de liquidation-
partage judiciaire, OBFG-FRNB, Brussel, Bruylant, 2008,
p. 96; L. Sterckx, “Questions liées à l’inventaire (dans le cadre
du partage judiciaire)”, Rev. not. b. 2016, p. 158, nr. 9; J. van
Compernolle, “La commission du notaire par justice: typologie
et principes généraux”, in Le notaire, le juge et l’avocat –
Heurs et malheurs du notaire commis, dir. J. van Compernolle
en J.-L. Ledoux, Brussel, Bruylant, 1996, p. 35; J.-Fr. van
Drooghenbroeck, “Inventaire préalable à liquidation-partage:
comment lever les blocages?”, Rev. not. b., 2007, p. 220 e.v.;
5
0272/002
DOC 56
K A M E R • 2e Z I T T I N G VA N D E 56 e Z I T T I N G S P E R I O D E
2024
2025
C H A M B R E 2e S E S S I O N D E L A 56 e L É G I S L AT U R E
et s.; J.-Fr. van Drooghenbroeck et C. De Boe, “L’inventaire”,
Rép. Not., tome XIII, Livre I2, Bruxelles, Larcier, 2012, n° 112,
p. 144. Contra: J.P. Izegem, 30 septembre 1992, T. Not., 1993,
p. 112. Voy. également Th. van Sinay, à propos des difficultés
engendrées par ce système et des solutions envisageables:
“Enkele actuele topics inzake boedelbeschrijving”, T. Not.,
2005, pp. 254 et 255, n° 29; du même auteur, Het draaiboek
van een boedelbeschrijving, coll. CABG, Bruxelles, Larcier,
2010, n° 96, p. 45).
Plusieurs éléments sous-tendent cette dernière opinion:
a) le fait que l’article 1184, alinéa 1er, du Code judiciaire
prévoit que le juge de paix “met son ordonnance sur la minute
du procès-verbal”;
b) le fait que le dépôt d’un procès-verbal permet de res-
pecter le principe du contradictoire;
c) le souci de cohérence et d’analogie avec la procédure
de liquidation-partage judiciaire.
La seconde difficulté concerne la forme (ou le support) de la
décision du juge de paix. En effet, l’article 1184, alinéa 1er, du
Code judiciaire prévoit actuellement que le juge de paix “met
son ordonnance sur la minute du procès-verbal”, alors que
le notaire ne peut se dessaisir de la minute du procès-verbal,
qui est un original (voy. notamment, à ce sujet, L. Sterckx,
“Questions liées à l’inventaire (dans le cadre du partage
judiciaire)”, Rev. not. b., 2016, p. 158, n° 9; T. Van Sinay, Het
draaiboek van een boedelbeschrijving, Bruxelles, Intersentia,
2010, p. 45, n° 96; J.-Fr. van Drooghenbroeck et C. De Boe,
“L’inventaire”, Rép. Not., tome XIII, Livre I2, Bruxelles, Larcier,
2012, n° 112, p. 144).
Ainsi que l’observe le Professeur Verstraete, aux termes
de son avis écrit, l’apposition de l’ordonnance du juge de
paix sur la minute du procès-verbal n’est dès lors possible
que lorsque le juge de paix est présent lors de l’inventaire ou
lorsque le notaire se présente devant le juge de paix avec la
minute (dont il ne peut se dessaisir).
Le présent amendement entend remédier à ces deux
difficultés.
S’agissant, d’une part, de la manière dont le notaire saisit
le juge de paix des difficultés relatives à l’inventaire, le texte
proposé prévoit un mode de saisine simplifié, en autorisant la
J.-Fr. van Drooghenbroeck en C. De Boe, “L’inventaire”, Rép.
Not., deel XIII, Boek I2, Brussel, Larcier, 2012, n° 112, p. 144.
Contra: Vred. Izegem 30 september 1992, T. Not. 1993, p. 112.
Zie ook Th. van Sinay, met betrekking tot de moeilijkheden die
dit systeem veroorzaakt en de mogelijke oplossingen: “Enkele
actuele topics inzake boedelbeschrijving”, T. Not. 2005, p. 254
en 255, nr. 29; van dezelfde auteur, Het draaiboek van een
boedelbeschrijving, coll. CABG, Brussel, Larcier, 2010, nr. 96,
p. 45).
Verschillende elementen ondersteunen dit laatste
standpunt:
a) het feit dat artikel 1184, eerste lid, van het Gerechtelijk
Wetboek bepaalt dat de vrederechter “zijn beschikking stelt
op de minuut van het proces-verbaal”;
b) het feit dat de indiening van een proces-verbaal het mo-
gelijk maakt het beginsel van tegenspraak in acht te nemen;
c) het streven naar coherentie en analogie met de proce-
dure van gerechtelijke vereffening-verdeling.
De tweede moeilijkheid betreft de vorm (of de drager) van
de beslissing van de vrederechter. Artikel 1184, eerste lid
van het Gerechtelijk Wetboek bepaalt momenteel immers
dat de vrederechter “zijn beschikking stelt op de minuut van
het proces-verbaal”, terwijl de notaris zich niet kan ontdoen
van de minuut van het proces-verbaal, die een origineel
is (zie hierover met name L. Sterckx, “Questions liées à
l’inventaire (dans le cadre du partage judiciaire)”, Rev. not.
b. 2016, p. 158, nr. 9; T. Van Sinay, Het draaiboek van een
boedelbeschrijving, Brussel, Intersentia, 2010, p. 45, nr. 96;
J.-Fr. van Drooghenbroeck en C. De Boe, “L’inventaire”, Rép.
Not., deel XIII, Boek I2, Brussel, Larcier, 2012, nr. 112, p. 144).
Zoals professor Verstraete in een schriftelijk advies op-
merkt, is het aanbrengen van de beschikking van de vrede-
rechter op de minuut van het proces-verbaal bijgevolg enkel
mogelijk wanneer de vrederechter aanwezig is bij de boedel-
beschrijving of wanneer de notaris verschijnt voor de vrede-
rechter met de minuut (waarvan hij zich niet kan ontdoen).
Dit amendement wil een oplossing bieden voor deze twee
moeilijkheden.
Ten eerste, wat betreft de wijze waarop de notaris moeilijk-
heden in verband met de boedelbeschrijving neerlegt bij de
vrederechter, bevat de voorgestelde tekst een vereenvoudigde
0272/002
DOC 56
6
K A M E R • 2e Z I T T I N G VA N D E 56 e Z I T T I N G S P E R I O D E
2024
2025
C H A M B R E 2e S E S S I O N D E L A 56 e L É G I S L AT U R E
saisine du juge de paix “par simple demande écrite déposée
ou adressée au greffe”.
Il est observé que ce mode de saisine “simplifiée” existe
déjà dans le Code judiciaire, notamment dans les dispositions
relatives à la procédure de liquidation-partage: voyez notam-
ment l’article 1211 du Code judiciaire (relatif à la demande
de remplacement du notaire-liquidateur), l’article 1212 du
Code judiciaire (relatif à la demande de désignation d’un
gestionnaire de la masse indivise, l’article 1213, § 3, du Code
judiciaire, (relatif à la demande de désignation d’un expert)
et l’article 1218, § 4, du Code judiciaire (relatif à la demande
visant à obtenir du tribunal la réduction des délais légaux).
Il est précisé, par ailleurs, que ce mode de saisine ne
concerne que l’hypothèse dans laquelle la difficulté rela-
tive à l’inventaire est soumise au juge de paix. Lorsque le
notaire-liquidateur choisit, dans le cadre d’une procédure de
liquidation-partage judiciaire, de saisir le tribunal de la famille
de la difficulté (ainsi que l’y autorise désormais expressément
l’article 1184, alinéa 1er, du Code judiciaire tel que modifié par
l’article 3 de la présente proposition et amendé par la seconde
partie du présent amendement), la saisine du tribunal se fait –
selon le libellé du texte inséré par la présente proposition de
loi – conformément à l’article 1216 du Code judiciaire (c’est-
à-dire moyennant le dépôt d’un procès-verbal intermédiaire).
S’agissant, d’autre part, de la difficulté relative à la forme
(ou au support) de la décision du juge de paix, le présent
amendement supprime, à l’article 1184, alinéa 1er, du Code
judiciaire, les termes “qui met son ordonnance sur la minute
du procès-verbal”.
A défaut de cette mention (qui pose problème dès lors que
le notaire ne peut se dessaisir de la minute), l’on en revient
au droit commun, en vertu duquel le juge de paix rend sa
décision sans devoir “l’apposer” sur un quelconque “support”.
En second lieu, le présent amendement tend à remédier
à une difficulté d’interprétation qui aurait pu se présenter en
raison de l’usage du mot “alternativement” dans la version
française du texte.
wijze van aanhangigmaking, waarbij de aanhangigmaking bij
de vrederechter wordt toegestaan “bij eenvoudig schriftelijk
verzoek dat wordt neergelegd bij of gericht aan de griffie”.
Er wordt op gewezen dat deze “vereenvoudigde” wijze van
aanhangigmaking reeds bestaat in het Gerechtelijk Wetboek,
met name in de bepalingen betreffende de procedure van
vereffening-verdeling: zie in het bijzonder artikel 1211 van
het Gerechtelijk Wetboek (met betrekking tot het verzoek
om de notaris-vereffenaar te vervangen), artikel 1212 van
het Gerechtelijk Wetboek (met betrekking tot het verzoek om
een beheerder aan te stellen van de onverdeelde boedel),
artikel 1213, § 3, van het Gerechtelijk Wetboek (met betrek-
king tot het verzoek om een deskundige aan te stellen) en
artikel 1218, § 4, van het Gerechtelijk Wetboek (met betrekking
tot het verzoek om van de rechtbank een inkorting te verkrijgen
van de wettelijke termijnen).
Bovendien wordt verduidelijkt dat deze wijze van aanhan-
gigmaking louter betrekking heeft op de hypothese waarin
de moeilijkheid betreffende de boedelbeschrijving wordt
ingediend bij de vrederechter. Wanneer de in het kader van
een procedure van gerechtelijke vereffening-verdeling aange-
wezen notaris-vereffenaar de moeilijkheid aanhangig maakt
bij de familierechtbank (zoals hij daar voortaan uitdrukkelijk
toelating voor krijgt krachtens artikel 1184, eerste lid van
het Gerechtelijk Wetboek zoals gewijzigd bij artikel 3 van
dit voorstel en gewijzigd bij het tweede deel van dit amen-
dement), gebeurt het vatten van de rechtbank – volgens de
formulering van de door dit wetsvoorstel ingevoegde tekst
– overeenkomstig artikel 1216 van het Gerechtelijk Wetboek
(met andere woorden middels de neerlegging van een tus-
sentijds proces-verbaal).
Ten tweede, met betrekking tot de moeilijkheid betreffende
de vorm (of de drager) van de beslissing van de vrederechter,
schrapt dit amendement in artikel 1184, eerste lid van het
Gerechtelijk Wetboek, de woorden “die zijn beschikking stelt
op de minuut van het proces-verbaal”.
Bij gebrek aan die vermelding (wat problematisch is aan-
gezien de notaris zich niet van de minuut kan ontdoen), wordt
teruggevallen op het gemeen recht, krachtens hetgeen de
vrederechter uitspraak doet zonder deze op een “drager” te
moeten “aanbrengen”.
Ten tweede, beoogt dit amendement te verhelpen aan een
interpretatiemoeilijkheid die zou kunnen ontstaan omwille van
het gebruik van het woord “alternativement” in de Franstalige
versie van de tekst.
7
0272/002
DOC 56
K A M E R • 2e Z I T T I N G VA N D E 56 e Z I T T I N G S P E R I O D E
2024
2025
C H A M B R E 2e S E S S I O N D E L A 56 e L É G I S L AT U R E
En effet, à l’occasion des consultations écrites menées
par la Commission de la Justice de la Chambre des repré-
sentants dans le cadre de l’examen de la présente propo-
sition de loi, plusieurs experts et institutions (notamment le
Professeur Moreau, la Conférence des premiers présidents et
la Conférence des TPI francophones et germanophones) ont
estimé que le terme “alternativement” utilisé dans la version
francophone de l’article 1184, alinéa 1er, proposé du Code
judiciaire pourrait donner lieu à confusion, en ce qu’il pourrait
être interprété comme autorisant le notaire-liquidateur à saisir
“tour à tour” ou “successivement” le juge de paix et le tribunal
de la famille des difficultés rencontrées en matière d’inventaire
dans le cadre d’une procédure de liquidation-partage.
En réalité, les auteurs de la présente proposition enten-
daient, par l’utilisation du mot “alternativement” en français,
indiquer que le notaire-liquidateur confronté à une difficulté
liée à l’établissement de l’inventaire dans le cadre d’une
procédure de liquidation-partage judiciaire dispose d’une
alternative: il peut, à son choix, saisir soit le juge de paix
soit le tribunal de la famille de cette difficulté. La disposition
n’entend donc pas conférer au notaire-liquidateur la possibilité
de saisir ces deux juridictions successivement: il appartient
au notaire-liquidateur de choisir la juridiction la plus adéquate
pour solutionner le litige ou la difficulté et de saisir celle-ci de
manière définitive, sans possibilité de saisir ensuite l’autre
juridiction.
Dans cette perspective, la version néerlandaise de la dis-
position proposée, qui utilise les termes “als alternatief” (“à
titre d’alternative”) semble – ainsi que le relèvent plusieurs
experts et institutions – plus adéquate et moins sujette à
confusion, en ce qu’elle permet d’établir clairement que le
notaire-liquidateur jouit d’une alternative: il dispose de la
faculté de choisir entre deux possibilités, à savoir soit saisir
le juge de paix soit saisir le tribunal de la famille.
Le présent amendement suggère dès lors de:
a) supprimer la phrase “Lorsqu’il est procédé à l’inventaire
en vertu de l’article 1214, le notaire peut alternativement
soumettre les difficultés au tribunal de la famille qui l’a
désigné, conformément à l’article 1216.”, qui était insérée à
l’article 1184, alinéa 1er, du Code judiciaire par la présente
proposition;
Naar aanleiding van de schriftelijke raadplegingen die de
Commissie Justitie van de Kamer van volksvertegenwoordi-
gers heeft gevoerd in het kader van de behandeling van dit
wetsvoorstel, waren immers verschillende deskundigen en
instellingen (waaronder professor Moreau, de Conferentie
van eerste voorzitters en de Conferentie van Franstalige en
Duitstalige REA) van mening dat de term “alternativement” die
gebruikt wordt in de Franstalige versie van het voorgestelde
artikel 1184, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek tot ver-
warring zou kunnen leiden, omdat deze zou kunnen worden
geïnterpreteerd als een toelating voor de notaris-vereffenaar
om “beurtelings” of “achtereenvolgens” de vrederechter en
de familierechtbank te vatten betreffende de moeilijkheden
die zich voordoen op het vlak van boedelbeschrijving in het
kader van een procedure van vereffening-verdeling.
In werkelijkheid wilden de auteurs van dit voorstel met het
Franse woord “alternativement” aangeven dat de notaris-
vereffenaar die geconfronteerd wordt met een moeilijkheid in
verband met de opstelling van de boedelbeschrijving in het ka-
der van een gerechtelijke procedure van verdeling-verdeling,
beschikt over een alternatief: hij kan dit probleem, naar zijn
keuze, hetzij neerleggen bij de vrederechter, hetzij bij de fami-
lierechtbank. De bepaling kent dus aan de notaris-vereffenaar
niet de mogelijkheid toe de zaak achtereenvolgens aanhangig
te maken bij deze twee rechterlijke instanties; het komt de
notaris-vereffenaar toe de meest geschikte rechterlijke instan-
tie te kiezen om het geschil of probleem op te lossen en het
daarbij definitief aanhangig te maken, zonder de mogelijkheid
om later de andere rechterlijke instantie te vatten.
In dat opzicht lijkt de Nederlandstalige versie van de
voorgestelde bepaling, waarin de bewoording “als alterna-
tief” gebruikt wordt, – zoals ook verscheidene deskundigen
en instellingen hebben opgemerkt – geschikter en minder
vatbaar voor verwarring, omdat duidelijk gemaakt wordt dat
de notaris-vereffenaar een alternatief heeft: hij beschikt over
de mogelijkheid om te kiezen tussen twee mogelijkheden,
namelijk hetzij de zaak aanhangig maken bij de vrederechter,
hetzij bij de familierechtbank.
Er wordt bijgevolg in dit amendement voorgesteld:
a) om de zin “Wanneer er wordt overgegaan tot de boe-
delbeschrijving krachtens artikel 1214, kan de notaris als al-
ternatief de moeilijkheden neerleggen bij de familierechtbank
die hem heeft aangesteld, overeenkomstig artikel 1216.” die
was ingevoegd in artikel 1184, eerste lid, van het Gerechtelijk
Wetboek door dit voorstel, te schrappen;
0272/002
DOC 56
8
K A M E R • 2e Z I T T I N G VA N D E 56 e Z I T T I N G S P E R I O D E
2024
2025
C H A M B R E 2e S E S S I O N D E L A 56 e L É G I S L AT U R E
b) insérer, à l’article 1184 du Code judiciaire, un nouvel
alinéa après l’alinéa premier, libellé comme suit: “Lorsqu’il est
procédé à l’inventaire en vertu de l’article 1214, le notaire peut
soumettre les difficultés visées à l’alinéa 1er soit au tribunal de
la famille qui l’a désigné, conformément à l’article 1216 soit
au juge de paix, conformément à l’alinéa 1er.”.
Le libellé ainsi proposé permet de mettre en lumière le fait
que, lorsque l’inventaire est établi dans le cadre d’une procé-
dure de liquidation-partage judiciaire, le notaire dispose de
la faculté de choisir entre deux possibilités (il peut saisir soit
le juge de paix soit le tribunal de la famille) et que le choix de
saisir l’une ou l’autre juridiction lui appartient.
Les hypothèses dans lesquelles le notaire-liquidateur
pourrait privilégier la saisine de l’une ou l’autre juridiction
sont explicitées aux termes du commentaire de l’article 3 de
la présente proposition.
Philippe Goffin (MR)
Pierre Jadoul (MR)
b) om in artikel 1184 van het Gerechtelijk Wetboek een
nieuw lid in te voegen na het eerste lid, dat luidt als volgt:
“Wanneer er wordt overgegaan tot de boedelbeschrijving
krachtens artikel 1214, kan de notaris de moeilijkheden be-
doeld in het eerste lid neerleggen ofwel bij de familierechtbank
die hem heeft aangesteld overeenkomstig artikel 1216, ofwel
bij de vrederechter overeenkomstig het eerste lid.”.
Dankzij de aldus voorgestelde formulering kan worden be-
nadrukt dat, wanneer de boedelbeschrijving wordt opgesteld
in het kader van de procedure van gerechtelijke vereffening-
verdeling, de notaris over de optie beschikt om te kiezen uit
twee mogelijkheden (hij kan zich hetzij wenden tot de vrede-
rechter, hetzij tot de familierechtbank) en dat de keuze inzake
de rechterlijke instantie die wordt gevat, aan hem toekomt.
De hypothesen waarin de notaris-vereffenaar de voorkeur
zou kunnen geven om de zaak neer te leggen bij de ene of
de andere rechterlijke instantie, worden beschreven in de
toelichting bij artikel 3 van dit voorstel.
9
0272/002
DOC 56
K A M E R • 2e Z I T T I N G VA N D E 56 e Z I T T I N G S P E R I O D E
2024
2025
C H A M B R E 2e S E S S I O N D E L A 56 e L É G I S L AT U R E
N° 3 de MM. Goffin et Jadoul
Art. 7
Compléter le 1° par un c), rédigé comme suit:
“c) les mots “autres que les créanciers opposants au
sens de l’article 4.101 du Code civil” sont insérés entre
le mot “parties” et les mots “, la liquidation”
JUSTIFICATION
Le présent amendement est fait suite à une observation
formulée par le Professeur Verstraete aux termes de son avis
écrit déposé auprès de la Commission de la Justice de la
Chambre des représentants, dans le cadre de l’examen de
la présente proposition de loi.
En effet, le Professeur Verstraete relève qu’il convient en
principe d’inclure, sous le vocable “parties”, non seulement
les parties indivisaires et/ou les parties dont les droits doivent
être liquidés, mais aussi les créanciers qui interviennent à la
liquidation et/ou au partage en application de l’article 4.101
du Code civil.
Il s’ensuit qu’en vertu du libellé du texte de l’article 1206,
alinéa 1er, du Code judiciaire tel qu’il résulte de la présente
proposition, le formalisme imposé en présence d’un mineur
(dont notamment l’intervention du juge de paix) devrait trouver
à s’appliquer non seulement lorsque l’une des parties indivi-
saires et/ou dont les droits doivent être liquidés est mineure
(ce qui est l’objectif recherché, dans un souci de protection
des intérêts du mineur), mais également lorsque la “partie”
mineure est un créancier intervenant au partage.
Ainsi que le souligne le Professeur Verstraete, “cela condui-
rait à la conséquence indésirable que, s’il y avait un mineur
parmi les créanciers intervenants, (la liquidation et/ou) le par-
tage devrait être effectué par un notaire, sous la présidence
et l’approbation du juge de paix”. Le Professeur ajoute que
“(c)e n’est probablement pas l’intention. Il est donc préférable
d’exclure explicitement cette partie de l’application de la
mesure de protection de l’article 1206 du Code judiciaire.”.
Nr. 3 van de heren Goffin en Jadoul
Art. 7
De bepaling onder 1° aanvullen met een bepaling
onder c), luidende:
“c) de woorden “andere dan de verzetdoende
schuldeisers in de zin van artikel 4.101 van het Burgerlijk
Wetboek” worden ingevoegd tussen het woord “par-
tijen” en de woorden “de vereffening”
VERANTWOORDING
Dit amendement is opgesteld naar aanleiding van een
opmerking die professor Verstraete geformuleerd heeft in
een schriftelijk advies, ingediend bij de Commissie Justitie
van de Kamer van volksvertegenwoordigers in het kader van
de analyse van dit wetsvoorstel.
Professor Verstraete wijst er immers op dat de term “par-
tijen” in principe niet enkel de partijen-deelgenoten omvat en/
of de partijen waarvan de rechten moeten worden vereffend,
maar ook de schuldeisers die betrokken zijn bij de vereffening
en/of de verdeling in toepassing van artikel 4.101 van het
Burgerlijk Wetboek.
Daaruit volgt dat krachtens de formulering van artikel 1206,
eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek zoals het voortvloeit
uit het huidige voorstel, het opgelegde formalisme in aan-
wezigheid van een minderjarige (waaronder met name de
tussenkomst van de vrederechter) niet alleen zou moeten
worden toegepast wanneer een van de partijen-deelgenoten
en/of partijen waarvan de rechten moeten worden vereffend
minderjarig is (wat het beoogde doel is, om de belangen
van de minderjarige te beschermen), maar ook wanneer de
minderjarige “partij” een schuldeiser is die tussenkomt in de
verdeling.
Zoals professor Verstraete benadrukt, “zou dit tot het
ongewenste gevolg leiden dat, indien er zich onder de tus-
senkomende schuldeisers een minderjarige zou bevinden,
de verdeling zou moeten gebeuren door een notaris, onder
voorzitterschap en met goedkeuring van de vrederechter.”.
De professor voegt daaraan toe dat: “Dit is allicht niet de
bedoeling. Deze partij wordt dan ook best expliciet uitgeslo-
ten van de toepassing van de beschermingsmaatregel van
artikel 1206 Ger. W.”.
0272/002
DOC 56
10
K A M E R • 2e Z I T T I N G VA N D E 56 e Z I T T I N G S P E R I O D E
2024
2025
C H A M B R E 2e S E S S I O N D E L A 56 e L É G I S L AT U R E
Le présent amendement reprend cette suggestion, en
limitant expressément le champ d’application de l’article 1206
du Code judiciaire à l’hypothèse où, parmi les parties, autres
que les créanciers opposants au sens de l’article 4.101 du
Code civil, il existe un mineur.
Philippe Goffin (MR)
Pierre Jadoul (MR)
Dit amendement neemt deze suggestie over en beperkt
het toepassingsgebied van artikel 1206 van het Gerechtelijk
Wetboek uitdrukkelijk tot het geval waarin zich onder de
partijen, andere dan de verzetdoende schuldeisers in de zin
van artikel 4.101 van het Burgerlijk Wetboek, een minderjarige
bevindt.
11
0272/002
DOC 56
K A M E R • 2e Z I T T I N G VA N D E 56 e Z I T T I N G S P E R I O D E
2024
2025
C H A M B R E 2e S E S S I O N D E L A 56 e L É G I S L AT U R E
N° 4 de MM. Goffin et Jadoul
Art. 10
Remplacer cet article par ce qui suit:
“Art. 10. L’article 1207 du même Code est remplacé
par ce qui suit:
“Art. 1207. En cas d’indivision, si toutes les parties
indivisaires ne consentent pas à un partage amiable
ainsi que dans les cas visés à l’article 1206, alinéa 6, le
partage a lieu judiciairement à la demande de la partie
la plus diligente, formée devant le tribunal de la famille.
Même à défaut d’indivision, les dispositions conte-
nues dans les sections 2 et 3 du présent chapitre
s’appliquent également lorsque la demande ne peut
porter que sur la liquidation:
1° en vertu du titre 3 du livre 2 du Code civil;
2° en vertu livre 4 du Code civil;
3° en vue de l’établissement de comptes entre
cohabitants légaux.
Dans ce cas, les articles 1209, § 3, 1212, 1214, § 1er,
alinéas 3 à 6, 1214, § 6, alinéa 2, 1224 et 1224/1 ne
sont applicables qu’à l’égard des parties indivisaires.”
JUSTIFICATION
Le présent amendement tend à apporter une série de
précisions et de clarifications, à la suite notamment de diffé-
rents avis formulés par les experts à l’occasion des consul-
tations écrites menées par la Commission de la Justice de la
Chambre des représentants dans le cadre de l’examen de la
présente proposition de loi.
En premier lieu, le Professeur Casman relève, aux termes
de son avis écrit, qu’il n’est pas certain, au regard du texte
initialement proposé, que les parties qui ont des droits indivis
Nr. 4 van de heren Goffin en Jadoul
Art. 10
Dit artikel vervangen als volgt:
“Art. 10. Artikel 1207 van hetzelfde Wetboek wordt
vervangen als volgt:
“Art. 1207. In geval van onverdeeldheid, indien niet
alle partijen-deelgenoten met een minnelijke verdeling
instemmen, alsook in de gevallen bedoeld in arti-
kel 1206, zesde lid, geschiedt de verdeling gerechtelijk
op vordering van de meest gerede partij ingesteld bij
de familierechtbank.
Zelfs bij gebrek aan onverdeeldheid, zijn de be-
palingen van de afdelingen 2 en 3 van dit hoofdstuk
eveneens van toepassing wanneer het verzoek enkel
betrekking kan hebben op de vereffening:
1° krachtens titel 3 van boek 2 van het Burgerlijk
Wetboek;
2° krachtens boek 4 van het Burgerlijk Wetboek;
3° met het oog op de opstelling van rekeningen tus-
sen wettelijk samenwonenden.
In dat geval zijn de artikelen 1209, § 3, 1212, 1214,
§ 1, derde tot zesde lid, 1214, § 6, tweede lid, 1224
en 1224/1 slechts van toepassing ten aanzien van de
partijen-deelgenoten.”
VERANTWOORDING
Dit amendement heeft tot doel een aantal verduidelijkingen
en toelichtingen aan te brengen, met name naar aanleiding
van de verschillende adviezen die de deskundigen hebben
gedaan naar aanleiding van de schriftelijke raadplegingen
die de Commissie Justitie van de Kamer van volksvertegen-
woordigers heeft gevoerd in het kader van de analyse van
dit wetsvoorstel.
Ten eerste merkt professor Casman in haar schriftelijk ad-
vies op dat het, in het licht van de oorspronkelijk voorgestelde
tekst, niet zeker is dat de partijen die onverdeelde rechten
0272/002
DOC 56
12
K A M E R • 2e Z I T T I N G VA N D E 56 e Z I T T I N G S P E R I O D E
2024
2025
C H A M B R E 2e S E S S I O N D E L A 56 e L É G I S L AT U R E
à faire valoir dans la masse successorale, puissent choisir
de requérir le juge d’ordonner soit la seule liquidation de
cette masse, soit la liquidation avec l’option d’y ajouter une
demande en partage, soit encore uniquement “la liquidation et
le cas échéant le partage” de cette succession. Le Professeur
Casman ajoute qu’un problème peut en effet surgir si les par-
ties qui ont des droits à faire valoir dans la masse successorale
demandent la liquidation de cette masse, sans demander en
même temps son partage, alors qu’ils sont cependant tous
indivisaires à l’égard de cette masse et que, de même, se
pose la question de savoir si le juge à qui il serait demandé
d’ordonner seulement la liquidation, devra toujours ordonner
la liquidation “et, le cas échéant, le partage”, même lorsque
les parties ne demandent pas le partage.
Le commentaire de la disposition telle qu’insérée par
l’article 10 de la présente proposition a déjà pris position sur
cette question particulière en précisant que “(l)a disposition
nouvelle n’étend toutefois l’application des articles 1207 à
1225 du Code judiciaire qu’aux seules hypothèses où, à défaut
d’indivision entre les parties, la demande ne peut (juridique-
ment) porter que sur la liquidation (et non sur le partage),
en vertu soit du titre 3 du livre 2 du Code civil (relatif aux
relations patrimoniales des couples) soit du livre 4 du Code
civil (relatif aux successions, donations et testaments). Des
parties se trouvant en situation d’indivision ne pourraient dès
lors délibérément limiter leur demande à la seule liquidation
de leurs droits, cette possibilité étant limitée, aux termes de
l’article 1207, alinéa 2, proposé, à l’hypothèse dans laquelle,
en l’absence d’indivision, le partage ne se conçoit pas.”
(DOC 56 0272/001, p. 15).
Toutefois, afin de clarifier les différentes hypothèses sus-
ceptibles de se présenter, le présent amendement entend
restructurer l’article 1207 du Code judiciaire en plusieurs
alinéas distincts.
Ainsi, le premier alinéa de la disposition est modifié pour
viser désormais, de manière explicite – notamment par l’intro-
duction des termes “En cas d’indivision” au début de l’alinéa
et l’utilisation des termes “parties indivisaires” – les situations
dans lesquelles une indivision existe entre l’ensemble des
parties concernées.
Ce premier alinéa est libellé de manière telle que,
lorsqu’une indivision existe entre les parties, c’est nécessai-
rement le partage (lequel inclut la liquidation préalable) qui
doit être sollicité par les parties et ordonné par le tribunal.
hebben in de nalatenschapsboedel, kunnen kiezen om de
rechter te verzoeken om hetzij louter de vereffening van die
boedel te gelasten, hetzij de vereffening met de mogelijkheid
om er een vordering tot verdeling aan toe te voegen, hetzij
enkel “de vereffening en in voorkomend geval de verdeling”
van die nalatenschap te gelasten. Professor Casman voegt
eraan toe dat er een probleem kan rijzen indien de partijen
die rechten hebben in de nalatenschapsboedel vragen om
die boedel te vereffenen zonder tegelijkertijd te vorderen om
deze te verdelen, ook al zijn ze allemaal deelgenoten ten
aanzien van die boedel. Op dezelfde manier rijst de vraag
of een rechter die wordt verzocht om enkel de vereffening
te bevelen altijd de vereffening zal moeten bevelen “en, in
voorkomend geval, de verdeling”, zelfs als de partijen geen
verdeling vragen.
De toelichting bij de bepaling zoals ingevoegd door arti-
kel 10 van dit voorstel heeft al een standpunt ingenomen over
deze specifieke kwestie, door het volgende te verduidelijken:
“De nieuwe bepaling breidt de toepassing van de artike-
len 1207 tot 1225 van het Gerechtelijk Wetboek echter alleen
uit tot de gevallen waarbij, bij gebrek aan onverdeeldheid
tussen de partijen, de vordering (juridisch) enkel betrekking
kan hebben op de vereffening (en niet op de verdeling), hetzij
uit hoofde van titel 3 van boek 2 van het Burgerlijk Wetboek
(betreffende het relatievermogensrecht), hetzij boek 4 van het
Burgerlijk Wetboek (betreffende de nalatenschappen, schen-
kingen en testamenten). Partijen die zich in onverdeeldheid
bevinden, kunnen hun vordering dientengevolge niet bewust
beperken tot de vereffening van hun rechten, aangezien
deze mogelijkheid krachtens het voorgestelde artikel 1207,
lid 2, beperkt wordt tot de gevallen waarin de verdeling niet
aan de orde is wegens het gebrek aan onverdeeldheid.”
(DOC 56 0272/001, blz. 15).
Om de verschillende hypotheses die zich kunnen voordoen
evenwel te verduidelijken, beoogt dit amendement artikel 1207
van het Gerechtelijk Wetboek te herstructureren in verschil-
lende alinea’s.
Zo wordt het eerste lid van de bepaling gewijzigd, zodat dit
voortaan uitdrukkelijk verwijst – met name door de invoeging
van de woorden “In geval van onverdeeldheid” aan het begin
van het lid en het gebruik van de woorden “partijen-deelgeno-
ten” – naar situaties waarin sprake is van een onverdeeldheid
tussen alle betrokken partijen.
Dit eerste lid wordt zodanig geformuleerd dat, wanneer een
onverdeeldheid bestaat tussen partijen, het noodzakelijk de
verdeling (die de voorafgaande vereffening inhoudt) is die de
partijen moeten verzoeken en die de rechtbank moet bevelen.
13
0272/002
DOC 56
K A M E R • 2e Z I T T I N G VA N D E 56 e Z I T T I N G S P E R I O D E
2024
2025
C H A M B R E 2e S E S S I O N D E L A 56 e L É G I S L AT U R E
La présente proposition n’entend, ainsi, pas modifier les
règles actuellement en vigueur en présence d’une indivision,
l’actuel article 1207 du Code judiciaire imposant déjà, en
pareille hypothèse, qu’il soit procédé à un partage sans per-
mettre aux parties de limiter la demande à la seule liquidation.
La circonstance qu’en cas d’indivision, c’est nécessaire-
ment le partage (incluant la liquidation préalable) qui devra
être ordonné n’exclut toutefois pas la possibilité, pour les
parties, d’interrompre de commun accord les opérations à
l’issue de la liquidation, afin de mettre en suspens le partage
comme tel. Cette possibilité ne doit toutefois pas être expres-
sément prévue par le texte légal, dès lors qu’elle découle
de l’article 1221 du Code judiciaire. À l’issue de la période
d’interruption, il pourra être procédé au partage effectif par
le notaire-liquidateur, sans que les parties ne doivent obtenir
une nouvelle décision à cet effet, le jugement initial ayant déjà
ordonné le partage.
Le second alinéa est, par ailleurs, également modifié
pour viser l’hypothèse dans laquelle il n’existe pas d’indivi-
sion entre toutes les parties appelées à la cause (soit qu’il
n’existe aucune indivision, soit qu’il existe une indivision entre
certaines parties, mais pas à l’égard de toutes les parties).
En ce cas, la disposition prévoit – comme déjà libellé aux
termes de la proposition de loi initiale – que les dispositions
contenues dans les sections 2 et 3 (relatives à la liquida-
tion-partage) s’appliquent également, même en l’absence
d’indivision, lorsque la demande ne peut porter que sur la
liquidation des droits.
Comme le prévoyait déjà la proposition de loi initiale,
l’article 1207, alinéa 2, proposé du Code judiciaire ne vise
toutefois que les hypothèses dans lesquelles la demande ne
peut porter que sur la liquidation (et non sur le partage) en
vertu du titre 3 du livre 2 du Code civil (relatif aux relations
patrimoniales des couples) et/ou du livre 4 du Code civil (relatif
aux successions, donations et testaments). Ainsi, seules les
liquidations (sans partage) de successions et/ou de régimes
matrimoniaux étaient expressément visées par la proposition
de loi initiale.
Le présent amendement ajoute toutefois, sur la sugges-
tion formulée par le Professeur Tainmont aux termes de son
avis écrit, une troisième hypothèse, à savoir l’hypothèse de
l’établissement de comptes entre (ex-) cohabitants légaux
Dit wetsvoorstel wenst bijgevolg niet de huidige regels te
wijzigen die van toepassing zijn indien er sprake is van een
onverdeeldheid. Het huidige artikel 1207 van het Gerechtelijk
Wetboek vereist in dat geval namelijk al dat er wordt over-
gegaan tot de verdeling zonder de partijen toe te laten hun
verzoek te beperken tot de enkele vereffening.
De omstandigheid dat, indien er sprake is van een onver-
deeldheid, het noodzakelijk de verdeling (de voorafgaande
vereffening inbegrepen) is die zal moeten worden bevolen
sluit echter niet de mogelijkheid uit dat alle partijen in onder-
ling akkoord beslissen om de werkzaamheden na de veref-
fening te onderbreken, om zo de verdeling te schorsen. Deze
mogelijkheid moet echter niet uitdrukkelijk voorzien worden
in de wettekst, aangezien dit voortvloeit uit artikel 1221 van
het Gerechtelijk Wetboek. Na de periode van onderbreking,
kan er worden overgegaan tot de eigenlijke verdeling door de
notaris-vereffenaar, zonder dat de partijen hiertoe een nieuwe
beslissing moeten bekomen, aangezien het initiële vonnis de
verdeling reeds heeft bevolen.
Het tweede lid wordt bovendien ook gewijzigd om te
verwijzen naar de hypothese waarin er geen sprake is van
onverdeeldheid tussen alle bij de zaak betrokken partijen
(ofwel is er geen enkele onverdeeldheid, ofwel is er een on-
verdeeldheid tussen bepaalde partijen, maar niet ten aanzien
van alle partijen).
In dat geval luidt de bepaling – zoals reeds in het oor-
spronkelijke wetsvoorstel geformuleerd – dat de bepalingen
uit de afdelingen 2 en 3 (met betrekking tot de vereffening-
verdeling) ook van toepassing zijn, zelfs als er geen sprake is
van onverdeeldheid, wanneer de vordering louter betrekking
kan hebben op de vereffening van de rechten.
Zoals reeds in het oorspronkelijke wetsvoorstel was be-
paald, verwijst het voorgestelde artikel 1207, tweede lid, van
het Gerechtelijk Wetboek echter alleen naar gevallen waarin
de vordering enkel betrekking kan hebben op de vereffening
(en niet op de verdeling) op grond van titel 3 van boek 2 van
het Burgerlijk Wetboek (met betrekking tot het relatievermo-
gensrecht) en/of van boek 4 van het Burgerlijk Wetboek (met
betrekking tot nalatenschappen, schenkingen en testamen-
ten). Zo werden in het oorspronkelijke wetsvoorstel enkel de
vereffeningen (zonder verdeling) van nalatenschappen en/of
huwelijksvermogensstelsels uitdrukkelijk geviseerd.
Dit amendement voegt evenwel een derde hypothese toe
op voorstel van professor Tainmont zoals verwoord in haar
schriftelijk advies, namelijk die van de opstelling van reke-
ningen tussen (ex-)wettelijk samenwonenden tussen wie er
0272/002
DOC 56
14
K A M E R • 2e Z I T T I N G VA N D E 56 e Z I T T I N G S P E R I O D E
2024
2025
C H A M B R E 2e S E S S I O N D E L A 56 e L É G I S L AT U R E
entre lesquels il ne subsisterait plus d’indivision (l’hypothèse
de l’indivision entre cohabitants légaux étant, quant à elle,
régie par la disposition générale de l’article 1207, alinéa 1er,
proposé, du Code judiciaire).
En effet, s’il est vrai – comme mentionné aux termes
du commentaire de l’article 10 de la présente proposition
de loi – que les cohabitants légaux relèvent de la compé-
tence du tribunal de la famille en vertu de l’article 572bis,
3°, du Code judiciaire, le libellé de l’article 1207, alinéa 2,
du Code judiciaire tel qu’il était suggéré par la proposition
de loi initiale excluait toutefois la possibilité de recourir aux
dispositions relatives à la liquidation-partage judiciaire pour
l’établissement de comptes entre (ex-) cohabitants légaux (qui,
pourtant, requièrent également une liquidation sans partage),
dès lors que la proposition initiale n’étendait l’application des
articles 1207 et suivants du Code judicaire qu’aux hypothèses
dans lesquelles la liquidation (seule) était requise en vertu soit
des dispositions relatives aux régimes matrimoniaux (dont
ne relèvent pas les cohabitants légaux) soit les dispositions
relatives aux successions, donations et testaments.
Pour remédier à cet hiatus, le nouveau libellé de l’ar-
ticle 1207, alinéa 2, du Code judiciaire tel que suggéré par le
présent amendement vise désormais expressément l’établis-
sement de comptes entre cohabitants légaux.
En revanche, l’établissement de comptes entre cohabitants
de fait n’est pas inclus dans la présente proposition de loi,
dès lors que les cohabitants de fait ne relèvent pas, en l’état
actuel de la législation, de la compétence du tribunal de la
famille. La question de l’élargissement de la compétence du
tribunal de la famille aux cohabitants de fait mériterait assu-
rément réflexion, laquelle dépasse toutefois le champ de la
présente proposition.
Il est précisé que le présent amendement et – plus généra-
lement – le libellé de la disposition ne porte nullement atteinte
au pouvoir d’appréciation du tribunal quant à la nécessité
de procéder ou non à une véritable liquidation. Comme déjà
mentionné aux termes du commentaire de l’article 10 de la
présente proposition, “il convient d’entendre par “liquidation”,
au sens de la présente proposition, l’ensemble des opérations
(au sens large) permettant d’aboutir à la détermination en
valeur, c’est-à-dire en numéraire, des droits de chacune des
parties. La liquidation comporte ainsi essentiellement deux
aspects: la détermination de la masse et la valorisation des
geen onverdeeldheid meer zou bestaan (de hypothese van de
onverdeeldheid tussen wettelijk samenwonenden wordt dan
weer geregeld door de algemene bepaling van het voorge-
stelde artikel 1207, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek).
Het is inderdaad zo – zoals vermeld in de toelichting bij
artikel 10 van het huidige wetsvoorstel – dat wettelijk samen-
wonenden krachtens artikel 572bis, 3°, van het Gerechtelijk
Wetboek onder de bevoegdheid vallen van de familierecht-
bank. De formulering van artikel 1207, tweede lid, van het
Gerechtelijk Wetboek zoals voorgesteld in het oorspronkelijke
wetsvoorstel sloot echter de mogelijkheid uit een beroep te
doen op de bepalingen inzake gerechtelijke vereffening-ver-
deling voor de opstelling van rekeningen tussen (ex-)wettelijk
samenwonenden (die evenwel ook een vereffening zonder
verdeling vereisen). Nochtans breidde het oorspronkelijke
voorstel de toepassing van de artikelen 1207 en volgende
van het Gerechtelijk Wetboek alleen uit tot gevallen waarin
(louter) de vereffening vereist was krachtens hetzij de bepalin-
gen inzake huwelijksvermogensstelsels (die geen betrekking
hebben op wettelijk samenwonenden), hetzij de bepalingen
inzake nalatenschappen, schenkingen en testamenten.
Om dat hiaat op te vullen, verwijst de nieuwe formulering
van artikel 1207, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek, zo-
als voorgesteld door dit amendement, nu uitdrukkelijk naar het
opstellen van rekeningen tussen wettelijk samenwonenden.
De opstelling van rekeningen tussen feitelijk samenwo-
nenden is daarentegen niet opgenomen in dit wetsvoorstel,
aangezien feitelijk samenwonenden volgens de huidige
wetgeving niet onder de bevoegdheid vallen van de familie-
rechtbank. De kwestie van de uitbreiding van de bevoegdheid
van de familierechtbank tot feitelijk samenwonenden verdient
zeker overweging, maar valt evenwel buiten het bestek van
dit voorstel.
Er wordt gepreciseerd dat dit amendement en – meer in
het algemeen – de bewoording van de bepaling op geen
enkele wijze afbreuk doet aan de appreciatiebevoegdheid
van de rechtbank inzake de noodzaak om al dan niet tot een
daadwerkelijke vereffening over te gaan. Zoals reeds vermeld
in de bewoording van de toelichting bij artikel 10 van huidig
voorstel: “onder “vereffening”, in de zin van huidig voorstel,
moet worden verstaan: het geheel aan verrichtingen (in de
ruime zin) die toelaten om de rechten van elk van de partijen
in waarde, zijnde cijfermatig, te bepalen. De vereffening
bestaat dus hoofdzakelijk uit twee aspecten: de vaststelling
15
0272/002
DOC 56
K A M E R • 2e Z I T T I N G VA N D E 56 e Z I T T I N G S P E R I O D E
2024
2025
C H A M B R E 2e S E S S I O N D E L A 56 e L É G I S L AT U R E
droits des parties, qui consiste à chiffrer les droits de chacun”
(DOC 56 0272/001, p. 14).
Philippe Goffin (MR)
Pierre Jadoul (MR)
van de massa en de waardering van de rechten van de par-
tijen, die bestaat in het becijferen van de rechten van elkeen”
(DOC 56 0272/001, blz. 14).
0272/002
DOC 56
16
K A M E R • 2e Z I T T I N G VA N D E 56 e Z I T T I N G S P E R I O D E
2024
2025
C H A M B R E 2e S E S S I O N D E L A 56 e L É G I S L AT U R E
N° 5 de MM. Goffin et Jadoul
Art. 13
Insérer un 2°/1, rédigé comme suit:
“2°/1. dans le § 2, dernier alinéa, les modifications
suivantes sont apportées:
a) les mots “l’inventaire par” sont abrogés;
b) les mots “complété à raison d’éléments nouveaux”
sont remplacés par les mots “actualisé ou complété”;
c) l’alinéa est complété, in fine, par la phrase
suivante:
“Ledit procès-verbal tient lieu d’inventaire au sens
de la présente section.”
JUSTIFICATION
Le présent amendement apporte quelques précisions
quant à la pratique de l’établissement d’un inventaire par
récolement.
D’une part, les première et troisième adaptations apportées
par le présent amendement entendent mettre en lumière le
fait que le procès-verbal de récolement tient lieu d’inventaire,
conformément à l’enseignement de J.-F. van Drooghenbroeck
et C. De Boe, qui écrivent que “lorsque la consistance du
patrimoine est détaillée dans un inventaire régulier dont la
date n’est pas éloignée, il n’y a pas lieu de rédiger un nouvel
inventaire: il suffit de dresser un procès-verbal de récolement”
(J.-F. van Drooghenbroeck et C. De Boe, “L’inventaire”, in Rép.
not., tome XIII, Livre I2, Bruxelles, Larcier, p. 136, n° 108).
D’autre part, la disposition est adaptée suite à une obser-
vation formulée par la Conférence des premiers présidents,
aux termes de son avis écrit déposé auprès de la Commission
de la Justice de la Chambre des représentants, à propos du
dernier alinéa ajouté à l’article 1214, § 2, du Code judiciaire
par la présente proposition.
Nr. 5 van de heren Goffin en Jadoul
Art. 13
Een bepaling onder 2°/1 invoegen, luidende:
“2°/1. in § 2, laatste lid, worden de volgende wijzi-
gingen aangebracht:
a) de woorden “de boedelbeschrijving door” worden
opgeheven;
b) de woorden “geactualiseerd of aangevuld omwille
van nieuwe elementen” worden vervangen door de
woorden “geactualiseerd of aangevuld”;
c) het lid wordt, in fine, aangevuld met de volgende
zin:
“Dit proces-verbaal dient als boedelbeschrijving in
de zin van deze afdeling.”
VERANTWOORDING
Dit amendement brengt enkele preciseringen aan met
betrekking tot de praktijk van het opstellen van een boedel-
beschrijving bij vergelijking.
Enerzijds beogen de eerste en derde aanpassing aan-
gebracht door dit amendement te benadrukken dat het
proces-verbaal bij vergelijking dient als boedelbeschrijving,
overeenkomstig de leer van J.-F. van Drooghenbroeck et C.
De Boe, die schrijven dat: “wanneer de samenstelling van
het vermogen wordt beschreven in een regelmatige boedel-
beschrijving waarvan de datum niet veraf is, moet er geen
nieuwe boedelbeschrijving worden opgesteld: het volstaat om
een proces-verbaal van vergelijking op te stellen (vrije verta-
ling)” (J.-F. van Drooghenbroeck en C. De Boe, “L’inventaire”, in
Rép. not., tome XIII, Livre I2, Brussel, Larcier, p. 136, n° 108).
Anderzijds, wordt de bepaling aangepast aan een op-
merking van de Conferentie van eerste voorzitters, in haar
schriftelijk advies ingediend bij de Commissie Justitie van de
Kamer van volksvertegenwoordigers, over het laatste lid dat
door dit voorstel wordt toegevoegd aan artikel 1214, § 2, van
het Gerechtelijk Wetboek.
17
0272/002
DOC 56
K A M E R • 2e Z I T T I N G VA N D E 56 e Z I T T I N G S P E R I O D E
2024
2025
C H A M B R E 2e S E S S I O N D E L A 56 e L É G I S L AT U R E
En effet, la disposition telle qu’insérée par la proposition
de loi initiale prévoit que lorsqu’un inventaire a été établi en
application des dispositions générales du Code judiciaire rela-
tives à l’inventaire, l’inventaire à dresser (ultérieurement) dans
le cadre particulier de la procédure de liquidation-partage
judiciaire est établi par l’établissement d’un procès-verbal
de récolement dudit inventaire, “le cas échéant complété à
raison d’éléments nouveaux.”.
La Conférence des premiers présidents s’interroge, à cet
égard, sur la notion d’“éléments nouveaux”, estimant que
celle-ci pourrait donner lieu à interprétation.
L’objectif principal de la disposition est d’aboutir, via l’éta-
blissement d’un procès-verbal de récolement de l’inventaire
précédemment dressé en vertu de articles 1175 et suivants
du Code judiciaire, à l’établissement d’un inventaire complet
et actuel dans le cadre de la procédure de liquidation-partage
judiciaire.
Dans cette perspective, il convient que tout élément qui
n’aurait pas été inclus dans le premier inventaire (qu’il s’agisse
– ou pas – d’un élément nouveau et/ou inconnu de l’une des
parties ou de l’ensemble des parties) puisse être ajouté à
l’occasion du procès-verbal de récolement, afin d’obtenir un
inventaire complet et fidèle.
Dès lors, le présent amendement suggère d’abandonner
le critère d’élément “nouveau”, pour prévoir simplement que
le procès-verbal de récolement peut, le cas échéant, actua-
liser ou compléter l’inventaire initial, en telle sorte que tout
élément qui aurait été omis du premier inventaire puisse être
inclus dans l’inventaire établi par le procédé du récolement,
sans exigence que les éléments ainsi ajoutés soient néces-
sairement nouveaux.
Il est précisé que l’ajout, aux termes du procès-verbal de
récolement, d’éléments complémentaires qui ne figuraient
pas dans l’inventaire initial a lieu sans préjudice de l’appli-
cation, le cas échéant, des sanctions imputables au recel et/
ou au faux serment qui pourrait avoir été consommé lors de
l’établissement de l’inventaire initial.
Par ailleurs, dans un souci de précision, la disposition
est également adaptée pour envisager l’hypothèse – décrite
aux termes du commentaire de la disposition mais qui n’était
De bepaling zoals ingevoegd door het oorspronkelijke wets-
voorstel luidt immers dat, wanneer een boedelbeschrijving is
opgesteld in toepassing van de algemene bepalingen van het
Gerechtelijk Wetboek met betrekking tot de boedelbeschrij-
ving, de boedelbeschrijving die (later) moet worden opgesteld
in het specifieke kader van de procedure van gerechtelijke
vereffening-verdeling, wordt opgesteld door middel van een
proces-verbaal van vergelijking van de vermelde boedelbe-
schrijving, “in voorkomend geval geactualiseerd of aangevuld
omwille van nieuwe elementen.”.
In dat verband plaatst de Conferentie van eerste voorzitters
vraagtekens bij het begrip “nieuwe elementen”, aangezien dit
voor interpretatie vatbaar zou kunnen zijn.
Het belangrijkste doel van deze bepaling is ervoor te zorgen
dat er een volledige en actuele boedelbeschrijving opge-
steld wordt in het kader van de procedure van gerechtelijke
verdeling-verdeling, door een proces-verbaal van vergelijking
op te stellen van de voordien opgestelde boedelbeschrijving
krachtens de artikelen 1175 en volgende van het Gerechtelijk
Wetboek.
In dat opzicht moet elk element dat niet was opgenomen in
de eerste boedelbeschrijving (ongeacht of het een nieuw en/
of onbekend element betreft voor een of alle partijen) worden
toegevoegd aan het proces-verbaal van vergelijking, om een
volledige en getrouwe boedelbeschrijving te krijgen.
Bijgevolg wordt in dit amendement voorgesteld het cri-
terium van een “nieuw” element te vervangen door louter
te voorzien dat het proces-verbaal van vergelijking, in voor-
komend geval, de oorspronkelijke boedelbeschrijving kan
actualiseren of aanvullen, zodanig dat elk element dat in de
eerste boedelbeschrijving zou zijn weggelaten, kan worden
opgenomen in de boedelbeschrijving zoals opgesteld middels
het vergelijkingsprocedé, zonder de vereiste dat de aldus toe-
gevoegde elementen noodzakelijkerwijs nieuw moeten zijn.
Er word gepreciseerd dat de toevoeging, in het proces-
verbaal van vergelijking, van aanvullende elementen die
niet voorkwamen in de oorspronkelijke boedelbeschrijving
plaatsvindt zonder, in voorkomend geval, afbreuk te doen aan
de sancties te wijten aan heling en/of meineed die gebruikt
zouden kunnen worden bij de opmaak van de oorspronkelijke
boedelbeschrijving.
Bovendien wordt de bepaling ter verduidelijking ook aan-
gepast om de situatie te omvatten – zoals beschreven in de
toelichting van de bepaling, maar die niet uitdrukkelijk was
0272/002
DOC 56
18
K A M E R • 2e Z I T T I N G VA N D E 56 e Z I T T I N G S P E R I O D E
2024
2025
C H A M B R E 2e S E S S I O N D E L A 56 e L É G I S L AT U R E
pas explicitement reprise dans la version française du texte
proposé lui-même – dans laquelle seule une actualisation de
la valorisation des éléments compris dans l’inventaire serait
requise, sans ajouts d’éléments complémentaires comme tels.
Philippe Goffin (MR)
Pierre Jadoul (MR)
opgenomen in de Franstalige versie van de voorgestelde tekst
zelf – waarin enkel een actualisering van de waardering van
de in de boedelbeschrijving opgenomen elementen vereist
zou zijn, zonder toevoeging van aanvullende elementen als
dusdanig.
19
0272/002
DOC 56
K A M E R • 2e Z I T T I N G VA N D E 56 e Z I T T I N G S P E R I O D E
2024
2025
C H A M B R E 2e S E S S I O N D E L A 56 e L É G I S L AT U R E
N° 6 de MM. Goffin et Jadoul
Art. 18
Compléter cet article par un 4°, rédigé comme
suit:
“4° les mots “, des personnes internées par appli-
cation de la loi sur la défense sociale” sont abrogés.”
JUSTIFICATION
La suppression de la référence à la notion de “personnes
internées par application de la loi sur la défense sociale” à
l’article 1225 du Code judiciaire proposée par le présent
amendement fait écho à une modification analogue opérée à
l’article 1187 du Code par la loi du 19 décembre 2023 portant
dispositions diverses en matière civile et judiciaire.
En effet, la loi précitée, a supprimé la référence aux per-
sonnes internées qui figurait précédemment à l’article 1187
du Code judiciaire, suite à une observation formulée par le
Conseil d’État.
Cette suppression a été justifiée comme suit, dans les
travaux préparatoires de la loi du 19 décembre 2023: “Suite à
l’avis du Conseil d’État, la référence aux personnes internées
par application de la loi sur la défense sociale est supprimée.
En effet, la loi de défense sociale du 9 avril 1930 a été abrogée
par la loi du 5 mai 2014 relative à l’internement. Par ailleurs,
l’incapacité de la personne internée ne découle pas de l’inter-
nement comme tel, mais de la décision de placer l’interné
sous protection judiciaire, prise sur la base de l’article 1238,
§ 2, 2° du Code judiciaire. La référence aux “personnes pro-
tégées” qui figure déjà dans l’article 1187 du Code judiciaire
est donc suffisante pour couvrir adéquatement les personnes
internées, sans qu’une référence spécifique à ces dernières
apparaisse pertinente.” (projet de loi portant dispositions di-
verses en matière civile et judiciaire, DOC 55 3552/001, p. 65).
Cette justification est, par identité de motifs, applicable
à la suppression de la référence à la notion de “personnes
internées par application de la loi sur la défense sociale” à
Nr. 6 van de heren Goffin en Jadoul
Art. 18
Dit artikel aanvullen met een bepaling onder 4°,
luidende:
“4° de woorden “, van personen die geïnterneerd
zijn ingevolge de wet op de bescherming van de maat-
schappij” worden opgeheven.”
VERANTWOORDING
De door dit amendement voorgestelde opheffing van de
verwijzing naar de notie van “personen die geïnterneerd zijn
ingevolge de wet op de bescherming van de maatschappij”
in artikel 1225 van het Gerechtelijk Wetboek, vloeit voort uit
een analoge wijziging doorgevoerd aan artikel 1187 van het
Wetboek door de wet van 19 december 2023 houdende di-
verse bepalingen in burgerlijke en gerechtelijke zaken.
Voormelde wet heeft de verwijzing naar de geïnterneerde
personen die voordien voorkwam in artikel 1187 van het
Gerechtelijk Wetboek immers opgeheven, ingevolge een door
de Raad van State geformuleerde opmerking.
Deze opheffing werd als volgt gerechtvaardigd in de voorbe-
reidende werkzaamheden bij de wet van 19 december 2023:
“Ingevolge advies van de Raad van State wordt de verwijzing
naar de personen die geïnterneerd zijn ingevolge de wet op
de bescherming van de maatschappij, geschrapt. De wet
van 9 april 1930 tot bescherming van de maatschappij werd
namelijk opgeheven bij de wet van 5 mei 2014 betreffende
de internering. Overigens vloeit de onbekwaamheid van de
geïnterneerde persoon niet voort uit de internering als dus-
danig, maar uit de beslissing tot plaatsing onder rechterlijke
bescherming van de geïnterneerde, die wordt genomen op
grond van artikel 1238, § 2, 2°, van het Gerechtelijk Wetboek.
De verwijzing naar “beschermde personen” die reeds in arti-
kel 1187 van het Gerechtelijk Wetboek voorkomt, volstaat dus
om op adequate wijze van toepassing te zijn op geïnterneerde
personen, waarbij een specifieke verwijzing naar die laatsten
niet relevant lijkt.” (wetsontwerp houdende diverse bepalin-
gen in burgerlijke en gerechtelijke zaken, DOC 55 3552/001,
blz. 65).
Deze rechtvaardiging is, omwille van dezelfde redenen, van
toepassing op de opheffing van de verwijzing naar de notie
van “personen die geïnterneerd zijn ingevolge de wet op de
0272/002
DOC 56
20
K A M E R • 2e Z I T T I N G VA N D E 56 e Z I T T I N G S P E R I O D E
2024
2025
C H A M B R E 2e S E S S I O N D E L A 56 e L É G I S L AT U R E
l’article 1225 du Code judiciaire, dès lors notamment que la
disposition fait référence aux “personnes protégées décla-
rées incapables, en vertu de l’article 492/1 de l’ancien Code
civil, d’aliéner des biens”: cette référence est suffisante pour
couvrir adéquatement les personnes internées, sans qu’une
référence spécifique à ces dernières apparaisse pertinente.
Philppe Goffin (MR)
Pierre Jadoul (MR)
bescherming van de maatschappij” in artikel 1225 van het
Gerechtelijk Wetboek, aangezien de bepaling met name ver-
wijst naar “beschermde personen die krachtens artikel 492/1
van het Burgerlijk Wetboek onbekwaam werden verklaard
om goederen te vervreemden”: deze verwijzing volstaat om
op adequate wijze van toepassing te zijn op geïnterneerde
personen, waarbij een specifieke verwijzing naar die laatsten
niet relevant lijkt.
Centrale drukkerij - Imprimerie centrale