Document 56K0272/002

🏛️ KAMER Legislatuur 56 📁 0272 Verslag 🌐 NL

Inhoud

20 december 2024 20 décembre 2024 0272/002 DOC 56 0272/002 DOC 56 00849 K A M E R • 2e   Z I T T I N G VA N D E 56 e  Z I T T I N G S P E R I O D E 2024 2025 C H A M B R E 2e S E S S I O N D E L A 56 e  L É G I S L AT U R E Chambre des représentants de Belgique Belgische Kamer van volksvertegenwoordigers tot wijziging van de artikelen 572bis en 1184 van het Gerechtelijk Wetboek, van het hoofdstuk VI, van boek IV, van het vierde deel van hetzelfde Wetboek, met betrekking tot de verdelingen en veilingen, evenals van artikel 4.101 van het Burgerlijk Wetboek WETSVOORSTEL modifiant les articles 572bis et 1184 du Code judiciaire, le chapitre VI, du livre IV, de la quatrième partie du même Code, relatif aux partages et licitations, ainsi que l’article 4.101 du Code civil PROPOSITION DE LOI Amendementen Amendements Voir: Doc 56 0272/ (S.E. 2024): 001: Proposition de loi de M. Goffin et consorts. Zie: Doc 56 0272/ (B.Z. 2024): 001: Wetsvoorstel van de heer Goffin c.s.. 0272/002 DOC 56 2 K A M E R • 2e   Z I T T I N G VA N D E 56 e  Z I T T I N G S P E R I O D E 2024 2025 C H A M B R E 2e S E S S I O N D E L A 56 e  L É G I S L AT U R E N° 1 de MM. Goffin et Jadoul Art. 2/1 (nouveau) Insérer un article 2/1, rédigé comme suit: “Art. 2/1. Dans l’article 1179 du même Code, les mots “fixe les jour et heure auxquels il sera procédé à l’inventaire ainsi que le lieu où celui-ci se tiendra et” sont insérés entre les mots “le notaire” et le mot “convoque”.” JUSTIFICATION Le présent amendement est fait suite à une suggestion formulée par le Professeur Moreau aux termes de son avis écrit déposé auprès de la Commission de la Justice de la Chambre des représentants, dans le cadre de l’examen de la présente proposition de loi. En effet, le Professeur Moreau relève que la présente pro- position de loi suggère d’adapter l’article 1214, § 2, alinéa 2, du Code judiciaire, pour préciser que, lorsqu’il fixe les jour et heure de la tenue de la première vacation d’inventaire, le notaire fixe également le lieu où celle-ci se tiendra. Comme exposé aux termes du commentaire de la disposition, cette précision est apportée dès lors qu’en pratique, “la question du lieu de l’inventaire suscite parfois certaines discussions, notamment lorsque la résidence et le domicile d’une des parties ne coïncident pas”. Eu égard à cette justification, le Professeur Moreau sug- gère d’apporter la même précision à l’article 1179 du Code judiciaire, relativement à l’hypothèse où l’inventaire n’est pas dressé dans le cadre d’une procédure de liquidation-partage. Le présent amendement intègre cette suggestion. Philippe Goffin (MR) Pierre Jadoul (MR) Nr. 1 van de heren Goffin en Jadoul Art. 2/1 (nieuw) Een artikel 2/1 invoegen, luidende: “Art. 2/1. In artikel 1179 van hetzelfde Wetboek wor- den de woorden “roept de notaris” vervangen door de woorden “legt de notaris de dag en het uur vast waarop tot de boedelbeschrijving zal worden overgegaan evenals de plaats waar deze zal gehouden worden en roept hij”.” VERANTWOORDING Dit amendement is opgesteld naar aanleiding van een sug- gestie die professor Moreau heeft gedaan in het schriftelijk advies dat hij heeft neergelegd bij de Commissie Justitie van de Kamer van volksvertegenwoordigers, in het kader van de analyse van dit wetsvoorstel. Professor Moreau merkt immers op dat het huidige wets- voorstel een wijziging inhoudt van artikel 1214, § 2, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek om te verduidelijken dat de notaris, bij de vaststelling van de dag en het uur waarop tot de eerste vacatie van boedelbeschrijving zal worden overgegaan, ook de plaats vaststelt waar deze zal worden gehouden. Zoals in de toelichting bij de bepaling wordt uiteengezet, is deze verduidelijking aangebracht omdat in de praktijk “de vraag naar de plaats van de boedelbeschrijving soms aanleiding geeft tot bepaalde discussies, meer bepaald wanneer de verblijfplaats en de woonplaats van één van de partijen niet overeenstemmen”. In het licht van deze rechtvaardiging stelt professor Moreau voor dezelfde verduidelijking aan te brengen in artikel 1179 van het Gerechtelijk Wetboek, met betrekking tot de hypothese waarin de boedelbeschrijving niet wordt opgemaakt in het kader van een procedure van vereffening-verdeling. Dit amendement neemt deze suggestie over. 3 0272/002 DOC 56 K A M E R • 2e   Z I T T I N G VA N D E 56 e  Z I T T I N G S P E R I O D E 2024 2025 C H A M B R E 2e S E S S I O N D E L A 56 e  L É G I S L AT U R E  N° 2 de MM. Goffin et Jadoul Art. 3 Apporter les modifications suivantes: 1° avant le 1°, insérer un 0°, rédigé comme suit: “0° à l’alinéa 1er: a) les mots “qui met son ordonnance sur la minute du procès-verbal” sont remplacés par les mots “par simple demande écrite déposée ou adressée au greffe”; b) la phrase “Lorsqu’il est procédé à l’inventaire en vertu de l’article 1214, le notaire peut alternativement soumettre les difficultés au tribunal de la famille qui l’a désigné, conformément à l’article 1216.” est abrogée;”; 2° insérer un 1°/1, rédigé comme suit: 1°/1 un alinéa est inséré après l’alinéa premier, libellé comme suit: “Lorsqu’il est procédé à l’inventaire en vertu de l’article 1214, le notaire peut soumettre les difficultés visées à l’alinéa 1er soit au tribunal de la famille qui l’a désigné, conformément à l’article 1216, soit au juge de paix, conformément à l’alinéa 1er.”; 3° dans le 2°, remplacer les mots “à l’alinéa 3” par les mots “à l’alinéa 3 devenant l’alinéa 4”. JUSTIFICATION Le présent amendement modifie l’article 1184 du Code judiciaire sur plusieurs points. En premier lieu, l’article 1184, alinéa 1er, du Code judiciaire est modifié pour faire suite (notamment) à une suggestion formulée par le Professeur Verstraete aux termes de son  Nr. 2 van de heren Goffin en Jadoul Art. 3 De volgende wijzigingen aanbrengen: 1° vóór de bepaling onder 1°, een bepaling onder 0° invoegen, luidende “0° in het eerste lid: a)  de woorden “die zijn beschikking stelt op de minuut van het proces-verbaal” worden vervangen door de woorden “bij eenvoudig schriftelijk verzoek neergelegd bij of gericht aan de griffie”; b) de zin “Wanneer er wordt overgegaan tot de boe- delbeschrijving krachtens artikel 1214, kan de notaris als alternatief de moeilijkheden neerleggen bij de fami- lierechtbank die hem heeft aangesteld, overeenkomstig artikel 1216.” wordt opgeheven;”; 2° een bepaling onder 1°/1 invoegen, luidende: 1°/1 na het eerste lid wordt een lid ingevoegd, luidende: “Wanneer er wordt overgegaan tot de boedelbe- schrijving krachtens artikel 1214, kan de notaris de moeilijkheden bedoeld in het eerste lid neerleggen ofwel bij de familierechtbank die hem heeft aangesteld overeenkomstig artikel 1216, ofwel bij de vrederechter overeenkomstig het eerste lid.”; 3° in de bepaling onder 2°, de woorden “in het derde lid” vervangen door de woorden “in het derde lid dat het vierde lid wordt”. VERANTWOORDING Dit amendement wijzigt artikel 1184 van het Gerechtelijk Wetboek op verschillende vlakken. Ten eerste wordt artikel 1184, eerste lid van het Gerechtelijk Wetboek aangepast (meer bepaald) naar aanleiding van een suggestie die professor Verstraete heeft gedaan in het 0272/002 DOC 56 4 K A M E R • 2e   Z I T T I N G VA N D E 56 e  Z I T T I N G S P E R I O D E 2024 2025 C H A M B R E 2e S E S S I O N D E L A 56 e  L É G I S L AT U R E avis écrit déposé auprès de la Commission de la Justice de la Chambre des représentants, dans le cadre de l’examen de la présente proposition de loi. En effet, la disposition suscite actuellement deux types de difficultés. La première difficulté est relative à la manière dont il convient de saisir le juge de paix d’une difficulté relative à l’inventaire, en application de l’article 1184 du Code judiciaire. Cette question fait actuellement l’objet de discussions, la disposition étant muette à ce sujet. A ce sujet, certains estiment que le juge de paix peut être saisi par le dépôt d’une requête unilatérale déformalisée, sur pied des articles 1025 et suivants du Code judiciaire (F. Debucquoy, “Enkele mensenrechtelijke bedenkingen”, R.W., 2019-20, liv. 6, p. 209; S. Deschamps, “Le notaire commis et son juge civil”, in Le notaire, le juge et l’avocat – Heurs et malheurs du notaire commis, sous la dir. de J. van Compernolle et J.-L. Ledoux, Bruxelles, Bruylant, 1996, p. 58, n° 39; C. Engels, Procesrecht in verband met het notariaat, Bruges, la Charte, 2010, p. 66, n° 82; N. Gendrin et D. Karadsheh, Liquidation- partage, coll. R.P.D.B., Bruxelles, Larcier, 2020, p. 152, n° 143; M. Storme, L. De Keyser et B. Verheye, Notarieel familiaal ver- mogensrecht, Leuven, Acco, 2022, p. 135, n° 280; J.P. Uccle, 16 janvier 2009, Rev. not. b., 2010, liv. 3041, p. 292; Civ. Bruges, 26 septembre 1997, T. Not., 1998, p. 132; J.P. Izegem, 30 septembre 1992, T. Not., 1993, p. 112.). D’autres sont d’avis que la procédure peut être introduite par le notaire par le dépôt d’un procès-verbal faisant état de la difficulté (Ch. Aughuet et C. De Boe, “La dualité des com- pétences pour les difficultés en matière d’inventaire”, in Le droit judiciaire notarial en épines et broussailles, sous la dir. de C. De Boe, J.-Fr. van Drooghenbroeck et R. Wauters, Bruxelles, Larcier, 2023, p. 221, n° 9; Ch. Aughuet et P. Nicaise, “Questions pratiques liées à l’inventaire”, in Questions pra- tiques liées à la procédure de liquidation-partage judiciaire, OBFG-FRNB, Bruxelles, Bruylant, 2008, p. 96; L. Sterckx, “Questions liées à l’inventaire (dans le cadre du partage judiciaire)”, Rev. not. b., 2016, p. 158, n° 9; J. van Compernolle, “La commission du notaire par justice: typologie et principes généraux”, in Le notaire, le juge et l’avocat – Heurs et mal- heurs du notaire commis, sous la dir. de J. van Compernolle et J.-L. Ledoux, Bruxelles, Bruylant, 1996, p. 35; J.-Fr. van Drooghenbroeck, “Inventaire préalable à liquidation-partage: comment lever les blocages?”, Rev. not. b., 2007, pp. 220 schriftelijk advies dat hij heeft neergelegd bij de Commissie Justitie van de Kamer van volksvertegenwoordigers, in het kader van de analyse van dit wetsvoorstel. De bepaling leidt momenteel immers tot twee soorten moeilijkheden. De eerste moeilijkheid heeft betrekking op de manier waar- op een moeilijkheid met betrekking tot de boedelbeschrijving moet worden neergelegd bij de vrederechter, in toepassing van artikel 1184 van het Gerechtelijk Wetboek. Deze kwestie maakt momenteel het voorwerp uit van be- twisting, aangezien deze bepaling geen gewag maakt hiervan. In dat verband zijn sommigen van mening dat de vre- derechter kan worden gevat via de neerlegging van een eenzijdig gedeformaliseerd verzoekschrift, op grond van de artikelen 1025 en volgende van het Gerechtelijk Wetboek (F. Debucquoy, “Enkele mensenrechtelijke bedenkingen”, R.W. 2019-20, afl. 6, p. 209; S. Deschamps, “Le notaire commis et son juge civil”, in Le notaire, le juge et l’avocat – Heurs et malheurs du notaire commis, dir. J. van Compernolle en J.- .L. Ledoux, Brussel, Bruylant, 1996, p. 58, nr. 39; C. Engels, Procesrecht in verband met het notariaat, Brugge, la Charte, 2010, p. 66, nr. 82; N. Gendrin en D. Karadsheh, Liquidation- partage, coll. R.P.D.B., Brussel, Larcier, 2020, p. 152, nr. 143; M. Storme, L. De Keyser en B. Verheye, Notarieel familiaal vermogensrecht, Leuven, Acco, 2022, p. 135, nr. 280; Vred. Ukkel 16 januari 2009, Rev. not. b., 2010, afl. 3041, p. 292; Rb. Brugge 26 september 1997, T. Not., 1998, p. 132; Vred. Izegem 30 september 1992, T. Not., 1993, p. 112.). Anderen zijn van mening dat de procedure kan worden ingeleid door de notaris, door de neerlegging van een proces- verbaal waarin de moeilijkheid wordt vermeld (Ch. Aughuet en C. De Boe, “La dualité des compétences pour les difficultés en matière d’inventaire”, in Le droit judiciaire notarial en épines et broussailles, dir. C. De Boe, J.-Fr. van Drooghenbroeck en R. Wauters, Brussel, Larcier, 2023, p. 221, nr. 9; Ch. Aughuet en P. Nicaise, “Questions pratiques liées à l’inventaire”, in Questions pratiques liées à la procédure de liquidation- partage judiciaire, OBFG-FRNB, Brussel, Bruylant, 2008, p. 96; L. Sterckx, “Questions liées à l’inventaire (dans le cadre du partage judiciaire)”, Rev. not. b. 2016, p. 158, nr. 9; J. van Compernolle, “La commission du notaire par justice: typologie et principes généraux”, in Le notaire, le juge et l’avocat – Heurs et malheurs du notaire commis, dir. J. van Compernolle en J.-L. Ledoux, Brussel, Bruylant, 1996, p. 35; J.-Fr. van Drooghenbroeck, “Inventaire préalable à liquidation-partage: comment lever les blocages?”, Rev. not. b., 2007, p. 220 e.v.; 5 0272/002 DOC 56 K A M E R • 2e   Z I T T I N G VA N D E 56 e  Z I T T I N G S P E R I O D E 2024 2025 C H A M B R E 2e S E S S I O N D E L A 56 e  L É G I S L AT U R E et s.; J.-Fr. van Drooghenbroeck et C. De Boe, “L’inventaire”, Rép. Not., tome XIII, Livre I2, Bruxelles, Larcier, 2012, n° 112, p. 144. Contra: J.P. Izegem, 30 septembre 1992, T. Not., 1993, p. 112. Voy. également Th. van Sinay, à propos des difficultés engendrées par ce système et des solutions envisageables: “Enkele actuele topics inzake boedelbeschrijving”, T. Not., 2005, pp. 254 et 255, n° 29; du même auteur, Het draaiboek van een boedelbeschrijving, coll. CABG, Bruxelles, Larcier, 2010, n° 96, p. 45). Plusieurs éléments sous-tendent cette dernière opinion: a) le fait que l’article 1184, alinéa 1er, du Code judiciaire prévoit que le juge de paix “met son ordonnance sur la minute du procès-verbal”; b) le fait que le dépôt d’un procès-verbal permet de res- pecter le principe du contradictoire; c) le souci de cohérence et d’analogie avec la procédure de liquidation-partage judiciaire. La seconde difficulté concerne la forme (ou le support) de la décision du juge de paix. En effet, l’article 1184, alinéa 1er, du Code judiciaire prévoit actuellement que le juge de paix “met son ordonnance sur la minute du procès-verbal”, alors que le notaire ne peut se dessaisir de la minute du procès-verbal, qui est un original (voy. notamment, à ce sujet, L. Sterckx, “Questions liées à l’inventaire (dans le cadre du partage judiciaire)”, Rev. not. b., 2016, p. 158, n° 9; T. Van Sinay, Het draaiboek van een boedelbeschrijving, Bruxelles, Intersentia, 2010, p. 45, n° 96; J.-Fr. van Drooghenbroeck et C. De Boe, “L’inventaire”, Rép. Not., tome XIII, Livre I2, Bruxelles, Larcier, 2012, n° 112, p. 144). Ainsi que l’observe le Professeur Verstraete, aux termes de son avis écrit, l’apposition de l’ordonnance du juge de paix sur la minute du procès-verbal n’est dès lors possible que lorsque le juge de paix est présent lors de l’inventaire ou lorsque le notaire se présente devant le juge de paix avec la minute (dont il ne peut se dessaisir). Le présent amendement entend remédier à ces deux difficultés. S’agissant, d’une part, de la manière dont le notaire saisit le juge de paix des difficultés relatives à l’inventaire, le texte proposé prévoit un mode de saisine simplifié, en autorisant la J.-Fr. van Drooghenbroeck en C. De Boe, “L’inventaire”, Rép. Not., deel XIII, Boek I2, Brussel, Larcier, 2012, n° 112, p. 144. Contra: Vred. Izegem 30 september 1992, T. Not. 1993, p. 112. Zie ook Th. van Sinay, met betrekking tot de moeilijkheden die dit systeem veroorzaakt en de mogelijke oplossingen: “Enkele actuele topics inzake boedelbeschrijving”, T. Not. 2005, p. 254 en 255, nr. 29; van dezelfde auteur, Het draaiboek van een boedelbeschrijving, coll. CABG, Brussel, Larcier, 2010, nr. 96, p. 45). Verschillende elementen ondersteunen dit laatste standpunt: a) het feit dat artikel 1184, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat de vrederechter “zijn beschikking stelt op de minuut van het proces-verbaal”; b) het feit dat de indiening van een proces-verbaal het mo- gelijk maakt het beginsel van tegenspraak in acht te nemen; c) het streven naar coherentie en analogie met de proce- dure van gerechtelijke vereffening-verdeling. De tweede moeilijkheid betreft de vorm (of de drager) van de beslissing van de vrederechter. Artikel 1184, eerste lid van het Gerechtelijk Wetboek bepaalt momenteel immers dat de vrederechter “zijn beschikking stelt op de minuut van het proces-verbaal”, terwijl de notaris zich niet kan ontdoen van de minuut van het proces-verbaal, die een origineel is (zie hierover met name L. Sterckx, “Questions liées à l’inventaire (dans le cadre du partage judiciaire)”, Rev. not. b. 2016, p. 158, nr. 9; T. Van Sinay, Het draaiboek van een boedelbeschrijving, Brussel, Intersentia, 2010, p. 45, nr. 96; J.-Fr. van Drooghenbroeck en C. De Boe, “L’inventaire”, Rép. Not., deel XIII, Boek I2, Brussel, Larcier, 2012, nr. 112, p. 144). Zoals professor Verstraete in een schriftelijk advies op- merkt, is het aanbrengen van de beschikking van de vrede- rechter op de minuut van het proces-verbaal bijgevolg enkel mogelijk wanneer de vrederechter aanwezig is bij de boedel- beschrijving of wanneer de notaris verschijnt voor de vrede- rechter met de minuut (waarvan hij zich niet kan ontdoen). Dit amendement wil een oplossing bieden voor deze twee moeilijkheden. Ten eerste, wat betreft de wijze waarop de notaris moeilijk- heden in verband met de boedelbeschrijving neerlegt bij de vrederechter, bevat de voorgestelde tekst een vereenvoudigde 0272/002 DOC 56 6 K A M E R • 2e   Z I T T I N G VA N D E 56 e  Z I T T I N G S P E R I O D E 2024 2025 C H A M B R E 2e S E S S I O N D E L A 56 e  L É G I S L AT U R E saisine du juge de paix “par simple demande écrite déposée ou adressée au greffe”. Il est observé que ce mode de saisine “simplifiée” existe déjà dans le Code judiciaire, notamment dans les dispositions relatives à la procédure de liquidation-partage: voyez notam- ment l’article 1211 du Code judiciaire (relatif à la demande de remplacement du notaire-liquidateur), l’article 1212 du Code judiciaire (relatif à la demande de désignation d’un gestionnaire de la masse indivise, l’article 1213, § 3, du Code judiciaire, (relatif à la demande de désignation d’un expert) et l’article 1218, § 4, du Code judiciaire (relatif à la demande visant à obtenir du tribunal la réduction des délais légaux). Il est précisé, par ailleurs, que ce mode de saisine ne concerne que l’hypothèse dans laquelle la difficulté rela- tive à l’inventaire est soumise au juge de paix. Lorsque le notaire-liquidateur choisit, dans le cadre d’une procédure de liquidation-partage judiciaire, de saisir le tribunal de la famille de la difficulté (ainsi que l’y autorise désormais expressément l’article 1184, alinéa 1er, du Code judiciaire tel que modifié par l’article 3 de la présente proposition et amendé par la seconde partie du présent amendement), la saisine du tribunal se fait – selon le libellé du texte inséré par la présente proposition de loi – conformément à l’article 1216 du Code judiciaire (c’est- à-dire moyennant le dépôt d’un procès-verbal intermédiaire). S’agissant, d’autre part, de la difficulté relative à la forme (ou au support) de la décision du juge de paix, le présent amendement supprime, à l’article 1184, alinéa 1er, du Code judiciaire, les termes “qui met son ordonnance sur la minute du procès-verbal”. A défaut de cette mention (qui pose problème dès lors que le notaire ne peut se dessaisir de la minute), l’on en revient au droit commun, en vertu duquel le juge de paix rend sa décision sans devoir “l’apposer” sur un quelconque “support”. En second lieu, le présent amendement tend à remédier à une difficulté d’interprétation qui aurait pu se présenter en raison de l’usage du mot “alternativement” dans la version française du texte. wijze van aanhangigmaking, waarbij de aanhangigmaking bij de vrederechter wordt toegestaan “bij eenvoudig schriftelijk verzoek dat wordt neergelegd bij of gericht aan de griffie”. Er wordt op gewezen dat deze “vereenvoudigde” wijze van aanhangigmaking reeds bestaat in het Gerechtelijk Wetboek, met name in de bepalingen betreffende de procedure van vereffening-verdeling: zie in het bijzonder artikel 1211 van het Gerechtelijk Wetboek (met betrekking tot het verzoek om de notaris-vereffenaar te vervangen), artikel 1212 van het Gerechtelijk Wetboek (met betrekking tot het verzoek om een beheerder aan te stellen van de onverdeelde boedel), artikel 1213, § 3, van het Gerechtelijk Wetboek (met betrek- king tot het verzoek om een deskundige aan te stellen) en artikel 1218, § 4, van het Gerechtelijk Wetboek (met betrekking tot het verzoek om van de rechtbank een inkorting te verkrijgen van de wettelijke termijnen). Bovendien wordt verduidelijkt dat deze wijze van aanhan- gigmaking louter betrekking heeft op de hypothese waarin de moeilijkheid betreffende de boedelbeschrijving wordt ingediend bij de vrederechter. Wanneer de in het kader van een procedure van gerechtelijke vereffening-verdeling aange- wezen notaris-vereffenaar de moeilijkheid aanhangig maakt bij de familierechtbank (zoals hij daar voortaan uitdrukkelijk toelating voor krijgt krachtens artikel  1184, eerste lid van het Gerechtelijk Wetboek zoals gewijzigd bij artikel 3 van dit voorstel en gewijzigd bij het tweede deel van dit amen- dement), gebeurt het vatten van de rechtbank – volgens de formulering van de door dit wetsvoorstel ingevoegde tekst – overeenkomstig artikel 1216 van het Gerechtelijk Wetboek (met andere woorden middels de neerlegging van een tus- sentijds proces-verbaal). Ten tweede, met betrekking tot de moeilijkheid betreffende de vorm (of de drager) van de beslissing van de vrederechter, schrapt dit amendement in artikel 1184, eerste lid van het Gerechtelijk Wetboek, de woorden “die zijn beschikking stelt op de minuut van het proces-verbaal”. Bij gebrek aan die vermelding (wat problematisch is aan- gezien de notaris zich niet van de minuut kan ontdoen), wordt teruggevallen op het gemeen recht, krachtens hetgeen de vrederechter uitspraak doet zonder deze op een “drager” te moeten “aanbrengen”. Ten tweede, beoogt dit amendement te verhelpen aan een interpretatiemoeilijkheid die zou kunnen ontstaan omwille van het gebruik van het woord “alternativement” in de Franstalige versie van de tekst. 7 0272/002 DOC 56 K A M E R • 2e   Z I T T I N G VA N D E 56 e  Z I T T I N G S P E R I O D E 2024 2025 C H A M B R E 2e S E S S I O N D E L A 56 e  L É G I S L AT U R E En effet, à l’occasion des consultations écrites menées par la Commission de la Justice de la Chambre des repré- sentants dans le cadre de l’examen de la présente propo- sition de loi, plusieurs experts et institutions (notamment le Professeur Moreau, la Conférence des premiers présidents et la Conférence des TPI francophones et germanophones) ont estimé que le terme “alternativement” utilisé dans la version francophone de l’article 1184, alinéa 1er, proposé du Code judiciaire pourrait donner lieu à confusion, en ce qu’il pourrait être interprété comme autorisant le notaire-liquidateur à saisir “tour à tour” ou “successivement” le juge de paix et le tribunal de la famille des difficultés rencontrées en matière d’inventaire dans le cadre d’une procédure de liquidation-partage. En réalité, les auteurs de la présente proposition enten- daient, par l’utilisation du mot “alternativement” en français, indiquer que le notaire-liquidateur confronté à une difficulté liée à l’établissement de l’inventaire dans le cadre d’une procédure de liquidation-partage judiciaire dispose d’une alternative: il peut, à son choix, saisir soit le juge de paix soit le tribunal de la famille de cette difficulté. La disposition n’entend donc pas conférer au notaire-liquidateur la possibilité de saisir ces deux juridictions successivement: il appartient au notaire-liquidateur de choisir la juridiction la plus adéquate pour solutionner le litige ou la difficulté et de saisir celle-ci de manière définitive, sans possibilité de saisir ensuite l’autre juridiction. Dans cette perspective, la version néerlandaise de la dis- position proposée, qui utilise les termes “als alternatief” (“à titre d’alternative”) semble – ainsi que le relèvent plusieurs experts et institutions – plus adéquate et moins sujette à confusion, en ce qu’elle permet d’établir clairement que le notaire-liquidateur jouit d’une alternative: il dispose de la faculté de choisir entre deux possibilités, à savoir soit saisir le juge de paix soit saisir le tribunal de la famille. Le présent amendement suggère dès lors de: a) supprimer la phrase “Lorsqu’il est procédé à l’inventaire en vertu de l’article 1214, le notaire peut alternativement soumettre les difficultés au tribunal de la famille qui l’a désigné, conformément à l’article 1216.”, qui était insérée à l’article 1184, alinéa 1er, du Code judiciaire par la présente proposition; Naar aanleiding van de schriftelijke raadplegingen die de Commissie Justitie van de Kamer van volksvertegenwoordi- gers heeft gevoerd in het kader van de behandeling van dit wetsvoorstel, waren immers verschillende deskundigen en instellingen (waaronder professor Moreau, de Conferentie van eerste voorzitters en de Conferentie van Franstalige en Duitstalige REA) van mening dat de term “alternativement” die gebruikt wordt in de Franstalige versie van het voorgestelde artikel 1184, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek tot ver- warring zou kunnen leiden, omdat deze zou kunnen worden geïnterpreteerd als een toelating voor de notaris-vereffenaar om “beurtelings” of “achtereenvolgens” de vrederechter en de familierechtbank te vatten betreffende de moeilijkheden die zich voordoen op het vlak van boedelbeschrijving in het kader van een procedure van vereffening-verdeling. In werkelijkheid wilden de auteurs van dit voorstel met het Franse woord “alternativement” aangeven dat de notaris- vereffenaar die geconfronteerd wordt met een moeilijkheid in verband met de opstelling van de boedelbeschrijving in het ka- der van een gerechtelijke procedure van verdeling-verdeling, beschikt over een alternatief: hij kan dit probleem, naar zijn keuze, hetzij neerleggen bij de vrederechter, hetzij bij de fami- lierechtbank. De bepaling kent dus aan de notaris-vereffenaar niet de mogelijkheid toe de zaak achtereenvolgens aanhangig te maken bij deze twee rechterlijke instanties; het komt de notaris-vereffenaar toe de meest geschikte rechterlijke instan- tie te kiezen om het geschil of probleem op te lossen en het daarbij definitief aanhangig te maken, zonder de mogelijkheid om later de andere rechterlijke instantie te vatten. In dat opzicht lijkt de Nederlandstalige versie van de voorgestelde bepaling, waarin de bewoording “als alterna- tief” gebruikt wordt, – zoals ook verscheidene deskundigen en instellingen hebben opgemerkt – geschikter en minder vatbaar voor verwarring, omdat duidelijk gemaakt wordt dat de notaris-vereffenaar een alternatief heeft: hij beschikt over de mogelijkheid om te kiezen tussen twee mogelijkheden, namelijk hetzij de zaak aanhangig maken bij de vrederechter, hetzij bij de familierechtbank. Er wordt bijgevolg in dit amendement voorgesteld: a) om de zin “Wanneer er wordt overgegaan tot de boe- delbeschrijving krachtens artikel 1214, kan de notaris als al- ternatief de moeilijkheden neerleggen bij de familierechtbank die hem heeft aangesteld, overeenkomstig artikel 1216.” die was ingevoegd in artikel 1184, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek door dit voorstel, te schrappen; 0272/002 DOC 56 8 K A M E R • 2e   Z I T T I N G VA N D E 56 e  Z I T T I N G S P E R I O D E 2024 2025 C H A M B R E 2e S E S S I O N D E L A 56 e  L É G I S L AT U R E b) insérer, à l’article 1184 du Code judiciaire, un nouvel alinéa après l’alinéa premier, libellé comme suit: “Lorsqu’il est procédé à l’inventaire en vertu de l’article 1214, le notaire peut soumettre les difficultés visées à l’alinéa 1er soit au tribunal de la famille qui l’a désigné, conformément à l’article 1216 soit au juge de paix, conformément à l’alinéa 1er.”. Le libellé ainsi proposé permet de mettre en lumière le fait que, lorsque l’inventaire est établi dans le cadre d’une procé- dure de liquidation-partage judiciaire, le notaire dispose de la faculté de choisir entre deux possibilités (il peut saisir soit le juge de paix soit le tribunal de la famille) et que le choix de saisir l’une ou l’autre juridiction lui appartient. Les hypothèses dans lesquelles le notaire-liquidateur pourrait privilégier la saisine de l’une ou l’autre juridiction sont explicitées aux termes du commentaire de l’article 3 de la présente proposition. Philippe Goffin (MR) Pierre Jadoul (MR) b) om in artikel 1184 van het Gerechtelijk Wetboek een nieuw lid in te voegen na het eerste lid, dat luidt als volgt: “Wanneer er wordt overgegaan tot de boedelbeschrijving krachtens artikel 1214, kan de notaris de moeilijkheden be- doeld in het eerste lid neerleggen ofwel bij de familierechtbank die hem heeft aangesteld overeenkomstig artikel 1216, ofwel bij de vrederechter overeenkomstig het eerste lid.”. Dankzij de aldus voorgestelde formulering kan worden be- nadrukt dat, wanneer de boedelbeschrijving wordt opgesteld in het kader van de procedure van gerechtelijke vereffening- verdeling, de notaris over de optie beschikt om te kiezen uit twee mogelijkheden (hij kan zich hetzij wenden tot de vrede- rechter, hetzij tot de familierechtbank) en dat de keuze inzake de rechterlijke instantie die wordt gevat, aan hem toekomt. De hypothesen waarin de notaris-vereffenaar de voorkeur zou kunnen geven om de zaak neer te leggen bij de ene of de andere rechterlijke instantie, worden beschreven in de toelichting bij artikel 3 van dit voorstel. 9 0272/002 DOC 56 K A M E R • 2e   Z I T T I N G VA N D E 56 e  Z I T T I N G S P E R I O D E 2024 2025 C H A M B R E 2e S E S S I O N D E L A 56 e  L É G I S L AT U R E  N° 3 de MM. Goffin et Jadoul Art. 7 Compléter le 1° par un c), rédigé comme suit: “c) les mots “autres que les créanciers opposants au sens de l’article 4.101 du Code civil” sont insérés entre le mot “parties” et les mots “, la liquidation” JUSTIFICATION Le présent amendement est fait suite à une observation formulée par le Professeur Verstraete aux termes de son avis écrit déposé auprès de la Commission de la Justice de la Chambre des représentants, dans le cadre de l’examen de la présente proposition de loi. En effet, le Professeur Verstraete relève qu’il convient en principe d’inclure, sous le vocable “parties”, non seulement les parties indivisaires et/ou les parties dont les droits doivent être liquidés, mais aussi les créanciers qui interviennent à la liquidation et/ou au partage en application de l’article 4.101 du Code civil. Il s’ensuit qu’en vertu du libellé du texte de l’article 1206, alinéa 1er, du Code judiciaire tel qu’il résulte de la présente proposition, le formalisme imposé en présence d’un mineur (dont notamment l’intervention du juge de paix) devrait trouver à s’appliquer non seulement lorsque l’une des parties indivi- saires et/ou dont les droits doivent être liquidés est mineure (ce qui est l’objectif recherché, dans un souci de protection des intérêts du mineur), mais également lorsque la “partie” mineure est un créancier intervenant au partage. Ainsi que le souligne le Professeur Verstraete, “cela condui- rait à la conséquence indésirable que, s’il y avait un mineur parmi les créanciers intervenants, (la liquidation et/ou) le par- tage devrait être effectué par un notaire, sous la présidence et l’approbation du juge de paix”. Le Professeur ajoute que “(c)e n’est probablement pas l’intention. Il est donc préférable d’exclure explicitement cette partie de l’application de la mesure de protection de l’article 1206 du Code judiciaire.”.  Nr. 3 van de heren Goffin en Jadoul Art. 7 De bepaling onder 1° aanvullen met een bepaling onder c), luidende: “c) de woorden “andere dan de verzetdoende schuldeisers in de zin van artikel 4.101 van het Burgerlijk Wetboek” worden ingevoegd tussen het woord “par- tijen” en de woorden “de vereffening” VERANTWOORDING Dit amendement is opgesteld naar aanleiding van een opmerking die professor Verstraete geformuleerd heeft in een schriftelijk advies, ingediend bij de Commissie Justitie van de Kamer van volksvertegenwoordigers in het kader van de analyse van dit wetsvoorstel. Professor Verstraete wijst er immers op dat de term “par- tijen” in principe niet enkel de partijen-deelgenoten omvat en/ of de partijen waarvan de rechten moeten worden vereffend, maar ook de schuldeisers die betrokken zijn bij de vereffening en/of de verdeling in toepassing van artikel 4.101 van het Burgerlijk Wetboek. Daaruit volgt dat krachtens de formulering van artikel 1206, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek zoals het voortvloeit uit het huidige voorstel, het opgelegde formalisme in aan- wezigheid van een minderjarige (waaronder met name de tussenkomst van de vrederechter) niet alleen zou moeten worden toegepast wanneer een van de partijen-deelgenoten en/of partijen waarvan de rechten moeten worden vereffend minderjarig is (wat het beoogde doel is, om de belangen van de minderjarige te beschermen), maar ook wanneer de minderjarige “partij” een schuldeiser is die tussenkomt in de verdeling. Zoals professor Verstraete benadrukt, “zou dit tot het ongewenste gevolg leiden dat, indien er zich onder de tus- senkomende schuldeisers een minderjarige zou bevinden, de verdeling zou moeten gebeuren door een notaris, onder voorzitterschap en met goedkeuring van de vrederechter.”. De professor voegt daaraan toe dat: “Dit is allicht niet de bedoeling. Deze partij wordt dan ook best expliciet uitgeslo- ten van de toepassing van de beschermingsmaatregel van artikel 1206 Ger. W.”. 0272/002 DOC 56 10 K A M E R • 2e   Z I T T I N G VA N D E 56 e  Z I T T I N G S P E R I O D E 2024 2025 C H A M B R E 2e S E S S I O N D E L A 56 e  L É G I S L AT U R E Le présent amendement reprend cette suggestion, en limitant expressément le champ d’application de l’article 1206 du Code judiciaire à l’hypothèse où, parmi les parties, autres que les créanciers opposants au sens de l’article 4.101 du Code civil, il existe un mineur. Philippe Goffin (MR) Pierre Jadoul (MR) Dit amendement neemt deze suggestie over en beperkt het toepassingsgebied van artikel 1206 van het Gerechtelijk Wetboek uitdrukkelijk tot het geval waarin zich onder de partijen, andere dan de verzetdoende schuldeisers in de zin van artikel 4.101 van het Burgerlijk Wetboek, een minderjarige bevindt. 11 0272/002 DOC 56 K A M E R • 2e   Z I T T I N G VA N D E 56 e  Z I T T I N G S P E R I O D E 2024 2025 C H A M B R E 2e S E S S I O N D E L A 56 e  L É G I S L AT U R E  N° 4 de MM. Goffin et Jadoul Art. 10 Remplacer cet article par ce qui suit: “Art. 10. L’article 1207 du même Code est remplacé par ce qui suit: “Art. 1207. En cas d’indivision, si toutes les parties indivisaires ne consentent pas à un partage amiable ainsi que dans les cas visés à l’article 1206, alinéa 6, le partage a lieu judiciairement à la demande de la partie la plus diligente, formée devant le tribunal de la famille. Même à défaut d’indivision, les dispositions conte- nues dans les sections  2 et 3 du présent chapitre s’appliquent également lorsque la demande ne peut porter que sur la liquidation: 1° en vertu du titre 3 du livre 2 du Code civil; 2° en vertu livre 4 du Code civil; 3° en vue de l’établissement de comptes entre cohabitants légaux. Dans ce cas, les articles 1209, § 3, 1212, 1214, § 1er, alinéas 3 à 6, 1214, § 6, alinéa 2, 1224 et 1224/1 ne sont applicables qu’à l’égard des parties indivisaires.” JUSTIFICATION Le présent amendement tend à apporter une série de précisions et de clarifications, à la suite notamment de diffé- rents avis formulés par les experts à l’occasion des consul- tations écrites menées par la Commission de la Justice de la Chambre des représentants dans le cadre de l’examen de la présente proposition de loi. En premier lieu, le Professeur Casman relève, aux termes de son avis écrit, qu’il n’est pas certain, au regard du texte initialement proposé, que les parties qui ont des droits indivis  Nr. 4 van de heren Goffin en Jadoul Art. 10 Dit artikel vervangen als volgt: “Art. 10. Artikel 1207 van hetzelfde Wetboek wordt vervangen als volgt: “Art. 1207. In geval van onverdeeldheid, indien niet alle partijen-deelgenoten met een minnelijke verdeling instemmen, alsook in de gevallen bedoeld in arti- kel 1206, zesde lid, geschiedt de verdeling gerechtelijk op vordering van de meest gerede partij ingesteld bij de familierechtbank. Zelfs bij gebrek aan onverdeeldheid, zijn de be- palingen van de afdelingen 2 en 3 van dit hoofdstuk eveneens van toepassing wanneer het verzoek enkel betrekking kan hebben op de vereffening: 1° krachtens titel 3 van boek 2 van het Burgerlijk Wetboek; 2° krachtens boek 4 van het Burgerlijk Wetboek; 3° met het oog op de opstelling van rekeningen tus- sen wettelijk samenwonenden. In dat geval zijn de artikelen 1209, § 3, 1212, 1214, § 1, derde tot zesde lid, 1214, § 6, tweede lid, 1224 en 1224/1 slechts van toepassing ten aanzien van de partijen-deelgenoten.” VERANTWOORDING Dit amendement heeft tot doel een aantal verduidelijkingen en toelichtingen aan te brengen, met name naar aanleiding van de verschillende adviezen die de deskundigen hebben gedaan naar aanleiding van de schriftelijke raadplegingen die de Commissie Justitie van de Kamer van volksvertegen- woordigers heeft gevoerd in het kader van de analyse van dit wetsvoorstel. Ten eerste merkt professor Casman in haar schriftelijk ad- vies op dat het, in het licht van de oorspronkelijk voorgestelde tekst, niet zeker is dat de partijen die onverdeelde rechten 0272/002 DOC 56 12 K A M E R • 2e   Z I T T I N G VA N D E 56 e  Z I T T I N G S P E R I O D E 2024 2025 C H A M B R E 2e S E S S I O N D E L A 56 e  L É G I S L AT U R E à faire valoir dans la masse successorale, puissent choisir de requérir le juge d’ordonner soit la seule liquidation de cette masse, soit la liquidation avec l’option d’y ajouter une demande en partage, soit encore uniquement “la liquidation et le cas échéant le partage” de cette succession. Le Professeur Casman ajoute qu’un problème peut en effet surgir si les par- ties qui ont des droits à faire valoir dans la masse successorale demandent la liquidation de cette masse, sans demander en même temps son partage, alors qu’ils sont cependant tous indivisaires à l’égard de cette masse et que, de même, se pose la question de savoir si le juge à qui il serait demandé d’ordonner seulement la liquidation, devra toujours ordonner la liquidation “et, le cas échéant, le partage”, même lorsque les parties ne demandent pas le partage. Le commentaire de la disposition telle qu’insérée par l’article 10 de la présente proposition a déjà pris position sur cette question particulière en précisant que “(l)a disposition nouvelle n’étend toutefois l’application des articles 1207 à 1225 du Code judiciaire qu’aux seules hypothèses où, à défaut d’indivision entre les parties, la demande ne peut (juridique- ment) porter que sur la liquidation (et non sur le partage), en vertu soit du titre 3 du livre 2 du Code civil (relatif aux relations patrimoniales des couples) soit du livre 4 du Code civil (relatif aux successions, donations et testaments). Des parties se trouvant en situation d’indivision ne pourraient dès lors délibérément limiter leur demande à la seule liquidation de leurs droits, cette possibilité étant limitée, aux termes de l’article 1207, alinéa 2, proposé, à l’hypothèse dans laquelle, en l’absence d’indivision, le partage ne se conçoit pas.” (DOC 56 0272/001, p. 15). Toutefois, afin de clarifier les différentes hypothèses sus- ceptibles de se présenter, le présent amendement entend restructurer l’article 1207 du Code judiciaire en plusieurs alinéas distincts. Ainsi, le premier alinéa de la disposition est modifié pour viser désormais, de manière explicite – notamment par l’intro- duction des termes “En cas d’indivision” au début de l’alinéa et l’utilisation des termes “parties indivisaires” – les situations dans lesquelles une indivision existe entre l’ensemble des parties concernées. Ce premier alinéa est libellé de manière telle que, lorsqu’une indivision existe entre les parties, c’est nécessai- rement le partage (lequel inclut la liquidation préalable) qui doit être sollicité par les parties et ordonné par le tribunal. hebben in de nalatenschapsboedel, kunnen kiezen om de rechter te verzoeken om hetzij louter de vereffening van die boedel te gelasten, hetzij de vereffening met de mogelijkheid om er een vordering tot verdeling aan toe te voegen, hetzij enkel “de vereffening en in voorkomend geval de verdeling” van die nalatenschap te gelasten. Professor Casman voegt eraan toe dat er een probleem kan rijzen indien de partijen die rechten hebben in de nalatenschapsboedel vragen om die boedel te vereffenen zonder tegelijkertijd te vorderen om deze te verdelen, ook al zijn ze allemaal deelgenoten ten aanzien van die boedel. Op dezelfde manier rijst de vraag of een rechter die wordt verzocht om enkel de vereffening te bevelen altijd de vereffening zal moeten bevelen “en, in voorkomend geval, de verdeling”, zelfs als de partijen geen verdeling vragen. De toelichting bij de bepaling zoals ingevoegd door arti- kel 10 van dit voorstel heeft al een standpunt ingenomen over deze specifieke kwestie, door het volgende te verduidelijken: “De nieuwe bepaling breidt de toepassing van de artike- len 1207 tot 1225 van het Gerechtelijk Wetboek echter alleen uit tot de gevallen waarbij, bij gebrek aan onverdeeldheid tussen de partijen, de vordering (juridisch) enkel betrekking kan hebben op de vereffening (en niet op de verdeling), hetzij uit hoofde van titel 3 van boek 2 van het Burgerlijk Wetboek (betreffende het relatievermogensrecht), hetzij boek 4 van het Burgerlijk Wetboek (betreffende de nalatenschappen, schen- kingen en testamenten). Partijen die zich in onverdeeldheid bevinden, kunnen hun vordering dientengevolge niet bewust beperken tot de vereffening van hun rechten, aangezien deze mogelijkheid krachtens het voorgestelde artikel 1207, lid 2, beperkt wordt tot de gevallen waarin de verdeling niet aan de orde is wegens het gebrek aan onverdeeldheid.” (DOC 56 0272/001, blz. 15). Om de verschillende hypotheses die zich kunnen voordoen evenwel te verduidelijken, beoogt dit amendement artikel 1207 van het Gerechtelijk Wetboek te herstructureren in verschil- lende alinea’s. Zo wordt het eerste lid van de bepaling gewijzigd, zodat dit voortaan uitdrukkelijk verwijst – met name door de invoeging van de woorden “In geval van onverdeeldheid” aan het begin van het lid en het gebruik van de woorden “partijen-deelgeno- ten” – naar situaties waarin sprake is van een onverdeeldheid tussen alle betrokken partijen. Dit eerste lid wordt zodanig geformuleerd dat, wanneer een onverdeeldheid bestaat tussen partijen, het noodzakelijk de verdeling (die de voorafgaande vereffening inhoudt) is die de partijen moeten verzoeken en die de rechtbank moet bevelen. 13 0272/002 DOC 56 K A M E R • 2e   Z I T T I N G VA N D E 56 e  Z I T T I N G S P E R I O D E 2024 2025 C H A M B R E 2e S E S S I O N D E L A 56 e  L É G I S L AT U R E La présente proposition n’entend, ainsi, pas modifier les règles actuellement en vigueur en présence d’une indivision, l’actuel article 1207 du Code judiciaire imposant déjà, en pareille hypothèse, qu’il soit procédé à un partage sans per- mettre aux parties de limiter la demande à la seule liquidation. La circonstance qu’en cas d’indivision, c’est nécessaire- ment le partage (incluant la liquidation préalable) qui devra être ordonné n’exclut toutefois pas la possibilité, pour les parties, d’interrompre de commun accord les opérations à l’issue de la liquidation, afin de mettre en suspens le partage comme tel. Cette possibilité ne doit toutefois pas être expres- sément prévue par le texte légal, dès lors qu’elle découle de l’article 1221 du Code judiciaire. À l’issue de la période d’interruption, il pourra être procédé au partage effectif par le notaire-liquidateur, sans que les parties ne doivent obtenir une nouvelle décision à cet effet, le jugement initial ayant déjà ordonné le partage. Le second alinéa est, par ailleurs, également modifié pour viser l’hypothèse dans laquelle il n’existe pas d’indivi- sion entre toutes les parties appelées à la cause (soit qu’il n’existe aucune indivision, soit qu’il existe une indivision entre certaines parties, mais pas à l’égard de toutes les parties). En ce cas, la disposition prévoit – comme déjà libellé aux termes de la proposition de loi initiale – que les dispositions contenues dans les sections 2 et 3 (relatives à la liquida- tion-partage) s’appliquent également, même en l’absence d’indivision, lorsque la demande ne peut porter que sur la liquidation des droits. Comme le prévoyait déjà la proposition de loi initiale, l’article 1207, alinéa 2, proposé du Code judiciaire ne vise toutefois que les hypothèses dans lesquelles la demande ne peut porter que sur la liquidation (et non sur le partage) en vertu du titre 3 du livre 2 du Code civil (relatif aux relations patrimoniales des couples) et/ou du livre 4 du Code civil (relatif aux successions, donations et testaments). Ainsi, seules les liquidations (sans partage) de successions et/ou de régimes matrimoniaux étaient expressément visées par la proposition de loi initiale. Le présent amendement ajoute toutefois, sur la sugges- tion formulée par le Professeur Tainmont aux termes de son avis écrit, une troisième hypothèse, à savoir l’hypothèse de l’établissement de comptes entre (ex-) cohabitants légaux Dit wetsvoorstel wenst bijgevolg niet de huidige regels te wijzigen die van toepassing zijn indien er sprake is van een onverdeeldheid. Het huidige artikel 1207 van het Gerechtelijk Wetboek vereist in dat geval namelijk al dat er wordt over- gegaan tot de verdeling zonder de partijen toe te laten hun verzoek te beperken tot de enkele vereffening. De omstandigheid dat, indien er sprake is van een onver- deeldheid, het noodzakelijk de verdeling (de voorafgaande vereffening inbegrepen) is die zal moeten worden bevolen sluit echter niet de mogelijkheid uit dat alle partijen in onder- ling akkoord beslissen om de werkzaamheden na de veref- fening te onderbreken, om zo de verdeling te schorsen. Deze mogelijkheid moet echter niet uitdrukkelijk voorzien worden in de wettekst, aangezien dit voortvloeit uit artikel 1221 van het Gerechtelijk Wetboek. Na de periode van onderbreking, kan er worden overgegaan tot de eigenlijke verdeling door de notaris-vereffenaar, zonder dat de partijen hiertoe een nieuwe beslissing moeten bekomen, aangezien het initiële vonnis de verdeling reeds heeft bevolen. Het tweede lid wordt bovendien ook gewijzigd om te verwijzen naar de hypothese waarin er geen sprake is van onverdeeldheid tussen alle bij de zaak betrokken partijen (ofwel is er geen enkele onverdeeldheid, ofwel is er een on- verdeeldheid tussen bepaalde partijen, maar niet ten aanzien van alle partijen). In dat geval luidt de bepaling – zoals reeds in het oor- spronkelijke wetsvoorstel geformuleerd – dat de bepalingen uit de afdelingen 2 en 3 (met betrekking tot de vereffening- verdeling) ook van toepassing zijn, zelfs als er geen sprake is van onverdeeldheid, wanneer de vordering louter betrekking kan hebben op de vereffening van de rechten. Zoals reeds in het oorspronkelijke wetsvoorstel was be- paald, verwijst het voorgestelde artikel 1207, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek echter alleen naar gevallen waarin de vordering enkel betrekking kan hebben op de vereffening (en niet op de verdeling) op grond van titel 3 van boek 2 van het Burgerlijk Wetboek (met betrekking tot het relatievermo- gensrecht) en/of van boek 4 van het Burgerlijk Wetboek (met betrekking tot nalatenschappen, schenkingen en testamen- ten). Zo werden in het oorspronkelijke wetsvoorstel enkel de vereffeningen (zonder verdeling) van nalatenschappen en/of huwelijksvermogensstelsels uitdrukkelijk geviseerd. Dit amendement voegt evenwel een derde hypothese toe op voorstel van professor Tainmont zoals verwoord in haar schriftelijk advies, namelijk die van de opstelling van reke- ningen tussen (ex-)wettelijk samenwonenden tussen wie er 0272/002 DOC 56 14 K A M E R • 2e   Z I T T I N G VA N D E 56 e  Z I T T I N G S P E R I O D E 2024 2025 C H A M B R E 2e S E S S I O N D E L A 56 e  L É G I S L AT U R E entre lesquels il ne subsisterait plus d’indivision (l’hypothèse de l’indivision entre cohabitants légaux étant, quant à elle, régie par la disposition générale de l’article 1207, alinéa 1er, proposé, du Code judiciaire). En effet, s’il est vrai – comme mentionné aux termes du commentaire de l’article 10 de la présente proposition de loi – que les cohabitants légaux relèvent de la compé- tence du tribunal de la famille en vertu de l’article 572bis, 3°, du Code judiciaire, le libellé de l’article 1207, alinéa 2, du Code judiciaire tel qu’il était suggéré par la proposition de loi initiale excluait toutefois la possibilité de recourir aux dispositions relatives à la liquidation-partage judiciaire pour l’établissement de comptes entre (ex-) cohabitants légaux (qui, pourtant, requièrent également une liquidation sans partage), dès lors que la proposition initiale n’étendait l’application des articles 1207 et suivants du Code judicaire qu’aux hypothèses dans lesquelles la liquidation (seule) était requise en vertu soit des dispositions relatives aux régimes matrimoniaux (dont ne relèvent pas les cohabitants légaux) soit les dispositions relatives aux successions, donations et testaments. Pour remédier à cet hiatus, le nouveau libellé de l’ar- ticle 1207, alinéa 2, du Code judiciaire tel que suggéré par le présent amendement vise désormais expressément l’établis- sement de comptes entre cohabitants légaux. En revanche, l’établissement de comptes entre cohabitants de fait n’est pas inclus dans la présente proposition de loi, dès lors que les cohabitants de fait ne relèvent pas, en l’état actuel de la législation, de la compétence du tribunal de la famille. La question de l’élargissement de la compétence du tribunal de la famille aux cohabitants de fait mériterait assu- rément réflexion, laquelle dépasse toutefois le champ de la présente proposition. Il est précisé que le présent amendement et – plus généra- lement – le libellé de la disposition ne porte nullement atteinte au pouvoir d’appréciation du tribunal quant à la nécessité de procéder ou non à une véritable liquidation. Comme déjà mentionné aux termes du commentaire de l’article 10 de la présente proposition, “il convient d’entendre par “liquidation”, au sens de la présente proposition, l’ensemble des opérations (au sens large) permettant d’aboutir à la détermination en valeur, c’est-à-dire en numéraire, des droits de chacune des parties. La liquidation comporte ainsi essentiellement deux aspects: la détermination de la masse et la valorisation des geen onverdeeldheid meer zou bestaan (de hypothese van de onverdeeldheid tussen wettelijk samenwonenden wordt dan weer geregeld door de algemene bepaling van het voorge- stelde artikel 1207, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek). Het is inderdaad zo – zoals vermeld in de toelichting bij artikel 10 van het huidige wetsvoorstel – dat wettelijk samen- wonenden krachtens artikel 572bis, 3°, van het Gerechtelijk Wetboek onder de bevoegdheid vallen van de familierecht- bank. De formulering van artikel 1207, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek zoals voorgesteld in het oorspronkelijke wetsvoorstel sloot echter de mogelijkheid uit een beroep te doen op de bepalingen inzake gerechtelijke vereffening-ver- deling voor de opstelling van rekeningen tussen (ex-)wettelijk samenwonenden (die evenwel ook een vereffening zonder verdeling vereisen). Nochtans breidde het oorspronkelijke voorstel de toepassing van de artikelen 1207 en volgende van het Gerechtelijk Wetboek alleen uit tot gevallen waarin (louter) de vereffening vereist was krachtens hetzij de bepalin- gen inzake huwelijksvermogensstelsels (die geen betrekking hebben op wettelijk samenwonenden), hetzij de bepalingen inzake nalatenschappen, schenkingen en testamenten. Om dat hiaat op te vullen, verwijst de nieuwe formulering van artikel 1207, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek, zo- als voorgesteld door dit amendement, nu uitdrukkelijk naar het opstellen van rekeningen tussen wettelijk samenwonenden. De opstelling van rekeningen tussen feitelijk samenwo- nenden is daarentegen niet opgenomen in dit wetsvoorstel, aangezien feitelijk samenwonenden volgens de huidige wetgeving niet onder de bevoegdheid vallen van de familie- rechtbank. De kwestie van de uitbreiding van de bevoegdheid van de familierechtbank tot feitelijk samenwonenden verdient zeker overweging, maar valt evenwel buiten het bestek van dit voorstel. Er wordt gepreciseerd dat dit amendement en – meer in het algemeen – de bewoording van de bepaling op geen enkele wijze afbreuk doet aan de appreciatiebevoegdheid van de rechtbank inzake de noodzaak om al dan niet tot een daadwerkelijke vereffening over te gaan. Zoals reeds vermeld in de bewoording van de toelichting bij artikel 10 van huidig voorstel: “onder “vereffening”, in de zin van huidig voorstel, moet worden verstaan: het geheel aan verrichtingen (in de ruime zin) die toelaten om de rechten van elk van de partijen in waarde, zijnde cijfermatig, te bepalen. De vereffening bestaat dus hoofdzakelijk uit twee aspecten: de vaststelling 15 0272/002 DOC 56 K A M E R • 2e   Z I T T I N G VA N D E 56 e  Z I T T I N G S P E R I O D E 2024 2025 C H A M B R E 2e S E S S I O N D E L A 56 e  L É G I S L AT U R E droits des parties, qui consiste à chiffrer les droits de chacun” (DOC 56 0272/001, p. 14). Philippe Goffin (MR) Pierre Jadoul (MR) van de massa en de waardering van de rechten van de par- tijen, die bestaat in het becijferen van de rechten van elkeen” (DOC 56 0272/001, blz. 14). 0272/002 DOC 56 16 K A M E R • 2e   Z I T T I N G VA N D E 56 e  Z I T T I N G S P E R I O D E 2024 2025 C H A M B R E 2e S E S S I O N D E L A 56 e  L É G I S L AT U R E  N° 5 de MM. Goffin et Jadoul Art. 13 Insérer un 2°/1, rédigé comme suit: “2°/1. dans le § 2, dernier alinéa, les modifications suivantes sont apportées: a) les mots “l’inventaire par” sont abrogés; b) les mots “complété à raison d’éléments nouveaux” sont remplacés par les mots “actualisé ou complété”; c) l’alinéa est complété, in fine, par la phrase suivante: “Ledit procès-verbal tient lieu d’inventaire au sens de la présente section.” JUSTIFICATION Le présent amendement apporte quelques précisions quant à la pratique de l’établissement d’un inventaire par récolement. D’une part, les première et troisième adaptations apportées par le présent amendement entendent mettre en lumière le fait que le procès-verbal de récolement tient lieu d’inventaire, conformément à l’enseignement de J.-F. van Drooghenbroeck et C. De Boe, qui écrivent que “lorsque la consistance du patrimoine est détaillée dans un inventaire régulier dont la date n’est pas éloignée, il n’y a pas lieu de rédiger un nouvel inventaire: il suffit de dresser un procès-verbal de récolement” (J.-F. van Drooghenbroeck et C. De Boe, “L’inventaire”, in Rép. not., tome XIII, Livre I2, Bruxelles, Larcier, p. 136, n° 108). D’autre part, la disposition est adaptée suite à une obser- vation formulée par la Conférence des premiers présidents, aux termes de son avis écrit déposé auprès de la Commission de la Justice de la Chambre des représentants, à propos du dernier alinéa ajouté à l’article 1214, § 2, du Code judiciaire par la présente proposition.  Nr. 5 van de heren Goffin en Jadoul Art. 13 Een bepaling onder 2°/1 invoegen, luidende: “2°/1. in § 2, laatste lid, worden de volgende wijzi- gingen aangebracht: a) de woorden “de boedelbeschrijving door” worden opgeheven; b) de woorden “geactualiseerd of aangevuld omwille van nieuwe elementen” worden vervangen door de woorden “geactualiseerd of aangevuld”; c) het lid wordt, in fine, aangevuld met de volgende zin: “Dit proces-verbaal dient als boedelbeschrijving in de zin van deze afdeling.” VERANTWOORDING Dit amendement brengt enkele preciseringen aan met betrekking tot de praktijk van het opstellen van een boedel- beschrijving bij vergelijking. Enerzijds beogen de eerste en derde aanpassing aan- gebracht door dit amendement te benadrukken dat het proces-verbaal bij vergelijking dient als boedelbeschrijving, overeenkomstig de leer van J.-F. van Drooghenbroeck et C. De Boe, die schrijven dat: “wanneer de samenstelling van het vermogen wordt beschreven in een regelmatige boedel- beschrijving waarvan de datum niet veraf is, moet er geen nieuwe boedelbeschrijving worden opgesteld: het volstaat om een proces-verbaal van vergelijking op te stellen (vrije verta- ling)” (J.-F. van Drooghenbroeck en C. De Boe, “L’inventaire”, in Rép. not., tome XIII, Livre I2, Brussel, Larcier, p. 136, n° 108). Anderzijds, wordt de bepaling aangepast aan een op- merking van de Conferentie van eerste voorzitters, in haar schriftelijk advies ingediend bij de Commissie Justitie van de Kamer van volksvertegenwoordigers, over het laatste lid dat door dit voorstel wordt toegevoegd aan artikel 1214, § 2, van het Gerechtelijk Wetboek. 17 0272/002 DOC 56 K A M E R • 2e   Z I T T I N G VA N D E 56 e  Z I T T I N G S P E R I O D E 2024 2025 C H A M B R E 2e S E S S I O N D E L A 56 e  L É G I S L AT U R E En effet, la disposition telle qu’insérée par la proposition de loi initiale prévoit que lorsqu’un inventaire a été établi en application des dispositions générales du Code judiciaire rela- tives à l’inventaire, l’inventaire à dresser (ultérieurement) dans le cadre particulier de la procédure de liquidation-partage judiciaire est établi par l’établissement d’un procès-verbal de récolement dudit inventaire, “le cas échéant complété à raison d’éléments nouveaux.”. La Conférence des premiers présidents s’interroge, à cet égard, sur la notion d’“éléments nouveaux”, estimant que celle-ci pourrait donner lieu à interprétation. L’objectif principal de la disposition est d’aboutir, via l’éta- blissement d’un procès-verbal de récolement de l’inventaire précédemment dressé en vertu de articles 1175 et suivants du Code judiciaire, à l’établissement d’un inventaire complet et actuel dans le cadre de la procédure de liquidation-partage judiciaire. Dans cette perspective, il convient que tout élément qui n’aurait pas été inclus dans le premier inventaire (qu’il s’agisse – ou pas – d’un élément nouveau et/ou inconnu de l’une des parties ou de l’ensemble des parties) puisse être ajouté à l’occasion du procès-verbal de récolement, afin d’obtenir un inventaire complet et fidèle. Dès lors, le présent amendement suggère d’abandonner le critère d’élément “nouveau”, pour prévoir simplement que le procès-verbal de récolement peut, le cas échéant, actua- liser ou compléter l’inventaire initial, en telle sorte que tout élément qui aurait été omis du premier inventaire puisse être inclus dans l’inventaire établi par le procédé du récolement, sans exigence que les éléments ainsi ajoutés soient néces- sairement nouveaux. Il est précisé que l’ajout, aux termes du procès-verbal de récolement, d’éléments complémentaires qui ne figuraient pas dans l’inventaire initial a lieu sans préjudice de l’appli- cation, le cas échéant, des sanctions imputables au recel et/ ou au faux serment qui pourrait avoir été consommé lors de l’établissement de l’inventaire initial. Par ailleurs, dans un souci de précision, la disposition est également adaptée pour envisager l’hypothèse – décrite aux termes du commentaire de la disposition mais qui n’était De bepaling zoals ingevoegd door het oorspronkelijke wets- voorstel luidt immers dat, wanneer een boedelbeschrijving is opgesteld in toepassing van de algemene bepalingen van het Gerechtelijk Wetboek met betrekking tot de boedelbeschrij- ving, de boedelbeschrijving die (later) moet worden opgesteld in het specifieke kader van de procedure van gerechtelijke vereffening-verdeling, wordt opgesteld door middel van een proces-verbaal van vergelijking van de vermelde boedelbe- schrijving, “in voorkomend geval geactualiseerd of aangevuld omwille van nieuwe elementen.”. In dat verband plaatst de Conferentie van eerste voorzitters vraagtekens bij het begrip “nieuwe elementen”, aangezien dit voor interpretatie vatbaar zou kunnen zijn. Het belangrijkste doel van deze bepaling is ervoor te zorgen dat er een volledige en actuele boedelbeschrijving opge- steld wordt in het kader van de procedure van gerechtelijke verdeling-verdeling, door een proces-verbaal van vergelijking op te stellen van de voordien opgestelde boedelbeschrijving krachtens de artikelen 1175 en volgende van het Gerechtelijk Wetboek. In dat opzicht moet elk element dat niet was opgenomen in de eerste boedelbeschrijving (ongeacht of het een nieuw en/ of onbekend element betreft voor een of alle partijen) worden toegevoegd aan het proces-verbaal van vergelijking, om een volledige en getrouwe boedelbeschrijving te krijgen. Bijgevolg wordt in dit amendement voorgesteld het cri- terium van een “nieuw” element te vervangen door louter te voorzien dat het proces-verbaal van vergelijking, in voor- komend geval, de oorspronkelijke boedelbeschrijving kan actualiseren of aanvullen, zodanig dat elk element dat in de eerste boedelbeschrijving zou zijn weggelaten, kan worden opgenomen in de boedelbeschrijving zoals opgesteld middels het vergelijkingsprocedé, zonder de vereiste dat de aldus toe- gevoegde elementen noodzakelijkerwijs nieuw moeten zijn. Er word gepreciseerd dat de toevoeging, in het proces- verbaal van vergelijking, van aanvullende elementen die niet voorkwamen in de oorspronkelijke boedelbeschrijving plaatsvindt zonder, in voorkomend geval, afbreuk te doen aan de sancties te wijten aan heling en/of meineed die gebruikt zouden kunnen worden bij de opmaak van de oorspronkelijke boedelbeschrijving. Bovendien wordt de bepaling ter verduidelijking ook aan- gepast om de situatie te omvatten – zoals beschreven in de toelichting van de bepaling, maar die niet uitdrukkelijk was 0272/002 DOC 56 18 K A M E R • 2e   Z I T T I N G VA N D E 56 e  Z I T T I N G S P E R I O D E 2024 2025 C H A M B R E 2e S E S S I O N D E L A 56 e  L É G I S L AT U R E pas explicitement reprise dans la version française du texte proposé lui-même – dans laquelle seule une actualisation de la valorisation des éléments compris dans l’inventaire serait requise, sans ajouts d’éléments complémentaires comme tels. Philippe Goffin (MR) Pierre Jadoul (MR) opgenomen in de Franstalige versie van de voorgestelde tekst zelf – waarin enkel een actualisering van de waardering van de in de boedelbeschrijving opgenomen elementen vereist zou zijn, zonder toevoeging van aanvullende elementen als dusdanig. 19 0272/002 DOC 56 K A M E R • 2e   Z I T T I N G VA N D E 56 e  Z I T T I N G S P E R I O D E 2024 2025 C H A M B R E 2e S E S S I O N D E L A 56 e  L É G I S L AT U R E  N° 6 de MM. Goffin et Jadoul Art. 18 Compléter cet article par un 4°, rédigé comme suit: “4° les mots “, des personnes internées par appli- cation de la loi sur la défense sociale” sont abrogés.” JUSTIFICATION La suppression de la référence à la notion de “personnes internées par application de la loi sur la défense sociale” à l’article 1225 du Code judiciaire proposée par le présent amendement fait écho à une modification analogue opérée à l’article 1187 du Code par la loi du 19 décembre 2023 portant dispositions diverses en matière civile et judiciaire. En effet, la loi précitée, a supprimé la référence aux per- sonnes internées qui figurait précédemment à l’article 1187 du Code judiciaire, suite à une observation formulée par le Conseil d’État. Cette suppression a été justifiée comme suit, dans les travaux préparatoires de la loi du 19 décembre 2023: “Suite à l’avis du Conseil d’État, la référence aux personnes internées par application de la loi sur la défense sociale est supprimée. En effet, la loi de défense sociale du 9 avril 1930 a été abrogée par la loi du 5 mai 2014 relative à l’internement. Par ailleurs, l’incapacité de la personne internée ne découle pas de l’inter- nement comme tel, mais de la décision de placer l’interné sous protection judiciaire, prise sur la base de l’article 1238, § 2, 2° du Code judiciaire. La référence aux “personnes pro- tégées” qui figure déjà dans l’article 1187 du Code judiciaire est donc suffisante pour couvrir adéquatement les personnes internées, sans qu’une référence spécifique à ces dernières apparaisse pertinente.” (projet de loi portant dispositions di- verses en matière civile et judiciaire, DOC 55 3552/001, p. 65). Cette justification est, par identité de motifs, applicable à la suppression de la référence à la notion de “personnes internées par application de la loi sur la défense sociale” à  Nr. 6 van de heren Goffin en Jadoul Art. 18 Dit artikel aanvullen met een bepaling onder 4°, luidende: “4° de woorden “, van personen die geïnterneerd zijn ingevolge de wet op de bescherming van de maat- schappij” worden opgeheven.” VERANTWOORDING De door dit amendement voorgestelde opheffing van de verwijzing naar de notie van “personen die geïnterneerd zijn ingevolge de wet op de bescherming van de maatschappij” in artikel 1225 van het Gerechtelijk Wetboek, vloeit voort uit een analoge wijziging doorgevoerd aan artikel 1187 van het Wetboek door de wet van 19 december 2023 houdende di- verse bepalingen in burgerlijke en gerechtelijke zaken. Voormelde wet heeft de verwijzing naar de geïnterneerde personen die voordien voorkwam in artikel  1187 van het Gerechtelijk Wetboek immers opgeheven, ingevolge een door de Raad van State geformuleerde opmerking. Deze opheffing werd als volgt gerechtvaardigd in de voorbe- reidende werkzaamheden bij de wet van 19 december 2023: “Ingevolge advies van de Raad van State wordt de verwijzing naar de personen die geïnterneerd zijn ingevolge de wet op de bescherming van de maatschappij, geschrapt. De wet van 9 april 1930 tot bescherming van de maatschappij werd namelijk opgeheven bij de wet van 5 mei 2014 betreffende de internering. Overigens vloeit de onbekwaamheid van de geïnterneerde persoon niet voort uit de internering als dus- danig, maar uit de beslissing tot plaatsing onder rechterlijke bescherming van de geïnterneerde, die wordt genomen op grond van artikel 1238, § 2, 2°, van het Gerechtelijk Wetboek. De verwijzing naar “beschermde personen” die reeds in arti- kel 1187 van het Gerechtelijk Wetboek voorkomt, volstaat dus om op adequate wijze van toepassing te zijn op geïnterneerde personen, waarbij een specifieke verwijzing naar die laatsten niet relevant lijkt.” (wetsontwerp houdende diverse bepalin- gen in burgerlijke en gerechtelijke zaken, DOC 55 3552/001, blz. 65). Deze rechtvaardiging is, omwille van dezelfde redenen, van toepassing op de opheffing van de verwijzing naar de notie van “personen die geïnterneerd zijn ingevolge de wet op de 0272/002 DOC 56 20 K A M E R • 2e   Z I T T I N G VA N D E 56 e  Z I T T I N G S P E R I O D E 2024 2025 C H A M B R E 2e S E S S I O N D E L A 56 e  L É G I S L AT U R E l’article 1225 du Code judiciaire, dès lors notamment que la disposition fait référence aux “personnes protégées décla- rées incapables, en vertu de l’article 492/1 de l’ancien Code civil, d’aliéner des biens”: cette référence est suffisante pour couvrir adéquatement les personnes internées, sans qu’une référence spécifique à ces dernières apparaisse pertinente. Philppe Goffin (MR) Pierre Jadoul (MR) bescherming van de maatschappij” in artikel 1225 van het Gerechtelijk Wetboek, aangezien de bepaling met name ver- wijst naar “beschermde personen die krachtens artikel 492/1 van het Burgerlijk Wetboek onbekwaam werden verklaard om goederen te vervreemden”: deze verwijzing volstaat om op adequate wijze van toepassing te zijn op geïnterneerde personen, waarbij een specifieke verwijzing naar die laatsten niet relevant lijkt. Centrale drukkerij - Imprimerie centrale

Vragen over dit document?

Stel uw vragen aan onze juridische AI-assistent

Open chatbot