Inhoud
14 februari 2025
14 février 2025
0272/003
DOC 56
0272/003
DOC 56
01057
K A M E R • 2e Z I T T I N G VA N D E 56 e Z I T T I N G S P E R I O D E
2024
2025
C H A M B R E 2e S E S S I O N D E L A 56 e L É G I S L AT U R E
Chambre des représentants
de Belgique
Belgische Kamer van
volksvertegenwoordigers
tot wijziging van de artikelen 572bis en
1184 van het Gerechtelijk Wetboek,
van het hoofdstuk VI, van boek IV,
van het vierde deel van hetzelfde Wetboek,
met betrekking tot de verdelingen en
veilingen, evenals van artikel 4.101
van het Burgerlijk Wetboek
WETSVOORSTEL
modifiant les articles 572bis et
1184 du Code judiciaire,
le chapitre VI, du livre IV,
de la quatrième partie du même Code,
relatif aux partages et
licitations, ainsi que l’article 4.101
du Code civil
PROPOSITION DE LOI
Voir:
Doc 56 0272/ (S.E. 2024):
001:
Proposition de loi de M. Goffin et consorts.
002:
Amendements.
Zie:
Doc 56 0272/ (B.Z. 2024):
001:
Wetsvoorstel van de heer Goffin c.s.
002:
Amendementen.
Advies van de Raad van State
Nr. 77.378/2 van 6 februari 2025
Avis du Conseil d’État
No 77.378/2 du 6 février 2025
0272/003
DOC 56
2
K A M E R • 2e Z I T T I N G VA N D E 56 e Z I T T I N G S P E R I O D E
2024
2025
C H A M B R E 2e S E S S I O N D E L A 56 e L É G I S L AT U R E
N-VA
:
Nieuw-Vlaamse Alliantie
VB
:
Vlaams Belang
MR
:
Mouvement Réformateur
PS
:
Parti Socialiste
PVDA-PTB
:
Partij van de Arbeid van België – Parti du Travail de Belgique
Les Engagés
:
Les Engagés
Vooruit
:
Vooruit
cd&v
:
Christen-Democratisch en Vlaams
Ecolo-Groen
:
Ecologistes Confédérés pour l’organisation de luttes originales – Groen
Open Vld
:
Open Vlaamse liberalen en democraten
DéFI
:
Démocrate Fédéraliste Indépendant
Afkorting bij de nummering van de publicaties:
Abréviations dans la numérotation des publications:
DOC 56 0000/000 Parlementair document van de 56e zittingsperiode +
basisnummer en volgnummer
DOC 56 0000/000 Document de la 56e législature, suivi du numéro de
base et numéro de suivi
QRVA
Schriftelijke Vragen en Antwoorden
QRVA
Questions et Réponses écrites
CRIV
Voorlopige versie van het Integraal Verslag
CRIV
Version provisoire du Compte Rendu Intégral
CRABV
Beknopt Verslag
CRABV
Compte Rendu Analytique
CRIV
Integraal Verslag, met links het definitieve integraal
verslag en rechts het vertaalde beknopt verslag van de
toespraken (met de bijlagen)
CRIV
Compte Rendu Intégral, avec, à gauche, le compte
rendu intégral et, à droite, le compte rendu analytique
traduit des interventions (avec les annexes)
PLEN
Plenum
PLEN
Séance plénière
COM
Commissievergadering
COM
Réunion de commission
MOT
Moties tot besluit van interpellaties (beigekleurig papier)
MOT
Motions déposées en conclusion d’interpellations
(papier beige)
3
0272/003
DOC 56
K A M E R • 2e Z I T T I N G VA N D E 56 e Z I T T I N G S P E R I O D E
2024
2025
C H A M B R E 2e S E S S I O N D E L A 56 e L É G I S L AT U R E
Le 8 janvier 2025, le Conseil d’État, section de législa-
tion, a été invité par le Président de la Chambre des repré-
sentants à communiquer un avis dans un délai de trente
jours sur une proposition de loi ‘modifiant les articles 572bis
et 1184 du Code judiciaire, le chapitre VI, du livre IV, de la
quatrième partie du même Code, relatif aux partages et lici-
tations, ainsi que l’article 4.101 du Code civil’, déposée par
M. Philippe Goffin et consorts (Doc. parl., Chambre, 2024,
n° 56-0272/001) et sur les amendements nos 1 à 6 déposés
par MM. Philippe Goffin et Pierre Jadoul (Doc. parl., Chambre,
2024-2025, n° 56-0272/002).
La proposition a été examinée par la deuxième
chambre le 3 février 2025. La chambre était composée de
Patrick Ronvaux, président de chambre, Christine Horevoets et
Laurence Vancrayebeck, conseillers d’État, Christian Behrendt
et Jacques Englebert, assesseurs, et Béatrice Drapier, greffier.
Le rapport a été présenté par Pauline Lagasse, auditrice,
et Timo Tallgren, auditeur adjoint.
La concordance entre la version française et la version
néerlandaise de l’avis a été vérifiée sous le contrôle de
Patrick Ronvaux.
L’avis, dont le texte suit, a été donné le 6 février 2025.
*
Comme la demande d’avis est introduite sur la base de
l’article 84, § 1er, alinéa 1er, 2°, des lois ‘sur le Conseil d’État’,
coordonnées le 12 janvier 1973, la section de législation limite
essentiellement son examen à la compétence de l’auteur de
l’acte, au fondement juridique‡ ainsi qu’à l’accomplissement
des formalités prescrites, conformément à l’article 84, § 3,
des lois coordonnées.
Observation générale
La proposition de loi à l’examen entend notamment mettre
fin à une insécurité juridique née de controverses doctrinales
sur la possibilité pour le(s) héritier(s) réservataire(s) exhérédé(s)
du fait du legs universel – opéré par le de cujus – d’introduire
une action judiciaire en liquidation‑partage telle que visée aux
articles 1207 et suivants du Code judiciaire.
Les auteurs de la proposition exposent plus précisément
qu’il existe une divergence doctrinale sur le statut des bénéfi-
ciaires de l’indemnité de réduction visée aux articles 4.150 et
4.156 du Code civil (héritiers réservataires exhérédés), dans
l’hypothèse d’un legs universel du de cujus à un autre héritier.
Op 8 januari 2025 is de Raad van State, afdeling Wetgeving,
door de voorzitter van de Kamer van volksvertegenwoordigers
verzocht binnen een termijn van dertig dagen een advies te
verstrekken over een wetsvoorstel ‘tot wijziging van de arti-
kelen 572bis en 1184 van het Gerechtelijk Wetboek, van het
hoofdstuk VI, van boek IV, van het vierde deel van hetzelfde
Wetboek, met betrekking tot de verdelingen en veilingen,
evenals van artikel 4.101 van het Burgerlijk Wetboek’, in-
gediend door de heer Philippe Goffin c.s. (Parl.St., Kamer,
2024, nr. 55‑0272/002) en over de amendementen nrs 1 tot
6, ingediend door de heren Philippe Goffin en Pierre Jadoul
(Parl.St., Kamer, 2024-2025, nr. 55-0272/002).
Het voorstel is door de tweede kamer onderzocht op 3 fe-
bruari 2025. De kamer was samengesteld uit Patrick Ronvaux,
kamervoorzitter, Christine Horevoets en Laurence Vancrayebeck,
staatsraden, Christian Behrendt en Jacques Englebert, as-
sessoren, en Béatrice Drapier, griffier.
Het verslag is uitgebracht door Pauline Lagasse, auditeur,
en Timo Tallgren, adjunct‑auditeur.
De overeenstemming tussen de Franse en de Nederlandse
tekst van het advies is nagezien onder toezicht van
Patrick Ronvaux.
Het advies, waarvan de tekst hierna volgt, is gegeven op
6 februari 2025.
*
Aangezien de adviesaanvraag ingediend is op basis van
artikel 84, § 1, eerste lid, 2°, van de wetten ‘op de Raad van
State’, gecoördineerd op 12 januari 1973, beperkt de afdeling
Wetgeving zich, overeenkomstig artikel 84, § 3, van de ge-
coördineerde wetten, voornamelijk tot het onderzoek van de
bevoegdheid van de steller van de handeling, de rechtsgrond‡
en de vraag of de voorgeschreven vormvereisten zijn vervuld.
Algemene opmerking
Het voorliggende wetsvoorstel wil onder meer een einde
maken aan een rechtsonzekerheid die is ontstaan door dispu-
ten in de rechtsleer over de vraag of een of meer reservataire
erfgenamen die op grond van het algemeen legaat – van de
erflater – onterfd zijn, de mogelijkheid hebben een rechtsvor-
dering tot vereffening-verdeling in te stellen zoals bedoeld in
de artikelen 1207 en volgende van het Gerechtelijk Wetboek.
De indieners van het voorstel merken meer bepaald op dat
de meningen in de rechtsleer verdeeld zijn over de rechtspositie
van de begunstigden van de inkortingsvergoeding, bedoeld in
de artikelen 4.150 en 4.156 van het Burgerlijk Wetboek (onterfde
reservataire erfgenamen), in het geval waarin de erflater een
algemeen legaat nalaat aan een andere erfgenaam.
‡
S’agissant d’amendements à un projet de loi, on entend par
“fondement juridique” la conformité aux normes supérieures.
‡
Aangezien het om amendementen op een wetsontwerp gaat,
wordt onder “rechtsgrond” de overeenstemming met de hogere
rechtsnormen verstaan.
0272/003
DOC 56
4
K A M E R • 2e Z I T T I N G VA N D E 56 e Z I T T I N G S P E R I O D E
2024
2025
C H A M B R E 2e S E S S I O N D E L A 56 e L É G I S L AT U R E
Comme l’exposent les développements de la proposition,
certains auteurs de doctrine1 les assimilent à de “simples
créanciers (chirographaires)” et non plus à des “héritiers” à
part entière, certes limités au paiement de leur réserve en
valeur. Un autre pan de la doctrine2 soutient que le législateur,
à l’occasion de l’adoption de la loi du 31 juillet 2017 ‘modi-
fiant le Code civil en ce qui concerne les successions et les
libéralités et modifiant diverses autres dispositions en cette
matière’, n’a pas eu pour intention de modifier la qualification
et le statut juridique des bénéficiaires de la réserve (payable
en valeur) ni la nature juridique de celle‑ci mais uniquement
les modalités affectant l’octroi de ladite réserve.
Dans ce cadre, les auteurs de la proposition de loi énoncent:
“[s]’il n’appartient pas aux auteurs de la présente proposition
de se prononcer sur le bien‑fondé des thèses en présence
de lege lata, le seul constat de l’existence d’une controverse
quant à la possibilité de mettre en œuvre la procédure de
liquidation partage judiciaire dans les hypothèses envisagées
ici justifiera assurément une intervention législative afin de
mettre fin aux hésitations actuelles et de restaurer la sécurité
juridique.
Dans ce contexte, la présente proposition de loi a pour
objet de mettre fin à l’incertitude actuelle, en adaptant ponc-
tuellement les dispositions relatives au partage judiciaire [et
au partage amiable] contenues dans le Code judiciaire, afin
de rendre celles‑ci également applicables lorsque, à défaut
d’indivision entre les parties, un partage n’est pas requis mais
qu’une liquidation s’impose néanmoins au vu de la fixation
des droits de celle‑ci”.
Il s’agit donc de prévoir expressément la possibilité, dans
le cadre de la mise en œuvre des articles 1207 et suivants
du Code judiciaire, d’une liquidation des droits sans, le cas
échéant, partage subséquent, à défaut – selon les auteurs de
la proposition – d’existence d’une indivision entre les parties
dans cette hypothèse.
Comme il ressort des développements reproduits ci‑avant,
la proposition n’entend pas trancher les thèses doctrinales
en présence mais se donne pour objet de garantir la sécurité
1
G. Hollanders de Ouderaen et J. Fillenbaum, “La réserve en valeur:
aperçu de quelques impacts civils (passés inaperçus)”, Rev. not.,
2021, pp. 1026‑1034; V. Wyart, “La réduction en valeur et les
droits du conjoint survivant”, in Le couple et le droit patrimonial
de la famille, sous la coord. de V. Wyart, Bruxelles, Larcier,
2022, pp. 99 et s.; F. Lalière, “Le légataire face à l’acquisition
de la propriété, à la délivrance, à la réserve en valeur et à l’acte
d’hérédité”, in Le “nouveau” testament. Le testament sous ses
nouvelles facettes, ALN, Bruxelles, Larcier, 2022, pp. 203 et s.
2
F. Tainmont, “Quelques incidences pratiques de la réforme du droit
des successions”, in Tapas de droit notarial 2022, sous la dir.
de F. Tainmont et J.‑L. Van Boxstael, coll. Patrimoine et notariat,
Bruxelles, Larcier, 2022, pp. 7 et s.; J.‑L. Renchon, “Actualités en
droit des successions. À propos de certains effets problématiques
de la réforme de notre droit des successions”, in États généraux
du droit de la famille IV, Bruxelles‑Limal, Larcier‑Anthémis, 2022,
pp. 83 et s.
Zoals in de toelichting van het voorstel uiteengezet wordt,
stellen sommige auteurs uit de rechtsleer1 die begunstigden
gelijk met “gewone (of chirografaire) schuldeisers” en niet meer
met volwaardige “erfgenamen”, zij het dat niet meer dan hun
reserve in waarde wordt betaald. Een ander standpunt binnen
de rechtsleer2 luidt dat de wetgever, bij het aannemen van de
wet van 31 juli 2017 ‘tot wijziging van het Burgerlijk Wetboek
wat de erfenissen en de giften betreft en tot wijziging van
diverse andere bepalingen ter zake’, niet de bedoeling had
de hoedanigheid en de rechtspositie van de begunstigden
van de (in waarde betaalbare) reserve te wijzigen, noch de
juridische aard van die reserve, maar enkel de nadere regels
die een weerslag hebben op de toekenning ervan.
In dat verband stellen de indieners van het wetsvoorstel
het volgende:
“Hoewel het niet toekomt aan de auteurs van dit voorstel
om zich uit te spreken over de gegrondheid van de bestaande
stellingen de lege lata, rechtvaardigt de loutere vaststelling van
het bestaan van een controverse met betrekking tot de mogelijk-
heid om de procedure van gerechtelijke vereffening-verdeling
aan te wenden in de hier beoogde gevallen ongetwijfeld een
wetgevend optreden, om een einde te stellen aan de huidige
twijfel en de rechtszekerheid te herstellen.
In dit kader, beoogt dit wetsvoorstel om een einde te stel-
len aan de huidige onzekerheid door de bepalingen met
betrekking tot de gerechtelijke verdeling [en de minnelijke
verdeling] opgenomen in het Gerechtelijk Wetboek punctueel
aan te passen, zodat deze ook van toepassing zijn wanneer
er, bij gebrek aan onverdeeldheid tussen de partijen, geen
verdeling vereist is, maar een vereffening zich toch opdringt
met het oog op het bepalen van de rechten van de partijen.”
Bedoeling is dus dat in het kader van de tenuitvoerleg-
ging van de artikelen 1207 en volgende van het Gerechtelijk
Wetboek uitdrukkelijk wordt voorzien in de mogelijkheid van
een vereffening van de rechten zonder dat in voorkomend
geval een daaropvolgende verdeling plaatsvindt, aangezien
er – volgens de indieners van het voorstel – in dat geval geen
onverdeeldheid bestaat tussen de partijen.
Zoals uit de hierboven geciteerde toelichting blijkt, wil het
voorstel geen standpunt innemen over de stellingen die in de
rechtsleer tegenover elkaar staan, maar wil het rechtszekerheid
1
Hollanders de Ouderaen G. en Fillenbaum J., ‘La réserve en
valeur: aperçu de quelques impacts civils (passés inaperçus)’,
Rev.not. 2021, 1026‑1034; Wyart V., ‘La réduction en valeur et
les droits du conjoint survivant’ in Wyart V. (ed.), Le couple et le
droit patrimonial de la famille, Larcier, 2022, 99 e.v.; Lalière F., ‘Le
légataire face à l’acquisition de la propriété, à la délivrance, à la
réserve en valeur et à l’acte d’hérédité’ in Le “nouveau” testament.
Le testament sous ses nouvelles facettes, ALN, Larcier, 2022,
203 e.v.
2
Tainmont F., ‘Quelques incidences pratiques de la réforme du
droit des successions’ in Tainmont F. en Van Boxstael J.L. (eds.),
Tapas de droit notarial 2022, coll. Patrimoine et notariat, Larcier,
2022, 7 e.v.; Renchon J.L., ‘Actualités en droit des successions. À
propos de certains effets problématiques de la réforme de notre
droit des successions’ in États généraux du droit de la famille
IV, Larcier‑Anthémis, 2022, 83 e.v.
5
0272/003
DOC 56
K A M E R • 2e Z I T T I N G VA N D E 56 e Z I T T I N G S P E R I O D E
2024
2025
C H A M B R E 2e S E S S I O N D E L A 56 e L É G I S L AT U R E
juridique en consacrant les effets liés à l’absence d’indivision
alléguée et, conséquemment, à l’impossibilité qui en décou-
lerait de mettre en œuvre la procédure de liquidation‑partage
visée aux articles 1207 et suivants du Code judiciaire, compte
tenu de ce que les héritiers réservataires exhérédés seraient
considérés comme de simples créanciers chirographaires en
présence d’un legs universel. L’intervention du législateur
n’aurait certes pas été nécessaire s’il avait été considéré que
le principe du paiement de la réserve en valeur devait être
analysé comme une simple modalité d’un partage des biens
successoraux avec cette conséquence que la procédure de
liquidation‑partage trouverait à s’appliquer mais telle ne paraît
cependant pas être la prémisse retenue par les auteurs de
la proposition.
Il reste que, selon la doctrine précitée, d’autres effets juri-
diques sont directement liés à l’interprétation du statut des
“héritiers” réservataires exhérédés dans l’hypothèse étudiée
– selon qu’ils sont considérés comme de simples créanciers
chirographaires ou comme des héritiers à part entière, ayant ou
non le statut d’indivisaire (et donc de copartageant). Certains
auteurs considèrent, en effet, que l’absence d’indivision entre
l’héritier désigné en tant que légataire universel et l’héritier
réservataire exhérédé aurait pour conséquences, notamment3:
– l’extinction instantanée de la saisine des héritiers réser-
vataires exhérédés par l’acceptation de son legs par le léga-
taire (article 4.194 du Code civil);
– l’absence de mention des héritiers réservataires exhéré-
dés dans l’acte d’hérédité dressé par le notaire (article 4.59,
§ 2, du Code civil);
– l’absence de sollicitation des notifications sociales et fis-
cales pour les héritiers réservataires exhérédés (articles 4.98
à 4.100 du Code civil);
– que le légataire universel serait seul tenu aux charges et
dettes de la succession (articles 4.98 à 4.100 du Code civil);
– l’absence de faculté de mettre en œuvre le mécanisme
de rapport de dettes (articles 4.94 et suivants du Code civil);
– l’inapplicabilité de l’opposition à partage telle que régle-
mentée à l’article 4.101 du Code civil.
Par cohérence et afin de garantir la sécurité juridique de
manière globale, il y aurait lieu de régler les autres questions
qui découlent du constat d’une absence de partage à effectuer
à l’égard de l’héritier réservataire exhérédé et de la mise en
place de la procédure “de simple liquidation” faisant l’objet
de la présente proposition.
3
J.‑L. Renchon, op. cit., pp. 102‑103; F. Tainmont, op. cit., spéc.
pp. 15, 17 et 23; G. Hollanders de Ouderaen et J. Fillenbaum,
op. cit., pp. 1027 et s.
bieden door te regelen welke gevolgen verbonden zijn aan
de vermeende ontstentenis van een onverdeeldheid en dus
aan de daaruit voortvloeiende onmogelijkheid de procedure
van vereffening-verdeling, bedoeld in de artikelen 1207 en
volgende van het Gerechtelijk Wetboek, toe te passen, gelet
op het feit dat de onterfde reservataire erfgenamen zouden
worden beschouwd als gewone chirografaire schuldeisers
ten aanzien van een algemeen legaat. De wetgever had wel-
iswaar niet hoeven op te treden indien was geoordeeld dat
het beginsel van betaling van de reserve in waarde moest
worden beschouwd als een gewone regel voor de verdeling
van erfgoederen, zodat de procedure van vereffening-verdeling
van toepassing zou zijn. Dat lijkt echter niet het uitgangspunt
van de indieners van het voorstel te zijn.
Dat neemt niet weg dat, volgens de hierboven aangehaalde
rechtsleer, de interpretatie van de rechtspositie van de ont-
erfde reservataire “erfgenamen” in het voorliggende geval
rechtstreeks andere rechtsgevolgen meebrengt, naargelang
de laatstgenoemden worden beschouwd als gewone chirogra-
faire schuldeisers dan wel als volwaardige erfgenamen, die
al dan niet de rechtspositie van mede-eigenaar (en dus van
deelgenoot) hebben. Sommige auteurs menen namelijk dat de
ontstentenis van een onverdeeldheid tussen de als algemene
legataris aangeduide erfgenaam en de onterfde reservataire
erfgenaam onder meer het volgende tot gevolg zou hebben:3
– de saisine van de onterfde reservataire erfgenamen
vervalt onmiddellijk zodra de legataris zijn legaat aanvaardt
(artikel 4.194 van het Burgerlijk Wetboek);
– de onterfde reservataire erfgenamen worden niet vermeld
in de door de notaris opgemaakte akte van erfopvolging (ar-
tikel 4.59, § 2, van het Burgerlijk Wetboek);
– er worden geen sociale en fiscale notificaties gevraagd
voor de onterfde reservataire erfgenamen (artikelen 4.98 tot
4.100 van het Burgerlijk Wetboek);
– de algemene legataris zou als enige gehouden zijn tot
betaling van de lasten en de schulden van de nalatenschap
(artikelen 4.98 tot 4.100 van het Burgerlijk Wetboek);
– het is niet mogelijk het mechanisme van de inbreng van
schulden toe te passen (artikelen 4.94 en volgende van het
Burgerlijk Wetboek);
– verzet tegen de verdeling zoals die is geregeld in arti-
kel 4.101 van het Burgerlijk Wetboek is niet van toepassing.
Ter wille van de samenhang en teneinde de rechtszekerheid
in haar geheel te waarborgen, verdient het aanbeveling de
andere kwesties te regelen die voortvloeien uit de vaststelling
dat er geen sprake is van een verdeling die moet worden ver-
richt ten aanzien van de onterfde reservataire erfgenaam en
uit de invoering van de procedure van “gewone vereffening”
waarover het voorliggende voorstel handelt.
3
Renchon J.L., op.cit., 102‑103; Tainmont F., op.cit., inz. 15, 17 en
23; Hollanders de Ouderaen G. en Fillenbaum J., op.cit., 1027 e.v.
0272/003
DOC 56
6
K A M E R • 2e Z I T T I N G VA N D E 56 e Z I T T I N G S P E R I O D E
2024
2025
C H A M B R E 2e S E S S I O N D E L A 56 e L É G I S L AT U R E
Il sera tenu compte de ces observations dans la suite des
travaux parlementaires.
Examen de la proposition
Dispositif
Article 3
Il est renvoyé aux observations formulées sous l’amen-
dement n° 2.
Examen des amendements
Amendement n° 2
1. Les auteurs de la proposition entendent confirmer la
compétence concurrente du juge de paix et du tribunal de
la famille pour trancher les difficultés liées aux opérations
d’inventaire auxquelles le notaire en charge de la liquidation
serait confronté.
2. Les justifications avancées concernant l’amendement n° 2
indiquent que l’intention n’est pas de permettre que le notaire
puisse saisir les deux juridictions de manière successive mais
bien que le notaire puisse disposer d’une alternative: soit
saisir le juge de paix, soit saisir le tribunal de la famille, selon
la juridiction qu’il estime la plus adéquate pour solutionner le
litige ou la difficulté, en manière telle que la juridiction choisie
sera saisie de manière définitive.
Ce caractère définitif ne ressort cependant clairement ni
de l’article 3 initial de la proposition ni de sa reformulation
proposée par l’amendement n° 2.
Dans un souci de sécurité juridique et afin de rencontrer
adéquatement l’intention poursuivie, le législateur veillera
à mieux faire apparaître que, dans le cadre de l’alternative
laissée au notaire, le choix que ce dernier opérera pour l’une
ou l’autre juridiction aura un caractère définitif.
3. L’amendement n° 2 entend résoudre la question du
mode de saisine du juge de paix par le notaire confronté à
une difficulté dans le cadre de l’inventaire.
Les auteurs de l’amendement prévoient à cette fin de mettre
en place un mode de saisine “simplifiée”, à savoir par simple
demande écrite déposée ou adressée au greffe.
Ils font observer que ce mode de saisine “simplifiée” existe
déjà dans le Code judiciaire, notamment en ce qui concerne la
demande de remplacement du notaire‑liquidateur (article 1211
du Code judiciaire), la demande de désignation d’un gestion-
naire de la masse indivise (article 1212 du Code judiciaire),
la demande de désignation d’un expert (article 1213, § 3, du
Code judiciaire) ou encore la demande visant à obtenir du
Er moet in de verdere parlementaire voorbereiding rekening
gehouden worden met deze opmerkingen.
Onderzoek van het voorstel
Dispositief
Artikel 3
Er wordt verwezen naar de opmerkingen over amende-
ment nr. 2.
Onderzoek van de amendementen
Amendement nr. 2
1. De indieners van het voorstel beogen te bevestigen dat de
vrederechter en de familierechtbank een gedeelde bevoegdheid
hebben om de moeilijkheden inzake de boedelbeschrijving
te beslechten waarmee de notaris die met de vereffening is
belast, mogelijk wordt geconfronteerd.
2. Luidens de verantwoording van amendement nr. 2 is het
niet de bedoeling ervoor te zorgen dat de notaris zich achter-
eenvolgens tot beide rechtsinstanties kan wenden, maar wel
dat hij de keuzemogelijkheid heeft: hij kan zich, naargelang
van de rechtsinstantie die hij het meest geschikt acht om het
geschil te beslechten of de moeilijkheid op te lossen, ofwel tot
de vrederechter ofwel tot de familierechtbank wenden, en wel
zo dat de keuze van rechtsinstantie een definitieve keuze is.
Dat definitieve karakter blijkt evenwel niet duidelijk uit het
oorspronkelijke artikel 3 van het voorstel, noch uit de herfor-
mulering ervan die voorgesteld wordt in amendement nr. 2.
Ter wille van de rechtszekerheid en om het nagestreefde
doel naar behoren te bereiken, moet de wetgever duidelijker
aangeven dat, gelet op de keuzemogelijkheid die aan de
notaris wordt gelaten, de keuze die deze laatste maakt voor
de ene of de andere rechtsinstantie definitief is.
3. Amendement nr. 2 wil een oplossing bieden voor de vraag
hoe de notaris die in het kader van de boedelbeschrijving
voor een probleem komt te staan, zich tot de vrederechter
kan wenden.
De indieners van het amendement voorzien daartoe in de
invoering van een “vereenvoudigde” wijze van aanhangigma-
king, met name bij eenvoudig schriftelijk verzoek dat wordt
neergelegd bij of gericht aan de griffie.
Zij merken op dat in het Gerechtelijk Wetboek al sprake is
van die “vereenvoudigde” wijze van aanhangigmaking, met
name voor het verzoek tot vervanging van de notaris-vereffenaar
(artikel 1211 van het Gerechtelijk Wetboek), het verzoek tot
aanwijzing van een beheerder van de onverdeelde boedel
(artikel 1212 van het Gerechtelijk Wetboek), het verzoek tot
aanstelling van een deskundige (artikel 1213, § 3, van het
7
0272/003
DOC 56
K A M E R • 2e Z I T T I N G VA N D E 56 e Z I T T I N G S P E R I O D E
2024
2025
C H A M B R E 2e S E S S I O N D E L A 56 e L É G I S L AT U R E
tribunal la réduction des délais légaux (article 1218, § 4, du
Code judiciaire)4.
À la différence des hypothèses prévues ci‑dessus dans
lesquelles une instance est déjà introduite, la “simple demande
écrite déposée ou adressée au greffe”, dans le cadre de
l’article 1184 du Code judiciaire, constituerait, en l’espèce,
un acte introductif d’instance.
La section de législation observe que, contrairement à
ce qui est prévu par les articles 1211 à 1213 et 1218, § 4,
du Code judiciaire, aucune précision n’est apportée quant
à l’obligation pour le greffe de notifier cette requête aux
autres parties concernées ou de les convoquer. Celles‑ci ont
cependant intérêt à intervenir à la procédure de sorte que le
législateur veillera à prévoir, à tout le moins, une notification de
la demande introduite par le notaire aux parties et la fixation
d’une audience.
4
Ces dispositions ont été introduites par la loi du 13 août 2011
‘réformant la procédure de liquidation‑partage judiciaire’. Cette
loi a fait l’objet de l’avis 48.961/2 du 11 janvier 2011. Cet avis
formule l’observation suivante concernant l’article 1212 du Code
judiciaire:
“Le Conseil d’État constate qu’en vertu de l’article 1212 proposé,
la désignation d’un gestionnaire de la masse indivise peut être
sollicitée à la demande de toute partie ou du notaire‑liquidateur
dans le cadre d’une procédure rapide et largement déformalisée
dont les développements relèvent qu’elle ‘s’inspire du libellé de
l’article 19 alinéa 2 du Code judiciaire’ […]. […]. Le Conseil d’État
n’aperçoit pas pour quelle raison la demande de désignation
d’un expert en cours de procédure n’est point réglée – à l’instar
d’une demande de désignation d’un gestionnaire de la masse
indivise – par la procédure rapide et déformalisée visée à
l’article 19, alinéa 2, du Code judiciaire plutôt que d’être soumise
à la procédure nettement plus longue et plus lourde, de dépôt
par le notaire‑liquidateur d’un procès‑verbal intermédiaire.
2. En toute hypothèse et dans un souci de clarté, le texte devrait
indiquer avec précision selon quelle procédure le tribunal peut
être saisi d’une demande de désignation d’expert au cours des
opérations de liquidation‑partage. Le souci d’accélération de la
procédure qui sous‑tend la réforme proposée conduit également
à s’interroger sur la question de savoir si la décision du tribunal
désignant un expert en cours d’opérations est ou non susceptible
d’appel. Un tel appel n’aurait en tout cas, selon le droit commun,
aucun effet suspensif (article 1496 du Code judiciaire)”.
Gerechtelijk Wetboek) of nog het verzoek aan de rechtbank
tot inkorting van de wettelijke termijnen (artikel 1218, § 4, van
het Gerechtelijk Wetboek).4
Anders dan in de hierboven geschetste gevallen waarin
reeds een vordering ingesteld wordt, zou het “eenvoudig
schriftelijk verzoek” dat in het kader van artikel 1184 van het
Gerechtelijk Wetboek wordt “neergelegd bij of gericht aan de
griffie”, in dit geval een akte van rechtsingang zijn.
De afdeling Wetgeving wijst erop dat er, in tegenstelling tot
wat de artikelen 1211 tot 1213 en 1218, § 4, van het Gerechtelijk
Wetboek bepalen, niets nader wordt bepaald over de verplich-
ting dat de griffie de andere betrokken partijen kennisgeeft
van die vordering of die partijen oproept. Deze hebben er
evenwel belang bij in de procedure tussen te komen, zodat de
wetgever op zijn minst moet voorzien dat het door de notaris
ingediende verzoek ter kennis wordt gebracht van de partijen,
en dat er een terechtzitting wordt vastgesteld.
4
Die bepalingen zijn ingevoegd bij de wet van 13 augustus 2011
‘houdende hervorming van de procedure van gerechtelijke
vereffening-verdeling’. Over die wet is op 11 januari 2011
advies 48.961/2 uitgebracht. Daarin wordt de volgende opmerking
gemaakt over artikel 1212 van het Gerechtelijk Wetboek:
“De Raad van State stelt vast dat krachtens het voorgestelde
artikel 1212, de aanwijzing van een beheerder van de onverdeelde
boedel kan worden aangevraagd door elke partij of door de
notaris-vereffenaar in het kader van een snelle en grotendeels
van formaliteiten ontdane procedure waarover in de toelichting
vermeld wordt dat ze ‘aan(sluit) bij de bewoordingen van artikel 19,
tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek’. (…). (…). De Raad
van State ziet niet in waarom de vordering tot aanstelling van
een deskundige in de loop van de procedure niet geregeld is –
net als een vordering tot aanstelling van een beheerder van de
onverdeelde boedel – bij de snelle en van formaliteiten ontdane
procedure vervat in artikel 19, tweede lid, van het Gerechtelijk
Wetboek, in plaats van bij de duidelijk langere en meer omslachtige
procedure van de indiening van een tussentijds proces-verbaal
door de notaris-vereffenaar.
2. Hoe dan ook zou met het oog op de duidelijkheid in de tekst
nauwkeurig moeten worden aangegeven volgens welke procedure
tijdens de verrichtingen van vereffening-verdeling bij de rechtbank
een vordering tot aanstelling van een deskundige aanhangig kan
worden gemaakt. Het streven om de procedure te versnellen
waarop de voorgestelde hervorming steunt, doet eveneens de
vraag rijzen of tegen de beslissing van de rechtbank om in de
loop van de verrichtingen een deskundige aan te stellen al dan
niet beroep kan worden ingesteld. Zo een beroep zou hoe dan
ook volgens het gemeen recht geen enkele schorsende kracht
hebben (artikel 1496 van het Gerechtelijk Wetboek).”
0272/003
DOC 56
8
K A M E R • 2e Z I T T I N G VA N D E 56 e Z I T T I N G S P E R I O D E
2024
2025
C H A M B R E 2e S E S S I O N D E L A 56 e L É G I S L AT U R E
Par ailleurs, le contenu de la demande “simplifiée” n’est pas
non plus précisé. Il convient de prévoir que cette demande
simplifiée contient un exposé des difficultés. Dès lors qu’il
s’agit de l’introduction d’une instance, à l’inverse des autres
procédures introduites par simple demande (voir les dispo-
sitions relatives à la procédure de liquidation‑partage citées
dans le commentaire, soit les articles 1211 à 1213 et 1218 du
Code judiciaire), il serait nécessaire que la demande précise
en outre l’identité des parties.
Le greffier,
Béatrice Drapier
Le président,
Patrick Ronvaux
Voorts wordt evenmin gepreciseerd wat het “vereenvoudigde”
verzoek inhoudt. Er dient te worden bepaald dat dit vereenvou-
digde verzoek een uiteenzetting van de moeilijkheden bevat.
Aangezien het gaat om het instellen van een vordering, dit in
tegenstelling tot de andere procedures die via een eenvoudig
verzoek worden ingesteld (zie de bepalingen betreffende de
procedure van vereffening-verdeling die in de toelichting aan-
gehaald worden, te weten de artikelen 1211 tot 1213 en 1218
van het Gerechtelijk Wetboek), zou het verzoek bovendien
ook de identiteit van de partijen moeten vermelden.
De griffier,
Béatrice Drapier
De voorzitter,
Patrick Ronvaux
Centrale drukkerij - Imprimerie centrale