Document 53K2432/001

🏛️ KAMER Legislatuur 53 📁 2432 Wetsontwerp 🌐 NL

Inhoud

DE SPOEDBEHANDELING WORDT DOOR DE REGERING GEVRAAGD OVEREENKOMSTIG ARTIKEL 51 VAN HET REGLEMENT. LE GOUVERNEMENT DEMANDE L’URGENCE CONFORMÉMENT À L’ARTICLE 51 DU RÈGLEMENT. LE GOUVERNEMENT DEMANDE L’URGENCE CONFORMÉMENT À L’ARTICLE 80 DE LA CONSTITUTION. DE SPOEDBEHANDELING WORDT DOOR DE REGERING GEVRAAGD OVEREENKOMSTIG ARTIKEL 80 VAN DE GRONDWET. 2432/001 2432/001 DOC 53 DOC 53 4808 2431/001 2431/001 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 3 e L É G I S L A T U R E K AMER 3e Z ITTING VAN DE 53e Z ITTING S P E RIO DE 2011 2012 CHAMBRE DES REPRÉSENTANTS DE BELGIQUE BELGISCHE KAMER VAN VOLKSVERTEGENWOORDIGERS DOC 53 DOC 53 SOMMAIRE 1. Résumé I ............................................................... 2. Résumé II .............................................................. 3. Exposé des motifs I ............................................... 4. Exposé des motifs II .............................................. 5. Avant-projet I ......................................................... 6. Avant-projet II ........................................................ 7. Avis du Conseil d’État I .......................................... 8. Avis du Conseil d’État II ......................................... 9. Projet de loi I .......................................................... 10. Projet de loi II ......................................................... INHOUD 1. Samenvatting I ....................................................... 2. Samenvatting II ...................................................... 3. Memorie van toelichting I ...................................... 4. Memorie van toelichting II ..................................... 5. Voorontwerp I ........................................................ 6. Voorontwerp II ....................................................... 7. Advies van de Raad van State I ............................ 8. Advies van de Raad van State II ........................... 9. Wetsontwerp I ........................................................ 10. Wetsontwerp II....................................................... PROJET DE LOI WETSONTWERP tot wijziging van de wet van 21 december 2009 betreffende het statuut van de betalingsinstellingen, de toegang tot het bedrijf van betalingsdienstaanbieder en de toegang tot betalingssystemen, en van andere wetgeving die betrekking heeft op het statuut van de betalingsinstellingen en van de instellingen voor elektronisch geld modifiant la loi du 21 décembre 2009 relative au statut des établissements de paiement, à l’accès à l’activité de prestataire de services de paiement et à l’accès aux systèmes de paiement et d’autres législations dans la mesure où elles sont relatives au statut des établissements de paiement et des établissements de monnaie électronique 3 4 5 59 61 123 125 132 134 208 Blz. Page 2 octobre 2012 2 oktober 2012 PROJET DE LOI WETSONTWERP tot wijziging van de wet van 22 februari 1998 tot vaststelling van het organiek statuut van de Nationale Bank van België modifiant la loi du 22 février 1998 fixant le statut organique de la Banque Nationale de Belgique 3 4 5 59 61 123 125 132 134 208 DOC 53 2432/001 2 2431/001 DOC 53 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 3 e L É G I S L A T U R E K AMER 3e Z ITTING VAN DE 53e Z ITTING S P E RIO DE 2011 2012 De regering heef t dit wetsontwerp op 2 oktober 2012 ingediend. De “goedkeuring tot drukken” werd op 5 oktober 2012 door de Kamer ontvangen. Le gouvernement a déposé ce projet de loi le 2 octobre 2012. Le “bon à tirer” a été reçu à la Chambre le 5 octobre 2012. Abréviations dans la numérotation des publications: DOC 53 0000/000: Document parlementaire de la 53e législature, suivi du n° de base et du n° consécutif QRVA: Questions et Réponses écrites CRIV: Version Provisoire du Compte Rendu intégral (cou- verture verte) CRABV: Compte Rendu Analytique (couverture bleue) CRIV: Compte Rendu Intégral, avec, à gauche, le compte rendu intégral et, à droite, le compte rendu analy- tique traduit des interventions (avec les annexes) (PLEN: couverture blanche; COM: couverture sau- mon) PLEN: Séance plénière COM: Réunion de commission MOT: Motions déposées en conclusion d’interpellations (papier beige) Publications offi cielles éditées par la Chambre des représentants Commandes: Place de la Nation 2 1008 Bruxelles Tél. : 02/ 549 81 60 Fax : 02/549 82 74 www.lachambre.be e-mail : publications@lachambre.be Offi ciële publicaties, uitgegeven door de Kamer van volksvertegenwoordigers Bestellingen: Natieplein 2 1008 Brussel Tel. : 02/ 549 81 60 Fax : 02/549 82 74 www.dekamer.be e-mail : publicaties@dekamer.be N-VA : Nieuw-Vlaamse Alliantie PS : Parti Socialiste MR : Mouvement Réformateur CD&V : Christen-Democratisch en Vlaams sp.a : socialistische partij anders Ecolo-Groen : Ecologistes Confédérés pour l’organisation de luttes originales – Groen Open Vld : Open Vlaamse liberalen en democraten VB : Vlaams Belang cdH : centre démocrate Humaniste FDF : Fédéralistes Démocrates Francophones LDD : Lijst Dedecker MLD : Mouvement pour la Liberté et la Démocratie Afkortingen bij de nummering van de publicaties: DOC 53 0000/000: Parlementair document van de 53e zittingsperiode + basisnummer en volgnummer QRVA: Schriftelijke Vragen en Antwoorden CRIV: Voorlopige versie van het Integraal Verslag (groene kaft) CRABV: Beknopt Verslag (blauwe kaft) CRIV: Integraal Verslag, met links het defi nitieve integraal verslag en rechts het vertaald beknopt verslag van de toespraken (met de bijlagen) (PLEN: witte kaft; COM: zalmkleurige kaft) PLEN: Plenum COM: Commissievergadering MOT: Moties tot besluit van interpellaties (beigekleurig papier) DOC 53 2432/001 3 2431/001 DOC 53 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 3 e L É G I S L A T U R E K AMER 3e Z ITTING VAN DE 53e Z ITTING S P E RIO DE 2011 2012 Le projet de loi vise à transposer partiellement la directive 2009/110/CE du Parlement européen et du Conseil du 16 septembre 2009 concernant l’accès à l’activité des établissements de monnaie électronique et son exercice ainsi que la surveillance prudentielle de ces établissements, modifi ant les directives 2005/60/ CE et 2006/48/CE et abrogeant la directive 2000/46/ CE. La directive 2009/110/CE a pour objet de revoir le cadre juridique mis en place par la directive 2000/46/ CE du Parlement européen et du Conseil du 18 sep- tembre 2000 relative aux établissements de monnaie électronique dès lors que certaines des dispositions de cette directive avaient été jugées préjudiciables à l’émergence d’un véritable marché unique des ser- vices liés à l’émission de monnaie électronique. La révision des règles en matière d’accès à l’activité d’émission de monnaie électronique et des règles rela- tives au statut des établissements de monnaie électro- nique a été réalisée sur la base du cadre juridique établi pour les établissements de paiement et ce, notamment en vue de garantir des conditions de concurrence équi- tables à tous les prestataires de services de paiement. En effet, un nouveau Livre consacré aux règles d’ac- cès à l’activité d’émission de monnaie électronique et au statut des établissements de monnaie électronique est inséré dans la loi du 21 décembre 2009 relative au statut des établissements de paiement, à l’accès à l’activité de prestataire de services de paiement et à l’accès aux systèmes de paiement.La Banque natio- nale de Belgique, qui agit comme autorité de contrôle prudentiel, est chargée de surveiller le respect des articles de ce nouveau Livre. Les dispositions de la directive 2009/110/CE qui ont directement trait à la relation contractuelle entre les émetteurs de monnaie électronique et les détenteurs de monnaie électronique, concernent notamment 1) l’émission de monnaie électronique à la valeur nomi- nale des fonds reçus du détenteur, 2) l’interdiction d’accorder des intérêts et 3) l’obligation et les condi- tions de remboursement de la monnaie électronique par l’émetteur au détenteur. Vu le lien très étroit avec les services de paiement, il est proposé de les intégrer dans la loi du 10 décembre 2009 relative aux services de paiement. Le contrôle du respect de ces disposi- tions par tous les émetteurs de monnaie électronique est confi é aux fonctionnaires désignés par le Ministre de l’Economie. Het ontwerp van wet zorgt voor de gedeeltelijke omzetting van richtlijn 2009/110/EG van het Euro- pees Parlement en de Raad van 16 september 2009 betreffende de toegang tot, de uitoefening van en het prudentieel toezicht op de werkzaamheden van instellingen voor elektronisch geld, tot wijziging van de richtlijnen 2005/60/EG en 2006/48/EG en tot intrek- king van Richtlijn 2000/46/EG. De richtlijn 2009/110/CE herziet het rechtskader ingesteld bij richtlijn 2000/46/EG van het Europees Parlement en de Raad van 18 september 2000 betref- fende de instellingen voor elektronisch geld, omdat sommige bepalingen van deze richtlijn de totstand- koming van een echte interne markt voor diensten die verband houden met de uitgifte van elektronisch geld zouden hebben gehinderd. Bij de herziening van de voorschriften met betrek- king tot de toegang tot de activiteit van uitgifte van elektronisch geld en het statuut van de instellingen voor elektronisch geld is uitgegaan van het bestaande rechtskader voor betalingsinstellingen, met name om voor alle betalingsdienstaanbieders gelijke concur- rentievoorwaarden te kunnen bewerkstelligen. Inderdaad, een nieuw Boek over de toegang tot de activiteit van uitgifte van elektronisch geld en het statuut van de instellingen voor elektronisch geld wordt ingevoegd in de wet van 21 december 2009 be- treffende het statuut van de betalingsinstellingen, de toegang tot het bedrijf van betalingsdienst-aanbieder en de toegang tot betalingssystemen. De Nationale Bank van België, die optreedt als prudentiële toezicht- houder, is bevoegd voor het toezicht op de naleving van de artikelen van dit nieuw Boek. De bepalingen van de richtlijn 2009/110/EG die rechtsreeks betrekking hebben op de contractuele relatie tussen de uitgevers van elektronisch geld en de houders van elektronisch geld betreffen met name 1) de uitgifte van elektronisch geld tegen de nominale waarde van het ontvangen geld van de houder, 2) het verbod van het toekennen van rente en 3) de plicht en voorwaarden tot terugbetaling van het elektronisch geld door de uitgever aan de houder. Gezien de zeer nauwe verwantschap met betalingsdiensten, wordt er voorgesteld deze bepalingen te integreren in de wet van 10 december 2009 betreffende de beta- lingsdiensten. Er is voor gekozen om de controle op de naleving van deze bepalingen door alle uitgevers van elektronisch geld toe te vertrouwen aan de door de minister van Economie aangeduide ambtenaren. RÉSUMÉ (I) SAMENVATTING (I) DOC 53 2432/001 4 2431/001 DOC 53 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 3 e L É G I S L A T U R E K AMER 3e Z ITTING VAN DE 53e Z ITTING S P E RIO DE 2011 2012 Le projet de loi vise à transposer partiellement en droit belge la directive 2009/110/CE du Parlement euro- péen et du Conseil du 16 septembre 2009 concernant l’accès à l’activité des établissements de monnaie électronique et son exercice ainsi que la surveillance prudentielle de ces établissements, modifiant les directives 2005/60/CE et 2006/48/CE et abrogeant la directive 2000/46/CE. Le projet de loi modifi e l’article 36/22 de la loi du 22 février 1998 fi xant le statut organique de la Banque nationale de Belgique afi n de tenir compte de l’instau- ration du nouveau statut prudentiel pour les établisse- ments de monnaie électronique. Le projet de loi règle l’introduction d’un recours auprès du Conseil d’État conformément à la procédure accélérée contre certaines décisions de la Banque, pour les décisions prises par la Banque vis-à-vis des établissements de monnaie électronique dans le cadre de demandes d’agrément des établissements souhai- tant obtenir ce nouveau statut, ou dans le cadre de la surveillance prudentielle exercée par la Banque sur l’exercice des activités de ces établissements. Het wetsontwerp zorgt voor de gedeeltelijke omzet- ting in Belgisch recht van Richtlijn 2009/110/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 septem- ber 2009 betreffende de toegang tot, de uitoefening van en het prudentieel toezicht op de werkzaamheden van instellingen voor elektronisch geld, tot wijziging van de Richtlijnen 2005/60/EG en 2006/48/EG en tot intrekking van Richtlijn 2000/46/EG. Het wetsontwerp wijzigt artikel 36/22 van de wet van 22 februari 1998 tot vaststelling van het organiek statuut van de Nationale Bank van België, naar aan- leiding van de invoering van een nieuw prudentieel statuut voor de instellingen voor elektronisch geld. Het wetsontwerp regelt de instelling van een beroep bij de Raad van State overeenkomstig de versnelde procedure tegen bepaalde beslissingen van de Bank, voor de beslissingen die door de Bank worden genomen ten aanzien van instellingen voor elektronisch geld die een vergunningsaanvraag indienen om het nieuwe statuut te verkrijgen, of in het kader van het prudentieel toezicht dat door de Bank wordt uitgeoefend op de uitoefening van de werkzaamheden van die instellingen. RÉSUMÉ (II) SAMENVATTING (II) DOC 53 2432/001 5 2431/001 DOC 53 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 3 e L É G I S L A T U R E K AMER 3e Z ITTING VAN DE 53e Z ITTING S P E RIO DE 2011 2012 EXPOSÉ DES MOTIFS (I) MESDAMES, MESSIEURS, Le projet de loi que le Gouvernement a l’honneur de vous soumettre règle la transposition de la directive 2009/110/CE du Parlement européen et du Conseil du 16 septembre 2009 concernant l’accès à l’activité des établissements de monnaie électronique et son exercice ainsi que la surveillance prudentielle de ces établissements, modifi ant les directives 2005/60/CE et 2006/48/CE et abrogeant la directive 2000/46/CE (ci- après “la directive”). L’objectif poursuivi par le législateur européen était de revoir le cadre juridique mis en place par la directive 2000/46/CE du Parlement européen et du Conseil du 18 septembre 2000 concernant l’accès à l’activité des établissements de monnaie électronique et son exercice ainsi que la surveillance prudentielle de ces établisse- ments (ci-après, “directive 2000/46/CE”), dès lors que certaines des dispositions de cette directive avaient été jugées préjudiciables à l’émergence d’un véritable marché unique des services liés à l’émission de mon- naie électronique. L’on peut, en effet, constater que le statut d’établissement de monnaie électronique n’a connu, en Europe, qu’un succès limité, et notamment en Belgique, où seuls deux établissements de monnaie électronique ont été agréés. Plusieurs établissements bénéfi cient d’un statut d’exemption, principalement sur base du niveau limité d’engagements fi nanciers liés à la monnaie électronique. Dans ce contexte, il a été procédé à une révision des règles en matière d’accès à l’activité d’émission de monnaie électronique, et des règles relatives au statut des établissements de monnaie électronique. La révi- sion de ces règles a été réalisée sur la base du cadre juridique établi pour les établissements de paiement et ce, notamment en vue de garantir des conditions de concurrence équitables à tous les prestataires de services de paiement. Ainsi, le régime de surveillance prudentielle des établissements de monnaie électro- nique a été adapté afi n de le rendre plus cohérent avec le régime de surveillance prudentielle applicable aux établissements de paiement. Eu égard à la similitude encouragée par le législateur européen entre le statut des établissements de monnaie électronique et celui des établissements de paiement, le projet de loi transpose la directive par le biais de dis- positions modifi catives de la loi du 21 décembre 2009 relative au statut des établissements de paiement, à l’accès à l’activité de prestataire de services de paie- ment et à l’accès aux systèmes de paiement, afi n d’y MEMORIE VAN TOELICHTING (I) DAMES, HEREN, Het wetsontwerp dat de Regering de eer heeft U voor te leggen, zorgt voor de omzetting van Richtlijn 2009/110/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 september 2009 betreffende de toegang tot, de uitoefening van en het prudentieel toezicht op de werk- zaamheden van instellingen voor elektronisch geld, tot wijziging van de Richtlijnen 2005/60/EG en 2006/48/ EG en tot intrekking van Richtlijn 2000/46/EG (hierna “de Richtlijn”). Doel van de Europese wetgever was om het rechts- kader ingesteld bij Richtlijn 2000/46/EG van het Eu- ropees Parlement en de Raad van 18 september 2000 betreffende de toegang tot, de uitoefening van en het bedrijfseconomisch toezicht op de werkzaamheden van instellingen voor elektronisch geld (hierna “Richtlijn 2000/46/EG”) te herzien, omdat sommige bepalingen van deze richtlijn de totstandkoming van een echte interne markt voor diensten die verband houden met de uitgifte van elektronisch geld zouden hebben gehin- derd. Er dient inderdaad te worden vastgesteld dat het statuut van instelling voor elektronisch geld maar een beperkt succes heeft gekend in Europa, en met name in België, waar slechts twee instellingen voor elektronisch geld een vergunning hebben verkregen. Verschillende instellingen genieten een vrijstelling, voornamelijk op grond van het beperkt niveau van hun met elektronisch geld verband houdende fi nanciële verplichtingen. In deze context werd overgegaan tot de herziening van de voorschriften met betrekking tot de toegang tot de activiteit van uitgifte van elektronisch geld en het statuut van de instellingen voor elektronisch geld. Bij deze herziening werd uitgegaan van het bestaande rechtskader voor betalingsinstellingen, met name om voor alle betalingsdienstaanbieders gelijke concurrentie- voorwaarden te kunnen bewerkstelligen. Derhalve werd het stelsel voor de uitoefening van prudentieel toezicht op de instellingen voor elektronisch geld aangepast om het beter af te stemmen op het stelsel voor de uitoefe- ning van prudentieel toezicht op de betalingsinstellingen. Aangezien de overeenstemming tussen het statuut van de instellingen voor elektronisch geld en dat van de betalingsinstellingen gestimuleerd wordt door de Europese wetgever, wordt de Richtlijn in de voorlig- gende ontwerptekst omgezet door wijziging van de wet van 21 december 2009 betreffende het statuut van de betalingsinstellingen, de toegang tot het bedrijf van beta- lingsdienstaanbieder en de toegang tot betalingssyste- DOC 53 2432/001 6 2431/001 DOC 53 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 3 e L É G I S L A T U R E K AMER 3e Z ITTING VAN DE 53e Z ITTING S P E RIO DE 2011 2012 insérer un nouveau Livre consacré aux règles d’accès à l’activité d’émission de monnaie électronique et au statut des établissements de monnaie électronique. Les principales modifications apportées par la directive ont trait au statut de contrôle prudentiel des établissements de monnaie électronique, l’objectif étant d’alléger ce statut. Ainsi, les établissements de monnaie électronique ne constituent plus une catégorie spéci- fi que d’établissements de crédit et les dispositions de la loi du 22 mars 1993 relative au statut et au contrôle des établissements de crédit n’ont dès lors plus lieu d’être appliquées à ces établissements. Par ailleurs, le capital initial requis pour l’obtention de l’agrément en qualité d’établissement de monnaie électronique est réduit et est complété par un régime de capital permanent (exigences en matière de fonds propres) visant à assurer une protection adéquate des consommateurs et à garantir une gestion saine et pru- dente des établissements de monnaie électronique. Cet assouplissement du régime est compensé par des dispositions plus strictes en matière de protection des fonds des détenteurs de monnaie électronique. Ces mesures de protection de fonds sont calquées sur celles que doivent actuellement appliquer les établissements de paiement dits “hybrides”. Elles remplacent les règles en matière de limitations de placement qui étaient pré- vues sous la directive 2000/46/CE. La directive autorise également les établissements de monnaie électronique à distribuer, rembourser, ou recharger de la monnaie électronique par l’intermédiaire de personnes physiques ou morales agissant pour le compte des établissements de monnaie électronique, que le projet de loi qualifi e de “distributeurs”. La direc- tive autorise, par ailleurs, les établissements de mon- naie électronique à prester des services de paiement par l’intermédiaire d’agents, auxquels s’appliquent le régime d’enregistrement applicable aux agents d’éta- blissements de paiement. En aucun cas toutefois, les établissements de monnaie électronique ne sont auto- risés à sous-traiter l’activité d’émission de monnaie électronique. Une autre modifi cation signifi cative est la possibi- lité, pour les établissements de monnaie électronique, d’exercer d’autres activités commerciales qui ne sont pas nécessairement liées à l’émission de monnaie élec- tronique et ce, sauf exceptions liées à des exigences de gestion saine et prudente de l’établissement et de maîtrise des risques appropriée, sans que cela soit men, waarin een nieuw Boek wordt ingevoegd over de toegang tot de activiteit van uitgifte van elektronisch geld en het statuut van de instellingen voor elektronisch geld. De belangrijkste wijzigingen die door de Richtlijn zijn aangebracht, betreffen het prudentieel toezichtss- tatuut van de instellingen voor elektronisch geld en zijn erop gericht dit statuut te vereenvoudigen. Zo vormen de instellingen voor elektronisch geld niet langer een specifi eke categorie van kredietinstellingen en zijn de bepalingen van de wet van 22 maart 1993 op het statuut van en toezicht op de kredietinstellingen dus niet langer van toepassing op deze instellingen. Voorts wordt het aanvangskapitaal dat vereist is voor het verkrijgen van een vergunning als instelling voor elektronisch geld verlaagd maar wordt er een bijkomende voorwaarde ingevoerd, namelijk dat de instelling voor elektronisch geld permanent over kapitaal beschikt (eigenvermogensvereisten), om te garanderen dat de consument voldoende wordt beschermd en dat de instellingen voor elektronisch geld een gezond en voorzichtig beleid voeren. Deze versoepeling van de regeling wordt gecompen- seerd door strengere bepalingen inzake de bescherming van de geldmiddelen van houders van elektronisch geld. Deze maatregelen ter bescherming van de geldmidde- len zijn geënt op de bepalingen die momenteel moeten worden toegepast door de zogenaamde “hybride” betalingsinstellingen. Zij vervangen de regels inzake de beleggingsbeperkingen die waren opgenomen in Richtlijn 2000/46/EG. De Richtlijn bepaalt ook dat instellingen voor elektro- nisch geld elektronisch geld mogen overmaken, terug- betalen of heropladen via natuurlijke of rechtspersonen die handelen voor rekening van de instellingen voor elektronisch geld en die het wetsontwerp kwalifi ceert als “distributeurs”. Volgens de Richtlijn mogen de instel- lingen voor elektronisch geld ook betalingsdiensten verrichten via agenten, die moeten worden ingeschreven volgens de regels die gelden voor de agenten van beta- lingsinstellingen. Werkzaamheden die verband houden met de uitgifte van elektronisch geld mogen zij echter niet uitbesteden. Een andere belangrijke wijziging is de invoering van de mogelijkheid voor instellingen voor elektronisch geld om andere bedrijfswerkzaamheden uit te oefenen die niet noodzakelijk verband houden met de uitgifte van elektronisch geld, zonder dat ze verplicht zijn die andere bedrijfswerkzaamheden in een andere enti- teit onder te brengen, behoudens uitzonderingen die DOC 53 2432/001 7 2431/001 DOC 53 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 3 e L É G I S L A T U R E K AMER 3e Z ITTING VAN DE 53e Z ITTING S P E RIO DE 2011 2012 assorti d’une obligation de loger ces autres activités commerciales dans une autre entité. Le régime d’exemption déjà prévu dans la directive 2000/46/CE a également été revu et ne vise plus que les établissements de monnaie électronique émettant un volume limité de monnaie électronique (5 millions d’euros maximum). Les autres hypothèses d’exemption ont été soit supprimées, soit maintenues sous forme d’exclusion du champ d’application de la directive (notamment l’ancienne exemption liée à la notion de réseau limité). La défi nition de la notion de monnaie électronique reste quasi inchangée et couvre toutes les situations dans lesquelles un émetteur émet en contrepartie de fonds une valeur stockée prépayée qui peut être utili- sée à des fi ns de paiement car elle est acceptée par des tiers en tant que paiement. Cette défi nition se veut neutre d’un point de vue technique et vise non seule- ment les produits de monnaie électronique actuellement disponibles sur le marché, mais également les produits susceptibles de se développer à l’avenir. L’obligation de remboursement, déjà prévue dans la directive 2000/46/CE est maintenue mais les modalités en sont précisées. Évaluation d’incidence En réponse à l’observation du Conseil d’État relative au manque d’une évaluation d’incidence des décisions sur le développement durable, il est précisé que l’article 19/1 de la loi du 5 mai 1997, inséré par la loi du 30 juil- let 2010, n’a pas encore fait l’objet d’une exécution. Un projet d’arrêté royal règlant l’évaluation d’incidence et fi xant les dispenses de cette évaluation, est en cours de préparation. Dès lors, l’on ne peut s’appuyer que sur les directives existantes en matière du test EIDDD. Il peut être conclu que la dispense découlant de l’urgence des mesures à prendre peut être invoquée. verband houden met het vereiste van een gezond en voorzichtig beleid van de instelling en met een passende risicobeheersing. De vrijstellingsregeling die reeds was opgenomen in Richtlijn 2000/46/EG werd eveneens herzien en geldt enkel nog voor de instellingen voor elektronisch geld die een beperkt volume aan elektronisch geld uitgeven (maximum 5 miljoen euro). De andere vrijstellingsge- vallen werden ofwel geschrapt ofwel behouden in de vorm van een uitsluiting van het toepassingsgebied van de Richtlijn (met name de oude vrijstelling die verleend wordt indien er sprake is van een “beperkt netwerk”). De defi nitie van “elektronisch geld” blijft quasi ongewi- jzigd en bestrijkt alle situaties waarin een uitgever in ruil voor geld een voorafbetaalde opgeslagen waarde uitgeeft die kan worden gebruikt voor betalingsdoe- leinden omdat dit door derden wordt aanvaard als betaling. Technisch gezien is deze defi nitie neutraal. Zij bestrijkt niet alleen de thans op de markt beschikbare elektronische geldproducten, maar ook die welke in de toekomst zouden kunnen worden ontwikkeld. De verplichting tot terugbetaling, die al was opge- nomen in Richtlijn 2000/46/EG, blijft behouden, maar wordt nader geregeld. Duurzame ontwikkelingseffectbeoordeling Als antwoord op de opmerking van de Raad van State met betrekking tot het ontbreken van de duurzame ontwikkelingseffectbeoordeling, kan worden gesteld dat artikel 19/1 van de wet van 5 mei 1997, ingevoegd bij de wet van 30 juli 2010, nog geen uitvoering heeft gekregen. Een ontwerp van koninklijk besluit tot regeling van de effectbeoordeling en tot bepaling van de vrijstellingen van deze beoordeling, wordt momenteel voorbereid. Derhalve kan enkel gesteund worden op de bes- taande richtlijnen inzake de DOEB-test, en kan besloten worden dat de vrijstelling omwille van de hoogdrin- gendheid van de te nemen maatregelen kan worden ingeroepen. DOC 53 2432/001 8 2431/001 DOC 53 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 3 e L É G I S L A T U R E K AMER 3e Z ITTING VAN DE 53e Z ITTING S P E RIO DE 2011 2012 COMMENTAIRES DES ARTICLES (I) Le projet de loi comprend trois titres. Le Titre 1er décrit l’objet de la loi. Le Titre 2 (articles 3 à 95) comporte les modifi cations apportées à la loi du 21 décembre 2009 relative au statut des établissements de paiement, à l’accès à l’activité de prestataire de services de paiement et à l’accès aux systèmes de paiement, notamment afi n d’y insérer un Livre 3 visant à transposer la directive. Le Titre 3 (articles 96 à 134) comprend d’autres dis- positions modifi catives, et la date d’entrée en vigueur de la loi. Art. 2 Cet article prévoit que la loi transpose la directive en droit belge. Art. 3 Cet article modifi e l’intitulé de la loi du 21 décembre relative au statut des établissements de paiement, à l’accès à l’activité de prestataire de services de paie- ment et à l’accès aux systèmes de paiement afi n de tenir compte de l’insertion, dans cette loi, des dispositions relatives à l’accès à l’activité d’émission de monnaie électronique et au statut des établissements de monnaie électronique. Art. 4 Cet article introduit un nouveau Livre 1er dans la loi du 21 décembre 2009 relatif à l’objet et au champ d’appli- cation de la loi, ainsi qu’aux défi nitions. Art. 5 Cet article modifie l ’article 2 de la loi du 21 décembre 2009 afi n de tenir compte de l’insertion dans la loi du Livre 3 transposant la directive. Art. 6 Cet article modifie l ’article 3 de la loi du 21 décembre 2009 afi n de reformuler l’objet de la loi, à la suite de l’insertion du Livre 3. Le Livre 3 a pour objet COMMENTAAR BIJ DE ARTIKELEN (I) Het wetsontwerp telt drie titels. Titel 1 omschrijft het doel van de wet. Titel 2 (artikel 3 tot 95) bevat de wijzigingen die worden aangebracht in de wet van 21 december 2009 betreffende het statuut van de betalingsinstellingen, de toegang tot het bedrijf van betalingsdienstaanbieder en de toegang tot betalingssystemen. In deze wet wordt met name een Boek 3 ingevoegd, ter omzetting van de Richtlijn. Titel 3 (artikel 96 tot 134) bevat andere wijzigingsbe- palingen en bepaalt wanneer de wet in werking treedt. Art. 2 Dit artikel bepaalt dat de wet de Richtlijn in Belgisch recht omzet. Art. 3 Dit artikel wijzigt het opschrift van de wet van 21  december  2009 betreffende het statuut van de betalingsinstellingen, de toegang tot het bedrijf van betalingsdienstaanbieder en de toegang tot betalings- systemen, ingevolge de invoeging in die wet van bepa- lingen over de toegang tot de activiteit van uitgifte van elektronisch geld en over het statuut van de instellingen voor elektronisch geld. Art. 4 Dit artikel voert in de wet van 21 december 2009 een nieuw Boek 1 in, dat naast het doel en het toepassings- gebied van de wet ook defi nities bevat. Art. 5 Dit artikel wijzigt artikel 2 van de wet van 21 december 2009, ingevolge de invoeging in de wet van Boek 3, dat de Richtlijn omzet. Art. 6 Dit artikel wijzigt artikel 3 van de wet van 21 december 2009. Het doel van de wet wordt geherfor- muleerd om rekening te houden met de invoeging van DOC 53 2432/001 9 2431/001 DOC 53 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 3 e L É G I S L A T U R E K AMER 3e Z ITTING VAN DE 53e Z ITTING S P E RIO DE 2011 2012 de prévoir quels établissements et autorités peuvent exercer l’activité d’émission de monnaie électronique, et d’instaurer un nouveau statut prudentiel pour les établissements de monnaie électronique. Art. 7 Cet article transpose l’article 2 de la directive. Cet article modifie l ’article 4 de la loi du 21 décembre 2009 qui défi nit un certain nombre de notions. De nouvelles défi nitions sont ajoutées à cette disposition, et notamment la défi nition des notions d’”établissement de monnaie électronique”, d’“émetteur de monnaie électronique”, de “monnaie électronique”, de “détenteur de monnaie électronique”, de “moyenne de la monnaie électronique en circulation”, et de “distributeur”. La notion d’“émetteur de monnaie électronique” est défi nie par référence, d’une part à l’exercice de l’activité d’émission de monnaie électronique et, d’autre part, par analogie avec l’article 2 de la directive, aux éta- blissements et autorités autorisés à exercer l’activité d’émission de monnaie électronique en Belgique et visés à l’article 59 de la loi (tel qu’inséré par l’article 27 de l’avant-projet), et correspondant aux cinq catégories de l’article 1 (1) de la directive. Cette défi nition inclut en outre les personnes morales bénéfi ciant d’une exemp- tion en vertu de l’article 105 de la loi (inséré par l’article 88 de l’avant-projet). Le Conseil d’État relève que les émetteurs de mon- naie électronique visés aux points 3°, 4° et 5° de l’article 59 en projet ne visent que des émetteurs belges (à l’exception de la Banque Centrale Européenne), contrai- rement à ceux visés aux points 1° et 2° de ce même article. Il souligne qu’il faudrait éviter que cette manière de procéder ne puisse restreindre indûment l’exercice en Belgique des activités réglementées par la directive pour les entités étrangères visées à l’article 1er, para- graphe 1er, points c), d) et e) de la directive. Il n’y a pas lieu de donner suite à l’observation du Conseil d’État dans la mesure où la possibilité d’émettre de la monnaie électronique en vertu de la loi belge ne concerne que des sujets de droit nationaux dont la Belgique est l’État membre d’origine. Les émetteurs visés aux points 3°, 4° et 5°, qui ne disposent pas d’un passeport européen, pourront le cas échéant exercer leurs activités sur une base transfrontalière, sur la base des libertés commu- nautaires telles que prévues par le Traité. Boek 3. In Boek 3 wordt bepaald welke instellingen en overheden elektronisch geld mogen uitgeven en wordt een nieuw prudentieel statuut ingevoerd voor instellin- gen voor elektronisch geld. Art. 7 Dit artikel voorziet in de omzetting van artikel 2 van de Richtlijn. Dit artikel wijzigt artikel 4 van de wet van 21  december  2009, dat een aantal begrippen defi - nieert. Aan deze bepaling worden een aantal nieuwe defi nities toegevoegd, waaronder de defi nities van de begrippen “instelling voor elektronisch geld”, “uitgevers van elektronisch geld”, “elektronisch geld”, “houder van elektronisch geld”, “gemiddeld uitstaand elektronisch geld” en “distributeur”. Het begrip “uitgevers van elektronisch geld” wordt gedefi nieerd via verwijzing, enerzijds, naar de uitoe- fening van de activiteit van uitgifte van elektronisch geld, en, anderzijds, naar analogie met artikel 2 van de Richtlijn, naar de instellingen en overheden die in België elektronisch geld mogen uitgeven, als bedoeld bij artikel 59 van de wet (zoals ingevoegd bij artikel 27 van het voorontwerp), die overeenstemmen met de vijf categorieën van uitgevers van elektronisch geld die in artikel 1(1) van de Richtlijn zijn opgenomen. Onder deze defi nitie vallen ook de rechtspersonen die vrijgesteld zijn op grond van artikel 105 van de wet (ingevoegd bij artikel 88 van het voorontwerp). De Raad van State merkt op dat met de uitgevers van elektronisch geld zoals bedoeld in artikel 59, 3°, 4° en 5° van het ontwerp enkel de Belgische uitgevers beoogd worden (met uitzondering van de Europese Centrale Bank), in tegenstelling tot diegenen bedoeld in 1° en 2° van datzelfde artikel. Hij benadrukt dat vermeden zou moeten worden dat deze manier van werken de uitoe- fening in België van in de richtlijn gereglementeerde activiteiten voor buitenlandse entiteiten zoals bedoeld in artikel 1, paragraaf 1, c), d) en e) van de richtlijn, ten onrechte zou beperken. Er dient geen gevolg gegeven te worden aan de opmerking van de Raad van State in die zin dat de mogelijkheid om elektronisch geld uit te geven zoals voorzien in de Belgische wet enkel nationale rechtsonderhorigen betreft waarvoor België de lidstaat van herkomst is. De uitgevers bedoeld in 3°, 4° en 5°, die niet over een Europees paspoort beschikken, zouden hun grensoverschrijdende activiteiten desgevallend op basis van de communautaire vrijheden als voorzien in het Verdrag kunnen uitoefenen. DOC 53 2432/001 10 2431/001 DOC 53 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 3 e L É G I S L A T U R E K AMER 3e Z ITTING VAN DE 53e Z ITTING S P E RIO DE 2011 2012 La notion d’“établissement de monnaie électronique” est défi nie de manière plus restrictive par rapport à la défi nition d’“émetteur de monnaie électronique” dans la mesure où cette première notion ne vise que les émet- teurs de monnaie électronique qui disposent d’un agré- ment visé au Livre 3 de la loi, à savoir un agrément en qualité d’établissement de monnaie électronique. Cette défi nition n’inclut, par contre, pas les personnes morales bénéfi ciant d’une exemption en vertu de l’article 105 de la loi. Ces personnes exemptées ne sont pas considérées comme des établissements de monnaie électronique et ce, même s’ils font l’objet d’un traitement identique à celui des établissements de monnaie électronique et s’ils sont également inscrits sur la liste visée à l’article 64 de la loi. En ce qui concerne la notion de “monnaie électro- nique”, la défi nition reprend celle de la directive. La notion de créance à laquelle il est fait allusion dans cette défi nition renvoie à l’obligation de remboursement des émetteurs de monnaie électronique, de l’article 11 (2) de la directive, transposé à l’article 58/2 de la loi du 10 décembre 2009 relative aux services de paiement introduit par l’article 126 du présent projet. Le gouvernement a également choisi d’insérer deux défi nitions qui ne sont pas mentionnées dans la direc- tive. Il est ainsi prévu une défi nition de “détenteur de monnaie électronique” étant donné que cette notion intervient à plusieurs reprises dans la directive sans y être défi nie. La notion de “distributeur” méritait éga- lement une défi nition afi n de préciser les personnes visées par ce vocable utilisé dans la loi, et auxquelles s’appliquent des règles spécifi ques. Ce vocable n’existe pas dans la directive, dans laquelle il est fait référence aux personnes physiques et morales qui agissent pour le compte des établissements de monnaie électronique. L’objectif était également de différencier cette notion de la notion d’agent, également utilisée dans la directive et dans la loi. Le distributeur est une personne physique ou morale qui distribue et/ou rembourse de la monnaie électronique pour le compte d’un établissement de mon- naie électronique, tandis qu’un agent est également une personne qui agit pour le compte d’un établissement de monnaie électronique, mais pour fournir des services de paiement. Le gouvernement n’a pas pas donné suite à l’obser- vation du Conseil d’État proposant de défi nir le terme de “État membre d’origine”, reprise à l’article 4, point 1) de la directive, afi n de faire le lien avec la notion de “personne morale de droit belge” prévue à l’article 6, alinéa 1er de la loi. En effet, pour déterminer l’applica- tion de la loi belge au titre de lex societatis, il n’est pas nécessaire d’insérer une telle défi nition dans la loi, les deux notions se recouvrant. De defi nitie van “instelling voor elektronisch geld” is restrictiever dan die van “uitgevers van elektronisch geld”, in de mate dat met het eerste begrip enkel de uitgevers van elektronisch geld worden bedoeld die een vergunning hebben verkregen als bedoeld in Boek 3 van de wet, namelijk een vergunning als instelling voor elektronisch geld. Onder deze defi nitie vallen echter niet de rechtspersonen die vrijgesteld zijn op grond van artikel 105 van de wet. Deze vrijgestelde personen wor- den niet beschouwd als instellingen voor elektronisch geld, ook al worden ze op dezelfde wijze behandeld als instellingen voor elektronisch geld en zijn ze ook ingeschreven op de lijst bedoeld in artikel 64 van de wet. Voor het begrip “elektronisch geld” wordt de defi nitie van de Richtlijn overgenomen. Het begrip “vordering” dat in deze defi nitie wordt gebruikt, staat voor de verplichting tot terugbetaling van de uitgevers van elektronisch geld, als bedoeld in artikel 11 (2) van de Richtlijn, dat omgezet is via artikel 58/2 van de wet van 10 december 2009 betreffende de betalingsdiensten, dat ingevoegd wordt bij artikel 126 van de voorliggende ontwerptekst. De regering heeft er ook voor geopteerd om twee defi nities toe te voegen die niet zijn opgenomen in de Richtlijn. Zo wordt er een defi nitie gegeven van “houder van elektronisch geld”, aangezien dit begrip verschillende keren voorkomt in de Richtlijn, zonder dat het gedefi nieerd wordt. Ook het begrip “distributeur”, dat in de wet wordt gebruikt, moest gedefi nieerd worden, om aan te geven wie hiermee bedoeld wordt. Voor deze personen gelden immers specifi eke regels. Deze term komt niet voor in de Richtlijn, waar sprake is van “na- tuurlijke en rechtspersonen die namens de instellingen voor elektronisch geld optreden”. Een ander doel van de defi nitie is dit begrip te onderscheiden van dat van “agent”, dat ook wordt gebruikt in de Richtlijn en in de wet. De distributeur is een natuurlijke of rechtspersoon die voor rekening van een instelling voor elektronisch geld elektronisch geld overmaakt en/of terugbetaalt, terwijl een agent ook een persoon is die voor rekening van een instelling voor elektronisch geld optreedt, maar om betalingsdiensten aan te bieden. De regering heeft geen gevolg gegeven aan de opmerking van de Raad van State om de term “lidstaat van herkomst”, zoals opgenomen in artikel 4, 1) van de richtlijn, te defi niëren, met oog op het maken van een link met het begrip “rechtspersoon naar Belgisch recht” zoals voorzien in artikel 6, eerste alinea van de wet. Inderdaad, om de toepassing van de Belgische wet als lex societatis te bepalen is het niet noodzakelijk om dergelijke defi nitie in de wet op te nemen aangezien beide begrippen elkaar overlappen. DOC 53 2432/001 11 2431/001 DOC 53 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 3 e L É G I S L A T U R E K AMER 3e Z ITTING VAN DE 53e Z ITTING S P E RIO DE 2011 2012 Suite à l’observation du Conseil d’État, une défi nition de la notion de “jour ouvrable” a été introduite à l’article 4, 38°. Cette défi nition envoie à celle fi gurant à l’article 2, 17° de la loi du 10 décembre 2009. Par exception, pour les besoins de deux articles spécifi ques relatifs au délai endéans lequel la Banque doit effectuer une notifi cation à l’établissement, cette notion doit être interprétée comme se référant aux jours ouvrés (de lundi à vendredi). Art. 8 Cet article introduit un nouveau Livre 2 dans la loi du 21 décembre 2009 relatif au statut des établissements de paiement, à l’accès à l’activité de prestataire de services de paiement et aux systèmes de paiement. Art. 9 Cet article insère un Titre 1er dans le Livre 2 de la loi, relatif aux prestataires de services de paiement. Art. 10 Cet article remplace l’article 5 de la loi qui défi nit les établissements et autorités autorisés à fournir des services de paiement en Belgique. Cet article distingue toujours six catégories de pres- tataires de services de paiement et ces six catégories restent inchangées. Il n’y a pas lieu de donner suite à l’observation du Conseil d’État relative au fait que les points 3°, 4° et 5° de cet article ne concernent, à l’exception de la Banque Centrale Européenne, que des prestataires de services de paiement belges. Il est renvoyé, par identité de motifs, aux commentaires relatifs aux modifi cations apportées à l’article 4 de la loi et en particulier à la défi nition d’émetteur de monnaie électronique. La catégorie des établissements de monnaie élec- tronique est également étendue aux succursales d’éta- blissements de monnaie électronique relevant du droit d’États non membres de l’EEE, établies en Belgique, conformément à l’article 98 de la loi, pour les services de paiement nécessaires à leur activité d’émission de monnaie électronique. Cette disposition refl ète le point de vue de la Commission européenne, qui avait été inter- rogée sur la différence de traitement des succursales relevant du droit d’États non membres de l’EEE dans In navolging van de opmerking van de Raad van State, werd een defi nitie van het begrip “werkdag” opgenomen in artikel 4, 38°. Deze defi nitie verwijst naar diegene zoals opgenomen in artikel 2, 17° van de wet van 10 december 2009. Als uitzondering hierop, moet het begrip werkdag, in het kader van twee specifi eke artikelen aangaande de termijn waarbinnen de Bank een kennisgeving moet verrichten aan de instelling, geïnterpreteerd worden als verwijzing naar weekdagen (van maandag tot vrijdag). Art. 8 Dit artikel voert in de wet van 21 december 2009 betreffende het statuut van de betalingsinstellingen, de toegang tot het bedrijf van betalingsdienstaanbieder en de toegang tot betalingssystemen, een Boek 2 in. Art. 9 Dit artikel voegt in Boek 2 van de wet een Titel 1 in, over de betalingsdienstaanbieders. Art. 10 Dit artikel vervangt artikel 5 van de wet, dat bepaalt welke instellingen en overheden betalingsdiensten mogen aanbieden in België. Er zijn nog steeds zes categorieën van betalings- dienstaanbieders en deze zes categorieën blijven ongewijzigd. Er is geen reden om gevolg te geven aan de opmer- king van de Raad van State in verband met het feit dat de punten 3°, 4° en 5° van dit artikel, met uitzondering van de Europees Centrale Bank, enkel Belgische betalings- dienstaanbieders betreffen. Wegens gelijkaardigheid van de onderliggende motieven wordt verwezen naar de commentaren bij de wijzigingen aangebracht aan artikel 4 van de wet en in het bijzonder aan de defi nitie van uitgever van elektronisch geld. De categorie van de instellingen voor elektronisch geld wordt ook uitgebreid tot de bijkantoren van instel- lingen voor elektronisch geld die ressorteren onder het recht van staten die geen lid zijn van de EER, die in België zijn gevestigd overeenkomstig artikel 98 van de wet, voor de betalingsdiensten die voor hun activiteit van uitgifte van elektronisch geld vereist zijn. Deze bepaling geeft het standpunt weer van de Europese Commissie, die geraadpleegd werd over het verschil in behandeling dat in de Richtlijnen 2007/64/EG en 2009/110/EG wordt DOC 53 2432/001 12 2431/001 DOC 53 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 3 e L É G I S L A T U R E K AMER 3e Z ITTING VAN DE 53e Z ITTING S P E RIO DE 2011 2012 les directives 2007/64/CE et 2009/110/CE. En effet, ces succursales peuvent, en vertu de la directive 2009/110/ CE, émettre de la monnaie électronique dans un État de l’EEE, ce qui leur permet en principe, sur la base de l’article 6 de cette directive, de prester les services de paiement énumérés en annexe de la directive 2007/64/ CE. Toutefois, cette disposition n’est pas compatible avec celles de la directive sur les services de paiement qui requièrent l’établissement d’une personne morale distincte dans l’EEE pour y fournir des services de paiement. La Commission européenne a estimé que les dispositions de la directive sur la monnaie électro- nique ne peuvent pas permettre de contourner celles de la direct°ive sur les services de paiement et que, par conséquent, les succursales d’établissements de mon- naie électronique relevant du droit d’États non membres devraient uniquement être autorisées à fournir les ser- vices de paiement liées à leur activité d’émission de monnaie électronique, à l’exclusion de tout autre service de paiement (procès-verbal de la réunion du “ E-money Directive Transposition Group” du 24 juin 2010). Cet article vise à aligner l’article 5, 4° et 5° de la loi avec l’article 1er (1), e) et f) de la directive 2007/64/CE qui ne vise la Banque centrale européenne et les banques centrales nationales, ainsi que les États membres ou leurs autorités régionales ou locales, dans la mesure où elles n’agissent pas en qualité d’autorités monétaires ou publiques. Le gouvernement est d’avis que tant la Banque cen- trale européenne et la Banque nationale de Belgique, que les autorités fédérales, régionales, communautaires et locales belges peuvent exercer les activités que la directive 2007/64/CE qualifi e de services de paiement et ce, en leur qualité d’autorité monétaire ou publique. Dans cette hypothèse, ces activités ne tombent toutefois pas dans le champ d’application de la directive (de la loi). Lorsqu’en revanche, elles fournissent des services de paiement en dehors de leur qualité d’autorité monétaire, ou d’autre autorité publique, ces activités tombent dans le champ d’application de la directive et, en particulier, dans le champ d’application des dispositions relatives à la protection des consommateurs et des règles de conduite qui font l’objet de la loi du 10 décembre 2009 relative aux services de paiement. Par contre, elles ne sont pas soumises aux dispositions du Titre 2, Livre 2, de la loi du 21 décembre 2009 (un agrément n’est donc pas requis). Il est toutefois clarifi é dans la phrase introductive du nouvel article 5 de la loi (remplacé par l’article 10 du présent projet de loi) que les établissements et autorités gemaakt voor bijkantoren die ressorteren onder het recht van staten die geen lid zijn van de EER. Volgens Richtlijn 2009/110/EG mogen die bijkantoren namelijk elektronisch geld uitgeven in een lidstaat van de EER, wat hen in principe toelaat, op grond van artikel 6 van die richtlijn, om de betalingsdiensten te verrichten die opge- somd zijn in de bijlage bij Richtlijn 2007/64/EG. Deze bepaling is echter niet verenigbaar met de bepalingen van de richtlijn over de betalingsdiensten die vereisen dat er een afzonderlijke rechtspersoon wordt opgericht in de EER om er betalingsdiensten te verrichten. De Europese Commissie heeft geoordeeld dat de bepalin- gen van de richtlijn over elektronisch geld niet tot gevolg mogen hebben dat de bepalingen van de richtlijn over de betalingsdiensten worden omzeild en, bijgevolg, dat de bijkantoren van instellingen voor elektronisch geld die ressorteren onder het recht van staten die geen lid zijn van de EER, enkel betalingsdiensten zouden mogen verstrekken die verband houden met hun activiteit van uitgifte van elektronisch geld, met uitsluiting van alle andere betalingsdiensten (notulen van de vergadering van de “E-money Directive Transposition Group” van 24 juni 2010). Met dit artikel wordt artikel 5, 4° en 5° van de wet in overeenstemming gebracht met artikel 1 (1), e) en f), van Richtlijn 2007/64/EG, dat bepaalt dat de Europese Cen- trale Bank, de nationale centrale banken en de lidstaten of hun regionale of lokale overheden maar betalings- diensten mogen aanbieden wanneer zij niet handelen in hun hoedanigheid van monetaire of publieke autoriteit. De regering is van mening dat zowel de Europese Centrale Bank en de Nationale Bank van België als de Belgische federale, gewestelijke en lokale overheden en de overheden van de gemeenschappen in België de werkzaamheden mogen uitoefenen die Richtlijn 2007/64/EG kwalifi ceert als betalingsdiensten, indien zij handelen in hun hoedanigheid van monetaire of publieke autoriteit. Deze werkzaamheden vallen dan echter niet onder de toepassing van de Richtlijn (van de wet). Wanneer zij echter betalingsdiensten aanbieden buiten hun hoedanigheid van monetaire of andere publieke autoriteit, vallen deze werkzaamheden wel onder de toepassing van de Richtlijn en in het bijzonder van de bepalingen die betrekking hebben op de consumenten- bescherming en van de gedragsregels die opgenomen zijn in de wet van 10 december 2009 betreffende de betalingsdiensten. Voor deze werkzaamheden gelden echter niet de bepalingen van Titel 2, Boek 2, van de wet van 21 december 2009 (er is dus geen vergunning vereist). In de inleidende zin van het nieuwe artikel 5 van de wet (vervangen bij artikel 10 van het voorliggend wet- sontwerp) wordt evenwel gepreciseerd dat de in deze DOC 53 2432/001 13 2431/001 DOC 53 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 3 e L É G I S L A T U R E K AMER 3e Z ITTING VAN DE 53e Z ITTING S P E RIO DE 2011 2012 visés dans cette disposition ne sont autorisés à fournir des services de paiement en Belgique que dans la mesure où l’exercice de cette activité est également autorisé en vertu des dispositions régissant le statut des établissements et autorités visés, L’on pense notamment à la loi du 22 février 1998 fi xant le statut organique de la Banque nationale de Belgique, au Protocole sur les statuts du Système européen de banques centrales et de la Banque centrale européenne, ou aux autres dis- positions légales, telles que les diverses lois organiques régissant le statut des autorités fédérales, régionales, communautaires et locales belges. Art. 11 Cet article modifi e l’article 6 de la loi, notamment en le complétant d’un nouvel alinéa ayant pour objet d’assurer la protection de l’usage public des termes ‘établissements de paiement” en réservant l’usage de ces termes aux établissements ayant obtenu un agré- ment en cette qualité. Il s’agit d’une disposition usuelle dans la législation fi nancière: par exemple dans la loi bancaire (article 6), ou dans la loi du 6 avril 1995 relative au statut et au contrôle des entreprises d’investissement (article 55). Art. 12 Cet article apporte deux corrections à l’article 7 de la loi. D’une part, le 4° est modifi é pour tenir compte de la modifi cation introduite à l’article 22 de la loi du 21 dé- cembre 2009 (voyez l’article 17 du projet de loi). D’autre part, le 12° est supprimé. La preuve de l’adhésion à un système extrajudiciaire de traitement des plaintes en matière de services de paiement ne doit pas apparaître sur la liste des renseignements requis dans le dossier d’agrément. L’obligation d’adhérer à un tel système est insérée à l’article 75 de la loi du 10 décembre 2009, par l’article 134 du présent avant-projet. Art. 13 Cet article abroge les termes “pour autant qu’elle parvienne à une évaluation globalement favorable” dans l’article 8, alinéa 1er de la loi, et ce par analogie avec les autres dispositions traitant de l’appréciation de la demande d’agrément dans d’autres législations fi nancières (par exemple l’article 10 de la loi bancaire ou l’article 50 de la loi du 6 avril 1995 relative au statut et au contrôle des entreprises d’investissement). bepaling bedoelde instellingen en overheden maar betalingsdiensten mogen aanbieden in België indien zij deze activiteit ook mogen uitoefenen op grond van de bepalingen over hun statuut. We denken hier met name aan de wet van 22 februari 1998 tot vaststelling van het organiek statuut van de Nationale Bank van België, het Protocol betreffende de statuten van het Europees stelsel van centrale banken en van de Europese Cen- trale Bank, of aan andere wettelijke bepalingen, zoals de diverse organieke wetten over het statuut van de Belgische federale, gewestelijke en lokale overheden en van de overheden van de gemeenschappen in België. Art. 11 Dit artikel wijzigt artikel 6 van de wet, met name door er een nieuw lid aan toe te voegen dat het publiek gebruik van de term “betalingsinstelling” beschermt. Het gebruik van deze term wordt namelijk voorbehouden aan instellingen die een vergunning hebben verkregen als betalingsinstelling. Deze bepaling komt vaak voor in fi nanciële wetteksten: bijvoorbeeld in de bankwet (artikel 6) of in de wet van 6 april 1995 inzake het statuut van en het toezicht op de beleggingsondernemingen (artikel 55). Art. 12 Dit artikel brengt in artikel 7 van de wet twee ver- beteringen aan. Enerzijds wordt punt 4° gewijzigd om rekening te houden met de wijziging die in artikel 22 van de wet van 21 december 2009 werd ingevoerd (zie artikel 17 van het wetsontwerp). Anderzijds wordt punt 12° geschrapt. Het bewijs van toetreding tot een buiten- gerechtelijke klachtenregeling voor betalingsdiensten moet niet worden opgenomen in de lijst van inlichtingen die in het kader van de vergunningsaanvraag moeten worden verstrekt. De verplichting om tot een dergelijke regeling toe te treden wordt ingevoegd in artikel 75 van de wet van 10 december 2009, via artikel 134 van de voorliggende ontwerptekst. Art. 13 Via dit artikel worden de woorden “en voor zover zij over de gehele lijn tot een positief oordeel komt” ges- chrapt in artikel 8, eerste lid van de wet, naar analogie met andere bepalingen die betrekking hebben op de beoordeling van de vergunningsaanvraag in andere fi nanciële wetteksten (bijvoorbeeld artikel 10 van de bankwet of artikel 50 van de wet van 6 april 1995 inzake het statuut van en het toezicht op de beleggingsonder- nemingen). DOC 53 2432/001 14 2431/001 DOC 53 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 3 e L É G I S L A T U R E K AMER 3e Z ITTING VAN DE 53e Z ITTING S P E RIO DE 2011 2012 Art. 14 Cet article modifi e la portée du terme actions pré- férentielles dans la liste des éléments à prendre en considération dans le calcul du capital initial d’un éta- blissement de paiement, afi n de se conformer à l’article 57, points a) et b) de la directive 2006/48/CE à laquelle il est fait référence à l’article 6 de la directive 2007/64/CE relatif au capital initial des établissements de paiement. Art. 15 Cet article modifi e l’article 14 de la loi, relatif aux exigences organisationnelles des établissements de paiement, en vue d’y insérer une obligation, pour ces établissements, de disposer d’une fonction de com- pliance destinée à assurer le respect des règles de droit relatives à l’intégrité de l’activité des établissements de paiement. Cette disposition est insérée par analogie avec les dispositions d’autres législations fi nancières. Cet article abroge également des références erro- nées faites au comité d’audit, dont la mise en place n’est pas exigée dans les établissements de paiement. Il n’a pas été donné suite à l’observation du Conseil d’État qui relève que la loi du 17 décembre 2008 instituant notamment un comité d’audit dans les sociétés cotées et dans les entreprises fi nancières modifi e entre autres la loi du 22 mars 1993 relative au statut et au contrôle des établissements de crédit, et que ces établissements de crédit peuvent également être des établissements de paiement. En effet, le statut d’établissement de crédit lui permet de fournir des services de paiement sans qu’il soit nécessaire d’obtenir un agrément en qualité d’établissement de paiement. Enfi n, il prévoit que les personnes chargées de la direction effective de l’établissement de paiement prennent aussi les mesures nécessaires pour assurer le respect des dispositions prévues à l’article 23, alinéa 1er, f), relatif à l’externalisation d’activités et à son impact sur la qualité du contrôle interne de l’établissement de paiement. Art. 16 Cet article modifi e l’article 21 de la loi afi n d’y abroger des références faites à la loi bancaire qui n’ont plus lieu d’être. La défi nition de la notion de monnaie électronique est, en effet, insérée dans la loi par l’article 7 du présent avant-projet et, corrélativement, la défi nition de cette notion à l’article 3, 7° de la loi bancaire est abrogée par l’article 103 du présent avant-projet. Art. 14 Dit artikel wijzigt de reikwijdte van de term “preferente aandelen” in de opsomming van de bestanddelen die in aanmerking komen voor de berekening van het aan- vangskapitaal van een betalingsinstelling. De tekst wordt aangepast aan die van punten a) en b) van artikel 57 van Richtlijn 2006/48/EG, waarnaar wordt verwezen in artikel 6 van Richtlijn 2007/64/EG, dat betrekking heeft op het aanvangskapitaal van betalingsinstellingen. Art. 15 Dit artikel wijzigt artikel 14 van de wet, over de orga- nisatorische vereisten voor betalingsinstellingen, om er voor die instellingen de verplichting aan toe te voegen om over een compliancefunctie te beschikken die garandeert dat de rechtsregels in verband met de integriteit van de werkzaamheden van betalingsinstellingen worden nage- leefd. Deze bepaling wordt ingevoegd naar analogie met de bepalingen van andere fi nanciële wetteksten. Voorts schrapt dit artikel de foute verwijzingen naar het auditcomité; betalingsinstellingen moeten immers geen dergelijk comité hebben. Er werd geen gevolg gegeven aan de opmerking van de Raad van State die stelt dat de wet van 17 december 2008 inzonderheid tot oprichting van een auditcomité in de genoteerde ven- nootschappen en de fi nanciële ondernemingen, onder meer de wet van 22 maart 1993 op het statuut van en het toezicht op de kredietinstellingen, wijzigt, en dat deze kredietinstellingen eveneens betalingsinstellingen kunnen zijn. Inderdaad, het statuut van kredietinstel- lingen laat hen toe om betalingsdiensten te verrichten zonder dat het noodzakelijk is om een vergunning als betalingsinstelling te verkrijgen. Tot slot bepaalt dit artikel dat de personen die belast zijn met de effectieve leiding van de betalingsinstelling ook de nodige maatregelen moeten nemen om de nale- ving te garanderen van het bepaalde bij artikel 23, eerste lid, f) met betrekking tot de uitbesteding van activiteiten en hun impact op de kwaliteit van de interne controle van de betalingsinstelling. Art. 16 Dit artikel wijzigt artikel 21 van de wet, om de overbo- dig geworden verwijzingen naar de bankwet te schrap- pen. De defi nitie van het begrip “elektronisch geld” wordt namelijk ingevoegd in de wet bij artikel 7 van het voorliggend voorontwerp, waardoor de defi nitie die van dit begrip wordt gegeven in artikel 3, 7° van de bankwet geschrapt wordt bij artikel 103 van deze ontwerptekst. DOC 53 2432/001 15 2431/001 DOC 53 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 3 e L É G I S L A T U R E K AMER 3e Z ITTING VAN DE 53e Z ITTING S P E RIO DE 2011 2012 En outre, cet article est modifi é afi n de corriger et harmoniser la terminologie relative à la notion de “ges- tion de systèmes de paiement” dans les paragraphes 2 et 6, ainsi que afi n d’aligner le texte français sur le texte néerlandais. Enfi n, le paragraphe 1er de l’article 21 est modifi é de manière à permettre à la Banque de subordonner l’exer- cice d’une activité commerciale par l’établissement de paiement à certaines conditions supplémentaires, dans le cadre d’une maîtrise des risques appropriée et d’un contrôle prudentiel adapté de l’établissement de paiement concerné. Pour rappel, l’articulation des paragraphes 1 à 3 de l’article 21 est la suivante: L’article 21, § 1er prévoit que les établissements de paiement ne peuvent exercer des activités autres que les services de paiement qu’avec l’autorisation préalable de la Banque et aux conditions posées par cette dernière. Par dérogation au principe posé au paragraphe pre- mier, l’article 21, § 2 prévoit que les établissements de paiement peuvent de plein droit exercer les activités suivantes: 1° la prestation de services auxiliaires des services de paiement et 2° la gestion de systèmes de paiement. Enfi n, l’article 21, § 3 prévoit que les établissements de paiement ne peuvent octroyer un crédit lié aux ser- vices de paiement visés aux points 4, 5 et 7 de l’Annexe I qu’à certaines conditions (caractère accessoire à l’exé- cution d’une opération de paiement, remboursement endéans les douze mois et interdiction d’octroyer le crédit au moyen des fonds reçus ou détenus pour exé- cuter l’opération de paiement). L’établissement de paiement souhaitant octroyer du crédit lié aux services de paiement doit donc obtenir l’autorisation de la Banque qui vérifi era que les conditions prévues à l’article 21, § 3 sont satisfaites. Il devra également respecter les dispositions de la loi du 12 juin 1991 sur le crédit à la consommation (agrément du prêteur,...) dans la mesure où celle-ci s’avère d’appli- cation. En outre, il reviendra à la Banque, conformément à ce que prévoit l’article 21, § 3, d), (transposant l’article 16.3. d) de la directive 2007/64/CE), de veiller à ce que les fonds propres de l’établissement de paiement soient à tout moment appropriés au regard du montant total du crédit octroyé lié aux services de paiement. Bovendien wordt dit artikel gewijzigd om in de para- grafen 2 en 6 een terminologische correctie en harmo- nisering aan te brengen met betrekking tot het begrip “beheer van betalingssystemen” en om de Franse tekst in overeenstemming te brengen met de Nederlandse tekst. Tot slot wordt paragraaf 1 van artikel 21 gewijzigd zodat de Bank de uitoefening van een bedrijfswerk- zaamheid door de betalingsinstelling aan aanvullende voorwaarden kan onderwerpen, rekening houdend met de noodzaak van een passende risicobeheersing door de betrokken betalingsinstelling en met de vereiste van een passend prudentieel toezicht op deze instelling. De paragrafen 1 tot 3 van artikel 21 sluiten als volgt op mekaar aan: Artikel 21, § 1 bepaalt dat betalingsinstellingen geen andere werkzaamheden dan betalingsdiensten mogen verrichten, tenzij zij hiervoor voorafgaandelijk de toe- stemming hebben verkregen van de Bank en zij aan de door de Bank gestelde voorwaarden voldoen. In afwijking van het beginsel dat vastgelegd is in paragraaf 1, bepaalt artikel 21, § 2 dat betalingsinstel- lingen van rechtswege de volgende werkzaamheden mogen uitoefenen: 1° het verrichten van nevendiensten van betalingsdiensten en 2° het beheer van betalings- systemen. Artikel 21, § 3 ten slotte, bepaalt dat betalingsinstel- lingen maar een krediet mogen verlenen in verband met betalingsdiensten bedoeld in de punten 4, 5 en 7 van Bijlage I, mits zij voldoen aan bepaalde voorwaarden (aanvullend verstrekt in uitvoering van een betalings- transactie, terugbetaling binnen twaalf maanden en verbod om het krediet te verlenen uit middelen die zijn ontvangen of worden aangehouden voor de uitvoering van de betalingstransactie). Indien een betalingsinstelling krediet wenst te verle- nen in verband met betalingsdiensten, moet zij daarvoor dus de toestemming verkrijgen van de Bank, die zal nagaan of voldaan is aan de voorwaarden van artikel 21, § 3. Zij moet ook voldoen aan de bepalingen van de wet van 12 juni 1991 op het consumentenkrediet (erkenning van de kredietgever,...), voor zover deze wet van toepas- sing is. Bovendien moet de Bank erop toezien, conform het bepaalde in artikel 21, § 3, d), (dat omzetting geeft aan artikel 16.3. d) van Richtlijn 2007/64/EG), dat het eigen vermogen van de betalingsinstelling te allen tijde in redelijke verhouding staat tot het totale bedrag van het krediet dat in verband met betalingsdiensten werd verleend. DOC 53 2432/001 16 2431/001 DOC 53 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 3 e L É G I S L A T U R E K AMER 3e Z ITTING VAN DE 53e Z ITTING S P E RIO DE 2011 2012 L’établissement de paiement souhaitant octroyer du crédit non lié à des services de paiement doit égale- ment, conformément aux dispositions du paragraphe 1 er, obtenir l’autorisation préalable de la Banque. Il devra en outre respecter la législation pertinente régissant l’octroi des crédits concernés (article 16.5 de la directive 2007/64/CE). Notons que la Banque ne contrôle pas les activités des établissements de paiement autres que les services de paiement et les services opérationnels et auxiliaires étroitement liés (voyez l’article 21, § 8 de la loi renvoyant à l’article 25, dernier alinéa). En effet, ces autres activités sont régies par les régle- mentations qui leur sont applicables et qui défi nissent les règles d’accès à l’activité ainsi que les éventuelles règles relatives aux exigences en matière de solvabilité et de liquidité. Ces règles s’appliquent ainsi de manière complémentaire aux exigences découlant du statut d’établissement de paiement. Par conséquent, la Banque ne contrôle pas l’activité de crédit exercée par l’établissement de paiement, sauf dans les limites suivantes: — en cas d’octroi de crédits liés aux services de paiement, la Banque veille à ce que les fonds propres de l’établissement de paiement soient à tout moment appropriés au regard du montant total du crédit octroyé, lié aux services de paiement (article 21, § 3, d); — en cas d’octroi de crédits non liés à des services de paiement, la Banque peut, dans un optique de maî- trise des risques et pour les besoins de l’encadrement prudentiel de l’établissement de paiement, imposer à l’établissement de paiement certaines conditions à res- pecter, visant, par exemple à cloisonner cette activité par rapport à l’activité de services de paiement sur laquelle porte uniquement le contrôle de la Banque. Pour ce faire, la Banque tient compte des règles prévues dans la réglementation spécifi que le cas échéant applicable, qui s’appliqueraient alors de manière additionnelle aux exigences découlant du statut d’établissement de paiement. Ainsi, si la réglementation applicable prévoit des exigences en matière de solvabilité et de liquidité, ces règles s’appliqueront de manière autonome et leur respect sera contrôlé par l’autorité compétente pour la matière concernée et non par la Banque. Indien een betalingsinstelling krediet wenst te ver- lenen dat geen verband houdt met betalingsdiensten, moet zij daarvoor eveneens de voorafgaande toestem- ming verkrijgen van de Bank, conform de bepalingen van paragraaf 1. Bovendien moet zij de toepasselijke wetgeving naleven met betrekking tot de betrokken kredietverlening (artikel 16.5 van Richtlijn 2007/64/CE). De Bank houdt geen toezicht op de door beta- lingsinstellingen verrichte werkzaamheden die noch betalingsdiensten zijn, noch operationele diensten of daarmee nauw samenhangende nevendiensten (zie artikel 21, § 8 van de wet, waarin verwezen wordt naar artikel 25, laatste lid). Die andere werkzaamheden worden namelijk gere- geld door de regelgeving die op hen van toepassing is en die de regels bevat voor de toegang tot het bedrijf van betalingsdienstaanbieder evenals de eventuele regels met betrekking tot de solvabiliteits- en liquiditeit- svereisten. Deze regels vormen aldus een aanvulling op de vereisten die voortvloeien uit het statuut van betalingsinstelling. De Bank houdt dus geen toezicht op de kredietver- leningsactiviteit van de betalinginstelling, tenzij binnen de volgende grenzen: — indien de betalingsinstelling kredieten verleent in verband met betalingsdiensten, ziet de Bank erop toe dat het eigen vermogen van deze instelling te allen tijde in redelijke verhouding staat tot het totale bedrag van het krediet dat in verband met betalingsdiensten werd verleend (artikel 21, § 3, d); — indien de betalingsinstelling kredieten verleent die geen verband houden met betalingsdiensten, kan de Bank, in het kader van de risicobeheersing en rekening houdend met de vereiste van prudentieel toezicht op deze instelling, bepaalde voorwaarden opleggen aan de betalingsinstelling, die bijvoorbeeld tot doel hebben deze werkzaamheid af te scheiden van de betalings- dienstactiviteit, die de enige werkzaamheid is waarop de Bank toezicht houdt. Daarbij houdt de Bank rekening met de regels van de specifi eke regelgeving die in voor- komend geval van toepassing is, die dan een aanvulling zouden vormen op de vereisten die voortvloeien uit het statuut van betalingsinstelling. Indien de toepasselijke regelgeving dus voorziet in solvabiliteits- en liquiditeit- svereisten, zullen deze regels op autonome basis van toepassing zijn en zal het toezicht op de naleving ervan worden uitgeoefend door de voor de betrokken materie bevoegde autoriteit en niet door de Bank. DOC 53 2432/001 17 2431/001 DOC 53 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 3 e L É G I S L A T U R E K AMER 3e Z ITTING VAN DE 53e Z ITTING S P E RIO DE 2011 2012 En d’autres termes, la Banque appréhendera la maîtrise des risques au niveau de la gestion de l’éta- blissement de paiement en vérifi ant le statut de contrôle auquel cette activité autre que les services de paiement ou les activités visées au paragraphe 2 pourrait être soumise et en imposant, le cas échéant, des condi- tions supplémentaires si elle le juge nécessaire pour les besoins du contrôle prudentiel de l’établissement de paiement. Art. 17 Cet article modifi e une erreur matérielle dans l’ar- ticle 22, § 1er, alinéa 1er, c) de la loi. Le gouvernement estime également utile d’exiger que tous les établissements de paiement, qu’ils soient hybrides ou non hybrides, se conforment aux exigences de protection des fonds prévues à l’article 22 de la loi. Cette possibilité d’extension de la protection, prévue à l’article 9.3 de la directive 2007/64/CE, se justifi e notamment au regard de la nécessité de protéger adé- quatement et de la même manière tous les utilisateurs de services de paiement, quelles que soient les activités exercées par l’établissement de paiement. Elle se justifi e également au regard des dispositions similaires prévues en matière de protection des fonds dans la directive sur la monnaie électronique, qui s’appliquent à tous les établissements de monnaie électronique, quelles que soient leurs activités. Enfi n, cet article prévoit que les personnes chargées de la direction effective de l’établissement de paiement prennent les mesures nécessaires pour assurer le res- pect des dispositions prévues aux paragraphes 1er et 2 et doivent faire rapport à l’organe légal d’administration, à la Banque et au commissaire. Art. 18 Cet article corrige une erreur matérielle. Art. 19 Cet article vise à introduire à l’article 33, alinéa 1er, 1° de la loi une référence à l’article 23, alinéa 1° f), afi n que le commissaire évalue les mesures de contrôle interne adoptées par l’établissement de paiement en matière d’externalisation d’éléments organisationnels. Met andere woorden, de Bank beoordeelt de risico- beheersing op het niveau van het beleid van de beta- lingsinstelling, door na te gaan welk toezichtsstatuut deze andere werkzaamheden dan betalingsdiensten of dan de werkzaamheden bedoeld in paragraaf 2 zou kunnen hebben en door in voorkomend geval aanvullende voorwaarden op te leggen, indien zij dit noodzakelijk acht voor het prudentieel toezicht op de betalingsinstelling. Art. 17 Dit artikel zet een materiële fout recht in artikel 22, § 1, eerste lid, c) van de wet. De regering acht het ook nuttig te bepalen dat alle betalingsinstellingen, ongeacht of ze hybride zijn, moe- ten voldoen aan de vereisten inzake de bescherming van geldmiddelen waarin voorzien is in artikel 22 van de wet. Deze mogelijkheid tot uitbreiding van de bescher- ming, die opgenomen is in artikel 9.3 van de richtlijn 2007/64/EG, vindt met name haar rechtvaardiging in de noodzaak om voldoende en gelijke bescherming te bieden aan alle betalingsdienstgebruikers, ongeacht welke werkzaamheden de betalingsinstelling uitoefent. Deze mogelijkheid vindt ook haar rechtvaardiging in de soortgelijke bepalingen inzake de bescherming van geldmiddelen die zijn opgenomen in de richtlijn over elektronisch geld en die van toepassing zijn op alle instellingen voor elektronisch geld, ongeacht hun werkzaamheden. Tot slot bepaalt dit artikel dat de personen die belast zijn met de effectieve leiding van de betalingsinstelling de nodige maatregelen moeten nemen om de naleving te garanderen van het bepaalde bij de paragrafen 1 en 2 en moeten het wettelijke bestuursorgaan, de Bank en de commissaris erover inlichten. Art. 18 Dit artikel zet een materiële fout recht. Art. 19 Dit artikel voegt in artikel 33, eerste lid, 1° van de wet een verwijzing in naar artikel 23, eerste lid, f), om aan te geven dat de internecontrolemaatregelen die door de betalingsinstelling worden getroffen op het vlak van de uitbesteding van organisatorische elementen, door de commissaris moeten worden beoordeeld. DOC 53 2432/001 18 2431/001 DOC 53 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 3 e L É G I S L A T U R E K AMER 3e Z ITTING VAN DE 53e Z ITTING S P E RIO DE 2011 2012 Art. 20 Cet article remplace l’article 35 de la loi relatif aux mesures de redressement que la Banque est autorisée à prendre à l’égard d’un établissement de paiement. Il est notamment prévu, outre les mesures de suspension d’activités, d’exigences supplémentaires en termes de solvabilité, de remplacement des administrateurs ou gérants de l’établissement, et de révocation de l’agrément, la mesure de désignation d’un commissaire spécial, usuelle dans les autres législations fi nancières. Pour des raisons de cohérence par rapport aux mêmes dispositions reprises dans d’autres législations fi nan- cières (par exemple l’article 57 de la loi bancaire), il n’a pas été donné suite à l’observation du Conseil d’État suggérant que l’alinéa 4 de l’article 35, § 1er, 2° en projet devienne un nouveau 3° de ce paragraphe au motif qu’il s’agit d’une mesure distincte de celles prévues par les autres alinéas du 2°. Les autres modifi cations apportées à cet article visent à corriger des erreurs matérielles, afi n de rendre cette disposition similaire aux dispositions analogues des autres législations fi nancières (par exemple l’article 57 de la loi bancaire). Art. 21 Cet article prévoit l’obligation pour les dirigeants de la succursale de faire rapport au moins une fois par an à la Banque et au réviseur sur l’adéquation des mesures de contrôle interne adoptées par les succursales en vue de se conformer aux dispositions d’intérêt général applicables en vertu du paragraphe 1er. Art. 22 Cet article transpose l’article 26 de la directive 2007/64/CE et fi xe les conditions auxquelles les per- sonnes morales qui fournissent ou entendent fournir des services de paiement en Belgique peuvent être exemptées (la directive parle de “dérogation”), en tout ou en partie, du respect des dispositions du Titre 2 du Livre 2 de la loi. Les conditions en question portent notamment sur le montant total moyen mensuel des opérations de paiement qui ne peut pas dépasser un plafond de trois millions d’euros. Lors de la transposition de la directive 2007/64/ CE, le gouvernement avait proposé de ne pas encore intégrer ce régime d’exemption dans la loi même, mais Art. 20 Dit artikel vervangt artikel 35 van de wet, dat be- paalt welke herstelmaatregelen de Bank kan nemen ten aanzien van een betalingsinstelling. Behalve de schorsing van de werkzaamheden, de oplegging van bijkomende vereisten inzake solvabiliteit, de vervanging van bestuurders of zaakvoerders van de instelling en de herroeping van de vergunning, kan de Bank onder meer ook verlangen dat er een speciaal commissaris wordt aangesteld, een maatregel die vaak voorkomt in fi nanciële wetteksten. Om redenen van samenhang met gelijkaardige bepalingen in andere fi nanciële wetgeving (bijvoorbeeld artikel 57 van de bankwet), werd er geen gevolg gegeven aan de opmerking van de Raad van State waarbij voorgesteld werd om de vierde alinea van artikel 35, paragraaf 1, 2° van het ontwerp als een nieuwe 3° van deze paragraaf op te nemen op basis van het motief dat het een te onderscheiden maatregel betreft van diegene voorzien in de andere alinea’s van 2°. Met de andere wijzigingen die in dit artikel worden aangebracht, worden een aantal materiële fouten rech- tgezet, om deze bepaling af te stemmen op analoge bepalingen van andere fi nanciële wetteksten (bijvoor- beeld artikel 57 van de bankwet). Art. 21 Dit artikel voorziet in de verplichting, voor de leiders van het bijkantoor, om minstens eenmaal per jaar verslag uit te brengen aan de Bank en aan de revisor over de deugdelijkheid van de internecontrolemaatre- gelen die de bijkantoren hebben getroffen om zich te conformeren aan de bepalingen van algemeen belang die krachtens paragraaf 1 van toepassing zijn. Art. 22 Dit artikel voorziet in de omzetting van artikel 26 van Richtlijn 2007/64/EG en bevat de voorwaarden die vervuld moeten worden door de rechtspersonen die betalingsdiensten aanbieden in België of voornemens zijn dit te doen, om geheel of gedeeltelijk vrijgesteld te kunnen worden (in de Richtlijn gebruikt men de term “ontheffing”) van de naleving van de bepalingen van Titel 2 van Boek 2 van de wet. De betrokken voorwaarden betreffen met name het maandelijks gemiddelde van het totale bedrag aan betalingstransacties, dat niet hoger mag zijn dan drie miljoen euro. Bij de omzetting van Richtlijn 2007/64/EG had de regering voorgesteld deze vrijstellingsregeling nog niet op te nemen in de wet zelf, maar om haar indien nodig DOC 53 2432/001 19 2431/001 DOC 53 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 3 e L É G I S L A T U R E K AMER 3e Z ITTING VAN DE 53e Z ITTING S P E RIO DE 2011 2012 de l’instaurer, si besoin est, par voie d’arrêté royal, notamment parce qu’il n’était pas possible, au moment de cette transposition, d’apprécier si un tel régime était nécessaire. Deux ans après la transposition de la directive 2007/64/CE, il est apparu au gouvernement qu’un tel régime d’exemption devait être organisé afi n de permettre à de plus petites structures, et notamment des bureaux de change, de fournir des services de paie- ment en Belgique, sans devoir obtenir un agrément en qualité d’établissement de paiement, tout en assurant la protection des marchés fi nanciers et des systèmes de paiement, ainsi que la protection des utilisateurs de services de paiement. L’article 26 de la directive prévoit la possibilité d’une exemption tant pour les personnes morales que pour les personnes physiques. L’avant-projet de loi ne fait que partiellement usage de cette possibilité, en ce sens que l’article 48 de la loi ne permet d’accorder de telles exemptions qu’à des personnes morales.En réponse à l’observation du Conseil d’État qui s’interroge sur cette restriction, on précise qu’il ne semble pas opportun ni concevable de permettre à des personnes physiques de fournir des services de paiement en Belgique sous un statut d’exemption, et ce, principalement pour des raisons de sécurité et de protection des clients. L’octroi du statut d’exemption relève d’une évaluation de la Banque sur base d’un dossier concret qui lui sera soumis. La Banque, dans l’exercice de son pouvoir discrétionnaire, vérifi era si les conditions prévues par l’article 48, § 1er, 1° et 2° sont remplies en l’espèce et, dans l’affirmative, exemptera la personne morale de tout ou partie des dispositions du Livre 2 de la loi et de ses arrêtés d’exécution. Notons que les personnes morales ne pourront pas être exemptées ni de l’article 21 de la loi requérant l’autorisation de la Banque pour l’exercice d’une autre activité que celle de services de paiement ni de l’article 22 de la loi contenant des règles de protection des fonds reçus par les établissements de paiement. Le paragraphe 4 transpose l’article 26.4 de la direc- tive 2007/64/CE permettant aux États membres de prévoir qu’une personne exemptée ne peut exercer que certaines des activités énumérées à l’article 16 de la directive. Il est difficile, à l’heure actuelle, de déterminer si et dans quelle mesure une limitation des activités exercées devrait être imposée aux personnes morales exemptées. Le gouvernement propose dès lors d’habiliter le Roi à régler cette question ultérieurement, sur la base de l’expérience. in te voeren via koninklijk besluit, met name omdat op dat ogenblik nog niet beoordeeld kon worden of een dergelijke regeling nodig was. Twee jaar na de omzetting van Richtlijn 2007/64/EG vond de regering dat er een dergelijke vrijstellingsregeling moest worden ingevoerd, zodat kleinere structuren, en met name wisselkantoren, betalingsdiensten kunnen aanbieden in België zonder over een vergunning te beschikken als betalingsinstel- ling, waarbij gezorgd wordt voor de bescherming van de fi nanciële markten en de betalingssystemen, evenals van de gebruikers van betalingsdiensten. Volgens artikel 26 van de Richtlijn mag er zowel aan rechtspersonen als aan natuurlijke personen een vrijstelling worden verleend. In het voorontwerp van wet wordt slechts gedeeltelijk gebruik gemaakt van deze mogelijkheid, aangezien artikel 48 van de wet enkel toelaat dat dergelijke vrijstellingen worden verleend aan rechtspersonen. Als antwoord op de opmerking van de Raad van State die zich vragen stelt bij deze beper- king, kan worden gesteld dat het niet wenselijk, noch denkbaar is om aan natuurlijke personen toe te laten in België betalingsdiensten te verrichten door middel van een vrijstelling, en dit voornamelijk omwille van redenen van veiligheid en cliëntenbescherming. Het verlenen van een vrijstelling gebeurt op basis van een evaluatie door de Bank van een concreet voor te leggen dossier. De Bank gaat in het kader van de uitoefening van haar discretionnaire bevoegdheid na in welke mate voldaan werd aan de voorwaarden van artikel 48, paragraaf 1, 1° en 2°, in welk geval ze de rechtspersoon vrijstelt van een deel of het geheel van de bepalingen van Boek 2 van de wet en haar uitvoe- ringsbesluiten. Het dient te worden opgemerkt dat rechtspersonen niet kunnen worden vrijgesteld van de toepassing van artikel 21 van de wet, dat bepaalt dat de toestemming van de Bank is vereist voor de uitoefening van een andere werkzaamheid dan betalingsdiensten noch van de toepassing van artikel 22 van de wet dat regels bevat voor de bescherming van de geldmiddelen die de betalingsinstellingen ontvangen. Paragraaf 4 vormt de omzetting van artikel 26.4 van de richtlijn 2007/64/CE, die aan de lidstaten de mogelijkheid biedt te bepalen dat een vrijgestelde persoon alleen sommige van in artikel 16 van de Richtlijn opgesomde werkzaamheden mag uitoefenen. Momenteel valt moei- lijk te bepalen of en in welke mate de werkzaamheden die door vrijgestelde rechtspersonen mogen worden uitgeoefend, beperkt zouden moeten worden. Bijgevolg stelt de regering voor de Koning te machtigen om dit later te regelen op basis van de opgedane ervaring. DOC 53 2432/001 20 2431/001 DOC 53 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 3 e L É G I S L A T U R E K AMER 3e Z ITTING VAN DE 53e Z ITTING S P E RIO DE 2011 2012 Conformément à l’article 27 de la directive, la Com- mission européenne sera informée de l’exercice du pou- voir de “dérogation” défi ni à l’article 26 de la directive. Art. 23 Cet article corrige une erreur matérielle dans l’ar- ticle 51 de la loi. Art. 26 Cet article insère un Titre 1er, relatif aux émetteurs de monnaie électronique, dans le nouveau Livre 3 relatif à l’accès à l’activité d’émetteur de monnaie électronique et au statut des établissements de monnaie électro- nique. Art. 27 Cet article introduit, dans la loi, un nouvel article 59 et transpose les articles 1 (1) et 10 de la directive. Le nouvel article 59 de la loi détermine les établis- sements et autorités qui sont autorisés à exercer une activité d’émission de monnaie électronique en Bel- gique. Ces établissements et autorités sont qualifi és d’”émetteurs de monnaie électronique”. L’article 59 distingue cinq catégories d’émetteurs de monnaie électronique. Seuls les établissements et autorités fi gurant dans l’une de ces cinq catégories sont autorisés à émettre de la monnaie électronique en Belgique. Les établissements et autorités visés à l’article 59, 1°, 3°, 4° et 5° peuvent émettre de la mon- naie électronique sans avoir préalablement obtenu un agrément spécifi que auprès de la Banque. L’article 59, 2° instaure une cinquième catégorie d’émetteurs de monnaie électronique, qui doivent obtenir un agrément spécifi que de la Banque: les établissements de monnaie électronique. Ce statut existait déjà avant la directive, mais constituait une catégorie spécifi que d’établisse- ment de crédit, soumise à la plupart des dispositions de la loi bancaire. Le présent projet instaure un statut spécifi que d’établissement de monnaie électronique, qui n’est désormais plus lié au statut d’établissement de crédit. Parmi les établissements de crédit autorisés comme émetteurs de monnaie électronique par l’article 1 (1), a) de la directive, sont expressément visés, les éta- blissements de crédit relevant du droit d’un État non membre de l’EEE, mais disposant d’une succursale Conform artikel 27 van de Richtlijn moet de Europese Commissie worden ingelicht wanneer gebruik gemaakt wordt van de “ontheffings”-mogelijkheid als bepaald in artikel 26 van de Richtlijn. Art. 23 Dit artikel zet een materiële fout recht in artikel 51 van de wet. Art. 26 Dit artikel voegt in het nieuwe Boek 3, over de toegang tot de activiteit van uitgifte van elektronisch geld en het statuut van de instellingen voor elektronisch geld, een Titel 1 in, over de uitgevers van elektronisch geld. Art. 27 Dit artikel voegt in de wet een nieuw artikel 59 in en zorgt voor de omzetting van artikelen 1 (1) en 10 van de Richtlijn. Het nieuwe artikel 59 van de wet bepaalt welke instellingen en overheden elektronisch geld mogen uitgeven in België. Die instellingen en overheden worden beschouwd als “uitgevers van elektronisch geld”. Artikel 59 onderscheidt vijf categorieën van uit- gevers van elektronisch geld. Alleen de instellingen en overheden die tot een van deze vijf categorieën behoren, mogen elektronisch geld uitgeven in België. De instellingen en overheden bedoeld in artikel 59, 1°, 3°, 4° en 5° mogen elektronisch geld uitgeven zonder eerst een specifi eke vergunning te hebben verkregen van de Bank. Art. 59, 2° voert een vijfde categorie van uitgevers van elektronisch geld in, die een specifi eke vergunning moeten verkrijgen van de Bank: instellingen voor elektronisch geld. Dit statuut bestond al vóór de Richtlijn, maar vormde een specifi eke categorie van kredietinstellingen, waarop de meeste bepalingen van de bankwet van toepassing waren. Het voorliggend ont- werp voert een specifi ek statuut in voor de instellingen voor elektronisch geld, dat dus niet meer verbonden is aan het statuut van kredietinstelling. Er wordt uitdrukkelijk vermeld dat de kredietinstel- lingen die ressorteren onder het recht van een staat die geen lid is van de EER, maar die een bijkantoor hebben in de Gemeenschap, beschouwd worden als kredietinstellingen die op grond van artikel 1 (1), a) van DOC 53 2432/001 21 2431/001 DOC 53 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 3 e L É G I S L A T U R E K AMER 3e Z ITTING VAN DE 53e Z ITTING S P E RIO DE 2011 2012 dans la Communauté. Ainsi, lorsqu’une succursale d’un établissement de crédit extra-communautaire est établie en Belgique, elle sera donc autorisée à émettre de la monnaie électronique en Belgique, à condition toutefois que son agrément en qualité d’établissement de crédit en Belgique couvre cette activité. L’article 1 (1), b) de la directive vise également, comme émetteur de monnaie électronique, les établis- sements de monnaie électronique relevant du droit d’un État non membre de l’EEE et disposant d’une succur- sale dans la Communauté. Ainsi, la succursale d’un tel établissement établie en Belgique sera donc autorisée à émettre de la monnaie électronique en Belgique dans la mesure où elle aura obtenu l’agrément spécifi que en qualité d’établissement de monnaie électronique. Ces établissements sont également autorisés à prester des services de paiement en Belgique pour autant toutefois que ces services de paiement soient liés à l’activité d’émission de monnaie électronique. Cet article vise également en tant qu’émetteurs de monnaie électronique, la Banque et la Banque centrale européenne, lorsqu’elles n’agissent pas en qualité d’autorité monétaire ou autre autorité publique, ainsi que les autorités fédérales, régionales, communautaires et locales belges, lorsqu’elles agissent en qualité d’autorité publique. Ainsi, si les autorités fédérales, régionales, communautaires et locales belges exercent une acti- vité d’émission de monnaie électronique en dehors de leurs compétences en tant qu’autorité publique, elles doivent obtenir un agrément en qualité d’établissement de monnaie électronique. Il n’y a pas lieu de donner suite à l’observation du Conseil d’État relative au fait que les points 3°, 4° et 5° de cet article ne concernent, à l’exception de la Banque Centrale Européenne, que des prestataires de services de paiement belges. Il est renvoyé, par identité de motifs, aux commentaires relatifs à l’article 4, 32° en projet (art. 7 du projet). Les règles du Titre III de la directive, transposées aux articles 58/1 à 58/3 de la loi du 10 décembre 2009, sont applicables à l’ensemble des émetteurs de monnaie électronique, et s’appliqueront donc dans les hypothèses précitées, c.-à-d. à la Banque et à la Banque centrale européenne lorsqu’elles émettent de la monnaie électronique, en dehors de leurs activités en tant qu’autorité monétaire ou publique, ainsi qu’aux autorités fédérales, régionales, communautaires et locales belges, lorsqu’elles exercent ces activités dans le cadre ou en dehors de leurs compétences en tant qu’autorité publique. de Richtlijn elektronisch geld mogen uitgeven. Wan- neer een kredietinstelling van buiten de Gemeenschap een bijkantoor opricht in België, mag dit bijkantoor dus elektronisch geld uitgeven in België, op voorwaarde dat zijn vergunning als kredietinstelling in België deze activiteit dekt. Volgens artikel 1 (1), b) van de Richtlijn mag er ook elektronisch geld worden uitgegeven door instellingen voor elektronisch geld die ressorteren onder het recht van een staat die geen lid is van de EER en die een bijkantoor hebben in de Gemeenschap. Zo mag een bijkantoor van een dergelijke instelling dat in België is gevestigd, elektronisch geld uitgeven in België, voor zover het een specifi eke vergunning heeft verkregen als instelling voor elektronisch geld. Deze instellingen mogen ook betalingsdiensten verrichten in België, voor zover die betalingsdiensten verband houden met de uitgifte van elektronisch geld. Ook de Bank en de Europese Centrale Bank mogen volgens dit artikel elektronisch geld uitgeven, wanneer zij niet handelen in hun hoedanigheid van monetaire of andere publieke autoriteit, evenals de Belgische fede- rale, gewestelijke en lokale overheden en de overheden van de gemeenschappen in België, wanneer zij hande- len in hun hoedanigheid van publieke autoriteit. Indien de Belgische federale, gewestelijke en lokale overheden of de overheden van de gemeenschappen in België dus elektronisch geld uitgeven buiten het kader van hun bevoegdheden als publieke autoriteit, moeten zij een vergunning hebben als instelling voor elektronisch geld. Er is geen reden om gevolg te geven aan de opmer- king van de Raad van State in verband met het feit dat punten 3°, 4° en 5° van dit artikel, met uitzondering van de Europese Centrale Bank, enkel Belgische betalings- dienstaanbieders betreft. Wegens gelijkaardigheid van motieven wordt verwezen naar de commentaren bij het ontworpen artikel 4, 32° (art. 7 van het ontwerp). De regels van Titel III van de Richtlijn, die omgezet zijn via de artikelen 58/1 tot 58/3 van de wet van 10 decem- ber 2009, gelden voor alle uitgevers van elektronisch geld, en zijn dus van toepassing in de voornoemde gevallen, d.w.z. op de Bank en op de Europese Cen- trale Bank wanneer zij elektronisch geld uitgeven buiten het kader van hun werkzaamheden als monetaire of publieke autoriteit, evenals op de Belgische federale, gewestelijke en lokale overheden en op de overheden van de gemeenschappen in België, wanneer zij die werkzaamheden verrichten in of buiten het kader van hun bevoegdheden als publieke autoriteit. DOC 53 2432/001 22 2431/001 DOC 53 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 3 e L É G I S L A T U R E K AMER 3e Z ITTING VAN DE 53e Z ITTING S P E RIO DE 2011 2012 Le gouvernement est d’avis que la Banque centrale européenne et la Banque peuvent exercer les activi- tés que la directive qualifi e d’émission de monnaie électronique et ce, en leur qualité d’autorité monétaire ou publique. Dans cette hypothèse, ces activités ne tombent toutefois pas dans le champ d’application de la directive (et donc de la loi). La phrase introductive du nouvel article 59 de la loi précise que les établissements et autorités visés dans cette disposition ne sont autorisés à exercer l’activité d’émission de monnaie électronique en Belgique que dans la mesure où l’exercice de cette activité est éga- lement autorisé en vertu des dispositions régissant le statut des établissements et autorités visés. L’on pense notamment à la loi du 22 février 1998 fi xant le statut organique de la Banque nationale de Belgique, au Protocole sur les statuts du Système européen de banques centrales et de la Banque centrale européenne, ou aux autres dispositions légales, telles que les lois organiques, régissant le statut des autorités fédérales, régionales, communautaires et locales belges. Art. 28 Cet article insère, dans la loi, un article 60, et trans- pose l’article 1 (4) et (5) de la directive, en prévoyant les cas dans lesquels la loi ne s’applique pas. Ainsi, l’ancienne exemption liée à la notion de réseau limité devient maintenant un cas d’exclusion. Le considérant n°5 de la directive donne quelques exemples de cas d’exclusion. Il revient à l’autorité de contrôle de procéder à une évaluation du cas d’espèce qui lui est soumis afi n de déterminer s’il peut ou non bénéfi cier d’un des cas d’exclusion prévus par la loi. Art. 29 Cet article vise à insérer un Titre 2 dans le Livre 3 de la loi, relatif aux établissements de monnaie élec- tronique. Il est composé des articles 61 à 105 de la loi, qui règlent le statut et le contrôle des établissements de monnaie électronique, visés à l’article 59, 2°. Les établissements et autorités visés à l’article 59, 1° et 3° à 5, qui peuvent également émettre de la mon- naie électronique en Belgique, ne tombent pas dans le champ d’application du Titre 2 de la loi. De regering is van mening dat de Europese Centrale Bank en de Bank de werkzaamheden mogen uitoefenen die de Richtlijn kwalifi ceert als uitgifte van elektronisch geld, in hun hoedanigheid van monetaire of publieke autoriteit. In dit geval vallen deze werkzaamheden echter niet onder de toepassing van de Richtlijn (en dus van de wet). In de inleidende zin van het nieuwe artikel 59 van de wet wordt gepreciseerd dat de in deze bepaling bedoelde instellingen en overheden maar elektronisch geld mogen uitgeven in België indien zij deze activiteit ook mogen uitoefenen op grond van de bepalingen over hun statuut. We denken hier met name aan de wet van 22 februari 1998 tot vaststelling van het organiek statuut van de Nationale Bank van België, het Protocol betreffende de statuten van het Europees stelsel van centrale banken en van de Europese Centrale Bank, of aan andere wettelijke bepalingen, zoals de diverse organieke wetten over het statuut van de Belgische federale, gewestelijke en lokale overheden en van de overheden van de gemeenschappen in België. Art. 28 Dit artikel voegt in de wet een artikel 60 in, en voorziet in de omzetting van artikel 1 (4) en (5) van de Richtlijn, door te bepalen in welke gevallen de wet niet van toepas- sing is. De oude vrijstelling, die verleend werd indien er sprake was van een “beperkt netwerk”, wordt een geval van uitsluiting. In de vijfde overweging van de Richtlijn worden enkele voorbeelden gegeven van uitsluitingen. De toezichthouder dient te beoordelen of het hem voor- gelegde geval al dan niet onder de uitsluitingen valt die in de wet zijn opgenomen. Art. 29 Dit artikel voegt in Boek 3 van de wet een Titel 2 in, over de instellingen voor elektronisch geld. Deze Titel bestaat uit de artikelen 61 tot 105 van de wet, die betrekking hebben op het statuut van en het toezicht op de instellingen voor elektronisch geld bedoeld in artikel 59, 2°. De instellingen en overheden bedoeld in artikel 59, 1° en 3° tot 5, die ook elektronisch geld mogen uitgeven in België, vallen niet onder de toepassing van Titel 2 van de wet. DOC 53 2432/001 23 2431/001 DOC 53 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 3 e L É G I S L A T U R E K AMER 3e Z ITTING VAN DE 53e Z ITTING S P E RIO DE 2011 2012 Art. 30 et 31 Ces articles insèrent dans le Livre 3 un Chapitre 1er relatif aux établissements de monnaie électronique de droit belge, et une section 1re relative à l’exigence d’un agrément. Art. 32 Cet article insère, dans la loi, un article 61 qui prévoit que toute personne morale de droit belge qui entend émettre de la monnaie électronique en qualité d’éta- blissement de monnaie électronique, doit préalablement obtenir un agrément de la Banque. Le nouvel article 61, alinéa 2, a pour objet d’assurer la protection de l’usage public des termes “établissement de monnaie électronique” en réservant l’usage de ces termes aux établissements ayant obtenu un agrément en cette qualité. Il s’agit d’une disposition usuelle dans la législation fi nancière (voy. par exemple, l’article 6 de la loi bancaire). Cet article transpose partiellement l’article 3 (1) de la directive (qui prévoit l’application mutatis mutandis des articles 10 (1) 20(1) et 20(4) de la directive 2007/64/CE). Art. 33 Cet article insère, dans la loi, un article 62 qui énu- mère les renseignements que le demandeur doit joindre à sa demande d’agrément en qualité d’établissement de monnaie électronique. Vu l’application mutatis mutandis des dispositions de la directive 2007/64/CE prévue à l’article 3 (1) de la directive, cette disposition est similaire à l’article 7 de la loi, relatif au dossier d’agrément d’un établissement de paiement. Par analogie avec les modifi cations apportées aux autres législations fi nancières par l’arrêté royal du 3 mars 2011 mettant en œuvre l’évolution des structures de contrôle du secteur fi nancier (ci-après “arrêté royal Twin Peaks”), le paragraphe 2 du nouvel article 62 de la loi prévoit une consultation obligatoire de la FSMA lors de l’appréciation de l’honorabilité professionnelle des administrateurs et des personnes physiques appelées à prendre part à la gestion effective de l’établissement pour autant que ces personnes sont proposées pour la première fois auprès d’une entreprise fi nancière contrôlée par la Banque. Art. 30 en 31 Deze artikelen voegen in Boek 3 een Hoofdstuk 1 in over de instellingen voor elektronisch geld naar Belgisch recht, en een afdeling 1, over het vereiste van bedrijfsvergunning. Art. 32 Dit artikel voegt in de wet een artikel 61 in, dat bepaalt dat iedere rechtspersoon naar Belgisch recht die elektronisch geld wil uitgeven als instelling voor elektronisch geld, een vergunning moet verkrijgen van de Bank vooraleer hij zijn werkzaamheden aanvat. Het nieuwe artikel 61, tweede lid, beschermt het publiek gebruik van de term “instelling voor elektronisch geld”. Het gebruik van deze term wordt namelijk voorbe- houden aan instellingen die een vergunning hebben verkregen als instelling voor elektronisch geld. Deze bepaling komt vaak voor in fi nanciële wetteksten (zie bijvoorbeeld artikel 6 van de bankwet). Dit artikel zorgt voor de gedeeltelijke omzetting van artikel 3 (1) van de Richtlijn (dat voorziet in de overeen- komstige toepassing van artikelen 10 (1), 20(1) en 20(4) van Richtlijn 2007/64/EG). Art. 33 Dit artikel voegt in de wet een artikel 62 in, dat de gegevens opsomt die bij de aanvraag van een vergun- ning als instelling voor elektronisch geld moeten worden gevoegd. Gezien de overeenkomstige toepassing van de bepa- lingen van Richtlijn 2007/64/EG, waarin voorzien is in artikel 3 (1) van de Richtlijn, is deze bepaling vergelijk- baar met artikel 7 van de wet, over het dossier voor de vergunning als betalingsinstelling. Naar analogie met de wijzigingen die in andere fi nan- ciële wetteksten zijn aangebracht door het koninklijk besluit van 3 maart 2011 betreffende de evolutie van de toezichtsarchitectuur voor de fi nanciële sector (hierna “koninklijk besluit Twin Peaks”), voorziet paragraaf 2 van het nieuwe artikel 62 van de wet in de verplichte raadpleging van de FSMA voor de beoordeling van de professionele betrouwbaarheid van bestuurders en natuurlijke personen die deelnemen aan het effectieve beleid van de instelling, indien zij voor het eerst worden voorgedragen bij een fi nanciële onderneming die onder het toezicht staat van de Bank. DOC 53 2432/001 24 2431/001 DOC 53 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 3 e L É G I S L A T U R E K AMER 3e Z ITTING VAN DE 53e Z ITTING S P E RIO DE 2011 2012 Cet article transpose partiellement l’article 3 (1) de la directive (qui prévoit l’application mutatis mutandis de l’article 5 de la directive 2007/64/CE). Art. 34 Cet article insère, dans la loi, un nouvel article 63 relatif à la procédure d’agrément des établissements de monnaie électronique. Cet article prévoit notamment que la Banque peut assortir l’agrément de conditions afin de garantir une gestion saine et prudente de l’établissement de monnaie électronique concerné. La Banque peut par exemple imposer des exigences organisationnelles spécifi ques aux établissements de monnaie électronique dits hybrides (voir à ce propos aussi le commentaire de l’article 50 du projet de loi). Vu l’application mutatis mutandis des dispositions de la directive 2007/64/CE prévue à l’article 3 (1) de la directive, cette disposition est similaire à l’article 8 de la loi, relatif à la procédure d’agrément des établissements de paiement. Cet article transpose partiellement l’article 3(1) de la directive (qui prévoit l’application mutatis mutandis de l’article 10(2) et 11 de la directive 2007/64/CE). L’article 11 de la directive 2007/64/CE prévoit éga- lement que toute décision de refus de l’agrément est motivée. Cette disposition est transposée par la loi du 29 juillet 1991 relative à la motivation formelle des actes administratifs, en exécution de laquelle la Banque est tenue de motiver ses décisions de refus. Art. 35 Cet article insère, dans la loi, un nouvel article 64 lequel prévoit que les établissements de monnaie élec- tronique agréés sont inscrits sur une liste tenue par la Banque, et publiée sur son site internet. Le gouvernement a préféré l’utilisation du vocable “liste”, plutôt que de celui de “registre”, utilisé à l’article 13 de la directive et ce, par analogie avec la terminolo- gie utilisée dans les autres législations fi nancières (par exemple l’article 13 de la loi bancaire). La liste des établissements de monnaie électronique doit également mentionner l’adresse des succursales des établissements établies à l’étranger, ainsi que, le cas échéant, l’identité des agents de l’établissement concerné. L’on vise bien ici les agents par l’intermédiaire Dit artikel zorgt voor de gedeeltelijke omzetting van artikel 3 (1) van de Richtlijn (dat voorziet in de overeen- komstige toepassing van artikel 5 van Richtlijn 2007/64/ EG). Art. 34 Dit artikel voegt in de wet een nieuw artikel 63 in over de vergunningsprocedure voor instellingen voor elektronisch geld. Dit artikel bepaalt met name dat de Bank voorwaarden kan verbinden aan de vergunning, om een gezond en voorzichtig beleid van de betrokken instelling voor elektronisch geld te garanderen. De Bank kan bijvoorbeeld specifi eke organisatorische vereisten opleggen aan de zogenaamde hybride instellingen voor elektronisch geld (zie in dit verband ook de commentaar bij artikel 50 van het wetsontwerp). Gezien de overeenkomstige toepassing van de bepa- lingen van Richtlijn 2007/64/EG, waarin voorzien is in artikel 3 (1) van de Richtlijn, is deze bepaling vergelijk- baar met artikel 8 van de wet, over de vergunningspro- cedure voor betalingsinstellingen. Dit artikel zorgt voor de gedeeltelijke omzetting van artikel 3(1) van de Richtlijn (dat voorziet in de overeen- komstige toepassing van de artikelen 10 (2) en 11 van Richtlijn 2007/64/EG). Artikel 11 van richtlijn 2007/64/EG bepaalt ook dat beslissingen tot weigering van de vergunning gemo- tiveerd moeten worden. Deze bepaling werd omgezet via de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, die inhoudt dat de Bank haar beslissingen tot weigering moet motiveren. Art. 35 Dit artikel voegt in de wet een nieuw artikel 64 in, dat bepaalt dat de instellingen voor elektronisch geld die een vergunning hebben verkregen, ingeschreven worden op een lijst die wordt bijgehouden door de Bank en die op haar website wordt bekendgemaakt. De regering verkoos “lijst” boven “register”, de term die gehanteerd wordt in artikel 13 van de Richtlijn, omdat “lijst” de term is die gebruikt wordt in andere fi nanciële wetteksten (bijvoorbeeld artikel 13 van de bankwet). Op de lijst van de instellingen voor elektronisch geld moet eveneens het adres worden vermeld van de bij- kantoren van de instellingen die in het buitenland zijn gevestigd evenals, in voorkomend geval, de identiteit van de agenten van de betrokken instelling. Hiermee DOC 53 2432/001 25 2431/001 DOC 53 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 3 e L É G I S L A T U R E K AMER 3e Z ITTING VAN DE 53e Z ITTING S P E RIO DE 2011 2012 desquels les établissements de monnaie électronique peuvent prester des services de paiement, et non les intermédiaires agissant pour le compte de l’établisse- ment de monnaie électronique en vue de distribuer et rembourser la monnaie électronique que l’on qualifi e de “distributeurs” dans le projet de loi. Ces distributeurs peuvent, mais ne doivent pas en vertu de la loi appa- raître sur la liste tenue par la Banque. Suite à la suggestion du Conseil d’État, il est précisé que la directive n’oblige aucunement l’État membre d’origine de faire fi gurer l’identité des distributeurs dans le registre. En effet, l’article 3.1 de la directive prévoit que l’article 13 de la directive 2007/64/CE, relatif à la tenue du registre, est applicable mutatis mutandis aux établis- sements de monnaie électronique. Cet article requiert uniquement d’inscrire sur le registre les établissements agréés, leurs agents et leurs succursales ainsi que les personnes bénéfi ciant d’une exemption. Il est par ailleurs renvoyé aux commentaires relatifs à l’article 76 de la loi qui donne davantage de détails sur les informa- tions relatives aux distributeurs à communiquer à l’État membre d’origine ainsi que sur la procédure à suivre si un distributeur entend distribuer la monnaie électronique dans un autre État membre. Par ailleurs, s’agissant des distributeurs, le Conseil d’État s’interroge si le projet de loi réglemente suffisamment leurs activités, notamment pour ceux de ces intermédiaires agissant en Belgique pour le compte d’établissements étrangers. Selon le gouvernement, il n’appartient pas au législateur belge de réglementer cette activité au-delà de ce que pré- voit la directive, qui est une directive d’harmonisation maximale. En outre, le contrôle sur les distributeurs est exercé par l’établissement de monnaie électronique pour le compte duquel ils agissent et ressort donc in fi ne de la compétence de l’État membre d’origine, sous réserve des dispositions d’intérêt général le cas échéant applicables dans l’État membre d’accueil (comme par exemple la législation anti-blanchiment — voyez à cet égard les articles 97 et 99 du projet de loi). Cet article transpose partiellement l’article 3 (1) de la directive (qui prévoit l’application mutatis mutandis de l’article 13 de la directive 2007/64/CE). Art. 36 Cet article insère une section 2 dans le Chapitre 1er du Titre 2 du Livre 3 de la loi, relative aux conditions d’agrément. worden de agenten bedoeld via dewelke de instellingen voor elektronisch geld betalingsdiensten mogen verrich- ten en niet de tussenpersonen die optreden namens de instelling voor elektronisch geld om elektronisch geld over te maken en terug te betalen. Deze tussenpersonen worden in het wetsontwerp gekwalifi ceerd als “distribu- teurs”. Volgens de wet mogen deze distributeurs, maar moeten ze niet, worden opgenomen op de lijst die door de Bank wordt bijgehouden. Gevolg gevend aan de suggestie van de Raad van State, wordt gepreciseerd dat de richtlijn de lidstaat van herkomst geenszins verplicht om de identiteit van de distributeurs in het register op te nemen. Inderdaad, artikel 3.1 van de richtlijn voorziet dat artikel 13 van richtlijn 2007/64/EG in verband met het aanhouden van het register, mutatis mutandis van toepassing is op instellingen voor elektronisch geld. Dit artikel vereist enkel om in het register de vergunde instellingen, hun agenten en hun bijkantoren alsook de personen die een vrijstelling genieten, op te nemen. Er wordt bovendien verwezen naar de commentaren bij artikel 76 van de wet dat meer details bevat aangaande de informatie over distributeurs die moet worden overgemaakt aan de lidstaat van herkomst en de procedure die moet worden gevolgd indien een distributeur elektronisch geld wenst over te maken in een andere lidstaat. Daarenboven, in verband met distributeurs, en meer bepaald voor die tussenpersonen die in België optreden voor rekening van buitenlandse instellingen, vraagt de Raad van State zich af of het wetsontwerp hun activiteiten voldoende reguleert. Volgens de regering, komt het niet aan de Belgische wetgever toe om deze activiteit te reguleren behalve voor wat de richtlijn, die een maximale harmoni- satie betracht, zelf voorziet. Bovendien wordt de controle op de distributeurs uitgeoefend door de instelling voor elektronisch geld voor wiens rekening zij optreden en ressorteert aldus in fi ne onder de bevoegdheid van de lidstaat van herkomst, met uitzondering van de bepa- lingen van algemeen belang zoals desgevallend van toepassing in de lidstaat van ontvangst (bijvoorbeeld de witwaswetgeving — zie hierover de artikelen 97 en 99 van het wetsontwerp). Dit artikel zorgt voor de gedeeltelijke omzetting van artikel 3 (1) van de Richtlijn (dat voorziet in de ove- reenkomstige toepassing van artikel 13 van Richtlijn 2007/64/EG). Art. 36 Dit artikel voegt in Hoofdstuk 1 van Titel 2 van Boek 3 van de wet een afdeling 2 in, over de bedrijfsvergun- ningsvoorwaarden. DOC 53 2432/001 26 2431/001 DOC 53 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 3 e L É G I S L A T U R E K AMER 3e Z ITTING VAN DE 53e Z ITTING S P E RIO DE 2011 2012 Art. 37 Cet article insère, dans la loi, un nouvel article 65 lequel réserve aux seules personnes morales la possibi- lité d’obtenir un agrément en qualité d’établissement de monnaie électronique, et en précise la forme juridique. Les personnes physiques ne peuvent être agréées en tant qu’établissement de monnaie électronique. Cet article transpose partiellement l’article 3 (1) de la directive (qui prévoit l’application mutatis mutandis de l’article 10 (1) de la directive 2007/64/CE). Art. 38 Cet article insère, dans la loi, un nouvel article 66 lequel fi xe le capital initial dont doivent disposer les établissements de monnaie électronique, ainsi que les éléments à prendre en compte dans le calcul de ce montant. Ces éléments sont conformes aux éléments énoncés à l’article 57, points a) et b) de la directive 2006/48/CE du Parlement européen et du Conseil du 14 juin 1996 concernant l’accès à l’activité des établis- sements de crédit et son exercice. Cet article transpose l’article 4 de la directive. Art. 39 Cet article insère, dans la loi, un nouvel article 67 lequel impose à la Banque d’examiner, pour les action- naires dont la participation dans le capital dépasse un certain seuil, s’ils présentent les qualités nécessaires pour garantir une gestion saine et prudente de l’éta- blissement de monnaie électronique et, au besoin, de refuser l’agrément si tel n’est pas le cas. Cet article transpose partiellement l’article 3 (1) de la directive (qui prévoit l’application mutatis mutandis de l’article 10 (6) de la directive 2007/64/CE). Art. 40 Cet article insère, dans la loi, un nouvel article 68 lequel prévoit que la direction effective d’un établis- sement de monnaie électronique doit être confi ée à deux personnes physiques au moins (principe dit de la “direction bicéphale”). Tant les personnes chargées Art. 37 Dit artikel voegt in de wet een nieuw artikel 65 in, dat bepaalt dat enkel rechtspersonen een vergunning kunnen verkrijgen als instelling voor elektronisch geld, en preciseert welke rechtsvorm deze rechtspersonen moeten hebben. Natuurlijke personen kunnen geen ver- gunning als instelling voor elektronisch geld verkrijgen. Dit artikel zorgt voor de gedeeltelijke omzetting van artikel 3 (1) van de Richtlijn (dat voorziet in de overeen- komstige toepassing van artikel 10 (1) van Richtlijn 2007/64/EG). Art. 38 Dit artikel voegt in de wet een nieuw artikel 66 in, dat bepaalt hoe groot het aanvangskapitaal van de instellingen voor elektronisch geld moet zijn, en welke bestanddelen in aanmerking moeten worden genomen bij de berekening van dit bedrag. Deze bestanddelen stemmen overeen met deze die opgesomd zijn in arti- kel 57, onder a) en b), van Richtlijn 2006/48/EG van het Europees Parlement en de Raad van 14 juni 1996 betreffende de toegang tot en de uitoefening van de werkzaamheden van kredietinstellingen. Dit artikel voorziet in de omzetting van artikel 4 van de Richtlijn. Art. 39 Dit artikel voegt in de wet een nieuw artikel 67 in, dat bepaalt dat de Bank moet nagaan of de aandeelhouders van wie de deelneming in het kapitaal een bepaalde drempel overschrijdt, geschikt zijn, rekening houdend met de noodzaak van een gezond en voorzichtig beleid van de instelling voor elektronisch geld en dat zij, indien nodig, de vergunning moet weigeren indien dit niet het geval is. Dit artikel zorgt voor de gedeeltelijke omzetting van artikel 3 (1) van de Richtlijn (dat voorziet in de overeen- komstige toepassing van artikel 10 (6) van Richtlijn 2007/64/EG). Art. 40 Dit artikel voegt in de wet een nieuw artikel 68 in, dat bepaalt dat de effectieve leiding van een instelling voor elektronisch geld moet worden toevertrouwd aan ten minste twee natuurlijke personen (zogenaamd beginsel van de “tweekoppige leiding”). Zowel de personen die DOC 53 2432/001 27 2431/001 DOC 53 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 3 e L É G I S L A T U R E K AMER 3e Z ITTING VAN DE 53e Z ITTING S P E RIO DE 2011 2012 de la direction effective de l’établissement, que les personnes qui sans participer à la direction effective de l’établissement, prennent part à l’administration ou à la gestion de l’établissement doivent disposer de l’hono- rabilité professionnelle, de l’expertise et de l’expérience adéquate nécessaires pour assumer leurs tâches. Le projet de loi vise l’ensemble de ces personnes, par ana- logie avec l’article 13 de la loi, transposant l’article 5 (1), i) de la directive 2007/64/CE. Cet article transpose partiellement l’article 3 (1) de la directive (qui prévoit l’application mutatis mutandis de l’article 5 de la directive 2007/64/CE). Art. 41 Cet article insère, dans la loi, un nouvel article 69 relatif aux exigences organisationnelles des établisse- ments de monnaie électronique. Vu l’application mutatis mutandis des dispositions de la directive 2007/64/CE prévue à l’article 3(1) de la directive, cette disposition est identique à l’article 14 de la loi, applicable aux établissements de paiement. Cette disposition est également similaire aux dispositions relatives aux exigences organisationnelles que l’on retrouve dans les différentes législations fi nancières (par exemple l’article 20 de la loi bancaire, ou l’article 62 de la loi du 6 avril 1995). Ainsi, le nouvel article 69, § 1er prévoit que les éta- blissements de monnaie électronique doivent disposer d’une structure de gestion, d’une organisation adminis- trative et comptable, de mécanismes de contrôle et de sécurité dans le domaine informatique et d’un contrôle interne appropriés à leurs activités, tant d’émission de monnaie électronique, que, le cas échéant, de services de paiement, ou d’autres activités. En vertu du principe de proportionnalité, ces exigences doivent être impo- sées en tenant compte de la nature, du volume et de la complexité des activités de l’établissement concerné, sans porter préjudice à l’exigence imposée à chaque établissement de disposer d’une structure de gestion, d’une organisation, et d’un contrôle interne minimum. Le nouvel article 69, § 2 précise ce qu’il y a lieu d’entendre par structure de gestion adéquate. L’énu- mération contenue dans cette disposition n’est toutefois pas exhaustive. Le nouvel article 69, § 3 prévoit ce qu’il y a lieu d’entendre par contrôle interne adéquat, ce qui implique belast zijn met effectieve leiding van de instelling, als de personen die deelnemen aan het bestuur of het beleid van de instelling, zonder deel te nemen aan de effec- tieve leiding ervan, moeten voor de uitoefening van hun taken over de vereiste professionele betrouwbaarheid, deskundigheid en passende ervaring beschikken. Dit vereiste geldt voor al deze personen, naar analogie met artikel 13 van de wet, die de omzetting vormt van artikel 5 (1), i) van Richtlijn 2007/64/EG. Dit artikel zorgt voor de gedeeltelijke omzetting van artikel 3 (1) van de Richtlijn (dat voorziet in de overeen- komstige toepassing van artikel 5 van Richtlijn 2007/64/ EG). Art. 41 Dit artikel voegt in de wet een nieuw artikel 69 in, over de organisatorische vereisten voor instellingen voor elektronisch geld. Gezien de overeenkomstige toepassing van de bepalingen van Richtlijn 2007/64/EG, waarin voorzien is in artikel 3(1) van de Richtlijn, stemt deze bepaling overeen met artikel 14 van de wet, dat van toepassing is op betalingsinstellingen. Deze bepaling is ook ver- gelijkbaar met de bepalingen over de organisatorische vereisten die in de verschillende fi nanciële wetteksten voorkomen (bijvoorbeeld artikel 20 van de bankwet of artikel 62 van de wet van 6 april 1995). Zo bepaalt het nieuwe artikel 69, § 1 dat de instel- ling voor elektronisch moet beschikken over een beleidsstructuur, administratieve en boekhoudkundige organisatie, controle- en beveiligingsmaatregelen met betrekking tot de elektronische informatieverwerking, en interne controle, die aangepast zijn aan haar werk- zaamheden inzake de uitgifte van elektronisch geld en, in voorkomend geval, aan haar werkzaamheden inzake betalingsdiensten of aan haar andere werkzaamheden. Krachtens het proportionaliteitsbeginsel moet bij het opleggen van die vereisten rekening worden gehouden met de aard, het volume en de complexiteit van de werkzaamheden van de betrokken instelling, zonder afbreuk te doen aan het vereiste dat elke instelling dient te beschikken over een minimale beleidsstructuur, organisatie en interne controle. Het nieuwe artikel 69, § 2 bepaalt wat verstaan moet worden onder “passende beleidsstructuur”. De opsom- ming die in deze bepaling wordt gegeven, is echter niet uitputtend. Het nieuwe artikel 69, § 3 bepaalt wat verstaan moet worden onder “passende interne controle”. Dit houdt in DOC 53 2432/001 28 2431/001 DOC 53 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 3 e L É G I S L A T U R E K AMER 3e Z ITTING VAN DE 53e Z ITTING S P E RIO DE 2011 2012 la mise en place d’une politique d’intégrité adéquate, d’une fonction d’audit interne, de compliance, et de gestion des risques indépendantes et adéquates. L’interprétation précise à donner à ces notions est en évolution constante, raison pour laquelle le projet de loi, par analogie avec d’autres législations fi nancières, habilite la Banque, en sa qualité de contrôleur pruden- tiel chargé de l’application de la loi, de les préciser si besoin en est. Le nouvel article 69, §§ 5 et 6 précise, par ailleurs les responsabilités de la direction effective, de l’organe d’administration et des commissaires sur le plan du respect des dispositions des §§ 1er à 3 de cet article, et ce toujours par analogie avec les dispositions des autres législations fi nancières. Les exigences prévues dans cet article ne s’ap- pliquent qu’aux activités d’émission de monnaie élec- tronique des établissements de monnaie électronique, ainsi qu’à leurs éventuelles activités en matière de ser- vices de paiement, ou aux activités visées à l’article 77, § 2, 2° de la loi. Cet article transpose partiellement l’article 3 (1) de la directive (qui prévoit l’application mutatis mutandis des articles 10 (4), 10 (7) et 10 (8) de la directive 2007/64/CE). Art. 42 Cet article insère, dans la loi, un nouvel article 70 lequel prévoit que l’administration centrale de l’éta- blissement de monnaie électronique doit être située en Belgique. Cet article transpose partiellement l’article 3( 1) de la directive (qui prévoit l’application mutatis mutandis de l’article 10 (3) de la directive 2007/64/CE). Art. 43 Cet article insère une section 3 dans le Chapitre 1er du Titre 2 du Livre 3 de la loi, relative aux conditions d’exercice de l’activité d’émission de monnaie électro- nique par les établissements de monnaie électronique. dat er een passend integriteitsbeleid wordt ingevoerd, evenals een passende onafhankelijke interne auditfunc- tie, compliancefunctie en risicobeheerfunctie. De precieze interpretatie die aan deze begrippen moet worden gegeven, evolueert constant. Daarom bepaalt het wetsontwerp, naar analogie met andere fi nanciële wetteksten, dat de Bank, in haar hoedanigheid van prudentieel toezichthouder die belast is met de toepassing van de wet, zo nodig nader kan bepalen wat moet worden verstaan onder deze begrippen. Het nieuwe artikel 69, §§ 5 en 6 bepaalt ook welke de verantwoordelijkheden zijn van de effectieve leiding, het bestuursorgaan en de commissarissen, voor wat betreft de naleving van de bepalingen van de bepalingen van §§ 1 tot 3 van dit artikel, ook weer naar analogie met de bepalingen van andere fi nanciële wetteksten. De vereisten die in dit artikel zijn opgenomen, zijn enkel van toepassing op de werkzaamheden van de instellingen voor elektronisch geld die verband houden met de uitgifte van elektronisch geld, evenals op hun eventuele werkzaamheden die verband houden met betalingsdiensten, of op de werkzaamheden bedoeld in artikel 77, § 2, 2° van de wet. Dit artikel zorgt voor de gedeeltelijke omzetting van artikel 3 (1) van de Richtlijn (dat voorziet in de overeen- komstige toepassing van artikelen 10 (4), 10 (7) en 10 (8) van Richtlijn 2007/64/EG). Art. 42 Dit artikel voegt in de wet een nieuw artikel 70 in, dat bepaalt dat het hoofdbestuur van de instelling voor elektronisch geld in België moet zijn gevestigd. Dit artikel zorgt voor de gedeeltelijke omzetting van artikel 3 (1) van de Richtlijn (dat voorziet in de over- eenkomstige toepassing van artikel 10 (3) van Richtlijn 2007/64/EG). Art. 43 Dit artikel voegt in Hoofdstuk 1 van Titel 2 van Boek 3 van de wet een afdeling 3 in, over de voorwaarden die verbonden zijn aan de uitoefening van de activiteit van uitgifte van elektronisch geld door instellingen voor elektronisch geld. DOC 53 2432/001 29 2431/001 DOC 53 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 3 e L É G I S L A T U R E K AMER 3e Z ITTING VAN DE 53e Z ITTING S P E RIO DE 2011 2012 Art. 44 Cet article insère un article 71 dans la loi, lequel prévoit que les établissements de monnaie électronique sont tenus, dans l’exercice de leur activité, de satisfaire en permanence aux conditions d’agrément et d’infor- mer la Banque lorsque des modifi cations interviennent concernant les renseignements fournis dans le dossier d’agrément. Cet article transpose partiellement l’article 3 (1) de la directive (qui prévoit l’application mutatis mutandis des articles 12 (1) et 14 de la directive 2007/64/CE). Art. 45 Cet article insère, dans la loi, un nouvel article 72 contenant les principes de base concernant les obliga- tions en matière de fonds propres des établissements de monnaie électronique. La Banque est habilitée, par analogie avec les législations prudentielles applicables dans les autres secteurs fi nanciers, à déterminer par voie de règlement les normes techniques en matière de contrôle de la solvabilité des établissements de monnaie électronique. Ces normes techniques seront établies en conformité avec la méthode de calcul fi xée dans la directive, par référence à la moyenne de la monnaie électronique en circulation. Contrairement aux obligations en matière de solvabilité des établissements de paiement, la directive ne prévoit qu’une seule méthode de calcul pour les fonds propres des établissements de monnaie électronique. Cette méthode doit s’appliquer pour le calcul des fonds propres de l’établissement de monnaie électronique pour son activité d’émission de monnaie électronique, mais également, le cas échéant, pour son activité de prestation de services de paiement, à condition que les services de paiement concernés par cette activité soient liés à l’émission de monnaie électronique. L’appréciation du lien existant entre des services de paiement et une activité d’émission de monnaie électronique doit se faire au cas par cas. Cependant, peuvent être considérés comme des services de paiement liés à l’activité d’émission de monnaie électronique l’émission d’un instrument de paie- ment sur lequel est stocké de la monnaie électronique ou l’exécution d’opérations de paiement lorsque les fonds transférés sont constitués de monnaie électronique. Les services opérationnels et auxiliaires étroitement liés à l’émission de monnaie électronique, visés dans le nouvel article 77, § 2, 2° de la loi (inséré par l’article 50 du projet de loi) sont également considérés comme faisant partie intégrante de l’activité d’émission de monnaie électro- nique pour le calcul des fonds propres liés à cette activité. Art. 44 Dit artikel voegt in de wet een artikel 71 in, dat bepaalt dat instellingen voor elektronisch geld bij de uitoefening van hun werkzaamheden te allen tijde moeten voldoen aan de bedrijfsvergunningsvoorwaarden en de Bank op de hoogte moeten brengen wanneer de bij de ver- gunningsaanvraag verstrekte gegevens gewijzigd zijn. Dit artikel zorgt voor de gedeeltelijke omzetting van artikel 3 (1) van de Richtlijn (dat voorziet in de overeen- komstige toepassing van de artikelen 12( 1) en 14 van Richtlijn 2007/64/EG). Art. 45 Dit artikel voegt in de wet een nieuw artikel 72 in, dat de basisbeginselen bevat voor de eigenvermogen- sverplichtingen voor instellingen voor elektronisch geld. Naar analogie met de prudentiële wetgeving die van toepassing is in andere fi nanciële sectoren, kan de Bank bij reglement de technische normen vastleggen voor het toezicht op de solvabiliteit van de instellingen voor elektronisch geld. Deze technische normen worden opgesteld vol- gens de berekeningsmethode van de Richtlijn, onder verwijzing naar het gemiddelde uitstaande bedrag aan elektronisch geld. In tegenstelling tot voor de betalingsinstellingen, voorziet de Richtlijn maar in één enkele methode voor de berekening van het eigen vermogen voor de instellingen voor elektronisch geld. Deze methode moet gebruikt worden voor de bere- kening van het eigen vermogen van de instelling voor elektronisch geld, zowel voor haar activiteit van uitgifte van elektronisch geld als, in voorkomend geval, voor haar betalingsdienstenbedrijf, op voorwaarde dat de betrokken betalingsdiensten verband houden met de uitgifte van elektronisch geld. Of de betalingsdiensten verband houden met de uitgifte van elektronisch geld, moet geval per geval worden beoordeeld. De uitgifte van een betaalinstrument waarop elektronisch geld is opgeslagen of de uitvoering van betalingstransacties waarbij elektronisch geld wordt overgedragen, kunnen echter beschouwd worden als betalingsdiensten die verband houden met de uitgifte van elektronisch geld. De operationele diensten en nevendiensten die nauw samenhangen met de uitgifte van elektronisch geld, als bedoeld in het nieuwe artikel 77, § 2, 2° van de wet (inge- voegd bij artikel 50 van het wetsontwerp) worden voor de berekening van het eigen vermogen met betrekking tot de uitgifte van elektronisch geld eveneens gelijkgesteld met de uitgifte van elektronisch geld. DOC 53 2432/001 30 2431/001 DOC 53 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 3 e L É G I S L A T U R E K AMER 3e Z ITTING VAN DE 53e Z ITTING S P E RIO DE 2011 2012 En ce qui concerne les services de paiement qui ne sont pas liés à l’émission de monnaie électronique, la Banque devra appliquer l’une ou l’autre des méthodes de calcul fi xées dans le règlement relatif aux fonds propres des établissements de paiement, pris en exé- cution de l’article 17 de la loi, et conformément à l’article 8 de la directive 2007/64/CE. Par identité de motifs avec ce que prévoit l’article 17, § 2, alinéa 2 de la loi pour les établissements de paie- ment, et conformément à ce que prévoit l’article 5 (6) de la directive, l’article 72, § 2, alinéa 2 de la loi prévoit que lorsqu’un établissement de monnaie électronique fait partie d’une groupe fi nancier, la Banque prend des mesures pour éviter toute double utilisation de fonds propres au sein du groupe. Lorsqu’un établissement de monnaie électronique est une entreprise mère à la tête d’un groupe fi nancier, l’une de ces mesures décidée par la Banque pourrait être de soumettre ce groupe à un contrôle consolidé si la Banque est d’avis qu’un tel contrôle consolidé constitue une technique appropriée pour éviter une telle double utilisation de fonds propres dans le calcul des exigences de solvabilité. L’article 72, § 2, alinéa 2 constitue la base légale permettant à la Banque de prendre une telle décision. Par identité de motifs avec ce que prévoit l’article 17, § 2, alinéa 3 de la loi pour les établissements de paiement, l’article 72, § 2, alinéa 3 de la loi prévoit la possibilité pour la Banque de prendre des mesures complémentaires en matière de solvabilité à l’égard des établissements de monnaie électronique qui exercent d’autres activités que l’émission de monnaie électronique ou la prestation de services de paiement lorsque ces autres activités nuisent ou risquent de nuire à la solidité fi nancière de l’établissement de monnaie électronique. Cette disposition spécifi que transpose, du moins en partie, l’article 21 (3) de la directive 2007/64/ CE applicable mutatis mutandis aux établissements de monnaie électronique en vertu de l’article 3 (1) de la directive. Cet article transpose l’article 5 de la directive Art. 46 Cet article insère, dans la loi, un article 73 consa- cré aux modifi cations de la structure de l’actionnariat dans les établissements de monnaie électronique. Par analogie avec les lois relatives au contrôle prudentiel d’autres établissements du secteur fi nancier, cette disposition met en place un dispositif permettant à la Banque de suivre l’évolution de l’actionnariat en cours Voor betalingsdiensten die niet samenhangen met de uitgifte van elektronisch geld, moet de Bank een van de berekeningsmethodes gebruiken die vastgesteld zijn in het reglement op het eigen vermogen van de beta- lingsinstellingen, dat ter uitvoering van artikel 17 van de wet werd genomen, conform artikel 8 van Richtlijn 2007/64/EG. Om dezelfde redenen als die welke voor betalingsin- stellingen zijn opgenomen in artikel 17, § 2, tweede lid van de wet, en conform het bepaalde in artikel 5 (6) van de Richtlijn, bepaalt artikel 72, § 2, tweede lid van de wet, dat wanneer een instelling voor elektronisch geld deel uitmaakt van een fi nanciële groep, de Bank maatregelen neemt om het meervoudig gebruik van eigen vermogen binnen de groep te vermijden. Wanneer een instelling voor elektronisch geld een moederonderneming is die aan het hoofd staat van een fi nanciële groep, zou een van die maatregelen erin kunnen bestaan dat de Bank deze groep aan een geconsolideerd toezicht onder- werpt, indien zij van mening is dat dit een passende techniek is om het meervoudig gebruik van eigen ver- mogen bij de berekening van de solvabiliteitsvereisten te vermijden. Artikel 72, § 2, tweede lid vormt de wettelijke grondslag voor de Bank om een dergelijke beslissing te nemen. Om dezelfde redenen als die welke voor betaling- sinstellingen zijn opgenomen in artikel 17, § 2, derde lid van de wet, voorziet artikel 72, § 2, derde lid van de wet in de mogelijkheid voor de Bank om aanvullende maatregelen te nemen op het vlak van de solvabiliteit, voor instellingen voor elektronisch geld die andere wer- kzaamheden uitoefenen dan de uitgifte van elektronisch geld of het verrichten van betalingsdiensten, wanneer deze andere werkzaamheden afbreuk doen of dreigen te doen aan de fi nanciële soliditeit van de instelling voor elektronisch geld. Deze specifi eke bepaling zorgt voor de gedeeltelijke omzetting van artikel 21 (3) van Richt- lijn 2007/64/EG, dat van overeenkomstige toepassing is op de instellingen voor elektronisch geld krachtens artikel 3 (1) van de Richtlijn. Dit artikel voorziet in de omzetting van artikel 5 van de Richtlijn. Art. 46 Dit artikel voegt in de wet een artikel 73 in, over de wijzigingen in de aandeelhoudersstructuur van instellin- gen voor elektronisch geld. Naar analogie met de wetten over het prudentieel toezicht op andere instellingen uit de fi nanciële sector voert deze bepaling een regeling in die de Bank in staat stelt te volgen hoe de aandeelhou- dersstructuur in de loop van het boekjaar evolueert en DOC 53 2432/001 31 2431/001 DOC 53 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 3 e L É G I S L A T U R E K AMER 3e Z ITTING VAN DE 53e Z ITTING S P E RIO DE 2011 2012 d’exercice et de pouvoir faire obstacle à l’acquisition ou à la majoration d’une participation par un actionnaire ne présentant pas toutes les qualités nécessaires au regard du besoin de garantir une gestion saine et prudente de l’établissement de monnaie électronique. Le paragraphe 1er de l’article 73 impose une procé- dure de notifi cation pour toute personne acquérant, ou cédant, une participation qualifi ée dans un établisse- ment de monnaie électronique, ou dont l’augmentation ou la réduction de la participation aurait pour consé- quence qu’elle la ferait atteindre ou dépasser les seuils des 20 %, 30 % ou de 50 % (des parts en capital ou des droits de vote), ou la ferait descendre en-dessous de ces seuils, ou que l’établissement de monnaie élec- tronique en deviendrait sa fi liale ou cesserait de l’être. L’obligation de notifi er s’impose aux personnes qui ont pris la décision d’acquérir ou de céder une participa- tion dans les proportions susmentionnées, de sorte que cette obligation de notifi cation est bien préalable à l’acquisition. En réponse à l’observation du Conseil d’État, il est précisé que la notion de “personne phy- sique ou morale qui a pris la décision d’aquérir ou de céder, directement ou indirectement, une participation qualifi ée” reprise l’article 3, paragraphe 3, alinéa 1er, et la notion d’”acquéreur potentiel”, reprise à l’article 3, paragraphe 3, alinéa 2, se recouvrent de sorte que ces deux alinéas de la directive sont transposés dans un seul paragraphe. Par ailleurs, le texte reprend les termes mêmes de la directive qui prévoient que les personnes concernées doivent informer à l’avance les autorités compétentes de leur intention de procéder à une acquisition, cession, augmentation ou réduction. Il n’est donc pas indiqué de prévoir que la Banque doit être informée sans délai de l’intention de l’acquéreur potentiel de procéder à une telle opération. Les acquisitions et cessions tant directes qu’indi- rectes de participations qualifiées sont visées par l’article 73. Sur la notion d’acquisition ou de cession indirecte, il est renvoyé au commentaire de l’article 5 de la loi du 31 juillet 2009 assurant la transposition de la directive 2007/44/CE relative aux procédures et cri- tères d’évaluation applicables à l’évaluation prudentielle des acquisitions et des augmentations de participation dans des entités du secteur fi nancier (ci-après “loi du 31 juillet 2009”), et qui modifi e l’article 24 de la loi bancaire consacré aux modifi cations de la structure de l’actionnariat dans les établissements de crédit (Exposé des motifs, Doc. Parl., Chambre, session 2008-2009, n° 2011/001, p. 14). zich te verzetten tegen de verwerving of vergroting van de deelneming van een aandeelhouder die niet geschikt is, gelet op de noodzaak van een gezond en voorzichtig beleid van de instelling voor elektronisch geld. Paragraaf 1 van artikel 73 legt een kennisgevings- procedure op voor personen die een gekwalifi ceerde deelneming in een instelling voor elektronisch geld verwerven of vervreemden, of die deze deelneming vergroten of verminderen, waardoor de drempel van 20 %, 30 % of 50 % (van de aandelen in het kapi- taal of de stemrechten) zou zijn bereikt of zou worden overschreden, of waardoor de deelneming die drem- pels zou onderschrijden, of waardoor de instelling voor elektronisch geld haar dochteronderneming zou worden of niet langer haar dochteronderneming zou zijn. De verplichting tot kennisgeving geldt voor personen die beslist hebben een deelneming te verwerven of te ver- vreemden in de bovenvermelde verhoudingen, zodat deze kennisgevingsplicht moet worden vervuld vóór de verwerving plaatsvindt. Als antwoord op de opmerking van de Raad van State wordt gepreciseerd dat het begrip “natuurlijke of rechtspersoon die besloten heeft om het- zij rechtstreeks of onrechtstreeks een gekwalifi ceerde deelneming” zoals opgenomen in artikel 3, paragraaf 3, eerste alinea van de richtlijn, en het begrip “kandidaat- verwerver”, zoals opgenomen in artikel 3, paragraaf 3, tweede alinea, elkaar overlappen in die zin dat de beide alinea’s van de richtlijn in één enkele paragraaf werden omgezet. Bovendien herneemt de tekst de termen van de richtlijn die voorziet dat de betrokken personen de bevoegde autoriteiten op voorhand moeten informeren aangaande hun intentie om over te gaan tot een verwer- ving, verkoop, verhoging of vermindering. Er werd dus niet voorzien dat de Bank onmiddellijk op de hoogte moet worden gebracht van de intentie van de kandidaat- verwerver om een dergelijke operatie door te voeren. Artikel 73 geldt zowel voor rechtstreekse als on- rechtstreekse verwervingen en vervreemdingen van gekwalificeerde deelnemingen. Voor de begrippen “onrechtstreekse verwerving” en “onrechtstreekse ver- vreemding” wordt verwezen naar de commentaar bij artikel 5 van de wet van 31 juli 2009, dat voorziet in de omzetting van Richtlijn 2007/44/EG over de procedures en evaluatiecriteria voor de prudentiële beoordeling van verwervingen en vergrotingen van deelnemingen in de fi nanciële sector (hierna “wet van 31 juli 2009”), en dat wijzigingen aanbrengt in artikel 24 van de bankwet, dat betrekking heeft op de wijzigingen in de aandeel- houdersstructuur van kredietinstellingen (Memorie van Toelichting, Parl. St., Kamer, zitting 2008-2009, nr. 2011/001, p. 14). DOC 53 2432/001 32 2431/001 DOC 53 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 3 e L É G I S L A T U R E K AMER 3e Z ITTING VAN DE 53e Z ITTING S P E RIO DE 2011 2012 Le paragraphe 1er de l’article 73 précise également que la notifi cation doit mentionner le montant envisagé de la participation, ainsi que l’ensemble des informa- tions requises pour permettre à la Banque de procéder à l’examen de la notifi cation. Ces informations sont les informations pertinentes fi gurant à l’article 24, § 3, alinéa 3 de la loi bancaire, transposant l’article 19bis, paragraphe 4 de la directive 2006/48/CE, à laquelle il est fait référence dans l’article 3 (3), alinéa 2 de la directive. Il a été tenu compte de l’observation du Conseil d’État suggérant de préciser les formes et le délai endéans lesquels la Banque doit notifi er son opposition à la réalisation de l’opération envisagée. Le paragraphe 3 de l’article 73 précise les motifs sur base desquels la Banque peut s’opposer à la réalisation d’une acqui- sition ou d’une cession de participation, à savoir que l’infl uence exercée par le candidat acquéreur est de nature à compromettre la gestion saine et prudente de l’établissement. Cette appréciation se fait sur base des informations pertinentes reçues par la Banque confor- mément au paragraphe 1er de l’article 73 et qui ont trait, notamment, à la réputation du candidat acquéreur, à la réputation et à l’expérience de toute personne qui assurera la direction des activités de l’établissement de monnaie électronique à la suite de l’acquisition envisagée, à la solidité fi nancière du candidat, et à la capacité de l’établissement, à la suite de cette modifi - cation de l’actionnariat, de continuer à satisfaire à ses obligations prudentielles, selon notamment la structure et l’organisation du groupe dans lequel l’établissement est placé. Pour plus de précisions sur ces critères d’évaluation, il est renvoyé au commentaire de l’article 5 de la loi du 31 juillet 2009, ayant inséré ces critères à l’article 24, § 3, alinéa 3 de la loi bancaire ((Exposé des motifs, Doc. Parl., Chambre, session 2008-2009, n° 2011/001,pp. 17 à 19). Il est également précisé dans le paragraphe 2 de l’article 73 que, le cas échéant, la Banque doit se concerter avec une autorité compétente étrangère, notamment lorsque le candidat actionnaire ou associé est une entreprise réglementée agréée dans un autre État membre de l’EEE, ou avec la FSMA lorsqu’il s’agit d’une entreprise réglementée soumise au contrôle de cette autorité, telles que les sociétés de gestion d’orga- nismes de placement collectif, ou les sociétés de gestion de portefeuille et de conseil en investissements. Le paragraphe 2 de l’article 73 précise quelles mesures la Banque est autorisée à prendre lorsque il n’est pas procédé à la notifi cation préalable prévue au paragraphe 1er, ou lorsqu’une participation est acquise ou cédée en dépit de l’opposition de la Banque. Au sujet de ces mesures, l’article 3 (3), alinéa 3 de la directive Paragraaf 1 van artikel 73 bepaalt ook dat in de kennisgeving de omvang van de beoogde deelneming moet worden vermeld, evenals alle nodige informatie, zodat de Bank kan overgaan tot het onderzoek van de kennisgeving. Het gaat hier om de relevante informatie als bedoeld in artikel 24, § 3, derde lid van de bankwet, dat voor de omzetting zorgt van artikel 19bis, lid 4 van Richtlijn 2006/48/EG, waarnaar verwezen wordt in arti- kel 3 (3), tweede alinea van de Richtlijn. Er werd rekening gehouden met de opmerking van de Raad van State die suggereerde om de vormen en termijnen te verduidelijken waarbinnen de Bank haar verzet tegen de beoogde operatie ter kennis dient te brengen. Paragraaf 3 van artikel 73 bepaalt in welke gevallen de Bank zich kan verzetten tegen de verwer- ving of vervreemding van een deelneming, namelijk wanneer de invloed van de kandidaat-verwerver een gezond en voorzichtig beleid van de instelling kan belemmeren. Bij deze beoordeling wordt uitgegaan van de relevante informatie die de Bank ontvangt conform paragraaf 1 van artikel 73 en die onder meer betrekking heeft op de reputatie van de kandidaat-verwerver, op de reputatie en de ervaring van alle personen die na de beoogde verwerving de leiding zullen hebben over de werkzaamheden van de instelling voor elektronisch geld, op de fi nanciële soliditeit van de kandidaat en op de mate waarin de instelling na deze wijziging in de aandeelhoudersstructuur kan blijven voldoen aan haar prudentiële verplichtingen, met name naargelang van de structuur en de organisatie van de groep waar- toe de instelling behoort. Voor meer uitleg over deze evaluatiecriteria verwijzen wij naar de commentaar bij artikel 5 van de wet van 31 juli 2009, die deze criteria heeft ingevoegd in artikel 24, § 3, derde lid van de ban- kwet (Memorie van Toelichting, Parl. St., Kamer, zitting 2008-2009, nr. 2011/001, pp. 17 tot 19). In paragraaf 2 van artikel 73 wordt ook bepaald dat de Bank in voorkomend geval overleg moet plegen met een buitenlandse bevoegde autoriteit, met name wanneer de kandidaat-aandeelhouder of kandidaat-vennoot een gereglementeerde onderneming is die in een andere lidstaat van de EER een vergunning heeft verkregen, of met de FSMA, indien het gaat om een gereglementeerde onderneming die onderworpen is aan het toezicht van die autoriteit, zoals beheervennootschappen van instel- lingen voor collectieve belegging of vennootschappen voor vermogensbeheer en beleggingsadvies. In paragraaf 2 van artikel 73 wordt opgesomd welke maatregelen de Bank kan nemen indien de bij para- graaf 1 voorgeschreven voorafgaande kennisgeving niet wordt verricht of indien er een deelneming wordt verworven of vervreemd ondanks het verzet van de Bank. Art. 3 (3), derde alinea van de Richtlijn bepaalt DOC 53 2432/001 33 2431/001 DOC 53 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 3 e L É G I S L A T U R E K AMER 3e Z ITTING VAN DE 53e Z ITTING S P E RIO DE 2011 2012 précise qu’elles peuvent comprendre des injonctions, des sanctions à l’égard des dirigeants ou des respon- sables de la gestion, ou la suspension de l’exercice des droits de vote attachés aux actions ou parts détenues par les actionnaires ou associés en question. Par souci de cohérence avec les autres législations prudentielles dans le secteur fi nancier, le gouvernement a choisi de reprendre dans ce paragraphe les mesures que la Banque est autorisée à prendre dans des situations simi- laires survenant dans d’autres établissements fi nanciers (cf. par exemple article 25 de la loi bancaire). Il s’agit des mesures de suspension de l’exercice des droits de vote attachés aux actions ou parts détenues par l’actionnaire en question ou l’associé en question, ainsi que l’injonction donné à l’actionnaire ou à l’associé en cause de céder, dans un certain délai fi xé par la Banque, ses droits d’associés. La mesure de suspension s’ins- crit ainsi dans la logique de la nécessité d’éloigner l’actionnaire afi n de prévenir une infl uence malsaine sur la gestion de l’établissement. Dans la même optique, la mesure d’injonction d’aliénation de la participation et, à défaut, celle du séquestre, se révèlent indispensables dans des situations dans lesquelles l’éloignement de l’actionnaire est requis afi n qu’il soit totalement isolé par rapport à la gestion de l’établissement. Afi n de transposer l’article 3 (3), alinéa 5 de la direc- tive, le paragraphe 3 de l’article prévoit également la possibilité pour la Banque de faire prononcer, par le Président du tribunal de commerce territorialement compétent, l’annulation des votes émis par l’action- naire ou l’associé concerné. Cette même mesure, et les mêmes modalités sont prévues dans les autres législations fi nancières, et notamment à l’article 24, § 6 de la loi bancaire, dont le gouvernement s’est inspiré, par souci de cohérence. Cet article transpose l’article 3 (3) de la directive. Art. 47 Cet article insère, dans la loi, un article 74 qui requiert l’autorisation de la Banque pour les fusions entre éta- blissements de monnaie électronique et pour les fusions entre les établissements de monnaie électronique et d’autres établissements fi nanciers. L’article 74, alinéa 3 précise que la Banque ne peut refuser l’autorisation que pour des motifs tenant à la gestion saine et prudente de l’établissement de monnaie électronique. dat deze maatregelen kunnen bestaan uit bindende aanwijzingen, sancties ten aanzien van de leiders of verantwoordelijken voor het beleid, of schorsing van de uitoefening van de stemrechten die verbonden zijn aan de aandelen die door de betrokken aandeelhouder of vennoot worden gehouden. Omwille van de samenhang met andere prudentiële wetteksten voor de fi nanciële sector, heeft de regering ervoor gekozen om in deze paragraaf de maatregelen op te nemen die de Bank kan nemen in soortgelijke situaties bij andere fi nanciële instellingen (zie bijvoorbeeld artikel 25 van de bankwet). Het gaat om de schorsing van de uitoefening van de stemrechten die verbonden zijn aan de aandelen die door de betrokken aandeelhouder of vennoot worden gehouden en de aanmaning die aan de betrokken aan- deelhouder of vennoot wordt gegeven om zijn aandeel- houdersrechten over te dragen binnen een door de Bank bepaalde termijn. Deze schorsing sluit ook aan bij de noodzaak om de aandeelhouder op afstand te houden om te vermijden dat hij een ongezonde invloed heeft op het beleid van de instelling. Ook de aanmaning om de deelneming over te dragen en, bij ontstentenis, de sekwestratie, zijn onontbeerlijke maatregelen in geval- len waar de aandeelhouder op afstand moet worden gehouden zodat hij geen invloed meer kan uitoefenen op het beleid van de instelling. Paragraaf 3 van het artikel, die de omzetting vormt van artikel 3 (3), vijfde alinea van de Richtlijn, voorziet ook in de mogelijkheid voor de Bank om de stemmen uitgebracht door de betrokken aandeelhouder of ven- noot nietig te laten verklaren door de voorzitter van de territoriaal bevoegde rechtbank van koophandel. Deze maatregel en de toepassingsmodaliteiten ervan komen ook voor in andere fi nanciële wetteksten en met name in artikel 24, § 6 van de bankwet, waarop de regering zich gebaseerd heeft omwille van de onderlinge samenhang. Dit artikel voorziet in de omzetting van artikel 3 (3) van de Richtlijn. Art. 47 Dit artikel voegt in de wet een artikel 74 in, dat bepaalt dat de toestemming van de Bank is vereist voor fusies van instellingen voor elektronisch geld en fusies tussen dergelijke instellingen en andere fi nanciële instellingen. Artikel 74, derde lid, bepaalt dat de Bank haar toe- stemming enkel kan weigeren om redenen die verband houden met het gezond en voorzichtig beleid van de instelling voor elektronisch geld. DOC 53 2432/001 34 2431/001 DOC 53 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 3 e L É G I S L A T U R E K AMER 3e Z ITTING VAN DE 53e Z ITTING S P E RIO DE 2011 2012 Cette disposition a notamment pour objectif de permettre à la Banque de vérifi er si, à la suite d’une opération de fusion, l’établissement de monnaie élec- tronique satisfait toujours aux conditions d’agrément. Dans le cas contraire, la Banque doit être en mesure de s’opposer à la fusion. Art. 48 Cet article insère, dans la loi, un nouvel article 75 qui règle la procédure que les établissements de monnaie électronique doivent suivre lorsqu’ils projettent d’exer- cer une activité d’émission de monnaie électronique dans un autre État membre de l’EEE, soit par voie d’établissement d’une succursale, soit dans le cadre de la libre prestation de services. L’article 75, alinéa 3 prévoit la possibilité pour la Banque de s’opposer à l’ouverture d’une succursale dans un autre État membre de l’EEE si elle estime que ce projet peut avoir des répercussions préjudiciables sur l’organisation, la situation fi nancière ou le contrôle de l’établissement de monnaie électronique. Ainsi, la mise en œuvre de la décision prise par un établissement de monnaie électronique de développer ses activités à l’étranger et d’y ouvrir une succursale peut avoir pour effet que l’établissement ne répond plus aux conditions d’agrément de sorte que, dans une telle hypothèse, la Banque doit être en mesure de prendre des mesures à son égard. Au lieu de retirer l’agrément de l’établisse- ment concerné dans la mesure où il ne satisfait plus à ses conditions d’agrément, la Banque peut s’opposer au projet d’ouverture de la succursale. Ce régime est analogue à celui prévu dans d’autres législations fi nan- cières, et est notamment analogue au régime prévu pour les projets similaires des établissements de paiement. Cet article transpose partiellement l’article 3 (1) de la directive (qui prévoit l’application mutatis mutandis de l’article 25 (1) de la directive 2007/64/CE). Art. 49 Cet article insère, dans la loi, un nouvel article 76 décrivant les conditions dans lesquelles les établisse- ments de monnaie électronique sont autorisés à exercer leurs activités par l’intermédiaire de personnes agissant pour leur compte. Selon les activités envisagées par ces intermédiaires, il convient de parler de distributeurs ou d’agents. Les paragraphes 1er et 2 de l’article 76 sont consacrés aux Zo kan de Bank onder meer nagaan, na een fusie, of de instelling voor elektronisch geld nog steeds voldoet aan de vergunningsvoorwaarden. Zoniet moet de Bank zich kunnen verzetten tegen de fusie. Art. 48 Dit artikel voegt in de wet een nieuw artikel 75 in, dat de procedure bevat die de instellingen voor elektro- nisch geld moeten volgen wanneer zij voornemens zijn elektronisch geld uit te geven in een andere lidstaat van de EER, hetzij via de vestiging van een bijkantoor, hetzij in het kader van het vrij verrichten van diensten. Artikel 75, derde lid, biedt aan de Bank de mogelijk- heid om zich te verzetten tegen de opening van een bijkantoor in een andere lidstaat van de EER, indien zij van oordeel is dat dit project nadelige gevolgen kan hebben op de organisatie, de fi nanciële positie of het toezicht op de instelling voor elektronisch geld. Zo kan de uitvoering van de beslissing die door een instelling voor elektronisch geld wordt genomen om haar werk- zaamheden in het buitenland uit te oefenen en daar een bijkantoor te openen, tot gevolg hebben dat de instelling niet langer voldoet aan de vergunningsvoorwaarden. In een dergelijk geval moet de Bank maatregelen kunnen nemen ten aanzien van deze instelling. In plaats van de vergunning van de betrokken instelling in te trekken indien zij niet langer voldoet aan de vergunningsvoor- waarden, kan de Bank zich verzetten tegen de opening van het bijkantoor. Deze regeling is vergelijkbaar met deze die in andere fi nanciële wetteksten voorkomt, en met name met de regeling waarin voorzien is voor ver- gelijkbare projecten van betalingsinstellingen. Dit artikel zorgt voor de gedeeltelijke omzetting van artikel 3 (1) van de Richtlijn (dat voorziet in de overeen- komstige toepassing van artikel 25  (1) van Richtlijn 2007/64/EG). Art. 49 Dit artikel voegt in de wet een nieuw artikel 76 in, dat de voorwaarden bevat waaronder de instellingen voor elektronisch geld hun werkzaamheden mogen verrich- ten via tussenpersonen die voor hun rekening handelen. Deze tussenpersonen worden distributeurs of agen- ten genoemd, naargelang van de werkzaamheden die zij verrichten. De paragrafen 1 en 2 van artikel 76 betreffen DOC 53 2432/001 35 2431/001 DOC 53 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 3 e L É G I S L A T U R E K AMER 3e Z ITTING VAN DE 53e Z ITTING S P E RIO DE 2011 2012 distributeurs. La directive n’utilise pas cette notion de distributeur et ne fait référence qu’à des personnes physiques et morales agissant pour le compte d’un établissement de monnaie électronique. Par souci de clarté, et afi n de clairement distinguer cette notion de celle d’un agent au sens de la directive, l’article 4, 36° de la loi défi nit la notion de distributeur, comme étant une personne physique ou morale qui distribue et/ou rembourse de la monnaie électronique pour le compte d’un établissement de monnaie électronique. D’un point de vue juridique, les distributeurs sont des intermédiaires, indépendamment de la qualifi cation juri- dique des relations contractuelles entre un distributeur et l’établissement de monnaie électronique concerné. Rien n’interdit donc que ces personnes soient liées par un contrat d’agence commerciale, au sens de la loi du 13 avril 1995 relative au contrat d’agence commerciale. Le paragraphe 1er de l’article 76 prévoit que les éta- blissements de monnaie électronique sont autorisés à distribuer de la monnaie électronique par l’intermédiaire de distributeurs. La notion de distribution de monnaie électronique ne doit pas être confondue avec celle d’émission de monnaie électronique et les distributeurs ne sont pas considérés comme étant des émetteurs de monnaie électronique. La distribution de monnaie élec- tronique vise principalement la vente ou la revente de produits de monnaie électronique, ainsi que l’éventuel rechargement de ces produits. Ces distributeurs sont également autorisés à procéder, pour le compte de l’établissement de monnaie électronique, au rembour- sement de la monnaie électronique, conformément à l’article 58/2 de la loi du 10 décembre 2009 relative aux services de paiement, même si la responsabilité afférente à cette obligation de remboursement repose sur les établissements de monnaie électronique, en tant qu’émetteurs. Le recours à des distributeurs n’est subordonné à aucune condition ou procédure spécifi que, au contraire du recours à des agents pour l’exercice d’une activité de prestation de services de paiement (cf. infra). Toute- fois, conformément à l’article 62, 7° de la loi (inséré par l’article 33 du projet de loi), la demande d’agrément en qualité d’établissement de monnaie électronique doit mentionner une description de l’organisation structu- relle du demandeur, en ce compris, le cas échéant, une description du projet de recours non seulement à des succursales ou des agents, mais également à des distributeurs. La Banque doit donc, à tout le moins être informée de l’intention de l’établissement de monnaie électronique d’avoir recours à des distributeurs, et dans quelle proportion, ainsi que des modifi cations qui y sont relatives. En outre, si la Banque devait considérer que le recours à des distributeurs serait préjudiciable au regard du besoin de garantir une gestion saine et de distributeurs. In de Richtlijn komt het begrip “distribu- teur” niet voor. Daar is enkel sprake van “natuurlijke en rechtspersonen die namens een instelling voor elektro- nisch geld optreden”. Voor de duidelijkheid en om een duidelijk onderscheid te maken tussen dit begrip en het begrip “agent” in de zin van de Richtlijn, wordt het begrip “distributeur” in artikel 4, 36° van de wet gedefi nieerd als een natuurlijke of rechtspersoon die voor rekening van een instelling voor elektronisch geld elektronisch geld overmaakt en/of terugbetaalt. Vanuit juridisch oogpunt zijn distributeurs tussenpersonen, ongeacht de juridi- sche kwalifi catie van de contractuele relatie tussen een distributeur en de betrokken instelling voor elektronisch geld. Niets belet dus dat deze personen gebonden worden door een handelsagentuurovereenkomst, zoals gedefi nieerd in de wet van 13 april 1995 betreffende de handelsagentuurovereenkomst. Volgens paragraaf 1 van artikel 76 mogen instellingen voor elektronisch geld elektronisch geld overmaken via distributeurs. Het overmaken van elektronisch geld mag niet verward worden met de uitgifte van elektro- nisch geld en distributeurs worden niet beschouwd als uitgevers van elektronisch geld. Met “overmaken van elektronisch geld” wordt voornamelijk de verkoop of herverkoop van elektronischgeldproducten bedoeld, evenals de eventuele heroplading van deze producten. Deze distributeurs mogen ook elektronisch geld terug- betalen namens de instelling voor elektronisch geld, conform artikel 58/2 van de wet van 10 december 2009 betreffende de betalingsdiensten, ook wanneer de aansprakelijkheid voor die verplichting tot terugbetaling bij de instellingen voor elektronisch geld ligt, in hun hoedanigheid van uitgever. Om een beroep te kunnen doen op distributeurs, moet de instelling voor elektronisch geld geen speci- fi eke voorwaarden vervullen of specifi eke procedure volgen, in tegenstelling tot wanneer zij een beroep doet op agenten voor betalingsdiensten(zie verder). Conform artikel 62, 7° van de wet (ingevoegd bij artikel 33 van het wetsontwerp), moet in de aanvraag van een ver- gunning als instelling voor elektronisch geld echter wel een beschrijving worden gegeven van de structurele organisatie van de aanvrager, in voorkomend geval met een beschrijving van het voornemen om een beroep te doen op bijkantoren of agenten, of op distributeurs. De Bank moet minstens op de hoogte worden gebracht van het voornemen van de instelling voor elektronisch geld om een beroep te doen op distributeurs, en van de mate waarin zij van plan is dit te doen, evenals van eventuele wijzigingen in dit verband. Indien de Bank van oordeel is dat het gebruik van distributeurs nadelig is, gelet op DOC 53 2432/001 36 2431/001 DOC 53 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 3 e L É G I S L A T U R E K AMER 3e Z ITTING VAN DE 53e Z ITTING S P E RIO DE 2011 2012 prudente de l’établissement, elle pourrait assortir l’agré- ment de l’établissement de monnaie électronique de certaines conditions, dont celle de ne pas faire appel à des distributeurs, ou de prévoir certains aménagements (comme limiter le nombre de ces distributeurs ou limiter leur mandat). Les distributeurs ne doivent pas être enregistrés, comme le sont les agents d’établissements de paie- ment, et leur identité n’apparaît pas sur la liste des établissements de monnaie électronique tenue par la Banque. Le paragraphe 2 de l’article 76 précise que, moyen- nant le respect de la procédure de notifi cation prévue pour l’ouverture d’une succursale dans un autre État membre de l’EEE ou pour l’exercice de son activité en libre prestation de services, un établissement de mon- naie électronique est autorisé à distribuer de la monnaie électronique dans un autre État membre de l’EEE par l’intermédiaire de distributeurs. Ce paragraphe trans- pose littéralement l’article 3 (4) (deuxième phrase) de la directive qui ne vise que la distribution de monnaie élec- tronique dans un autre État membre de l’EEE. Dès lors que, selon la Commission européenne, le Considérant (10) de la directive ne fait pas de différence entre la distri- bution et le remboursement de la monnaie électronique par l’intermédiaire de distributeurs, la Commission, dans le cadre des travaux du groupe de transposition de la directive a fait valoir le point de vue selon lequel les établissements de monnaie électronique étaient également autorisés à procéder au remboursement de la monnaie électronique dans un autre État membre de l’EEE par l’intermédiaire de distributeurs. Le paragraphe 3 de l’article 76 est consacré aux agents des établissements de monnaie électronique, c’est à dire aux intermédiaires auxquels peuvent recourir les établissements de monnaie électronique, non pas pour distribuer ou rembourser de la monnaie électro- nique, mais pour prester des services de paiement. Dans ce cas, la disposition précise que les conditions de l’article 20 de la loi s’appliquent, ce qui signifi e que l’établissement concerné doit préalablement communi- quer à la Banque les renseignements relatifs à l’agent mentionnés à l’article 20, § 1er, alinéa 2 de la loi, et que ces agents doivent être inscrits sur une liste tenue à cet effet par la Banque (cf. article 64 de la loi, inséré par l’article 35 du présent projet). Les établissements de monnaie électronique ne sont en aucun cas autorisés à émettre de la monnaie électro- nique par l’intermédiaire d’une personne agissant pour leur compte, que cela soit une personne répondant aux défi nitions de distributeur ou d’agent. de noodzaak van een gezond en voorzichtig beleid van de instelling, kan zij aan de vergunning van de instelling voor elektronisch geld bepaalde voorwaarden verbin- den. Zo kan zij verlangen dat de instelling geen beroep doet op distributeurs of kan zij bepaalde aanpassingen eisen (zoals het beperken van het aantal distributeurs of het beperken van hun mandaat). In tegenstelling tot de agenten van betalingsinstellin- gen moeten de distributeurs niet geregistreerd worden. Hun identiteitsgegevens worden ook niet opgenomen in de lijst van de instellingen voor elektronisch geld die door de Bank wordt bijgehouden. Paragraaf 2 van artikel 76 bepaalt dat instellingen voor elektronisch geld in een andere lidstaat van de EER elektronisch geld mogen overmaken via distributeurs, mits zij de kennisgevingsprocedure in acht nemen die gevolgd moet worden bij het openen van een bijkantoor in een andere lidstaat van de EER of voor de uitoe- fening van hun werkzaamheden in het kader van het vrij verrichten van diensten. Deze paragraaf vormt de letterlijke omzetting van artikel 3 (4) (tweede zin) van de Richtlijn, dat enkel betrekking heeft op de overmaking van elektronisch geld in een andere lidstaat van de EER. Aangezien er volgens de Europese Commissie in de tiende overweging van de Richtlijn geen onderscheid wordt gemaakt tussen de overmaking en de terugbeta- ling van elektronisch geld via distributeurs, heeft zij er in het kader van de werkzaamheden van de werkgroep voor de omzetting van de Richtlijn op gewezen dat instellingen voor elektronisch geld ook in een andere lidstaat van de EER elektronisch geld mogen overmaken via distributeurs. Paragraaf 3 van artikel 76 betreft de agenten van instellingen voor elektronisch geld, d.w.z. de tussenper- sonen waarop de instellingen voor elektronisch geld een beroep kunnen doen, niet om elektronisch geld over te maken of terug te betalen, maar om betalingsdiensten te verrichten. In deze paragraaf wordt bepaald dat de voorwaarden van artikel 20 van de wet van toepassing zijn, wat betekent dat de betrokken instelling voorafgaan- delijk aan de Bank de gegevens moet bezorgen van de agent, als bedoeld in artikel 20 § 1, tweede lid van de wet en dat deze agenten moeten worden ingeschreven op een lijst die daartoe wordt bijgehouden door de Bank (zie artikel 64 van de wet, ingevoegd bij artikel 35 van de voorliggende ontwerptekst). Een instelling voor elektronisch geld mag in geen geval elektronisch geld uitgeven via een persoon die namens haar optreedt, ook al beantwoordt deze persoon aan de defi nitie van distributeur of agent. DOC 53 2432/001 37 2431/001 DOC 53 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 3 e L É G I S L A T U R E K AMER 3e Z ITTING VAN DE 53e Z ITTING S P E RIO DE 2011 2012 Le paragraphe 4 de l’article 76 précise que les établis- sements de monnaie électronique restent entièrement responsables des actes posés par leurs distributeurs ou leurs agents. Par analogie avec le régime applicable aux agents d’établissements de paiement, la Banque n’exerce pas de contrôle prudentiel sur les agents ou les distributeurs des établissements de monnaie électronique. Si le comportement d’un agent ou d’un distributeur appelle des observations, la Banque traitera cette question directement avec l’établissement de monnaie électronique, sans préjudice de la possibilité pour la Banque de prendre des mesures à l’égard de l’agent en application des dispositions de l’article 87, § 3, et des dispositions de la loi du 22 février 1998 fi xant le statut organique de la Banque nationale de Belgique. L’article 76 transpose les articles 3 (4) et (5) de la directive, ainsi que l’article 18 (2) de la directive 2007/64/ CE, applicable mutatis mutandis aux établissements de monnaie électronique en vertu de l’article 3 (1) de la directive. Art. 50 Cet article insère, dans la loi, un nouvel article 77 qui règle les activités que les établissements de monnaie électronique peuvent cumuler avec l’activité d’émission de monnaie électronique. L’article 77, § 1er prévoit que les établissements de monnaie électronique ne peuvent exercer des activi- tés commerciales autres que l’émission de monnaie électronique qu’avec l’autorisation préalable de la Banque et aux conditions posées par cette dernière. De manière similaire avec les établissements de paie- ment, la directive ne soumet pas les établissements de monnaie électronique au principe de spécialité, et autorise ces établissements à exercer d’autres activités commerciales que l’émission de monnaie électronique, même en dehors du secteur fi nancier (établissements dits “hybrides”). Ces structures hybrides impliquent toutefois des risques spécifi ques pour les détenteurs de monnaie électronique, de sorte que la Banque doit être en mesure de pouvoir imposer certaines conditions à respecter, visant, par exemple à cloisonner cette activité par rapport à l’activité de services de paiement sur laquelle porte uniquement le contrôle de la Banque. Ainsi, la Banque appréhendera la maîtrise des risques au niveau de la gestion de l’établissement de monnaie électronique en vérifi ant le statut de contrôle auquel cette activité commerciale autre que l’émission de monnaie électronique ou les activités visées au para- graphe 2 pourrait être soumise et en imposant, le cas échéant, des conditions supplémentaires à respecter Paragraaf 4 van artikel 76 bepaalt dat instellingen voor elektronisch geld volledig verantwoordelijk zijn voor de handelingen die door hun distributeurs of agenten worden gesteld. Naar analogie met de regeling voor agenten van betalingsinstellingen, oefent de Bank geen prudentieel toezicht uit op agenten of distribu- teurs van instellingen voor elektronisch geld. Indien het gedrag van een agent of een distributeur aanleiding geeft tot opmerkingen, behandelt de Bank deze zaak rechtstreeks met de instelling voor elektronisch geld, zonder afbreuk te doen aan de mogelijkheid voor de Bank om maatregelen te nemen ten aanzien van de agent op grond van de bepalingen van artikel 87, § 3, en de bepalingen van de wet van 22 februari 1998 tot vaststelling van het organiek statuut van de Nationale Bank van België. Artikel 76 voorziet in de omzetting van de artikelen 3 (4) en (5) van de Richtlijn, evenals van artikel 18 (2) van Richtlijn 2007/64/EG, dat van overeenkomstige toepassing is op de instellingen voor elektronisch geld krachtens artikel 3 (1) van de Richtlijn. Art. 50 Dit artikel voegt in de wet een nieuw artikel 77 in, dat bepaalt welke werkzaamheden de instellingen voor elektronisch geld mogen uitoefenen naast de uitgifte van elektronisch geld. Artikel 77, § 1 bepaalt dat de instellingen voor elek- tronisch geld geen andere bedrijfswerkzaamheden dan de uitgifte van elektronisch geld mogen uitoefenen, tenzij ze daarvoor de voorafgaande goedkeuring heb- ben verkregen van de Bank, en mits zij voldoen aan de door de Bank opgelegde voorwaarden. Noch de betalingsinstellingen noch de instellingen voor elek- tronisch geld zijn volgens de Richtlijn onderworpen aan het specialiteitsbeginsel. Deze instellingen mogen andere bedrijfswerkzaamheden uitoefenen dan de uitgifte van elektronisch geld, zelfs buiten de fi nanci- ele sector (zogenaamde “hybride” instellingen). Deze hybride structuren houden soms specifi eke risico’s in voor de houders van elektronisch geld, waardoor de Bank bepaalde voorwaarden moet kunnen opleggen, die bijvoorbeeld tot doel hebben deze werkzaamheid af te scheiden van de betalingsdienstactiviteit, die de enige werkzaamheid is waarop de Bank toezicht houdt. aanvullende voorwaarden moet kunnen opleggen voor de uitoefening van die werkzaamheden. Zo zal de Bank de risicobeheersing beoordelen op het niveau van het beleid van de instelling voor elektronisch geld, door na te gaan welk toezichtsstatuut deze andere bedrijfs- werkzaamheden dan de uitgifte van elektronisch geld of dan de werkzaamheden bedoeld in paragraaf 2 zouden DOC 53 2432/001 38 2431/001 DOC 53 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 3 e L É G I S L A T U R E K AMER 3e Z ITTING VAN DE 53e Z ITTING S P E RIO DE 2011 2012 dans le cadre de cette activité si elle le juge nécessaire pour les besoins du contrôle prudentiel de l’établisse- ment de monnaie électronique. Le paragraphe 1er, alinéa 2, prévoit que la Banque peut en outre exiger que l’activité d’émission de mon- naie électronique soit logée dans une entité distincte de l’entité exerçant d’autres activités commerciales. Si l’établissement de monnaie électronique fournit égale- ment des services de paiement, ceux-ci seront fournis par l’entité chargée de l’activité d’émission de monnaie électronique. Ce paragraphe transpose l’article 10 (5) de la directive 2007/64/CE applicable mutatis mutandis aux établisse- ments de monnaie électronique en vertu de l’article 3 (1) de la directive. Outre l’autorisation de la Banque, l’établissement de monnaie électronique qui souhaite exercer d’autres acti- vités commerciales pourra également, le cas échéant, devoir obtenir une autre autorisation liée à l’activité envisagée, en vertu de règles spécifi ques régissant éventuellement l’accès de la profession. En outre, malgré l’obligation d’obtenir une telle autorisation préalable de la Banque, les autres activités commerciales exercées par les établissements hybrides ne relèvent pas de la mission de contrôle prudentiel de la Banque, sauf disposition contraire expresse de la loi ou d’une autre législation. L’article 81, paragraphe 4 de la loi (inséré par l’article 55 du projet de loi) rap- pelle cette règle. En effet, ces autres activités com- merciales sont régies par les réglementations qui leur sont applicables et qui défi nissent les règles d’accès à l’activité ainsi que les éventuelles règles relatives aux exigences en matière de solvabilité et de liquidité. Ces règles s’appliquent ainsi de manière complémentaire aux exigences découlant du statut d’établissement de monnaie électronique. L’article 77, § 2 prévoit que les établissements de monnaie électronique peuvent d’office (c.-à-d sans autorisation préalable de la Banque) exercer les activités suivantes: 1° la prestation de services de paiement, 2° la prestation de services opérationnels et de services auxiliaires étroitement liés à l’émission de monnaie électronique ou à la prestation de services de paiement et 3° la gestion de systèmes de paiement au sens de l’article 4, 5° de la loi. kunnen hebben en door in voorkomend geval aanvul- lende voorwaarden op te leggen die in het kader van die werkzaamheden moeten worden nageleefd, indien zij dit noodzakelijk acht voor het prudentieel toezicht op de instelling voor elektronisch geld. Paragraaf 1, tweede lid bepaalt dat de Bank boven- dien kan eisen dat de activiteit van uitgifte van elektro- nisch geld wordt ondergebracht in een entiteit die loss- taat van de entiteit die andere bedrijfswerkzaamheden uitoefent. Indien de instelling voor elektronisch geld ook betalingsdiensten aanbiedt, moeten deze diensten wor- den verstrekt door de entiteit die instaat voor de uitgifte van elektronisch geld. Deze paragraaf zorgt voor de omzetting van arti- kel 10 (5) van Richtlijn 2007/64/EG, dat van overeen- komstige toepassing is op de instellingen voor elektro- nisch geld krachtens artikel 3 (1) van de Richtlijn. In voorkomend geval dient de instelling voor elektro- nisch die andere bedrijfswerkzaamheden wenst uit te oefenen, behalve de toestemming van de Bank ook een andere toelating te verkrijgen voor de voorgeno- men werkzaamheid, op grond van specifi eke regels die eventueel gelden voor de toegang tot het beroep. Ondanks de verplichting om een dergelijke voo- rafgaande toestemming van de Bank te verkrijgen, vallen de andere bedrijfswerkzaamheden die door hybride instellingen worden uitgeoefend, niet onder het prudentieel toezicht van de Bank, tenzij uitdrukkelijk anders is bepaald in de wet of in andere wetteksten. Deze regel is opgenomen in artikel 81, paragraaf 4 van de wet (ingevoegd bij artikel 55 van het wetsontwerp). Die andere bedrijfswerkzaamheden worden namelijk geregeld door de regelgeving die op hen van toepassing is en die de regels bevat voor de toegang tot de activiteit van uitgifte van elektronisch geld evenals de eventuele regels met betrekking tot de solvabiliteits- en liquiditeit- svereisten. Deze regels vormen aldus een aanvulling op de vereisten die voortvloeien uit het statuut van instelling voor elektronisch geld. Artikel 77, § 2 bepaalt dat instellingen voor elektro- nisch geld automatisch (dus zonder voorafgaande toe- stemming van de Bank) de volgende werkzaamheden mogen uitoefenen: 1° het verrichten van betalingsdien- sten, 2° het verrichten van operationele diensten en nevendiensten die nauw samenhangen met de uitgifte van elektronisch geld of het verlenen van betalingsdien- sten en 3° het exploiteren van betalingssystemen in de zin van artikel 4, 5° van de wet. DOC 53 2432/001 39 2431/001 DOC 53 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 3 e L É G I S L A T U R E K AMER 3e Z ITTING VAN DE 53e Z ITTING S P E RIO DE 2011 2012 L’article 77, § 3 autorise les établissements de mon- naie électronique qui fournissent certains services de paiement à octroyer un crédit lié à ces services, à condition de respecter les conditions de l’article 77, § 3 de la loi. Ces établissements de monnaie électronique devront notamment respecter la législation en vigueur en matière de crédit à la consommation. Notons que la Banque ne contrôle donc pas l’activité de crédit exercée par l’établissement de monnaie élec- tronique, sauf dans les limites suivantes: — en cas d’octroi de crédits liés aux services de paiement, la Banque veille à ce que les fonds propres de l’établissement de monnaie électronique soient à tout moment appropriés au regard du montant total du crédit octroyé, lié aux services de paiement (article 77, § 3 renvoyant à l’article 21, § 3 de la loi); — en cas d’octroi de crédits non liés à des services de paiement, la Banque peut, dans un optique de maî- trise des risques et pour les besoins de l’encadrement prudentiel de l’établissement de monnaie électronique, imposer à l’établissement de monnaie électronique certaines conditions à respecter, conformément à l’article 77, § 1er, deuxième alinéa de la loi. Pour ce faire, la Banque tient compte des règles prévues dans la réglementation spécifi que le cas échéant applicable, qui s’appliqueraient de manière additionnelle aux exigences découlant du statut d’établissement de monnaie élec- tronique. Ainsi, si la réglementation applicable prévoit des exigences en matière de solvabilité et de liquidité, ces règles s’appliqueront de manière autonome et leur respect sera contrôlé par l’autorité compétente pour la matière concernée et non par la Banque. En outre, ces crédits ne pourront pas être octroyés sur la base des fonds reçus en contrepartie de la monnaie électronique, qui font par ailleurs l’objet d’une protection particulière conformément à l’article 78 de la loi. Il va de soi que les établissements de monnaie élec- tronique ne sont pas autorisés à recevoir des dépôts d’argent ou d’autres fonds remboursables, activité réservée aux seuls établissements de crédit visés à l’article 1er de la loi bancaire. L’article 77, § 4 le rappelle toutefois à toutes fi ns utiles. L’interdiction d’exercer une telle activité a pour corollaire une obligation d’échanger sans délai les fonds reçus des détenteurs de monnaie électronique, contre de la monnaie électronique. À défaut de les échanger sans délai, la réception de ces fonds sera susceptible d’être assimilée à une réception illicite de dépôts ou d’autres fonds remboursables, ce Volgens artikel 77, § 3 mogen instellingen voor elektronisch geld die bepaalde betalingsdiensten aanbieden, een met die diensten verbonden krediet verlenen, mits zij voldoen aan de voorwaarden van artikel  77, § 3 van de wet. Deze instellingen voor elektro- nisch geld moeten met name de wetgeving inzake het consumentenkrediet naleven. De Bank houdt dus geen toezicht op de kredietverle- ningsactiviteit van de instelling voor elektronisch geld, tenzij binnen de volgende grenzen: — indien de instelling voor elektronisch geld kredieten verleent in verband met betalingsdiensten, ziet de Bank erop toe dat het eigen vermogen van deze instelling te allen tijde in redelijke verhouding staat tot het totale bedrag van het krediet dat in verband met betalings- diensten werd verleend (artikel 77, § 3, waarin verwezen wordt naar artikel 21, § 3 van de wet); — indien de instelling voor elektronisch geld kredieten verleent die geen verband houden met betalingsdiens- ten, kan de Bank, in het kader van de risicobeheersing en rekening houdend met de vereiste van prudentieel toezicht op deze instelling, bepaalde voorwaarden opleggen aan de instelling voor elektronisch geld die moeten worden nageleefd, conform artikel 77, § 1, tweede lid van de wet. Daarbij houdt de Bank rekening met de regels van de specifi eke regelgeving die in voorkomend geval van toepassing is, die een aanvulling zouden vormen op de vereisten die voortvloeien uit het statuut van instelling voor elektronisch geld. Indien de toepasselijke regelgeving dus voorziet in solvabiliteits- en liquiditeitsvereisten, zullen deze regels op autonome basis van toepassing zijn en zal het toezicht op de nale- ving ervan worden uitgeoefend door de voor de betrok- ken materie bevoegde autoriteit en niet door de Bank. Bovendien mogen deze kredieten niet worden ver- leend met de geldmiddelen die in ruil voor het elektro- nisch geld worden ontvangen, die overigens ook een bijzondere bescherming genieten conform artikel 78 van de wet. Het spreekt voor zich dat instellingen voor elektro- nisch geld geen gelddeposito’s of andere terugbetaal- bare gelden mogen ontvangen en dat deze activiteit enkel mag worden uitgeoefend door de kredietinstel- lingen bedoeld in artikel 1 van de bankwet. Artikel 77, § 4 herinnert hieraan, voor zover nodig. Dit verbod heeft als logisch gevolg dat instellingen voor elektronisch geld verplicht zijn de geldmiddelen die zij van houders van elektronisch geld ontvangen, onmiddellijk te wisselen voor elektronisch geld. Indien de betrokken geldmid- delen niet onmiddellijk worden gewisseld, kan het in ontvangst nemen van die geldmiddelen gelijkgesteld DOC 53 2432/001 40 2431/001 DOC 53 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 3 e L É G I S L A T U R E K AMER 3e Z ITTING VAN DE 53e Z ITTING S P E RIO DE 2011 2012 qui constitue une infraction à l’article 68bis de la loi du 16 juin 2006 relative aux offres publiques d’instruments de placement et aux admissions d’instruments de pla- cement à la négociation sur des marchés réglementés. Cette infraction est en outre sanctionnée pénalement en vertu de l’article 69, 2°bis de cette même loi. L’article 77, § 7, prévoit que les établissements de monnaie électronique ne peuvent en principe pas déte- nir des participations dans des sociétés commerciales, sauf celles actives dans le domaine de l’émission de monnaie électronique ou des services de paiement. Pour détenir des participations dans d’autres sociétés commerciales, l’établissement de monnaie électronique peut toutefois demander une autorisation de la Banque, et ce conformément à ce que prévoit l’article 77, § 1er, alinéa 2 de la loi. Cet article transpose l’article 6 de la directive. Art. 51 Cet article insère un nouvel article 78 dans la loi, contenant des règles de protection des fonds reçus par les établissements de monnaie électronique en échange de l’émission de la monnaie électronique. Vu l’application des dispositions de la directive 2007/64/CE en la matière, les principes de protection des fonds contenus dans l’article 78 sont similaires à ceux qui s’appliquent aux fonds détenus par les éta- blissements de paiement en vertu de l’article 22 de la loi. Tous les établissements de monnaie électronique doivent respecter ces principes, en ce compris les établissements n’exerçant pas d’autres activités que l’émission de monnaie électronique. Un premier régime, fi gurant à l’article 78, § 1er, a) et b) et § 4, prévoit, d’une part une séparation comptable et organisationnelle suffisante par rapport aux fonds reçus en échange de l’émission de la monnaie électronique, et d’autre part l’obligation de placer ces fonds dans des actifs à faible risque et sûrs, conformément à ce que prévoit l’article 9 (1) a) de la directive 2007/64/CE. Au contraire de la directive 2007/64/CE, la directive défi nit ce qu’il y a lieu d’entendre par la notion d’actifs à faible risque et sûrs, par référence à la directive 2006/49/CE du Parlement européen et du Conseil du 14 juin 2006 sur l’adéquation des fonds propres des entreprises d’investissement et des établissements de crédit. En dehors des dépôts effectués auprès d’entités ayant la worden met het ongeoorloofd in ontvangst nemen van gelddeposito’s of andere terugbetaalbare gelden, waarmee een inbreuk wordt gepleegd op artikel 68bis van de wet van 16 juni 2006 op de openbare aanbie- ding van beleggingsinstrumenten en de toelating van beleggingsinstrumenten tot de verhandeling op een gereglementeerde markt. Op deze inbreuk staan bo- vendien strafrechtelijke sancties krachtens artikel 69, 2°bis van dezelfde wet. Artikel 77, § 7 bepaalt dat instellingen voor elektro- nisch geld in principe geen deelnemingen mogen bezit- ten in handelsvennootschappen, met uitzondering van deze die elektronisch geld uitgeven of betalingsdiensten verrichten. Om deelnemingen te mogen aanhouden in andere handelsvennootschappen, kan de instelling voor elektronisch geld echter de toestemming van de Bank vragen, conform het bepaalde in artikel 77, § 1, tweede lid van de wet. Dit artikel voorziet in de omzetting van artikel 6 van de Richtlijn. Art. 51 Dit artikel voegt in de wet een nieuw artikel 78 in, dat regels bevat voor de bescherming van de geldmiddelen die de instellingen voor elektronisch geld ontvangen in ruil voor de uitgifte van elektronisch geld. Gelet op de ter zake geldende bepalingen van Richt- lijn 2007/64/EG, zijn de beginselen inzake de bescher- ming van geldmiddelen die in artikel 78 zijn opgenomen, vergelijkbaar met die welke van toepassing zijn voor de geldmiddelen die door betalingsinstellingen worden aangehouden met toepassing van artikel 22 van de wet. Alle instellingen voor elektronisch geld, ook deze die geen andere werkzaamheden verrichten dan de uitgifte van elektronisch geld, moeten deze beginselen naleven. De eerste regeling, die opgenomen is in artikel 78, § 1, a) en b) en § 4, voorziet enerzijds in een passende boekhoudkundige en organisatorische scheiding ten opzichte van de geldmiddelen die in ruil voor de uitgifte van elektronisch geld zijn ontvangen, en anderzijds in de verplichting om die geldmiddelen te beleggen in veilige activa met een lage risicograad, conform het bepaalde bij artikel 9 (1) a) van Richtlijn 2007/64/EG. In tegenstel- ling tot Richtlijn 2007/64/EG, verwijst de Richtlijn voor de defi nitie van het begrip “veilige activa met een lage risicograad” naar Richtlijn 2006/49/EG van het Europees Parlement en de Raad van 14 juni 2006 inzake de kapi- taaltoereikendheid van beleggingsondernemingen en kredietinstellingen. Afgezien van de deposito’s die ver- DOC 53 2432/001 41 2431/001 DOC 53 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 3 e L É G I S L A T U R E K AMER 3e Z ITTING VAN DE 53e Z ITTING S P E RIO DE 2011 2012 qualité d’établissements de crédit, la Banque défi nit, par voie de règlement, ce qu’il y a lieu d’entendre par actifs à faible risque et sûrs. L’habilitation couvre également la possibilité pour la Banque, conformément à ce que prévoit l’article 7.2. de la directive, de préciser dans son règlement lesquels de ces actifs ne constituent pas des actifs à faible risque et sûrs. Par ailleurs, les détenteurs de monnaie électronique bénéfi cient, dans le cadre de ce premier régime de protection, en cas d’insolvabilité de l’établissement de monnaie électronique, d’un pri- vilège sur ces fonds. Un deuxième régime alternatif, fi gurant à l’article 78, § 1er, c) prévoit la possibilité de conclure une assurance ou d’obtenir une garantie ou une caution auprès d’une entreprise d’assurances ou d’un établissement de crédit, conformément aux modalités déterminées dans cet article. Une autre particularité du régime de protection des fonds reçus par les établissements de monnaie électronique par rapport au régime applicable aux établissements de paiement réside à l’article 78, § 1er, alinéa 4. Cette disposition transpose la deuxième partie de l’article 7 (1) de la directive, en prévoyant que dans l’hypothèse où la monnaie électronique est acquise par le moyen d’un instrument de paiement, les méca- nismes de protection de fonds décrits à l’article 78 ne s’appliquent que lorsque l’établissement de monnaie électronique entre effectivement en possession des fonds, c’est à dire lorsque ces fonds sont portés au crédit du compte de l’établissement, ou mis à sa disposition par tout autre moyen. L’article 7 (1) de la directive pré- voit cette règle particulière pour les fonds reçus sous forme de paiement par un instrument de paiement. Dans le cadre des travaux du groupe de transposition de la directive, la Commission a toutefois fait valoir qu’il convenait d’interpréter les termes instrument de paie- ment comme visant tout particulièrement les cartes de crédit, à l’exclusion des autres instruments de paiement répondant à la défi nition de l’article 4, 22) de la directive 2007/64/CE. L’article 78, § 2 prévoit que lorsqu’une partie des fonds reçus en échange de la monnaie électronique émise est destinée à être affectée (ou est susceptible de l’être) à d’autres activités que l’émission de monnaie électronique, le régime spécial de protection ne s’ap- plique qu’à la partie des fonds destinée à être utilisée en vue de l’émission de monnaie électronique. Lorsque cette partie est variable ou ne peut être déterminée à l’avance, elle peut être calculée sur base d’estimations. Cette règle vise les établissements hybrides, tels que les opérateurs en téléphonie ou les sociétés de grande dis- tribution dont les instruments émis et prépayés sont sus- ceptibles d’être utilisés à d’autres fi ns que des fi ns de richt worden bij entiteiten die de hoedanigheid hebben van kredietinstelling, bepaalt de Bank bij reglement wat verstaan moet worden onder “veilige activa met een lage risicograad”. Conform het bepaalde in artikel 7.2. van de Richtlijn, kan de Bank in haar reglement ook bepalen welke activa geen veilige activa met een lage risicograad zijn. In het kader van deze eerste beschermingsregeling hebben de houders van elektronisch geld een voorrecht op deze geldmiddelen in geval van insolventie van de instelling voor elektronisch geld. De tweede regeling, die beschreven wordt in artikel 78, § 1, c), voorziet in de mogelijkheid om een verzekering af te sluiten of een garantie of waarborg te verkrijgen bij een verzekeringsonderneming of kre- dietinstelling, conform de regels die in dit artikel zijn bepaald. Een ander punt waarop de regeling voor de bescher- ming van de door de instellingen voor elektronisch geld ontvangen geldmiddelen afwijkt van de regeling voor betalingsinstellingen, is opgenomen in artikel 78, § 1, vierde lid. Deze bepaling voorziet in de omzetting van het tweede deel van artikel 7 (1) van de Richtlijn en bepaalt dat wanneer het elektronisch geld wordt verworven door middel van een betaalinstrument, de beschermingsme- chanismen bedoeld in artikel 78 maar moeten worden toegepast wanneer de instelling voor elektronisch geld daadwerkelijk in het bezit komt van de geldmiddelen, dat wil zeggen wanneer de rekening van de instelling ermee gecrediteerd wordt of wanneer ze op een andere manier te harer beschikking worden gesteld. Artikel 7 (1) van de Richtlijn voorziet in deze bijzondere regel voor de geldmiddelen die via een betaalinstrument worden ontvangen. In het kader van de werkzaamheden van de werkgroep voor de omzetting van de Richtlijn heeft de Commissie er evenwel op gewezen dat “betaalinstru- menten” vooral moet worden opgevat als kredietkaarten, met uitzondering van de andere betaalinstrumenten die onder de defi nitie vallen van artikel 4, 22) van Richtlijn 2007/64/EG. Artikel 78, § 2 bepaalt dat, wanneer een gedeelte van de geldmiddelen die in ruil voor het uitgegeven elektro- nisch geld worden ontvangen, (mogelijkerwijs) in het kader van andere werkzaamheden dan de uitgifte van elektronisch geld moet worden gebruikt, de bijzondere beschermingsregeling enkel geldt voor het gedeelte van de geldmiddelen dat voor de uitgifte van elektronisch geld moet worden gebruikt. Wanneer dat gedeelte va- riabel is of niet van tevoren is gekend, kan het worden berekend op basis van schattingen. Deze regel geldt voor de hybride instellingen, zoals telefoonoperatoren of grote distributiebedrijven die prepaid instrumenten aanbieden die gebruikt kunnen worden voor andere DOC 53 2432/001 42 2431/001 DOC 53 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 3 e L É G I S L A T U R E K AMER 3e Z ITTING VAN DE 53e Z ITTING S P E RIO DE 2011 2012 paiement, tels que les communications téléphoniques en ce qui concerne les cartes prépayées de téléphone. Cette règle constitue une dérogation au principe selon lequel tous les fonds reçus doivent être considérés comme constitutifs de monnaie électronique, auquel cas le régime spécial de protection devrait, dans tous les cas, s’appliquer au montant total des fonds reçus. L’article 78, § 5 impose aux établissements de mon- naie électronique d’informer la Banque à l’avance de tout changement signifi catif affectant les mesures de protection prises à l’égard des fonds reçus. Doivent, par exemple, être considérés comme étant des chan- gements signifi catifs de ces mesures de protection, un changement de la méthode de protection utilisée par l’établissement, un changement de l’établissement de crédit dans lequel les fonds protégés sont déposés, ou encore un changement de l’entreprise d’assurance ou de l’établissement de crédit qui assure ou garantit les fonds protégés. Enfi n, l’article 78, § 6 prévoit que les personnes char- gées de la direction effective de l’établissement de mon- naie électronique prennent les mesures nécessaires pour assurer le respect des dispositions prévues aux paragraphes 1er et 2 et doivent faire rapport à l’organe légal d’administration, à la Banque et au commissaire. Cet article transpose l’article 7 et 3 (2) de la directive. Art. 52 Cet article insère, dans la loi, un article 79, lequel prévoit que les tâches opérationnelles importantes ne peuvent être externalisées qu’à certaines conditions énumérées dans cet article. Vu l’application mutatis mutandis des articles 17 (7) et 18 (1) de la directive 2007/64/CE, cette disposition est similaire à l’article 23 de la loi du 21 décembre 2009, en ce qui concerne l’externalisation de tâches par les établissements de paiement. L’article 79 prévoit notamment que les établissements de monnaie électronique demeurent entièrement res- ponsables des fonctions externalisées. Cet article transpose partiellement l’article 3(1) de la directive (qui prévoit l’application mutatis mutandis des articles 17 (7), 18 (1) et 18 (2) de la directive 2007/64/CE). doeleinden dan betaling, zoals telefoongesprekken met prepaid telefoonkaarten. Deze regel vormt een uitzondering op het beginsel dat alle ontvangen geld- middelen moeten worden beschouwd als elektronisch geld, in welk geval de bijzondere beschermingsregeling in elk geval van toepassing zou moeten zijn op het totale bedrag van de ontvangen geldmiddelen. Artikel 78, § 5 bepaalt dat de instellingen voor elektronisch geld de Bank op voorhand op de hoogte moeten brengen van alle substantiële wijzigingen in de maatregelen die ter bescherming van de ontvangen geldmiddelen worden genomen. Voorbeelden van sub- stantiële wijzigingen in deze beschermingsmaatregelen zijn aanpassingen aan de beschermingsmethode die de instelling gebruikt, wijzigingen binnen de kredietinstel- ling waar beschermde geldmiddelen gedeponeerd zijn of wijzigingen binnen de verzekeringsonderneming of kredietinstelling die de beschermde geldmiddelen ver- zekert of waarborgt. Tot slot bepaalt artikel 78, § 6 dat de personen die belast zijn met de effectieve leiding van de instelling voor elektronisch geld de nodige maatregelen moeten nemen om de naleving te garanderen van het bepaalde bij de paragrafen 1 en 2 en moeten het wettelijke bestuur- sorgaan, de Bank en de commissaris erover inlichten. Dit artikel voorziet in de omzetting van de artikelen 7 en 3 (2) van de Richtlijn. Art. 52 Dit artikel voegt in de wet een artikel 79 in, dat bepaalt dat belangrijke operationele taken maar kunnen worden uitbesteed indien voldaan is aan de voorwaarden die in dit artikel zijn opgesomd. Gezien de overeenkomstige toepassing van de arti- kelen 17 (7) en 18 (1) van Richtlijn 2007/64/EG, is deze bepaling vergelijkbaar met artikel 23 van de wet van 21 december 2009, over de uitbesteding van taken door betalingsinstellingen. Hoofdstuk 79 bepaalt onder meer dat de instellingen voor elektronisch geld volledig verantwoordelijk blijven voor de uitbestede functies. Dit artikel zorgt voor de gedeeltelijke omzetting van artikel 3(1) van de Richtlijn (dat voorziet in de overeen- komstige toepassing van de artikelen 17(7),18 (1) en 18 (2) van Richtlijn 2007/64/EG). DOC 53 2432/001 43 2431/001 DOC 53 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 3 e L É G I S L A T U R E K AMER 3e Z ITTING VAN DE 53e Z ITTING S P E RIO DE 2011 2012 Art. 53 Cet article insère, dans la loi, un nouvel article 80, lequel règle les obligations de reporting de l’établisse- ment de monnaie électronique à la Banque. L’article 80 prévoit par ailleurs que le Roi peut déter- miner les règles spécifi ques selon lesquelles les établis- sements de monnaie électronique ou certaines catégo- ries d’établissements de monnaie électronique doivent tenir leur comptabilité et doivent établir et publier leurs comptes annuels et consolidés. Les établissements de monnaie électronique exerçant une activité fi nancière, ils peuvent en effet être soumis, comme d’autres entre- prises fi nancières (telles que les établissements de crédit, les entreprises d’investissement, les entreprises d’assurances ou les sociétés de gestion d’organismes de placement collectif), à un droit comptable spécifi que, dérogeant au droit comptable de droit commun. Conformément à l’article 80, alinéa 4, la Banque peut, au besoin, pour certaines catégories d’établisse- ments octroyer des dérogations aux règles ainsi déter- minées par le Roi. Un régime dérogatoire pourrait par exemple se justifi er lorsque l’établissement de monnaie électronique est un établissement hybride et que son activité d’émission de monnaie électronique présente un caractère marginal. Cet éventuel régime dérogatoire n’exempte toutefois pas les établissements de monnaie électronique concernés du respect de leurs obligations de communication d’informations à la Banque ou d’éta- blissement et de publication de comptes annuels. Aussi longtemps que le Roi n’a pas arrêté de règles comptables spécifi ques, les dispositions du droit comp- table commun sont d’application aux établissements de monnaie électronique. Cet article transpose partiellement l’article 3 (1) de la directive (qui prévoit l’application mutatis mutandis de l’article 15 de la directive 2007/64/CE). Art. 54 Cet article insère une section 4 dans le Chapitre 1er du Titre 2 du Livre 3 de la loi consacrée au contrôle des établissements de monnaie électronique. Art. 53 Dit artikel voegt in de wet een nieuw artikel 80 in, over de rapporteringsverplichtingen van de instellingen voor elektronisch geld ten aanzien van de Bank. Artikel 80 bepaalt ook dat de Koning kan vaststel- len volgens welke specifi eke regels de instellingen voor elektronisch geld of sommige categorieën van instellingen voor elektronisch geld hun boekhouding moeten voeren en hun jaarrekening en geconsolideerde jaarrekening moeten opmaken en openbaar maken. Aangezien de instellingen voor elektronisch geld een fi nanciële activiteit uitoefenen, kunnen zij net zoals andere fi nanciële ondernemingen (zoals kredietinstel- lingen, beleggingsondernemingen, verzekeringsonder- nemingen of beheervennootschappen van instellingen voor collectieve belegging) aan een specifi ek boekhoud- recht worden onderworpen, dat afwijkt van het gemeen boekhoudrecht. Conform artikel 80, vierde lid, kan de Bank, indien no- dig, voor bepaalde categorieën van instellingen afwijkin- gen toestaan op de door de Koning vastgestelde regels. Een afwijkingsregeling kan bijvoorbeeld gerechtvaar- digd zijn wanneer de instelling voor elektronisch geld een hybride instelling is en haar activiteit van uitgifte van elektronisch geld een marginaal karakter heeft. Deze eventuele afwijkingsregeling doet echter niets af aan de verplichting van de betrokken instellingen voor elektronisch geld om inlichtingen te verstrekken aan de Bank en om een jaarrekening op te stellen en openbaar te maken. Zolang de Koning geen specifi eke boekhoudkundige regels heeft vastgesteld, zijn de bepalingen van het gemeen boekhoudrecht van toepassing op de instel- lingen voor elektronisch geld. Dit artikel zorgt voor de gedeeltelijke omzetting van artikel 3 (1) van de Richtlijn (dat voorziet in de ove- reenkomstige toepassing van artikel 15 van Richtlijn 2007/64/EG). Art. 54 Dit artikel voegt in Hoofdstuk 1 van Titel 2 van Boek 3 van de wet een afdeling 4 in, over het toezicht op de instellingen voor elektronisch geld. DOC 53 2432/001 44 2431/001 DOC 53 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 3 e L É G I S L A T U R E K AMER 3e Z ITTING VAN DE 53e Z ITTING S P E RIO DE 2011 2012 Art. 55, 56 et 57 Ces articles insèrent, dans la loi, les articles 81, 82 et 83 qui règlent le contrôle exercé par la Banque sur les établissements de monnaie électronique. Les articles 55, 56 et 57 transposent partiellement l’article 3 (1) de la directive (qui prévoit l’application mutatis mutandis de l’article 20 (1), (2) et (5) de la directive 2007/64/CE). Art. 58 et 59 Ces articles insèrent, dans la loi, les articles 84 et 85 qui règlent l’exercice des fonctions du commissaire auprès d’un établissement de monnaie électronique, lequel se voit conférer, outre sa mission de droit com- mun exercée conformément au droit des sociétés, une mission publique de collaboration avec la Banque. Le régime est analogue à celui prévu pour les commissaires auprès des établissements de crédit, d’entreprises d’investissement ou d’établissements de paiement. Il est d’ailleurs procédé par renvoi à certaines disposi- tions applicables en la matière aux établissements de paiement. Ces articles transposent partiellement l’article 3 (1) de la directive (qui prévoit l’application mutatis mutandis des articles 20 à 22 de la directive 2007/64/CE). Art. 60 Cet article insère une section 5 dans le Chapitre 1er du Titre 2 du Livre 3 de la loi consacrée aux mesures exceptionnelles et aux sanctions que la Banque peut prononcer à l’égard des établissements de monnaie électronique. Art. 61 à 65 Ces articles insèrent les articles 86 à 90 dans la loi, qui fi xent les mesures que la Banque est en droit de prononcer à l’égard des établissements de monnaie électronique en cas de manquement. Le nouvel article 87 précise les mesures de redresse- ment que la Banque peut prononcer lorsqu’un établis- sement de monnaie électronique ne remédie pas à un manquement constaté par la Banque dans le délai fi xé par celle-ci. Ces mesures sont similaires à celles que la Banque peut adopter à l’égard d’autres établissements dans d’autres législations fi nancières (cf. article 57 de Art. 55, 56 en 57 Deze artikelen voegen in de wet de artikelen 81, 82 en 83 in, over het toezicht dat door de Bank wordt uitgeoefend op de instellingen voor elektronisch geld. De artikelen 55, 56 en 57 zorgen voor de gedeeltelijke omzetting van artikel 3 (1) van de Richtlijn (dat voorziet in de overeenkomstige toepassing van artikel 20 (1), (2) en (5) van Richtlijn 2007/64/EG). Art. 58 en 59 Deze artikelen voegen in de wet de artikelen 84 en 85 in, over de uitoefening van de functie van commis- saris bij een instelling voor elektronisch geld. Naast zijn gemeenrechtelijke opdracht, die conform het ven- nootschapsrecht wordt uitgeoefend, heeft de commissa- ris ook een openbare opdracht, die erin bestaat samen te werken met de Bank. De regeling is vergelijkbaar met die welke van toepassing is voor commissarissen bij kredietinstellingen, beleggingsondernemingen of betalingsinstellingen. Er wordt overigens verwezen naar een aantal bepalingen die ter zake van toepassing zijn voor betalingsinstellingen. Deze artikelen voorzien in de gedeeltelijke omzet- ting van artikel 3 (1) van de Richtlijn (dat voorziet in de overeenkomstige toepassing van de artikelen 20 tot 22 van Richtlijn 2007/64/EG). Art. 60 Dit artikel voegt in Hoofdstuk 1 van Titel 2 van Boek 3 van de wet een afdeling 5 in, over de uitzonderings- maatregelen en de sancties die de Bank kan opleggen aan instellingen voor elektronisch geld. Art. 61 tot 65 Deze artikelen voegen in de wet de artikelen 86 tot 90 in, die bepalen welke maatregelen de Bank kan nemen ten aanzien van instellingen voor elektronisch geld die in gebreke blijven. Het nieuwe artikel 87 bepaalt welke herstelmaatre- gelen de Bank kan opleggen indien een instelling voor elektronisch geld de door de Bank vastgestelde tekort- koming niet rechtzet binnen de door haar bepaalde termijn. Deze maatregelen zijn vergelijkbaar met die welke de Bank ten aanzien van andere instellingen kan nemen op grond van andere fi nanciële wetgeving (zie DOC 53 2432/001 45 2431/001 DOC 53 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 3 e L É G I S L A T U R E K AMER 3e Z ITTING VAN DE 53e Z ITTING S P E RIO DE 2011 2012 la loi bancaire et article 104 de la loi du 6 avril 1995). Pour des raisons de cohérence par rapport aux dis- positions prévues dans ces législations, il n’a pas été donné suite à l’observation du Conseil d’État (voyez les commentaires relatifs aux modifi cations faites à l’article 35 en projet). Des infractions à d’autres législations, telles que par exemple des infractions aux articles 58/1 à 58/3 de la loi du 10 décembre 2009 adoptés aux fi ns de la trans- position du Titre III de la directive, peuvent également donner lieu à des mesures de redressement prises par la Banque en application du présent article, pouvant être l’indication de l’absence d’une organisation adé- quate de l’établissement, ou d’une direction effective appropriée. Ces articles transposent partiellement l’article 3 (1) de la directive (qui prévoit l’application mutatis mutandis des articles 12, 21 et 25 de la directive 2007/64/CE). Le nouvel article 88 transpose l’article 17 (6) de la directive 2007/64/CE, qui s’applique dans l’hypothèse où un établissement de monnaie électronique de droit belge exerce une activité de services de paiement dans un autre État membre en y recourant à un ou plusieurs agents. Dans cette hypothèse, l’autorité compétente dans l’État membre concerné peut alerter la Banque du risque que représente le recours à cet ou à ces agents en matière de lutte contre le blanchiment de capitaux ou de fi nancement du terrorisme. La Banque prend l’une des mesures de redressement décrites à l’article 87 et peut également, soit refuser le recours à l’agent concerné si ce dernier n’avait pas encore été enregistré comme agent de l’établissement de monnaie électronique, soit radier l’inscription de cet agent. Art. 66 à 73 Ces articles insèrent les articles 91 à 97 dans la loi, qui constituent le Chapitre 2 du Titre 2 du Livre 3 de la loi, consacré aux succursales et aux activités de pres- tation de services en Belgique des établissements de monnaie électronique relevant du droit d’un autre État membre de l’EEE. Ces règles sont analogues à celles qui s’appliquent aux établissements de paiement, aux établissements de crédit et aux entreprises d’investissement relevant du droit d’un autre État membre de l’EEE et qui reposent sur les principes du passeport européen et du “Home country control”. La directive consacre en effet l’appli- cation du passeport européen aux établissements de artikel 57 van de bankwet en artikel 104 van de wet van 6 april 1995). Omwille van redenen van coherentie met de bepalingen opgenomen in deze wetgeving, werd er geen rekening gehouden met de opmerking van de Raad van State (zie de commentaren aangaande de wijzigingen doorgevoerd aan artikel 35 van het ontwerp). Inbreuken op andere wetteksten, bijvoorbeeld op de artikelen 58/1 tot 58/3 van de wet van 10 decem- ber 2009, die de omzetting vormen van Titel III van de Richtlijn, kunnen ook aanleiding geven tot herstel- maatregelen die door de Bank worden genomen met toepassing van dit artikel, wat een aanwijzing kan zijn dat de instelling niet over een passende organisatie of over een passende effectieve leiding beschikt. Deze artikelen voorzien in de gedeeltelijke omzetting van artikel 3 (1) van de Richtlijn (dat voorziet in de ove- reenkomstige toepassing van de artikelen 12, 21 en 25 van Richtlijn 2007/64/EG). Het nieuwe artikel 88 vormt de omzetting van arti- kel 17 (6) van Richtlijn 2007/64/EG, dat van toepassing is wanneer een instelling voor elektronisch geld naar Belgisch recht betalingsdiensten aanbiedt in een andere lidstaat, via een of meer agenten. In dit geval kan de bevoegde autoriteit van de betrokken lidstaat de Bank waarschuwen dat het feit dat een beroep gedaan wordt op deze agent(en) een risico op witwassen van geld of fi nanciering van terrorisme inhoudt. De Bank neemt een van de herstelmaatregelen die omschreven zijn in arti- kel 87, en kan de betrokken instelling voor elektronisch geld ook verbieden een beroep te doen op de betrokken agent, indien deze laatste nog niet was ingeschreven als agent van de instelling voor elektronisch geld, of de inschrijving van deze agent schrappen. Art. 66 tot 73 Deze artikelen voegen in de wet de artikelen 91 tot 97 in, die Hoofdstuk 2 vormen van Titel 2 van Boek 3 van de wet, over de bijkantoren en de diensten die in België worden verricht door de instellingen voor elektronisch geld die ressorteren onder het recht van een andere lidstaat van de EER. Deze regels zijn vergelijkbaar met die welke gelden voor betalingsinstellingen, kredietinstellingen en beleg- gingsondernemingen die ressorteren onder het recht van een andere lidstaat van de EER en die gebaseerd zijn op de beginselen van het Europees paspoort en de “Home country control”. De Richtlijn bepaalt immers dat het Europees paspoort van toepassing is op de DOC 53 2432/001 46 2431/001 DOC 53 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 3 e L É G I S L A T U R E K AMER 3e Z ITTING VAN DE 53e Z ITTING S P E RIO DE 2011 2012 monnaie électronique agréés dans un État membre conformément à la directive. Le nouvel article 96, alinéa 3 constitue le pendant de l’article 88 de la loi, et s’applique lorsque la Banque a des raisons de soupçonner une opération de blan- chiment de capitaux ou de fi nancement du terrorisme ou la tentative d’une telle opération dans le chef d’un agent d’un établissement de monnaie électronique relevant d’un autre État membre de l’EEE et exerçant une activité de services de paiement sur le territoire belge pour le compte de cet établissement. Cette pos- sibilité d’alerter l’autorité compétente de l’État membre d’origine de l’établissement de monnaie électronique s’applique également lorsque la Banque a des rai- sons de craindre que les activités de cet agent sont susceptibles d’accroître, d’une manière générale, le risque de blanchiment de capitaux ou de fi nancement du terrorisme, et ce sans qu’une opération spécifi que ne soit visée. De telles craintes pourraient notamment survenir lorsque les agents n’exercent aucune autre activité fi nancière sur le territoire belge, et ne paraissent pas suffisamment équipés et formés pour assurer le respect des obligations qui s’imposent à ‘un établis- sement de monnaie électronique en matière de lutte contre le blanchiment de capitaux. Cette disposition ne s’applique que dans l’hypothèse où l’établissement de monnaie électronique relevant du droit d’un autre État membre recourt à des agents sur le territoire belge et non dans l’hypothèse où cet établissement dispose d’une succursale en Belgique. Ces articles transposent l’article 1 (2) et 1 (1) de la directive (qui prévoit l’application mutatis mutandis de l’article 25 (1) de la directive 2007/64/CE). Art. 74 à 84 Ces articles insèrent les articles 98 à 103 dans la loi, qui constituent le Chapitre 3 du Titre 2 du Livre 3 de la loi, consacré aux succursales en Belgique des établissements de monnaie électronique relevant du droit d’États qui ne sont pas membres de l’EEE. Ces règles sont analogues à celles qui s’appliquent aux succursales des établissements de crédit ou des entreprises d’investissement d’États tiers, et qui ont pour objet d’exiger de ces établissements de remplir les mêmes conditions d’agrément et d’exercice que les établissements de monnaie électronique de droit belge. Ces établissements sont également soumis au même contrôle que celui exercé par la Banque sur les établissements de droit belge. instellingen voor elektronisch geld die conform de Richt- lijn een vergunning hebben verkregen in een lidstaat. Het nieuwe artikel 96, derde lid, vormt de tegenhan- ger van artikel 88 van de wet, en is van toepassing wanneer de Bank redenen heeft om te vermoeden dat geld wordt witgewassen of terrorisme gefi nancierd wordt of dat gepoogd wordt geld wit te wassen of terrorisme te fi nancieren door een agent van een instelling voor elektronisch geld die ressorteert onder het recht van een andere lidstaat van de EER en die betalingsdiensten verricht op het Belgische grondgebied, voor rekening van die instelling. Deze mogelijkheid om de bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst van de instel- ling voor elektronisch geld te waarschuwen, geldt ook wanneer de Bank redenen heeft om te vrezen dat de werkzaamheden van die agent in het algemeen, dus zonder dat er een specifi eke transactie wordt beoogd, het risico op witwassen van geld of fi nanciering van terrorisme zouden kunnen verhogen. Die vrees kan zich met name voordoen wanneer de agenten geen andere fi nanciële activiteit uitoefenen op het Belgische grondgebied en onvoldoende zijn uitgerust en opgeleid om te voldoen aan de verplichtingen inzake de bestri- jding van het witwassen van geld die moeten worden nageleefd door de instellingen voor elektronisch geld. Deze bepaling is enkel van toepassing wanneer de instelling voor elektronisch geld die ressorteert onder het recht van een andere lidstaat, een beroep doet op agenten op het Belgische grondgebied en niet wanneer die instelling een bijkantoor heeft in België. Deze artikelen zorgen voor de omzetting van artikelen 1 (2) en 1 (1) van de Richtlijn (die zorgt voor de omzetting van artikel 25 (1) van Richtlijn 2007/64/EG). Art. 74 tot 84 Deze artikelen voegen in de wet de artikelen 98 tot 103 in, die Hoofdstuk 3 vormen van Titel 2 van Boek 3 van de wet, over de bijkantoren in België van de instel- lingen voor elektronisch geld die ressorteren onder het recht van staten die geen lid zijn van de EER. Deze regels zijn vergelijkbaar met die welke van toepassing zijn op de bijkantoren van kredietinstellin- gen of beleggingsondernemingen van derde landen, en die inhouden dat die instellingen op het vlak van de vergunning en de bedrijfsuitoefening aan dezelfde voorwaarden moeten voldoen als de instellingen voor elektronisch geld naar Belgisch recht. Deze instellingen zijn ook onderworpen aan hetzelfde toezicht als dat wat door de Bank wordt uitgeoefend op de instellingen naar Belgisch recht. DOC 53 2432/001 47 2431/001 DOC 53 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 3 e L É G I S L A T U R E K AMER 3e Z ITTING VAN DE 53e Z ITTING S P E RIO DE 2011 2012 Ces articles transposent les articles 1 (2) et 8 de la directive. Art. 85 et 86 Ces articles insèrent un article 104 dans la loi, qui constitue le Chapitre 4 du Titre 2 du Livre 3 de la loi, et qui énonce les règles relatives à l’échange d’informa- tions et à la coopération entre la Banque et les autres autorités de contrôle d’autres États membres de l’EEE qui sont chargées de missions comparables concernant les établissements de monnaie électronique. Il complète ainsi le dispositif prévu aux articles 35 et 36/13 à 36/15 de la loi du 22 février 1998 fi xant le statut organique de la Banque nationale de Belgique. Ces articles transposent partiellement l’article 3 (1) de la directive (qui prévoit l’application mutatis mutandis de l’article 24 de la directive 2007/64/CE). Art. 87 et 88 Ces articles insèrent un article 105 dans la loi, qui constitue le Titre 3 du Livre 3 de la loi, et qui détermine, dans les limites de l’article 9 de la directive, les condi- tions auxquelles les personnes morales qui exercent ou entendent exercer une activité d’émission de monnaie électronique, peuvent être exemptées, en tout ou en partie, du respect des dispositions du Titre 2 du Livre 3 de la loi. Les conditions en question portent notamment sur le montant moyen de la monnaie électronique en circulation qui ne peut pas dépasser un plafond de cinq millions d’euros. La notion de “moyenne de la monnaie électronique en circulation” est défi nie à l’article 4, 35° de la loi. Par cette disposition, le gouvernement a décidé de transposer l’option qui lui était donnée à l’article 9 de la directive, étant donné que ce régime d’exemption existait déjà dans le régime antérieur à l’article 2, § 2 de la loi bancaire. Ainsi, plusieurs établissements béné- fi cient déjà de ce régime d’exemption, principalement sur base de la condition du montant limité de monnaie électronique en circulation. Il était dès lors opportun de maintenir un régime d’exemption similaire afi n que ces établissements puissent continuer, pour autant qu’ils continuent de remplir les conditions de l’article 9 de la directive, à bénéfi cier de ce régime. L’article 9 de la directive prévoit que l’État membre peut fi xer un plafond de monnaie électronique en circulation que les personnes morales exemptées ne peuvent dépasser, lequel ne peut être supérieur à cinq millions euros. Le Deze artikelen zorgen voor de omzetting van artike- len 1 (2) en 8 van de Richtlijn. Art. 85 en 86 Deze artikelen voegen in de wet een artikel 104 in, dat Hoofdstuk 4 vormt van Titel 2 van Boek 3 van de wet, en dat de regels bevat voor de uitwisseling van informatie en voor de samenwerking tussen de Bank en de toezichthouders van andere lidstaten van de EER die belast zijn met gelijksoortige opdrachten met betrekking tot de instellingen voor elektronisch geld. Dit artikel vormt aldus een aanvulling op de regeling waarin voorzien is in de artikelen 35 en 36/13 tot 36/15 van de wet van 22 februari 1998 tot vaststelling van het organiek statuut van de Nationale Bank van België. Deze artikelen zorgen voor de gedeeltelijke omzet- ting van artikel 3 (1) van de Richtlijn (dat voorziet in de overeenkomstige toepassing van artikel 24 van Richtlijn 2007/64/EG). Art. 87 en 88 Deze artikelen voegen in de wet een artikel 105 in, dat Titel 3 vormt van Boek 3 van de wet, en dat binnen de grenzen van artikel 9 van de Richtlijn bepaalt onder welke voorwaarden de rechtspersonen die elektronisch geld uitgeven of van plan zijn dit te doen, geheel of gedeeltelijk kunnen worden vrijgesteld van de naleving van de bepalingen van Titel 2 van Boek 3 van de wet. Deze voorwaarden hebben met name betrekking op het gemiddeld uitstaand bedrag aan elektronisch geld, dat niet meer mag bedragen dan vijf miljoen euro. Het begrip “gemiddeld uitstaand elektronisch geld” wordt gedefi nieerd in artikel 4, 35° van de wet. Via deze bepaling heeft de regering ervoor geopteerd de mogelijkheid die in artikel 9 van de Richtlijn wordt geboden, om te zetten in Belgisch recht, aangezien deze vrijstellingsregeling al bestond in een vroegere versie van artikel 2, § 2 van de bankwet. Verschillende instellingen genieten reeds van deze vrijstellingsrege- ling, voornamelijk omdat ze voldoen aan de voorwaarde van het beperkt uitstaand bedrag aan elektronisch geld. Het leek dus wenselijk een soortgelijke vrijstellingsre- geling te behouden, zodat deze instellingen van deze regeling kunnen blijven genieten, op voorwaarde dat zij blijven voldoen aan de voorwaarden van artikel 9 van de Richtlijn. Artikel 9 van de Richtlijn bepaalt dat de lidstaat een bovengrens van maximum vijf miljoen euro mag vastleggen voor het uitstaand bedrag aan elektronisch geld, die de vrijgestelde rechtspersonen niet mogen DOC 53 2432/001 48 2431/001 DOC 53 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 3 e L É G I S L A T U R E K AMER 3e Z ITTING VAN DE 53e Z ITTING S P E RIO DE 2011 2012 gouvernement a choisi de fi xer ce plafond à ce mon- tant maximum admis par la directive de cinq millions d’ euros, étant donné qu’il s’agit du plafond sur base duquel ce régime d’exemption était déjà appliqué dans la loi bancaire. Toujours dans l’optique de maintenir le régime d’exemption de la loi bancaire, le gouvernement a également choisi de faire usage de l’option prévue à l’article 9, paragraphe 1er, alinéa 3 de la directive en fi xant un plafond que le montant chargé sur le support électronique stockant la monnaie électronique ne peut dépasser. Ce montant est fi xé à 150 euros et est donc identique à celui qui était déjà prévu à l’article 2, § 2 de la loi bancaire. Le nouvel article 105, paragraphe 1er, alinéa 3 trans- pose l’article 9, paragraphe 1er, alinéa 2 de la directive en prévoyant la possibilité pour les établissements hybrides ou exerçant d’autres activités que l’émission de monnaie électronique ou la fourniture de services de paiement liés à l’émission de monnaie électronique, et dont le montant de la monnaie électronique en cir- culation ne peut être déterminé à l’avance, de calculer ce montant sur base d’estimations. Cette souplesse peut par exemple s’avérer utile dans le cas des socié- tés de téléphonie ou de grande distribution proposant des instruments prépayés susceptibles d’être utilisés à d’autres fi ns que des fi ns de paiement, tels que les communications téléphoniques en ce qui concerne les cartes prépayées de téléphone. Cette règle constitue une dérogation au principe selon lequel tous les fonds reçus doivent être considérés comme constitutifs de monnaie électronique, auquel cas le montant total des fonds reçus aurait dû être pris en compte pour la calcul du montant de la monnaie électronique en circulation. Le nouvel article 105, paragraphe 4, transpose l’ar- ticle 9.4 de la directive permettant aux États membres de prévoir qu’une personne exemptée ne peut exercer que certaines des activités énumérées à l’article 6, paragraphe 1er de la directive. La possibilité pour les personnes morales exemptées d’exercer des activités totalement distinctes de l’émission de monnaie élec- tronique constitue une des nouveautés consacrées par la directive. Il est difficile, à l’heure actuelle, de déterminer si et dans quelle mesure une limitation des activités exercées devrait être imposée aux personnes morales exemptées. Le gouvernement propose dès lors d’habiliter le Roi à régler cette question ultérieurement, sur la base de l’expérience. Conformément à la directive, les personnes morales bénéficiant de ce régime d’exemption ne pourront toutefois pas bénéfi cier du régime de reconnaissance mutuelle. Elles ne pourront pas être exemptées de l’article 77 de la loi requérant l’autorisation de la Banque pour l’exercice d’une autre activité que celle d’émission overschrijden. De regering heeft ervoor gekozen om deze bovengrens vast te leggen op vijf miljoen euro, het maximumbedrag dat volgens de Richtlijn is toegestaan. Dit is immers ook de bovengrens die al werd toegepast in het kader van de vrijstellingsregeling van de bankwet. Met het oog op het behoud van de vrijstellingsregeling van de bankwet heeft de regering er ook voor geopteerd gebruik te maken van de mogelijkheid die in artikel 9, lid 1, derde alinea van de Richtlijn wordt geboden, door een maximum op te leggen voor het bedrag dat op de elektronische drager mag worden opgeslagen. Dit maxi- mum is vastgesteld op 150 euro en is dus identiek aan het bedrag van artikel 2, § 2 van de bankwet. Het nieuwe artikel 105, paragraaf 1, derde lid vormt de omzetting van artikel 9, lid 1, tweede alinea van de Richtlijn. Het biedt de mogelijkheid voor hybride instel- lingen of voor instellingen die andere werkzaamheden verrichten dan de uitgifte van elektronisch geld of het verstrekken van betalingsdiensten die verband houden met de uitgifte van elektronisch geld, en waarvan het bedrag aan uitstaand elektronisch geld niet van tevoren is gekend, om dit bedrag te berekenen op basis van schattingen. Deze fl exibiliteit kan bijvoorbeeld nuttig zijn voor telefoonoperatoren of grote distributiebedrijven die prepaid producten aanbieden die gebruikt kunnen worden voor andere doeleinden dan betaling, zoals telefoongesprekken met prepaid telefoonkaarten. Deze regel vormt een uitzondering op het principe dat alle ontvangen geldmiddelen moeten worden beschouwd als elektronisch geld, in welk geval het totale bedrag aan ontvangen geldmiddelen in aanmerking had moeten worden genomen voor de berekening van het bedrag aan uitstaand elektronisch geld. Het nieuwe artikel 105, paragraaf 4, vormt de omzet- ting van artikel 9.4 van de Richtlijn, die aan de lidstaten de mogelijkheid biedt te bepalen dat een vrijgestelde persoon alleen sommige van in artikel 6, lid 1 van de Richtlijn opgesomde werkzaamheden mag uitoefenen. Een van de innovaties die de Richtlijn bevat, is de mogelijkheid die vrijgestelde rechtspersonen krijgen om werkzaamheden uit te oefenen die volledig losstaan van de uitgifte van elektronisch geld. Momenteel valt moei- lijk te bepalen of en in welke mate de werkzaamheden die door vrijgestelde rechtspersonen mogen worden uitgeoefend, beperkt zouden moeten worden. Bijgevolg stelt de regering voor de Koning te machtigen om dit later te regelen op basis van de opgedane ervaring. Conform de Richtlijn komen de rechtspersonen die van deze vrijstellingsregeling genieten, echter niet in aanmerking voor de regeling inzake wederzijdse erkenning. Zij kunnen niet worden vrijgesteld van de toepassing van artikel 77 van de wet, dat bepaalt dat de toestemming van de Bank is vereist voor de uitoefe- DOC 53 2432/001 49 2431/001 DOC 53 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 3 e L É G I S L A T U R E K AMER 3e Z ITTING VAN DE 53e Z ITTING S P E RIO DE 2011 2012 de monnaie électronique ni de l’article 78 de la loi conte- nant des règles de protection des fonds reçus par les établissements de monnaie électronique en échange de l’émission de la monnaie électronique. Conformément à l’article 9(9) de la directive, la Com- mission européenne sera informée de l’exercice du pou- voir de “dérogation” défi ni à l’article 26 de la directive. Art. 89 à 93 Ces articles insèrent les articles 106 et 107 dans la loi, qui constituent le Titre 3 du Livre 3 de la loi, et qui déterminent respectivement les sanctions administra- tives et pénales qui peuvent être prises à l’égard des établissements de monnaie électronique en cas de méconnaissance des dispositions de la loi. Ces articles transposent partiellement l’article 3 (1) de la directive (qui prévoit l’application mutatis mutandis de l’article 21 (2) de la directive 2007/64/CE). Art. 94 à 96 Ces dispositions visent à adapter les articles 74, 75 et 75bis de la loi du 12 juin 1991 relative au crédit à la consommation (LCC) en fonction de la catégorie parti- culière d’“établissement de monnaie électronique”. Il est procédé à cette adaptation par analogie à l’extension de la LCC à la catégorie d’ “établissement de paiement” par l’article 76, 4° à 8°, de la loi du 10 décembre 2009 relative aux services de paiement. Comme les établis- sements de paiement, les établissements de monnaie électronique sont habilités, sous certaines conditions, à octroyer des crédits liés à des services de paiement (voir l’article 50 du présent projet de loi). En vertu de la loi du 21 décembre 2009 relative au statut des établissements de paiement, à l’accès à l’acti- vité de prestataire de services de paiement et à l’accès aux systèmes de paiement, telle que modifi ée par le présent projet de loi, les établissements de monnaie électronique relèvent du contrôle de la Banque. Dans la mesure où ces établissements exercent une activité d’octroi de crédit soumise à la LCC, les dispositions de celle-ci en matière d’agrément ou d’enregistrement sont d’application. L’obligation la plus importante qui en découle est celle de faire approuver préalablement les contrats de crédit conclus par les consommateurs. ning van een andere werkzaamheid dan de uitgifte van elektronisch geld noch van de toepassing van artikel 78 van de wet dat regels bevat voor de bescherming van de geldmiddelen die de instellingen voor elektronisch geld ontvangen in ruil voor de uitgifte van elektronisch geld. Conform artikel 9(9) van de Richtlijn wordt de Eu- ropese Commissie ingelicht wanneer gebruik gemaakt wordt van de “afwijkings”-mogelijkheid als bepaald in artikel 26 van de Richtlijn. Art. 89 tot 93 Deze artikelen voegen in de wet de artikelen 106 en 107 in, die Titel 3 vormen van Boek 3 van de wet, en die respectievelijk bepalen welke administratieve en strafrechtelijke sancties er kunnen worden genomen wanneer een instelling voor elektronisch geld de bepa- lingen van de wet niet naleeft. Deze artikelen zorgen voor de gedeeltelijke omzetting van artikel 3 (1) van de Richtlijn (dat voorziet in de ove- reenkomstige toepassing van artikel 21 (2) van Richtlijn 2007/64/EG). Art. 94 tot en met 96 Deze bepalingen passen de artikelen 74, 75 en 75bis van de wet van 12 juni 1991 op het consumentenkrediet (hierna WCK) aan, in functie van de afzonderlijke ca- tegorie van “instellingen voor elektronisch geld”. Deze aanpassing wordt aangebracht naar analogie met de uitbreiding van de WCK voor de categorie “betalings- instellingen”, door artikel 76, 4° tot 8° van de wet van 10 december 2009 betreffende de betalingsdiensten. Net zoals de betalingsinstellingen zijn de instellingen voor elektronisch geld gemachtigd om binnen bepaalde perken kredieten te verlenen in verband met betalings- diensten (zie artikel 50 van dit wetsontwerp). Deze instellingen vallen op grond van de wet van 21 december 2009 op het statuut van de betalingsinstel- lingen, de toegang tot het bedrijf van de betalingsdien- staanbieder en de toegang tot de betalingssystemen, zoals gewijzigd door dit wetsontwerp, onder het toezicht van de Bank. In de mate dat deze instellingen voor elektronisch geld een binnen de WCK vallende activiteit van kredietverlening uitoefenen, dienen de bepalingen inzake de erkenning of registratie van de WCK te worden toegepast. De belangrijkste verplichting die hieruit voor- tvloeit is dat de consumentenkredietovereenkomsten voorafgaandelijk moeten worden goedgekeurd. DOC 53 2432/001 50 2431/001 DOC 53 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 3 e L É G I S L A T U R E K AMER 3e Z ITTING VAN DE 53e Z ITTING S P E RIO DE 2011 2012 À l’article 75, § 6, alinéa 2 de la LCC, dans un souci de clarifi cation, la référence faite au crédit additionnel lié aux services de paiement pouvant être octroyé sur la base de la loi du 10 décembre 2009 a été précisée, sans que cette modifi cation n’affecte la portée de la disposition. Art. 97 L’article 97 article vise à modifi er le champ d’applica- tion de la loi du 11 janvier 1993 relative à la prévention de l’utilisation du système fi nancier aux fi ns du blan- chiment de capitaux et du fi nancement du terrorisme afi n d’y inclure les émetteurs de monnaie électronique dès lors qu’ils sont établis en Belgique ou opèrent par le biais d’une personne qui y est établie. L’article 97 transpose ainsi l’article 19.1) de la direc- tive. Art. 98 Cet article vise à transposer l’article 19.2), de la directive et n’appelle pas de commentaire particulier. Art. 99 L’article 101 adapte corrélativement l’exigence prévue sous l’article 18 de la loi du 11 janvier 1993. Art. 100 à 112 Ces articles visent à apporter les modifications nécessaires à la loi du 22 mars 1993 relative au statut et au contrôle des établissements de crédit afi n d’y abroger les références faites aux établissements de monnaie électronique, ainsi que les règles qui étaient applicables à ces établissements, étant donné que, dans le cadre de la directive, ceux-ci ne sont plus considérés comme des établissements de crédit. Les articles 101 et 103 transposent l’article 20 de la directive. Eu égard notamment au système de protection spéci- fi que découlant de l’article 7 de la directive et consistant dans un mécanisme de ségrégation et de protection des fonds reçus en échange de l’émission de monnaie électronique, l’article 112 du projet de loi supprime l’assimilation de la monnaie électronique à un dépôt de fonds pour les besoins du système de protection des dépôts. Les établissements de monnaie électronique ne In artikel 75, § 6, tweede lid van de WCK wordt voor de duidelijkheid een precisering aangebracht in de bepaling over het aanvullend krediet met betrekking tot betalingsdiensten dat toegekend kan worden op grond van de wet van 10 december 2009, zonder dat deze wijziging een invloed heeft op de reikwijdte van de bepaling. Art. 97 Artikel 97 wijzigt het toepassingsgebied van de wet van 11 januari 1993 tot voorkoming van het gebruik van het fi nanciële stelsel voor het witwassen van geld en de fi nanciering van terrorisme, om er de uitgevers van elektronisch geld in op te nemen die in België zijn gevestigd of die in België actief zijn via een persoon die daar is gevestigd. Artikel 97 voorziet aldus in de omzetting van arti- kel 19.1) van de Richtlijn. Art. 98 Dit artikel vormt de omzetting van artikel 19.2) van de Richtlijn en behoeft geen toelichting. Art. 99 In artikel 101 wordt bijgevolg het vereiste aange- past dat opgenomen is in artikel 18 van de wet van 11 januari 1993. Art. 100 tot 112 Deze artikelen brengen de nodige wijzigingen aan in de wet van 22 maart 1993 op het statuut van en het toezicht op de kredietinstellingen, om de verwijzingen naar de instellingen voor elektronisch en de regels die op deze instellingen van toepassing waren, te schrap- pen, aangezien deze instellingen in het kader van de Richtlijn niet langer beschouwd worden als kredietinstel- lingen. Artikelen 101 en 103 voorzien in de omzetting van artikel 20 van de Richtlijn. Mede gelet op het feit dat artikel 7 van de Richtlijn voorziet in een specifi ek beschermingssysteem dat bestaat in een mechanisme voor de segregatie en de bescherming van de geldmiddelen die in ruil voor de uitgifte van elektronisch geld worden ontvangen, wordt in artikel 112 van het wetsontwerp de vroegere gelijkstelling van elektronisch geld met een gelddepo- sito, in het kader van de depositobeschermingsregeling, DOC 53 2432/001 51 2431/001 DOC 53 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 3 e L É G I S L A T U R E K AMER 3e Z ITTING VAN DE 53e Z ITTING S P E RIO DE 2011 2012 devront dès lors plus être affiliés à un système collectif de protection des dépôts tel que le Fonds de protection des dépôts et des instruments fi nanciers. L’article 108 vise quant à lui à corriger une erreur matérielle commise lors de la modifi cation de l’article 57 de la loi bancaire par l’arrêté royal dit Twin Peaks. Art. 114 à 116 Ces articles visent à modifi er certaines dispositions de la loi du 22 février 1998 fi xant le statut organique de la Banque, afi n de tenir compte des modifi cations apportées à la loi du 21 décembre 2009, ainsi que celles apportées à la défi nition et au statut des établissements de monnaie électronique. Elles visent notamment à permettre à la Banque de communiquer des informations confi dentielles aux services de contrôle du Service Public Fédéral de l’Économie, PME. Classes moyennes et Énergie, dans le cadre de leur mission visée à l’article 72 de la loi du 10 décembre 2009 sur les services de paiement, leur permettant de constater et rechercher des infractions aux dispositions des articles 58/1 à 58/3 de ladite loi (voyez l’article 128 du projet de loi insérant un point 20° à l’article 64 de la loi du 10 décembre 2009 sur les services de paiement). Art. 117 Cet article vise à modifi er l’article 68bis de la loi du 16 juin 2006 relative aux offres publiques d’instruments de placement et aux admissions d’instruments de place- ment à la négociation sur des marchés réglementés afi n d’y exclure les établissements de monnaie électronique dans la défi nition des établissements de crédit. Art. 118 Cet article a pour objet d’insérer un certain nombre de nouvelles défi nitions et de modifi er certaines défi nitions existantes à l’article 2 de la loi du 10 décembre 2009 relative aux services de paiement. Ces insertions et modifi cations font suite à la transposition de la directive 2009/110/CE du 16 septembre 2009 concernant l’accès à l’activité des établissements de monnaie électronique et son exercice ainsi que la surveillance prudentielle de ces établissements, modifi ant les directives 2005/60/CE et 2006/48/CE et abrogeant la directive 2000/46/CE. opgeheven. Instellingen voor elektronisch geld moeten dus niet meer aangesloten zijn bij een collectieve depo- sitobeschermingsregeling zoals het Beschermingsfonds voor Deposito’s en Financiële Instrumenten. Artikel 108 zet een materiële fout recht die ontstaan is bij de wijziging artikel 57 van de bankwet door het zogenaamd koninklijk besluit Twin Peaks. Art. 114 tot 116 Deze artikelen wijzigen sommige bepalingen van de wet van 22 februari 1998 tot vaststelling van het orga- niek statuut van de Bank, om ze aan te passen aan de wijzigingen die in de wet van 21 december 2009 zijn aangebracht, en aan de wijzigingen in de defi nitie en het statuut van de instellingen voor elektronisch geld. Deze wijzigingen maken het met name mogelijk voor de Bank om vertrouwelijke informatie mee te delen aan de controlediensten van de Federale Overheidsdienst Economie, KMO, Middenstand en Energie, in het kader van hun opdracht bedoeld in artikel 72 de wet van 10 december 2009 over de betalingsdiensten, zodat zij inbreuken op de bepalingen van de artikelen 58/1 tot 58/3 van de genoemde wet kunnen vaststellen en opsporen (zie artikel 128 van het wetsontwerp, dat een punt 20° toevoegt in artikel 64 van de wet van 10 decem- ber 2009 betreffende de betalingsdiensten). Art. 117 Dit artikel wijzigt artikel 68bis van de wet van 16 juni 2006 op de openbare aanbieding van belegging- sinstrumenten en de toelating van beleggingsinstrumen- ten tot de verhandeling op een gereglementeerde markt, om de instellingen voor elektronisch geld te schrappen in de defi nitie van kredietinstelling. Art. 118 Dit artikel voegt een aantal nieuwe defi nities toe en wijzigt een aantal bestaande defi nities in artikel 2 van de wet van 10 december 2009 betreffende de betalings- diensten, ingevolge de omzetting van Richtlijn 2009/110/ EG van 16 september 2009 betreffende de toegang tot, de uitoefening van en het prudentieel toezicht op de werkzaamheden van instellingen voor elektronisch geld, tot wijziging van de Richtlijnen 2005/60/EG en 2006/48/ EG en tot intrekking van Richtlijn 2000/46/EG. DOC 53 2432/001 52 2431/001 DOC 53 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 3 e L É G I S L A T U R E K AMER 3e Z ITTING VAN DE 53e Z ITTING S P E RIO DE 2011 2012 Art. 119 Bien que la plus grande partie de la directive 2009/110/ CE porte sur le statut des établissements de monnaie électronique et défi nisse des “règles de contrôle pruden- tiel”, elle comporte également quelques dispositions — à savoir les articles 11 et 12, au titre III — qui concernent directement la relation contractuelle entre les émetteurs et les détenteurs de monnaie électronique. Ces dispo- sitions règlent notamment l’interdiction des intérêts sur le compte ainsi que l’émission et le remboursement de monnaie électronique. Vu l’apparentement avec les services de paiement ces dispositions trouvent logi- quement leur place dans la loi du 10 décembre 2009 relative aux services de paiement, qui règle la relation (pré)contractuelle avec l’utilisateur. Pour de plus amples explications, l’on se référera au commentaire afférent aux articles 122 à 126 du présent projet. Art. 120 Cet article apporte une correction légistique et fait suite à l’extension, de l’UE à l’EEE, du champ d’appli- cation de la directive 2007/64/CE. Art. 121 Cet article apporte une simple correction d’ordre légistique. Art. 122 Cet article vise à insérer un nouveau Titre III/1 dans la loi du 10 décembre 2009 consacré aux obligations des émetteurs de monnaie électronique en matière d’émis- sion et de remboursement de la monnaie électronique. Ce nouveau titre contient les articles 58/1 à 58/3. Ces règles sont communes à l’ensemble des émetteurs de monnaie électronique, c.-à-d. qu’elles s’appliquent à tous les émetteurs de monnaie électronique, quelle que soit leur qualité: établissements de monnaie électronique agréés par la Banque en cette qualité ou non (établissements de crédit, personnes morales exemptées,...). La compétence en matière de contrôle des articles 58/1 à 58/3 de la loi du 10 décembre 2009 relève du SPF Économie. Art. 119 Hoewel het grootste gedeelte van Richtlijn 2009/110/ EG betrekking heeft op het statuut van de instellingen voor elektronisch geld en “prudentiële toezichtsregels” vastlegt, bevat zij ook een aantal bepalingen — met name de artikelen 11 en 12 van titel III van de des- betreffende Richtlijn — die rechtsreeks betrekking hebben op de contractuele relatie tussen de uitgevers van elektronisch geld en de houders van elektronisch geld. Deze bepalingen betreffen met name het verbod van interest op de rekening en de regels inzake de uit- gifte en de terugbetaalbaarheid van elektronisch geld. Gezien de verwantschap met betalingsdiensten, horen deze bepalingen logischerwijze thuis in de wet van 10 december 2009 betreffende de betalingsdiensten, die de (pre)contractuele verhouding met de gebruiker regelt. Voor verdere toelichting wordt verwezen naar de commentaar bij de artikelen 122 tot 126 van het voorliggende ontwerp. Art. 120 Dit artikel bevat een legistieke rechtzetting en is het gevolg van de uitbreiding van het toepassingsgebied van de Richtlijn 2007/64/EG van “EU” naar “EER”. Art. 121 Dit artikel bevat een louter legistieke rechtzetting. Art. 122 Dit artikel voegt in de wet van 10 december 2009 een nieuwe Titel III/1 in, over de verplichtingen van uitgevers van elektronisch geld inzake de uitgifte en de terugbetaalbaarheid van elektronisch geld. Deze nieuwe titel bevat de artikelen 58/1 tot 58/3. Deze regels gelden voor alle uitgevers van elektronisch geld, dat wil zeggen dat zij van toepassing zijn op alle uitgevers van elektro- nisch geld, ongeacht hun hoedanigheid: instellingen voor elektronisch geld die al dan niet als instelling voor elektronisch geld van de Bank een vergunning hebben verkregen, kredietinstellingen, vrijgestelde rechtsperso- nen. De FOD Economie is bevoegd voor het toezicht op de naleving van de artikelen 58/1 tot 58/3 van de wet van 10 december 2009. DOC 53 2432/001 53 2431/001 DOC 53 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 3 e L É G I S L A T U R E K AMER 3e Z ITTING VAN DE 53e Z ITTING S P E RIO DE 2011 2012 Art.s 123 et 124 Ces articles insèrent les articles 58/1 et 58/2 dans la loi du 10 décembre 2009, qui constituent le Chapitre 1er du Titre III/1 de la loi, consacré aux obligations des émet- teurs de monnaie électronique en matière d’émission et de remboursement de la monnaie électronique. Le nouvel article 58/1 de la loi consacre le principe en vertu duquel les émetteurs de monnaie électronique ont l’obligation d’émettre de la monnaie électronique à la valeur nominale contre la remise de fonds. Cette obligation implique que les fonds remis à l’établissement de monnaie électronique en échange de l’émission de monnaie électronique ne peuvent être inférieurs à la valeur monétaire représentant la créance sur l’émetteur. Cette disposition transpose l’article 11, paragraphe 1er de la directive. Le nouvel article 58/2 de la loi consacre l’obligation des émetteurs de monnaie électronique de procéder au remboursement de la monnaie électronique non utilisée, lorsque ce remboursement est demandé par le détenteur de monnaie électronique. Le paragraphe 2 de cette disposition précise que les conditions de ce remboursement, et notamment les éventuels frais qu’il implique, doivent faire l’objet d’un contrat conclu entre l’émetteur et le détenteur de monnaie électronique. Les paragraphes 3 et 4 de cette disposition précisent toute- fois certaines modalités selon lesquelles ce rembour- sement doit être effectué, notamment selon le moment auquel il est sollicité par le détenteur, c’est à dire avant ou après l’expiration du contrat. Le paragraphe 3 in fi ne donne au Roi la possibilité de fi xer des paramètres et critères pour déterminer les “frais réels” qui sont liés au remboursement et qui sont à charge de l’émetteur. Cela donne au Roi la possibili- téd’apporter des clarifi cations ou des corrections en ce qui concerne les coûts rééls, conformément au but de la loi, notamment lorsqu’un manque de transparence des éléments constitutifs de frais apparaît ou lorsque des méthodes différentes sont utilisées par les émetteurs pour l’imputation des frais. Le paragraphe 6 de cette disposition prévoit que le contrat liant les émetteurs de monnaie électronique aux personnes acceptant la monnaie électronique comme instrument de paiement (c.-à-d. les commerçants ou les prestataires de services acceptant d’être payés par leurs clients par de la monnaie électronique) prévoit les modalités selon lesquelles ces personnes perçoivent le paiement fi nal de leurs biens ou de leurs prestations de services. Ces personnes ne bénéfi cient pas des Art. 123 en 124 Deze artikelen voegen in de wet van 10  decem- ber 2009 de artikelen 58/1 en 58/2 in, die Hoofdstuk 1 vormen van Titel III/1 van de wet, over de verplichtingen van de uitgevers van elektronisch geld inzake de uitgifte en de terugbetaalbaarheid van elektronisch geld. Het nieuwe artikel 58/1 van de wet bepaalt dat uitge- vers van elektronisch geld elektronisch geld moeten ui- tgeven tegen de nominale waarde, in ruil voor ontvangen geld. Deze verplichting houdt in dat de geldmiddelen die de instelling voor elektronisch geld ontvangt in ruil voor de uitgifte van elektronisch geld, niet minder mogen bedragen dan de monetaire waarde van de vordering op de uitgever. Met deze bepaling wordt artikel 11, lid 1 van de Richtlijn omgezet. Het nieuwe artikel 58/2 van de wet bepaalt dat uitge- vers van elektronisch geld verplicht zijn niet-gebruikt elektronisch geld terug te betalen, wanneer de houder van het elektronisch geld hierom verzoekt. Paragraaf 2 van dit artikel bepaalt dat de voorwaarden voor deze terugbetaling, en met name de eventuele kosten die eraan verbonden zijn, moeten worden opgenomen in een overeenkomst tussen de uitgever en de houder van het elektronisch geld. De paragrafen 3 en 4 van deze bepaling bevatten een aantal regels voor deze terugbetaling, die onder meer afhankelijk zijn van het ogenblik waarop de houder om terugbetaling verzoekt, namelijk vóór of na het verstrijken van de overeenkomst. Paragraaf 3 in fi ne biedt aan de Koning de moge- lijkheid om parameters en criteria vast te leggen voor het bepalen van de “werkelijke kosten” die verbonden zijn aan de terugbetaling en die worden gedragen door de uitgever. Dit biedt aan de Koning de mogelijkheid om verduidelijkingen of correcties aan te brengen met betrekking tot de werkelijke kosten, overeenkomstig de doelstelling van de wet, onder meer wanneer er sprake is van een gebrek aan transparantie van de kostenele- menten of wanneer de uitgevers verschillende methodes gebruiken voor het in rekening brengen van de kosten. Paragraaf 6 van dit artikel bepaalt dat de overeen- komst tussen de uitgevers van elektronisch geld en de personen die het elektronisch geld aanvaarden als betaalinstrument (d.w.z. handelaars of dienstverleners die erin toestemmen dat hun klanten met elektronisch geld betalen) de regels moet bevatten volgens dewelke die personen de uiteindelijke betaling voor hun goederen of diensten verkrijgen. Aangezien deze personen geen houders van elektronisch geld in de zin van de Richtlijn DOC 53 2432/001 54 2431/001 DOC 53 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 3 e L É G I S L A T U R E K AMER 3e Z ITTING VAN DE 53e Z ITTING S P E RIO DE 2011 2012 dispositions relatives au remboursement de la monnaie électronique, n’étant pas considérés comme des déten- teurs de monnaie électronique au sens de la directive. Art. 125 et 126 Ces articles insèrent l’article 58/3 dans la loi du 10 dé- cembre 2009, qui constitue le Chapitre 2 du Titre III/1 de la loi, consacré au principe de l’interdiction, pour les émetteurs de monnaie électronique d’octroyer des intérêts ou tout autre avantage lié à la durée pendant laquelle le détenteur de monnaie électronique détient de la monnaie électronique. Ainsi, il est par exemple interdit à un émetteur de monnaie électronique de récompenser un détenteur de monnaie électronique ayant effective- ment détenu de la monnaie électronique durant une période donnée (par exemple deux ans) avec des places de concert gratuites, ou des chargements gratuits de musique sur internet. Ces cadeaux, quelle que soit leur valeur, même minime, sont interdits dès lors qu’ils sont liés à la durée de détention de la monnaie électronique. Par contre, des cadeaux qui ne sont pas liés à cette durée de détention sont autorisés, tels que par exemple des cadeaux liés au fait que la monnaie électronique détenue dépasse un certain montant. L’objectif poursuivi par cette disposition est d’empêcher d’offrir des incitants aux détenteurs de monnaie électronique afi n que ces derniers en détiennent pendant une période de temps plus ou moins longue. Ce principe est également lié au fait que l’émission de monnaie électronique ne constitue pas une activité de réception de dépôts d’argent ou d’autres fonds remboursables. Art. 127 Des sanctions civiles sont introduites en cas de non- respect par l’émetteur de monnaie électronique des règles en matière de remboursement prévues à l’article 58/2. Le titulaire est ainsi légalement exempté du paie- ment de tous les frais qui s’y rapportent et qui peuvent être demandés dans les cas énumérés à l’article 58/2, § 3. Cette sanction peut être appliquée lorsque, par exemple, il apparaît que les informations relatives aux frais n’ont pas été communiquées à temps ou qu’elles ne l’ont pas été clairement ou n’ont pas été communi- quées activement (c’est-à-dire sans autre sollicitation de la part du détenteur de monnaie électronique et sans qu’il doive prendre activement des mesures afain d’obtenir les informations) ou encore si les frais imputés sont supérieurs aux coûts réels supportés par l’émet- teur. En outre, le titulaire qui demande le remboursement en dehors du cadre de la résiliation de son contrat, peut immédiatement et sans frais résilier ce contrat lorsque zijn, zijn de bepalingen met betrekking tot de terugbeta- ling van elektronisch geld niet van toepassing op hen. Art. 125 en 126 Deze artikelen voegen in de wet van 10  decem- ber 2009 het artikel 58/3 in, dat Hoofdstuk 2 vormt van Titel III/1 van de wet en dat bepaalt dat het voor uitgevers van elektronisch geld verboden is rente of andere voor- delen toe te kennen die samenhangen met de lengte van de periode dat een houder van elektronisch geld het elektronisch geld aanhoudt. Zo is het een uitgever van elektronisch geld bijvoorbeeld verboden om een houder van elektronisch geld die daadwerkelijk elektro- nisch geld heeft aangehouden tijdens een bepaalde periode (bijvoorbeeld twee jaar) te belonen met gratis concerttickets of met gratis downloads van muziek via internet. Dergelijke cadeaus zijn verboden, ongeacht hun waarde, ook al is die miniem, indien ze verbonden zijn aan de lengte van de periode dat het elektronisch geld werd aangehouden. Cadeaus die niet verbonden zijn aan de lengte van de periode dat het elektronisch geld wordt aangehouden, zoals cadeaus die verbonden zijn aan de hoogte van het bedrag van het aangehou- den elektronisch geld, zijn echter wel toegestaan. Met deze bepaling wordt vermeden dat aan de houders van elektronisch geld stimulansen worden toegekend om gedurende een min of meer lange periode elektronisch geld aan te houden. Dit principe heeft ook te maken met het feit dat de uitgifte van elektronisch geld geen activiteit van inontvangstneming van gelddeposito’s of van andere terugbetaalbare gelden is. Art. 127 Er worden burgerrechtelijke sancties ingevoerd voor de niet-naleving door de uitgever van elektronisch geld van de regels inzake terugbetaalbaarheid die opgeno- men zijn in artikel 58/2. Zo wordt de houder van rechts- wege vrijgesteld van de betaling van alle kosten die hiermee samenhangen en die kunnen worden aangere- kend in de gevallen opgesomd in artikel 58/2, § 3. Deze sanctie kan worden toegepast wanneer bijvoorbeeld. zou blijken dat de informatie over de kosten niet tijdig, niet duidelijk, of niet op actieve wijze werd meegedeeld (dit wil zeggen, zonder verder verzoek van de houder van elektronisch geld en zonder dat hij uit eigen bewe- ging stappen dient te ondernemen om de informatie te verkrijgen), of nog, als er kosten worden aangerekend die de werkelijke door de uitgever gedragen kosten te boven gaan. Daarnaast kan de houder, die terugbe- taling vraagt buiten het kader van de opzegging van zijn overeenkomst, deze overeenkomst onmiddellijk en DOC 53 2432/001 55 2431/001 DOC 53 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 3 e L É G I S L A T U R E K AMER 3e Z ITTING VAN DE 53e Z ITTING S P E RIO DE 2011 2012 les obligations de l’article 58/2 n’ont pas été respec- tées par l’émetteur de monnaie électronique,qui, le cas échéant, fournit aussi des services de paiement Art. 128 et 129 Le non-respect des articles 58/1 à 58/3 de la loi du 10 décembre 2009 est érigé en infraction pénale par l’insertion d’un point 20° sous l’article 64 la loi du 10 décembre 2009 relative aux services de paiement Par ailleurs, à la suite du mécanisme d’information, un tel manquement prévu à l’article 71 de ladite loi pourra, le cas échéant, faire l’objet, par l’autorité de contrôle prudentiel, de mesures de redressement ou de sanc- tions administratives qui s’indiqueraient. Art. 130 1° En exécution de l’article 13 de la directive 2009/110/CE, qui rend le titre IV, chapitre 5, de la directive 2007/64/CE applicable mutatis mutandis, il est instauré une procédure de recours extrajudiciaire en vue du règlement des litiges entre l’émetteur et le détenteur de monnaie électronique concernant le titre III de la directive 2009/110/CE. Dans le texte néerlandais de l’article 75, alinéa 1er, de la loi du 10 décembre 2009 relative aux services de paiement, le mot “zelfstandig” est remplacé par le mot “onafhankelijk”, qui correspond mieux au terme “indépendant” utilisé dans le texte français. Ces termes sont également utilisés dans les recommandations européennes en matière de règlement extrajudiciaire des litiges. 2° Deux nouveaux alinéas sont insérés à l’article 75 de la loi du 10 décembre 2009. Il s’agit d’une simple reprise de l’article 7, 12°, de la loi du 21 décembre 2009, que l’article 12 du présent projet de loi entend abroger. Cette disposition relève en effet davantage des dis- positions en matière de règlement extrajudiciaire des litiges, qui sont destinées aux consommateurs dans leur relation contractuelle avec le prestataire de services de paiement et émetteur de monnaie électronique. 3° Par analogie avec l’option prise lors de la trans- position de l’article 83 de la directive 2007/64/CE, la possibilité de faire appel à cette procédure extrajudi- ciaire est, ici encore, limitée au cas où le détenteur de monnaie électronique est un consommateur. zonder kosten opzeggen wanneer de verplichtingen van artikel 58/2 niet werden nageleefd door de uitge- ver van elektronisch geld die in voorkomend geval ook betalingsdiensten aanbiedt. Art. 128 en 129 De niet-naleving van de artikelen 58/1 tot 58/3 van de wet van 10 december 2009 wordt strafbaar gesteld door de invoeging van een punt 20° in artikel 64 van de wet van 10 december 2009 betreffende de betalingsdiens- ten. Door het informatiemechanisme waarin voorzien is in artikel 71 van de genoemde wet kan een dergelijke niet-naleving in voorkomend geval overigens aanleiding geven tot het opleggen van passende herstelmaatre- gelen of administratieve sancties door de prudentiele toezichthouder. Art. 130 1° In uitvoering van artikel 13 van Richtlijn 2009/110/ EG, dat hoofdstuk 5 van titel IV van Richtlijn 2007/64/ EG van overeenkomstige toepassing maakt, wordt een buitengerechtelijk beroep ingesteld voor de geschillen tussen de uitgever en de houder van elektronisch geld betreffende Titel III van Richtlijn 2009/110/EG. In het eerste lid van artikel 75 van de wet van 10 de- cember 2009 betreffende de betalingsdiensten wordt in het Nederlands het woord “zelfstandig” vervangen door het begrip “onafhankelijk”, dat beter aansluit bij de term “indépendant” in het Frans. Deze termen worden eveneens gehanteerd in de Europese aanbevelingen inzake buitengerechtelijke geschillenbeslechting. 2° In artikel 75 van de wet van 10 december 2009 worden twee nieuwe leden ingevoegd. Het betreft een loutere overname van de het bestaande artikel 7, 12° van de wet van 21 december 2009, dat wordt opgeheven via artikel 12 van dit wetsontwerp. Deze bepaling hoort immers beter thuis bij de bepalingen inzake buitenge- rechtelijke geschillenregeling voor de consumenten in hun contractuele verhouding met de betalingsdienstaan- bieder en de uitgever van elektronisch geld. 3° Naar analogie met de genomen optie bij de omzet- ting van artikel 83 van Richtlijn 2007/64/EG, wordt ook hier de mogelijkheid om een beroep te doen op deze bui- tengerechtelijke procedure beperkt tot het geval waarbij de houder van elektronisch geld een consument is. DOC 53 2432/001 56 2431/001 DOC 53 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 3 e L É G I S L A T U R E K AMER 3e Z ITTING VAN DE 53e Z ITTING S P E RIO DE 2011 2012 Art. 131 L’article 133 du projet de loi prévoit une prolongation du délai prévu à l’article 34 de la loi du 28 juillet 2011 visant à transposer diverses directives relatives au contrôle du secteur fi nancier et portant dispositions diverses, habilitant le Roi à prendre, par arrêté déli- béré en Conseil des ministres, sur avis de la Banque Nationale de Belgique et de l’Autorité des services et marchés fi nanciers, les mesures nécessaires pour assurer la transposition des dispositions de la Direc- tive 2010/78/UE du Parlement européen et du Conseil du 24 novembre 2010 modifi ant les directives 98/26/ CE, 2002/87/CE, 2003/6/CE, 2003/41/CE, 2003/71/ CE, 2004/39/CE, 2004/109/CE, 2005/60/CE, 2006/48/ CE, 2006/49/CE et 2009/65/CE en ce qui concerne les compétences de l’Autorité européenne de surveillance (Autorité bancaire européenne), l’Autorité européenne de surveillance (Autorité européenne des assurances et des pensions professionnelles) et l’Autorité européenne de surveillance (Autorité européenne des marchés fi nanciers), appelée “directive Omnibus I”. Le délai dans lequel le Roi devait faire usage de son habilitation, originellement prévu au 31 décembre 2011, a expiré et doit être prorogé jusqu’au 31 décembre 2012 afi n de permettre une transposition rapide la directive Omnibus I. La prolongation du délai se justifi e par la nécessité d’assurer une transposition rapide de la directive précitée au regard des délais de transposition imposés. L’habilitation accordée au Roi est assortie de garan- ties importantes: elle est limitée dans le temps, et les arrêtés pris sous son couvert doivent faire l’objet d’une confi rmation par la loi dans un bref délai. Les arrêtés royaux adoptés dans ce cadre doivent être délibérés en Conseil des ministres et être pris sur avis de la BNB et de la FSMA. Ils cessent de produire leurs effets s’ils n’ont pas été confi rmés par la loi dans les dix-huit mois de leur date d’entrée en vigueur. Les pouvoirs accordés au Roi expirent le 31 décembre 2012. L’on relèvera en outre que le projet de loi défi nit clairement les domaines dans lesquels le Roi est habilité à prendre les mesures requises. Art. 132 Cet article transpose l’option prévue à l’article 18.2 de la directive. Le paragraphe 1 er prévoit que les établissements de monnaie électronique agréés en Belgique avant l’entrée en vigueur de la loi sont considérés comme étant de Art. 131 Art. 133 van het wetsontwerp bevat een verlenging van de termijn voorzien in artikel 34 van de wet van 28 juli 2011 tot omzetting van diverse richtlijnen betref- fende het toezicht op de fi nanciële sector en houdende diverse bepalingen, waarin aan de Koning de machti- ging wordt verleend om, door middel van een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de nodige maatregelen te treffen ter omzetting van de bepalingen van Richtlijn 2010/78/EU van het Europees Parlement en de Raad van 24 november 2010 tot wijziging van de Richtlijnen 98/26/EG, 2002/87/EG, 2003/6/EG, 2003/41/ EG, 2003/71/EG, 2004/39/EG, 2004/109/EG, 2005/60/ EG, 2006/48/EG, 2006/49/EG en 2009/65/EG wat de bevoegdheden van de Europese toezichthoudende autoriteit (Europese Bankautoriteit), de Europese toe- zichthoudende autoriteit (Europese Autoriteit voor verzekeringen en bedrijfspensioenen) en de Europese toezichthoudende autoriteit (Europese Autoriteit voor effecten en markten), Omnibus I-Richtlijn genaamd. De oorspronkelijk voorziene termijn van 31 decem- ber  2011, waarbinnen de Koning gebruik diende te maken van zijn machtiging, is verstreken en dient te worden verlengd tot 31 december 2012 om vooralsnog een snelle omzetting van de Omnibus I-Richtlijn toe te laten. De verlenging van de voorziene termijn is veran- twoord gelet op de noodzakelijkheid om een snelle omzetting van voorgenoemde richtlijn te verzekeren rekening houdend met de opgelegde omzettingstermijn. De machtiging aan de Koning gaat gepaard met belangrijke waarborgen: ze is beperkt in de tijd en de op grond ervan genomen besluiten dienen op korte termijn bij wet te worden bekrachtigd. De Koninklijke Besluiten die in dit kader worden genomen moeten worden vastgesteld na overleg in de Ministerraad en op advies van de NBB en de FSMA. Zij hebben geen gevolg meer indien zij niet worden bekrachtigd bij wet binnen de achttien maanden vanaf hun datum van inwer- kingtreding. De aan de Koning verleende bevoegdheden vervallen op 31 december 2012. Bovendien is duidelijk omschreven in welke domeinen de Koning de vereiste maatregelen kan treffen. Art. 132 Dit artikel vormt de omzetting van de mogelijkheid die in artikel 18.2 van de Richtlijn wordt geboden. Pagraaf 1 bepaalt dat instellingen voor elektronisch geld die vóór de inwerkingtreding van de wet een vergun- ning hebben verkregen in België, voor de toepassing van DOC 53 2432/001 57 2431/001 DOC 53 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 3 e L É G I S L A T U R E K AMER 3e Z ITTING VAN DE 53e Z ITTING S P E RIO DE 2011 2012 plein droit agréés pour l’application du Livre 3 de la loi du 21 décembre 2009. La Banque inscrit ces établisse- ments sur la liste visée à l’article 64 de ladite loi. Le paragraphe 2 prévoit que les établissements de monnaie électroniques qui bénéfi ciaient d’une exemp- tion sur la base de l’ancien article 2, § 2 de la loi ban- caire sont considérés comme étant de plein droit agréés pour l’application de la loi nouvelle. La Banque inscrit ces personnes morales exemptées sur la liste visée à l’article 64 de la loi du 21 décembre 2009. Certaines personnes morales bénéficiant d’une exemption sur la base de l’ancien article 2, § 2 de la loi bancaire ne seront toutefois pas reprises sur cette liste. En effet, elles ne seront plus exemptées mais exclues du champ d’application de la nouvelle loi. En effet, certains des critères d’exemption sont devenus, en vertu de la directive, des critères d’exclusion (voyez par exemple l’émission de monnaie électronique émise ou distribuée au sein d’un réseau limité). Il est important que la Banque soit informée des activités autres que l’émission de monnaie électronique exercées par les établissements de monnaie électro- nique agréés et par les personnes morales exemptées, visées à l’article 77, § 2 de la loi du 21 décembre 2009. L’article 133 de la loi leur impose l’obligation de fournir sans délai à la Banque les informations pertinentes à ce sujet. Notons que si l’établissement de monnaie électronique agréé ou la personne morale exemptée entend fournir une activité commerciale visée à l’article 77, § 1er de la loi du 21 décembre 2009, il/elle devra obtenir l’autorisation préalable de la Banque (article 77, § 1er et article 105, § 1er, 2°, deuxième alinéa de la loi du 21 décembre 2009). Boek 3 van de wet van 21 december 2009 beschouwd worden als instellingen die van rechtswege een vergun- ning hebben verkregen. De Bank neemt die instellingen op in de lijst bedoeld in artikel 64 van deze wet. Paragraaf 2 bepaalt dat instellingen voor elektro- nisch geld die op grond van het oude artikel 2, § 2 van de bankwet waren vrijgesteld, voor de toepassing van de nieuwe wet beschouwd worden als instellingen die van rechtswege zijn vrijgesteld. De Bank neemt deze vrijgestelde rechtspersonen op in de lijst bedoeld in artikel 64 van de wet van 21 december 2009. Sommige van de rechtspersonen die op grond van het oude artikel 2, § 2 van de bankwet zijn vrijgesteld, zullen echter niet worden opgenomen in deze lijst. Deze rechtspersonen zullen niet langer vrijgesteld zijn maar uitgesloten zijn van het toepassingsgebied van de nieuwe wet. Sommige van de vrijstellingscriteria zijn op grond van de Richtlijn namelijk uitsluitingscriteria geworden (zie bijvoorbeeld de uitgifte van elektronisch geld dat binnen een beperkt netwerk wordt uitgegeven of verspreid). Het is van belang dat de instellingen voor elektro- nisch geld die een vergunning hebben verkregen en de rechtspersonen die vrijgesteld zijn, als bedoeld in artikel 77, § 2 van de wet van 21 december 2009, de Bank in kennis stellen van de werkzaamheden die zij buiten de uitgifte van elektronisch geld uitoefenen. Artikel 133 van de wet verplicht hen om de in dit verband relevante informatie onmiddellijk aan de Bank te bezorgen. Indien de instelling voor elektronisch geld die een vergunning heeft verkregen of de vrijgestelde rechtspersoon een bedrijfswerkzaamheid als bedoeld in artikel 77, § 1 van de wet van 21 december 2009 wenst uit te oefenen, moet hij/zij daarvoor voorafgaandelijk de toestemming hebben verkregen van de Bank (artikel 77, § 1 en artikel 105, § 1, 2°, tweede lid van de wet van 21 december 2009). DOC 53 2432/001 58 2431/001 DOC 53 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 3 e L É G I S L A T U R E K AMER 3e Z ITTING VAN DE 53e Z ITTING S P E RIO DE 2011 2012 Art. 133 Cet article prévoit que la loi entre en vigueur le jour de sa publication au Moniteur belge. Le vice-premier ministre et ministre des Finances, Steven VANACKERE Le vice-premier ministre et ministre de l’Économie, des Consommateurs et de la Mer du Nord, Johan VANDE LANOTTE Art. 133 Dit artikel bepaalt dat de wet in werking treedt de dag waarop ze in het Belgisch Staatsblad wordt bekend- gemaakt. De vice-eersteminister en minister van Financiën, Steven VANACKERE De vice-eersteminister en minister van Economie, Consumenten en Noordzee, Johan VANDE LANOTTE 2432/001 DOC 53 59 2431/001 DOC 53 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 3 e L É G I S L A T U R E K AMER 3e Z ITTING VAN DE 53e Z ITTING S P E RIO DE 2011 2012 EXPOSÉ DES MOTIFS (II) MESDAMES, MESSIEURS, Le projet de loi que le Gouvernement à l’honneur de vous soumettre règle la transposition partielle en droit belge de la directive 2009/110/CE du Parlement euro- péen et du Conseil du 16 septembre 2009 concernant l’accès à l’activité des établissements de monnaie électronique et son exercice ainsi que la surveillance prudentielle de ces établissements, modifiant les directives 2005/60/CE et 2006/48/CE et abrogeant la directive 2000/46/CE (ci-après “la directive”). L’objectif poursuivi par le législateur européen était de revoir le cadre juridique mis en place par la direc- tive 2000/46/CE du Parlement européen et du Conseil du 18 septembre 2000 concernant l’accès à l’activité des établissements de monnaie électronique et son exercice ainsi que la surveillance prudentielle de ces établissements (ci-après “directive 2000/46/CE”), dès lors que certaines des dispositions de cette directive avaient été jugées préjudiciables à l’émergence d’un véritable marché unique des services liés à l’émission de monnaie électronique. Le projet de loi déposé à la Chambre par le Gouver- nement, modifi ant la loi du 21 décembre 2009 relative au statut des établissements de paiement, à l’accès à l’activité de prestataire de services de paiement et à l’accès aux systèmes de paiement et d’autres législa- tions dans la mesure où elles sont relatives au statut des établissements de paiement et des établissements de monnaie électronique transpose également la directive en instaurant des règles relatives à l’accès à l’activité d’émission de monnaie électronique et au statut des établissements de monnaie électronique. Le projet de loi que le Gouvernement a l’honneur de vous soumettre vise à modifi er l’article 36/22 de la loi du 22 février 1998 fi xant le statut organique de la Banque nationale de Belgique afi n de tenir compte de l’instauration d’un nouveau statut prudentiel pour les établissements de monnaie électronique, qui ne seront dorénavant plus considérés comme des établissements de crédit. Le projet de loi règle l’introduction d’un recours auprès du Conseil d’État conformément à la procédure accélérée contre certaines décisions de la Banque, pour les décisions prises par la Banque vis-à-vis des éta- blissements de monnaie électronique dans le cadre de demandes d’agrément des établissements souhaitant obtenir ce statut, ou dans le cadre de la surveillance MEMORIE VAN TOELICHTING (II) DAMES EN HEREN, Het wetsontwerp dat de Regering de eer heeft U voor te leggen, zorgt voor de gedeeltelijke omzetting in Belgisch recht van Richtlijn 2009/110/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 september 2009 betreffende de toegang tot, de uitoefening van en het prudentieel toezicht op de werkzaamheden van instellingen voor elektronisch geld, tot wijziging van de Richtlijnen 2005/60/EG en 2006/48/EG en tot intrekking van Richtlijn 2000/46/EG (hierna “de Richtlijn”). Doel van de Europese wetgever was om het rechts- kader ingesteld bij Richtlijn 2000/46/EG van het Euro- pees Parlement en de Raad van 18 september 2000 betreffende de toegang tot, de uitoefening van en het bedrijfseconomisch toezicht op de werkzaamheden van instellingen voor elektronisch geld (hierna “Richtlijn 2000/46/EG”) te herzien, omdat sommige bepalingen van deze richtlijn de totstandkoming van een echte in- terne markt voor diensten die verband houden met de uitgifte van elektronisch geld zouden hebben gehinderd. De Richtlijn wordt ook omgezet via het wetsontwerp dat door de Regering werd ingediend bij de Kamer tot wijziging van de wet van 21 december 2009 betreffende het statuut van de betalingsinstellingen, de toegang tot het bedrijf van betalingsdienstaanbieder en de toegang tot betalingssystemen, en van andere wetgeving die betrekking heeft op het statuut van de betalingsinstel- lingen en van de instellingen voor elektronisch geld. Dit wetsontwerp voert regels in met betrekking tot de toegang tot de activiteit van uitgifte van elektronisch geld en het statuut van de instellingen voor elektronisch geld. Het wetsontwerp dat de Regering de eer heeft u voor te leggen, wijzigt artikel 36/22 van de wet van 22 februari 1998 tot vaststelling van het organiek statuut van de Nationale Bank van België, naar aanleiding van de invoering van een nieuw prudentieel statuut voor de instellingen voor elektronisch geld, die niet meer als kredietinstellingen zullen worden beschouwd. Het wetsontwerp regelt de instelling van een beroep bij de Raad van State overeenkomstig de versnelde pro- cedure tegen bepaalde beslissingen van de Bank, voor de beslissingen die door de Bank worden genomen ten aanzien van instellingen voor elektronisch geld die een vergunningsaanvraag indienen om het nieuwe statuut te verkrijgen, of in het kader van het prudentieel toezicht 2432/001 DOC 53 DOC 53 60 2431/001 DOC 53 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 3 e L É G I S L A T U R E K AMER 3e Z ITTING VAN DE 53e Z ITTING S P E RIO DE 2011 2012 prudentielle exercée par la Banque sur l’exercice des activités de ces établissements. Le projet de loi règle une matière visée à l’article 77 de la Constitution. Il a été tenu compte des remarques du Conseil d’État. En réponse à l’observation du Conseil d’État relative au manque d’une évaluation d’incidence des décisions sur le développement durable, il est précisé que l’article 19/1 de la loi du 5 mai 1997, inséré par la loi du 30 juillet 2010, n’a pas encore pu faire l’objet d’une exécution. Un projet d’arrêté royal règlant l’évaluation d’incidence et fi xant les dispenses de cette évaluation, est en cours de préparation. Dès lors, l’on ne peut s’appuyer que sur les directives existantes en matière du test EIDDD. Il peut être conclu que la dispense découlant de l’urgence des mesures à prendre peut être invoquée. Le vice-premier ministre et ministre des Finances, Steven VANACKERE dat door de Bank wordt uitgeoefend op de uitoefening van de werkzaamheden van die instellingen. Het wetsontwerp regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 77 van de Grondwet. Er is rekening gehouden met de opmerkingen van de Raad van State. In antwoord op de opmerking van de Raad van State met betrekking tot het ontbreken van de duurzame ontwikkelingseffectbeoordeling, kan worden gesteld dat artikel 19/1 van de wet van 5 mei 1997, ingevoegd bij de wet van 30 juli 2010, nog geen uitvoering heeft gekregen. Een ontwerp van koninklijk besluit tot regeling van de effectbeoordeling en tot bepa- ling van de vrijstellingen van deze beoordeling, wordt momenteel voorbereid. Derhalve kan enkel gesteund worden op de bestaan- de richtlijnen inzake de DOEB-test, en kan besloten wor- den dat de vrijstelling omwille van de hoogdringendheid van de te nemen maatregelen kan worden ingeroepen. De vice-eersteminister en minister van Financiën, Steven VANACKERE 2432/001 DOC 53 61 2431/001 DOC 53 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 3 e L É G I S L A T U R E K AMER 3e Z ITTING VAN DE 53e Z ITTING S P E RIO DE 2011 2012 AVANT-PROJET DE LOI (I) soumis à l’avis du Conseil d’État Avant-projet de loi modifi ant la loi du 21 décembre 2009 relative au statut des établissements de paiement, à l’accès à l’activité de prestataire de services de paiement et à l’accès aux systèmes de paiement et d’autres législations dans la mesure où elles sont relatives au statut des établissements de paiement et des établissements de monnaie électronique TITRE 1ER Dispositions générales Article 1er La présente loi règle une matière visée à l’article 78 de la Constitution. Art. 2 La présente loi transpose la directive 2009/110/CE du Parlement européen et du Conseil du 16 septembre 2009 concernant l’accès à l’activité des établissements de monnaie électronique et son exercice ainsi que la surveillance pruden- tielle de ces établissements, modifi ant les directives 2005/60/ CE et 2006/48/CE et abrogeant la directive 2000/46/CE. TITRE 2 Modifi cations de la loi du 21 décembre 2009 relative au statut des établissements de paiement, à l’accès à l’activité de prestataire de services de paiement et à l’accès aux systèmes de paiement Art. 3 L’intitulé de la loi du 21 décembre 2009 relative au statut des établissements de paiement, à l’accès à l’activité de prestataire de services de paiement et à l’accès aux systèmes de paiement est remplacé par ce qui suit: “Loi du 21 décembre 2009 relative au statut des établis- sements de paiement et des établissements de monnaie électronique, à l’accès à l’activité de prestataire de services de paiement, à l’activité d’émission de monnaie électronique et à l’accès aux systèmes de paiement”. Art. 4 Dans la même loi, l’intitulé du Titre 1er est remplacé par ce qui suit: “Livre 1er - Objet — Champ d’application - Défi nitions”. VOORONTWERP VAN WET (I) onderworpen aan het advies van de Raad van State Voorontwerp van wet tot wijziging van de wet van 21 december 2009 betreffende het statuut van de betalingsinstellingen, de toegang tot het bedrijf van betalingsdienstaanbieder en de toegang tot betalingssystemen, en van andere wetgeving die betrekking heeft op het statuut van de betalingsinstellingen en van de instellingen voor elektronisch geld TITEL 1 Algemene bepalingen Artikel 1 Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 78 van de Grondwet. Art. 2 Deze wet voorziet in de omzetting van Richtlijn 2009/110/ EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 septem- ber 2009 betreffende de toegang tot, de uitoefening van en het prudentieel toezicht op de werkzaamheden van instellin- gen voor elektronisch geld, tot wijziging van de Richtlijnen 2005/60/EG en 2006/48/EG en tot intrekking van Richtlijn 2000/46/EG. TITEL 2 Wijzigingen in de wet van 21 december 2009 betreffende het statuut van de betalingsinstellingen, de toegang tot het bedrijf van betalingsdienstaanbieder en de toegang tot betalingssystemen Art. 3 Het opschrift van de wet van 21 december 2009 betref- fende het statuut van de betalingsinstellingen, de toegang tot het bedrijf van betalingsdienstaanbieder en de toegang tot betalingssystemen wordt vervangen als volgt: “Wet van 21 december 2009 op het statuut van de beta- lingsinstellingen en van de instellingen voor elektronisch geld, de toegang tot het bedrijf van betalingsdienstaanbieder en tot de activiteit van uitgifte van elektronisch geld en de toegang tot betalingssystemen”. Art. 4 In dezelfde wet wordt het opschrift van Titel 1 vervangen als volgt: “BOEK 1 - Doel — Toepassingsgebied - Defi nities”. 2432/001 DOC 53 DOC 53 62 2431/001 DOC 53 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 3 e L É G I S L A T U R E K AMER 3e Z ITTING VAN DE 53e Z ITTING S P E RIO DE 2011 2012 Art. 5 Dans l’article 2 de la même loi, les modifi cations suivantes sont apportées: 1° dans l’alinéa 1er, les mots “La présente loi” sont rempla- cés par les mots “Le Livre 2 de la présente loi”; 2° l’article 2 est complété par un alinéa rédigé comme suit: “Le Livre 3 de la présente loi transpose la Directive 2009/110/CE du Parlement européen et du Conseil du 16 septembre 2009 concernant l’accès à l’activité des établis- sements de monnaie électronique et son exercice ainsi que la surveillance prudentielle de ces établissements, modifi ant les directives 2005/60/CE et 2006/48/CE et abrogeant la directive 2000/46/CE.” Art. 6 Dans l’article 3 de la même loi, les modifi cations suivantes sont apportées: 1° dans l’alinéa 1er, les mots “La présente loi” sont rempla- cés par les mots “Le Livre 2 de la présente loi”; 2° l’article 3 est complété par un alinéa rédigé comme suit: “Le Livre 3 de la présente loi règle l’activité d’émission de monnaie électronique, le statut des établissements de monnaie électronique, ainsi que le contrôle du respect des dispositions de la présente loi et des arrêtés et règlements pris pour son exécution.” Art. 7 Dans l’article 4 de la même loi, les modifi cations suivantes sont apportées: a) dans le 11°, les mots “au sens de l’article 3, § 1er, 7° de la loi bancaire” sont remplacés par les mots “au sens de l’article 4, 33° de la présente loi”; b) l’article est complété par les 29° à 37° rédigés comme suit: “29° Directive 2009/110/CE: la Directive 2009/110/CE du Parlement européen et du Conseil du 16 septembre 2009 concernant l’accès à l’activité des établissements de monnaie électronique et son exercice ainsi que la surveillance pruden- tielle de ces établissements, modifi ant les directives 2005/60/ CE et 2006/48/CE et abrogeant la directive 2000/46/CE; 30° loi du 10 décembre 2009: la loi du 10 décembre 2009 relative aux services de paiement; 31° établissement de monnaie électronique: un émetteur de monnaie électronique visé au Livre 3 , Titre 2; Art. 5 In artikel 2 van dezelfde wet worden de volgende wijzigin- gen aangebracht: 1° in het eerste lid worden de woorden “Deze wet” ver- vangen door de woorden “Boek 2 van deze wet”; 2° artikel 2 wordt aangevuld met een lid, luidende: “Boek 3 van deze wet voorziet in de omzetting van Richtlijn 2009/110/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 september 2009 betreffende de toegang tot, de uitoefe- ning van en het prudentieel toezicht op de werkzaamheden van instellingen voor elektronisch geld, tot wijziging van de Richtlijnen 2005/60/EG en 2006/48/EG en tot intrekking van Richtlijn 2000/46/EG.” Art. 6 In artikel 3 van dezelfde wet worden de volgende wijzigin- gen aangebracht: 1° in het eerste lid worden de woorden “Deze wet” ver- vangen door de woorden “Boek 2 van deze wet”; 2° artikel 3 wordt aangevuld met een lid, luidende: “Boek 3 van deze wet regelt de activiteit van uitgifte van elektronisch geld, het statuut van instelling voor elektronisch geld, alsook het toezicht op de naleving van de bepalingen van deze wet en de ter uitvoering ervan genomen besluiten en reglementen.” Art. 7 In artikel 4 van dezelfde wet worden de volgende wijzigin- gen aangebracht: a) in de bepaling onder 11° worden de woorden “in de zin van artikel 3, § 1, 7°, van de bankwet” vervangen door de woorden “in de zin van artikel 4, 33°, van deze wet”; c) het artikel wordt aangevuld met de bepalingen onder 29° tot 37°, luidende: “29° Richtlijn 2009/110/EG: Richtlijn 2009/110/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 september 2009 betreffende de toegang tot, de uitoefening van en het pru- dentieel toezicht op de werkzaamheden van instellingen voor elektronisch geld, tot wijziging van de Richtlijnen 2005/60/EG en 2006/48/EG en tot intrekking van Richtlijn 2000/46/EG; 30° wet van 10 december 2009: de wet van 10 decem- ber 2009 betreffende de betalingsdiensten; 31° instelling voor elektronisch geld: een uitgever van elektronisch geld als bedoeld in Boek 3, Titel 2; 2432/001 DOC 53 63 2431/001 DOC 53 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 3 e L É G I S L A T U R E K AMER 3e Z ITTING VAN DE 53e Z ITTING S P E RIO DE 2011 2012 32° émetteurs de monnaie électronique: les établissements et autres entités visés à l’article 59, dont l’activité consiste à émettre de la monnaie électronique, ainsi que les personnes morales qui bénéfi cient d’une exemption au titre de l’article 105; 33° monnaie électronique: une valeur monétaire qui est stockée sous une forme électronique, y compris magnétique, représentant une créance sur l’émetteur, qui est émise contre la remise de fonds aux fi ns d’opérations de paiement au sens de l’article 4, 2° de la présente loi et qui est acceptée par une personne physique ou morale autre que l’émetteur de monnaie électronique; 34° détenteur de monnaie électronique: une personne physique ou morale qui remet des fonds à un émetteur de monnaie électronique en échange de l’émission de monnaie électronique par cet émetteur; 35° moyenne de la monnaie électronique en circulation: la moyenne du montant total des engagements fi nanciers liés à la monnaie électronique émise à la fi n de chaque jour calendaire pour les six mois calendaires précédents, calculée sur le premier jour calendaire de chaque mois calendaire et appliquée pour le mois calendaire en question; 36° distributeur: une personne physique ou morale qui distribue et/ou rembourse de la monnaie électronique pour le compte d’un établissement de monnaie électronique confor- mément à l’article 76; 37° FSMA: l’Autorité des services et marchés fi nanciers visée à l’article 44 de la loi du 2 août 2002 relative à la sur- veillance du secteur fi nancier et aux services fi nanciers.”. Art. 8 Dans la même loi, il est inséré un Livre 2, comportant les articles 5 à 58, intitulé “Livre 2. — Statut des établissements de paiement et accès à l’activité de prestataire de services de paiement et aux systèmes de paiement” Art. 9 Dans le Livre 2 de la même loi, inséré par l’article 8 de la présente loi, il est inséré un Titre 1er, comportant l’article 5, intitulé “TITRE 1er. — Prestataires de services de paiement” Art. 10 L’article 5 de la même loi est remplacé par ce qui suit: “Art. 5. Sans préjudice des dispositions régissant le statut des établissements ou autorités énoncés ci-après, seuls sont autorisés à fournir des services de paiement en Belgique: 1° les établissements de crédit de droit belge, les établis- sements de crédit relevant du droit d’un autre État membre de 32° uitgevers van elektronisch geld: de instellingen en andere entiteiten bedoeld in artikel 59, waarvan de werk- zaamheden bestaan in het uitgeven van elektronisch geld, en de rechtspersonen die vrijgesteld zijn op grond van artikel 105; 33° elektronisch geld: een elektronische, met inbegrip van magnetische, opgeslagen monetaire waarde vertegenwoor- digd door een vordering op de uitgever, die is uitgegeven in ruil voor ontvangen geld om betalingstransacties te verrichten in de zin van artikel 4, 2°, van deze wet, en die wordt aanvaard door een andere natuurlijke of rechtspersoon dan de uitgever van elektronisch geld; 34° houder van elektronisch geld: een natuurlijke of rechtspersoon die geld overhandigt aan een uitgever van elektronisch geld in ruil voor de uitgifte van elektronisch geld door die uitgever; 35° gemiddeld uitstaand elektronisch geld: het gemid- delde totale bedrag van de met elektronisch geld verband houdende fi nanciële verplichtingen dat op het einde van elke kalenderdag in omloop is gedurende de zes voorafgaande kalendermaanden, berekend op de eerste kalenderdag van elke kalendermaand en toegepast voor die kalendermaand; 36° distributeur: een natuurlijke of rechtspersoon die voor rekening van een instelling voor elektronisch geld elektronisch geld overmaakt en/of terugbetaalt overeenkomstig artikel 76; 37° FSMA: de Autoriteit voor Financiële Diensten en Mark- ten bedoeld in artikel 44 van de wet van 2 augustus 2002 betreffende het toezicht op de fi nanciële sector en de fi nan- ciële diensten.”. Art. 8 In dezelfde wet wordt een Boek 2 ingevoegd, dat de artikelen 5 tot 58 bevat, luidende “Boek 2 — Statuut van de betalingsinstellingen, toegang tot het bedrijf van betalings- dienstaanbieder en toegang tot betalingssystemen”. Art. 9 In Boek 2 van dezelfde wet, ingevoegd bij artikel 8 van deze wet, wordt een Titel 1 ingevoegd, die artikel 5 bevat, luidende “TITEL 1. — Betalingsdienstaanbieders”. Art. 10 Artikel 5 van dezelfde wet wordt vervangen als volgt: “Art. 5. Onverminderd de bepalingen betreffende hun statuut, mogen alleen de hiernavolgende instellingen of overheden betalingsdiensten aanbieden in België: 1° kredietinstellingen naar Belgisch recht, kredietinstellin- gen die ressorteren onder het recht van een andere lidstaat 2432/001 DOC 53 64 2431/001 DOC 53 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 3 e L É G I S L A T U R E K AMER 3e Z ITTING VAN DE 53e Z ITTING S P E RIO DE 2011 2012 l’EEE, habilités à fournir des services de paiement dans leur État d’origine, et opérant en Belgique en vertu des articles 65 ou 66 de la loi bancaire, ainsi que les succursales d’éta- blissements de crédit relevant du droit d’un État non membre de l’EEE, établies en Belgique conformément à l’article 79 de la loi bancaire; 2° les établissements de monnaie électronique de droit belge, les établissements de monnaie électronique relevant du droit d’un autre État membre de l’EEE et opérant en Belgique en vertu de l’article 91 de la présente loi, ainsi que, pour les services de paiement nécessaires à leur activité d’émission de monnaie électronique, les succursales d’établissements de monnaie électronique relevant du droit d’un État non membre de l’EEE, établies en Belgique conformément à l’article 98 de la présente loi; 3° la société anonyme de droit public bpost; 4° la Banque nationale de Belgique et la Banque Centrale Européenne, lorsqu’elles n’agissent pas en qualité d’autorité monétaire ou autre autorité publique; 5° les autorités fédérales, régionales, communautaires et locales belges, lorsqu’elles n’agissent pas en qualité d’autorité publique; 6° les établissements de paiement visés au Titre 2, en ce compris les personnes morales bénéfi ciant d’une exemption, totale ou partielle, conformément à l’article 48.”. Art. 11 Dans l’article 6 de la même loi, les modifi cations suivantes sont apportées: 1° l’alinéa 1er est remplacé par ce qui suit: “Toute personne morale de droit belge qui entend fournir des services de paiement en Belgique en qualité d’établis- sement de paiement, est tenue, avant de commencer ses opérations, de se faire agréer auprès de la Banque, quels que soient les autres lieux d’exercice de ses activités.”; 2° l’article est complété par un alinéa rédigé comme suit: “Seuls les établissements de paiement établis en Belgique et les établissements de paiement relevant du droit d’un autre État membre de l’EEE opérant en Belgique sous le régime de la libre prestation de services en vertu de l’article 39 de la présente loi sont autorisés à faire usage public en Belgique des termes “établissement de paiement”, notamment dans leur dénomination sociale, dans la désignation de leur objet social, dans leurs titres, effets ou documents ou dans leur publicité.”. Art. 12 Dans l’article 7 de la même loi, les modifi cations suivantes sont apportées: van de EER, die gemachtigd zijn om in hun land van herkomst betalingsdiensten aan te bieden en die in België werkzaam zijn op grond van de artikelen 65 of 66 van de bankwet, en bijkantoren van kredietinstellingen die ressorteren onder het recht van een staat die geen lid is van de EER, die in België zijn gevestigd overeenkomstig artikel 79 van de bankwet; 2° instellingen voor elektronisch geld naar Belgisch recht, instellingen voor elektronisch geld die ressorteren onder het recht van een andere lidstaat van de EER en die in België werkzaam zijn op grond van artikel 91 van deze wet, en, voor de betalingsdiensten die voor hun activiteit van uitgifte van elektronisch geld vereist zijn, bijkantoren van instellingen voor elektronisch geld die ressorteren onder het recht van een staat die geen lid is van de EER, die in België zijn gevestigd overeenkomstig artikel 98 van deze wet; 3° de naamloze vennootschap van publiek recht bpost; 4° de Nationale Bank van België en de Europese Centrale Bank, wanneer zij niet handelen in hun hoedanigheid van monetaire of andere publieke autoriteit; 5° de Belgische federale, gewestelijke en lokale overheden en de overheden van de gemeenschappen in België, wanneer zij niet handelen in hun hoedanigheid van publieke autoriteit; 6° de betalingsinstellingen bedoeld in Titel 2, met inbe- grip van de rechtspersonen die geheel of gedeeltelijk zijn vrijgesteld op grond van artikel 48.”. Art. 11 In artikel 6 van dezelfde wet worden de volgende wijzigin- gen aangebracht: 1° het eerste lid wordt vervangen als volgt: “Iedere rechtspersoon naar Belgisch recht die in België betalingsdiensten wil aanbieden als betalingsinstelling, moet, vooraleer zij haar werkzaamheden aanvat, een vergunning verkrijgen van de Bank, ongeacht de overige plaatsen waar zij haar werkzaamheden uitoefent.”; 2° het artikel wordt aangevuld met een lid, luidende: “In België mogen alleen betalingsinstellingen die in België zijn gevestigd en betalingsinstellingen die ressorteren onder het recht van een andere lidstaat van de EER en die in België werkzaam zijn in het kader van het vrij verrichten van diensten op grond van artikel 39 van deze wet, publiekelijk gebruik maken van de termen “betalingsinstelling”, inzonderheid in hun naam, in de opgave van hun doel, in hun effecten, waarden, stukken of in hun reclame.”. Art. 12 In artikel 7 van dezelfde wet worden de volgende wijzigin- gen aangebracht: 2432/001 DOC 53 65 2431/001 DOC 53 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 3 e L É G I S L A T U R E K AMER 3e Z ITTING VAN DE 53e Z ITTING S P E RIO DE 2011 2012 1° dans le 4°, les mots “pour les établissements de paie- ment qui exercent, en sus des services de paiement, d’autres activités au sens de l’article 21,” sont abrogés. 2° le 12° est abrogé. Art. 13 Dans l’article 8, alinéa 1er de la même loi, les mots “, pour autant qu’elle parvienne à une évaluation globalement favo- rable” sont abrogés. Art. 14 Dans l’article 11, alinéa 2 de la même loi, le mot “cumula- tives” est abrogé. Art. 15 Dans l’article 14 de la même loi, les modifi cations suivantes sont apportées: 1° dans le paragraphe 3, un alinéa rédigé comme suit est inséré entre les alinéas 3 et 4: “Ils prennent les mesures nécessaires pour pouvoir disposer en permanence d’une fonction de compliance indépendante adéquate, destinée à assurer le respect, par l’établissement, ses administrateurs, ses dirigeants effectifs, ses salariés et ses mandataires, des règles de droit relatives à l’intégrité de l’activité des établissements de paiement.”; 2° dans le paragraphe 4, les mots “et fonction de gestion des risques adéquate” sont remplacés par les mots “, fonction de gestion des risques adéquate et fonction de compliance indépendante adéquate”; 3° dans le paragraphe 5, alinéa 1, les mots “des para- graphes 1er, 2 et 3” sont remplacés par les mots “des para- graphes 1er, 2 et 3 et de l’article 23, alinéa 1er, f)”. 4° dans le paragraphe 5, alinéa 2, les mots “des para- graphes 1er, 2 et 3 et de l’alinéa 1er du présent paragraphe” sont remplacés par les mots “des paragraphes 1er, 2 et 3 du présent article, de l’alinéa 1er du présent paragraphe et de l’article 23, alinéa 1er, f)” 5° dans le paragraphe 5, alinéa 2 et dans le paragraphe 6, les mots “, le cas échéant par l’intermédiaire du comité d’audit,” sont chaque fois abrogés. Art. 16 Dans l’article 21 de la même loi, les modifi cations suivantes sont apportées: 1° Le paragraphe 1er est remplacé par ce qui suit: 1° in de bepaling onder 4° worden de woorden “voor de betalingsinstellingen die naast betalingsdiensten andere wer- kzaamheden verrichten in de zin van artikel 21,” geschrapt. 2° de bepaling onder 12° wordt opgeheven. Art. 13 In artikel 8, eerste lid, van dezelfde wet, worden de woorden “, en voor zover zij over de gehele lijn tot een positief oordeel komt” geschrapt. Art. 14 In artikel 11, tweede lid van dezelfde wet wordt het woord “cumulatief” geschrapt. Art. 15 In artikel 14 van dezelfde wet worden de volgende wijzi- gingen aangebracht: 1° in paragraaf 3 wordt tussen het derde en het vierde lid een lid ingevoegd, luidende: “Zij neemt de nodige maatregelen om blijvend te kunnen beschikken over een passende onafhankelijke compliance- functie, om de naleving door de instelling, haar bestuurders, effectieve leiding, werknemers en gevolmachtigden te verze- keren van de rechtsregels in verband met de integriteit van de werkzaamheden van de betalingsinstellingen.”; 2° in paragraaf 4 worden de woorden “en een passende risicobeheerfunctie” vervangen door de woorden “, een passende risicobeheerfunctie en een passende onafhanke- lijke compliancefunctie”; 3° In paragraaf 5, eerste lid, worden de woorden “bij de paragrafen 1, 2 en 3” vervangen door de woorden “bij de paragrafen 1, 2 en 3 en artikel 23, eerste lid, f)”. 4° In paragraaf 5, tweede lid, worden de woorden “bij de paragrafen 1, 2 en 3 en het eerste lid van deze paragraaf” vervangen door de woorden “bij de paragrafen 1, 2 en 3 van dit artikel, het eerste lid van deze paragraaf en artikel 23, eerste lid, f)”. 5° in paragraaf 5, tweede lid en in paragraaf 6 woorden de woorden “, in voorkomend geval via het auditcomité,” geschrapt. Art. 16 In artikel 21 van dezelfde wet worden de volgende wijzi- gingen aangebracht: 1° Paragraaf 1 wordt vervangen als volgt: 2432/001 DOC 53 66 2431/001 DOC 53 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 3 e L É G I S L A T U R E K AMER 3e Z ITTING VAN DE 53e Z ITTING S P E RIO DE 2011 2012 “Les établissements de paiement sont habilités à exercer des activités autres que les services de paiement, moyennant l’autorisation préalable de la Banque. Sans préjudice de l’article 25, dernier alinéa, si la Banque autorise un établissement de paiement à exécuter des activités autres que des services de paiement, elle peut, en vue d’une gestion saine et prudente et d’une maîtrise des risques appropriée par l’établissement de paiement, ou pour les besoins d’un contrôle prudentiel adapté dudit établisse- ment, subordonner à certaines conditions complémentaires l’exercice d’activités autres que les services de paiement ou les activités visées au paragraphe 2. En outre, la Banque peut exiger que l’exercice des services de paiement soit logée dans une entité juridique distincte de l’entité exerçant d’autres activités.”. 2° Dans la version néerlandaise, au paragraphe 2, 2°, les mots “het exploiteren van betalingssystemen” sont remplacés par les mots “het beheer van betalingssystemen”. 3° Dans le paragraphe 4, alinéa 2, et dans le paragraphe 5, les mots “au sens de l’article 3, 7°, de la loi bancaire” sont chaque fois abrogés. 4° Dans le paragraphe 6, alinéa 1, les mots “sauf auto- risation de” sont remplacés par les mots “sauf autorisation préalable de”. 5° Dans le paragraphe 6, alinéa 2, les mots “et d’exploita- tion de systèmes de paiement” sont remplacés par les mots “et de gestion de systèmes de paiement”. Art. 17 Dans l’article 22, paragraphe 1er, alinéa 1er de la même loi, les modifi cations suivantes sont apportées: 1° les mots “Lorsqu’un établissement de paiement exerce des activités autres que les services de paiement et les ser- vices visés à l’article 21, § 2, 1°, les fonds qui ont été reçus” sont remplacés par les mots “Les fonds reçus par un établis- sement de paiement”; 2° au point c), les mots “pour un montant qui est égal au montant qui serait aliéné en l’absence d’une assurance, d’une garantie ou d’une caution”, sont remplacés par les mots “pour un montant qui aurait été affecté en application du point b)”. 3° L’article est complété par un paragraphe 4 rédigé comme suit: “Betalingsinstellingen mogen andere werkzaamheden dan betalingsdiensten verrichten, mits hiervoor voorafgaandelijk toestemming is verleend door de Bank. Indien de Bank erin toestemt dat een betalingsinstelling andere werkzaamheden dan betalingsdiensten verricht, kan zij, onverminderd artikel 25, laatste lid en gelet op de noodzaak van een gezond en voorzichtig beleid en een passende risico- beheersing door de betalingsinstelling of op de vereiste van een passend prudentieel toezicht op deze instelling, de uitoe- fening van andere werkzaamheden dan betalingsdiensten of de in paragraaf 2 bedoelde werkzaamheden aan aanvullende voorwaarden onderwerpen. Bovendien kan de Bank eisen dat het betalingsdiensten- bedrijf ondergebracht wordt in een afzonderlijke juridische entiteit, afgescheiden van deze die andere werkzaamheden uitoefent.”. 2° In de Nederlandse versie van paragraaf 2, 2°, worden de woorden “het exploiteren van betalingssystemen” vervangen door de woorden “het beheer van betalingssystemen”. 3° In paragraaf 4, tweede lid en in paragraaf 5 worden de woorden “in de zin van artikel 3, 7°, van de bankwet” telkens geschrapt. 4° In de Franse versie van paragraaf 6, eerste lid, worden de woorden “sauf autorisation de” vervangen door de woorden “sauf autorisation préalable de”. 5° In paragraaf 6, tweede lid, worden de woorden “en exploiteren van betalingsystemen” vervangen door de woor- den “en het beheer van betalingssystemen”. Art. 17 In artikel 22, paragraaf 1, eerste lid van dezelfde wet, wor- den de volgende wijzigingen aangebracht: 1° de woorden “Wanneer een betalingsinstelling andere werkzaamheden verricht dan betalingsdiensten en de bij artikel 21, § 2, 1°, bedoelde diensten, dienen de geldmid- delen die zij van betalingsdienstgebruikers rechtstreeks of via andere betalingsdienstaanbieders voor de uitvoering van betalingstransacties ontvangt” worden vervangen door de woorden “De geldmiddelen die een betalingsinstelling rechtstreeks of via andere betalingsdienstaanbieders van betalingsdienstgebruikers ontvangt voor de uitvoering van betalingstransacties, dienen” 2° in punt c) worden de woorden “voor een bedrag dat gelijk is aan het bedrag dat afgescheiden zou zijn bij afwezigheid van een verzekering, garantie of waarborg” vervangen door de woorden “voor een bedrag dat besteed geweest zou zijn met toepassing van punt b)”. 3° Het artikel wordt aangevuld met een paragraaf 4, luidende: 2432/001 DOC 53 67 2431/001 DOC 53 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 3 e L É G I S L A T U R E K AMER 3e Z ITTING VAN DE 53e Z ITTING S P E RIO DE 2011 2012 “Sans préjudice des pouvoirs dévolus à l’organe légal d’administration en ce qui concerne la détermination de la politique générale, tels que prévus par le Code des sociétés, les personnes chargées de la direction effective de l’établis- sement de paiement, le cas échéant le comité de direction, prennent, sous la surveillance de l’organe légal d’adminis- tration, les mesures nécessaires pour assurer le respect des paragraphes 1er et 2. L’organe légal d’administration de l’établissement de paie- ment doit contrôler au moins une fois par an si l’établissement se conforme aux dispositions des paragraphes 1er et 2 et de l’alinéa 1er du présent paragraphe, et prend connaissance des mesures adéquates prises. Les personnes chargées de la direction effective, le cas échéant le comité de direction, font rapport au moins une fois par an à l’organe légal d’administration, à la Banque et au commissaire agréé sur le respect des dispositions de l’alinéa 1er du présent paragraphe et sur les mesures adé- quates prises. Ces informations sont transmises à la Banque et au com- missaire agréé selon les modalités que la Banque détermine.”. Art. 18 À l’article 28, alinéa 4 de la même loi, les mots “aux articles 144 et 148 du Code des sociétés” sont remplacés par les mots “à l’article 33, alinéa 1er, 2°”. Art. 19 À l’article 33, alinéa 1er, 1° de la même loi, tel que remplacé par la loi du 28 juillet 2011, les mots “conformément à l’article 14, § 3, alinéa 1er” sont remplacés par les mots “conformément aux articles 14, § 3, alinéa 1er et 23, alinéa 1er, f)”. Art. 20 Dans l’article 35 de la même loi, les modifi cations suivantes sont apportées: a) le paragraphe 1er est remplacé par ce qui suit: “§ 1er. Lorsque la Banque constate qu’un établissement de paiement ne fonctionne pas en conformité avec les disposi- tions de la présente loi et des arrêtés et règlements pris pour son exécution, que sa gestion ou sa situation fi nancière sont de nature à mettre en cause la bonne fi n de ses engagements ou n’offrent pas des garanties suffisantes sur le plan de sa sol- vabilité, de sa liquidité ou de sa rentabilité, que ses structures de gestion, son organisation administrative ou comptable, son réseau d’agents ou de succursales, ou son contrôle interne présentent des lacunes graves, ou que la poursuite de ses activités représente une menace pour la stabilité du système de paiement, elle fi xe le délai dans lequel il doit être remédié à la situation constatée. “Onverminderd de bevoegdheden van het wettelijke bes- tuursorgaan inzake vaststelling van het algemeen beleid als bepaald bij het Wetboek van Vennootschappen, nemen de personen belast met de effectieve leiding van de betaling- sinstelling, in voorkomend geval het directiecomité, onder toe- zicht van het wettelijke bestuursorgaan de nodige maatregelen voor de naleving van het bepaalde bij de paragrafen 1 en 2. Het wettelijke bestuursorgaan van de betalingsinstel- ling dient minstens jaarlijks te controleren of de instelling beantwoordt aan het bepaalde bij de paragrafen 1 en 2 en het eerste lid van deze paragraaf, en neemt kennis van de genomen passende maatregelen. De personen belast met de effectieve leiding, in voorko- mend geval het directiecomité, lichten minstens jaarlijks het wettelijke bestuursorgaan, de Bank en de erkende commissa- ris in over de naleving van het bepaalde bij het eerste lid van deze paragraaf en over de genomen passende maatregelen. De informatieverstrekking aan de Bank en de erkende commissaris gebeurt volgens de modaliteiten die de Bank bepaalt.”. Art. 18 In artikel 28, vierde lid van dezelfde wet, worden de woorden “in de artikelen 144 en 148 van het Wetboek van Vennootschappen”, vervangen door de woorden “in artikel 33, eerste lid, 2°”. Art. 19 In artikel 33, eerste lid, 1° van dezelfde wet, vervangen bij de wet van 28 juli 2011, worden de woorden “overeenkomstig artikel 14, § 3, eerste lid” vervangen door de woorden “ove- reenkomstig de artikelen 14, § 3, eerste lid en 23, eerste lid, f)”. Art. 20 In artikel 35 van dezelfde wet worden de volgende wijzi- gingen aangebracht: a) paragraaf 1 wordt vervangen als volgt: “§ 1. Wanneer de Bank vaststelt dat een betalingsinstelling niet werkt overeenkomstig de bepalingen van deze wet en de ter uitvoering ervan genomen besluiten en reglementen, dat haar beleid of fi nanciële positie de goede afl oop van haar verbintenissen in het gedrang dreigt te brengen of niet vol- doende waarborgen biedt voor haar solvabiliteit, liquiditeit of rendabiliteit, dat haar beleidsstructuren, haar administratieve of boekhoudkundige organisatie, haar agenten- of bijkantoren- net, of haar interne controle ernstige leemten vertoont, of dat de voortzetting van haar bedrijf een bedreiging vormt voor de stabiliteit van het betalingssysteem, stelt zij de termijn vast waarbinnen deze toestand moet worden verholpen. 2432/001 DOC 53 68 2431/001 DOC 53 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 3 e L É G I S L A T U R E K AMER 3e Z ITTING VAN DE 53e Z ITTING S P E RIO DE 2011 2012 Si, au terme de ce délai, il n’a pas été remédié à la situa- tion, la Banque peut: 1° désigner un commissaire spécial. Dans ce cas, l’autorisation écrite, générale ou spéciale de celui-ci est requise pour tous les actes et décisions de tous les organes de l’établissement, y compris l’assemblée générale, et pour ceux des personnes chargées de la ges- tion; la Banque peut toutefois limiter le champ des opérations soumises à autorisation. Le commissaire spécial peut soumettre à la délibération de tous les organes de l’établissement, y compris l’assem- blée générale, toutes propositions qu’il juge opportunes. La rémunération du commissaire spécial est fi xée par la Banque et supportée par l’établissement. Les membres des organes d’administration et de gestion et les personnes chargées de la gestion qui accomplissent des actes ou prennent des décisions sans avoir recueilli l’autorisation requise du commissaire spécial sont respon- sables solidairement du préjudice qui en est résulté pour l’établissement ou les tiers. Si la Banque a publié au Moniteur belge la désignation du commissaire spécial et spécifi é les actes et décisions soumis à son autorisation, les actes et décisions intervenus sans cette autorisation alors qu’elle était requise sont nuls, à moins que le commissaire spécial ne les ratifi e. Dans les mêmes conditions toute décision d’assemblée générale prise sans avoir recueilli l’autorisation requise du commissaire spécial est nulle, à moins que le commissaire spécial ne la ratifi e. La Banque peut désigner un commissaire suppléant. 2° suspendre pour la durée qu’elle détermine l’exercice direct ou indirect de tout ou partie de l’activité de l’établisse- ment de paiement ou interdire cet exercice; cette suspension peut, dans la mesure déterminée par la Banque, impliquer la suspension totale ou partielle de l’exécution des contrats en cours. Les membres des organes d’administration et de gestion et les personnes chargées de la gestion qui accomplissent des actes ou prennent des décisions en violation de la sus- pension sont responsables solidairement du préjudice qui en est résulté pour l’établissement de paiement ou les tiers. Si la Banque a publié la suspension au Moniteur belge, les actes et décisions intervenus à l’encontre de celle-ci sont nuls. La Banque peut, de même, enjoindre à un établissement de paiement de céder des participations qu’il détient, le cas échéant, conformément à l’article 21, § 6; 3° imposer, en matière de solvabilité, des exigences plus strictes que celles visées à l’article 17; Indien de toestand na deze termijn niet is verholpen, kan de Bank: 1° een speciaal commissaris aanstellen. In dit geval is voor alle handelingen en beslissingen van alle organen van de instelling, inclusief de algemene vergadering, alsook voor die van de personen die instaan voor het beleid, zijn schriftelijke, algemene of bijzondere toestemming vereist; de Bank kan de verrichtingen waarvoor een toestemming is vereist evenwel beperken. De speciaal commissaris mag elk voorstel dat hij nuttig acht, voorleggen aan alle organen van de instelling, inclusief de algemene vergadering. De bezoldiging van de speciaal commissaris wordt vastgesteld door de Bank en gedragen door de instelling. De leden van de bestuurs- en beleidsorganen en de per- sonen die instaan voor het beleid, die handelingen stellen of beslissingen nemen zonder de vereiste toestemming van de speciaal commissaris, zijn hoofdelijk aansprakelijk voor het nadeel dat hieruit voor de instelling of voor derden voortvloeit. Indien de Bank de aanstelling van een speciaal commis- saris in het Belgisch Staatsblad heeft bekendgemaakt, met opgave van de handelingen en beslissingen waarvoor zijn toestemming is vereist, zijn alle handelingen en beslissingen zonder deze vereiste toestemming nietig, tenzij de speciaal commissaris die bekrachtigt. Onder dezelfde voorwaarden zijn alle beslissingen van de algemene vergadering zonder de vereiste toestemming van de speciaal commissaris nietig, tenzij hij die bekrachtigt. De Bank kan een plaatsvervangend commissaris aanstel- len. 2° voor de termijn die zij bepaalt, de rechtstreekse of onrechtstreekse uitoefening van het bedrijf van de betaling- sinstelling geheel of ten dele schorsen dan wel verbieden; deze schorsing kan, in de door de Bank bepaalde mate, de volledige of gedeeltelijke schorsing van de uitvoering van de lopende overeenkomsten tot gevolg hebben. De leden van de bestuurs- en beleidsorganen en de per- sonen die instaan voor het beleid, die handelingen stellen of beslissingen nemen ondanks de schorsing, zijn hoofdelijk aansprakelijk voor het nadeel dat hieruit voor de betaling- sinstelling of voor derden voortvloeit. Indien de Bank de schorsing in het Belgisch Staatsblad heeft bekendgemaakt, zijn alle hiermee strijdige handelingen en beslissingen nietig. De Bank kan een betalingsinstelling tevens gelasten deelnemingen over te dragen die zij in voorkomend geval bezit overeenkomstig artikel 21, § 6; 3° inzake solvabiliteit, strengere vereisten opleggen dan deze bedoeld in artikel 17; 2432/001 DOC 53 69 2431/001 DOC 53 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 3 e L É G I S L A T U R E K AMER 3e Z ITTING VAN DE 53e Z ITTING S P E RIO DE 2011 2012 4° enjoindre le remplacement des administrateurs ou gérants de l’établissement de paiement dans un délai qu’elle détermine et, à défaut d’un tel remplacement dans ce délai, substituer à l’ensemble des organes d’administration et de gestion de l’établissement un ou plusieurs administrateurs ou gérants provisoires qui disposent, seuls ou collégialement selon le cas, des pouvoirs des personnes remplacées. La Banque publie sa décision au Moniteur belge. La rémunération du ou des administrateurs ou gérants provisoires est fi xée par la Banque et supportée par l’établis- sement de paiement. La Banque peut, à tout moment, remplacer le ou les administrateurs ou gérants provisoires, soit d’office, soit à la demande d’une majorité des actionnaires ou associés lorsqu’ils justifi ent que la gestion des intéressés ne présente plus les garanties nécessaires; 5° révoquer l’agrément. La Banque rend publique, sur son site internet, toute décision de révocation d’un agrément. En cas d’extrême urgence, la Banque peut adopter les mesures visées au présent paragraphe sans qu’un délai de redressement ne soit préalablement fi xé. b) dans le paragraphe 3, alinéa 1er, les mots “paragraphe 1er, alinéas 1er et 2, 1°” sont remplacés par les mots “paragraphe 1er, alinéas 1er et 2, 2°”. Art. 21 Dans la même loi, l’article 40, dont le texte actuel formera le paragraphe 1er, est complété par un paragraphe 2 rédigé comme suit: “§ 2. Les dirigeants de la succursale font rapport au moins une fois par an à la Banque et au réviseur agréé ou à la société de réviseurs agréée sur l’adéquation des mesures de contrôle interne adoptées par les succursales en vue de se conformer aux dispositions applicables en vertu du paragraphe 1er.”. Art. 22 L’article 48 de la même loi est remplacé par ce qui suit: “§ 1er. La Banque peut exempter de l’application de tout ou partie des dispositions du présent Livre et de ses arrêtés d’exécution les personnes morales: 1° dont le montant total moyen, pour les douze mois pré- cédents, des opérations de paiement exécutées par elles, ou par tout agent dont elles assument l’entière responsabilité, ne dépasse pas 3 000 000 euros sur un mois. Ce critère est évalué par rapport au montant total prévu des opérations 4° de vervanging gelasten van bestuurders of zaakvoerders van de betalingsinstelling binnen een termijn die zij bepaalt en, zo binnen deze termijn geen vervanging geschiedt, in de plaats van de voltallige bestuurs- en beleidsorganen van de instelling een of meer voorlopige bestuurders of zaakvoerders aanstellen die alleen of collegiaal, naargelang van het geval, de bevoegdheden hebben van de vervangen personen. De Bank maakt haar beslissing bekend in het Belgisch Staats- blad. De bezoldiging van de voorlopige bestuurder(s) of zaakvoerder(s) wordt vastgesteld door de Bank en gedragen door de betalingsinstelling. De Bank kan op elk tijdstip de voorlopige bestuurder(s) of zaakvoerder(s) vervangen, hetzij ambtshalve, hetzij op verzoek van een meerderheid van aandeelhouders of venno- ten, wanneer zij aantonen dat het beleid van de betrokkenen niet meer de nodige waarborgen biedt; 5° de vergunning herroepen. De Bank maakt alle beslis- singen tot herroeping van een vergunning bekend op haar website. Bij uiterste hoogdringendheid kan de Bank de in deze paragraaf bedoelde maatregelen nemen zonder dat vooraf een hersteltermijn wordt vastgesteld. b) in paragraaf 3, eerste lid, worden de woorden “paragraaf 1, eerste en tweede lid, 1°” vervangen door de woorden “para- graaf 1, eerste lid en tweede lid, 2°”. Art. 21 In dezelfde wet wordt artikel 40, waarvan de bestaande tekst paragraaf 1 zal vormen, aangevuld met een paragraaf 2, luidende: “§ 2. De leiders van het bijkantoor brengen minstens eenmaal per jaar verslag uit aan de Bank en aan de erkende revisor of de erkende revisorenvennootschap, over de deugdelijkheid van de internecontrolemaatregelen die de bijkantoren hebben getroffen om zich te conformeren aan de bepalingen die krachtens paragraaf 1 van toepassing zijn.”. Art. 22 Artikel 48 van dezelfde wet wordt vervangen als volgt: “§ 1. De Bank kan geheel of gedeeltelijk vrijstelling verlenen van de toepassing van de bepalingen van dit Boek en zijn uitvoeringsbesluiten aan rechtspersonen: 1° waarvoor geldt dat het gemiddelde van het totale bedrag aan betalingstransacties die zij of de agenten waarvoor zij volledig aansprakelijk zijn, in de voorafgaande twaalf maan- den hebben verricht, niet hoger is dan 3 000 000 euro per maand. Dit criterium wordt beoordeeld op basis van het in het 2432/001 DOC 53 70 2431/001 DOC 53 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 3 e L É G I S L A T U R E K AMER 3e Z ITTING VAN DE 53e Z ITTING S P E RIO DE 2011 2012 de paiement dans leur plan d’affaires, et sous réserve d’un éventuel ajustement de ce plan exigé par la Banque; et 2° dont aucune des personnes physiques responsables de la gestion ou de l’exercice de l’activité n’a été condamnée pour des infractions liées au blanchiment de capitaux, au fi nancement du terrorisme ou visées à l’article 19, § 1er, 1° et 2° de la loi bancaire. La Banque ne peut exempter ces personnes morales de l’application des articles 21 et 22 de la présente loi. § 2. Les personnes morales visées au paragraphe 1er, qui sont exemptées, sont inscrites au registre visé à l’article 9. L’article 9 s’applique par analogie à ces personnes morales en ce qui concerne les informations fournies sur le site internet de la Banque et leur actualisation régulière. Sans préjudice du paragraphe 1er, dernier alinéa, le site internet mentionne que ces personnes morales bénéfi cient d’une exemption, totale ou partielle, en application du présent article. § 3. Les personnes morales bénéfi ciant d’une exemption accordée en vertu du paragraphe 1er: 1° doivent avoir leur administration centrale en Belgique, et exercer effectivement leurs activités de services de paiement sur le territoire belge; 2° ne bénéficient pas du régime de reconnaissance mutuelle prévu par l’article 39 de la présente loi; 3° informent la Banque de tout changement de leur situa- tion ayant une incidence sur les conditions énoncées au paragraphe 1er et rendent compte périodiquement à la Banque, du montant total moyen, pour les douze mois précédents, des opérations de paiement exécutées par elles, ou par tout agent dont elles assument l’entière responsabilité. La Banque détermine la fréquence de ce rapport. 4° appliquent les dispositions de la loi du 11 janvier 1993 relative à la prévention de l’utilisation du système fi nancier aux fi ns du blanchiment de capitaux et du fi nancement du terrorisme qui sont applicables aux établissements de paie- ment, et des arrêtés et règlements pris pour son exécution. § 4. Le Roi peut prévoir qu’une personne morale béné- fi ciant d’une exemption accordée en vertu du paragraphe 1er ne peut exercer que certaines des activités énumérées à l’article 21, §§ 1er à 3. § 5. Lorsque les conditions énoncées aux paragraphes 1er, et 3, 1° ne sont plus remplies, les personnes morales exemptées demandent l’agrément dans un délai de trente jours calendaires conformément aux articles 6 et suivants. Les établissements qui n’ont pas demandé l’agrément dans ce délai se voient interdire, conformément à l’article 5, de fournir des services de paiement en Belgique.”. bedrijfsplan begrote totale bedrag aan betalingstransacties, rekening houdend met de eventuele aanpassingen in dit plan die de Bank heeft verlangd; en 2° waarvoor geldt dat geen enkele van de met het beleid of de uitoefening van de werkzaamheden belaste natuurlijke personen veroordeeld is wegens strafbare feiten in verband met het witwassen van geld of terrorismefi nanciering,of zoals bedoeld in artikel 19, § 1er, 1° en 2° van de bankwet. De Bank kan deze rechtspersonen niet vrijstellen van de toepassing van artikelen 21 en 22 van deze wet. § 2. De rechtspersonen bedoeld in de eerste paragraaf die vrijgesteld zijn, worden ingeschreven in het register bedoeld in artikel 9. Artikel 9 is op deze rechtspersonen van overeen- komstige toepassing voor wat betreft de informatie die op de website van de Bank wordt verstrekt en de geregelde actuali- sering ervan. Onverminderd paragraaf 1, laatste lid, vermeldt de website dat deze rechtspersonen geheel of gedeeltelijk zijn vrijgesteld met toepassing van dit artikel. § 3. De rechtspersonen die vrijgesteld zijn op grond van paragraaf 1: 1° hebben hun hoofdkantoor in België en oefenen hun betalingsdienstactiviteiten daadwerkelijk op het Belgische grondgebied uit; 2° komen niet in aanmerking voor de regeling inzake wederzijdse erkenning vastgesteld in artikel 39 van deze wet; 3° stellen de Bank in kennis van elke verandering in hun situatie die relevant is voor de in paragraaf 1 gestelde voorwaarden en brengen periodiek verslag uit aan de Bank over het gemiddelde van het totale bedrag aan betalingstran- sacties die zij of de agenten waarvoor zij volledig aansprakelijk zijn, in de voorafgaande twaalf maanden hebben verricht. De Bank bepaalt de frequentie van deze rapportering. 4° passen de bepalingen toe van de wet van 11 januari 1993 tot voorkoming van het gebruik van het fi nanciële stelsel voor het witwassen van geld en de fi nanciering van terrorisme die gelden voor betalingsinstellingen, en van de ter uitvoering ervan genomen besluiten en reglementen. § 4. De Koning kan bepalen dat een rechtspersoon die vrijgesteld is op grond van paragraaf 1, alleen sommige van de in artikel 21, §§ 1 tot 3 opgesomde werkzaamheden mag uitoefenen. § 5. Wanneer de in de paragrafen 1 en 3, 1° gestelde voorwaarden niet langer vervuld zijn, vragen de vrijgestelde rechtspersonen binnen 30 kalenderdagen een vergunning aan overeenkomstig artikel 6 en volgende. Voor de instellingen die binnen deze termijn geen ver- gunning hebben aangevraagd, is het overeenkomstig artikel 5 verboden om in België betalingsdiensten aan te bieden.”. 2432/001 DOC 53 71 2431/001 DOC 53 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 3 e L É G I S L A T U R E K AMER 3e Z ITTING VAN DE 53e Z ITTING S P E RIO DE 2011 2012 Art. 23 Dans l’article 51 de la même loi, les modifi cations suivantes sont apportées: a) dans le 2°, les mots “, alinéas 1er et 2” sont abrogés; b) dans le 8°, les mots “conformément à l’article 35, § 1er, alinéa 2, 1°” sont remplacés par les mots “conformément à l’article 35, § 1er, alinéa 2, 2°”. Art. 24 Dans l’article 58 de la même loi, les mots “La présente loi” sont remplacés par les mots “Le présent Livre”. Art. 25 Dans la même loi, il est inséré un Livre 3, intitulé “LIVRE 3 — Accès à l’activité d’émission de monnaie électronique et statut des établissements de monnaie électronique”. Art. 26 Dans le Livre 3 de la même loi, inséré par l’article 25, il est inséré un Titre 1er, intitulé “Titre 1er. — Emetteurs de monnaie électronique”. Art. 27 Dans le Livre 3, Titre 1er de la même loi, inséré par l’article 26, il est inséré un article 59 rédigé comme suit: “Art. 59. Sans préjudice des dispositions régissant le sta- tut des établissements ou autorités énoncés ci-après, seuls peuvent exercer l’activité d’émission de monnaie électronique en Belgique: 1° les établissements de crédit de droit belge, les établis- sements de crédit relevant du droit d’un autre État membre de l’EEE, autorisés à émettre de la monnaie électronique dans leur État d’origine et opérant en Belgique en vertu des articles 65 ou 66 de la loi bancaire, les succursales d’établis- sements de crédit relevant du droit d’un État non membre de l’EEE, établies en Belgique conformément à l’article 79 de la loi bancaire; 2° les établissements de monnaie électronique de droit belge, les établissements de monnaie électronique relevant du droit d’un autre État membre de l’EEE et opérant en Bel- gique en vertu de l’article 91 de la présente loi, les succur- sales d’établissements de monnaie électronique relevant du droit d’un État non membre de l’EEE, établies en Belgique conformément à l’article 98 de la présente loi, ainsi que les personnes morales bénéfi ciant d’une exemption, conformé- ment à l’article 105; Art. 23 In artikel 51 van dezelfde wet worden de volgende wijzi- gingen aangebracht: a) in de bepaling onder 2° worden de woorden “eerste en tweede lid,” geschrapt; b) in de bepaling onder 8° worden de woorden “overeen- komstig artikel 35, § 1, tweede lid, 1°” vervangen door de woorden “overeenkomstig artikel 35, § 1, tweede lid, 2°”. Art. 24 In artikel 58 van dezelfde wet worden de woorden “Deze wet” vervangen door de woorden “Dit Boek”. Art. 25 In dezelfde wet wordt een Boek 3 ingevoegd, luidende “BOEK 3 — Toegang tot de activiteit van uitgifte van elektro- nisch geld en statuut van de instellingen voor elektronisch geld”. Art. 26 In Boek 3 van dezelfde wet, ingevoegd bij artikel 25, wordt een Titel 1 ingevoegd, luidende “Titel 1. — Uitgevers van elektronisch geld”. Art. 27 In Boek 3, Titel 1 van dezelfde wet, ingevoegd bij artikel 26, wordt een artikel 59 ingevoegd, luidende: “Art. 59. Onverminderd de bepalingen betreffende hun statuut, mogen alleen de hiernavolgende instellingen of overheden elektronisch geld uitgeven in België: 1° kredietinstellingen naar Belgisch recht, kredietinstellin- gen die ressorteren onder het recht van een andere lidstaat van de EER, die in hun land van herkomst elektronisch geld mogen uitgeven en die in België werkzaam zijn op grond van de artikelen 65 of 66 van de bankwet, en bijkantoren van kredietinstellingen die ressorteren onder het recht van een staat die geen lid is van de EER, die in België zijn gevestigd overeenkomstig artikel 79 van de bankwet; 2° instellingen voor elektronisch geld naar Belgisch recht, instellingen voor elektronisch geld die ressorteren onder het recht van een andere lidstaat van de EER en die in België werkzaam zijn op grond van artikel 91 van deze wet, bijkan- toren van instellingen voor elektronisch geld die ressorteren onder het recht van een staat die geen lid is van de EER, die in België zijn gevestigd overeenkomstig artikel 98 van deze wet, en rechtspersonen die zijn vrijgesteld op grond van artikel 105; 2432/001 DOC 53 72 2431/001 DOC 53 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 3 e L É G I S L A T U R E K AMER 3e Z ITTING VAN DE 53e Z ITTING S P E RIO DE 2011 2012 3° la société anonyme de droit public bpost; 4° la Banque nationale de Belgique et la Banque Centrale Européenne, lorsqu’elles n’agissent pas en qualité d’autorité monétaire ou autre autorité publique; 5° les autorités fédérales, régionales, communautaires et locales belges, lorsqu’elles agissent en qualité d’autorité publique.”. Art. 28 Dans le même Titre 1er, il est inséré un article 60 rédigé comme suit: “Art. 60. § 1er. La présente loi ne s’applique pas à la valeur monétaire stockée sur des instruments qui ne peuvent être utilisés, pour l’acquisition de biens ou de services, que dans les locaux utilisés par l’émetteur ou, dans le cadre d’un accord commercial avec l’émetteur, à l’intérieur d’un réseau limité de prestataires de services ou pour un éventail limité de biens ou de services. § 2. La présente loi ne s’applique pas à la valeur monétaire utilisée pour effectuer des opérations de paiement exécutées au moyen d’un appareil de télécommunication ou d’un autre dispositif numérique ou informatique, lorsque les biens ou les services achetés sont livrés et doivent être utilisés au moyen d’un appareil de télécommunication ou d’un dispositif numérique ou informatique, à condition que l’opérateur du système de télécommunication, numérique ou informatique n’agisse pas uniquement en qualité d’intermédiaire entre le détenteur de monnaie électronique et le fournisseur des biens ou services.”. Art. 29 Dans le Livre 3 de la même loi, inséré par l’article 25, il est inséré un Titre 2, intitulé “Titre 2. — Les établissements de monnaie électronique”. Art. 30 Dans le Livre 3, Titre 2 de la même loi, inséré par l’article 29, il est inséré un Chapitre 1er, intitulé: “Chapitre 1er. — Les établissements de monnaie électronique de droit belge”. Art. 31 Dans le Livre 3, Titre 2, Chapitre 1er de la même loi, inséré par l’article 30, il est inséré une section 1re intitulée “Section 1re — Exigence d’un agrément”. 3° de naamloze vennootschap van publiek recht bpost; 4° de Nationale Bank van België en de Europese Centrale Bank, wanneer zij niet handelen in hun hoedanigheid van monetaire of andere publieke autoriteit; 5° de Belgische federale, gewestelijke en lokale overheden en de overheden van de gemeenschappen in België, wanneer zij handelen in hun hoedanigheid van publieke autoriteit.”. Art. 28 In dezelfde Titel 1 wordt een artikel 60 ingevoegd, luidende: “Art. 60. § 1. Deze wet is niet van toepassing op de monetaire waarde die opgeslagen is op instrumenten die kunnen worden gebruikt om, louter in de door de uitgevende instelling gebruikte bedrijfsgebouwen of uit hoofde van een handelsovereenkomst met de uitgevende instelling, hetzij binnen een beperkt netwerk van dienstverleners hetzij voor een beperkte reeks goederen en diensten, goederen en diensten te verkrijgen. § 2. Deze wet is niet van toepassing op de monetaire waarde die gebruikt wordt om betalingstransacties te ver- richten die worden uitgevoerd via een telecommunicatie-, digitaal of IT-instrument, wanneer de gekochte goederen of diensten geleverd worden aan, en gebruikt moeten worden via, een telecommunicatie-, digitaal of IT-instrument, mits de telecommunicatie-, digitale of IT-exploitant niet uitsluitend als tussenpersoon optreedt tussen de houder van elektronisch geld en de leverancier van de goederen en diensten.”. Art. 29 In Boek 3 van dezelfde wet, ingevoegd bij artikel 25, wordt een Titel 2 ingevoegd, luidende “Titel 2. — Instellingen voor elektronisch geld”. Art. 30 In Boek 3, Titel 2 van dezelfde wet, ingevoegd bij artikel 29, wordt een Hoofdstuk 1 ingevoegd, luidende: “Hoofdstuk  1 — Instellingen voor elektronisch geld naar Belgisch recht”. Art. 31 In Boek 3, Titel 2, Hoofdstuk 1 van dezelfde wet, ingevoegd bij artikel 30, wordt een afdeling 1 ingevoegd, luidende “Afde- ling 1. — Vereiste van bedrijfsvergunning”. 2432/001 DOC 53 73 2431/001 DOC 53 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 3 e L É G I S L A T U R E K AMER 3e Z ITTING VAN DE 53e Z ITTING S P E RIO DE 2011 2012 Art. 32 Dans le Livre 3, Titre 2, Chapitre 1er, Section 1re de la même loi, insérée par l’article 28, il est inséré un article 61 rédigé comme suit: “Art. 61. Toute personne morale de droit belge qui entend émettre de la monnaie électronique en Belgique en qualité d’établissement de monnaie électronique, est tenue, avant de commencer ses opérations, de se faire agréer auprès de la Banque, quels que soient les autres lieux d’exercice de ses activités. Seuls les établissements de monnaie électronique de droit belge, les établissements de monnaie électronique relevant du droit d’un autre État membre de l’EEE opérant en Belgique en vertu de l’article 91 de la présente loi, ainsi que les suc- cursales d’établissements de monnaie électronique relevant du droit d’un État non membre de l’EEE, établies en Belgique conformément à l’article 98 de la présente loi sont autorisés à faire usage public en Belgique des termes “établissement de monnaie électronique”, notamment dans leur dénomination sociale, dans la désignation de leur objet social, dans leurs titres, effets ou documents ou dans leur publicité.”. Art. 33 Dans la même section 1re, il est inséré un article 62 rédigé comme suit: “Art. 62. § 1er. La demande d’agrément est accompagnée des renseignements suivants: 1° un programme d’activités indiquant les activités envi- sagées et, notamment, le cas échéant, les autres activités visées à l’article 77, §§ 1er et 2; 2° un plan d’affaires contenant notamment un programme fi nancier afférent aux trois premiers exercices, démontrant que le demandeur dispose, pour garantir une gestion saine en matière d’émission de monnaie électronique, de systèmes, de ressources et de procédures appropriés aux activités qu’il exerce ou entend exercer; 3° la preuve que le demandeur dispose du capital initial visé à l’article 66; 4° une description des mesures que l’établissement a prises conformément à l’article 78, § 1er pour protéger les fonds qui ont été reçus en échange de la monnaie électro- nique émise; 5° une description du dispositif établi par le demandeur sur le plan du gouvernement d’entreprise et des mécanismes de contrôle interne, en ce compris les procédures applicables en matière d’organisation administrative et comptable et de gestion des risques, qui démontre le respect de l’article 69, §§ 1er à 3; Art. 32 In Boek III, Titel 2, Hoofdstuk 1, Afdeling 1 van dezelfde wet, ingevoegd bij artikel 28, wordt een artikel 61 ingevoegd, luidende: “Art. 61. Iedere rechtspersoon naar Belgisch recht die in België elektronisch geld wil uitgeven als instelling voor elektronisch geld, moet, vooraleer hij zijn werkzaamheden aanvat, een vergunning verkrijgen van de Bank, ongeacht op welke andere plaatsen hij zijn werkzaamheden uitoefent. In België mogen alleen instellingen voor elektronisch geld naar Belgisch recht, instellingen voor elektronisch geld die ressorteren onder het recht van een andere lidstaat van de EER en die in België werkzaam zijn op grond van artikel 91 van deze wet, evenals bijkantoren van instellingen voor elektronisch geld die ressorteren onder het recht van een staat die geen lid is van de EER, die in België zijn gevestigd overeenkomstig artikel 98 van deze wet, publiekelijk gebruik maken van de termen “instelling voor elektronisch geld”, inzonderheid in hun naam, in de opgave van hun doel, in hun effecten, waarden, stukken of in hun reclame.”. Art. 33 In dezelfde afdeling 1 wordt een artikel 62 ingevoegd, luidende: “Art. 62. § 1. Bij zijn vergunningsaanvraag voegt de aan- vrager de volgende gegevens: 1° een programma van werkzaamheden, met opgave van de voorgenomen werkzaamheden en, met name, in voor- komend geval, de in artikel 77, §§ 1 en 2, bedoelde andere werkzaamheden; 2° een bedrijfsplan met inbegrip van een fi nanciële planning voor de eerste drie boekjaren, die aantoont dat de aanvrager beschikt over de voor zijn werkzaamheden en voorgenomen werkzaamheden passende systemen, middelen en proce- dures om een gezond beleid inzake de uitgifte van elektro- nisch geld te garanderen; 3° het bewijs dat de aanvrager beschikt over het in artikel 66 bedoelde aanvangskapitaal; 4° een beschrijving van de maatregelen die de instel- ling overeenkomstig artikel 78, § 1 heeft genomen voor de bescherming van geldmiddelen die zijn ontvangen in ruil voor elektronisch geld dat is uitgegeven; 5° een beschrijving van de door de aanvrager genomen maatregelen op het vlak van goed bestuur en internecontro- lemechanismen, met inbegrip van de van toepassing zijnde procedures inzake administratieve en boekhoudkundige organisatie en risicobeheer, waaruit de naleving blijkt van artikel 69, §§ 1 tot 3; 2432/001 DOC 53 74 2431/001 DOC 53 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 3 e L É G I S L A T U R E K AMER 3e Z ITTING VAN DE 53e Z ITTING S P E RIO DE 2011 2012 6° une description des mécanismes de contrôle interne que le demandeur a mis en place pour se conformer, le cas échéant, aux obligations prévues dans le Règlement (CE) n° 1781/2006 du Parlement européen et du Conseil du 15 no- vembre 2006 relatif aux informations concernant le donneur d’ordre accompagnant les virements de fonds ainsi qu’à la loi du 11 janvier 1993 relative à la prévention de l’utilisation du système fi nancier aux fi ns du blanchiment de capitaux et du fi nancement du terrorisme; 7° une description de l’organisation structurelle du deman- deur, y compris, le cas échéant, une description du projet de recours à des distributeurs, des agents et à des succursales et une description des accords d’externalisation, ainsi que de sa participation à un système de paiement national ou international; 8° l’identité des personnes physiques ou morales détenant directement ou indirectement une participation qualifi ée au sens de l’article 3, § 1er, 3° de la loi bancaire dans le capital du demandeur, la taille de leur participation en fractions du capital et en droits de vote, ainsi que la preuve de leurs quali- tés, nécessaires au regard du besoin de garantir une gestion saine et prudente de l’établissement de monnaie électronique; Les droits de vote sont calculés conformément aux dispo- sitions de la loi du 2 mai 2007 relative à la publicité des par- ticipations importantes dans des émetteurs dont les actions sont admises à la négociation sur un marché réglementé et portant des dispositions diverses, et conformément aux dispositions de ses arrêtés d’exécution; 9° l’identité des personnes qui participent à l’administration ou à la gestion de l’établissement de monnaie électronique, ainsi que des personnes qui participent à la direction effective de l’activité d’émission de monnaie électronique, et le cas échéant de services de paiement, dans l’établissement de monnaie électronique et la preuve de leur honorabilité pro- fessionnelle, de leur expertise et de leur expérience adéquate au sens de l’article 68; 10° l’identité du ou des commissaire(s)-réviseur(s); 11° la forme juridique et les statuts du demandeur; 12° l’adresse de l’administration centrale du demandeur. Aux fi ns de l’alinéa 1er, 4°, 5° et 7°, le demandeur fournit une description des dispositions en matière d’audit interne et d’organisation qu’il a arrêtées en vue de prendre toute mesure raisonnable pour protéger les intérêts des détenteurs de monnaie électronique et le cas échéant, des utilisateurs de services de paiement et garantir la continuité et la fi abilité de son activité d’émission de monnaie électronique, et le cas échéant, de fourniture de services de paiement. Le demandeur doit fournir à la Banque, à la demande de celle-ci, tout renseignement complémentaire devant permettre 6° een beschrijving van de internecontrolemechanismen die de aanvrager heeft opgezet om te voldoen, in voorko- mend geval, aan de verplichtingen bepaald bij Verordening (EG) nr. 1781/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 15 november 2006 betreffende bij geldovermakingen te voegen informatie over de betaler en aan het bepaalde bij de wet van 11 januari 1993 tot voorkoming van het gebruik van het fi nanciële stelsel voor het witwassen van geld en de fi nanciering van terrorisme; 7° een beschrijving van de organisatiestructuur van de aanvrager, met in voorkomend geval een beschrijving van het voorgenomen gebruik van distributeurs, agenten en bijkantoren en van de regelingen voor uitbesteding, alsmede van zijn deelname aan een nationaal of internationaal beta- lingssysteem; 8° de identiteit van natuurlijke of rechtspersonen die, rechtstreeks of onrechtstreeks, in het kapitaal van de aanvra- ger, een gekwalifi ceerde deelneming bezitten in de zin van artikel 3, § 1, 3° van de bankwet, alsmede de omvang van hun deelneming in kapitaalfracties en stemrechten, en het bewijs van hun geschiktheid, gelet op de noodzaak van een gezond en voorzichtig beleid van de instelling voor elektronisch geld; De stemrechten worden berekend conform de bepalin- gen van de wet van 2 mei 2007 op de openbaarmaking van belangrijke deelnemingen in emittenten waarvan aandelen zijn toegelaten tot de verhandeling op een gereglementeerde markt en houdende diverse bepalingen, alsook conform de bepalingen van haar uitvoeringsbesluiten; 9° de identiteit van de personen die deelnemen aan het bestuur of het beleid van de instelling voor elektronisch geld, en van de personen die deelnemen aan de effectieve leiding van de activiteit van uitgifte van elektronisch geld, en, in voorkomend geval, van het betalingsdienstenbedrijf, in een instelling voor elektronisch geld, alsmede het bewijs van hun professionele betrouwbaarheid, deskundigheid en passende ervaring in de zin van artikel 68; 10° de identiteit van de commissaris-revisor of commis- sarissen-revisoren; 11° de rechtsvorm en de statuten van de aanvrager; 12° het adres van hoofdbestuur van de aanvrager. Voor de toepassing van het eerste lid, 4°, 5° en 7°, geeft de aanvrager een beschrijving van de regelingen inzake interne audit en organisatie die hij heeft getroffen met het oog op het nemen van alle redelijke maatregelen om de belangen van de houders van elektronisch geld, en, in voorkomend geval, van de betalingsdienstgebruikers te beschermen en de continuïteit en betrouwbaarheid bij de uitgifte van elektronisch geld en, in voorkomend geval, bij het verrichten van betalingsdiensten, te garanderen. De aanvrager verstrekt de Bank op haar verzoek alle ver- dere inlichtingen zodat de Bank kan nagaan of de aanvrager 2432/001 DOC 53 75 2431/001 DOC 53 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 3 e L É G I S L A T U R E K AMER 3e Z ITTING VAN DE 53e Z ITTING S P E RIO DE 2011 2012 à la Banque de vérifi er si le demandeur répond aux conditions visées aux alinéas 1er et 2 et lui permettre de procéder à une évaluation appropriée. § 2. La Banque se prononce sur la demande d’agrément sur avis de la FSMA pour ce qui est de l’honorabilité pro- fessionnelle des personnes physiques qui sont appelées à prendre part à l’administration, la gestion ou la direction effective de l’établissement de monnaie électronique, si ces personnes sont proposées pour la première fois pour une telle fonction dans une entreprise fi nancière contrôlée par la Banque par application de l’article 36/2 de la loi du 22 février 1998. La FSMA communique son avis à la Banque dans un délai d’une semaine à compter de la réception de la demande d’avis. À défaut d’avis rendu par la FSMA dans ledit délai, la Banque peut prendre une décision.”. Art. 34 Dans la même section 1re, il est inséré un article 63 rédigé comme suit: “Art. 63. La Banque octroie l’agrément demandé aux établissements qui répondent aux conditions de l’article 62 et de la section 2. Dans les trois mois qui suivent la présentation du dossier complet, la Banque se prononce sur la demande et porte sa décision à la connaissance du demandeur par lettre recom- mandée à la poste ou avec accusé de réception. La Banque peut, au regard du besoin de garantir une gestion saine et prudente de l’établissement, subordonner l’agrément à des conditions relatives à l’exercice de certaines des activités envisagées.”. Art. 35 Dans la même section 1re, il est inséré un article 64 rédigé comme suit: “Art. 64. Les établissements agréés au titre d’établisse- ment de monnaie électronique en vertu du présent chapitre, sont inscrits sur une liste tenue à cet effet par la Banque. La Banque publie sur son site internet la liste des établissements de monnaie électronique auxquels elle a octroyé l’agrément. La Banque veille à actualiser régulièrement les informations fournies sur son site internet. La liste visée à l’alinéa 1er indique pour chaque établisse- ment de monnaie électronique au moins les renseignements suivants: — le cas échéant, les services de paiement dont la pres- tation est envisagée; — l’adresse de ses succursales à l’étranger et l’identité de ses agents, tels que visés aux articles 75 et 76, § 3 res- pectivement.”. voldoet aan de voorwaarden bedoeld in het eerste en tweede lid en zich een passend oordeel kan vormen. § 2. De Bank beslist over de vergunningsaanvraag, na advies van de FSMA voor wat betreft de professionele betrouwbaarheid van de natuurlijke personen die deelnemen aan het bestuur, het beleid of de effectieve leiding van de instelling voor elektronisch geld, indien zij voor het eerst voor een dergelijke functie worden voorgedragen bij een fi nanciële instelling die met toepassing van artikel 36/2 van de wet van 22 februari 1998 onder het toezicht staat van de Bank. De FSMA deelt haar advies mee aan de Bank binnen een termijn van een week na ontvangst van het verzoek om advies. Indien de FSMA geen advies verstrekt binnen de genoemde termijn, kan de Bank een beslissing nemen.”. Art. 34 In dezelfde afdeling 1 wordt een artikel 63 ingevoegd, luidende: “Art. 63. De Bank verleent de aangevraagde vergunning aan de instellingen die voldoen aan de voorwaarden van artikel 62 en afdeling 2. Binnen drie maanden na voorlegging van een volledig dossier spreekt de Bank zich uit over de aanvraag en brengt zij haar beslissing ter kennis van de aanvrager met een aan- getekende brief of een brief met ontvangstbewijs. De Bank kan, gelet op de noodzaak van een gezond en voorzichtig beleid van de instelling, in haar vergunning voorwaarden stellen aan de uitoefening van bepaalde van de voorgenomen werkzaamheden.”. Art. 35 In dezelfde afdeling 1 wordt een artikel 64 ingevoegd, luidende: “Art. 64. De instellingen die krachtens dit hoofdstuk een vergunning hebben verkregen als instelling voor elektronisch geld, worden ingeschreven op een daartoe door de Bank bi- jgehouden lijst. De Bank maakt de lijst van de instellingen voor elektronisch geld waaraan zij een vergunning heeft verleend, bekend op haar website. De Bank zorgt voor een geregelde actualisering van de op haar website verstrekte informatie. De in het eerste lid bedoelde lijst vermeldt voor iedere instelling voor elektronisch geld minstens de volgende infor- matie: — in voorkomend geval, de voorgenomen betalingsdiens- ten; — het adres van haar buitenlandse bijkantoren en de identiteit van haar agenten bedoeld in, respectievelijk, de artikelen 75 en 76, § 3.”. 2432/001 DOC 53 76 2431/001 DOC 53 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 3 e L É G I S L A T U R E K AMER 3e Z ITTING VAN DE 53e Z ITTING S P E RIO DE 2011 2012 Art. 36 Dans le Livre 3, Titre 2, Chapitre 1er de la même loi, inséré par l’article 30, il est inséré une section 2 intitulée “Section 2 - Conditions d’agrément”. Art. 37 Dans le Livre 3, Titre 2, Chapitre 1er, Section 2 de la même loi, insérée par l’article 36, il est inséré un article 65, rédigé comme suit: “Art. 65. Les établissements de monnaie électronique de droit belge doivent être constitués sous la forme de société commerciale, à l’exception de la forme de société privée à responsabilité limitée constituée par une seule personne.”. Art. 38 Dans la même section 2, il est inséré un article 66 rédigé comme suit: “Art. 66. Tout établissement de monnaie électronique doit, au moment de l’agrément, disposer d’un capital de 350 000 euros au moins. Pour le calcul du capital initial visé à l’alinéa 1er, les éléments suivants sont pris en compte: le capital libéré, les primes d’émission, les réserves et le résultat reporté, à l’exclusion le cas échéant des actions préférentielles et des réserves de réévaluation, et après déduction des pertes reportées et du goodwill.”. Art. 39 Dans la même section 2, il est inséré un article 67 rédigé comme suit: “Art. 67. L’agrément est refusé si la Banque a des raisons de considérer que les personnes physiques ou morales visées à l’article 62, alinéa 1er, 8°, ne présentent pas les qualités nécessaires au regard du besoin de garantir une gestion saine et prudente de l’établissement de monnaie électronique.”. Art. 40 Dans la même section 2, il est inséré un article 68 rédigé comme suit: “Art. 68. § 1er. La direction effective de l’établissement de monnaie électronique doit être confi ée à deux personnes physiques au moins. Les personnes qui participent à l’administration ou à la gestion de l’établissement de monnaie électronique, ainsi que les personnes qui participent à la direction effective de l’activité d’émission de monnaie électronique et le cas Art. 36 In Boek 3, Titel 2, Hoofdstuk 1 van dezelfde wet, ingevoegd bij artikel 30, wordt een afdeling 2 ingevoegd, luidende “Afde- ling 2 - Bedrijfsvergunningsvoorwaarden”. Art. 37 In Boek 3, Titel 2, Hoofdstuk 1, Afdeling 2 van dezelfde wet, ingevoegd bij artikel 36, wordt een artikel 65 ingevoegd, luidende: “Art. 65. Iedere instelling voor elektronisch geld naar Belgisch recht wordt opgericht in de rechtsvorm van een handelsvennootschap, met uitzondering van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid die is opgericht door één enkele persoon.”. Art. 38 In dezelfde afdeling 2 wordt een artikel 66 ingevoegd, luidende: “Art. 66. Elke instelling voor elektronisch geld beschikt op het tijdstip waarop de vergunning wordt verleend, over een kapitaal van minstens 350 000 euro. Voor de berekening van het in het eerste lid bedoelde aanvangskapitaal komen de volgende bestanddelen in aan- merking: het volstort kapitaal, de uitgiftepremies, de reserves en het overgedragen resultaat, met uitsluiting in voorkomend geval van de preferente aandelen en de herwaarderingsre- serves, en na aftrek van overgedragen verliezen en goodwill.”’. Art. 39 In dezelfde afdeling 2 wordt een artikel 67 ingevoegd, luidende: “Art. 67. De vergunning wordt geweigerd wanneer de Bank, gelet op de noodzaak van een gezond en voorzichtig beleid van de instelling voor elektronisch geld, niet overtuigd is van de geschiktheid van de natuurlijke of rechtspersonen bedoeld in artikel 62, eerste lid, 8°.”. Art. 40 In dezelfde afdeling 2 wordt een artikel 68 ingevoegd, luidende: “Art. 68. § 1. De effectieve leiding van de instelling voor elektronisch geld wordt toevertrouwd aan ten minste twee natuurlijke personen De personen die deelnemen aan het bestuur of het beleid van de instelling voor elektronisch geld, en de personen die deelnemen aan de effectieve leiding van de activiteit van uitgifte van elektronisch geld, en in voorkomend geval, van 2432/001 DOC 53 77 2431/001 DOC 53 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 3 e L É G I S L A T U R E K AMER 3e Z ITTING VAN DE 53e Z ITTING S P E RIO DE 2011 2012 échéant, de services de paiement au sein de l’établissement de monnaie électronique doivent disposer de l’honorabilité professionnelle, de l’expertise et de l’expérience adéquate nécessaires pour assumer leurs tâches en matière d’émis- sion de monnaie électronique et le cas échéant de services de paiement. § 2. L’article 19 de la loi bancaire est d’application.”. Art. 41 Dans la même section 2, il est inséré un article 69 rédigé comme suit: “Art. 69. § 1er. Les établissements de monnaie électronique doivent disposer d’une structure de gestion, d’une organisa- tion administrative et comptable, de mécanismes de contrôle et de sécurité dans le domaine informatique et d’un contrôle interne, appropriés aux activités d’émission de monnaie électronique, de services de paiement et aux activités visées à l’article 77, § 2, 2°, qu’ils exercent ou entendent exercer. Ils tiennent compte à cet égard de la nature, du volume et de la complexité de ces activités, ainsi que des risques y afférents. § 2. Les établissements de monnaie électronique doivent disposer d’une structure de gestion adéquate, se composant notamment des éléments suivants: une structure organisa- tionnelle cohérente et transparente, prévoyant une sépara- tion adéquate des fonctions; un dispositif d’attribution des responsabilités qui est bien défi ni, transparent et cohérent; et des procédures adéquates d’identifi cation, de mesure, de gestion, de suivi et de reporting interne des risques importants encourus par l’établissement de monnaie électronique en raison des activités qu’il exerce ou entend exercer. § 3. Les établissements de monnaie électronique doivent organiser un contrôle interne adéquat, dont le fonctionnement est évalué au moins une fois par an. En ce qui concerne leur organisation administrative et comptable, ils doivent orga- niser un système de contrôle interne qui procure un degré de certitude raisonnable quant à la fi abilité du processus de reporting fi nancier, de manière à ce que les comptes annuels soient conformes à la réglementation comptable en vigueur. Les établissements de monnaie électronique prennent les mesures nécessaires pour pouvoir disposer en permanence d’une fonction d’audit interne indépendante adéquate. Les établissements de monnaie électronique élaborent une politique d’intégrité adéquate, qui est actualisée régu- lièrement. Ils prennent les mesures nécessaires pour pouvoir disposer en permanence d’une fonction de compliance indépendante adéquate, destinée à assurer le respect, par l’établissement, ses administrateurs, ses dirigeants effectifs, ses salariés et het betalingsdienstenbedrijf binnen een instelling voor elektro- nisch geld, beschikken voor de uitoefening van hun taken inzake uitgifte van elektronisch geld en betalingsdiensten over de vereiste professionele betrouwbaarheid, deskundigheid en passende ervaring. § 2. Artikel 19 van de bankwet is van toepassing.”. Art. 41 In dezelfde afdeling 2 wordt een artikel 69 ingevoegd, luidende: “Art. 69. § 1. De instelling voor elektronisch geld beschikt over een beleidsstructuur, administratieve en boekhoudkun- dige organisatie, controle- en beveiligingsmaatregelen met betrekking tot de elektronische informatieverwerking, en interne controle, die aangepast zijn aan haar werkzaamhe- den of voorgenomen werkzaamheden inzake de uitgifte van elektronisch geld en betalingsdiensten en aan haar werk- zaamheden of voorgenomen werkzaamheden bedoeld in artikel 77, § 2, 2°. Zij houdt daarbij rekening met de aard, de omvang en de complexiteit van deze werkzaamheden en de eraan verbon- den risico’s. § 2. De instelling voor elektronisch geld beschikt over een passende beleidsstructuur, waaronder inzonderheid dient te worden verstaan: een coherente en transparante organisa- tiestructuur, met inbegrip van een passende functiescheiding; een duidelijk omschreven, transparant en samenhangend geheel van verantwoordelijkheidstoewijzingen; en passende procedures voor de identifi catie, de meting, het beheer en de opvolging van en de interne verslaggeving over de belangrijke risico’s die de instelling voor elektronisch geld loopt ingevolge haar werkzaamheden of voorgenomen werkzaamheden. § 3. De instelling voor elektronisch geld organiseert een passende interne controle, waarvan de werking minstens eenmaal per jaar wordt beoordeeld. Wat haar administratieve en boekhoudkundige organisatie betreft, dient zij een systeem van interne controle te organiseren dat een redelijke mate van zekerheid verschaft over de betrouwbaarheid van het fi nanciële verslaggevingsproces, zodat de jaarrekening in ove- reenstemming is met de geldende boekhoudreglementering. De instelling voor elektronisch geld neemt de nodige maatregelen om blijvend te kunnen beschikken over een passende onafhankelijke interneauditfunctie. De instelling voor elektronisch geld werkt een passend integriteitsbeleid uit dat geregeld wordt geactualiseerd. Zij neemt de nodige maatregelen om blijvend te kunnen beschikken over een passende onafhankelijke compliance- functie, om de naleving door de instelling, haar bestuurders, effectieve leiding, werknemers en gevolmachtigden te verze- 2432/001 DOC 53 78 2431/001 DOC 53 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 3 e L É G I S L A T U R E K AMER 3e Z ITTING VAN DE 53e Z ITTING S P E RIO DE 2011 2012 ses mandataires, des règles de droit relatives à l’intégrité de l’activité des établissements de monnaie électronique. Les établissements de monnaie électronique doivent dis- poser d’une fonction de gestion des risques indépendante adéquate. § 4. La Banque peut, sans préjudice des dispositions des paragraphes 1er, 2 et 3, préciser ce qu’il y a lieu d’entendre par structure de gestion adéquate, contrôle interne adéquat, fonction d’audit interne indépendante adéquate, politique d’intégrité adéquate, fonction de gestion des risques adéquate et fonction de compliance indépendante adéquate. § 5. Sans préjudice des pouvoirs dévolus à l’organe légal d’administration en ce qui concerne la détermination de la politique générale, tels que prévus par le Code des sociétés, les personnes chargées de la direction effective de l’établis- sement de monnaie électronique, le cas échéant le comité de direction, prennent, sous la surveillance de l’organe légal d’administration, les mesures nécessaires pour assurer le res- pect des paragraphes 1er, 2 et 3 et de l’article 79, alinéa 1er, f). L’organe légal d’administration de l’établissement de monnaie électronique doit contrôler au moins une fois par an si l’établissement se conforme aux dispositions des paragraphes 1er, 2 et 3 du présent article, de l’alinéa 1er du présent paragraphe et de l’article 79, alinéa 1er, f), et prend connaissance des mesures adéquates prises. Les personnes chargées de la direction effective, le cas échéant le comité de direction, font rapport au moins une fois par an à l’organe légal d’administration, à la Banque et au commissaire agréé sur le respect des dispositions de l’alinéa 1er du présent paragraphe et sur les mesures adé- quates prises. Ces informations sont transmises à la Banque et au com- missaire agréé selon les modalités que la Banque détermine. § 6. Le commissaire agréé adresse en temps utile à l’organe légal d’administration, un rapport sur les questions importantes apparues dans l’exercice de sa mission légale de contrôle, et en particulier sur les lacunes graves consta- tées dans le processus de reporting fi nancier concernant les activités d’émission de monnaie électronique, de services de paiement et les activités visées à l’article 77, § 2, 2°. § 7. S’il existe des liens étroits entre l’établissement de monnaie électronique et d’autres personnes physiques ou morales, ces liens ne peuvent entraver l’exercice du contrôle prudentiel de l’établissement de monnaie électronique. Si l’établissement de monnaie électronique a des liens étroits avec une personne physique ou morale relevant du droit d’un État non membre de l’EEE, les dispositions légis- latives, réglementaires et administratives applicables à cette personne ou leur mise en œuvre ne peuvent entraver l’exer- cice du contrôle prudentiel de l’établissement de monnaie électronique.”. keren van de rechtsregels in verband met de integriteit van de werkzaamheden van de instellingen voor elektronisch geld. De instelling voor elektronisch geld beschikt over een passende onafhankelijke risicobeheerfunctie. § 4. De Bank kan, onverminderd het bepaalde bij de para- grafen 1, 2 en 3, nader bepalen wat moet worden verstaan onder een passende beleidsstructuur, een passende interne controle, een passende onafhankelijke interneauditfunctie, een passend integriteitsbeleid, een passende risicobeheer- functie en een passende onafhankelijke compliancefunctie. § 5. Onverminderd de bevoegdheden van het wettelijk bestuursorgaan inzake de vaststelling van het algemeen beleid als bepaald bij het Wetboek van Vennootschappen, nemen de personen belast met de effectieve leiding van de instelling voor elektronisch geld, in voorkomend geval het directiecomité, onder toezicht van het wettelijk bestuursorgaan de nodige maatregelen voor de naleving van het bepaalde bij de paragrafen 1, 2 en 3 en artikel 79, eerste lid, f). Het wettelijk bestuursorgaan van de instelling voor elektro- nisch geld controleert minstens eenmaal per jaar of de instel- ling beantwoordt aan het bepaalde bij de paragrafen 1, 2 en 3 van dit artikel, het eerste lid van deze paragraaf en artikel 79, eerste lid, f) en neemt kennis van de genomen passende maatregelen. De personen belast met de effectieve leiding, in voorko- mend geval het directiecomité, lichten minstens eenmaal per jaar het wettelijk bestuursorgaan, de Bank en de erkende commissaris in over de naleving van het bepaalde bij het eerste lid van deze paragraaf en over de genomen passende maatregelen. De informatieverstrekking aan de Bank en de erkende com- missaris gebeurt volgens de modaliteiten die de Bank bepaalt. § 6. De erkende commissaris brengt bij het wettelijk bes- tuursorgaan tijdig verslag uit over de belangrijke zaken die bij de uitoefening van zijn wettelijke controleopdracht aan het licht zijn gekomen, en meer bepaald over ernstige tekortkomingen in het fi nanciële verslaggevingsproces met betrekking tot de werkzaamheden inzake de uitgifte van elektronisch geld en betalingsdiensten en de werkzaamheden bedoeld in artikel 77, § 2, 2°. § 7. Als de instelling voor elektronisch geld nauwe banden heeft met andere natuurlijke of rechtspersonen, mogen die banden geen belemmering vormen voor het prudentieel toe- zicht op de instelling voor elektronisch geld. Als de instelling voor elektronisch geld nauwe banden heeft met een natuurlijke of rechtspersoon die ressorteert onder het recht van een staat die geen lid is van de EER, mogen de voor die persoon geldende wettelijke, reglementaire en bestuursrechtelijke bepalingen of hun uitvoering, geen belem- mering vormen voor het prudentieel toezicht op de instelling voor elektronisch geld.”. 2432/001 DOC 53 79 2431/001 DOC 53 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 3 e L É G I S L A T U R E K AMER 3e Z ITTING VAN DE 53e Z ITTING S P E RIO DE 2011 2012 Art. 42 Dans la même section 2, il est inséré un article 70 rédigé comme suit: “Art. 70. L’administration centrale de l’établissement de monnaie électronique doit être fi xée en Belgique.”. Art. 43 Dans le Livre 3, Titre 2, Chapitre 1er de la même loi, inséré par l’article 30, il est inséré une section 3 intitulée “Section 3 — Conditions d’exercice de l’activité”. Art. 44 Dans le Livre 3, Titre 2, Chapitre 1er, Section 3 de la même loi, insérée par l’article 43, il est inséré un article 71 rédigé comme suit: “Art. 71. Les établissements de monnaie électronique sont tenus de satisfaire à tout moment aux conditions prévues aux articles 65, 68, 69 et 70. Lorsque les renseignements fournis pour les besoins de la demande d’agrément en vertu de l’article 62 subissent des modifi cations, l’établissement de monnaie électronique en informe sans tarder la Banque.”. Art. 45 Dans la même section 3, il est inséré un article 72 rédigé comme suit: “Art. 72. § 1er. Les fonds propres d’un établissement de monnaie électronique ne peuvent à aucun moment devenir inférieurs au montant du capital requis en application de l’article 66. § 2. La Banque détermine, conformément aux dispositions de la Directive 2009/110/CE, par voie de règlement, les obli- gations en matière de solvabilité qui doivent être respectées par tous les établissements de monnaie électronique ou par catégorie d’établissements de monnaie électronique tant en ce qui concerne leur activité d’émission de monnaie électro- nique, qu’en ce qui concerne leurs activités visées à l’article 77, § 2, 1°, qui ne sont pas liées à l’émission de monnaie électronique. En ce qui concerne ces activités, le règlement peut prévoir différentes méthodes pour calculer les obligations à respecter en matière de solvabilité et la Banque est autorisée à préciser quelle méthode est applicable à un ou plusieurs établissements de monnaie électronique ou à une ou plusieurs catégories d’établissements de monnaie électronique. Lorsqu’un établissement de monnaie électronique fait partie d’un groupe avec d’autres établissements de monnaie électronique, établissements de paiement ou entreprises réglementées, la Banque prend des mesures pour éviter toute double utilisation de fonds propres au sein du groupe. Art. 42 In dezelfde afdeling 2 wordt een artikel 70 ingevoegd, luidende: “Art. 70. Het hoofdbestuur van de instelling voor elektro- nisch geld is in België gevestigd.”. Art. 43 In Boek 3, Titel 2, Hoofdstuk 1 van dezelfde wet, ingevoegd bij artikel 30, wordt een afdeling 3 ingevoegd, luidende “Afde- ling 3 — Bedrijfsuitoefeningsvoorwaarden”. Art. 44 In Boek 3, Titel 2, Hoofdstuk 1, Afdeling 3 van dezelfde wet, ingevoegd bij artikel 43, wordt een artikel 71 ingevoegd, luidende: “Art. 71. De instelling voor elektronisch geld voldoet te allen tijde aan de voorwaarden van de artikelen 65, 68, 69 en 70. Wanneer de overeenkomstig artikel 62 bij de vergunning- saanvraag verstrekte gegevens gewijzigd zijn, brengt de instelling voor elektronisch geld de Bank hiervan onverwijld op de hoogte.”. Art. 45 In dezelfde afdeling 3 wordt een artikel 72 ingevoegd, luidende: “Art. 72. § 1. Het eigen vermogen van een instelling voor elektronisch geld mag op geen enkel moment dalen onder het bedrag van het met toepassing van artikel 66 vereiste kapitaal. § 2. Overeenkomstig de bepalingen van Richtlijn 2009/110/ EG bepaalt de Bank bij reglement de verplichtingen inzake sol- vabiliteit die door alle instellingen voor elektronisch geld of per categorie van instellingen voor elektronisch geld moeten wor- den nageleefd, zowel voor wat betreft hun activiteit van uitgifte van elektronisch geld als voor wat betreft hun werkzaamheden bedoeld in artikel 77, § 2, 1°, die geen verband houden met de uitgifte van elektronisch geld. Voor die werkzaamheden kan het reglement voorzien in verschillende methodes om de na te leven solvabiliteitsverplichtingen te berekenen en is de Bank gemachtigd om te bepalen welke methode van toepassing is op een of meer instellingen voor elektronisch geld of categorieën van instellingen voor elektronisch geld. Wanneer een instelling voor elektronisch geld samen met andere instellingen voor elektronisch geld, betalingsinstellin- gen of gereglementeerde ondernemingen deel uitmaakt van een groep, neemt de Bank maatregelen om het meervoudig gebruik van eigen vermogen binnen de groep te vermijden. 2432/001 DOC 53 80 2431/001 DOC 53 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 3 e L É G I S L A T U R E K AMER 3e Z ITTING VAN DE 53e Z ITTING S P E RIO DE 2011 2012 La Banque peut préciser selon quelles méthodes il convient de calculer l’utilisation multiple de fonds propres. Le présent alinéa s’applique par analogie lorsqu’un établissement de monnaie électronique exerce directement ou indirectement d’autres activités que l’émission de monnaie électronique, visées à l’article 77. Sans préjudice des obligations en matière de solvabilité prévues au paragraphe 1er et aux alinéas 1er et 2, la Banque peut prendre des mesures complémentaires dans le cas d’un établissement de monnaie électronique qui exerce directe- ment ou indirectement d’autres activités que la prestation de services de paiement et l’émission de monnaie électronique, visées à l’article 77, lorsque ces autres activités nuisent ou risquent de nuire à la solidité fi nancière de l’établissement de monnaie électronique. La Banque peut, dans des cas spéciaux, autoriser des dérogations motivées aux dispositions des règlements pris par application du présent article. Les règlements visés à l’alinéa 1er sont pris conformément à l’article 12bis, § 2, de la loi du 22 février 1998.”. Art. 46 Dans la même section 3, il est inséré un article 73 rédigé comme suit: “Art. 73. § 1er. Sans préjudice de l’article 67 et de la loi du 2 mai 2007 relative à la publicité des participations importantes, toute personne physique et morale qui a pris la décision, soit d’acquérir ou de céder, directement ou indi- rectement, une participation qualifi ée au sens de l’article 3, § 1er, 3° de la loi bancaire dans un établissement de monnaie électronique de droit belge, soit d’augmenter ou de réduire, directement ou indirectement, cette participation qualifi ée de telle façon que la proportion de parts de capital ou de droits de vote détenue atteindrait, dépasserait ou deviendrait inférieure aux seuils de 20  %, 30  % ou 50  % ou que l’établissement de monnaie électronique deviendrait sa fi liale ou cesserait de l’être, est tenue d’en informer à l’avance la Banque, et de lui notifi er par écrit au préalable le montant envisagé de sa participation et les informations pertinentes visées à l’article 24, § 3, alinéa 3 de la loi bancaire. § 2. Lorsque la Banque a des raisons de considérer que l’infl uence exercée par les personnes visées au paragraphe 1er est de nature à compromettre la gestion saine et prudente de l’établissement, elle peut exprimer son opposition. La décision de la Banque prise conformément à l’alinéa 1er est notifi ée de la manière la plus appropriée à l’actionnaire ou à l’associé en cause. Cette décision est exécutoire dès qu’elle est notifi ée. La Banque peut rendre sa décision publique. La Banque procède à l’évaluation visée à l’alinéa 1er en pleine concertation avec toute autre autorité compétente De Bank kan nader bepalen volgens welke methodes het meervoudig gebruik van eigen vermogen berekend wordt. Het bepaalde bij dit lid is van overeenkomstige toepassing wanneer een instelling voor elektronisch geld rechtstreeks of onrechtstreeks andere werkzaamheden dan de uitgifte van elektronisch geld verricht, als bedoeld in artikel 77. Onverminderd de solvabiliteitsverplichtingen bepaald bij paragraaf 1 en bij het eerste en tweede lid, kan de Bank aanvullende maatregelen nemen in het geval van een instel- ling voor elektronisch geld die rechtstreeks of onrechtstreeks andere werkzaamheden dan het verrichten van betalings- diensten en de uitgifte van elektronisch geld uitoefent, als bedoeld in artikel 77, wanneer deze andere werkzaamheden afbreuk doen of dreigen te doen aan de fi nanciële soliditeit van de instelling voor elektronisch geld. In bijzondere gevallen kan de Bank met redenen omklede afwijkingen toestaan van de bepalingen van de met toepas- sing van dit artikel genomen reglementen. De in het eerste lid bedoelde reglementen worden genomen overeenkomstig artikel 12bis, § 2, van de wet van 22 februari 1998.”. Art. 46 In dezelfde afdeling 3 wordt een artikel 73 ingevoegd, luidende: “Art. 73. § 1. Onverminderd artikel 67 en onverminderd de wet van 2 mei 2007 op de openbaarmaking van belangrijke deelnemingen, moet iedere natuurlijke of rechtspersoon die besloten heeft om hetzij rechtstreeks of onrechtstreeks een gekwalifi ceerde deelneming, als bedoeld in artikel 3, § 1, 3° van de bankwet, in een instelling voor elektronisch geld naar Belgisch recht te verwerven of te vervreemden, hetzij rechtstreeks of onrechtstreeks een dergelijke gekwalifi ceerde deelneming te vergroten of te verminderen, waardoor het percentage van de gehouden stemrechten of aandelen in het kapitaal de drempel van 20  %, 30  % of 50  % zou bereiken, onderschrijden of overschrijden, of waardoor de instelling voor elektronisch geld haar dochteronderneming zou worden of niet langer haar dochteronderneming zou zijn, de Bank daar- van vooraf schriftelijk in kennis stellen, met vermelding van de omvang van de beoogde deelneming en de in artikel 24, §  3, derde lid van de bankwet bedoelde relevante informatie. § 2. Indien de Bank grond heeft om aan te nemen dat de invloed van de in paragraaf 1 bedoelde personen een gezond en voorzichtig beleid van de instelling kan belemmeren, kan zij haar verzet kenbaar maken. De beslissing van de Bank die overeenkomstig het eerste lid wordt genomen, wordt op de meest geschikte wijze ter kennis gebracht van de betrokken aandeelhouder of vennoot. Deze beslissing is uitvoerbaar zodra zij ter kennis is gebracht. De Bank kan haar beslissing openbaar maken. Voor het verrichten van de in het eerste lid bedoelde beoor- deling werkt de Bank in onderling overleg samen met iedere 2432/001 DOC 53 81 2431/001 DOC 53 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 3 e L É G I S L A T U R E K AMER 3e Z ITTING VAN DE 53e Z ITTING S P E RIO DE 2011 2012 concernée, ou, selon le cas, avec la FSMA, si le candidat acquéreur est: a) un établissement de crédit, une entreprise d’assurances, une entreprise de réassurance, une entreprise d’investisse- ment ou une société de gestion d’organismes de placement collectif agréés dans un autre État membre, ou, selon le cas, par la FSMA; b) l’entreprise mère d’une entreprise ayant une des qualités visées au a); c) une personne physique ou morale contrôlant une entre- prise ayant une des qualités visées au a); § 3. En cas d’abstention de procéder à la notifi cation pré- alable prescrite au paragraphe 1er, ou en cas d’acquisition ou d’accroissement d’une participation en dépit de l’opposition de la Banque visée au paragraphe 2, la Banque peut: 1° suspendre l’exercice des droits de vote attachés aux actions ou parts détenues par l’actionnaire ou l’associé en question; elle peut, à la demande de tout intéressé, accorder la levée des mesures ordonnées par elle; sa décision est notifi ée de la manière la plus appropriée à l’actionnaire ou à l’associé en cause; sa décision est exécutoire dès qu’elle a été notifi ée; la Banque peut rendre sa décision publique; 2° donner injonction à l’actionnaire ou à l’associé en cause de céder, dans le délai qu’elle fi xe, les droits d’associé qu’il détient. A défaut de cession dans le délai fi xé, la Banque peut ordonner la mise sous séquestre des droits d’associés auprès de telle institution ou personne qu’elle détermine. Le séquestre en donne connaissance à l’établissement de monnaie électronique qui modifi e en conséquence le registre des actions ou parts d’associés nominatives et qui n’accepte l’exercice des droits qui y sont attachés que par le seul séquestre. Celui-ci agit dans l’intérêt d’une gestion saine et prudente de l’établissement de monnaie électronique et dans celui du détenteur des droits d’associés ayant fait l’objet du séquestre. Il exerce tous les droits attachés aux actions ou parts d’associés. Les sommes encaissées par lui au titre de dividende ou à un autre titre ne sont remises par lui au détenteur précité que si celui-ci a satisfait à l’injonction visée à l’alinéa 1er, 2°. La souscription à des augmentations de capital ou à d’autres titres conférant ou non le droit de vote, l’option en matière de dividende payable en titres de la société, la réponse à des offres publiques d’acquisition ou d’échange et la libération de titres non entièrement libérés sont subordonnés à l’accord du détenteur précité. Les droits d’associés acquis en vertu de ces opérations font, de plein droit, l’objet du séquestre prévu ci-dessus. La rémunération du séquestre est fi xée par la Banque et est à charge du détenteur précité. Le séquestre peut imputer cette rémunération sur les sommes qui lui sont versées en sa qualité de séquestre ou andere betrokken bevoegde autoriteit of, al naargelang het geval, met de FSMA, indien de kandidaat-verwerver een van de volgende personen is: a) een kredietinstelling, een verzekerings-onderneming, een herverzekeringsonderneming, een beleggingsonderne- ming of een beheervennootschap van instellingen voor col- lectieve belegging waaraan een vergunning is verleend in een andere lidstaat, of, al naargelang het geval, door de FSMA; b) de moederonderneming van een van de in de bepaling onder a) bedoelde ondernemingen; c) een natuurlijke of rechtspersoon die de controle heeft over een van de in de bepaling onder a) bedoelde onderne- mingen; § 3. Indien de bij paragraaf 1 voorgeschreven voorafgaande kennisgeving niet wordt verricht of indien een deelneming wordt verworven of vergroot ondanks het in paragraaf 2 bedoelde verzet van de Bank, kan de Bank: 1° de uitoefening schorsen van de stemrechten die ver- bonden zijn aan de aandelen die door de betrokken aandeel- houder of vennoot worden gehouden; zij kan, op verzoek van elke belanghebbende, toestaan dat de door haar bevolen maatregelen worden opgeheven; haar beslissing wordt op de meest geschikte wijze ter kennis gebracht van de betrokken aandeelhouder of vennoot; haar beslissing is uitvoerbaar zodra zij ter kennis is gebracht; de Bank kan haar beslissing openbaar maken; 2° de betrokken aandeelhouder of vennoot aanmanen om, binnen de termijn die zij bepaalt, de aandeelhoudersrechten in zijn bezit over te dragen. Als zij binnen de vastgestelde termijn niet worden overge- dragen, kan de Bank bevelen de aandeelhoudersrechten te sekwestreren bij de instelling of de persoon die zij bepaalt. Het sekwester brengt dit ter kennis van de instelling voor elektronisch geld, die het register van de aandelen op naam dienovereenkomstig wijzigt en de uitoefening van de hieraan verbonden rechten enkel aanvaardt vanwege het sekwester. Het sekwester handelt in het belang van een gezond en voor- zichtig beleid van de instelling voor elektronisch geld en in het belang van de houder van de gesekwestreerde aandeelhou- dersrechten. Het oefent alle rechten uit die aan de aandelen zijn verbonden. De bedragen die het sekwester als dividend of anderszins int, worden slechts aan de voornoemde houder overgemaakt indien hij gevolg heeft gegeven aan de in het eerste lid, 2°, bedoelde aanmaning. Om in te schrijven op kapi- taalverhogingen of andere al dan niet stemrechtverlenende effecten, om te kiezen voor dividenduitkering in aandelen van de vennootschap, om in te gaan op openbare overname- of ruilaanbiedingen en om nog niet volgestorte aandelen vol te storten, is de instemming van de voornoemde houder vereist. De aandeelhoudersrechten die zijn verworven in het kader van dergelijke verrichtingen worden van rechtswege toege- voegd aan het voornoemde sekwester. De vergoeding van het sekwester wordt vastgesteld door de Bank en betaald door de voornoemde houder. Het sekwester kan deze vergoeding 2432/001 DOC 53 82 2431/001 DOC 53 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 3 e L É G I S L A T U R E K AMER 3e Z ITTING VAN DE 53e Z ITTING S P E RIO DE 2011 2012 par le détenteur précité aux fi ns ou comme conséquence des opérations visées ci-dessus. Lorsque des droits de vote ont été exercés par le déten- teur originaire ou par une personne, autre que le séquestre, agissant pour le compte de ce détenteur après l’échéance du délai fi xé conformément à l’alinéa 1er, 2°, première phrase, nonobstant une suspension de leur exercice prononcée conformément à l’alinéa 1er, 1°, le tribunal de commerce dans le ressort duquel la société a son siège peut, sur requête de la Banque, prononcer la nullité de tout ou partie des délibé- rations de l’assemblée générale si, sans les droits de vote illégalement exercés, les quorums de présence ou de majorité requis par lesdites délibérations n’auraient pas été réunis. 3° demander au président du tribunal de commerce dans le ressort duquel l’établissement de monnaie électronique a son siège, statuant comme en référé, de prononcer l’annulation de tout ou partie des votes émis par l’acquéreur ou l’actionnaire ou associé concerné. La procédure est engagée par citation émanant de la Banque. L’article 516, § 3 du Code des sociétés est d’application. § 4. Lorsque la Banque a des raisons de considérer que l’infl uence exercée par une personne physique ou morale détenant, directement ou indirectement, une participation qua- lifi ée dans un établissement de monnaie électronique est de nature à compromettre sa gestion saine et prudente, et sans préjudice des autres mesures prévues par la présente loi, elle peut prendre les mesures visées au paragraphe 3, 1° et 2°.”. Art. 47 Dans la même section 3, il est inséré un article 74 rédigé comme suit: “Art. 74. Sont soumises à l’autorisation de la Banque les fusions entre établissements de monnaie électronique et les fusions entre établissements de monnaie électronique et d’autres établissements fi nanciers. Sont, pour l’application du présent article, assimilées à des fusions, les cessions de l’activité et les cessions de l’ensemble ou d’une partie du réseau. La Banque ne peut refuser l’autorisation que dans les trois mois de la notifi cation préalable qui lui a été faite du projet avec présentation d’un dossier complet, et pour des motifs tenant à la gestion saine et prudente de l’établissement de monnaie électronique. Si elle n’intervient pas dans le délai fi xé ci-dessus, l’autorisation est réputée acquise.”. aftrekken van de bedragen die hem worden gestort in zijn hoedanigheid van sekwester of die hem worden gestort door de voornoemde houder in het vooruitzicht of na uitvoering van de hierboven bedoelde verrichtingen. Indien na afl oop van de overeenkomstig het eerste lid, 2°, eerste zin, vastgestelde termijn, stemrechten werden uitgeoe- fend door de oorspronkelijke houder of door een andere persoon, buiten het sekwester, die optreedt voor rekening van deze houder, niettegenstaande een schorsing van hun uitoefening overeenkomstig het eerste lid, 1°, kan de rechtbank van koophandel van het rechtsgebied waar de vennootschap haar zetel heeft, op verzoek van de Bank, alle of een deel van de beslissingen van de algemene vergadering nietig verklaren wanneer het aanwezigheids- of meerderheidsquorum dat is vereist voor de genoemde beslissingen, buiten de onwettig uitgeoefende stemrechten niet zou zijn bereikt. 3° de voorzitter van de rechtbank van koophandel van het rechtsgebied waar de instelling voor elektronisch geld haar zetel heeft, uitspraak doende als in kort geding, verzoeken om alle of een deel van de stemmen uitgebracht door de verwerver of de betrokken aandeelhouder of vennoot nietig te verklaren. De procedure wordt ingeleid bij dagvaarding door de Bank. Artikel 516, § 3, van het Wetboek van Vennootschap- pen is van toepassing. § 4. Indien de Bank grond heeft om aan te nemen dat de invloed van een natuurlijke of rechtspersoon die rechtstreeks of onrechtstreeks een gekwalifi ceerde deelneming bezit in een instelling voor elektronisch geld, een gezond en voor- zichtig beleid van deze instelling voor elektronisch geld kan belemmeren, kan zij, onverminderd de andere bij deze wet bepaalde maatregelen, de in paragraaf 3, 1° en 2° bedoelde maatregelen nemen.”. Art. 47 In dezelfde afdeling 3 wordt een artikel 74 ingevoegd, luidende: “Art. 74. De toestemming van de Bank is vereist voor fusies van instellingen voor elektronisch geld en fusies tus- sen dergelijke instellingen en andere in de fi nanciële sector bedrijvige instellingen. Voor de toepassing van dit artikel worden de overdracht van het bedrijf en de integrale of gedeeltelijke overdracht van het net met een fusie gelijkgesteld. De Bank kan haar toestemming enkel weigeren binnen drie maanden nadat zij van het project in kennis is gesteld, met voorlegging van een volledig dossier, om redenen die verband houden met het gezond en voorzichtig beleid van de instelling voor elektronisch geld. Als zij niet optreedt binnen de voornoemde termijn, wordt de toestemming geacht te zijn verkregen.”. 2432/001 DOC 53 83 2431/001 DOC 53 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 3 e L É G I S L A T U R E K AMER 3e Z ITTING VAN DE 53e Z ITTING S P E RIO DE 2011 2012 Art. 48 Dans la même section 3, il est inséré un article 75 rédigé comme suit: “Art. 75. L’établissement de monnaie électronique qui pro- jette d’ouvrir une succursale sur le territoire d’un autre État membre de l’EEE en vue d’y exercer une activité d’émission de monnaie électronique, ou qui projette d’exercer une activité d’émission de monnaie électronique sur le territoire d’un autre État membre de l’EEE sans y établir de succursale, notifi e son intention à la Banque. Cette notifi cation est assortie d’un programme d’activités dans lequel sont notamment indiqués les activités envisagées et, le cas échéant, les autres activités visées à l’article 77, § 2, et, dans le cas de l’établissement d’une succursale, la structure de l’organisation de la succursale, la domiciliation de la correspondance dans l’État concerné et le nom des dirigeants de la succursale. La Banque peut s’opposer à la réalisation du projet par décision motivée par les répercussions préjudiciables de l’ouverture de la succursale sur l’organisation, la situation fi nancière ou le contrôle de l’établissement de monnaie électronique. La décision de la Banque est notifi ée à l’établissement de monnaie électronique par lettre recommandée à la poste ou avec accusé de réception au plus tard quatre semaines après la réception du dossier complet comprenant les informations prévues à l’alinéa 2. Pour autant qu’elle ne formule pas d’opposition, la Banque communique, dans un délai d’un mois suivant la réception de la notifi cation visée à l’alinéa 1er, l’information visée à l’alinéa 2 à l’autorité chargée du contrôle des établissements de monnaie électronique dans le pays concerné. Le présent article s’applique également, à l’exception de l’alinéa 3, à l’ouverture de succursales dans un État non membre de l’EEE, quelles que soient les activités que projettent d’exercer ces succursales. En ce cas, la Banque peut convenir avec l’autorité de contrôle des établissements de monnaie électronique de cet État des modalités d’ouver- ture et de contrôle de la succursale ainsi que des échanges d’informations souhaitables entre les deux autorités. L’établissement de monnaie électronique qui a ouvert une succursale à l’étranger informe la Banque au moins un mois à l’avance, des modifi cations affectant les informations communiquées en vertu de l’alinéa 2.”. Art. 49 Dans la même section 3, il est inséré un article 76 rédigé comme suit: Art. 48 In dezelfde afdeling 3 wordt een artikel 75 ingevoegd, luidende: “Art. 75. Iedere instelling voor elektronisch geld die op het grondgebied van een andere lidstaat van de EER een bijkantoor wenst te vestigen om er een activiteit van uitgifte van elektronisch geld uit te oefenen, of die voornemens is op het grondgebied van een andere lidstaat van de EER een acti- viteit van uitgifte van elektronisch geld uit te oefenen zonder er een bijkantoor te vestigen, stelt de Bank daarvan in kennis. Bij deze kennisgeving wordt een programma van werk- zaamheden gevoegd, waarin met name de voorgenomen werkzaamheden en, in voorkomend geval, de andere wer- kzaamheden bedoeld in artikel 77, § 2, worden vermeld, alsook, in geval van oprichting van een bijkantoor, de orga- nisatiestructuur van het bijkantoor, de domiciliëring van de correspondentie in de betrokken lidstaat en de naam van de leiders van het bijkantoor. De Bank kan zich verzetten tegen de uitvoering van het project bij beslissing die is ingegeven door de nadelige gevolgen van de opening van een bijkantoor op de organisa- tie, de fi nanciële positie of het toezicht op de instelling voor elektronisch geld. De beslissing van de Bank wordt uiterlijk vier weken na de ontvangst van het volledige dossier met alle in het tweede lid bedoelde inlichtingen, met een aangetekende brief of een brief met ontvangstbewijs ter kennis gebracht van de instelling voor elektronisch geld. Voor zover zij zich niet verzet, deelt de Bank binnen een maand na de ontvangst van de in het eerste lid bedoelde kennisgeving, de in het tweede lid bedoelde informatie mee aan de autoriteit die in het betrokken land belast is met het toezicht op de instellingen voor elektronisch geld. Met uitzondering van het derde lid, geldt dit artikel eve- neens voor de opening van bijkantoren in een staat die geen lid is van de EER, welke ook de geplande werkzaamheden voor deze bijkantoren zijn. In dit geval kan de Bank in overleg met de autoriteit die toezicht houdt op de instellingen voor elektronisch geld in die staat, regels vaststellen voor de opening van en het toezicht op het bijkantoor alsook voor de wenselijke informatie-uitwisseling tussen beide autoriteiten. Iedere instelling voor elektronisch geld die in het buiten- land een bijkantoor heeft geopend, stelt de Bank ten minste één maand op voorhand in kennis van alle wijzigingen in de krachtens het tweede lid verstrekte inlichtingen.”. Art. 49 In dezelfde afdeling 3 wordt een artikel 76 ingevoegd, luidende: 2432/001 DOC 53 84 2431/001 DOC 53 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 3 e L É G I S L A T U R E K AMER 3e Z ITTING VAN DE 53e Z ITTING S P E RIO DE 2011 2012 “Art. 76. § 1er. Sans préjudice de l’article 63, alinéa 3, les établissements de monnaie électronique sont autorisés à distribuer et à rembourser de la monnaie électronique par l’intermédiaire de distributeurs. § 2. Lorsqu’un établissement de monnaie électronique souhaite distribuer de la monnaie électronique dans un autre État membre de l’EEE, par l’intermédiaire d’un distributeur établi dans ledit État, l’article 75 s’applique par analogie. § 3. Les établissements de monnaie électronique sont autorisés à fournir les services de paiement visés à l’article 77, § 2, 1° par l’intermédiaire d’agents. Dans ce cas, l’article 20 s’applique par analogie. Les établissements de monnaie électronique ne sont pas autorisés à émettre de la monnaie électronique par l’inter- médiaire d’agents. § 4. Les établissements de monnaie électronique sont entièrement responsables des actes posés par leurs distri- buteurs et leurs agents.”. Art. 50 Dans la même section 3, il est inséré un article 77 rédigé comme suit: “Art. 77. § 1er. Les établissements de monnaie électronique sont habilités à exercer des activités commerciales autres que l’émission de monnaie électronique, moyennant l’autorisation préalable de la Banque. Sans préjudice de l’article 81, § 4, si la Banque autorise un établissement de monnaie électronique à exercer des activités autres que l’émission de monnaie électronique, elle peut, en vue d’une gestion saine et prudente et d’une maîtrise des risques appropriée par l’établissement de monnaie électro- nique, ou pour les besoins d’un contrôle prudentiel adapté dudit établissement, subordonner à certaines conditions com- plémentaires l’exercice d’activités autres que l’émission de monnaie électronique ou les activités visées au paragraphe 2. En outre, la Banque peut exiger que l’exercice de l’activité d’émission de monnaie électronique et, le cas échéant, de services de paiement, soit logée dans une entité juridique distincte de l’entité exerçant d’autres activités. § 2. Par dérogation au paragraphe 1er, alinéa 1er, et sans préjudice de l’article 72, § 2, dernier alinéa, les établissements de monnaie électronique sont habilités à exercer également les activités suivantes: 1° la prestation des services de paiement énumérés à l’annexe Ire de la présente loi; 2° la prestation de services opérationnels et de services auxiliaires étroitement liés à l’émission de monnaie électro- “Art. 76. § 1. Onverminderd artikel 63, derde lid, mogen instellingen voor elektronisch geld via distributeurs elektro- nisch geld overmaken en terugbetalen. § 2. Indien een instelling voor elektronisch geld elektronisch geld wenst over te maken in een andere lidstaat van de EER via een distributeur die in de genoemde staat is gevestigd, is artikel 75 van overeenkomstige toepassing. § 3. Instellingen voor elektronisch geld mogen betalings- diensten aanbieden als bedoeld in artikel 77, § 2, 1°, via agen- ten. Artikel 20 is in dit geval van overeenkomstige toepassing. Instellingen voor elektronisch geld mogen geen elektro- nisch geld uitgeven via agenten. § 4. Instellingen voor elektronisch geld zijn volledig veran- twoordelijk voor de handelingen die door hun distributeurs en agenten worden gesteld.”. Art. 50 In dezelfde afdeling 3 wordt een artikel 77 ingevoegd, luidende: “Art. 77. § 1. Instellingen voor elektronisch geld mogen an- dere bedrijfswerkzaamheden dan de uitgifte van elektronisch geld verrichten, mits hiervoor voorafgaandelijk toestemming is verleend door de Bank. Indien de Bank erin toestemt dat een instelling voor elektronisch geld andere werkzaamheden dan de uitgifte van elektronisch geld verricht, kan zij, onverminderd artikel 81, §  4 en gelet op de noodzaak van een gezond en voorzichtig beleid en een passende risicobeheersing door de instelling voor elektronisch geld of op de vereiste van een passend pru- dentieel toezicht op deze instelling, de uitoefening van andere werkzaamheden dan de uitgifte van elektronisch geld of de in paragraaf 2 bedoelde werkzaamheden aan aanvullende voorwaarden onderwerpen. Bovendien kan de Bank eisen dat de activiteit van uitgifte van elektronisch geld en, in voorkomend geval, het betalings- dienstenbedrijf, ondergebracht worden in een afzonderlijke juridische entiteit, afgescheiden van deze die andere werk- zaamheden uitoefent. § 2. In afwijking van paragraaf 1, eerste lid, en onvermin- derd artikel 72, paragraaf 2, tweede lid, mogen instellingen voor elektronisch geld eveneens de volgende werkzaamhe- den uitoefenen: 1° het verlenen van de betalingsdiensten die opgesomd zijn in bijlage I bij deze wet; 2° het verrichten van operationele diensten en nevendiens- ten die nauw samenhangen met de uitgifte van elektronisch 2432/001 DOC 53 85 2431/001 DOC 53 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 3 e L É G I S L A T U R E K AMER 3e Z ITTING VAN DE 53e Z ITTING S P E RIO DE 2011 2012 nique ou à la prestation de services de paiement visés au point 1°; 3° la gestion de systèmes de paiement, sans préjudice de l’article 49; § 3. Les établissements de monnaie électronique ne peuvent octroyer un crédit lié aux services de paiement visés aux points 4, 5 ou 7 de l’annexe Ire de la présente loi qu’aux conditions visées à l’article 21, § 3. Les crédits visés à l’alinéa 1er ne peuvent être octroyés sur la base des fonds reçus en contrepartie de monnaie électro- nique et détenus conformément à l’article 78, § 1er. § 4. Les établissements de monnaie électronique ne sont pas autorisés à exercer l’activité de réception de dépôts d’argent ou d’autres fonds remboursables au sens de l’article 1er de la loi bancaire. § 5. Les fonds reçus des détenteurs de monnaie électro- nique par des établissements de monnaie électronique sont échangés sans délai contre de la monnaie électronique. Ces fonds ne constituent pas des dépôts ou d’autres fonds remboursables au sens de l’article 1er de la loi bancaire, à condition que l’obligation visée à l’alinéa précédent soit respectée. À défaut de respecter l’obligation visée à l’alinéa 1er, la réception de ces fonds est assimilée à une réception de dépôts d’argent ou d’autres fonds remboursables illicite en violation du paragraphe 4 et de l’article 68bis de la loi du 16 juin 2006 relative aux offres publiques d’instruments de placement et aux admissions d’instruments de placement à la négociation sur des marchés réglementés. § 6. L’article 21, §§ 4 et 5 s’applique aux fonds reçus dans le cadre des activités visées au paragraphe 2, 1°, qui ne sont pas liées à l’activité d’émission de monnaie électronique. § 7. Les établissements de monnaie électronique ne peuvent, sauf autorisation préalable de la Banque, détenir des participations dans des sociétés commerciales ou ayant emprunté la forme d’une société commerciale. L’interdiction visée à l’alinéa 1er ne s’applique pas aux participations dans des sociétés exerçant en tout ou en partie des activités en matière d’émission de monnaie électronique, de services de paiement, de services auxiliaires à l’émission de monnaie électronique ou à la prestation de services de paiement, ou de gestion de systèmes de paiement, visés au paragraphe 2, ou dans des sociétés dont l’objet consiste à titre principal en la détention de participations dans de telles sociétés. geld of het verlenen van de betalingsdiensten bedoeld in punt 1°; 3° het beheer van betalingssystemen, onverminderd artikel 49; § 3. Instellingen voor elektronisch geld mogen maar een krediet verlenen in verband met de betalingsdiensten bedoeld in de punten 4, 5 en 7 van bijlage I bij deze wet mits voldaan is aan de voorwaarden bedoeld in artikel 21, § 3. De kredieten bedoeld in het eerste lid mogen niet worden verleend uit de geldmiddelen die in ruil voor het elektronisch geld worden ontvangen en conform artikel 78, § 1, worden aangehouden. § 4. Instellingen voor elektronisch geld mogen geen geldde- posito’s of andere terugbetaalbare gelden in de zin van artikel 1 van de bankwet ontvangen. § 5. Geldmiddelen die instellingen voor elektronisch geld van houders van elektronisch geld ontvangen, worden onve- rwijld gewisseld voor elektronisch geld. Dergelijke geldmiddelen zijn noch deposito’s noch andere terugbetaalbare gelden in de zin van artikel 1 van de bankwet, op voorwaarde dat de verplichting bedoeld in het vorige lid vervuld is. Indien de verplichting bedoeld in het eerste lid niet ver- vuld is, wordt het in ontvangst nemen van die geldmiddelen gelijkgesteld met het ongeoorloofd in ontvangst nemen van gelddeposito’s of andere terugbetaalbare gelden, met overtreding van paragraaf 4 en van artikel 68bis van de wet van 16 juni 2006 op de openbare aanbieding van belegging- sinstrumenten en de toelating van beleggingsinstrumenten tot de verhandeling op een gereglementeerde markt. § 6. Artikel 21, §§ 4 en 5 is van toepassing op de geldmidde- len die worden ontvangen in het kader van de werkzaamheden bedoeld in paragraaf 2, 1°, die geen verband houden met de uitgifte van elektronisch geld. § 7. Instellingen voor elektronisch geld mogen, behoudens voorafgaande toestemming van de Bank, geen deelnemingen bezitten in handelsvennootschappen of in vennootschappen die de vorm van een handelsvennootschap hebben aange- nomen. Het in het eerste lid bedoelde verbod geldt niet voor deelnemingen in vennootschappen die alle of een deel van de in paragraaf 2 bedoelde werkzaamheden inzake uitgifte van elektronisch geld, betalingsdiensten, nevendiensten in verband met de uitgifte van elektronisch geld of het verlenen van betalingsdiensten, of het beheer van betalingssyste- men uitoefenen, of voor deelnemingen in vennootschappen waarvan het doel in hoofdzaak bestaat in het aanhouden van deelnemingen in dergelijke vennootschappen. 2432/001 DOC 53 86 2431/001 DOC 53 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 3 e L É G I S L A T U R E K AMER 3e Z ITTING VAN DE 53e Z ITTING S P E RIO DE 2011 2012 En vue d’une gestion saine et prudente et d’une maîtrise adéquate des risques, la Banque peut soumettre la prise de participations à des conditions.”. Art. 51 Dans la même section 3, il est inséré un article 78 rédigé comme suit: “Art. 78. § 1er. Les fonds reçus par un établissement de monnaie électronique en échange de la monnaie électronique émise doivent: a) pouvoir être distinctement identifi és dans sa comptabilité et n’être jamais mélangés avec d’autres fonds, et b) lorsque ces fonds sont encore détenus par l’établisse- ment de monnaie électronique à la fi n du jour ouvrable suivant le jour où ils ont été reçus: (i) être déposés sur un compte global ou individualisé distinct auprès d’une ou plusieurs entités ayant la qualité d’établissement de crédit relevant du droit d’un État membre de l’EEE, ou d’établissement de crédit établi dans l’EEE et relevant du droit d’un État non membre de l’EEE, ou (ii) être investis en actifs à faible risque, liquides et sûrs, tels que défi nis par la Banque, conformément aux disposi- tions de l’article 7.2. de la Directive 2009/110/CE, par voie de règlement; c) ou être couverts, d’une manière jugée satisfaisante par la Banque, par une assurance, une garantie ou une caution d’une entreprise d’assurances ou d’un établissement de cré- dit relevant du droit d’un État membre de l’EEE ou disposant d’un établissement dans l’EEE et relevant du droit d’un État non membre de l’EEE, laquelle entreprise d’assurances ou lequel établissement de crédit ne peut appartenir au même groupe que l’établissement de monnaie électronique, pour un montant qui est égal au montant qui aurait été affecté en application du point b), et qui est payable si l’établissement de monnaie électronique n’est pas en mesure d’honorer ses obligations fi nancières. Les entités visées à l’alinéa 1er, b), (i) ne peuvent, sur les fonds déposés sur un compte distinct, faire valoir de droit résultant de créances propres sur l’établissement de monnaie électronique qui a ouvert ce compte. De même, ces comptes et leur solde ne peuvent faire l’objet d’aucune saisie-arrêt par les créanciers de l’établissement de monnaie électronique. La Banque peut autoriser que les fonds visés à l’alinéa 1er, b), soient déposés auprès d’un établissement de crédit rele- vant du droit d’un État non membre de l’EEE et ne disposant pas d’un établissement dans l’EEE, ou que les assurances, garanties ou cautions visées à l’alinéa 1er, c), soient fournies par une entreprise d’assurances ou un établissement de crédit Gelet op de noodzaak van een gezond en voorzichtig beleid en een passende risicobeheersing kan de Bank het nemen van deelnemingen aan voorwaarden onderwerpen.”. Art. 51 In dezelfde afdeling 3 wordt een artikel 78 ingevoegd, luidende: “Art. 78. § 1. De geldmiddelen die in ruil voor het elektro- nisch geld door een instelling voor elektronisch geld worden ontvangen, moeten: a) in haar boekhouding afzonderlijk kunnen worden geïdentifi ceerd en nooit worden vermengd met andere geld- middelen, en b) wanneer deze geldmiddelen op het einde van de werkdag volgend op de dag waarop zij zijn ontvangen nog steeds door de instelling voor elektronisch geld worden aangehouden: (i) worden gedeponeerd op een afzonderlijke gezamenlijke of geïndividualiseerde rekening bijeen of meer entiteiten die de hoedanigheid hebben van kredietinstelling die ressorteert onder het recht van een lidstaat van de EER, of kredietinstel- ling gevestigd in de EER die ressorteert onder het recht van een staat die geen lid is van de EER, of (ii) worden belegd in veilige, liquide activa met een lage risicograad, zoals bij reglement gedefi nieerd door de Bank conform de bepalingen van artikel 7.2. van Richtlijn 2009/110/ EG; c) ofwel naar tevredenheid van de Bank gedekt zijn door een verzekering, garantie of waarborg van een verzekering- sonderneming of kredietinstelling, die ressorteert onder het recht van een lidstaat van de EER of met vestiging in de EER en ressorterend onder het recht van een staat die geen lid is van de EER, en die niet tot dezelfde groep behoort als de instelling voor elektronisch geld, voor een bedrag dat gelijk is aan het bedrag dat besteed geweest zou zijn met toepassing van punt b), en dat betaalbaar is ingeval de instelling voor elektronisch geld niet in staat is haar fi nanciële verplichtingen na te komen. De in het eerste lid, b), (i) bedoelde entiteiten mogen op de gelden die op een afzonderlijke rekening zijn geplaatst, geen recht doen gelden ingevolge eigen vorderingen op de instelling voor elektronisch geld die deze rekening heeft geopend. Beslag onder derden door de schuldeisers van de instelling voor elektronisch geld op deze rekeningen en hun saldo is evenmin toegestaan. De Bank kan toestaan dat de in het eerste lid, b), bedoelde geldmiddelen gedeponeerd worden bij een kredietinstelling die ressorteert onder het recht van een staat die geen lid is van de EER en die geen vestiging heeft in de EER, of dat de in het eerste lid, c) bedoelde verzekeringen, garanties en waar- borgen verstrekt worden door een verzekeringsonderneming 2432/001 DOC 53 87 2431/001 DOC 53 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 3 e L É G I S L A T U R E K AMER 3e Z ITTING VAN DE 53e Z ITTING S P E RIO DE 2011 2012 relevant du droit d’un État non membre de l’EEE et ne dispo- sant pas d’un établissement dans l’EEE, si cet établissement de crédit ou cette entreprise d’assurances est soumis(e) à un contrôle exercé par une autorité de contrôle qui soit équi- valent au contrôle prudentiel des établissements de crédit et des entreprises d’assurances défi ni dans la réglementation européenne. Lorsque la monnaie électronique est acquise par le moyen d’un instrument de paiement, la protection afférente aux fonds reçus en échange de la monnaie électronique ne doit être assurée qu’à partir du moment où les fonds sont portés au crédit du compte de paiement de l’établissement de monnaie électronique ou mis par tout autre moyen à la disposition de l’établissement de monnaie électronique, le cas échéant, conformément aux dispositions relatives au délai d’exécution énoncées dans la loi du 10 décembre 2009. En tout état de cause, ces fonds doivent être protégés au plus tard cinq jours ouvrables, tels que défi nis à l’article 2, 17° de la loi du 10 décembre 2009, après l’émission de la monnaie électronique. Les règlements visés à l’alinéa 1er, point b), ii) sont pris conformément à l’article 12bis, § 2, de la loi du 22 février 1998. § 2. Lorsqu’une partie des fonds reçus en échange de la monnaie électronique émise est potentiellement destinée à être utilisée dans le cadre d’autres activités de l’établis- sement de monnaie électronique, cette partie des fonds ne relève pas des obligations au titre du paragraphe 1er. Si cette partie est variable ou ne peut être déterminée à l’avance, les établissements de monnaie électronique peuvent calculer ce montant en supposant qu’une partie représentative des fonds servira à l’émission de monnaie électronique, à condition que, sur la base de données historiques, il soit raisonnablement possible d’estimer cette partie représentative d’une manière jugée satisfaisante par la Banque. § 3. L’article 22 s’applique aux établissements de mon- naie électronique pour les activités visées à l’article 77, § 2, 1° qui ne sont pas liées à l’activité d’émission de monnaie électronique. § 4. En cas de procédure d’insolvabilité ouverte à l’encontre de l’établissement de monnaie électronique, les espèces déposées sur un compte distinct en application du paragraphe 1er, alinéa 1er, a) et b), sont affectées par privilège spécial au remboursement des fonds reçus en échange de la monnaie électronique émise. § 5. Les établissements de monnaie électronique informent la Banque à l’avance de tout changement signifi catif affectant les mesures prises en exécution du paragraphe 1er.”. § 6. Sans préjudice des pouvoirs dévolus à l’organe légal d’administration en ce qui concerne la détermination de la politique générale, tels que prévus par le Code des sociétés, les personnes chargées de la direction effective de l’établis- sement de monnaie électronique, le cas échéant le comité de direction, prennent, sous la surveillance de l’organe légal of kredietinstelling, die ressorteert onder het recht van staat die geen lid is van de EER en die geen vestiging heeft in de EER, indien deze kredietinstelling of verzekeringsonderne- ming onderworpen is aan een door een toezichthoudende autoriteit uitgeoefend toezicht dat gelijkwaardig is met het prudentieel toezicht op kredietinstellingen en verzekering- sondernemingen zoals bepaald in de Europese regelgeving. Wanneer het elektronisch geld wordt verworven door mid- del van een betaalinstrument, moeten de geldmiddelen die in ruil voor het elektronisch geld worden ontvangen beschermd worden vanaf het moment dat de betaalrekening van de instelling voor elektronisch geld ermee gecrediteerd is of vanaf het moment dat ze op een andere manier ter beschik- king worden gesteld van de instelling voor elektronisch geld, in voorkomend geval in overeenstemming met de vereisten op het vlak van uitvoeringstermijnen die zijn vastgelegd in de wet van 10 december 2009. Dergelijke middelen moeten in ieder geval worden veilig gesteld ten laatste na vijf werkdagen, zoals omschreven in artikel 2, 17° van de wet van 10 decem- ber 2009, na de uitgifte van het elektronisch geld. De in het eerste lid, punt b), ii) bedoelde reglementen worden genomen overeenkomstig artikel 12bis, § 2, van de wet van 22 februari 1998. § 2. Wanneer een gedeelte van de geldmiddelen die in ruil voor het uitgegeven elektronisch geld worden ontvangen, mogelijkerwijs in het kader van andere werkzaamheden van de instelling voor elektronisch geld moet worden gebruikt, zijn de vereisten van paragraaf 1 niet van toepassing op dit gedeelte van de geldmiddelen. Wanneer dat gedeelte variabel is of niet van tevoren is gekend, kunnen de instellingen voor elektronisch geld dit bedrag berekenen op basis van een representatief gedeelte dat geacht wordt voor de uitgifte van elektronisch geld te worden gebruikt, mits het redelijkerwijs mogelijk is een dergelijk representatief gedeelte naar tevre- denheid van de Bank op basis van historische gegevens te ramen. § 3. Artikel 22 is van toepassing op de instellingen voor elektronisch geld, voor de werkzaamheden bedoeld in arti- kel 77, § 2, 1° die geen verband houden met de uitgifte van elektronisch geld. § 4. Indien er een insolventieprocedure wordt geopend tegen de instelling voor elektronisch geld, worden de gelden die met toepassing van paragraaf 1, eerste lid, a) en b), op een afzonderlijke rekening zijn gedeponeerd, bij bijzonder voor- recht aangewend voor de terugbetaling van de geldmiddelen die zijn ontvangen in ruil voor het uitgegeven elektronisch geld. § 5. Instellingen voor elektronisch geld lichten de Bank op voorhand in over elke substantiële wijziging in de maatregelen die worden genomen in uitvoering van paragraaf 1.”. § 6. Onverminderd de bevoegdheden van het wettelijke bestuursorgaan inzake vaststelling van het algemeen beleid als bepaald bij het Wetboek van Vennootschappen, nemen de personen belast met de effectieve leiding van de instelling voor elektronisch geld, in voorkomend geval het directieco- mité, onder toezicht van het wettelijke bestuursorgaan de 2432/001 DOC 53 88 2431/001 DOC 53 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 3 e L É G I S L A T U R E K AMER 3e Z ITTING VAN DE 53e Z ITTING S P E RIO DE 2011 2012 d’administration, les mesures nécessaires pour assurer le respect des paragraphes 1er et 2. L’organe légal d’administration de l’établissement de monnaie électronique doit contrôler au moins une fois par an si l’établissement se conforme aux dispositions des para- graphes 1er et 2 et de l’alinéa 1er du présent paragraphe, et prend connaissance des mesures adéquates prises. Les personnes chargées de la direction effective, le cas échéant le comité de direction, font rapport au moins une fois par an à l’organe légal d’administration, à la Banque et au commissaire agréé sur le respect des dispositions de l’alinéa 1er du présent paragraphe et sur les mesures adé- quates prises. Ces informations sont transmises à la Banque et au com- missaire agréé selon les modalités que la Banque détermine.”. Art. 52 Dans la même section 3, il est inséré un article 79 rédigé comme suit: “Art. 79. Les établissements de monnaie électronique ne peuvent externaliser des tâches opérationnelles importantes relatives à l’activité d’émission de monnaie électronique, ou de prestation de services de paiement qu’aux conditions suivantes: a) ils en informent préalablement la Banque; b) l’externalisation n’entraîne aucune délégation de la responsabilité de la direction générale de l’établissement de monnaie électronique; c) la relation de l’établissement de monnaie électronique avec les détenteurs de monnaie électronique et les obliga- tions qu’il a envers eux en vertu de la présente loi et des arrêtés et règlements pris en exécution de celle-ci ne sont pas modifi ées; d) le respect des conditions que l’établissement de monnaie électronique est tenu de remplir pour recevoir puis conserver son agrément n’est pas altéré; e) aucune des autres conditions auxquelles l’agrément de l’établissement de monnaie électronique a été subordonné n’est supprimée ou modifi ée; f) l’externalisation ne peut pas être faite d’une manière qui nuise sérieusement à la qualité du contrôle interne de l’établissement de monnaie électronique et qui empêche la Banque de contrôler le respect, par l’établissement de mon- naie électronique, de ses obligations. Dans l’externalisation d’activités, les établissements de monnaie électronique demeurent entièrement responsables des actes posés par le prestataire de services.”. nodige maatregelen voor de naleving van het bepaalde bij de paragrafen 1 en 2. Het wettelijke bestuursorgaan van de instelling voor elektronisch geld dient minstens jaarlijks te controleren of de instelling beantwoordt aan het bepaalde bij de paragrafen 1 en 2 en het eerste lid van deze paragraaf, en neemt kennis van de genomen passende maatregelen. De personen belast met de effectieve leiding, in voorko- mend geval het directiecomité, lichten minstens jaarlijks het wettelijke bestuursorgaan, de Bank en de erkende commissa- ris in over de naleving van het bepaalde bij het eerste lid van deze paragraaf en over de genomen passende maatregelen. De informatieverstrekking aan de Bank en de erkende commissaris gebeurt volgens de modaliteiten die de Bank bepaalt.”. Art. 52 In dezelfde afdeling 3 wordt een artikel 79 ingevoegd, luidende: “Art. 79. Instellingen voor elektronisch geld kunnen belangrijke operationele taken met betrekking tot de uitgifte van elektronisch geld of het verlenen van betalingsdiensten slechts uitbesteden onder de hiernavolgende voorwaarden: a) zij stellen de Bank hiervan voorafgaandelijk in kennis; b) de uitbesteding leidt er niet toe dat de hoogste leiding van de instelling voor elektronisch geld haar verantwoorde- lijkheden delegeert; c) de relatie van de instelling voor elektronisch geld met de houders van elektronisch geld en de verplichtingen die zij jegens hen heeft uit hoofde van deze wet en de ter uitvoe- ring ervan genomen besluiten en reglementen, worden niet gewijzigd; d) de naleving van de voorwaarden waaraan de instelling voor elektronisch geld moet voldoen om een vergunning te verkrijgen en te behouden, mag niet worden ondermijnd; e) geen van de andere voorwaarden waaronder de ver- gunning aan de instelling voor elektronisch geld is verleend, mag worden opgeheven of gewijzigd; f) de uitbesteding mag geen wezenlijke afbreuk doen aan de kwaliteit van de interne controle van de instelling voor elektronisch geld en aan het vermogen van de Bank om te controleren of de instelling voor elektronisch geld voldoet aan haar verplichtingen. Bij de uitbesteding van werkzaamheden blijven de instellin- gen voor elektronisch geld volledig verantwoordelijk voor de handelingen die gesteld zijn door de dienstverlener.”. DOC 53 2432/001 89 2431/001 DOC 53 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 3 e L É G I S L A T U R E K AMER 3e Z ITTING VAN DE 53e Z ITTING S P E RIO DE 2011 2012 Art. 53 In dezelfde afdeling 3 wordt een artikel 80 ingevoegd, luidende: “Art. 80. De instelling voor elektronisch geld legt periodiek aan de Bank een gedetailleerde fi nanciële staat voor. Die staat wordt opgemaakt overeenkomstig de regels die zijn vastgesteld door de Bank, die ook de rapporteringsfrequen- tie bepaalt. Bovendien kan de Bank eisen dat haar geregeld andere cijfergegevens of uitleg worden verstrekt, zodat zij kan nagaan of de bepalingen van deze wet of de ter uitvoering ervan genomen besluiten en reglementen zijn nageleefd. De effectieve leiding van de instelling voor elektronisch geld, in voorkomend geval het directiecomité, verklaart aan de Bank dat de voornoemde periodieke staten, die haar in voorkomend geval aan het einde van het eerste halfjaar en in elk geval aan het einde van het boekjaar worden bezorgd door de instelling, in overeenstemming zijn met de boekhou- ding en de inventarissen. Daartoe is vereist dat de periodieke staten volledig zijn, d.w.z. dat zij alle gegevens bevatten uit de boekhouding en de inventarissen op basis waarvan de periodieke staten worden opgesteld, en dat zij juist zijn, d.w.z. dat zij de gegevens correct weergeven uit de boekhouding en de inventarissen op basis waarvan de periodieke staten worden opgesteld. De effectieve leiding bevestigt het nodige gedaan te hebben opdat de voornoemde staten volgens de geldende richtlijnen van de Bank worden opgemaakt, en worden opgesteld met toepassing van de boekings- en waarderingsregels voor de opstelling van de jaarrekening, of, voor de periodieke rapporteringsstaten die geen betrekking hebben op het einde van het boekjaar, met toepassing van de boekings- en waarderingsregels voor de opstelling van de jaarrekening met betrekking tot het laatste boekjaar. Na advies van de Bank bepaalt de Koning volgens welke regels alle instellingen voor elektronisch geld of categorieën van instellingen voor elektronisch geld: 1° hun boekhouding voeren, inventarisramingen verrichten en hun jaarrekening opmaken en openbaar maken; 2° hun geconsolideerde jaarrekening opmaken, controleren en openbaar maken en het jaar- en controleverslag over deze geconsolideerde jaarrekening opmaken en openbaar maken. Voor bepaalde categorieën van instellingen voor elektro- nisch geld of in bijzondere gevallen kan de Bank met redenen omklede afwijkingen toestaan van de in het eerste en derde lid bedoelde besluiten en reglementen, voor alle instellingen voor elektronisch geld die zich in vergelijkbare omstandighe- den bevinden. De instellingen voor elektronisch geld leggen hun jaarreke- ning en hun geconsolideerde jaarrekening neer bij de Bank. Art. 53 Dans la même section 3, il est inséré un article 80 rédigé comme suit: “Art. 80. Les établissements de monnaie électronique communiquent périodiquement à la Banque une situation fi nancière détaillée. Celle-ci est établie conformément aux règles fi xées par la Banque, qui en détermine également la fréquence. La Banque peut, en outre, prescrire la transmis- sion régulière d’autres informations chiffrées ou descriptives nécessaires à la vérifi cation du respect des dispositions de la présente loi ou des arrêtés et règlements pris en exécution de celles-ci. La direction effective de l’établissement de monnaie élec- tronique, le cas échéant le comité de direction, déclare à la Banque que les états périodiques précités qui lui sont transmis par l’établissement le cas échéant à la fi n du premier semestre social et en tout état de cause à la fi n de l’exercice social, sont conformes à la comptabilité et aux inventaires. Il est à cet effet requis que les états périodiques soient complets, c’est-à-dire qu’ils mentionnent toutes les données fi gurant dans la comp- tabilité et dans les inventaires sur la base desquels ils sont établis, et qu’ils soient corrects, c’est-à-dire qu’ils concordent exactement avec la comptabilité et avec les inventaires sur la base desquels ils sont établis. La direction effective confi rme avoir fait le nécessaire pour que les états précités soient éta- blis selon les instructions en vigueur de la Banque, ainsi que par application des règles de comptabilisation et d’évaluation présidant à l’établissement des comptes annuels, ou, s’agis- sant des états périodiques qui ne se rapportent pas à la fi n de l’exercice, par application des règles de comptabilisation et d’évaluation qui ont présidé à l’établissement des comptes annuels afférents au dernier exercice. Le Roi détermine, sur avis de la Banque, pour l’ensemble des établissements de monnaie électronique ou par catégorie d’établissements de monnaie électronique: 1° les règles selon lesquelles les établissements de monnaie électronique tiennent leur comptabilité, procèdent aux évaluations d’inventaire et établissent et publient leurs comptes annuels; 2° les règles à respecter par les établissements de monnaie électronique pour l’établissement, le contrôle et la publication de leurs comptes consolidés, ainsi que pour l’établissement et la publication des rapports de gestion et de contrôle relatifs à ces comptes consolidés. La Banque peut, pour certaines catégories d’établisse- ments de monnaie électronique ou dans des cas spéciaux, autoriser des dérogations motivées aux arrêtés et règlements visés aux alinéas 1er et 3, pour tous les établissements de monnaie électronique se trouvant dans des circonstances comparables. Les établissements de monnaie électronique déposent leurs comptes annuels et leurs comptes consolidés à la Banque. DOC 53 2432/001 90 2431/001 DOC 53 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 3 e L É G I S L A T U R E K AMER 3e Z ITTING VAN DE 53e Z ITTING S P E RIO DE 2011 2012 De in dit artikel bedoelde besluiten en reglementen worden genomen na raadpleging van de instellingen voor elektronisch geld, in voorkomend geval via hun representatieve beroeps- verenigingen.”. Art. 54 In Boek 3, Titel 2, Hoofdstuk 1 van dezelfde wet, ingevoegd bij artikel 30, wordt een afdeling 4 ingevoegd, luidende “Afde- ling 4. — Toezicht op de instellingen voor elektronisch geld”. Art. 55 In Boek 3, Titel 2, Hoofdstuk 1, Afdeling 4 van dezelfde wet, ingevoegd bij artikel 54, wordt een artikel 81 ingevoegd, luidende: “Art. 81. § 1. De instellingen voor elektronisch geld zijn onderworpen aan het toezicht van de Bank. De Bank ziet erop toe dat elke instelling voor elektronisch geld doorlopend werkt overeenkomstig de bepalingen van deze wet en de ter uitvoering ervan genomen besluiten en reglementen. Het toezicht door de Bank staat in verhouding tot en is afgestemd op de aard, de omvang en de complexi- teit van de door de instelling voor elektronisch geld verrichte werkzaamheden, en de eraan verbonden risico’s. § 2. De Bank kan zich door de instellingen voor elektronisch geld alle inlichtingen doen verstrekken over hun organisatie, werking, fi nanciële positie en verrichtingen. Met dat doel kan de Bank zich ook inlichtingen doen verstrekken door agenten of distributeurs van instellingen voor elektronisch geld, door dienstverleners als bedoeld in artikel 4, 17° en door andere entiteiten waaraan taken zijn uitbesteed. De Bank kan bij instellingen voor elektronisch geld ter plaatse inspecties verrichten en ter plaatse kennis nemen en een kopie maken van elk gegeven in bezit van de instelling voor elektronisch geld: 1° om na te gaan of de wettelijke en reglementaire bepa- lingen op het statuut van deinstellingen voor elektronisch geld zijn nageleefd en of de boekhouding en de jaarrekening, alsmede de haar door de instelling voor elektronisch geld voorgelegde staten en andere inlichtingen, juist en waarheids- getrouw zijn; 2° om het passende karakter te toetsen van de beleidss- tructuren, de administratieve en boekhoudkundige organisatie en de interne controle van de instelling voor elektronisch geld; 3° om zich ervan te vergewissen dat het beleid van de instelling voor elektronisch geld gezond en voorzichtig is, en dat haar positie of haar verrichtingen haar liquiditeit, rendabi- liteit of solvabiliteit niet in gevaar kunnen brengen. Les arrêtés et règlements visés au présent article sont pris après consultation des établissements de monnaie élec- tronique, le cas échéant représentés par leurs associations professionnelles.”. Art. 54 Dans le Livre 3, Titre 2, Chapitre 1er de la même loi, inséré par l’article 30, il est inséré une section 4 intitulée “Section 4. — Contrôle des établissements de monnaie électronique”. Art. 55 Dans le Livre 3, Titre 2, Chapitre 1er, Section 4 de la même loi, insérée par l’article 54, il est inséré un article 81 rédigé comme suit: “Art. 81. § 1er. Les établissements de monnaie électronique sont soumis au contrôle de la Banque. La Banque veille à ce que chaque établissement de mon- naie électronique opère en permanence conformément aux dispositions de la présente loi et des arrêtés et règlements pris pour son exécution. Le contrôle exercé par la Banque est proportionné et adéquat, au regard de la nature, du volume et de la complexité des activités de l’établissement de monnaie électronique, ainsi que des risques y afférents. § 2. La Banque peut se faire communiquer par les éta- blissements de monnaie électronique toutes informations relatives à leur organisation, à leur fonctionnement, à leur situation fi nancière et à leurs opérations. A cette fi n, la Banque peut également se faire communiquer des informations par les agents ou distributeurs d’établissements de monnaie électronique, par les prestataires de services visés à l’article 4, 17° et par d’autres entités vers lesquelles des tâches sont externalisées. La Banque peut procéder auprès des établissements de monnaie électronique à des inspections sur place et prendre connaissance et copie, sans déplacement, de toute informa- tion détenue par l’établissement de monnaie électronique, en vue: 1° de vérifi er le respect des dispositions légales et régle- mentaires relatives au statut des établissements de mon- naie électronique ainsi que l’exactitude et la sincérité de la comptabilité et des comptes annuels ainsi que des états et autres informations qui lui sont transmis par l’établissement de monnaie électronique; 2° de vérifier le caractère adéquat des structures de gestion, de l’organisation administrative et comptable et du contrôle interne de l’établissement de monnaie électronique; 3° de s’assurer que la gestion de l’établissement de mon- naie électronique est saine et prudente et que sa situation ou ses opérations ne sont pas de nature à mettre en péril sa liquidité, sa rentabilité ou sa solvabilité. DOC 53 2432/001 91 2431/001 DOC 53 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 3 e L É G I S L A T U R E K AMER 3e Z ITTING VAN DE 53e Z ITTING S P E RIO DE 2011 2012 Met dat doel kan de Bank ook ter plaatse inspecties verrichten bij agenten of distributeurs van instellingen voor elektronisch geld, dienstverleners als bedoeld in artikel 4, 17° en andere entiteiten waaraan taken zijn uitbesteed, en ter plaatse kennis nemen en een kopie maken van elk gegeven in hun bezit. § 3. Het toezicht van de Bank slaat evenwel niet op de door een instelling voor elektronisch geld verrichte andere werkzaamheden dan de uitgifte van elektronisch geld, de werkzaamheden bedoeld in artikel 77, § 2, 1° en 2°, en het bezit van deelnemingen als bedoeld in artikel 77, § 7, tenzij dit vereist is voor het toezicht op de naleving door de instelling voor elektronisch geld van de bepalingen van deze wet en de ter uitvoering ervan genomen besluiten en reglementen.”. Art. 56 In dezelfde afdeling 4 wordt een artikel 82 ingevoegd, luidende: “Art. 82. Relaties tussen een instelling voor elektronisch geld, haar agent of haar distributeur en een bepaalde cliënt behoren niet tot de bevoegdheid van de Bank, tenzij het toe- zicht op de instelling voor elektronisch geld dit vergt.”. Art. 57 In dezelfde afdeling 4 wordt een artikel 83 ingevoegd, luidende: “Art. 83. De Bank kan bij de bijkantoren van instellingen voor elektronisch geld naar Belgisch recht, evenals bij agen- ten, distributeurs, dienstverleners als bedoeld in artikel 4, 17° en andere entiteiten waaraan taken zijn uitbesteed, die in het buitenland zijn gevestigd, na voorafgaande kennisgeving aan de autoriteiten die in de betrokken staat belast zijn met het toezicht op de instellingen voor elektronisch geld, de in artikel 81, § 1, vierde lid, bedoelde inspecties verrichten, alsook alle inspecties met als doel de gegevens over de leiding en het beleid van het bijkantoor, alsook alle gegevens die het toezicht op de instelling voor elektronisch geld kunnen vergemakke- lijken, inzonderheid op het vlak van haar fi nanciële positie, administratieve en boekhoudkundige organisatie en interne controle, ter plaatse in te zamelen of te toetsen. Met hetzelfde doel en na kennisgeving aan de in het eerste lid bedoelde autoriteiten, kan de Bank een deskundige die zij aanstelt, gelasten alle nuttige controles en onderzoeken te verrichten. De bezoldiging en de kosten van deze deskundige worden door de instelling voor elektronisch geld gedragen. De bezoldiging en de kosten van deze deskundige worden door de instelling voor elektronisch geld gedragen. Evenzo kan de Bank deze autoriteiten verzoeken bepaalde van de in het eerste lid bedoelde controles en onderzoeken te verrichten.”. À cette fi n, la Banque peut également procéder à des inspections sur place auprès des agents ou distributeurs d’établissements de monnaie électronique, des prestataires de services visés à l’article 4, 17° et d’autres entités vers lesquelles des tâches sont externalisées, et prendre connais- sance et copie, sans déplacement, de toute information détenue par ces derniers. § 3. Le contrôle de la Banque ne porte toutefois pas sur les activités de l’établissement de monnaie électronique autres que l’activité d’émission de monnaie électronique, la prestation d’activités visées à l’article 77, § 2, 1° et 2°, et la détention de participations visée à l’article 77, § 7, sauf dans la mesure requise pour le contrôle du respect par l’établissement de monnaie électronique des dispositions de la présente loi et des arrêtés et règlements pris pour son exécution.”. Art. 56 Dans la même section 4, il est inséré un article 82 rédigé comme suit: “Art. 82. La Banque ne connaît des relations entre l’éta- blissement de monnaie électronique, son agent ou son dis- tributeur et un client déterminé que dans la mesure requise pour le contrôle de l’établissement de monnaie électronique.”. Art. 57 Dans la même section 4, il est inséré un article 83 rédigé comme suit: “Art. 83. La Banque peut procéder auprès des succursales des établissements de monnaie électronique de droit belge, des agents, des distributeurs, des prestataires de services visés à l’article 4, 17° et des autres entités vers lesquelles des tâches sont externalisées, établis à l’étranger, moyen- nant l’information préalable des autorités de l’État concerné chargées du contrôle des établissements de monnaie élec- tronique, aux inspections visées à l’article 81, § 1, alinéa 4, ainsi qu’à toute inspection en vue de recueillir ou de vérifi er sur place les informations relatives à la direction et à la gestion de la succursale ainsi que toutes informations susceptibles de faciliter le contrôle de l’établissement de monnaie élec- tronique, spécialement sur le plan de sa situation fi nancière, de son organisation administrative et comptable et de son contrôle interne. Elle peut, aux mêmes fi ns, et après en avoir avisé les autorités de contrôle visées à l’alinéa 1er, charger un expert, qu’elle désigne, d’effectuer les vérifi cations et expertises utiles. La rémunération et les frais de l’expert sont à charge de l’établissement de monnaie électronique. Elle peut, de même, demander à ces autorités de procéder aux vérifi cations et expertises visées à l’alinéa 1er qu’elle leur précise.”. DOC 53 2432/001 92 2431/001 DOC 53 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 3 e L É G I S L A T U R E K AMER 3e Z ITTING VAN DE 53e Z ITTING S P E RIO DE 2011 2012 Art. 58 Dans la même section 4, il est inséré un article 84 rédigé comme suit: “Art. 84. Les articles 28 à 32 s’appliquent aux établisse- ments de monnaie électronique.”. Art. 59 Dans la même section 4, il est inséré un article 85 rédigé comme suit: “Art. 85. Les commissaires agréés collaborent au contrôle exercé par la Banque, sous leur responsabilité personnelle et exclusive et conformément au présent article, aux règles de la profession et aux instructions de la Banque. A cette fi n: 1° ils évaluent les mesures de contrôle interne adoptées par les établissements de monnaie électronique conformé- ment aux articles 69, § 3, alinéa 1er et 79, alinéa 1er, f), et ils communiquent leurs conclusions en la matière à la Banque; 2° ils font rapport à la Banque sur: a) les résultats de l’examen limité des états périodiques transmis par les établissements de monnaie électronique à la Banque à la fi n du premier semestre social, confi rmant qu’ils n’ont pas connaissance de faits dont il apparaîtrait que ces états périodiques n’ont pas, sous tous égards signifi cative- ment importants, été établis selon les instructions en vigueur de la Banque. Ils confi rment en outre que les états périodiques arrêtés en fi n de semestre sont, pour ce qui est des données comptables, sous tous égards signifi cativement importants, conformes à la comptabilité et aux inventaires, en ce sens qu’ils sont complets, c’est-à-dire qu’ils mentionnent toutes les données fi gurant dans la comptabilité et dans les inventaires sur la base desquels ils sont établis, et qu’ils sont corrects, c’est-à-dire qu’ils concordent exactement avec la comptabilité et avec les inventaires sur la base desquels ils sont établis; ils confi rment également n’avoir pas connaissance de faits dont il apparaîtrait que les états périodiques arrêtés en fi n de semestre n’ont pas été établis par application des règles de comptabilisation et d’évaluation qui ont présidé à l’établis- sement des comptes annuels afférents au dernier exercice; la Banque peut préciser quels sont en l’occurrence les états périodiques visés; b) les résultats du contrôle des états périodiques transmis par les établissements de monnaie électronique à la Banque à la fi n de l’exercice social, confi rmant que ces états pério- diques ont, sous tous égards signifi cativement importants, été établis selon les instructions en vigueur de la Banque. Ils confi rment en outre que les états périodiques arrêtés en fi n d’exercice sont, pour ce qui est des données comptables, sous tous égards signifi cativement importants, conformes à la comptabilité et aux inventaires, en ce sens qu’ils sont complets, c’est-à-dire qu’ils mentionnent toutes les données fi gurant dans la comptabilité et dans les inventaires sur la base desquels ils sont établis, et qu’ils sont corrects, c’est- Art. 58 In dezelfde afdeling 4 wordt een artikel 84 ingevoegd, luidende: “Art. 84. De artikelen 28 tot 32 zijn van toepassing op de instellingen voor elektronisch geld.”. Art. 59 In dezelfde afdeling 4 wordt een artikel 85 ingevoegd, luidende: “Art. 85. De erkende commissarissen verlenen hun medewerking aan het toezicht van de Bank, op hun eigen en uitsluitende verantwoordelijkheid en overeenkomstig dit artikel, volgens de regels van het vak en de richtlijnen van de Bank. Daartoe: 1° beoordelen zij de internecontrolemaatregelen die de instellingen voor elektronisch geld hebben getroffen ove- reenkomstig de artikelen 69, § 3, eerste lid en 79, eerste lid, f), en delen zij hun bevindingen ter zake mee aan de Bank; 2° brengen zij verslag uit bij de Bank over: a) de resultaten van het beperkt nazicht van de periodieke staten die de instellingen voor elektronisch geld aan het einde van het eerste halfjaar aan de Bank bezorgen, waarin beves- tigd wordt dat zij geen kennis hebben van feiten waaruit zou blijken dat de periodieke staten per einde halfjaar niet in alle materieel belangrijke opzichten volgens de geldende richtli- jnen van de Bank werden opgesteld. Bovendien bevestigen zij dat de periodieke staten per einde halfjaar, voor wat de boekhoudkundige gegevens betreft, in alle materieel belan- grijke opzichten in overeenstemming zijn met de boekhouding en de inventarissen, in die zin dat zij volledig zijn, d.w.z. dat zij alle gegevens bevatten uit de boekhouding en de inventaris- sen op basis waarvan de periodieke staten worden opgesteld, en dat zij juist zijn, d.w.z. dat zij de gegevens correct weerge- ven uit de boekhouding en de inventarissen op basis waarvan de periodieke staten worden opgesteld; en bevestigen zij geen kennis te hebben van feiten waaruit zou blijken dat de periodieke staten per einde halfjaar niet zijn opgesteld met toepassing van de boekings- en waarderingsregels voor de opstelling van de jaarrekening met betrekking tot het laatste boekjaar; de Bank kan de hier bedoelde periodieke staten nader bepalen; b) de resultaten van de controle van de periodieke staten die de instellingen voor elektronisch geld aan het einde van het boekjaar aan de Bank bezorgen, waarin bevestigd wordt dat de periodieke staten in alle materieel belangrijke opzich- ten werden opgesteld volgens de geldende richtlijnen van de Bank. Bovendien bevestigen zij dat de periodieke staten per einde van het boekjaar, voor wat de boekhoudkundige gege- vens betreft, in alle materieel belangrijke opzichten in ove- reenstemming zijn met de boekhouding en de inventarissen, in die zin dat zij volledig zijn, d.w.z. dat zij alle gegevens bevatten uit de boekhouding en de inventarissen op basis waarvan de periodieke staten worden opgesteld, en dat zij juist zijn, d.w.z. DOC 53 2432/001 93 2431/001 DOC 53 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 3 e L É G I S L A T U R E K AMER 3e Z ITTING VAN DE 53e Z ITTING S P E RIO DE 2011 2012 dat zij de gegevens correct weergeven uit de boekhouding en de inventarissen op basis waarvan de periodieke staten worden opgesteld; en bevestigen zij dat de periodieke staten per einde van het boekjaar werden opgesteld met toepassing van de boekings- en waarderingsregels voor de opstelling van de jaarrekening; de Bank kan de hier bedoelde periodieke staten nader bepalen; 3° brengen zij bij de Bank op haar verzoek een bijzonder verslag uit over de organisatie, de werkzaamheden en de fi nanciële structuur van de instelling voor elektronisch geld; de kosten voor de opstelling van dit verslag worden door de instelling voor elektronisch geld gedragen; 4° brengen zij, in het kader van hun opdracht bij een instelling voor elektronisch geld of een revisorale opdracht bij een met een instelling voor elektronisch geld verbonden onderneming, op eigen initiatief verslag uit bij de Bank, zodra zij kennis krijgen van: a) beslissingen, feiten of ontwikkelingen die de positie van de instelling voor elektronisch geld fi nancieel of op het vlak van haar administratieve en boekhoudkundige organisatie of van haar interne controle, op betekenisvolle wijze beïnvloeden of kunnen beïnvloeden; b) beslissingen of feiten die kunnen wijzen op een overtre- ding van het Wetboek van Vennootschappen, de statuten, deze wet en de ter uitvoering ervan genomen besluiten en reglementen; c) andere beslissingen of feiten die kunnen leiden tot een weigering van de certifi cering van de jaarrekening of tot het formuleren van voorbehoud; 5° brengen zij minstens eenmaal per jaar verslag uit aan de Bank over de deugdelijkheid van de maatregelen die de instelling voor elektronisch geld heeft getroffen ter vrijwaring van de geldmiddelen die zij van houders van elektronisch geld ontvangt, met toepassing van artikel 78, §§ 1 en 2. Tegen erkende commissarissen die te goeder trouw infor- matie hebben verstrekt als bedoeld in het eerste lid, 4°, kunnen geen burgerrechtelijke, strafrechtelijke of tuchtrechtelijke vorderingen worden ingesteld, noch professionele sancties worden uitgesproken. De erkende commissarissen delen aan de leiders van de instelling voor elektronisch geld de verslagen mee die zij aan de Bank richten overeenkomstig het eerste lid, 3°. Voor deze mededeling geldt de geheimhoudingsplicht zoals geregeld bij artikel 35 van de wet van 22 februari 1998. Zij bezorgen de Bank een kopie van de mededelingen die zij aan deze leiders richten en die betrekking hebben op zaken die van belang kunnen zijn voor het toezicht dat zij uitoefent. De erkende commissarissen en de erkende revisorenven- nootschappen mogen bij de buitenlandse bijkantoren van de instelling waarop zij toezicht houden, het toezicht uitoefenen en de onderzoeken verrichten die bij hun opdracht horen. à-dire qu’ils concordent exactement avec la comptabilité et avec les inventaires sur la base desquels ils sont établis; ils confi rment également que les états périodiques arrêtés en fi n d’exercice ont été établis par application des règles de comptabilisation et d’évaluation présidant à l’établissement des comptes annuels; la Banque peut préciser quels sont en l’occurrence les états périodiques visés; 3° ils font à la Banque, à sa demande, des rapports spé- ciaux portant sur l’organisation, les activités et la structure financière de l’établissement de monnaie électronique, rapports dont les frais d’établissement sont supportés par l’établissement de monnaie électronique; 4° dans le cadre de leur mission auprès de l’établisse- ment de monnaie électronique ou d’une mission révisorale auprès d’une entreprise liée à l’établissement de monnaie électronique, ils font d’initiative rapport à la Banque dès qu’ils constatent: a) des décisions, des faits ou des évolutions qui infl uencent ou peuvent infl uencer de façon signifi cative la situation de l’établissement de monnaie électronique sous l’angle fi nan- cier ou sous l’angle de son organisation administrative et comptable ou de son contrôle interne; b) des décisions ou des faits qui peuvent constituer des violations du Code des sociétés, des statuts, de la présente loi et des arrêtés et règlements pris pour son exécution; c) des autres décisions ou des faits qui sont de nature à entraîner le refus ou des réserves en matière de certifi cation des comptes; 5° ils font rapport au moins tous les ans à la Banque sur l’adéquation des dispositions prises par les établissements de monnaie électronique pour préserver les fonds qu’ils reçoivent des détenteurs de monnaie électronique, en application de l’article 78, §§ 1er et 2. Aucune action civile, pénale ou disciplinaire ne peut être intentée ni aucune sanction professionnelle prononcée contre les commissaires agréés qui ont procédé de bonne foi à une information visée sous le 4° de l’alinéa 1er. Les commissaires agréés communiquent aux dirigeants de l’établissement de monnaie électronique les rapports qu’ils adressent à la Banque conformément à l’alinéa 1er, 3°. Ces communications tombent sous le secret organisé par l’article 35 de la loi du 22 février 1998. Ils transmettent à la Banque copie des communications qu’ils adressent à ces dirigeants et qui portent sur des questions de nature à intéresser le contrôle exercé par elle. Les commissaires agréés et les sociétés de réviseurs agréées peuvent effectuer les vérifi cations et expertises rele- vant de leurs fonctions auprès des succursales à l’étranger de l’établissement qu’ils contrôlent. DOC 53 2432/001 94 2431/001 DOC 53 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 3 e L É G I S L A T U R E K AMER 3e Z ITTING VAN DE 53e Z ITTING S P E RIO DE 2011 2012 Zij kunnen door de Bank, op verzoek van de Europese Centrale Bank, worden gelast te bevestigen dat de gegevens die de instellingen voor elektronisch geld aan deze autoriteiten moeten verstrekken, volledig, juist en conform de geldende regels zijn opgesteld.”. Art. 60 In Boek 3, Titel 2, Hoofdstuk 1 van dezelfde wet, ingevoegd bij artikel 30, wordt een afdeling 5 ingevoegd, luidende “Afde- ling 5. — Uitzonderlijke maatregelen en sancties ten aanzien van instellingen voor elektronisch geld”. Art. 61 In Boek 3, Titel 2, Hoofdstuk 1, Afdeling 5 van dezelfde wet, ingevoegd bij artikel 60, wordt een artikel 86 ingevoegd, luidende: “Art. 86. Bij beslissing die met een aangetekende brief of een brief met ontvangstbewijs ter kennis wordt gebracht, trekt de Bank de vergunning in van instellingen voor elektronisch geld die hun bedrijf niet binnen twaalf maanden na het verle- nen van de vergunning hebben aangevat, hun werkzaamhe- den gedurende meer dan zes maanden hebben gestaakt, afstand doen van hun vergunning, failliet zijn verklaard of hun bedrijf hebben stopgezet. De Bank maakt alle beslissingen tot intrekking van een vergunning bekend op haar website.”. Art. 62 In dezelfde afdeling 5 wordt een artikel 87 ingevoegd, luidende: “Art. 87. § 1. Wanneer de Bank vaststelt dat een instelling voor elektronisch geld niet werkt overeenkomstig de bepa- lingen van deze wet en de ter uitvoering ervan genomen besluiten en reglementen, dat haar beleid of fi nanciële positie de goede afl oop van haar verbintenissen in het gedrang dreigt te brengen of niet voldoende waarborgen biedt voor haar solvabiliteit, liquiditeit of rendabiliteit, dat haar beleidsstruc- turen, haar administratieve of boekhoudkundige organisatie, haar netwerk van agenten, distributeurs of bijkantoren, of haar interne controle ernstige leemten vertonen, of dat de voortzetting van haar bedrijf een bedreiging vormt voor de stabiliteit van het betalingssysteem, stelt zij de termijn vast waarbinnen deze toestand moet worden verholpen. Indien de toestand na deze termijn niet is verholpen, kan de Bank: 1° een speciaal commissaris aanstellen. In dit geval is voor alle handelingen en beslissingen van alle organen van de instelling, inclusief de algemene vergadering, alsook voor die van de personen die instaan voor het beleid, Ils peuvent être chargés par la Banque, à la demande de la Banque Centrale Européenne, de confi rmer que les informations que les établissements de monnaie électronique sont tenus de communiquer à ces autorités sont complètes, correctes et établies selon les règles qui s’y appliquent.”. Art. 60 Dans le Livre 3, Titre 2, Chapitre 1er de la même loi, inséré par l’article 30, il est inséré une section 5 intitulée “Section 5. — Mesures exceptionnelles et sanctions à l’égard des établissements de monnaie électronique”. Art. 61 Dans le Livre 3, Titre 2, Chapitre 1er, Section 5 de la même loi, insérée par l’article 60, il est inséré un article 86 rédigé comme suit: “Art. 86. La Banque radie, par décision notifi ée par lettre recommandée à la poste ou avec accusé de réception, l’agré- ment des établissements de monnaie électronique qui n’ont pas entamé leurs activités dans les douze mois de l’agrément, qui renoncent à l’agrément, qui ont arrêté leurs activités pen- dant une période supérieure à six mois, qui ont été déclarés en faillite ou qui ont cessé d’exercer leurs activités. La Banque rend publique, sur son site internet, toute déci- sion de radiation d’un agrément.”. Art. 62 Dans la même section 5, il est inséré un article 87 rédigé comme suit: “Art. 87. § 1er. Lorsque la Banque constate qu’un éta- blissement de monnaie électronique ne fonctionne pas en conformité avec les dispositions de la présente loi et des arrêtés et règlements pris pour son exécution, que sa gestion ou sa situation fi nancière sont de nature à mettre en cause la bonne fi n de ses engagements ou n’offrent pas des garanties suffisantes sur le plan de sa solvabilité, de sa liquidité ou de sa rentabilité, que ses structures de gestion, son orga- nisation administrative ou comptable, son réseau d’agents, de distributeurs ou de succursales, ou son contrôle interne présentent des lacunes graves, ou que la poursuite de ses activités représente une menace pour la stabilité du système de paiement, elle fi xe le délai dans lequel il doit être remédié à la situation constatée. Si, au terme de ce délai, il n’a pas été remédié à la situa- tion, la Banque peut: 1° désigner un commissaire spécial. Dans ce cas, l’autorisation écrite, générale ou spéciale de celui-ci est requise pour tous les actes et décisions de tous les organes de l’établissement, y compris l’assemblée DOC 53 2432/001 95 2431/001 DOC 53 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 3 e L É G I S L A T U R E K AMER 3e Z ITTING VAN DE 53e Z ITTING S P E RIO DE 2011 2012 zijn schriftelijke, algemene of bijzondere toestemming vereist; de verrichtingen waarvoor een toestemming is vereist, kan de Bank evenwel beperken. De speciaal commissaris mag elk voorstel dat hij nuttig acht aan alle organen van de instelling voorleggen, inclusief de algemene vergadering. De bezoldiging van de speciaal commissaris wordt vastgesteld door de Bank en gedragen door de instelling. De leden van de bestuurs- en de beleidsorganen en de personen die instaan voor het beleid, die handelingen stellen of beslissingen nemen zonder de vereiste toestemming van de speciaal commissaris, zijn hoofdelijk aansprakelijk voor het nadeel dat hieruit voor de instelling of voor derden voortvloeit. Indien de Bank de aanstelling van een speciaal commis- saris in het Belgisch Staatsblad heeft bekendgemaakt, met opgave van de handelingen en beslissingen waarvoor zijn toestemming is vereist, zijn alle handelingen en beslissingen zonder deze vereiste toestemming nietig, tenzij de speciaal commissaris die bekrachtigt. Onder dezelfde voorwaarden zijn alle beslissingen van de algemene vergadering zonder de vereiste toestemming van de speciaal commissaris nietig, tenzij hij die bekrachtigt. De Bank kan een plaatsvervangend commissaris aanstel- len; 2° voor de termijn die zij bepaalt, de rechtstreekse of onrechtstreekse uitoefening van het bedrijf van de instelling voor elektronisch geld geheel of ten dele schorsen dan wel verbieden; deze schorsing kan, in de door de Bank bepaalde mate, de volledige of gedeeltelijke schorsing van de uitvoering van de lopende overeenkomsten tot gevolg hebben. De leden van de bestuurs- en beleidsorganen en de per- sonen die instaan voor het beleid, die handelingen stellen of beslissingen nemen ondanks de schorsing, zijn hoofdelijk aansprakelijk voor het nadeel dat hieruit voor de instelling voor elektronisch geld of voor derden voortvloeit. Indien de Bank de schorsing in het Belgisch Staatsblad heeft bekendgemaakt, zijn alle hiermee strijdige handelingen en beslissingen nietig. De Bank kan een instelling voor elektronisch geld tevens gelasten deelnemingen over te dragen die zij in voorkomend geval bezit overeenkomstig artikel 77, § 7; 3° inzake solvabiliteit, strengere vereisten opleggen dan deze bedoeld in artikel 72; 4° de vervanging gelasten van bestuurders of zaakvoerders van de instelling voor elektronisch geld binnen een termijn die zij bepaalt en, zo binnen deze termijn geen vervanging geschiedt, in de plaats van de voltallige bestuurs- en beleid- sorganen van de instelling een of meer voorlopige bestuurders of zaakvoerders aanstellen die alleen of collegiaal, naargelang générale, et pour ceux des personnes chargées de la ges- tion; la Banque peut toutefois limiter le champ des opérations soumises à autorisation. Le commissaire spécial peut soumettre à la délibération de tous les organes de l’établissement, y compris l’assem- blée générale, toutes propositions qu’il juge opportunes. La rémunération du commissaire spécial est fi xée par la Banque et supportée par l’établissement. Les membres des organes d’administration et de gestion et les personnes chargées de la gestion qui accomplissent des actes ou prennent des décisions sans avoir recueilli l’autorisation requise du commissaire spécial sont respon- sables solidairement du préjudice qui en est résulté pour l’établissement ou les tiers. Si la Banque a publié au Moniteur belge la désignation du commissaire spécial et spécifi é les actes et décisions soumis à son autorisation, les actes et décisions intervenus sans cette autorisation alors qu’elle était requise sont nuls, à moins que le commissaire spécial ne les ratifi e. Dans les mêmes conditions toute décision d’assemblée générale prise sans avoir recueilli l’autorisation requise du commissaire spécial est nulle, à moins que le commissaire spécial ne la ratifi e. La Banque peut désigner un commissaire suppléant; 2° suspendre pour la durée qu’elle détermine l’exercice direct ou indirect de tout ou partie de l’activité de l’établisse- ment de monnaie électronique ou interdire cet exercice; cette suspension peut, dans la mesure déterminée par la Banque, impliquer la suspension totale ou partielle de l’exécution des contrats en cours. Les membres des organes d’administration et de gestion et les personnes chargées de la gestion qui accomplissent des actes ou prennent des décisions en violation de la sus- pension sont responsables solidairement du préjudice qui en est résulté pour l’établissement de monnaie électronique ou les tiers. Si la Banque a publié la suspension au Moniteur belge, les actes et décisions intervenus à l’encontre de celle-ci sont nuls. La Banque peut, de même, enjoindre à un établissement de monnaie électronique de céder des participations qu’il détient, le cas échéant, conformément à l’article 77, § 7; 3° imposer, en matière de solvabilité, des exigences plus strictes que celles visées à l’article 72; 4° enjoindre le remplacement des administrateurs ou gérants de l’établissement de monnaie électronique dans un délai qu’elle détermine et, à défaut d’un tel remplacement dans ce délai, substituer à l’ensemble des organes d’admi- nistration et de gestion de l’établissement un ou plusieurs administrateurs ou gérants provisoires qui disposent, seuls DOC 53 2432/001 96 2431/001 DOC 53 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 3 e L É G I S L A T U R E K AMER 3e Z ITTING VAN DE 53e Z ITTING S P E RIO DE 2011 2012 van het geval, de bevoegdheden hebben van de vervangen personen. De Bank maakt haar beslissing bekend in het Belgisch Staatsblad. De bezoldiging van de voorlopige bestuurder(s) of zaakvoerder(s) wordt vastgesteld door de Bank en gedragen door de instelling voor elektronisch geld. De Bank kan op elk tijdstip de voorlopige bestuurder(s) of zaakvoerder(s) vervangen, hetzij ambtshalve, hetzij op verzoek van een meerderheid van aandeelhouders of venno- ten, wanneer zij aantonen dat het beleid van de betrokkenen niet meer de nodige waarborgen biedt; 5° de vergunning herroepen. De Bank maakt alle beslis- singen tot herroeping van een vergunning bekend op haar website. Bij uiterste hoogdringendheid kan de Bank de in deze paragraaf bedoelde maatregelen nemen zonder dat vooraf een hersteltermijn wordt vastgesteld. § 2. De in paragraaf 1 bedoelde beslissingen van de Bank hebben voor de instelling voor elektronisch geld uitwerking vanaf de datum van hun kennisgeving met een aangetekende brief of een brief met ontvangstbewijs en, voor derden, vanaf de datum van hun bekendmaking overeenkomstig paragraaf 1. § 3. Wanneer de Bank kennis heeft van het feit dat een instelling voor elektronisch geld, haar agenten of haar dis- tributeurs een bijzonder mechanisme hebben ingesteld met als doel of gevolg fi scale fraude door derden te bevorderen, zijn paragraaf 1, eerste en tweede lid, 2°, en paragraaf 2 van toepassing. Wanneer de Bank vaststelt dat de gegevens bedoeld in artikel 20, § 1, die haar door een instelling voor elektronisch geld zijn verstrekt krachtens artikel 76, § 3, onjuist of onvolle- dig zijn, kan zij de inschrijving van de agent op de lijst bedoeld in artikel 64 schorsen of schrappen. § 4. Paragraaf 1, eerste lid, en paragraaf 2 zijn niet van toepassing bij intrekking van de vergunning van een failliet verklaarde instelling voor elektronisch geld.”. Art. 63 In dezelfde afdeling 5 wordt een artikel 88 ingevoegd, luidende: “Art. 88. Wanneer de autoriteiten die toezicht houden op de instellingen voor elektronisch geld in een andere lidstaat van de EER, waar een instelling voor elektronisch geld naar Belgisch recht een beroep doet op een agent of voornemens is dit te doen, de Bank ervan in kennis stellen dat zij goede redenen hebben om te vermoeden dat geld wordt of werd witgewassen of terrorisme gefi nancierd wordt of werd, of dat gepoogd wordt of gepoogd werd geld wit te wassen of terrorisme te fi nancieren in de zin van Richtlijn 2005/60/EG, of dat het feit dat op een agent een beroep wordt gedaan, het ou collégialement selon le cas, des pouvoirs des personnes remplacées. La Banque publie sa décision au Moniteur belge. La rémunération du ou des administrateurs ou gérants provisoires est fi xée par la Banque et supportée par l’établis- sement de monnaie électronique. La Banque peut, à tout moment, remplacer le ou les administrateurs ou gérants provisoires, soit d’office, soit à la demande d’une majorité des actionnaires ou associés lorsqu’ils justifi ent que la gestion des intéressés ne présente plus les garanties nécessaires; 5° révoquer l’agrément. La Banque rend publique, sur son site internet, toute décision de révocation d’un agrément. En cas d’extrême urgence, la Banque peut adopter les mesures visées au présent paragraphe sans qu’un délai de redressement ne soit préalablement fi xé. § 2. Les décisions de la Banque visées au paragraphe 1er produisent leurs effets à l’égard de l’établissement de mon- naie électronique à dater de leur notifi cation à celui-ci par lettre recommandée à la poste ou avec accusé de réception et, à l’égard des tiers, à dater de leur publication conformément au paragraphe 1er. § 3. Le paragraphe 1er, alinéas 1er et 2, 2°, et le paragraphe 2 sont applicables au cas où la Banque a connaissance du fait qu’un établissement de monnaie électronique, ses agents ou ses distributeurs ont mis en place un mécanisme particulier ayant pour but ou pour effet de favoriser la fraude fi scale par des tiers. Lorsque la Banque constate que les renseignements visés à l’article 20, § 1er, qui lui ont été communiqués par un établissement de monnaie électronique en vertu de l’article 76, § 3, sont inexacts ou incomplets, elle peut suspendre ou radier l’inscription de l’agent sur la liste visée à l’article 64. § 4. Le paragraphe 1er, alinéa 1er, et le paragraphe 2 ne sont pas applicables en cas de radiation de l’agrément d’un établissement de monnaie électronique déclaré en faillite.”. Art. 63 Dans la même section 5, il est inséré un article 88 rédigé comme suit: “Art. 88. Lorsque les autorités de contrôle des établisse- ments de monnaie électronique d’un autre État membre de l’EEE dans lequel un établissement de monnaie électronique de droit belge recourt à un agent, ou envisage de le faire, infor- ment la Banque qu’elles ont de bonnes raisons de soupçonner qu’une opération ou une tentative de blanchiment de capitaux ou de fi nancement du terrorisme au sens de la Directive 2005/60/CE est en cours ou a eu lieu, ou que le recours à l’agent pourrait accroître le risque de blanchiment de capitaux ou de fi nancement du terrorisme, la Banque prend, dans les DOC 53 2432/001 97 2431/001 DOC 53 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 3 e L É G I S L A T U R E K AMER 3e Z ITTING VAN DE 53e Z ITTING S P E RIO DE 2011 2012 risico op witwassen van geld of fi nanciering van terrorisme zou kunnen verhogen, neemt de Bank zo spoedig mogelijk de vereiste maatregelen bedoeld in artikel 87, § 1. Artikel 87, § 2, is eveneens van toepassing. In het geval bedoeld in het eerste lid kan de Bank eisen dat de instelling voor elektronisch geld niet langer een beroep doet op de betrokken agent en kan zij de inschrijving van de agent, als bedoeld in artikel 20, § 2, hetzij weigeren, hetzij schrappen.”. Art. 64 In dezelfde afdeling 5 wordt een artikel 89 ingevoegd, luidende: “Art. 89. De Bank brengt onmiddellijk ter kennis van de autoriteiten die toezicht houden op de instellingen voor elektronisch geld in andere lidstaten van de EER waar een instelling voor elektronisch geld naar Belgisch recht een bijkantoor heeft gevestigd of werkzaamheden verricht in het kader van het vrij verrichten van diensten, welke beslissingen zij overeenkomstig de artikelen 86, 87 en 88 heeft genomen. Zij houdt deze autoriteiten op de hoogte van de behandeling van het beroep tegen deze beslissingen.”. Art. 65 In dezelfde afdeling 5 wordt een artikel 90 ingevoegd, luidende: “Art. 90. De instellingen voor elektronisch geld waarvan de vergunning is ingetrokken of herroepen op grond van deze wet, blijven onderworpen aan deze wet tot hun verbintenissen ten aanzien van de houders van elektronisch geld, en, in voor- komend geval, van de betalingsdienstgebruikers, zijn veref- fend, tenzij de Bank hen vrijstelt van bepaalde voorschriften. Dit artikel is niet van toepassing bij intrekking van de ver- gunning van een failliet verklaarde instelling voor elektronisch geld.”. Art. 66 In Boek 3, Titel 2 van dezelfde wet, ingevoegd bij artikel 29, wordt een Hoofdstuk 2 ingevoegd, luidende: “HOOFDSTUK 2 -. Bijkantoren en dienstverrichtingen in België van instellingen voor elektronisch geld die ressorteren onder het recht van een andere lidstaat van de EER”. Art. 67 In Boek 3, Titel 2, Hoofdstuk 2 van dezelfde wet, ingevoegd bij artikel 66, wordt een artikel 91 ingevoegd, luidende: “Art. 91. Iedere instelling voor elektronisch geld die ressor- teert onder het recht van een andere lidstaat van de EER en op plus brefs délais, celles des mesures visées à l’article 87, § 1er, qui s’imposent. L’article 87, § 2, est également d’application. La Banque peut, dans le cas visé à l’alinéa 1er, exiger que l’établissement de monnaie électronique ne recoure plus à l’agent concerné et peut soit refuser, soit radier l’inscription de l’agent visée à l’article 20, § 2.”. Art. 64 Dans la même section 5, il est inséré un article 89 rédigé comme suit: “Art. 89. La Banque informe sans délai les autorités de contrôle des établissements de monnaie électronique des autres États membres de l’EEE dans lesquels un établis- sement de monnaie électronique de droit belge a établi une succursale ou exerce des activités sous le régime de la libre prestation de services, des décisions qu’elle a prises conformément aux articles 86, 87 et 88. Elle tient ces auto- rités informées des suites données aux recours pris contre ces décisions.”. Art. 65 Dans la même section 5, il est inséré un article 90 rédigé comme suit: “Art. 90. Les établissements de monnaie électronique dont l’agrément a été radié ou révoqué en vertu de la présente loi, restent soumis à cette loi jusqu’à la liquidation de leurs enga- gements vis-à-vis des détenteurs de monnaie électronique, et le cas échéant, des utilisateurs de services de paiement, à moins que la Banque ne les en dispense pour certaines dispositions. Le présent article n’est pas applicable en cas de radiation de l’agrément d’un établissement de monnaie électronique déclaré en faillite.”. Art. 66 Dans le Livre 3, Titre 2 de la même loi, inséré par l’article 29, il est inséré un Chapitre 2, intitulé: “CHAPITRE 2. - Suc- cursales et activités de prestation de services en Belgique des établissements de monnaie électronique relevant du droit d’un autre État membre de l’EEE”. Art. 67 Dans le Livre 3, Titre 2, Chapitre 2, inséré par l’article 66, il est inséré un article 91 rédigé comme suit: “Art. 91. Les établissements de monnaie électronique relevant du droit d’un autre État membre de l’EEE, qui sont DOC 53 2432/001 98 2431/001 DOC 53 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 3 e L É G I S L A T U R E K AMER 3e Z ITTING VAN DE 53e Z ITTING S P E RIO DE 2011 2012 grond van haar nationaal recht elektronisch geld mag uitgeven in haar land van herkomst, mag deze werkzaamheden in Bel- gië aanvatten, hetzij via de vestiging van een bijkantoor, hetzij in het kader van het vrij verrichten van diensten, zodra de Bank de betrokken instelling ervan in kennis heeft gesteld dat zij de mededeling van de toezichthoudende autoriteiten van het land van herkomst van deze instelling heeft ontvangen, met opgave van de werkzaamheden die deze instelling in België wenst uit te oefenen. Binnen drie werkdagen na ontvangst van de mededeling stelt de Bank de betrokken instelling voor elektronisch geld hiervan in kennis. Bij gebrek aan kennisge- ving binnen deze termijn mag de instelling voor elektronisch geld de voorgenomen werkzaamheden aanvatten, na de Bank hiervan op de hoogte te hebben gebracht. De Bank maakt op haar website de lijst bekend van de instellingen voor elektro- nisch geld die ressorteren onder het recht van een andere lidstaat van de EER en in België actief zijn of verwijst naar de website van de bevoegde autoriteit in het land van herkomst van deze instellingen voor elektronisch geld. Bij de uitoefening van haar bedrijf in België vermeldt een in het eerste lid bedoelde instelling voor elektronisch geld naast haar naam, haar land van herkomst en, indien zij werkzaam is in het kader van het vrij verrichten van diensten, haar maatschappelijke zetel.”. Art. 68 In hetzelfde Hoofdstuk 2 wordt een artikel 92 ingevoegd, luidende: “Art. 92. § 1. De bepalingen van dit hoofdstuk doen geen afbreuk aan de naleving, bij de uitgifte van elektronisch geld, of, in voorkomend geval, bij het aanbieden en uitvoeren van betalingsdiensten, van de wettelijke en reglementaire bepa- lingen die in België van toepassing zijn op de instellingen voor elektronisch geld en hun verrichtingen, om redenen van algemeen belang. De Bank deelt aan de in artikel 91 bedoelde instelling voor elektronisch geld mee welke bepalingen naar haar weten van algemeen belang zijn. De bepalingen van dit hoofdstuk doen evenmin afbreuk aan de naleving van de wettelijke en reglementaire bepalingen die in België van toepassing zijn op andere werkzaamheden dan de uitgifte van elektronisch geld en het verrichten van betalingsdiensten. § 2. De leiders van het bijkantoor brengen minstens een- maal per jaar verslag uit aan de Bank en aan de erkende revisor of de erkende revisorenvennootschap, over de deugdelijkheid van de internecontrolemaatregelen die de bijkantoren hebben getroffen om zich te conformeren aan de bepalingen die krachtens paragraaf 1 van toepassing zijn.”. Art. 69 In hetzelfde Hoofdstuk 2 wordt een artikel 93 ingevoegd, luidende: habilités en vertu de leur droit national à émettre de la mon- naie électronique dans leur État d’origine peuvent entamer ces activités en Belgique, soit par voie d’installation de succursales, soit sous le régime de la libre prestation de services, dès que la Banque a notifi é à ces établissements la réception de la communication qui lui a été faite par l’autorité de contrôle de l’État d’origine de ces établissements portant sur les activités qu’ils entendent exercer en Belgique. La notifi cation est adressée par la Banque à l’établissement de monnaie électronique intéressé dans les trois jours ouvrables de la réception de la communication. À défaut de notifi cation dans ce délai, l’établissement de monnaie électronique peut entamer les activités annoncées, après en avoir informé la Banque. La Banque publie sur son site internet la liste des établissements de monnaie électronique qui relèvent du droit d’un autre État membre de l’EEE et qui exercent des activités en Belgique, ou renvoie au site internet de l’autorité compétente dans l’État d’origine de ces établissements de monnaie électronique. Les établissements de monnaie électronique visés à l’alinéa 1er font, dans l’exercice de leur activité en Belgique, accompagner leur dénomination de la mention de leur État d’origine et, en cas de libre prestation de services, de leur siège social.”. Art. 68 Dans le même Chapitre 2, il est inséré un article 92 rédigé comme suit: “Art. 92 § 1er. Les dispositions du présent chapitre ne portent pas préjudice au respect, lors de l’émission de mon- naie électronique, ou le cas échéant, lors de la fourniture et de l’exécution de services de paiement, des dispositions légales et réglementaires applicables en Belgique aux éta- blissements de monnaie électronique et à leurs opérations pour des raisons d’intérêt général. La Banque donne aux établissements de monnaie élec- tronique visés à l’article 91 communication des dispositions qui, à sa connaissance, ont ce caractère. Les dispositions du présent chapitre ne portent pas davantage préjudice au respect des dispositions légales et réglementaires applicables, en Belgique, aux activités autres que l’émission de monnaie électronique et la prestation de services de paiement. § 2. Les dirigeants de la succursale font rapport au moins une fois par an à la Banque et au réviseur agréé ou à la société de réviseurs agréée sur l’adéquation des mesures de contrôle interne adoptées par les succursales en vue de se conformer aux dispositions applicables en vertu du paragraphe 1er.”. Art. 69 Dans le même Chapitre 2, il est inséré un article 93 rédigé comme suit: DOC 53 2432/001 99 2431/001 DOC 53 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 3 e L É G I S L A T U R E K AMER 3e Z ITTING VAN DE 53e Z ITTING S P E RIO DE 2011 2012 “Art. 93. De in artikel 91 bedoelde instellingen voor elektro- nisch geld bezorgen aan de Bank, volgens de frequentie die zij bepaalt, voor statistische doeleinden bestemde periodieke verslagen over de verrichtingen die hun in België gevestigde bijkantoren in België uitvoeren. Artikel 80, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing. Na advies van Bank bepaalt de Koning volgens welke regels de in artikel 91 bedoelde bijkantoren: 1° hun boekhouding voeren en inventarisramingen ver- richten; 2° hun jaarrekening opmaken; 3° de jaarlijkse boekhoudkundige gegevens in verband met hun verrichtingen openbaar maken.”. Art. 70 In hetzelfde Hoofdstuk 2 wordt een artikel 94 ingevoegd, luidende: “Art. 94. § 1. De in artikel 91 bedoelde bijkantoren zijn onderworpen aan het toezicht van de Bank voor het bepaalde in de artikelen 92 en 93, voor zover de Bank bevoegd is voor de in deze bepalingen voorkomende aspecten. De artikelen 81 en 82 zijn dienovereenkomstig van toepassing. Op verzoek van de toezichthoudende autoriteiten van het land van herkomst van de instelling voor elektronisch geld mag de Bank, als een vorm van bijstand aan deze autoriteiten, bij deze bijkantoren inspecties verrichten, die zowel op de in het eerste lid als op de in artikel 83, eerste lid, bedoelde aspecten kunnen slaan. De kosten van deze inspecties en controles worden gedragen door de autoriteit die erom verzoekt. Bij dringende noodzaak en met onmiddellijke kennisge- ving aan de toezichthoudende autoriteiten van het land van herkomst van de instelling voor elektronisch geld, kan de Bank nagaan of het bedrijf van het bijkantoor in België in overeenstemming is met de van toepassing zijnde wetgeving. § 2. De buitenlandse autoriteiten die bevoegd zijn voor het toezicht op de instellingen voor elektronisch geld die in België een bijkantoor hebben geopend als bedoeld in artikel 91 mogen, na voorafgaande kennisgeving aan de Bank, de in artikel 83, eerste lid, bedoelde gegevens in deze bijkantoren controleren of op hun kosten laten controleren door deskun- digen die zij aanstellen.”. Art. 71 In hetzelfde Hoofdstuk 2 wordt een artikel 95 ingevoegd, luidende: “Art. 95. § 1. De leiders van de in artikel 91 bedoelde bijkantoren stellen een of meer door de Bank erkende revi- “Art. 93. Les établissements de monnaie électronique visés à l’article 91 transmettent à la Banque, selon la périodicité que celle-ci détermine, des rapports périodiques à des fi ns statistiques relatifs aux opérations effectuées, dans le pays, par leurs succursales établies en Belgique. L’article 80, alinéa 2, s’applique par analogie. Le Roi détermine, sur avis de la Banque, les règles selon lesquelles les succursales visées à l’article 91: 1° tiennent leur comptabilité et procèdent aux évaluations d’inventaire; 2° établissent des comptes annuels; 3° publient des informations comptables annuelles relatives à leurs opérations.”. Art. 70 Dans le même Chapitre 2, il est inséré un article 94 rédigé comme suit: “Art. 94. § 1er. Les succursales visées à l’article 91 sont soumises au contrôle de la Banque aux fi ns prévues par les articles 92 et 93, dans la mesure où les matières visées par ces dispositions relèvent de la compétence de la Banque. Les articles 81 et 82 sont applicables dans cette mesure. La Banque peut accepter de se charger, à la demande des autorités de contrôle de l’État d’origine de l’établissement de monnaie électronique, d’effectuer auprès de ces succursales des inspections dans un but d’assistance à ces autorités, portant tant sur les matières visées à l’alinéa 1er que sur celles visées à l’article 83, alinéa 1er. Les frais entraînés par ces inspections et vérifi cations sont à la charge de l’autorité requérante. En cas d’urgence et moyennant avis donné aussitôt à l’autorité de contrôle de l’État d’origine de l’établissement de monnaie électronique, la Banque peut vérifi er que l’activité de la succursale en Belgique est conforme à la législation qui lui est applicable. § 2. Les autorités étrangères compétentes pour le contrôle des établissements de monnaie électronique ayant ouvert en Belgique une succursale visée à l’article 91 peuvent, moyen- nant un avis préalable donné à la Banque, procéder ou faire procéder, à leurs frais, par des experts qu’elles désignent, à la vérifi cation, auprès de ces succursales, des informations visées à l’article 83, alinéa 1er.”. Art. 71 Dans le même Chapitre 2, il est inséré un article 95 rédigé comme suit: “Art. 95. § 1er. Les dirigeants des succursales visées à l’article 91 désignent, pour des durées renouvelables de trois DOC 53 2432/001 100 2431/001 DOC 53 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 3 e L É G I S L A T U R E K AMER 3e Z ITTING VAN DE 53e Z ITTING S P E RIO DE 2011 2012 soren of erkende revisorenvennootschappen aan voor een hernieuwbare termijn van drie jaar. De artikelen 31 en 32, eerste tot vierde lid, zijn van toepas- sing op deze revisoren en vennootschappen. Vooraleer een erkende revisor of een erkende revisorenvennootschap van zijn of haar opdracht wordt ontslaan, moet het advies van de Bank worden ingewonnen. § 2. De overeenkomstig § 1 aangestelde erkende revi- soren of erkende revisorenvennootschappen verlenen hun medewerking aan het toezicht van de Bank, op hun eigen en uitsluitende verantwoordelijkheid en overeenkomstig deze paragraaf, volgens de regels van het vak en de richtlijnen van de Bank. Daartoe: 1° beoordelen zij de internecontrolemaatregelen die de bijkantoren hebben getroffen met het oog op de naleving van de wetten, besluiten en reglementen die krachtens artikel 93 van toepassing zijn op de bijkantoren, en delen zij hun bevindingen mee aan de Bank; 2° brengen zij verslag uit bij de Bank over: a) de resultaten van het beperkt nazicht van de periodieke staten die de in artikel 91 bedoelde bijkantoren aan het einde van het eerste halfjaar aan de Bank bezorgen, waarin beves- tigd wordt dat zij geen kennis hebben van feiten waaruit zou blijken dat de periodieke staten per einde halfjaar niet in alle materieel belangrijke opzichten volgens de geldende richtli- jnen van de Bank werden opgesteld. Bovendien bevestigen zij dat de periodieke staten per einde halfjaar, voor wat de boekhoudkundige gegevens betreft, in alle materieel belan- grijke opzichten in overeenstemming zijn met de boekhouding en de inventarissen, in die zin dat zij volledig zijn, d.w.z. dat zij alle gegevens bevatten uit de boekhouding en de inventaris- sen op basis waarvan de periodieke staten worden opgesteld, en dat zij juist zijn, d.w.z. dat zij de gegevens correct weerge- ven uit de boekhouding en de inventarissen op basis waarvan de periodieke staten worden opgesteld; en bevestigen zij geen kennis te hebben van feiten waaruit zou blijken dat de periodieke staten per einde halfjaar niet zijn opgesteld met toepassing van de boekings- en waarderingsregels voor de opstelling van de jaarrekening met betrekking tot het laatste boekjaar; de Bank kan de hier bedoelde periodieke staten nader bepalen; b) de resultaten van de controle van de periodieke staten die de in artikel 91 bedoelde bijkantoren aan het einde van het boekjaar aan de Bank bezorgen, waarin bevestigd wordt dat de periodieke staten in alle materieel belangrijke opzich- ten werden opgesteld volgens de geldende richtlijnen van de Bank. Bovendien bevestigen zij dat de periodieke staten per einde van het boekjaar, voor wat de boekhoudkundige gege- vens betreft, in alle materieel belangrijke opzichten in ove- reenstemming zijn met de boekhouding en de inventarissen, in die zin dat zij volledig zijn, d.w.z. dat zij alle gegevens bevatten uit de boekhouding en de inventarissen op basis waarvan de periodieke staten worden opgesteld, en dat zij juist zijn, d.w.z. dat zij de gegevens correct weergeven uit de boekhouding en de inventarissen op basis waarvan de periodieke staten worden opgesteld; en bevestigen zij dat de periodieke staten ans, un ou plusieurs réviseurs agréés ou une ou plusieurs sociétés de réviseurs agréées par la Banque. Les articles 31 et 32, alinéas 1er à 4, sont applicables à ces réviseurs et sociétés. La révocation des fonctions des réviseurs agréés et sociétés de réviseurs agréées est soumise à l’avis préalable de la Banque. § 2. Les réviseurs agréés ou sociétés de réviseurs agréées, désignés conformément au § 1er, collaborent au contrôle exercé par la Banque, sous leur responsabilité personnelle et exclusive et conformément au présent paragraphe, aux règles de la profession et aux instructions de la Banque. A cette fi n: 1° ils évaluent les mesures de contrôle interne adoptées par les succursales en vue du respect des lois, arrêtés et règlements applicables aux succursales en vertu de l’article 93, et ils communiquent leurs conclusions à la Banque; 2° ils font rapport à la Banque sur: a) les résultats de l’examen limité des états périodiques transmis par les succursales visées à l’article 91 à la Banque à la fi n du premier semestre social, confi rmant qu’ils n’ont pas connaissance de faits dont il apparaîtrait que ces états périodiques n’ont pas, sous tous égards signifi cativement importants, été établis selon les instructions en vigueur de la Banque. Ils confi rment en outre que les états périodiques arrêtés en fi n de semestre sont, pour ce qui est des données comptables, sous tous égards signifi cativement importants, conformes à la comptabilité et aux inventaires, en ce sens qu’ils sont complets, c’est-à-dire qu’ils mentionnent toutes les données fi gurant dans la comptabilité et dans les inventaires sur la base desquels ils sont établis, et qu’ils sont corrects, c’est-à-dire qu’ils concordent exactement avec la comptabilité et avec les inventaires sur la base desquels ils sont établis; ils confi rment également n’avoir pas connaissance de faits dont il apparaîtrait que les états périodiques arrêtés en fi n de semestre n’ont pas été établis par application des règles de comptabilisation et d’évaluation qui ont présidé à l’établis- sement des comptes annuels afférents au dernier exercice; la Banque peut préciser quels sont en l’occurrence les états périodiques visés; b) les résultats du contrôle des états périodiques transmis par les succursales visées à l’article 91 à la Banque à la fi n de l’exercice social, confi rmant que ces états périodiques ont, sous tous égards significativement importants, été établis selon les instructions en vigueur de la Banque. Ils confi rment en outre que les états périodiques arrêtés en fi n d’exercice sont, pour ce qui est des données comptables, sous tous égards signifi cativement importants, conformes à la comptabilité et aux inventaires, en ce sens qu’ils sont complets, c’est-à-dire qu’ils mentionnent toutes les données fi gurant dans la comptabilité et dans les inventaires sur la base desquels ils sont établis, et qu’ils sont corrects, c’est- à-dire qu’ils concordent exactement avec la comptabilité et avec les inventaires sur la base desquels ils sont établis; ils confi rment également que les états périodiques arrêtés en DOC 53 2432/001 101 2431/001 DOC 53 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 3 e L É G I S L A T U R E K AMER 3e Z ITTING VAN DE 53e Z ITTING S P E RIO DE 2011 2012 per einde van het boekjaar werden opgesteld met toepassing van de boekings- en waarderingsregels voor de opstelling van de jaarrekening; de Bank kan de hier bedoelde periodieke staten nader bepalen. Zij kunnen door de Bank, op verzoek van de Europese Centrale Bank, worden gelast ook de gegevens te bevestigen die de bijkantoren aan deze autoriteiten moeten verstrekken met toepassing van artikel 93, eerste lid; 3° brengen zij bij de Bank periodiek verslag uit of, op haar verzoek, bijzonder verslag uit over de organisatie, de wer- kzaamheden en de fi nanciële structuur van de bijkantoren met betrekking tot de aangelegenheden waarvoor de Bank bevoegd is; 4° brengen zij op eigen initiatief verslag uit bij de Bank, over aspecten waarvoor zij bevoegd is, alsook in het kader van de samenwerking met de autoriteiten die toezicht houden op de centrale zetel, zodra zij kennis krijgen van: a) beslissingen, feiten of ontwikkelingen die de positie van het bijkantoor fi nancieel of op het vlak van zijn administratieve en boekhoudkundige organisatie of van zijn interne controle, op betekenisvolle wijze beïnvloeden of kunnen beïnvloeden; b) beslissingen of feiten die kunnen wijzen op een overtre- ding van de bepalingen van deze wet en de ter uitvoering ervan genomen besluiten en reglementen of andere wetten en reglementen die op hun bedrijf in België van toepassing zijn, voor zover de in deze bepalingen bedoelde aangelegenheden tot de bevoegdheid van de Bank behoren; 5° brengen zij bij de Bank, op haar verzoek, verslag uit, wanneer een andere Belgische overheid haar ter kennis brengt dat een wetgeving van algemeen belang die voor het bijkantoor geldt, werd overtreden. Tegen erkende revisoren die te goeder trouw informatie hebben verstrekt als bedoeld in het eerste lid, 4°, kunnen geen burgerrechtelijke, strafrechtelijke of tuchtrechtelijke vorderingen worden ingesteld, noch professionele sancties worden uitgesproken. Zij delen aan de leiders van het bijkantoor de verslagen mee die zij aan de Bank richten overeenkomstig het eerste lid, 3°. Voor deze mededeling geldt de geheimhoudingsplicht zoals geregeld bij artikel 35 van de wet van 22 februari 1998. Zij bezorgen de Bank een kopie van de mededelingen die zij aan deze leiders richten en die betrekking hebben op aspecten waarvoor de Bank toezichtsbevoegdheid heeft. In bijkantoren waar een ondernemingsraad is opgericht met toepassing van de wet van 20 september 1948 houdende organisatie van het bedrijfsleven, oefenen de erkende revi- soren of de erkende revisorenvennootschappen de in artikel 15bis van deze wet bedoelde opdrachten uit. Artikel 15quater, tweede lid, eerste en derde zin, en derde lid, van deze wet is van toepassing. fi n d’exercice ont été établis par application des règles de comptabilisation et d’évaluation présidant à l’établissement des comptes annuels; la Banque peut préciser quels sont en l’occurrence les états périodiques visés. Ils peuvent être chargés par la Banque, à la demande de la Banque Centrale Européenne, de confi rmer, de même, les informations que les succurcales sont tenues de communiquer à ces autorités par application de l’article 93, alinéa 1er; 3° ils font à la Banque des rapports périodiques ou, à sa demande, des rapports spéciaux portant sur l’organisation, les activités et la structure fi nancière des succursales dans les domaines de compétence de la Banque à l’égard de celles-ci; 4° ils font d’initiative rapport à la Banque dans les domaines de compétence de celle-ci ainsi qu’en vue de la collabora- tion avec l’autorité de contrôle du siège central, dès qu’ils constatent: a) des décisions, des faits ou des évolutions qui infl uencent ou peuvent infl uencer de façon signifi cative la situation de la succursale sous l’angle fi nancier ou sous l’angle de son organisation administrative et comptable ou de son contrôle interne; b) des décisions ou des faits qui peuvent constituer des violations des dispositions de la présente loi et des arrêtés et règlements pris pour son exécution ou des autres lois et règlements applicables à leur activité en Belgique dans la mesure où les matières visées par ces dispositions relèvent de la compétence de la Banque; 5° ils font rapport à la Banque, sur la demande de celle-ci, lorsqu’elle est saisie par une autre autorité belge de violations à des législations d’intérêt général applicables à la succursale. Aucune action civile, pénale ou disciplinaire ne peut être intentée ni aucune sanction professionnelle prononcée contre les réviseurs agréés qui ont procédé de bonne foi à une infor- mation visée sous le 4° de l’alinéa 1er. Ils communiquent aux dirigeants de la succursale les rap- ports qu’ils adressent à la Banque conformément à l’alinéa 1er, 3°. Ces communications tombent sous le secret prévu par l’article 35 de la loi du 22 février 1998. Ils transmettent à la Banque copie des communications qu’ils adressent à ces dirigeants sur des questions rentrant dans le domaine de contrôle de la Banque. Dans les succursales où un conseil d’entreprise est institué en application de la loi du 20 septembre 1948 portant orga- nisation de l’économie, les réviseurs agréés ou sociétés de réviseurs agréées assurent les fonctions prévues par l’article 15bis de cette loi. L’article 15quater, alinéa 2, première et troisième phrases, et alinéa 3, de cette loi est d’application. DOC 53 2432/001 102 2431/001 DOC 53 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 3 e L É G I S L A T U R E K AMER 3e Z ITTING VAN DE 53e Z ITTING S P E RIO DE 2011 2012 Op verzoek en op kosten van de toezichthoudende auto- riteiten van het land van herkomst van het bijkantoor, mogen zij als een vorm van bijstand aan deze autoriteiten en na voorafgaande kennisgeving aan de Bank, in dit bijkantoor toezicht uitoefenen op de in de artikelen 83, eerste lid, en 94, § 1, bedoelde aspecten. § 3. De erkende revisoren of de erkende revisorenven- nootschappen certifi ceren de krachtens artikel 93, tweede lid, openbaar gemaakte jaarlijkse boekhoudkundige gegevens.”. Art. 72 In hetzelfde Hoofdstuk 2 wordt een artikel 96 ingevoegd, luidende: “Art. 96. Wanneer de Bank vaststelt dat een instelling voor elektronisch geld die ressorteert onder het recht van een andere lidstaat van de EER en die in België werkzaam is via een bijkantoor of via het verrichten van diensten, zich niet conformeert aan de in België geldende wettelijke en reglementaire bepalingen die tot de bevoegdheidssfeer van de Bank behoren, maant zij de instelling voor elektronisch geld aan om de vastgestelde toestand binnen de door haar bepaalde termijn te verhelpen. Indien de toestand na deze termijn niet is verholpen, brengt de Bank haar opmerkingen ter kennis van de toe- zichthoudende autoriteit van het land van herkomst van de instelling voor elektronisch geld. Wanneer de Bank goede redenen heeft om te vermoeden dat door een agent van een instelling voor elektronisch geld, geld wordt of werd witgewassen of terrorisme gefi nancierd wordt of werd, of dat gepoogd wordt of gepoogd werd geld wit te wassen of terrorisme te fi nancieren in de zin van Richtlijn 2005/60/EG, of dat zijn werkzaamheden het risico op witwas- sen van geld of fi nanciering van terrorisme zouden kunnen verhogen, stelt zij de autoriteiten die toezicht houden op die instelling voor elektronisch geld hiervan in kennis.”. Art. 73 In hetzelfde Hoofdstuk 2 wordt een artikel 97 ingevoegd, luidende: “Art. 97. De Bank kan de autoriteiten die toezicht houden op een instelling voor elektronisch geld die ressorteert onder het recht van een andere lidstaat van de EER, meedelen om welke redenen zij van oordeel is dat de positie van het bijkan- toor van deze instelling in België niet de nodige waarborgen biedt voor een goede administratieve of boekhoudkundige organisatie of interne controle. Bij intrekking of herroeping van de vergunning van een instelling voor elektronisch geld door de toezichthoudende autoriteiten van haar land van herkomst, beveelt de Bank, na deze autoriteiten hiervan in kennis te hebben gesteld, de sluiting van het bijkantoor dat deze instelling in België heeft gevestigd. Indien nodig kan zij een voorlopige zaakvoerder Ils peuvent, moyennant l’information préalable de la Banque, accepter de se charger, à la demande et aux frais des autorités de contrôle de l’État d’origine de la succursale, d’effectuer auprès de cette succursale dans un but d’assis- tance à ces autorités, des vérifi cations portant sur les matières visées aux articles 83, alinéa 1er, et 94, § 1er. § 3. Les réviseurs agréés ou sociétés de réviseurs agréées certifi ent les informations comptables annuelles publiées en vertu de l’article 93, alinéa 2.”. Art. 72 Dans le même Chapitre 2, il est inséré un article 96 rédigé comme suit: “Art. 96. Lorsque la Banque constate qu’un établissement de monnaie électronique relevant du droit d’un autre État membre de l’EEE et opérant en Belgique par l’intermédiaire d’une succursale ou par voie de prestation de services ne se conforme pas aux dispositions légales et réglementaires applicables en Belgique dans le domaine de compétence de la Banque, elle met l’établissement de monnaie électronique en demeure de remédier, dans le délai qu’elle détermine, à la situation constatée. Si, au terme de ce délai, il n’a pas été remédié à la situation, la Banque saisit de ses observations l’autorité de contrôle de l’État d’origine de l’établissement de monnaie électronique. Lorsque la Banque a de bonnes raisons de soupçonner qu’une opération ou une tentative de blanchiment de capi- taux ou de fi nancement du terrorisme au sens de la Directive 2005/60/CE est en cours ou a eu lieu dans le chef d’un agent d’un établissement de monnaie électronique ou que ses activités pourraient accroître le risque de blanchiment de capitaux ou de fi nancement du terrorisme, elle en informe les autorités chargées du contrôle de l’établissement de monnaie électronique en question.”. Art. 73 Dans le même Chapitre 2, il est inséré un article 97 rédigé comme suit: “Art. 97. La Banque peut communiquer à l’autorité de contrôle d’un établissement de monnaie électronique relevant du droit d’un autre État membre de l’EEE les raisons qu’elle a de considérer que la situation de la succursale en Belgique de cet établissement ne présente pas les garanties néces- saires sur le plan de la bonne organisation administrative ou comptable ou du contrôle interne. En cas de radiation ou de révocation de l’agrément de l’établissement de monnaie électronique par l’autorité de contrôle de son État d’origine, la Banque ordonne, après en avoir donné avis à cette autorité, la fermeture de la succur- sale que cet établissement a établie en Belgique. Elle peut, si nécessaire, désigner un gérant provisoire qui est habilité DOC 53 2432/001 103 2431/001 DOC 53 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 3 e L É G I S L A T U R E K AMER 3e Z ITTING VAN DE 53e Z ITTING S P E RIO DE 2011 2012 aanstellen die gemachtigd is in het belang van de schuldeisers alle bewarende maatregelen te treffen.”. Art. 74 In Boek 3, Titel 2 van dezelfde wet, ingevoegd bij artikel 26, wordt een Hoofdstuk 3 ingevoegd, luidende “HOOFDSTUK 3. — Bijkantoren in België van instellingen voor elektronisch geld die ressorteren onder het recht van staten die geen lid zijn van de EER”. Art. 75 In Boek 3, Titel 2, Hoofdstuk 3 van dezelfde wet, ingevoegd bij artikel 74, wordt een afdeling 1 ingevoegd, luidende “Afde- ling 1 — Bedrijfsvergunning”. Art. 76 In Boek 3, Titel 2, Hoofdstuk 3, Afdeling 1 van dezelfde wet, ingevoegd bij artikel 75, wordt een artikel 98 ingevoegd, luidende: “Art. 98. § 1. De volgende artikelen van de wet zijn van toepassing: 1° de artikelen 61, 62 en 63 van de wet: met dien verstande dat de Bank de toezichthoudende autoriteiten van het land van herkomst van de instelling voor elektronisch geld raadpleegt vooraleer zich uit te spreken over de vergunningsaanvraag van een bijkantoor; 2° artikel 64, eerste lid: met dien verstande dat de in dit hoofdstuk bedoelde bijkantoren worden vermeld in een bijzon- dere rubriek van de lijst bedoeld in dit artikel; 3° artikel 65: er kan evenwel een vergunning worden ver- leend aan bijkantoren van instellingen voor elektronisch geld met rechtspersoonlijkheid die geen handelsvennootschap zijn; 4° artikel 66: waarbij het aanvangskapitaal wordt vervangen door een dotatie; de Bank is bevoegd om de bestanddelen van die dotatie te beoordelen; 5° de artikelen 67 tot 69. § 2. De Bank kan een vergunning weigeren aan het bijkantoor van een instelling voor elektronisch geld die res- sorteert onder het recht van een staat die aan instellingen voor elektronisch geld naar Belgisch recht niet dezelfde toegangsmogelijkheden tot zijn markt biedt. § 3. De Bank kan een vergunning weigeren aan een in dit hoofdstuk bedoeld bijkantoor, indien zij van oordeel is dat voor de bescherming van de houders van elektronisch geld of voor een gezond en voorzichtig beleid van de instelling, de oprichting van een vennootschap naar Belgisch recht is vereist.”. à prendre toutes mesures conservatoires dans l’intérêt des créanciers.”. Art. 74 Dans le Livre 3, Titre 2 de la même loi, inséré par l’article 26, il est inséré un Chapitre 3, intitulé “Chapitre 3. — Suc- cursales en Belgique des établissements de monnaie élec- tronique relevant du droit d’États qui ne sont pas membres de l’EEE”. Art. 75 Dans le Livre 3, Titre 2, Chapitre 3 de la même loi, inséré par l’article 74, il est inséré une Section 1re intitulée “Section 1re. — Accès à l’activité”. Art. 76 Dans le Livre 3, Titre 2, Chapitre 3, Section 1re, insérée par l’article 75, il est inséré un article 98 rédigé comme suit: “Art. 98. § 1er. Sont applicables les dispositions suivantes de la loi: 1° les articles 61, 62 et 63 de la loi: étant entendu qu’avant de statuer sur la demande d’agrément de la succursale, la Banque consulte les autorités de contrôle de l’État d’origine de l’établissement de monnaie électronique; 2° l’article 64, alinéa 1er: étant entendu que les succur- sales visées par le présent chapitre sont mentionnées à une rubrique spéciale de la liste visée à cet article; 3° l’article 65: toutefois, peuvent être agréées des succur- sales d’établissements de monnaie électronique dotées de la personnalité juridique mais n’ayant pas la forme de société commerciale; 4° l’article 66: le capital initial étant remplacé par une dota- tion, la Banque a compétence pour apprécier les éléments constitutifs de la dotation; 5° les articles 67 à 69. § 2. La Banque peut refuser d’agréer la succursale d’un établissement de monnaie électronique relevant du droit d’un État qui n’accorde pas les mêmes possibilités d’accès à son marché aux établissements de monnaie électronique de droit belge. § 3. La Banque peut refuser l’agrément d’une succursale visée par le présent chapitre si elle estime que la protection des détenteurs de monnaie électronique ou la gestion saine et prudente de l’établissement exige la constitution d’une société de droit belge.”. DOC 53 2432/001 104 2431/001 DOC 53 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 3 e L É G I S L A T U R E K AMER 3e Z ITTING VAN DE 53e Z ITTING S P E RIO DE 2011 2012 Art. 77 In Boek 3, Titel 2, Hoofdstuk 3 van dezelfde wet, ingevoegd bij artikel 74, wordt een afdeling 2 ingevoegd, luidende “Afde- ling 2. — Bedrijfsuitoefening”. Art. 78 In Boek 3, Titel 2, Hoofdstuk 3, Afdeling 2 van dezelfde wet, ingevoegd bij artikel 77, wordt een artikel 99 ingevoegd, luidende: “Art. 99. De volgende artikelen van de wet zijn van toe- passing: 1° artikel 72; 2° artikel 73, § 1; indien de Bank grond heeft om aan te nemen dat de invloed van natuurlijke of rechtspersonen die rechtstreeks of onrechtstreeks een gekwalificeerde deelneming bezitten in de zin van artikel 3, § 1, 3° van de bankwet, een gezond en voorzichtig beleid van de instelling voor elektronisch geld kan belemmeren, kan de Bank, onver- minderd de andere bij deze wet bepaalde maatregelen, de vergunning van het bijkantoor schorsen of herroepen voor de termijn die zij bepaalt; artikel 87, § 1, 2° en 5°, en § 2 is van toepassing op deze beslissingen; 3° de artikelen 74, 76, § 1, 3 en 4 en 77 tot 80.”. Art. 79 In Boek 3, Titel 2, Hoofdstuk 3 van dezelfde wet, ingevoegd bij artikel 74, wordt een afdeling 3 ingevoegd, luidende “Afde- ling 3 — Toezicht”. Art. 80 In Boek 3, Titel 2, Hoofdstuk 3, Afdeling 3 van dezelfde wet, ingevoegd bij artikel 79, wordt een artikel 100 ingevoegd, luidende: “Art. 100. De artikelen 81 en 82 zijn van toepassing.”. Art. 81 In dezelfde afdeling 3 wordt een artikel 101 ingevoegd, luidende: “Art. 101. De leiders van de in dit hoofdstuk bedoelde bij- kantoren stellen een of meer erkende revisoren of erkende revisorenvennootschappen aan, overeenkomstig de artike- len 84 en 28. Volgens dezelfde procedure kunnen zij een plaatsvervanger aanstellen. Bij aanstelling van een revisorenvennootschap is artikel 29 van toepassing. Art. 77 Dans le Livre 3, Titre 2, Chapitre 3 de la même loi, inséré par l’article 74, il est inséré une Section 2 intitulée “Section 2. — Exercice de l’activité”. Art. 78 Dans le Livre 3, Titre 2, Chapitre 3, Section 2 de la même loi, insérée par l’article 77, il est inséré un article 99 rédigé comme suit: “Art. 99. Sont applicables les articles suivants de la loi: 1° l’article 72; 2° l’article 73, § 1er; lorsque la Banque a des raisons de considérer que l’infl uence exercée par les personnes phy- siques ou morales détenant, directement ou indirectement, une participation qualifi ée au sens de l’article 3, § 1er, 3° de la loi bancaire, est de nature à compromettre la gestion saine et prudente de l’établissement de monnaie électronique, et sans préjudice des autres mesures prévues par la présente loi, la Banque peut suspendre ou révoquer, pour la durée qu’elle détermine l’agrément de la succursale; l’article 87, § 1er, 2° et 5°, et § 2 s’applique à ces décisions; 3° les articles 74, 76, § 1er, 3 et 4 et 77 à 80.”. Art. 79 Dans le Livre 3, Titre 2, Chapitre 3 de la même loi, inséré par l’article 74, il est inséré une Section 3 intitulée “Section 3. - Contrôle”. Art. 80 Dans le Livre 3, Titre 2, Chapitre 3, Section 3 de la même loi, insérée par l’article 79, il est inséré un article 100 rédigé comme suit: “Art. 100. Les articles 81 et 82 sont applicables.”. Art. 81 Dans la même section 3, il est inséré un article 101 rédigé comme suit: “Art. 101. Les dirigeants des succursales visées par le pré- sent chapitre sont tenus de désigner un ou plusieurs réviseurs agréés ou une ou plusieurs sociétés de réviseurs agréées conformément aux articles 84 et 28. Ils peuvent désigner, selon la même procédure, un suppléant. En cas de désignation d’une société de réviseurs, l’article 29 est applicable. DOC 53 2432/001 105 2431/001 DOC 53 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 3 e L É G I S L A T U R E K AMER 3e Z ITTING VAN DE 53e Z ITTING S P E RIO DE 2011 2012 De artikelen 31, 32, eerste tot vierde lid, en 85, eerste tot derde lid, en vijfde lid zijn van toepassing. Vooraleer een erkende revisor of een erkende revisoren- vennootschap van zijn of haar opdracht wordt ontslaan, moet het advies van de Bank worden ingewonnen. In bijkantoren waar een ondernemingsraad is opgericht met toepassing van de wet van 20 september 1948 houdende organisatie van het bedrijfsleven, oefenen de erkende revi- soren of revisorenvennootschappen de in artikel 15bis van deze wet bedoelde opdrachten uit. De erkende revisoren of de erkende revisorenven- nootschappen certifi ceren de krachtens artikel 80 openbaar gemaakte boekhoudkundige gegevens.”. Art. 82 In Boek 3, Titel 2, Hoofdstuk 3 van dezelfde wet, ingevoegd bij artikel 74, wordt een Afdeling 4 ingevoegd, luidende “Afde- ling 4. — Intrekking van de vergunning, uitzonderingsmaatre- gelen en strafbepalingen”. Art. 83 In Boek 3, Titel 2, Hoofdstuk 3, Afdeling 4 van dezelfde wet, ingevoegd bij artikel 82, wordt een artikel 102 ingevoegd, luidende: “Art. 102. De artikelen 86, 87, 90, 106 en 107 zijn van toepassing.”. Art. 84 In dezelfde afdeling 4 wordt een artikel 103 ingevoegd, luidende: “Art. 103. Voor de toepassing van dit artikel wordt onder “instelling voor elektronisch geld” verstaan elke onderne- ming opgericht naar buitenlands recht die, indien zij haar maatschappelijke zetel in België zou hebben, een vergunning zou dienen te verkrijgen voor de uitoefening van het bedrijf van instelling voor elektronisch geld.”. Art. 85 In Boek 3, Titel 2 van dezelfde wet, ingevoegd bij artikel 29, wordt een Hoofdstuk 4 ingevoegd, luidende “HOOFDS- TUK 4. — Informatie-uitwisseling en samenwerking tussen autoriteiten”. Art. 86 In Boek 3, Titel 2, Hoofdstuk 4 van dezelfde wet, ingevoegd bij artikel 85, wordt een artikel 104 ingevoegd, luidende: Les articles 31, 32, alinéas 1er à 4, et 85, alinéas 1er à 3, et 5 sont applicables. La révocation des fonctions des réviseurs agréés et socié- tés de réviseurs agréées est soumise à l’avis préalable de la Banque. Dans les succursales où un conseil d’entreprise est ins- titué en application de la loi du 20 septembre 1948 portant organisation de l’économie, les réviseurs ou sociétés de réviseurs agréés assurent les fonctions prévues par l’article 15bis de cette loi. Les réviseurs agréés ou sociétés de réviseurs agréées certifi ent les informations comptables publiées en vertu de l’article 80.”. Art. 82 Dans le Livre 3, Titre 2, Chapitre 3 de la même loi, inséré par l’article 74, il est inséré une Section 4 intitulée “Section 4. — Radiation de l’agrément, mesures exceptionnelles et sanctions”. Art. 83 Dans le Livre 3, Titre 2, Chapitre 3, Section 4 de la même loi, insérée par l’article 82, il est inséré un article 102 rédigé comme suit: “Art. 102. Les articles 86, 87, 90, 106 et 107 sont appli- cables.”. Art. 84 Dans la même section 4, il est inséré un article 103 rédigé comme suit: “Art. 103. Pour l’application du présent article, il y a lieu d’entendre par établissement de monnaie électronique toute entreprise constituée selon un droit étranger qui, si elle avait son siège social en Belgique, serait tenue d’obtenir un agrément pour exercer l’activité d’établissement de monnaie électronique.”. Art. 85 Dans le Livre 3, Titre 2 de la même loi, inséré par l’article 29, il est inséré un Chapitre 4 intitulé “CHAPITRE 4. — Echange d’information et coopération entre autorités”. Art. 86 Dans le Livre 3, Titre 2, Chapitre 4 de la même loi, inséré par l’article 85, il est inséré un article 104 rédigé comme suit: DOC 53 2432/001 106 2431/001 DOC 53 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 3 e L É G I S L A T U R E K AMER 3e Z ITTING VAN DE 53e Z ITTING S P E RIO DE 2011 2012 “Art. 104. § 1. Voor de toepassing van de artikelen 35 en 36/13 tot 36/15 van de wet van 22 februari 1998, die betrekking hebben op de uitwisseling van informatie en de samenwerking tussen de Bank en de autoriteiten van andere lidstaten van de EER die belast zijn met het toezicht op de instellingen voor elektronisch geld, moet onder het bedrijf van instelling voor elektronisch geld eveneens worden verstaan, het bedrijf dat de instelling voor elektronisch geld uitoefent via distributeurs, agenten, bijkantoren of dienstverleners in de zin van artikel 4, 17°. § 2. De Bank verstrekt op eigen initiatief aan de in het eerste lid bedoelde autoriteiten van andere lidstaten van de EER alle essentiële informatie en verstrekt hen op verzoek alle relevante informatie.”. Art. 87 In Boek 3, ingevoegd bij artikel 25, wordt een Titel 3 inge- voegd, luidende “TITEL 3. — Vrijstelling”. Art. 88 In Boek 3, Titel 3, van dezelfde wet, ingevoegd bij artikel 87, wordt een artikel 105 ingevoegd, luidende: “Art. 105. § 1. De Bank kan geheel of gedeeltelijk vrijstelling verlenen van de toepassing van de bepalingen van afdelingen 1 tot 3 van Titel 2 van dit Boek en zijn uitvoeringsbesluiten aan rechtspersonen: 1° waarvoor geldt dat de totale bedrijfsactiviteiten een gemiddeld uitstaand elektronisch geld genereren dat niet hoger is dan 5 000 000 euro; en 2° waarvoor geldt dat geen enkele van de met het beleid of de uitoefening van de werkzaamheden belaste natuurlijke personen veroordeeld is wegens strafbare feiten in verband met het witwassen van geld of terrorismefi nanciering, of zoals bedoeld in artikel 19, § 1er, 1° et 2° van de bankwet. De Bank kan deze rechtspersonen niet vrijstellen van de toepassing van artikelen 77 en 78 van deze wet. Wanneer een instelling voor elektronisch geld werk- zaamheden verricht als bedoeld in artikel 77, § 2, 1°, die geen verband houden met de uitgifte van elektronisch geld, of werkzaamheden verricht als bedoeld in artikel 77, § 1, § 2, 2° en 3°, of § 3, en het uitstaande bedrag aan elektronisch geld niet van te voren is gekend, mag deze instelling voor elektronisch geld het eerste lid, 1° toepassen op basis van een representatief gedeelte dat geacht wordt voor de uitgifte van elektronisch geld te worden gebruikt, mits het redelijke- rwijs mogelijk is een dergelijk representatief gedeelte naar tevredenheid van de Bank op basis van historische gegevens te ramen. Wanneer een instelling voor elektronisch geld haar activiteiten niet lang genoeg heeft uitgeoefend, wordt deze voorwaarde beoordeeld op basis van het uitstaande bedrag aan elektronisch geld als geraamd in haar bedrijfsplan, reke- “Art. 104. § 1er. Pour l’application des articles 35 et 36/13 à 36/15 de la loi du 22 février 1998 concernant l’échange d’informations et la coopération entre la Banque et les auto- rités d’autres États membres de l’EEE chargées du contrôle des établissements de monnaie électronique, l’activité des établissements de monnaie électronique s’entend également de l’activité qu’ils exercent en recourant à des distributeurs, des agents, des succursales ou des prestataires de services au sens de l’article 4, 17°. § 2. La Banque fournit d’initiative aux autorités d’autres États membres de l’EEE, visées à l’alinéa 1er, toutes les infor- mations essentielles et elle leur fournit sur demande toutes les informations pertinentes.”. Art. 87 Dans le Livre 3, inséré par l’article 25, il est inséré un Titre 3, intitulé “TITRE 3. — Exemption”. Art. 88 Dans le Livre 3, Titre 3 de la même loi, inséré par l’article 87, il est inséré un article 105 rédigé comme suit: “Art. 105. § 1er. La Banque peut exempter de l’application de tout ou partie des dispositions des sections 1 à 3 du Titre 2 du présent Livre et de ses arrêtés d’exécution les personnes morales: 1° dont les activités commerciales dans leur ensemble génèrent une moyenne de monnaie électronique en circulation qui ne dépasse pas 5 000 000 euros; et 2° dont aucune des personnes physiques responsables de la gestion ou de l’exercice de l’activité n’a été condamnée pour des infractions liées au blanchiment de capitaux, au fi nancement du terrorisme ou visées à l’article 19, § 1er, 1° et 2° de la loi bancaire. La Banque ne peut exempter ces personnes morales de l’application des articles 77 et 78 de la présente loi. Lorsqu’un établissement de monnaie électronique exerce des activités visées à l’article 77, § 2, 1°, qui ne sont pas liées à l’émission de monnaie électronique ou des activités visées à l’article 77, § 1er, § 2, 2° et 3°, ou § 3, et que le montant de la monnaie électronique en circulation ne peut être déterminé à l’avance, cet établissement de monnaie électronique peut bénéfi cier de l’application du premier alinéa, 1°, sur la base d’une partie représentative des fonds qui est présumée utili- sée pour l’émission de monnaie électronique, à condition que, sur la base de données historiques, il soit raisonnablement possible d’estimer cette partie représentative d’une manière jugée satisfaisante par la Banque. Lorsqu’un établissement de monnaie électronique n’a pas accompli une période d’activité suffisamment longue, cette condition est évaluée sur la base de l’estimation de la monnaie électronique en circulation résul- DOC 53 2432/001 107 2431/001 DOC 53 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 3 e L É G I S L A T U R E K AMER 3e Z ITTING VAN DE 53e Z ITTING S P E RIO DE 2011 2012 ning houdend met de eventuele aanpassingen in dit plan die de Bank heeft verlangd. § 2. De rechtspersonen bedoeld in het eerste lid die vri- jgesteld zijn, worden ingeschreven op de lijst bedoeld in artikel 64. Artikel 64 is op deze rechtspersonen van overeenkomstige toepassing voor wat betreft de informatie die op de website van de Bank wordt verstrekt en de geregelde actualisering ervan. De website vermeldt dat deze rechtspersonen zijn vrijgesteld met toepassing van dit artikel. § 3. De rechtspersonen die vrijgesteld zijn op grond van paragraaf 1: 1° hebben hun maatschappelijke zetel in België en oefenen hun activiteit van uitgifte van elektronisch geld daadwerkelijk op het Belgische grondgebied uit; 2° komen niet in aanmerking voor de regeling inzake wederzijdse erkenning vastgesteld in artikel 91 van deze wet; 3° bepalen in de overeenkomst tot regeling van de uitgifte van elektronisch geld dat het bedrag dat op de elektronische drager mag worden opgeslagen, beperkt is tot 150 euro; 4° mag enkel betalingsdiensten aanbieden die geen ver- band houden met elektronisch geld dat wordt uitgegeven ove- reenkomstig dit artikel, indien voldaan is aan de voorwaarden van artikel 48; 5° stellen de Bank in kennis van elke verandering in hun situatie die relevant is voor de in paragraaf 1 gestelde voorwaarden en brengen periodiek verslag uit aan de Bank over het gemiddeld uitstaand elektronisch geld. De Bank bepaalt de frequentie van deze rapportering; 6° passen de bepalingen toe van de wet van 11 januari 1993 tot voorkoming van het gebruik van het fi nanciële stelsel voor het witwassen van geld en de fi nanciering van terrorisme die gelden voor instellingen voor elektronisch geld, en van de ter uitvoering ervan genomen besluiten en reglementen. § 4. De Koning kan bepalen dat een rechtspersoon die vrijgesteld is op grond van paragraaf 1, alleen sommige van de in artikel 77, §§ 1 tot 3 opgesomde werkzaamheden mag uitoefenen. § 5. Wanneer de in de paragrafen 1 en 3, 1°, 3°, 4° gestelde voorwaarden niet langer vervuld zijn, vragen de vrijgestelde instellingen voor elektronisch geld binnen 30 kalenderdagen een vergunning aan overeenkomstig artikel 61 en volgende. Voor de instellingen die binnen deze termijn geen vergun- ning hebben aangevraagd, is het overeenkomstig artikel 59 verboden om elektronisch geld uit te geven.”. tant de son plan d’entreprise, et sous réserve d’un éventuel ajustement de ce plan exigé par la Banque. § 2. Les personnes morales visées à l’alinéa 1er, qui sont exemptées, sont inscrites sur la liste visée à l’article 64. L’article 64 s’applique par analogie à ces personnes morales en ce qui concerne les informations fournies sur le site internet de la Banque et leur actualisation régulière. Le site internet mentionne que ces personnes morales bénéfi cient d’une exemption en application du présent article. § 3. Les personnes morales bénéfi ciant d’une exemption accordée en vertu du paragraphe 1er: 1° doivent avoir leur siège social en Belgique, et exercer effectivement leurs activités d’émission de monnaie électro- nique sur le territoire belge; 2° ne bénéficient pas du régime de reconnaissance mutuelle prévu par l’article 91 de la présente loi; 3° doivent prévoir, dans le contrat régissant l’émission de monnaie électronique, que le montant chargé sur le sup- port électronique stockant la monnaie électronique ne peut dépasser 150 euros; 4° ne peuvent fournir des services de paiement non liés à la monnaie électronique émise conformément au présent article que si les conditions énoncées à l’article 48 sont remplies; 5° informent la Banque de tout changement de leur situation ayant une incidence sur les conditions énoncées au para- graphe 1er et rendent compte périodiquement à la Banque de la moyenne de monnaie électronique en circulation. La Banque détermine la fréquence de ce rapport; 6° appliquent les dispositions de la loi du 11 janvier 1993 relative à la prévention de l’utilisation du système fi nancier aux fi ns du blanchiment de capitaux et du fi nancement du terrorisme, qui sont applicables aux établissements de mon- naie électronique, et des arrêtés et règlements pris pour son exécution. § 4. Le Roi peut prévoir qu’une personne morale béné- fi ciant d’une exemption accordée en vertu du paragraphe 1er ne peut exercer que certaines des activités énumérées à l’article 77, §§ 1er à 3. § 5 Lorsque les conditions énoncées aux paragraphes 1er, et 3, 1°, 3°, 4° ne sont plus remplies, les établissements de monnaie électronique exemptés demandent l’agrément dans un délai de trente jours calendaires conformément aux articles 61 et suivants. Les établissements qui n’ont pas demandé l’agrément dans ce délai se voient interdire, conformément à l’article 59, d’émettre de la monnaie électronique.”. DOC 53 2432/001 108 2431/001 DOC 53 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 3 e L É G I S L A T U R E K AMER 3e Z ITTING VAN DE 53e Z ITTING S P E RIO DE 2011 2012 Art. 89 In Boek 3 van dezelfde wet, ingevoegd bij artikel 25, wordt een Titel 4 ingevoegd, luidende “Titel 4. — Sancties”. Art. 90 In Boek 3, Titel 4 van dezelfde wet, ingevoegd bij artikel 89, wordt een Hoofdstuk 1 ingevoegd, luidende “HOOFDSTUK 1. - Administratieve sancties”. Art. 91 In Boek 3, Titel 4, Hoofdstuk 1 van dezelfde wet, ingevoegd bij artikel 90, wordt een artikel 106 ingevoegd, luidende: “Art. 106. § 1. Onverminderd de andere bij deze wet voor- geschreven maatregelen, kan de Bank openbaar maken dat een Belgische of buitenlandse instelling voor elektronisch geld geen gevolg heeft gegeven aan haar aanmaningen om zich binnen de door haar vastgestelde termijn te conformeren aan de bepalingen van deze wet of de ter uitvoering ervan genomen besluiten en reglementen. § 2. Onverminderd de andere bij deze wet voorgeschreven maatregelen, kan de Bank voor een instelling voor elektro- nisch geld naar Belgisch of buitenlands recht die in België is gevestigd, een termijn bepalen: a) waarbinnen zij zich dient te conformeren aan specifi eke bepalingen van deze wet of de ter uitvoering ervan genomen besluiten en reglementen, of b) waarbinnen zij de nodige aanpassingen dient aan te brengen in haar beleidsstructuur, haar administratieve en boekhoudkundige organisatie of haar interne controle. De in het eerste lid, littera b), bedoelde aanmaning geldt niet voor de bijkantoren van instellingen voor elektronisch geld die ressorteren onder het recht van een andere lidstaat van de EER. Indien de instelling voor elektronisch geld in gebreke blijft bij het verstrijken van de termijn, kan de Bank, na de instelling gehoord of tenminste opgeroepen te hebben, haar een dwang- som opleggen van maximum 2 500 000 euro per overtreding of maximum 50 000 euro per dag vertraging. § 3. Onverminderd andere maatregelen bepaald in deze wet en onverminderd de maatregelen bepaald in andere wetten, besluiten of reglementen, kan de Bank, indien zij een inbreuk vaststelt op de bepalingen van deze wet of de ter uitvoering ervan genomen maatregelen, een administratieve geldboete opleggen aan een instelling voor elektronisch geld naar Belgisch of buitenlands recht die in België is gevestigd, die niet minder mag bedragen dan 2 500 euro, noch meer dan 2 500 000 euro voor hetzelfde feit of voor hetzelfde geheel van feiten. Art. 89 Dans le Livre 3 de la même loi, inséré par l’article 25, il est inséré un Titre 4, intitulé “Titre 4. — Sanctions”. Art. 90 Dans le Livre 3, Titre 4 de la même loi, inséré par l’article 89, il est inséré un Chapitre 1er intitulé “CHAPITRE 1er — Sanctions administratives”. Art. 91 Dans le Livre 3, Titre 4, Chapitre1er de la même loi, inséré par l’article 90, il est inséré un article 106 rédigé comme suit: “Art. 106. § 1er. Sans préjudice des autres mesures prévues par la présente loi, la Banque peut publier qu’un établisse- ment de monnaie électronique belge ou étranger ne s’est pas conformé aux injonctions qui lui ont été faites de respecter dans le délai qu’elle détermine des dispositions de la présente loi ou des arrêtés et règlements pris pour son exécution. § 2. Sans préjudice des autres mesures prévues par la présente loi, la Banque peut fi xer à un établissement de monnaie électronique de droit belge ou étranger établi en Belgique un délai dans lequel: a) il doit se conformer à des dispositions déterminées de la présente loi ou des arrêtés et règlements pris pour son exécution, ou b) il doit apporter les adaptations qui s’imposent à sa structure de gestion, à son organisation administrative et comptable ou à son contrôle interne. L’injonction visée à l’alinéa 1er, littera b), n’est pas appli- cable aux succursales d’établissements de monnaie élec- tronique relevant du droit d’un autre État membre de l’EEE. Si l’établissement de monnaie électronique reste en défaut à l’expiration du délai, la Banque peut, l’établissement entendu ou à tout le moins convoqué, lui infl iger une astreinte à raison d’un montant maximum de 2 500 000 euros par infraction ou de maximum 50 000 euros par jour de retard. § 3. Sans préjudice d’autres mesures prévues par la pré- sente loi et sans préjudice des mesures prévues par d’autres lois, arrêtés ou règlements, la Banque peut, lorsqu’elle constate une infraction aux dispositions de la présente loi ou des mesures prises en exécution de celle-ci, infl iger à un établissement de monnaie électronique de droit belge ou étranger établi en Belgique, une amende administrative qui ne peut être inférieure à 2 500 euros ni supérieure, pour le même fait ou pour le même ensemble de faits, à 2 500 000 euros. DOC 53 2432/001 109 2431/001 DOC 53 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 3 e L É G I S L A T U R E K AMER 3e Z ITTING VAN DE 53e Z ITTING S P E RIO DE 2011 2012 § 4. De met toepassing van de paragrafen 2 en 3 opgelegde dwangsommen en geldboetes worden ingevorderd ten bate van de Schatkist door de administratie binnen de Federale Overheidsdienst Financiën die bevoegd is inzake de niet fi scale vorderingen.”. Art. 92 In Boek 3, Titel 4 van dezelfde wet, ingevoegd bij artikel 89, wordt een Hoofdstuk 2 ingevoegd, luidende “Hoofdstuk 2. — Strafrechtelijke sancties”. Art. 93 In Boek 3, Titel 3, Hoofdstuk 2 van dezelfde wet, ingevoegd bij artikel 92, wordt een artikel 107 ingevoegd, luidende: “Art. 107. Met een gevangenisstraf van één maand tot één jaar en met een geldboete van 50 euro tot 10 000 euro of met één van die straffen alleen wordt gestraft: 1° wie in België elektronisch geld uitgeeft zonder te voldoen aan de bepalingen van de artikelen 59, 91 en 98, § 1, 1°; 2° wie artikel 68, § 2, overtreedt; 3° wie met opzet de kennisgeving bedoeld in artikel 71, tweede lid, niet verricht, voor wat het bepaalde bij artikel 62 eerste lid, 8°, betreft; 4° wie met opzet de kennisgevingen bedoeld in artikel 73, § 1, niet verricht, wie het in artikel 73, § 2, bedoelde verzet negeert of wie de in artikel 73, § 2, 1° en § 3 bedoelde schor- sing negeert; 5° elke instelling voor elektronisch geld of elke bestuurder, zaakvoerder of directeur van een instelling voor elektronisch geld die de artikelen 74, 77 en 79 overtreedt; 6° elke instelling voor elektronisch geld of elke bestuurder, zaakvoerder of directeur van een instelling voor elektronisch geld die in het buitenland een bijkantoor opent of die een beroep doet op agenten of distributeurs, zonder de kennis- gevingen te hebben verricht als bepaald in de artikelen 75 en 76, § 2 en § 3 of die zich niet conformeert aan de artikelen 75 en 76, § 2 of § 3; 7° elke instelling voor elektronisch geld of elke bestuurder, zaakvoerder of directeur van een instelling voor elektronisch geld die de in de artikelen 72, 80 en 93 bedoelde besluiten of reglementen overtreedt; 8° elke instelling voor elektronisch geld of elke bestuurder, zaakvoerder of directeur van een instelling voor elektronisch geld die zich niet conformeert aan de artikelen 80, eerste, tweede en zesde lid, en 93, eerste lid; 9° wie handelingen stelt of verrichtingen uitvoert die indrui- sen tegen een schorsingsbeslissing overeenkomstig artikel 87, § 1, tweede lid, 2°; § 4. Les astreintes et amendes imposées en application des paragraphes 2 et 3 sont recouvrées au profi t du Trésor par l’administration au sein du Service Public Fédéral Finances compétent en matière de recouvrements non fi scaux.”. Art. 92 Dans le Livre 3, Titre 4 de la même loi, inséré par l’article 89, il est inséré un Chapitre 2 intitulé “CHAPITRE 2. — Sanc- tions pénales”. Art. 93 Dans le Livre 3, Titre 3, Chapitre 2 de la même loi, inséré par l’article 92, il est inséré un article 107 rédigé comme suit: “Art. 107. Sont punis d’un emprisonnement d’un mois à un an et d’une amende de 50 euros à 10 000 euros, ou d’une de ces peines seulement: 1° ceux qui émettent de la monnaie électronique en Bel- gique sans satisfaire aux dispositions des articles 59, 91 et 98, § 1er, 1°; 2° ceux qui contreviennent à l’article 68, § 2; 3° ceux qui, sciemment, s’abstiennent de faire la décla- ration prévue à l’article 71, alinéa 2, en ce qui concerne les renseignements visés à l’article 62, alinéa 1er, 8°; 4° ceux qui sciemment s’abstiennent de faire les notifi ca- tions prévues à l’article 73, § 1er, ceux qui passent outre à l’opposition visée à l’article 73, § 2, ou ceux qui passent outre à la suspension visée à l’article 73, § 2, 1° et § 3; 5° les établissements de monnaie électronique, ainsi que leurs administrateurs, gérants ou directeurs, qui contre- viennent aux articles 74, 77 et 79; 6° les établissements de monnaie électronique, ainsi que leurs administrateurs, gérants ou directeurs, qui ouvrent une succursale à l’étranger ou qui recourent à des agents ou à des distributeurs sans avoir procédé aux notifi cations prévues par les articles 75 et 76, § 2 et § 3 ou qui ne se conforment pas aux articles 75 et 76, § 2 ou § 3; 7° les établissements de monnaie électronique, ainsi que leurs administrateurs, gérants ou directeurs, qui contre- viennent aux arrêtés ou aux règlements visés aux articles 72, 80, et 93; 8° les établissements de monnaie électronique, ainsi que leurs administrateurs, gérants ou directeurs, qui ne se confor- ment pas aux articles 80, alinéas 1er, 2 et 6, et 93, alinéa 1er; 9° ceux qui accomplissent des actes ou opérations à l’encontre d’une décision de suspension prise conformément à l’article 87, § 1er, alinéa 2, 2°; DOC 53 2432/001 110 2431/001 DOC 53 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 3 e L É G I S L A T U R E K AMER 3e Z ITTING VAN DE 53e Z ITTING S P E RIO DE 2011 2012 10° ceux qui, en qualité de commissaire, de réviseur agréé ou d’expert indépendant, ont attesté, approuvé ou confi rmé des comptes, des comptes annuels ou des comptes consoli- dés d’établissements de monnaie électronique, ou des états périodiques ou tous autres renseignements, alors que les dispositions des lois, arrêtés et règlements relatifs au statut légal des établissements de monnaie électronique n’ont pas été respectées, soit en sachant qu’elles ne l’avaient pas été, soit en n’ayant pas accompli les diligences normales pour s’assurer qu’elles avaient été respectées; 11° ceux qui mettent obstacle aux inspections et vérifi ca- tions auxquelles ils sont tenus dans le pays ou à l’étranger ou refusent de donner des renseignements qu’ils sont tenus de fournir en vertu de la présente loi et des arrêtés et règle- ments pris pour son exécution, ou qui donnent sciemment des renseignements inexacts ou incomplets; 12° ceux qui contreviennent à l’article 49, § 1er.”. TITRE 3 Autres dispositions CHAPITRE 1ER Autres dispositions modifi catives Section 1re Modifications de la loi du 12 juin 1991 relative au crédit à la consommation Art. 94 À l’article 74, alinéa 2, de la loi du 12 juin 1991 relative au crédit à la consommation, inséré par la loi du 11 fé- vrier 1994 et modifi é par la loi du 10 décembre 2009, les mots “et les établissements de paiement visés dans la loi du 21 décembre 2009 relative au statut des établissements de paiement, à l’accès à l’activité de prestataire de services de paiement et à l’accès aux systèmes de paiement” sont remplacés par les mots “, les établissements de paiement et les établissements de monnaie électronique visés dans la loi du 21 décembre 2009 relative au statut des établissements de paiement et des établissements de monnaie électronique, à l’accès à l’activité de prestataire de services de paiement, à l’activité d’émission de monnaie électronique et à l’accès aux systèmes de paiement”. Art. 95 Dans l’article 75, § 6 de la même loi, inséré par la loi du 10 décembre 2009, le deuxième alinéa est remplacé par ce qui suit suit: “Sont également réputés satisfaire aux conditions visées à l’alinéa 1er, les établissements de paiement et les établis- 10° wie als commissaris, erkende revisor of onafhankelijk deskundige, rekeningen, jaarrekeningen of geconsolideerde jaarrekeningen van instellingen voor elektronisch geld dan wel periodieke staten of alle andere inlichtingen certifi ceert, goedkeurt of bekrachtigt terwijl niet is voldaan aan de bepa- lingen van de wetten, besluiten en reglementen over het wettelijk statuut van de instellingen voor elektronisch geld, en daarvan kennis heeft, of niet heeft gedaan wat hij normaal had moeten doen om zich te vergewissen of aan die bepalingen was voldaan; 11° wie de onderzoeken en controles verhindert waartoe hij verplicht is in het land of in het buitenland dan wel weigert de gegevens te verstrekken waartoe hij verplicht is op grond van deze wet en de ter uitvoering ervan genomen besluiten en reglementen of wie bewust onjuiste of onvolledige inlichtingen verstrekt; 12° wie artikel 49, § 1, overtreedt.”. TITEL 3 Overige bepalingen HOOFDSTUK 1 Andere wijzigingsbepalingen Afdeling 1 Wijzigingen in de wet van 12 juni 1991 op het consumentenkrediet Art. 94 In artikel 74, tweede lid, van de wet van 12 juni 1991 op het consumentenkrediet, ingevoegd bij de wet van 11 februa- ri 1994 en gewijzigd bij de wet van 10 december 2009, worden de woorden “en de betalingsinstellingen als bedoeld in de wet van 21 december 2009 op het statuut van de betalingsinstellin- gen, de toegang tot het bedrijf van de betalingsdienstaanbie- der en de toegang tot de betalingssystemen” vervangen door de woorden “en de betalingsinstellingen en de instellingen voor elektronisch geld als bedoeld in de wet van 21 decem- ber 2009 op het statuut van de betalingsinstellingen en van de instellingen voor elektronisch geld, de toegang tot het bedrijf van betalingsdienstaanbieder en tot de activiteit van uitgifte van elektronisch geld en de toegang tot betalingssystemen”. Art. 95 In artikel 75, § 6 van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 10 december 2009, de tweede lid wordt vervangen als volgt: “Aan de in het eerste lid bedoelde voorwaarden worden eveneens geacht te voldoen, de betalingsinstellingen en de DOC 53 2432/001 111 2431/001 DOC 53 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 3 e L É G I S L A T U R E K AMER 3e Z ITTING VAN DE 53e Z ITTING S P E RIO DE 2011 2012 instellingen voor elektronisch geld onderworpen aan het toezicht van de Nationale Bank van België overeenkomstig de wet van 21 december 2009 op het statuut van de betaling- sinstellingen en van de instellingen voor elektronisch geld, de toegang tot het bedrijf van betalingsdienstaanbieder en tot de activiteit van uitgifte van elektronisch geld en de toegang tot betalingssystemen en aan wie een bedrijfsvergunning werd toegestaan op grond waarvan aanvullend krediet mag worden aangeboden met betrekking tot de in punten 4, 5 en 7 van bijlage I bedoelde betalingsdiensten en dat aan de voorwaarden van artikel 22, § 3 van de wet van 21 decem- ber 2009 voldoet.”. Art. 96 In artikel 75bis van dezelfde wet worden de volgende wijzigingen aangebracht: 1° in paragraaf 1, eerste lid, gewijzigd bij de wetten van 24 maart 2003 en 10 december 2009, worden in de Nederlandse versie de woorden “artikel 39 van de wet van 21 december 2009 op het statuut van de betalingsinstellin- gen, de toegang tot het bedrijf van betalingsdienstaanbieder en de toegang tot de betalingssystemen” vervangen door de woorden “artikel 39 of 91 van de wet van 21 december 2009 op het statuut van de betalingsinstellingen en van de instel- lingen voor elektronisch geld, de toegang tot het bedrijf van betalingsdienstaanbieder en tot de activiteit van uitgifte van elektronisch geld en de toegang tot betalingssystemen”; 2° in paragraaf 2, gewijzigd bij de wetten van 24 maart 2003 en 10 december 2009, worden de woorden “kredietinstel- lingen, financiële instellingen en betalingsinstellingen” vervangen door de woorden “kredietinstellingen, fi nanciële instellingen, betalingsinstellingen en instellingen voor elektro- nisch geld”; 3° in paragraaf 3, eerste lid, gewijzigd bij de wetten van 24 maart 2003 en 10 december 2009, worden de woorden “kredietinstelling, fi nanciële instelling, of betalingsinstelling” vervangen door de woorden “kredietinstelling, fi nanciële instelling, betalingsinstelling of instelling voor elektronisch geld”. Afdeling 2 Wijzigingen in de wet van 11 januari 1993 tot voorkoming van het gebruik van het financiële stelsel voor het witwassen van geld en de financiering van terrorisme Art. 97 In artikel 2, § 1 van de wet van 11 januari 1993 tot voorko- ming van het gebruik van het fi nanciële stelsel voor het wit- wassen van geld en de fi nanciering van terrorisme, laatstelijk gewijzigd bij het koninklijk besluit van 6 mei 2010, worden de volgende wijzigingen aangebracht: sements de monnaie électronique soumis au contrôle de la Banque nationale de Belgique conformément à la loi du 21 décembre 2009 relative au statut des établissements de paiement et des établissements de monnaie électronique, à l’accès à l’activité de prestataire de services de paiement, à l’activité d’émission de monnaie électronique et à l’accès aux systèmes de paiement et à qui un agrément a été octroyé sur base duquel du crédit additionnel, lié aux services de paie- ment visés aux points 4, 5 ou 7 de l’Annexe I et répondant aux conditions de l’article 21, § 3 de la loi du 21 décembre 2009, peut être offert.”. Art. 96 À l’article 75bis de la même loi, les modifi cations suivantes sont apportées: 1° dans le paragraphe 1er, alinéa 1er, modifi é par les lois des 24 mars 2003 et 10 décembre 2009, dans la version française, les mots “et des institutions de paiement conformément à l’article 39 de la loi du 21 décembre 2009 relative au statut des établissements de paiement, à l’accès à l’activité de pres- tataire de services de paiement et à l’accès aux systèmes de paiement”, sont remplacés par les mots “, ou conformément aux articles 39 ou 91 de la loi du 21 décembre 2009 relative au statut des établissements de paiement et des établissements de monnaie électronique, à l’accès à l’activité de prestataire de services de paiement, à l’activité d’émission de monnaie électronique et à l’accès aux systèmes de paiement”; 2° dans le paragraphe 2, modifié par les lois des 24 mars 2003 et 10 décembre 2009, les mots “établissements de crédit, établissements fi nanciers et établissements de paiement” sont remplacés par les mots “établissements de crédit, établissements fi nanciers, établissements de paiement et établissements de monnaie électronique”; 3° dans le paragraphe 3, alinéa 1er, modifi é par les lois des 24 mars 2003 et 10 décembre 2009, les mots “établis- sement de crédit, établissement fi nancier ou établissement de paiement” sont remplacés par les mots “établissement de crédit, établissement fi nancier, établissement de paiement ou établissement de monnaie électronique”. Section 2 Modifications de la loi du 11 janvier 1993 relative à la prévention de l’utilisation du système financier aux fins du blanchiment de capitaux et du financement du terrorisme Art. 97 Dans l’article 2, § 1er, de la loi du 11 janvier 1993 relative à la prévention de l’utilisation du système fi nancier aux fi ns du blanchiment de capitaux et du fi nancement du terrorisme, tel que modifi é en dernier lieu par l’arrêté royal du 6 mai 2010, il est apporté les modifi cations suivantes: DOC 53 2432/001 112 2431/001 DOC 53 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 3 e L É G I S L A T U R E K AMER 3e Z ITTING VAN DE 53e Z ITTING S P E RIO DE 2011 2012 1° de bepaling onder 3° wordt vervangen als volgt: “3° de naamloze vennootschap van publiek recht bpost voor haar fi nanciële postdiensten of de uitgifte van elektronisch geld;”; 2° in de bepaling onder 4°ter worden de woorden “wet van 21 december 2009 betreffende het statuut van de betaling- sinstellingen, de toegang tot het bedrijf van betalingsdien- staanbieder en de toegang tot betalingssystemen” vervangen door de woorden “wet van 21 december 2009 op het statuut van de betalingsinstellingen en van de instellingen voor elektronisch geld, de toegang tot het bedrijf van betalingsdien- staanbieder en tot de activiteit van uitgifte van elektronisch geld en de toegang tot betalingssystemen”; 3° de bepaling onder 4°quater wordt ingevoegd, luidende: “4°quater. a) de uitgevers van elektronisch geld bedoeld in artikel 59, 4° en 5° van de wet van 21 december 2009 op het statuut van de betalingsinstellingen en van de instellingen voor elektronisch geld, de toegang tot het bedrijf van betalingsdien- staanbieder en tot de activiteit van uitgifte van elektronisch geld en de toegang tot betalingssystemen; b) de instellingen voor elektronisch geld naar Belgisch recht; c) de in België gevestigde bijkantoren van instellingen voor elektronisch geld bedoeld in Boek 3, Titel 2 van deze wet; d) de vrijgestelde instellingen bedoeld in artikel 105 van dezelfde wet; e) de instellingen voor elektronisch geld die ressorteren onder het recht van een andere lidstaat van de Europese Economische Ruimte en die in België elektronisch geld uitge- ven via een persoon die er gevestigd is en die de instelling hiervoor vertegenwoordigt.”. Art. 98 In artikel 11, § 2 van dezelfde wet wordt de bepaling onder 4° vervangen als volgt: “de uitgifte van elektronisch geld in de zin van artikel 4, 33° van de wet van 21 december 2009 op het statuut van de beta- lingsinstellingen en van de instellingen voor elektronisch geld, de toegang tot het bedrijf van betalingsdienstaanbieder en tot de activiteit van uitgifte van elektronisch geld en de toegang tot betalingssystemen, voor zover het maximumbedrag dat op de elektronische drager is opgeslagen niet meer dan 250 euro bedraagt indien de drager niet kan worden heropgeladen, of, indien de drager kan worden heropgeladen, een limiet van 2 500 euro geldt voor het totaalbedrag van de verrichtingen die in een kalenderjaar worden uitgevoerd. De artikelen 7 en 8 zijn echter wel van toepassing indien de houder van elektronisch geld, met toepassing van artikel 58/2 van de wet van 10 december 2009 betreffende de betalingsdiensten in de loop van datzelfde kalenderjaar, de terugbetaling vraagt van 1 000 euro of meer;”. 1° le 3° est remplacé par la disposition suivante “3° la société anonyme de droit public bpost pour ses services fi nanciers postaux ou l’émission de monnaie électronique;”; 2° au 4°ter, les mots “loi du 21 décembre 2009 relative au statut des établissements de paiement, à l’accès à l’activité de prestataire de services de paiement et à l’accès aux systèmes de paiement” sont remplacés par les mots “loi du 21 décembre 2009 relative au statut des établissements de paiement et des établissements de monnaie électronique, à l’accès à l’activité de prestataire de services de paiement, à l’activité d’émission de monnaie électronique et à l’accès aux systèmes de paiement”; 3° il est inséré un 4°quater rédigé comme suit: “4°quater. a) les émetteurs de monnaie électronique visés à l’article 59, 4° et 5° de la loi du 21 décembre 2009 relative au statut des établissements de paiement et des établissements de monnaie électronique, à l’accès à l’activité de prestataire de services de paiement, à l’activité d’émission de monnaie électronique et à l’accès aux systèmes de paiement; b) les établissements de monnaie électronique de droit belge; c) les succursales établies en Belgique d’établissements de monnaie électronique visés au Livre 3, Titre 2 de cette loi; d) les établissements exemptés visés à l’article 105 de cette même loi; e) les établissements de monnaie électronique relevant du droit d’un autre État membre de l’Espace économique euro- péen qui émettent en Belgique de la monnaie électronique par le biais d’une personne qui y est établie et qui représente l’établissement à cette fi n.”. Art. 98 Dans l’article 11, § 2, de la même loi, le 4° est remplacé par ce qui suit: “l’émission de monnaie électronique au sens de l’article 4, 33° de la loi du 21 décembre 2009 relative au statut des éta- blissements de paiement et des établissements de monnaie électronique, à l’accès à l’activité de prestataire de services de paiement, à l’activité d’émission de monnaie électronique et à l’accès aux systèmes de paiement, pour autant que la capacité maximale de chargement électronique du support ne soit pas supérieure à 250 euros si le support ne peut être rechargé ou, si le support peut être rechargé, pour autant qu’une limite de 2 500 euros soit fi xée pour le montant total des transactions dans une année civile. Toutefois, les articles 7 et 8 s’appliquent lorsque le détenteur de monnaie électro- nique demande le remboursement d’au moins 1 000 euros au cours de la même année civile en application de l’article 58/2 de la loi du 10 décembre 2009 relative aux services de paiement;”. DOC 53 2432/001 113 2431/001 DOC 53 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 3 e L É G I S L A T U R E K AMER 3e Z ITTING VAN DE 53e Z ITTING S P E RIO DE 2011 2012 Art. 99 In artikel 18 van dezelfde wet wordt een lid ingevoegd, luidende: “In de gevallen beoeld in artikel 2, § 1, 4ter, c) en 4quater, e) moet een voor de toepassing van deze wet verantwoordelijke persoon in België zijn gevestigd.”. Afdeling 3 Wijzigingen in de wet van 22 maart 1993 op het statuut van en het toezicht op de kredietinstellingen Art. 100 In artikel 1 van de wet van 22 maart 1993 op het statuut van en het toezicht op de kredietinstellingen, gewijzigd bij de wet van 25 februari 2003, worden de volgende wijzigingen aangebracht: 1° Het tweede lid, gewijzigd bij de wet van 25 februari 2003, wordt vervangen als volgt: “Onder kredietinstelling wordt verstaan, een Belgische of buitenlandse onderneming waarvan de werkzaamheden bestaan in het van het publiek in ontvangst nemen van gelddeposito’s of van andere terugbetaalbare gelden en het verlenen van kredieten voor eigen rekening.”. 2° Het derde lid wordt opgeheven. Art. 101 In artikel 2 van dezelfde wet, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 3 maart 2011, worden de volgende wijzigingen aangebracht: 1° in paragraaf 1, 1° worden de woorden “De Post (Post- cheque)” vervangen door de woorden “de naamloze ven- nootschap van publiek recht bpost”; 2° paragraaf 2, ingevoegd bij de wet van 25 februari 2003, wordt opgeheven. Art. 102 In artikel 3 van dezelfde wet worden de volgende wijzigin- gen aangebracht: a) in paragraaf 1, 5°, worden de woorden “werkzaamheden als vermeld in de punten 2 tot 12 van de lijst in § 2 van dit artikel” vervangen door de woorden “werkzaamheden als vermeld in de punten 2 tot 12 en 15 van de lijst in paragraaf 2 van dit artikel”; b) in paragraaf 1 wordt de bepaling onder 7°, ingevoegd bij de wet van 25 februari 2003, opgeheven; Art. 99 Dans l’article 18 de la même loi, il est ajouté un alinéa rédigé comme suit: “Dans les cas visés à l’article 2, § 1er, 4ter, c) et 4 quater, e), une personne responsable de l’application de la présente loi doit être établie en Belgique.”. Section 3 Modifications de la loi du 22 mars 1993 relative au statut et au contrôle des établissements de crédit Art. 100 Dans l’article 1er de la loi du 22 mars 1993 relative au statut et au contrôle des établissements de crédit, modifi é par la loi du 25 février 2003, les modifi cations suivantes sont apportées: 1° L’alinéa 2, modifi é par la loi du 25 février 2003, est remplacé par ce qui suit: “Sont défi nies comme établissement de crédit les entre- prises belges ou étrangères dont l’activité consiste à recevoir du public des dépôts d’argent ou d’autres fonds rembour- sables et à octroyer des crédits pour leur propre compte.”. 2° L’alinéa 3 est abrogé. Art. 101 Dans l’article 2 de la même loi, modifi é par l’arrêté royal du 3 mars 2011, les modifi cations suivantes sont apportées: 1° au paragraphe 1er, 1°, les mots “La Poste (Postchèque)” sont remplacés par les mots “la société anonyme de droit public bpost”; 2° le paragraphe 2, inséré par la loi du 25 février 2003, est abrogé. Art. 102 Dans l’article 3 de la même loi, les modifi cations suivantes sont apportées: a) dans le paragraphe 1er, 5°, les mots “activités visées aux points 2 à 12 de la liste reprise au paragraphe 2 du présent article” sont remplacés par les mots “activités visées aux points 2 à 12 et 15 de la liste reprise au paragraphe 2 du présent article”; b) dans le paragraphe 1er, le 7°, inséré par la loi du 25 fé- vrier 2003, est abrogé; DOC 53 2432/001 114 2431/001 DOC 53 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 3 e L É G I S L A T U R E K AMER 3e Z ITTING VAN DE 53e Z ITTING S P E RIO DE 2011 2012 c) in paragraaf 2, 4) worden de woorden “wet van 21 de- cember 2009 op het statuut van de betalingsinstellingen, de toegang tot het bedrijf van betalingsdienstaanbieder en de toegang tot betalingssystemen” vervangen door de woorden “wet van 21 december 2009 betreffende het statuut van de betalingsinstellingen, de toegang tot het bedrijf van beta- lingsdienstaanbieder en de toegang tot betalingssystemen, en van andere wetgeving die betrekking heeft op het statuut van de betalingsinstellingen en van de instellingen voor elektronisch geld.”; d) in paragraaf 2 wordt het eerste lid aangevuld met de bepaling onder 15), luidende: “Uitgifte van elektronisch geld”. Art. 103 In Titel I van dezelfde wet wordt Hoofdstuk IIIbis, dat de artikelen 5bis tot 5quater bevat, ingevoegd bij de wet van 25 februari 2009, opgeheven. Art. 104 In artikel 6 van dezelfde wet worden de volgende wijzigin- gen aangebracht: 1° in paragraaf 1, eerste lid, gewijzigd bij de wetten van 20 maart 1996 en 25 februari 2003, worden de woorden “instelling voor elektronisch geld” geschrapt; 2° paragraaf 2, ingevoegd bij de wet van 25 februari 2003, wordt opgeheven. Art. 105 In artikel 41, eerste lid, van dezelfde wet, gewijzigd bij de wetten van 25 februari 2003 en 19 november 2004, worden de woorden “die geen instelling voor elektronisch geld zijn” geschrapt. Art. 106 In artikel 43, § 1, eerste lid van dezelfde wet, vervangen bij de wet van 15 mei 2007 en gewijzigd bij het koninklijk besluit van 3 maart 2011, wordt de bepaling onder b) opgeheven. Art. 107 In artikel 57, paragraaf 1, tweede lid, 2°, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 3 maart 2011, wordt de eerste zin aan- gevuld met de woorden “; deze schorsing kan, in de door de Bank bepaalde mate, de volledige of gedeeltelijke schorsing van de uitvoering van de lopende overeenkomsten tot gevolg hebben”; c) dans le paragraphe 2, 4) les mots “loi du 21  dé- cembre  2009 relative au statut des établissements de paiement, à l’accès à l’activité de prestataire de services de paiement et à l’accès aux systèmes de paiement” sont remplacés par les mots “loi du 21 décembre 2009 relative au statut des établissements de paiement, à l’accès à l’activité de prestataire de services de paiement et à l’accès aux systèmes de paiement et d’autres législations dans la mesure où elles sont relatives au statut des établissements de paiement et des établissements de monnaie électronique.”; d) dans le paragraphe 2, l’alinéa 1er est complété par le 15) rédigé comme suit: “Emission de monnaie électronique”. Art. 103 Dans le Titre Ier de la même loi, le Chapitre IIIbis, com- portant les articles 5bis à 5quater, inséré par la loi du 25 février 2009, est abrogé. Art. 104 Dans l’article 6 de la même loi, les modifi cations suivantes sont apportées: 1° dans le paragraphe 1er, alinéa 1er, modifi é par les lois des 20 mars 1996 et 25 février 2003, les mots “établissement de monnaie électronique”, sont abrogés; 2° le paragraphe 2, inséré par la loi du 25 février 2003, est abrogé. Art. 105 Dans l’article 41, alinéa 1er de la même loi, modifi é par les lois des 25 février 2003 et 19 novembre 2004, les mots “autres que les établissements de monnaie électronique” sont abrogés. Art. 106 Dans l’article 43, § 1er, alinéa 1er de la même loi, remplacé par la loi du 15 mai 2007 et modifi é par l’arrêté royal du 3 mars 2011, le b) est abrogé. Art. 107 Dans l’article 57, paragraphe 1er, alinéa 2, 2°, modifi é par l’arrêté royal du 3 mars 2011, la première phrase est com- plétée par les mots “; cette suspension peut, dans la mesure déterminée par la Banque, impliquer la suspension totale ou partielle de l’exécution des contrats en cours”; DOC 53 2432/001 115 2431/001 DOC 53 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 3 e L É G I S L A T U R E K AMER 3e Z ITTING VAN DE 53e Z ITTING S P E RIO DE 2011 2012 Art. 108 In dezelfde wet wordt Titel IIbis, ingevoegd bij de wet van 25 februari 2003, die de artikelen 64bis tot 64quinquies bevat, opgeheven. Art. 109 Artikel 66bis van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 25  februari  2003 en gewijzigd bij de wet van 19  novem- ber 2004, wordt opgeheven. Art. 110 In Titel IV van dezelfde wet wordt Hoofdstuk V, dat artikel 84bis bevat, ingevoegd bij de wet van 25  februari  2003, opgeheven. Art. 111 In artikel 104, § 1, 1° van dezelfde wet, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 3 maart 2011, worden de woorden “artikel 5bis overtreedt of” geschrapt. Art. 112 In artikel 110bis2, § 2 van dezelfde wet wordt het tweede lid, ingevoegd bij de wet van 25 februari 2003, opgeheven. Art. 113 Artikel 152quater van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 25 februari 2003, wordt opgeheven. Afdeling 4 Wijzigingen in de wet van 22 februari 1998 tot vaststelling van het organiek statuut van de Nationale Bank van België Art. 114 In artikel 36/1 van de wet van 22 februari 1998 tot vaststel- ling van het organiek statuut van de Nationale Bank van België, ingevoegd bij het koninklijk besluit van 3 maart 2011 betreffende de evolutie van de toezichtsarchitectuur voor de fi nanciële sector, worden de volgende wijzigingen aan- gebracht: a) de bepaling onder 4° wordt vervangen als volgt: “4° “instelling voor elektronisch geld”: een instelling als bedoeld in artikel 4, 31°, van de wet van 21 december 2009 op het statuut van de betalingsinstellingen en van de instel- lingen voor elektronisch geld, de toegang tot het bedrijf van Art. 108 Dans la même loi, le Titre IIbis, inséré par la loi du 25 fé- vrier 2003, comportant les articles 64bis à 64quinquies est abrogé. Art. 109 L’article 66bis de la même loi, inséré par la loi du 25 fé- vrier 2003 et modifi é par la loi du 19 novembre 2004, est abrogé. Art. 110 Dans le Titre IV de la même loi, le Chapitre V, comportant l’article 84bis, inséré par la loi du 25 février 2003, est abrogé. Art. 111 Dans l’article 104, § 1er, 1° de la même loi, modifi é par l’arrêté royal du 3 mars 2011, les mots “qui contreviennent à l’article 5bis ou” sont abrogés. Art. 112 Dans l’article 110bis2, § 2 de la même loi, l’alinéa 2, inséré par la loi du 25 février 2003, est abrogé. Art. 113 L’article 152quater de la même loi, inséré par la loi du 25 février 2003, est abrogé. Section 4 Modifications de la loi du 22 février 1998 fixant le statut organique de la Banque nationale de Belgique Art. 114 Dans l’article 36/1 de la loi du 22 février 1998 fi xant le statut organique de la Banque Nationale de Belgique, inséré par l’arrêté royal du 3 mars 2011 mettant en œuvre l’évolution des structures de contrôle du secteur fi nancier, les modifi cations suivantes sont apportées: a) le 4° est remplacé par ce qui suit: “4° “établissement de monnaie électronique”: tout établis- sement visé à l’article 4, 31° de la loi du 21 décembre 2009 relative au statut des établissements de paiement et des éta- blissements de monnaie électronique, à l’accès à l’activité de DOC 53 2432/001 116 2431/001 DOC 53 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 3 e L É G I S L A T U R E K AMER 3e Z ITTING VAN DE 53e Z ITTING S P E RIO DE 2011 2012 betalingsdienstaanbieder en tot de activiteit van uitgifte van elektronisch geld en de toegang tot betalingssystemen; b) in de bepaling onder 9° worden de woorden “betreffende het statuut van de betalingsinstellingen, toegang tot het bedrijf van betalingsdienstenaanbieder en de toegang tot betalings- systemen” vervangen door de woorden “op het statuut van de betalingsinstellingen en van de instellingen voor elektronisch geld, de toegang tot het bedrijf van betalingsdienstaanbieder en tot de activiteit van uitgifte van elektronisch geld en de toegang tot betalingssystemen”. Art. 115 In artikel 36/2, eerste lid van dezelfde wet, ingevoegd bij het koninklijk besluit van 3 maart 2011 betreffende de evolutie van de toezichtsarchitectuur voor de fi nanciële sector, worden de woorden “met inbegrip van de instellingen voor elektronisch geld,” geschrapt en worden de woorden “en de betalingsinstel- lingen” vervangen door de woorden “, de betalingsinstellingen en de instellingen voor elektronisch geld”. Art. 116 Artikel 36/14, paragraaf 1 van dezelfde wet, ingevoegd bij het koninklijk besluit van 3 maart 2011 betreffende de evolutie van de toezichtsarchitectuur voor de fi nanciële sector, wordt aangevuld met de bepaling onder 17°, luidende; “17° ambtenaren aangesteld door de minister bevoegd voor Economische Zaken, die, in het kader van hun opdracht bedoeld in artikel 72 van de wet van 10 december 2009, bevoegd zijn om inbreuken gepleegd op de bepalingen van de artikelen 58/1, 58/2 en 58/3 van dezelfde wet op te sporen en vast te stellen.”. Afdeling 5 Wijzigingen in de wet van 16 juni 2006 op de openbare aanbieding van beleggingsinstrumenten en de toelating van beleggingsinstrumenten tot de verhandeling op een gereglementeerde markt Art. 117 In artikel 68bis, eerste lid, 1° van de wet van 16 juni 2006 op de openbare aanbieding van beleggingsinstrumenten en de toelating van beleggingsinstrumenten tot de verhandeling op een gereglementeerde markt, ingevoegd bij het koninklijk besluit van 3  maart  2011 betreffende de evolutie van de toezichtsarchitectuur voor de fi nanciële sector, worden de woorden “, met uitzondering van de instellingen voor elektro- nisch geld” geschrapt. prestataire de services de paiement, à l’activité d’émission de monnaie électronique et à l’accès aux systèmes de paiement; b) dans le 9°, les mots “, à l’accès à l’activité de prestataire de services de paiement et à l’accès aux systèmes de paie- ment” sont remplacés par les mots “et des établissements de monnaie électronique, à l’accès à l’activité de prestataire de services de paiement, à l’activité d’émission de monnaie électronique et à l’accès aux systèmes de paiement”. Art. 115 Dans l’article 36/2, alinéa 1er de la même loi, inséré par l’arrêté royal du 3 mars 2011 mettant en œuvre l’évolution des structures de contrôle du secteur fi nancier, les mots “, en ce compris les établissements de monnaie électronique” sont abrogés et les mots “et des établissements de paiement” sont remplacés par les mots “, des établissements de paiement et des établissements de monnaie électronique”. Art. 116 L’article 36/14, paragraphe 1er de la même loi, inséré par l’arrêté royal du 3 mars 2011 mettant en œuvre l’évolution des structures de contrôle du secteur fi nancier, est complété par le 17° rédigé comme suit: “17° aux agents commissionnés par le ministre ayant les Affaires économiques dans ses attributions, compétents pour rechercher et constater les infractions commises aux dispositions des articles 58/1, 58/2 et 58/3 de la loi du 10 dé- cembre 2009, dans le cadre de leur mission visée à l’article 72 de ladite loi.”. Section 5 Modifications de la loi du 16 juin 2006 relative aux offres publiques d’instruments de placement et aux admissions d’instruments de placement à la négociation sur des marchés réglementés. Art. 117 Dans l’article 68bis, alinéa 1er, 1° de la loi du 16 juin 2006 relative aux offres publiques d’instruments de placement et aux admissions d’instruments de placement à la négociation sur des marchés réglementés, inséré par l’arrêté royal du 3 mars 2011 mettant en œuvre l’évolution des structures de contrôle du secteur fi nancier, les mots “, à l’exception des établissements de monnaie électronique” sont abrogés. DOC 53 2432/001 117 2431/001 DOC 53 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 3 e L É G I S L A T U R E K AMER 3e Z ITTING VAN DE 53e Z ITTING S P E RIO DE 2011 2012 Afdeling 6 Wijzigingen in de wet van 10 december 2009 betreffende de betalingsdiensten Art. 118 In artikel 2 van de wet van 10 december 2009 betreffende de betalingsdiensten worden de volgende wijzigingen aan- gebracht: a) in punt 2°, eerste lid wordt de bepaling onder b) ver- vangen als volgt: “b) de instellingen voor elektronisch geld bedoeld in artikel 4, 31°, van de wet van 21 december 2009 op het statuut van de betalingsinstellingen en van de instel- lingen voor elektronisch geld, de toegang tot het bedrijf van betalingsdienstaanbieder en tot de activiteit van uitgifte van elektronisch geld en de toegang tot betalingssystemen;”; b) in punt 2°, tweede lid worden de woorden “of elektronisch geld levert aan een houder van elektronisch geld” ingevoegd tussen de woorden “aan betalingsdienstgebruikers” en de woorden “zonder hiertoe over de nodige vergunning of toe- lating te beschikken”; c) artikel 2 wordt aangevuld met de bepalingen onder 29°, 30°, 31°, 32° en 33°, luidende: “29° “elektronisch geld”: elektronisch, met inbegrip van magnetisch, opgeslagen monetaire waarde vertegenwoordigd door een vordering op de uitgever, die is uitgegeven in ruil voor ontvangen geld om betalingstransacties te verrichten en die wordt aanvaard door een andere natuurlijke of rechtspersoon dan de uitgever van elektronisch geld; 30° “uitgever van elektronisch geld”: een uitgever van elektronisch geld als bedoeld in artikel 4, 32° van de wet van 21 december 2009 op het statuut van de betalingsinstellingen en van de instellingen voor elektronisch geld, de toegang tot het bedrijf van betalingsdienstaanbieder en tot de activiteit van uitgifte van elektronisch geld en de toegang tot beta- lingssystemen; 31° “instelling voor elektronisch geld”: een instelling voor elektronisch geld als bedoeld in artikel 4, 31° van dezelfde wet; 32° “houder van elektronisch geld”: een natuurlijke of rechtspersoon die geld overhandigt aan een uitgever van elektronisch geld in ruil voor de uitgifte van elektronisch geld door die uitgever; 33° “wet van 21  december  2009”: wet van 21 decem- ber 2009 op het statuut van de betalingsinstellingen en van de instellingen voor elektronisch geld, de toegang tot het bedrijf van betalingsdienstaanbieder en tot de activiteit van uitgifte van elektronisch geld en de toegang tot betalingssystemen.”. Section 6 Modifications de la loi du 10 décembre 2009 relative aux services de paiement Art. 118 Dans l’article 2 de la loi du 10 décembre 2009 relative aux services de paiement, les modifi cations suivantes sont apportées: a) dans le point 2°, alinéa 1er, le b) est remplacé par ce qui suit: “b) les établissements de monnaie électronique tels que visés à l’article 4, 31° de la loi du 21 décembre 2009 relative au statut des établissements de paiement et des établissements de monnaie électronique, à l’accès à l’activité de prestataire de services de paiement, à l’activité d’émission de monnaie électronique et à l’accès aux systèmes de paiement;”; b) dans le point 2°, alinéa 2, les mots “ou remet de la mon- naie électronique à un détenteur de monnaie électronique” sont insérés entre les mots “à un utilisateur de services de paiement” et les mots “sans disposer d’un agrément”; c) l’article 2 est complété par les 29°; 30°, 31°, 32°et 33°, rédigés comme suit: “29° “monnaie électronique”: une valeur monétaire qui est stockée sous une forme électronique, y compris magnétique, représentant une créance sur l’émetteur, qui est émise contre la remise de fonds aux fi ns d’opérations de paiement et qui est acceptée par une personne physique ou morale autre que l’émetteur de monnaie électronique; 30° “émetteur de monnaie électronique”: l’émetteur de monnaie électronique tel que visé à l’article 4, 32° de la loi du 21 décembre 2009 relative au statut des établissements de paiement et des établissements de monnaie électronique, à l’accès à l’activité de prestataire de services de paiement, à l’activité d’émission de monnaie électronique et à l’accès aux systèmes de paiement; 31° “établissement de monnaie électronique”: l’établisse- ment de monnaie électronique tel que visé à l’article 4, 31° de la même loi; 32° “détenteur de monnaie électronique”: une personne physique ou morale qui remet des fonds à un émetteur de monnaie électronique en échange de l’émission de monnaie électronique par cet émetteur; 33° “loi du 21 décembre 2009”: la loi du 21 décembre 2009 relative au statut des établissements de paiement et des éta- blissements de monnaie électronique, à l’accès à l’activité de prestataire de services de paiement, à l’activité d’émis- sion de monnaie électronique et à l’accès aux systèmes de paiement.”. DOC 53 2432/001 118 2431/001 DOC 53 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 3 e L É G I S L A T U R E K AMER 3e Z ITTING VAN DE 53e Z ITTING S P E RIO DE 2011 2012 Art. 119 Artikel 3 van dezelfde wet wordt aangevuld met een para- graaf 3, luidende: “§ 3. Deze wet is ook van toepassing op de uitgifte en terugbetaalbaarheid van elektronisch geld door uitgevers van elektronisch geld.”. Art. 120 In artikel 44, § 2, tweede lid van dezelfde wet worden de woorden “Europese Unie” vervangen door de woorden “EER”. Art. 121 In artikel 64, 11° van dezelfde wet worden de woorden “37, §§ 1 tot 4” vervangen door de woorden “37, §§ 1 tot 3”. Art. 122 In dezelfde wet wordt een Titel III/1 ingevoegd, luidende: “Titel III/1. — Uitgifte en terugbetaalbaarheid van elektro- nisch geld”. Art. 123 In Titel III/1, ingevoegd bij artikel 122, wordt een Hoofdstuk 1 ingevoegd, luidende: “Hoofdstuk 1 — Uitgifte en terugbetaalbaarheid”. Art. 124 In Hoofdstuk 1, ingevoegd bij artikel 123, worden de arti- kelen 58/1 en 58/2 ingevoegd, luidende: “Art. 58/1. Uitgevers van elektronisch geld geven elektro- nisch geld uit tegen de nominale waarde, in ruil voor ont- vangen geld. Art. 58/2. § 1. Uitgevers van elektronisch geld betalen de nominale monetaire waarde van het aangehouden elektro- nisch geld op elk ogenblik terug wanneer de houder van het elektronisch geld daarom verzoekt. § 2. De terugbetalingsvoorwaarden, met inbegrip van de eventuele vergoeding die hiermee samenhangt, worden duidelijk en opvallend vermeld in de overeenkomst tussen de uitgever van elektronisch geld en de houder van elektronisch geld, en de houder van het elektronisch geld wordt in kennis gesteld van deze voorwaarden voordat hij wordt gebonden door een overeenkomst of een aanbod. Art. 119 L’article 3, de la même loi, est complété par le paragraphe 3, rédigé comme suit: “§ 3. La présente loi est également applicable à l’émission et au remboursement de la monnaie électronique par des émetteurs de monnaie électronique”. Art. 120 Dans l’article 44, § 2, alinéa 2, de la même loi, les mots “Union Européenne” sont remplacés par les mots “EEE”. Art. 121 Dans l’article 64, 11°, de la même loi, les mots “37, §§ 1er à 4” sont remplacés par les mots “37, §§ 1er à 3”. Art. 122 Dans la même loi, il est inséré un Titre III/1, rédigé comme suit: “Titre III/1. — Emission et remboursement de la monnaie électronique”. Art. 123 Dans le Titre III/1, inséré par l’article 122, il est inséré un Chapitre 1er, rédigé comme suit: “Chapitre 1er — Emission et remboursement”. Art. 124 Dans le Chapitre 1er, inséré par l’article 123, sont insérés les articles 58/1 et 58/2, rédigés comme suit: “Art. 58/1. Les émetteurs de monnaie électronique émettent de la monnaie électronique à la valeur nominale contre la remise de fonds. Art. 58/2. § 1er. Les émetteurs de monnaie électronique remboursent, à la demande du détenteur de monnaie élec- tronique, à tout moment et à la valeur nominale, la valeur monétaire de la monnaie électronique détenue. § 2. Le contrat conclu entre l’émetteur de monnaie élec- tronique et le détenteur de monnaie électronique établit clai- rement et de façon bien visible les conditions de rembourse- ment, y compris les frais éventuels y afférents, et le détenteur de monnaie électronique est informé de ces conditions avant qu’il ne soit lié par un contrat ou une offre. DOC 53 2432/001 119 2431/001 DOC 53 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 3 e L É G I S L A T U R E K AMER 3e Z ITTING VAN DE 53e Z ITTING S P E RIO DE 2011 2012 § 3. Le remboursement ne peut donner lieu au prélèvement de frais que si le contrat le prévoit conformément au para- graphe 2 et uniquement dans un des cas suivants: a) le remboursement est demandé avant l’expiration du contrat; b) le contrat spécifi e une date d’expiration et le détenteur de monnaie électronique a mis fi n au contrat avant cette date, ou c) le remboursement est demandé plus d’un an après la date d’expiration du contrat. Le montant des frais doit être proportionné et en rapport avec les coûts réels supportés par l’émetteur de monnaie électronique. Le Roi peut déterminer les critères permettant d’établir les coûts réels supportés par l’émetteur de monnaie électronique. § 4. Lorsque le remboursement est demandé avant l’expi- ration du contrat, le détenteur de monnaie électronique peut demander le remboursement de la monnaie électronique en tout ou en partie. § 5. Lorsque le remboursement est demandé par le déten- teur de monnaie électronique à la date d’expiration du contrat ou dans un délai d’un an après celle-ci: a) la valeur monétaire totale de la monnaie électronique détenue est remboursée; ou b) lorsque l’établissement de monnaie électronique exerce une ou plusieurs activités conformément à l’article 77, § 1er, de la loi du 21 décembre 2009 et que la proportion des fonds qui seront utilisés sous forme de monnaie électronique n’est pas connue à l’avance, tous les fonds dont le remboursement est demandé par le détenteur de monnaie électronique sont remboursés. § 6. Nonobstant les paragraphes 3 à 5, le droit au rembour- sement des personnes, autres que les consommateurs, qui acceptent de la monnaie électronique est soumis à l’accord contractuel entre les émetteurs de monnaie électronique et ces personnes.”. Art. 125 Dans le Titre III/1, inséré par l’article 122, il est inséré un Chapitre 2, rédigé comme suit: “Chapitre 2 — Interdiction des intérêts”. Art. 126 Dans le Chapitre 2, inséré par l’article 125, il est inséré un article 58/3, rédigé comme suit: § 3. Voor terugbetaling kan er enkel een vergoeding in rekening worden gebracht indien dit in de overeenkomst is vermeld overeenkomstig paragraaf 2, en enkel in een van de volgende gevallen: a) indien er om terugbetaling wordt gevraagd vóór de overeenkomst is beëindigd; b) indien de overeenkomst voorziet in een beëindigingsda- tum en de houder van het elektronisch geld de overeenkomst vóór deze datum beëindigt, of c) indien er meer dan een jaar na de beëindiging van de overeenkomst om terugbetaling wordt gevraagd. Dergelijke vergoeding staaat in verhouding tot de werkelijke kosten die de uitgever van elektronisch geld heeft gemaakt. De Koning kan de criteria vastleggen die toelaten de wer- kelijke kosten te bepalen die de uitgever van elektronisch geld in aanmerking kan nemen. § 4. Indien er om terugbetaling wordt gevraagd vóór de beëindiging van de overeenkomst, kan de houder van elektronisch geld verzoeken om de gedeeltelijke of volledige terugbetaling van het elektronisch geld. § 5. Wanneer de houder van het elektronisch geld om terugbetaling vraagt op de datum van beëindiging van de overeenkomst of binnen een termijn van een jaar na die datum: a) wordt de volledige monetaire waarde van het aange- houden elektronisch geld terugbetaald; of b) worden alle middelen terugbetaald waarom de houder van het elektronisch geld verzoekt, indien de instelling voor elektronisch geld een of meer activiteiten uitoefent conform artikel 77, § 1, van de wet van 21 december 2009 en het op voorhand niet geweten is welk deel van de middelen zal worden gebruikt als elektronisch geld. § 6. Niettegenstaande de paragrafen 3 tot 5, is het recht op terugbetaling van personen die elektronisch geld aan- vaarden en die geen consumenten zijn, vastgelegd in een contractueel beding tussen de uitgevers van elektronisch geld en die personen.”. Art. 125 In Titel III/1, ingevoegd bij artikel 122, wordt een Hoofdstuk 2 ingevoegd, luidende: “Hoofdstuk 2 — Verbod op rente”. Art. 126 In Hoofdstuk 2, ingevoegd bij artikel 125, wordt een artikel 58/3 ingevoegd, luidende: DOC 53 2432/001 120 2431/001 DOC 53 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 3 e L É G I S L A T U R E K AMER 3e Z ITTING VAN DE 53e Z ITTING S P E RIO DE 2011 2012 “Art. 58/3. Uitgevers van elektronisch geld mogen geen rente of andere voordelen toekennen die samenhangen met de lengte van de periode gedurende dewelke een houder van elektronisch geld het elektronisch geld aanhoudt.”. Art. 127 In dezelfde wet wordt een artikel 63/1 ingevoegd, luidende: “Artikel 63/1. Bij niet-naleving door de uitgever van elektro- nisch geld van de verplichtingen voortvloeiend uit artikel 58/2, en onverminderd de gemeenrechtelijke sancties: — wordt de houder van elektronisch geld van rechtswege ontslagen van de eventuele vergoeding die samenhangt met de terugbetaling; — kan de houder van elektronisch geld, de overeenkomst elektronisch geld, en in voorkomend geval de raamovereen- komst inzake betalingsdiensten, met een gemotiveerd ter post aangetekend schrijven zonder kosten of boete onmiddellijk opzeggen vanaf het ogenblik dat hij kennis had of hoorde te hebben van de niet-nageleefde verplichtingen.”. Art. 128 Artikel 64 van dezelfde wet wordt aangevuld met de bepa- ling onder 20°, luidende: “20° van de artikelen 58/1 tot 58/3, die betrekking hebben op de uitgifte van elektronisch geld, de terugbetaalbaarheid van elektronisch geld en het verbod op rente.”. Art. 129 In artikel 71 van dezelfde wet worden de woorden “een betalingsdienstaanbieder een of meerdere bepalingen van deze wet niet naleeft delen zij deze vaststellingen mee, aan de toezichthoudende autoriteit die de toelating heeft verleend om betalingsdiensten aan te bieden” vervangen door de woorden “een betalingsdienstaanbieder of een uitgever van elektro- nisch geld een of meer bepalingen van deze wet niet naleeft, delen zij deze vaststellingen mee aan de toezichthoudende autoriteit die de vergunning heeft verleend om betalingsdiens- ten aan te bieden of elektronisch geld uit te geven.” Art. 130 In artikel 75 van dezelfde wet worden de volgende wijzi- gingen aangebracht: 1° Het eerste lid wordt vervangen als volgt: “Om de eventuele geschillen te regelen die voortvloeien uit deze wet en uit Verordening nr. 924/2009 van het Europees “Art. 58/3. Les émetteurs de monnaie électronique ne peuvent octroyer des intérêts ou tout autre avantage liés à la durée pendant laquelle le détenteur de monnaie électronique détient de la monnaie électronique.”. Art. 127 Dans la même loi, il est inséré un article 63/1 rédigé comme suit: “Article 63/1. En cas de non-respect par l’émetteur de monnaie électronique des obligations qui découlent de l’article 58/2 et sans préjudice des sanctions de droit commun: — le détenteur de monnaie électronique est dispensé de plein droit du paiement des frais éventuels liés au rembour- sement; — le détenteur de monnaie électronique peut résilier sans délai et sans frais ni pénalité, par lettre recommandée à la poste et motivée, le contrat de monnaie électronique et, le cas échéant, le contrat-cadre en matière de services de paiement, à partir du moment où il a connaissance ou aurait dû avoir connaissance du non-respect de ses obligations.”. Art. 128 L’article 64 de la même loi est complété par le 20° rédigé comme suit: “20° des articles 58/1 à 58/3 relatifs à l’activité d’émis- sion de monnaie électronique, au caractère remboursable de la monnaie électronique et à l’interdiction d’octroyer des intérêts.”. Art. 129 Dans l’article 71 de la même loi, les mots “un prestataire de services de paiement ne respecte pas une ou plusieurs dispositions de la présente loi, ils communiquent ces consta- tations à l’autorité de contrôle qui a accordé l’autorisation d’offrir des services de paiement”, sont remplacés par les mots “un prestataire de services de paiement ou un émetteur de monnaie électronique ne respecte pas une ou plusieurs dispositions de la présente loi, ils communiquent ces consta- tations à l’autorité de contrôle qui a accordé l’agrément per- mettant d’offrir des services de paiement ou d’émettre de la monnaie électronique.” Art. 130 Dans l’article 75 de la même loi, les modifi cations suivantes sont apportées 1° L’alinéa 1er est remplacé par ce qui suit: “Afi n de régler les éventuels litiges découlant de la présente loi et du Règlement 924/2009 du Parlement européen et du DOC 53 2432/001 121 2431/001 DOC 53 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 3 e L É G I S L A T U R E K AMER 3e Z ITTING VAN DE 53e Z ITTING S P E RIO DE 2011 2012 Conseil du 16 septembre 2009 concernant les paiements transfrontaliers dans la Communauté et abrogeant le Règle- ment (CE) n° 2560/2001, relatifs aux droits et obligations entre respectivement les utilisateurs de services de paiement, les détenteurs de monnaie électronique et leurs prestataires de services de paiement, leurs émetteurs de monnaie électro- nique, ces derniers instituent une procédure adaptée de traite- ment de plaintes où les décisions, rendues par un organisme indépendant, peuvent être acceptées respectivement par les prestataires de services de paiement et par les émetteurs de monnaie électronique.”; 2° Entre le premier et le dernier alinéa, sont insérés deux alinéas, rédigés comme suit: “Le prestataire de services de paiement ou l’émetteur de monnaie électronique, doit soit avoir adhéré à un tel système de traitement des plaintes, soit être membre d’une association professionnelle qui a adhéré à un tel système. Il doit contribuer au fi nancement dudit système. Le Roi peut créer un système extrajudiciaire de traitement des plaintes dont la mission est de contribuer à résoudre les litiges entre respectivement, d’une part, les prestataires de services de paiement et les émetteurs de monnaie électro- nique et, d’autre part, les utilisateurs de services de paiement et les détenteurs de monnaie électronique, et d’autres parties intéressées, y compris les associations de consommateurs, en donnant des conseils en la matière ou en agissant à titre de médiateur.”; 3° Dans le dernier alinéa, les mots “ou le détenteur de monnaie électronique” sont insérés entre les mots “l’utilisateur de services de paiement” et les mots “est un consommateur”. Section 7 Modifications de la loi du 28 juillet 2011 visant à transposer diverses directives relatives au contrôle du secteur financier et portant dispositions diverses Art. 131 “Le délai prévu par l’article 34 de la loi du 28 juillet 2011 visant à transposer diverses directives relatives au contrôle du secteur fi nancier et portant dispositions diverses, dans lequel le Roi est habilité à prendre, par arrêté délibéré en Conseil des Ministres, sur avis de la Banque Nationale de Belgique et de l’Autorité des services et marchés fi nanciers, les mesures nécessaires pour assurer la transposition des dispositions qui résultent de directives européennes et qui portent sur la défi nition des compétences de l’Autorité ban- caire européenne, de l’Autorité européenne des assurances et des pensions professionnelles et de l’Autorité européenne des marchés fi nanciers, est prorogé au 31 décembre 2012.”. Parlement en de Raad van 16 september 2009 betreffende grensoverschrijdende betalingen in de Gemeenschap en tot intrekking van de Verordening (EG) nr. 2560/2001 en die betrekking hebben op de rechten en plichten tussen betalings- dienstgebruikers en hun betalingsdienstaanbieders of tussen houders van elektronisch geld en hun uitgevers van elektro- nisch geld, stellen deze laatsten een aangepaste klachtenbe- handelingsprocedure in, waarbij de beslissingen die door een onafhankelijk organisme worden genomen, kunnen worden aanvaard door respectievelijk de betalingsdienstaanbieders en de uitgevers van elektronisch geld.”; 2° Tussen het eerste en het laatste lid worden twee leden ingevoegd, luidende: “De betalingsdienstaanbieder of de uitgever van elektro- nisch geld dient ofwel zelf toegetreden te zijn tot een dergelijke klachtenregeling, ofwel lid te zijn van een beroepsvereniging die is toegetreden tot een dergelijke klachtenregeling. Hij dient bij te dragen tot de fi nanciering van de betrokken klach- tenregeling. De Koning kan een buitengerechtelijke klachtenregeling oprichten met als opdracht geschillen tussen respectieve- lijk, enerzijds, betalingsdienstaanbieders en uitgevers van elektronisch geld, en, anderzijds betalingsdienstgebruikers en houders van elektronisch geld, en andere belanghebben- den, met inbegrip van consumentenverenigingen, te helpen oplossen, door hierover advies te verstrekken of op te treden als bemiddelaar.”; 3° In het laatste lid worden de woorden “of de houder van elektronisch geld” ingevoegd tussen de woorden “de betalingsdienstgebruiker” en de woorden “een consument”. Afdeling 7 Wijzigingen in de wet van 28 juli 2011 tot omzetting van diverse richtlijnen betreffende het toezicht op de financiële sector en houdende diverse bepalingen Art. 131 “De termijn waarin is voorzien in artikel 34 van de wet van 28 juli 2011 tot omzetting van diverse richtlijnen betreffende het toezicht op de fi nanciële sector en houdende diverse bepalin- gen, waarin aan de Koning de machtiging wordt verleend om, door middel van Koninklijk besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, op advies van de Nationale Bank van België en de Autoriteit voor Financiële Diensten en Markten, de nodige maatregelen te treffen ter omzetting van de bepalingen die voortvloeien uit Europese richtlijnen en die betrekking hebben op de bepaling van de bevoegdheden van de Europese Bankautoriteit, de Europese Autoriteit voor verzekeringen en bedrijfspensioenen en de Europese Autoriteit voor effecten en markten, wordt verlengd tot 31 december 2012.”. DOC 53 2432/001 122 2431/001 DOC 53 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 3 e L É G I S L A T U R E K AMER 3e Z ITTING VAN DE 53e Z ITTING S P E RIO DE 2011 2012 HOOFDSTUK 2 Overgangsbepalingen en inwerkingtreding Art. 132 “§ 1. De instellingen voor elektronisch geld die vóór de inwerkingtreding van deze wet een vergunning hebben ver- kregen in België, verkrijgen van rechtswege een vergunning voor de toepassing van de bepalingen van Boek 3 van de wet van 21 december 2009, die bij deze wet worden ingevoegd. Zij worden opgenomen in de lijst bedoeld in artikel 64 van de wet van 21 december 2009. § 2. De instellingen voor elektronisch geld die vóór de inwerkingtreding van deze wet waren vrijgesteld, zijn van rechtswege vrijgesteld voor de toepassing van de bepalingen van Boek 3 van de wet van 21 december 2009, die bij deze wet worden ingevoegd. Zij worden opgenomen in de lijst bedoeld in artikel 64 van de wet van 21 december 2009. § 3. De instellingen voor elektronisch geld die een vergun- ning hebben verkregen en de rechtspersonen die vrijgesteld zijn, als bedoeld in de paragrafen 1 en 2, brengen onmiddellijk ter kennis van de Nationale Bank van België welke van de werkzaamheden bedoeld in artikel 77, § 2 van de wet van 21 december 2009, als ingevoegd bij deze wet, zij wensen uit te oefenen. Art. 133 Deze wet treedt in werking de dag waarop ze in het Bel- gisch Staatsblad wordt bekendgemaakt. CHAPITRE 2 Dispositions transitoires et entrée en vigueur Art. 132 “§ 1er. Les établissements de monnaie électronique agréés en Belgique avant l’entrée en vigueur de la présente loi sont de plein droit agréés pour l’application des dispositions du Livre 3 de la loi du 21 décembre 2009, introduites par la présente loi. Ils sont inscrits sur la liste visée à l’article 64 de la loi du 21 décembre 2009. § 2. Les établissements de monnaie électronique qui bénéfi ciaient d’une exemption avant l’entrée en vigueur de la présente loi sont exemptés de plein droit pour l’application des dispositions du Livre 3 de la loi du 21 décembre 2009, introduites par la présente loi. Ils sont inscrits sur la liste visée à l’article 64 de la loi du 21 décembre 2009. § 3. Les établissements de monnaie électronique agréés et les personnes morales exemptées visés aux paragraphes 1 et 2 notifi ent sans délai à la Banque nationale de Belgique les ac- tivités visées à l’article 77, § 2 de la loi du 21 décembre 2009, tel qu’introduit par la présente loi, qu’elles entendent exercer. Art. 133 La présente loi entre en vigueur le jour de sa publication au Moniteur belge. 2432/001 DOC 53 123 2431/001 DOC 53 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 3 e L É G I S L A T U R E K AMER 3e Z ITTING VAN DE 53e Z ITTING S P E RIO DE 2011 2012 AVANT-PROJET DE LOI (II) soumis à l’avis du Conseil d’État Avant-projet de loi modifi ant la loi du 22 février 1998 fi xant le statut organique de la Banque Nationale de Belgique Article 1er La présente loi règle une matière visée à l’article 77 de la Constitution. Elle assure notamment la transposition partielle de la directive 2009/110/CE du Parlement européen et du Conseil du 16 septembre 2009 concernant l’accès à l’activité des établissements de monnaie électronique et son exercice ainsi que la surveillance prudentielle de ces établissements, modi- fi ant les directives 2005/60/CE et 2006/48/CE et abrogeant la directive 2000/46/CE. Art. 2 Dans l’article 36/22 de la loi du 22 février 1998 fi xant le statut organique de la Banque Nationale de Belgique, inséré par l’arrêté royal du 3 mars 2011 mettant en œuvre l’évolution des structures de contrôle du secteur fi nancier, les modifi ca- tions suivantes sont apportées: a) dans le 19°, les mots “alinéa 3 de l’article 8 précité” sont remplacés par les mots “alinéa 2 de l’article 8 précité”; b) dans le 21°, les mots “en vertu de l’article 35, § 1er, alinéa 2, 1°, 2°, 3° et 4°” sont remplacés par les mots “en vertu de l’article 35, § 1er, alinéa 2, 1°, 2°, 3°, 4° et 5°”; c) l’article est complété par les 32°, 33° et 34° rédigés comme suit: “27° au demandeur d’agrément, contre les décisions prises par la Banque en matière d’agrément en vertu de l’article 63 de la loi du 21 décembre 2009 relative au statut des établis- sements de paiement et des établissements de monnaie électronique, à l’accès à l’activité de prestataire de services de paiement, à l’activité d’émission de monnaie électronique et à l’accès aux systèmes de paiement. Un même recours est ouvert au demandeur lorsque la Banque n’a pas statué dans les délais fi xés à l’alinéa 2 de l’article 63 précité. Dans ce dernier cas, le recours est traité comme s’il y avait eu rejet de la demande; 28° à l’établissement de monnaie électronique, contre les décisions prises par la Banque en vertu de l’article 75, alinéa 3, de la loi du 21 décembre 2009 relative au statut des éta- blissements de paiement et des établissements de monnaie électronique, à l’accès à l’activité de prestataire de services VOORONTWERP VAN WET (II) onderworpen aan het advies van de Raad van State Voorontwerp van wet tot wijziging van de wet van 22 februari 1998 tot vaststelling van het organiek statuut van de Nationale Bank van België Artikel 1 Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 77 van de Grondwet. Zij heeft inzonderheid de gedeeltelijke omzetting tot doel van Richtlijn 2009/110/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 september 2009 betreffende de toegang tot, de uitoefening van en het prudentieel toezicht op de werkzaam- heden van instellingen voor elektronisch geld, tot wijziging van de Richtlijnen 2005/60/EG en 2006/48/EG en tot intrekking van Richtlijn 2000/46/EG. Art. 2 In artikel 36/22 van de wet van 22 februari 1998 tot vaststel- ling van het organiek statuut van de Nationale Bank van België, ingevoegd bij het koninklijk besluit van 3 maart 2011 betref- fende de evolutie van de toezichtsarchitectuur voor de fi nan- ciële sector, worden de volgende wijzigingen aangebracht: a) in de bepaling onder 19° worden de woorden “derde lid van het voormelde artikel 8” vervangen door de woorden “tweede lid van het voormelde artikel 8”; b) in de bepaling onder 21° worden de woorden “krachtens artikel 35, § 1, tweede lid, 1°, 2°, 3° en 4°” vervangen door de woorden “krachtens artikel 35, § 1, tweede lid, 1°, 2°, 3°, 4° en 5°”; c) het artikel wordt aangevuld met de bepalingen onder 32°, 33° en 34°, luidende: “27° door de aanvrager van een vergunning, tegen de beslissingen inzake vergunning die de Bank heeft genomen krachtens artikel 63 van de wet van 21 december 2009 op het statuut van de betalingsinstellingen en van de instel- lingen voor elektronisch geld, de toegang tot het bedrijf van betalingsdienstaanbieder en tot de activiteit van uitgifte van elektronisch geld en de toegang tot betalingssystemen. Eenzelfde beroep kan door de aanvrager worden ingesteld indien de Bank geen uitspraak heeft gedaan binnen de bij het tweede lid van het voormelde artikel 63 vastgestelde termij- nen. In dit laatste geval wordt het beroep behandeld als was de aanvraag verworpen; 28° door de instelling voor elektronisch geld, tegen de beslissingen die de Bank heeft genomen krachtens artikel 75, derde lid, van de wet van 21 december 2009 op het sta- tuut van de betalingsinstellingen en van de instellingen voor elektronisch geld, de toegang tot het bedrijf van betalingsdien- 2432/001 DOC 53 DOC 53 124 2431/001 DOC 53 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 3 e L É G I S L A T U R E K AMER 3e Z ITTING VAN DE 53e Z ITTING S P E RIO DE 2011 2012 de paiement, à l’activité d’émission de monnaie électronique et à l’accès aux systèmes de paiement; 29° à l’établissement de monnaie électronique, contre les décisions prises par la Banque en vertu de l’article 87, § 1er, alinéa 2, 1°, 2°, 3°, 4° et 5°, et contre les décisions équiva- lentes prises en vertu de l’article 96 de la loi du 21 décembre 2009 relative au statut des établissements de paiement et des établissements de monnaie électronique, à l’accès à l’activité de prestataire de services de paiement, à l’activité d’émission de monnaie électronique et à l’accès aux systèmes de paiement. Le recours est suspensif de la décision et de sa publication sauf si, en raison d’un péril grave pour les détenteurs de monnaie électronique, la Banque a déclaré sa décision exécutoire nonobstant recours.”. Art. 3 La présente loi entre en vigueur le jour de sa publication au Moniteur belge. staanbieder en tot de activiteit van uitgifte van elektronisch geld en de toegang tot betalingssystemen; 29° door de instelling voor elektronisch geld, tegen de beslissingen die de Bank heeft genomen krachtens artikel 87, § 1, tweede lid, 1°, 2°, 3°, 4° en 5° en tegen de gelijkaardige beslissingen genomen krachtens artikel 96 van de wet van 21 december 2009 op het statuut van de betalingsinstellingen en van de instellingen voor elektronisch geld, de toegang tot het bedrijf van betalingsdienstaanbieder en tot de activiteit van uitgifte van elektronisch geld en de toegang tot beta- lingssystemen. Het beroep schorst de beslissing en haar bekendmaking, tenzij de Bank, bij ernstig gevaar voor de houders van elektronisch geld, haar beslissing uitvoerbaar heeft verklaard niettegenstaande elk beroep.”. Art. 3 Deze wet treedt in werking de dag waarop ze in het Bel- gisch Staatsblad wordt bekendgemaakt. 2432/001 DOC 53 125 2431/001 DOC 53 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 3 e L É G I S L A T U R E K AMER 3e Z ITTING VAN DE 53e Z ITTING S P E RIO DE 2011 2012 AVIS DU CONSEIL D’ÉTAT (I) N° 51 456/2 du 20 juin 2012 Le Conseil d’État, section de législation, deuxième chambre, saisi par le Vice-Premier Ministre et Ministre des Finances, le 1er  juin  2012, d’une demande d’avis, dans un délai de trente jours, sur un avant-projet de loi “modifi ant la loi du 21 décembre 2009 relative au statut des établissements de paiement, à l’accès à l’activité de prestataire de services de paiement et à l’accès aux systèmes de paiement et d’autres législations dans la mesure où elles sont relatives au statut des établissements de paiement et des établissements de monnaie électronique”, a donné l’avis suivant: Comme la demande d’avis est introduite sur la base de l’ar- ticle 84, § 1er, alinéa 1er, 1°, des lois coordonnées sur le Conseil d’État, tel qu’il est remplacé par la loi du 2 avril 2003, la section de législation limite son examen au fondement juridique de l’avant-projet, à la compétence de l’auteur de l’acte ainsi qu’à l’accomplissement des formalités préalables, conformément à l’article 84, § 3, des lois coordonnées précitées. Sur ces trois points, l’avant-projet appelle les observations suivantes. FORMALITÉ PRÉALABLE Il ressort de l’article 19/1, § 1er, de la loi du 5 mai 1997 “rela- tive à la coordination de la politique fédérale de développement durable”qu’en principe, tout avant-projet de loi, tout projet d’arrêté royal et tout projet de décision soumis à l’approbation du Conseil des ministres doivent donner lieu à un examen pré- alable de la nécessité de réaliser une évaluation d’incidence 1; les seuls cas dans lesquels un tel examen préalable ne doit pas avoir lieu sont ceux qui sont appelés à être fi xés par un arrêté royal délibéré en Conseil des ministres 2, qui, à ce jour, en l’état des textes publiés au Moniteur belge, n’a pas été pris. Il conviendra de veiller au bon accomplissement de cette formalité. 1 Article 19/1, § 1er, alinéa 1er, de la loi du 5 mai 1997 précitée. L’article 19/1, § 2, de la loi du 5 mai 1997 précitée charge le Roi de fi xer, par arrêté délibéré en Conseil des ministres, les modalités de cet examen préalable. À ce jour, aucun arrêté ayant un pareil objet n’a été publié au Moniteur belge. 2 Article 19/1, § 1er, alinéa 2, de la loi du 5 mai 1997 précitée. ADVIES VAN DE RAAD VAN STATE (I) NR. 51 456/2 van 20 juni 2012 De Raad van State, afdeling Wetgeving, tweede kamer, op 1 juni 2012 door de Vice-Eerste Minister en Minister van Financiën verzocht hem, binnen een termijn van dertig da- gen, van advies te dienen over een voorontwerp van wet “tot wijziging van de wet van 21 december 2009 betreffende het statuut van de betalingsinstellingen, de toegang tot het bedrijf van betalingsdienstaanbieder en de toegang tot betalings- systemen, en van andere wetgeving die betrekking heeft op het statuut van de betalingsinstellingen en van de instellingen voor elektronisch geld”, heeft het volgende advies gegeven: Aangezien de adviesaanvraag ingediend is op basis van artikel 84, § 1, eerste lid, 1°, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, zoals het is vervangen bij de wet van 2 april 2003, beperkt de afdeling Wetgeving overeenkomstig artikel 84, § 3, van de voornoemde gecoördineerde wetten haar onderzoek tot de rechtsgrond van het voorontwerp, de bevoegdheid van de steller van de handeling en de te vervul- len voorafgaande vormvereisten. Wat deze drie punten betreft, geeft het voorontwerp aan- leiding tot de volgende opmerkingen. VOORAFGAAND VORMVEREISTE Uit artikel 19/1, § 1, van de wet van 5 mei 1997 “betref- fende de coördinatie van het federale beleid inzake duurzame ontwikkeling”vloeit voort dat elk voorontwerp van wet, elk ontwerp van koninklijk besluit en elk voorstel van beslis- sing dat ter goedkeuring aan de Ministerraad moet worden voorgelegd in principe aanleiding moet geven tot een voor- afgaand onderzoek met betrekking tot de noodzaak om een effectbeoordeling uit te voeren;1 de enige gevallen waarin zo een voorafgaand onderzoek niet hoeft plaats te vinden, zijn die welke moeten worden bepaald bij een koninklijk besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad,2 welk besluit bij de huidige stand van de teksten die in het Belgisch Staatsblad bekendgemaakt zijn, nog niet uitgevaardigd is. Er moet voor gezorgd worden dat dit vormvereiste naar behoren vervuld wordt. 1 Artikel  19/1, §  1, eerste lid, van de voornoemde wet van 5  mei  1997. Artikel  19/1, §  2, van de voornoemde wet van 5 mei 1997 belast de Koning om bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad dat voorafgaand onderzoek te regelen. Tot op heden is nog geen enkel besluit met een zodanige strek- king bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad. 2 Artikel 19/1, § 1, tweede lid, van de voornoemde wet van 5 mei 1997. 2432/001 DOC 53 DOC 53 126 2431/001 DOC 53 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 3 e L É G I S L A T U R E K AMER 3e Z ITTING VAN DE 53e Z ITTING S P E RIO DE 2011 2012 EXAMEN DE L’AVANT-PROJET Dispositif Art. 3 Il convient de préciser que la loi du 21 décembre 2009 “re- lative au statut des établissements de paiement, à l’accès à l’activité de prestataire de services de paiement et à l’accès aux systèmes de paiement” a été précédemment modifi ée par la loi du 28 juillet 2011 (“visant à transposer diverses directives relatives au contrôle du secteur fi nancier et portant dispo- sitions diverses’) et l’arrêté royal du 3 mars 2011 (“mettant en œuvre l’évolution des structures de contrôle du secteur fi nancier’). Art. 7 1. La défi nition des “émetteurs de monnaie électronique” au 32° en projet, qui renvoie à l’article 59 en projet à l’article 27, suscite une difficulté, dans la mesure où les 3°, 4° et 5° de cet article 59 ne visent que des émetteurs belges, contrairement aux 1° et 2°, ainsi qu’à la défi nition correspondante dans la directive, à savoir l’article 1er, paragraphe 1, et plus particu- lièrement les points c), d) et e). Les auteurs de l’avant-projet veilleront par conséquent à s’assurer qu’en procédant de la sorte, la législation destinée à transposer la directive ne pourra restreindre indûment l’exercice en Belgique des activités réglementées par la directive pour les entités étrangères également visées dans celle-ci mais non dans l’avant-projet, à savoir les offices de chèques postaux habilités par leur droit national à émettre de la monnaie électronique, les autres banques centrales nationales n’agissant pas en qualité d’autorités monétaires ou autres autorités publiques, ainsi que les autre États membres ou leurs autorités régionales ou locales agissant en qualité d’autorités publiques. 2. Cette observation vaut mutatis mutandis pour l’ar- ticle 5 - spécialement les 3°, 4° et 5° — en projet à l’article 10, au regard de l’article 1er, paragraphe 1 — spécialement les points c), d) et e) — de la directive 2007/64/CE du Parlement européen et du Conseil du 13 novembre 2007 concernant les services de paiement dans le marché intérieur, modifi ant les directives 97/7/CE, 2002/65/CE, 2005/60/CE ainsi que 2006/48/CE et abrogeant la directive 97/5/CE. 3. L’article 4, point 1), de la directive 2007/64/CE précitée utilise la notion d’“État membre d’origine”. Le dispositif de la loi du 21 décembre 2009 précitée utilise, quant à lui, la notion de “personne morale de droit belge”. Par souci de sécurité juridique et de correcte transposition de la directive 2007/64/ CE précitée, il conviendrait, dans l’article 4 en projet, de défi nir la notion de “personne morale de droit belge” en se référant explicitement à celle d’” État membre d’origine”. ONDERZOEK VAN HET VOORONTWERP Dispositief Art. 3 Er behoort te worden aangegeven dat de wet van 21 de- cember 2009 “betreffende het statuut van de betalingsinstel- lingen, de toegang tot het bedrijf van betalingsdienstaanbieder en de toegang tot betalingssystemen” eerder gewijzigd is bij de wet van 28 juli 2011 (“tot omzetting van diverse richtlijnen betreffende het toezicht op de fi nanciële sector en hou- dende diverse bepalingen’) en bij het koninklijk besluit van 3 maart 2011 (“betreffende de evolutie van de toezichtsar- chitectuur voor de fi nanciële sector”). Art. 7 1. De defi nitie van “uitgevers van elektronisch geld” in de ontworpen bepaling onder 32°, waarin verwezen wordt naar het ontworpen artikel 59 (artikel 27 van het ontwerp), doet een probleem rijzen doordat in de bepalingen onder 3°, 4° en 5° van dat artikel 59 alleen sprake is van Belgische uitgevers, in tegenstelling tot de bepalingen onder 1° en 2°, en tot de overeenkomstige defi nitie in de richtlijn, namelijk artikel 1, lid 1, en meer bepaald de punten c), d) en e). De stellers van het voorontwerp dienen bijgevolg zich ervan te vergewissen dat, door aldus te werk te gaan, de wetgeving ter omzetting van de richtlijn geen onrechtmatige beperking meebrengt voor de uitoefening in België van de werkzaam- heden die door de richtlijn gereglementeerd zijn voor de bui- tenlandse entiteiten waarvan ook sprake is in de richtlijn maar niet in het voorontwerp, namelijk postcheque- en girodiensten die krachtens hun nationale wetgeving gemachtigd zijn om elektronisch geld uit te geven, de andere nationale centrale banken wanneer zij niet handelen in hun hoedanigheid van monetaire of andere publieke autoriteit en de andere lidstaten en hun regionale en lokale overheden wanneer zij handelen in hun hoedanigheid van overheidsinstantie. 2. Deze opmerking geldt mutatis mutandis eveneens voor het ontworpen artikel 5 — inzonderheid voor de bepalingen onder 3°, 4° en 5° — (artikel 10 van het ontwerp) in het licht van artikel 1, lid 1 — inzonderheid de punten c), d) en e) — van richtlijn 2007/64/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 november 2007 betreffende betalingsdiensten in de interne markt tot wijziging van de Richtlijnen 97/7/EG, 2002/65/EG, 2005/60/EG en 2006/48/EG, en tot intrekking van Richtlijn 97/5/EG. 3. In artikel 4, punt 1), van de voormelde richtlijn 2007/64/ EG wordt gebruik gemaakt van het begrip “lidstaat van herkomst”. Het dispositief van de voormelde wet van 21 de- cember 2009, zijnerzijds, gebruikt het begrip “rechtspersoon naar Belgisch recht”. Met het oog op de rechtszekerheid en de correcte omzetting van de voormelde richtlijn 2007/64/EG zou in het ontworpen artikel 4 van het begrip “rechtspersoon naar Belgisch recht” een defi nitie moeten worden gegeven waarin uitdrukkelijk verwezen wordt naar die van “lidstaat van herkomst”. 2432/001 DOC 53 127 2431/001 DOC 53 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 3 e L É G I S L A T U R E K AMER 3e Z ITTING VAN DE 53e Z ITTING S P E RIO DE 2011 2012 Art. 15 Le commentaire de cet article dans l’exposé des motifs indique que cet article “abroge également des références erronées faites au comité d’audit, dont la mise en place n’est pas exigée dans les établissements de paiement”. Il convient toutefois de relever que la loi du 17  dé- cembre 2008 “instituant notamment un Comité d’audit dans les sociétés cotées et dans les entreprises fi nancières”modifi e entre autres, à cet effet, la loi du 22 mars 1993 “relative au statut et au contrôle des établissements de crédit’, qui peuvent également être des établissements de paiement. Le commentaire de l’article devrait aborder cette question. Art. 20 Il serait préférable que l’alinéa 4 de l’article 35, § 1er, 2°, en projet, devienne un nouveau 3° de ce paragraphe car il s’agit d’une mesure distincte de celle prévue par les autres alinéas du 2°. La même observation vaut pour l’article 87, § 1er, alinéa 4, 2°, en projet (article 62 de l’avant-projet). Art. 22 Suivant le commentaire de cet article dans l’exposé des motifs, “L’article  26  de la directive prévoit la possibilité d’une exemption tant pour les personnes morales que pour les personnes physiques. L’avant-projet de loi ne fait que partielle- ment usage de cette possibilité, en ce sens que l’article 48 de la loi ne permet d’accorder de telles exemptions qu’à des personnes morales”. Cette différence de traitement entre personnes physiques et morales, qui ne résulte en rien de la directive 2007/64/CE précitée, ne fait non plus l’objet d’aucune justifi cation. S’il existe une telle justifi cation objective et raisonnable, l’exposé des motifs doit être complété pour en donner connaissance; sinon, il y a lieu d’éviter cette différence de traitement. Art. 27 L’article  59  en projet appelle la première observation formulée ci-dessus au sujet de l’article 7 de l’avant-projet, à laquelle il y a donc lieu de se reporter, étant entendu que cet article 59 transpose aussi l’article 10 de la directive, lequel impose aux États membres d’interdire à toute personne n’étant pas un émetteur de monnaie électronique au sens de l’article 2, point 3), d’émettre de la monnaie électronique. Art. 15 In de memorie van toelichting wordt in de commentaar bij dit artikel aangegeven dat dit artikel “voorts (…) de foute ver- wijzingen naar het auditcomité (schrapt); betalingsinstellingen moeten immers geen dergelijk comité hebben”. Er dient evenwel te worden opgemerkt dat bij de wet van 17 december 2008 “inzonderheid tot oprichting van een au- ditcomité in de genoteerde vennootschappen en de fi nanciële ondernemingen”te dien einde wijzigingen zijn aangebracht in onder andere de wet van 22 maart 1993 “op het statuut van en het toezicht op de kredietinstellingen’, welke instellingen eveneens betalingsinstellingen kunnen zijn. In de commentaar bij dit artikel zou die kwestie besproken moeten worden. Art. 20 Het ontworpen artikel 35, § 1, 2°, vierde lid, zou beter een nieuwe bepaling onder 3° van diezelfde paragraaf worden, aangezien het daarbij gaat om een maatregel die losstaat van die waarin de overige leden van de bepaling onder 2° voorzien. Deze opmerking geldt eveneens voor het ontworpen artikel 87, § 1, vierde lid, 2° (artikel 62 van het voorontwerp). Art. 22 In de memorie van toelichting wordt in de commentaar bij dit artikel het volgende aangegeven: “Volgens artikel 26 van de Richtlijn mag er zowel aan rechtspersonen als aan natuurlijke personen een vrijstelling worden verleend. In het voorontwerp van wet wordt slechts ge- deeltelijk gebruik gemaakt van deze mogelijkheid, aangezien artikel 48 van de wet enkel toelaat dat dergelijke vrijstellingen worden verleend aan rechtspersonen.” Voor deze verschillende behandeling van natuurlijke per- sonen ten opzichte van rechtspersonen, die geenszins uit de voormelde richtlijn 2007/64/EG volgt, wordt evenmin enige rechtvaardiging opgegeven. Als een dergelijke objectieve en redelijke rechtvaardiging bestaat, dient de memorie van toe- lichting aldus te worden aangevuld dat die opgegeven wordt; in het andere geval dient deze verschillende behandeling te worden vermeden. Art. 27 Het ontworpen artikel  59 geeft aanleiding tot dezelfde opmerking als de eerste opmerking die hiervoren over ar- tikel 7 van het voorontwerp gemaakt is, waarnaar dan ook teruggegrepen dient te worden, met dien verstande dat bij dit artikel 59 ook artikel 10 van de richtlijn wordt omgezet, naar luid waarvan de lidstaten aan alle personen die geen uitgevers van elektronisch geld zijn in de zin van artikel 2, punt 3) het verbod dienen op te leggen om elektronisch geld uit te geven. 2432/001 DOC 53 128 2431/001 DOC 53 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 3 e L É G I S L A T U R E K AMER 3e Z ITTING VAN DE 53e Z ITTING S P E RIO DE 2011 2012 Art. 35 1. Les éventuels “distributeurs”, visés à l’article 76, § 1er, en projet, ne sont pas mentionnés dans l’alinéa 2, second tiret, de l’article 64 en projet. L’exposé des motifs devrait justifi er cette différence de régime. 2. Plus fondamentalement, s’agissant de ces “distribu- teurs”, le Conseil d’État se demande si l’avant-projet règle- mente suffisamment leurs activités, notamment pour ceux de ces intermédiaires agissant en Belgique pour le compte d’éta- blissements étrangers, à la différence des succursales aux- quelles les assimile l’article 3, paragraphe 4, de la directive. Art. 39 Il y a lieu d’insérer “§ 1er,” entre les mots “l’article 62,” et les mots “alinéa 1er, 8°”. Art. 46 1. La fi n de l’article  73, §  1er, en projet, ne transpose qu’incomplètement l’article 3, paragraphe 3, alinéa 2, de la directive, dans la mesure où les obligations que cet alinéa met à charge de l’” acquéreur potentiel” sont imposées par le paragraphe en projet à l’ensemble des personnes énumérées à l’article 3, paragraphe 3, alinéa 1er, de la directive. 2. Au même paragraphe 1er en projet, au lieu de prévoir qu’une personne ayant pris la décision de réaliser l’une ou l’autre des opérations visées est tenue “d’en informer à l’avance la Banque”, il serait préférable d’exiger, en s’inspirant de la directive, qu’elle informe sans délai la Banque de son intention de procéder à une telle opération. 3. Au paragraphe 2 en projet, il conviendrait d’indiquer selon quelles formes et dans quel délai la Banque doit, le cas échéant, notifi er son opposition à ces opérations sur titres 3. Art. 48 Dans l’alinéa 6 de l’article 75 en projet, il y a sans doute lieu de lire “à l’exception de l’alinéa 5”, au lieu de “à l’exception de l’alinéa 3”. 3 Comparer avec l’article 47 (article 74, alinéa 3 en projet) en matière de fusion et avec l’article 48 (article 75, alinéa 4, en projet) pour l’ouverture d’une succursale. Art. 35 1. De eventuele “distributeurs” die ter sprake komen in het ontworpen artikel 76, § 1, worden niet vermeld in het ontwor- pen artikel 64, tweede lid, tweede streepje. In de memorie van toelichting dient dit verschil in regeling gerechtvaardigd te worden. 2. Fundamenteler nog vraagt de Raad van State zich met betrekking tot die “distributeurs” af of hun activiteiten bij het voorontwerp genoegzaam gereglementeerd worden, inzon- derheid wat betreft degenen onder deze tussenpersonen die in België namens buitenlandse instellingen optreden, in te- genstelling tot de bijkantoren waarmee ze krachtens artikel 3, lid 4, van de richtlijn gelijkgesteld worden. Art. 39 Tussen de woorden “artikel 62,” en de woorden “eerste lid, 8°” dient “§ 1,” te worden ingevoegd. Art. 46 1. In het ontworpen artikel 73, § 1, in fi ne, wordt artikel 3, lid 3, tweede alinea, van de richtlijn slechts onvolledig om- gezet, doordat de verplichtingen die bij die alinea aan de “kandidaat-verwerver” worden opgelegd door de ontworpen paragraaf opgelegd worden aan alle personen vermeld in artikel 3, lid 3, eerste alinea, van de richtlijn. 2. Het zou beter zijn om in dezelfde ontworpen paragraaf 1 niet te bepalen dat een persoon die besloten heeft een of andere van de vermelde verrichtingen uit te voeren “de Bank daarvan vooraf (…) in kennis (dient) te stellen”, maar naar het voorbeeld van de richtlijn voor te schrijven dat die persoon de bank onverwijld op de hoogte brengt van zijn intentie om een dergelijke verrichting uit te voeren. 3. In de ontworpen pararaaf 2 zou moeten worden aange- geven welke vormvoorschriften en welke termijn de Bank in voorkomend geval in acht dient te nemen wanneer ze haar ver- zet tegen die effectenverrichtingen kenbaar wenst te maken.3 Art. 48 Ongetwijfeld dient in het ontworpen artikel 75, zesde lid, te worden geschreven “Met uitzondering van het vijfde lid” in plaats van “Met uitzondering van het derde lid”. 3 Vergelijk met artikel 47 (ontworpen artikel 74, derde lid) inzake fusies en met artikel 48 (ontworpen artikel 75, vierde lid) in ver- band met het openen van bijkantoren. 2432/001 DOC 53 129 2431/001 DOC 53 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 3 e L É G I S L A T U R E K AMER 3e Z ITTING VAN DE 53e Z ITTING S P E RIO DE 2011 2012 Art. 50 Il n’y a pas de paragraphe 4 dans l’article 81 en projet à l’article 55: sans doute faut-il lire, au début de l’article 77, § 1er, alinéa 2, en projet “Sans préjudice de l’article 81, § 3”. En outre, dans la version française de la phrase introdui- sant le paragraphe 2, les mots “dernier alinéa” doivent être remplacés par “alinéa 2”. Art. 51 et 67 Contrairement à ce que prévoit l’article 78, § 1er, alinéa 4, in fi ne, en projet de la loi du 21 décembre 2009, qui défi nit la notion de jour ouvrable, il n’est pas procuré de défi nition de cette notion au sens où elle est utilisée aux articles 78, § 1er, alinéa 1er, b) (phrase liminaire), et 91 en projet de la loi du 21 décembre 2009. Cette dernière loi, dans son état actuel, ne contient pas davantage de défi nition de la notion de jour ouvrable, alors qu’il en est fait usage aux articles 22, § 1er, alinéa 1er, b) (phrase liminaire), et 39, alinéa 1er. Or, la notion de jour ouvrable ne revêt aucune signifi cation juridique généralement reçue et peut varier, dans son sens usuel, selon le contexte dans lequel elle est appliquée, ce qui nuit à la sécurité juridique. Il conviendrait en conséquence de procéder à une défi nition de cette notion au sens où elle est utilisée dans la loi, tant dans sa version actuelle que dans sa version qui résulterait de la modifi cation en projet. Il paraît indiqué d’insérer cette défi ni- tion à l’article 4 de la loi du 21 décembre 2009, sauf si cette notion devait revêtir un sens différent selon les dispositions concernées, auquel cas une défi nition particulière devrait être chaque fois donnée; il va sans dire que la première solution, par sa clarté et sa simplicité, est préférable. À cette occasion, l’auteur de l’avant-projet appréciera s’il sera nécessaire, compte tenu de son éventuelle spécifi cité, de maintenir la défi nition de cette notion telle qu’elle est utilisée à l’article 78, § 1er, alinéa 4, in fi ne, en projet. Art. 57 Dans l’alinéa 1er de l’article 83 en projet, il y a sans doute lieu de lire “inspections visées à l’article 81, § 2, alinéa 3”, au lieu de “81, § 1er, alinéa 4”. Art. 71 L’article 15quater de la loi du 20 septembre 1948 “portant organisation de l’économie”a été abrogé par l’article 18 de la loi du 7 mai 1999 “contenant le Code des sociétés’, de Art. 50 Het ontworpen artikel 81 (artikel 55 van het ontwerp) bevat geen paragraaf 4: in het ontworpen artikel 77, § 1, tweede lid, dient ongetwijfeld te worden geschreven “… kan zij, onver- minderd artikel 81, § 3, en gelet op …”. Daarenboven dienen in de Franse tekst van de inleidende zin van paragraaf 2 de woorden “dernier alinéa” te worden vervangen door de woorden “alinéa 2”. Art. 51 en 67 In tegenstelling tot wat bepaald wordt in het ontworpen artikel 78, § 1, vierde lid, in fi ne, van de wet van 21 decem- ber 2009, waarin het begrip werkdag gedefi nieerd wordt, wordt geen defi nitie gegeven van dat begrip in de zin waarin het gebezigd wordt in de ontworpen artikelen 78, § 1, eerste lid, b) (inleidende zin), en 91 van de wet van 21 december 2009. Laatstgenoemde wet bevat in haar huidige lezing evenmin een defi nitie van het begrip werkdag, hoewel dat begrip ge- hanteerd wordt in de artikelen 22, § 1, eerste lid, b) (inleidende zin), en 39, eerste lid. Het begrip werkdag bezit evenwel geen enkele algemeen aanvaarde juridische betekenis en de gangbare betekenis ervan varieert naar gelang van de context waarin het gebruikt wordt, wat afbreuk doet aan de rechtszekerheid. Bijgevolg zou dat begrip gedefi nieerd moeten worden overeenkomstig de betekenis waarin het in de wet gebezigd wordt, zowel in de huidige versie van de wet als in de versie ervan die uit de ontworpen wijziging zal voortvloeien. Het lijkt raadzaam die defi nitie in te voegen in artikel 4 van de wet van 21 december 2009, tenzij dat begrip een andere betekenis zou hebben naar gelang van de bepaling in kwestie, in welk geval telkens een specifi eke defi nitie gegeven zou moeten worden; het spreekt vanzelf dat de eerstgenoemde oplossing, door de duidelijkheid en de eenvoud ervan, de voorkeur verdient. Bij die gelegenheid dient de steller van het voorontwerp uit te maken of de defi nitie die in het ontworpen artikel 78, § 1, vierde lid, in fi ne, van dat begrip gegeven wordt, gelet op de eventuele specifi citeit ervan, behouden dient te worden. Art. 57 In het ontworpen artikel 83, eerste lid, dient wellicht te wor- den gelezen “de inspecties bedoeld in artikel 81, § 2, derde lid,” in plaats van “de in artikel 81, § 1, vierde lid, bedoelde inspecties”. Art. 71 Artikel 15quater van de wet van 20 september 1948 “hou- dende organisatie van het bedrijfsleven” is opgeheven bij artikel 18 van de wet van 7 mei 1999 “houdende het wetboek 2432/001 DOC 53 130 2431/001 DOC 53 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 3 e L É G I S L A T U R E K AMER 3e Z ITTING VAN DE 53e Z ITTING S P E RIO DE 2011 2012 sorte que l’article 95, § 2, alinéa 5, doit être omis ou revu en conséquence. Art. 76 1. Il y a lieu de supprimer les mots “de la loi” dans la phrase introductive, ainsi qu’au 1° de l’article 98, § 1er, en projet. 2. Il y a lieu, dans la version française, de remplacer le mot “dotées” par le mot “dotés” étant donné que ce sont les établis- sements et non les succursales d’établissements de monnaie électronique qui sont dotés de la personnalité juridique. Art. 84 Il faut vraisemblablement lire “Pour l’application du présent chapitre, …”, auquel cas cette disposition serait mieux à sa place au début de ce chapitre. Art. 88 La mention “des sections 1 à 3 du Titre 2” est incorrecte car elle ignore la division en quatre chapitres de ce titre 2. van vennootschappen’, zodat artikel 95, § 2, vijfde lid, dient te vervallen of dienovereenkomstig herzien behoort te worden. Art. 76 1. In de inleidende zin en in de bepaling onder 1° van het ontworpen artikel 98, § 1, dienen de woorden “van de wet” te vervallen. 2. In de Franse tekst dient het woord “dotées” te worden vervangen door het woord “dotés” aangezien dat woord be- trekking heeft op “établissements” en niet op “succursales”. Art. 84 Wellicht dient te worden gelezen “Voor de toepassing van dit hoofdstuk, …”, in welk geval deze bepaling meer zou thuishoren in het begin van dit hoofdstuk. Art. 88 De vermelding “afdelingen 1 tot 3 van Titel 2” is onjuist, omdat daarmee voorbijgegaan wordt aan het feit dat die titel 2 onderverdeeld is in vier hoofdstukken. 2432/001 DOC 53 131 2431/001 DOC 53 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 3 e L É G I S L A T U R E K AMER 3e Z ITTING VAN DE 53e Z ITTING S P E RIO DE 2011 2012 Art. 131 Cet article devrait être rédigé sous forme de dispositions modifi catives de l’article 34, alinéa 3, de la loi du 28 juil- let 2011 “visant à transposer diverses directives relatives au contrôle du secteur financier et portant dispositions diverses”en y remplaçant expressément “2011” par “2012”. La chambre était composée de Messieurs Y. KREINS, président de chambre, P. VANDERNOOT, Madame M. BAGUET, conseillers d’État, Monsieur Y. DE CORDT, assesseur de la section de législation, Madame B. VIGNERON, greffier. Le rapport a été présenté par M. J.-L. Paquet, premier auditeur. Le greffier, Le président, B. VIGNERON Y. KREINS Art. 131 Dit artikel zou geredigeerd moeten worden als een bepaling waarbij artikel 34, derde lid, van de wet van 28 juli 2011 “tot omzetting van diverse richtlijnen betreffende het toezicht op de fi nanciële sector en houdende diverse bepalingen”gewijzigd wordt door daarin het jaartal “2011” uitdrukkelijk te vervangen door “2012”. De kamer was samengesteld uit de Heren Y. KREINS, kamervoorzitter, P. VANDERNOOT, Mevrouw M. BAGUET, staatsraden, de Heer Y. DE CORDT, assessor van de afdeling Wetgeving, Mevrouw B. VIGNERON, griffier. Het verslag werd uitgebracht door de Heer J.-L. Paquet, eerste auditeur. De overeenstemming tussen de Franse en de Nederlandse tekst werd nagezien onder toezicht van Mevr. M. BAGUET. De griffier, De voorzitter, B. VIGNERON Y. KREINS DOC 53 2432/001 132 2431/001 DOC 53 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 3 e L É G I S L A T U R E K AMER 3e Z ITTING VAN DE 53e Z ITTING S P E RIO DE 2011 2012 AVIS DU CONSEIL D’ÉTAT (II) N° 51 457/2 du 20 juin 2012 Le Conseil d’État, section de législation, deuxième chambre, saisi par le Vice-Premier Ministre et Ministre des Finances, le 1er  juin  2012, d’une demande d’avis, dans un délai de trente jours, sur un avant-projet de loi “modifi ant la loi du 22 février 1998 fi xant le statut organique de la Banque Natio- nale de Belgique”, a donné l’avis suivant: Comme la demande d’avis est introduite sur la base de l’ar- ticle 84, § 1er, alinéa 1er, 1°, des lois coordonnées sur le Conseil d’État, tel qu’il est remplacé par la loi du 2 avril 2003, la section de législation limite son examen au fondement juridique de l’avant-projet, à la compétence de l’auteur de l’acte ainsi qu’à l’accomplissement des formalités préalables, conformément à l’article 84, § 3, des lois coordonnées précitées. Sur ces trois points, l’avant-projet appelle les observations suivantes. FORMALITÉ PRÉALABLE Il ressort de l’article 19/1, § 1er, de la loi du 5 mai 1997 “rela- tive à la coordination de la politique fédérale de développement durable”qu’en principe, tout avant-projet de loi, tout projet d’arrêté royal et tout projet de décision soumis à l’approbation du Conseil des ministres doivent donner lieu à un examen pré- alable de la nécessité de réaliser une évaluation d’incidence 1; les seuls cas dans lesquels un tel examen préalable ne doit pas avoir lieu sont ceux qui sont appelés à être fi xés par un arrêté royal délibéré en Conseil des ministres 2, qui, à ce jour, en l’état des textes publiés au Moniteur belge, n’a pas été pris. Il conviendra de veiller au bon accomplissement de cette formalité. ARRÊTÉ DE PRÉSENTATION L’avant-projet est dépourvu d’arrêté de présentation: il y a lieu de remédier à cet oubli 3. 1 Article 19/1, § 1er, alinéa 1er, de la loi du 5 mai 1997 précitée. L’article 19/1, § 2, de la loi du 5 mai 1997 précitée charge le Roi de fi xer, par arrêté délibéré en Conseil des ministres, les modalités de cet examen préalable. À ce jour, aucun arrêté ayant un pareil objet n’a été publié au Moniteur belge. 2 Article 19/1, § 1er, alinéa 2, de la loi du 5 mai 1997 précitée. 3 Principes de technique législative — Guide de rédaction des textes législatifs et réglementaires, 2008, onglet “Technique légis- lative”, www.raadvst-consetat.be, recommandations nos 226 et 227. ADVIES VAN DE RAAD VAN STATE (II) NR. 51 457/2 van 20 juni 2012 De Raad van State, afdeling Wetgeving, tweede kamer, op 1 juni 2012 door de Vice-Eerste Minister en Minister van Financiën verzocht hem, binnen een termijn van dertig da- gen, van advies te dienen over een voorontwerp van wet “tot wijziging van de wet van 22 februari 1998 tot vaststelling van het organiek statuut van de Nationale Bank van België”, heeft het volgende advies gegeven: Aangezien de adviesaanvraag ingediend is op basis van artikel 84, § 1, eerste lid, 1°, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, zoals het vervangen is bij de wet van 2 april 2003, beperkt de afdeling Wetgeving overeenkomstig artikel 84, § 3, van de voormelde gecoördineerde wetten haar onderzoek tot de rechtsgrond van het voorontwerp, de bevoegdheid van de steller van de handeling en de te vervul- len voorafgaande vormvereisten. Wat deze drie punten betreft, geeft het voorontwerp aan- leiding tot de volgende opmerkingen. VOORAFGAANDE VORMVEREISTE Uit artikel 19/1, § 1, van de wet van 5 mei 1997 “betref- fende de coördinatie van het federale beleid inzake duurzame ontwikkeling”vloeit voort dat in principe elk voorontwerp van wet, elk ontwerp van koninklijk besluit en elk voorstel van beslissing dat ter goedkeuring aan de Ministerraad moet worden voorgelegd, aanleiding moet geven tot een vooraf- gaand onderzoek met betrekking tot de noodzaak om een effectbeoordeling uit te voeren1; de enige gevallen waarin zo een voorafgaand onderzoek niet hoeft plaats te vinden, zijn die welke moeten worden bepaald bij een koninklijk besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad2, welk besluit bij de huidige stand van de teksten die in het Belgisch Staatsblad bekendgemaakt zijn, nog niet uitgevaardigd is. Er moet voor gezorgd worden dat dit vormvereiste naar behoren vervuld wordt. INDIENINGSBESLUIT Het voorontwerp bevat geen indieningsbesluit: deze lacune behoort te worden weggewerkt3. 1 Artikel 19/1, §  1, eerste lid, van de voornoemde wet van 5  mei  1997. Artikel 19/1, §  2, van de voornoemde wet van 5 mei 1997 belast de Koning om bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad dat voorafgaand onderzoek te regelen. Tot op heden is nog geen enkel besluit met een zodanige strek- king bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad. 2 Artikel 19/1, § 1, tweede lid, van de voornoemde wet van 5 mei 1997. 3 Beginselen van de wetgevingstechniek - Handleiding voor het opstellen van wetgevende en reglementaire teksten, 2008, tab “Wetgevingstechniek”, www.raadvst-consetat.be, aanbevelingen 226 en 227. DOC 53 2432/001 133 2431/001 DOC 53 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 3 e L É G I S L A T U R E K AMER 3e Z ITTING VAN DE 53e Z ITTING S P E RIO DE 2011 2012 EXAMEN DE L’AVANT-PROJET Dispositif Art. 2 Il y a lieu de tenir compte du fait que l’article 301 de l’arrêté royal du 3 mars 2011 “mettant en œuvre l’évolution des struc- tures de contrôle du secteur fi nancier”insère déjà à l’article 60 (lire: article 36/22) de la loi du 22 février 1998 “fi xant le statut organique de la Banque nationale de Belgique”des sub- divisions nouvelles sous les 27° à 29° non encore en vigueur. La chambre était composée de Messieurs Y. KREINS, président de chambre, P. VANDERNOOT, Madame M. BAGUET, conseillers d’État, Monsieur Y. DE CORDT, assesseur de la section de législation, Madame B. VIGNERON, greffier. Le rapport a été présenté par M. J.-L. PAQUET, premier auditeur. Le greffier, Le président, B. VIGNERON Y. KREINS ONDERZOEK VAN HET VOORONTWERP Dispositief Art. 2 Er behoort rekening gehouden te worden met het feit dat artikel 301 van het koninklijk besluit van 3 maart 2011 “betref- fende de evolutie van de toezichtsarchitectuur voor de fi nan- ciële sector”reeds in artikel 60 (lees: artikel 36/22) van de wet van 22 februari 1998 “tot vaststelling van het organiek statuut van de Nationale Bank van België”nieuwe onderverdelingen invoegt onder de punten 27° tot 29° die nog niet van kracht zijn. De kamer was samengesteld uit de Heren Y. KREINS, kamervoorzitter, P. VANDERNOOT, Mevrouw M. BAGUET, staatsraden, de Heer Y. DE CORDT, assessor van de afdeling Wetgeving, Mevrouw B. VIGNERON, griffier. Het verslag werd uitgebracht door de Heer J.-L. PAQUET, eerste auditeur. De overeenstemming tussen de Franse en de Nederlandse tekst werd nagezien onder toezicht van de Heer P. LIÉNARDY, kamervoorzitter. De griffier, De voorzitter, B. VIGNERON Y. KREINS DOC 53 2432/001 134 2431/001 DOC 53 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 3 e L É G I S L A T U R E K AMER 3e Z ITTING VAN DE 53e Z ITTING S P E RIO DE 2011 2012 PROJET DE LOI (I) ALBERT II, ROI DES BELGES, A tous, présents et à venir, SALUT. Sur la proposition du ministre de l’Economie, des Consommateurs et de la Mer du Nord et du ministre des Finances, NOUS AVONS ARRÊTÉ ET ARRÊTONS: Le ministre de l’Economie, des Consommateurs et de la Mer du Nord et le ministre des Finances sont chargés de présenter en notre nom aux Chambres législatives et déposer à la Chambre des représentants le projet de loi dont la teneur suit: TITRE 1er Dispositions générales Article 1er La présente loi règle une matière visée à l’article 78 de la Constitution. Art. 2 La présente loi transpose la directive 2009/110/ CE du Parlement européen et du Conseil du 16 sep- tembre 2009 concernant l’accès à l’activité des établis- sements de monnaie électronique et son exercice ainsi que la surveillance prudentielle de ces établissements, modifi ant les directives 2005/60/CE et 2006/48/CE et abrogeant la directive 2000/46/CE. TITRE 2 Modifi cations de la loi du 21 décembre 2009 relative au statut des établissements de paiement, à l’accès à l’activité de prestataire de services de paiement et à l’accès aux systèmes de paiement Art. 3 L’intitulé de la loi du 21 décembre 2009 relative au statut des établissements de paiement, à l’accès à l’activité de prestataire de services de paiement et à WETSONTWERP (I) ALBERT II, KONING DER BELGEN, Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, ONZE GROET. Op de voordracht van de minister van Economie, Con- sumenten en Noordzee en de minister van Financiën, HEBBEN WIJ BESLOTEN EN BESLUITEN WIJ: De minister van Economie, Consumenten en Noord- zee en de minister van Financiën zijn ermee belast het ontwerp van wet waarvan de tekst hierna volgt, in onze naam aan de Wetgevende Kamers voor te leggen en bij de Kamer van volksvertegenwoordigers in te dienen: TITEL 1 Algemene bepalingen Artikel 1 Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 78 van de Grondwet. Art. 2 Deze wet voorziet in de omzetting van Richtlijn 2009/110/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 september 2009 betreffende de toegang tot, de uitoefening van en het prudentieel toezicht op de werk- zaamheden van instellingen voor elektronisch geld, tot wijziging van de Richtlijnen 2005/60/EG en 2006/48/EG en tot intrekking van Richtlijn 2000/46/EG. TITEL 2 Wijzigingen in de wet van 21 december 2009 betreffende het statuut van de betalingsinstellingen, de toegang tot het bedrijf van betalingsdienstaanbieder en de toegang tot betalingssystemen Art. 3 Het opschrift van de wet van 21  december  2009 betreffende het statuut van de betalingsinstellingen, de toegang tot het bedrijf van betalingsdienstaanbieder DOC 53 2432/001 135 2431/001 DOC 53 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 3 e L É G I S L A T U R E K AMER 3e Z ITTING VAN DE 53e Z ITTING S P E RIO DE 2011 2012 l’accès aux systèmes de paiement, modifi ée par la loi du 28 juillet 2011 visant à transposer diverses directives relatives au contrôle du secteur fi nancier et portant dis- positions diverses et par l’arrêté royal du 3 mars 2011 mettant en oeuvre l’évolution des structures de contrôle du secteur fi nancier, est remplacé par ce qui suit: “Loi du 21  décembre  2009 relative au statut des établissements de paiement et des établissements de monnaie électronique, à l’accès à l’activité de presta- taire de services de paiement, à l’activité d’émission de monnaie électronique et à l’accès aux systèmes de paiement”. Art. 4 Dans la même loi, l’intitulé du Titre 1er est remplacé par ce qui suit: “Livre 1er - Objet – Champ d’application - Défi nitions”. Art. 5 Dans l’article 2 de la même loi, les modifi cations suivantes sont apportées: 1° dans l’alinéa 1er, les mots “La présente loi” sont remplacés par les mots “Le Livre 2 de la présente loi”; 2° l’article 2 est complété par un alinéa rédigé comme suit: “Le Livre 3 de la présente loi transpose la Directive 2009/110/CE du Parlement européen et du Conseil du 16 septembre 2009 concernant l’accès à l’activité des établissements de monnaie électronique et son exercice ainsi que la surveillance prudentielle de ces établisse- ments, modifi ant les directives 2005/60/CE et 2006/48/ CE et abrogeant la directive 2000/46/CE.” Art. 6 Dans l’article 3 de la même loi, les modifi cations suivantes sont apportées: 1° dans l’alinéa 1er, les mots “La présente loi” sont remplacés par les mots “Le Livre 2 de la présente loi”; 2° l’article 3 est complété par un alinéa rédigé comme suit: “Le Livre 3 de la présente loi règle l’activité d’émission de monnaie électronique, le statut des établissements en de toegang tot betalingssystemen, gewijzigd door de wet van 28 juli 2011 tot omzetting van diverse richt- lijnen betreffende het toezicht op de fi nanciële sector en houdende diverse bepalingen en door het koninklijk besluit van 3 maart 2011 betreffende de evolutie van de toezichtsarchitectuur voor de fi nanciële sector, wordt vervangen als volgt: “Wet van 21  december  2009 op het statuut van de betalingsinstellingen en van de instellingen voor elektronisch geld, de toegang tot het bedrijf van beta- lingsdienstaanbieder en tot de activiteit van uitgifte van elektronisch geld en de toegang tot betalingssystemen”. Art. 4 In dezelfde wet wordt het opschrift van Titel 1 ver- vangen als volgt: “BOEK 1 - Doel – Toepassingsgebied - Defi nities”. Art. 5 In artikel 2 van dezelfde wet worden de volgende wijzigingen aangebracht: 1° in het eerste lid worden de woorden “Deze wet” vervangen door de woorden “Boek 2 van deze wet”; 2° artikel 2 wordt aangevuld met een lid, luidende: “Boek 3 van deze wet voorziet in de omzetting van Richtlijn 2009/110/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 september 2009 betreffende de toegang tot, de uitoefening van en het prudentieel toezicht op de werkzaamheden van instellingen voor elektronisch geld, tot wijziging van de Richtlijnen 2005/60/EG en 2006/48/ EG en tot intrekking van Richtlijn 2000/46/EG.” Art. 6 In artikel 3 van dezelfde wet worden de volgende wijzigingen aangebracht: 1° in het eerste lid worden de woorden “Deze wet” vervangen door de woorden “Boek 2 van deze wet”; 2° artikel 3 wordt aangevuld met een lid, luidende: “Boek 3 van deze wet regelt de activiteit van uitgifte van elektronisch geld, het statuut van instelling voor DOC 53 2432/001 136 2431/001 DOC 53 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 3 e L É G I S L A T U R E K AMER 3e Z ITTING VAN DE 53e Z ITTING S P E RIO DE 2011 2012 de monnaie électronique, ainsi que le contrôle du res- pect des dispositions de la présente loi et des arrêtés et règlements pris pour son exécution.” Art. 7 Dans l’article 4 de la même loi, les modifi cations suivantes sont apportées: a) dans le 11°, les mots “au sens de l’article 3, § 1er, 7° de la loi bancaire” sont remplacés par les mots “au sens de l’article 4, 33° de la présente loi”; b) l’article est complété par les 29° à 37° rédigés comme suit: “29° Directive 2009/110/CE: la Directive 2009/110/ CE du Parlement européen et du Conseil du 16 sep- tembre 2009 concernant l’accès à l’activité des établis- sements de monnaie électronique et son exercice ainsi que la surveillance prudentielle de ces établissements, modifi ant les directives 2005/60/CE et 2006/48/CE et abrogeant la directive 2000/46/CE; 30° loi du 10  décembre  2009: la loi du 10  dé- cembre 2009 relative aux services de paiement; 31° établissement de monnaie électronique: un émet- teur de monnaie électronique visé au Livre 3 , Titre 2; 32° émetteurs de monnaie électronique: les établisse- ments et autres entités visés à l’article 59, dont l’activité consiste à émettre de la monnaie électronique, ainsi que les personnes morales qui bénéfi cient d’une exemption au titre de l’article 105; 33° monnaie électronique: une valeur monétaire qui est stockée sous une forme électronique, y compris ma- gnétique, représentant une créance sur l’émetteur, qui est émise contre la remise de fonds aux fi ns d’opérations de paiement au sens de l’article 4, 2° de la présente loi et qui est acceptée par une personne physique ou morale autre que l’émetteur de monnaie électronique; 34° détenteur de monnaie électronique: une personne physique ou morale qui remet des fonds à un émetteur de monnaie électronique en échange de l’émission de monnaie électronique par cet émetteur; 35° moyenne de la monnaie électronique en circu- lation: la moyenne du montant total des engagements fi nanciers liés à la monnaie électronique émise à la fi n de chaque jour calendaire pour les six mois calendaires précédents, calculée sur le premier jour calendaire elektronisch geld, alsook het toezicht op de naleving van de bepalingen van deze wet en de ter uitvoering ervan genomen besluiten en reglementen.” Art. 7 In artikel 4 van dezelfde wet worden de volgende wijzigingen aangebracht: a) in de bepaling onder 11° worden de woorden “in de zin van artikel 3, § 1, 7°, van de bankwet” vervangen door de woorden “in de zin van artikel 4, 33°, van deze wet”; c) het artikel wordt aangevuld met de bepalingen onder 29° tot 37°, luidende: “29° Richtlijn 2009/110/EG: Richtlijn 2009/110/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 septem- ber 2009 betreffende de toegang tot, de uitoefening van en het prudentieel toezicht op de werkzaamheden van instellingen voor elektronisch geld, tot wijziging van de Richtlijnen 2005/60/EG en 2006/48/EG en tot intrekking van Richtlijn 2000/46/EG; 30° wet van 10 december 2009: de wet van 10 de- cember 2009 betreffende de betalingsdiensten; 31° instelling voor elektronisch geld: een uitgever van elektronisch geld als bedoeld in Boek 3, Titel 2; 32° uitgevers van elektronisch geld: de instellingen en andere entiteiten bedoeld in artikel 59, waarvan de werkzaamheden bestaan in het uitgeven van elektro- nisch geld, en de rechtspersonen die vrijgesteld zijn op grond van artikel 105; 33° elektronisch geld: een elektronische, met inbe- grip van magnetische, opgeslagen monetaire waarde vertegenwoordigd door een vordering op de uitgever, die is uitgegeven in ruil voor ontvangen geld om beta- lingstransacties te verrichten in de zin van artikel 4, 2°, van deze wet, en die wordt aanvaard door een andere natuurlijke of rechtspersoon dan de uitgever van elek- tronisch geld; 34° houder van elektronisch geld: een natuurlijke of rechtspersoon die geld overhandigt aan een uitgever van elektronisch geld in ruil voor de uitgifte van elek- tronisch geld door die uitgever; 35° gemiddeld uitstaand elektronisch geld: het ge- middelde totale bedrag van de met elektronisch geld verband houdende fi nanciële verplichtingen dat op het einde van elke kalenderdag in omloop is gedurende de zes voorafgaande kalendermaanden, berekend op de DOC 53 2432/001 137 2431/001 DOC 53 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 3 e L É G I S L A T U R E K AMER 3e Z ITTING VAN DE 53e Z ITTING S P E RIO DE 2011 2012 de chaque mois calendaire et appliquée pour le mois calendaire en question; 36° distributeur: une personne physique ou morale qui distribue et/ou rembourse de la monnaie électro- nique pour le compte d’un établissement de monnaie électronique conformément à l’article 76; 37° FSMA: l’Autorité des services et marchés fi nan- ciers visée à l’article 44 de la loi du 2 août 2002 relative à la surveillance du secteur fi nancier et aux services fi nanciers.”; 38° jour ouvrable: un jour tel que défi ni à l’article 2, 17° de la loi du 10 décembre 2009. Par exception, pour les besoins des articles 39, alinéa 1er et 91, la notion de jour ouvrable vise toute journée du lundi au vendredi inclus. “. Art. 8 Dans la même loi, il est inséré un Livre 2, comportant les articles 5 à 58, intitulé “Livre 2 — Statut des établis- sements de paiement et accès à l’activité de prestataire de services de paiement et aux systèmes de paiement”. Art. 9 Dans le Livre 2 de la même loi, inséré par l’article 8 de la présente loi, il est inséré un Titre 1er, comportant l’article 5, intitulé “Titre 1er. Prestataires de services de paiement” Art. 10 L’article 5 de la même loi est remplacé par ce qui suit: “Art. 5. Sans préjudice des dispositions régissant le statut des établissements ou autorités énoncés ci-après, seuls sont autorisés à fournir des services de paiement en Belgique: 1° les établissements de crédit de droit belge, les établissements de crédit relevant du droit d’un autre État membre de l’EEE, habilités à fournir des services de paiement dans leur État d’origine, et opérant en Belgique en vertu des articles 65 ou 66 de la loi ban- caire, ainsi que les succursales d’établissements de crédit relevant du droit d’un État non membre de l’EEE, établies en Belgique conformément à l’article 79 de la loi bancaire; eerste kalenderdag van elke kalendermaand en toege- past voor die kalendermaand; 36° distributeur: een natuurlijke of rechtspersoon die voor rekening van een instelling voor elektronisch geld elektronisch geld overmaakt en/of terugbetaalt overeenkomstig artikel 76; 37° FSMA: de Autoriteit voor Financiële Diensten en Markten bedoeld in artikel 44 van de wet van 2 augus- tus 2002 betreffende het toezicht op de fi nanciële sector en de fi nanciële diensten.”; 38° werkdag: een dag zoals omschreven in artikel 2, 17° van de wet van 10 december 2009. Als uitzondering hierop, betekent het begrip werkdag in het kader van de artikelen 39, eerste alinea en 91, elke dag van maandag tot en met vrijdag”. Art. 8 In dezelfde wet wordt een Boek 2 ingevoegd, dat de artikelen 5 tot 58 bevat, luidende “BOEK 2 — Statuut van de betalingsinstellingen, toegang tot het bedrijf van betalingsdienstaanbieder en toegang tot betalings- systemen”. Art. 9 In Boek 2 van dezelfde wet, ingevoegd bij artikel 8 van deze wet, wordt een Titel 1 ingevoegd, die artikel 5 bevat, luidende “Titel 1. Betalingsdienstaanbieders”. Art. 10 Art.kel 5 van dezelfde wet wordt vervangen als volgt: “Art. 5. Onverminderd de bepalingen betreffende hun statuut, mogen alleen de hiernavolgende instellingen of overheden betalingsdiensten aanbieden in België: 1° kredietinstellingen naar Belgisch recht, krediet- instellingen die ressorteren onder het recht van een andere lidstaat van de EER, die gemachtigd zijn om in hun land van herkomst betalingsdiensten aan te bieden en die in België werkzaam zijn op grond van de artikelen 65 of 66 van de bankwet, en bijkantoren van kredietinstellingen die ressorteren onder het recht van een staat die geen lid is van de EER, die in België zijn gevestigd overeenkomstig artikel 79 van de bankwet; DOC 53 2432/001 138 2431/001 DOC 53 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 3 e L É G I S L A T U R E K AMER 3e Z ITTING VAN DE 53e Z ITTING S P E RIO DE 2011 2012 2° les établissements de monnaie électronique de droit belge, les établissements de monnaie électronique relevant du droit d’un autre État membre de l’EEE et opérant en Belgique en vertu de l’article 91 de la présente loi, ainsi que, pour les services de paiement nécessaires à leur activité d’émission de monnaie élec- tronique, les succursales d’établissements de monnaie électronique relevant du droit d’un État non membre de l’EEE, établies en Belgique en application du Livre 3, Titre 2, Chapitre 3 de la présente loi; 3° la société anonyme de droit public bpost; 4° la Banque nationale de Belgique et la Banque Centrale Européenne, lorsqu’elles n’agissent pas en qualité d’autorité monétaire ou autre autorité publique; 5° les autorités fédérales, régionales, communau- taires et locales belges, lorsqu’elles n’agissent pas en qualité d’autorité publique; 6° les établissements de paiement visés au Titre 2, en ce compris les personnes morales bénéfi ciant d’une exemption, totale ou partielle, conformément à l’article 48.”. Art. 11 Dans l’article 6 de la même loi, les modifi cations suivantes sont apportées: 1° l’alinéa 1er est remplacé par ce qui suit: “Toute personne morale de droit belge qui entend fournir des services de paiement en Belgique en qua- lité d’établissement de paiement, est tenue, avant de commencer ses opérations, de se faire agréer auprès de la Banque, quels que soient les autres lieux d’exercice de ses activités.”; 2° l’article est complété par un alinéa rédigé comme suit: “Seuls les établissements de paiement établis en Belgique et les établissements de paiement relevant du droit d’un autre État membre de l’EEE opérant en Bel- gique sous le régime de la libre prestation de services en vertu de l’article 39 de la présente loi sont autorisés à faire usage public en Belgique des termes “établisse- ment de paiement”, notamment dans leur dénomination sociale, dans la désignation de leur objet social, dans leurs titres, effets ou documents ou dans leur publicité.”. 2° instellingen voor elektronisch geld naar Belgisch recht, instellingen voor elektronisch geld die ressorteren onder het recht van een andere lidstaat van de EER en die in België werkzaam zijn op grond van artikel 91 van deze wet, en, voor de betalingsdiensten die voor hun activiteit van uitgifte van elektronisch geld vereist zijn, bijkantoren van instellingen voor elektronisch geld die ressorteren onder het recht van een staat die geen lid is van de EER, die in België zijn gevestigd met toepassing van Boek 3, Titel 2, Hoofdstuk 3 van deze wet; 3° de naamloze vennootschap van publiek recht bpost; 4° de Nationale Bank van België en de Europese Centrale Bank, wanneer zij niet handelen in hun hoe- danigheid van monetaire of andere publieke autoriteit; 5° de Belgische federale, gewestelijke en lokale overheden en de overheden van de gemeenschappen in België, wanneer zij niet handelen in hun hoedanigheid van publieke autoriteit; 6° de betalingsinstellingen bedoeld in Titel 2, met in- begrip van de rechtspersonen die geheel of gedeeltelijk zijn vrijgesteld op grond van artikel 48.”. Art. 11 In artikel 6 van dezelfde wet worden de volgende wijzigingen aangebracht: 1° het eerste lid wordt vervangen als volgt: “Iedere rechtspersoon naar Belgisch recht die in België betalingsdiensten wil aanbieden als betalings- instelling, moet, vooraleer zij haar werkzaamheden aanvat, een vergunning verkrijgen van de Bank, onge- acht de overige plaatsen waar zij haar werkzaamheden uitoefent.”; 2° het artikel wordt aangevuld met een lid, luidende: “In België mogen alleen betalingsinstellingen die in België zijn gevestigd en betalingsinstellingen die res- sorteren onder het recht van een andere lidstaat van de EER en die in België werkzaam zijn in het kader van het vrij verrichten van diensten op grond van artikel 39 van deze wet, publiekelijk gebruik maken van de termen “betalingsinstelling”, inzonderheid in hun naam, in de opgave van hun doel, in hun effecten, waarden, stukken of in hun reclame.”. DOC 53 2432/001 139 2431/001 DOC 53 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 3 e L É G I S L A T U R E K AMER 3e Z ITTING VAN DE 53e Z ITTING S P E RIO DE 2011 2012 Art. 12 Dans l’article 7 de la même loi, les modifi cations suivantes sont apportées: 1° dans le 4°, les mots “pour les établissements de paiement qui exercent, en sus des services de paiement, d’autres activités au sens de l’article 21,” sont abrogés. 2° le 12° est abrogé. Art. 13 Dans l’article 8, alinéa 1er de la même loi, les mots “, pour autant qu’elle parvienne à une évaluation globa- lement favorable” sont abrogés. Art. 14 Dans l’article 11, alinéa 2 de la même loi, le mot “cumulatives” est abrogé. Art. 15 Dans l’article 14 de la même loi, les modifi cations suivantes sont apportées: 1° dans le paragraphe 3, un alinéa rédigé comme suit est inséré entre les alinéas 3 et 4: “Ils prennent les mesures nécessaires pour pouvoir disposer en permanence d’une fonction de compliance indépendante adéquate, destinée à assurer le respect, par l’établissement, ses administrateurs, ses dirigeants effectifs, ses salariés et ses mandataires, des règles de droit relatives à l’intégrité de l’activité des établis- sements de paiement.”; 2° dans le paragraphe 4, les mots “et fonction de ges- tion des risques adéquate” sont remplacés par les mots “, fonction de gestion des risques adéquate et fonction de compliance indépendante adéquate”; 3° dans le paragraphe 5, alinéa 1, les mots “des para- graphes 1er, 2 et 3” sont remplacés par les mots “des paragraphes 1er, 2 et 3 et de l’article 23, alinéa 1er, f)”. 4° dans le paragraphe 5, alinéa 2, les mots “des paragraphes 1er, 2 et 3 et de l’alinéa 1er du présent para- graphe” sont remplacés par les mots “des paragraphes 1er, 2 et 3 du présent article, de l’alinéa 1er du présent paragraphe et de l’article 23, alinéa 1er, f)” Art. 12 In artikel 7 van dezelfde wet worden de volgende wijzigingen aangebracht: 1° in de bepaling onder 4° worden de woorden “voor de betalingsinstellingen die naast betalingsdiensten andere werkzaamheden verrichten in de zin van artikel 21,” geschrapt. 2° de bepaling onder 12° wordt opgeheven. Art. 13 In artikel 8, eerste lid, van dezelfde wet, worden de woorden “, en voor zover zij over de gehele lijn tot een positief oordeel komt” geschrapt. Art. 14 In artikel 11, tweede lid van dezelfde wet wordt het woord “cumulatief” geschrapt. Art. 15 In artikel 14 van dezelfde wet worden de volgende wijzigingen aangebracht: 1° in paragraaf 3 wordt tussen het derde en het vierde lid een lid ingevoegd, luidende: “Zij neemt de nodige maatregelen om blijvend te kunnen beschikken over een passende onafhankelijke compliancefunctie, om de naleving door de instelling, haar bestuurders, effectieve leiding, werknemers en gevolmachtigden te verzekeren van de rechtsregels in verband met de integriteit van de werkzaamheden van de betalingsinstellingen.”; 2° in paragraaf 4 worden de woorden “en een pas- sende risicobeheerfunctie” vervangen door de woorden “, een passende risicobeheerfunctie en een passende onafhankelijke compliancefunctie”; 3° In paragraaf 5, eerste lid, worden de woorden “bij de paragrafen 1, 2 en 3” vervangen door de woorden “bij de paragrafen 1, 2 en 3 en artikel 23, eerste lid, f)”. 4° In paragraaf 5, tweede lid, worden de woorden “bij de paragrafen 1, 2 en 3 en het eerste lid van deze para- graaf” vervangen door de woorden “bij de paragrafen 1, 2 en 3 van dit artikel, het eerste lid van deze paragraaf en artikel 23, eerste lid, f)”. DOC 53 2432/001 140 2431/001 DOC 53 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 3 e L É G I S L A T U R E K AMER 3e Z ITTING VAN DE 53e Z ITTING S P E RIO DE 2011 2012 5° dans le paragraphe 5, alinéa 2 et dans le para- graphe 6, les mots “, le cas échéant par l’intermédiaire du comité d’audit,” sont chaque fois abrogés. Art. 16 Dans l’article 21 de la même loi, les modifi cations suivantes sont apportées: 1° Le paragraphe 1er est remplacé par ce qui suit: “Les établissements de paiement sont habilités à exercer des activités autres que les services de paie- ment, moyennant l’autorisation préalable de la Banque. Sans préjudice de l’article 25, dernier alinéa, si la Banque autorise un établissement de paiement à exé- cuter des activités autres que des services de paiement, elle peut, en vue d’une gestion saine et prudente et d’une maîtrise des risques appropriée par l’établisse- ment de paiement, ou pour les besoins d’un contrôle prudentiel adapté dudit établissement, subordonner à certaines conditions complémentaires l’exercice d’acti- vités autres que les services de paiement ou les activités visées au paragraphe 2. En outre, la Banque peut exiger que l’exercice des services de paiement soit logée dans une entité juridique distincte de l’entité exerçant d’autres activités.”. 2° Dans la version néerlandaise, au paragraphe 2, 2°, les mots “het exploiteren van betalingssystemen” sont remplacés par les mots “het beheer van betalings- systemen”. 3° Dans le paragraphe 4, alinéa 2, et dans le para- graphe 5, les mots “au sens de l’article 3, 7°, de la loi bancaire” sont chaque fois abrogés. 4° Dans le paragraphe 6, alinéa 1, les mots “sauf autorisation de” sont remplacés par les mots “sauf autorisation préalable de”. 5° Dans le paragraphe 6, alinéa 2, les mots “et d’exploitation de systèmes de paiement” sont remplacés par les mots “et de gestion de systèmes de paiement”. Art. 17 Dans l’article 22, paragraphe 1er, alinéa 1er de la même loi, les modifi cations suivantes sont apportées: 5° in paragraaf 5, tweede lid en in paragraaf 6 woor- den de woorden “, in voorkomend geval via het audit- comité,” geschrapt. Art. 16 In artikel 21 van dezelfde wet worden de volgende wijzigingen aangebracht: 1° Paragraaf 1 wordt vervangen als volgt: “Betalingsinstellingen mogen andere werkzaamhe- den dan betalingsdiensten verrichten, mits hiervoor voorafgaandelijk toestemming is verleend door de Bank. Indien de Bank erin toestemt dat een betalingsinstel- ling andere werkzaamheden dan betalingsdiensten verricht, kan zij, onverminderd artikel 25, laatste lid en gelet op de noodzaak van een gezond en voorzichtig beleid en een passende risicobeheersing door de betalingsinstelling of op de vereiste van een passend prudentieel toezicht op deze instelling, de uitoefening van andere werkzaamheden dan betalingsdiensten of de in paragraaf 2 bedoelde werkzaamheden aan aan- vullende voorwaarden onderwerpen. Bovendien kan de Bank eisen dat het betalingsdien- stenbedrijf ondergebracht wordt in een afzonderlijke juridische entiteit, afgescheiden van deze die andere werkzaamheden uitoefent.”. 2° In de Nederlandse versie van paragraaf 2, 2°, worden de woorden “het exploiteren van betalingssys- temen” vervangen door de woorden “het beheer van betalingssystemen”. 3° In paragraaf 4, tweede lid en in paragraaf 5 worden de woorden “in de zin van artikel 3, 7°, van de bankwet” telkens geschrapt. 4° In de Franse versie van paragraaf 6, eerste lid, worden de woorden “sauf autorisation de” vervangen door de woorden “sauf autorisation préalable de”. 5° In paragraaf 6, tweede lid, worden de woorden “en exploiteren van betalingsystemen” vervangen door de woorden “en het beheer van betalingssystemen”. Art. 17 In artikel 22, paragraaf 1, eerste lid van dezelfde wet, worden de volgende wijzigingen aangebracht: DOC 53 2432/001 141 2431/001 DOC 53 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 3 e L É G I S L A T U R E K AMER 3e Z ITTING VAN DE 53e Z ITTING S P E RIO DE 2011 2012 1° les mots “Lorsqu’un établissement de paiement exerce des activités autres que les services de paiement et les services visés à l’article 21, § 2, 1°, les fonds qui ont été reçus” sont remplacés par les mots “Les fonds reçus par un établissement de paiement”; 2° au point c), les mots “pour un montant qui est égal au montant qui serait aliéné en l’absence d’une assu- rance, d’une garantie ou d’une caution”, sont remplacés par les mots “pour un montant qui aurait été affecté en application du point b)”. 3° L’article est complété par un paragraphe 4 rédigé comme suit: “Sans préjudice des pouvoirs dévolus à l’organe légal d’administration en ce qui concerne la détermination de la politique générale, tels que prévus par le Code des sociétés, les personnes chargées de la direction effec- tive de l’établissement de paiement, le cas échéant le comité de direction, prennent, sous la surveillance de l’organe légal d’administration, les mesures nécessaires pour assurer le respect des paragraphes 1er et 2. L’organe légal d’administration de l’établissement de paiement doit contrôler au moins une fois par an si l’établissement se conforme aux dispositions des para- graphes 1er et 2 et de l’alinéa 1er du présent paragraphe, et prend connaissance des mesures adéquates prises. Les personnes chargées de la direction effective, le cas échéant le comité de direction, font rapport au moins une fois par an à l’organe légal d’administration, à la Banque et au commissaire agréé sur le respect des dispositions de l’alinéa 1er du présent paragraphe et sur les mesures adéquates prises. Ces informations sont transmises à la Banque et au commissaire agréé selon les modalités que la Banque détermine.”. Art. 18 À l’article 28, alinéa 4 de la même loi, les mots “aux articles 144 et 148 du Code des sociétés” sont rempla- cés par les mots “à l’article 33, alinéa 1er, 2°”. 1° de woorden “Wanneer een betalingsinstelling andere werkzaamheden verricht dan betalingsdiensten en de bij artikel 21, § 2, 1°, bedoelde diensten, dienen de geldmiddelen die zij van betalingsdienstgebruikers rechtstreeks of via andere betalingsdienstaanbieders voor de uitvoering van betalingstransacties ontvangt” worden vervangen door de woorden “De geldmiddelen die een betalingsinstelling rechtstreeks of via andere be- talingsdienstaanbieders van betalingsdienstgebruikers ontvangt voor de uitvoering van betalingstransacties, dienen” 2° in punt c) worden de woorden “voor een bedrag dat gelijk is aan het bedrag dat afgescheiden zou zijn bij afwezigheid van een verzekering, garantie of waar- borg” vervangen door de woorden “voor een bedrag dat besteed geweest zou zijn met toepassing van punt b)”. 3° Het artikel wordt aangevuld met een paragraaf 4, luidende: “Onverminderd de bevoegdheden van het wettelijke bestuursorgaan inzake vaststelling van het algemeen beleid als bepaald bij het Wetboek van Vennootschap- pen, nemen de personen belast met de effectieve leiding van de betalingsinstelling, in voorkomend geval het directiecomité, onder toezicht van het wettelijke be- stuursorgaan de nodige maatregelen voor de naleving van het bepaalde bij de paragrafen 1 en 2. Het wettelijke bestuursorgaan van de betalingsinstel- ling dient minstens jaarlijks te controleren of de instelling beantwoordt aan het bepaalde bij de paragrafen 1 en 2 en het eerste lid van deze paragraaf, en neemt kennis van de genomen passende maatregelen. De personen belast met de effectieve leiding, in voorkomend geval het directiecomité, lichten minstens jaarlijks het wettelijke bestuursorgaan, de Bank en de erkende commissaris in over de naleving van het be- paalde bij het eerste lid van deze paragraaf en over de genomen passende maatregelen. De informatieverstrekking aan de Bank en de erkende commissaris gebeurt volgens de modaliteiten die de Bank bepaalt.”. Art. 18 In artikel 28, vierde lid van dezelfde wet, worden de woorden “in de artikelen 144 en 148 van het Wetboek van Vennootschappen”, vervangen door de woorden “in artikel 33, eerste lid, 2°”. DOC 53 2432/001 142 2431/001 DOC 53 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 3 e L É G I S L A T U R E K AMER 3e Z ITTING VAN DE 53e Z ITTING S P E RIO DE 2011 2012 Art. 19 À l’article 33, alinéa 1er, 1° de la même loi, tel que remplacé par la loi du 28 juillet 2011, les mots “confor- mément à l’article 14, § 3, alinéa 1er” sont remplacés par les mots “conformément aux articles 14, § 3, alinéa 1er et 23, alinéa 1er, f)”. Art. 20 Dans l’article 35 de la même loi, les modifi cations suivantes sont apportées: a) le paragraphe 1er est remplacé par ce qui suit: “§ 1er. Lorsque la Banque constate qu’un établis- sement de paiement ne fonctionne pas en conformité avec les dispositions de la présente loi et des arrêtés et règlements pris pour son exécution, que sa gestion ou sa situation fi nancière sont de nature à mettre en cause la bonne fi n de ses engagements ou n’offrent pas des garanties suffisantes sur le plan de sa solvabilité, de sa liquidité ou de sa rentabilité, que ses structures de gestion, son organisation administrative ou comptable, son réseau d’agents ou de succursales, ou son contrôle interne présentent des lacunes graves, ou que la pour- suite de ses activités représente une menace pour la stabilité du système de paiement, elle fi xe le délai dans lequel il doit être remédié à la situation constatée. Si, au terme de ce délai, il n’a pas été remédié à la situation, la Banque peut: 1° désigner un commissaire spécial. Dans ce cas, l’autorisation écrite, générale ou spé- ciale de celui-ci est requise pour tous les actes et déci- sions de tous les organes de l’établissement, y compris l’assemblée générale, et pour ceux des personnes chargées de la gestion; la Banque peut toutefois limiter le champ des opérations soumises à autorisation. Le commissaire spécial peut soumettre à la délibéra- tion de tous les organes de l’établissement, y compris l’assemblée générale, toutes propositions qu’il juge opportunes. La rémunération du commissaire spécial est fi xée par la Banque et supportée par l’établissement. Les membres des organes d’administration et de gestion et les personnes chargées de la gestion qui accomplissent des actes ou prennent des décisions sans avoir recueilli l’autorisation requise du commissaire spécial sont responsables solidairement du préjudice qui en est résulté pour l’établissement ou les tiers. Art. 19 In artikel 33, eerste lid, 1° van dezelfde wet, vervan- gen bij de wet van 28 juli 2011, worden de woorden “overeenkomstig artikel 14, § 3, eerste lid” vervangen door de woorden “overeenkomstig de artikelen 14, § 3, eerste lid en 23, eerste lid, f)”. Art. 20 In artikel 35 van dezelfde wet worden de volgende wijzigingen aangebracht: a) paragraaf 1 wordt vervangen als volgt: “§ 1. Wanneer de Bank vaststelt dat een betalings- instelling niet werkt overeenkomstig de bepalingen van deze wet en de ter uitvoering ervan genomen besluiten en reglementen, dat haar beleid of fi nanciële positie de goede afl oop van haar verbintenissen in het gedrang dreigt te brengen of niet voldoende waarborgen biedt voor haar solvabiliteit, liquiditeit of rendabiliteit, dat haar beleidsstructuren, haar administratieve of boekhoud- kundige organisatie, haar agenten- of bijkantorennet, of haar interne controle ernstige leemten vertoont, of dat de voortzetting van haar bedrijf een bedreiging vormt voor de stabiliteit van het betalingssysteem, stelt zij de termijn vast waarbinnen deze toestand moet worden verholpen. Indien de toestand na deze termijn niet is verholpen, kan de Bank: 1° een speciaal commissaris aanstellen. In dit geval is voor alle handelingen en beslissingen van alle organen van de instelling, inclusief de alge- mene vergadering, alsook voor die van de personen die instaan voor het beleid, zijn schriftelijke, algemene of bijzondere toestemming vereist; de Bank kan de ver- richtingen waarvoor een toestemming is vereist evenwel beperken. De speciaal commissaris mag elk voorstel dat hij nuttig acht, voorleggen aan alle organen van de instel- ling, inclusief de algemene vergadering. De bezoldiging van de speciaal commissaris wordt vastgesteld door de Bank en gedragen door de instelling. De leden van de bestuurs- en beleidsorganen en de personen die instaan voor het beleid, die handelingen stellen of beslissingen nemen zonder de vereiste toe- stemming van de speciaal commissaris, zijn hoofdelijk aansprakelijk voor het nadeel dat hieruit voor de instel- ling of voor derden voortvloeit. DOC 53 2432/001 143 2431/001 DOC 53 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 3 e L É G I S L A T U R E K AMER 3e Z ITTING VAN DE 53e Z ITTING S P E RIO DE 2011 2012 Si la Banque a publié au Moniteur belge la dési- gnation du commissaire spécial et spécifi é les actes et décisions soumis à son autorisation, les actes et déci- sions intervenus sans cette autorisation alors qu’elle était requise sont nuls, à moins que le commissaire spécial ne les ratifi e. Dans les mêmes conditions toute décision d’assemblée générale prise sans avoir recueilli l’autorisation requise du commissaire spécial est nulle, à moins que le commissaire spécial ne la ratifi e. La Banque peut désigner un commissaire suppléant. 2° suspendre pour la durée qu’elle détermine l’exer- cice direct ou indirect de tout ou partie de l’activité de l’établissement de paiement ou interdire cet exercice; cette suspension peut, dans la mesure déterminée par la Banque, impliquer la suspension totale ou partielle de l’exécution des contrats en cours. Les membres des organes d’administration et de gestion et les personnes chargées de la gestion qui accomplissent des actes ou prennent des décisions en violation de la suspension sont responsables solidaire- ment du préjudice qui en est résulté pour l’établissement de paiement ou les tiers. Si la Banque a publié la suspension au Moniteur belge, les actes et décisions intervenus à l’encontre de celle-ci sont nuls. La Banque peut, de même, enjoindre à un établis- sement de paiement de céder des participations qu’il détient, le cas échéant, conformément à l’article 21, § 6; 3° imposer, en matière de solvabilité, des exigences plus strictes que celles visées à l’article 17; 4° enjoindre le remplacement des administrateurs ou gérants de l’établissement de paiement dans un délai qu’elle détermine et, à défaut d’un tel remplacement dans ce délai, substituer à l’ensemble des organes d’administration et de gestion de l’établissement un ou plusieurs administrateurs ou gérants provisoires qui disposent, seuls ou collégialement selon le cas, des pouvoirs des personnes remplacées. La Banque publie sa décision au Moniteur belge. La rémunération du ou des administrateurs ou gérants provisoires est fi xée par la Banque et supportée par l’établissement de paiement. Indien de Bank de aanstelling van een speciaal com- missaris in het Belgisch Staatsblad heeft bekendge- maakt, met opgave van de handelingen en beslissingen waarvoor zijn toestemming is vereist, zijn alle handelin- gen en beslissingen zonder deze vereiste toestemming nietig, tenzij de speciaal commissaris die bekrachtigt. Onder dezelfde voorwaarden zijn alle beslissingen van de algemene vergadering zonder de vereiste toestem- ming van de speciaal commissaris nietig, tenzij hij die bekrachtigt. De Bank kan een plaatsvervangend commissaris aanstellen. 2° voor de termijn die zij bepaalt, de rechtstreekse of onrechtstreekse uitoefening van het bedrijf van de betalingsinstelling geheel of ten dele schorsen dan wel verbieden; deze schorsing kan, in de door de Bank bepaalde mate, de volledige of gedeeltelijke schorsing van de uitvoering van de lopende overeenkomsten tot gevolg hebben. De leden van de bestuurs- en beleidsorganen en de personen die instaan voor het beleid, die handelingen stellen of beslissingen nemen ondanks de schorsing, zijn hoofdelijk aansprakelijk voor het nadeel dat hieruit voor de betalingsinstelling of voor derden voortvloeit. Indien de Bank de schorsing in het Belgisch Staats- blad heeft bekendgemaakt, zijn alle hiermee strijdige handelingen en beslissingen nietig. De Bank kan een betalingsinstelling tevens gelasten deelnemingen over te dragen die zij in voorkomend geval bezit overeenkomstig artikel 21, § 6; 3° inzake solvabiliteit, strengere vereisten opleggen dan deze bedoeld in artikel 17; 4° de vervanging gelasten van bestuurders of zaakvoerders van de betalingsinstelling binnen een termijn die zij bepaalt en, zo binnen deze termijn geen vervanging geschiedt, in de plaats van de voltallige bestuurs- en beleidsorganen van de instelling een of meer voorlopige bestuurders of zaakvoerders aanstel- len die alleen of collegiaal, naargelang van het geval, de bevoegdheden hebben van de vervangen personen. De Bank maakt haar beslissing bekend in het Belgisch Staatsblad. De bezoldiging van de voorlopige bestuurder(s) of zaakvoerder(s) wordt vastgesteld door de Bank en gedragen door de betalingsinstelling. DOC 53 2432/001 144 2431/001 DOC 53 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 3 e L É G I S L A T U R E K AMER 3e Z ITTING VAN DE 53e Z ITTING S P E RIO DE 2011 2012 La Banque peut, à tout moment, remplacer le ou les administrateurs ou gérants provisoires, soit d’office, soit à la demande d’une majorité des actionnaires ou asso- ciés lorsqu’ils justifi ent que la gestion des intéressés ne présente plus les garanties nécessaires; 5° révoquer l’agrément. La Banque rend publique, sur son site internet, toute décision de révocation d’un agrément. En cas d’extrême urgence, la Banque peut adopter les mesures visées au présent paragraphe sans qu’un délai de redressement ne soit préalablement fi xé. b) dans le paragraphe 3, alinéa 1er, les mots “para- graphe 1er, alinéas 1er et 2, 1°” sont remplacés par les mots “paragraphe 1er, alinéas 1er et 2, 2°”. Art. 21 Dans la même loi, l’article 40, dont le texte actuel for- mera le paragraphe 1er, est complété par un paragraphe 2 rédigé comme suit: “§ 2. Les dirigeants de la succursale font rapport au moins une fois par an à la Banque et au réviseur agréé ou à la société de réviseurs agréée sur l’adéquation des mesures de contrôle interne adoptées par les succursales en vue de se conformer aux dispositions applicables en vertu du paragraphe 1er.”. Art. 22 L’article 48 de la même loi est remplacé par ce qui suit: “§ 1er. La Banque peut exempter de l’application de tout ou partie des dispositions du présent Livre et de ses arrêtés d’exécution les personnes morales: 1° dont le montant total moyen, pour les douze mois précédents, des opérations de paiement exécutées par elles, ou par tout agent dont elles assument l’entière responsabilité, ne dépasse pas 3 000 000 euros sur un mois. Ce critère est évalué par rapport au montant total prévu des opérations de paiement dans leur plan d’affaires, et sous réserve d’un éventuel ajustement de ce plan exigé par la Banque; et 2° dont aucune des personnes physiques respon- sables de la gestion ou de l’exercice de l’activité n’a été condamnée pour des infractions liées au blanchiment De Bank kan op elk tijdstip de voorlopige bestuurder(s) of zaakvoerder(s) vervangen, hetzij ambtshalve, hetzij op verzoek van een meerderheid van aandeelhouders of vennoten, wanneer zij aantonen dat het beleid van de betrokkenen niet meer de nodige waarborgen biedt; 5° de vergunning herroepen. De Bank maakt alle beslissingen tot herroeping van een vergunning bekend op haar website. Bij uiterste hoogdringendheid kan de Bank de in deze paragraaf bedoelde maatregelen nemen zonder dat vooraf een hersteltermijn wordt vastgesteld. b) in paragraaf 3, eerste lid, worden de woorden “paragraaf 1, eerste en tweede lid, 1°” vervangen door de woorden “paragraaf 1, eerste lid en tweede lid, 2°”. Art. 21 In dezelfde wet wordt artikel 40, waarvan de be- staande tekst paragraaf 1 zal vormen, aangevuld met een paragraaf 2, luidende: “§ 2. De leiders van het bijkantoor brengen minstens eenmaal per jaar verslag uit aan de Bank en aan de erkende revisor of de erkende revisorenvennootschap, over de deugdelijkheid van de internecontrolemaatre- gelen die de bijkantoren hebben getroffen om zich te conformeren aan de bepalingen die krachtens paragraaf 1 van toepassing zijn.”. Art. 22 Artikel 48 van dezelfde wet wordt vervangen als volgt: “§ 1. De Bank kan geheel of gedeeltelijk vrijstelling verlenen van de toepassing van de bepalingen van dit Boek en zijn uitvoeringsbesluiten aan rechtspersonen: 1° waarvoor geldt dat het gemiddelde van het totale bedrag aan betalingstransacties die zij of de agenten waarvoor zij volledig aansprakelijk zijn, in de vooraf- gaande twaalf maanden hebben verricht, niet hoger is dan 3 000 000 euro per maand. Dit criterium wordt beoordeeld op basis van het in het bedrijfsplan begrote totale bedrag aan betalingstransacties, rekening hou- dend met de eventuele aanpassingen in dit plan die de Bank heeft verlangd; en 2° waarvoor geldt dat geen enkele van de met het beleid of de uitoefening van de werkzaamheden belaste natuurlijke personen veroordeeld is wegens DOC 53 2432/001 145 2431/001 DOC 53 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 3 e L É G I S L A T U R E K AMER 3e Z ITTING VAN DE 53e Z ITTING S P E RIO DE 2011 2012 de capitaux, au fi nancement du terrorisme ou visées à l’article 19, § 1er, 1° et 2° de la loi bancaire. La Banque ne peut exempter ces personnes morales de l’application des articles 21 et 22 de la présente loi. § 2. Les personnes morales visées au paragraphe 1er, qui sont exemptées, sont inscrites au registre visé à l’article 9. L’article 9 s’applique par analogie à ces personnes morales en ce qui concerne les informa- tions fournies sur le site internet de la Banque et leur actualisation régulière. Sans préjudice du paragraphe 1er, dernier alinéa, le site internet mentionne que ces personnes morales bénéfi cient d’une exemption, totale ou partielle, en application du présent article. § 3. Les personnes morales bénéfi ciant d’une exemp- tion accordée en vertu du paragraphe 1er: 1° doivent avoir leur administration centrale en Belgique, et exercer effectivement leurs activités de services de paiement sur le territoire belge; 2° ne bénéfi cient pas du régime de reconnaissance mutuelle prévu par l’article 39 de la présente loi; 3° informent la Banque de tout changement de leur situation ayant une incidence sur les conditions énon- cées au paragraphe 1er et rendent compte périodique- ment à la Banque, du montant total moyen, pour les douze mois précédents, des opérations de paiement exécutées par elles, ou par tout agent dont elles assu- ment l’entière responsabilité. La Banque détermine la fréquence de ce rapport. 4° appliquent les dispositions de la loi du 11 jan- vier  1993 relative à la prévention de l’utilisation du système fi nancier aux fi ns du blanchiment de capitaux et du fi nancement du terrorisme qui sont applicables aux établissements de paiement, et des arrêtés et règlements pris pour son exécution. § 4. Le Roi peut prévoir qu’une personne morale bénéfi ciant d’une exemption accordée en vertu du para- graphe 1er ne peut exercer que certaines des activités énumérées à l’article 21, §§ 1er à 3. § 5. Lorsque les conditions énoncées aux para- graphes 1er, et 3, 1° ne sont plus remplies, les personnes morales exemptées demandent l’agrément dans un délai de trente jours calendaires conformément aux articles 6 et suivants. strafbare feiten in verband met het witwassen van geld of terrorismefi nanciering,of zoals bedoeld in artikel 19, § 1er, 1° en 2° van de bankwet. De Bank kan deze rechtspersonen niet vrijstellen van de toepassing van artikelen 21 en 22 van deze wet. § 2. De rechtspersonen bedoeld in de eerste pa- ragraaf die vrijgesteld zijn, worden ingeschreven in het register bedoeld in artikel 9. Artikel 9 is op deze rechtspersonen van overeenkomstige toepassing voor wat betreft de informatie die op de website van de Bank wordt verstrekt en de geregelde actualisering ervan. Onverminderd paragraaf 1, laatste lid, vermeldt de web- site dat deze rechtspersonen geheel of gedeeltelijk zijn vrijgesteld met toepassing van dit artikel. § 3. De rechtspersonen die vrijgesteld zijn op grond van paragraaf 1: 1° hebben hun hoofdkantoor in België en oefenen hun betalingsdienstactiviteiten daadwerkelijk op het Belgische grondgebied uit; 2° komen niet in aanmerking voor de regeling inzake wederzijdse erkenning vastgesteld in artikel 39 van deze wet; 3° stellen de Bank in kennis van elke verandering in hun situatie die relevant is voor de in paragraaf 1 gestelde voorwaarden en brengen periodiek verslag uit aan de Bank over het gemiddelde van het totale bedrag aan betalingstransacties die zij of de agenten waarvoor zij volledig aansprakelijk zijn, in de voorafgaande twaalf maanden hebben verricht. De Bank bepaalt de frequen- tie van deze rapportering. 4° passen de bepalingen toe van de wet van 11 janua- ri 1993 tot voorkoming van het gebruik van het fi nanciële stelsel voor het witwassen van geld en de fi nanciering van terrorisme die gelden voor betalingsinstellingen, en van de ter uitvoering ervan genomen besluiten en reglementen. § 4. De Koning kan bepalen dat een rechtspersoon die vrijgesteld is op grond van paragraaf 1, alleen sommige van de in artikel 21, §§ 1 tot 3 opgesomde werkzaam- heden mag uitoefenen. § 5. Wanneer de in de paragrafen 1 en 3, 1° gestelde voorwaarden niet langer vervuld zijn, vragen de vrijge- stelde rechtspersonen binnen 30 kalenderdagen een vergunning aan overeenkomstig artikel 6 en volgende. DOC 53 2432/001 146 2431/001 DOC 53 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 3 e L É G I S L A T U R E K AMER 3e Z ITTING VAN DE 53e Z ITTING S P E RIO DE 2011 2012 Les établissements qui n’ont pas demandé l’agré- ment dans ce délai se voient interdire, conformément à l’article 5, de fournir des services de paiement en Belgique.”. Art. 23 Dans l’article 51 de la même loi, les modifi cations suivantes sont apportées: a) dans le 2°, les mots “, alinéas 1er et 2” sont abrogés; b) dans le 8°, les mots “conformément à l’article 35, § 1er, alinéa 2, 1°” sont remplacés par les mots “confor- mément à l’article 35, § 1er, alinéa 2, 2°”. Art. 24 Dans l’article 58 de la même loi, les mots “La présente loi” sont remplacés par les mots “Le présent Livre”. Art. 25 Dans la même loi, il est inséré un Livre 3, intitulé “Livre 3. Accès à l’activité d’émission de monnaie électronique et statut des établissements de monnaie électronique”. Art. 26 Dans le Livre 3 de la même loi, inséré par l’article 25, il est inséré un Titre 1er, intitulé “Titre 1er. Emetteurs de monnaie électronique”. Art. 27 Dans le Livre 3, Titre 1er de la même loi, inséré par l’article 26, il est inséré un article 59 rédigé comme suit: “Article 59. Sans préjudice des dispositions régissant le statut des établissements ou autorités énoncés ci- après, seuls peuvent exercer l’activité d’émission de monnaie électronique en Belgique: 1° les établissements de crédit de droit belge, les établissements de crédit relevant du droit d’un autre État membre de l’EEE, autorisés à émettre de la monnaie électronique dans leur État d’origine et opérant en Bel- gique en vertu des articles 65 ou 66 de la loi bancaire, Voor de instellingen die binnen deze termijn geen vergunning hebben aangevraagd, is het overeenkomstig artikel 5 verboden om in België betalingsdiensten aan te bieden.”. Art. 23 In artikel 51 van dezelfde wet worden de volgende wijzigingen aangebracht: a) in de bepaling onder 2° worden de woorden “eerste en tweede lid,” geschrapt; b) in de bepaling onder 8° worden de woorden “overeenkomstig artikel 35, § 1, tweede lid, 1°” vervan- gen door de woorden “overeenkomstig artikel 35, § 1, tweede lid, 2°”. Art. 24 In artikel 58 van dezelfde wet worden de woorden “Deze wet” vervangen door de woorden “Dit Boek”. Art. 25 In dezelfde wet wordt een Boek 3 ingevoegd, lui- dende “Boek 3. Toegang tot de activiteit van uitgifte van elektronisch geld en statuut van de instellingen voor elektronisch geld”. Art. 26 In Boek 3 van dezelfde wet, ingevoegd bij artikel 25, wordt een Titel 1 ingevoegd, luidende “Titel 1. Uitgevers van elektronisch geld”. Art. 27 In Boek 3, Titel 1 van dezelfde wet, ingevoegd bij artikel 26, wordt een artikel 59 ingevoegd, luidende: “Artikel 59. Onverminderd de bepalingen betreffende hun statuut, mogen alleen de hiernavolgende instellin- gen of overheden elektronisch geld uitgeven in België: 1° kredietinstellingen naar Belgisch recht, krediet- instellingen die ressorteren onder het recht van een andere lidstaat van de EER, die in hun land van her- komst elektronisch geld mogen uitgeven en die in België werkzaam zijn op grond van de artikelen 65 of 66 van DOC 53 2432/001 147 2431/001 DOC 53 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 3 e L É G I S L A T U R E K AMER 3e Z ITTING VAN DE 53e Z ITTING S P E RIO DE 2011 2012 les succursales d’établissements de crédit relevant du droit d’un État non membre de l’EEE, établies en Belgique conformément à l’article 79 de la loi bancaire; 2° les établissements de monnaie électronique de droit belge, les établissements de monnaie électronique relevant du droit d’un autre État membre de l’EEE et opérant en Belgique en vertu de l’article 91 de la pré- sente loi, les succursales d’établissements de monnaie électronique relevant du droit d’un État non membre de l’EEE, établies en Belgique en application du Livre 3, Titre 2, Chapitre 3 de la présente loi, ainsi que les personnes morales bénéfi ciant d’une exemption, confor- mément à l’article 105; 3° la société anonyme de droit public bpost; 4° la Banque nationale de Belgique et la Banque Centrale Européenne, lorsqu’elles n’agissent pas en qualité d’autorité monétaire ou autre autorité publique; 5° les autorités fédérales, régionales, communau- taires et locales belges, lorsqu’elles agissent en qualité d’autorité publique.”. Art.28 Dans le même Titre 1er, il est inséré un article 60 rédigé comme suit: “Article 60. § 1er. La présente loi ne s’applique pas à la valeur monétaire stockée sur des instruments qui ne peuvent être utilisés, pour l’acquisition de biens ou de services, que dans les locaux utilisés par l’émetteur ou, dans le cadre d’un accord commercial avec l’émetteur, à l’intérieur d’un réseau limité de prestataires de services ou pour un éventail limité de biens ou de services. § 2. La présente loi ne s’applique pas à la valeur monétaire utilisée pour effectuer des opérations de paiement exécutées au moyen d’un appareil de télé- communication ou d’un autre dispositif numérique ou informatique, lorsque les biens ou les services achetés sont livrés et doivent être utilisés au moyen d’un appareil de télécommunication ou d’un dispositif numérique ou informatique, à condition que l’opérateur du système de télécommunication, numérique ou informatique n’agisse pas uniquement en qualité d’intermédiaire entre le détenteur de monnaie électronique et le fournisseur des biens ou services.”. de bankwet, en bijkantoren van kredietinstellingen die ressorteren onder het recht van een staat die geen lid is van de EER, die in België zijn gevestigd overeenkomstig artikel 79 van de bankwet; 2° instellingen voor elektronisch geld naar Belgisch recht, instellingen voor elektronisch geld die ressorteren onder het recht van een andere lidstaat van de EER en die in België werkzaam zijn op grond van artikel 91 van deze wet, bijkantoren van instellingen voor elektronisch geld die ressorteren onder het recht van een staat die geen lid is van de EER, die in België zijn gevestigd met toepassing van Boek 3, Titel 2, Hoofdstuk 3 van deze wet, en rechtspersonen die zijn vrijgesteld op grond van artikel 105; 3° de naamloze vennootschap van publiek recht bpost; 4° de Nationale Bank van België en de Europese Centrale Bank, wanneer zij niet handelen in hun hoe- danigheid van monetaire of andere publieke autoriteit; 5° de Belgische federale, gewestelijke en lokale overheden en de overheden van de gemeenschappen in België, wanneer zij handelen in hun hoedanigheid van publieke autoriteit.”. Art. 28 In dezelfde Titel 1 wordt een artikel 60 ingevoegd, luidende: “Artikel 60. § 1. Deze wet is niet van toepassing op de monetaire waarde die opgeslagen is op instrumenten die kunnen worden gebruikt om, louter in de door de uitgevende instelling gebruikte bedrijfsgebouwen of uit hoofde van een handelsovereenkomst met de uitge- vende instelling, hetzij binnen een beperkt netwerk van dienstverleners hetzij voor een beperkte reeks goederen en diensten, goederen en diensten te verkrijgen. § 2. Deze wet is niet van toepassing op de monetaire waarde die gebruikt wordt om betalingstransacties te verrichten die worden uitgevoerd via een telecommu- nicatie-, digitaal of IT-instrument, wanneer de gekochte goederen of diensten geleverd worden aan, en gebruikt moeten worden via, een telecommunicatie-, digitaal of IT-instrument, mits de telecommunicatie-, digitale of IT-exploitant niet uitsluitend als tussenpersoon optreedt tussen de houder van elektronisch geld en de leveran- cier van de goederen en diensten.”. DOC 53 2432/001 148 2431/001 DOC 53 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 3 e L É G I S L A T U R E K AMER 3e Z ITTING VAN DE 53e Z ITTING S P E RIO DE 2011 2012 Art. 29 Dans le Livre 3 de la même loi, inséré par l’article 25, il est inséré un Titre 2, intitulé “Titre 2. Les établis- sements de monnaie électronique”. Art. 30 Dans le Livre 3, Titre 2 de la même loi, inséré par l’article 29, il est inséré un Chapitre 1er, intitulé: “Cha- pitre 1er. Les établissements de monnaie électronique de droit belge”. Art. 31 Dans le Livre 3, Titre 2, Chapitre 1er de la même loi, inséré par l’article 30, il est inséré une section 1re inti- tulée “Section 1re. Exigence d’un agrément”. Art. 32 Dans le Livre 3, Titre 2, Chapitre 1er, Section 1re de la même loi, insérée par l’article 28, il est inséré un article 61 rédigé comme suit: “Article 61. Toute personne morale de droit belge qui entend émettre de la monnaie électronique en Belgique en qualité d’établissement de monnaie électronique, est tenue, avant de commencer ses opérations, de se faire agréer auprès de la Banque, quels que soient les autres lieux d’exercice de ses activités. Seuls les établissements de monnaie électronique de droit belge, les établissements de monnaie élec- tronique relevant du droit d’un autre État membre de l’EEE opérant en Belgique en vertu de l’article 91 de la présente loi, ainsi que les succursales d’établissements de monnaie électronique relevant du droit d’un État non membre de l’EEE, établies en Belgique conformément à l’article 99 de la présente loi sont autorisés à faire usage public en Belgique des termes “établissement de mon- naie électronique”, notamment dans leur dénomination sociale, dans la désignation de leur objet social, dans leurs titres, effets ou documents ou dans leur publicité.”. Art. 33 Dans la même section 1re, il est inséré un article 62 rédigé comme suit: “Article 62. § 1er. La demande d’agrément est accom- pagnée des renseignements suivants: Art. 29 In Boek 3 van dezelfde wet, ingevoegd bij artikel 25, wordt een Titel 2 ingevoegd, luidende “Titel 2. Instel- lingen voor elektronisch geld”. Art. 30 In Boek 3, Titel 2 van dezelfde wet, ingevoegd bij artikel 29, wordt een Hoofdstuk 1 ingevoegd, luidende: “Hoofdstuk 1. Instellingen voor elektronisch geld naar Belgisch recht”. Art. 31 In Boek 3, Titel 2, Hoofdstuk 1 van dezelfde wet, in- gevoegd bij artikel 30, wordt een afdeling 1 ingevoegd, luidende “Afdeling 1. Vereiste van bedrijfsvergunning”. Art. 32 In Boek III, Titel 2, Hoofdstuk 1, Afdeling 1 van de- zelfde wet, ingevoegd bij artikel 28, wordt een artikel 61 ingevoegd, luidende: “Artikel 61. Iedere rechtspersoon naar Belgisch recht die in België elektronisch geld wil uitgeven als instel- ling voor elektronisch geld, moet, vooraleer hij zijn werkzaamheden aanvat, een vergunning verkrijgen van de Bank, ongeacht op welke andere plaatsen hij zijn werkzaamheden uitoefent. In België mogen alleen instellingen voor elektronisch geld naar Belgisch recht, instellingen voor elektronisch geld die ressorteren onder het recht van een andere lidstaat van de EER en die in België werkzaam zijn op grond van artikel 91 van deze wet, evenals bijkantoren van instellingen voor elektronisch geld die ressorteren onder het recht van een staat die geen lid is van de EER, die in België zijn gevestigd overeenkomstig artikel 99 van deze wet, publiekelijk gebruik maken van de ter- men “instelling voor elektronisch geld”, inzonderheid in hun naam, in de opgave van hun doel, in hun effecten, waarden, stukken of in hun reclame.”. Art. 33 In dezelfde afdeling 1 wordt een artikel 62 ingevoegd, luidende: “Artikel 62. § 1. Bij zijn vergunningsaanvraag voegt de aanvrager de volgende gegevens: DOC 53 2432/001 149 2431/001 DOC 53 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 3 e L É G I S L A T U R E K AMER 3e Z ITTING VAN DE 53e Z ITTING S P E RIO DE 2011 2012 1° un programme d’activités indiquant les activités envisagées et, notamment, le cas échéant, les autres activités visées à l’article 77, §§ 1er et 2; 2° un plan d’affaires contenant notamment un pro- gramme fi nancier afférent aux trois premiers exercices, démontrant que le demandeur dispose, pour garantir une gestion saine en matière d’émission de monnaie électronique, de systèmes, de ressources et de procé- dures appropriés aux activités qu’il exerce ou entend exercer; 3° la preuve que le demandeur dispose du capital initial visé à l’article 66; 4° une description des mesures que l’établissement a prises conformément à l’article 78, § 1er pour protéger les fonds qui ont été reçus en échange de la monnaie électronique émise; 5° une description du dispositif établi par le deman- deur sur le plan du gouvernement d’entreprise et des mécanismes de contrôle interne, en ce compris les procédures applicables en matière d’organisation admi- nistrative et comptable et de gestion des risques, qui démontre le respect de l’article 69, §§ 1er à 3; 6° une description des mécanismes de contrôle interne que le demandeur a mis en place pour se confor- mer, le cas échéant, aux obligations prévues dans le Règlement (CE) n° 1781/2006 du Parlement européen et du Conseil du 15 novembre 2006 relatif aux informa- tions concernant le donneur d’ordre accompagnant les virements de fonds ainsi qu’à la loi du 11 janvier 1993 relative à la prévention de l’utilisation du système fi nancier aux fi ns du blanchiment de capitaux et du fi nancement du terrorisme; 7° une description de l’organisation structurelle du demandeur, y compris, le cas échéant, une description du projet de recours à des distributeurs, des agents et à des succursales et une description des accords d’exter- nalisation, ainsi que de sa participation à un système de paiement national ou international; 8° l’identité des personnes physiques ou morales détenant directement ou indirectement une participation qualifi ée au sens de l’article 3, § 1er, 3° de la loi bancaire dans le capital du demandeur, la taille de leur partici- pation en fractions du capital et en droits de vote, ainsi que la preuve de leurs qualités, nécessaires au regard du besoin de garantir une gestion saine et prudente de l’établissement de monnaie électronique; 1° een programma van werkzaamheden, met opgave van de voorgenomen werkzaamheden en, met name, in voorkomend geval, de in artikel 77, §§ 1 en 2, bedoelde andere werkzaamheden; 2° een bedrijfsplan met inbegrip van een fi nanciële planning voor de eerste drie boekjaren, die aantoont dat de aanvrager beschikt over de voor zijn werkzaamheden en voorgenomen werkzaamheden passende systemen, middelen en procedures om een gezond beleid inzake de uitgifte van elektronisch geld te garanderen; 3° het bewijs dat de aanvrager beschikt over het in artikel 66 bedoelde aanvangskapitaal; 4° een beschrijving van de maatregelen die de instel- ling overeenkomstig artikel 78, § 1 heeft genomen voor de bescherming van geldmiddelen die zijn ontvangen in ruil voor elektronisch geld dat is uitgegeven; 5° een beschrijving van de door de aanvrager ge- nomen maatregelen op het vlak van goed bestuur en internecontrolemechanismen, met inbegrip van de van toepassing zijnde procedures inzake administratieve en boekhoudkundige organisatie en risicobeheer, waaruit de naleving blijkt van artikel 69, §§ 1 tot 3; 6° een beschrijving van de internecontrolemechanis- men die de aanvrager heeft opgezet om te voldoen, in voorkomend geval, aan de verplichtingen bepaald bij Verordening (EG) nr. 1781/2006 van het Europees Parle- ment en de Raad van 15 november 2006 betreffende bij geldovermakingen te voegen informatie over de betaler en aan het bepaalde bij de wet van 11 januari 1993 tot voorkoming van het gebruik van het fi nanciële stelsel voor het witwassen van geld en de fi nanciering van terrorisme; 7° een beschrijving van de organisatiestructuur van de aanvrager, met in voorkomend geval een beschrijving van het voorgenomen gebruik van distributeurs, agenten en bijkantoren en van de regelingen voor uitbesteding, alsmede van zijn deelname aan een nationaal of inter- nationaal betalingssysteem; 8° de identiteit van natuurlijke of rechtspersonen die, rechtstreeks of onrechtstreeks, in het kapitaal van de aanvrager, een gekwalifi ceerde deelneming bezitten in de zin van artikel 3, § 1, 3° van de bankwet, alsmede de omvang van hun deelneming in kapitaalfracties en stemrechten, en het bewijs van hun geschiktheid, gelet op de noodzaak van een gezond en voorzichtig beleid van de instelling voor elektronisch geld; DOC 53 2432/001 150 2431/001 DOC 53 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 3 e L É G I S L A T U R E K AMER 3e Z ITTING VAN DE 53e Z ITTING S P E RIO DE 2011 2012 Les droits de vote sont calculés conformément aux dispositions de la loi du 2 mai 2007 relative à la publi- cité des participations importantes dans des émetteurs dont les actions sont admises à la négociation sur un marché réglementé et portant des dispositions diverses, et conformément aux dispositions de ses arrêtés d’exé- cution; 9° l’identité des personnes qui participent à l’admi- nistration ou à la gestion de l’établissement de monnaie électronique, ainsi que des personnes qui participent à la direction effective de l’activité d’émission de monnaie électronique, et le cas échéant de services de paie- ment, dans l’établissement de monnaie électronique et la preuve de leur honorabilité professionnelle, de leur expertise et de leur expérience adéquate au sens de l’article 68; 10° l’identité du ou des commissaire(s)-réviseur(s); 11° la forme juridique et les statuts du demandeur; 12° l’adresse de l’administration centrale du deman- deur. Aux fi ns de l’alinéa 1er, 4°, 5° et 7°, le demandeur fournit une description des dispositions en matière d’audit interne et d’organisation qu’il a arrêtées en vue de prendre toute mesure raisonnable pour protéger les intérêts des détenteurs de monnaie électronique et le cas échéant, des utilisateurs de services de paiement et garantir la continuité et la fi abilité de son activité d’émission de monnaie électronique, et le cas échéant, de fourniture de services de paiement. Le demandeur doit fournir à la Banque, à la demande de celle-ci, tout renseignement complémentaire devant permettre à la Banque de vérifi er si le demandeur répond aux conditions visées aux alinéas 1er et 2 et lui permettre de procéder à une évaluation appropriée. § 2. La Banque se prononce sur la demande d’agré- ment sur avis de la FSMA pour ce qui est de l’honora- bilité professionnelle des personnes physiques qui sont appelées à prendre part à l’administration, la gestion ou la direction effective de l’établissement de monnaie électronique, si ces personnes sont proposées pour la première fois pour une telle fonction dans une entreprise fi nancière contrôlée par la Banque par application de l’article 36/2 de la loi du 22 février 1998. De stemrechten worden berekend conform de be- palingen van de wet van 2 mei 2007 op de openbaar- making van belangrijke deelnemingen in emittenten waarvan aandelen zijn toegelaten tot de verhandeling op een gereglementeerde markt en houdende diverse bepalingen, alsook conform de bepalingen van haar uitvoeringsbesluiten; 9° de identiteit van de personen die deelnemen aan het bestuur of het beleid van de instelling voor elek- tronisch geld, en van de personen die deelnemen aan de effectieve leiding van de activiteit van uitgifte van elektronisch geld, en, in voorkomend geval, van het betalingsdienstenbedrijf, in een instelling voor elektro- nisch geld, alsmede het bewijs van hun professionele betrouwbaarheid, deskundigheid en passende ervaring in de zin van artikel 68; 10° de identiteit van de commissaris-revisor of commissarissen-revisoren; 11° de rechtsvorm en de statuten van de aanvrager; 12° het adres van hoofdbestuur van de aanvrager. Voor de toepassing van het eerste lid, 4°, 5° en 7°, geeft de aanvrager een beschrijving van de regelingen inzake interne audit en organisatie die hij heeft getroffen met het oog op het nemen van alle redelijke maatregelen om de belangen van de houders van elektronisch geld, en, in voorkomend geval, van de betalingsdienstgebrui- kers te beschermen en de continuïteit en betrouwbaar- heid bij de uitgifte van elektronisch geld en, in voorko- mend geval, bij het verrichten van betalingsdiensten, te garanderen. De aanvrager verstrekt de Bank op haar verzoek alle verdere inlichtingen zodat de Bank kan nagaan of de aanvrager voldoet aan de voorwaarden bedoeld in het eerste en tweede lid en zich een passend oordeel kan vormen. § 2. De Bank beslist over de vergunningsaanvraag, na advies van de FSMA voor wat betreft de professio- nele betrouwbaarheid van de natuurlijke personen die deelnemen aan het bestuur, het beleid of de effectieve leiding van de instelling voor elektronisch geld, indien zij voor het eerst voor een dergelijke functie worden voor- gedragen bij een fi nanciële instelling die met toepassing van artikel 36/2 van de wet van 22 februari 1998 onder het toezicht staat van de Bank. DOC 53 2432/001 151 2431/001 DOC 53 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 3 e L É G I S L A T U R E K AMER 3e Z ITTING VAN DE 53e Z ITTING S P E RIO DE 2011 2012 La FSMA communique son avis à la Banque dans un délai d’une semaine à compter de la réception de la demande d’avis. À défaut d’avis rendu par la FSMA dans ledit délai, la Banque peut prendre une décision.”. Art. 34 Dans la même section 1re, il est inséré un article 63 rédigé comme suit: “Article 63. La Banque octroie l’agrément demandé aux établissements qui répondent aux conditions de l’article 62 et de la section 2. Dans les trois mois qui suivent la présentation du dossier complet, la Banque se prononce sur la demande et porte sa décision à la connaissance du demandeur par lettre recommandée à la poste ou avec accusé de réception. La Banque peut, au regard du besoin de garantir une gestion saine et prudente de l’établissement, subordon- ner l’agrément à des conditions relatives à l’exercice de certaines des activités envisagées.”. Art. 35 Dans la même section 1re, il est inséré un article 64 rédigé comme suit: “Article 64. Les établissements agréés au titre d’éta- blissement de monnaie électronique en vertu du présent chapitre, sont inscrits sur une liste tenue à cet effet par la Banque. La Banque publie sur son site internet la liste des établissements de monnaie électronique auxquels elle a octroyé l’agrément. La Banque veille à actualiser régulièrement les informations fournies sur son site internet. La liste visée à l’alinéa 1er indique pour chaque établissement de monnaie électronique au moins les renseignements suivants: — le cas échéant, les services de paiement dont la prestation est envisagée; — l’adresse de ses succursales à l’étranger et l’iden- tité de ses agents, tels que visés aux articles 75 et 76, § 3 respectivement.”. De FSMA deelt haar advies mee aan de Bank binnen een termijn van een week na ontvangst van het verzoek om advies. Indien de FSMA geen advies verstrekt bin- nen de genoemde termijn, kan de Bank een beslissing nemen.”. Art. 34 In dezelfde afdeling 1 wordt een artikel 63 ingevoegd, luidende: “Artikel 63. De Bank verleent de aangevraagde vergunning aan de instellingen die voldoen aan de voorwaarden van artikel 62 en afdeling 2. Binnen drie maanden na voorlegging van een volledig dossier spreekt de Bank zich uit over de aanvraag en brengt zij haar beslissing ter kennis van de aanvrager met een aangetekende brief of een brief met ontvangst- bewijs. De Bank kan, gelet op de noodzaak van een gezond en voorzichtig beleid van de instelling, in haar vergun- ning voorwaarden stellen aan de uitoefening van be- paalde van de voorgenomen werkzaamheden.”. Art. 35 In dezelfde afdeling 1 wordt een artikel 64 ingevoegd, luidende: “Artikel 64. De instellingen die krachtens dit hoofdstuk een vergunning hebben verkregen als instelling voor elektronisch geld, worden ingeschreven op een daartoe door de Bank bijgehouden lijst. De Bank maakt de lijst van de instellingen voor elektronisch geld waaraan zij een vergunning heeft verleend, bekend op haar website. De Bank zorgt voor een geregelde actualisering van de op haar website verstrekte informatie. De in het eerste lid bedoelde lijst vermeldt voor iedere instelling voor elektronisch geld minstens de volgende informatie: — in voorkomend geval, de voorgenomen betalings- diensten; — het adres van haar buitenlandse bijkantoren en de identiteit van haar agenten bedoeld in, respectievelijk, de artikelen 75 en 76, § 3.”. DOC 53 2432/001 152 2431/001 DOC 53 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 3 e L É G I S L A T U R E K AMER 3e Z ITTING VAN DE 53e Z ITTING S P E RIO DE 2011 2012 Art. 36 Dans le Livre 3, Titre 2, Chapitre 1er de la même loi, inséré par l’article 30, il est inséré une section 2 intitulée “Section 2. Conditions d’agrément”. Art. 37 Dans le Livre 3, Titre 2, Chapitre 1er, Section 2 de la même loi, insérée par l’article 36, il est inséré un article 65, rédigé comme suit: “Article 65. Les établissements de monnaie élec- tronique de droit belge doivent être constitués sous la forme de société commerciale, à l’exception de la forme de société privée à responsabilité limitée constituée par une seule personne.”. Art. 38 Dans la même section 2, il est inséré un article 66 rédigé comme suit: “Article 66. Tout établissement de monnaie électro- nique doit, au moment de l’agrément, disposer d’un capital de 350 000 euros au moins. Pour le calcul du capital initial visé à l’alinéa 1er, les éléments suivants sont pris en compte: le capital libéré, les primes d’émission, les réserves et le résultat reporté, à l’exclusion le cas échéant des actions préférentielles et des réserves de réévaluation, et après déduction des pertes reportées et du goodwill.”. Art. 39 Dans la même section 2, il est inséré un article 67 rédigé comme suit: “Artikel 67. L’agrément est refusé si la Banque a des raisons de considérer que les personnes physiques ou morales visées à l’article 62, § 1er, alinéa 1er, 8°, ne présentent pas les qualités nécessaires au regard du besoin de garantir une gestion saine et prudente de l’établissement de monnaie électronique.”. Art. 40 Dans la même section 2, il est inséré un article 68 rédigé comme suit: Art. 36 In Boek 3, Titel 2, Hoofdstuk 1 van dezelfde wet, in- gevoegd bij artikel 30, wordt een afdeling 2 ingevoegd, luidende “Afdeling 2. Bedrijfsvergunningsvoorwaarden”. Art. 37 In Boek 3, Titel 2, Hoofdstuk 1, Afdeling 2 van de- zelfde wet, ingevoegd bij artikel 36, wordt een artikel 65 ingevoegd, luidende: “Artikel 65. Iedere instelling voor elektronisch geld naar Belgisch recht wordt opgericht in de rechtsvorm van een handelsvennootschap, met uitzondering van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid die is opgericht door één enkele persoon.”. Art. 38 In dezelfde afdeling 2 wordt een artikel 66 ingevoegd, luidende: “Artikel 66. Elke instelling voor elektronisch geld beschikt op het tijdstip waarop de vergunning wordt verleend, over een kapitaal van minstens 350 000 euro. Voor de berekening van het in het eerste lid bedoelde aanvangskapitaal komen de volgende bestanddelen in aanmerking: het volstort kapitaal, de uitgiftepremies, de reserves en het overgedragen resultaat, met uitsluiting in voorkomend geval van de preferente aandelen en de herwaarderingsreserves, en na aftrek van overgedragen verliezen en goodwill.”’. Art. 39 In dezelfde afdeling 2 wordt een artikel 67 ingevoegd, luidende: “Artikel 67. De vergunning wordt geweigerd wanneer de Bank, gelet op de noodzaak van een gezond en voor- zichtig beleid van de instelling voor elektronisch geld, niet overtuigd is van de geschiktheid van de natuurlijke of rechtspersonen bedoeld in artikel 62, paragraaf 1, eerste lid, 8°.”. Art. 40 In dezelfde afdeling 2 wordt een artikel 68 ingevoegd, luidende: DOC 53 2432/001 153 2431/001 DOC 53 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 3 e L É G I S L A T U R E K AMER 3e Z ITTING VAN DE 53e Z ITTING S P E RIO DE 2011 2012 “Article 68. § 1er. La direction effective de l’établisse- ment de monnaie électronique doit être confi ée à deux personnes physiques au moins. Les personnes qui participent à l’administration ou à la gestion de l’établissement de monnaie électronique, ainsi que les personnes qui participent à la direction ef- fective de l’activité d’émission de monnaie électronique et le cas échéant, de services de paiement au sein de l’établissement de monnaie électronique doivent dispo- ser de l’honorabilité professionnelle, de l’expertise et de l’expérience adéquate nécessaires pour assumer leurs tâches en matière d’émission de monnaie électronique et le cas échéant de services de paiement. § 2. L’article 19 de la loi bancaire est d’application.”. Art. 41 Dans la même section 2, il est inséré un article 69 rédigé comme suit: “Article 69. § 1er. Les établissements de monnaie électronique doivent disposer d’une structure de ges- tion, d’une organisation administrative et comptable, de mécanismes de contrôle et de sécurité dans le domaine informatique et d’un contrôle interne, appropriés aux activités d’émission de monnaie électronique, de ser- vices de paiement et aux activités visées à l’article 77, § 2, 2°, qu’ils exercent ou entendent exercer. Ils tiennent compte à cet égard de la nature, du volume et de la complexité de ces activités, ainsi que des risques y afférents. § 2. Les établissements de monnaie électronique doivent disposer d’une structure de gestion adéquate, se composant notamment des éléments suivants: une structure organisationnelle cohérente et transparente, prévoyant une séparation adéquate des fonctions; un dispositif d’attribution des responsabilités qui est bien défi ni, transparent et cohérent; et des procédures adé- quates d’identifi cation, de mesure, de gestion, de suivi et de reporting interne des risques importants encourus par l’établissement de monnaie électronique en raison des activités qu’il exerce ou entend exercer. § 3. Les établissements de monnaie électronique doivent organiser un contrôle interne adéquat, dont le fonctionnement est évalué au moins une fois par an. En ce qui concerne leur organisation administrative et comptable, ils doivent organiser un système de contrôle interne qui procure un degré de certitude raisonnable “Artikel 68. § 1. De effectieve leiding van de instel- ling voor elektronisch geld wordt toevertrouwd aan ten minste twee natuurlijke personen De personen die deelnemen aan het bestuur of het beleid van de instelling voor elektronisch geld, en de personen die deelnemen aan de effectieve leiding van de activiteit van uitgifte van elektronisch geld, en in voorkomend geval, van het betalingsdienstenbedrijf binnen een instelling voor elektronisch geld, beschikken voor de uitoefening van hun taken inzake uitgifte van elektronisch geld en betalingsdiensten over de vereiste professionele betrouwbaarheid, deskundigheid en pas- sende ervaring. § 2. Artikel 19 van de bankwet is van toepassing.”. Art. 41 In dezelfde afdeling 2 wordt een artikel 69 ingevoegd, luidende: “Artikel 69. § 1. De instelling voor elektronisch geld beschikt over een beleidsstructuur, administratieve en boekhoudkundige organisatie, controle- en beveili- gingsmaatregelen met betrekking tot de elektronische informatieverwerking, en interne controle, die aangepast zijn aan haar werkzaamheden of voorgenomen werk- zaamheden inzake de uitgifte van elektronisch geld en betalingsdiensten en aan haar werkzaamheden of voor- genomen werkzaamheden bedoeld in artikel 77, § 2, 2°. Zij houdt daarbij rekening met de aard, de omvang en de complexiteit van deze werkzaamheden en de eraan verbonden risico’s. § 2. De instelling voor elektronisch geld beschikt over een passende beleidsstructuur, waaronder inzon- derheid dient te worden verstaan: een coherente en transparante organisatiestructuur, met inbegrip van een passende functiescheiding; een duidelijk omschreven, transparant en samenhangend geheel van verantwoor- delijkheidstoewijzingen; en passende procedures voor de identifi catie, de meting, het beheer en de opvolging van en de interne verslaggeving over de belangrijke risico’s die de instelling voor elektronisch geld loopt ingevolge haar werkzaamheden of voorgenomen werk- zaamheden. § 3. De instelling voor elektronisch geld organiseert een passende interne controle, waarvan de werking minstens eenmaal per jaar wordt beoordeeld. Wat haar administratieve en boekhoudkundige organisatie betreft, dient zij een systeem van interne controle te organiseren dat een redelijke mate van zekerheid verschaft over de DOC 53 2432/001 154 2431/001 DOC 53 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 3 e L É G I S L A T U R E K AMER 3e Z ITTING VAN DE 53e Z ITTING S P E RIO DE 2011 2012 quant à la fi abilité du processus de reporting fi nan- cier, de manière à ce que les comptes annuels soient conformes à la réglementation comptable en vigueur. Les établissements de monnaie électronique prennent les mesures nécessaires pour pouvoir dis- poser en permanence d’une fonction d’audit interne indépendante adéquate. Les établissements de monnaie électronique éla- borent une politique d’intégrité adéquate, qui est actua- lisée régulièrement. Ils prennent les mesures nécessaires pour pouvoir disposer en permanence d’une fonction de compliance indépendante adéquate, destinée à assurer le respect, par l’établissement, ses administrateurs, ses dirigeants effectifs, ses salariés et ses mandataires, des règles de droit relatives à l’intégrité de l’activité des établis- sements de monnaie électronique. Les établissements de monnaie électronique doivent disposer d’une fonction de gestion des risques indé- pendante adéquate. § 4. La Banque peut, sans préjudice des dispositions des paragraphes 1er, 2 et 3, préciser ce qu’il y a lieu d’entendre par structure de gestion adéquate, contrôle interne adéquat, fonction d’audit interne indépendante adéquate, politique d’intégrité adéquate, fonction de gestion des risques adéquate et fonction de compliance indépendante adéquate. § 5. Sans préjudice des pouvoirs dévolus à l’organe légal d’administration en ce qui concerne la détermina- tion de la politique générale, tels que prévus par le Code des sociétés, les personnes chargées de la direction effective de l’établissement de monnaie électronique, le cas échéant le comité de direction, prennent, sous la surveillance de l’organe légal d’administration, les mesures nécessaires pour assurer le respect des para- graphes 1er, 2 et 3 et de l’article 79, alinéa 1er, f). L’organe légal d’administration de l’établissement de monnaie électronique doit contrôler au moins une fois par an si l’établissement se conforme aux dispositions des paragraphes 1er, 2 et 3 du présent article, de l’alinéa 1er du présent paragraphe et de l’article 79, alinéa 1er, f), et prend connaissance des mesures adéquates prises. Les personnes chargées de la direction effective, le cas échéant le comité de direction, font rapport au moins une fois par an à l’organe légal d’administration, à la Banque et au commissaire agréé sur le respect des dispositions de l’alinéa 1er du présent paragraphe et sur les mesures adéquates prises. betrouwbaarheid van het fi nanciële verslaggevingspro- ces, zodat de jaarrekening in overeenstemming is met de geldende boekhoudreglementering. De instelling voor elektronisch geld neemt de nodige maatregelen om blijvend te kunnen beschikken over een passende onafhankelijke interneauditfunctie. De instelling voor elektronisch geld werkt een pas- send integriteitsbeleid uit dat geregeld wordt geactua- liseerd. Zij neemt de nodige maatregelen om blijvend te kunnen beschikken over een passende onafhankelijke compliancefunctie, om de naleving door de instelling, haar bestuurders, effectieve leiding, werknemers en gevolmachtigden te verzekeren van de rechtsregels in verband met de integriteit van de werkzaamheden van de instellingen voor elektronisch geld. De instelling voor elektronisch geld beschikt over een passende onafhankelijke risicobeheerfunctie. § 4. De Bank kan, onverminderd het bepaalde bij de paragrafen 1, 2 en 3, nader bepalen wat moet worden verstaan onder een passende beleidsstructuur, een passende interne controle, een passende onafhankelijke interneauditfunctie, een passend integriteitsbeleid, een passende risicobeheerfunctie en een passende onaf- hankelijke compliancefunctie. § 5. Onverminderd de bevoegdheden van het wettelijk bestuursorgaan inzake de vaststelling van het algemeen beleid als bepaald bij het Wetboek van Vennootschap- pen, nemen de personen belast met de effectieve leiding van de instelling voor elektronisch geld, in voorkomend geval het directiecomité, onder toezicht van het wettelijk bestuursorgaan de nodige maatregelen voor de naleving van het bepaalde bij de paragrafen 1, 2 en 3 en artikel 79, eerste lid, f). Het wettelijk bestuursorgaan van de instelling voor elektronisch geld controleert minstens eenmaal per jaar of de instelling beantwoordt aan het bepaalde bij de paragrafen 1, 2 en 3 van dit artikel, het eerste lid van deze paragraaf en artikel 79, eerste lid, f) en neemt ken- nis van de genomen passende maatregelen. De personen belast met de effectieve leiding, in voorkomend geval het directiecomité, lichten minstens eenmaal per jaar het wettelijk bestuursorgaan, de Bank en de erkende commissaris in over de naleving van het bepaalde bij het eerste lid van deze paragraaf en over de genomen passende maatregelen. DOC 53 2432/001 155 2431/001 DOC 53 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 3 e L É G I S L A T U R E K AMER 3e Z ITTING VAN DE 53e Z ITTING S P E RIO DE 2011 2012 Ces informations sont transmises à la Banque et au commissaire agréé selon les modalités que la Banque détermine. § 6. Le commissaire agréé adresse en temps utile à l’organe légal d’administration, un rapport sur les questions importantes apparues dans l’exercice de sa mission légale de contrôle, et en particulier sur les lacunes graves constatées dans le processus de reporting fi nancier concernant les activités d’émission de monnaie électronique, de services de paiement et les activités visées à l’article 77, § 2, 2°. § 7. S’il existe des liens étroits entre l’établisse- ment de monnaie électronique et d’autres personnes physiques ou morales, ces liens ne peuvent entraver l’exercice du contrôle prudentiel de l’établissement de monnaie électronique. Si l’établissement de monnaie électronique a des liens étroits avec une personne physique ou morale relevant du droit d’un État non membre de l’EEE, les dis- positions législatives, réglementaires et administratives applicables à cette personne ou leur mise en œuvre ne peuvent entraver l’exercice du contrôle prudentiel de l’établissement de monnaie électronique.”. Art. 42 Dans la même section 2, il est inséré un article 70 rédigé comme suit: “Art. 70. L’administration centrale de l’établissement de monnaie électronique doit être fi xée en Belgique.”. Art. 43 Dans le Livre 3, Titre 2, Chapitre 1er de la même loi, inséré par l’article 30, il est inséré une section 3 intitulée “Section 3 – Conditions d’exercice de l’activité”. Art. 44 Dans le Livre 3, Titre 2, Chapitre 1er, Section 3 de la même loi, insérée par l’article 43, il est inséré un article 71 rédigé comme suit: “Art. 71. Les établissements de monnaie électronique sont tenus de satisfaire à tout moment aux conditions prévues aux articles 65, 68, 69 et 70. De informatieverstrekking aan de Bank en de erkende commissaris gebeurt volgens de modaliteiten die de Bank bepaalt. § 6. De erkende commissaris brengt bij het wettelijk bestuursorgaan tijdig verslag uit over de belangrijke zaken die bij de uitoefening van zijn wettelijke controle- opdracht aan het licht zijn gekomen, en meer bepaald over ernstige tekortkomingen in het fi nanciële verslag- gevingsproces met betrekking tot de werkzaamheden inzake de uitgifte van elektronisch geld en betalingsdien- sten en de werkzaamheden bedoeld in artikel 77, § 2, 2°. § 7. Als de instelling voor elektronisch geld nauwe banden heeft met andere natuurlijke of rechtspersonen, mogen die banden geen belemmering vormen voor het prudentieel toezicht op de instelling voor elektronisch geld. Als de instelling voor elektronisch geld nauwe banden heeft met een natuurlijke of rechtspersoon die ressor- teert onder het recht van een staat die geen lid is van de EER, mogen de voor die persoon geldende wettelijke, reglementaire en bestuursrechtelijke bepalingen of hun uitvoering, geen belemmering vormen voor het pruden- tieel toezicht op de instelling voor elektronisch geld.”. Art. 42 In dezelfde afdeling 2 wordt een artikel 70 ingevoegd, luidende: “Artikel 70. Het hoofdbestuur van de instelling voor elektronisch geld is in België gevestigd.”. Art. 43 In Boek 3, Titel 2, Hoofdstuk 1 van dezelfde wet, inge- voegd bij artikel 30, wordt een afdeling 3 ingevoegd, lui- dende “Afdeling 3 – Bedrijfsuitoefeningsvoorwaarden”. Art. 44 In Boek 3, Titel 2, Hoofdstuk 1, Afdeling 3 van de- zelfde wet, ingevoegd bij artikel 43, wordt een artikel 71 ingevoegd, luidende: “Artikel 71. De instelling voor elektronisch geld voldoet te allen tijde aan de voorwaarden van de artikelen 65, 68, 69 en 70. DOC 53 2432/001 156 2431/001 DOC 53 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 3 e L É G I S L A T U R E K AMER 3e Z ITTING VAN DE 53e Z ITTING S P E RIO DE 2011 2012 Lorsque les renseignements fournis pour les besoins de la demande d’agrément en vertu de l’article 62 subissent des modifi cations, l’établissement de monnaie électronique en informe sans tarder la Banque.”. Art. 45 Dans la même section 3, il est inséré un article 72 rédigé comme suit: “Article 72. § 1er. Les fonds propres d’un établisse- ment de monnaie électronique ne peuvent à aucun moment devenir inférieurs au montant du capital requis en application de l’article 66. § 2. La Banque détermine, conformément aux dispositions de la Directive 2009/110/CE, par voie de règlement, les obligations en matière de solvabilité qui doivent être respectées par tous les établissements de monnaie électronique ou par catégorie d’établissements de monnaie électronique tant en ce qui concerne leur activité d’émission de monnaie électronique, qu’en ce qui concerne leurs activités visées à l’article 77, § 2, 1°, qui ne sont pas liées à l’émission de monnaie électro- nique. En ce qui concerne ces activités, le règlement peut prévoir différentes méthodes pour calculer les obligations à respecter en matière de solvabilité et la Banque est autorisée à préciser quelle méthode est applicable à un ou plusieurs établissements de monnaie électronique ou à une ou plusieurs catégories d’établis- sements de monnaie électronique. Lorsqu’un établissement de monnaie électronique fait partie d’un groupe avec d’autres établissements de monnaie électronique, établissements de paiement ou entreprises réglementées, la Banque prend des mesures pour éviter toute double utilisation de fonds propres au sein du groupe. La Banque peut préciser selon quelles méthodes il convient de calculer l’uti- lisation multiple de fonds propres. Le présent alinéa s’applique par analogie lorsqu’un établissement de monnaie électronique exerce directement ou indirec- tement d’autres activités que l’émission de monnaie électronique, visées à l’article 77. Sans préjudice des obligations en matière de solva- bilité prévues au paragraphe 1er et aux alinéas 1er et 2, la Banque peut prendre des mesures complémentaires dans le cas d’un établissement de monnaie électro- nique qui exerce directement ou indirectement d’autres activités que la prestation de services de paiement et l’émission de monnaie électronique, visées à l’article 77, lorsque ces autres activités nuisent ou risquent de nuire à la solidité fi nancière de l’établissement de monnaie électronique. Wanneer de overeenkomstig artikel 62 bij de ver- gunningsaanvraag verstrekte gegevens gewijzigd zijn, brengt de instelling voor elektronisch geld de Bank hiervan onverwijld op de hoogte.”. Art. 45 In dezelfde afdeling 3 wordt een artikel 72 ingevoegd, luidende: “Artikel 72. § 1. Het eigen vermogen van een instelling voor elektronisch geld mag op geen enkel moment dalen onder het bedrag van het met toepassing van artikel 66 vereiste kapitaal. § 2. Overeenkomstig de bepalingen van Richtlijn 2009/110/EG bepaalt de Bank bij reglement de verplich- tingen inzake solvabiliteit die door alle instellingen voor elektronisch geld of per categorie van instellingen voor elektronisch geld moeten worden nageleefd, zowel voor wat betreft hun activiteit van uitgifte van elektronisch geld als voor wat betreft hun werkzaamheden bedoeld in artikel 77, § 2, 1°, die geen verband houden met de uitgifte van elektronisch geld. Voor die werkzaamheden kan het reglement voorzien in verschillende methodes om de na te leven solvabiliteitsverplichtingen te bere- kenen en is de Bank gemachtigd om te bepalen welke methode van toepassing is op een of meer instellingen voor elektronisch geld of categorieën van instellingen voor elektronisch geld. Wanneer een instelling voor elektronisch geld samen met andere instellingen voor elektronisch geld, beta- lingsinstellingen of gereglementeerde ondernemingen deel uitmaakt van een groep, neemt de Bank maatre- gelen om het meervoudig gebruik van eigen vermogen binnen de groep te vermijden. De Bank kan nader be- palen volgens welke methodes het meervoudig gebruik van eigen vermogen berekend wordt. Het bepaalde bij dit lid is van overeenkomstige toepassing wanneer een instelling voor elektronisch geld rechtstreeks of onrechtstreeks andere werkzaamheden dan de uitgifte van elektronisch geld verricht, als bedoeld in artikel 77. Onverminderd de solvabiliteitsverplichtingen bepaald bij paragraaf 1 en bij het eerste en tweede lid, kan de Bank aanvullende maatregelen nemen in het geval van een instelling voor elektronisch geld die rechtstreeks of onrechtstreeks andere werkzaamheden dan het verrich- ten van betalingsdiensten en de uitgifte van elektronisch geld uitoefent, als bedoeld in artikel 77, wanneer deze andere werkzaamheden afbreuk doen of dreigen te doen aan de fi nanciële soliditeit van de instelling voor elektronisch geld. DOC 53 2432/001 157 2431/001 DOC 53 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 3 e L É G I S L A T U R E K AMER 3e Z ITTING VAN DE 53e Z ITTING S P E RIO DE 2011 2012 La Banque peut, dans des cas spéciaux, autoriser des dérogations motivées aux dispositions des règle- ments pris par application du présent article. Les règlements visés à l’alinéa 1er sont pris conformé- ment à l’article 12bis, § 2, de la loi du 22 février 1998.”. Art. 46 Dans la même section 3, il est inséré un article 73 rédigé comme suit: “Article 73. § 1er. Sans préjudice de l’article 67 et de la loi du 2 mai 2007 relative à la publicité des participations importantes, toute personne physique et morale qui a pris la décision, soit d’acquérir ou de céder, directe- ment ou indirectement, une participation qualifi ée au sens de l’article 3, § 1er, 3° de la loi bancaire dans un établissement de monnaie électronique de droit belge, soit d’augmenter ou de réduire, directement ou indi- rectement, cette participation qualifi ée de telle façon que la proportion de parts de capital ou de droits de vote détenue atteindrait, dépasserait ou deviendrait inférieure aux seuils de 20 %, 30 % ou 50 % ou que l’établissement de monnaie électronique deviendrait sa fi liale ou cesserait de l’être, est tenue d’en informer à l’avance la Banque, et de lui notifi er par écrit au pré- alable le montant envisagé de sa participation et les informations pertinentes visées à l’article 24, § 3, alinéa 3 de la loi bancaire. § 2. La Banque évalue si l’infl uence exercée par les personnes visées au paragraphe 1er est susceptible de se faire au détriment d’une gestion saine et prudente de l’établissement. Cette évaluation est faite sur base de l’ensemble des critères suivants: a) la réputation du candidat acquéreur; b) la réputation et l’expérience de toute personne visée à l’article 62, § 1er, 9° qui assurera la direction des activités de l’établissement de monnaie électronique à la suite de l’opération envisagée; c) la solidité financière du candidat acquéreur, compte tenu notamment du type d’activités exercées et envisagées au sein de l’établissement de monnaie électronique visé par l’opération envisagée; d) la capacité de l’établissement de monnaie élec- tronique de satisfaire et de continuer à satisfaire aux obligations prudentielles découlant de la présente loi et In bijzondere gevallen kan de Bank met redenen omklede afwijkingen toestaan van de bepalingen van de met toepassing van dit artikel genomen reglementen. De in het eerste lid bedoelde reglementen worden genomen overeenkomstig artikel 12bis, § 2, van de wet van 22 februari 1998.”. Art. 46 In dezelfde afdeling 3 wordt een artikel 73 ingevoegd, luidende: “Artikel 73. § 1. Onverminderd artikel 67 en onvermin- derd de wet van 2 mei 2007 op de openbaarmaking van belangrijke deelnemingen, moet iedere natuurlijke of rechtspersoon die besloten heeft om hetzij rechtstreeks of onrechtstreeks een gekwalifi ceerde deelneming, als bedoeld in artikel 3, § 1, 3° van de bankwet, in een instelling voor elektronisch geld naar Belgisch recht te verwerven of te vervreemden, hetzij rechtstreeks of on- rechtstreeks een dergelijke gekwalifi ceerde deelneming te vergroten of te verminderen, waardoor het percentage van de gehouden stemrechten of aandelen in het kapi- taal de drempel van 20 %, 30 % of 50 % zou bereiken, onderschrijden of overschrijden, of waardoor de instel- ling voor elektronisch geld haar dochteronderneming zou worden of niet langer haar dochteronderneming zou zijn, de Bank daarvan vooraf schriftelijk in kennis stellen, met vermelding van de omvang van de beoogde deelneming en de in artikel 24, § 3, derde lid van de bankwet bedoelde relevante informatie. § 2. De Bank beoordeelt of de invloed uitgeoefend door de personen bedoeld in paragraaf 1 van die aard is om nadelig te zijn voor een gezond en voorzichtig beleid van de instelling. Deze beoordeling gebeurt op basis van het geheel van de onderstaande criteria: a) de reputatie van de kandidaat-verwerver; b) de reputatie en ervaring van elke in artikel 62, § 1, 9° bedoelde persoon die het bedrijf van de instelling voor elektronisch geld als gevolg van de voorgenomen operatie feitelijk gaat leiden; c) de fi nanciële soliditeit van de kandidaat-verwerver, met name met betrekking tot de aard van de werkzaam- heden die verricht en beoogd worden in de instelling voor elektronisch geld die het doelwit is van de voor- genomen operatie; d) of de instelling voor elektronisch geld zal kunnen voldoen en blijven voldoen aan de prudentiële voor- schriften op grond van deze wet en de besluiten en DOC 53 2432/001 158 2431/001 DOC 53 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 3 e L É G I S L A T U R E K AMER 3e Z ITTING VAN DE 53e Z ITTING S P E RIO DE 2011 2012 des arrêtés et règlements pris en exécution de celle-ci, en particulier le point de savoir si le groupe auquel il appartiendra possède une structure qui permet d’exer- cer une surveillance effective, d’échanger réellement des informations entre les autorités compétentes et de déterminer le partage des responsabilités entre les autorités compétentes; e) l’existence de motifs raisonnables de soupçonner qu’une opération ou une tentative de blanchiment de capitaux ou de fi nancement du terrorisme au sens de l’article 1er de la directive 2005/60/CE du Parlement européen et du Conseil du 26 octobre 2005 relative à la prévention de l’utilisation du système fi nancier aux fi ns du blanchiment de capitaux et du fi nancement du terrorisme est en cours ou a eu lieu en rapport avec l’opération envisagée, ou que l’opération envisagée pourrait en augmenter le risque. La Banque procède à l’évaluation visée à l’alinéa 1er en pleine concertation avec toute autre autorité com- pétente concernée, ou, selon le cas, avec la FSMA, si le candidat acquéreur est: a) un établissement de crédit, une entreprise d’assu- rances, une entreprise de réassurance, une entreprise d’investissement ou une société de gestion d’orga- nismes de placement collectif agréés dans un autre État membre, ou, selon le cas, par la FSMA; b) l’entreprise mère d’une entreprise ayant une des qualités visées au a); c) une personne physique ou morale contrôlant une entreprise ayant une des qualités visées au a); § 3. Lorsque, sur la base de l’évaluation visée au paragraphe 2, la Banque a des raisons de considérer que l’infl uence exercée par les personnes visées au paragraphe 1er est de nature à compromettre la gestion saine et prudente de l’établissement, elle peut s’opposer à la réalisation de l’opération envisagée. La décision de la Banque est notifi ée à l’établisse- ment de monnaie électronique par lettre recommandée à la poste ou avec accusé de réception au plus tard deux mois après la réception de la notifi cation visée au paragraphe 1er. reglementen genomen ter uitvoering ervan, met name of de groep waarvan zij deel gaat uitmaken zo gestruc- tureerd is dat effectief toezicht en effectieve uitwisseling van informatie tussen de bevoegde autoriteiten mogelijk zijn, en dat de verdeling van de verantwoordelijkheden tussen de bevoegde autoriteiten kan worden bepaald; e) of er gegronde redenen zijn om te vermoeden dat in verband met de voorgenomen operatie geld wordt of werd witgewassen of terrorisme wordt of werd gefi - nancierd dan wel dat gepoogd wordt of werd geld wit te wassen of terrorisme te fi nancieren in de zin van artikel 1 van Richtlijn 2005/60/EG van het Europees Parlement en de Raad van 26 oktober 2005 tot voorkoming van het gebruik van het fi nanciële stelsel voor het witwas- sen van geld en de fi nanciering van terrorisme, of dat de voorgenomen operatie het risico daarop zou kunnen vergroten. Voor het verrichten van de in het eerste lid bedoelde beoordeling werkt de Bank in onderling overleg sa- men met iedere andere betrokken bevoegde autoriteit of, al naargelang het geval, met de FSMA, indien de kandidaat-verwerver een van de volgende personen is: a) een kredietinstelling, een verzekerings-onderne- ming, een herverzekeringsonderneming, een beleg- gingsonderneming of een beheervennootschap van instellingen voor collectieve belegging waaraan een vergunning is verleend in een andere lidstaat, of, al naargelang het geval, door de FSMA; b) de moederonderneming van een van de in de bepaling onder a) bedoelde ondernemingen; c) een natuurlijke of rechtspersoon die de controle heeft over een van de in de bepaling onder a) bedoelde ondernemingen; § 3. Indien de Bank, op basis van de evaluatie zo- als bedoeld in paragraaf 2, redenen heeft om aan te nemen dat de invloed uitgeoefend door de personen bedoeld in paragraaf 1 van die aard is om het gezond en voorzichtig beleid van de instelling in het gedrang te brengen, kan zij zich verzetten tegen de uitvoering van de voorgenomen operatie. De beslissing van de Bank wordt ter kennis gebracht van de instelling voor elektronisch geld via een aange- tekende brief of een brief met ontvangstbewijs en dit ten laatste twee maanden na ontvangst van de kennisgeving bedoeld in paragraaf 1. DOC 53 2432/001 159 2431/001 DOC 53 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 3 e L É G I S L A T U R E K AMER 3e Z ITTING VAN DE 53e Z ITTING S P E RIO DE 2011 2012 § 4. En cas d’abstention de procéder à la notifi ca- tion préalable prescrite au paragraphe 1er, ou en cas d’acquisition, d’accroissement ou de cession d’une participation en dépit de l’opposition de la Banque visée au paragraphe 3, la Banque peut: 1° suspendre l’exercice des droits de vote attachés aux actions ou parts détenues par l’actionnaire ou l’associé en question; elle peut, à la demande de tout intéressé, accorder la levée des mesures ordonnées par elle; sa décision est notifi ée de la manière la plus appropriée à l’actionnaire ou à l’associé en cause; sa décision est exécutoire dès qu’elle a été notifi ée; la Banque peut rendre sa décision publique; 2° donner injonction à l’actionnaire ou à l’associé en cause de céder, dans le délai qu’elle fi xe, les droits d’associé qu’il détient. À défaut de cession dans le délai fi xé, la Banque peut ordonner la mise sous séquestre des droits d’associés auprès de telle institution ou personne qu’elle détermine. Le séquestre en donne connaissance à l’établissement de monnaie électronique qui modifi e en conséquence le registre des actions ou parts d’associés nominatives et qui n’accepte l’exercice des droits qui y sont attachés que par le seul séquestre. Celui-ci agit dans l’intérêt d’une gestion saine et prudente de l’établissement de monnaie électronique et dans celui du détenteur des droits d’associés ayant fait l’objet du séquestre. Il exerce tous les droits attachés aux actions ou parts d’associés. Les sommes encaissées par lui au titre de dividende ou à un autre titre ne sont remises par lui au détenteur pré- cité que si celui-ci a satisfait à l’injonction visée à l’alinéa 1er, 2°. La souscription à des augmentations de capital ou à d’autres titres conférant ou non le droit de vote, l’option en matière de dividende payable en titres de la société, la réponse à des offres publiques d’acquisition ou d’échange et la libération de titres non entièrement li- bérés sont subordonnés à l’accord du détenteur précité. Les droits d’associés acquis en vertu de ces opérations font, de plein droit, l’objet du séquestre prévu ci-dessus. La rémunération du séquestre est fi xée par la Banque et est à charge du détenteur précité. Le séquestre peut imputer cette rémunération sur les sommes qui lui sont versées en sa qualité de séquestre ou par le détenteur précité aux fi ns ou comme conséquence des opérations visées ci-dessus. Lorsque des droits de vote ont été exercés par le détenteur originaire ou par une personne, autre que le séquestre, agissant pour le compte de ce détenteur § 4. Indien de bij paragraaf 1 voorgeschreven voor- afgaande kennisgeving niet wordt verricht of indien een deelneming wordt verworven, vergroot of verkocht ondanks het in paragraaf 3 bedoelde verzet van de Bank, kan de Bank: 1° de uitoefening schorsen van de stemrechten die verbonden zijn aan de aandelen die door de betrokken aandeelhouder of vennoot worden gehouden; zij kan, op verzoek van elke belanghebbende, toestaan dat de door haar bevolen maatregelen worden opgeheven; haar beslissing wordt op de meest geschikte wijze ter kennis gebracht van de betrokken aandeelhouder of vennoot; haar beslissing is uitvoerbaar zodra zij ter kennis is ge- bracht; de Bank kan haar beslissing openbaar maken; 2° de betrokken aandeelhouder of vennoot aanmanen om, binnen de termijn die zij bepaalt, de aandeelhou- dersrechten in zijn bezit over te dragen. Als zij binnen de vastgestelde termijn niet worden overgedragen, kan de Bank bevelen de aandeelhou- dersrechten te sekwestreren bij de instelling of de per- soon die zij bepaalt. Het sekwester brengt dit ter kennis van de instelling voor elektronisch geld, die het register van de aandelen op naam dienovereenkomstig wijzigt en de uitoefening van de hieraan verbonden rechten enkel aanvaardt vanwege het sekwester. Het sekwester handelt in het belang van een gezond en voorzichtig beleid van de instelling voor elektronisch geld en in het belang van de houder van de gesekwestreerde aandeelhoudersrechten. Het oefent alle rechten uit die aan de aandelen zijn verbonden. De bedragen die het sekwester als dividend of anderszins int, worden slechts aan de voornoemde houder overgemaakt indien hij ge- volg heeft gegeven aan de in het eerste lid, 2°, bedoelde aanmaning. Om in te schrijven op kapitaalverhogingen of andere al dan niet stemrechtverlenende effecten, om te kiezen voor dividenduitkering in aandelen van de ven- nootschap, om in te gaan op openbare overname- of rui- laanbiedingen en om nog niet volgestorte aandelen vol te storten, is de instemming van de voornoemde houder vereist. De aandeelhoudersrechten die zijn verworven in het kader van dergelijke verrichtingen worden van rechtswege toegevoegd aan het voornoemde sekwes- ter. De vergoeding van het sekwester wordt vastgesteld door de Bank en betaald door de voornoemde houder. Het sekwester kan deze vergoeding aftrekken van de bedragen die hem worden gestort in zijn hoedanigheid van sekwester of die hem worden gestort door de voor- noemde houder in het vooruitzicht of na uitvoering van de hierboven bedoelde verrichtingen. Indien na afl oop van de overeenkomstig het eerste lid, 2°, eerste zin, vastgestelde termijn, stemrechten werden uitgeoefend door de oorspronkelijke houder of DOC 53 2432/001 160 2431/001 DOC 53 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 3 e L É G I S L A T U R E K AMER 3e Z ITTING VAN DE 53e Z ITTING S P E RIO DE 2011 2012 après l’échéance du délai fi xé conformément à l’alinéa 1er, 2°, première phrase, nonobstant une suspension de leur exercice prononcée conformément à l’alinéa 1er, 1°, le tribunal de commerce dans le ressort duquel la société a son siège peut, sur requête de la Banque, prononcer la nullité de tout ou partie des délibérations de l’assemblée générale si, sans les droits de vote illégalement exercés, les quorums de présence ou de majorité requis par lesdites délibérations n’auraient pas été réunis. 3° demander au président du tribunal de commerce dans le ressort duquel l’établissement de monnaie électronique a son siège, statuant comme en référé, de prononcer l’annulation de tout ou partie des votes émis par l’acquéreur ou l’actionnaire ou associé concerné. La procédure est engagée par citation émanant de la Banque. L’article 516, § 3 du Code des sociétés est d’application. § 5. Lorsque la Banque a des raisons de considérer que l’infl uence exercée par une personne physique ou morale détenant, directement ou indirectement, une participation qualifi ée dans un établissement de monnaie électronique est de nature à compromettre sa gestion saine et prudente, et sans préjudice des autres mesures prévues par la présente loi, elle peut prendre les mesures visées au paragraphe 3, 1° et 2°.”. Art. 47 Dans la même section 3, il est inséré un article 74 rédigé comme suit: “Article 74. Sont soumises à l’autorisation de la Banque les fusions entre établissements de monnaie électronique et les fusions entre établissements de mon- naie électronique et d’autres établissements fi nanciers. Sont, pour l’application du présent article, assimilées à des fusions, les cessions de l’activité et les cessions de l’ensemble ou d’une partie du réseau. La Banque ne peut refuser l’autorisation que dans les trois mois de la notifi cation préalable qui lui a été faite du projet avec présentation d’un dossier complet, et pour des motifs tenant à la gestion saine et prudente de l’établissement de monnaie électronique. Si elle n’intervient pas dans le délai fi xé ci-dessus, l’autorisa- tion est réputée acquise.”. door een andere persoon, buiten het sekwester, die op- treedt voor rekening van deze houder, niettegenstaande een schorsing van hun uitoefening overeenkomstig het eerste lid, 1°, kan de rechtbank van koophandel van het rechtsgebied waar de vennootschap haar zetel heeft, op verzoek van de Bank, alle of een deel van de beslis- singen van de algemene vergadering nietig verklaren wanneer het aanwezigheids- of meerderheidsquorum dat is vereist voor de genoemde beslissingen, buiten de onwettig uitgeoefende stemrechten niet zou zijn bereikt. 3° de voorzitter van de rechtbank van koophandel van het rechtsgebied waar de instelling voor elektro- nisch geld haar zetel heeft, uitspraak doende als in kort geding, verzoeken om alle of een deel van de stemmen uitgebracht door de verwerver of de betrok- ken aandeelhouder of vennoot nietig te verklaren. De procedure wordt ingeleid bij dagvaarding door de Bank. Artikel 516, § 3, van het Wetboek van Vennootschappen is van toepassing. § 5. Indien de Bank grond heeft om aan te nemen dat de invloed van een natuurlijke of rechtspersoon die rechtstreeks of onrechtstreeks een gekwalifi ceerde deelneming bezit in een instelling voor elektronisch geld, een gezond en voorzichtig beleid van deze in- stelling voor elektronisch geld kan belemmeren, kan zij, onverminderd de andere bij deze wet bepaalde maatregelen, de in paragraaf 3, 1° en 2° bedoelde maatregelen nemen.”. Art. 47 In dezelfde afdeling 3 wordt een artikel 74 ingevoegd, luidende: “Artikel 74. De toestemming van de Bank is vereist voor fusies van instellingen voor elektronisch geld en fusies tussen dergelijke instellingen en andere in de fi nanciële sector bedrijvige instellingen. Voor de toepassing van dit artikel worden de over- dracht van het bedrijf en de integrale of gedeeltelijke overdracht van het net met een fusie gelijkgesteld. De Bank kan haar toestemming enkel weigeren bin- nen drie maanden nadat zij van het project in kennis is gesteld, met voorlegging van een volledig dossier, om redenen die verband houden met het gezond en voor- zichtig beleid van de instelling voor elektronisch geld. Als zij niet optreedt binnen de voornoemde termijn, wordt de toestemming geacht te zijn verkregen.”. DOC 53 2432/001 161 2431/001 DOC 53 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 3 e L É G I S L A T U R E K AMER 3e Z ITTING VAN DE 53e Z ITTING S P E RIO DE 2011 2012 Art. 48 Dans la même section 3, il est inséré un article 75 rédigé comme suit: “Article 75. L’établissement de monnaie électronique qui projette d’ouvrir une succursale sur le territoire d’un autre État membre de l’EEE en vue d’y exercer une activité d’émission de monnaie électronique, ou qui projette d’exercer une activité d’émission de monnaie électronique sur le territoire d’un autre État membre de l’EEE sans y établir de succursale, notifi e son intention à la Banque. Cette notifi cation est assortie d’un programme d’acti- vités dans lequel sont notamment indiqués les activités envisagées et, le cas échéant, les autres activités visées à l’article 77, § 2, et, dans le cas de l’établissement d’une succursale, la structure de l’organisation de la succursale, la domiciliation de la correspondance dans l’État concerné et le nom des dirigeants de la succursale. La Banque peut s’opposer à la réalisation du projet par décision motivée par les répercussions préjudi- ciables de l’ouverture de la succursale sur l’organisa- tion, la situation fi nancière ou le contrôle de l’établisse- ment de monnaie électronique. La décision de la Banque est notifi ée à l’établisse- ment de monnaie électronique par lettre recommandée à la poste ou avec accusé de réception au plus tard quatre semaines après la réception du dossier complet comprenant les informations prévues à l’alinéa 2. Pour autant qu’elle ne formule pas d’opposition, la Banque communique, dans un délai d’un mois suivant la réception de la notifi cation visée à l’alinéa 1er, l’infor- mation visée à l’alinéa 2 à l’autorité chargée du contrôle des établissements de monnaie électronique dans le pays concerné. Le présent article s’applique également, à l’exception de l’alinéa 5, à l’ouverture de succursales dans un État non membre de l’EEE, quelles que soient les activités que projettent d’exercer ces succursales. En ce cas, la Banque peut convenir avec l’autorité de contrôle des établissements de monnaie électronique de cet État des modalités d’ouverture et de contrôle de la succursale ainsi que des échanges d’informations souhaitables entre les deux autorités. L’établissement de monnaie électronique qui a ouvert une succursale à l’étranger informe la Banque au moins un mois à l’avance, des modifi cations affectant les informations communiquées en vertu de l’alinéa 2.”. Art. 48 In dezelfde afdeling 3 wordt een artikel 75 ingevoegd, luidende: “Artikel 75. Iedere instelling voor elektronisch geld die op het grondgebied van een andere lidstaat van de EER een bijkantoor wenst te vestigen om er een activiteit van uitgifte van elektronisch geld uit te oefenen, of die voor- nemens is op het grondgebied van een andere lidstaat van de EER een activiteit van uitgifte van elektronisch geld uit te oefenen zonder er een bijkantoor te vestigen, stelt de Bank daarvan in kennis. Bij deze kennisgeving wordt een programma van werkzaamheden gevoegd, waarin met name de voor- genomen werkzaamheden en, in voorkomend geval, de andere werkzaamheden bedoeld in artikel 77, § 2, worden vermeld, alsook, in geval van oprichting van een bijkantoor, de organisatiestructuur van het bijkantoor, de domiciliëring van de correspondentie in de betrokken lidstaat en de naam van de leiders van het bijkantoor. De Bank kan zich verzetten tegen de uitvoering van het project bij beslissing die is ingegeven door de na- delige gevolgen van de opening van een bijkantoor op de organisatie, de fi nanciële positie of het toezicht op de instelling voor elektronisch geld. De beslissing van de Bank wordt uiterlijk vier weken na de ontvangst van het volledige dossier met alle in het tweede lid bedoelde inlichtingen, met een aangete- kende brief of een brief met ontvangstbewijs ter kennis gebracht van de instelling voor elektronisch geld. Voor zover zij zich niet verzet, deelt de Bank binnen een maand na de ontvangst van de in het eerste lid bedoelde kennisgeving, de in het tweede lid bedoelde informatie mee aan de autoriteit die in het betrokken land belast is met het toezicht op de instellingen voor elektronisch geld. Met uitzondering van het vijfde lid, geldt dit artikel eveneens voor de opening van bijkantoren in een staat die geen lid is van de EER, welke ook de geplande werk- zaamheden voor deze bijkantoren zijn. In dit geval kan de Bank in overleg met de autoriteit die toezicht houdt op de instellingen voor elektronisch geld in die staat, regels vaststellen voor de opening van en het toezicht op het bijkantoor alsook voor de wenselijke informatie- uitwisseling tussen beide autoriteiten. Iedere instelling voor elektronisch geld die in het buiten- land een bijkantoor heeft geopend, stelt de Bank ten minste één maand op voorhand in kennis van alle wijzigingen in de krachtens het tweede lid verstrekte inlichtingen.”. DOC 53 2432/001 162 2431/001 DOC 53 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 3 e L É G I S L A T U R E K AMER 3e Z ITTING VAN DE 53e Z ITTING S P E RIO DE 2011 2012 Art. 49 Dans la même section 3, il est inséré un article 76 rédigé comme suit: “Article 76. § 1er. Sans préjudice de l’article 63, alinéa 3, les établissements de monnaie électronique sont autorisés à distribuer et à rembourser de la monnaie électronique par l’intermédiaire de distributeurs. § 2. Lorsqu’un établissement de monnaie électro- nique souhaite distribuer de la monnaie électronique dans un autre État membre de l’EEE, par l’intermé- diaire d’un distributeur établi dans ledit État, l’article 75 s’applique par analogie. § 3. Les établissements de monnaie électronique sont autorisés à fournir les services de paiement visés à l’article 77, § 2, 1° par l’intermédiaire d’agents. Dans ce cas, l’article 20 s’applique par analogie. Les établissements de monnaie électronique ne sont pas autorisés à émettre de la monnaie électronique par l’intermédiaire d’agents. § 4. Les établissements de monnaie électronique sont entièrement responsables des actes posés par leurs distributeurs et leurs agents.”. Art. 50 Dans la même section 3, il est inséré un article 77 rédigé comme suit: “Article 77. § 1er. Les établissements de monnaie élec- tronique sont habilités à exercer des activités commer- ciales autres que l’émission de monnaie électronique, moyennant l’autorisation préalable de la Banque. Sans préjudice de l’article 81, § 3, si la Banque auto- rise un établissement de monnaie électronique à exercer des activités autres que l’émission de monnaie électro- nique, elle peut, en vue d’une gestion saine et prudente et d’une maîtrise des risques appropriée par l’établis- sement de monnaie électronique, ou pour les besoins d’un contrôle prudentiel adapté dudit établissement, subordonner à certaines conditions complémentaires l’exercice d’activités autres que l’émission de monnaie électronique ou les activités visées au paragraphe 2. Art. 49 In dezelfde afdeling 3 wordt een artikel 76 ingevoegd, luidende: “Artikel 76. § 1. Onverminderd artikel 63, derde lid, mogen instellingen voor elektronisch geld via distribu- teurs elektronisch geld overmaken en terugbetalen. § 2. Indien een instelling voor elektronisch geld elek- tronisch geld wenst over te maken in een andere lidstaat van de EER via een distributeur die in de genoemde staat is gevestigd, is artikel 75 van overeenkomstige toepassing. § 3. Instellingen voor elektronisch geld mogen beta- lingsdiensten aanbieden als bedoeld in artikel 77, § 2, 1°, via agenten. Artikel 20 is in dit geval van overeen- komstige toepassing. Instellingen voor elektronisch geld mogen geen elek- tronisch geld uitgeven via agenten. § 4. Instellingen voor elektronisch geld zijn volledig verantwoordelijk voor de handelingen die door hun distributeurs en agenten worden gesteld.”. Art. 50 In dezelfde afdeling 3 wordt een artikel 77 ingevoegd, luidende: “Artikel 77. § 1. Instellingen voor elektronisch geld mogen andere bedrijfswerkzaamheden dan de uitgifte van elektronisch geld verrichten, mits hiervoor vooraf- gaandelijk toestemming is verleend door de Bank. Indien de Bank erin toestemt dat een instelling voor elektronisch geld andere werkzaamheden dan de uitgifte van elektronisch geld verricht, kan zij, onver- minderd artikel 81, § 3 en gelet op de noodzaak van een gezond en voorzichtig beleid en een passende risicobeheersing door de instelling voor elektronisch geld of op de vereiste van een passend prudentieel toezicht op deze instelling, de uitoefening van andere werkzaamheden dan de uitgifte van elektronisch geld of de in paragraaf 2 bedoelde werkzaamheden aan aanvullende voorwaarden onderwerpen. DOC 53 2432/001 163 2431/001 DOC 53 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 3 e L É G I S L A T U R E K AMER 3e Z ITTING VAN DE 53e Z ITTING S P E RIO DE 2011 2012 En outre, la Banque peut exiger que l’exercice de l’activité d’émission de monnaie électronique et, le cas échéant, de services de paiement, soit logée dans une entité juridique distincte de l’entité exerçant d’autres activités. § 2. Par dérogation au paragraphe 1er, alinéa 1er, et sans préjudice de l’article 72, § 2, alinéa 3, les établisse- ments de monnaie électronique sont habilités à exercer également les activités suivantes: 1° la prestation des services de paiement énumérés à l’annexe Ire de la présente loi; 2° la prestation de services opérationnels et de ser- vices auxiliaires étroitement liés à l’émission de monnaie électronique ou à la prestation de services de paiement visés au point 1°; 3° la gestion de systèmes de paiement, sans préju- dice de l’article 49; § 3. Les établissements de monnaie électronique ne peuvent octroyer un crédit lié aux services de paiement visés aux points 4, 5 ou 7 de l’annexe Ire de la présente loi qu’aux conditions visées à l’article 21, § 3. Les crédits visés à l’alinéa 1er ne peuvent être octroyés sur la base des fonds reçus en contrepartie de monnaie électronique et détenus conformément à l’article 78, § 1er. § 4. Les établissements de monnaie électronique ne sont pas autorisés à exercer l’activité de réception de dépôts d’argent ou d’autres fonds remboursables au sens de l’article 1er de la loi bancaire. § 5. Les fonds reçus des détenteurs de monnaie électronique par des établissements de monnaie élec- tronique sont échangés sans délai contre de la monnaie électronique. Ces fonds ne constituent pas des dépôts ou d’autres fonds remboursables au sens de l’article 1er de la loi bancaire, à condition que l’obligation visée à l’alinéa précédent soit respectée. À défaut de respecter l’obligation visée à l’alinéa 1er, la réception de ces fonds est assimilée à une réception de dépôts d’argent ou d’autres fonds remboursables illicite en violation du paragraphe 4 et de l’article 68bis de la loi du 16 juin 2006 relative aux offres publiques d’instruments de placement et aux admissions Bovendien kan de Bank eisen dat de activiteit van uitgifte van elektronisch geld en, in voorkomend geval, het betalingsdienstenbedrijf, ondergebracht worden in een afzonderlijke juridische entiteit, afgescheiden van deze die andere werkzaamheden uitoefent. § 2. In afwijking van paragraaf 1, eerste lid, en onver- minderd artikel 72, paragraaf 2, derde lid, mogen instel- lingen voor elektronisch geld eveneens de volgende werkzaamheden uitoefenen: 1° het verlenen van de betalingsdiensten die opge- somd zijn in bijlage I bij deze wet; 2° het verrichten van operationele diensten en ne- vendiensten die nauw samenhangen met de uitgifte van elektronisch geld of het verlenen van de betalingsdien- sten bedoeld in punt 1°; 3° het beheer van betalingssystemen, onverminderd artikel 49; § 3. Instellingen voor elektronisch geld mogen maar een krediet verlenen in verband met de betalingsdien- sten bedoeld in de punten 4, 5 en 7 van bijlage I bij deze wet mits voldaan is aan de voorwaarden bedoeld in artikel 21, § 3. De kredieten bedoeld in het eerste lid mogen niet worden verleend uit de geldmiddelen die in ruil voor het elektronisch geld worden ontvangen en conform artikel 78, § 1, worden aangehouden. § 4. Instellingen voor elektronisch geld mogen geen gelddeposito’s of andere terugbetaalbare gelden in de zin van artikel 1 van de bankwet ontvangen. § 5. Geldmiddelen die instellingen voor elektronisch geld van houders van elektronisch geld ontvangen, worden onverwijld gewisseld voor elektronisch geld. Dergelijke geldmiddelen zijn noch deposito’s noch andere terugbetaalbare gelden in de zin van artikel 1 van de bankwet, op voorwaarde dat de verplichting bedoeld in het vorige lid vervuld is. Indien de verplichting bedoeld in het eerste lid niet vervuld is, wordt het in ontvangst nemen van die geldmiddelen gelijkgesteld met het ongeoorloofd in ontvangst nemen van gelddeposito’s of andere terugbe- taalbare gelden, met overtreding van paragraaf 4 en van artikel 68bis van de wet van 16 juni 2006 op de openbare DOC 53 2432/001 164 2431/001 DOC 53 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 3 e L É G I S L A T U R E K AMER 3e Z ITTING VAN DE 53e Z ITTING S P E RIO DE 2011 2012 d’instruments de placement à la négociation sur des marchés réglementés. § 6. L’article 21, §§ 4 et 5 s’applique aux fonds reçus dans le cadre des activités visées au paragraphe 2, 1°, qui ne sont pas liées à l’activité d’émission de monnaie électronique. § 7. Les établissements de monnaie électronique ne peuvent, sauf autorisation préalable de la Banque, déte- nir des participations dans des sociétés commerciales ou ayant emprunté la forme d’une société commerciale. L’interdiction visée à l’alinéa 1er ne s’applique pas aux participations dans des sociétés exerçant en tout ou en partie des activités en matière d’émission de monnaie électronique, de services de paiement, de services auxiliaires à l’émission de monnaie électronique ou à la prestation de services de paiement, ou de gestion de systèmes de paiement, visés au paragraphe 2, ou dans des sociétés dont l’objet consiste à titre principal en la détention de participations dans de telles sociétés. En vue d’une gestion saine et prudente et d’une maî- trise adéquate des risques, la Banque peut soumettre la prise de participations à des conditions.”. Art. 51 Dans la même section 3, il est inséré un article 78 rédigé comme suit: “Article 78. § 1er. Les fonds reçus par un établissement de monnaie électronique en échange de la monnaie électronique émise doivent: a) pouvoir être distinctement identifi és dans sa comp- tabilité et n’être jamais mélangés avec d’autres fonds, et b) lorsque ces fonds sont encore détenus par l’éta- blissement de monnaie électronique à la fi n du jour ouvrable suivant le jour où ils ont été reçus: (i) être déposés sur un compte global ou individualisé distinct auprès d’une ou plusieurs entités ayant la qualité d’établissement de crédit relevant du droit d’un État membre de l’EEE, ou d’établissement de crédit établi dans l’EEE et relevant du droit d’un État non membre de l’EEE, ou aanbieding van beleggingsinstrumenten en de toelating van beleggingsinstrumenten tot de verhandeling op een gereglementeerde markt. § 6. Artikel 21, §§ 4 en 5 is van toepassing op de geldmiddelen die worden ontvangen in het kader van de werkzaamheden bedoeld in paragraaf 2, 1°, die geen verband houden met de uitgifte van elektronisch geld. § 7. Instellingen voor elektronisch geld mogen, be- houdens voorafgaande toestemming van de Bank, geen deelnemingen bezitten in handelsvennootschappen of in vennootschappen die de vorm van een handelsven- nootschap hebben aangenomen. Het in het eerste lid bedoelde verbod geldt niet voor deelnemingen in vennootschappen die alle of een deel van de in paragraaf 2 bedoelde werkzaamheden inzake uitgifte van elektronisch geld, betalingsdiensten, neven- diensten in verband met de uitgifte van elektronisch geld of het verlenen van betalingsdiensten, of het beheer van betalingssystemen uitoefenen, of voor deelnemingen in vennootschappen waarvan het doel in hoofdzaak be- staat in het aanhouden van deelnemingen in dergelijke vennootschappen. Gelet op de noodzaak van een gezond en voorzich- tig beleid en een passende risicobeheersing kan de Bank het nemen van deelnemingen aan voorwaarden onderwerpen.”. Art. 51 In dezelfde afdeling 3 wordt een artikel 78 ingevoegd, luidende: “Artikel 78. § 1. De geldmiddelen die in ruil voor het elektronisch geld door een instelling voor elektronisch geld worden ontvangen, moeten: a) in haar boekhouding afzonderlijk kunnen worden geïdentifi ceerd en nooit worden vermengd met andere geldmiddelen, en b) wanneer deze geldmiddelen op het einde van de werkdag volgend op de dag waarop zij zijn ontvangen nog steeds door de instelling voor elektronisch geld worden aangehouden: (i) worden gedeponeerd op een afzonderlijke gezamen- lijke of geïndividualiseerde rekening bijeen of meer entitei- ten die de hoedanigheid hebben van kredietinstelling die ressorteert onder het recht van een lidstaat van de EER, of kredietinstelling gevestigd in de EER die ressorteert onder het recht van een staat die geen lid is van de EER, of DOC 53 2432/001 165 2431/001 DOC 53 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 3 e L É G I S L A T U R E K AMER 3e Z ITTING VAN DE 53e Z ITTING S P E RIO DE 2011 2012 (ii) être investis en actifs à faible risque, liquides et sûrs, tels que défi nis par la Banque, conformément aux dispositions de l’article 7.2. de la Directive 2009/110/CE, par voie de règlement; c) ou être couverts, d’une manière jugée satisfai- sante par la Banque, par une assurance, une garantie ou une caution d’une entreprise d’assurances ou d’un établissement de crédit relevant du droit d’un État membre de l’EEE ou disposant d’un établissement dans l’EEE et relevant du droit d’un État non membre de l’EEE, laquelle entreprise d’assurances ou lequel établissement de crédit ne peut appartenir au même groupe que l’établissement de monnaie électronique, pour un montant qui est égal au montant qui aurait été affecté en application du point b), et qui est payable si l’établissement de monnaie électronique n’est pas en mesure d’honorer ses obligations fi nancières. Les entités visées à l’alinéa 1er, b), (i) ne peuvent, sur les fonds déposés sur un compte distinct, faire valoir de droit résultant de créances propres sur l’établissement de monnaie électronique qui a ouvert ce compte. De même, ces comptes et leur solde ne peuvent faire l’objet d’aucune saisie-arrêt par les créanciers de l’établisse- ment de monnaie électronique. La Banque peut autoriser que les fonds visés à l’ali- néa 1er, b), soient déposés auprès d’un établissement de crédit relevant du droit d’un État non membre de l’EEE et ne disposant pas d’un établissement dans l’EEE, ou que les assurances, garanties ou cautions visées à l’alinéa 1er, c), soient fournies par une entreprise d’assu- rances ou un établissement de crédit relevant du droit d’un État non membre de l’EEE et ne disposant pas d’un établissement dans l’EEE, si cet établissement de crédit ou cette entreprise d’assurances est soumis(e) à un contrôle exercé par une autorité de contrôle qui soit équivalent au contrôle prudentiel des établissements de crédit et des entreprises d’assurances défi ni dans la réglementation européenne. Lorsque la monnaie électronique est acquise par le moyen d’un instrument de paiement, la protection affé- rente aux fonds reçus en échange de la monnaie élec- tronique ne doit être assurée qu’à partir du moment où les fonds sont portés au crédit du compte de paiement de l’établissement de monnaie électronique ou mis par tout autre moyen à la disposition de l’établissement de monnaie électronique, le cas échéant, conformément aux dispositions relatives au délai d’exécution énoncées dans la loi du 10 décembre 2009. En tout état de cause, ces fonds doivent être protégés au plus tard cinq jours ouvrables après l’émission de la monnaie électronique. (ii) worden belegd in veilige, liquide activa met een lage risicograad, zoals bij reglement gedefi nieerd door de Bank conform de bepalingen van artikel 7.2. van Richtlijn 2009/110/EG; c) ofwel naar tevredenheid van de Bank gedekt zijn door een verzekering, garantie of waarborg van een verzekeringsonderneming of kredietinstelling, die res- sorteert onder het recht van een lidstaat van de EER of met vestiging in de EER en ressorterend onder het recht van een staat die geen lid is van de EER, en die niet tot dezelfde groep behoort als de instelling voor elektronisch geld, voor een bedrag dat gelijk is aan het bedrag dat besteed geweest zou zijn met toepassing van punt b), en dat betaalbaar is ingeval de instelling voor elektronisch geld niet in staat is haar fi nanciële verplichtingen na te komen. De in het eerste lid, b), (i) bedoelde entiteiten mogen op de gelden die op een afzonderlijke rekening zijn geplaatst, geen recht doen gelden ingevolge eigen vor- deringen op de instelling voor elektronisch geld die deze rekening heeft geopend. Beslag onder derden door de schuldeisers van de instelling voor elektronisch geld op deze rekeningen en hun saldo is evenmin toegestaan. De Bank kan toestaan dat de in het eerste lid, b), bedoelde geldmiddelen gedeponeerd worden bij een kredietinstelling die ressorteert onder het recht van een staat die geen lid is van de EER en die geen vestiging heeft in de EER, of dat de in het eerste lid, c) bedoelde verzekeringen, garanties en waarborgen verstrekt worden door een verzekeringsonderneming of kredietinstelling, die ressorteert onder het recht van staat die geen lid is van de EER en die geen vestiging heeft in de EER, indien deze kredietinstelling of ver- zekeringsonderneming onderworpen is aan een door een toezichthoudende autoriteit uitgeoefend toezicht dat gelijkwaardig is met het prudentieel toezicht op kredietinstellingen en verzekeringsondernemingen zoals bepaald in de Europese regelgeving. Wanneer het elektronisch geld wordt verworven door middel van een betaalinstrument, moeten de geldmid- delen die in ruil voor het elektronisch geld worden ont- vangen beschermd worden vanaf het moment dat de betaalrekening van de instelling voor elektronisch geld ermee gecrediteerd is of vanaf het moment dat ze op een andere manier ter beschikking worden gesteld van de instelling voor elektronisch geld, in voorkomend geval in overeenstemming met de vereisten op het vlak van uitvoeringstermijnen die zijn vastgelegd in de wet van 10 december 2009. Dergelijke middelen moeten in ieder geval worden veilig gesteld ten laatste na vijf werkdagen na de uitgifte van het elektronisch geld. DOC 53 2432/001 166 2431/001 DOC 53 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 3 e L É G I S L A T U R E K AMER 3e Z ITTING VAN DE 53e Z ITTING S P E RIO DE 2011 2012 Les règlements visés à l’alinéa 1er, point b), ii) sont pris conformément à l’article 12bis, § 2, de la loi du 22 février 1998. § 2. Lorsqu’une partie des fonds reçus en échange de la monnaie électronique émise est potentiellement destinée à être utilisée dans le cadre d’autres activités de l’établissement de monnaie électronique, cette partie des fonds ne relève pas des obligations au titre du para- graphe 1er. Si cette partie est variable ou ne peut être déterminée à l’avance, les établissements de monnaie électronique peuvent calculer ce montant en supposant qu’une partie représentative des fonds servira à l’émis- sion de monnaie électronique, à condition que, sur la base de données historiques, il soit raisonnablement possible d’estimer cette partie représentative d’une manière jugée satisfaisante par la Banque. § 3. L’article 22 s’applique aux établissements de monnaie électronique pour les activités visées à l’article 77, § 2, 1° qui ne sont pas liées à l’activité d’émission de monnaie électronique. § 4. En cas de procédure d’insolvabilité ouverte à l’encontre de l’établissement de monnaie électronique, les espèces déposées sur un compte distinct en applica- tion du paragraphe 1er, alinéa 1er, a) et b), sont affectées par privilège spécial au remboursement des fonds reçus en échange de la monnaie électronique émise. § 5. Les établissements de monnaie électronique informent la Banque à l’avance de tout changement signifi catif affectant les mesures prises en exécution du paragraphe 1er.”. § 6. Sans préjudice des pouvoirs dévolus à l’organe légal d’administration en ce qui concerne la détermina- tion de la politique générale, tels que prévus par le Code des sociétés, les personnes chargées de la direction effective de l’établissement de monnaie électronique, le cas échéant le comité de direction, prennent, sous la surveillance de l’organe légal d’administration, les mesures nécessaires pour assurer le respect des para- graphes 1er et 2. L’organe légal d’administration de l’établissement de monnaie électronique doit contrôler au moins une fois par an si l’établissement se conforme aux dispositions des paragraphes 1er et 2 et de l’alinéa 1er du présent paragraphe, et prend connaissance des mesures adé- quates prises. De in het eerste lid, punt b), ii) bedoelde reglementen worden genomen overeenkomstig artikel 12bis, § 2, van de wet van 22 februari 1998. § 2. Wanneer een gedeelte van de geldmiddelen die in ruil voor het uitgegeven elektronisch geld worden ontvangen, mogelijkerwijs in het kader van andere werkzaamheden van de instelling voor elektronisch geld moet worden gebruikt, zijn de vereisten van pa- ragraaf 1 niet van toepassing op dit gedeelte van de geldmiddelen. Wanneer dat gedeelte variabel is of niet van tevoren is gekend, kunnen de instellingen voor elektronisch geld dit bedrag berekenen op basis van een representatief gedeelte dat geacht wordt voor de uitgifte van elektronisch geld te worden gebruikt, mits het redelijkerwijs mogelijk is een dergelijk representatief gedeelte naar tevredenheid van de Bank op basis van historische gegevens te ramen. § 3. Artikel 22 is van toepassing op de instellingen voor elektronisch geld, voor de werkzaamheden be- doeld in artikel 77, § 2, 1° die geen verband houden met de uitgifte van elektronisch geld. § 4. Indien er een insolventieprocedure wordt ge- opend tegen de instelling voor elektronisch geld, worden de gelden die met toepassing van paragraaf 1, eerste lid, a) en b), op een afzonderlijke rekening zijn gedeponeerd, bij bijzonder voorrecht aangewend voor de terugbetaling van de geldmiddelen die zijn ontvangen in ruil voor het uitgegeven elektronisch geld. § 5. Instellingen voor elektronisch geld lichten de Bank op voorhand in over elke substantiële wijziging in de maatregelen die worden genomen in uitvoering van paragraaf 1.”. § 6. Onverminderd de bevoegdheden van het wet- telijke bestuursorgaan inzake vaststelling van het algemeen beleid als bepaald bij het Wetboek van Vennootschappen, nemen de personen belast met de effectieve leiding van de instelling voor elektronisch geld, in voorkomend geval het directiecomité, onder toezicht van het wettelijke bestuursorgaan de nodige maatregelen voor de naleving van het bepaalde bij de paragrafen 1 en 2. Het wettelijke bestuursorgaan van de instelling voor elektronisch geld dient minstens jaarlijks te controleren of de instelling beantwoordt aan het bepaalde bij de pa- ragrafen 1 en 2 en het eerste lid van deze paragraaf, en neemt kennis van de genomen passende maatregelen. DOC 53 2432/001 167 2431/001 DOC 53 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 3 e L É G I S L A T U R E K AMER 3e Z ITTING VAN DE 53e Z ITTING S P E RIO DE 2011 2012 Les personnes chargées de la direction effective, le cas échéant le comité de direction, font rapport au moins une fois par an à l’organe légal d’administration, à la Banque et au commissaire agréé sur le respect des dispositions de l’alinéa 1er du présent paragraphe et sur les mesures adéquates prises. Ces informations sont transmises à la Banque et au commissaire agréé selon les modalités que la Banque détermine.”. Art. 52 Dans la même section 3, il est inséré un article 79 rédigé comme suit: “Article 79. Les établissements de monnaie électro- nique ne peuvent externaliser des tâches opération- nelles importantes relatives à l’activité d’émission de monnaie électronique, ou de prestation de services de paiement qu’aux conditions suivantes: a) ils en informent préalablement la Banque; b) l’externalisation n’entraîne aucune délégation de la responsabilité de la direction générale de l’établis- sement de monnaie électronique; c) la relation de l’établissement de monnaie électro- nique avec les détenteurs de monnaie électronique et les obligations qu’il a envers eux en vertu de la présente loi et des arrêtés et règlements pris en exécution de celle-ci ne sont pas modifi ées; d) le respect des conditions que l’établissement de monnaie électronique est tenu de remplir pour recevoir puis conserver son agrément n’est pas altéré; e) aucune des autres conditions auxquelles l’agré- ment de l’établissement de monnaie électronique a été subordonné n’est supprimée ou modifi ée; f) l’externalisation ne peut pas être faite d’une manière qui nuise sérieusement à la qualité du contrôle interne de l’établissement de monnaie électronique et qui empêche la Banque de contrôler le respect, par l’éta- blissement de monnaie électronique, de ses obligations. Dans l’externalisation d’activités, les établissements de monnaie électronique demeurent entièrement responsables des actes posés par le prestataire de services.”. De personen belast met de effectieve leiding, in voorkomend geval het directiecomité, lichten minstens jaarlijks het wettelijke bestuursorgaan, de Bank en de erkende commissaris in over de naleving van het be- paalde bij het eerste lid van deze paragraaf en over de genomen passende maatregelen. De informatieverstrekking aan de Bank en de erkende commissaris gebeurt volgens de modaliteiten die de Bank bepaalt.”. Art. 52 In dezelfde afdeling 3 wordt een artikel 79 ingevoegd, luidende: “Artikel 79. Instellingen voor elektronisch geld kun- nen belangrijke operationele taken met betrekking tot de uitgifte van elektronisch geld of het verlenen van betalingsdiensten slechts uitbesteden onder de hier- navolgende voorwaarden: a) zij stellen de Bank hiervan voorafgaandelijk in kennis; b) de uitbesteding leidt er niet toe dat de hoogste leiding van de instelling voor elektronisch geld haar verantwoordelijkheden delegeert; c) de relatie van de instelling voor elektronisch geld met de houders van elektronisch geld en de verplich- tingen die zij jegens hen heeft uit hoofde van deze wet en de ter uitvoering ervan genomen besluiten en reglementen, worden niet gewijzigd; d) de naleving van de voorwaarden waaraan de instelling voor elektronisch geld moet voldoen om een vergunning te verkrijgen en te behouden, mag niet worden ondermijnd; e) geen van de andere voorwaarden waaronder de vergunning aan de instelling voor elektronisch geld is verleend, mag worden opgeheven of gewijzigd; f) de uitbesteding mag geen wezenlijke afbreuk doen aan de kwaliteit van de interne controle van de instelling voor elektronisch geld en aan het vermogen van de Bank om te controleren of de instelling voor elektronisch geld voldoet aan haar verplichtingen. Bij de uitbesteding van werkzaamheden blijven de instellingen voor elektronisch geld volledig verant- woordelijk voor de handelingen die gesteld zijn door de dienstverlener.”. DOC 53 2432/001 168 2431/001 DOC 53 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 3 e L É G I S L A T U R E K AMER 3e Z ITTING VAN DE 53e Z ITTING S P E RIO DE 2011 2012 Art. 53 Dans la même section 3, il est inséré un article 80 rédigé comme suit: “Article 80. Les établissements de monnaie élec- tronique communiquent périodiquement à la Banque une situation fi nancière détaillée. Celle-ci est établie conformément aux règles fi xées par la Banque, qui en détermine également la fréquence. La Banque peut, en outre, prescrire la transmission régulière d’autres informations chiffrées ou descriptives nécessaires à la vérifi cation du respect des dispositions de la présente loi ou des arrêtés et règlements pris en exécution de celles-ci. La direction effective de l’établissement de monnaie électronique, le cas échéant le comité de direction, déclare à la Banque que les états périodiques précités qui lui sont transmis par l’établissement le cas échéant à la fi n du premier semestre social et en tout état de cause à la fi n de l’exercice social, sont conformes à la comp- tabilité et aux inventaires. Il est à cet effet requis que les états périodiques soient complets, c’est-à-dire qu’ils mentionnent toutes les données fi gurant dans la comp- tabilité et dans les inventaires sur la base desquels ils sont établis, et qu’ils soient corrects, c’est-à-dire qu’ils concordent exactement avec la comptabilité et avec les inventaires sur la base desquels ils sont établis. La direction effective confi rme avoir fait le nécessaire pour que les états précités soient établis selon les instructions en vigueur de la Banque, ainsi que par application des règles de comptabilisation et d’évaluation présidant à l’établissement des comptes annuels, ou, s’agissant des états périodiques qui ne se rapportent pas à la fi n de l’exercice, par application des règles de comptabilisation et d’évaluation qui ont présidé à l’établissement des comptes annuels afférents au dernier exercice. Le Roi détermine, sur avis de la Banque, pour l’ensemble des établissements de monnaie électro- nique ou par catégorie d’établissements de monnaie électronique: 1° les règles selon lesquelles les établissements de monnaie électronique tiennent leur comptabilité, procèdent aux évaluations d’inventaire et établissent et publient leurs comptes annuels; 2° les règles à respecter par les établissements de monnaie électronique pour l’établissement, le contrôle et la publication de leurs comptes consolidés, ainsi que pour l’établissement et la publication des rapports de gestion et de contrôle relatifs à ces comptes consolidés. Art. 53 In dezelfde afdeling 3 wordt een artikel 80 ingevoegd, luidende: “Artikel 80. De instelling voor elektronisch geld legt periodiek aan de Bank een gedetailleerde fi nanciële staat voor. Die staat wordt opgemaakt overeenkomstig de regels die zijn vastgesteld door de Bank, die ook de rapporteringsfrequentie bepaalt. Bovendien kan de Bank eisen dat haar geregeld andere cijfergegevens of uitleg worden verstrekt, zodat zij kan nagaan of de bepa- lingen van deze wet of de ter uitvoering ervan genomen besluiten en reglementen zijn nageleefd. De effectieve leiding van de instelling voor elektro- nisch geld, in voorkomend geval het directiecomité, verklaart aan de Bank dat de voornoemde periodieke staten, die haar in voorkomend geval aan het einde van het eerste halfjaar en in elk geval aan het einde van het boekjaar worden bezorgd door de instelling, in overeenstemming zijn met de boekhouding en de inventarissen. Daartoe is vereist dat de periodieke staten volledig zijn, d.w.z. dat zij alle gegevens bevatten uit de boekhouding en de inventarissen op basis waarvan de periodieke staten worden opgesteld, en dat zij juist zijn, d.w.z. dat zij de gegevens correct weergeven uit de boekhouding en de inventarissen op basis waarvan de periodieke staten worden opgesteld. De effectieve leiding bevestigt het nodige gedaan te hebben opdat de voornoemde staten volgens de geldende richtlijnen van de Bank worden opgemaakt, en worden opgesteld met toepassing van de boekings- en waarderingsregels voor de opstelling van de jaarrekening, of, voor de peri- odieke rapporteringsstaten die geen betrekking hebben op het einde van het boekjaar, met toepassing van de boekings- en waarderingsregels voor de opstelling van de jaarrekening met betrekking tot het laatste boekjaar. Na advies van de Bank bepaalt de Koning volgens welke regels alle instellingen voor elektronisch geld of categorieën van instellingen voor elektronisch geld: 1° hun boekhouding voeren, inventarisramingen verrichten en hun jaarrekening opmaken en openbaar maken; 2° hun geconsolideerde jaarrekening opmaken, controleren en openbaar maken en het jaar- en con- troleverslag over deze geconsolideerde jaarrekening opmaken en openbaar maken. DOC 53 2432/001 169 2431/001 DOC 53 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 3 e L É G I S L A T U R E K AMER 3e Z ITTING VAN DE 53e Z ITTING S P E RIO DE 2011 2012 La Banque peut, pour certaines catégories d’éta- blissements de monnaie électronique ou dans des cas spéciaux, autoriser des dérogations motivées aux arrê- tés et règlements visés aux alinéas 1er et 3, pour tous les établissements de monnaie électronique se trouvant dans des circonstances comparables. Les établissements de monnaie électronique dé- posent leurs comptes annuels et leurs comptes conso- lidés à la Banque. Les arrêtés et règlements visés au présent article sont pris après consultation des établissements de monnaie électronique, le cas échéant représentés par leurs associations professionnelles.”. Art. 54 Dans le Livre 3, Titre 2, Chapitre 1er de la même loi, inséré par l’article 30, il est inséré une section 4 intitulée “Section 4. Contrôle des établissements de monnaie électronique”. Art. 55 Dans le Livre 3, Titre 2, Chapitre 1er, Section 4 de la même loi, insérée par l’article 54, il est inséré un article 81 rédigé comme suit: “Article 81. § 1er. Les établissements de monnaie électronique sont soumis au contrôle de la Banque. La Banque veille à ce que chaque établissement de monnaie électronique opère en permanence conformé- ment aux dispositions de la présente loi et des arrêtés et règlements pris pour son exécution. Le contrôle exercé par la Banque est proportionné et adéquat, au regard de la nature, du volume et de la complexité des activités de l’établissement de monnaie électronique, ainsi que des risques y afférents. § 2. La Banque peut se faire communiquer par les établissements de monnaie électronique toutes informa- tions relatives à leur organisation, à leur fonctionnement, à leur situation fi nancière et à leurs opérations. À cette fi n, la Banque peut également se faire communiquer des informations par les agents ou distributeurs d’établisse- ments de monnaie électronique, par les prestataires de services visés à l’article 4, 17° et par d’autres entités vers lesquelles des tâches sont externalisées. Voor bepaalde categorieën van instellingen voor elektronisch geld of in bijzondere gevallen kan de Bank met redenen omklede afwijkingen toestaan van de in het eerste en derde lid bedoelde besluiten en reglementen, voor alle instellingen voor elektronisch geld die zich in vergelijkbare omstandigheden bevinden. De instellingen voor elektronisch geld leggen hun jaarrekening en hun geconsolideerde jaarrekening neer bij de Bank. De in dit artikel bedoelde besluiten en reglementen worden genomen na raadpleging van de instellingen voor elektronisch geld, in voorkomend geval via hun representatieve beroepsverenigingen.”. Art. 54 In Boek 3, Titel 2, Hoofdstuk 1 van dezelfde wet, in- gevoegd bij artikel 30, wordt een afdeling 4 ingevoegd, luidende “Afdeling 4. Toezicht op de instellingen voor elektronisch geld”. Art. 55 In Boek 3, Titel 2, Hoofdstuk 1, Afdeling 4 van de- zelfde wet, ingevoegd bij artikel 54, wordt een artikel 81 ingevoegd, luidende: “Artikel 81. § 1. De instellingen voor elektronisch geld zijn onderworpen aan het toezicht van de Bank. De Bank ziet erop toe dat elke instelling voor elektro- nisch geld doorlopend werkt overeenkomstig de bepa- lingen van deze wet en de ter uitvoering ervan genomen besluiten en reglementen. Het toezicht door de Bank staat in verhouding tot en is afgestemd op de aard, de omvang en de complexiteit van de door de instelling voor elektronisch geld verrichte werkzaamheden, en de eraan verbonden risico’s. § 2. De Bank kan zich door de instellingen voor elek- tronisch geld alle inlichtingen doen verstrekken over hun organisatie, werking, fi nanciële positie en verrichtingen. Met dat doel kan de Bank zich ook inlichtingen doen ver- strekken door agenten of distributeurs van instellingen voor elektronisch geld, door dienstverleners als bedoeld in artikel 4, 17° en door andere entiteiten waaraan taken zijn uitbesteed. DOC 53 2432/001 170 2431/001 DOC 53 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 3 e L É G I S L A T U R E K AMER 3e Z ITTING VAN DE 53e Z ITTING S P E RIO DE 2011 2012 La Banque peut procéder auprès des établissements de monnaie électronique à des inspections sur place et prendre connaissance et copie, sans déplacement, de toute information détenue par l’établissement de monnaie électronique, en vue: 1° de vérifi er le respect des dispositions légales et réglementaires relatives au statut des établissements de monnaie électronique ainsi que l’exactitude et la sincérité de la comptabilité et des comptes annuels ainsi que des états et autres informations qui lui sont transmis par l’établissement de monnaie électronique; 2° de vérifi er le caractère adéquat des structures de gestion, de l’organisation administrative et comptable et du contrôle interne de l’établissement de monnaie électronique; 3° de s’assurer que la gestion de l’établissement de monnaie électronique est saine et prudente et que sa situation ou ses opérations ne sont pas de nature à mettre en péril sa liquidité, sa rentabilité ou sa solvabilité. À cette fi n, la Banque peut également procéder à des inspections sur place auprès des agents ou distributeurs d’établissements de monnaie électronique, des pres- tataires de services visés à l’article 4, 17° et d’autres entités vers lesquelles des tâches sont externalisées, et prendre connaissance et copie, sans déplacement, de toute information détenue par ces derniers. § 3. Le contrôle de la Banque ne porte toutefois pas sur les activités de l’établissement de monnaie élec- tronique autres que l’activité d’émission de monnaie électronique, la prestation d’activités visées à l’article 77, § 2, 1° et 2°, et la détention de participations visée à l’article 77, § 7, sauf dans la mesure requise pour le contrôle du respect par l’établissement de monnaie électronique des dispositions de la présente loi et des arrêtés et règlements pris pour son exécution.”. Art. 56 Dans la même section 4, il est inséré un article 82 rédigé comme suit: “Article 82. La Banque ne connaît des relations entre l’établissement de monnaie électronique, son agent ou son distributeur et un client déterminé que dans la mesure requise pour le contrôle de l’établissement de monnaie électronique.”. De Bank kan bij instellingen voor elektronisch geld ter plaatse inspecties verrichten en ter plaatse kennis nemen en een kopie maken van elk gegeven in bezit van de instelling voor elektronisch geld: 1° om na te gaan of de wettelijke en reglementaire bepalingen op het statuut van deinstellingen voor elek- tronisch geld zijn nageleefd en of de boekhouding en de jaarrekening, alsmede de haar door de instelling voor elektronisch geld voorgelegde staten en andere inlichtingen, juist en waarheidsgetrouw zijn; 2° om het passende karakter te toetsen van de be- leidsstructuren, de administratieve en boekhoudkundige organisatie en de interne controle van de instelling voor elektronisch geld; 3° om zich ervan te vergewissen dat het beleid van de instelling voor elektronisch geld gezond en voorzichtig is, en dat haar positie of haar verrichtingen haar liqui- diteit, rendabiliteit of solvabiliteit niet in gevaar kunnen brengen. Met dat doel kan de Bank ook ter plaatse inspecties verrichten bij agenten of distributeurs van instellingen voor elektronisch geld, dienstverleners als bedoeld in artikel 4, 17° en andere entiteiten waaraan taken zijn uitbesteed, en ter plaatse kennis nemen en een kopie maken van elk gegeven in hun bezit. § 3. Het toezicht van de Bank slaat evenwel niet op de door een instelling voor elektronisch geld verrichte andere werkzaamheden dan de uitgifte van elektronisch geld, de werkzaamheden bedoeld in artikel 77, § 2, 1° en 2°, en het bezit van deelnemingen als bedoeld in artikel 77, § 7, tenzij dit vereist is voor het toezicht op de naleving door de instelling voor elektronisch geld van de bepalingen van deze wet en de ter uitvoering ervan genomen besluiten en reglementen.”. Art. 56 In dezelfde afdeling 4 wordt een artikel 82 ingevoegd, luidende: “Artikel 82. Relaties tussen een instelling voor elek- tronisch geld, haar agent of haar distributeur en een bepaalde cliënt behoren niet tot de bevoegdheid van de Bank, tenzij het toezicht op de instelling voor elek- tronisch geld dit vergt.”. DOC 53 2432/001 171 2431/001 DOC 53 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 3 e L É G I S L A T U R E K AMER 3e Z ITTING VAN DE 53e Z ITTING S P E RIO DE 2011 2012 Art. 57 Dans la même section 4, il est inséré un article 83 rédigé comme suit: “Article 83. La Banque peut procéder auprès des succursales des établissements de monnaie électro- nique de droit belge, des agents, des distributeurs, des prestataires de services visés à l’article 4, 17° et des autres entités vers lesquelles des tâches sont exter- nalisées, établis à l’étranger, moyennant l’information préalable des autorités de l’État concerné chargées du contrôle des établissements de monnaie électronique, aux inspections visées à l’article 81, § 1, alinéa 3, ainsi qu’à toute inspection en vue de recueillir ou de vérifi er sur place les informations relatives à la direction et à la gestion de la succursale ainsi que toutes informations susceptibles de faciliter le contrôle de l’établissement de monnaie électronique, spécialement sur le plan de sa situation fi nancière, de son organisation administrative et comptable et de son contrôle interne. Elle peut, aux mêmes fi ns, et après en avoir avisé les autorités de contrôle visées à l’alinéa 1er, charger un expert, qu’elle désigne, d’effectuer les vérifi cations et expertises utiles. La rémunération et les frais de l’expert sont à charge de l’établissement de monnaie électronique. Elle peut, de même, demander à ces autorités de procéder aux vérifi cations et expertises visées à l’alinéa 1er qu’elle leur précise.”. Art. 58 Dans la même section 4, il est inséré un article 84 rédigé comme suit: “Article 84. Les articles 28 à 32 s’appliquent aux établissements de monnaie électronique.”. Art. 59 Dans la même section 4, il est inséré un article 85 rédigé comme suit: “Article 85. Les commissaires agréés collaborent au contrôle exercé par la Banque, sous leur responsabilité personnelle et exclusive et conformément au présent article, aux règles de la profession et aux instructions de la Banque. À cette fi n: Art. 57 In dezelfde afdeling 4 wordt een artikel 83 ingevoegd, luidende: “Artikel 83. De Bank kan bij de bijkantoren van in- stellingen voor elektronisch geld naar Belgisch recht, evenals bij agenten, distributeurs, dienstverleners als bedoeld in artikel 4, 17° en andere entiteiten waaraan taken zijn uitbesteed, die in het buitenland zijn gevestigd, na voorafgaande kennisgeving aan de autoriteiten die in de betrokken staat belast zijn met het toezicht op de instellingen voor elektronisch geld, de in artikel 81, § 1, derde lid, bedoelde inspecties verrichten, alsook alle inspecties met als doel de gegevens over de leiding en het beleid van het bijkantoor, alsook alle gegevens die het toezicht op de instelling voor elektronisch geld kun- nen vergemakkelijken, inzonderheid op het vlak van haar fi nanciële positie, administratieve en boekhoudkundige organisatie en interne controle, ter plaatse in te zamelen of te toetsen. Met hetzelfde doel en na kennisgeving aan de in het eerste lid bedoelde autoriteiten, kan de Bank een des- kundige die zij aanstelt, gelasten alle nuttige controles en onderzoeken te verrichten. De bezoldiging en de kosten van deze deskundige worden door de instelling voor elektronisch geld gedragen. De bezoldiging en de kosten van deze deskundige worden door de instelling voor elektronisch geld gedragen. Evenzo kan de Bank deze autoriteiten verzoeken bepaalde van de in het eerste lid bedoelde controles en onderzoeken te verrichten.”. Art. 58 In dezelfde afdeling 4 wordt een artikel 84 ingevoegd, luidende: “Artikel 84. De artikelen 28 tot 32 zijn van toepassing op de instellingen voor elektronisch geld.”. Art. 59 In dezelfde afdeling 4 wordt een artikel 85 ingevoegd, luidende: “Artikel 85. De erkende commissarissen verlenen hun medewerking aan het toezicht van de Bank, op hun eigen en uitsluitende verantwoordelijkheid en overeen- komstig dit artikel, volgens de regels van het vak en de richtlijnen van de Bank. Daartoe: DOC 53 2432/001 172 2431/001 DOC 53 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 3 e L É G I S L A T U R E K AMER 3e Z ITTING VAN DE 53e Z ITTING S P E RIO DE 2011 2012 1° ils évaluent les mesures de contrôle interne adop- tées par les établissements de monnaie électronique conformément aux articles 69, § 3, alinéa 1er et 79, alinéa 1er, f), et ils communiquent leurs conclusions en la matière à la Banque; 2° ils font rapport à la Banque sur: a) les résultats de l’examen limité des états pério- diques transmis par les établissements de monnaie électronique à la Banque à la fi n du premier semestre social, confi rmant qu’ils n’ont pas connaissance de faits dont il apparaîtrait que ces états périodiques n’ont pas, sous tous égards signifi cativement importants, été établis selon les instructions en vigueur de la Banque. Ils confi rment en outre que les états périodiques arrêtés en fi n de semestre sont, pour ce qui est des données comptables, sous tous égards signifi cativement impor- tants, conformes à la comptabilité et aux inventaires, en ce sens qu’ils sont complets, c’est-à-dire qu’ils mentionnent toutes les données fi gurant dans la comp- tabilité et dans les inventaires sur la base desquels ils sont établis, et qu’ils sont corrects, c’est-à-dire qu’ils concordent exactement avec la comptabilité et avec les inventaires sur la base desquels ils sont établis; ils confi rment également n’avoir pas connaissance de faits dont il apparaîtrait que les états périodiques arrêtés en fi n de semestre n’ont pas été établis par application des règles de comptabilisation et d’évaluation qui ont présidé à l’établissement des comptes annuels afférents au dernier exercice; la Banque peut préciser quels sont en l’occurrence les états périodiques visés; b) les résultats du contrôle des états périodiques transmis par les établissements de monnaie électro- nique à la Banque à la fi n de l’exercice social, confi r- mant que ces états périodiques ont, sous tous égards significativement importants, été établis selon les instructions en vigueur de la Banque. Ils confi rment en outre que les états périodiques arrêtés en fi n d’exercice sont, pour ce qui est des données comptables, sous tous égards signifi cativement importants, conformes à la comptabilité et aux inventaires, en ce sens qu’ils sont complets, c’est-à-dire qu’ils mentionnent toutes les données fi gurant dans la comptabilité et dans les inventaires sur la base desquels ils sont établis, et qu’ils sont corrects, c’est-à-dire qu’ils concordent exactement avec la comptabilité et avec les inventaires sur la base desquels ils sont établis; ils confi rment également que les états périodiques arrêtés en fi n d’exercice ont été établis par application des règles de comptabilisation et d’évaluation présidant à l’établissement des comptes annuels; la Banque peut préciser quels sont en l’occur- rence les états périodiques visés; 1° beoordelen zij de internecontrolemaatregelen die de instellingen voor elektronisch geld hebben getroffen overeenkomstig de artikelen 69, § 3, eerste lid en 79, eerste lid, f), en delen zij hun bevindingen ter zake mee aan de Bank; 2° brengen zij verslag uit bij de Bank over: a) de resultaten van het beperkt nazicht van de periodieke staten die de instellingen voor elektronisch geld aan het einde van het eerste halfjaar aan de Bank bezorgen, waarin bevestigd wordt dat zij geen kennis hebben van feiten waaruit zou blijken dat de periodieke staten per einde halfjaar niet in alle materieel belang- rijke opzichten volgens de geldende richtlijnen van de Bank werden opgesteld. Bovendien bevestigen zij dat de periodieke staten per einde halfjaar, voor wat de boekhoudkundige gegevens betreft, in alle materieel belangrijke opzichten in overeenstemming zijn met de boekhouding en de inventarissen, in die zin dat zij vol- ledig zijn, d.w.z. dat zij alle gegevens bevatten uit de boekhouding en de inventarissen op basis waarvan de periodieke staten worden opgesteld, en dat zij juist zijn, d.w.z. dat zij de gegevens correct weergeven uit de boekhouding en de inventarissen op basis waarvan de periodieke staten worden opgesteld; en bevestigen zij geen kennis te hebben van feiten waaruit zou blijken dat de periodieke staten per einde halfjaar niet zijn opgesteld met toepassing van de boekings- en waarde- ringsregels voor de opstelling van de jaarrekening met betrekking tot het laatste boekjaar; de Bank kan de hier bedoelde periodieke staten nader bepalen; b) de resultaten van de controle van de periodieke staten die de instellingen voor elektronisch geld aan het einde van het boekjaar aan de Bank bezorgen, waarin bevestigd wordt dat de periodieke staten in alle materi- eel belangrijke opzichten werden opgesteld volgens de geldende richtlijnen van de Bank. Bovendien bevestigen zij dat de periodieke staten per einde van het boekjaar, voor wat de boekhoudkundige gegevens betreft, in alle materieel belangrijke opzichten in overeenstemming zijn met de boekhouding en de inventarissen, in die zin dat zij volledig zijn, d.w.z. dat zij alle gegevens bevatten uit de boekhouding en de inventarissen op basis waarvan de periodieke staten worden opgesteld, en dat zij juist zijn, d.w.z. dat zij de gegevens correct weergeven uit de boekhouding en de inventarissen op basis waarvan de periodieke staten worden opgesteld; en bevestigen zij dat de periodieke staten per einde van het boekjaar werden opgesteld met toepassing van de boekings- en waarderingsregels voor de opstelling van de jaarreke- ning; de Bank kan de hier bedoelde periodieke staten nader bepalen; DOC 53 2432/001 173 2431/001 DOC 53 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 3 e L É G I S L A T U R E K AMER 3e Z ITTING VAN DE 53e Z ITTING S P E RIO DE 2011 2012 3° ils font à la Banque, à sa demande, des rapports spéciaux portant sur l’organisation, les activités et la structure fi nancière de l’établissement de monnaie élec- tronique, rapports dont les frais d’établissement sont supportés par l’établissement de monnaie électronique; 4° dans le cadre de leur mission auprès de l’éta- blissement de monnaie électronique ou d’une mission révisorale auprès d’une entreprise liée à l’établissement de monnaie électronique, ils font d’initiative rapport à la Banque dès qu’ils constatent: a) des décisions, des faits ou des évolutions qui infl uencent ou peuvent infl uencer de façon signifi cative la situation de l’établissement de monnaie électronique sous l’angle fi nancier ou sous l’angle de son organi- sation administrative et comptable ou de son contrôle interne; b) des décisions ou des faits qui peuvent constituer des violations du Code des sociétés, des statuts, de la présente loi et des arrêtés et règlements pris pour son exécution; c) des autres décisions ou des faits qui sont de nature à entraîner le refus ou des réserves en matière de cer- tifi cation des comptes; 5° ils font rapport au moins tous les ans à la Banque sur l’adéquation des dispositions prises par les éta- blissements de monnaie électronique pour préserver les fonds qu’ils reçoivent des détenteurs de monnaie électronique, en application de l’article 78, §§ 1er et 2. Aucune action civile, pénale ou disciplinaire ne peut être intentée ni aucune sanction professionnelle prononcée contre les commissaires agréés qui ont procédé de bonne foi à une information visée sous le 4° de l’alinéa 1er. Les commissaires agréés communiquent aux diri- geants de l’établissement de monnaie électronique les rapports qu’ils adressent à la Banque conformément à l’alinéa 1er, 3°. Ces communications tombent sous le se- cret organisé par l’article 35 de la loi du 22 février 1998. Ils transmettent à la Banque copie des communications qu’ils adressent à ces dirigeants et qui portent sur des questions de nature à intéresser le contrôle exercé par elle. Les commissaires agréés et les sociétés de réviseurs agréées peuvent effectuer les vérifi cations et expertises relevant de leurs fonctions auprès des succursales à l’étranger de l’établissement qu’ils contrôlent. 3° brengen zij bij de Bank op haar verzoek een bijzon- der verslag uit over de organisatie, de werkzaamheden en de fi nanciële structuur van de instelling voor elektronisch geld; de kosten voor de opstelling van dit verslag worden door de instelling voor elektronisch geld gedragen; 4° brengen zij, in het kader van hun opdracht bij een instelling voor elektronisch geld of een revisorale op- dracht bij een met een instelling voor elektronisch geld verbonden onderneming, op eigen initiatief verslag uit bij de Bank, zodra zij kennis krijgen van: a) beslissingen, feiten of ontwikkelingen die de positie van de instelling voor elektronisch geld fi nancieel of op het vlak van haar administratieve en boekhoudkundige organisatie of van haar interne controle, op betekenis- volle wijze beïnvloeden of kunnen beïnvloeden; b) beslissingen of feiten die kunnen wijzen op een overtreding van het Wetboek van Vennootschappen, de statuten, deze wet en de ter uitvoering ervan genomen besluiten en reglementen; c) andere beslissingen of feiten die kunnen leiden tot een weigering van de certifi cering van de jaarrekening of tot het formuleren van voorbehoud; 5° brengen zij minstens eenmaal per jaar verslag uit aan de Bank over de deugdelijkheid van de maatregelen die de instelling voor elektronisch geld heeft getroffen ter vrijwaring van de geldmiddelen die zij van houders van elektronisch geld ontvangt, met toepassing van artikel 78, §§ 1 en 2. Tegen erkende commissarissen die te goeder trouw informatie hebben verstrekt als bedoeld in het eerste lid, 4°, kunnen geen burgerrechtelijke, strafrechtelijke of tuchtrechtelijke vorderingen worden ingesteld, noch professionele sancties worden uitgesproken. De erkende commissarissen delen aan de leiders van de instelling voor elektronisch geld de verslagen mee die zij aan de Bank richten overeenkomstig het eerste lid, 3°. Voor deze mededeling geldt de geheim- houdingsplicht zoals geregeld bij artikel 35 van de wet van 22 februari 1998. Zij bezorgen de Bank een kopie van de mededelingen die zij aan deze leiders richten en die betrekking hebben op zaken die van belang kunnen zijn voor het toezicht dat zij uitoefent. De erkende commissarissen en de erkende reviso- renvennootschappen mogen bij de buitenlandse bijkan- toren van de instelling waarop zij toezicht houden, het toezicht uitoefenen en de onderzoeken verrichten die bij hun opdracht horen. DOC 53 2432/001 174 2431/001 DOC 53 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 3 e L É G I S L A T U R E K AMER 3e Z ITTING VAN DE 53e Z ITTING S P E RIO DE 2011 2012 Ils peuvent être chargés par la Banque, à la demande de la Banque Centrale Européenne, de confi rmer que les informations que les établissements de monnaie électronique sont tenus de communiquer à ces autorités sont complètes, correctes et établies selon les règles qui s’y appliquent.”. Art. 60 Dans le Livre 3, Titre 2, Chapitre 1er de la même loi, inséré par l’article 30, il est inséré une section 5 intitulée “Section 5 – Mesures exceptionnelles et sanctions à l’égard des établissements de monnaie électronique”. Art. 61 Dans le Livre 3, Titre 2, Chapitre 1er, Section 5 de la même loi, insérée par l’article 60, il est inséré un article 86 rédigé comme suit: “Article 86. La Banque radie, par décision notifi ée par lettre recommandée à la poste ou avec accusé de réception, l’agrément des établissements de monnaie électronique qui n’ont pas entamé leurs activités dans les douze mois de l’agrément, qui renoncent à l’agré- ment, qui ont arrêté leurs activités pendant une période supérieure à six mois, qui ont été déclarés en faillite ou qui ont cessé d’exercer leurs activités. La Banque rend publique, sur son site internet, toute décision de radiation d’un agrément.”. Art. 62 Dans la même section 5, il est inséré un article 87 rédigé comme suit: “Article 87. § 1er. Lorsque la Banque constate qu’un établissement de monnaie électronique ne fonctionne pas en conformité avec les dispositions de la présente loi et des arrêtés et règlements pris pour son exécution, que sa gestion ou sa situation fi nancière sont de nature à mettre en cause la bonne fi n de ses engagements ou n’offrent pas des garanties suffisantes sur le plan de sa solvabilité, de sa liquidité ou de sa rentabilité, que ses structures de gestion, son organisation administrative ou comptable, son réseau d’agents, de distributeurs ou de succursales, ou son contrôle interne présentent des lacunes graves, ou que la poursuite de ses activités représente une menace pour la stabilité du système de paiement, elle fi xe le délai dans lequel il doit être remédié à la situation constatée. Zij kunnen door de Bank, op verzoek van de Euro- pese Centrale Bank, worden gelast te bevestigen dat de gegevens die de instellingen voor elektronisch geld aan deze autoriteiten moeten verstrekken, volledig, juist en conform de geldende regels zijn opgesteld.”. Art. 60 In Boek 3, Titel 2, Hoofdstuk 1 van dezelfde wet, inge- voegd bij artikel 30, wordt een afdeling 5 ingevoegd, lui- dende “Afdeling 5 – Uitzonderlijke maatregelen en sancties ten aanzien van instellingen voor elektronisch geld”. Art. 61 In Boek 3, Titel 2, Hoofdstuk 1, Afdeling 5 van de- zelfde wet, ingevoegd bij artikel 60, wordt een artikel 86 ingevoegd, luidende: “Artikel 86. Bij beslissing die met een aangetekende brief of een brief met ontvangstbewijs ter kennis wordt gebracht, trekt de Bank de vergunning in van instellingen voor elektronisch geld die hun bedrijf niet binnen twaalf maanden na het verlenen van de vergunning hebben aangevat, hun werkzaamheden gedurende meer dan zes maanden hebben gestaakt, afstand doen van hun vergunning, failliet zijn verklaard of hun bedrijf hebben stopgezet. De Bank maakt alle beslissingen tot intrekking van een vergunning bekend op haar website.”. Art. 62 In dezelfde afdeling 5 wordt een artikel 87 ingevoegd, luidende: “Artikel 87. § 1. Wanneer de Bank vaststelt dat een instelling voor elektronisch geld niet werkt overeenkom- stig de bepalingen van deze wet en de ter uitvoering ervan genomen besluiten en reglementen, dat haar beleid of fi nanciële positie de goede afl oop van haar verbintenissen in het gedrang dreigt te brengen of niet voldoende waarborgen biedt voor haar solvabiliteit, liquiditeit of rendabiliteit, dat haar beleidsstructuren, haar administratieve of boekhoudkundige organisatie, haar netwerk van agenten, distributeurs of bijkantoren, of haar interne controle ernstige leemten vertonen, of dat de voortzetting van haar bedrijf een bedreiging vormt voor de stabiliteit van het betalingssysteem, stelt zij de termijn vast waarbinnen deze toestand moet worden verholpen. DOC 53 2432/001 175 2431/001 DOC 53 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 3 e L É G I S L A T U R E K AMER 3e Z ITTING VAN DE 53e Z ITTING S P E RIO DE 2011 2012 Si, au terme de ce délai, il n’a pas été remédié à la situation, la Banque peut: 1° désigner un commissaire spécial. Dans ce cas, l’autorisation écrite, générale ou spé- ciale de celui-ci est requise pour tous les actes et déci- sions de tous les organes de l’établissement, y compris l’assemblée générale, et pour ceux des personnes chargées de la gestion; la Banque peut toutefois limiter le champ des opérations soumises à autorisation. Le commissaire spécial peut soumettre à la délibéra- tion de tous les organes de l’établissement, y compris l’assemblée générale, toutes propositions qu’il juge opportunes. La rémunération du commissaire spécial est fi xée par la Banque et supportée par l’établissement. Les membres des organes d’administration et de gestion et les personnes chargées de la gestion qui accomplissent des actes ou prennent des décisions sans avoir recueilli l’autorisation requise du commissaire spécial sont responsables solidairement du préjudice qui en est résulté pour l’établissement ou les tiers. Si la Banque a publié au Moniteur belge la dési- gnation du commissaire spécial et spécifi é les actes et décisions soumis à son autorisation, les actes et déci- sions intervenus sans cette autorisation alors qu’elle était requise sont nuls, à moins que le commissaire spécial ne les ratifi e. Dans les mêmes conditions toute décision d’assemblée générale prise sans avoir recueilli l’autorisation requise du commissaire spécial est nulle, à moins que le commissaire spécial ne la ratifi e. La Banque peut désigner un commissaire suppléant; 2° suspendre pour la durée qu’elle détermine l’exer- cice direct ou indirect de tout ou partie de l’activité de l’établissement de monnaie électronique ou interdire cet exercice; cette suspension peut, dans la mesure déterminée par la Banque, impliquer la suspension totale ou partielle de l’exécution des contrats en cours. Les membres des organes d’administration et de gestion et les personnes chargées de la gestion qui accomplissent des actes ou prennent des décisions en violation de la suspension sont responsables solidaire- ment du préjudice qui en est résulté pour l’établissement de monnaie électronique ou les tiers. Indien de toestand na deze termijn niet is verholpen, kan de Bank: 1° een speciaal commissaris aanstellen. In dit geval is voor alle handelingen en beslissingen van alle organen van de instelling, inclusief de alge- mene vergadering, alsook voor die van de personen die instaan voor het beleid, zijn schriftelijke, algemene of bijzondere toestemming vereist; de verrichtingen waarvoor een toestemming is vereist, kan de Bank evenwel beperken. De speciaal commissaris mag elk voorstel dat hij nuttig acht aan alle organen van de instelling voorleg- gen, inclusief de algemene vergadering. De bezoldiging van de speciaal commissaris wordt vastgesteld door de Bank en gedragen door de instelling. De leden van de bestuurs- en de beleidsorganen en de personen die instaan voor het beleid, die handelingen stellen of beslissingen nemen zonder de vereiste toe- stemming van de speciaal commissaris, zijn hoofdelijk aansprakelijk voor het nadeel dat hieruit voor de instel- ling of voor derden voortvloeit. Indien de Bank de aanstelling van een speciaal com- missaris in het Belgisch Staatsblad heeft bekendge- maakt, met opgave van de handelingen en beslissingen waarvoor zijn toestemming is vereist, zijn alle handelin- gen en beslissingen zonder deze vereiste toestemming nietig, tenzij de speciaal commissaris die bekrachtigt. Onder dezelfde voorwaarden zijn alle beslissingen van de algemene vergadering zonder de vereiste toestem- ming van de speciaal commissaris nietig, tenzij hij die bekrachtigt. De Bank kan een plaatsvervangend commissaris aanstellen; 2° voor de termijn die zij bepaalt, de rechtstreekse of onrechtstreekse uitoefening van het bedrijf van de instel- ling voor elektronisch geld geheel of ten dele schorsen dan wel verbieden; deze schorsing kan, in de door de Bank bepaalde mate, de volledige of gedeeltelijke schor- sing van de uitvoering van de lopende overeenkomsten tot gevolg hebben. De leden van de bestuurs- en beleidsorganen en de personen die instaan voor het beleid, die handelingen stellen of beslissingen nemen ondanks de schorsing, zijn hoofdelijk aansprakelijk voor het nadeel dat hieruit voor de instelling voor elektronisch geld of voor derden voortvloeit. DOC 53 2432/001 176 2431/001 DOC 53 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 3 e L É G I S L A T U R E K AMER 3e Z ITTING VAN DE 53e Z ITTING S P E RIO DE 2011 2012 Si la Banque a publié la suspension au Moniteur belge, les actes et décisions intervenus à l’encontre de celle-ci sont nuls. La Banque peut, de même, enjoindre à un établis- sement de monnaie électronique de céder des partici- pations qu’il détient, le cas échéant, conformément à l’article 77, § 7; 3° imposer, en matière de solvabilité, des exigences plus strictes que celles visées à l’article 72; 4° enjoindre le remplacement des administrateurs ou gérants de l’établissement de monnaie électronique dans un délai qu’elle détermine et, à défaut d’un tel remplacement dans ce délai, substituer à l’ensemble des organes d’administration et de gestion de l’éta- blissement un ou plusieurs administrateurs ou gérants provisoires qui disposent, seuls ou collégialement selon le cas, des pouvoirs des personnes remplacées. La Banque publie sa décision au Moniteur belge. La rémunération du ou des administrateurs ou gérants provisoires est fi xée par la Banque et supportée par l’établissement de monnaie électronique. La Banque peut, à tout moment, remplacer le ou les administrateurs ou gérants provisoires, soit d’office, soit à la demande d’une majorité des actionnaires ou asso- ciés lorsqu’ils justifi ent que la gestion des intéressés ne présente plus les garanties nécessaires; 5° révoquer l’agrément. La Banque rend publique, sur son site internet, toute décision de révocation d’un agrément. En cas d’extrême urgence, la Banque peut adopter les mesures visées au présent paragraphe sans qu’un délai de redressement ne soit préalablement fi xé. § 2. Les décisions de la Banque visées au paragraphe 1er produisent leurs effets à l’égard de l’établissement de monnaie électronique à dater de leur notifi cation à celui-ci par lettre recommandée à la poste ou avec accusé de réception et, à l’égard des tiers, à dater de leur publication conformément au paragraphe 1er. § 3. Le paragraphe 1er, alinéas 1er et 2, 2°, et le paragraphe 2 sont applicables au cas où la Banque a connaissance du fait qu’un établissement de monnaie électronique, ses agents ou ses distributeurs ont mis en place un mécanisme particulier ayant pour but ou pour effet de favoriser la fraude fi scale par des tiers. Indien de Bank de schorsing in het Belgisch Staats- blad heeft bekendgemaakt, zijn alle hiermee strijdige handelingen en beslissingen nietig. De Bank kan een instelling voor elektronisch geld tevens gelasten deelnemingen over te dragen die zij in voorkomend geval bezit overeenkomstig artikel 77, § 7; 3° inzake solvabiliteit, strengere vereisten opleggen dan deze bedoeld in artikel 72; 4° de vervanging gelasten van bestuurders of zaak- voerders van de instelling voor elektronisch geld binnen een termijn die zij bepaalt en, zo binnen deze termijn geen vervanging geschiedt, in de plaats van de voltallige bestuurs- en beleidsorganen van de instelling een of meer voorlopige bestuurders of zaakvoerders aanstel- len die alleen of collegiaal, naargelang van het geval, de bevoegdheden hebben van de vervangen personen. De Bank maakt haar beslissing bekend in het Belgisch Staatsblad. De bezoldiging van de voorlopige bestuurder(s) of zaakvoerder(s) wordt vastgesteld door de Bank en ge- dragen door de instelling voor elektronisch geld. De Bank kan op elk tijdstip de voorlopige bestuurder(s) of zaakvoerder(s) vervangen, hetzij ambtshalve, hetzij op verzoek van een meerderheid van aandeelhouders of vennoten, wanneer zij aantonen dat het beleid van de betrokkenen niet meer de nodige waarborgen biedt; 5° de vergunning herroepen. De Bank maakt alle beslissingen tot herroeping van een vergunning bekend op haar website. Bij uiterste hoogdringendheid kan de Bank de in deze paragraaf bedoelde maatregelen nemen zonder dat vooraf een hersteltermijn wordt vastgesteld. § 2. De in paragraaf 1 bedoelde beslissingen van de Bank hebben voor de instelling voor elektronisch geld uitwerking vanaf de datum van hun kennisgeving met een aangetekende brief of een brief met ontvangstbewijs en, voor derden, vanaf de datum van hun bekendmaking overeenkomstig paragraaf 1. § 3. Wanneer de Bank kennis heeft van het feit dat een instelling voor elektronisch geld, haar agenten of haar distributeurs een bijzonder mechanisme hebben ingesteld met als doel of gevolg fi scale fraude door der- den te bevorderen, zijn paragraaf 1, eerste en tweede lid, 2°, en paragraaf 2 van toepassing. DOC 53 2432/001 177 2431/001 DOC 53 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 3 e L É G I S L A T U R E K AMER 3e Z ITTING VAN DE 53e Z ITTING S P E RIO DE 2011 2012 Lorsque la Banque constate que les renseignements visés à l’article 20, § 1er, qui lui ont été communiqués par un établissement de monnaie électronique en vertu de l’article 76, § 3, sont inexacts ou incomplets, elle peut suspendre ou radier l’inscription de l’agent sur la liste visée à l’article 64. § 4. Le paragraphe 1er, alinéa 1er, et le paragraphe 2 ne sont pas applicables en cas de radiation de l’agrément d’un établissement de monnaie électronique déclaré en faillite.”. Art. 63 Dans la même section 5, il est inséré un article 88 rédigé comme suit: “Article 88. Lorsque les autorités de contrôle des établissements de monnaie électronique d’un autre État membre de l’EEE dans lequel un établissement de monnaie électronique de droit belge recourt à un agent, ou envisage de le faire, informent la Banque qu’elles ont de bonnes raisons de soupçonner qu’une opération ou une tentative de blanchiment de capitaux ou de fi nancement du terrorisme au sens de la Directive 2005/60/CE est en cours ou a eu lieu, ou que le recours à l’agent pourrait accroître le risque de blanchiment de capitaux ou de fi nancement du terrorisme, la Banque prend, dans les plus brefs délais, celles des mesures visées à l’article 87, § 1er, qui s’imposent. L’article 87, § 2, est également d’application. La Banque peut, dans le cas visé à l’alinéa 1er, exiger que l’établissement de monnaie électronique ne recoure plus à l’agent concerné et peut soit refuser, soit radier l’inscription de l’agent visée à l’article 20, § 2.”. Art. 64 Dans la même section 5, il est inséré un article 89 rédigé comme suit: “Article 89. La Banque informe sans délai les autorités de contrôle des établissements de monnaie électronique des autres États membres de l’EEE dans lesquels un établissement de monnaie électronique de droit belge a établi une succursale ou exerce des activités sous le régime de la libre prestation de services, des décisions qu’elle a prises conformément aux articles 86, 87 et 88. Elle tient ces autorités informées des suites données aux recours pris contre ces décisions.”. Wanneer de Bank vaststelt dat de gegevens bedoeld in artikel 20, § 1, die haar door een instelling voor elektro- nisch geld zijn verstrekt krachtens artikel 76, § 3, onjuist of onvolledig zijn, kan zij de inschrijving van de agent op de lijst bedoeld in artikel 64 schorsen of schrappen. § 4. Paragraaf 1, eerste lid, en paragraaf 2 zijn niet van toepassing bij intrekking van de vergunning van een failliet verklaarde instelling voor elektronisch geld.”. Art. 63 In dezelfde afdeling 5 wordt een artikel 88 ingevoegd, luidende: “Artikel 88. Wanneer de autoriteiten die toezicht houden op de instellingen voor elektronisch geld in een andere lidstaat van de EER, waar een instelling voor elektronisch geld naar Belgisch recht een beroep doet op een agent of voornemens is dit te doen, de Bank ervan in kennis stellen dat zij goede redenen hebben om te vermoeden dat geld wordt of werd witgewassen of terrorisme gefi nancierd wordt of werd, of dat gepoogd wordt of gepoogd werd geld wit te wassen of terrorisme te fi nancieren in de zin van Richtlijn 2005/60/EG, of dat het feit dat op een agent een beroep wordt gedaan, het risico op witwassen van geld of fi nanciering van terro- risme zou kunnen verhogen, neemt de Bank zo spoedig mogelijk de vereiste maatregelen bedoeld in artikel 87, § 1. Artikel 87, § 2, is eveneens van toepassing. In het geval bedoeld in het eerste lid kan de Bank eisen dat de instelling voor elektronisch geld niet langer een beroep doet op de betrokken agent en kan zij de inschrijving van de agent, als bedoeld in artikel 20, § 2, hetzij weigeren, hetzij schrappen.”. Art. 64 In dezelfde afdeling 5 wordt een artikel 89 ingevoegd, luidende: “Artikel 89. De Bank brengt onmiddellijk ter kennis van de autoriteiten die toezicht houden op de instellingen voor elektronisch geld in andere lidstaten van de EER waar een instelling voor elektronisch geld naar Belgisch recht een bijkantoor heeft gevestigd of werkzaamheden verricht in het kader van het vrij verrichten van diensten, welke beslissingen zij overeenkomstig de artikelen 86, 87 en 88 heeft genomen. Zij houdt deze autoriteiten op de hoogte van de behandeling van het beroep tegen deze beslissingen.”. DOC 53 2432/001 178 2431/001 DOC 53 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 3 e L É G I S L A T U R E K AMER 3e Z ITTING VAN DE 53e Z ITTING S P E RIO DE 2011 2012 Art. 65 Dans la même section 5, il est inséré un article 90 rédigé comme suit: “Article 90. Les établissements de monnaie électro- nique dont l’agrément a été radié ou révoqué en vertu de la présente loi, restent soumis à cette loi jusqu’à la liquidation de leurs engagements vis-à-vis des déten- teurs de monnaie électronique, et le cas échéant, des utilisateurs de services de paiement, à moins que la Banque ne les en dispense pour certaines dispositions. Le présent article n’est pas applicable en cas de radiation de l’agrément d’un établissement de monnaie électronique déclaré en faillite.”. Art. 66 Dans le Livre 3, Titre 2 de la même loi, inséré par l’article 29, il est inséré un Chapitre 2, intitulé: “Chapitre 2. Succursales et activités de prestation de services en Belgique des établissements de monnaie électronique relevant du droit d’un autre État membre de l’EEE”. Art. 67 Dans le Livre 3, Titre 2, Chapitre 2, inséré par l’article 66, il est inséré un article 91 rédigé comme suit: “Article 91. Les établissements de monnaie élec- tronique relevant du droit d’un autre État membre de l’EEE, qui sont habilités en vertu de leur droit national à émettre de la monnaie électronique dans leur État d’origine peuvent entamer ces activités en Belgique, soit par voie d’installation de succursales, soit sous le régime de la libre prestation de services, dès que la Banque a notifi é à ces établissements la réception de la communication qui lui a été faite par l’autorité de contrôle de l’État d’origine de ces établissements portant sur les activités qu’ils entendent exercer en Belgique. La notifi cation est adressée par la Banque à l’établissement de monnaie électronique intéressé dans les trois jours ouvrables de la réception de la communication. À défaut de notifi cation dans ce délai, l’établissement de monnaie électronique peut enta- mer les activités annoncées, après en avoir informé la Banque. La Banque publie sur son site internet la liste des établissements de monnaie électronique qui relèvent du droit d’un autre État membre de l’EEE et qui exercent des activités en Belgique, ou renvoie au site internet de l’autorité compétente dans l’État d’origine de ces établissements de monnaie électronique. Art. 65 In dezelfde afdeling 5 wordt een artikel 90 ingevoegd, luidende: “Artikel 90. De instellingen voor elektronisch geld waarvan de vergunning is ingetrokken of herroepen op grond van deze wet, blijven onderworpen aan deze wet tot hun verbintenissen ten aanzien van de houders van elektronisch geld, en, in voorkomend geval, van de betalingsdienstgebruikers, zijn vereffend, tenzij de Bank hen vrijstelt van bepaalde voorschriften. Dit artikel is niet van toepassing bij intrekking van de vergunning van een failliet verklaarde instelling voor elektronisch geld.”. Art. 66 In Boek 3, Titel 2 van dezelfde wet, ingevoegd bij artikel 29, wordt een Hoofdstuk 2 ingevoegd, luidende: “Hoofdstuk 2. Bijkantoren en dienstverrichtingen in België van instellingen voor elektronisch geld die res- sorteren onder het recht van een andere lidstaat van de EER”. Art. 67 In Boek 3, Titel 2, Hoofdstuk 2 van dezelfde wet, in- gevoegd bij artikel 66, wordt een artikel 91 ingevoegd, luidende: “Artikel 91. Iedere instelling voor elektronisch geld die ressorteert onder het recht van een andere lidstaat van de EER en op grond van haar nationaal recht elek- tronisch geld mag uitgeven in haar land van herkomst, mag deze werkzaamheden in België aanvatten, hetzij via de vestiging van een bijkantoor, hetzij in het kader van het vrij verrichten van diensten, zodra de Bank de betrokken instelling ervan in kennis heeft gesteld dat zij de mededeling van de toezichthoudende autoriteiten van het land van herkomst van deze instelling heeft ontvangen, met opgave van de werkzaamheden die deze instelling in België wenst uit te oefenen. Binnen drie werkdagen na ontvangst van de mededeling stelt de Bank de betrokken instelling voor elektronisch geld hiervan in kennis. Bij gebrek aan kennisgeving binnen deze termijn mag de instelling voor elektronisch geld de voorgenomen werkzaamheden aanvatten, na de Bank hiervan op de hoogte te hebben gebracht. De Bank maakt op haar website de lijst bekend van de instel- lingen voor elektronisch geld die ressorteren onder het recht van een andere lidstaat van de EER en in België actief zijn of verwijst naar de website van de bevoegde autoriteit in het land van herkomst van deze instellingen voor elektronisch geld. DOC 53 2432/001 179 2431/001 DOC 53 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 3 e L É G I S L A T U R E K AMER 3e Z ITTING VAN DE 53e Z ITTING S P E RIO DE 2011 2012 Les établissements de monnaie électronique visés à l’alinéa 1er font, dans l’exercice de leur activité en Bel- gique, accompagner leur dénomination de la mention de leur État d’origine et, en cas de libre prestation de services, de leur siège social.”. Art. 68 Dans le même Chapitre 2, il est inséré un article 92 rédigé comme suit: “Article 92. § 1er. Les dispositions du présent chapitre ne portent pas préjudice au respect, lors de l’émission de monnaie électronique, ou le cas échéant, lors de la fourniture et de l’exécution de services de paiement, des dispositions légales et réglementaires applicables en Belgique aux établissements de monnaie électronique et à leurs opérations pour des raisons d’intérêt général. La Banque donne aux établissements de monnaie électronique visés à l’article 91 communication des dispositions qui, à sa connaissance, ont ce caractère. Les dispositions du présent chapitre ne portent pas davantage préjudice au respect des dispositions légales et réglementaires applicables, en Belgique, aux activités autres que l’émission de monnaie électronique et la prestation de services de paiement. § 2. Les dirigeants de la succursale font rapport au moins une fois par an à la Banque et au réviseur agréé ou à la société de réviseurs agréée sur l’adéquation des mesures de contrôle interne adoptées par les succursales en vue de se conformer aux dispositions applicables en vertu du paragraphe 1er.”. Art. 69 Dans le même Chapitre 2, il est inséré un article 93 rédigé comme suit: “Article 93. Les établissements de monnaie élec- tronique visés à l’article 91 transmettent à la Banque, selon la périodicité que celle-ci détermine, des rapports périodiques à des fi ns statistiques relatifs aux opéra- tions effectuées, dans le pays, par leurs succursales établies en Belgique. L’article 80, alinéa 2, s’applique par analogie. Le Roi détermine, sur avis de la Banque, les règles selon lesquelles les succursales visées à l’article 91: Bij de uitoefening van haar bedrijf in België vermeldt een in het eerste lid bedoelde instelling voor elektronisch geld naast haar naam, haar land van herkomst en, indien zij werkzaam is in het kader van het vrij verrichten van diensten, haar maatschappelijke zetel.”. Art. 68 In hetzelfde Hoofdstuk 2 wordt een artikel 92 inge- voegd, luidende: “Artikel 92. § 1. De bepalingen van dit hoofdstuk doen geen afbreuk aan de naleving, bij de uitgifte van elektro- nisch geld, of, in voorkomend geval, bij het aanbieden en uitvoeren van betalingsdiensten, van de wettelijke en reglementaire bepalingen die in België van toepas- sing zijn op de instellingen voor elektronisch geld en hun verrichtingen, om redenen van algemeen belang. De Bank deelt aan de in artikel 91 bedoelde instelling voor elektronisch geld mee welke bepalingen naar haar weten van algemeen belang zijn. De bepalingen van dit hoofdstuk doen evenmin af- breuk aan de naleving van de wettelijke en reglementaire bepalingen die in België van toepassing zijn op andere werkzaamheden dan de uitgifte van elektronisch geld en het verrichten van betalingsdiensten. § 2. De leiders van het bijkantoor brengen minstens eenmaal per jaar verslag uit aan de Bank en aan de erkende revisor of de erkende revisorenvennootschap, over de deugdelijkheid van de internecontrolemaatre- gelen die de bijkantoren hebben getroffen om zich te conformeren aan de bepalingen die krachtens paragraaf 1 van toepassing zijn.”. Art. 69 In hetzelfde Hoofdstuk 2 wordt een artikel 93 inge- voegd, luidende: “Artikel 93. De in artikel 91 bedoelde instellingen voor elektronisch geld bezorgen aan de Bank, volgens de frequentie die zij bepaalt, voor statistische doeleinden bestemde periodieke verslagen over de verrichtingen die hun in België gevestigde bijkantoren in België uit- voeren. Artikel 80, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing. Na advies van Bank bepaalt de Koning volgens welke regels de in artikel 91 bedoelde bijkantoren: DOC 53 2432/001 180 2431/001 DOC 53 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 3 e L É G I S L A T U R E K AMER 3e Z ITTING VAN DE 53e Z ITTING S P E RIO DE 2011 2012 1° tiennent leur comptabilité et procèdent aux éva- luations d’inventaire; 2° établissent des comptes annuels; 3° publient des informations comptables annuelles relatives à leurs opérations.”. Art. 70 Dans le même Chapitre 2, il est inséré un article 94 rédigé comme suit: “Article 94. § 1er. Les succursales visées à l’article 91 sont soumises au contrôle de la Banque aux fi ns prévues par les articles 92 et 93, dans la mesure où les matières visées par ces dispositions relèvent de la compétence de la Banque. Les articles 81 et 82 sont applicables dans cette mesure. La Banque peut accepter de se charger, à la demande des autorités de contrôle de l’État d’origine de l’établis- sement de monnaie électronique, d’effectuer auprès de ces succursales des inspections dans un but d’assis- tance à ces autorités, portant tant sur les matières visées à l’alinéa 1er que sur celles visées à l’article 83, alinéa 1er. Les frais entraînés par ces inspections et vérifi cations sont à la charge de l’autorité requérante. En cas d’urgence et moyennant avis donné aussitôt à l’autorité de contrôle de l’État d’origine de l’établisse- ment de monnaie électronique, la Banque peut vérifi er que l’activité de la succursale en Belgique est conforme à la législation qui lui est applicable. § 2. Les autorités étrangères compétentes pour le contrôle des établissements de monnaie électronique ayant ouvert en Belgique une succursale visée à l’article 91 peuvent, moyennant un avis préalable donné à la Banque, procéder ou faire procéder, à leurs frais, par des experts qu’elles désignent, à la vérifi cation, auprès de ces succursales, des informations visées à l’article 83, alinéa 1er.”. Art. 71 Dans le même Chapitre 2, il est inséré un article 95 rédigé comme suit: “Article 95. § 1er. Les dirigeants des succursales visées à l’article 91 désignent, pour des durées renouvelables de trois ans, un ou plusieurs réviseurs agréés ou une ou plusieurs sociétés de réviseurs agréées par la Banque. 1° hun boekhouding voeren en inventarisramingen verrichten; 2° hun jaarrekening opmaken; 3° de jaarlijkse boekhoudkundige gegevens in ver- band met hun verrichtingen openbaar maken.”. Art. 70 In hetzelfde Hoofdstuk 2 wordt een artikel 94 inge- voegd, luidende: “Artikel 94. § 1. De in artikel 91 bedoelde bijkantoren zijn onderworpen aan het toezicht van de Bank voor het bepaalde in de artikelen 92 en 93, voor zover de Bank bevoegd is voor de in deze bepalingen voorkomende aspecten. De artikelen 81 en 82 zijn dienovereenkomstig van toepassing. Op verzoek van de toezichthoudende autoriteiten van het land van herkomst van de instelling voor elektronisch geld mag de Bank, als een vorm van bijstand aan deze autoriteiten, bij deze bijkantoren inspecties verrichten, die zowel op de in het eerste lid als op de in artikel 83, eerste lid, bedoelde aspecten kunnen slaan. De kosten van deze inspecties en controles worden gedragen door de autoriteit die erom verzoekt. Bij dringende noodzaak en met onmiddellijke ken- nisgeving aan de toezichthoudende autoriteiten van het land van herkomst van de instelling voor elektro- nisch geld, kan de Bank nagaan of het bedrijf van het bijkantoor in België in overeenstemming is met de van toepassing zijnde wetgeving. § 2. De buitenlandse autoriteiten die bevoegd zijn voor het toezicht op de instellingen voor elektronisch geld die in België een bijkantoor hebben geopend als bedoeld in artikel 91 mogen, na voorafgaande kennisgeving aan de Bank, de in artikel 83, eerste lid, bedoelde gegevens in deze bijkantoren controleren of op hun kosten laten controleren door deskundigen die zij aanstellen.”. Art. 71 In hetzelfde Hoofdstuk 2 wordt een artikel 95 inge- voegd, luidende: “Artikel 95. § 1. De leiders van de in artikel 91 be- doelde bijkantoren stellen een of meer door de Bank erkende revisoren of erkende revisorenvennootschap- pen aan voor een hernieuwbare termijn van drie jaar. DOC 53 2432/001 181 2431/001 DOC 53 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 3 e L É G I S L A T U R E K AMER 3e Z ITTING VAN DE 53e Z ITTING S P E RIO DE 2011 2012 Les articles 31 et 32, alinéas 1er à 4, sont applicables à ces réviseurs et sociétés. La révocation des fonctions des réviseurs agréés et sociétés de réviseurs agréées est soumise à l’avis préalable de la Banque. § 2. Les réviseurs agréés ou sociétés de réviseurs agréées, désignés conformément au § 1er, collaborent au contrôle exercé par la Banque, sous leur respon- sabilité personnelle et exclusive et conformément au présent paragraphe, aux règles de la profession et aux instructions de la Banque. À cette fi n: 1° ils évaluent les mesures de contrôle interne adop- tées par les succursales en vue du respect des lois, arrêtés et règlements applicables aux succursales en vertu de l’article 93, et ils communiquent leurs conclu- sions à la Banque; 2° ils font rapport à la Banque sur: a) les résultats de l’examen limité des états pério- diques transmis par les succursales visées à l’article 91 à la Banque à la fi n du premier semestre social, confi rmant qu’ils n’ont pas connaissance de faits dont il apparaîtrait que ces états périodiques n’ont pas, sous tous égards signifi cativement importants, été établis selon les instructions en vigueur de la Banque. Ils confi rment en outre que les états périodiques arrêtés en fi n de semestre sont, pour ce qui est des données comptables, sous tous égards signifi cativement impor- tants, conformes à la comptabilité et aux inventaires, en ce sens qu’ils sont complets, c’est-à-dire qu’ils mentionnent toutes les données fi gurant dans la comp- tabilité et dans les inventaires sur la base desquels ils sont établis, et qu’ils sont corrects, c’est-à-dire qu’ils concordent exactement avec la comptabilité et avec les inventaires sur la base desquels ils sont établis; ils confi rment également n’avoir pas connaissance de faits dont il apparaîtrait que les états périodiques arrêtés en fi n de semestre n’ont pas été établis par application des règles de comptabilisation et d’évaluation qui ont présidé à l’établissement des comptes annuels afférents au dernier exercice; la Banque peut préciser quels sont en l’occurrence les états périodiques visés; b) les résultats du contrôle des états périodiques transmis par les succursales visées à l’article 91 à la Banque à la fi n de l’exercice social, confi rmant que ces états périodiques ont, sous tous égards signifi cative- ment importants, été établis selon les instructions en vigueur de la Banque. Ils confi rment en outre que les états périodiques arrêtés en fi n d’exercice sont, pour ce qui est des données comptables, sous tous égards signifi cativement importants, conformes à la comptabi- lité et aux inventaires, en ce sens qu’ils sont complets, De artikelen 31 en 32, eerste tot vierde lid, zijn van toepassing op deze revisoren en vennootschappen. Vooraleer een erkende revisor of een erkende revisoren- vennootschap van zijn of haar opdracht wordt ontslaan, moet het advies van de Bank worden ingewonnen. § 2. De overeenkomstig § 1 aangestelde erkende revisoren of erkende revisorenvennootschappen ver- lenen hun medewerking aan het toezicht van de Bank, op hun eigen en uitsluitende verantwoordelijkheid en overeenkomstig deze paragraaf, volgens de regels van het vak en de richtlijnen van de Bank. Daartoe: 1° beoordelen zij de internecontrolemaatregelen die de bijkantoren hebben getroffen met het oog op de naleving van de wetten, besluiten en reglementen die krachtens artikel 93 van toepassing zijn op de bijkan- toren, en delen zij hun bevindingen mee aan de Bank; 2° brengen zij verslag uit bij de Bank over: a) de resultaten van het beperkt nazicht van de perio- dieke staten die de in artikel 91 bedoelde bijkantoren aan het einde van het eerste halfjaar aan de Bank bezorgen, waarin bevestigd wordt dat zij geen kennis hebben van feiten waaruit zou blijken dat de periodieke staten per einde halfjaar niet in alle materieel belangrijke opzichten volgens de geldende richtlijnen van de Bank werden opgesteld. Bovendien bevestigen zij dat de periodieke staten per einde halfjaar, voor wat de boekhoudkundige gegevens betreft, in alle materieel belangrijke opzichten in overeenstemming zijn met de boekhouding en de inventarissen, in die zin dat zij volledig zijn, d.w.z. dat zij alle gegevens bevatten uit de boekhouding en de inventarissen op basis waarvan de periodieke staten worden opgesteld, en dat zij juist zijn, d.w.z. dat zij de gegevens correct weergeven uit de boekhouding en de inventarissen op basis waarvan de periodieke staten worden opgesteld; en bevestigen zij geen kennis te hebben van feiten waaruit zou blijken dat de periodieke staten per einde halfjaar niet zijn opgesteld met toepas- sing van de boekings- en waarderingsregels voor de opstelling van de jaarrekening met betrekking tot het laatste boekjaar; de Bank kan de hier bedoelde perio- dieke staten nader bepalen; b) de resultaten van de controle van de periodieke staten die de in artikel 91 bedoelde bijkantoren aan het einde van het boekjaar aan de Bank bezorgen, waarin bevestigd wordt dat de periodieke staten in alle materi- eel belangrijke opzichten werden opgesteld volgens de geldende richtlijnen van de Bank. Bovendien bevestigen zij dat de periodieke staten per einde van het boekjaar, voor wat de boekhoudkundige gegevens betreft, in alle materieel belangrijke opzichten in overeenstemming zijn met de boekhouding en de inventarissen, in die zin dat DOC 53 2432/001 182 2431/001 DOC 53 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 3 e L É G I S L A T U R E K AMER 3e Z ITTING VAN DE 53e Z ITTING S P E RIO DE 2011 2012 c’est-à-dire qu’ils mentionnent toutes les données fi gurant dans la comptabilité et dans les inventaires sur la base desquels ils sont établis, et qu’ils sont cor- rects, c’est-à-dire qu’ils concordent exactement avec la comptabilité et avec les inventaires sur la base desquels ils sont établis; ils confi rment également que les états périodiques arrêtés en fi n d’exercice ont été établis par application des règles de comptabilisation et d’évalua- tion présidant à l’établissement des comptes annuels; la Banque peut préciser quels sont en l’occurrence les états périodiques visés. Ils peuvent être chargés par la Banque, à la demande de la Banque Centrale Européenne, de confi rmer, de même, les informations que les succurcales sont tenues de communiquer à ces autorités par application de l’article 93, alinéa 1er; 3° ils font à la Banque des rapports périodiques ou, à sa demande, des rapports spéciaux portant sur l’organisation, les activités et la structure fi nancière des succursales dans les domaines de compétence de la Banque à l’égard de celles-ci; 4° ils font d’initiative rapport à la Banque dans les domaines de compétence de celle-ci ainsi qu’en vue de la collaboration avec l’autorité de contrôle du siège central, dès qu’ils constatent: a) des décisions, des faits ou des évolutions qui infl uencent ou peuvent infl uencer de façon signifi ca- tive la situation de la succursale sous l’angle fi nancier ou sous l’angle de son organisation administrative et comptable ou de son contrôle interne; b) des décisions ou des faits qui peuvent constituer des violations des dispositions de la présente loi et des arrêtés et règlements pris pour son exécution ou des autres lois et règlements applicables à leur activité en Belgique dans la mesure où les matières visées par ces dispositions relèvent de la compétence de la Banque; 5° ils font rapport à la Banque, sur la demande de celle-ci, lorsqu’elle est saisie par une autre autorité belge de violations à des législations d’intérêt général applicables à la succursale. Aucune action civile, pénale ou disciplinaire ne peut être intentée ni aucune sanction professionnelle pro- noncée contre les réviseurs agréés qui ont procédé de bonne foi à une information visée sous le 4° de l’alinéa 1er. zij volledig zijn, d.w.z. dat zij alle gegevens bevatten uit de boekhouding en de inventarissen op basis waarvan de periodieke staten worden opgesteld, en dat zij juist zijn, d.w.z. dat zij de gegevens correct weergeven uit de boekhouding en de inventarissen op basis waarvan de periodieke staten worden opgesteld; en bevestigen zij dat de periodieke staten per einde van het boekjaar werden opgesteld met toepassing van de boekings- en waarderingsregels voor de opstelling van de jaarreke- ning; de Bank kan de hier bedoelde periodieke staten nader bepalen. Zij kunnen door de Bank, op verzoek van de Europese Centrale Bank, worden gelast ook de gegevens te be- vestigen die de bijkantoren aan deze autoriteiten moeten verstrekken met toepassing van artikel 93, eerste lid; 3° brengen zij bij de Bank periodiek verslag uit of, op haar verzoek, bijzonder verslag uit over de organisatie, de werkzaamheden en de fi nanciële structuur van de bijkantoren met betrekking tot de aangelegenheden waarvoor de Bank bevoegd is; 4° brengen zij op eigen initiatief verslag uit bij de Bank, over aspecten waarvoor zij bevoegd is, alsook in het kader van de samenwerking met de autoriteiten die toezicht houden op de centrale zetel, zodra zij kennis krijgen van: a) beslissingen, feiten of ontwikkelingen die de posi- tie van het bijkantoor fi nancieel of op het vlak van zijn administratieve en boekhoudkundige organisatie of van zijn interne controle, op betekenisvolle wijze beïnvloeden of kunnen beïnvloeden; b) beslissingen of feiten die kunnen wijzen op een overtreding van de bepalingen van deze wet en de ter uitvoering ervan genomen besluiten en reglementen of andere wetten en reglementen die op hun bedrijf in België van toepassing zijn, voor zover de in deze bepa- lingen bedoelde aangelegenheden tot de bevoegdheid van de Bank behoren; 5° brengen zij bij de Bank, op haar verzoek, verslag uit, wanneer een andere Belgische overheid haar ter kennis brengt dat een wetgeving van algemeen belang die voor het bijkantoor geldt, werd overtreden. Tegen erkende revisoren die te goeder trouw infor- matie hebben verstrekt als bedoeld in het eerste lid, 4°, kunnen geen burgerrechtelijke, strafrechtelijke of tuchtrechtelijke vorderingen worden ingesteld, noch professionele sancties worden uitgesproken. DOC 53 2432/001 183 2431/001 DOC 53 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 3 e L É G I S L A T U R E K AMER 3e Z ITTING VAN DE 53e Z ITTING S P E RIO DE 2011 2012 Ils communiquent aux dirigeants de la succursale les rapports qu’ils adressent à la Banque conformément à l’alinéa 1er, 3°. Ces communications tombent sous le secret prévu par l’article 35 de la loi du 22 février 1998. Ils transmettent à la Banque copie des communications qu’ils adressent à ces dirigeants sur des questions ren- trant dans le domaine de contrôle de la Banque. Dans les succursales où un conseil d’entreprise est institué en application de la loi du 20 septembre 1948 portant organisation de l’économie, les réviseurs agréés ou sociétés de réviseurs agréées assurent les fonctions prévues par l’article 15bis de cette loi. Ils peuvent, moyennant l’information préalable de la Banque, accepter de se charger, à la demande et aux frais des autorités de contrôle de l’État d’origine de la succursale, d’effectuer auprès de cette succursale dans un but d’assistance à ces autorités, des vérifi cations portant sur les matières visées aux articles 83, alinéa 1er, et 94, § 1er. § 3. Les réviseurs agréés ou sociétés de réviseurs agréées certifi ent les informations comptables annuelles publiées en vertu de l’article 93, alinéa 2.”. Art. 72 Dans le même Chapitre 2, il est inséré un article 96 rédigé comme suit: “Article 96. Lorsque la Banque constate qu’un établissement de monnaie électronique relevant du droit d’un autre État membre de l’EEE et opérant en Belgique par l’intermédiaire d’une succursale ou par voie de prestation de services ne se conforme pas aux dispositions légales et réglementaires applicables en Belgique dans le domaine de compétence de la Banque, elle met l’établissement de monnaie électronique en demeure de remédier, dans le délai qu’elle détermine, à la situation constatée. Si, au terme de ce délai, il n’a pas été remédié à la situation, la Banque saisit de ses observations l’autorité de contrôle de l’État d’origine de l’établissement de monnaie électronique. Lorsque la Banque a de bonnes raisons de soupçon- ner qu’une opération ou une tentative de blanchiment de capitaux ou de fi nancement du terrorisme au sens de la Directive 2005/60/CE est en cours ou a eu lieu dans le chef d’un agent d’un établissement de monnaie Zij delen aan de leiders van het bijkantoor de versla- gen mee die zij aan de Bank richten overeenkomstig het eerste lid, 3°. Voor deze mededeling geldt de geheim- houdingsplicht zoals geregeld bij artikel 35 van de wet van 22 februari 1998. Zij bezorgen de Bank een kopie van de mededelingen die zij aan deze leiders richten en die betrekking hebben op aspecten waarvoor de Bank toezichtsbevoegdheid heeft. In bijkantoren waar een ondernemingsraad is opge- richt met toepassing van de wet van 20 september 1948 houdende organisatie van het bedrijfsleven, oefenen de erkende revisoren of de erkende revisorenvennoot- schappen de in artikel 15bis van deze wet bedoelde opdrachten uit. Op verzoek en op kosten van de toezichthoudende autoriteiten van het land van herkomst van het bijkantoor, mogen zij als een vorm van bijstand aan deze autoritei- ten en na voorafgaande kennisgeving aan de Bank, in dit bijkantoor toezicht uitoefenen op de in de artikelen 83, eerste lid, en 94, § 1, bedoelde aspecten. § 3. De erkende revisoren of de erkende revisoren- vennootschappen certifi ceren de krachtens artikel 93, tweede lid, openbaar gemaakte jaarlijkse boekhoud- kundige gegevens.”. Art. 72 In hetzelfde Hoofdstuk 2 wordt een artikel 96 inge- voegd, luidende: “Artikel 96. Wanneer de Bank vaststelt dat een in- stelling voor elektronisch geld die ressorteert onder het recht van een andere lidstaat van de EER en die in België werkzaam is via een bijkantoor of via het ver- richten van diensten, zich niet conformeert aan de in België geldende wettelijke en reglementaire bepalingen die tot de bevoegdheidssfeer van de Bank behoren, maant zij de instelling voor elektronisch geld aan om de vastgestelde toestand binnen de door haar bepaalde termijn te verhelpen. Indien de toestand na deze termijn niet is verholpen, brengt de Bank haar opmerkingen ter kennis van de toezichthoudende autoriteit van het land van herkomst van de instelling voor elektronisch geld. Wanneer de Bank goede redenen heeft om te ver- moeden dat door een agent van een instelling voor elektronisch geld, geld wordt of werd witgewassen of terrorisme gefi nancierd wordt of werd, of dat gepoogd wordt of gepoogd werd geld wit te wassen of terrorisme DOC 53 2432/001 184 2431/001 DOC 53 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 3 e L É G I S L A T U R E K AMER 3e Z ITTING VAN DE 53e Z ITTING S P E RIO DE 2011 2012 électronique ou que ses activités pourraient accroître le risque de blanchiment de capitaux ou de fi nancement du terrorisme, elle en informe les autorités chargées du contrôle de l’établissement de monnaie électronique en question.”. Art. 73 Dans le même Chapitre 2, il est inséré un article 97 rédigé comme suit: “Article 97. La Banque peut communiquer à l’autorité de contrôle d’un établissement de monnaie électronique relevant du droit d’un autre État membre de l’EEE les raisons qu’elle a de considérer que la situation de la succursale en Belgique de cet établissement ne pré- sente pas les garanties nécessaires sur le plan de la bonne organisation administrative ou comptable ou du contrôle interne. En cas de radiation ou de révocation de l’agrément de l’établissement de monnaie électronique par l’autorité de contrôle de son État d’origine, la Banque ordonne, après en avoir donné avis à cette autorité, la fermeture de la succursale que cet établissement a établie en Belgique. Elle peut, si nécessaire, désigner un gérant provisoire qui est habilité à prendre toutes mesures conservatoires dans l’intérêt des créanciers.”. Art. 74 Dans le Livre 3, Titre 2 de la même loi, inséré par l’article 26, il est inséré un Chapitre 3, intitulé “Chapitre 3. Succursales en Belgique des établisse- ments de monnaie électronique relevant du droit d’États qui ne sont pas membres de l’EEE”. Art. 75 Dans le Livre 3, Titre 2, Chapitre 3 de la même loi, inséré par l’article 74, il est inséré un article 98 rédigé comme suit: “Article 98. Pour l’application du présent chapitre, il y a lieu d’entendre par établissement de monnaie élec- tronique toute entreprise relevant du droit d’un État non membre de l’EEE et dont l’activité consiste à émettre de la monnaie électronique.”. te fi nancieren in de zin van Richtlijn 2005/60/EG, of dat zijn werkzaamheden het risico op witwassen van geld of fi nanciering van terrorisme zouden kunnen verhogen, stelt zij de autoriteiten die toezicht houden op die instel- ling voor elektronisch geld hiervan in kennis.”. Art. 73 In hetzelfde Hoofdstuk 2 wordt een artikel 97 inge- voegd, luidende: “Artikel 97. De Bank kan de autoriteiten die toezicht houden op een instelling voor elektronisch geld die ressorteert onder het recht van een andere lidstaat van de EER, meedelen om welke redenen zij van oordeel is dat de positie van het bijkantoor van deze instelling in België niet de nodige waarborgen biedt voor een goede administratieve of boekhoudkundige organisatie of interne controle. Bij intrekking of herroeping van de vergunning van een instelling voor elektronisch geld door de toezicht- houdende autoriteiten van haar land van herkomst, beveelt de Bank, na deze autoriteiten hiervan in kennis te hebben gesteld, de sluiting van het bijkantoor dat deze instelling in België heeft gevestigd. Indien nodig kan zij een voorlopige zaakvoerder aanstellen die gemachtigd is in het belang van de schuldeisers alle bewarende maatregelen te treffen.”. Art. 74 In Boek 3, Titel 2 van dezelfde wet, ingevoegd bij artikel 26, wordt een Hoofdstuk 3 ingevoegd, luidende “Hoofdstuk 3. Bijkantoren in België van instellingen voor elektronisch geld die ressorteren onder het recht van staten die geen lid zijn van de EER”. Art. 75 In Boek 3, Titel 2, Hoofdstuk 3 van dezelfde wet, in- gevoegd bij artikel 74, wordt een artikel 98 ingevoegd, luidende: “Artikel 98. Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt onder “instelling voor elektronisch geld” verstaan elke onderneming die ressorteert onder het recht van een Staat die geen lid is van de EER en waarvan de activiteit bestaat in het uitgeven van elektronisch geld.”. DOC 53 2432/001 185 2431/001 DOC 53 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 3 e L É G I S L A T U R E K AMER 3e Z ITTING VAN DE 53e Z ITTING S P E RIO DE 2011 2012 Art. 76 Dans le Livre 3, Titre 2, Chapitre 3 de la même loi, inséré par l’article 74, il est inséré une Section 1re inti- tulée “Section 1re. Accès à l’activité”. Art. 77 Dans le Livre 3, Titre 2, Chapitre 3, Section 1re, insérée par l’article 76, il est inséré un article 99 rédigé comme suit: “Article 99. § 1er. Sont applicables les dispositions suivantes: 1° les articles 61, 62 et 63 de la loi: étant entendu qu’avant de statuer sur la demande d’agrément de la succursale, la Banque consulte les autorités de contrôle de l’État d’origine de l’établissement de monnaie élec- tronique; 2° l’article 64, alinéa 1er: étant entendu que les succur- sales visées par le présent chapitre sont mentionnées à une rubrique spéciale de la liste visée à cet article; 3° l’article 65: toutefois, peuvent être agréées des succursales d’établissements de monnaie électronique dotés de la personnalité juridique mais n’ayant pas la forme de société commerciale; 4° l’article 66: le capital initial étant remplacé par une dotation, la Banque a compétence pour apprécier les éléments constitutifs de la dotation; 5° les articles 67 à 69. § 2. La Banque peut refuser d’agréer la succursale d’un établissement de monnaie électronique relevant du droit d’un État qui n’accorde pas les mêmes possibilités d’accès à son marché aux établissements de monnaie électronique de droit belge. § 3. La Banque peut refuser l’agrément d’une suc- cursale visée par le présent chapitre si elle estime que la protection des détenteurs de monnaie électronique ou la gestion saine et prudente de l’établissement exige la constitution d’une société de droit belge.”. Art. 78 Dans le Livre 3, Titre 2, Chapitre 3 de la même loi, inséré par l’article 74, il est inséré une Section 2 intitulée “Section 2. Exercice de l’activité”. Art.76 In Boek 3, Titel 2, Hoofdstuk 3 van dezelfde wet, in- gevoegd bij artikel 74, wordt een afdeling 1 ingevoegd, luidende “Afdeling 1. Bedrijfsvergunning”. Art. 77 In Boek 3, Titel 2, Hoofdstuk 3, Afdeling 1 van de- zelfde wet, ingevoegd bij artikel 76, wordt een artikel 99 ingevoegd, luidende: “Artikel 99. § 1. De volgende artikelen zijn van toe- passing: 1° de artikelen 61, 62 en 63 van de wet: met dien verstande dat de Bank de toezichthoudende autoriteiten van het land van herkomst van de instelling voor elektro- nisch geld raadpleegt vooraleer zich uit te spreken over de vergunningsaanvraag van een bijkantoor; 2° artikel 64, eerste lid: met dien verstande dat de in dit hoofdstuk bedoelde bijkantoren worden vermeld in een bijzondere rubriek van de lijst bedoeld in dit artikel; 3° artikel 65: er kan evenwel een vergunning wor- den verleend aan bijkantoren van instellingen voor elektronisch geld met rechtspersoonlijkheid die geen handelsvennootschap zijn; 4° artikel 66: waarbij het aanvangskapitaal wordt vervangen door een dotatie; de Bank is bevoegd om de bestanddelen van die dotatie te beoordelen; 5° de artikelen 67 tot 69. § 2. De Bank kan een vergunning weigeren aan het bijkantoor van een instelling voor elektronisch geld die ressorteert onder het recht van een staat die aan instel- lingen voor elektronisch geld naar Belgisch recht niet dezelfde toegangsmogelijkheden tot zijn markt biedt. § 3. De Bank kan een vergunning weigeren aan een in dit hoofdstuk bedoeld bijkantoor, indien zij van oordeel is dat voor de bescherming van de houders van elek- tronisch geld of voor een gezond en voorzichtig beleid van de instelling, de oprichting van een vennootschap naar Belgisch recht is vereist.”. Art. 78 In Boek 3, Titel 2, Hoofdstuk 3 van dezelfde wet, in- gevoegd bij artikel 74, wordt een afdeling 2 ingevoegd, luidende “Afdeling 2. Bedrijfsuitoefening”. DOC 53 2432/001 186 2431/001 DOC 53 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 3 e L É G I S L A T U R E K AMER 3e Z ITTING VAN DE 53e Z ITTING S P E RIO DE 2011 2012 Art. 79 Dans le Livre 3, Titre 2, Chapitre 3, Section 2 de la même loi, insérée par l’article 78, il est inséré un article 100 rédigé comme suit: “Article 100. Sont applicables les articles suivants: 1° l’article 72; 2° l’article 73, § 1er; lorsque la Banque a des raisons de considérer que l’infl uence exercée par les personnes physiques ou morales détenant, directement ou indirec- tement, une participation qualifi ée au sens de l’article 3, § 1er, 3° de la loi bancaire, est de nature à compro- mettre la gestion saine et prudente de l’établissement de monnaie électronique, et sans préjudice des autres mesures prévues par la présente loi, la Banque peut suspendre ou révoquer, pour la durée qu’elle détermine l’agrément de la succursale; l’article 87, § 1er, 2° et 5°, et § 2 s’applique à ces décisions; 3° les articles 74, 76, § 1er, 3 et 4 et 77 à 80.”. Art. 80 Dans le Livre 3, Titre 2, Chapitre 3 de la même loi, inséré par l’article 74, il est inséré une Section 3 intitulée “Section 3. Contrôle”. Art. 81 Dans le Livre 3, Titre 2, Chapitre 3, Section 3 de la même loi, insérée par l’article 80, il est inséré un article 100 rédigé comme suit: “Article 101. Les articles 81 et 82 sont applicables.”. Art. 82 Dans la même section 3, il est inséré un article 102 rédigé comme suit: “Article 102. Les dirigeants des succursales visées par le présent chapitre sont tenus de désigner un ou plusieurs réviseurs agréés ou une ou plusieurs sociétés de réviseurs agréées conformément aux articles 84 et 28. Ils peuvent désigner, selon la même procédure, un suppléant. En cas de désignation d’une société de réviseurs, l’article 29 est applicable. Art. 79 In Boek 3, Titel 2, Hoofdstuk 3, Afdeling 2 van de- zelfde wet, ingevoegd bij artikel 78, wordt een artikel 100 ingevoegd, luidende: “Artikel 100. De volgende artikelen zijn van toepassing: 1° artikel 72; 2° artikel 73, § 1; indien de Bank grond heeft om aan te nemen dat de invloed van natuurlijke of rechtsperso- nen die rechtstreeks of onrechtstreeks een gekwalifi - ceerde deelneming bezitten in de zin van artikel 3, § 1, 3° van de bankwet, een gezond en voorzichtig beleid van de instelling voor elektronisch geld kan belemme- ren, kan de Bank, onverminderd de andere bij deze wet bepaalde maatregelen, de vergunning van het bijkantoor schorsen of herroepen voor de termijn die zij bepaalt; artikel 87, § 1, 2° en 5°, en § 2 is van toepassing op deze beslissingen; 3° de artikelen 74, 76, § 1, 3 en 4 en 77 tot 80.”. Art. 80 In Boek 3, Titel 2, Hoofdstuk 3 van dezelfde wet, in- gevoegd bij artikel 74, wordt een afdeling 3 ingevoegd, luidende “Afdeling 3. Toezicht”. Art. 81 In Boek 3, Titel 2, Hoofdstuk 3, Afdeling 3 van de- zelfde wet, ingevoegd bij artikel 80, wordt een artikel 100 ingevoegd, luidende: “Artikel 101. De artikelen 81 en 82 zijn van toepas- sing.”. Art. 82 In dezelfde afdeling 3 wordt een artikel 102 inge- voegd, luidende: “Artikel 102. De leiders van de in dit hoofdstuk bedoel- de bijkantoren stellen een of meer erkende revisoren of erkende revisorenvennootschappen aan, overeenkom- stig de artikelen 84 en 28. Volgens dezelfde procedure kunnen zij een plaatsvervanger aanstellen. Bij aanstelling van een revisorenvennootschap is artikel 29 van toepassing. DOC 53 2432/001 187 2431/001 DOC 53 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 3 e L É G I S L A T U R E K AMER 3e Z ITTING VAN DE 53e Z ITTING S P E RIO DE 2011 2012 Les articles 31, 32, alinéas 1er à 4, et 85, alinéas 1er à 3, et 5 sont applicables. La révocation des fonctions des réviseurs agréés et sociétés de réviseurs agréées est soumise à l’avis préalable de la Banque. Dans les succursales où un conseil d’entreprise est institué en application de la loi du 20 septembre 1948 portant organisation de l’économie, les réviseurs ou sociétés de réviseurs agréés assurent les fonctions prévues par l’article 15bis de cette loi. Les réviseurs agréés ou sociétés de réviseurs agréées certifi ent les informations comptables publiées en vertu de l’article 80.”. Art. 83 Dans le Livre 3, Titre 2, Chapitre 3 de la même loi, inséré par l’article 74, il est inséré une Section 4 intitulée “Section 4. Radiation de l’agrément, mesures excep- tionnelles et sanctions”. Art. 84 Dans le Livre 3, Titre 2, Chapitre 3, Section 4 de la même loi, insérée par l’article 83, il est inséré un article 103 rédigé comme suit: “Article 103. Les articles 86, 87, 90, 106 et 107 sont applicables.”. Art. 85 Dans le Livre 3, Titre 2 de la même loi, inséré par l’article 29, il est inséré un Chapitre 4 intitulé “Chapitre 4. Echange d’information et coopération entre autorités”. Art. 86 Dans le Livre 3, Titre 2, Chapitre 4 de la même loi, inséré par l’article 85, il est inséré un article 104 rédigé comme suit: “Article 104. § 1er. Pour l’application des articles 35 et 36/13 à 36/15 de la loi du 22 février 1998 concer- nant l’échange d’informations et la coopération entre la Banque et les autorités d’autres États membres de l’EEE chargées du contrôle des établissements de monnaie électronique, l’activité des établissements de De artikelen 31, 32, eerste tot vierde lid, en 85, eerste tot derde lid, en vijfde lid zijn van toepassing. Vooraleer een erkende revisor of een erkende revi- sorenvennootschap van zijn of haar opdracht wordt ont- slaan, moet het advies van de Bank worden ingewonnen. In bijkantoren waar een ondernemingsraad is opge- richt met toepassing van de wet van 20 september 1948 houdende organisatie van het bedrijfsleven, oefenen de erkende revisoren of revisorenvennootschappen de in artikel 15bis van deze wet bedoelde opdrachten uit. De erkende revisoren of de erkende revisorenven- nootschappen certifi ceren de krachtens artikel 80 open- baar gemaakte boekhoudkundige gegevens.”. Art. 83 In Boek 3, Titel 2, Hoofdstuk 3 van dezelfde wet, in- gevoegd bij artikel 74, wordt een Afdeling 4 ingevoegd, luidende “Afdeling 4. Intrekking van de vergunning, uitzonderingsmaatregelen en strafbepalingen”. Art. 84 In Boek 3, Titel 2, Hoofdstuk 3, Afdeling 4 van de- zelfde wet, ingevoegd bij artikel 83, wordt een artikel 103 ingevoegd, luidende: “Artikel 103. De artikelen 86, 87, 90, 106 en 107 zijn van toepassing.”. Art. 85 In Boek 3, Titel 2 van dezelfde wet, ingevoegd bij artikel 29, wordt een Hoofdstuk 4 ingevoegd, luidende “Hoofdstuk 4. Informatie-uitwisseling en samenwerking tussen autoriteiten”. Art. 86 In Boek 3, Titel 2, Hoofdstuk 4 van dezelfde wet, in- gevoegd bij artikel 85, wordt een artikel 104 ingevoegd, luidende: “Artikel 104. § 1. Voor de toepassing van de artikelen 35 en 36/13 tot 36/15 van de wet van 22 februari 1998, die betrekking hebben op de uitwisseling van informatie en de samenwerking tussen de Bank en de autoriteiten van andere lidstaten van de EER die belast zijn met het toezicht op de instellingen voor elektronisch geld, moet DOC 53 2432/001 188 2431/001 DOC 53 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 3 e L É G I S L A T U R E K AMER 3e Z ITTING VAN DE 53e Z ITTING S P E RIO DE 2011 2012 monnaie électronique s’entend également de l’activité qu’ils exercent en recourant à des distributeurs, des agents, des succursales ou des prestataires de services au sens de l’article 4, 17°. § 2. La Banque fournit d’initiative aux autorités d’autres États membres de l’EEE, visées à l’alinéa 1er, toutes les informations essentielles et elle leur fournit sur demande toutes les informations pertinentes.”. Art. 87 Dans le Livre 3, inséré par l’article 25, il est inséré un Titre 3, intitulé “Titre 3. Exemption”. Art. 88 Dans le Livre 3, Titre 3 de la même loi, inséré par l’article 87, il est inséré un article 105 rédigé comme suit: “Article 105. § 1er. La Banque peut exempter de l’appli- cation de tout ou partie des dispositions des sections 1 à 3 du chapitre Ier du Titre 2 du présent Livre et de ses arrêtés d’exécution les personnes morales: 1° dont les activités commerciales dans leur en- semble génèrent une moyenne de monnaie électronique en circulation qui ne dépasse pas 5 000 000 euros; et 2° dont aucune des personnes physiques respon- sables de la gestion ou de l’exercice de l’activité n’a été condamnée pour des infractions liées au blanchiment de capitaux, au fi nancement du terrorisme ou visées à l’article 19, § 1er, 1° et 2° de la loi bancaire. La Banque ne peut exempter ces personnes morales de l’application des articles 77 et 78 de la présente loi. Lorsqu’un établissement de monnaie électronique exerce des activités visées à l’article 77, § 2, 1°, qui ne sont pas liées à l’émission de monnaie électronique ou des activités visées à l’article 77, § 1er, § 2, 2° et 3°, ou § 3, et que le montant de la monnaie électronique en circulation ne peut être déterminé à l’avance, cet établissement de monnaie électronique peut bénéfi cier de l’application du premier alinéa, 1°, sur la base d’une partie représentative des fonds qui est présumée utilisée pour l’émission de monnaie électronique, à condition que, sur la base de données historiques, il soit raison- nablement possible d’estimer cette partie représenta- tive d’une manière jugée satisfaisante par la Banque. onder het bedrijf van instelling voor elektronisch geld eveneens worden verstaan, het bedrijf dat de instel- ling voor elektronisch geld uitoefent via distributeurs, agenten, bijkantoren of dienstverleners in de zin van artikel 4, 17°. § 2. De Bank verstrekt op eigen initiatief aan de in het eerste lid bedoelde autoriteiten van andere lidstaten van de EER alle essentiële informatie en verstrekt hen op verzoek alle relevante informatie.”. Art. 87 In Boek 3, ingevoegd bij artikel 25, wordt een Titel 3 ingevoegd, luidende “Titel 3. Vrijstelling”. Art. 88 In Boek 3, Titel 3, van dezelfde wet, ingevoegd bij artikel 87, wordt een artikel 105 ingevoegd, luidende: “Artikel 105. § 1. De Bank kan geheel of gedeeltelijk vrijstelling verlenen van de toepassing van de bepalin- gen van afdelingen 1 tot 3 van Hoofdstuk 1 van Titel 2 van dit Boek en zijn uitvoeringsbesluiten aan rechts- personen: 1° waarvoor geldt dat de totale bedrijfsactiviteiten een gemiddeld uitstaand elektronisch geld genereren dat niet hoger is dan 5 000 000 euro; en 2° waarvoor geldt dat geen enkele van de met het beleid of de uitoefening van de werkzaamheden belaste natuurlijke personen veroordeeld is wegens strafbare feiten in verband met het witwassen van geld of terro- rismefi nanciering, of zoals bedoeld in artikel 19, § 1, 1° et 2° van de bankwet. De Bank kan deze rechtspersonen niet vrijstellen van de toepassing van artikelen 77 en 78 van deze wet. Wanneer een instelling voor elektronisch geld werk- zaamheden verricht als bedoeld in artikel 77, § 2, 1°, die geen verband houden met de uitgifte van elektronisch geld, of werkzaamheden verricht als bedoeld in artikel 77, § 1, § 2, 2° en 3°, of § 3, en het uitstaande bedrag aan elektronisch geld niet van te voren is gekend, mag deze instelling voor elektronisch geld het eerste lid, 1° toepassen op basis van een representatief gedeelte dat geacht wordt voor de uitgifte van elektronisch geld te worden gebruikt, mits het redelijkerwijs mogelijk is een dergelijk representatief gedeelte naar tevreden- heid van de Bank op basis van historische gegevens te ramen. Wanneer een instelling voor elektronisch geld DOC 53 2432/001 189 2431/001 DOC 53 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 3 e L É G I S L A T U R E K AMER 3e Z ITTING VAN DE 53e Z ITTING S P E RIO DE 2011 2012 Lorsqu’un établissement de monnaie électronique n’a pas accompli une période d’activité suffisamment longue, cette condition est évaluée sur la base de l’estimation de la monnaie électronique en circulation résultant de son plan d’entreprise, et sous réserve d’un éventuel ajustement de ce plan exigé par la Banque. § 2. Les personnes morales visées à l’alinéa 1er, qui sont exemptées, sont inscrites sur la liste visée à l’article 64. L’article 64 s’applique par analogie à ces personnes morales en ce qui concerne les informations fournies sur le site internet de la Banque et leur actualisation régulière. Le site internet mentionne que ces personnes morales bénéfi cient d’une exemption en application du présent article. § 3. Les personnes morales bénéfi ciant d’une exemp- tion accordée en vertu du paragraphe 1er: 1° doivent avoir leur siège social en Belgique, et exer- cer effectivement leurs activités d’émission de monnaie électronique sur le territoire belge; 2° ne bénéfi cient pas du régime de reconnaissance mutuelle prévu par l’article 91 de la présente loi; 3° doivent prévoir, dans le contrat régissant l’émission de monnaie électronique, que le montant chargé sur le support électronique stockant la monnaie électronique ne peut dépasser 150 euros; 4° ne peuvent fournir des services de paiement non liés à la monnaie électronique émise conformément au présent article que si les conditions énoncées à l’article 48 sont remplies; 5° informent la Banque de tout changement de leur situation ayant une incidence sur les conditions énoncées au paragraphe 1er et rendent compte pério- diquement à la Banque de la moyenne de monnaie électronique en circulation. La Banque détermine la fréquence de ce rapport; 6° appliquent les dispositions de la loi du 11 jan- vier  1993 relative à la prévention de l’utilisation du système fi nancier aux fi ns du blanchiment de capitaux et du fi nancement du terrorisme, qui sont applicables aux établissements de monnaie électronique, et des arrêtés et règlements pris pour son exécution. § 4. Le Roi peut prévoir qu’une personne morale bénéfi ciant d’une exemption accordée en vertu du para- graphe 1er ne peut exercer que certaines des activités énumérées à l’article 77, §§ 1er à 3. haar activiteiten niet lang genoeg heeft uitgeoefend, wordt deze voorwaarde beoordeeld op basis van het uitstaande bedrag aan elektronisch geld als geraamd in haar bedrijfsplan, rekening houdend met de eventuele aanpassingen in dit plan die de Bank heeft verlangd. § 2. De rechtspersonen bedoeld in het eerste lid die vrijgesteld zijn, worden ingeschreven op de lijst bedoeld in artikel 64. Artikel 64 is op deze rechtspersonen van overeenkomstige toepassing voor wat betreft de infor- matie die op de website van de Bank wordt verstrekt en de geregelde actualisering ervan. De website vermeldt dat deze rechtspersonen zijn vrijgesteld met toepassing van dit artikel. § 3. De rechtspersonen die vrijgesteld zijn op grond van paragraaf 1: 1° hebben hun maatschappelijke zetel in België en oefenen hun activiteit van uitgifte van elektronisch geld daadwerkelijk op het Belgische grondgebied uit; 2° komen niet in aanmerking voor de regeling inzake wederzijdse erkenning vastgesteld in artikel 91 van deze wet; 3° bepalen in de overeenkomst tot regeling van de uitgifte van elektronisch geld dat het bedrag dat op de elektronische drager mag worden opgeslagen, beperkt is tot 150 euro; 4° mag enkel betalingsdiensten aanbieden die geen verband houden met elektronisch geld dat wordt uitge- geven overeenkomstig dit artikel, indien voldaan is aan de voorwaarden van artikel 48; 5° stellen de Bank in kennis van elke verandering in hun situatie die relevant is voor de in paragraaf 1 gestel- de voorwaarden en brengen periodiek verslag uit aan de Bank over het gemiddeld uitstaand elektronisch geld. De Bank bepaalt de frequentie van deze rapportering; 6° passen de bepalingen toe van de wet van 11 ja- nuari  1993 tot voorkoming van het gebruik van het fi nanciële stelsel voor het witwassen van geld en de fi nanciering van terrorisme die gelden voor instellingen voor elektronisch geld, en van de ter uitvoering ervan genomen besluiten en reglementen. § 4. De Koning kan bepalen dat een rechtspersoon die vrijgesteld is op grond van paragraaf 1, alleen sommige van de in artikel 77, §§ 1 tot 3 opgesomde werkzaam- heden mag uitoefenen. DOC 53 2432/001 190 2431/001 DOC 53 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 3 e L É G I S L A T U R E K AMER 3e Z ITTING VAN DE 53e Z ITTING S P E RIO DE 2011 2012 § 5. Lorsque les conditions énoncées aux para- graphes 1er, et 3, 1°, 3°, 4° ne sont plus remplies, les établissements de monnaie électronique exemptés demandent l’agrément dans un délai de trente jours calendaires conformément aux articles 61 et suivants. Les établissements qui n’ont pas demandé l’agré- ment dans ce délai se voient interdire, conformément à l’article 59, d’émettre de la monnaie électronique.”. Art. 89 Dans le Livre 3 de la même loi, inséré par l’article 25, il est inséré un Titre 4, intitulé “Titre 4. Sanctions”. Art. 90 Dans le Livre 3, Titre 4 de la même loi, inséré par l’article 89, il est inséré un Chapitre 1er intitulé “Chapitre 1er. Sanctions administratives”. Art. 91 Dans le Livre 3, Titre 4, Chapitre1er de la même loi, inséré par l’article 90, il est inséré un article 106 rédigé comme suit: “Article 106. § 1er. Sans préjudice des autres mesures prévues par la présente loi, la Banque peut publier qu’un établissement de monnaie électronique belge ou étranger ne s’est pas conformé aux injonctions qui lui ont été faites de respecter dans le délai qu’elle déter- mine des dispositions de la présente loi ou des arrêtés et règlements pris pour son exécution. § 2. Sans préjudice des autres mesures prévues par la présente loi, la Banque peut fi xer à un établissement de monnaie électronique de droit belge ou étranger établi en Belgique un délai dans lequel: a) il doit se conformer à des dispositions déterminées de la présente loi ou des arrêtés et règlements pris pour son exécution, ou b) il doit apporter les adaptations qui s’imposent à sa structure de gestion, à son organisation administrative et comptable ou à son contrôle interne. § 5. Wanneer de in de paragrafen 1 en 3, 1°, 3°, 4° gestelde voorwaarden niet langer vervuld zijn, vragen de vrijgestelde instellingen voor elektronisch geld binnen 30 kalenderdagen een vergunning aan overeenkomstig artikel 61 en volgende. Voor de instellingen die binnen deze termijn geen vergunning hebben aangevraagd, is het overeenkomstig artikel 59 verboden om elektronisch geld uit te geven.”. Art. 89 In Boek 3 van dezelfde wet, ingevoegd bij artikel 25, wordt een Titel 4 ingevoegd, luidende “Titel 4. Sancties”. Art. 90 In Boek 3, Titel 4 van dezelfde wet, ingevoegd bij artikel 89, wordt een Hoofdstuk 1 ingevoegd, luidende “Hoofdstuk 1. Administratieve sancties”. Art. 91 In Boek 3, Titel 4, Hoofdstuk 1 van dezelfde wet, in- gevoegd bij artikel 90, wordt een artikel 106 ingevoegd, luidende: “Artikel 106. § 1. Onverminderd de andere bij deze wet voorgeschreven maatregelen, kan de Bank openbaar maken dat een Belgische of buitenlandse instelling voor elektronisch geld geen gevolg heeft gegeven aan haar aanmaningen om zich binnen de door haar vastgestelde termijn te conformeren aan de bepalingen van deze wet of de ter uitvoering ervan genomen besluiten en reglementen. § 2. Onverminderd de andere bij deze wet voorge- schreven maatregelen, kan de Bank voor een instelling voor elektronisch geld naar Belgisch of buitenlands recht die in België is gevestigd, een termijn bepalen: a) waarbinnen zij zich dient te conformeren aan specifi eke bepalingen van deze wet of de ter uitvoering ervan genomen besluiten en reglementen, of b) waarbinnen zij de nodige aanpassingen dient aan te brengen in haar beleidsstructuur, haar administra- tieve en boekhoudkundige organisatie of haar interne controle. DOC 53 2432/001 191 2431/001 DOC 53 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 3 e L É G I S L A T U R E K AMER 3e Z ITTING VAN DE 53e Z ITTING S P E RIO DE 2011 2012 L’injonction visée à l’alinéa 1er, littera b), n’est pas applicable aux succursales d’établissements de mon- naie électronique relevant du droit d’un autre État membre de l’EEE. Si l’établissement de monnaie électronique reste en défaut à l’expiration du délai, la Banque peut, l’éta- blissement entendu ou à tout le moins convoqué, lui infl iger une astreinte à raison d’un montant maximum de 2 500  000 euros par infraction ou de maximum 50 000 euros par jour de retard. § 3. Sans préjudice d’autres mesures prévues par la présente loi et sans préjudice des mesures prévues par d’autres lois, arrêtés ou règlements, la Banque peut, lorsqu’elle constate une infraction aux dispositions de la présente loi ou des mesures prises en exécution de celle-ci, infl iger à un établissement de monnaie élec- tronique de droit belge ou étranger établi en Belgique, une amende administrative qui ne peut être inférieure à 2 500 euros ni supérieure, pour le même fait ou pour le même ensemble de faits, à 2 500 000 euros. § 4. Les astreintes et amendes imposées en appli- cation des paragraphes 2 et 3 sont recouvrées au profi t du Trésor par l’administration au sein du Service Public Fédéral Finances compétent en matière de recouvre- ments non fi scaux.”. Art. 92 Dans le Livre 3, Titre 4 de la même loi, inséré par l’article 89, il est inséré un Chapitre 2 intitulé “CHA- PITRE 2. — Sanctions pénales”. Art. 93 Dans le Livre 3, Titre 3, Chapitre 2 de la même loi, inséré par l’article 92, il est inséré un article 107 rédigé comme suit: “Article 107. Sont punis d’un emprisonnement d’un mois à un an et d’une amende de 50 euros à 10 000 eu- ros, ou d’une de ces peines seulement: 1° ceux qui émettent de la monnaie électronique en Belgique sans satisfaire aux dispositions des articles 59, 91 et 99, § 1er, 1°; 2° ceux qui contreviennent à l’article 68, § 2; De in het eerste lid, littera b), bedoelde aanmaning geldt niet voor de bijkantoren van instellingen voor elektronisch geld die ressorteren onder het recht van een andere lidstaat van de EER. Indien de instelling voor elektronisch geld in gebreke blijft bij het verstrijken van de termijn, kan de Bank, na de instelling gehoord of tenminste opgeroepen te hebben, haar een dwangsom opleggen van maximum 2 500 000 euro per overtreding of maximum 50 000 euro per dag vertraging. § 3. Onverminderd andere maatregelen bepaald in deze wet en onverminderd de maatregelen bepaald in andere wetten, besluiten of reglementen, kan de Bank, indien zij een inbreuk vaststelt op de bepalingen van deze wet of de ter uitvoering ervan genomen maatre- gelen, een administratieve geldboete opleggen aan een instelling voor elektronisch geld naar Belgisch of buitenlands recht die in België is gevestigd, die niet minder mag bedragen dan 2 500 euro, noch meer dan 2 500 000 euro voor hetzelfde feit of voor hetzelfde geheel van feiten. § 4. De met toepassing van de paragrafen 2 en 3 opgelegde dwangsommen en geldboetes worden inge- vorderd ten bate van de Schatkist door de administratie binnen de Federale Overheidsdienst Financiën die bevoegd is inzake de niet fi scale vorderingen.”. Art. 92 In Boek 3, Titel 4 van dezelfde wet, ingevoegd bij artikel 89, wordt een Hoofdstuk 2 ingevoegd, luidende “HOOFDSTUK 2. — Strafrechtelijke sancties”. Art. 93 In Boek 3, Titel 3, Hoofdstuk 2 van dezelfde wet, in- gevoegd bij artikel 92, wordt een artikel 107 ingevoegd, luidende: “Artikel 107. Met een gevangenisstraf van één maand tot één jaar en met een geldboete van 50 euro tot 10 000 euro of met één van die straffen alleen wordt gestraft: 1° wie in België elektronisch geld uitgeeft zonder te voldoen aan de bepalingen van de artikelen 59, 91 en 99, § 1, 1°; 2° wie artikel 68, § 2, overtreedt; DOC 53 2432/001 192 2431/001 DOC 53 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 3 e L É G I S L A T U R E K AMER 3e Z ITTING VAN DE 53e Z ITTING S P E RIO DE 2011 2012 3° ceux qui, sciemment, s’abstiennent de faire la déclaration prévue à l’article 71, alinéa 2, en ce qui concerne les renseignements visés à l’article 62, alinéa 1er, 8°; 4° ceux qui sciemment s’abstiennent de faire les noti- fi cations prévues à l’article 73, § 1er, ceux qui passent outre à l’opposition visée à l’article 73, § 2, ou ceux qui passent outre à la suspension visée à l’article 73, § 2, 1° et § 3; 5° les établissements de monnaie électronique, ainsi que leurs administrateurs, gérants ou directeurs, qui contreviennent aux articles 74, 77 et 79; 6° les établissements de monnaie électronique, ainsi que leurs administrateurs, gérants ou directeurs, qui ouvrent une succursale à l’étranger ou qui recourent à des agents ou à des distributeurs sans avoir procédé aux notifi cations prévues par les articles 75 et 76, § 2 et § 3 ou qui ne se conforment pas aux articles 75 et 76, § 2 ou § 3; 7° les établissements de monnaie électronique, ainsi que leurs administrateurs, gérants ou directeurs, qui contreviennent aux arrêtés ou aux règlements visés aux articles 72, 80, et 93; 8° les établissements de monnaie électronique, ainsi que leurs administrateurs, gérants ou directeurs, qui ne se conforment pas aux articles 80, alinéas 1er, 2 et 6, et 93, alinéa 1er; 9° ceux qui accomplissent des actes ou opérations à l’encontre d’une décision de suspension prise confor- mément à l’article 87, § 1er, alinéa 2, 2°; 10° ceux qui, en qualité de commissaire, de réviseur agréé ou d’expert indépendant, ont attesté, approuvé ou confi rmé des comptes, des comptes annuels ou des comptes consolidés d’établissements de monnaie élec- tronique, ou des états périodiques ou tous autres ren- seignements, alors que les dispositions des lois, arrêtés et règlements relatifs au statut légal des établissements de monnaie électronique n’ont pas été respectées, soit en sachant qu’elles ne l’avaient pas été, soit en n’ayant pas accompli les diligences normales pour s’assurer qu’elles avaient été respectées; 11° ceux qui mettent obstacle aux inspections et vérifi cations auxquelles ils sont tenus dans le pays ou à l’étranger ou refusent de donner des renseignements qu’ils sont tenus de fournir en vertu de la présente loi et des arrêtés et règlements pris pour son exécution, ou qui donnent sciemment des renseignements inexacts ou incomplets; 3° wie met opzet de kennisgeving bedoeld in artikel 71, tweede lid, niet verricht, voor wat het bepaalde bij artikel 62 eerste lid, 8°, betreft; 4° wie met opzet de kennisgevingen bedoeld in artikel 73, § 1, niet verricht, wie het in artikel 73, § 2, bedoelde verzet negeert of wie de in artikel 73, § 2, 1° en § 3 bedoelde schorsing negeert; 5° elke instelling voor elektronisch geld of elke be- stuurder, zaakvoerder of directeur van een instelling voor elektronisch geld die de artikelen 74, 77 en 79 overtreedt; 6° elke instelling voor elektronisch geld of elke be- stuurder, zaakvoerder of directeur van een instelling voor elektronisch geld die in het buitenland een bijkantoor opent of die een beroep doet op agenten of distribu- teurs, zonder de kennisgevingen te hebben verricht als bepaald in de artikelen 75 en 76, § 2 en § 3 of die zich niet conformeert aan de artikelen 75 en 76, § 2 of § 3; 7° elke instelling voor elektronisch geld of elke be- stuurder, zaakvoerder of directeur van een instelling voor elektronisch geld die de in de artikelen 72, 80 en 93 bedoelde besluiten of reglementen overtreedt; 8° elke instelling voor elektronisch geld of elke be- stuurder, zaakvoerder of directeur van een instelling voor elektronisch geld die zich niet conformeert aan de arti- kelen 80, eerste, tweede en zesde lid, en 93, eerste lid; 9° wie handelingen stelt of verrichtingen uitvoert die indruisen tegen een schorsingsbeslissing overeenkom- stig artikel 87, § 1, tweede lid, 2°; 10° wie als commissaris, erkende revisor of onaf- hankelijk deskundige, rekeningen, jaarrekeningen of geconsolideerde jaarrekeningen van instellingen voor elektronisch geld dan wel periodieke staten of alle an- dere inlichtingen certifi ceert, goedkeurt of bekrachtigt terwijl niet is voldaan aan de bepalingen van de wetten, besluiten en reglementen over het wettelijk statuut van de instellingen voor elektronisch geld, en daarvan kennis heeft, of niet heeft gedaan wat hij normaal had moeten doen om zich te vergewissen of aan die bepalingen was voldaan; 11° wie de onderzoeken en controles verhindert waartoe hij verplicht is in het land of in het buitenland dan wel weigert de gegevens te verstrekken waartoe hij verplicht is op grond van deze wet en de ter uitvoering ervan genomen besluiten en reglementen of wie bewust onjuiste of onvolledige inlichtingen verstrekt; DOC 53 2432/001 193 2431/001 DOC 53 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 3 e L É G I S L A T U R E K AMER 3e Z ITTING VAN DE 53e Z ITTING S P E RIO DE 2011 2012 12° ceux qui contreviennent à l’article 49, § 1er.”. TITRE 3 Autres dispositions CHAPITRE 1er Autres dispositions modifi catives Section 1re Modifi cations de la loi du 12 juin 1991 relative au crédit à la consommation Art. 94 À l’article 74, alinéa 2, de la loi du 12 juin 1991 relative au crédit à la consommation, inséré par la loi du 11 fé- vrier 1994 et modifi é par la loi du 10 décembre 2009, les mots “et les établissements de paiement visés dans la loi du 21 décembre 2009 relative au statut des établisse- ments de paiement, à l’accès à l’activité de prestataire de services de paiement et à l’accès aux systèmes de paiement” sont remplacés par les mots “, les établisse- ments de paiement et les établissements de monnaie électronique visés dans la loi du 21 décembre 2009 relative au statut des établissements de paiement et des établissements de monnaie électronique, à l’accès à l’activité de prestataire de services de paiement, à l’activité d’émission de monnaie électronique et à l’accès aux systèmes de paiement”. Art. 95 Dans l’article 75, § 6 de la même loi, inséré par la loi du 10 décembre 2009, le deuxième alinéa est remplacé par ce qui suit suit: “Sont également réputés satisfaire aux conditions visées à l’alinéa 1er, les établissements de paiement et les établissements de monnaie électronique soumis au contrôle de la Banque nationale de Belgique confor- mément à la loi du 21 décembre 2009 relative au statut des établissements de paiement et des établissements de monnaie électronique, à l’accès à l’activité de pres- tataire de services de paiement, à l’activité d’émission de monnaie électronique et à l’accès aux systèmes de paiement et à qui un agrément a été octroyé sur base duquel du crédit additionnel, lié aux services de paiement visés aux points 4, 5 ou 7 de l’Annexe I et répondant aux conditions de l’article 21, § 3 de la loi du 21 décembre 2009, peut être offert.”. 12° wie artikel 49, § 1, overtreedt.”. TITEL 3 Overige bepalingen HOOFDSTUK 1 Andere wijzigingsbepalingen Afdeling 1 Wijzigingen in de wet van 12 juni 1991 op het consumentenkrediet Art. 94 In artikel 74, tweede lid, van de wet van 12 juni 1991 op het consumentenkrediet, ingevoegd bij de wet van 11 februari 1994 en gewijzigd bij de wet van 10 decem- ber 2009, worden de woorden “en de betalingsinstel- lingen als bedoeld in de wet van 21 december 2009 op het statuut van de betalingsinstellingen, de toegang tot het bedrijf van de betalingsdienstaanbieder en de toegang tot de betalingssystemen” vervangen door de woorden “en de betalingsinstellingen en de instel- lingen voor elektronisch geld als bedoeld in de wet van 21 december 2009 op het statuut van de betalingsinstel- lingen en van de instellingen voor elektronisch geld, de toegang tot het bedrijf van betalingsdienstaanbieder en tot de activiteit van uitgifte van elektronisch geld en de toegang tot betalingssystemen”. Art. 95 In artikel 75, § 6 van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 10 december 2009, de tweede lid wordt ver- vangen als volgt: “Aan de in het eerste lid bedoelde voorwaarden worden eveneens geacht te voldoen, de betalingsin- stellingen en de instellingen voor elektronisch geld on- derworpen aan het toezicht van de Nationale Bank van België overeenkomstig de wet van 21 december 2009 op het statuut van de betalingsinstellingen en van de instellingen voor elektronisch geld, de toegang tot het bedrijf van betalingsdienstaanbieder en tot de activiteit van uitgifte van elektronisch geld en de toegang tot be- talingssystemen en aan wie een bedrijfsvergunning werd toegestaan op grond waarvan aanvullend krediet mag worden aangeboden met betrekking tot de in punten 4, 5 en 7 van bijlage I bedoelde betalingsdiensten en dat aan de voorwaarden van artikel 22, § 3 van de wet van 21 december 2009 voldoet.”. DOC 53 2432/001 194 2431/001 DOC 53 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 3 e L É G I S L A T U R E K AMER 3e Z ITTING VAN DE 53e Z ITTING S P E RIO DE 2011 2012 Art. 96 À l’article 75bis de la même loi, les modifi cations suivantes sont apportées: 1° dans le paragraphe 1er, alinéa 1er, modifi é par les lois des 24 mars 2003 et 10 décembre 2009, dans la version française, les mots “et des institutions de paie- ment conformément à l’article 39 de la loi du 21 dé- cembre 2009 relative au statut des établissements de paiement, à l’accès à l’activité de prestataire de services de paiement et à l’accès aux systèmes de paiement”, sont remplacés par les mots “, ou conformément aux articles 39 ou 91 de la loi du 21 décembre 2009 relative au statut des établissements de paiement et des établis- sements de monnaie électronique, à l’accès à l’activité de prestataire de services de paiement, à l’activité d’émission de monnaie électronique et à l’accès aux systèmes de paiement”; 2° dans le paragraphe 2, modifi é par les lois des 24 mars 2003 et 10 décembre 2009, les mots “éta- blissements de crédit, établissements fi nanciers et établissements de paiement” sont remplacés par les mots “établissements de crédit, établissements fi nan- ciers, établissements de paiement et établissements de monnaie électronique”; 3° dans le paragraphe 3, alinéa 1er, modifi é par les lois des 24 mars 2003 et 10 décembre 2009, les mots “établissement de crédit, établissement fi nancier ou établissement de paiement” sont remplacés par les mots “établissement de crédit, établissement fi nancier, établissement de paiement ou établissement de mon- naie électronique”. Section 2 Modifi cations de la loi du 11 janvier 1993 relative à la prévention de l’utilisation du système fi nancier aux fi ns du blanchiment de capitaux et du fi nancement du terrorisme Art. 97 Dans l’article 2, § 1er, de la loi du 11 janvier 1993 rela- tive à la prévention de l’utilisation du système fi nancier aux fi ns du blanchiment de capitaux et du fi nancement du terrorisme, tel que modifi é en dernier lieu par l’arrêté royal du 6 mai 2010, il est apporté les modifi cations suivantes: 1° le 3° est remplacé par la disposition suivante “3° la société anonyme de droit public bpost pour ses services fi nanciers postaux ou l’émission de monnaie électronique;”; Art. 96 In artikel 75bis van dezelfde wet worden de volgende wijzigingen aangebracht: 1° in paragraaf 1, eerste lid, gewijzigd bij de wetten van 24  maart  2003 en 10  december  2009, worden in de Nederlandse versie de woorden “artikel 39 van de wet van 21 december 2009 op het statuut van de betalingsinstellingen, de toegang tot het bedrijf van betalingsdienstaanbieder en de toegang tot de beta- lingssystemen” vervangen door de woorden “artikel 39 of 91 van de wet van 21 december 2009 op het statuut van de betalingsinstellingen en van de instellingen voor elektronisch geld, de toegang tot het bedrijf van beta- lingsdienstaanbieder en tot de activiteit van uitgifte van elektronisch geld en de toegang tot betalingssystemen”; 2° in paragraaf 2, gewijzigd bij de wetten van 24  maart  2003 en 10  december  2009, worden de woorden “kredietinstellingen, fi nanciële instellingen en betalingsinstellingen” vervangen door de woorden “kredietinstellingen, fi nanciële instellingen, betalingsin- stellingen en instellingen voor elektronisch geld”; 3° in paragraaf 3, eerste lid, gewijzigd bij de wetten van 24  maart  2003 en 10  december  2009, worden de woorden “kredietinstelling, fi nanciële instelling, of betalingsinstelling” vervangen door de woorden “kre- dietinstelling, fi nanciële instelling, betalingsinstelling of instelling voor elektronisch geld”. Afdeling 2 Wijzigingen in de wet van 11 januari 1993 tot voorkoming van het gebruik van het fi nanciële stelsel voor het witwassen van geld en de fi nanciering van terrorisme Art. 97 In artikel 2, § 1 van de wet van 11 januari 1993 tot voorkoming van het gebruik van het fi nanciële stelsel voor het witwassen van geld en de fi nanciering van terrorisme, laatstelijk gewijzigd bij het koninklijk besluit van 6 mei 2010, worden de volgende wijzigingen aan- gebracht: 1° de bepaling onder 3° wordt vervangen als volgt: “3° de naamloze vennootschap van publiek recht bpost voor haar fi nanciële postdiensten of de uitgifte van elektronisch geld;”; DOC 53 2432/001 195 2431/001 DOC 53 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 3 e L É G I S L A T U R E K AMER 3e Z ITTING VAN DE 53e Z ITTING S P E RIO DE 2011 2012 2° au 4°ter, les mots “loi du 21 décembre 2009 relative au statut des établissements de paiement, à l’accès à l’activité de prestataire de services de paiement et à l’accès aux systèmes de paiement” sont remplacés par les mots “loi du 21 décembre 2009 relative au statut des établissements de paiement et des établissements de monnaie électronique, à l’accès à l’activité de pres- tataire de services de paiement, à l’activité d’émission de monnaie électronique et à l’accès aux systèmes de paiement”; 3° il est inséré un 4°quater rédigé comme suit: “4°quater. a) les émetteurs de monnaie électronique visés à l’article 59, 4° et 5° de la loi du 21 décembre 2009 relative au statut des établissements de paiement et des établissements de monnaie électronique, à l’accès à l’activité de prestataire de services de paiement, à l’acti- vité d’émission de monnaie électronique et à l’accès aux systèmes de paiement;; b) les établissements de monnaie électronique de droit belge; c) les succursales établies en Belgique d’établisse- ments de monnaie électronique visés au Livre 3, Titre 2 de cette loi; d) les établissements exemptés visés à l’article 105 de cette même loi; e) les établissements de monnaie électronique relevant du droit d’un autre État membre de l’Espace économique européen qui émettent en Belgique de la monnaie électronique par le biais d’une personne qui y est établie et qui représente l’établissement à cette fi n.”. Art. 98 Dans l’article 11, § 2, de la même loi, le 4° est rem- placé par ce qui suit: “l’émission de monnaie électronique au sens de l’article 4, 33° de la loi du 21 décembre 2009 relative au statut des établissements de paiement et des établis- sements de monnaie électronique, à l’accès à l’activité de prestataire de services de paiement, à l’activité d’émission de monnaie électronique et à l’accès aux systèmes de paiement, pour autant que la capacité maximale de chargement électronique du support ne soit pas supérieure à 250 euros si le support ne peut être rechargé ou, si le support peut être rechargé, pour autant qu’une limite de 2 500 euros soit fi xée pour le montant total des transactions dans une année civile. 2° in de bepaling onder 4°ter worden de woorden “wet van 21 december 2009 betreffende het statuut van de betalingsinstellingen, de toegang tot het bedrijf van betalingsdienstaanbieder en de toegang tot beta- lingssystemen” vervangen door de woorden “wet van 21 december 2009 op het statuut van de betalingsinstel- lingen en van de instellingen voor elektronisch geld, de toegang tot het bedrijf van betalingsdienstaanbieder en tot de activiteit van uitgifte van elektronisch geld en de toegang tot betalingssystemen”; 3° de bepaling onder 4°quater wordt ingevoegd, luidende: “4°quater. a) de uitgevers van elektronisch geld be- doeld in artikel 59, 4° en 5° van de wet van 21 decem- ber 2009 op het statuut van de betalingsinstellingen en van de instellingen voor elektronisch geld, de toegang tot het bedrijf van betalingsdienstaanbieder en tot de activiteit van uitgifte van elektronisch geld en de toegang tot betalingssystemen; b) de instellingen voor elektronisch geld naar Bel- gisch recht; c) de in België gevestigde bijkantoren van instellingen voor elektronisch geld bedoeld in Boek 3, Titel 2 van deze wet; d) de vrijgestelde instellingen bedoeld in artikel 105 van dezelfde wet; e) de instellingen voor elektronisch geld die ressor- teren onder het recht van een andere lidstaat van de Europese Economische Ruimte en die in België elektro- nisch geld uitgeven via een persoon die er gevestigd is en die de instelling hiervoor vertegenwoordigt.”. Art. 98 In artikel 11, § 2 van dezelfde wet wordt de bepaling onder 4° vervangen als volgt: “de uitgifte van elektronisch geld in de zin van artikel 4, 33° van de wet van 21 december 2009 op het statuut van de betalingsinstellingen en van de instellingen voor elektronisch geld, de toegang tot het bedrijf van beta- lingsdienstaanbieder en tot de activiteit van uitgifte van elektronisch geld en de toegang tot betalingssystemen, voor zover het maximumbedrag dat op de elektronische drager is opgeslagen niet meer dan 250 euro bedraagt indien de drager niet kan worden heropgeladen, of, indien de drager kan worden heropgeladen, een limiet van 2 500 euro geldt voor het totaalbedrag van de ver- richtingen die in een kalenderjaar worden uitgevoerd. De DOC 53 2432/001 196 2431/001 DOC 53 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 3 e L É G I S L A T U R E K AMER 3e Z ITTING VAN DE 53e Z ITTING S P E RIO DE 2011 2012 Toutefois, les articles 7 et 8 s’appliquent lorsque le dé- tenteur de monnaie électronique demande le rembour- sement d’au moins 1 000 euros au cours de la même année civile en application de l’article 58/2 de la loi du 10 décembre 2009 relative aux services de paiement;”. Art. 99 Dans l’article 18 de la même loi, il est ajouté un alinéa rédigé comme suit: “Dans les cas visés à l’article 2, § 1er, 4ter, c) et 4 quater, e), une personne responsable de l’application de la présente loi doit être établie en Belgique.”. Section 3 Modifi cations de la loi du 22 mars 1993 relative au statut et au contrôle des établissements de crédit Art. 100 Dans l’article 1er de la loi du 22 mars 1993 relative au statut et au contrôle des établissements de crédit, modifi é par la loi du 25 février 2003, les modifi cations suivantes sont apportées: 1° L’alinéa 2, modifi é par la loi du 25 février 2003, est remplacé par ce qui suit: “Sont défi nies comme établissement de crédit les entreprises belges ou étrangères dont l’activité consiste à recevoir du public des dépôts d’argent ou d’autres fonds remboursables et à octroyer des crédits pour leur propre compte.”. 2° L’alinéa 3 est abrogé. Art. 101 Dans l’article 2 de la même loi, modifi é par l’arrêté royal du 3 mars 2011, les modifi cations suivantes sont apportées: 1° au paragraphe 1er, 1°, les mots “La Poste (Post- chèque)” sont remplacés par les mots “la société ano- nyme de droit public bpost”; 2° le paragraphe 2, inséré par la loi du 25 février 2003, est abrogé. artikelen 7 en 8 zijn echter wel van toepassing indien de houder van elektronisch geld, met toepassing van artikel 58/2 van de wet van 10 december 2009 betreffende de betalingsdiensten in de loop van datzelfde kalenderjaar, de terugbetaling vraagt van 1 000 euro of meer;”. Art. 99 In artikel 18 van dezelfde wet wordt een lid ingevoegd, luidende: “In de gevallen beoeld in artikel 2, § 1, 4ter, c) en 4quater, e) moet een voor de toepassing van deze wet verantwoordelijke persoon in België zijn gevestigd.”. Afdeling 3 Wijzigingen in de wet van 22 maart 1993 op het statuut van en het toezicht op de kredietinstellingen Art. 100 In artikel 1 van de wet van 22 maart 1993 op het statuut van en het toezicht op de kredietinstellingen, gewijzigd bij de wet van 25 februari 2003, worden de volgende wijzigingen aangebracht: 1° Het tweede lid, gewijzigd bij de wet van 25 febru- ari 2003, wordt vervangen als volgt: “Onder kredietinstelling wordt verstaan, een Belgi- sche of buitenlandse onderneming waarvan de werk- zaamheden bestaan in het van het publiek in ontvangst nemen van gelddeposito’s of van andere terugbetaal- bare gelden en het verlenen van kredieten voor eigen rekening.”. 2° Het derde lid wordt opgeheven. Art. 101 In artikel 2 van dezelfde wet, gewijzigd bij het ko- ninklijk besluit van 3 maart 2011, worden de volgende wijzigingen aangebracht: 1° in paragraaf 1, 1° worden de woorden “De Post (Postcheque)” vervangen door de woorden “de naam- loze vennootschap van publiek recht bpost”; 2° paragraaf 2, ingevoegd bij de wet van 25 febru- ari 2003, wordt opgeheven. DOC 53 2432/001 197 2431/001 DOC 53 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 3 e L É G I S L A T U R E K AMER 3e Z ITTING VAN DE 53e Z ITTING S P E RIO DE 2011 2012 Art. 102 Dans l’article 3 de la même loi, les modifi cations suivantes sont apportées: a) dans le paragraphe 1er, 5°, les mots “activités visées aux points 2 à 12 de la liste reprise au paragraphe 2 du présent article” sont remplacés par les mots “activités visées aux points 2 à 12 et 15 de la liste reprise au paragraphe 2 du présent article”; b) dans le paragraphe 1er, le 7°, inséré par la loi du 25 février 2003, est abrogé; c) dans le paragraphe 2, 4) les mots “loi du 21 dé- cembre 2009 relative au statut des établissements de paiement, à l’accès à l’activité de prestataire de services de paiement et à l’accès aux systèmes de paiement” sont remplacés par les mots “loi du 21 décembre 2009 relative au statut des établissements de paiement, à l’accès à l’activité de prestataire de services de paie- ment et à l’accès aux systèmes de paiement et d’autres législations dans la mesure où elles sont relatives au statut des établissements de paiement et des établis- sements de monnaie électronique.”; d) dans le paragraphe 2, l’alinéa 1er est complété par le 15) rédigé comme suit: “Émission de monnaie électronique”. Art. 103 Dans le Titre Ier de la même loi, le Chapitre IIIbis, comportant les articles 5bis à 5quater, inséré par la loi du 25 février 2009, est abrogé. Art. 104 Dans l’article 6 de la même loi, les modifi cations suivantes sont apportées: 1° dans le paragraphe 1er, alinéa 1er, modifi é par les lois des 20 mars 1996 et 25 février 2003, les mots “établissement de monnaie électronique”, sont abrogés; 2° le paragraphe 2, inséré par la loi du 25 février 2003, est abrogé. Art. 105 Dans l’article 41, alinéa 1er de la même loi, modifi é par les lois des 25 février 2003 et 19 novembre 2004, Art. 102 In artikel 3 van dezelfde wet worden de volgende wijzigingen aangebracht: a) in paragraaf 1, 5°, worden de woorden “werk- zaamheden als vermeld in de punten 2 tot 12 van de lijst in § 2 van dit artikel” vervangen door de woorden “werkzaamheden als vermeld in de punten 2 tot 12 en 15 van de lijst in paragraaf 2 van dit artikel”; b) in paragraaf 1 wordt de bepaling onder 7°, inge- voegd bij de wet van 25 februari 2003, opgeheven; c) in paragraaf 2, 4) worden de woorden “wet van 21 december 2009 op het statuut van de betalingsin- stellingen, de toegang tot het bedrijf van betalingsdien- staanbieder en de toegang tot betalingssystemen” ver- vangen door de woorden “wet van 21 december 2009 betreffende het statuut van de betalingsinstellingen, de toegang tot het bedrijf van betalingsdienstaanbieder en de toegang tot betalingssystemen, en van andere wetgeving die betrekking heeft op het statuut van de betalingsinstellingen en van de instellingen voor elek- tronisch geld.”; d) in paragraaf 2 wordt het eerste lid aangevuld met de bepaling onder 15), luidende: “Uitgifte van elektro- nisch geld”. Art. 103 In Titel I van dezelfde wet wordt Hoofdstuk IIIbis, dat de artikelen 5bis tot 5quater bevat, ingevoegd bij de wet van 25 februari 2009, opgeheven. Art. 104 In artikel 6 van dezelfde wet worden de volgende wijzigingen aangebracht: 1° in paragraaf 1, eerste lid, gewijzigd bij de wetten van 20 maart 1996 en 25 februari 2003, worden de woorden “instelling voor elektronisch geld” geschrapt; 2° paragraaf 2, ingevoegd bij de wet van 25 febru- ari 2003, wordt opgeheven. Art. 105 In artikel 41, eerste lid, van dezelfde wet, gewijzigd bij de wetten van 25 februari 2003 en 19 november 2004, DOC 53 2432/001 198 2431/001 DOC 53 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 3 e L É G I S L A T U R E K AMER 3e Z ITTING VAN DE 53e Z ITTING S P E RIO DE 2011 2012 les mots “autres que les établissements de monnaie électronique” sont abrogés. Art. 106 Dans l’article 43, § 1er, alinéa 1er de la même loi, rem- placé par la loi du 15 mai 2007 et modifi é par l’arrêté royal du 3 mars 2011, le b) est abrogé. Art. 107 Dans l’article 57, paragraphe 1er, alinéa 2, 2°, modifi é par l’arrêté royal du 3 mars 2011, la première phrase est complétée par les mots “; cette suspension peut, dans la mesure déterminée par la Banque, impliquer la suspension totale ou partielle de l’exécution des contrats en cours”; Art. 108 Dans la même loi, le Titre IIbis, inséré par la loi du 25 février 2003, comportant les articles 64bis à 64quin- quies est abrogé. Art. 109 L’article 66bis de la même loi, inséré par la loi du 25 février 2003 et modifi é par la loi du 19 novembre 2004, est abrogé. Art. 110 Dans le Titre IV de la même loi, le Chapitre V, compor- tant l’article 84bis, inséré par la loi du 25 février 2003, est abrogé. Art. 111 Dans l’article 104, § 1er, 1° de la même loi, modifi é par l’arrêté royal du 3 mars 2011, les mots “qui contre- viennent à l’article 5bis ou” sont abrogés. Art. 112 Dans l’article 110bis2, § 2 de la même loi, l’alinéa 2, inséré par la loi du 25 février 2003, est abrogé. worden de woorden “die geen instelling voor elektro- nisch geld zijn” geschrapt. Art. 106 In artikel 43, § 1, eerste lid van dezelfde wet, ver- vangen bij de wet van 15 mei 2007 en gewijzigd bij het koninklijk besluit van 3 maart 2011, wordt de bepaling onder b) opgeheven. Art. 107 In artikel 57, paragraaf 1, tweede lid, 2°, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 3 maart 2011, wordt de eerste zin aangevuld met de woorden “; deze schorsing kan, in de door de Bank bepaalde mate, de volledige of ge- deeltelijke schorsing van de uitvoering van de lopende overeenkomsten tot gevolg hebben”; Art. 108 In dezelfde wet wordt Titel IIbis, ingevoegd bij de wet van 25 februari 2003, die de artikelen 64bis tot 64quin- quies bevat, opgeheven. Art. 109 Artikel 66bis van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 25 februari 2003 en gewijzigd bij de wet van 19 no- vember 2004, wordt opgeheven. Art. 110 In Titel IV van dezelfde wet wordt Hoofdstuk V, dat artikel 84bis bevat, ingevoegd bij de wet van 25 febru- ari 2003, opgeheven. Art. 111 In artikel 104, § 1, 1° van dezelfde wet, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 3 maart 2011, worden de woorden “artikel 5bis overtreedt of” geschrapt. Art. 112 In artikel 110bis2, § 2 van dezelfde wet wordt het tweede lid, ingevoegd bij de wet van 25 februari 2003, opgeheven. DOC 53 2432/001 199 2431/001 DOC 53 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 3 e L É G I S L A T U R E K AMER 3e Z ITTING VAN DE 53e Z ITTING S P E RIO DE 2011 2012 Art. 113 L’article 152quater de la même loi, inséré par la loi du 25 février 2003, est abrogé. Section 4 Modifi cations de la loi du 22 février 1998 fi xant le statut organique de la Banque nationale de Belgique Art. 114 Dans l’article 36/1 de la loi du 22 février 1998 fi xant le statut organique de la Banque Nationale de Belgique, inséré par l’arrêté royal du 3 mars 2011 mettant en œuvre l’évolution des structures de contrôle du secteur fi nancier, les modifi cations suivantes sont apportées: a) le 4° est remplacé par ce qui suit: “4° “établissement de monnaie électronique”: tout établissement visé à l’article 4, 31° de la loi du 21 dé- cembre 2009 relative au statut des établissements de paiement et des établissements de monnaie électro- nique, à l’accès à l’activité de prestataire de services de paiement, à l’activité d’émission de monnaie élec- tronique et à l’accès aux systèmes de paiement; b) dans le 9°, les mots “, à l’accès à l’activité de prestataire de services de paiement et à l’accès aux systèmes de paiement” sont remplacés par les mots “et des établissements de monnaie électronique, à l’accès à l’activité de prestataire de services de paiement, à l’activité d’émission de monnaie électronique et à l’accès aux systèmes de paiement”. Art. 115 Dans l’article 36/2, alinéa 1er de la même loi, inséré par l’arrêté royal du 3 mars 2011 mettant en œuvre l’évo- lution des structures de contrôle du secteur fi nancier, les mots “, en ce compris les établissements de monnaie électronique” sont abrogés et les mots “et des établis- sements de paiement” sont remplacés par les mots “, des établissements de paiement et des établissements de monnaie électronique”. Art. 113 Artikel 152quater van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 25 februari 2003, wordt opgeheven. Afdeling 4 Wijzigingen in de wet van 22 februari 1998 tot vaststelling van het organiek statuut van de Nationale Bank van België Art. 114 In artikel 36/1 van de wet van 22 februari 1998 tot vaststelling van het organiek statuut van de Nationale Bank van België, ingevoegd bij het koninklijk besluit van 3 maart 2011 betreffende de evolutie van de toe- zichtsarchitectuur voor de fi nanciële sector, worden de volgende wijzigingen aangebracht: a) de bepaling onder 4° wordt vervangen als volgt: “4° “instelling voor elektronisch geld”: een instelling als bedoeld in artikel 4, 31°, van de wet van 21 decem- ber 2009 op het statuut van de betalingsinstellingen en van de instellingen voor elektronisch geld, de toegang tot het bedrijf van betalingsdienstaanbieder en tot de activiteit van uitgifte van elektronisch geld en de toegang tot betalingssystemen; b) in de bepaling onder 9° worden de woorden “betref- fende het statuut van de betalingsinstellingen, toegang tot het bedrijf van betalingsdienstenaanbieder en de toegang tot betalingssystemen” vervangen door de woorden “op het statuut van de betalingsinstellingen en van de instellingen voor elektronisch geld, de toegang tot het bedrijf van betalingsdienstaanbieder en tot de activiteit van uitgifte van elektronisch geld en de toegang tot betalingssystemen”. Art. 115 In artikel 36/2, eerste lid van dezelfde wet, ingevoegd bij het koninklijk besluit van 3 maart 2011 betreffende de evolutie van de toezichtsarchitectuur voor de fi nanciële sector, worden de woorden “met inbegrip van de instel- lingen voor elektronisch geld,” geschrapt en worden de woorden “en de betalingsinstellingen” vervangen door de woorden “, de betalingsinstellingen en de instellingen voor elektronisch geld”. DOC 53 2432/001 200 2431/001 DOC 53 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 3 e L É G I S L A T U R E K AMER 3e Z ITTING VAN DE 53e Z ITTING S P E RIO DE 2011 2012 Art. 116 L’article 36/14, paragraphe 1er de la même loi, inséré par l’arrêté royal du 3 mars 2011 mettant en œuvre l’évo- lution des structures de contrôle du secteur fi nancier, est complété par le 17° rédigé comme suit: “17° aux agents commissionnés par le ministre ayant les Affaires économiques dans ses attributions, compétents pour rechercher et constater les infractions commises aux dispositions des articles 58/1, 58/2 et 58/3 de la loi du 10 décembre 2009, dans le cadre de leur mission visée à l’article 72 de ladite loi.”. Section 5 Modifi cations de la loi du 16 juin 2006 relative aux offres publiques d’instruments de placement et aux admissions d’instruments de placement à la négociation sur des marchés réglementés Art. 117 Dans l’article 68bis, alinéa 1er, 1° de la loi du 16 juin 2006 relative aux offres publiques d’instruments de placement et aux admissions d’instruments de pla- cement à la négociation sur des marchés réglementés, inséré par l’arrêté royal du 3 mars 2011 mettant en œuvre l’évolution des structures de contrôle du secteur fi nancier, les mots “, à l’exception des établissements de monnaie électronique” sont abrogés. Section 6 Modifi cations de la loi du 10 décembre 2009 relative aux services de paiement Art. 118 Dans l’article 2 de la loi du 10 décembre 2009 relative aux services de paiement, les modifi cations suivantes sont apportées: a) dans le point 2°, alinéa 1er, le b) est remplacé par ce qui suit: “b) les établissements de monnaie électronique tels que visés à l’article 4, 31° de la loi du 21 décembre 2009 relative au statut des établisse- ments de paiement et des établissements de monnaie électronique, à l’accès à l’activité de prestataire de services de paiement, à l’activité d’émission de monnaie électronique et à l’accès aux systèmes de paiement;”; Art. 116 Artikel 36/14, paragraaf 1 van dezelfde wet, inge- voegd bij het koninklijk besluit van 3 maart 2011 betref- fende de evolutie van de toezichtsarchitectuur voor de fi nanciële sector, wordt aangevuld met de bepaling onder 17°, luidende; “17° ambtenaren aangesteld door de minister be- voegd voor Economische Zaken, die, in het kader van hun opdracht bedoeld in artikel 72 van de wet van 10 de- cember 2009, bevoegd zijn om inbreuken gepleegd op de bepalingen van de artikelen 58/1, 58/2 en 58/3 van dezelfde wet op te sporen en vast te stellen.”. Afdeling 5 Wijzigingen in de wet van 16 juni 2006 op de openbare aanbieding van beleggingsinstrumenten en de toelating van beleggingsinstrumenten tot de verhandeling op een gereglementeerde markt Art. 117 In artikel 68bis, eerste lid, 1° van de wet van 16 juni 2006 op de openbare aanbieding van beleggings- instrumenten en de toelating van beleggingsinstrumen- ten tot de verhandeling op een gereglementeerde markt, ingevoegd bij het koninklijk besluit van 3 maart 2011 betreffende de evolutie van de toezichtsarchitectuur voor de fi nanciële sector, worden de woorden “, met uitzondering van de instellingen voor elektronisch geld” geschrapt. Afdeling 6 Wijzigingen in de wet van 10 december 2009 betreffende de betalingsdiensten Art. 118 In artikel 2 van de wet van 10 december 2009 be- treffende de betalingsdiensten worden de volgende wijzigingen aangebracht: a) in punt 2°, eerste lid wordt de bepaling onder b) vervangen als volgt: “b) de instellingen voor elektronisch geld bedoeld in artikel 4, 31°, van de wet van 21 decem- ber 2009 op het statuut van de betalingsinstellingen en van de instellingen voor elektronisch geld, de toegang tot het bedrijf van betalingsdienstaanbieder en tot de activiteit van uitgifte van elektronisch geld en de toegang tot betalingssystemen;”; DOC 53 2432/001 201 2431/001 DOC 53 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 3 e L É G I S L A T U R E K AMER 3e Z ITTING VAN DE 53e Z ITTING S P E RIO DE 2011 2012 b) dans le point 2°, alinéa 2, les mots “ou remet de la monnaie électronique à un détenteur de monnaie électronique” sont insérés entre les mots “à un utilisateur de services de paiement” et les mots “sans disposer d’un agrément”; c) l’article 2 est complété par les 29°; 30°, 31°, 32°et 33°, rédigés comme suit: “29° “monnaie électronique”: une valeur monétaire qui est stockée sous une forme électronique, y compris magnétique, représentant une créance sur l’émetteur, qui est émise contre la remise de fonds aux fi ns d’opéra- tions de paiement et qui est acceptée par une personne physique ou morale autre que l’émetteur de monnaie électronique; 30° “émetteur de monnaie électronique”: l’émetteur de monnaie électronique tel que visé à l’article 4, 32° de la loi du 21 décembre 2009 relative au statut des établissements de paiement et des établissements de monnaie électronique, à l’accès à l’activité de presta- taire de services de paiement, à l’activité d’émission de monnaie électronique et à l’accès aux systèmes de paiement; 31° “établissement de monnaie électronique”: l’éta- blissement de monnaie électronique tel que visé à l’article 4, 31° de la même loi; 32° “détenteur de monnaie électronique”: une per- sonne physique ou morale qui remet des fonds à un émetteur de monnaie électronique en échange de l’émission de monnaie électronique par cet émetteur; 33° “loi du 21  décembre  2009”: la loi du 21  dé- cembre 2009 relative au statut des établissements de paiement et des établissements de monnaie électro- nique, à l’accès à l’activité de prestataire de services de paiement, à l’activité d’émission de monnaie élec- tronique et à l’accès aux systèmes de paiement.”. Art. 119 L’article 3, de la même loi, est complété par le para- graphe 3, rédigé comme suit: “§ 3. La présente loi est également applicable à l’émission et au remboursement de la monnaie élec- tronique par des émetteurs de monnaie électronique.”. b) in punt 2°, tweede lid worden de woorden “of elek- tronisch geld levert aan een houder van elektronisch geld” ingevoegd tussen de woorden “aan betalings- dienstgebruikers” en de woorden “zonder hiertoe over de nodige vergunning of toelating te beschikken”; c) artikel 2 wordt aangevuld met de bepalingen onder 29°, 30°, 31°, 32° en 33°, luidende: “29° “elektronisch geld”: elektronisch, met inbegrip van magnetisch, opgeslagen monetaire waarde verte- genwoordigd door een vordering op de uitgever, die is uitgegeven in ruil voor ontvangen geld om betalings- transacties te verrichten en die wordt aanvaard door een andere natuurlijke of rechtspersoon dan de uitgever van elektronisch geld; 30° “uitgever van elektronisch geld”: een uitgever van elektronisch geld als bedoeld in artikel 4, 32° van de wet van 21 december 2009 op het statuut van de betalingsin- stellingen en van de instellingen voor elektronisch geld, de toegang tot het bedrijf van betalingsdienstaanbieder en tot de activiteit van uitgifte van elektronisch geld en de toegang tot betalingssystemen; 31° “instelling voor elektronisch geld”: een instelling voor elektronisch geld als bedoeld in artikel 4, 31° van dezelfde wet; 32° “houder van elektronisch geld”: een natuurlijke of rechtspersoon die geld overhandigt aan een uitgever van elektronisch geld in ruil voor de uitgifte van elektro- nisch geld door die uitgever; 33° “wet van 21 december 2009”: wet van 21 decem- ber 2009 op het statuut van de betalingsinstellingen en van de instellingen voor elektronisch geld, de toegang tot het bedrijf van betalingsdienstaanbieder en tot de activiteit van uitgifte van elektronisch geld en de toegang tot betalingssystemen.”. Art. 119 Artikel 3 van dezelfde wet wordt aangevuld met een paragraaf 3, luidende: “§ 3. Deze wet is ook van toepassing op de uitgifte en terugbetaalbaarheid van elektronisch geld door uit- gevers van elektronisch geld.”. DOC 53 2432/001 202 2431/001 DOC 53 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 3 e L É G I S L A T U R E K AMER 3e Z ITTING VAN DE 53e Z ITTING S P E RIO DE 2011 2012 Art. 120 Dans l’article 44, § 2, alinéa 2, de la même loi, les mots “Union Européenne” sont remplacés par les mots “EEE”. Art. 121 Dans l’article 64, 11°, de la même loi, les mots “37, §§ 1er à 4” sont remplacés par les mots “37, §§ 1er à 3”. Art. 122 Dans la même loi, il est inséré un Titre III/1, rédigé comme suit: “Titre III/1. Emission et remboursement de la monnaie électronique”. Art. 123 Dans le Titre III/1, inséré par l’article 122, il est inséré un Chapitre 1er, rédigé comme suit: “Chapitre 1er. Emission et remboursement”. Art. 124 Dans le Chapitre 1er, inséré par l’article 123, sont insérés les articles 58/1 et 58/2, rédigés comme suit: “Article 58/1. Les émetteurs de monnaie électronique émettent de la monnaie électronique à la valeur nomi- nale contre la remise de fonds. Article 58/2. § 1er. Les émetteurs de monnaie élec- tronique remboursent, à la demande du détenteur de monnaie électronique, à tout moment et à la valeur nominale, la valeur monétaire de la monnaie électro- nique détenue. § 2. Le contrat conclu entre l’émetteur de monnaie électronique et le détenteur de monnaie électronique établit clairement et de façon bien visible les conditions de remboursement, y compris les frais éventuels y afférents, et le détenteur de monnaie électronique est informé de ces conditions avant qu’il ne soit lié par un contrat ou une offre. § 3. Le remboursement ne peut donner lieu au prélèvement de frais que si le contrat le prévoit confor- Art. 120 In artikel 44, § 2, tweede lid van dezelfde wet wor- den de woorden “Europese Unie” vervangen door de woorden “EER”. Art. 121 In artikel 64, 11° van dezelfde wet worden de woorden “37, §§ 1 tot 4” vervangen door de woorden “37, §§ 1 tot 3”. Art. 122 In dezelfde wet wordt een Titel III/1 ingevoegd, lui- dende: “Titel III/1. Uitgifte en terugbetaalbaarheid van elek- tronisch geld”. Art. 123 In Titel III/1, ingevoegd bij artikel 122, wordt een Hoofdstuk 1 ingevoegd, luidende: “Hoofdstuk 1. Uitgifte en terugbetaalbaarheid”. Art. 124 In Hoofdstuk 1, ingevoegd bij artikel 123, worden de artikelen 58/1 en 58/2 ingevoegd, luidende: “Artikel 58/1. Uitgevers van elektronisch geld geven elektronisch geld uit tegen de nominale waarde, in ruil voor ontvangen geld. Artikel 58/2. § 1. Uitgevers van elektronisch geld betalen de nominale monetaire waarde van het aange- houden elektronisch geld op elk ogenblik terug wanneer de houder van het elektronisch geld daarom verzoekt. § 2. De terugbetalingsvoorwaarden, met inbegrip van de eventuele vergoeding die hiermee samenhangt, wor- den duidelijk en opvallend vermeld in de overeenkomst tussen de uitgever van elektronisch geld en de houder van elektronisch geld, en de houder van het elektronisch geld wordt in kennis gesteld van deze voorwaarden voordat hij wordt gebonden door een overeenkomst of een aanbod. § 3. Voor terugbetaling kan er enkel een vergoeding in rekening worden gebracht indien dit in de overeenkomst DOC 53 2432/001 203 2431/001 DOC 53 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 3 e L É G I S L A T U R E K AMER 3e Z ITTING VAN DE 53e Z ITTING S P E RIO DE 2011 2012 mément au paragraphe 2 et uniquement dans un des cas suivants: a) le remboursement est demandé avant l’expiration du contrat; b) le contrat spécifi e une date d’expiration et le détenteur de monnaie électronique a mis fi n au contrat avant cette date, ou c) le remboursement est demandé plus d’un an après la date d’expiration du contrat. Le montant des frais doit être proportionné et en rapport avec les coûts réels supportés par l’émetteur de monnaie électronique. Le Roi peut déterminer les critères permettant d’éta- blir les coûts réels supportés par l’émetteur de monnaie électronique. § 4. Lorsque le remboursement est demandé avant l’expiration du contrat, le détenteur de monnaie électro- nique peut demander le remboursement de la monnaie électronique en tout ou en partie. § 5. Lorsque le remboursement est demandé par le détenteur de monnaie électronique à la date d’expiration du contrat ou dans un délai d’un an après celle-ci: a) la valeur monétaire totale de la monnaie électro- nique détenue est remboursée; ou b) lorsque l’établissement de monnaie électronique exerce une ou plusieurs activités conformément à l’article 77, § 1er, de la loi du 21 décembre 2009 et que la proportion des fonds qui seront utilisés sous forme de monnaie électronique n’est pas connue à l’avance, tous les fonds dont le remboursement est demandé par le détenteur de monnaie électronique sont remboursés. § 6. Nonobstant les paragraphes 3 à 5, le droit au remboursement des personnes, autres que les consom- mateurs, qui acceptent de la monnaie électronique est soumis à l’accord contractuel entre les émetteurs de monnaie électronique et ces personnes.”. is vermeld overeenkomstig paragraaf 2, en enkel in een van de volgende gevallen: a) indien er om terugbetaling wordt gevraagd vóór de overeenkomst is beëindigd; b) indien de overeenkomst voorziet in een beëindi- gingsdatum en de houder van het elektronisch geld de overeenkomst vóór deze datum beëindigt, of c) indien er meer dan een jaar na de beëindiging van de overeenkomst om terugbetaling wordt gevraagd. Dergelijke vergoeding staat in verhouding tot de werkelijke kosten die de uitgever van elektronisch geld heeft gemaakt. De Koning kan de criteria vastleggen die toelaten de werkelijke kosten te bepalen die de uitgever van elek- tronisch geld in aanmerking kan nemen. § 4. Indien er om terugbetaling wordt gevraagd vóór de beëindiging van de overeenkomst, kan de houder van elektronisch geld verzoeken om de gedeeltelijke of volledige terugbetaling van het elektronisch geld. § 5. Wanneer de houder van het elektronisch geld om terugbetaling vraagt op de datum van beëindiging van de overeenkomst of binnen een termijn van een jaar na die datum: a) wordt de volledige monetaire waarde van het aan- gehouden elektronisch geld terugbetaald; of b) worden alle middelen terugbetaald waarom de houder van het elektronisch geld verzoekt, indien de instelling voor elektronisch geld een of meer activitei- ten uitoefent conform artikel 77, § 1, van de wet van 21 december 2009 en het op voorhand niet geweten is welk deel van de middelen zal worden gebruikt als elektronisch geld. § 6. Niettegenstaande de paragrafen 3 tot 5, is het recht op terugbetaling van personen die elektronisch geld aanvaarden en die geen consumenten zijn, vast- gelegd in een contractueel beding tussen de uitgevers van elektronisch geld en die personen.”. DOC 53 2432/001 204 2431/001 DOC 53 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 3 e L É G I S L A T U R E K AMER 3e Z ITTING VAN DE 53e Z ITTING S P E RIO DE 2011 2012 Art. 125 Dans le Titre III/1, inséré par l’article 122, il est inséré un Chapitre 2, rédigé comme suit: “Chapitre 2. Interdiction des intérêts”. Art. 126 Dans le Chapitre 2, inséré par l’article 125, il est inséré un article 58/3, rédigé comme suit: “Article 58/3. Les émetteurs de monnaie électronique ne peuvent octroyer des intérêts ou tout autre avantage liés à la durée pendant laquelle le détenteur de monnaie électronique détient de la monnaie électronique.”. Art. 127 Dans la même loi, il est inséré un article 63/1 rédigé comme suit: “Article 63/1. En cas de non-respect par l’émetteur de monnaie électronique des obligations qui découlent de l’article 58/2 et sans préjudice des sanctions de droit commun: — le détenteur de monnaie électronique est dispensé de plein droit du paiement des frais éventuels liés au remboursement; — le détenteur de monnaie électronique peut résilier sans délai et sans frais ni pénalité, par lettre recom- mandée à la poste et motivée, le contrat de monnaie électronique et, le cas échéant, le contrat-cadre en matière de services de paiement, à partir du moment où il a connaissance ou aurait dû avoir connaissance du non-respect de ses obligations.”. Art. 128 L’article 64 de la même loi est complété par le 20° rédigé comme suit: “20° des articles 58/1 à 58/3 relatifs à l’activité d’émission de monnaie électronique, au caractère rem- boursable de la monnaie électronique et à l’interdiction d’octroyer des intérêts.”. Art. 125 In Titel III/1, ingevoegd bij artikel 122, wordt een Hoofdstuk 2 ingevoegd, luidende: “Hoofdstuk 2. Verbod op rente”. Art. 126 In Hoofdstuk 2, ingevoegd bij artikel 125, wordt een artikel 58/3 ingevoegd, luidende: “Artikel 58/3. Uitgevers van elektronisch geld mogen geen rente of andere voordelen toekennen die samen- hangen met de lengte van de periode gedurende de- welke een houder van elektronisch geld het elektronisch geld aanhoudt.”. Art. 127 In dezelfde wet wordt een artikel 63/1 ingevoegd, luidende: “Artikel 63/1. Bij niet-naleving door de uitgever van elektronisch geld van de verplichtingen voortvloeiend uit artikel 58/2, en onverminderd de gemeenrechtelijke sancties: — wordt de houder van elektronisch geld van rechts- wege ontslagen van de eventuele vergoeding die sa- menhangt met de terugbetaling; — kan de houder van elektronisch geld, de over- eenkomst elektronisch geld, en in voorkomend geval de raamovereenkomst inzake betalingsdiensten, met een gemotiveerd ter post aangetekend schrijven zon- der kosten of boete onmiddellijk opzeggen vanaf het ogenblik dat hij kennis had of hoorde te hebben van de niet-nageleefde verplichtingen.”. Art. 128 Artikel 64 van dezelfde wet wordt aangevuld met de bepaling onder 20°, luidende: “20° van de artikelen 58/1 tot 58/3, die betrekking hebben op de uitgifte van elektronisch geld, de terug- betaalbaarheid van elektronisch geld en het verbod op rente.”. DOC 53 2432/001 205 2431/001 DOC 53 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 3 e L É G I S L A T U R E K AMER 3e Z ITTING VAN DE 53e Z ITTING S P E RIO DE 2011 2012 Art. 129 Dans l’article 71 de la même loi, les mots “un pres- tataire de services de paiement ne respecte pas une ou plusieurs dispositions de la présente loi, ils commu- niquent ces constatations à l’autorité de contrôle qui a accordé l’autorisation d’offrir des services de paiement”, sont remplacés par les mots “un prestataire de services de paiement ou un émetteur de monnaie électronique ne respecte pas une ou plusieurs dispositions de la pré- sente loi, ils communiquent ces constatations à l’autorité de contrôle qui a accordé l’agrément permettant d’offrir des services de paiement ou d’émettre de la monnaie électronique.” Art. 130 Dans l’article 75 de la même loi, les modifi cations suivantes sont apportées 1° L’alinéa 1er est remplacé par ce qui suit: “Afi n de régler les éventuels litiges découlant de la présente loi et du Règlement 924/2009 du Parlement européen et du Conseil du 16 septembre 2009 concer- nant les paiements transfrontaliers dans la Communauté et abrogeant le Règlement (CE) n° 2560/2001, relatifs aux droits et obligations entre respectivement les utilisa- teurs de services de paiement, les détenteurs de mon- naie électronique et leurs prestataires de services de paiement, leurs émetteurs de monnaie électronique, ces derniers instituent une procédure adaptée de traitement de plaintes où les décisions, rendues par un organisme indépendant, peuvent être acceptées respectivement par les prestataires de services de paiement et par les émetteurs de monnaie électronique.”; 2° Entre le premier et le dernier alinéa, sont insérés deux alinéas, rédigés comme suit: “Le prestataire de services de paiement ou l’émetteur de monnaie électronique, doit soit avoir adhéré à un tel système de traitement des plaintes, soit être membre d’une association professionnelle qui a adhéré à un tel système. Il doit contribuer au fi nancement dudit système. Le Roi peut créer un système extrajudiciaire de trai- tement des plaintes dont la mission est de contribuer à résoudre les litiges entre respectivement, d’une part, les prestataires de services de paiement et les émetteurs de monnaie électronique et, d’autre part, les utilisateurs de services de paiement et les détenteurs de monnaie Art. 129 In artikel 71 van dezelfde wet worden de woorden “een betalingsdienstaanbieder een of meerdere bepa- lingen van deze wet niet naleeft delen zij deze vaststel- lingen mee, aan de toezichthoudende autoriteit die de toelating heeft verleend om betalingsdiensten aan te bieden” vervangen door de woorden “een betalings- dienstaanbieder of een uitgever van elektronisch geld een of meer bepalingen van deze wet niet naleeft, delen zij deze vaststellingen mee aan de toezichthoudende autoriteit die de vergunning heeft verleend om betalings- diensten aan te bieden of elektronisch geld uit te geven.” Art. 130 In artikel 75 van dezelfde wet worden de volgende wijzigingen aangebracht: 1° Het eerste lid wordt vervangen als volgt: “Om de eventuele geschillen te regelen die voort- vloeien uit deze wet en uit Verordening nr. 924/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 16 septem- ber 2009 betreffende grensoverschrijdende betalingen in de Gemeenschap en tot intrekking van de Verordening (EG) nr. 2560/2001 en die betrekking hebben op de rechten en plichten tussen betalingsdienstgebruikers en hun betalingsdienstaanbieders of tussen houders van elektronisch geld en hun uitgevers van elektronisch geld, stellen deze laatsten een aangepaste klachtenbehan- delingsprocedure in, waarbij de beslissingen die door een onafhankelijk organisme worden genomen, kunnen worden aanvaard door respectievelijk de betalingsdien- staanbieders en de uitgevers van elektronisch geld.”; 2° Tussen het eerste en het laatste lid worden twee leden ingevoegd, luidende: “De betalingsdienstaanbieder of de uitgever van elektronisch geld dient ofwel zelf toegetreden te zijn tot een dergelijke klachtenregeling, ofwel lid te zijn van een beroepsvereniging die is toegetreden tot een dergelijke klachtenregeling. Hij dient bij te dragen tot de fi nancie- ring van de betrokken klachtenregeling. De Koning kan een buitengerechtelijke klachtenre- geling oprichten met als opdracht geschillen tussen respectievelijk, enerzijds, betalingsdienstaanbieders en uitgevers van elektronisch geld, en, anderzijds beta- lingsdienstgebruikers en houders van elektronisch geld, en andere belanghebbenden, met inbegrip van consu- DOC 53 2432/001 206 2431/001 DOC 53 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 3 e L É G I S L A T U R E K AMER 3e Z ITTING VAN DE 53e Z ITTING S P E RIO DE 2011 2012 électronique, et d’autres parties intéressées, y com- pris les associations de consommateurs, en donnant des conseils en la matière ou en agissant à titre de médiateur.”; 3° Dans le dernier alinéa, les mots “ou le détenteur de monnaie électronique” sont insérés entre les mots “l’utilisateur de services de paiement” et les mots “est un consommateur”. Section 7 Modifi cations de la loi du 28 juillet 2011 visant à transposer diverses directives relatives au contrôle du secteur fi nancier et portant dispositions diverses Art. 131 “Dans l’article 34, alinéa 3, de la loi du 28 juillet 2011 visant à transposer diverses directives relatives au contrôle du secteur fi nancier et portant dispositions diverses, “2011” est remplacé par “2012”. “. CHAPITRE 2 Dispositions transitoires et entrée en vigueur Art. 132 “§ 1er. Les établissements de monnaie électronique agréés en Belgique avant l’entrée en vigueur de la pré- sente loi sont de plein droit agréés pour l’application des dispositions du Livre 3 de la loi du 21 décembre 2009, introduites par la présente loi. Ils sont inscrits sur la liste visée à l’article 64 de la loi du 21 décembre 2009. § 2. Les établissements de monnaie électronique qui bénéfi ciaient d’une exemption avant l’entrée en vigueur de la présente loi sont exemptés de plein droit pour l’application des dispositions du Livre 3 de la loi du 21 décembre 2009, introduites par la présente loi. Ils sont inscrits sur la liste visée à l’article 64 de la loi du 21 décembre 2009. § 3. Les établissements de monnaie électronique agréés et les personnes morales exemptées visés aux paragraphes 1 et 2 notifi ent sans délai à la Banque nationale de Belgique les activités visées à l’article 77, § 2 de la loi du 21 décembre 2009, tel qu’introduit par la présente loi, qu’elles entendent exercer. mentenverenigingen, te helpen oplossen, door hierover advies te verstrekken of op te treden als bemiddelaar.”; 3° In het laatste lid worden de woorden “of de houder van elektronisch geld” ingevoegd tussen de woorden “de betalingsdienstgebruiker” en de woorden “een consument”. Afdeling 7 Wijzigingen in de wet van 28 juli 2011 tot omzetting van diverse richtlijnen betreffende het toezicht op de fi nanciële sector en houdende diverse bepalingen Art. 131 “In artikel 34, derde lid, van de wet van 28 juli 2011 tot omzetting van diverse richtlijnen betreffende het toezicht op de fi nanciële sector en houdende diverse bepalingen, wordt “2011” vervangen door “2012”. “. HOOFDSTUK 2 Overgangsbepalingen en inwerkingtreding Art. 132 “§ 1. De instellingen voor elektronisch geld die vóór de inwerkingtreding van deze wet een vergunning heb- ben verkregen in België, verkrijgen van rechtswege een vergunning voor de toepassing van de bepalingen van Boek 3 van de wet van 21 december 2009, die bij deze wet worden ingevoegd. Zij worden opgenomen in de lijst bedoeld in artikel 64 van de wet van 21 december 2009. § 2. De instellingen voor elektronisch geld die vóór de inwerkingtreding van deze wet waren vrijgesteld, zijn van rechtswege vrijgesteld voor de toepassing van de bepalingen van Boek 3 van de wet van 21 decem- ber 2009, die bij deze wet worden ingevoegd. Zij worden opgenomen in de lijst bedoeld in artikel 64 van de wet van 21 december 2009. § 3. De instellingen voor elektronisch geld die een vergunning hebben verkregen en de rechtspersonen die vrijgesteld zijn, als bedoeld in de paragrafen 1 en 2, brengen onmiddellijk ter kennis van de Nationale Bank van België welke van de werkzaamheden bedoeld in artikel 77, § 2 van de wet van 21 december 2009, als ingevoegd bij deze wet, zij wensen uit te oefenen. DOC 53 2432/001 207 2431/001 DOC 53 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 3 e L É G I S L A T U R E K AMER 3e Z ITTING VAN DE 53e Z ITTING S P E RIO DE 2011 2012 Art. 133 Deze wet treedt in werking de dag waarop ze in het Belgisch Staatsblad wordt bekendgemaakt. Gegeven te Trapani, 20 september 2012 ALBERT VAN KONINGSWEGE: De vice-eersteminister en minister van Financiën, Steven VANACKERE De vice-eersteminister en minister van Economie, Consumenten en Noordzee, Johan VANDE LANOTTE Art. 133 La présente loi entre en vigueur le jour de sa publi- cation au Moniteur belge. Donné à Trapani, le 20 septembre 2012 ALBERT PAR LE ROI: Le vice-premier ministre et ministre des Finances, Steven VANACKERE Le vice-premier ministre et ministre de l’Economie, des Consommateurs et de la Mer du Nord, Johan VANDE LANOTTE DOC 53 2432/001 208 2431/001 DOC 53 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 3 e L É G I S L A T U R E K AMER 3e Z ITTING VAN DE 53e Z ITTING S P E RIO DE 2011 2012 PROJET DE LOI (II) ALBERT II, ROI DES BELGES, À tous, présents et à venir, SALUT. Sur la proposition du ministre des Finances, NOUS AVONS ARRÊTÉ ET ARRÊTONS: Le ministre des Finances est chargé de présenter en notre nom aux Chambres législatives et déposer à la Chambre des représentants le projet de loi dont la teneur suit: Article 1er La présente loi règle une matière visée à l’article 77 de la Constitution. Elle assure notamment la transposition partielle de la directive 2009/110/CE du Parlement européen et du Conseil du 16 septembre 2009 concernant l’accès à l’activité des établissements de monnaie électronique et son exercice ainsi que la surveillance prudentielle de ces établissements, modifi ant les directives 2005/60/CE et 2006/48/CE et abrogeant la directive 2000/46/CE. Art. 2 Dans l’article 36/22 de la loi du 22 février 1998 fi xant le statut organique de la Banque Nationale de Belgique, inséré par l’arrêté royal du 3 mars 2011 mettant en œuvre l’évolution des structures de contrôle du secteur fi nancier, les modifi cations suivantes sont apportées: a) dans le 19°, les mots “alinéa 3 de l’article 8 pré- cité” sont remplacés par les mots “alinéa 2 de l’article 8 précité”; b) dans le 21°, les mots “en vertu de l’article 35, § 1er, alinéa 2, 1°, 2°, 3° et 4°” sont remplacés par les mots “en vertu de l’article 35, § 1er, alinéa 2, 1°, 2°, 3°, 4° et 5°”; c) l’article est complété par les 32°, 33° et 34° rédigés comme suit: “32° au demandeur d’agrément, contre les décisions prises par la Banque en matière d’agrément en vertu WETSONTWERP (II) ALBERT II, KONING DER BELGEN, Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, ONZE GROET. Op de voordracht van de minister van Financiën, HEBBEN WIJ BESLOTEN EN BESLUITEN WIJ: De minister van Financiën is hiermee belast het ontwerp van wet waarvan de tekst hierna volgt, in onze naam aan de Wetgevende Kamers voor te leggen en bij de Kamer van volksvertegenwoordigers in te dienen: Artikel 1 Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 77 van de Grondwet. Zij heeft inzonderheid de gedeeltelijke omzetting tot doel van Richtlijn 2009/110/EG van het Europees Par- lement en de Raad van 16 september 2009 betreffende de toegang tot, de uitoefening van en het prudentieel toezicht op de werkzaamheden van instellingen voor elektronisch geld, tot wijziging van de Richtlijnen 2005/60/EG en 2006/48/EG en tot intrekking van Richt- lijn 2000/46/EG. Art. 2 In artikel 36/22 van de wet van 22 februari 1998 tot vaststelling van het organiek statuut van de Nationale Bank van België, ingevoegd bij het koninklijk besluit van 3 maart 2011 betreffende de evolutie van de toe- zichtsarchitectuur voor de fi nanciële sector, worden de volgende wijzigingen aangebracht: a) in de bepaling onder 19° worden de woorden “derde lid van het voormelde artikel 8” vervangen door de woorden “tweede lid van het voormelde artikel 8”; b) in de bepaling onder 21° worden de woorden “krachtens artikel 35, § 1, tweede lid, 1°, 2°, 3° en 4°” vervangen door de woorden “krachtens artikel 35, § 1, tweede lid, 1°, 2°, 3°, 4° en 5°”; c) het artikel wordt aangevuld met de bepalingen onder 32°, 33° en 34°, luidende: “32° door de aanvrager van een vergunning, tegen de beslissingen inzake vergunning die de Bank heeft DOC 53 2432/001 DOC 53 Centrale drukkerij – Deze publicatie wordt uitsluitend gedrukt op FSC gecertificeerd papier Imprimerie centrale – Cette publication est imprimée exclusivement sur du papier certifié FSC 209 2431/001 DOC 53 de l’article 63 de la loi du 21 décembre 2009 relative au statut des établissements de paiement et des établis- sements de monnaie électronique, à l’accès à l’activité de prestataire de services de paiement, à l’activité d’émission de monnaie électronique et à l’accès aux systèmes de paiement. Un même recours est ouvert au demandeur lorsque la Banque n’a pas statué dans les délais fi xés à l’alinéa 2 de l’article 63 précité. Dans ce dernier cas, le recours est traité comme s’il y avait eu rejet de la demande; 33° à l’établissement de monnaie électronique, contre les décisions prises par la Banque en vertu de l’article 75, alinéa 3, de la loi du 21 décembre 2009 relative au statut des établissements de paiement et des établis- sements de monnaie électronique, à l’accès à l’activité de prestataire de services de paiement, à l’activité d’émission de monnaie électronique et à l’accès aux systèmes de paiement; 34° à l’établissement de monnaie électronique, contre les décisions prises par la Banque en vertu de l’article 87, § 1er, alinéa 2, 1°, 2°, 3°, 4° et 5°, et contre les décisions équivalentes prises en vertu de l’article 96 de la loi du 21 décembre 2009 relative au statut des établissements de paiement et des établissements de monnaie électronique, à l’accès à l’activité de presta- taire de services de paiement, à l’activité d’émission de monnaie électronique et à l’accès aux systèmes de paiement. Le recours est suspensif de la décision et de sa publication sauf si, en raison d’un péril grave pour les détenteurs de monnaie électronique, la Banque a déclaré sa décision exécutoire nonobstant recours.”. Art. 3 La présente loi entre en vigueur le jour de sa publi- cation au Moniteur belge. Donné à Trapani, le 20 septembre 2012 ALBERT PAR LE ROI: Le vice-premier ministre et ministre des Finances, Steven VANACKERE genomen krachtens artikel 63 van de wet van 21 de- cember 2009 op het statuut van de betalingsinstellin- gen en van de instellingen voor elektronisch geld, de toegang tot het bedrijf van betalingsdienstaanbieder en tot de activiteit van uitgifte van elektronisch geld en de toegang tot betalingssystemen. Eenzelfde beroep kan door de aanvrager worden ingesteld indien de Bank geen uitspraak heeft gedaan binnen de bij het tweede lid van het voormelde artikel 63 vastgestelde termijnen. In dit laatste geval wordt het beroep behandeld als was de aanvraag verworpen; 33° door de instelling voor elektronisch geld, tegen de beslissingen die de Bank heeft genomen krachtens arti- kel 75, derde lid, van de wet van 21 december 2009 op het statuut van de betalingsinstellingen en van de instellingen voor elektronisch geld, de toegang tot het bedrijf van betalingsdienstaanbieder en tot de activiteit van uitgifte van elektronisch geld en de toegang tot betalingssystemen; 34° door de instelling voor elektronisch geld, tegen de beslissingen die de Bank heeft genomen krachtens artikel 87, § 1, tweede lid, 1°, 2°, 3°, 4° en 5° en tegen de gelijkaardige beslissingen genomen krachtens artikel 96 van de wet van 21 december 2009 op het statuut van de betalingsinstellingen en van de instellingen voor elektronisch geld, de toegang tot het bedrijf van beta- lingsdienstaanbieder en tot de activiteit van uitgifte van elektronisch geld en de toegang tot betalingssystemen. Het beroep schorst de beslissing en haar bekendma- king, tenzij de Bank, bij ernstig gevaar voor de houders van elektronisch geld, haar beslissing uitvoerbaar heeft verklaard niettegenstaande elk beroep.”. Art. 3 Deze wet treedt in werking de dag waarop ze in het Belgisch Staatsblad wordt bekendgemaakt. Gegeven te Trapani, 20 september 2012 ALBERT VAN KONINGSWEGE: De vice-eersteminister en minister van Financiën, Steven VANACKERE

Vragen over dit document?

Stel uw vragen aan onze juridische AI-assistent

Open chatbot