Inhoud
DE SPOEDBEHANDELING WORDT DOOR DE REGERING GEVRAAGD
OVEREENKOMSTIG ARTIKEL 51 VAN HET REGLEMENT.
LE GOUVERNEMENT DEMANDE L’URGENCE CONFORMÉMENT À
L’ARTICLE 51 DU RÈGLEMENT.
LE GOUVERNEMENT DEMANDE L’URGENCE CONFORMÉMENT À
L’ARTICLE 80 DE LA CONSTITUTION.
DE SPOEDBEHANDELING WORDT DOOR DE REGERING GEVRAAGD
OVEREENKOMSTIG ARTIKEL 80 VAN DE GRONDWET.
2432/001
2432/001
DOC 53
DOC 53
4808
2431/001
2431/001
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 3 e L É G I S L A T U R E
K AMER 3e Z ITTING VAN DE 53e Z ITTING S P E RIO DE
2011
2012
CHAMBRE DES REPRÉSENTANTS
DE BELGIQUE
BELGISCHE KAMER VAN
VOLKSVERTEGENWOORDIGERS
DOC 53
DOC 53
SOMMAIRE
1. Résumé I ...............................................................
2. Résumé II ..............................................................
3. Exposé des motifs I ...............................................
4. Exposé des motifs II ..............................................
5. Avant-projet I .........................................................
6. Avant-projet II ........................................................
7. Avis du Conseil d’État I ..........................................
8. Avis du Conseil d’État II .........................................
9. Projet de loi I ..........................................................
10. Projet de loi II .........................................................
INHOUD
1. Samenvatting I .......................................................
2. Samenvatting II ......................................................
3. Memorie van toelichting I ......................................
4. Memorie van toelichting II .....................................
5. Voorontwerp I ........................................................
6. Voorontwerp II .......................................................
7. Advies van de Raad van State I ............................
8. Advies van de Raad van State II ...........................
9. Wetsontwerp I ........................................................
10. Wetsontwerp II.......................................................
PROJET DE LOI
WETSONTWERP
tot wijziging van de wet van
21 december 2009 betreffende het statuut
van de betalingsinstellingen, de toegang tot
het bedrijf van betalingsdienstaanbieder en
de toegang tot betalingssystemen, en van
andere wetgeving die betrekking heeft op het
statuut van de betalingsinstellingen en van de
instellingen voor elektronisch geld
modifiant la loi du 21 décembre 2009
relative au statut des établissements de
paiement, à l’accès à l’activité de prestataire
de services de paiement et à l’accès aux
systèmes de paiement et d’autres législations
dans la mesure où elles sont relatives au
statut des établissements de paiement et des
établissements de monnaie électronique
3
4
5
59
61
123
125
132
134
208
Blz.
Page
2 octobre 2012
2 oktober 2012
PROJET DE LOI
WETSONTWERP
tot wijziging van de wet van 22 februari 1998
tot vaststelling van het organiek statuut van de
Nationale Bank van België
modifiant la loi du 22 février 1998 fixant le
statut organique de la Banque Nationale de
Belgique
3
4
5
59
61
123
125
132
134
208
DOC 53 2432/001
2
2431/001
DOC 53
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 3 e L É G I S L A T U R E
K AMER 3e Z ITTING VAN DE 53e Z ITTING S P E RIO DE
2011
2012
De regering heef t dit wetsontwerp op
2 oktober 2012 ingediend.
De “goedkeuring tot drukken” werd op
5 oktober 2012 door de Kamer ontvangen.
Le gouvernement a déposé ce projet de loi le
2 octobre 2012.
Le “bon à tirer” a été reçu à la Chambre le
5 octobre 2012.
Abréviations dans la numérotation des publications:
DOC 53 0000/000: Document parlementaire de la 53e législature, suivi
du n° de base et du n° consécutif
QRVA:
Questions et Réponses écrites
CRIV:
Version Provisoire du Compte Rendu intégral (cou-
verture verte)
CRABV:
Compte Rendu Analytique (couverture bleue)
CRIV:
Compte Rendu Intégral, avec, à gauche, le compte
rendu intégral et, à droite, le compte rendu analy-
tique traduit des interventions (avec les annexes)
(PLEN: couverture blanche; COM: couverture sau-
mon)
PLEN:
Séance plénière
COM:
Réunion de commission
MOT:
Motions déposées en conclusion d’interpellations
(papier beige)
Publications offi cielles éditées par la Chambre des représentants
Commandes:
Place de la Nation 2
1008 Bruxelles
Tél. : 02/ 549 81 60
Fax : 02/549 82 74
www.lachambre.be
e-mail : publications@lachambre.be
Offi ciële publicaties, uitgegeven door de Kamer van volksvertegenwoordigers
Bestellingen:
Natieplein 2
1008 Brussel
Tel. : 02/ 549 81 60
Fax : 02/549 82 74
www.dekamer.be
e-mail : publicaties@dekamer.be
N-VA
:
Nieuw-Vlaamse Alliantie
PS
:
Parti Socialiste
MR
:
Mouvement Réformateur
CD&V
:
Christen-Democratisch en Vlaams
sp.a
:
socialistische partij anders
Ecolo-Groen
:
Ecologistes Confédérés pour l’organisation de luttes originales – Groen
Open Vld
:
Open Vlaamse liberalen en democraten
VB
:
Vlaams Belang
cdH
:
centre démocrate Humaniste
FDF
:
Fédéralistes Démocrates Francophones
LDD
:
Lijst Dedecker
MLD
:
Mouvement pour la Liberté et la Démocratie
Afkortingen bij de nummering van de publicaties:
DOC 53 0000/000:
Parlementair document van de 53e zittingsperiode +
basisnummer en volgnummer
QRVA:
Schriftelijke Vragen en Antwoorden
CRIV:
Voorlopige versie van het Integraal Verslag (groene
kaft)
CRABV:
Beknopt Verslag (blauwe kaft)
CRIV:
Integraal Verslag, met links het defi nitieve integraal verslag
en rechts het vertaald beknopt verslag van de toespraken
(met de bijlagen)
(PLEN: witte kaft; COM: zalmkleurige kaft)
PLEN:
Plenum
COM:
Commissievergadering
MOT:
Moties tot besluit van interpellaties (beigekleurig
papier)
DOC 53 2432/001
3
2431/001
DOC 53
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 3 e L É G I S L A T U R E
K AMER 3e Z ITTING VAN DE 53e Z ITTING S P E RIO DE
2011
2012
Le projet de loi vise à transposer partiellement la
directive 2009/110/CE du Parlement européen et du
Conseil du 16 septembre 2009 concernant l’accès à
l’activité des établissements de monnaie électronique
et son exercice ainsi que la surveillance prudentielle de
ces établissements, modifi ant les directives 2005/60/
CE et 2006/48/CE et abrogeant la directive 2000/46/
CE.
La directive 2009/110/CE a pour objet de revoir le
cadre juridique mis en place par la directive 2000/46/
CE du Parlement européen et du Conseil du 18 sep-
tembre 2000 relative aux établissements de monnaie
électronique dès lors que certaines des dispositions
de cette directive avaient été jugées préjudiciables à
l’émergence d’un véritable marché unique des ser-
vices liés à l’émission de monnaie électronique.
La révision des règles en matière d’accès à l’activité
d’émission de monnaie électronique et des règles rela-
tives au statut des établissements de monnaie électro-
nique a été réalisée sur la base du cadre juridique établi
pour les établissements de paiement et ce, notamment
en vue de garantir des conditions de concurrence équi-
tables à tous les prestataires de services de paiement.
En effet, un nouveau Livre consacré aux règles d’ac-
cès à l’activité d’émission de monnaie électronique et
au statut des établissements de monnaie électronique
est inséré dans la loi du 21 décembre 2009 relative
au statut des établissements de paiement, à l’accès
à l’activité de prestataire de services de paiement et
à l’accès aux systèmes de paiement.La Banque natio-
nale de Belgique, qui agit comme autorité de contrôle
prudentiel, est chargée de surveiller le respect des
articles de ce nouveau Livre.
Les dispositions de la directive 2009/110/CE qui ont
directement trait à la relation contractuelle entre les
émetteurs de monnaie électronique et les détenteurs
de monnaie électronique, concernent notamment 1)
l’émission de monnaie électronique à la valeur nomi-
nale des fonds reçus du détenteur, 2) l’interdiction
d’accorder des intérêts et 3) l’obligation et les condi-
tions de remboursement de la monnaie électronique
par l’émetteur au détenteur. Vu le lien très étroit avec
les services de paiement, il est proposé de les intégrer
dans la loi du 10 décembre 2009 relative aux services
de paiement. Le contrôle du respect de ces disposi-
tions par tous les émetteurs de monnaie électronique
est confi é aux fonctionnaires désignés par le Ministre
de l’Economie.
Het ontwerp van wet zorgt voor de gedeeltelijke
omzetting van richtlijn 2009/110/EG van het Euro-
pees Parlement en de Raad van 16 september 2009
betreffende de toegang tot, de uitoefening van en
het prudentieel toezicht op de werkzaamheden van
instellingen voor elektronisch geld, tot wijziging van
de richtlijnen 2005/60/EG en 2006/48/EG en tot intrek-
king van Richtlijn 2000/46/EG.
De richtlijn 2009/110/CE herziet het rechtskader
ingesteld bij richtlijn 2000/46/EG van het Europees
Parlement en de Raad van 18 september 2000 betref-
fende de instellingen voor elektronisch geld, omdat
sommige bepalingen van deze richtlijn de totstand-
koming van een echte interne markt voor diensten
die verband houden met de uitgifte van elektronisch
geld zouden hebben gehinderd.
Bij de herziening van de voorschriften met betrek-
king tot de toegang tot de activiteit van uitgifte van
elektronisch geld en het statuut van de instellingen
voor elektronisch geld is uitgegaan van het bestaande
rechtskader voor betalingsinstellingen, met name om
voor alle betalingsdienstaanbieders gelijke concur-
rentievoorwaarden te kunnen bewerkstelligen.
Inderdaad, een nieuw Boek over de toegang tot
de activiteit van uitgifte van elektronisch geld en het
statuut van de instellingen voor elektronisch geld
wordt ingevoegd in de wet van 21 december 2009 be-
treffende het statuut van de betalingsinstellingen, de
toegang tot het bedrijf van betalingsdienst-aanbieder
en de toegang tot betalingssystemen. De Nationale
Bank van België, die optreedt als prudentiële toezicht-
houder, is bevoegd voor het toezicht op de naleving
van de artikelen van dit nieuw Boek.
De bepalingen van de richtlijn 2009/110/EG die
rechtsreeks betrekking hebben op de contractuele
relatie tussen de uitgevers van elektronisch geld en
de houders van elektronisch geld betreffen met name
1) de uitgifte van elektronisch geld tegen de nominale
waarde van het ontvangen geld van de houder, 2) het
verbod van het toekennen van rente en 3) de plicht
en voorwaarden tot terugbetaling van het elektronisch
geld door de uitgever aan de houder. Gezien de zeer
nauwe verwantschap met betalingsdiensten, wordt
er voorgesteld deze bepalingen te integreren in de
wet van 10 december 2009 betreffende de beta-
lingsdiensten. Er is voor gekozen om de controle op
de naleving van deze bepalingen door alle uitgevers
van elektronisch geld toe te vertrouwen aan de door
de minister van Economie aangeduide ambtenaren.
RÉSUMÉ (I)
SAMENVATTING (I)
DOC 53 2432/001
4
2431/001
DOC 53
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 3 e L É G I S L A T U R E
K AMER 3e Z ITTING VAN DE 53e Z ITTING S P E RIO DE
2011
2012
Le projet de loi vise à transposer partiellement en
droit belge la directive 2009/110/CE du Parlement euro-
péen et du Conseil du 16 septembre 2009 concernant
l’accès à l’activité des établissements de monnaie
électronique et son exercice ainsi que la surveillance
prudentielle de ces établissements, modifiant les
directives 2005/60/CE et 2006/48/CE et abrogeant la
directive 2000/46/CE.
Le projet de loi modifi e l’article 36/22 de la loi du
22 février 1998 fi xant le statut organique de la Banque
nationale de Belgique afi n de tenir compte de l’instau-
ration du nouveau statut prudentiel pour les établisse-
ments de monnaie électronique.
Le projet de loi règle l’introduction d’un recours
auprès du Conseil d’État conformément à la procédure
accélérée contre certaines décisions de la Banque,
pour les décisions prises par la Banque vis-à-vis des
établissements de monnaie électronique dans le cadre
de demandes d’agrément des établissements souhai-
tant obtenir ce nouveau statut, ou dans le cadre de la
surveillance prudentielle exercée par la Banque sur
l’exercice des activités de ces établissements.
Het wetsontwerp zorgt voor de gedeeltelijke omzet-
ting in Belgisch recht van Richtlijn 2009/110/EG van
het Europees Parlement en de Raad van 16 septem-
ber 2009 betreffende de toegang tot, de uitoefening
van en het prudentieel toezicht op de werkzaamheden
van instellingen voor elektronisch geld, tot wijziging
van de Richtlijnen 2005/60/EG en 2006/48/EG en tot
intrekking van Richtlijn 2000/46/EG.
Het wetsontwerp wijzigt artikel 36/22 van de wet
van 22 februari 1998 tot vaststelling van het organiek
statuut van de Nationale Bank van België, naar aan-
leiding van de invoering van een nieuw prudentieel
statuut voor de instellingen voor elektronisch geld.
Het wetsontwerp regelt de instelling van een
beroep bij de Raad van State overeenkomstig de
versnelde procedure tegen bepaalde beslissingen
van de Bank, voor de beslissingen die door de Bank
worden genomen ten aanzien van instellingen voor
elektronisch geld die een vergunningsaanvraag
indienen om het nieuwe statuut te verkrijgen, of in
het kader van het prudentieel toezicht dat door de
Bank wordt uitgeoefend op de uitoefening van de
werkzaamheden van die instellingen.
RÉSUMÉ (II)
SAMENVATTING (II)
DOC 53 2432/001
5
2431/001
DOC 53
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 3 e L É G I S L A T U R E
K AMER 3e Z ITTING VAN DE 53e Z ITTING S P E RIO DE
2011
2012
EXPOSÉ DES MOTIFS (I)
MESDAMES, MESSIEURS,
Le projet de loi que le Gouvernement a l’honneur
de vous soumettre règle la transposition de la directive
2009/110/CE du Parlement européen et du Conseil
du 16 septembre 2009 concernant l’accès à l’activité
des établissements de monnaie électronique et son
exercice ainsi que la surveillance prudentielle de ces
établissements, modifi ant les directives 2005/60/CE et
2006/48/CE et abrogeant la directive 2000/46/CE (ci-
après “la directive”).
L’objectif poursuivi par le législateur européen était
de revoir le cadre juridique mis en place par la directive
2000/46/CE du Parlement européen et du Conseil du
18 septembre 2000 concernant l’accès à l’activité des
établissements de monnaie électronique et son exercice
ainsi que la surveillance prudentielle de ces établisse-
ments (ci-après, “directive 2000/46/CE”), dès lors que
certaines des dispositions de cette directive avaient
été jugées préjudiciables à l’émergence d’un véritable
marché unique des services liés à l’émission de mon-
naie électronique. L’on peut, en effet, constater que le
statut d’établissement de monnaie électronique n’a
connu, en Europe, qu’un succès limité, et notamment
en Belgique, où seuls deux établissements de monnaie
électronique ont été agréés. Plusieurs établissements
bénéfi cient d’un statut d’exemption, principalement sur
base du niveau limité d’engagements fi nanciers liés à
la monnaie électronique.
Dans ce contexte, il a été procédé à une révision des
règles en matière d’accès à l’activité d’émission de
monnaie électronique, et des règles relatives au statut
des établissements de monnaie électronique. La révi-
sion de ces règles a été réalisée sur la base du cadre
juridique établi pour les établissements de paiement
et ce, notamment en vue de garantir des conditions
de concurrence équitables à tous les prestataires de
services de paiement. Ainsi, le régime de surveillance
prudentielle des établissements de monnaie électro-
nique a été adapté afi n de le rendre plus cohérent avec
le régime de surveillance prudentielle applicable aux
établissements de paiement.
Eu égard à la similitude encouragée par le législateur
européen entre le statut des établissements de monnaie
électronique et celui des établissements de paiement,
le projet de loi transpose la directive par le biais de dis-
positions modifi catives de la loi du 21 décembre 2009
relative au statut des établissements de paiement, à
l’accès à l’activité de prestataire de services de paie-
ment et à l’accès aux systèmes de paiement, afi n d’y
MEMORIE VAN TOELICHTING (I)
DAMES, HEREN,
Het wetsontwerp dat de Regering de eer heeft U
voor te leggen, zorgt voor de omzetting van Richtlijn
2009/110/EG van het Europees Parlement en de Raad
van 16 september 2009 betreffende de toegang tot, de
uitoefening van en het prudentieel toezicht op de werk-
zaamheden van instellingen voor elektronisch geld, tot
wijziging van de Richtlijnen 2005/60/EG en 2006/48/
EG en tot intrekking van Richtlijn 2000/46/EG (hierna
“de Richtlijn”).
Doel van de Europese wetgever was om het rechts-
kader ingesteld bij Richtlijn 2000/46/EG van het Eu-
ropees Parlement en de Raad van 18 september 2000
betreffende de toegang tot, de uitoefening van en het
bedrijfseconomisch toezicht op de werkzaamheden
van instellingen voor elektronisch geld (hierna “Richtlijn
2000/46/EG”) te herzien, omdat sommige bepalingen
van deze richtlijn de totstandkoming van een echte
interne markt voor diensten die verband houden met
de uitgifte van elektronisch geld zouden hebben gehin-
derd. Er dient inderdaad te worden vastgesteld dat het
statuut van instelling voor elektronisch geld maar een
beperkt succes heeft gekend in Europa, en met name in
België, waar slechts twee instellingen voor elektronisch
geld een vergunning hebben verkregen. Verschillende
instellingen genieten een vrijstelling, voornamelijk op
grond van het beperkt niveau van hun met elektronisch
geld verband houdende fi nanciële verplichtingen.
In deze context werd overgegaan tot de herziening
van de voorschriften met betrekking tot de toegang tot
de activiteit van uitgifte van elektronisch geld en het
statuut van de instellingen voor elektronisch geld. Bij
deze herziening werd uitgegaan van het bestaande
rechtskader voor betalingsinstellingen, met name om
voor alle betalingsdienstaanbieders gelijke concurrentie-
voorwaarden te kunnen bewerkstelligen. Derhalve werd
het stelsel voor de uitoefening van prudentieel toezicht
op de instellingen voor elektronisch geld aangepast om
het beter af te stemmen op het stelsel voor de uitoefe-
ning van prudentieel toezicht op de betalingsinstellingen.
Aangezien de overeenstemming tussen het statuut
van de instellingen voor elektronisch geld en dat van
de betalingsinstellingen gestimuleerd wordt door de
Europese wetgever, wordt de Richtlijn in de voorlig-
gende ontwerptekst omgezet door wijziging van de wet
van 21 december 2009 betreffende het statuut van de
betalingsinstellingen, de toegang tot het bedrijf van beta-
lingsdienstaanbieder en de toegang tot betalingssyste-
DOC 53 2432/001
6
2431/001
DOC 53
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 3 e L É G I S L A T U R E
K AMER 3e Z ITTING VAN DE 53e Z ITTING S P E RIO DE
2011
2012
insérer un nouveau Livre consacré aux règles d’accès
à l’activité d’émission de monnaie électronique et au
statut des établissements de monnaie électronique.
Les principales modifications apportées par la
directive ont trait au statut de contrôle prudentiel des
établissements de monnaie électronique, l’objectif étant
d’alléger ce statut. Ainsi, les établissements de monnaie
électronique ne constituent plus une catégorie spéci-
fi que d’établissements de crédit et les dispositions de
la loi du 22 mars 1993 relative au statut et au contrôle
des établissements de crédit n’ont dès lors plus lieu
d’être appliquées à ces établissements.
Par ailleurs, le capital initial requis pour l’obtention
de l’agrément en qualité d’établissement de monnaie
électronique est réduit et est complété par un régime
de capital permanent (exigences en matière de fonds
propres) visant à assurer une protection adéquate des
consommateurs et à garantir une gestion saine et pru-
dente des établissements de monnaie électronique.
Cet assouplissement du régime est compensé par
des dispositions plus strictes en matière de protection
des fonds des détenteurs de monnaie électronique. Ces
mesures de protection de fonds sont calquées sur celles
que doivent actuellement appliquer les établissements
de paiement dits “hybrides”. Elles remplacent les règles
en matière de limitations de placement qui étaient pré-
vues sous la directive 2000/46/CE.
La directive autorise également les établissements
de monnaie électronique à distribuer, rembourser, ou
recharger de la monnaie électronique par l’intermédiaire
de personnes physiques ou morales agissant pour le
compte des établissements de monnaie électronique,
que le projet de loi qualifi e de “distributeurs”. La direc-
tive autorise, par ailleurs, les établissements de mon-
naie électronique à prester des services de paiement
par l’intermédiaire d’agents, auxquels s’appliquent le
régime d’enregistrement applicable aux agents d’éta-
blissements de paiement. En aucun cas toutefois, les
établissements de monnaie électronique ne sont auto-
risés à sous-traiter l’activité d’émission de monnaie
électronique.
Une autre modifi cation signifi cative est la possibi-
lité, pour les établissements de monnaie électronique,
d’exercer d’autres activités commerciales qui ne sont
pas nécessairement liées à l’émission de monnaie élec-
tronique et ce, sauf exceptions liées à des exigences
de gestion saine et prudente de l’établissement et de
maîtrise des risques appropriée, sans que cela soit
men, waarin een nieuw Boek wordt ingevoegd over de
toegang tot de activiteit van uitgifte van elektronisch geld
en het statuut van de instellingen voor elektronisch geld.
De belangrijkste wijzigingen die door de Richtlijn
zijn aangebracht, betreffen het prudentieel toezichtss-
tatuut van de instellingen voor elektronisch geld en zijn
erop gericht dit statuut te vereenvoudigen. Zo vormen
de instellingen voor elektronisch geld niet langer een
specifi eke categorie van kredietinstellingen en zijn de
bepalingen van de wet van 22 maart 1993 op het statuut
van en toezicht op de kredietinstellingen dus niet langer
van toepassing op deze instellingen.
Voorts wordt het aanvangskapitaal dat vereist is
voor het verkrijgen van een vergunning als instelling
voor elektronisch geld verlaagd maar wordt er een
bijkomende voorwaarde ingevoerd, namelijk dat de
instelling voor elektronisch geld permanent over kapitaal
beschikt (eigenvermogensvereisten), om te garanderen
dat de consument voldoende wordt beschermd en dat
de instellingen voor elektronisch geld een gezond en
voorzichtig beleid voeren.
Deze versoepeling van de regeling wordt gecompen-
seerd door strengere bepalingen inzake de bescherming
van de geldmiddelen van houders van elektronisch geld.
Deze maatregelen ter bescherming van de geldmidde-
len zijn geënt op de bepalingen die momenteel moeten
worden toegepast door de zogenaamde “hybride”
betalingsinstellingen. Zij vervangen de regels inzake
de beleggingsbeperkingen die waren opgenomen in
Richtlijn 2000/46/EG.
De Richtlijn bepaalt ook dat instellingen voor elektro-
nisch geld elektronisch geld mogen overmaken, terug-
betalen of heropladen via natuurlijke of rechtspersonen
die handelen voor rekening van de instellingen voor
elektronisch geld en die het wetsontwerp kwalifi ceert
als “distributeurs”. Volgens de Richtlijn mogen de instel-
lingen voor elektronisch geld ook betalingsdiensten
verrichten via agenten, die moeten worden ingeschreven
volgens de regels die gelden voor de agenten van beta-
lingsinstellingen. Werkzaamheden die verband houden
met de uitgifte van elektronisch geld mogen zij echter
niet uitbesteden.
Een andere belangrijke wijziging is de invoering van
de mogelijkheid voor instellingen voor elektronisch
geld om andere bedrijfswerkzaamheden uit te oefenen
die niet noodzakelijk verband houden met de uitgifte
van elektronisch geld, zonder dat ze verplicht zijn die
andere bedrijfswerkzaamheden in een andere enti-
teit onder te brengen, behoudens uitzonderingen die
DOC 53 2432/001
7
2431/001
DOC 53
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 3 e L É G I S L A T U R E
K AMER 3e Z ITTING VAN DE 53e Z ITTING S P E RIO DE
2011
2012
assorti d’une obligation de loger ces autres activités
commerciales dans une autre entité.
Le régime d’exemption déjà prévu dans la directive
2000/46/CE a également été revu et ne vise plus que
les établissements de monnaie électronique émettant
un volume limité de monnaie électronique (5 millions
d’euros maximum). Les autres hypothèses d’exemption
ont été soit supprimées, soit maintenues sous forme
d’exclusion du champ d’application de la directive
(notamment l’ancienne exemption liée à la notion de
réseau limité).
La défi nition de la notion de monnaie électronique
reste quasi inchangée et couvre toutes les situations
dans lesquelles un émetteur émet en contrepartie de
fonds une valeur stockée prépayée qui peut être utili-
sée à des fi ns de paiement car elle est acceptée par
des tiers en tant que paiement. Cette défi nition se veut
neutre d’un point de vue technique et vise non seule-
ment les produits de monnaie électronique actuellement
disponibles sur le marché, mais également les produits
susceptibles de se développer à l’avenir.
L’obligation de remboursement, déjà prévue dans la
directive 2000/46/CE est maintenue mais les modalités
en sont précisées.
Évaluation d’incidence
En réponse à l’observation du Conseil d’État relative
au manque d’une évaluation d’incidence des décisions
sur le développement durable, il est précisé que l’article
19/1 de la loi du 5 mai 1997, inséré par la loi du 30 juil-
let 2010, n’a pas encore fait l’objet d’une exécution. Un
projet d’arrêté royal règlant l’évaluation d’incidence et
fi xant les dispenses de cette évaluation, est en cours
de préparation.
Dès lors, l’on ne peut s’appuyer que sur les directives
existantes en matière du test EIDDD. Il peut être conclu
que la dispense découlant de l’urgence des mesures à
prendre peut être invoquée.
verband houden met het vereiste van een gezond en
voorzichtig beleid van de instelling en met een passende
risicobeheersing.
De vrijstellingsregeling die reeds was opgenomen in
Richtlijn 2000/46/EG werd eveneens herzien en geldt
enkel nog voor de instellingen voor elektronisch geld
die een beperkt volume aan elektronisch geld uitgeven
(maximum 5 miljoen euro). De andere vrijstellingsge-
vallen werden ofwel geschrapt ofwel behouden in de
vorm van een uitsluiting van het toepassingsgebied van
de Richtlijn (met name de oude vrijstelling die verleend
wordt indien er sprake is van een “beperkt netwerk”).
De defi nitie van “elektronisch geld” blijft quasi ongewi-
jzigd en bestrijkt alle situaties waarin een uitgever in
ruil voor geld een voorafbetaalde opgeslagen waarde
uitgeeft die kan worden gebruikt voor betalingsdoe-
leinden omdat dit door derden wordt aanvaard als
betaling. Technisch gezien is deze defi nitie neutraal. Zij
bestrijkt niet alleen de thans op de markt beschikbare
elektronische geldproducten, maar ook die welke in de
toekomst zouden kunnen worden ontwikkeld.
De verplichting tot terugbetaling, die al was opge-
nomen in Richtlijn 2000/46/EG, blijft behouden, maar
wordt nader geregeld.
Duurzame ontwikkelingseffectbeoordeling
Als antwoord op de opmerking van de Raad van
State met betrekking tot het ontbreken van de duurzame
ontwikkelingseffectbeoordeling, kan worden gesteld dat
artikel 19/1 van de wet van 5 mei 1997, ingevoegd bij de
wet van 30 juli 2010, nog geen uitvoering heeft gekregen.
Een ontwerp van koninklijk besluit tot regeling van de
effectbeoordeling en tot bepaling van de vrijstellingen
van deze beoordeling, wordt momenteel voorbereid.
Derhalve kan enkel gesteund worden op de bes-
taande richtlijnen inzake de DOEB-test, en kan besloten
worden dat de vrijstelling omwille van de hoogdrin-
gendheid van de te nemen maatregelen kan worden
ingeroepen.
DOC 53 2432/001
8
2431/001
DOC 53
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 3 e L É G I S L A T U R E
K AMER 3e Z ITTING VAN DE 53e Z ITTING S P E RIO DE
2011
2012
COMMENTAIRES DES ARTICLES (I)
Le projet de loi comprend trois titres.
Le Titre 1er décrit l’objet de la loi.
Le Titre 2 (articles 3 à 95) comporte les modifi cations
apportées à la loi du 21 décembre 2009 relative au statut
des établissements de paiement, à l’accès à l’activité
de prestataire de services de paiement et à l’accès aux
systèmes de paiement, notamment afi n d’y insérer un
Livre 3 visant à transposer la directive.
Le Titre 3 (articles 96 à 134) comprend d’autres dis-
positions modifi catives, et la date d’entrée en vigueur
de la loi.
Art. 2
Cet article prévoit que la loi transpose la directive
en droit belge.
Art. 3
Cet article modifi e l’intitulé de la loi du 21 décembre
relative au statut des établissements de paiement, à
l’accès à l’activité de prestataire de services de paie-
ment et à l’accès aux systèmes de paiement afi n de tenir
compte de l’insertion, dans cette loi, des dispositions
relatives à l’accès à l’activité d’émission de monnaie
électronique et au statut des établissements de monnaie
électronique.
Art. 4
Cet article introduit un nouveau Livre 1er dans la loi du
21 décembre 2009 relatif à l’objet et au champ d’appli-
cation de la loi, ainsi qu’aux défi nitions.
Art. 5
Cet article modifie l ’article 2 de la loi du
21 décembre 2009 afi n de tenir compte de l’insertion
dans la loi du Livre 3 transposant la directive.
Art. 6
Cet article modifie l ’article 3 de la loi du
21 décembre 2009 afi n de reformuler l’objet de la loi, à
la suite de l’insertion du Livre 3. Le Livre 3 a pour objet
COMMENTAAR BIJ DE ARTIKELEN (I)
Het wetsontwerp telt drie titels.
Titel 1 omschrijft het doel van de wet.
Titel 2 (artikel 3 tot 95) bevat de wijzigingen die
worden aangebracht in de wet van 21 december 2009
betreffende het statuut van de betalingsinstellingen, de
toegang tot het bedrijf van betalingsdienstaanbieder en
de toegang tot betalingssystemen. In deze wet wordt
met name een Boek 3 ingevoegd, ter omzetting van
de Richtlijn.
Titel 3 (artikel 96 tot 134) bevat andere wijzigingsbe-
palingen en bepaalt wanneer de wet in werking treedt.
Art. 2
Dit artikel bepaalt dat de wet de Richtlijn in Belgisch
recht omzet.
Art. 3
Dit artikel wijzigt het opschrift van de wet van
21 december 2009 betreffende het statuut van de
betalingsinstellingen, de toegang tot het bedrijf van
betalingsdienstaanbieder en de toegang tot betalings-
systemen, ingevolge de invoeging in die wet van bepa-
lingen over de toegang tot de activiteit van uitgifte van
elektronisch geld en over het statuut van de instellingen
voor elektronisch geld.
Art. 4
Dit artikel voert in de wet van 21 december 2009 een
nieuw Boek 1 in, dat naast het doel en het toepassings-
gebied van de wet ook defi nities bevat.
Art. 5
Dit artikel wijzigt artikel 2 van de wet van
21 december 2009, ingevolge de invoeging in de wet
van Boek 3, dat de Richtlijn omzet.
Art. 6
Dit artikel wijzigt artikel 3 van de wet van
21 december 2009. Het doel van de wet wordt geherfor-
muleerd om rekening te houden met de invoeging van
DOC 53 2432/001
9
2431/001
DOC 53
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 3 e L É G I S L A T U R E
K AMER 3e Z ITTING VAN DE 53e Z ITTING S P E RIO DE
2011
2012
de prévoir quels établissements et autorités peuvent
exercer l’activité d’émission de monnaie électronique,
et d’instaurer un nouveau statut prudentiel pour les
établissements de monnaie électronique.
Art. 7
Cet article transpose l’article 2 de la directive.
Cet article modifie l ’article 4 de la loi du
21 décembre 2009 qui défi nit un certain nombre de
notions. De nouvelles défi nitions sont ajoutées à cette
disposition, et notamment la défi nition des notions
d’”établissement de monnaie électronique”, d’“émetteur
de monnaie électronique”, de “monnaie électronique”, de
“détenteur de monnaie électronique”, de “moyenne de la
monnaie électronique en circulation”, et de “distributeur”.
La notion d’“émetteur de monnaie électronique” est
défi nie par référence, d’une part à l’exercice de l’activité
d’émission de monnaie électronique et, d’autre part,
par analogie avec l’article 2 de la directive, aux éta-
blissements et autorités autorisés à exercer l’activité
d’émission de monnaie électronique en Belgique et
visés à l’article 59 de la loi (tel qu’inséré par l’article 27
de l’avant-projet), et correspondant aux cinq catégories
de l’article 1 (1) de la directive. Cette défi nition inclut en
outre les personnes morales bénéfi ciant d’une exemp-
tion en vertu de l’article 105 de la loi (inséré par l’article
88 de l’avant-projet).
Le Conseil d’État relève que les émetteurs de mon-
naie électronique visés aux points 3°, 4° et 5° de l’article
59 en projet ne visent que des émetteurs belges (à
l’exception de la Banque Centrale Européenne), contrai-
rement à ceux visés aux points 1° et 2° de ce même
article. Il souligne qu’il faudrait éviter que cette manière
de procéder ne puisse restreindre indûment l’exercice
en Belgique des activités réglementées par la directive
pour les entités étrangères visées à l’article 1er, para-
graphe 1er, points c), d) et e) de la directive. Il n’y a pas
lieu de donner suite à l’observation du Conseil d’État
dans la mesure où la possibilité d’émettre de la monnaie
électronique en vertu de la loi belge ne concerne que
des sujets de droit nationaux dont la Belgique est l’État
membre d’origine. Les émetteurs visés aux points 3°, 4°
et 5°, qui ne disposent pas d’un passeport européen,
pourront le cas échéant exercer leurs activités sur une
base transfrontalière, sur la base des libertés commu-
nautaires telles que prévues par le Traité.
Boek 3. In Boek 3 wordt bepaald welke instellingen en
overheden elektronisch geld mogen uitgeven en wordt
een nieuw prudentieel statuut ingevoerd voor instellin-
gen voor elektronisch geld.
Art. 7
Dit artikel voorziet in de omzetting van artikel 2 van
de Richtlijn.
Dit artikel wijzigt artikel 4 van de wet van
21 december 2009, dat een aantal begrippen defi -
nieert. Aan deze bepaling worden een aantal nieuwe
defi nities toegevoegd, waaronder de defi nities van de
begrippen “instelling voor elektronisch geld”, “uitgevers
van elektronisch geld”, “elektronisch geld”, “houder van
elektronisch geld”, “gemiddeld uitstaand elektronisch
geld” en “distributeur”.
Het begrip “uitgevers van elektronisch geld” wordt
gedefi nieerd via verwijzing, enerzijds, naar de uitoe-
fening van de activiteit van uitgifte van elektronisch
geld, en, anderzijds, naar analogie met artikel 2 van
de Richtlijn, naar de instellingen en overheden die in
België elektronisch geld mogen uitgeven, als bedoeld
bij artikel 59 van de wet (zoals ingevoegd bij artikel 27
van het voorontwerp), die overeenstemmen met de vijf
categorieën van uitgevers van elektronisch geld die in
artikel 1(1) van de Richtlijn zijn opgenomen. Onder deze
defi nitie vallen ook de rechtspersonen die vrijgesteld
zijn op grond van artikel 105 van de wet (ingevoegd bij
artikel 88 van het voorontwerp).
De Raad van State merkt op dat met de uitgevers van
elektronisch geld zoals bedoeld in artikel 59, 3°, 4° en 5°
van het ontwerp enkel de Belgische uitgevers beoogd
worden (met uitzondering van de Europese Centrale
Bank), in tegenstelling tot diegenen bedoeld in 1° en 2°
van datzelfde artikel. Hij benadrukt dat vermeden zou
moeten worden dat deze manier van werken de uitoe-
fening in België van in de richtlijn gereglementeerde
activiteiten voor buitenlandse entiteiten zoals bedoeld
in artikel 1, paragraaf 1, c), d) en e) van de richtlijn, ten
onrechte zou beperken. Er dient geen gevolg gegeven
te worden aan de opmerking van de Raad van State in
die zin dat de mogelijkheid om elektronisch geld uit te
geven zoals voorzien in de Belgische wet enkel nationale
rechtsonderhorigen betreft waarvoor België de lidstaat
van herkomst is. De uitgevers bedoeld in 3°, 4° en 5°, die
niet over een Europees paspoort beschikken, zouden
hun grensoverschrijdende activiteiten desgevallend op
basis van de communautaire vrijheden als voorzien in
het Verdrag kunnen uitoefenen.
DOC 53 2432/001
10
2431/001
DOC 53
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 3 e L É G I S L A T U R E
K AMER 3e Z ITTING VAN DE 53e Z ITTING S P E RIO DE
2011
2012
La notion d’“établissement de monnaie électronique”
est défi nie de manière plus restrictive par rapport à la
défi nition d’“émetteur de monnaie électronique” dans la
mesure où cette première notion ne vise que les émet-
teurs de monnaie électronique qui disposent d’un agré-
ment visé au Livre 3 de la loi, à savoir un agrément en
qualité d’établissement de monnaie électronique. Cette
défi nition n’inclut, par contre, pas les personnes morales
bénéfi ciant d’une exemption en vertu de l’article 105 de la
loi. Ces personnes exemptées ne sont pas considérées
comme des établissements de monnaie électronique et
ce, même s’ils font l’objet d’un traitement identique à celui
des établissements de monnaie électronique et s’ils sont
également inscrits sur la liste visée à l’article 64 de la loi.
En ce qui concerne la notion de “monnaie électro-
nique”, la défi nition reprend celle de la directive. La
notion de créance à laquelle il est fait allusion dans
cette défi nition renvoie à l’obligation de remboursement
des émetteurs de monnaie électronique, de l’article 11
(2) de la directive, transposé à l’article 58/2 de la loi du
10 décembre 2009 relative aux services de paiement
introduit par l’article 126 du présent projet.
Le gouvernement a également choisi d’insérer deux
défi nitions qui ne sont pas mentionnées dans la direc-
tive. Il est ainsi prévu une défi nition de “détenteur de
monnaie électronique” étant donné que cette notion
intervient à plusieurs reprises dans la directive sans
y être défi nie. La notion de “distributeur” méritait éga-
lement une défi nition afi n de préciser les personnes
visées par ce vocable utilisé dans la loi, et auxquelles
s’appliquent des règles spécifi ques. Ce vocable n’existe
pas dans la directive, dans laquelle il est fait référence
aux personnes physiques et morales qui agissent pour
le compte des établissements de monnaie électronique.
L’objectif était également de différencier cette notion de
la notion d’agent, également utilisée dans la directive et
dans la loi. Le distributeur est une personne physique
ou morale qui distribue et/ou rembourse de la monnaie
électronique pour le compte d’un établissement de mon-
naie électronique, tandis qu’un agent est également une
personne qui agit pour le compte d’un établissement de
monnaie électronique, mais pour fournir des services
de paiement.
Le gouvernement n’a pas pas donné suite à l’obser-
vation du Conseil d’État proposant de défi nir le terme
de “État membre d’origine”, reprise à l’article 4, point
1) de la directive, afi n de faire le lien avec la notion de
“personne morale de droit belge” prévue à l’article 6,
alinéa 1er de la loi. En effet, pour déterminer l’applica-
tion de la loi belge au titre de lex societatis, il n’est pas
nécessaire d’insérer une telle défi nition dans la loi, les
deux notions se recouvrant.
De defi nitie van “instelling voor elektronisch geld”
is restrictiever dan die van “uitgevers van elektronisch
geld”, in de mate dat met het eerste begrip enkel de
uitgevers van elektronisch geld worden bedoeld die een
vergunning hebben verkregen als bedoeld in Boek 3
van de wet, namelijk een vergunning als instelling voor
elektronisch geld. Onder deze defi nitie vallen echter
niet de rechtspersonen die vrijgesteld zijn op grond van
artikel 105 van de wet. Deze vrijgestelde personen wor-
den niet beschouwd als instellingen voor elektronisch
geld, ook al worden ze op dezelfde wijze behandeld
als instellingen voor elektronisch geld en zijn ze ook
ingeschreven op de lijst bedoeld in artikel 64 van de wet.
Voor het begrip “elektronisch geld” wordt de defi nitie
van de Richtlijn overgenomen. Het begrip “vordering” dat
in deze defi nitie wordt gebruikt, staat voor de verplichting
tot terugbetaling van de uitgevers van elektronisch geld,
als bedoeld in artikel 11 (2) van de Richtlijn, dat omgezet
is via artikel 58/2 van de wet van 10 december 2009
betreffende de betalingsdiensten, dat ingevoegd wordt
bij artikel 126 van de voorliggende ontwerptekst.
De regering heeft er ook voor geopteerd om twee
defi nities toe te voegen die niet zijn opgenomen in
de Richtlijn. Zo wordt er een defi nitie gegeven van
“houder van elektronisch geld”, aangezien dit begrip
verschillende keren voorkomt in de Richtlijn, zonder dat
het gedefi nieerd wordt. Ook het begrip “distributeur”, dat
in de wet wordt gebruikt, moest gedefi nieerd worden,
om aan te geven wie hiermee bedoeld wordt. Voor deze
personen gelden immers specifi eke regels. Deze term
komt niet voor in de Richtlijn, waar sprake is van “na-
tuurlijke en rechtspersonen die namens de instellingen
voor elektronisch geld optreden”. Een ander doel van
de defi nitie is dit begrip te onderscheiden van dat van
“agent”, dat ook wordt gebruikt in de Richtlijn en in de
wet. De distributeur is een natuurlijke of rechtspersoon
die voor rekening van een instelling voor elektronisch
geld elektronisch geld overmaakt en/of terugbetaalt,
terwijl een agent ook een persoon is die voor rekening
van een instelling voor elektronisch geld optreedt, maar
om betalingsdiensten aan te bieden.
De regering heeft geen gevolg gegeven aan de
opmerking van de Raad van State om de term “lidstaat
van herkomst”, zoals opgenomen in artikel 4, 1) van
de richtlijn, te defi niëren, met oog op het maken van
een link met het begrip “rechtspersoon naar Belgisch
recht” zoals voorzien in artikel 6, eerste alinea van de
wet. Inderdaad, om de toepassing van de Belgische wet
als lex societatis te bepalen is het niet noodzakelijk om
dergelijke defi nitie in de wet op te nemen aangezien
beide begrippen elkaar overlappen.
DOC 53 2432/001
11
2431/001
DOC 53
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 3 e L É G I S L A T U R E
K AMER 3e Z ITTING VAN DE 53e Z ITTING S P E RIO DE
2011
2012
Suite à l’observation du Conseil d’État, une défi nition
de la notion de “jour ouvrable” a été introduite à l’article
4, 38°. Cette défi nition envoie à celle fi gurant à l’article
2, 17° de la loi du 10 décembre 2009. Par exception,
pour les besoins de deux articles spécifi ques relatifs
au délai endéans lequel la Banque doit effectuer une
notifi cation à l’établissement, cette notion doit être
interprétée comme se référant aux jours ouvrés (de
lundi à vendredi).
Art. 8
Cet article introduit un nouveau Livre 2 dans la loi du
21 décembre 2009 relatif au statut des établissements
de paiement, à l’accès à l’activité de prestataire de
services de paiement et aux systèmes de paiement.
Art. 9
Cet article insère un Titre 1er dans le Livre 2 de la loi,
relatif aux prestataires de services de paiement.
Art. 10
Cet article remplace l’article 5 de la loi qui défi nit
les établissements et autorités autorisés à fournir des
services de paiement en Belgique.
Cet article distingue toujours six catégories de pres-
tataires de services de paiement et ces six catégories
restent inchangées.
Il n’y a pas lieu de donner suite à l’observation du
Conseil d’État relative au fait que les points 3°, 4° et 5°
de cet article ne concernent, à l’exception de la Banque
Centrale Européenne, que des prestataires de services
de paiement belges. Il est renvoyé, par identité de motifs,
aux commentaires relatifs aux modifi cations apportées
à l’article 4 de la loi et en particulier à la défi nition
d’émetteur de monnaie électronique.
La catégorie des établissements de monnaie élec-
tronique est également étendue aux succursales d’éta-
blissements de monnaie électronique relevant du droit
d’États non membres de l’EEE, établies en Belgique,
conformément à l’article 98 de la loi, pour les services
de paiement nécessaires à leur activité d’émission de
monnaie électronique. Cette disposition refl ète le point
de vue de la Commission européenne, qui avait été inter-
rogée sur la différence de traitement des succursales
relevant du droit d’États non membres de l’EEE dans
In navolging van de opmerking van de Raad van
State, werd een defi nitie van het begrip “werkdag”
opgenomen in artikel 4, 38°. Deze defi nitie verwijst naar
diegene zoals opgenomen in artikel 2, 17° van de wet
van 10 december 2009. Als uitzondering hierop, moet
het begrip werkdag, in het kader van twee specifi eke
artikelen aangaande de termijn waarbinnen de Bank
een kennisgeving moet verrichten aan de instelling,
geïnterpreteerd worden als verwijzing naar weekdagen
(van maandag tot vrijdag).
Art. 8
Dit artikel voert in de wet van 21 december 2009
betreffende het statuut van de betalingsinstellingen, de
toegang tot het bedrijf van betalingsdienstaanbieder en
de toegang tot betalingssystemen, een Boek 2 in.
Art. 9
Dit artikel voegt in Boek 2 van de wet een Titel 1 in,
over de betalingsdienstaanbieders.
Art. 10
Dit artikel vervangt artikel 5 van de wet, dat bepaalt
welke instellingen en overheden betalingsdiensten
mogen aanbieden in België.
Er zijn nog steeds zes categorieën van betalings-
dienstaanbieders en deze zes categorieën blijven
ongewijzigd.
Er is geen reden om gevolg te geven aan de opmer-
king van de Raad van State in verband met het feit dat de
punten 3°, 4° en 5° van dit artikel, met uitzondering van
de Europees Centrale Bank, enkel Belgische betalings-
dienstaanbieders betreffen. Wegens gelijkaardigheid
van de onderliggende motieven wordt verwezen naar
de commentaren bij de wijzigingen aangebracht aan
artikel 4 van de wet en in het bijzonder aan de defi nitie
van uitgever van elektronisch geld.
De categorie van de instellingen voor elektronisch
geld wordt ook uitgebreid tot de bijkantoren van instel-
lingen voor elektronisch geld die ressorteren onder het
recht van staten die geen lid zijn van de EER, die in
België zijn gevestigd overeenkomstig artikel 98 van de
wet, voor de betalingsdiensten die voor hun activiteit van
uitgifte van elektronisch geld vereist zijn. Deze bepaling
geeft het standpunt weer van de Europese Commissie,
die geraadpleegd werd over het verschil in behandeling
dat in de Richtlijnen 2007/64/EG en 2009/110/EG wordt
DOC 53 2432/001
12
2431/001
DOC 53
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 3 e L É G I S L A T U R E
K AMER 3e Z ITTING VAN DE 53e Z ITTING S P E RIO DE
2011
2012
les directives 2007/64/CE et 2009/110/CE. En effet, ces
succursales peuvent, en vertu de la directive 2009/110/
CE, émettre de la monnaie électronique dans un État
de l’EEE, ce qui leur permet en principe, sur la base de
l’article 6 de cette directive, de prester les services de
paiement énumérés en annexe de la directive 2007/64/
CE. Toutefois, cette disposition n’est pas compatible
avec celles de la directive sur les services de paiement
qui requièrent l’établissement d’une personne morale
distincte dans l’EEE pour y fournir des services de
paiement. La Commission européenne a estimé que
les dispositions de la directive sur la monnaie électro-
nique ne peuvent pas permettre de contourner celles
de la direct°ive sur les services de paiement et que, par
conséquent, les succursales d’établissements de mon-
naie électronique relevant du droit d’États non membres
devraient uniquement être autorisées à fournir les ser-
vices de paiement liées à leur activité d’émission de
monnaie électronique, à l’exclusion de tout autre service
de paiement (procès-verbal de la réunion du “ E-money
Directive Transposition Group” du 24 juin 2010).
Cet article vise à aligner l’article 5, 4° et 5° de la loi
avec l’article 1er (1), e) et f) de la directive 2007/64/CE qui
ne vise la Banque centrale européenne et les banques
centrales nationales, ainsi que les États membres ou
leurs autorités régionales ou locales, dans la mesure où
elles n’agissent pas en qualité d’autorités monétaires
ou publiques.
Le gouvernement est d’avis que tant la Banque cen-
trale européenne et la Banque nationale de Belgique,
que les autorités fédérales, régionales, communautaires
et locales belges peuvent exercer les activités que la
directive 2007/64/CE qualifi e de services de paiement
et ce, en leur qualité d’autorité monétaire ou publique.
Dans cette hypothèse, ces activités ne tombent toutefois
pas dans le champ d’application de la directive (de la loi).
Lorsqu’en revanche, elles fournissent des services de
paiement en dehors de leur qualité d’autorité monétaire,
ou d’autre autorité publique, ces activités tombent dans
le champ d’application de la directive et, en particulier,
dans le champ d’application des dispositions relatives
à la protection des consommateurs et des règles de
conduite qui font l’objet de la loi du 10 décembre 2009
relative aux services de paiement. Par contre, elles ne
sont pas soumises aux dispositions du Titre 2, Livre 2,
de la loi du 21 décembre 2009 (un agrément n’est donc
pas requis).
Il est toutefois clarifi é dans la phrase introductive du
nouvel article 5 de la loi (remplacé par l’article 10 du
présent projet de loi) que les établissements et autorités
gemaakt voor bijkantoren die ressorteren onder het
recht van staten die geen lid zijn van de EER. Volgens
Richtlijn 2009/110/EG mogen die bijkantoren namelijk
elektronisch geld uitgeven in een lidstaat van de EER,
wat hen in principe toelaat, op grond van artikel 6 van die
richtlijn, om de betalingsdiensten te verrichten die opge-
somd zijn in de bijlage bij Richtlijn 2007/64/EG. Deze
bepaling is echter niet verenigbaar met de bepalingen
van de richtlijn over de betalingsdiensten die vereisen
dat er een afzonderlijke rechtspersoon wordt opgericht
in de EER om er betalingsdiensten te verrichten. De
Europese Commissie heeft geoordeeld dat de bepalin-
gen van de richtlijn over elektronisch geld niet tot gevolg
mogen hebben dat de bepalingen van de richtlijn over
de betalingsdiensten worden omzeild en, bijgevolg, dat
de bijkantoren van instellingen voor elektronisch geld
die ressorteren onder het recht van staten die geen lid
zijn van de EER, enkel betalingsdiensten zouden mogen
verstrekken die verband houden met hun activiteit van
uitgifte van elektronisch geld, met uitsluiting van alle
andere betalingsdiensten (notulen van de vergadering
van de “E-money Directive Transposition Group” van
24 juni 2010).
Met dit artikel wordt artikel 5, 4° en 5° van de wet in
overeenstemming gebracht met artikel 1 (1), e) en f), van
Richtlijn 2007/64/EG, dat bepaalt dat de Europese Cen-
trale Bank, de nationale centrale banken en de lidstaten
of hun regionale of lokale overheden maar betalings-
diensten mogen aanbieden wanneer zij niet handelen in
hun hoedanigheid van monetaire of publieke autoriteit.
De regering is van mening dat zowel de Europese
Centrale Bank en de Nationale Bank van België als de
Belgische federale, gewestelijke en lokale overheden
en de overheden van de gemeenschappen in België
de werkzaamheden mogen uitoefenen die Richtlijn
2007/64/EG kwalifi ceert als betalingsdiensten, indien zij
handelen in hun hoedanigheid van monetaire of publieke
autoriteit. Deze werkzaamheden vallen dan echter
niet onder de toepassing van de Richtlijn (van de wet).
Wanneer zij echter betalingsdiensten aanbieden buiten
hun hoedanigheid van monetaire of andere publieke
autoriteit, vallen deze werkzaamheden wel onder de
toepassing van de Richtlijn en in het bijzonder van de
bepalingen die betrekking hebben op de consumenten-
bescherming en van de gedragsregels die opgenomen
zijn in de wet van 10 december 2009 betreffende de
betalingsdiensten. Voor deze werkzaamheden gelden
echter niet de bepalingen van Titel 2, Boek 2, van de
wet van 21 december 2009 (er is dus geen vergunning
vereist).
In de inleidende zin van het nieuwe artikel 5 van de
wet (vervangen bij artikel 10 van het voorliggend wet-
sontwerp) wordt evenwel gepreciseerd dat de in deze
DOC 53 2432/001
13
2431/001
DOC 53
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 3 e L É G I S L A T U R E
K AMER 3e Z ITTING VAN DE 53e Z ITTING S P E RIO DE
2011
2012
visés dans cette disposition ne sont autorisés à fournir
des services de paiement en Belgique que dans la
mesure où l’exercice de cette activité est également
autorisé en vertu des dispositions régissant le statut des
établissements et autorités visés, L’on pense notamment
à la loi du 22 février 1998 fi xant le statut organique de
la Banque nationale de Belgique, au Protocole sur les
statuts du Système européen de banques centrales et
de la Banque centrale européenne, ou aux autres dis-
positions légales, telles que les diverses lois organiques
régissant le statut des autorités fédérales, régionales,
communautaires et locales belges.
Art. 11
Cet article modifi e l’article 6 de la loi, notamment
en le complétant d’un nouvel alinéa ayant pour objet
d’assurer la protection de l’usage public des termes
‘établissements de paiement” en réservant l’usage de
ces termes aux établissements ayant obtenu un agré-
ment en cette qualité. Il s’agit d’une disposition usuelle
dans la législation fi nancière: par exemple dans la loi
bancaire (article 6), ou dans la loi du 6 avril 1995 relative
au statut et au contrôle des entreprises d’investissement
(article 55).
Art. 12
Cet article apporte deux corrections à l’article 7 de la
loi. D’une part, le 4° est modifi é pour tenir compte de la
modifi cation introduite à l’article 22 de la loi du 21 dé-
cembre 2009 (voyez l’article 17 du projet de loi). D’autre
part, le 12° est supprimé. La preuve de l’adhésion à un
système extrajudiciaire de traitement des plaintes en
matière de services de paiement ne doit pas apparaître
sur la liste des renseignements requis dans le dossier
d’agrément. L’obligation d’adhérer à un tel système est
insérée à l’article 75 de la loi du 10 décembre 2009, par
l’article 134 du présent avant-projet.
Art. 13
Cet article abroge les termes “pour autant qu’elle
parvienne à une évaluation globalement favorable”
dans l’article 8, alinéa 1er de la loi, et ce par analogie
avec les autres dispositions traitant de l’appréciation
de la demande d’agrément dans d’autres législations
fi nancières (par exemple l’article 10 de la loi bancaire
ou l’article 50 de la loi du 6 avril 1995 relative au statut
et au contrôle des entreprises d’investissement).
bepaling bedoelde instellingen en overheden maar
betalingsdiensten mogen aanbieden in België indien zij
deze activiteit ook mogen uitoefenen op grond van de
bepalingen over hun statuut. We denken hier met name
aan de wet van 22 februari 1998 tot vaststelling van het
organiek statuut van de Nationale Bank van België,
het Protocol betreffende de statuten van het Europees
stelsel van centrale banken en van de Europese Cen-
trale Bank, of aan andere wettelijke bepalingen, zoals
de diverse organieke wetten over het statuut van de
Belgische federale, gewestelijke en lokale overheden en
van de overheden van de gemeenschappen in België.
Art. 11
Dit artikel wijzigt artikel 6 van de wet, met name
door er een nieuw lid aan toe te voegen dat het publiek
gebruik van de term “betalingsinstelling” beschermt. Het
gebruik van deze term wordt namelijk voorbehouden
aan instellingen die een vergunning hebben verkregen
als betalingsinstelling. Deze bepaling komt vaak voor
in fi nanciële wetteksten: bijvoorbeeld in de bankwet
(artikel 6) of in de wet van 6 april 1995 inzake het statuut
van en het toezicht op de beleggingsondernemingen
(artikel 55).
Art. 12
Dit artikel brengt in artikel 7 van de wet twee ver-
beteringen aan. Enerzijds wordt punt 4° gewijzigd om
rekening te houden met de wijziging die in artikel 22
van de wet van 21 december 2009 werd ingevoerd (zie
artikel 17 van het wetsontwerp). Anderzijds wordt punt
12° geschrapt. Het bewijs van toetreding tot een buiten-
gerechtelijke klachtenregeling voor betalingsdiensten
moet niet worden opgenomen in de lijst van inlichtingen
die in het kader van de vergunningsaanvraag moeten
worden verstrekt. De verplichting om tot een dergelijke
regeling toe te treden wordt ingevoegd in artikel 75 van
de wet van 10 december 2009, via artikel 134 van de
voorliggende ontwerptekst.
Art. 13
Via dit artikel worden de woorden “en voor zover zij
over de gehele lijn tot een positief oordeel komt” ges-
chrapt in artikel 8, eerste lid van de wet, naar analogie
met andere bepalingen die betrekking hebben op de
beoordeling van de vergunningsaanvraag in andere
fi nanciële wetteksten (bijvoorbeeld artikel 10 van de
bankwet of artikel 50 van de wet van 6 april 1995 inzake
het statuut van en het toezicht op de beleggingsonder-
nemingen).
DOC 53 2432/001
14
2431/001
DOC 53
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 3 e L É G I S L A T U R E
K AMER 3e Z ITTING VAN DE 53e Z ITTING S P E RIO DE
2011
2012
Art. 14
Cet article modifi e la portée du terme actions pré-
férentielles dans la liste des éléments à prendre en
considération dans le calcul du capital initial d’un éta-
blissement de paiement, afi n de se conformer à l’article
57, points a) et b) de la directive 2006/48/CE à laquelle il
est fait référence à l’article 6 de la directive 2007/64/CE
relatif au capital initial des établissements de paiement.
Art. 15
Cet article modifi e l’article 14 de la loi, relatif aux
exigences organisationnelles des établissements de
paiement, en vue d’y insérer une obligation, pour ces
établissements, de disposer d’une fonction de com-
pliance destinée à assurer le respect des règles de droit
relatives à l’intégrité de l’activité des établissements de
paiement. Cette disposition est insérée par analogie
avec les dispositions d’autres législations fi nancières.
Cet article abroge également des références erro-
nées faites au comité d’audit, dont la mise en place n’est
pas exigée dans les établissements de paiement. Il n’a
pas été donné suite à l’observation du Conseil d’État
qui relève que la loi du 17 décembre 2008 instituant
notamment un comité d’audit dans les sociétés cotées
et dans les entreprises fi nancières modifi e entre autres
la loi du 22 mars 1993 relative au statut et au contrôle
des établissements de crédit, et que ces établissements
de crédit peuvent également être des établissements de
paiement. En effet, le statut d’établissement de crédit
lui permet de fournir des services de paiement sans
qu’il soit nécessaire d’obtenir un agrément en qualité
d’établissement de paiement.
Enfi n, il prévoit que les personnes chargées de la
direction effective de l’établissement de paiement
prennent aussi les mesures nécessaires pour assurer le
respect des dispositions prévues à l’article 23, alinéa 1er,
f), relatif à l’externalisation d’activités et à son impact
sur la qualité du contrôle interne de l’établissement de
paiement.
Art. 16
Cet article modifi e l’article 21 de la loi afi n d’y abroger
des références faites à la loi bancaire qui n’ont plus lieu
d’être. La défi nition de la notion de monnaie électronique
est, en effet, insérée dans la loi par l’article 7 du présent
avant-projet et, corrélativement, la défi nition de cette
notion à l’article 3, 7° de la loi bancaire est abrogée par
l’article 103 du présent avant-projet.
Art. 14
Dit artikel wijzigt de reikwijdte van de term “preferente
aandelen” in de opsomming van de bestanddelen die
in aanmerking komen voor de berekening van het aan-
vangskapitaal van een betalingsinstelling. De tekst wordt
aangepast aan die van punten a) en b) van artikel 57
van Richtlijn 2006/48/EG, waarnaar wordt verwezen in
artikel 6 van Richtlijn 2007/64/EG, dat betrekking heeft
op het aanvangskapitaal van betalingsinstellingen.
Art. 15
Dit artikel wijzigt artikel 14 van de wet, over de orga-
nisatorische vereisten voor betalingsinstellingen, om er
voor die instellingen de verplichting aan toe te voegen om
over een compliancefunctie te beschikken die garandeert
dat de rechtsregels in verband met de integriteit van de
werkzaamheden van betalingsinstellingen worden nage-
leefd. Deze bepaling wordt ingevoegd naar analogie met
de bepalingen van andere fi nanciële wetteksten.
Voorts schrapt dit artikel de foute verwijzingen naar
het auditcomité; betalingsinstellingen moeten immers
geen dergelijk comité hebben. Er werd geen gevolg
gegeven aan de opmerking van de Raad van State die
stelt dat de wet van 17 december 2008 inzonderheid tot
oprichting van een auditcomité in de genoteerde ven-
nootschappen en de fi nanciële ondernemingen, onder
meer de wet van 22 maart 1993 op het statuut van en
het toezicht op de kredietinstellingen, wijzigt, en dat
deze kredietinstellingen eveneens betalingsinstellingen
kunnen zijn. Inderdaad, het statuut van kredietinstel-
lingen laat hen toe om betalingsdiensten te verrichten
zonder dat het noodzakelijk is om een vergunning als
betalingsinstelling te verkrijgen.
Tot slot bepaalt dit artikel dat de personen die belast
zijn met de effectieve leiding van de betalingsinstelling
ook de nodige maatregelen moeten nemen om de nale-
ving te garanderen van het bepaalde bij artikel 23, eerste
lid, f) met betrekking tot de uitbesteding van activiteiten
en hun impact op de kwaliteit van de interne controle
van de betalingsinstelling.
Art. 16
Dit artikel wijzigt artikel 21 van de wet, om de overbo-
dig geworden verwijzingen naar de bankwet te schrap-
pen. De defi nitie van het begrip “elektronisch geld”
wordt namelijk ingevoegd in de wet bij artikel 7 van het
voorliggend voorontwerp, waardoor de defi nitie die van
dit begrip wordt gegeven in artikel 3, 7° van de bankwet
geschrapt wordt bij artikel 103 van deze ontwerptekst.
DOC 53 2432/001
15
2431/001
DOC 53
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 3 e L É G I S L A T U R E
K AMER 3e Z ITTING VAN DE 53e Z ITTING S P E RIO DE
2011
2012
En outre, cet article est modifi é afi n de corriger et
harmoniser la terminologie relative à la notion de “ges-
tion de systèmes de paiement” dans les paragraphes
2 et 6, ainsi que afi n d’aligner le texte français sur le
texte néerlandais.
Enfi n, le paragraphe 1er de l’article 21 est modifi é de
manière à permettre à la Banque de subordonner l’exer-
cice d’une activité commerciale par l’établissement
de paiement à certaines conditions supplémentaires,
dans le cadre d’une maîtrise des risques appropriée
et d’un contrôle prudentiel adapté de l’établissement
de paiement concerné. Pour rappel, l’articulation des
paragraphes 1 à 3 de l’article 21 est la suivante:
L’article 21, § 1er prévoit que les établissements de
paiement ne peuvent exercer des activités autres que les
services de paiement qu’avec l’autorisation préalable de
la Banque et aux conditions posées par cette dernière.
Par dérogation au principe posé au paragraphe pre-
mier, l’article 21, § 2 prévoit que les établissements de
paiement peuvent de plein droit exercer les activités
suivantes: 1° la prestation de services auxiliaires des
services de paiement et 2° la gestion de systèmes de
paiement.
Enfi n, l’article 21, § 3 prévoit que les établissements
de paiement ne peuvent octroyer un crédit lié aux ser-
vices de paiement visés aux points 4, 5 et 7 de l’Annexe I
qu’à certaines conditions (caractère accessoire à l’exé-
cution d’une opération de paiement, remboursement
endéans les douze mois et interdiction d’octroyer le
crédit au moyen des fonds reçus ou détenus pour exé-
cuter l’opération de paiement).
L’établissement de paiement souhaitant octroyer
du crédit lié aux services de paiement doit donc
obtenir l’autorisation de la Banque qui vérifi era que les
conditions prévues à l’article 21, § 3 sont satisfaites. Il
devra également respecter les dispositions de la loi du
12 juin 1991 sur le crédit à la consommation (agrément
du prêteur,...) dans la mesure où celle-ci s’avère d’appli-
cation. En outre, il reviendra à la Banque, conformément
à ce que prévoit l’article 21, § 3, d), (transposant l’article
16.3. d) de la directive 2007/64/CE), de veiller à ce que
les fonds propres de l’établissement de paiement soient
à tout moment appropriés au regard du montant total du
crédit octroyé lié aux services de paiement.
Bovendien wordt dit artikel gewijzigd om in de para-
grafen 2 en 6 een terminologische correctie en harmo-
nisering aan te brengen met betrekking tot het begrip
“beheer van betalingssystemen” en om de Franse tekst in
overeenstemming te brengen met de Nederlandse tekst.
Tot slot wordt paragraaf 1 van artikel 21 gewijzigd
zodat de Bank de uitoefening van een bedrijfswerk-
zaamheid door de betalingsinstelling aan aanvullende
voorwaarden kan onderwerpen, rekening houdend met
de noodzaak van een passende risicobeheersing door
de betrokken betalingsinstelling en met de vereiste van
een passend prudentieel toezicht op deze instelling.
De paragrafen 1 tot 3 van artikel 21 sluiten als volgt op
mekaar aan:
Artikel 21, § 1 bepaalt dat betalingsinstellingen geen
andere werkzaamheden dan betalingsdiensten mogen
verrichten, tenzij zij hiervoor voorafgaandelijk de toe-
stemming hebben verkregen van de Bank en zij aan de
door de Bank gestelde voorwaarden voldoen.
In afwijking van het beginsel dat vastgelegd is in
paragraaf 1, bepaalt artikel 21, § 2 dat betalingsinstel-
lingen van rechtswege de volgende werkzaamheden
mogen uitoefenen: 1° het verrichten van nevendiensten
van betalingsdiensten en 2° het beheer van betalings-
systemen.
Artikel 21, § 3 ten slotte, bepaalt dat betalingsinstel-
lingen maar een krediet mogen verlenen in verband met
betalingsdiensten bedoeld in de punten 4, 5 en 7 van
Bijlage I, mits zij voldoen aan bepaalde voorwaarden
(aanvullend verstrekt in uitvoering van een betalings-
transactie, terugbetaling binnen twaalf maanden en
verbod om het krediet te verlenen uit middelen die zijn
ontvangen of worden aangehouden voor de uitvoering
van de betalingstransactie).
Indien een betalingsinstelling krediet wenst te verle-
nen in verband met betalingsdiensten, moet zij daarvoor
dus de toestemming verkrijgen van de Bank, die zal
nagaan of voldaan is aan de voorwaarden van artikel 21,
§ 3. Zij moet ook voldoen aan de bepalingen van de wet
van 12 juni 1991 op het consumentenkrediet (erkenning
van de kredietgever,...), voor zover deze wet van toepas-
sing is. Bovendien moet de Bank erop toezien, conform
het bepaalde in artikel 21, § 3, d), (dat omzetting geeft
aan artikel 16.3. d) van Richtlijn 2007/64/EG), dat het
eigen vermogen van de betalingsinstelling te allen tijde
in redelijke verhouding staat tot het totale bedrag van
het krediet dat in verband met betalingsdiensten werd
verleend.
DOC 53 2432/001
16
2431/001
DOC 53
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 3 e L É G I S L A T U R E
K AMER 3e Z ITTING VAN DE 53e Z ITTING S P E RIO DE
2011
2012
L’établissement de paiement souhaitant octroyer du
crédit non lié à des services de paiement doit égale-
ment, conformément aux dispositions du paragraphe 1
er, obtenir l’autorisation préalable de la Banque. Il devra
en outre respecter la législation pertinente régissant
l’octroi des crédits concernés (article 16.5 de la directive
2007/64/CE).
Notons que la Banque ne contrôle pas les activités
des établissements de paiement autres que les services
de paiement et les services opérationnels et auxiliaires
étroitement liés (voyez l’article 21, § 8 de la loi renvoyant
à l’article 25, dernier alinéa).
En effet, ces autres activités sont régies par les régle-
mentations qui leur sont applicables et qui défi nissent
les règles d’accès à l’activité ainsi que les éventuelles
règles relatives aux exigences en matière de solvabilité
et de liquidité. Ces règles s’appliquent ainsi de manière
complémentaire aux exigences découlant du statut
d’établissement de paiement.
Par conséquent, la Banque ne contrôle pas l’activité
de crédit exercée par l’établissement de paiement, sauf
dans les limites suivantes:
— en cas d’octroi de crédits liés aux services de
paiement, la Banque veille à ce que les fonds propres
de l’établissement de paiement soient à tout moment
appropriés au regard du montant total du crédit octroyé,
lié aux services de paiement (article 21, § 3, d);
— en cas d’octroi de crédits non liés à des services
de paiement, la Banque peut, dans un optique de maî-
trise des risques et pour les besoins de l’encadrement
prudentiel de l’établissement de paiement, imposer à
l’établissement de paiement certaines conditions à res-
pecter, visant, par exemple à cloisonner cette activité par
rapport à l’activité de services de paiement sur laquelle
porte uniquement le contrôle de la Banque. Pour ce
faire, la Banque tient compte des règles prévues dans
la réglementation spécifi que le cas échéant applicable,
qui s’appliqueraient alors de manière additionnelle
aux exigences découlant du statut d’établissement de
paiement. Ainsi, si la réglementation applicable prévoit
des exigences en matière de solvabilité et de liquidité,
ces règles s’appliqueront de manière autonome et leur
respect sera contrôlé par l’autorité compétente pour la
matière concernée et non par la Banque.
Indien een betalingsinstelling krediet wenst te ver-
lenen dat geen verband houdt met betalingsdiensten,
moet zij daarvoor eveneens de voorafgaande toestem-
ming verkrijgen van de Bank, conform de bepalingen
van paragraaf 1. Bovendien moet zij de toepasselijke
wetgeving naleven met betrekking tot de betrokken
kredietverlening (artikel 16.5 van Richtlijn 2007/64/CE).
De Bank houdt geen toezicht op de door beta-
lingsinstellingen verrichte werkzaamheden die noch
betalingsdiensten zijn, noch operationele diensten of
daarmee nauw samenhangende nevendiensten (zie
artikel 21, § 8 van de wet, waarin verwezen wordt naar
artikel 25, laatste lid).
Die andere werkzaamheden worden namelijk gere-
geld door de regelgeving die op hen van toepassing is
en die de regels bevat voor de toegang tot het bedrijf
van betalingsdienstaanbieder evenals de eventuele
regels met betrekking tot de solvabiliteits- en liquiditeit-
svereisten. Deze regels vormen aldus een aanvulling
op de vereisten die voortvloeien uit het statuut van
betalingsinstelling.
De Bank houdt dus geen toezicht op de kredietver-
leningsactiviteit van de betalinginstelling, tenzij binnen
de volgende grenzen:
— indien de betalingsinstelling kredieten verleent in
verband met betalingsdiensten, ziet de Bank erop toe
dat het eigen vermogen van deze instelling te allen tijde
in redelijke verhouding staat tot het totale bedrag van
het krediet dat in verband met betalingsdiensten werd
verleend (artikel 21, § 3, d);
— indien de betalingsinstelling kredieten verleent die
geen verband houden met betalingsdiensten, kan de
Bank, in het kader van de risicobeheersing en rekening
houdend met de vereiste van prudentieel toezicht op
deze instelling, bepaalde voorwaarden opleggen aan
de betalingsinstelling, die bijvoorbeeld tot doel hebben
deze werkzaamheid af te scheiden van de betalings-
dienstactiviteit, die de enige werkzaamheid is waarop
de Bank toezicht houdt. Daarbij houdt de Bank rekening
met de regels van de specifi eke regelgeving die in voor-
komend geval van toepassing is, die dan een aanvulling
zouden vormen op de vereisten die voortvloeien uit het
statuut van betalingsinstelling. Indien de toepasselijke
regelgeving dus voorziet in solvabiliteits- en liquiditeit-
svereisten, zullen deze regels op autonome basis van
toepassing zijn en zal het toezicht op de naleving ervan
worden uitgeoefend door de voor de betrokken materie
bevoegde autoriteit en niet door de Bank.
DOC 53 2432/001
17
2431/001
DOC 53
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 3 e L É G I S L A T U R E
K AMER 3e Z ITTING VAN DE 53e Z ITTING S P E RIO DE
2011
2012
En d’autres termes, la Banque appréhendera la
maîtrise des risques au niveau de la gestion de l’éta-
blissement de paiement en vérifi ant le statut de contrôle
auquel cette activité autre que les services de paiement
ou les activités visées au paragraphe 2 pourrait être
soumise et en imposant, le cas échéant, des condi-
tions supplémentaires si elle le juge nécessaire pour
les besoins du contrôle prudentiel de l’établissement
de paiement.
Art. 17
Cet article modifi e une erreur matérielle dans l’ar-
ticle 22, § 1er, alinéa 1er, c) de la loi.
Le gouvernement estime également utile d’exiger
que tous les établissements de paiement, qu’ils soient
hybrides ou non hybrides, se conforment aux exigences
de protection des fonds prévues à l’article 22 de la loi.
Cette possibilité d’extension de la protection, prévue
à l’article 9.3 de la directive 2007/64/CE, se justifi e
notamment au regard de la nécessité de protéger adé-
quatement et de la même manière tous les utilisateurs
de services de paiement, quelles que soient les activités
exercées par l’établissement de paiement. Elle se justifi e
également au regard des dispositions similaires prévues
en matière de protection des fonds dans la directive sur
la monnaie électronique, qui s’appliquent à tous les
établissements de monnaie électronique, quelles que
soient leurs activités.
Enfi n, cet article prévoit que les personnes chargées
de la direction effective de l’établissement de paiement
prennent les mesures nécessaires pour assurer le res-
pect des dispositions prévues aux paragraphes 1er et 2
et doivent faire rapport à l’organe légal d’administration,
à la Banque et au commissaire.
Art. 18
Cet article corrige une erreur matérielle.
Art. 19
Cet article vise à introduire à l’article 33, alinéa 1er, 1°
de la loi une référence à l’article 23, alinéa 1° f), afi n que
le commissaire évalue les mesures de contrôle interne
adoptées par l’établissement de paiement en matière
d’externalisation d’éléments organisationnels.
Met andere woorden, de Bank beoordeelt de risico-
beheersing op het niveau van het beleid van de beta-
lingsinstelling, door na te gaan welk toezichtsstatuut
deze andere werkzaamheden dan betalingsdiensten
of dan de werkzaamheden bedoeld in paragraaf 2
zou kunnen hebben en door in voorkomend geval
aanvullende voorwaarden op te leggen, indien zij dit
noodzakelijk acht voor het prudentieel toezicht op de
betalingsinstelling.
Art. 17
Dit artikel zet een materiële fout recht in artikel 22,
§ 1, eerste lid, c) van de wet.
De regering acht het ook nuttig te bepalen dat alle
betalingsinstellingen, ongeacht of ze hybride zijn, moe-
ten voldoen aan de vereisten inzake de bescherming
van geldmiddelen waarin voorzien is in artikel 22 van de
wet. Deze mogelijkheid tot uitbreiding van de bescher-
ming, die opgenomen is in artikel 9.3 van de richtlijn
2007/64/EG, vindt met name haar rechtvaardiging in
de noodzaak om voldoende en gelijke bescherming te
bieden aan alle betalingsdienstgebruikers, ongeacht
welke werkzaamheden de betalingsinstelling uitoefent.
Deze mogelijkheid vindt ook haar rechtvaardiging in
de soortgelijke bepalingen inzake de bescherming
van geldmiddelen die zijn opgenomen in de richtlijn
over elektronisch geld en die van toepassing zijn op
alle instellingen voor elektronisch geld, ongeacht hun
werkzaamheden.
Tot slot bepaalt dit artikel dat de personen die belast
zijn met de effectieve leiding van de betalingsinstelling
de nodige maatregelen moeten nemen om de naleving
te garanderen van het bepaalde bij de paragrafen 1 en
2 en moeten het wettelijke bestuursorgaan, de Bank en
de commissaris erover inlichten.
Art. 18
Dit artikel zet een materiële fout recht.
Art. 19
Dit artikel voegt in artikel 33, eerste lid, 1° van de wet
een verwijzing in naar artikel 23, eerste lid, f), om aan
te geven dat de internecontrolemaatregelen die door de
betalingsinstelling worden getroffen op het vlak van de
uitbesteding van organisatorische elementen, door de
commissaris moeten worden beoordeeld.
DOC 53 2432/001
18
2431/001
DOC 53
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 3 e L É G I S L A T U R E
K AMER 3e Z ITTING VAN DE 53e Z ITTING S P E RIO DE
2011
2012
Art. 20
Cet article remplace l’article 35 de la loi relatif aux
mesures de redressement que la Banque est autorisée
à prendre à l’égard d’un établissement de paiement. Il
est notamment prévu, outre les mesures de suspension
d’activités, d’exigences supplémentaires en termes
de solvabilité, de remplacement des administrateurs
ou gérants de l’établissement, et de révocation de
l’agrément, la mesure de désignation d’un commissaire
spécial, usuelle dans les autres législations fi nancières.
Pour des raisons de cohérence par rapport aux mêmes
dispositions reprises dans d’autres législations fi nan-
cières (par exemple l’article 57 de la loi bancaire), il n’a
pas été donné suite à l’observation du Conseil d’État
suggérant que l’alinéa 4 de l’article 35, § 1er, 2° en projet
devienne un nouveau 3° de ce paragraphe au motif qu’il
s’agit d’une mesure distincte de celles prévues par les
autres alinéas du 2°.
Les autres modifi cations apportées à cet article visent
à corriger des erreurs matérielles, afi n de rendre cette
disposition similaire aux dispositions analogues des
autres législations fi nancières (par exemple l’article 57
de la loi bancaire).
Art. 21
Cet article prévoit l’obligation pour les dirigeants de la
succursale de faire rapport au moins une fois par an à
la Banque et au réviseur sur l’adéquation des mesures
de contrôle interne adoptées par les succursales en
vue de se conformer aux dispositions d’intérêt général
applicables en vertu du paragraphe 1er.
Art. 22
Cet article transpose l’article 26 de la directive
2007/64/CE et fi xe les conditions auxquelles les per-
sonnes morales qui fournissent ou entendent fournir
des services de paiement en Belgique peuvent être
exemptées (la directive parle de “dérogation”), en tout
ou en partie, du respect des dispositions du Titre 2 du
Livre 2 de la loi. Les conditions en question portent
notamment sur le montant total moyen mensuel des
opérations de paiement qui ne peut pas dépasser un
plafond de trois millions d’euros.
Lors de la transposition de la directive 2007/64/
CE, le gouvernement avait proposé de ne pas encore
intégrer ce régime d’exemption dans la loi même, mais
Art. 20
Dit artikel vervangt artikel 35 van de wet, dat be-
paalt welke herstelmaatregelen de Bank kan nemen
ten aanzien van een betalingsinstelling. Behalve de
schorsing van de werkzaamheden, de oplegging van
bijkomende vereisten inzake solvabiliteit, de vervanging
van bestuurders of zaakvoerders van de instelling en
de herroeping van de vergunning, kan de Bank onder
meer ook verlangen dat er een speciaal commissaris
wordt aangesteld, een maatregel die vaak voorkomt in
fi nanciële wetteksten. Om redenen van samenhang met
gelijkaardige bepalingen in andere fi nanciële wetgeving
(bijvoorbeeld artikel 57 van de bankwet), werd er geen
gevolg gegeven aan de opmerking van de Raad van
State waarbij voorgesteld werd om de vierde alinea van
artikel 35, paragraaf 1, 2° van het ontwerp als een nieuwe
3° van deze paragraaf op te nemen op basis van het
motief dat het een te onderscheiden maatregel betreft
van diegene voorzien in de andere alinea’s van 2°.
Met de andere wijzigingen die in dit artikel worden
aangebracht, worden een aantal materiële fouten rech-
tgezet, om deze bepaling af te stemmen op analoge
bepalingen van andere fi nanciële wetteksten (bijvoor-
beeld artikel 57 van de bankwet).
Art. 21
Dit artikel voorziet in de verplichting, voor de leiders
van het bijkantoor, om minstens eenmaal per jaar
verslag uit te brengen aan de Bank en aan de revisor
over de deugdelijkheid van de internecontrolemaatre-
gelen die de bijkantoren hebben getroffen om zich te
conformeren aan de bepalingen van algemeen belang
die krachtens paragraaf 1 van toepassing zijn.
Art. 22
Dit artikel voorziet in de omzetting van artikel 26
van Richtlijn 2007/64/EG en bevat de voorwaarden die
vervuld moeten worden door de rechtspersonen die
betalingsdiensten aanbieden in België of voornemens
zijn dit te doen, om geheel of gedeeltelijk vrijgesteld te
kunnen worden (in de Richtlijn gebruikt men de term
“ontheffing”) van de naleving van de bepalingen van Titel
2 van Boek 2 van de wet. De betrokken voorwaarden
betreffen met name het maandelijks gemiddelde van het
totale bedrag aan betalingstransacties, dat niet hoger
mag zijn dan drie miljoen euro.
Bij de omzetting van Richtlijn 2007/64/EG had de
regering voorgesteld deze vrijstellingsregeling nog niet
op te nemen in de wet zelf, maar om haar indien nodig
DOC 53 2432/001
19
2431/001
DOC 53
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 3 e L É G I S L A T U R E
K AMER 3e Z ITTING VAN DE 53e Z ITTING S P E RIO DE
2011
2012
de l’instaurer, si besoin est, par voie d’arrêté royal,
notamment parce qu’il n’était pas possible, au moment
de cette transposition, d’apprécier si un tel régime
était nécessaire. Deux ans après la transposition de la
directive 2007/64/CE, il est apparu au gouvernement
qu’un tel régime d’exemption devait être organisé afi n
de permettre à de plus petites structures, et notamment
des bureaux de change, de fournir des services de paie-
ment en Belgique, sans devoir obtenir un agrément en
qualité d’établissement de paiement, tout en assurant
la protection des marchés fi nanciers et des systèmes
de paiement, ainsi que la protection des utilisateurs de
services de paiement.
L’article 26 de la directive prévoit la possibilité d’une
exemption tant pour les personnes morales que pour
les personnes physiques. L’avant-projet de loi ne fait
que partiellement usage de cette possibilité, en ce sens
que l’article 48 de la loi ne permet d’accorder de telles
exemptions qu’à des personnes morales.En réponse à
l’observation du Conseil d’État qui s’interroge sur cette
restriction, on précise qu’il ne semble pas opportun ni
concevable de permettre à des personnes physiques
de fournir des services de paiement en Belgique sous
un statut d’exemption, et ce, principalement pour des
raisons de sécurité et de protection des clients.
L’octroi du statut d’exemption relève d’une évaluation
de la Banque sur base d’un dossier concret qui lui sera
soumis. La Banque, dans l’exercice de son pouvoir
discrétionnaire, vérifi era si les conditions prévues par
l’article 48, § 1er, 1° et 2° sont remplies en l’espèce et,
dans l’affirmative, exemptera la personne morale de tout
ou partie des dispositions du Livre 2 de la loi et de ses
arrêtés d’exécution. Notons que les personnes morales
ne pourront pas être exemptées ni de l’article 21 de la
loi requérant l’autorisation de la Banque pour l’exercice
d’une autre activité que celle de services de paiement ni
de l’article 22 de la loi contenant des règles de protection
des fonds reçus par les établissements de paiement.
Le paragraphe 4 transpose l’article 26.4 de la direc-
tive 2007/64/CE permettant aux États membres de
prévoir qu’une personne exemptée ne peut exercer
que certaines des activités énumérées à l’article 16
de la directive. Il est difficile, à l’heure actuelle, de
déterminer si et dans quelle mesure une limitation des
activités exercées devrait être imposée aux personnes
morales exemptées. Le gouvernement propose dès lors
d’habiliter le Roi à régler cette question ultérieurement,
sur la base de l’expérience.
in te voeren via koninklijk besluit, met name omdat op
dat ogenblik nog niet beoordeeld kon worden of een
dergelijke regeling nodig was. Twee jaar na de omzetting
van Richtlijn 2007/64/EG vond de regering dat er een
dergelijke vrijstellingsregeling moest worden ingevoerd,
zodat kleinere structuren, en met name wisselkantoren,
betalingsdiensten kunnen aanbieden in België zonder
over een vergunning te beschikken als betalingsinstel-
ling, waarbij gezorgd wordt voor de bescherming van
de fi nanciële markten en de betalingssystemen, evenals
van de gebruikers van betalingsdiensten.
Volgens artikel 26 van de Richtlijn mag er zowel
aan rechtspersonen als aan natuurlijke personen een
vrijstelling worden verleend. In het voorontwerp van wet
wordt slechts gedeeltelijk gebruik gemaakt van deze
mogelijkheid, aangezien artikel 48 van de wet enkel
toelaat dat dergelijke vrijstellingen worden verleend aan
rechtspersonen. Als antwoord op de opmerking van de
Raad van State die zich vragen stelt bij deze beper-
king, kan worden gesteld dat het niet wenselijk, noch
denkbaar is om aan natuurlijke personen toe te laten in
België betalingsdiensten te verrichten door middel van
een vrijstelling, en dit voornamelijk omwille van redenen
van veiligheid en cliëntenbescherming.
Het verlenen van een vrijstelling gebeurt op basis
van een evaluatie door de Bank van een concreet voor
te leggen dossier. De Bank gaat in het kader van de
uitoefening van haar discretionnaire bevoegdheid na
in welke mate voldaan werd aan de voorwaarden van
artikel 48, paragraaf 1, 1° en 2°, in welk geval ze de
rechtspersoon vrijstelt van een deel of het geheel van
de bepalingen van Boek 2 van de wet en haar uitvoe-
ringsbesluiten. Het dient te worden opgemerkt dat
rechtspersonen niet kunnen worden vrijgesteld van de
toepassing van artikel 21 van de wet, dat bepaalt dat de
toestemming van de Bank is vereist voor de uitoefening
van een andere werkzaamheid dan betalingsdiensten
noch van de toepassing van artikel 22 van de wet dat
regels bevat voor de bescherming van de geldmiddelen
die de betalingsinstellingen ontvangen.
Paragraaf 4 vormt de omzetting van artikel 26.4 van de
richtlijn 2007/64/CE, die aan de lidstaten de mogelijkheid
biedt te bepalen dat een vrijgestelde persoon alleen
sommige van in artikel 16 van de Richtlijn opgesomde
werkzaamheden mag uitoefenen. Momenteel valt moei-
lijk te bepalen of en in welke mate de werkzaamheden
die door vrijgestelde rechtspersonen mogen worden
uitgeoefend, beperkt zouden moeten worden. Bijgevolg
stelt de regering voor de Koning te machtigen om dit
later te regelen op basis van de opgedane ervaring.
DOC 53 2432/001
20
2431/001
DOC 53
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 3 e L É G I S L A T U R E
K AMER 3e Z ITTING VAN DE 53e Z ITTING S P E RIO DE
2011
2012
Conformément à l’article 27 de la directive, la Com-
mission européenne sera informée de l’exercice du pou-
voir de “dérogation” défi ni à l’article 26 de la directive.
Art. 23
Cet article corrige une erreur matérielle dans l’ar-
ticle 51 de la loi.
Art. 26
Cet article insère un Titre 1er, relatif aux émetteurs de
monnaie électronique, dans le nouveau Livre 3 relatif à
l’accès à l’activité d’émetteur de monnaie électronique
et au statut des établissements de monnaie électro-
nique.
Art. 27
Cet article introduit, dans la loi, un nouvel article 59
et transpose les articles 1 (1) et 10 de la directive.
Le nouvel article 59 de la loi détermine les établis-
sements et autorités qui sont autorisés à exercer une
activité d’émission de monnaie électronique en Bel-
gique. Ces établissements et autorités sont qualifi és
d’”émetteurs de monnaie électronique”.
L’article 59 distingue cinq catégories d’émetteurs
de monnaie électronique. Seuls les établissements
et autorités fi gurant dans l’une de ces cinq catégories
sont autorisés à émettre de la monnaie électronique
en Belgique. Les établissements et autorités visés à
l’article 59, 1°, 3°, 4° et 5° peuvent émettre de la mon-
naie électronique sans avoir préalablement obtenu un
agrément spécifi que auprès de la Banque. L’article 59,
2° instaure une cinquième catégorie d’émetteurs de
monnaie électronique, qui doivent obtenir un agrément
spécifi que de la Banque: les établissements de monnaie
électronique. Ce statut existait déjà avant la directive,
mais constituait une catégorie spécifi que d’établisse-
ment de crédit, soumise à la plupart des dispositions
de la loi bancaire. Le présent projet instaure un statut
spécifi que d’établissement de monnaie électronique,
qui n’est désormais plus lié au statut d’établissement
de crédit.
Parmi les établissements de crédit autorisés comme
émetteurs de monnaie électronique par l’article 1 (1),
a) de la directive, sont expressément visés, les éta-
blissements de crédit relevant du droit d’un État non
membre de l’EEE, mais disposant d’une succursale
Conform artikel 27 van de Richtlijn moet de Europese
Commissie worden ingelicht wanneer gebruik gemaakt
wordt van de “ontheffings”-mogelijkheid als bepaald in
artikel 26 van de Richtlijn.
Art. 23
Dit artikel zet een materiële fout recht in artikel 51
van de wet.
Art. 26
Dit artikel voegt in het nieuwe Boek 3, over de toegang
tot de activiteit van uitgifte van elektronisch geld en het
statuut van de instellingen voor elektronisch geld, een
Titel 1 in, over de uitgevers van elektronisch geld.
Art. 27
Dit artikel voegt in de wet een nieuw artikel 59 in en
zorgt voor de omzetting van artikelen 1 (1) en 10 van
de Richtlijn.
Het nieuwe artikel 59 van de wet bepaalt welke
instellingen en overheden elektronisch geld mogen
uitgeven in België. Die instellingen en overheden worden
beschouwd als “uitgevers van elektronisch geld”.
Artikel 59 onderscheidt vijf categorieën van uit-
gevers van elektronisch geld. Alleen de instellingen
en overheden die tot een van deze vijf categorieën
behoren, mogen elektronisch geld uitgeven in België.
De instellingen en overheden bedoeld in artikel 59, 1°,
3°, 4° en 5° mogen elektronisch geld uitgeven zonder
eerst een specifi eke vergunning te hebben verkregen
van de Bank. Art. 59, 2° voert een vijfde categorie van
uitgevers van elektronisch geld in, die een specifi eke
vergunning moeten verkrijgen van de Bank: instellingen
voor elektronisch geld. Dit statuut bestond al vóór de
Richtlijn, maar vormde een specifi eke categorie van
kredietinstellingen, waarop de meeste bepalingen van
de bankwet van toepassing waren. Het voorliggend ont-
werp voert een specifi ek statuut in voor de instellingen
voor elektronisch geld, dat dus niet meer verbonden is
aan het statuut van kredietinstelling.
Er wordt uitdrukkelijk vermeld dat de kredietinstel-
lingen die ressorteren onder het recht van een staat
die geen lid is van de EER, maar die een bijkantoor
hebben in de Gemeenschap, beschouwd worden als
kredietinstellingen die op grond van artikel 1 (1), a) van
DOC 53 2432/001
21
2431/001
DOC 53
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 3 e L É G I S L A T U R E
K AMER 3e Z ITTING VAN DE 53e Z ITTING S P E RIO DE
2011
2012
dans la Communauté. Ainsi, lorsqu’une succursale d’un
établissement de crédit extra-communautaire est établie
en Belgique, elle sera donc autorisée à émettre de la
monnaie électronique en Belgique, à condition toutefois
que son agrément en qualité d’établissement de crédit
en Belgique couvre cette activité.
L’article 1 (1), b) de la directive vise également,
comme émetteur de monnaie électronique, les établis-
sements de monnaie électronique relevant du droit d’un
État non membre de l’EEE et disposant d’une succur-
sale dans la Communauté. Ainsi, la succursale d’un tel
établissement établie en Belgique sera donc autorisée
à émettre de la monnaie électronique en Belgique dans
la mesure où elle aura obtenu l’agrément spécifi que en
qualité d’établissement de monnaie électronique. Ces
établissements sont également autorisés à prester des
services de paiement en Belgique pour autant toutefois
que ces services de paiement soient liés à l’activité
d’émission de monnaie électronique.
Cet article vise également en tant qu’émetteurs de
monnaie électronique, la Banque et la Banque centrale
européenne, lorsqu’elles n’agissent pas en qualité
d’autorité monétaire ou autre autorité publique, ainsi que
les autorités fédérales, régionales, communautaires et
locales belges, lorsqu’elles agissent en qualité d’autorité
publique. Ainsi, si les autorités fédérales, régionales,
communautaires et locales belges exercent une acti-
vité d’émission de monnaie électronique en dehors de
leurs compétences en tant qu’autorité publique, elles
doivent obtenir un agrément en qualité d’établissement
de monnaie électronique.
Il n’y a pas lieu de donner suite à l’observation du
Conseil d’État relative au fait que les points 3°, 4° et 5°
de cet article ne concernent, à l’exception de la Banque
Centrale Européenne, que des prestataires de services
de paiement belges. Il est renvoyé, par identité de motifs,
aux commentaires relatifs à l’article 4, 32° en projet
(art. 7 du projet).
Les règles du Titre III de la directive, transposées
aux articles 58/1 à 58/3 de la loi du 10 décembre 2009,
sont applicables à l’ensemble des émetteurs de
monnaie électronique, et s’appliqueront donc dans
les hypothèses précitées, c.-à-d. à la Banque et à la
Banque centrale européenne lorsqu’elles émettent de
la monnaie électronique, en dehors de leurs activités
en tant qu’autorité monétaire ou publique, ainsi qu’aux
autorités fédérales, régionales, communautaires et
locales belges, lorsqu’elles exercent ces activités dans
le cadre ou en dehors de leurs compétences en tant
qu’autorité publique.
de Richtlijn elektronisch geld mogen uitgeven. Wan-
neer een kredietinstelling van buiten de Gemeenschap
een bijkantoor opricht in België, mag dit bijkantoor dus
elektronisch geld uitgeven in België, op voorwaarde
dat zijn vergunning als kredietinstelling in België deze
activiteit dekt.
Volgens artikel 1 (1), b) van de Richtlijn mag er ook
elektronisch geld worden uitgegeven door instellingen
voor elektronisch geld die ressorteren onder het recht
van een staat die geen lid is van de EER en die een
bijkantoor hebben in de Gemeenschap. Zo mag een
bijkantoor van een dergelijke instelling dat in België is
gevestigd, elektronisch geld uitgeven in België, voor
zover het een specifi eke vergunning heeft verkregen
als instelling voor elektronisch geld. Deze instellingen
mogen ook betalingsdiensten verrichten in België, voor
zover die betalingsdiensten verband houden met de
uitgifte van elektronisch geld.
Ook de Bank en de Europese Centrale Bank mogen
volgens dit artikel elektronisch geld uitgeven, wanneer
zij niet handelen in hun hoedanigheid van monetaire of
andere publieke autoriteit, evenals de Belgische fede-
rale, gewestelijke en lokale overheden en de overheden
van de gemeenschappen in België, wanneer zij hande-
len in hun hoedanigheid van publieke autoriteit. Indien
de Belgische federale, gewestelijke en lokale overheden
of de overheden van de gemeenschappen in België dus
elektronisch geld uitgeven buiten het kader van hun
bevoegdheden als publieke autoriteit, moeten zij een
vergunning hebben als instelling voor elektronisch geld.
Er is geen reden om gevolg te geven aan de opmer-
king van de Raad van State in verband met het feit dat
punten 3°, 4° en 5° van dit artikel, met uitzondering van
de Europese Centrale Bank, enkel Belgische betalings-
dienstaanbieders betreft. Wegens gelijkaardigheid van
motieven wordt verwezen naar de commentaren bij het
ontworpen artikel 4, 32° (art. 7 van het ontwerp).
De regels van Titel III van de Richtlijn, die omgezet zijn
via de artikelen 58/1 tot 58/3 van de wet van 10 decem-
ber 2009, gelden voor alle uitgevers van elektronisch
geld, en zijn dus van toepassing in de voornoemde
gevallen, d.w.z. op de Bank en op de Europese Cen-
trale Bank wanneer zij elektronisch geld uitgeven buiten
het kader van hun werkzaamheden als monetaire of
publieke autoriteit, evenals op de Belgische federale,
gewestelijke en lokale overheden en op de overheden
van de gemeenschappen in België, wanneer zij die
werkzaamheden verrichten in of buiten het kader van
hun bevoegdheden als publieke autoriteit.
DOC 53 2432/001
22
2431/001
DOC 53
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 3 e L É G I S L A T U R E
K AMER 3e Z ITTING VAN DE 53e Z ITTING S P E RIO DE
2011
2012
Le gouvernement est d’avis que la Banque centrale
européenne et la Banque peuvent exercer les activi-
tés que la directive qualifi e d’émission de monnaie
électronique et ce, en leur qualité d’autorité monétaire
ou publique. Dans cette hypothèse, ces activités ne
tombent toutefois pas dans le champ d’application de
la directive (et donc de la loi).
La phrase introductive du nouvel article 59 de la loi
précise que les établissements et autorités visés dans
cette disposition ne sont autorisés à exercer l’activité
d’émission de monnaie électronique en Belgique que
dans la mesure où l’exercice de cette activité est éga-
lement autorisé en vertu des dispositions régissant
le statut des établissements et autorités visés. L’on
pense notamment à la loi du 22 février 1998 fi xant le
statut organique de la Banque nationale de Belgique,
au Protocole sur les statuts du Système européen de
banques centrales et de la Banque centrale européenne,
ou aux autres dispositions légales, telles que les lois
organiques, régissant le statut des autorités fédérales,
régionales, communautaires et locales belges.
Art. 28
Cet article insère, dans la loi, un article 60, et trans-
pose l’article 1 (4) et (5) de la directive, en prévoyant
les cas dans lesquels la loi ne s’applique pas. Ainsi,
l’ancienne exemption liée à la notion de réseau limité
devient maintenant un cas d’exclusion. Le considérant
n°5 de la directive donne quelques exemples de cas
d’exclusion. Il revient à l’autorité de contrôle de procéder
à une évaluation du cas d’espèce qui lui est soumis afi n
de déterminer s’il peut ou non bénéfi cier d’un des cas
d’exclusion prévus par la loi.
Art. 29
Cet article vise à insérer un Titre 2 dans le Livre 3
de la loi, relatif aux établissements de monnaie élec-
tronique. Il est composé des articles 61 à 105 de la loi,
qui règlent le statut et le contrôle des établissements de
monnaie électronique, visés à l’article 59, 2°.
Les établissements et autorités visés à l’article 59,
1° et 3° à 5, qui peuvent également émettre de la mon-
naie électronique en Belgique, ne tombent pas dans le
champ d’application du Titre 2 de la loi.
De regering is van mening dat de Europese Centrale
Bank en de Bank de werkzaamheden mogen uitoefenen
die de Richtlijn kwalifi ceert als uitgifte van elektronisch
geld, in hun hoedanigheid van monetaire of publieke
autoriteit. In dit geval vallen deze werkzaamheden
echter niet onder de toepassing van de Richtlijn (en
dus van de wet).
In de inleidende zin van het nieuwe artikel 59 van
de wet wordt gepreciseerd dat de in deze bepaling
bedoelde instellingen en overheden maar elektronisch
geld mogen uitgeven in België indien zij deze activiteit
ook mogen uitoefenen op grond van de bepalingen
over hun statuut. We denken hier met name aan de wet
van 22 februari 1998 tot vaststelling van het organiek
statuut van de Nationale Bank van België, het Protocol
betreffende de statuten van het Europees stelsel van
centrale banken en van de Europese Centrale Bank,
of aan andere wettelijke bepalingen, zoals de diverse
organieke wetten over het statuut van de Belgische
federale, gewestelijke en lokale overheden en van de
overheden van de gemeenschappen in België.
Art. 28
Dit artikel voegt in de wet een artikel 60 in, en voorziet
in de omzetting van artikel 1 (4) en (5) van de Richtlijn,
door te bepalen in welke gevallen de wet niet van toepas-
sing is. De oude vrijstelling, die verleend werd indien er
sprake was van een “beperkt netwerk”, wordt een geval
van uitsluiting. In de vijfde overweging van de Richtlijn
worden enkele voorbeelden gegeven van uitsluitingen.
De toezichthouder dient te beoordelen of het hem voor-
gelegde geval al dan niet onder de uitsluitingen valt die
in de wet zijn opgenomen.
Art. 29
Dit artikel voegt in Boek 3 van de wet een Titel 2
in, over de instellingen voor elektronisch geld. Deze
Titel bestaat uit de artikelen 61 tot 105 van de wet, die
betrekking hebben op het statuut van en het toezicht
op de instellingen voor elektronisch geld bedoeld in
artikel 59, 2°.
De instellingen en overheden bedoeld in artikel 59,
1° en 3° tot 5, die ook elektronisch geld mogen uitgeven
in België, vallen niet onder de toepassing van Titel 2
van de wet.
DOC 53 2432/001
23
2431/001
DOC 53
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 3 e L É G I S L A T U R E
K AMER 3e Z ITTING VAN DE 53e Z ITTING S P E RIO DE
2011
2012
Art. 30 et 31
Ces articles insèrent dans le Livre 3 un Chapitre 1er
relatif aux établissements de monnaie électronique de
droit belge, et une section 1re relative à l’exigence d’un
agrément.
Art. 32
Cet article insère, dans la loi, un article 61 qui prévoit
que toute personne morale de droit belge qui entend
émettre de la monnaie électronique en qualité d’éta-
blissement de monnaie électronique, doit préalablement
obtenir un agrément de la Banque.
Le nouvel article 61, alinéa 2, a pour objet d’assurer la
protection de l’usage public des termes “établissement
de monnaie électronique” en réservant l’usage de ces
termes aux établissements ayant obtenu un agrément
en cette qualité. Il s’agit d’une disposition usuelle dans
la législation fi nancière (voy. par exemple, l’article 6 de
la loi bancaire).
Cet article transpose partiellement l’article 3 (1) de la
directive (qui prévoit l’application mutatis mutandis des
articles 10 (1) 20(1) et 20(4) de la directive 2007/64/CE).
Art. 33
Cet article insère, dans la loi, un article 62 qui énu-
mère les renseignements que le demandeur doit joindre
à sa demande d’agrément en qualité d’établissement
de monnaie électronique.
Vu l’application mutatis mutandis des dispositions
de la directive 2007/64/CE prévue à l’article 3 (1) de la
directive, cette disposition est similaire à l’article 7 de
la loi, relatif au dossier d’agrément d’un établissement
de paiement.
Par analogie avec les modifi cations apportées aux
autres législations fi nancières par l’arrêté royal du
3 mars 2011 mettant en œuvre l’évolution des structures
de contrôle du secteur fi nancier (ci-après “arrêté royal
Twin Peaks”), le paragraphe 2 du nouvel article 62 de la
loi prévoit une consultation obligatoire de la FSMA lors
de l’appréciation de l’honorabilité professionnelle des
administrateurs et des personnes physiques appelées
à prendre part à la gestion effective de l’établissement
pour autant que ces personnes sont proposées pour
la première fois auprès d’une entreprise fi nancière
contrôlée par la Banque.
Art. 30 en 31
Deze artikelen voegen in Boek 3 een Hoofdstuk 1
in over de instellingen voor elektronisch geld naar
Belgisch recht, en een afdeling 1, over het vereiste van
bedrijfsvergunning.
Art. 32
Dit artikel voegt in de wet een artikel 61 in, dat
bepaalt dat iedere rechtspersoon naar Belgisch recht
die elektronisch geld wil uitgeven als instelling voor
elektronisch geld, een vergunning moet verkrijgen van
de Bank vooraleer hij zijn werkzaamheden aanvat.
Het nieuwe artikel 61, tweede lid, beschermt het
publiek gebruik van de term “instelling voor elektronisch
geld”. Het gebruik van deze term wordt namelijk voorbe-
houden aan instellingen die een vergunning hebben
verkregen als instelling voor elektronisch geld. Deze
bepaling komt vaak voor in fi nanciële wetteksten (zie
bijvoorbeeld artikel 6 van de bankwet).
Dit artikel zorgt voor de gedeeltelijke omzetting van
artikel 3 (1) van de Richtlijn (dat voorziet in de overeen-
komstige toepassing van artikelen 10 (1), 20(1) en 20(4)
van Richtlijn 2007/64/EG).
Art. 33
Dit artikel voegt in de wet een artikel 62 in, dat de
gegevens opsomt die bij de aanvraag van een vergun-
ning als instelling voor elektronisch geld moeten worden
gevoegd.
Gezien de overeenkomstige toepassing van de bepa-
lingen van Richtlijn 2007/64/EG, waarin voorzien is in
artikel 3 (1) van de Richtlijn, is deze bepaling vergelijk-
baar met artikel 7 van de wet, over het dossier voor de
vergunning als betalingsinstelling.
Naar analogie met de wijzigingen die in andere fi nan-
ciële wetteksten zijn aangebracht door het koninklijk
besluit van 3 maart 2011 betreffende de evolutie van de
toezichtsarchitectuur voor de fi nanciële sector (hierna
“koninklijk besluit Twin Peaks”), voorziet paragraaf 2
van het nieuwe artikel 62 van de wet in de verplichte
raadpleging van de FSMA voor de beoordeling van de
professionele betrouwbaarheid van bestuurders en
natuurlijke personen die deelnemen aan het effectieve
beleid van de instelling, indien zij voor het eerst worden
voorgedragen bij een fi nanciële onderneming die onder
het toezicht staat van de Bank.
DOC 53 2432/001
24
2431/001
DOC 53
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 3 e L É G I S L A T U R E
K AMER 3e Z ITTING VAN DE 53e Z ITTING S P E RIO DE
2011
2012
Cet article transpose partiellement l’article 3 (1) de la
directive (qui prévoit l’application mutatis mutandis de
l’article 5 de la directive 2007/64/CE).
Art. 34
Cet article insère, dans la loi, un nouvel article 63
relatif à la procédure d’agrément des établissements
de monnaie électronique. Cet article prévoit notamment
que la Banque peut assortir l’agrément de conditions
afin de garantir une gestion saine et prudente de
l’établissement de monnaie électronique concerné.
La Banque peut par exemple imposer des exigences
organisationnelles spécifi ques aux établissements de
monnaie électronique dits hybrides (voir à ce propos
aussi le commentaire de l’article 50 du projet de loi).
Vu l’application mutatis mutandis des dispositions
de la directive 2007/64/CE prévue à l’article 3 (1) de la
directive, cette disposition est similaire à l’article 8 de la
loi, relatif à la procédure d’agrément des établissements
de paiement.
Cet article transpose partiellement l’article 3(1) de la
directive (qui prévoit l’application mutatis mutandis de
l’article 10(2) et 11 de la directive 2007/64/CE).
L’article 11 de la directive 2007/64/CE prévoit éga-
lement que toute décision de refus de l’agrément est
motivée. Cette disposition est transposée par la loi du
29 juillet 1991 relative à la motivation formelle des actes
administratifs, en exécution de laquelle la Banque est
tenue de motiver ses décisions de refus.
Art. 35
Cet article insère, dans la loi, un nouvel article 64
lequel prévoit que les établissements de monnaie élec-
tronique agréés sont inscrits sur une liste tenue par la
Banque, et publiée sur son site internet.
Le gouvernement a préféré l’utilisation du vocable
“liste”, plutôt que de celui de “registre”, utilisé à l’article
13 de la directive et ce, par analogie avec la terminolo-
gie utilisée dans les autres législations fi nancières (par
exemple l’article 13 de la loi bancaire).
La liste des établissements de monnaie électronique
doit également mentionner l’adresse des succursales
des établissements établies à l’étranger, ainsi que, le
cas échéant, l’identité des agents de l’établissement
concerné. L’on vise bien ici les agents par l’intermédiaire
Dit artikel zorgt voor de gedeeltelijke omzetting van
artikel 3 (1) van de Richtlijn (dat voorziet in de overeen-
komstige toepassing van artikel 5 van Richtlijn 2007/64/
EG).
Art. 34
Dit artikel voegt in de wet een nieuw artikel 63 in
over de vergunningsprocedure voor instellingen voor
elektronisch geld. Dit artikel bepaalt met name dat de
Bank voorwaarden kan verbinden aan de vergunning,
om een gezond en voorzichtig beleid van de betrokken
instelling voor elektronisch geld te garanderen. De Bank
kan bijvoorbeeld specifi eke organisatorische vereisten
opleggen aan de zogenaamde hybride instellingen voor
elektronisch geld (zie in dit verband ook de commentaar
bij artikel 50 van het wetsontwerp).
Gezien de overeenkomstige toepassing van de bepa-
lingen van Richtlijn 2007/64/EG, waarin voorzien is in
artikel 3 (1) van de Richtlijn, is deze bepaling vergelijk-
baar met artikel 8 van de wet, over de vergunningspro-
cedure voor betalingsinstellingen.
Dit artikel zorgt voor de gedeeltelijke omzetting van
artikel 3(1) van de Richtlijn (dat voorziet in de overeen-
komstige toepassing van de artikelen 10 (2) en 11 van
Richtlijn 2007/64/EG).
Artikel 11 van richtlijn 2007/64/EG bepaalt ook dat
beslissingen tot weigering van de vergunning gemo-
tiveerd moeten worden. Deze bepaling werd omgezet
via de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke
motivering van de bestuurshandelingen, die inhoudt dat
de Bank haar beslissingen tot weigering moet motiveren.
Art. 35
Dit artikel voegt in de wet een nieuw artikel 64 in, dat
bepaalt dat de instellingen voor elektronisch geld die een
vergunning hebben verkregen, ingeschreven worden op
een lijst die wordt bijgehouden door de Bank en die op
haar website wordt bekendgemaakt.
De regering verkoos “lijst” boven “register”, de term
die gehanteerd wordt in artikel 13 van de Richtlijn, omdat
“lijst” de term is die gebruikt wordt in andere fi nanciële
wetteksten (bijvoorbeeld artikel 13 van de bankwet).
Op de lijst van de instellingen voor elektronisch geld
moet eveneens het adres worden vermeld van de bij-
kantoren van de instellingen die in het buitenland zijn
gevestigd evenals, in voorkomend geval, de identiteit
van de agenten van de betrokken instelling. Hiermee
DOC 53 2432/001
25
2431/001
DOC 53
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 3 e L É G I S L A T U R E
K AMER 3e Z ITTING VAN DE 53e Z ITTING S P E RIO DE
2011
2012
desquels les établissements de monnaie électronique
peuvent prester des services de paiement, et non les
intermédiaires agissant pour le compte de l’établisse-
ment de monnaie électronique en vue de distribuer et
rembourser la monnaie électronique que l’on qualifi e
de “distributeurs” dans le projet de loi. Ces distributeurs
peuvent, mais ne doivent pas en vertu de la loi appa-
raître sur la liste tenue par la Banque.
Suite à la suggestion du Conseil d’État, il est précisé
que la directive n’oblige aucunement l’État membre
d’origine de faire fi gurer l’identité des distributeurs dans
le registre. En effet, l’article 3.1 de la directive prévoit que
l’article 13 de la directive 2007/64/CE, relatif à la tenue
du registre, est applicable mutatis mutandis aux établis-
sements de monnaie électronique. Cet article requiert
uniquement d’inscrire sur le registre les établissements
agréés, leurs agents et leurs succursales ainsi que
les personnes bénéfi ciant d’une exemption. Il est par
ailleurs renvoyé aux commentaires relatifs à l’article 76
de la loi qui donne davantage de détails sur les informa-
tions relatives aux distributeurs à communiquer à l’État
membre d’origine ainsi que sur la procédure à suivre si
un distributeur entend distribuer la monnaie électronique
dans un autre État membre. Par ailleurs, s’agissant des
distributeurs, le Conseil d’État s’interroge si le projet de
loi réglemente suffisamment leurs activités, notamment
pour ceux de ces intermédiaires agissant en Belgique
pour le compte d’établissements étrangers. Selon le
gouvernement, il n’appartient pas au législateur belge
de réglementer cette activité au-delà de ce que pré-
voit la directive, qui est une directive d’harmonisation
maximale. En outre, le contrôle sur les distributeurs est
exercé par l’établissement de monnaie électronique
pour le compte duquel ils agissent et ressort donc in
fi ne de la compétence de l’État membre d’origine, sous
réserve des dispositions d’intérêt général le cas échéant
applicables dans l’État membre d’accueil (comme par
exemple la législation anti-blanchiment — voyez à cet
égard les articles 97 et 99 du projet de loi).
Cet article transpose partiellement l’article 3 (1) de la
directive (qui prévoit l’application mutatis mutandis de
l’article 13 de la directive 2007/64/CE).
Art. 36
Cet article insère une section 2 dans le Chapitre 1er
du Titre 2 du Livre 3 de la loi, relative aux conditions
d’agrément.
worden de agenten bedoeld via dewelke de instellingen
voor elektronisch geld betalingsdiensten mogen verrich-
ten en niet de tussenpersonen die optreden namens de
instelling voor elektronisch geld om elektronisch geld
over te maken en terug te betalen. Deze tussenpersonen
worden in het wetsontwerp gekwalifi ceerd als “distribu-
teurs”. Volgens de wet mogen deze distributeurs, maar
moeten ze niet, worden opgenomen op de lijst die door
de Bank wordt bijgehouden.
Gevolg gevend aan de suggestie van de Raad van
State, wordt gepreciseerd dat de richtlijn de lidstaat
van herkomst geenszins verplicht om de identiteit van
de distributeurs in het register op te nemen. Inderdaad,
artikel 3.1 van de richtlijn voorziet dat artikel 13 van
richtlijn 2007/64/EG in verband met het aanhouden
van het register, mutatis mutandis van toepassing is
op instellingen voor elektronisch geld. Dit artikel vereist
enkel om in het register de vergunde instellingen, hun
agenten en hun bijkantoren alsook de personen die een
vrijstelling genieten, op te nemen. Er wordt bovendien
verwezen naar de commentaren bij artikel 76 van de
wet dat meer details bevat aangaande de informatie
over distributeurs die moet worden overgemaakt aan de
lidstaat van herkomst en de procedure die moet worden
gevolgd indien een distributeur elektronisch geld wenst
over te maken in een andere lidstaat. Daarenboven, in
verband met distributeurs, en meer bepaald voor die
tussenpersonen die in België optreden voor rekening
van buitenlandse instellingen, vraagt de Raad van State
zich af of het wetsontwerp hun activiteiten voldoende
reguleert. Volgens de regering, komt het niet aan de
Belgische wetgever toe om deze activiteit te reguleren
behalve voor wat de richtlijn, die een maximale harmoni-
satie betracht, zelf voorziet. Bovendien wordt de controle
op de distributeurs uitgeoefend door de instelling voor
elektronisch geld voor wiens rekening zij optreden en
ressorteert aldus in fi ne onder de bevoegdheid van de
lidstaat van herkomst, met uitzondering van de bepa-
lingen van algemeen belang zoals desgevallend van
toepassing in de lidstaat van ontvangst (bijvoorbeeld
de witwaswetgeving — zie hierover de artikelen 97 en
99 van het wetsontwerp).
Dit artikel zorgt voor de gedeeltelijke omzetting van
artikel 3 (1) van de Richtlijn (dat voorziet in de ove-
reenkomstige toepassing van artikel 13 van Richtlijn
2007/64/EG).
Art. 36
Dit artikel voegt in Hoofdstuk 1 van Titel 2 van Boek 3
van de wet een afdeling 2 in, over de bedrijfsvergun-
ningsvoorwaarden.
DOC 53 2432/001
26
2431/001
DOC 53
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 3 e L É G I S L A T U R E
K AMER 3e Z ITTING VAN DE 53e Z ITTING S P E RIO DE
2011
2012
Art. 37
Cet article insère, dans la loi, un nouvel article 65
lequel réserve aux seules personnes morales la possibi-
lité d’obtenir un agrément en qualité d’établissement de
monnaie électronique, et en précise la forme juridique.
Les personnes physiques ne peuvent être agréées en
tant qu’établissement de monnaie électronique.
Cet article transpose partiellement l’article 3 (1) de la
directive (qui prévoit l’application mutatis mutandis de
l’article 10 (1) de la directive 2007/64/CE).
Art. 38
Cet article insère, dans la loi, un nouvel article 66
lequel fi xe le capital initial dont doivent disposer les
établissements de monnaie électronique, ainsi que les
éléments à prendre en compte dans le calcul de ce
montant. Ces éléments sont conformes aux éléments
énoncés à l’article 57, points a) et b) de la directive
2006/48/CE du Parlement européen et du Conseil du
14 juin 1996 concernant l’accès à l’activité des établis-
sements de crédit et son exercice.
Cet article transpose l’article 4 de la directive.
Art. 39
Cet article insère, dans la loi, un nouvel article 67
lequel impose à la Banque d’examiner, pour les action-
naires dont la participation dans le capital dépasse un
certain seuil, s’ils présentent les qualités nécessaires
pour garantir une gestion saine et prudente de l’éta-
blissement de monnaie électronique et, au besoin, de
refuser l’agrément si tel n’est pas le cas.
Cet article transpose partiellement l’article 3 (1) de la
directive (qui prévoit l’application mutatis mutandis de
l’article 10 (6) de la directive 2007/64/CE).
Art. 40
Cet article insère, dans la loi, un nouvel article 68
lequel prévoit que la direction effective d’un établis-
sement de monnaie électronique doit être confi ée à
deux personnes physiques au moins (principe dit de
la “direction bicéphale”). Tant les personnes chargées
Art. 37
Dit artikel voegt in de wet een nieuw artikel 65 in,
dat bepaalt dat enkel rechtspersonen een vergunning
kunnen verkrijgen als instelling voor elektronisch geld,
en preciseert welke rechtsvorm deze rechtspersonen
moeten hebben. Natuurlijke personen kunnen geen ver-
gunning als instelling voor elektronisch geld verkrijgen.
Dit artikel zorgt voor de gedeeltelijke omzetting van
artikel 3 (1) van de Richtlijn (dat voorziet in de overeen-
komstige toepassing van artikel 10 (1) van Richtlijn
2007/64/EG).
Art. 38
Dit artikel voegt in de wet een nieuw artikel 66 in,
dat bepaalt hoe groot het aanvangskapitaal van de
instellingen voor elektronisch geld moet zijn, en welke
bestanddelen in aanmerking moeten worden genomen
bij de berekening van dit bedrag. Deze bestanddelen
stemmen overeen met deze die opgesomd zijn in arti-
kel 57, onder a) en b), van Richtlijn 2006/48/EG van
het Europees Parlement en de Raad van 14 juni 1996
betreffende de toegang tot en de uitoefening van de
werkzaamheden van kredietinstellingen.
Dit artikel voorziet in de omzetting van artikel 4 van
de Richtlijn.
Art. 39
Dit artikel voegt in de wet een nieuw artikel 67 in, dat
bepaalt dat de Bank moet nagaan of de aandeelhouders
van wie de deelneming in het kapitaal een bepaalde
drempel overschrijdt, geschikt zijn, rekening houdend
met de noodzaak van een gezond en voorzichtig beleid
van de instelling voor elektronisch geld en dat zij, indien
nodig, de vergunning moet weigeren indien dit niet het
geval is.
Dit artikel zorgt voor de gedeeltelijke omzetting van
artikel 3 (1) van de Richtlijn (dat voorziet in de overeen-
komstige toepassing van artikel 10 (6) van Richtlijn
2007/64/EG).
Art. 40
Dit artikel voegt in de wet een nieuw artikel 68 in, dat
bepaalt dat de effectieve leiding van een instelling voor
elektronisch geld moet worden toevertrouwd aan ten
minste twee natuurlijke personen (zogenaamd beginsel
van de “tweekoppige leiding”). Zowel de personen die
DOC 53 2432/001
27
2431/001
DOC 53
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 3 e L É G I S L A T U R E
K AMER 3e Z ITTING VAN DE 53e Z ITTING S P E RIO DE
2011
2012
de la direction effective de l’établissement, que les
personnes qui sans participer à la direction effective de
l’établissement, prennent part à l’administration ou à la
gestion de l’établissement doivent disposer de l’hono-
rabilité professionnelle, de l’expertise et de l’expérience
adéquate nécessaires pour assumer leurs tâches. Le
projet de loi vise l’ensemble de ces personnes, par ana-
logie avec l’article 13 de la loi, transposant l’article 5 (1),
i) de la directive 2007/64/CE.
Cet article transpose partiellement l’article 3 (1) de la
directive (qui prévoit l’application mutatis mutandis de
l’article 5 de la directive 2007/64/CE).
Art. 41
Cet article insère, dans la loi, un nouvel article 69
relatif aux exigences organisationnelles des établisse-
ments de monnaie électronique.
Vu l’application mutatis mutandis des dispositions
de la directive 2007/64/CE prévue à l’article 3(1) de la
directive, cette disposition est identique à l’article 14 de
la loi, applicable aux établissements de paiement. Cette
disposition est également similaire aux dispositions
relatives aux exigences organisationnelles que l’on
retrouve dans les différentes législations fi nancières (par
exemple l’article 20 de la loi bancaire, ou l’article 62 de
la loi du 6 avril 1995).
Ainsi, le nouvel article 69, § 1er prévoit que les éta-
blissements de monnaie électronique doivent disposer
d’une structure de gestion, d’une organisation adminis-
trative et comptable, de mécanismes de contrôle et de
sécurité dans le domaine informatique et d’un contrôle
interne appropriés à leurs activités, tant d’émission de
monnaie électronique, que, le cas échéant, de services
de paiement, ou d’autres activités. En vertu du principe
de proportionnalité, ces exigences doivent être impo-
sées en tenant compte de la nature, du volume et de la
complexité des activités de l’établissement concerné,
sans porter préjudice à l’exigence imposée à chaque
établissement de disposer d’une structure de gestion,
d’une organisation, et d’un contrôle interne minimum.
Le nouvel article 69, § 2 précise ce qu’il y a lieu
d’entendre par structure de gestion adéquate. L’énu-
mération contenue dans cette disposition n’est toutefois
pas exhaustive.
Le nouvel article 69, § 3 prévoit ce qu’il y a lieu
d’entendre par contrôle interne adéquat, ce qui implique
belast zijn met effectieve leiding van de instelling, als de
personen die deelnemen aan het bestuur of het beleid
van de instelling, zonder deel te nemen aan de effec-
tieve leiding ervan, moeten voor de uitoefening van hun
taken over de vereiste professionele betrouwbaarheid,
deskundigheid en passende ervaring beschikken. Dit
vereiste geldt voor al deze personen, naar analogie
met artikel 13 van de wet, die de omzetting vormt van
artikel 5 (1), i) van Richtlijn 2007/64/EG.
Dit artikel zorgt voor de gedeeltelijke omzetting van
artikel 3 (1) van de Richtlijn (dat voorziet in de overeen-
komstige toepassing van artikel 5 van Richtlijn 2007/64/
EG).
Art. 41
Dit artikel voegt in de wet een nieuw artikel 69 in,
over de organisatorische vereisten voor instellingen
voor elektronisch geld.
Gezien de overeenkomstige toepassing van de
bepalingen van Richtlijn 2007/64/EG, waarin voorzien
is in artikel 3(1) van de Richtlijn, stemt deze bepaling
overeen met artikel 14 van de wet, dat van toepassing
is op betalingsinstellingen. Deze bepaling is ook ver-
gelijkbaar met de bepalingen over de organisatorische
vereisten die in de verschillende fi nanciële wetteksten
voorkomen (bijvoorbeeld artikel 20 van de bankwet of
artikel 62 van de wet van 6 april 1995).
Zo bepaalt het nieuwe artikel 69, § 1 dat de instel-
ling voor elektronisch moet beschikken over een
beleidsstructuur, administratieve en boekhoudkundige
organisatie, controle- en beveiligingsmaatregelen met
betrekking tot de elektronische informatieverwerking,
en interne controle, die aangepast zijn aan haar werk-
zaamheden inzake de uitgifte van elektronisch geld en,
in voorkomend geval, aan haar werkzaamheden inzake
betalingsdiensten of aan haar andere werkzaamheden.
Krachtens het proportionaliteitsbeginsel moet bij het
opleggen van die vereisten rekening worden gehouden
met de aard, het volume en de complexiteit van de
werkzaamheden van de betrokken instelling, zonder
afbreuk te doen aan het vereiste dat elke instelling
dient te beschikken over een minimale beleidsstructuur,
organisatie en interne controle.
Het nieuwe artikel 69, § 2 bepaalt wat verstaan moet
worden onder “passende beleidsstructuur”. De opsom-
ming die in deze bepaling wordt gegeven, is echter niet
uitputtend.
Het nieuwe artikel 69, § 3 bepaalt wat verstaan moet
worden onder “passende interne controle”. Dit houdt in
DOC 53 2432/001
28
2431/001
DOC 53
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 3 e L É G I S L A T U R E
K AMER 3e Z ITTING VAN DE 53e Z ITTING S P E RIO DE
2011
2012
la mise en place d’une politique d’intégrité adéquate,
d’une fonction d’audit interne, de compliance, et de
gestion des risques indépendantes et adéquates.
L’interprétation précise à donner à ces notions est
en évolution constante, raison pour laquelle le projet de
loi, par analogie avec d’autres législations fi nancières,
habilite la Banque, en sa qualité de contrôleur pruden-
tiel chargé de l’application de la loi, de les préciser si
besoin en est.
Le nouvel article 69, §§ 5 et 6 précise, par ailleurs
les responsabilités de la direction effective, de l’organe
d’administration et des commissaires sur le plan du
respect des dispositions des §§ 1er à 3 de cet article,
et ce toujours par analogie avec les dispositions des
autres législations fi nancières.
Les exigences prévues dans cet article ne s’ap-
pliquent qu’aux activités d’émission de monnaie élec-
tronique des établissements de monnaie électronique,
ainsi qu’à leurs éventuelles activités en matière de ser-
vices de paiement, ou aux activités visées à l’article 77,
§ 2, 2° de la loi.
Cet article transpose partiellement l’article 3 (1) de la
directive (qui prévoit l’application mutatis mutandis des
articles 10 (4), 10 (7) et 10 (8) de la directive 2007/64/CE).
Art. 42
Cet article insère, dans la loi, un nouvel article 70
lequel prévoit que l’administration centrale de l’éta-
blissement de monnaie électronique doit être située
en Belgique.
Cet article transpose partiellement l’article 3( 1) de la
directive (qui prévoit l’application mutatis mutandis de
l’article 10 (3) de la directive 2007/64/CE).
Art. 43
Cet article insère une section 3 dans le Chapitre 1er
du Titre 2 du Livre 3 de la loi, relative aux conditions
d’exercice de l’activité d’émission de monnaie électro-
nique par les établissements de monnaie électronique.
dat er een passend integriteitsbeleid wordt ingevoerd,
evenals een passende onafhankelijke interne auditfunc-
tie, compliancefunctie en risicobeheerfunctie.
De precieze interpretatie die aan deze begrippen
moet worden gegeven, evolueert constant. Daarom
bepaalt het wetsontwerp, naar analogie met andere
fi nanciële wetteksten, dat de Bank, in haar hoedanigheid
van prudentieel toezichthouder die belast is met de
toepassing van de wet, zo nodig nader kan bepalen wat
moet worden verstaan onder deze begrippen.
Het nieuwe artikel 69, §§ 5 en 6 bepaalt ook welke de
verantwoordelijkheden zijn van de effectieve leiding, het
bestuursorgaan en de commissarissen, voor wat betreft
de naleving van de bepalingen van de bepalingen van
§§ 1 tot 3 van dit artikel, ook weer naar analogie met de
bepalingen van andere fi nanciële wetteksten.
De vereisten die in dit artikel zijn opgenomen, zijn
enkel van toepassing op de werkzaamheden van de
instellingen voor elektronisch geld die verband houden
met de uitgifte van elektronisch geld, evenals op hun
eventuele werkzaamheden die verband houden met
betalingsdiensten, of op de werkzaamheden bedoeld
in artikel 77, § 2, 2° van de wet.
Dit artikel zorgt voor de gedeeltelijke omzetting van
artikel 3 (1) van de Richtlijn (dat voorziet in de overeen-
komstige toepassing van artikelen 10 (4), 10 (7) en 10 (8)
van Richtlijn 2007/64/EG).
Art. 42
Dit artikel voegt in de wet een nieuw artikel 70 in,
dat bepaalt dat het hoofdbestuur van de instelling voor
elektronisch geld in België moet zijn gevestigd.
Dit artikel zorgt voor de gedeeltelijke omzetting van
artikel 3 (1) van de Richtlijn (dat voorziet in de over-
eenkomstige toepassing van artikel 10 (3) van Richtlijn
2007/64/EG).
Art. 43
Dit artikel voegt in Hoofdstuk 1 van Titel 2 van Boek 3
van de wet een afdeling 3 in, over de voorwaarden die
verbonden zijn aan de uitoefening van de activiteit van
uitgifte van elektronisch geld door instellingen voor
elektronisch geld.
DOC 53 2432/001
29
2431/001
DOC 53
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 3 e L É G I S L A T U R E
K AMER 3e Z ITTING VAN DE 53e Z ITTING S P E RIO DE
2011
2012
Art. 44
Cet article insère un article 71 dans la loi, lequel
prévoit que les établissements de monnaie électronique
sont tenus, dans l’exercice de leur activité, de satisfaire
en permanence aux conditions d’agrément et d’infor-
mer la Banque lorsque des modifi cations interviennent
concernant les renseignements fournis dans le dossier
d’agrément.
Cet article transpose partiellement l’article 3 (1) de la
directive (qui prévoit l’application mutatis mutandis des
articles 12 (1) et 14 de la directive 2007/64/CE).
Art. 45
Cet article insère, dans la loi, un nouvel article 72
contenant les principes de base concernant les obliga-
tions en matière de fonds propres des établissements
de monnaie électronique. La Banque est habilitée, par
analogie avec les législations prudentielles applicables
dans les autres secteurs fi nanciers, à déterminer par
voie de règlement les normes techniques en matière
de contrôle de la solvabilité des établissements de
monnaie électronique.
Ces normes techniques seront établies en conformité
avec la méthode de calcul fi xée dans la directive, par
référence à la moyenne de la monnaie électronique en
circulation. Contrairement aux obligations en matière de
solvabilité des établissements de paiement, la directive
ne prévoit qu’une seule méthode de calcul pour les fonds
propres des établissements de monnaie électronique.
Cette méthode doit s’appliquer pour le calcul des fonds
propres de l’établissement de monnaie électronique pour
son activité d’émission de monnaie électronique, mais
également, le cas échéant, pour son activité de prestation
de services de paiement, à condition que les services
de paiement concernés par cette activité soient liés à
l’émission de monnaie électronique. L’appréciation du lien
existant entre des services de paiement et une activité
d’émission de monnaie électronique doit se faire au cas
par cas. Cependant, peuvent être considérés comme
des services de paiement liés à l’activité d’émission de
monnaie électronique l’émission d’un instrument de paie-
ment sur lequel est stocké de la monnaie électronique ou
l’exécution d’opérations de paiement lorsque les fonds
transférés sont constitués de monnaie électronique. Les
services opérationnels et auxiliaires étroitement liés à
l’émission de monnaie électronique, visés dans le nouvel
article 77, § 2, 2° de la loi (inséré par l’article 50 du projet
de loi) sont également considérés comme faisant partie
intégrante de l’activité d’émission de monnaie électro-
nique pour le calcul des fonds propres liés à cette activité.
Art. 44
Dit artikel voegt in de wet een artikel 71 in, dat bepaalt
dat instellingen voor elektronisch geld bij de uitoefening
van hun werkzaamheden te allen tijde moeten voldoen
aan de bedrijfsvergunningsvoorwaarden en de Bank
op de hoogte moeten brengen wanneer de bij de ver-
gunningsaanvraag verstrekte gegevens gewijzigd zijn.
Dit artikel zorgt voor de gedeeltelijke omzetting van
artikel 3 (1) van de Richtlijn (dat voorziet in de overeen-
komstige toepassing van de artikelen 12( 1) en 14 van
Richtlijn 2007/64/EG).
Art. 45
Dit artikel voegt in de wet een nieuw artikel 72 in,
dat de basisbeginselen bevat voor de eigenvermogen-
sverplichtingen voor instellingen voor elektronisch geld.
Naar analogie met de prudentiële wetgeving die van
toepassing is in andere fi nanciële sectoren, kan de
Bank bij reglement de technische normen vastleggen
voor het toezicht op de solvabiliteit van de instellingen
voor elektronisch geld.
Deze technische normen worden opgesteld vol-
gens de berekeningsmethode van de Richtlijn, onder
verwijzing naar het gemiddelde uitstaande bedrag
aan elektronisch geld. In tegenstelling tot voor de
betalingsinstellingen, voorziet de Richtlijn maar in één
enkele methode voor de berekening van het eigen
vermogen voor de instellingen voor elektronisch geld.
Deze methode moet gebruikt worden voor de bere-
kening van het eigen vermogen van de instelling voor
elektronisch geld, zowel voor haar activiteit van uitgifte
van elektronisch geld als, in voorkomend geval, voor
haar betalingsdienstenbedrijf, op voorwaarde dat de
betrokken betalingsdiensten verband houden met de
uitgifte van elektronisch geld. Of de betalingsdiensten
verband houden met de uitgifte van elektronisch geld,
moet geval per geval worden beoordeeld. De uitgifte
van een betaalinstrument waarop elektronisch geld is
opgeslagen of de uitvoering van betalingstransacties
waarbij elektronisch geld wordt overgedragen, kunnen
echter beschouwd worden als betalingsdiensten die
verband houden met de uitgifte van elektronisch geld.
De operationele diensten en nevendiensten die nauw
samenhangen met de uitgifte van elektronisch geld, als
bedoeld in het nieuwe artikel 77, § 2, 2° van de wet (inge-
voegd bij artikel 50 van het wetsontwerp) worden voor de
berekening van het eigen vermogen met betrekking tot
de uitgifte van elektronisch geld eveneens gelijkgesteld
met de uitgifte van elektronisch geld.
DOC 53 2432/001
30
2431/001
DOC 53
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 3 e L É G I S L A T U R E
K AMER 3e Z ITTING VAN DE 53e Z ITTING S P E RIO DE
2011
2012
En ce qui concerne les services de paiement qui ne
sont pas liés à l’émission de monnaie électronique, la
Banque devra appliquer l’une ou l’autre des méthodes
de calcul fi xées dans le règlement relatif aux fonds
propres des établissements de paiement, pris en exé-
cution de l’article 17 de la loi, et conformément à l’article
8 de la directive 2007/64/CE.
Par identité de motifs avec ce que prévoit l’article 17,
§ 2, alinéa 2 de la loi pour les établissements de paie-
ment, et conformément à ce que prévoit l’article 5 (6)
de la directive, l’article 72, § 2, alinéa 2 de la loi prévoit
que lorsqu’un établissement de monnaie électronique
fait partie d’une groupe fi nancier, la Banque prend des
mesures pour éviter toute double utilisation de fonds
propres au sein du groupe. Lorsqu’un établissement de
monnaie électronique est une entreprise mère à la tête
d’un groupe fi nancier, l’une de ces mesures décidée
par la Banque pourrait être de soumettre ce groupe à
un contrôle consolidé si la Banque est d’avis qu’un tel
contrôle consolidé constitue une technique appropriée
pour éviter une telle double utilisation de fonds propres
dans le calcul des exigences de solvabilité. L’article 72,
§ 2, alinéa 2 constitue la base légale permettant à la
Banque de prendre une telle décision.
Par identité de motifs avec ce que prévoit l’article
17, § 2, alinéa 3 de la loi pour les établissements de
paiement, l’article 72, § 2, alinéa 3 de la loi prévoit la
possibilité pour la Banque de prendre des mesures
complémentaires en matière de solvabilité à l’égard
des établissements de monnaie électronique qui
exercent d’autres activités que l’émission de monnaie
électronique ou la prestation de services de paiement
lorsque ces autres activités nuisent ou risquent de nuire
à la solidité fi nancière de l’établissement de monnaie
électronique. Cette disposition spécifi que transpose, du
moins en partie, l’article 21 (3) de la directive 2007/64/
CE applicable mutatis mutandis aux établissements
de monnaie électronique en vertu de l’article 3 (1) de
la directive.
Cet article transpose l’article 5 de la directive
Art. 46
Cet article insère, dans la loi, un article 73 consa-
cré aux modifi cations de la structure de l’actionnariat
dans les établissements de monnaie électronique. Par
analogie avec les lois relatives au contrôle prudentiel
d’autres établissements du secteur fi nancier, cette
disposition met en place un dispositif permettant à la
Banque de suivre l’évolution de l’actionnariat en cours
Voor betalingsdiensten die niet samenhangen met
de uitgifte van elektronisch geld, moet de Bank een van
de berekeningsmethodes gebruiken die vastgesteld zijn
in het reglement op het eigen vermogen van de beta-
lingsinstellingen, dat ter uitvoering van artikel 17 van
de wet werd genomen, conform artikel 8 van Richtlijn
2007/64/EG.
Om dezelfde redenen als die welke voor betalingsin-
stellingen zijn opgenomen in artikel 17, § 2, tweede lid
van de wet, en conform het bepaalde in artikel 5 (6) van
de Richtlijn, bepaalt artikel 72, § 2, tweede lid van de wet,
dat wanneer een instelling voor elektronisch geld deel
uitmaakt van een fi nanciële groep, de Bank maatregelen
neemt om het meervoudig gebruik van eigen vermogen
binnen de groep te vermijden. Wanneer een instelling
voor elektronisch geld een moederonderneming is die
aan het hoofd staat van een fi nanciële groep, zou een
van die maatregelen erin kunnen bestaan dat de Bank
deze groep aan een geconsolideerd toezicht onder-
werpt, indien zij van mening is dat dit een passende
techniek is om het meervoudig gebruik van eigen ver-
mogen bij de berekening van de solvabiliteitsvereisten te
vermijden. Artikel 72, § 2, tweede lid vormt de wettelijke
grondslag voor de Bank om een dergelijke beslissing
te nemen.
Om dezelfde redenen als die welke voor betaling-
sinstellingen zijn opgenomen in artikel 17, § 2, derde
lid van de wet, voorziet artikel 72, § 2, derde lid van de
wet in de mogelijkheid voor de Bank om aanvullende
maatregelen te nemen op het vlak van de solvabiliteit,
voor instellingen voor elektronisch geld die andere wer-
kzaamheden uitoefenen dan de uitgifte van elektronisch
geld of het verrichten van betalingsdiensten, wanneer
deze andere werkzaamheden afbreuk doen of dreigen
te doen aan de fi nanciële soliditeit van de instelling voor
elektronisch geld. Deze specifi eke bepaling zorgt voor
de gedeeltelijke omzetting van artikel 21 (3) van Richt-
lijn 2007/64/EG, dat van overeenkomstige toepassing
is op de instellingen voor elektronisch geld krachtens
artikel 3 (1) van de Richtlijn.
Dit artikel voorziet in de omzetting van artikel 5 van
de Richtlijn.
Art. 46
Dit artikel voegt in de wet een artikel 73 in, over de
wijzigingen in de aandeelhoudersstructuur van instellin-
gen voor elektronisch geld. Naar analogie met de wetten
over het prudentieel toezicht op andere instellingen uit
de fi nanciële sector voert deze bepaling een regeling in
die de Bank in staat stelt te volgen hoe de aandeelhou-
dersstructuur in de loop van het boekjaar evolueert en
DOC 53 2432/001
31
2431/001
DOC 53
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 3 e L É G I S L A T U R E
K AMER 3e Z ITTING VAN DE 53e Z ITTING S P E RIO DE
2011
2012
d’exercice et de pouvoir faire obstacle à l’acquisition ou
à la majoration d’une participation par un actionnaire ne
présentant pas toutes les qualités nécessaires au regard
du besoin de garantir une gestion saine et prudente de
l’établissement de monnaie électronique.
Le paragraphe 1er de l’article 73 impose une procé-
dure de notifi cation pour toute personne acquérant, ou
cédant, une participation qualifi ée dans un établisse-
ment de monnaie électronique, ou dont l’augmentation
ou la réduction de la participation aurait pour consé-
quence qu’elle la ferait atteindre ou dépasser les seuils
des 20 %, 30 % ou de 50 % (des parts en capital ou
des droits de vote), ou la ferait descendre en-dessous
de ces seuils, ou que l’établissement de monnaie élec-
tronique en deviendrait sa fi liale ou cesserait de l’être.
L’obligation de notifi er s’impose aux personnes qui ont
pris la décision d’acquérir ou de céder une participa-
tion dans les proportions susmentionnées, de sorte
que cette obligation de notifi cation est bien préalable
à l’acquisition. En réponse à l’observation du Conseil
d’État, il est précisé que la notion de “personne phy-
sique ou morale qui a pris la décision d’aquérir ou de
céder, directement ou indirectement, une participation
qualifi ée” reprise l’article 3, paragraphe 3, alinéa 1er, et
la notion d’”acquéreur potentiel”, reprise à l’article 3,
paragraphe 3, alinéa 2, se recouvrent de sorte que
ces deux alinéas de la directive sont transposés dans
un seul paragraphe. Par ailleurs, le texte reprend les
termes mêmes de la directive qui prévoient que les
personnes concernées doivent informer à l’avance les
autorités compétentes de leur intention de procéder à
une acquisition, cession, augmentation ou réduction. Il
n’est donc pas indiqué de prévoir que la Banque doit
être informée sans délai de l’intention de l’acquéreur
potentiel de procéder à une telle opération.
Les acquisitions et cessions tant directes qu’indi-
rectes de participations qualifiées sont visées par
l’article 73. Sur la notion d’acquisition ou de cession
indirecte, il est renvoyé au commentaire de l’article 5
de la loi du 31 juillet 2009 assurant la transposition de
la directive 2007/44/CE relative aux procédures et cri-
tères d’évaluation applicables à l’évaluation prudentielle
des acquisitions et des augmentations de participation
dans des entités du secteur fi nancier (ci-après “loi
du 31 juillet 2009”), et qui modifi e l’article 24 de la loi
bancaire consacré aux modifi cations de la structure de
l’actionnariat dans les établissements de crédit (Exposé
des motifs, Doc. Parl., Chambre, session 2008-2009,
n° 2011/001, p. 14).
zich te verzetten tegen de verwerving of vergroting van
de deelneming van een aandeelhouder die niet geschikt
is, gelet op de noodzaak van een gezond en voorzichtig
beleid van de instelling voor elektronisch geld.
Paragraaf 1 van artikel 73 legt een kennisgevings-
procedure op voor personen die een gekwalifi ceerde
deelneming in een instelling voor elektronisch geld
verwerven of vervreemden, of die deze deelneming
vergroten of verminderen, waardoor de drempel
van 20 %, 30 % of 50 % (van de aandelen in het kapi-
taal of de stemrechten) zou zijn bereikt of zou worden
overschreden, of waardoor de deelneming die drem-
pels zou onderschrijden, of waardoor de instelling voor
elektronisch geld haar dochteronderneming zou worden
of niet langer haar dochteronderneming zou zijn. De
verplichting tot kennisgeving geldt voor personen die
beslist hebben een deelneming te verwerven of te ver-
vreemden in de bovenvermelde verhoudingen, zodat
deze kennisgevingsplicht moet worden vervuld vóór de
verwerving plaatsvindt. Als antwoord op de opmerking
van de Raad van State wordt gepreciseerd dat het begrip
“natuurlijke of rechtspersoon die besloten heeft om het-
zij rechtstreeks of onrechtstreeks een gekwalifi ceerde
deelneming” zoals opgenomen in artikel 3, paragraaf 3,
eerste alinea van de richtlijn, en het begrip “kandidaat-
verwerver”, zoals opgenomen in artikel 3, paragraaf 3,
tweede alinea, elkaar overlappen in die zin dat de beide
alinea’s van de richtlijn in één enkele paragraaf werden
omgezet. Bovendien herneemt de tekst de termen van
de richtlijn die voorziet dat de betrokken personen de
bevoegde autoriteiten op voorhand moeten informeren
aangaande hun intentie om over te gaan tot een verwer-
ving, verkoop, verhoging of vermindering. Er werd dus
niet voorzien dat de Bank onmiddellijk op de hoogte
moet worden gebracht van de intentie van de kandidaat-
verwerver om een dergelijke operatie door te voeren.
Artikel 73 geldt zowel voor rechtstreekse als on-
rechtstreekse verwervingen en vervreemdingen van
gekwalificeerde deelnemingen. Voor de begrippen
“onrechtstreekse verwerving” en “onrechtstreekse ver-
vreemding” wordt verwezen naar de commentaar bij
artikel 5 van de wet van 31 juli 2009, dat voorziet in de
omzetting van Richtlijn 2007/44/EG over de procedures
en evaluatiecriteria voor de prudentiële beoordeling van
verwervingen en vergrotingen van deelnemingen in de
fi nanciële sector (hierna “wet van 31 juli 2009”), en dat
wijzigingen aanbrengt in artikel 24 van de bankwet,
dat betrekking heeft op de wijzigingen in de aandeel-
houdersstructuur van kredietinstellingen (Memorie
van Toelichting, Parl. St., Kamer, zitting 2008-2009,
nr. 2011/001, p. 14).
DOC 53 2432/001
32
2431/001
DOC 53
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 3 e L É G I S L A T U R E
K AMER 3e Z ITTING VAN DE 53e Z ITTING S P E RIO DE
2011
2012
Le paragraphe 1er de l’article 73 précise également
que la notifi cation doit mentionner le montant envisagé
de la participation, ainsi que l’ensemble des informa-
tions requises pour permettre à la Banque de procéder
à l’examen de la notifi cation. Ces informations sont
les informations pertinentes fi gurant à l’article 24, § 3,
alinéa 3 de la loi bancaire, transposant l’article 19bis,
paragraphe 4 de la directive 2006/48/CE, à laquelle il est
fait référence dans l’article 3 (3), alinéa 2 de la directive.
Il a été tenu compte de l’observation du Conseil d’État
suggérant de préciser les formes et le délai endéans
lesquels la Banque doit notifi er son opposition à la
réalisation de l’opération envisagée. Le paragraphe 3
de l’article 73 précise les motifs sur base desquels la
Banque peut s’opposer à la réalisation d’une acqui-
sition ou d’une cession de participation, à savoir que
l’infl uence exercée par le candidat acquéreur est de
nature à compromettre la gestion saine et prudente de
l’établissement. Cette appréciation se fait sur base des
informations pertinentes reçues par la Banque confor-
mément au paragraphe 1er de l’article 73 et qui ont trait,
notamment, à la réputation du candidat acquéreur, à
la réputation et à l’expérience de toute personne qui
assurera la direction des activités de l’établissement
de monnaie électronique à la suite de l’acquisition
envisagée, à la solidité fi nancière du candidat, et à la
capacité de l’établissement, à la suite de cette modifi -
cation de l’actionnariat, de continuer à satisfaire à ses
obligations prudentielles, selon notamment la structure
et l’organisation du groupe dans lequel l’établissement
est placé. Pour plus de précisions sur ces critères
d’évaluation, il est renvoyé au commentaire de l’article
5 de la loi du 31 juillet 2009, ayant inséré ces critères
à l’article 24, § 3, alinéa 3 de la loi bancaire ((Exposé
des motifs, Doc. Parl., Chambre, session 2008-2009,
n° 2011/001,pp. 17 à 19).
Il est également précisé dans le paragraphe 2 de
l’article 73 que, le cas échéant, la Banque doit se
concerter avec une autorité compétente étrangère,
notamment lorsque le candidat actionnaire ou associé
est une entreprise réglementée agréée dans un autre
État membre de l’EEE, ou avec la FSMA lorsqu’il s’agit
d’une entreprise réglementée soumise au contrôle de
cette autorité, telles que les sociétés de gestion d’orga-
nismes de placement collectif, ou les sociétés de gestion
de portefeuille et de conseil en investissements.
Le paragraphe 2 de l’article 73 précise quelles
mesures la Banque est autorisée à prendre lorsque il
n’est pas procédé à la notifi cation préalable prévue au
paragraphe 1er, ou lorsqu’une participation est acquise
ou cédée en dépit de l’opposition de la Banque. Au sujet
de ces mesures, l’article 3 (3), alinéa 3 de la directive
Paragraaf 1 van artikel 73 bepaalt ook dat in de
kennisgeving de omvang van de beoogde deelneming
moet worden vermeld, evenals alle nodige informatie,
zodat de Bank kan overgaan tot het onderzoek van de
kennisgeving. Het gaat hier om de relevante informatie
als bedoeld in artikel 24, § 3, derde lid van de bankwet,
dat voor de omzetting zorgt van artikel 19bis, lid 4 van
Richtlijn 2006/48/EG, waarnaar verwezen wordt in arti-
kel 3 (3), tweede alinea van de Richtlijn.
Er werd rekening gehouden met de opmerking van
de Raad van State die suggereerde om de vormen en
termijnen te verduidelijken waarbinnen de Bank haar
verzet tegen de beoogde operatie ter kennis dient te
brengen. Paragraaf 3 van artikel 73 bepaalt in welke
gevallen de Bank zich kan verzetten tegen de verwer-
ving of vervreemding van een deelneming, namelijk
wanneer de invloed van de kandidaat-verwerver een
gezond en voorzichtig beleid van de instelling kan
belemmeren. Bij deze beoordeling wordt uitgegaan van
de relevante informatie die de Bank ontvangt conform
paragraaf 1 van artikel 73 en die onder meer betrekking
heeft op de reputatie van de kandidaat-verwerver, op
de reputatie en de ervaring van alle personen die na
de beoogde verwerving de leiding zullen hebben over
de werkzaamheden van de instelling voor elektronisch
geld, op de fi nanciële soliditeit van de kandidaat en
op de mate waarin de instelling na deze wijziging in
de aandeelhoudersstructuur kan blijven voldoen aan
haar prudentiële verplichtingen, met name naargelang
van de structuur en de organisatie van de groep waar-
toe de instelling behoort. Voor meer uitleg over deze
evaluatiecriteria verwijzen wij naar de commentaar bij
artikel 5 van de wet van 31 juli 2009, die deze criteria
heeft ingevoegd in artikel 24, § 3, derde lid van de ban-
kwet (Memorie van Toelichting, Parl. St., Kamer, zitting
2008-2009, nr. 2011/001, pp. 17 tot 19).
In paragraaf 2 van artikel 73 wordt ook bepaald dat de
Bank in voorkomend geval overleg moet plegen met een
buitenlandse bevoegde autoriteit, met name wanneer
de kandidaat-aandeelhouder of kandidaat-vennoot een
gereglementeerde onderneming is die in een andere
lidstaat van de EER een vergunning heeft verkregen, of
met de FSMA, indien het gaat om een gereglementeerde
onderneming die onderworpen is aan het toezicht van
die autoriteit, zoals beheervennootschappen van instel-
lingen voor collectieve belegging of vennootschappen
voor vermogensbeheer en beleggingsadvies.
In paragraaf 2 van artikel 73 wordt opgesomd welke
maatregelen de Bank kan nemen indien de bij para-
graaf 1 voorgeschreven voorafgaande kennisgeving
niet wordt verricht of indien er een deelneming wordt
verworven of vervreemd ondanks het verzet van de
Bank. Art. 3 (3), derde alinea van de Richtlijn bepaalt
DOC 53 2432/001
33
2431/001
DOC 53
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 3 e L É G I S L A T U R E
K AMER 3e Z ITTING VAN DE 53e Z ITTING S P E RIO DE
2011
2012
précise qu’elles peuvent comprendre des injonctions,
des sanctions à l’égard des dirigeants ou des respon-
sables de la gestion, ou la suspension de l’exercice des
droits de vote attachés aux actions ou parts détenues
par les actionnaires ou associés en question. Par souci
de cohérence avec les autres législations prudentielles
dans le secteur fi nancier, le gouvernement a choisi
de reprendre dans ce paragraphe les mesures que la
Banque est autorisée à prendre dans des situations simi-
laires survenant dans d’autres établissements fi nanciers
(cf. par exemple article 25 de la loi bancaire). Il s’agit
des mesures de suspension de l’exercice des droits
de vote attachés aux actions ou parts détenues par
l’actionnaire en question ou l’associé en question, ainsi
que l’injonction donné à l’actionnaire ou à l’associé en
cause de céder, dans un certain délai fi xé par la Banque,
ses droits d’associés. La mesure de suspension s’ins-
crit ainsi dans la logique de la nécessité d’éloigner
l’actionnaire afi n de prévenir une infl uence malsaine sur
la gestion de l’établissement. Dans la même optique, la
mesure d’injonction d’aliénation de la participation et, à
défaut, celle du séquestre, se révèlent indispensables
dans des situations dans lesquelles l’éloignement de
l’actionnaire est requis afi n qu’il soit totalement isolé
par rapport à la gestion de l’établissement.
Afi n de transposer l’article 3 (3), alinéa 5 de la direc-
tive, le paragraphe 3 de l’article prévoit également la
possibilité pour la Banque de faire prononcer, par le
Président du tribunal de commerce territorialement
compétent, l’annulation des votes émis par l’action-
naire ou l’associé concerné. Cette même mesure, et
les mêmes modalités sont prévues dans les autres
législations fi nancières, et notamment à l’article 24, §
6 de la loi bancaire, dont le gouvernement s’est inspiré,
par souci de cohérence.
Cet article transpose l’article 3 (3) de la directive.
Art. 47
Cet article insère, dans la loi, un article 74 qui requiert
l’autorisation de la Banque pour les fusions entre éta-
blissements de monnaie électronique et pour les fusions
entre les établissements de monnaie électronique et
d’autres établissements fi nanciers.
L’article 74, alinéa 3 précise que la Banque ne peut
refuser l’autorisation que pour des motifs tenant à la
gestion saine et prudente de l’établissement de monnaie
électronique.
dat deze maatregelen kunnen bestaan uit bindende
aanwijzingen, sancties ten aanzien van de leiders of
verantwoordelijken voor het beleid, of schorsing van de
uitoefening van de stemrechten die verbonden zijn aan
de aandelen die door de betrokken aandeelhouder of
vennoot worden gehouden. Omwille van de samenhang
met andere prudentiële wetteksten voor de fi nanciële
sector, heeft de regering ervoor gekozen om in deze
paragraaf de maatregelen op te nemen die de Bank
kan nemen in soortgelijke situaties bij andere fi nanciële
instellingen (zie bijvoorbeeld artikel 25 van de bankwet).
Het gaat om de schorsing van de uitoefening van de
stemrechten die verbonden zijn aan de aandelen die
door de betrokken aandeelhouder of vennoot worden
gehouden en de aanmaning die aan de betrokken aan-
deelhouder of vennoot wordt gegeven om zijn aandeel-
houdersrechten over te dragen binnen een door de Bank
bepaalde termijn. Deze schorsing sluit ook aan bij de
noodzaak om de aandeelhouder op afstand te houden
om te vermijden dat hij een ongezonde invloed heeft
op het beleid van de instelling. Ook de aanmaning om
de deelneming over te dragen en, bij ontstentenis, de
sekwestratie, zijn onontbeerlijke maatregelen in geval-
len waar de aandeelhouder op afstand moet worden
gehouden zodat hij geen invloed meer kan uitoefenen
op het beleid van de instelling.
Paragraaf 3 van het artikel, die de omzetting vormt
van artikel 3 (3), vijfde alinea van de Richtlijn, voorziet
ook in de mogelijkheid voor de Bank om de stemmen
uitgebracht door de betrokken aandeelhouder of ven-
noot nietig te laten verklaren door de voorzitter van de
territoriaal bevoegde rechtbank van koophandel. Deze
maatregel en de toepassingsmodaliteiten ervan komen
ook voor in andere fi nanciële wetteksten en met name in
artikel 24, § 6 van de bankwet, waarop de regering zich
gebaseerd heeft omwille van de onderlinge samenhang.
Dit artikel voorziet in de omzetting van artikel 3 (3)
van de Richtlijn.
Art. 47
Dit artikel voegt in de wet een artikel 74 in, dat bepaalt
dat de toestemming van de Bank is vereist voor fusies
van instellingen voor elektronisch geld en fusies tussen
dergelijke instellingen en andere fi nanciële instellingen.
Artikel 74, derde lid, bepaalt dat de Bank haar toe-
stemming enkel kan weigeren om redenen die verband
houden met het gezond en voorzichtig beleid van de
instelling voor elektronisch geld.
DOC 53 2432/001
34
2431/001
DOC 53
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 3 e L É G I S L A T U R E
K AMER 3e Z ITTING VAN DE 53e Z ITTING S P E RIO DE
2011
2012
Cette disposition a notamment pour objectif de
permettre à la Banque de vérifi er si, à la suite d’une
opération de fusion, l’établissement de monnaie élec-
tronique satisfait toujours aux conditions d’agrément.
Dans le cas contraire, la Banque doit être en mesure
de s’opposer à la fusion.
Art. 48
Cet article insère, dans la loi, un nouvel article 75 qui
règle la procédure que les établissements de monnaie
électronique doivent suivre lorsqu’ils projettent d’exer-
cer une activité d’émission de monnaie électronique
dans un autre État membre de l’EEE, soit par voie
d’établissement d’une succursale, soit dans le cadre
de la libre prestation de services.
L’article 75, alinéa 3 prévoit la possibilité pour la
Banque de s’opposer à l’ouverture d’une succursale
dans un autre État membre de l’EEE si elle estime que
ce projet peut avoir des répercussions préjudiciables
sur l’organisation, la situation fi nancière ou le contrôle
de l’établissement de monnaie électronique. Ainsi, la
mise en œuvre de la décision prise par un établissement
de monnaie électronique de développer ses activités à
l’étranger et d’y ouvrir une succursale peut avoir pour
effet que l’établissement ne répond plus aux conditions
d’agrément de sorte que, dans une telle hypothèse, la
Banque doit être en mesure de prendre des mesures à
son égard. Au lieu de retirer l’agrément de l’établisse-
ment concerné dans la mesure où il ne satisfait plus à
ses conditions d’agrément, la Banque peut s’opposer
au projet d’ouverture de la succursale. Ce régime est
analogue à celui prévu dans d’autres législations fi nan-
cières, et est notamment analogue au régime prévu pour
les projets similaires des établissements de paiement.
Cet article transpose partiellement l’article 3 (1) de la
directive (qui prévoit l’application mutatis mutandis de
l’article 25 (1) de la directive 2007/64/CE).
Art. 49
Cet article insère, dans la loi, un nouvel article 76
décrivant les conditions dans lesquelles les établisse-
ments de monnaie électronique sont autorisés à exercer
leurs activités par l’intermédiaire de personnes agissant
pour leur compte.
Selon les activités envisagées par ces intermédiaires,
il convient de parler de distributeurs ou d’agents. Les
paragraphes 1er et 2 de l’article 76 sont consacrés aux
Zo kan de Bank onder meer nagaan, na een fusie, of
de instelling voor elektronisch geld nog steeds voldoet
aan de vergunningsvoorwaarden. Zoniet moet de Bank
zich kunnen verzetten tegen de fusie.
Art. 48
Dit artikel voegt in de wet een nieuw artikel 75 in,
dat de procedure bevat die de instellingen voor elektro-
nisch geld moeten volgen wanneer zij voornemens zijn
elektronisch geld uit te geven in een andere lidstaat
van de EER, hetzij via de vestiging van een bijkantoor,
hetzij in het kader van het vrij verrichten van diensten.
Artikel 75, derde lid, biedt aan de Bank de mogelijk-
heid om zich te verzetten tegen de opening van een
bijkantoor in een andere lidstaat van de EER, indien
zij van oordeel is dat dit project nadelige gevolgen kan
hebben op de organisatie, de fi nanciële positie of het
toezicht op de instelling voor elektronisch geld. Zo kan
de uitvoering van de beslissing die door een instelling
voor elektronisch geld wordt genomen om haar werk-
zaamheden in het buitenland uit te oefenen en daar een
bijkantoor te openen, tot gevolg hebben dat de instelling
niet langer voldoet aan de vergunningsvoorwaarden. In
een dergelijk geval moet de Bank maatregelen kunnen
nemen ten aanzien van deze instelling. In plaats van
de vergunning van de betrokken instelling in te trekken
indien zij niet langer voldoet aan de vergunningsvoor-
waarden, kan de Bank zich verzetten tegen de opening
van het bijkantoor. Deze regeling is vergelijkbaar met
deze die in andere fi nanciële wetteksten voorkomt, en
met name met de regeling waarin voorzien is voor ver-
gelijkbare projecten van betalingsinstellingen.
Dit artikel zorgt voor de gedeeltelijke omzetting van
artikel 3 (1) van de Richtlijn (dat voorziet in de overeen-
komstige toepassing van artikel 25 (1) van Richtlijn
2007/64/EG).
Art. 49
Dit artikel voegt in de wet een nieuw artikel 76 in, dat
de voorwaarden bevat waaronder de instellingen voor
elektronisch geld hun werkzaamheden mogen verrich-
ten via tussenpersonen die voor hun rekening handelen.
Deze tussenpersonen worden distributeurs of agen-
ten genoemd, naargelang van de werkzaamheden die zij
verrichten. De paragrafen 1 en 2 van artikel 76 betreffen
DOC 53 2432/001
35
2431/001
DOC 53
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 3 e L É G I S L A T U R E
K AMER 3e Z ITTING VAN DE 53e Z ITTING S P E RIO DE
2011
2012
distributeurs. La directive n’utilise pas cette notion de
distributeur et ne fait référence qu’à des personnes
physiques et morales agissant pour le compte d’un
établissement de monnaie électronique. Par souci
de clarté, et afi n de clairement distinguer cette notion
de celle d’un agent au sens de la directive, l’article 4,
36° de la loi défi nit la notion de distributeur, comme
étant une personne physique ou morale qui distribue
et/ou rembourse de la monnaie électronique pour le
compte d’un établissement de monnaie électronique.
D’un point de vue juridique, les distributeurs sont des
intermédiaires, indépendamment de la qualifi cation juri-
dique des relations contractuelles entre un distributeur
et l’établissement de monnaie électronique concerné.
Rien n’interdit donc que ces personnes soient liées par
un contrat d’agence commerciale, au sens de la loi du
13 avril 1995 relative au contrat d’agence commerciale.
Le paragraphe 1er de l’article 76 prévoit que les éta-
blissements de monnaie électronique sont autorisés à
distribuer de la monnaie électronique par l’intermédiaire
de distributeurs. La notion de distribution de monnaie
électronique ne doit pas être confondue avec celle
d’émission de monnaie électronique et les distributeurs
ne sont pas considérés comme étant des émetteurs de
monnaie électronique. La distribution de monnaie élec-
tronique vise principalement la vente ou la revente de
produits de monnaie électronique, ainsi que l’éventuel
rechargement de ces produits. Ces distributeurs sont
également autorisés à procéder, pour le compte de
l’établissement de monnaie électronique, au rembour-
sement de la monnaie électronique, conformément à
l’article 58/2 de la loi du 10 décembre 2009 relative
aux services de paiement, même si la responsabilité
afférente à cette obligation de remboursement repose
sur les établissements de monnaie électronique, en
tant qu’émetteurs.
Le recours à des distributeurs n’est subordonné à
aucune condition ou procédure spécifi que, au contraire
du recours à des agents pour l’exercice d’une activité
de prestation de services de paiement (cf. infra). Toute-
fois, conformément à l’article 62, 7° de la loi (inséré par
l’article 33 du projet de loi), la demande d’agrément en
qualité d’établissement de monnaie électronique doit
mentionner une description de l’organisation structu-
relle du demandeur, en ce compris, le cas échéant,
une description du projet de recours non seulement à
des succursales ou des agents, mais également à des
distributeurs. La Banque doit donc, à tout le moins être
informée de l’intention de l’établissement de monnaie
électronique d’avoir recours à des distributeurs, et dans
quelle proportion, ainsi que des modifi cations qui y
sont relatives. En outre, si la Banque devait considérer
que le recours à des distributeurs serait préjudiciable
au regard du besoin de garantir une gestion saine et
de distributeurs. In de Richtlijn komt het begrip “distribu-
teur” niet voor. Daar is enkel sprake van “natuurlijke en
rechtspersonen die namens een instelling voor elektro-
nisch geld optreden”. Voor de duidelijkheid en om een
duidelijk onderscheid te maken tussen dit begrip en het
begrip “agent” in de zin van de Richtlijn, wordt het begrip
“distributeur” in artikel 4, 36° van de wet gedefi nieerd als
een natuurlijke of rechtspersoon die voor rekening van
een instelling voor elektronisch geld elektronisch geld
overmaakt en/of terugbetaalt. Vanuit juridisch oogpunt
zijn distributeurs tussenpersonen, ongeacht de juridi-
sche kwalifi catie van de contractuele relatie tussen een
distributeur en de betrokken instelling voor elektronisch
geld. Niets belet dus dat deze personen gebonden
worden door een handelsagentuurovereenkomst, zoals
gedefi nieerd in de wet van 13 april 1995 betreffende de
handelsagentuurovereenkomst.
Volgens paragraaf 1 van artikel 76 mogen instellingen
voor elektronisch geld elektronisch geld overmaken
via distributeurs. Het overmaken van elektronisch geld
mag niet verward worden met de uitgifte van elektro-
nisch geld en distributeurs worden niet beschouwd als
uitgevers van elektronisch geld. Met “overmaken van
elektronisch geld” wordt voornamelijk de verkoop of
herverkoop van elektronischgeldproducten bedoeld,
evenals de eventuele heroplading van deze producten.
Deze distributeurs mogen ook elektronisch geld terug-
betalen namens de instelling voor elektronisch geld,
conform artikel 58/2 van de wet van 10 december 2009
betreffende de betalingsdiensten, ook wanneer de
aansprakelijkheid voor die verplichting tot terugbetaling
bij de instellingen voor elektronisch geld ligt, in hun
hoedanigheid van uitgever.
Om een beroep te kunnen doen op distributeurs,
moet de instelling voor elektronisch geld geen speci-
fi eke voorwaarden vervullen of specifi eke procedure
volgen, in tegenstelling tot wanneer zij een beroep doet
op agenten voor betalingsdiensten(zie verder). Conform
artikel 62, 7° van de wet (ingevoegd bij artikel 33 van
het wetsontwerp), moet in de aanvraag van een ver-
gunning als instelling voor elektronisch geld echter wel
een beschrijving worden gegeven van de structurele
organisatie van de aanvrager, in voorkomend geval met
een beschrijving van het voornemen om een beroep te
doen op bijkantoren of agenten, of op distributeurs. De
Bank moet minstens op de hoogte worden gebracht van
het voornemen van de instelling voor elektronisch geld
om een beroep te doen op distributeurs, en van de mate
waarin zij van plan is dit te doen, evenals van eventuele
wijzigingen in dit verband. Indien de Bank van oordeel
is dat het gebruik van distributeurs nadelig is, gelet op
DOC 53 2432/001
36
2431/001
DOC 53
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 3 e L É G I S L A T U R E
K AMER 3e Z ITTING VAN DE 53e Z ITTING S P E RIO DE
2011
2012
prudente de l’établissement, elle pourrait assortir l’agré-
ment de l’établissement de monnaie électronique de
certaines conditions, dont celle de ne pas faire appel à
des distributeurs, ou de prévoir certains aménagements
(comme limiter le nombre de ces distributeurs ou limiter
leur mandat).
Les distributeurs ne doivent pas être enregistrés,
comme le sont les agents d’établissements de paie-
ment, et leur identité n’apparaît pas sur la liste des
établissements de monnaie électronique tenue par la
Banque.
Le paragraphe 2 de l’article 76 précise que, moyen-
nant le respect de la procédure de notifi cation prévue
pour l’ouverture d’une succursale dans un autre État
membre de l’EEE ou pour l’exercice de son activité en
libre prestation de services, un établissement de mon-
naie électronique est autorisé à distribuer de la monnaie
électronique dans un autre État membre de l’EEE par
l’intermédiaire de distributeurs. Ce paragraphe trans-
pose littéralement l’article 3 (4) (deuxième phrase) de la
directive qui ne vise que la distribution de monnaie élec-
tronique dans un autre État membre de l’EEE. Dès lors
que, selon la Commission européenne, le Considérant
(10) de la directive ne fait pas de différence entre la distri-
bution et le remboursement de la monnaie électronique
par l’intermédiaire de distributeurs, la Commission,
dans le cadre des travaux du groupe de transposition
de la directive a fait valoir le point de vue selon lequel
les établissements de monnaie électronique étaient
également autorisés à procéder au remboursement de
la monnaie électronique dans un autre État membre de
l’EEE par l’intermédiaire de distributeurs.
Le paragraphe 3 de l’article 76 est consacré aux
agents des établissements de monnaie électronique,
c’est à dire aux intermédiaires auxquels peuvent recourir
les établissements de monnaie électronique, non pas
pour distribuer ou rembourser de la monnaie électro-
nique, mais pour prester des services de paiement.
Dans ce cas, la disposition précise que les conditions
de l’article 20 de la loi s’appliquent, ce qui signifi e que
l’établissement concerné doit préalablement communi-
quer à la Banque les renseignements relatifs à l’agent
mentionnés à l’article 20, § 1er, alinéa 2 de la loi, et que
ces agents doivent être inscrits sur une liste tenue à cet
effet par la Banque (cf. article 64 de la loi, inséré par
l’article 35 du présent projet).
Les établissements de monnaie électronique ne sont
en aucun cas autorisés à émettre de la monnaie électro-
nique par l’intermédiaire d’une personne agissant pour
leur compte, que cela soit une personne répondant aux
défi nitions de distributeur ou d’agent.
de noodzaak van een gezond en voorzichtig beleid van
de instelling, kan zij aan de vergunning van de instelling
voor elektronisch geld bepaalde voorwaarden verbin-
den. Zo kan zij verlangen dat de instelling geen beroep
doet op distributeurs of kan zij bepaalde aanpassingen
eisen (zoals het beperken van het aantal distributeurs
of het beperken van hun mandaat).
In tegenstelling tot de agenten van betalingsinstellin-
gen moeten de distributeurs niet geregistreerd worden.
Hun identiteitsgegevens worden ook niet opgenomen
in de lijst van de instellingen voor elektronisch geld die
door de Bank wordt bijgehouden.
Paragraaf 2 van artikel 76 bepaalt dat instellingen
voor elektronisch geld in een andere lidstaat van de EER
elektronisch geld mogen overmaken via distributeurs,
mits zij de kennisgevingsprocedure in acht nemen die
gevolgd moet worden bij het openen van een bijkantoor
in een andere lidstaat van de EER of voor de uitoe-
fening van hun werkzaamheden in het kader van het
vrij verrichten van diensten. Deze paragraaf vormt de
letterlijke omzetting van artikel 3 (4) (tweede zin) van de
Richtlijn, dat enkel betrekking heeft op de overmaking
van elektronisch geld in een andere lidstaat van de EER.
Aangezien er volgens de Europese Commissie in de
tiende overweging van de Richtlijn geen onderscheid
wordt gemaakt tussen de overmaking en de terugbeta-
ling van elektronisch geld via distributeurs, heeft zij er
in het kader van de werkzaamheden van de werkgroep
voor de omzetting van de Richtlijn op gewezen dat
instellingen voor elektronisch geld ook in een andere
lidstaat van de EER elektronisch geld mogen overmaken
via distributeurs.
Paragraaf 3 van artikel 76 betreft de agenten van
instellingen voor elektronisch geld, d.w.z. de tussenper-
sonen waarop de instellingen voor elektronisch geld een
beroep kunnen doen, niet om elektronisch geld over te
maken of terug te betalen, maar om betalingsdiensten
te verrichten. In deze paragraaf wordt bepaald dat de
voorwaarden van artikel 20 van de wet van toepassing
zijn, wat betekent dat de betrokken instelling voorafgaan-
delijk aan de Bank de gegevens moet bezorgen van de
agent, als bedoeld in artikel 20 § 1, tweede lid van de
wet en dat deze agenten moeten worden ingeschreven
op een lijst die daartoe wordt bijgehouden door de Bank
(zie artikel 64 van de wet, ingevoegd bij artikel 35 van
de voorliggende ontwerptekst).
Een instelling voor elektronisch geld mag in geen
geval elektronisch geld uitgeven via een persoon die
namens haar optreedt, ook al beantwoordt deze persoon
aan de defi nitie van distributeur of agent.
DOC 53 2432/001
37
2431/001
DOC 53
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 3 e L É G I S L A T U R E
K AMER 3e Z ITTING VAN DE 53e Z ITTING S P E RIO DE
2011
2012
Le paragraphe 4 de l’article 76 précise que les établis-
sements de monnaie électronique restent entièrement
responsables des actes posés par leurs distributeurs
ou leurs agents. Par analogie avec le régime applicable
aux agents d’établissements de paiement, la Banque
n’exerce pas de contrôle prudentiel sur les agents
ou les distributeurs des établissements de monnaie
électronique. Si le comportement d’un agent ou d’un
distributeur appelle des observations, la Banque traitera
cette question directement avec l’établissement de
monnaie électronique, sans préjudice de la possibilité
pour la Banque de prendre des mesures à l’égard de
l’agent en application des dispositions de l’article 87,
§ 3, et des dispositions de la loi du 22 février 1998 fi xant
le statut organique de la Banque nationale de Belgique.
L’article 76 transpose les articles 3 (4) et (5) de la
directive, ainsi que l’article 18 (2) de la directive 2007/64/
CE, applicable mutatis mutandis aux établissements
de monnaie électronique en vertu de l’article 3 (1) de
la directive.
Art. 50
Cet article insère, dans la loi, un nouvel article 77 qui
règle les activités que les établissements de monnaie
électronique peuvent cumuler avec l’activité d’émission
de monnaie électronique.
L’article 77, § 1er prévoit que les établissements de
monnaie électronique ne peuvent exercer des activi-
tés commerciales autres que l’émission de monnaie
électronique qu’avec l’autorisation préalable de la
Banque et aux conditions posées par cette dernière.
De manière similaire avec les établissements de paie-
ment, la directive ne soumet pas les établissements
de monnaie électronique au principe de spécialité, et
autorise ces établissements à exercer d’autres activités
commerciales que l’émission de monnaie électronique,
même en dehors du secteur fi nancier (établissements
dits “hybrides”). Ces structures hybrides impliquent
toutefois des risques spécifi ques pour les détenteurs
de monnaie électronique, de sorte que la Banque doit
être en mesure de pouvoir imposer certaines conditions
à respecter, visant, par exemple à cloisonner cette
activité par rapport à l’activité de services de paiement
sur laquelle porte uniquement le contrôle de la Banque.
Ainsi, la Banque appréhendera la maîtrise des risques
au niveau de la gestion de l’établissement de monnaie
électronique en vérifi ant le statut de contrôle auquel
cette activité commerciale autre que l’émission de
monnaie électronique ou les activités visées au para-
graphe 2 pourrait être soumise et en imposant, le cas
échéant, des conditions supplémentaires à respecter
Paragraaf 4 van artikel 76 bepaalt dat instellingen
voor elektronisch geld volledig verantwoordelijk zijn voor
de handelingen die door hun distributeurs of agenten
worden gesteld. Naar analogie met de regeling voor
agenten van betalingsinstellingen, oefent de Bank
geen prudentieel toezicht uit op agenten of distribu-
teurs van instellingen voor elektronisch geld. Indien
het gedrag van een agent of een distributeur aanleiding
geeft tot opmerkingen, behandelt de Bank deze zaak
rechtstreeks met de instelling voor elektronisch geld,
zonder afbreuk te doen aan de mogelijkheid voor de
Bank om maatregelen te nemen ten aanzien van de
agent op grond van de bepalingen van artikel 87, § 3,
en de bepalingen van de wet van 22 februari 1998 tot
vaststelling van het organiek statuut van de Nationale
Bank van België.
Artikel 76 voorziet in de omzetting van de artikelen
3 (4) en (5) van de Richtlijn, evenals van artikel 18 (2)
van Richtlijn 2007/64/EG, dat van overeenkomstige
toepassing is op de instellingen voor elektronisch geld
krachtens artikel 3 (1) van de Richtlijn.
Art. 50
Dit artikel voegt in de wet een nieuw artikel 77 in,
dat bepaalt welke werkzaamheden de instellingen voor
elektronisch geld mogen uitoefenen naast de uitgifte
van elektronisch geld.
Artikel 77, § 1 bepaalt dat de instellingen voor elek-
tronisch geld geen andere bedrijfswerkzaamheden dan
de uitgifte van elektronisch geld mogen uitoefenen,
tenzij ze daarvoor de voorafgaande goedkeuring heb-
ben verkregen van de Bank, en mits zij voldoen aan
de door de Bank opgelegde voorwaarden. Noch de
betalingsinstellingen noch de instellingen voor elek-
tronisch geld zijn volgens de Richtlijn onderworpen
aan het specialiteitsbeginsel. Deze instellingen mogen
andere bedrijfswerkzaamheden uitoefenen dan de
uitgifte van elektronisch geld, zelfs buiten de fi nanci-
ele sector (zogenaamde “hybride” instellingen). Deze
hybride structuren houden soms specifi eke risico’s in
voor de houders van elektronisch geld, waardoor de
Bank bepaalde voorwaarden moet kunnen opleggen,
die bijvoorbeeld tot doel hebben deze werkzaamheid
af te scheiden van de betalingsdienstactiviteit, die de
enige werkzaamheid is waarop de Bank toezicht houdt.
aanvullende voorwaarden moet kunnen opleggen voor
de uitoefening van die werkzaamheden. Zo zal de Bank
de risicobeheersing beoordelen op het niveau van het
beleid van de instelling voor elektronisch geld, door
na te gaan welk toezichtsstatuut deze andere bedrijfs-
werkzaamheden dan de uitgifte van elektronisch geld of
dan de werkzaamheden bedoeld in paragraaf 2 zouden
DOC 53 2432/001
38
2431/001
DOC 53
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 3 e L É G I S L A T U R E
K AMER 3e Z ITTING VAN DE 53e Z ITTING S P E RIO DE
2011
2012
dans le cadre de cette activité si elle le juge nécessaire
pour les besoins du contrôle prudentiel de l’établisse-
ment de monnaie électronique.
Le paragraphe 1er, alinéa 2, prévoit que la Banque
peut en outre exiger que l’activité d’émission de mon-
naie électronique soit logée dans une entité distincte
de l’entité exerçant d’autres activités commerciales. Si
l’établissement de monnaie électronique fournit égale-
ment des services de paiement, ceux-ci seront fournis
par l’entité chargée de l’activité d’émission de monnaie
électronique.
Ce paragraphe transpose l’article 10 (5) de la directive
2007/64/CE applicable mutatis mutandis aux établisse-
ments de monnaie électronique en vertu de l’article 3 (1)
de la directive.
Outre l’autorisation de la Banque, l’établissement de
monnaie électronique qui souhaite exercer d’autres acti-
vités commerciales pourra également, le cas échéant,
devoir obtenir une autre autorisation liée à l’activité
envisagée, en vertu de règles spécifi ques régissant
éventuellement l’accès de la profession.
En outre, malgré l’obligation d’obtenir une telle
autorisation préalable de la Banque, les autres activités
commerciales exercées par les établissements hybrides
ne relèvent pas de la mission de contrôle prudentiel de
la Banque, sauf disposition contraire expresse de la loi
ou d’une autre législation. L’article 81, paragraphe 4
de la loi (inséré par l’article 55 du projet de loi) rap-
pelle cette règle. En effet, ces autres activités com-
merciales sont régies par les réglementations qui leur
sont applicables et qui défi nissent les règles d’accès à
l’activité ainsi que les éventuelles règles relatives aux
exigences en matière de solvabilité et de liquidité. Ces
règles s’appliquent ainsi de manière complémentaire
aux exigences découlant du statut d’établissement de
monnaie électronique.
L’article 77, § 2 prévoit que les établissements de
monnaie électronique peuvent d’office (c.-à-d sans
autorisation préalable de la Banque) exercer les activités
suivantes: 1° la prestation de services de paiement, 2°
la prestation de services opérationnels et de services
auxiliaires étroitement liés à l’émission de monnaie
électronique ou à la prestation de services de paiement
et 3° la gestion de systèmes de paiement au sens de
l’article 4, 5° de la loi.
kunnen hebben en door in voorkomend geval aanvul-
lende voorwaarden op te leggen die in het kader van
die werkzaamheden moeten worden nageleefd, indien
zij dit noodzakelijk acht voor het prudentieel toezicht op
de instelling voor elektronisch geld.
Paragraaf 1, tweede lid bepaalt dat de Bank boven-
dien kan eisen dat de activiteit van uitgifte van elektro-
nisch geld wordt ondergebracht in een entiteit die loss-
taat van de entiteit die andere bedrijfswerkzaamheden
uitoefent. Indien de instelling voor elektronisch geld ook
betalingsdiensten aanbiedt, moeten deze diensten wor-
den verstrekt door de entiteit die instaat voor de uitgifte
van elektronisch geld.
Deze paragraaf zorgt voor de omzetting van arti-
kel 10 (5) van Richtlijn 2007/64/EG, dat van overeen-
komstige toepassing is op de instellingen voor elektro-
nisch geld krachtens artikel 3 (1) van de Richtlijn.
In voorkomend geval dient de instelling voor elektro-
nisch die andere bedrijfswerkzaamheden wenst uit te
oefenen, behalve de toestemming van de Bank ook
een andere toelating te verkrijgen voor de voorgeno-
men werkzaamheid, op grond van specifi eke regels
die eventueel gelden voor de toegang tot het beroep.
Ondanks de verplichting om een dergelijke voo-
rafgaande toestemming van de Bank te verkrijgen,
vallen de andere bedrijfswerkzaamheden die door
hybride instellingen worden uitgeoefend, niet onder het
prudentieel toezicht van de Bank, tenzij uitdrukkelijk
anders is bepaald in de wet of in andere wetteksten.
Deze regel is opgenomen in artikel 81, paragraaf 4 van
de wet (ingevoegd bij artikel 55 van het wetsontwerp).
Die andere bedrijfswerkzaamheden worden namelijk
geregeld door de regelgeving die op hen van toepassing
is en die de regels bevat voor de toegang tot de activiteit
van uitgifte van elektronisch geld evenals de eventuele
regels met betrekking tot de solvabiliteits- en liquiditeit-
svereisten. Deze regels vormen aldus een aanvulling op
de vereisten die voortvloeien uit het statuut van instelling
voor elektronisch geld.
Artikel 77, § 2 bepaalt dat instellingen voor elektro-
nisch geld automatisch (dus zonder voorafgaande toe-
stemming van de Bank) de volgende werkzaamheden
mogen uitoefenen: 1° het verrichten van betalingsdien-
sten, 2° het verrichten van operationele diensten en
nevendiensten die nauw samenhangen met de uitgifte
van elektronisch geld of het verlenen van betalingsdien-
sten en 3° het exploiteren van betalingssystemen in de
zin van artikel 4, 5° van de wet.
DOC 53 2432/001
39
2431/001
DOC 53
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 3 e L É G I S L A T U R E
K AMER 3e Z ITTING VAN DE 53e Z ITTING S P E RIO DE
2011
2012
L’article 77, § 3 autorise les établissements de mon-
naie électronique qui fournissent certains services
de paiement à octroyer un crédit lié à ces services, à
condition de respecter les conditions de l’article 77, § 3
de la loi. Ces établissements de monnaie électronique
devront notamment respecter la législation en vigueur
en matière de crédit à la consommation.
Notons que la Banque ne contrôle donc pas l’activité
de crédit exercée par l’établissement de monnaie élec-
tronique, sauf dans les limites suivantes:
— en cas d’octroi de crédits liés aux services de
paiement, la Banque veille à ce que les fonds propres
de l’établissement de monnaie électronique soient à
tout moment appropriés au regard du montant total du
crédit octroyé, lié aux services de paiement (article 77,
§ 3 renvoyant à l’article 21, § 3 de la loi);
— en cas d’octroi de crédits non liés à des services
de paiement, la Banque peut, dans un optique de maî-
trise des risques et pour les besoins de l’encadrement
prudentiel de l’établissement de monnaie électronique,
imposer à l’établissement de monnaie électronique
certaines conditions à respecter, conformément à
l’article 77, § 1er, deuxième alinéa de la loi. Pour ce
faire, la Banque tient compte des règles prévues dans la
réglementation spécifi que le cas échéant applicable, qui
s’appliqueraient de manière additionnelle aux exigences
découlant du statut d’établissement de monnaie élec-
tronique. Ainsi, si la réglementation applicable prévoit
des exigences en matière de solvabilité et de liquidité,
ces règles s’appliqueront de manière autonome et leur
respect sera contrôlé par l’autorité compétente pour la
matière concernée et non par la Banque.
En outre, ces crédits ne pourront pas être octroyés sur
la base des fonds reçus en contrepartie de la monnaie
électronique, qui font par ailleurs l’objet d’une protection
particulière conformément à l’article 78 de la loi.
Il va de soi que les établissements de monnaie élec-
tronique ne sont pas autorisés à recevoir des dépôts
d’argent ou d’autres fonds remboursables, activité
réservée aux seuls établissements de crédit visés à
l’article 1er de la loi bancaire. L’article 77, § 4 le rappelle
toutefois à toutes fi ns utiles. L’interdiction d’exercer une
telle activité a pour corollaire une obligation d’échanger
sans délai les fonds reçus des détenteurs de monnaie
électronique, contre de la monnaie électronique. À
défaut de les échanger sans délai, la réception de ces
fonds sera susceptible d’être assimilée à une réception
illicite de dépôts ou d’autres fonds remboursables, ce
Volgens artikel 77, § 3 mogen instellingen voor
elektronisch geld die bepaalde betalingsdiensten
aanbieden, een met die diensten verbonden krediet
verlenen, mits zij voldoen aan de voorwaarden van
artikel 77, § 3 van de wet. Deze instellingen voor elektro-
nisch geld moeten met name de wetgeving inzake het
consumentenkrediet naleven.
De Bank houdt dus geen toezicht op de kredietverle-
ningsactiviteit van de instelling voor elektronisch geld,
tenzij binnen de volgende grenzen:
— indien de instelling voor elektronisch geld kredieten
verleent in verband met betalingsdiensten, ziet de Bank
erop toe dat het eigen vermogen van deze instelling
te allen tijde in redelijke verhouding staat tot het totale
bedrag van het krediet dat in verband met betalings-
diensten werd verleend (artikel 77, § 3, waarin verwezen
wordt naar artikel 21, § 3 van de wet);
— indien de instelling voor elektronisch geld kredieten
verleent die geen verband houden met betalingsdiens-
ten, kan de Bank, in het kader van de risicobeheersing
en rekening houdend met de vereiste van prudentieel
toezicht op deze instelling, bepaalde voorwaarden
opleggen aan de instelling voor elektronisch geld die
moeten worden nageleefd, conform artikel 77, § 1,
tweede lid van de wet. Daarbij houdt de Bank rekening
met de regels van de specifi eke regelgeving die in
voorkomend geval van toepassing is, die een aanvulling
zouden vormen op de vereisten die voortvloeien uit het
statuut van instelling voor elektronisch geld. Indien de
toepasselijke regelgeving dus voorziet in solvabiliteits-
en liquiditeitsvereisten, zullen deze regels op autonome
basis van toepassing zijn en zal het toezicht op de nale-
ving ervan worden uitgeoefend door de voor de betrok-
ken materie bevoegde autoriteit en niet door de Bank.
Bovendien mogen deze kredieten niet worden ver-
leend met de geldmiddelen die in ruil voor het elektro-
nisch geld worden ontvangen, die overigens ook een
bijzondere bescherming genieten conform artikel 78
van de wet.
Het spreekt voor zich dat instellingen voor elektro-
nisch geld geen gelddeposito’s of andere terugbetaal-
bare gelden mogen ontvangen en dat deze activiteit
enkel mag worden uitgeoefend door de kredietinstel-
lingen bedoeld in artikel 1 van de bankwet. Artikel 77,
§ 4 herinnert hieraan, voor zover nodig. Dit verbod heeft
als logisch gevolg dat instellingen voor elektronisch geld
verplicht zijn de geldmiddelen die zij van houders van
elektronisch geld ontvangen, onmiddellijk te wisselen
voor elektronisch geld. Indien de betrokken geldmid-
delen niet onmiddellijk worden gewisseld, kan het in
ontvangst nemen van die geldmiddelen gelijkgesteld
DOC 53 2432/001
40
2431/001
DOC 53
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 3 e L É G I S L A T U R E
K AMER 3e Z ITTING VAN DE 53e Z ITTING S P E RIO DE
2011
2012
qui constitue une infraction à l’article 68bis de la loi du
16 juin 2006 relative aux offres publiques d’instruments
de placement et aux admissions d’instruments de pla-
cement à la négociation sur des marchés réglementés.
Cette infraction est en outre sanctionnée pénalement en
vertu de l’article 69, 2°bis de cette même loi.
L’article 77, § 7, prévoit que les établissements de
monnaie électronique ne peuvent en principe pas déte-
nir des participations dans des sociétés commerciales,
sauf celles actives dans le domaine de l’émission de
monnaie électronique ou des services de paiement.
Pour détenir des participations dans d’autres sociétés
commerciales, l’établissement de monnaie électronique
peut toutefois demander une autorisation de la Banque,
et ce conformément à ce que prévoit l’article 77, § 1er,
alinéa 2 de la loi.
Cet article transpose l’article 6 de la directive.
Art. 51
Cet article insère un nouvel article 78 dans la loi,
contenant des règles de protection des fonds reçus par
les établissements de monnaie électronique en échange
de l’émission de la monnaie électronique.
Vu l’application des dispositions de la directive
2007/64/CE en la matière, les principes de protection
des fonds contenus dans l’article 78 sont similaires à
ceux qui s’appliquent aux fonds détenus par les éta-
blissements de paiement en vertu de l’article 22 de la
loi. Tous les établissements de monnaie électronique
doivent respecter ces principes, en ce compris les
établissements n’exerçant pas d’autres activités que
l’émission de monnaie électronique.
Un premier régime, fi gurant à l’article 78, § 1er, a) et b)
et § 4, prévoit, d’une part une séparation comptable et
organisationnelle suffisante par rapport aux fonds reçus
en échange de l’émission de la monnaie électronique,
et d’autre part l’obligation de placer ces fonds dans des
actifs à faible risque et sûrs, conformément à ce que
prévoit l’article 9 (1) a) de la directive 2007/64/CE. Au
contraire de la directive 2007/64/CE, la directive défi nit
ce qu’il y a lieu d’entendre par la notion d’actifs à faible
risque et sûrs, par référence à la directive 2006/49/CE
du Parlement européen et du Conseil du 14 juin 2006
sur l’adéquation des fonds propres des entreprises
d’investissement et des établissements de crédit. En
dehors des dépôts effectués auprès d’entités ayant la
worden met het ongeoorloofd in ontvangst nemen
van gelddeposito’s of andere terugbetaalbare gelden,
waarmee een inbreuk wordt gepleegd op artikel 68bis
van de wet van 16 juni 2006 op de openbare aanbie-
ding van beleggingsinstrumenten en de toelating van
beleggingsinstrumenten tot de verhandeling op een
gereglementeerde markt. Op deze inbreuk staan bo-
vendien strafrechtelijke sancties krachtens artikel 69,
2°bis van dezelfde wet.
Artikel 77, § 7 bepaalt dat instellingen voor elektro-
nisch geld in principe geen deelnemingen mogen bezit-
ten in handelsvennootschappen, met uitzondering van
deze die elektronisch geld uitgeven of betalingsdiensten
verrichten. Om deelnemingen te mogen aanhouden in
andere handelsvennootschappen, kan de instelling voor
elektronisch geld echter de toestemming van de Bank
vragen, conform het bepaalde in artikel 77, § 1, tweede
lid van de wet.
Dit artikel voorziet in de omzetting van artikel 6 van
de Richtlijn.
Art. 51
Dit artikel voegt in de wet een nieuw artikel 78 in, dat
regels bevat voor de bescherming van de geldmiddelen
die de instellingen voor elektronisch geld ontvangen in
ruil voor de uitgifte van elektronisch geld.
Gelet op de ter zake geldende bepalingen van Richt-
lijn 2007/64/EG, zijn de beginselen inzake de bescher-
ming van geldmiddelen die in artikel 78 zijn opgenomen,
vergelijkbaar met die welke van toepassing zijn voor
de geldmiddelen die door betalingsinstellingen worden
aangehouden met toepassing van artikel 22 van de wet.
Alle instellingen voor elektronisch geld, ook deze die
geen andere werkzaamheden verrichten dan de uitgifte
van elektronisch geld, moeten deze beginselen naleven.
De eerste regeling, die opgenomen is in artikel 78,
§ 1, a) en b) en § 4, voorziet enerzijds in een passende
boekhoudkundige en organisatorische scheiding ten
opzichte van de geldmiddelen die in ruil voor de uitgifte
van elektronisch geld zijn ontvangen, en anderzijds in de
verplichting om die geldmiddelen te beleggen in veilige
activa met een lage risicograad, conform het bepaalde
bij artikel 9 (1) a) van Richtlijn 2007/64/EG. In tegenstel-
ling tot Richtlijn 2007/64/EG, verwijst de Richtlijn voor
de defi nitie van het begrip “veilige activa met een lage
risicograad” naar Richtlijn 2006/49/EG van het Europees
Parlement en de Raad van 14 juni 2006 inzake de kapi-
taaltoereikendheid van beleggingsondernemingen en
kredietinstellingen. Afgezien van de deposito’s die ver-
DOC 53 2432/001
41
2431/001
DOC 53
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 3 e L É G I S L A T U R E
K AMER 3e Z ITTING VAN DE 53e Z ITTING S P E RIO DE
2011
2012
qualité d’établissements de crédit, la Banque défi nit, par
voie de règlement, ce qu’il y a lieu d’entendre par actifs
à faible risque et sûrs. L’habilitation couvre également
la possibilité pour la Banque, conformément à ce que
prévoit l’article 7.2. de la directive, de préciser dans son
règlement lesquels de ces actifs ne constituent pas des
actifs à faible risque et sûrs. Par ailleurs, les détenteurs
de monnaie électronique bénéfi cient, dans le cadre de
ce premier régime de protection, en cas d’insolvabilité
de l’établissement de monnaie électronique, d’un pri-
vilège sur ces fonds.
Un deuxième régime alternatif, fi gurant à l’article 78,
§ 1er, c) prévoit la possibilité de conclure une assurance
ou d’obtenir une garantie ou une caution auprès d’une
entreprise d’assurances ou d’un établissement de
crédit, conformément aux modalités déterminées dans
cet article.
Une autre particularité du régime de protection
des fonds reçus par les établissements de monnaie
électronique par rapport au régime applicable aux
établissements de paiement réside à l’article 78, § 1er,
alinéa 4. Cette disposition transpose la deuxième partie
de l’article 7 (1) de la directive, en prévoyant que dans
l’hypothèse où la monnaie électronique est acquise
par le moyen d’un instrument de paiement, les méca-
nismes de protection de fonds décrits à l’article 78 ne
s’appliquent que lorsque l’établissement de monnaie
électronique entre effectivement en possession des
fonds, c’est à dire lorsque ces fonds sont portés au crédit
du compte de l’établissement, ou mis à sa disposition
par tout autre moyen. L’article 7 (1) de la directive pré-
voit cette règle particulière pour les fonds reçus sous
forme de paiement par un instrument de paiement.
Dans le cadre des travaux du groupe de transposition
de la directive, la Commission a toutefois fait valoir qu’il
convenait d’interpréter les termes instrument de paie-
ment comme visant tout particulièrement les cartes de
crédit, à l’exclusion des autres instruments de paiement
répondant à la défi nition de l’article 4, 22) de la directive
2007/64/CE.
L’article 78, § 2 prévoit que lorsqu’une partie des
fonds reçus en échange de la monnaie électronique
émise est destinée à être affectée (ou est susceptible
de l’être) à d’autres activités que l’émission de monnaie
électronique, le régime spécial de protection ne s’ap-
plique qu’à la partie des fonds destinée à être utilisée
en vue de l’émission de monnaie électronique. Lorsque
cette partie est variable ou ne peut être déterminée à
l’avance, elle peut être calculée sur base d’estimations.
Cette règle vise les établissements hybrides, tels que les
opérateurs en téléphonie ou les sociétés de grande dis-
tribution dont les instruments émis et prépayés sont sus-
ceptibles d’être utilisés à d’autres fi ns que des fi ns de
richt worden bij entiteiten die de hoedanigheid hebben
van kredietinstelling, bepaalt de Bank bij reglement wat
verstaan moet worden onder “veilige activa met een lage
risicograad”. Conform het bepaalde in artikel 7.2. van de
Richtlijn, kan de Bank in haar reglement ook bepalen
welke activa geen veilige activa met een lage risicograad
zijn. In het kader van deze eerste beschermingsregeling
hebben de houders van elektronisch geld een voorrecht
op deze geldmiddelen in geval van insolventie van de
instelling voor elektronisch geld.
De tweede regeling, die beschreven wordt in
artikel 78, § 1, c), voorziet in de mogelijkheid om een
verzekering af te sluiten of een garantie of waarborg
te verkrijgen bij een verzekeringsonderneming of kre-
dietinstelling, conform de regels die in dit artikel zijn
bepaald.
Een ander punt waarop de regeling voor de bescher-
ming van de door de instellingen voor elektronisch geld
ontvangen geldmiddelen afwijkt van de regeling voor
betalingsinstellingen, is opgenomen in artikel 78, § 1,
vierde lid. Deze bepaling voorziet in de omzetting van het
tweede deel van artikel 7 (1) van de Richtlijn en bepaalt
dat wanneer het elektronisch geld wordt verworven door
middel van een betaalinstrument, de beschermingsme-
chanismen bedoeld in artikel 78 maar moeten worden
toegepast wanneer de instelling voor elektronisch geld
daadwerkelijk in het bezit komt van de geldmiddelen,
dat wil zeggen wanneer de rekening van de instelling
ermee gecrediteerd wordt of wanneer ze op een andere
manier te harer beschikking worden gesteld. Artikel 7 (1)
van de Richtlijn voorziet in deze bijzondere regel voor
de geldmiddelen die via een betaalinstrument worden
ontvangen. In het kader van de werkzaamheden van de
werkgroep voor de omzetting van de Richtlijn heeft de
Commissie er evenwel op gewezen dat “betaalinstru-
menten” vooral moet worden opgevat als kredietkaarten,
met uitzondering van de andere betaalinstrumenten die
onder de defi nitie vallen van artikel 4, 22) van Richtlijn
2007/64/EG.
Artikel 78, § 2 bepaalt dat, wanneer een gedeelte van
de geldmiddelen die in ruil voor het uitgegeven elektro-
nisch geld worden ontvangen, (mogelijkerwijs) in het
kader van andere werkzaamheden dan de uitgifte van
elektronisch geld moet worden gebruikt, de bijzondere
beschermingsregeling enkel geldt voor het gedeelte van
de geldmiddelen dat voor de uitgifte van elektronisch
geld moet worden gebruikt. Wanneer dat gedeelte va-
riabel is of niet van tevoren is gekend, kan het worden
berekend op basis van schattingen. Deze regel geldt
voor de hybride instellingen, zoals telefoonoperatoren
of grote distributiebedrijven die prepaid instrumenten
aanbieden die gebruikt kunnen worden voor andere
DOC 53 2432/001
42
2431/001
DOC 53
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 3 e L É G I S L A T U R E
K AMER 3e Z ITTING VAN DE 53e Z ITTING S P E RIO DE
2011
2012
paiement, tels que les communications téléphoniques
en ce qui concerne les cartes prépayées de téléphone.
Cette règle constitue une dérogation au principe selon
lequel tous les fonds reçus doivent être considérés
comme constitutifs de monnaie électronique, auquel
cas le régime spécial de protection devrait, dans tous
les cas, s’appliquer au montant total des fonds reçus.
L’article 78, § 5 impose aux établissements de mon-
naie électronique d’informer la Banque à l’avance de
tout changement signifi catif affectant les mesures de
protection prises à l’égard des fonds reçus. Doivent,
par exemple, être considérés comme étant des chan-
gements signifi catifs de ces mesures de protection, un
changement de la méthode de protection utilisée par
l’établissement, un changement de l’établissement de
crédit dans lequel les fonds protégés sont déposés, ou
encore un changement de l’entreprise d’assurance ou
de l’établissement de crédit qui assure ou garantit les
fonds protégés.
Enfi n, l’article 78, § 6 prévoit que les personnes char-
gées de la direction effective de l’établissement de mon-
naie électronique prennent les mesures nécessaires
pour assurer le respect des dispositions prévues aux
paragraphes 1er et 2 et doivent faire rapport à l’organe
légal d’administration, à la Banque et au commissaire.
Cet article transpose l’article 7 et 3 (2) de la directive.
Art. 52
Cet article insère, dans la loi, un article 79, lequel
prévoit que les tâches opérationnelles importantes ne
peuvent être externalisées qu’à certaines conditions
énumérées dans cet article.
Vu l’application mutatis mutandis des articles 17 (7)
et 18 (1) de la directive 2007/64/CE, cette disposition est
similaire à l’article 23 de la loi du 21 décembre 2009,
en ce qui concerne l’externalisation de tâches par les
établissements de paiement.
L’article 79 prévoit notamment que les établissements
de monnaie électronique demeurent entièrement res-
ponsables des fonctions externalisées.
Cet article transpose partiellement l’article 3(1) de la
directive (qui prévoit l’application mutatis mutandis des
articles 17 (7), 18 (1) et 18 (2) de la directive 2007/64/CE).
doeleinden dan betaling, zoals telefoongesprekken
met prepaid telefoonkaarten. Deze regel vormt een
uitzondering op het beginsel dat alle ontvangen geld-
middelen moeten worden beschouwd als elektronisch
geld, in welk geval de bijzondere beschermingsregeling
in elk geval van toepassing zou moeten zijn op het totale
bedrag van de ontvangen geldmiddelen.
Artikel 78, § 5 bepaalt dat de instellingen voor
elektronisch geld de Bank op voorhand op de hoogte
moeten brengen van alle substantiële wijzigingen in de
maatregelen die ter bescherming van de ontvangen
geldmiddelen worden genomen. Voorbeelden van sub-
stantiële wijzigingen in deze beschermingsmaatregelen
zijn aanpassingen aan de beschermingsmethode die de
instelling gebruikt, wijzigingen binnen de kredietinstel-
ling waar beschermde geldmiddelen gedeponeerd zijn
of wijzigingen binnen de verzekeringsonderneming of
kredietinstelling die de beschermde geldmiddelen ver-
zekert of waarborgt.
Tot slot bepaalt artikel 78, § 6 dat de personen die
belast zijn met de effectieve leiding van de instelling voor
elektronisch geld de nodige maatregelen moeten nemen
om de naleving te garanderen van het bepaalde bij de
paragrafen 1 en 2 en moeten het wettelijke bestuur-
sorgaan, de Bank en de commissaris erover inlichten.
Dit artikel voorziet in de omzetting van de artikelen 7
en 3 (2) van de Richtlijn.
Art. 52
Dit artikel voegt in de wet een artikel 79 in, dat bepaalt
dat belangrijke operationele taken maar kunnen worden
uitbesteed indien voldaan is aan de voorwaarden die in
dit artikel zijn opgesomd.
Gezien de overeenkomstige toepassing van de arti-
kelen 17 (7) en 18 (1) van Richtlijn 2007/64/EG, is deze
bepaling vergelijkbaar met artikel 23 van de wet van
21 december 2009, over de uitbesteding van taken door
betalingsinstellingen.
Hoofdstuk 79 bepaalt onder meer dat de instellingen
voor elektronisch geld volledig verantwoordelijk blijven
voor de uitbestede functies.
Dit artikel zorgt voor de gedeeltelijke omzetting van
artikel 3(1) van de Richtlijn (dat voorziet in de overeen-
komstige toepassing van de artikelen 17(7),18 (1) en
18 (2) van Richtlijn 2007/64/EG).
DOC 53 2432/001
43
2431/001
DOC 53
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 3 e L É G I S L A T U R E
K AMER 3e Z ITTING VAN DE 53e Z ITTING S P E RIO DE
2011
2012
Art. 53
Cet article insère, dans la loi, un nouvel article 80,
lequel règle les obligations de reporting de l’établisse-
ment de monnaie électronique à la Banque.
L’article 80 prévoit par ailleurs que le Roi peut déter-
miner les règles spécifi ques selon lesquelles les établis-
sements de monnaie électronique ou certaines catégo-
ries d’établissements de monnaie électronique doivent
tenir leur comptabilité et doivent établir et publier leurs
comptes annuels et consolidés. Les établissements de
monnaie électronique exerçant une activité fi nancière,
ils peuvent en effet être soumis, comme d’autres entre-
prises fi nancières (telles que les établissements de
crédit, les entreprises d’investissement, les entreprises
d’assurances ou les sociétés de gestion d’organismes
de placement collectif), à un droit comptable spécifi que,
dérogeant au droit comptable de droit commun.
Conformément à l’article 80, alinéa 4, la Banque
peut, au besoin, pour certaines catégories d’établisse-
ments octroyer des dérogations aux règles ainsi déter-
minées par le Roi. Un régime dérogatoire pourrait par
exemple se justifi er lorsque l’établissement de monnaie
électronique est un établissement hybride et que son
activité d’émission de monnaie électronique présente
un caractère marginal. Cet éventuel régime dérogatoire
n’exempte toutefois pas les établissements de monnaie
électronique concernés du respect de leurs obligations
de communication d’informations à la Banque ou d’éta-
blissement et de publication de comptes annuels.
Aussi longtemps que le Roi n’a pas arrêté de règles
comptables spécifi ques, les dispositions du droit comp-
table commun sont d’application aux établissements de
monnaie électronique.
Cet article transpose partiellement l’article 3 (1) de la
directive (qui prévoit l’application mutatis mutandis de
l’article 15 de la directive 2007/64/CE).
Art. 54
Cet article insère une section 4 dans le Chapitre 1er
du Titre 2 du Livre 3 de la loi consacrée au contrôle des
établissements de monnaie électronique.
Art. 53
Dit artikel voegt in de wet een nieuw artikel 80 in, over
de rapporteringsverplichtingen van de instellingen voor
elektronisch geld ten aanzien van de Bank.
Artikel 80 bepaalt ook dat de Koning kan vaststel-
len volgens welke specifi eke regels de instellingen
voor elektronisch geld of sommige categorieën van
instellingen voor elektronisch geld hun boekhouding
moeten voeren en hun jaarrekening en geconsolideerde
jaarrekening moeten opmaken en openbaar maken.
Aangezien de instellingen voor elektronisch geld een
fi nanciële activiteit uitoefenen, kunnen zij net zoals
andere fi nanciële ondernemingen (zoals kredietinstel-
lingen, beleggingsondernemingen, verzekeringsonder-
nemingen of beheervennootschappen van instellingen
voor collectieve belegging) aan een specifi ek boekhoud-
recht worden onderworpen, dat afwijkt van het gemeen
boekhoudrecht.
Conform artikel 80, vierde lid, kan de Bank, indien no-
dig, voor bepaalde categorieën van instellingen afwijkin-
gen toestaan op de door de Koning vastgestelde regels.
Een afwijkingsregeling kan bijvoorbeeld gerechtvaar-
digd zijn wanneer de instelling voor elektronisch geld
een hybride instelling is en haar activiteit van uitgifte
van elektronisch geld een marginaal karakter heeft.
Deze eventuele afwijkingsregeling doet echter niets af
aan de verplichting van de betrokken instellingen voor
elektronisch geld om inlichtingen te verstrekken aan de
Bank en om een jaarrekening op te stellen en openbaar
te maken.
Zolang de Koning geen specifi eke boekhoudkundige
regels heeft vastgesteld, zijn de bepalingen van het
gemeen boekhoudrecht van toepassing op de instel-
lingen voor elektronisch geld.
Dit artikel zorgt voor de gedeeltelijke omzetting van
artikel 3 (1) van de Richtlijn (dat voorziet in de ove-
reenkomstige toepassing van artikel 15 van Richtlijn
2007/64/EG).
Art. 54
Dit artikel voegt in Hoofdstuk 1 van Titel 2 van Boek 3
van de wet een afdeling 4 in, over het toezicht op de
instellingen voor elektronisch geld.
DOC 53 2432/001
44
2431/001
DOC 53
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 3 e L É G I S L A T U R E
K AMER 3e Z ITTING VAN DE 53e Z ITTING S P E RIO DE
2011
2012
Art. 55, 56 et 57
Ces articles insèrent, dans la loi, les articles 81, 82
et 83 qui règlent le contrôle exercé par la Banque sur
les établissements de monnaie électronique.
Les articles 55, 56 et 57 transposent partiellement
l’article 3 (1) de la directive (qui prévoit l’application
mutatis mutandis de l’article 20 (1), (2) et (5) de la
directive 2007/64/CE).
Art. 58 et 59
Ces articles insèrent, dans la loi, les articles 84 et
85 qui règlent l’exercice des fonctions du commissaire
auprès d’un établissement de monnaie électronique,
lequel se voit conférer, outre sa mission de droit com-
mun exercée conformément au droit des sociétés, une
mission publique de collaboration avec la Banque. Le
régime est analogue à celui prévu pour les commissaires
auprès des établissements de crédit, d’entreprises
d’investissement ou d’établissements de paiement. Il
est d’ailleurs procédé par renvoi à certaines disposi-
tions applicables en la matière aux établissements de
paiement.
Ces articles transposent partiellement l’article 3 (1)
de la directive (qui prévoit l’application mutatis mutandis
des articles 20 à 22 de la directive 2007/64/CE).
Art. 60
Cet article insère une section 5 dans le Chapitre 1er
du Titre 2 du Livre 3 de la loi consacrée aux mesures
exceptionnelles et aux sanctions que la Banque peut
prononcer à l’égard des établissements de monnaie
électronique.
Art. 61 à 65
Ces articles insèrent les articles 86 à 90 dans la loi,
qui fi xent les mesures que la Banque est en droit de
prononcer à l’égard des établissements de monnaie
électronique en cas de manquement.
Le nouvel article 87 précise les mesures de redresse-
ment que la Banque peut prononcer lorsqu’un établis-
sement de monnaie électronique ne remédie pas à un
manquement constaté par la Banque dans le délai fi xé
par celle-ci. Ces mesures sont similaires à celles que la
Banque peut adopter à l’égard d’autres établissements
dans d’autres législations fi nancières (cf. article 57 de
Art. 55, 56 en 57
Deze artikelen voegen in de wet de artikelen 81,
82 en 83 in, over het toezicht dat door de Bank wordt
uitgeoefend op de instellingen voor elektronisch geld.
De artikelen 55, 56 en 57 zorgen voor de gedeeltelijke
omzetting van artikel 3 (1) van de Richtlijn (dat voorziet
in de overeenkomstige toepassing van artikel 20 (1), (2)
en (5) van Richtlijn 2007/64/EG).
Art. 58 en 59
Deze artikelen voegen in de wet de artikelen 84 en
85 in, over de uitoefening van de functie van commis-
saris bij een instelling voor elektronisch geld. Naast
zijn gemeenrechtelijke opdracht, die conform het ven-
nootschapsrecht wordt uitgeoefend, heeft de commissa-
ris ook een openbare opdracht, die erin bestaat samen
te werken met de Bank. De regeling is vergelijkbaar
met die welke van toepassing is voor commissarissen
bij kredietinstellingen, beleggingsondernemingen of
betalingsinstellingen. Er wordt overigens verwezen naar
een aantal bepalingen die ter zake van toepassing zijn
voor betalingsinstellingen.
Deze artikelen voorzien in de gedeeltelijke omzet-
ting van artikel 3 (1) van de Richtlijn (dat voorziet in de
overeenkomstige toepassing van de artikelen 20 tot 22
van Richtlijn 2007/64/EG).
Art. 60
Dit artikel voegt in Hoofdstuk 1 van Titel 2 van Boek 3
van de wet een afdeling 5 in, over de uitzonderings-
maatregelen en de sancties die de Bank kan opleggen
aan instellingen voor elektronisch geld.
Art. 61 tot 65
Deze artikelen voegen in de wet de artikelen 86 tot 90
in, die bepalen welke maatregelen de Bank kan nemen
ten aanzien van instellingen voor elektronisch geld die
in gebreke blijven.
Het nieuwe artikel 87 bepaalt welke herstelmaatre-
gelen de Bank kan opleggen indien een instelling voor
elektronisch geld de door de Bank vastgestelde tekort-
koming niet rechtzet binnen de door haar bepaalde
termijn. Deze maatregelen zijn vergelijkbaar met die
welke de Bank ten aanzien van andere instellingen kan
nemen op grond van andere fi nanciële wetgeving (zie
DOC 53 2432/001
45
2431/001
DOC 53
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 3 e L É G I S L A T U R E
K AMER 3e Z ITTING VAN DE 53e Z ITTING S P E RIO DE
2011
2012
la loi bancaire et article 104 de la loi du 6 avril 1995).
Pour des raisons de cohérence par rapport aux dis-
positions prévues dans ces législations, il n’a pas été
donné suite à l’observation du Conseil d’État (voyez
les commentaires relatifs aux modifi cations faites à
l’article 35 en projet).
Des infractions à d’autres législations, telles que par
exemple des infractions aux articles 58/1 à 58/3 de la
loi du 10 décembre 2009 adoptés aux fi ns de la trans-
position du Titre III de la directive, peuvent également
donner lieu à des mesures de redressement prises par
la Banque en application du présent article, pouvant
être l’indication de l’absence d’une organisation adé-
quate de l’établissement, ou d’une direction effective
appropriée.
Ces articles transposent partiellement l’article 3 (1)
de la directive (qui prévoit l’application mutatis mutandis
des articles 12, 21 et 25 de la directive 2007/64/CE).
Le nouvel article 88 transpose l’article 17 (6) de la
directive 2007/64/CE, qui s’applique dans l’hypothèse
où un établissement de monnaie électronique de droit
belge exerce une activité de services de paiement dans
un autre État membre en y recourant à un ou plusieurs
agents. Dans cette hypothèse, l’autorité compétente
dans l’État membre concerné peut alerter la Banque
du risque que représente le recours à cet ou à ces
agents en matière de lutte contre le blanchiment de
capitaux ou de fi nancement du terrorisme. La Banque
prend l’une des mesures de redressement décrites à
l’article 87 et peut également, soit refuser le recours à
l’agent concerné si ce dernier n’avait pas encore été
enregistré comme agent de l’établissement de monnaie
électronique, soit radier l’inscription de cet agent.
Art. 66 à 73
Ces articles insèrent les articles 91 à 97 dans la loi,
qui constituent le Chapitre 2 du Titre 2 du Livre 3 de la
loi, consacré aux succursales et aux activités de pres-
tation de services en Belgique des établissements de
monnaie électronique relevant du droit d’un autre État
membre de l’EEE.
Ces règles sont analogues à celles qui s’appliquent
aux établissements de paiement, aux établissements de
crédit et aux entreprises d’investissement relevant du
droit d’un autre État membre de l’EEE et qui reposent
sur les principes du passeport européen et du “Home
country control”. La directive consacre en effet l’appli-
cation du passeport européen aux établissements de
artikel 57 van de bankwet en artikel 104 van de wet van
6 april 1995). Omwille van redenen van coherentie met
de bepalingen opgenomen in deze wetgeving, werd
er geen rekening gehouden met de opmerking van de
Raad van State (zie de commentaren aangaande de
wijzigingen doorgevoerd aan artikel 35 van het ontwerp).
Inbreuken op andere wetteksten, bijvoorbeeld op
de artikelen 58/1 tot 58/3 van de wet van 10 decem-
ber 2009, die de omzetting vormen van Titel III van
de Richtlijn, kunnen ook aanleiding geven tot herstel-
maatregelen die door de Bank worden genomen met
toepassing van dit artikel, wat een aanwijzing kan zijn
dat de instelling niet over een passende organisatie of
over een passende effectieve leiding beschikt.
Deze artikelen voorzien in de gedeeltelijke omzetting
van artikel 3 (1) van de Richtlijn (dat voorziet in de ove-
reenkomstige toepassing van de artikelen 12, 21 en 25
van Richtlijn 2007/64/EG).
Het nieuwe artikel 88 vormt de omzetting van arti-
kel 17 (6) van Richtlijn 2007/64/EG, dat van toepassing
is wanneer een instelling voor elektronisch geld naar
Belgisch recht betalingsdiensten aanbiedt in een andere
lidstaat, via een of meer agenten. In dit geval kan de
bevoegde autoriteit van de betrokken lidstaat de Bank
waarschuwen dat het feit dat een beroep gedaan wordt
op deze agent(en) een risico op witwassen van geld of
fi nanciering van terrorisme inhoudt. De Bank neemt een
van de herstelmaatregelen die omschreven zijn in arti-
kel 87, en kan de betrokken instelling voor elektronisch
geld ook verbieden een beroep te doen op de betrokken
agent, indien deze laatste nog niet was ingeschreven
als agent van de instelling voor elektronisch geld, of de
inschrijving van deze agent schrappen.
Art. 66 tot 73
Deze artikelen voegen in de wet de artikelen 91 tot 97
in, die Hoofdstuk 2 vormen van Titel 2 van Boek 3 van
de wet, over de bijkantoren en de diensten die in België
worden verricht door de instellingen voor elektronisch
geld die ressorteren onder het recht van een andere
lidstaat van de EER.
Deze regels zijn vergelijkbaar met die welke gelden
voor betalingsinstellingen, kredietinstellingen en beleg-
gingsondernemingen die ressorteren onder het recht
van een andere lidstaat van de EER en die gebaseerd
zijn op de beginselen van het Europees paspoort en
de “Home country control”. De Richtlijn bepaalt immers
dat het Europees paspoort van toepassing is op de
DOC 53 2432/001
46
2431/001
DOC 53
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 3 e L É G I S L A T U R E
K AMER 3e Z ITTING VAN DE 53e Z ITTING S P E RIO DE
2011
2012
monnaie électronique agréés dans un État membre
conformément à la directive.
Le nouvel article 96, alinéa 3 constitue le pendant
de l’article 88 de la loi, et s’applique lorsque la Banque
a des raisons de soupçonner une opération de blan-
chiment de capitaux ou de fi nancement du terrorisme
ou la tentative d’une telle opération dans le chef d’un
agent d’un établissement de monnaie électronique
relevant d’un autre État membre de l’EEE et exerçant
une activité de services de paiement sur le territoire
belge pour le compte de cet établissement. Cette pos-
sibilité d’alerter l’autorité compétente de l’État membre
d’origine de l’établissement de monnaie électronique
s’applique également lorsque la Banque a des rai-
sons de craindre que les activités de cet agent sont
susceptibles d’accroître, d’une manière générale, le
risque de blanchiment de capitaux ou de fi nancement
du terrorisme, et ce sans qu’une opération spécifi que
ne soit visée. De telles craintes pourraient notamment
survenir lorsque les agents n’exercent aucune autre
activité fi nancière sur le territoire belge, et ne paraissent
pas suffisamment équipés et formés pour assurer le
respect des obligations qui s’imposent à ‘un établis-
sement de monnaie électronique en matière de lutte
contre le blanchiment de capitaux. Cette disposition ne
s’applique que dans l’hypothèse où l’établissement de
monnaie électronique relevant du droit d’un autre État
membre recourt à des agents sur le territoire belge et
non dans l’hypothèse où cet établissement dispose
d’une succursale en Belgique.
Ces articles transposent l’article 1 (2) et 1 (1) de la
directive (qui prévoit l’application mutatis mutandis de
l’article 25 (1) de la directive 2007/64/CE).
Art. 74 à 84
Ces articles insèrent les articles 98 à 103 dans la
loi, qui constituent le Chapitre 3 du Titre 2 du Livre 3
de la loi, consacré aux succursales en Belgique des
établissements de monnaie électronique relevant du
droit d’États qui ne sont pas membres de l’EEE.
Ces règles sont analogues à celles qui s’appliquent
aux succursales des établissements de crédit ou des
entreprises d’investissement d’États tiers, et qui ont
pour objet d’exiger de ces établissements de remplir
les mêmes conditions d’agrément et d’exercice que
les établissements de monnaie électronique de droit
belge. Ces établissements sont également soumis au
même contrôle que celui exercé par la Banque sur les
établissements de droit belge.
instellingen voor elektronisch geld die conform de Richt-
lijn een vergunning hebben verkregen in een lidstaat.
Het nieuwe artikel 96, derde lid, vormt de tegenhan-
ger van artikel 88 van de wet, en is van toepassing
wanneer de Bank redenen heeft om te vermoeden dat
geld wordt witgewassen of terrorisme gefi nancierd wordt
of dat gepoogd wordt geld wit te wassen of terrorisme
te fi nancieren door een agent van een instelling voor
elektronisch geld die ressorteert onder het recht van
een andere lidstaat van de EER en die betalingsdiensten
verricht op het Belgische grondgebied, voor rekening
van die instelling. Deze mogelijkheid om de bevoegde
autoriteit van de lidstaat van herkomst van de instel-
ling voor elektronisch geld te waarschuwen, geldt ook
wanneer de Bank redenen heeft om te vrezen dat de
werkzaamheden van die agent in het algemeen, dus
zonder dat er een specifi eke transactie wordt beoogd,
het risico op witwassen van geld of fi nanciering van
terrorisme zouden kunnen verhogen. Die vrees kan
zich met name voordoen wanneer de agenten geen
andere fi nanciële activiteit uitoefenen op het Belgische
grondgebied en onvoldoende zijn uitgerust en opgeleid
om te voldoen aan de verplichtingen inzake de bestri-
jding van het witwassen van geld die moeten worden
nageleefd door de instellingen voor elektronisch geld.
Deze bepaling is enkel van toepassing wanneer de
instelling voor elektronisch geld die ressorteert onder
het recht van een andere lidstaat, een beroep doet op
agenten op het Belgische grondgebied en niet wanneer
die instelling een bijkantoor heeft in België.
Deze artikelen zorgen voor de omzetting van artikelen
1 (2) en 1 (1) van de Richtlijn (die zorgt voor de omzetting
van artikel 25 (1) van Richtlijn 2007/64/EG).
Art. 74 tot 84
Deze artikelen voegen in de wet de artikelen 98 tot
103 in, die Hoofdstuk 3 vormen van Titel 2 van Boek 3
van de wet, over de bijkantoren in België van de instel-
lingen voor elektronisch geld die ressorteren onder het
recht van staten die geen lid zijn van de EER.
Deze regels zijn vergelijkbaar met die welke van
toepassing zijn op de bijkantoren van kredietinstellin-
gen of beleggingsondernemingen van derde landen,
en die inhouden dat die instellingen op het vlak van
de vergunning en de bedrijfsuitoefening aan dezelfde
voorwaarden moeten voldoen als de instellingen voor
elektronisch geld naar Belgisch recht. Deze instellingen
zijn ook onderworpen aan hetzelfde toezicht als dat wat
door de Bank wordt uitgeoefend op de instellingen naar
Belgisch recht.
DOC 53 2432/001
47
2431/001
DOC 53
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 3 e L É G I S L A T U R E
K AMER 3e Z ITTING VAN DE 53e Z ITTING S P E RIO DE
2011
2012
Ces articles transposent les articles 1 (2) et 8 de la
directive.
Art. 85 et 86
Ces articles insèrent un article 104 dans la loi, qui
constitue le Chapitre 4 du Titre 2 du Livre 3 de la loi, et
qui énonce les règles relatives à l’échange d’informa-
tions et à la coopération entre la Banque et les autres
autorités de contrôle d’autres États membres de l’EEE
qui sont chargées de missions comparables concernant
les établissements de monnaie électronique. Il complète
ainsi le dispositif prévu aux articles 35 et 36/13 à 36/15
de la loi du 22 février 1998 fi xant le statut organique de
la Banque nationale de Belgique.
Ces articles transposent partiellement l’article 3 (1)
de la directive (qui prévoit l’application mutatis mutandis
de l’article 24 de la directive 2007/64/CE).
Art. 87 et 88
Ces articles insèrent un article 105 dans la loi, qui
constitue le Titre 3 du Livre 3 de la loi, et qui détermine,
dans les limites de l’article 9 de la directive, les condi-
tions auxquelles les personnes morales qui exercent ou
entendent exercer une activité d’émission de monnaie
électronique, peuvent être exemptées, en tout ou en
partie, du respect des dispositions du Titre 2 du Livre 3
de la loi. Les conditions en question portent notamment
sur le montant moyen de la monnaie électronique en
circulation qui ne peut pas dépasser un plafond de cinq
millions d’euros. La notion de “moyenne de la monnaie
électronique en circulation” est défi nie à l’article 4, 35°
de la loi.
Par cette disposition, le gouvernement a décidé de
transposer l’option qui lui était donnée à l’article 9 de
la directive, étant donné que ce régime d’exemption
existait déjà dans le régime antérieur à l’article 2, § 2
de la loi bancaire. Ainsi, plusieurs établissements béné-
fi cient déjà de ce régime d’exemption, principalement
sur base de la condition du montant limité de monnaie
électronique en circulation. Il était dès lors opportun
de maintenir un régime d’exemption similaire afi n que
ces établissements puissent continuer, pour autant
qu’ils continuent de remplir les conditions de l’article 9
de la directive, à bénéfi cier de ce régime. L’article 9
de la directive prévoit que l’État membre peut fi xer un
plafond de monnaie électronique en circulation que les
personnes morales exemptées ne peuvent dépasser,
lequel ne peut être supérieur à cinq millions euros. Le
Deze artikelen zorgen voor de omzetting van artike-
len 1 (2) en 8 van de Richtlijn.
Art. 85 en 86
Deze artikelen voegen in de wet een artikel 104 in,
dat Hoofdstuk 4 vormt van Titel 2 van Boek 3 van de
wet, en dat de regels bevat voor de uitwisseling van
informatie en voor de samenwerking tussen de Bank
en de toezichthouders van andere lidstaten van de
EER die belast zijn met gelijksoortige opdrachten met
betrekking tot de instellingen voor elektronisch geld. Dit
artikel vormt aldus een aanvulling op de regeling waarin
voorzien is in de artikelen 35 en 36/13 tot 36/15 van de
wet van 22 februari 1998 tot vaststelling van het organiek
statuut van de Nationale Bank van België.
Deze artikelen zorgen voor de gedeeltelijke omzet-
ting van artikel 3 (1) van de Richtlijn (dat voorziet in de
overeenkomstige toepassing van artikel 24 van Richtlijn
2007/64/EG).
Art. 87 en 88
Deze artikelen voegen in de wet een artikel 105 in,
dat Titel 3 vormt van Boek 3 van de wet, en dat binnen
de grenzen van artikel 9 van de Richtlijn bepaalt onder
welke voorwaarden de rechtspersonen die elektronisch
geld uitgeven of van plan zijn dit te doen, geheel of
gedeeltelijk kunnen worden vrijgesteld van de naleving
van de bepalingen van Titel 2 van Boek 3 van de wet.
Deze voorwaarden hebben met name betrekking op
het gemiddeld uitstaand bedrag aan elektronisch geld,
dat niet meer mag bedragen dan vijf miljoen euro. Het
begrip “gemiddeld uitstaand elektronisch geld” wordt
gedefi nieerd in artikel 4, 35° van de wet.
Via deze bepaling heeft de regering ervoor geopteerd
de mogelijkheid die in artikel 9 van de Richtlijn wordt
geboden, om te zetten in Belgisch recht, aangezien
deze vrijstellingsregeling al bestond in een vroegere
versie van artikel 2, § 2 van de bankwet. Verschillende
instellingen genieten reeds van deze vrijstellingsrege-
ling, voornamelijk omdat ze voldoen aan de voorwaarde
van het beperkt uitstaand bedrag aan elektronisch geld.
Het leek dus wenselijk een soortgelijke vrijstellingsre-
geling te behouden, zodat deze instellingen van deze
regeling kunnen blijven genieten, op voorwaarde dat zij
blijven voldoen aan de voorwaarden van artikel 9 van de
Richtlijn. Artikel 9 van de Richtlijn bepaalt dat de lidstaat
een bovengrens van maximum vijf miljoen euro mag
vastleggen voor het uitstaand bedrag aan elektronisch
geld, die de vrijgestelde rechtspersonen niet mogen
DOC 53 2432/001
48
2431/001
DOC 53
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 3 e L É G I S L A T U R E
K AMER 3e Z ITTING VAN DE 53e Z ITTING S P E RIO DE
2011
2012
gouvernement a choisi de fi xer ce plafond à ce mon-
tant maximum admis par la directive de cinq millions
d’ euros, étant donné qu’il s’agit du plafond sur base
duquel ce régime d’exemption était déjà appliqué dans
la loi bancaire. Toujours dans l’optique de maintenir le
régime d’exemption de la loi bancaire, le gouvernement
a également choisi de faire usage de l’option prévue
à l’article 9, paragraphe 1er, alinéa 3 de la directive en
fi xant un plafond que le montant chargé sur le support
électronique stockant la monnaie électronique ne peut
dépasser. Ce montant est fi xé à 150 euros et est donc
identique à celui qui était déjà prévu à l’article 2, § 2
de la loi bancaire.
Le nouvel article 105, paragraphe 1er, alinéa 3 trans-
pose l’article 9, paragraphe 1er, alinéa 2 de la directive
en prévoyant la possibilité pour les établissements
hybrides ou exerçant d’autres activités que l’émission
de monnaie électronique ou la fourniture de services
de paiement liés à l’émission de monnaie électronique,
et dont le montant de la monnaie électronique en cir-
culation ne peut être déterminé à l’avance, de calculer
ce montant sur base d’estimations. Cette souplesse
peut par exemple s’avérer utile dans le cas des socié-
tés de téléphonie ou de grande distribution proposant
des instruments prépayés susceptibles d’être utilisés
à d’autres fi ns que des fi ns de paiement, tels que les
communications téléphoniques en ce qui concerne les
cartes prépayées de téléphone. Cette règle constitue
une dérogation au principe selon lequel tous les fonds
reçus doivent être considérés comme constitutifs de
monnaie électronique, auquel cas le montant total des
fonds reçus aurait dû être pris en compte pour la calcul
du montant de la monnaie électronique en circulation.
Le nouvel article 105, paragraphe 4, transpose l’ar-
ticle 9.4 de la directive permettant aux États membres
de prévoir qu’une personne exemptée ne peut exercer
que certaines des activités énumérées à l’article 6,
paragraphe 1er de la directive. La possibilité pour les
personnes morales exemptées d’exercer des activités
totalement distinctes de l’émission de monnaie élec-
tronique constitue une des nouveautés consacrées
par la directive. Il est difficile, à l’heure actuelle, de
déterminer si et dans quelle mesure une limitation des
activités exercées devrait être imposée aux personnes
morales exemptées. Le gouvernement propose dès lors
d’habiliter le Roi à régler cette question ultérieurement,
sur la base de l’expérience.
Conformément à la directive, les personnes morales
bénéficiant de ce régime d’exemption ne pourront
toutefois pas bénéfi cier du régime de reconnaissance
mutuelle. Elles ne pourront pas être exemptées de
l’article 77 de la loi requérant l’autorisation de la Banque
pour l’exercice d’une autre activité que celle d’émission
overschrijden. De regering heeft ervoor gekozen om
deze bovengrens vast te leggen op vijf miljoen euro, het
maximumbedrag dat volgens de Richtlijn is toegestaan.
Dit is immers ook de bovengrens die al werd toegepast
in het kader van de vrijstellingsregeling van de bankwet.
Met het oog op het behoud van de vrijstellingsregeling
van de bankwet heeft de regering er ook voor geopteerd
gebruik te maken van de mogelijkheid die in artikel 9,
lid 1, derde alinea van de Richtlijn wordt geboden, door
een maximum op te leggen voor het bedrag dat op de
elektronische drager mag worden opgeslagen. Dit maxi-
mum is vastgesteld op 150 euro en is dus identiek aan
het bedrag van artikel 2, § 2 van de bankwet.
Het nieuwe artikel 105, paragraaf 1, derde lid vormt
de omzetting van artikel 9, lid 1, tweede alinea van de
Richtlijn. Het biedt de mogelijkheid voor hybride instel-
lingen of voor instellingen die andere werkzaamheden
verrichten dan de uitgifte van elektronisch geld of het
verstrekken van betalingsdiensten die verband houden
met de uitgifte van elektronisch geld, en waarvan het
bedrag aan uitstaand elektronisch geld niet van tevoren
is gekend, om dit bedrag te berekenen op basis van
schattingen. Deze fl exibiliteit kan bijvoorbeeld nuttig
zijn voor telefoonoperatoren of grote distributiebedrijven
die prepaid producten aanbieden die gebruikt kunnen
worden voor andere doeleinden dan betaling, zoals
telefoongesprekken met prepaid telefoonkaarten. Deze
regel vormt een uitzondering op het principe dat alle
ontvangen geldmiddelen moeten worden beschouwd
als elektronisch geld, in welk geval het totale bedrag
aan ontvangen geldmiddelen in aanmerking had moeten
worden genomen voor de berekening van het bedrag
aan uitstaand elektronisch geld.
Het nieuwe artikel 105, paragraaf 4, vormt de omzet-
ting van artikel 9.4 van de Richtlijn, die aan de lidstaten
de mogelijkheid biedt te bepalen dat een vrijgestelde
persoon alleen sommige van in artikel 6, lid 1 van de
Richtlijn opgesomde werkzaamheden mag uitoefenen.
Een van de innovaties die de Richtlijn bevat, is de
mogelijkheid die vrijgestelde rechtspersonen krijgen om
werkzaamheden uit te oefenen die volledig losstaan van
de uitgifte van elektronisch geld. Momenteel valt moei-
lijk te bepalen of en in welke mate de werkzaamheden
die door vrijgestelde rechtspersonen mogen worden
uitgeoefend, beperkt zouden moeten worden. Bijgevolg
stelt de regering voor de Koning te machtigen om dit
later te regelen op basis van de opgedane ervaring.
Conform de Richtlijn komen de rechtspersonen die
van deze vrijstellingsregeling genieten, echter niet
in aanmerking voor de regeling inzake wederzijdse
erkenning. Zij kunnen niet worden vrijgesteld van de
toepassing van artikel 77 van de wet, dat bepaalt dat
de toestemming van de Bank is vereist voor de uitoefe-
DOC 53 2432/001
49
2431/001
DOC 53
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 3 e L É G I S L A T U R E
K AMER 3e Z ITTING VAN DE 53e Z ITTING S P E RIO DE
2011
2012
de monnaie électronique ni de l’article 78 de la loi conte-
nant des règles de protection des fonds reçus par les
établissements de monnaie électronique en échange
de l’émission de la monnaie électronique.
Conformément à l’article 9(9) de la directive, la Com-
mission européenne sera informée de l’exercice du pou-
voir de “dérogation” défi ni à l’article 26 de la directive.
Art. 89 à 93
Ces articles insèrent les articles 106 et 107 dans la
loi, qui constituent le Titre 3 du Livre 3 de la loi, et qui
déterminent respectivement les sanctions administra-
tives et pénales qui peuvent être prises à l’égard des
établissements de monnaie électronique en cas de
méconnaissance des dispositions de la loi.
Ces articles transposent partiellement l’article 3 (1)
de la directive (qui prévoit l’application mutatis mutandis
de l’article 21 (2) de la directive 2007/64/CE).
Art. 94 à 96
Ces dispositions visent à adapter les articles 74, 75
et 75bis de la loi du 12 juin 1991 relative au crédit à la
consommation (LCC) en fonction de la catégorie parti-
culière d’“établissement de monnaie électronique”. Il est
procédé à cette adaptation par analogie à l’extension
de la LCC à la catégorie d’ “établissement de paiement”
par l’article 76, 4° à 8°, de la loi du 10 décembre 2009
relative aux services de paiement. Comme les établis-
sements de paiement, les établissements de monnaie
électronique sont habilités, sous certaines conditions,
à octroyer des crédits liés à des services de paiement
(voir l’article 50 du présent projet de loi).
En vertu de la loi du 21 décembre 2009 relative au
statut des établissements de paiement, à l’accès à l’acti-
vité de prestataire de services de paiement et à l’accès
aux systèmes de paiement, telle que modifi ée par le
présent projet de loi, les établissements de monnaie
électronique relèvent du contrôle de la Banque. Dans
la mesure où ces établissements exercent une activité
d’octroi de crédit soumise à la LCC, les dispositions
de celle-ci en matière d’agrément ou d’enregistrement
sont d’application. L’obligation la plus importante qui
en découle est celle de faire approuver préalablement
les contrats de crédit conclus par les consommateurs.
ning van een andere werkzaamheid dan de uitgifte van
elektronisch geld noch van de toepassing van artikel 78
van de wet dat regels bevat voor de bescherming van de
geldmiddelen die de instellingen voor elektronisch geld
ontvangen in ruil voor de uitgifte van elektronisch geld.
Conform artikel 9(9) van de Richtlijn wordt de Eu-
ropese Commissie ingelicht wanneer gebruik gemaakt
wordt van de “afwijkings”-mogelijkheid als bepaald in
artikel 26 van de Richtlijn.
Art. 89 tot 93
Deze artikelen voegen in de wet de artikelen 106 en
107 in, die Titel 3 vormen van Boek 3 van de wet, en
die respectievelijk bepalen welke administratieve en
strafrechtelijke sancties er kunnen worden genomen
wanneer een instelling voor elektronisch geld de bepa-
lingen van de wet niet naleeft.
Deze artikelen zorgen voor de gedeeltelijke omzetting
van artikel 3 (1) van de Richtlijn (dat voorziet in de ove-
reenkomstige toepassing van artikel 21 (2) van Richtlijn
2007/64/EG).
Art. 94 tot en met 96
Deze bepalingen passen de artikelen 74, 75 en 75bis
van de wet van 12 juni 1991 op het consumentenkrediet
(hierna WCK) aan, in functie van de afzonderlijke ca-
tegorie van “instellingen voor elektronisch geld”. Deze
aanpassing wordt aangebracht naar analogie met de
uitbreiding van de WCK voor de categorie “betalings-
instellingen”, door artikel 76, 4° tot 8° van de wet van
10 december 2009 betreffende de betalingsdiensten.
Net zoals de betalingsinstellingen zijn de instellingen
voor elektronisch geld gemachtigd om binnen bepaalde
perken kredieten te verlenen in verband met betalings-
diensten (zie artikel 50 van dit wetsontwerp).
Deze instellingen vallen op grond van de wet van
21 december 2009 op het statuut van de betalingsinstel-
lingen, de toegang tot het bedrijf van de betalingsdien-
staanbieder en de toegang tot de betalingssystemen,
zoals gewijzigd door dit wetsontwerp, onder het toezicht
van de Bank. In de mate dat deze instellingen voor
elektronisch geld een binnen de WCK vallende activiteit
van kredietverlening uitoefenen, dienen de bepalingen
inzake de erkenning of registratie van de WCK te worden
toegepast. De belangrijkste verplichting die hieruit voor-
tvloeit is dat de consumentenkredietovereenkomsten
voorafgaandelijk moeten worden goedgekeurd.
DOC 53 2432/001
50
2431/001
DOC 53
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 3 e L É G I S L A T U R E
K AMER 3e Z ITTING VAN DE 53e Z ITTING S P E RIO DE
2011
2012
À l’article 75, § 6, alinéa 2 de la LCC, dans un souci
de clarifi cation, la référence faite au crédit additionnel
lié aux services de paiement pouvant être octroyé sur
la base de la loi du 10 décembre 2009 a été précisée,
sans que cette modifi cation n’affecte la portée de la
disposition.
Art. 97
L’article 97 article vise à modifi er le champ d’applica-
tion de la loi du 11 janvier 1993 relative à la prévention
de l’utilisation du système fi nancier aux fi ns du blan-
chiment de capitaux et du fi nancement du terrorisme
afi n d’y inclure les émetteurs de monnaie électronique
dès lors qu’ils sont établis en Belgique ou opèrent par
le biais d’une personne qui y est établie.
L’article 97 transpose ainsi l’article 19.1) de la direc-
tive.
Art. 98
Cet article vise à transposer l’article 19.2), de la
directive et n’appelle pas de commentaire particulier.
Art. 99
L’article 101 adapte corrélativement l’exigence prévue
sous l’article 18 de la loi du 11 janvier 1993.
Art. 100 à 112
Ces articles visent à apporter les modifications
nécessaires à la loi du 22 mars 1993 relative au statut
et au contrôle des établissements de crédit afi n d’y
abroger les références faites aux établissements de
monnaie électronique, ainsi que les règles qui étaient
applicables à ces établissements, étant donné que, dans
le cadre de la directive, ceux-ci ne sont plus considérés
comme des établissements de crédit. Les articles 101
et 103 transposent l’article 20 de la directive.
Eu égard notamment au système de protection spéci-
fi que découlant de l’article 7 de la directive et consistant
dans un mécanisme de ségrégation et de protection
des fonds reçus en échange de l’émission de monnaie
électronique, l’article 112 du projet de loi supprime
l’assimilation de la monnaie électronique à un dépôt de
fonds pour les besoins du système de protection des
dépôts. Les établissements de monnaie électronique ne
In artikel 75, § 6, tweede lid van de WCK wordt voor
de duidelijkheid een precisering aangebracht in de
bepaling over het aanvullend krediet met betrekking
tot betalingsdiensten dat toegekend kan worden op
grond van de wet van 10 december 2009, zonder dat
deze wijziging een invloed heeft op de reikwijdte van
de bepaling.
Art. 97
Artikel 97 wijzigt het toepassingsgebied van de wet
van 11 januari 1993 tot voorkoming van het gebruik
van het fi nanciële stelsel voor het witwassen van geld
en de fi nanciering van terrorisme, om er de uitgevers
van elektronisch geld in op te nemen die in België zijn
gevestigd of die in België actief zijn via een persoon die
daar is gevestigd.
Artikel 97 voorziet aldus in de omzetting van arti-
kel 19.1) van de Richtlijn.
Art. 98
Dit artikel vormt de omzetting van artikel 19.2) van de
Richtlijn en behoeft geen toelichting.
Art. 99
In artikel 101 wordt bijgevolg het vereiste aange-
past dat opgenomen is in artikel 18 van de wet van
11 januari 1993.
Art. 100 tot 112
Deze artikelen brengen de nodige wijzigingen aan
in de wet van 22 maart 1993 op het statuut van en het
toezicht op de kredietinstellingen, om de verwijzingen
naar de instellingen voor elektronisch en de regels die
op deze instellingen van toepassing waren, te schrap-
pen, aangezien deze instellingen in het kader van de
Richtlijn niet langer beschouwd worden als kredietinstel-
lingen. Artikelen 101 en 103 voorzien in de omzetting
van artikel 20 van de Richtlijn.
Mede gelet op het feit dat artikel 7 van de Richtlijn
voorziet in een specifi ek beschermingssysteem dat
bestaat in een mechanisme voor de segregatie en
de bescherming van de geldmiddelen die in ruil voor
de uitgifte van elektronisch geld worden ontvangen,
wordt in artikel 112 van het wetsontwerp de vroegere
gelijkstelling van elektronisch geld met een gelddepo-
sito, in het kader van de depositobeschermingsregeling,
DOC 53 2432/001
51
2431/001
DOC 53
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 3 e L É G I S L A T U R E
K AMER 3e Z ITTING VAN DE 53e Z ITTING S P E RIO DE
2011
2012
devront dès lors plus être affiliés à un système collectif
de protection des dépôts tel que le Fonds de protection
des dépôts et des instruments fi nanciers.
L’article 108 vise quant à lui à corriger une erreur
matérielle commise lors de la modifi cation de l’article 57
de la loi bancaire par l’arrêté royal dit Twin Peaks.
Art. 114 à 116
Ces articles visent à modifi er certaines dispositions
de la loi du 22 février 1998 fi xant le statut organique
de la Banque, afi n de tenir compte des modifi cations
apportées à la loi du 21 décembre 2009, ainsi que celles
apportées à la défi nition et au statut des établissements
de monnaie électronique.
Elles visent notamment à permettre à la Banque
de communiquer des informations confi dentielles aux
services de contrôle du Service Public Fédéral de
l’Économie, PME. Classes moyennes et Énergie, dans
le cadre de leur mission visée à l’article 72 de la loi du
10 décembre 2009 sur les services de paiement, leur
permettant de constater et rechercher des infractions
aux dispositions des articles 58/1 à 58/3 de ladite loi
(voyez l’article 128 du projet de loi insérant un point 20°
à l’article 64 de la loi du 10 décembre 2009 sur les
services de paiement).
Art. 117
Cet article vise à modifi er l’article 68bis de la loi du
16 juin 2006 relative aux offres publiques d’instruments
de placement et aux admissions d’instruments de place-
ment à la négociation sur des marchés réglementés afi n
d’y exclure les établissements de monnaie électronique
dans la défi nition des établissements de crédit.
Art. 118
Cet article a pour objet d’insérer un certain nombre de
nouvelles défi nitions et de modifi er certaines défi nitions
existantes à l’article 2 de la loi du 10 décembre 2009
relative aux services de paiement. Ces insertions et
modifi cations font suite à la transposition de la directive
2009/110/CE du 16 septembre 2009 concernant l’accès
à l’activité des établissements de monnaie électronique
et son exercice ainsi que la surveillance prudentielle de
ces établissements, modifi ant les directives 2005/60/CE
et 2006/48/CE et abrogeant la directive 2000/46/CE.
opgeheven. Instellingen voor elektronisch geld moeten
dus niet meer aangesloten zijn bij een collectieve depo-
sitobeschermingsregeling zoals het Beschermingsfonds
voor Deposito’s en Financiële Instrumenten.
Artikel 108 zet een materiële fout recht die ontstaan
is bij de wijziging artikel 57 van de bankwet door het
zogenaamd koninklijk besluit Twin Peaks.
Art. 114 tot 116
Deze artikelen wijzigen sommige bepalingen van de
wet van 22 februari 1998 tot vaststelling van het orga-
niek statuut van de Bank, om ze aan te passen aan de
wijzigingen die in de wet van 21 december 2009 zijn
aangebracht, en aan de wijzigingen in de defi nitie en
het statuut van de instellingen voor elektronisch geld.
Deze wijzigingen maken het met name mogelijk voor
de Bank om vertrouwelijke informatie mee te delen aan
de controlediensten van de Federale Overheidsdienst
Economie, KMO, Middenstand en Energie, in het kader
van hun opdracht bedoeld in artikel 72 de wet van
10 december 2009 over de betalingsdiensten, zodat
zij inbreuken op de bepalingen van de artikelen 58/1
tot 58/3 van de genoemde wet kunnen vaststellen en
opsporen (zie artikel 128 van het wetsontwerp, dat een
punt 20° toevoegt in artikel 64 van de wet van 10 decem-
ber 2009 betreffende de betalingsdiensten).
Art. 117
Dit artikel wijzigt artikel 68bis van de wet van
16 juni 2006 op de openbare aanbieding van belegging-
sinstrumenten en de toelating van beleggingsinstrumen-
ten tot de verhandeling op een gereglementeerde markt,
om de instellingen voor elektronisch geld te schrappen
in de defi nitie van kredietinstelling.
Art. 118
Dit artikel voegt een aantal nieuwe defi nities toe en
wijzigt een aantal bestaande defi nities in artikel 2 van
de wet van 10 december 2009 betreffende de betalings-
diensten, ingevolge de omzetting van Richtlijn 2009/110/
EG van 16 september 2009 betreffende de toegang tot,
de uitoefening van en het prudentieel toezicht op de
werkzaamheden van instellingen voor elektronisch geld,
tot wijziging van de Richtlijnen 2005/60/EG en 2006/48/
EG en tot intrekking van Richtlijn 2000/46/EG.
DOC 53 2432/001
52
2431/001
DOC 53
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 3 e L É G I S L A T U R E
K AMER 3e Z ITTING VAN DE 53e Z ITTING S P E RIO DE
2011
2012
Art. 119
Bien que la plus grande partie de la directive 2009/110/
CE porte sur le statut des établissements de monnaie
électronique et défi nisse des “règles de contrôle pruden-
tiel”, elle comporte également quelques dispositions — à
savoir les articles 11 et 12, au titre III — qui concernent
directement la relation contractuelle entre les émetteurs
et les détenteurs de monnaie électronique. Ces dispo-
sitions règlent notamment l’interdiction des intérêts sur
le compte ainsi que l’émission et le remboursement de
monnaie électronique. Vu l’apparentement avec les
services de paiement ces dispositions trouvent logi-
quement leur place dans la loi du 10 décembre 2009
relative aux services de paiement, qui règle la relation
(pré)contractuelle avec l’utilisateur. Pour de plus amples
explications, l’on se référera au commentaire afférent
aux articles 122 à 126 du présent projet.
Art. 120
Cet article apporte une correction légistique et fait
suite à l’extension, de l’UE à l’EEE, du champ d’appli-
cation de la directive 2007/64/CE.
Art. 121
Cet article apporte une simple correction d’ordre
légistique.
Art. 122
Cet article vise à insérer un nouveau Titre III/1 dans la
loi du 10 décembre 2009 consacré aux obligations des
émetteurs de monnaie électronique en matière d’émis-
sion et de remboursement de la monnaie électronique.
Ce nouveau titre contient les articles 58/1 à 58/3. Ces
règles sont communes à l’ensemble des émetteurs
de monnaie électronique, c.-à-d. qu’elles s’appliquent
à tous les émetteurs de monnaie électronique, quelle
que soit leur qualité: établissements de monnaie
électronique agréés par la Banque en cette qualité
ou non (établissements de crédit, personnes morales
exemptées,...). La compétence en matière de contrôle
des articles 58/1 à 58/3 de la loi du 10 décembre 2009
relève du SPF Économie.
Art. 119
Hoewel het grootste gedeelte van Richtlijn 2009/110/
EG betrekking heeft op het statuut van de instellingen
voor elektronisch geld en “prudentiële toezichtsregels”
vastlegt, bevat zij ook een aantal bepalingen — met
name de artikelen 11 en 12 van titel III van de des-
betreffende Richtlijn — die rechtsreeks betrekking
hebben op de contractuele relatie tussen de uitgevers
van elektronisch geld en de houders van elektronisch
geld. Deze bepalingen betreffen met name het verbod
van interest op de rekening en de regels inzake de uit-
gifte en de terugbetaalbaarheid van elektronisch geld.
Gezien de verwantschap met betalingsdiensten, horen
deze bepalingen logischerwijze thuis in de wet van
10 december 2009 betreffende de betalingsdiensten,
die de (pre)contractuele verhouding met de gebruiker
regelt. Voor verdere toelichting wordt verwezen naar
de commentaar bij de artikelen 122 tot 126 van het
voorliggende ontwerp.
Art. 120
Dit artikel bevat een legistieke rechtzetting en is het
gevolg van de uitbreiding van het toepassingsgebied van
de Richtlijn 2007/64/EG van “EU” naar “EER”.
Art. 121
Dit artikel bevat een louter legistieke rechtzetting.
Art. 122
Dit artikel voegt in de wet van 10 december 2009
een nieuwe Titel III/1 in, over de verplichtingen van
uitgevers van elektronisch geld inzake de uitgifte en de
terugbetaalbaarheid van elektronisch geld. Deze nieuwe
titel bevat de artikelen 58/1 tot 58/3. Deze regels gelden
voor alle uitgevers van elektronisch geld, dat wil zeggen
dat zij van toepassing zijn op alle uitgevers van elektro-
nisch geld, ongeacht hun hoedanigheid: instellingen
voor elektronisch geld die al dan niet als instelling voor
elektronisch geld van de Bank een vergunning hebben
verkregen, kredietinstellingen, vrijgestelde rechtsperso-
nen. De FOD Economie is bevoegd voor het toezicht op
de naleving van de artikelen 58/1 tot 58/3 van de wet
van 10 december 2009.
DOC 53 2432/001
53
2431/001
DOC 53
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 3 e L É G I S L A T U R E
K AMER 3e Z ITTING VAN DE 53e Z ITTING S P E RIO DE
2011
2012
Art.s 123 et 124
Ces articles insèrent les articles 58/1 et 58/2 dans la
loi du 10 décembre 2009, qui constituent le Chapitre 1er
du Titre III/1 de la loi, consacré aux obligations des émet-
teurs de monnaie électronique en matière d’émission et
de remboursement de la monnaie électronique.
Le nouvel article 58/1 de la loi consacre le principe
en vertu duquel les émetteurs de monnaie électronique
ont l’obligation d’émettre de la monnaie électronique
à la valeur nominale contre la remise de fonds. Cette
obligation implique que les fonds remis à l’établissement
de monnaie électronique en échange de l’émission de
monnaie électronique ne peuvent être inférieurs à la
valeur monétaire représentant la créance sur l’émetteur.
Cette disposition transpose l’article 11, paragraphe 1er
de la directive.
Le nouvel article 58/2 de la loi consacre l’obligation
des émetteurs de monnaie électronique de procéder
au remboursement de la monnaie électronique non
utilisée, lorsque ce remboursement est demandé par
le détenteur de monnaie électronique. Le paragraphe 2
de cette disposition précise que les conditions de ce
remboursement, et notamment les éventuels frais qu’il
implique, doivent faire l’objet d’un contrat conclu entre
l’émetteur et le détenteur de monnaie électronique. Les
paragraphes 3 et 4 de cette disposition précisent toute-
fois certaines modalités selon lesquelles ce rembour-
sement doit être effectué, notamment selon le moment
auquel il est sollicité par le détenteur, c’est à dire avant
ou après l’expiration du contrat.
Le paragraphe 3 in fi ne donne au Roi la possibilité
de fi xer des paramètres et critères pour déterminer les
“frais réels” qui sont liés au remboursement et qui sont
à charge de l’émetteur. Cela donne au Roi la possibili-
téd’apporter des clarifi cations ou des corrections en ce
qui concerne les coûts rééls, conformément au but de la
loi, notamment lorsqu’un manque de transparence des
éléments constitutifs de frais apparaît ou lorsque des
méthodes différentes sont utilisées par les émetteurs
pour l’imputation des frais.
Le paragraphe 6 de cette disposition prévoit que le
contrat liant les émetteurs de monnaie électronique aux
personnes acceptant la monnaie électronique comme
instrument de paiement (c.-à-d. les commerçants ou
les prestataires de services acceptant d’être payés par
leurs clients par de la monnaie électronique) prévoit les
modalités selon lesquelles ces personnes perçoivent
le paiement fi nal de leurs biens ou de leurs prestations
de services. Ces personnes ne bénéfi cient pas des
Art. 123 en 124
Deze artikelen voegen in de wet van 10 decem-
ber 2009 de artikelen 58/1 en 58/2 in, die Hoofdstuk 1
vormen van Titel III/1 van de wet, over de verplichtingen
van de uitgevers van elektronisch geld inzake de uitgifte
en de terugbetaalbaarheid van elektronisch geld.
Het nieuwe artikel 58/1 van de wet bepaalt dat uitge-
vers van elektronisch geld elektronisch geld moeten ui-
tgeven tegen de nominale waarde, in ruil voor ontvangen
geld. Deze verplichting houdt in dat de geldmiddelen die
de instelling voor elektronisch geld ontvangt in ruil voor
de uitgifte van elektronisch geld, niet minder mogen
bedragen dan de monetaire waarde van de vordering
op de uitgever. Met deze bepaling wordt artikel 11, lid 1
van de Richtlijn omgezet.
Het nieuwe artikel 58/2 van de wet bepaalt dat uitge-
vers van elektronisch geld verplicht zijn niet-gebruikt
elektronisch geld terug te betalen, wanneer de houder
van het elektronisch geld hierom verzoekt. Paragraaf 2
van dit artikel bepaalt dat de voorwaarden voor deze
terugbetaling, en met name de eventuele kosten die
eraan verbonden zijn, moeten worden opgenomen in
een overeenkomst tussen de uitgever en de houder
van het elektronisch geld. De paragrafen 3 en 4 van
deze bepaling bevatten een aantal regels voor deze
terugbetaling, die onder meer afhankelijk zijn van het
ogenblik waarop de houder om terugbetaling verzoekt,
namelijk vóór of na het verstrijken van de overeenkomst.
Paragraaf 3 in fi ne biedt aan de Koning de moge-
lijkheid om parameters en criteria vast te leggen voor
het bepalen van de “werkelijke kosten” die verbonden
zijn aan de terugbetaling en die worden gedragen door
de uitgever. Dit biedt aan de Koning de mogelijkheid
om verduidelijkingen of correcties aan te brengen met
betrekking tot de werkelijke kosten, overeenkomstig de
doelstelling van de wet, onder meer wanneer er sprake
is van een gebrek aan transparantie van de kostenele-
menten of wanneer de uitgevers verschillende methodes
gebruiken voor het in rekening brengen van de kosten.
Paragraaf 6 van dit artikel bepaalt dat de overeen-
komst tussen de uitgevers van elektronisch geld en
de personen die het elektronisch geld aanvaarden als
betaalinstrument (d.w.z. handelaars of dienstverleners
die erin toestemmen dat hun klanten met elektronisch
geld betalen) de regels moet bevatten volgens dewelke
die personen de uiteindelijke betaling voor hun goederen
of diensten verkrijgen. Aangezien deze personen geen
houders van elektronisch geld in de zin van de Richtlijn
DOC 53 2432/001
54
2431/001
DOC 53
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 3 e L É G I S L A T U R E
K AMER 3e Z ITTING VAN DE 53e Z ITTING S P E RIO DE
2011
2012
dispositions relatives au remboursement de la monnaie
électronique, n’étant pas considérés comme des déten-
teurs de monnaie électronique au sens de la directive.
Art. 125 et 126
Ces articles insèrent l’article 58/3 dans la loi du 10 dé-
cembre 2009, qui constitue le Chapitre 2 du Titre III/1
de la loi, consacré au principe de l’interdiction, pour
les émetteurs de monnaie électronique d’octroyer des
intérêts ou tout autre avantage lié à la durée pendant
laquelle le détenteur de monnaie électronique détient de
la monnaie électronique. Ainsi, il est par exemple interdit
à un émetteur de monnaie électronique de récompenser
un détenteur de monnaie électronique ayant effective-
ment détenu de la monnaie électronique durant une
période donnée (par exemple deux ans) avec des places
de concert gratuites, ou des chargements gratuits de
musique sur internet. Ces cadeaux, quelle que soit leur
valeur, même minime, sont interdits dès lors qu’ils sont
liés à la durée de détention de la monnaie électronique.
Par contre, des cadeaux qui ne sont pas liés à cette
durée de détention sont autorisés, tels que par exemple
des cadeaux liés au fait que la monnaie électronique
détenue dépasse un certain montant. L’objectif poursuivi
par cette disposition est d’empêcher d’offrir des incitants
aux détenteurs de monnaie électronique afi n que ces
derniers en détiennent pendant une période de temps
plus ou moins longue. Ce principe est également lié au
fait que l’émission de monnaie électronique ne constitue
pas une activité de réception de dépôts d’argent ou
d’autres fonds remboursables.
Art. 127
Des sanctions civiles sont introduites en cas de non-
respect par l’émetteur de monnaie électronique des
règles en matière de remboursement prévues à l’article
58/2. Le titulaire est ainsi légalement exempté du paie-
ment de tous les frais qui s’y rapportent et qui peuvent
être demandés dans les cas énumérés à l’article 58/2,
§ 3. Cette sanction peut être appliquée lorsque, par
exemple, il apparaît que les informations relatives aux
frais n’ont pas été communiquées à temps ou qu’elles
ne l’ont pas été clairement ou n’ont pas été communi-
quées activement (c’est-à-dire sans autre sollicitation
de la part du détenteur de monnaie électronique et
sans qu’il doive prendre activement des mesures afain
d’obtenir les informations) ou encore si les frais imputés
sont supérieurs aux coûts réels supportés par l’émet-
teur. En outre, le titulaire qui demande le remboursement
en dehors du cadre de la résiliation de son contrat, peut
immédiatement et sans frais résilier ce contrat lorsque
zijn, zijn de bepalingen met betrekking tot de terugbeta-
ling van elektronisch geld niet van toepassing op hen.
Art. 125 en 126
Deze artikelen voegen in de wet van 10 decem-
ber 2009 het artikel 58/3 in, dat Hoofdstuk 2 vormt van
Titel III/1 van de wet en dat bepaalt dat het voor uitgevers
van elektronisch geld verboden is rente of andere voor-
delen toe te kennen die samenhangen met de lengte
van de periode dat een houder van elektronisch geld
het elektronisch geld aanhoudt. Zo is het een uitgever
van elektronisch geld bijvoorbeeld verboden om een
houder van elektronisch geld die daadwerkelijk elektro-
nisch geld heeft aangehouden tijdens een bepaalde
periode (bijvoorbeeld twee jaar) te belonen met gratis
concerttickets of met gratis downloads van muziek via
internet. Dergelijke cadeaus zijn verboden, ongeacht
hun waarde, ook al is die miniem, indien ze verbonden
zijn aan de lengte van de periode dat het elektronisch
geld werd aangehouden. Cadeaus die niet verbonden
zijn aan de lengte van de periode dat het elektronisch
geld wordt aangehouden, zoals cadeaus die verbonden
zijn aan de hoogte van het bedrag van het aangehou-
den elektronisch geld, zijn echter wel toegestaan. Met
deze bepaling wordt vermeden dat aan de houders van
elektronisch geld stimulansen worden toegekend om
gedurende een min of meer lange periode elektronisch
geld aan te houden. Dit principe heeft ook te maken
met het feit dat de uitgifte van elektronisch geld geen
activiteit van inontvangstneming van gelddeposito’s of
van andere terugbetaalbare gelden is.
Art. 127
Er worden burgerrechtelijke sancties ingevoerd voor
de niet-naleving door de uitgever van elektronisch geld
van de regels inzake terugbetaalbaarheid die opgeno-
men zijn in artikel 58/2. Zo wordt de houder van rechts-
wege vrijgesteld van de betaling van alle kosten die
hiermee samenhangen en die kunnen worden aangere-
kend in de gevallen opgesomd in artikel 58/2, § 3. Deze
sanctie kan worden toegepast wanneer bijvoorbeeld.
zou blijken dat de informatie over de kosten niet tijdig,
niet duidelijk, of niet op actieve wijze werd meegedeeld
(dit wil zeggen, zonder verder verzoek van de houder
van elektronisch geld en zonder dat hij uit eigen bewe-
ging stappen dient te ondernemen om de informatie te
verkrijgen), of nog, als er kosten worden aangerekend
die de werkelijke door de uitgever gedragen kosten te
boven gaan. Daarnaast kan de houder, die terugbe-
taling vraagt buiten het kader van de opzegging van
zijn overeenkomst, deze overeenkomst onmiddellijk en
DOC 53 2432/001
55
2431/001
DOC 53
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 3 e L É G I S L A T U R E
K AMER 3e Z ITTING VAN DE 53e Z ITTING S P E RIO DE
2011
2012
les obligations de l’article 58/2 n’ont pas été respec-
tées par l’émetteur de monnaie électronique,qui, le cas
échéant, fournit aussi des services de paiement
Art. 128 et 129
Le non-respect des articles 58/1 à 58/3 de la loi
du 10 décembre 2009 est érigé en infraction pénale
par l’insertion d’un point 20° sous l’article 64 la loi du
10 décembre 2009 relative aux services de paiement
Par ailleurs, à la suite du mécanisme d’information, un
tel manquement prévu à l’article 71 de ladite loi pourra,
le cas échéant, faire l’objet, par l’autorité de contrôle
prudentiel, de mesures de redressement ou de sanc-
tions administratives qui s’indiqueraient.
Art. 130
1° En exécution de l’article 13 de la directive
2009/110/CE, qui rend le titre IV, chapitre 5, de la
directive 2007/64/CE applicable mutatis mutandis, il
est instauré une procédure de recours extrajudiciaire
en vue du règlement des litiges entre l’émetteur et le
détenteur de monnaie électronique concernant le titre
III de la directive 2009/110/CE.
Dans le texte néerlandais de l’article 75, alinéa 1er,
de la loi du 10 décembre 2009 relative aux services
de paiement, le mot “zelfstandig” est remplacé par le
mot “onafhankelijk”, qui correspond mieux au terme
“indépendant” utilisé dans le texte français. Ces termes
sont également utilisés dans les recommandations
européennes en matière de règlement extrajudiciaire
des litiges.
2° Deux nouveaux alinéas sont insérés à l’article 75
de la loi du 10 décembre 2009. Il s’agit d’une simple
reprise de l’article 7, 12°, de la loi du 21 décembre 2009,
que l’article 12 du présent projet de loi entend abroger.
Cette disposition relève en effet davantage des dis-
positions en matière de règlement extrajudiciaire des
litiges, qui sont destinées aux consommateurs dans leur
relation contractuelle avec le prestataire de services de
paiement et émetteur de monnaie électronique.
3° Par analogie avec l’option prise lors de la trans-
position de l’article 83 de la directive 2007/64/CE, la
possibilité de faire appel à cette procédure extrajudi-
ciaire est, ici encore, limitée au cas où le détenteur de
monnaie électronique est un consommateur.
zonder kosten opzeggen wanneer de verplichtingen
van artikel 58/2 niet werden nageleefd door de uitge-
ver van elektronisch geld die in voorkomend geval ook
betalingsdiensten aanbiedt.
Art. 128 en 129
De niet-naleving van de artikelen 58/1 tot 58/3 van de
wet van 10 december 2009 wordt strafbaar gesteld door
de invoeging van een punt 20° in artikel 64 van de wet
van 10 december 2009 betreffende de betalingsdiens-
ten. Door het informatiemechanisme waarin voorzien is
in artikel 71 van de genoemde wet kan een dergelijke
niet-naleving in voorkomend geval overigens aanleiding
geven tot het opleggen van passende herstelmaatre-
gelen of administratieve sancties door de prudentiele
toezichthouder.
Art. 130
1° In uitvoering van artikel 13 van Richtlijn 2009/110/
EG, dat hoofdstuk 5 van titel IV van Richtlijn 2007/64/
EG van overeenkomstige toepassing maakt, wordt een
buitengerechtelijk beroep ingesteld voor de geschillen
tussen de uitgever en de houder van elektronisch geld
betreffende Titel III van Richtlijn 2009/110/EG.
In het eerste lid van artikel 75 van de wet van 10 de-
cember 2009 betreffende de betalingsdiensten wordt
in het Nederlands het woord “zelfstandig” vervangen
door het begrip “onafhankelijk”, dat beter aansluit bij de
term “indépendant” in het Frans. Deze termen worden
eveneens gehanteerd in de Europese aanbevelingen
inzake buitengerechtelijke geschillenbeslechting.
2° In artikel 75 van de wet van 10 december 2009
worden twee nieuwe leden ingevoegd. Het betreft een
loutere overname van de het bestaande artikel 7, 12°
van de wet van 21 december 2009, dat wordt opgeheven
via artikel 12 van dit wetsontwerp. Deze bepaling hoort
immers beter thuis bij de bepalingen inzake buitenge-
rechtelijke geschillenregeling voor de consumenten in
hun contractuele verhouding met de betalingsdienstaan-
bieder en de uitgever van elektronisch geld.
3° Naar analogie met de genomen optie bij de omzet-
ting van artikel 83 van Richtlijn 2007/64/EG, wordt ook
hier de mogelijkheid om een beroep te doen op deze bui-
tengerechtelijke procedure beperkt tot het geval waarbij
de houder van elektronisch geld een consument is.
DOC 53 2432/001
56
2431/001
DOC 53
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 3 e L É G I S L A T U R E
K AMER 3e Z ITTING VAN DE 53e Z ITTING S P E RIO DE
2011
2012
Art. 131
L’article 133 du projet de loi prévoit une prolongation
du délai prévu à l’article 34 de la loi du 28 juillet 2011
visant à transposer diverses directives relatives au
contrôle du secteur fi nancier et portant dispositions
diverses, habilitant le Roi à prendre, par arrêté déli-
béré en Conseil des ministres, sur avis de la Banque
Nationale de Belgique et de l’Autorité des services
et marchés fi nanciers, les mesures nécessaires pour
assurer la transposition des dispositions de la Direc-
tive 2010/78/UE du Parlement européen et du Conseil
du 24 novembre 2010 modifi ant les directives 98/26/
CE, 2002/87/CE, 2003/6/CE, 2003/41/CE, 2003/71/
CE, 2004/39/CE, 2004/109/CE, 2005/60/CE, 2006/48/
CE, 2006/49/CE et 2009/65/CE en ce qui concerne les
compétences de l’Autorité européenne de surveillance
(Autorité bancaire européenne), l’Autorité européenne
de surveillance (Autorité européenne des assurances et
des pensions professionnelles) et l’Autorité européenne
de surveillance (Autorité européenne des marchés
fi nanciers), appelée “directive Omnibus I”.
Le délai dans lequel le Roi devait faire usage de son
habilitation, originellement prévu au 31 décembre 2011,
a expiré et doit être prorogé jusqu’au 31 décembre 2012
afi n de permettre une transposition rapide la directive
Omnibus I. La prolongation du délai se justifi e par la
nécessité d’assurer une transposition rapide de la
directive précitée au regard des délais de transposition
imposés.
L’habilitation accordée au Roi est assortie de garan-
ties importantes: elle est limitée dans le temps, et les
arrêtés pris sous son couvert doivent faire l’objet d’une
confi rmation par la loi dans un bref délai. Les arrêtés
royaux adoptés dans ce cadre doivent être délibérés
en Conseil des ministres et être pris sur avis de la BNB
et de la FSMA. Ils cessent de produire leurs effets s’ils
n’ont pas été confi rmés par la loi dans les dix-huit mois
de leur date d’entrée en vigueur. Les pouvoirs accordés
au Roi expirent le 31 décembre 2012. L’on relèvera en
outre que le projet de loi défi nit clairement les domaines
dans lesquels le Roi est habilité à prendre les mesures
requises.
Art. 132
Cet article transpose l’option prévue à l’article 18.2
de la directive.
Le paragraphe 1 er prévoit que les établissements de
monnaie électronique agréés en Belgique avant l’entrée
en vigueur de la loi sont considérés comme étant de
Art. 131
Art. 133 van het wetsontwerp bevat een verlenging
van de termijn voorzien in artikel 34 van de wet van
28 juli 2011 tot omzetting van diverse richtlijnen betref-
fende het toezicht op de fi nanciële sector en houdende
diverse bepalingen, waarin aan de Koning de machti-
ging wordt verleend om, door middel van een besluit
vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de nodige
maatregelen te treffen ter omzetting van de bepalingen
van Richtlijn 2010/78/EU van het Europees Parlement
en de Raad van 24 november 2010 tot wijziging van de
Richtlijnen 98/26/EG, 2002/87/EG, 2003/6/EG, 2003/41/
EG, 2003/71/EG, 2004/39/EG, 2004/109/EG, 2005/60/
EG, 2006/48/EG, 2006/49/EG en 2009/65/EG wat de
bevoegdheden van de Europese toezichthoudende
autoriteit (Europese Bankautoriteit), de Europese toe-
zichthoudende autoriteit (Europese Autoriteit voor
verzekeringen en bedrijfspensioenen) en de Europese
toezichthoudende autoriteit (Europese Autoriteit voor
effecten en markten), Omnibus I-Richtlijn genaamd.
De oorspronkelijk voorziene termijn van 31 decem-
ber 2011, waarbinnen de Koning gebruik diende te
maken van zijn machtiging, is verstreken en dient te
worden verlengd tot 31 december 2012 om vooralsnog
een snelle omzetting van de Omnibus I-Richtlijn toe te
laten. De verlenging van de voorziene termijn is veran-
twoord gelet op de noodzakelijkheid om een snelle
omzetting van voorgenoemde richtlijn te verzekeren
rekening houdend met de opgelegde omzettingstermijn.
De machtiging aan de Koning gaat gepaard met
belangrijke waarborgen: ze is beperkt in de tijd en de
op grond ervan genomen besluiten dienen op korte
termijn bij wet te worden bekrachtigd. De Koninklijke
Besluiten die in dit kader worden genomen moeten
worden vastgesteld na overleg in de Ministerraad en
op advies van de NBB en de FSMA. Zij hebben geen
gevolg meer indien zij niet worden bekrachtigd bij wet
binnen de achttien maanden vanaf hun datum van inwer-
kingtreding. De aan de Koning verleende bevoegdheden
vervallen op 31 december 2012. Bovendien is duidelijk
omschreven in welke domeinen de Koning de vereiste
maatregelen kan treffen.
Art. 132
Dit artikel vormt de omzetting van de mogelijkheid die
in artikel 18.2 van de Richtlijn wordt geboden.
Pagraaf 1 bepaalt dat instellingen voor elektronisch
geld die vóór de inwerkingtreding van de wet een vergun-
ning hebben verkregen in België, voor de toepassing van
DOC 53 2432/001
57
2431/001
DOC 53
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 3 e L É G I S L A T U R E
K AMER 3e Z ITTING VAN DE 53e Z ITTING S P E RIO DE
2011
2012
plein droit agréés pour l’application du Livre 3 de la loi
du 21 décembre 2009. La Banque inscrit ces établisse-
ments sur la liste visée à l’article 64 de ladite loi.
Le paragraphe 2 prévoit que les établissements de
monnaie électroniques qui bénéfi ciaient d’une exemp-
tion sur la base de l’ancien article 2, § 2 de la loi ban-
caire sont considérés comme étant de plein droit agréés
pour l’application de la loi nouvelle. La Banque inscrit
ces personnes morales exemptées sur la liste visée à
l’article 64 de la loi du 21 décembre 2009.
Certaines personnes morales bénéficiant d’une
exemption sur la base de l’ancien article 2, § 2 de la loi
bancaire ne seront toutefois pas reprises sur cette liste.
En effet, elles ne seront plus exemptées mais exclues du
champ d’application de la nouvelle loi. En effet, certains
des critères d’exemption sont devenus, en vertu de la
directive, des critères d’exclusion (voyez par exemple
l’émission de monnaie électronique émise ou distribuée
au sein d’un réseau limité).
Il est important que la Banque soit informée des
activités autres que l’émission de monnaie électronique
exercées par les établissements de monnaie électro-
nique agréés et par les personnes morales exemptées,
visées à l’article 77, § 2 de la loi du 21 décembre 2009.
L’article 133 de la loi leur impose l’obligation de fournir
sans délai à la Banque les informations pertinentes à
ce sujet. Notons que si l’établissement de monnaie
électronique agréé ou la personne morale exemptée
entend fournir une activité commerciale visée à l’article
77, § 1er de la loi du 21 décembre 2009, il/elle devra
obtenir l’autorisation préalable de la Banque (article 77,
§ 1er et article 105, § 1er, 2°, deuxième alinéa de la loi du
21 décembre 2009).
Boek 3 van de wet van 21 december 2009 beschouwd
worden als instellingen die van rechtswege een vergun-
ning hebben verkregen. De Bank neemt die instellingen
op in de lijst bedoeld in artikel 64 van deze wet.
Paragraaf 2 bepaalt dat instellingen voor elektro-
nisch geld die op grond van het oude artikel 2, § 2 van
de bankwet waren vrijgesteld, voor de toepassing van
de nieuwe wet beschouwd worden als instellingen die
van rechtswege zijn vrijgesteld. De Bank neemt deze
vrijgestelde rechtspersonen op in de lijst bedoeld in
artikel 64 van de wet van 21 december 2009.
Sommige van de rechtspersonen die op grond van
het oude artikel 2, § 2 van de bankwet zijn vrijgesteld,
zullen echter niet worden opgenomen in deze lijst.
Deze rechtspersonen zullen niet langer vrijgesteld zijn
maar uitgesloten zijn van het toepassingsgebied van
de nieuwe wet. Sommige van de vrijstellingscriteria zijn
op grond van de Richtlijn namelijk uitsluitingscriteria
geworden (zie bijvoorbeeld de uitgifte van elektronisch
geld dat binnen een beperkt netwerk wordt uitgegeven
of verspreid).
Het is van belang dat de instellingen voor elektro-
nisch geld die een vergunning hebben verkregen en de
rechtspersonen die vrijgesteld zijn, als bedoeld in artikel
77, § 2 van de wet van 21 december 2009, de Bank in
kennis stellen van de werkzaamheden die zij buiten de
uitgifte van elektronisch geld uitoefenen. Artikel 133
van de wet verplicht hen om de in dit verband relevante
informatie onmiddellijk aan de Bank te bezorgen. Indien
de instelling voor elektronisch geld die een vergunning
heeft verkregen of de vrijgestelde rechtspersoon een
bedrijfswerkzaamheid als bedoeld in artikel 77, § 1 van
de wet van 21 december 2009 wenst uit te oefenen, moet
hij/zij daarvoor voorafgaandelijk de toestemming hebben
verkregen van de Bank (artikel 77, § 1 en artikel 105,
§ 1, 2°, tweede lid van de wet van 21 december 2009).
DOC 53 2432/001
58
2431/001
DOC 53
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 3 e L É G I S L A T U R E
K AMER 3e Z ITTING VAN DE 53e Z ITTING S P E RIO DE
2011
2012
Art. 133
Cet article prévoit que la loi entre en vigueur le jour
de sa publication au Moniteur belge.
Le vice-premier ministre et ministre des Finances,
Steven VANACKERE
Le vice-premier ministre et ministre de l’Économie,
des Consommateurs et de la Mer du Nord,
Johan VANDE LANOTTE
Art. 133
Dit artikel bepaalt dat de wet in werking treedt de dag
waarop ze in het Belgisch Staatsblad wordt bekend-
gemaakt.
De vice-eersteminister en minister van Financiën,
Steven VANACKERE
De vice-eersteminister en minister van Economie,
Consumenten en Noordzee,
Johan VANDE LANOTTE
2432/001
DOC 53
59
2431/001
DOC 53
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 3 e L É G I S L A T U R E
K AMER 3e Z ITTING VAN DE 53e Z ITTING S P E RIO DE
2011
2012
EXPOSÉ DES MOTIFS (II)
MESDAMES, MESSIEURS,
Le projet de loi que le Gouvernement à l’honneur de
vous soumettre règle la transposition partielle en droit
belge de la directive 2009/110/CE du Parlement euro-
péen et du Conseil du 16 septembre 2009 concernant
l’accès à l’activité des établissements de monnaie
électronique et son exercice ainsi que la surveillance
prudentielle de ces établissements, modifiant les
directives 2005/60/CE et 2006/48/CE et abrogeant la
directive 2000/46/CE (ci-après “la directive”).
L’objectif poursuivi par le législateur européen était
de revoir le cadre juridique mis en place par la direc-
tive 2000/46/CE du Parlement européen et du Conseil
du 18 septembre 2000 concernant l’accès à l’activité
des établissements de monnaie électronique et son
exercice ainsi que la surveillance prudentielle de ces
établissements (ci-après “directive 2000/46/CE”), dès
lors que certaines des dispositions de cette directive
avaient été jugées préjudiciables à l’émergence d’un
véritable marché unique des services liés à l’émission
de monnaie électronique.
Le projet de loi déposé à la Chambre par le Gouver-
nement, modifi ant la loi du 21 décembre 2009 relative
au statut des établissements de paiement, à l’accès à
l’activité de prestataire de services de paiement et à
l’accès aux systèmes de paiement et d’autres législa-
tions dans la mesure où elles sont relatives au statut des
établissements de paiement et des établissements de
monnaie électronique transpose également la directive
en instaurant des règles relatives à l’accès à l’activité
d’émission de monnaie électronique et au statut des
établissements de monnaie électronique.
Le projet de loi que le Gouvernement a l’honneur
de vous soumettre vise à modifi er l’article 36/22 de la
loi du 22 février 1998 fi xant le statut organique de la
Banque nationale de Belgique afi n de tenir compte de
l’instauration d’un nouveau statut prudentiel pour les
établissements de monnaie électronique, qui ne seront
dorénavant plus considérés comme des établissements
de crédit.
Le projet de loi règle l’introduction d’un recours
auprès du Conseil d’État conformément à la procédure
accélérée contre certaines décisions de la Banque, pour
les décisions prises par la Banque vis-à-vis des éta-
blissements de monnaie électronique dans le cadre de
demandes d’agrément des établissements souhaitant
obtenir ce statut, ou dans le cadre de la surveillance
MEMORIE VAN TOELICHTING (II)
DAMES EN HEREN,
Het wetsontwerp dat de Regering de eer heeft U
voor te leggen, zorgt voor de gedeeltelijke omzetting
in Belgisch recht van Richtlijn 2009/110/EG van het
Europees Parlement en de Raad van 16 september
2009 betreffende de toegang tot, de uitoefening van
en het prudentieel toezicht op de werkzaamheden van
instellingen voor elektronisch geld, tot wijziging van de
Richtlijnen 2005/60/EG en 2006/48/EG en tot intrekking
van Richtlijn 2000/46/EG (hierna “de Richtlijn”).
Doel van de Europese wetgever was om het rechts-
kader ingesteld bij Richtlijn 2000/46/EG van het Euro-
pees Parlement en de Raad van 18 september 2000
betreffende de toegang tot, de uitoefening van en het
bedrijfseconomisch toezicht op de werkzaamheden
van instellingen voor elektronisch geld (hierna “Richtlijn
2000/46/EG”) te herzien, omdat sommige bepalingen
van deze richtlijn de totstandkoming van een echte in-
terne markt voor diensten die verband houden met de
uitgifte van elektronisch geld zouden hebben gehinderd.
De Richtlijn wordt ook omgezet via het wetsontwerp
dat door de Regering werd ingediend bij de Kamer tot
wijziging van de wet van 21 december 2009 betreffende
het statuut van de betalingsinstellingen, de toegang tot
het bedrijf van betalingsdienstaanbieder en de toegang
tot betalingssystemen, en van andere wetgeving die
betrekking heeft op het statuut van de betalingsinstel-
lingen en van de instellingen voor elektronisch geld.
Dit wetsontwerp voert regels in met betrekking tot de
toegang tot de activiteit van uitgifte van elektronisch geld
en het statuut van de instellingen voor elektronisch geld.
Het wetsontwerp dat de Regering de eer heeft u
voor te leggen, wijzigt artikel 36/22 van de wet van
22 februari 1998 tot vaststelling van het organiek statuut
van de Nationale Bank van België, naar aanleiding van
de invoering van een nieuw prudentieel statuut voor de
instellingen voor elektronisch geld, die niet meer als
kredietinstellingen zullen worden beschouwd.
Het wetsontwerp regelt de instelling van een beroep
bij de Raad van State overeenkomstig de versnelde pro-
cedure tegen bepaalde beslissingen van de Bank, voor
de beslissingen die door de Bank worden genomen ten
aanzien van instellingen voor elektronisch geld die een
vergunningsaanvraag indienen om het nieuwe statuut
te verkrijgen, of in het kader van het prudentieel toezicht
2432/001
DOC 53
DOC 53
60
2431/001
DOC 53
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 3 e L É G I S L A T U R E
K AMER 3e Z ITTING VAN DE 53e Z ITTING S P E RIO DE
2011
2012
prudentielle exercée par la Banque sur l’exercice des
activités de ces établissements.
Le projet de loi règle une matière visée à l’article
77 de la Constitution.
Il a été tenu compte des remarques du Conseil
d’État. En réponse à l’observation du Conseil d’État
relative au manque d’une évaluation d’incidence des
décisions sur le développement durable, il est précisé
que l’article 19/1 de la loi du 5 mai 1997, inséré par la loi
du 30 juillet 2010, n’a pas encore pu faire l’objet d’une
exécution. Un projet d’arrêté royal règlant l’évaluation
d’incidence et fi xant les dispenses de cette évaluation,
est en cours de préparation.
Dès lors, l’on ne peut s’appuyer que sur les directives
existantes en matière du test EIDDD. Il peut être conclu
que la dispense découlant de l’urgence des mesures à
prendre peut être invoquée.
Le vice-premier ministre et ministre des Finances,
Steven VANACKERE
dat door de Bank wordt uitgeoefend op de uitoefening
van de werkzaamheden van die instellingen.
Het wetsontwerp regelt een aangelegenheid als
bedoeld in artikel 77 van de Grondwet.
Er is rekening gehouden met de opmerkingen van
de Raad van State. In antwoord op de opmerking van
de Raad van State met betrekking tot het ontbreken
van de duurzame ontwikkelingseffectbeoordeling, kan
worden gesteld dat artikel 19/1 van de wet van 5 mei
1997, ingevoegd bij de wet van 30 juli 2010, nog geen
uitvoering heeft gekregen. Een ontwerp van koninklijk
besluit tot regeling van de effectbeoordeling en tot bepa-
ling van de vrijstellingen van deze beoordeling, wordt
momenteel voorbereid.
Derhalve kan enkel gesteund worden op de bestaan-
de richtlijnen inzake de DOEB-test, en kan besloten wor-
den dat de vrijstelling omwille van de hoogdringendheid
van de te nemen maatregelen kan worden ingeroepen.
De vice-eersteminister en minister van Financiën,
Steven VANACKERE
2432/001
DOC 53
61
2431/001
DOC 53
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 3 e L É G I S L A T U R E
K AMER 3e Z ITTING VAN DE 53e Z ITTING S P E RIO DE
2011
2012
AVANT-PROJET DE LOI (I)
soumis à l’avis du Conseil d’État
Avant-projet de loi modifi ant la loi du
21 décembre 2009 relative au statut des établissements
de paiement, à l’accès à l’activité de prestataire de
services de paiement et à l’accès aux systèmes de
paiement et d’autres législations dans la mesure
où elles sont relatives au statut des établissements
de paiement et des établissements de monnaie
électronique
TITRE 1ER
Dispositions générales
Article 1er
La présente loi règle une matière visée à l’article 78 de
la Constitution.
Art. 2
La présente loi transpose la directive 2009/110/CE du
Parlement européen et du Conseil du 16 septembre 2009
concernant l’accès à l’activité des établissements de monnaie
électronique et son exercice ainsi que la surveillance pruden-
tielle de ces établissements, modifi ant les directives 2005/60/
CE et 2006/48/CE et abrogeant la directive 2000/46/CE.
TITRE 2
Modifi cations de la loi du 21 décembre 2009 relative
au statut des établissements de paiement, à l’accès à
l’activité de prestataire de services de paiement et à
l’accès aux systèmes de paiement
Art. 3
L’intitulé de la loi du 21 décembre 2009 relative au statut
des établissements de paiement, à l’accès à l’activité de
prestataire de services de paiement et à l’accès aux systèmes
de paiement est remplacé par ce qui suit:
“Loi du 21 décembre 2009 relative au statut des établis-
sements de paiement et des établissements de monnaie
électronique, à l’accès à l’activité de prestataire de services
de paiement, à l’activité d’émission de monnaie électronique
et à l’accès aux systèmes de paiement”.
Art. 4
Dans la même loi, l’intitulé du Titre 1er est remplacé par
ce qui suit:
“Livre 1er - Objet — Champ d’application - Défi nitions”.
VOORONTWERP VAN WET (I)
onderworpen aan het advies van de Raad van State
Voorontwerp van wet tot wijziging van de wet
van 21 december 2009 betreffende het statuut
van de betalingsinstellingen, de toegang tot
het bedrijf van betalingsdienstaanbieder en de
toegang tot betalingssystemen, en van andere
wetgeving die betrekking heeft op het statuut van
de betalingsinstellingen en van de instellingen voor
elektronisch geld
TITEL 1
Algemene bepalingen
Artikel 1
Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel
78 van de Grondwet.
Art. 2
Deze wet voorziet in de omzetting van Richtlijn 2009/110/
EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 septem-
ber 2009 betreffende de toegang tot, de uitoefening van en
het prudentieel toezicht op de werkzaamheden van instellin-
gen voor elektronisch geld, tot wijziging van de Richtlijnen
2005/60/EG en 2006/48/EG en tot intrekking van Richtlijn
2000/46/EG.
TITEL 2
Wijzigingen in de wet van 21 december 2009 betreffende
het statuut van de betalingsinstellingen, de toegang tot het
bedrijf van betalingsdienstaanbieder en de toegang tot
betalingssystemen
Art. 3
Het opschrift van de wet van 21 december 2009 betref-
fende het statuut van de betalingsinstellingen, de toegang tot
het bedrijf van betalingsdienstaanbieder en de toegang tot
betalingssystemen wordt vervangen als volgt:
“Wet van 21 december 2009 op het statuut van de beta-
lingsinstellingen en van de instellingen voor elektronisch geld,
de toegang tot het bedrijf van betalingsdienstaanbieder en tot
de activiteit van uitgifte van elektronisch geld en de toegang
tot betalingssystemen”.
Art. 4
In dezelfde wet wordt het opschrift van Titel 1 vervangen
als volgt:
“BOEK 1 - Doel — Toepassingsgebied - Defi nities”.
2432/001
DOC 53
DOC 53
62
2431/001
DOC 53
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 3 e L É G I S L A T U R E
K AMER 3e Z ITTING VAN DE 53e Z ITTING S P E RIO DE
2011
2012
Art. 5
Dans l’article 2 de la même loi, les modifi cations suivantes
sont apportées:
1° dans l’alinéa 1er, les mots “La présente loi” sont rempla-
cés par les mots “Le Livre 2 de la présente loi”;
2° l’article 2 est complété par un alinéa rédigé comme suit:
“Le Livre 3 de la présente loi transpose la Directive
2009/110/CE du Parlement européen et du Conseil du
16 septembre 2009 concernant l’accès à l’activité des établis-
sements de monnaie électronique et son exercice ainsi que
la surveillance prudentielle de ces établissements, modifi ant
les directives 2005/60/CE et 2006/48/CE et abrogeant la
directive 2000/46/CE.”
Art. 6
Dans l’article 3 de la même loi, les modifi cations suivantes
sont apportées:
1° dans l’alinéa 1er, les mots “La présente loi” sont rempla-
cés par les mots “Le Livre 2 de la présente loi”;
2° l’article 3 est complété par un alinéa rédigé comme suit:
“Le Livre 3 de la présente loi règle l’activité d’émission
de monnaie électronique, le statut des établissements de
monnaie électronique, ainsi que le contrôle du respect des
dispositions de la présente loi et des arrêtés et règlements
pris pour son exécution.”
Art. 7
Dans l’article 4 de la même loi, les modifi cations suivantes
sont apportées:
a) dans le 11°, les mots “au sens de l’article 3, § 1er, 7°
de la loi bancaire” sont remplacés par les mots “au sens de
l’article 4, 33° de la présente loi”;
b) l’article est complété par les 29° à 37° rédigés comme
suit:
“29° Directive 2009/110/CE: la Directive 2009/110/CE du
Parlement européen et du Conseil du 16 septembre 2009
concernant l’accès à l’activité des établissements de monnaie
électronique et son exercice ainsi que la surveillance pruden-
tielle de ces établissements, modifi ant les directives 2005/60/
CE et 2006/48/CE et abrogeant la directive 2000/46/CE;
30° loi du 10 décembre 2009: la loi du 10 décembre 2009
relative aux services de paiement;
31° établissement de monnaie électronique: un émetteur
de monnaie électronique visé au Livre 3 , Titre 2;
Art. 5
In artikel 2 van dezelfde wet worden de volgende wijzigin-
gen aangebracht:
1° in het eerste lid worden de woorden “Deze wet” ver-
vangen door de woorden “Boek 2 van deze wet”;
2° artikel 2 wordt aangevuld met een lid, luidende:
“Boek 3 van deze wet voorziet in de omzetting van Richtlijn
2009/110/EG van het Europees Parlement en de Raad van
16 september 2009 betreffende de toegang tot, de uitoefe-
ning van en het prudentieel toezicht op de werkzaamheden
van instellingen voor elektronisch geld, tot wijziging van de
Richtlijnen 2005/60/EG en 2006/48/EG en tot intrekking van
Richtlijn 2000/46/EG.”
Art. 6
In artikel 3 van dezelfde wet worden de volgende wijzigin-
gen aangebracht:
1° in het eerste lid worden de woorden “Deze wet” ver-
vangen door de woorden “Boek 2 van deze wet”;
2° artikel 3 wordt aangevuld met een lid, luidende:
“Boek 3 van deze wet regelt de activiteit van uitgifte van
elektronisch geld, het statuut van instelling voor elektronisch
geld, alsook het toezicht op de naleving van de bepalingen
van deze wet en de ter uitvoering ervan genomen besluiten
en reglementen.”
Art. 7
In artikel 4 van dezelfde wet worden de volgende wijzigin-
gen aangebracht:
a) in de bepaling onder 11° worden de woorden “in de zin
van artikel 3, § 1, 7°, van de bankwet” vervangen door de
woorden “in de zin van artikel 4, 33°, van deze wet”;
c) het artikel wordt aangevuld met de bepalingen onder
29° tot 37°, luidende:
“29° Richtlijn 2009/110/EG: Richtlijn 2009/110/EG van het
Europees Parlement en de Raad van 16 september 2009
betreffende de toegang tot, de uitoefening van en het pru-
dentieel toezicht op de werkzaamheden van instellingen voor
elektronisch geld, tot wijziging van de Richtlijnen 2005/60/EG
en 2006/48/EG en tot intrekking van Richtlijn 2000/46/EG;
30° wet van 10 december 2009: de wet van 10 decem-
ber 2009 betreffende de betalingsdiensten;
31° instelling voor elektronisch geld: een uitgever van
elektronisch geld als bedoeld in Boek 3, Titel 2;
2432/001
DOC 53
63
2431/001
DOC 53
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 3 e L É G I S L A T U R E
K AMER 3e Z ITTING VAN DE 53e Z ITTING S P E RIO DE
2011
2012
32° émetteurs de monnaie électronique: les établissements
et autres entités visés à l’article 59, dont l’activité consiste à
émettre de la monnaie électronique, ainsi que les personnes
morales qui bénéfi cient d’une exemption au titre de l’article
105;
33° monnaie électronique: une valeur monétaire qui est
stockée sous une forme électronique, y compris magnétique,
représentant une créance sur l’émetteur, qui est émise contre
la remise de fonds aux fi ns d’opérations de paiement au sens
de l’article 4, 2° de la présente loi et qui est acceptée par
une personne physique ou morale autre que l’émetteur de
monnaie électronique;
34° détenteur de monnaie électronique: une personne
physique ou morale qui remet des fonds à un émetteur de
monnaie électronique en échange de l’émission de monnaie
électronique par cet émetteur;
35° moyenne de la monnaie électronique en circulation:
la moyenne du montant total des engagements fi nanciers
liés à la monnaie électronique émise à la fi n de chaque jour
calendaire pour les six mois calendaires précédents, calculée
sur le premier jour calendaire de chaque mois calendaire et
appliquée pour le mois calendaire en question;
36° distributeur: une personne physique ou morale qui
distribue et/ou rembourse de la monnaie électronique pour le
compte d’un établissement de monnaie électronique confor-
mément à l’article 76;
37° FSMA: l’Autorité des services et marchés fi nanciers
visée à l’article 44 de la loi du 2 août 2002 relative à la sur-
veillance du secteur fi nancier et aux services fi nanciers.”.
Art. 8
Dans la même loi, il est inséré un Livre 2, comportant les
articles 5 à 58, intitulé “Livre 2. — Statut des établissements
de paiement et accès à l’activité de prestataire de services
de paiement et aux systèmes de paiement”
Art. 9
Dans le Livre 2 de la même loi, inséré par l’article 8 de la
présente loi, il est inséré un Titre 1er, comportant l’article 5,
intitulé “TITRE 1er. — Prestataires de services de paiement”
Art. 10
L’article 5 de la même loi est remplacé par ce qui suit:
“Art. 5. Sans préjudice des dispositions régissant le statut
des établissements ou autorités énoncés ci-après, seuls sont
autorisés à fournir des services de paiement en Belgique:
1° les établissements de crédit de droit belge, les établis-
sements de crédit relevant du droit d’un autre État membre de
32° uitgevers van elektronisch geld: de instellingen en
andere entiteiten bedoeld in artikel 59, waarvan de werk-
zaamheden bestaan in het uitgeven van elektronisch geld, en
de rechtspersonen die vrijgesteld zijn op grond van artikel 105;
33° elektronisch geld: een elektronische, met inbegrip van
magnetische, opgeslagen monetaire waarde vertegenwoor-
digd door een vordering op de uitgever, die is uitgegeven in
ruil voor ontvangen geld om betalingstransacties te verrichten
in de zin van artikel 4, 2°, van deze wet, en die wordt aanvaard
door een andere natuurlijke of rechtspersoon dan de uitgever
van elektronisch geld;
34° houder van elektronisch geld: een natuurlijke of
rechtspersoon die geld overhandigt aan een uitgever van
elektronisch geld in ruil voor de uitgifte van elektronisch geld
door die uitgever;
35° gemiddeld uitstaand elektronisch geld: het gemid-
delde totale bedrag van de met elektronisch geld verband
houdende fi nanciële verplichtingen dat op het einde van elke
kalenderdag in omloop is gedurende de zes voorafgaande
kalendermaanden, berekend op de eerste kalenderdag van
elke kalendermaand en toegepast voor die kalendermaand;
36° distributeur: een natuurlijke of rechtspersoon die voor
rekening van een instelling voor elektronisch geld elektronisch
geld overmaakt en/of terugbetaalt overeenkomstig artikel 76;
37° FSMA: de Autoriteit voor Financiële Diensten en Mark-
ten bedoeld in artikel 44 van de wet van 2 augustus 2002
betreffende het toezicht op de fi nanciële sector en de fi nan-
ciële diensten.”.
Art. 8
In dezelfde wet wordt een Boek 2 ingevoegd, dat de
artikelen 5 tot 58 bevat, luidende “Boek 2 — Statuut van de
betalingsinstellingen, toegang tot het bedrijf van betalings-
dienstaanbieder en toegang tot betalingssystemen”.
Art. 9
In Boek 2 van dezelfde wet, ingevoegd bij artikel 8 van deze
wet, wordt een Titel 1 ingevoegd, die artikel 5 bevat, luidende
“TITEL 1. — Betalingsdienstaanbieders”.
Art. 10
Artikel 5 van dezelfde wet wordt vervangen als volgt:
“Art. 5. Onverminderd de bepalingen betreffende hun
statuut, mogen alleen de hiernavolgende instellingen of
overheden betalingsdiensten aanbieden in België:
1° kredietinstellingen naar Belgisch recht, kredietinstellin-
gen die ressorteren onder het recht van een andere lidstaat
2432/001
DOC 53
64
2431/001
DOC 53
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 3 e L É G I S L A T U R E
K AMER 3e Z ITTING VAN DE 53e Z ITTING S P E RIO DE
2011
2012
l’EEE, habilités à fournir des services de paiement dans leur
État d’origine, et opérant en Belgique en vertu des articles
65 ou 66 de la loi bancaire, ainsi que les succursales d’éta-
blissements de crédit relevant du droit d’un État non membre
de l’EEE, établies en Belgique conformément à l’article 79
de la loi bancaire;
2° les établissements de monnaie électronique de droit
belge, les établissements de monnaie électronique relevant du
droit d’un autre État membre de l’EEE et opérant en Belgique
en vertu de l’article 91 de la présente loi, ainsi que, pour les
services de paiement nécessaires à leur activité d’émission
de monnaie électronique, les succursales d’établissements de
monnaie électronique relevant du droit d’un État non membre
de l’EEE, établies en Belgique conformément à l’article 98
de la présente loi;
3° la société anonyme de droit public bpost;
4° la Banque nationale de Belgique et la Banque Centrale
Européenne, lorsqu’elles n’agissent pas en qualité d’autorité
monétaire ou autre autorité publique;
5° les autorités fédérales, régionales, communautaires
et locales belges, lorsqu’elles n’agissent pas en qualité
d’autorité publique;
6° les établissements de paiement visés au Titre 2, en ce
compris les personnes morales bénéfi ciant d’une exemption,
totale ou partielle, conformément à l’article 48.”.
Art. 11
Dans l’article 6 de la même loi, les modifi cations suivantes
sont apportées:
1° l’alinéa 1er est remplacé par ce qui suit:
“Toute personne morale de droit belge qui entend fournir
des services de paiement en Belgique en qualité d’établis-
sement de paiement, est tenue, avant de commencer ses
opérations, de se faire agréer auprès de la Banque, quels que
soient les autres lieux d’exercice de ses activités.”;
2° l’article est complété par un alinéa rédigé comme suit:
“Seuls les établissements de paiement établis en Belgique
et les établissements de paiement relevant du droit d’un autre
État membre de l’EEE opérant en Belgique sous le régime
de la libre prestation de services en vertu de l’article 39 de la
présente loi sont autorisés à faire usage public en Belgique
des termes “établissement de paiement”, notamment dans
leur dénomination sociale, dans la désignation de leur objet
social, dans leurs titres, effets ou documents ou dans leur
publicité.”.
Art. 12
Dans l’article 7 de la même loi, les modifi cations suivantes
sont apportées:
van de EER, die gemachtigd zijn om in hun land van herkomst
betalingsdiensten aan te bieden en die in België werkzaam
zijn op grond van de artikelen 65 of 66 van de bankwet, en
bijkantoren van kredietinstellingen die ressorteren onder het
recht van een staat die geen lid is van de EER, die in België
zijn gevestigd overeenkomstig artikel 79 van de bankwet;
2° instellingen voor elektronisch geld naar Belgisch recht,
instellingen voor elektronisch geld die ressorteren onder het
recht van een andere lidstaat van de EER en die in België
werkzaam zijn op grond van artikel 91 van deze wet, en, voor
de betalingsdiensten die voor hun activiteit van uitgifte van
elektronisch geld vereist zijn, bijkantoren van instellingen voor
elektronisch geld die ressorteren onder het recht van een
staat die geen lid is van de EER, die in België zijn gevestigd
overeenkomstig artikel 98 van deze wet;
3° de naamloze vennootschap van publiek recht bpost;
4° de Nationale Bank van België en de Europese Centrale
Bank, wanneer zij niet handelen in hun hoedanigheid van
monetaire of andere publieke autoriteit;
5° de Belgische federale, gewestelijke en lokale overheden
en de overheden van de gemeenschappen in België, wanneer
zij niet handelen in hun hoedanigheid van publieke autoriteit;
6° de betalingsinstellingen bedoeld in Titel 2, met inbe-
grip van de rechtspersonen die geheel of gedeeltelijk zijn
vrijgesteld op grond van artikel 48.”.
Art. 11
In artikel 6 van dezelfde wet worden de volgende wijzigin-
gen aangebracht:
1° het eerste lid wordt vervangen als volgt:
“Iedere rechtspersoon naar Belgisch recht die in België
betalingsdiensten wil aanbieden als betalingsinstelling, moet,
vooraleer zij haar werkzaamheden aanvat, een vergunning
verkrijgen van de Bank, ongeacht de overige plaatsen waar
zij haar werkzaamheden uitoefent.”;
2° het artikel wordt aangevuld met een lid, luidende:
“In België mogen alleen betalingsinstellingen die in België
zijn gevestigd en betalingsinstellingen die ressorteren onder
het recht van een andere lidstaat van de EER en die in België
werkzaam zijn in het kader van het vrij verrichten van diensten
op grond van artikel 39 van deze wet, publiekelijk gebruik
maken van de termen “betalingsinstelling”, inzonderheid in hun
naam, in de opgave van hun doel, in hun effecten, waarden,
stukken of in hun reclame.”.
Art. 12
In artikel 7 van dezelfde wet worden de volgende wijzigin-
gen aangebracht:
2432/001
DOC 53
65
2431/001
DOC 53
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 3 e L É G I S L A T U R E
K AMER 3e Z ITTING VAN DE 53e Z ITTING S P E RIO DE
2011
2012
1° dans le 4°, les mots “pour les établissements de paie-
ment qui exercent, en sus des services de paiement, d’autres
activités au sens de l’article 21,” sont abrogés.
2° le 12° est abrogé.
Art. 13
Dans l’article 8, alinéa 1er de la même loi, les mots “, pour
autant qu’elle parvienne à une évaluation globalement favo-
rable” sont abrogés.
Art. 14
Dans l’article 11, alinéa 2 de la même loi, le mot “cumula-
tives” est abrogé.
Art. 15
Dans l’article 14 de la même loi, les modifi cations suivantes
sont apportées:
1° dans le paragraphe 3, un alinéa rédigé comme suit est
inséré entre les alinéas 3 et 4:
“Ils prennent les mesures nécessaires pour pouvoir
disposer en permanence d’une fonction de compliance
indépendante adéquate, destinée à assurer le respect, par
l’établissement, ses administrateurs, ses dirigeants effectifs,
ses salariés et ses mandataires, des règles de droit relatives
à l’intégrité de l’activité des établissements de paiement.”;
2° dans le paragraphe 4, les mots “et fonction de gestion
des risques adéquate” sont remplacés par les mots “, fonction
de gestion des risques adéquate et fonction de compliance
indépendante adéquate”;
3° dans le paragraphe 5, alinéa 1, les mots “des para-
graphes 1er, 2 et 3” sont remplacés par les mots “des para-
graphes 1er, 2 et 3 et de l’article 23, alinéa 1er, f)”.
4° dans le paragraphe 5, alinéa 2, les mots “des para-
graphes 1er, 2 et 3 et de l’alinéa 1er du présent paragraphe”
sont remplacés par les mots “des paragraphes 1er, 2 et 3 du
présent article, de l’alinéa 1er du présent paragraphe et de
l’article 23, alinéa 1er, f)”
5° dans le paragraphe 5, alinéa 2 et dans le paragraphe
6, les mots “, le cas échéant par l’intermédiaire du comité
d’audit,” sont chaque fois abrogés.
Art. 16
Dans l’article 21 de la même loi, les modifi cations suivantes
sont apportées:
1° Le paragraphe 1er est remplacé par ce qui suit:
1° in de bepaling onder 4° worden de woorden “voor de
betalingsinstellingen die naast betalingsdiensten andere wer-
kzaamheden verrichten in de zin van artikel 21,” geschrapt.
2° de bepaling onder 12° wordt opgeheven.
Art. 13
In artikel 8, eerste lid, van dezelfde wet, worden de woorden
“, en voor zover zij over de gehele lijn tot een positief oordeel
komt” geschrapt.
Art. 14
In artikel 11, tweede lid van dezelfde wet wordt het woord
“cumulatief” geschrapt.
Art. 15
In artikel 14 van dezelfde wet worden de volgende wijzi-
gingen aangebracht:
1° in paragraaf 3 wordt tussen het derde en het vierde lid
een lid ingevoegd, luidende:
“Zij neemt de nodige maatregelen om blijvend te kunnen
beschikken over een passende onafhankelijke compliance-
functie, om de naleving door de instelling, haar bestuurders,
effectieve leiding, werknemers en gevolmachtigden te verze-
keren van de rechtsregels in verband met de integriteit van de
werkzaamheden van de betalingsinstellingen.”;
2° in paragraaf 4 worden de woorden “en een passende
risicobeheerfunctie” vervangen door de woorden “, een
passende risicobeheerfunctie en een passende onafhanke-
lijke compliancefunctie”;
3° In paragraaf 5, eerste lid, worden de woorden “bij de
paragrafen 1, 2 en 3” vervangen door de woorden “bij de
paragrafen 1, 2 en 3 en artikel 23, eerste lid, f)”.
4° In paragraaf 5, tweede lid, worden de woorden “bij de
paragrafen 1, 2 en 3 en het eerste lid van deze paragraaf”
vervangen door de woorden “bij de paragrafen 1, 2 en 3 van
dit artikel, het eerste lid van deze paragraaf en artikel 23,
eerste lid, f)”.
5° in paragraaf 5, tweede lid en in paragraaf 6 woorden
de woorden “, in voorkomend geval via het auditcomité,”
geschrapt.
Art. 16
In artikel 21 van dezelfde wet worden de volgende wijzi-
gingen aangebracht:
1° Paragraaf 1 wordt vervangen als volgt:
2432/001
DOC 53
66
2431/001
DOC 53
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 3 e L É G I S L A T U R E
K AMER 3e Z ITTING VAN DE 53e Z ITTING S P E RIO DE
2011
2012
“Les établissements de paiement sont habilités à exercer
des activités autres que les services de paiement, moyennant
l’autorisation préalable de la Banque.
Sans préjudice de l’article 25, dernier alinéa, si la Banque
autorise un établissement de paiement à exécuter des
activités autres que des services de paiement, elle peut, en
vue d’une gestion saine et prudente et d’une maîtrise des
risques appropriée par l’établissement de paiement, ou pour
les besoins d’un contrôle prudentiel adapté dudit établisse-
ment, subordonner à certaines conditions complémentaires
l’exercice d’activités autres que les services de paiement ou
les activités visées au paragraphe 2.
En outre, la Banque peut exiger que l’exercice des services
de paiement soit logée dans une entité juridique distincte de
l’entité exerçant d’autres activités.”.
2° Dans la version néerlandaise, au paragraphe 2, 2°, les
mots “het exploiteren van betalingssystemen” sont remplacés
par les mots “het beheer van betalingssystemen”.
3° Dans le paragraphe 4, alinéa 2, et dans le paragraphe
5, les mots “au sens de l’article 3, 7°, de la loi bancaire” sont
chaque fois abrogés.
4° Dans le paragraphe 6, alinéa 1, les mots “sauf auto-
risation de” sont remplacés par les mots “sauf autorisation
préalable de”.
5° Dans le paragraphe 6, alinéa 2, les mots “et d’exploita-
tion de systèmes de paiement” sont remplacés par les mots
“et de gestion de systèmes de paiement”.
Art. 17
Dans l’article 22, paragraphe 1er, alinéa 1er de la même loi,
les modifi cations suivantes sont apportées:
1° les mots “Lorsqu’un établissement de paiement exerce
des activités autres que les services de paiement et les ser-
vices visés à l’article 21, § 2, 1°, les fonds qui ont été reçus”
sont remplacés par les mots “Les fonds reçus par un établis-
sement de paiement”;
2° au point c), les mots “pour un montant qui est égal au
montant qui serait aliéné en l’absence d’une assurance, d’une
garantie ou d’une caution”, sont remplacés par les mots “pour
un montant qui aurait été affecté en application du point b)”.
3° L’article est complété par un paragraphe 4 rédigé
comme suit:
“Betalingsinstellingen mogen andere werkzaamheden dan
betalingsdiensten verrichten, mits hiervoor voorafgaandelijk
toestemming is verleend door de Bank.
Indien de Bank erin toestemt dat een betalingsinstelling
andere werkzaamheden dan betalingsdiensten verricht, kan
zij, onverminderd artikel 25, laatste lid en gelet op de noodzaak
van een gezond en voorzichtig beleid en een passende risico-
beheersing door de betalingsinstelling of op de vereiste van
een passend prudentieel toezicht op deze instelling, de uitoe-
fening van andere werkzaamheden dan betalingsdiensten of
de in paragraaf 2 bedoelde werkzaamheden aan aanvullende
voorwaarden onderwerpen.
Bovendien kan de Bank eisen dat het betalingsdiensten-
bedrijf ondergebracht wordt in een afzonderlijke juridische
entiteit, afgescheiden van deze die andere werkzaamheden
uitoefent.”.
2° In de Nederlandse versie van paragraaf 2, 2°, worden de
woorden “het exploiteren van betalingssystemen” vervangen
door de woorden “het beheer van betalingssystemen”.
3° In paragraaf 4, tweede lid en in paragraaf 5 worden de
woorden “in de zin van artikel 3, 7°, van de bankwet” telkens
geschrapt.
4° In de Franse versie van paragraaf 6, eerste lid, worden
de woorden “sauf autorisation de” vervangen door de woorden
“sauf autorisation préalable de”.
5° In paragraaf 6, tweede lid, worden de woorden “en
exploiteren van betalingsystemen” vervangen door de woor-
den “en het beheer van betalingssystemen”.
Art. 17
In artikel 22, paragraaf 1, eerste lid van dezelfde wet, wor-
den de volgende wijzigingen aangebracht:
1° de woorden “Wanneer een betalingsinstelling andere
werkzaamheden verricht dan betalingsdiensten en de bij
artikel 21, § 2, 1°, bedoelde diensten, dienen de geldmid-
delen die zij van betalingsdienstgebruikers rechtstreeks of
via andere betalingsdienstaanbieders voor de uitvoering
van betalingstransacties ontvangt” worden vervangen door
de woorden “De geldmiddelen die een betalingsinstelling
rechtstreeks of via andere betalingsdienstaanbieders van
betalingsdienstgebruikers ontvangt voor de uitvoering van
betalingstransacties, dienen”
2° in punt c) worden de woorden “voor een bedrag dat gelijk
is aan het bedrag dat afgescheiden zou zijn bij afwezigheid
van een verzekering, garantie of waarborg” vervangen door
de woorden “voor een bedrag dat besteed geweest zou zijn
met toepassing van punt b)”.
3° Het artikel wordt aangevuld met een paragraaf 4,
luidende:
2432/001
DOC 53
67
2431/001
DOC 53
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 3 e L É G I S L A T U R E
K AMER 3e Z ITTING VAN DE 53e Z ITTING S P E RIO DE
2011
2012
“Sans préjudice des pouvoirs dévolus à l’organe légal
d’administration en ce qui concerne la détermination de la
politique générale, tels que prévus par le Code des sociétés,
les personnes chargées de la direction effective de l’établis-
sement de paiement, le cas échéant le comité de direction,
prennent, sous la surveillance de l’organe légal d’adminis-
tration, les mesures nécessaires pour assurer le respect des
paragraphes 1er et 2.
L’organe légal d’administration de l’établissement de paie-
ment doit contrôler au moins une fois par an si l’établissement
se conforme aux dispositions des paragraphes 1er et 2 et de
l’alinéa 1er du présent paragraphe, et prend connaissance des
mesures adéquates prises.
Les personnes chargées de la direction effective, le cas
échéant le comité de direction, font rapport au moins une
fois par an à l’organe légal d’administration, à la Banque
et au commissaire agréé sur le respect des dispositions de
l’alinéa 1er du présent paragraphe et sur les mesures adé-
quates prises.
Ces informations sont transmises à la Banque et au com-
missaire agréé selon les modalités que la Banque détermine.”.
Art. 18
À l’article 28, alinéa 4 de la même loi, les mots “aux articles
144 et 148 du Code des sociétés” sont remplacés par les mots
“à l’article 33, alinéa 1er, 2°”.
Art. 19
À l’article 33, alinéa 1er, 1° de la même loi, tel que remplacé
par la loi du 28 juillet 2011, les mots “conformément à l’article
14, § 3, alinéa 1er” sont remplacés par les mots “conformément
aux articles 14, § 3, alinéa 1er et 23, alinéa 1er, f)”.
Art. 20
Dans l’article 35 de la même loi, les modifi cations suivantes
sont apportées:
a) le paragraphe 1er est remplacé par ce qui suit:
“§ 1er. Lorsque la Banque constate qu’un établissement de
paiement ne fonctionne pas en conformité avec les disposi-
tions de la présente loi et des arrêtés et règlements pris pour
son exécution, que sa gestion ou sa situation fi nancière sont
de nature à mettre en cause la bonne fi n de ses engagements
ou n’offrent pas des garanties suffisantes sur le plan de sa sol-
vabilité, de sa liquidité ou de sa rentabilité, que ses structures
de gestion, son organisation administrative ou comptable, son
réseau d’agents ou de succursales, ou son contrôle interne
présentent des lacunes graves, ou que la poursuite de ses
activités représente une menace pour la stabilité du système
de paiement, elle fi xe le délai dans lequel il doit être remédié
à la situation constatée.
“Onverminderd de bevoegdheden van het wettelijke bes-
tuursorgaan inzake vaststelling van het algemeen beleid als
bepaald bij het Wetboek van Vennootschappen, nemen de
personen belast met de effectieve leiding van de betaling-
sinstelling, in voorkomend geval het directiecomité, onder toe-
zicht van het wettelijke bestuursorgaan de nodige maatregelen
voor de naleving van het bepaalde bij de paragrafen 1 en 2.
Het wettelijke bestuursorgaan van de betalingsinstel-
ling dient minstens jaarlijks te controleren of de instelling
beantwoordt aan het bepaalde bij de paragrafen 1 en 2 en
het eerste lid van deze paragraaf, en neemt kennis van de
genomen passende maatregelen.
De personen belast met de effectieve leiding, in voorko-
mend geval het directiecomité, lichten minstens jaarlijks het
wettelijke bestuursorgaan, de Bank en de erkende commissa-
ris in over de naleving van het bepaalde bij het eerste lid van
deze paragraaf en over de genomen passende maatregelen.
De informatieverstrekking aan de Bank en de erkende
commissaris gebeurt volgens de modaliteiten die de Bank
bepaalt.”.
Art. 18
In artikel 28, vierde lid van dezelfde wet, worden de
woorden “in de artikelen 144 en 148 van het Wetboek van
Vennootschappen”, vervangen door de woorden “in artikel
33, eerste lid, 2°”.
Art. 19
In artikel 33, eerste lid, 1° van dezelfde wet, vervangen bij
de wet van 28 juli 2011, worden de woorden “overeenkomstig
artikel 14, § 3, eerste lid” vervangen door de woorden “ove-
reenkomstig de artikelen 14, § 3, eerste lid en 23, eerste lid, f)”.
Art. 20
In artikel 35 van dezelfde wet worden de volgende wijzi-
gingen aangebracht:
a) paragraaf 1 wordt vervangen als volgt:
“§ 1. Wanneer de Bank vaststelt dat een betalingsinstelling
niet werkt overeenkomstig de bepalingen van deze wet en de
ter uitvoering ervan genomen besluiten en reglementen, dat
haar beleid of fi nanciële positie de goede afl oop van haar
verbintenissen in het gedrang dreigt te brengen of niet vol-
doende waarborgen biedt voor haar solvabiliteit, liquiditeit of
rendabiliteit, dat haar beleidsstructuren, haar administratieve
of boekhoudkundige organisatie, haar agenten- of bijkantoren-
net, of haar interne controle ernstige leemten vertoont, of dat
de voortzetting van haar bedrijf een bedreiging vormt voor de
stabiliteit van het betalingssysteem, stelt zij de termijn vast
waarbinnen deze toestand moet worden verholpen.
2432/001
DOC 53
68
2431/001
DOC 53
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 3 e L É G I S L A T U R E
K AMER 3e Z ITTING VAN DE 53e Z ITTING S P E RIO DE
2011
2012
Si, au terme de ce délai, il n’a pas été remédié à la situa-
tion, la Banque peut:
1° désigner un commissaire spécial.
Dans ce cas, l’autorisation écrite, générale ou spéciale
de celui-ci est requise pour tous les actes et décisions de
tous les organes de l’établissement, y compris l’assemblée
générale, et pour ceux des personnes chargées de la ges-
tion; la Banque peut toutefois limiter le champ des opérations
soumises à autorisation.
Le commissaire spécial peut soumettre à la délibération
de tous les organes de l’établissement, y compris l’assem-
blée générale, toutes propositions qu’il juge opportunes. La
rémunération du commissaire spécial est fi xée par la Banque
et supportée par l’établissement.
Les membres des organes d’administration et de gestion
et les personnes chargées de la gestion qui accomplissent
des actes ou prennent des décisions sans avoir recueilli
l’autorisation requise du commissaire spécial sont respon-
sables solidairement du préjudice qui en est résulté pour
l’établissement ou les tiers.
Si la Banque a publié au Moniteur belge la désignation du
commissaire spécial et spécifi é les actes et décisions soumis
à son autorisation, les actes et décisions intervenus sans
cette autorisation alors qu’elle était requise sont nuls, à moins
que le commissaire spécial ne les ratifi e. Dans les mêmes
conditions toute décision d’assemblée générale prise sans
avoir recueilli l’autorisation requise du commissaire spécial
est nulle, à moins que le commissaire spécial ne la ratifi e.
La Banque peut désigner un commissaire suppléant.
2° suspendre pour la durée qu’elle détermine l’exercice
direct ou indirect de tout ou partie de l’activité de l’établisse-
ment de paiement ou interdire cet exercice; cette suspension
peut, dans la mesure déterminée par la Banque, impliquer
la suspension totale ou partielle de l’exécution des contrats
en cours.
Les membres des organes d’administration et de gestion
et les personnes chargées de la gestion qui accomplissent
des actes ou prennent des décisions en violation de la sus-
pension sont responsables solidairement du préjudice qui
en est résulté pour l’établissement de paiement ou les tiers.
Si la Banque a publié la suspension au Moniteur belge, les
actes et décisions intervenus à l’encontre de celle-ci sont nuls.
La Banque peut, de même, enjoindre à un établissement
de paiement de céder des participations qu’il détient, le cas
échéant, conformément à l’article 21, § 6;
3° imposer, en matière de solvabilité, des exigences plus
strictes que celles visées à l’article 17;
Indien de toestand na deze termijn niet is verholpen, kan
de Bank:
1° een speciaal commissaris aanstellen.
In dit geval is voor alle handelingen en beslissingen van alle
organen van de instelling, inclusief de algemene vergadering,
alsook voor die van de personen die instaan voor het beleid,
zijn schriftelijke, algemene of bijzondere toestemming vereist;
de Bank kan de verrichtingen waarvoor een toestemming is
vereist evenwel beperken.
De speciaal commissaris mag elk voorstel dat hij nuttig
acht, voorleggen aan alle organen van de instelling, inclusief
de algemene vergadering. De bezoldiging van de speciaal
commissaris wordt vastgesteld door de Bank en gedragen
door de instelling.
De leden van de bestuurs- en beleidsorganen en de per-
sonen die instaan voor het beleid, die handelingen stellen of
beslissingen nemen zonder de vereiste toestemming van de
speciaal commissaris, zijn hoofdelijk aansprakelijk voor het
nadeel dat hieruit voor de instelling of voor derden voortvloeit.
Indien de Bank de aanstelling van een speciaal commis-
saris in het Belgisch Staatsblad heeft bekendgemaakt, met
opgave van de handelingen en beslissingen waarvoor zijn
toestemming is vereist, zijn alle handelingen en beslissingen
zonder deze vereiste toestemming nietig, tenzij de speciaal
commissaris die bekrachtigt. Onder dezelfde voorwaarden
zijn alle beslissingen van de algemene vergadering zonder
de vereiste toestemming van de speciaal commissaris nietig,
tenzij hij die bekrachtigt.
De Bank kan een plaatsvervangend commissaris aanstel-
len.
2° voor de termijn die zij bepaalt, de rechtstreekse of
onrechtstreekse uitoefening van het bedrijf van de betaling-
sinstelling geheel of ten dele schorsen dan wel verbieden;
deze schorsing kan, in de door de Bank bepaalde mate, de
volledige of gedeeltelijke schorsing van de uitvoering van de
lopende overeenkomsten tot gevolg hebben.
De leden van de bestuurs- en beleidsorganen en de per-
sonen die instaan voor het beleid, die handelingen stellen of
beslissingen nemen ondanks de schorsing, zijn hoofdelijk
aansprakelijk voor het nadeel dat hieruit voor de betaling-
sinstelling of voor derden voortvloeit.
Indien de Bank de schorsing in het Belgisch Staatsblad
heeft bekendgemaakt, zijn alle hiermee strijdige handelingen
en beslissingen nietig.
De Bank kan een betalingsinstelling tevens gelasten
deelnemingen over te dragen die zij in voorkomend geval
bezit overeenkomstig artikel 21, § 6;
3° inzake solvabiliteit, strengere vereisten opleggen dan
deze bedoeld in artikel 17;
2432/001
DOC 53
69
2431/001
DOC 53
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 3 e L É G I S L A T U R E
K AMER 3e Z ITTING VAN DE 53e Z ITTING S P E RIO DE
2011
2012
4° enjoindre le remplacement des administrateurs ou
gérants de l’établissement de paiement dans un délai qu’elle
détermine et, à défaut d’un tel remplacement dans ce délai,
substituer à l’ensemble des organes d’administration et de
gestion de l’établissement un ou plusieurs administrateurs
ou gérants provisoires qui disposent, seuls ou collégialement
selon le cas, des pouvoirs des personnes remplacées. La
Banque publie sa décision au Moniteur belge.
La rémunération du ou des administrateurs ou gérants
provisoires est fi xée par la Banque et supportée par l’établis-
sement de paiement.
La Banque peut, à tout moment, remplacer le ou les
administrateurs ou gérants provisoires, soit d’office, soit à
la demande d’une majorité des actionnaires ou associés
lorsqu’ils justifi ent que la gestion des intéressés ne présente
plus les garanties nécessaires;
5° révoquer l’agrément. La Banque rend publique, sur son
site internet, toute décision de révocation d’un agrément.
En cas d’extrême urgence, la Banque peut adopter les
mesures visées au présent paragraphe sans qu’un délai de
redressement ne soit préalablement fi xé.
b) dans le paragraphe 3, alinéa 1er, les mots “paragraphe 1er,
alinéas 1er et 2, 1°” sont remplacés par les mots “paragraphe
1er, alinéas 1er et 2, 2°”.
Art. 21
Dans la même loi, l’article 40, dont le texte actuel formera
le paragraphe 1er, est complété par un paragraphe 2 rédigé
comme suit:
“§ 2. Les dirigeants de la succursale font rapport au moins
une fois par an à la Banque et au réviseur agréé ou à la société
de réviseurs agréée sur l’adéquation des mesures de contrôle
interne adoptées par les succursales en vue de se conformer
aux dispositions applicables en vertu du paragraphe 1er.”.
Art. 22
L’article 48 de la même loi est remplacé par ce qui suit:
“§ 1er. La Banque peut exempter de l’application de tout
ou partie des dispositions du présent Livre et de ses arrêtés
d’exécution les personnes morales:
1° dont le montant total moyen, pour les douze mois pré-
cédents, des opérations de paiement exécutées par elles, ou
par tout agent dont elles assument l’entière responsabilité,
ne dépasse pas 3 000 000 euros sur un mois. Ce critère est
évalué par rapport au montant total prévu des opérations
4° de vervanging gelasten van bestuurders of zaakvoerders
van de betalingsinstelling binnen een termijn die zij bepaalt
en, zo binnen deze termijn geen vervanging geschiedt, in de
plaats van de voltallige bestuurs- en beleidsorganen van de
instelling een of meer voorlopige bestuurders of zaakvoerders
aanstellen die alleen of collegiaal, naargelang van het geval,
de bevoegdheden hebben van de vervangen personen. De
Bank maakt haar beslissing bekend in het Belgisch Staats-
blad.
De bezoldiging van de voorlopige bestuurder(s) of
zaakvoerder(s) wordt vastgesteld door de Bank en gedragen
door de betalingsinstelling.
De Bank kan op elk tijdstip de voorlopige bestuurder(s)
of zaakvoerder(s) vervangen, hetzij ambtshalve, hetzij op
verzoek van een meerderheid van aandeelhouders of venno-
ten, wanneer zij aantonen dat het beleid van de betrokkenen
niet meer de nodige waarborgen biedt;
5° de vergunning herroepen. De Bank maakt alle beslis-
singen tot herroeping van een vergunning bekend op haar
website.
Bij uiterste hoogdringendheid kan de Bank de in deze
paragraaf bedoelde maatregelen nemen zonder dat vooraf
een hersteltermijn wordt vastgesteld.
b) in paragraaf 3, eerste lid, worden de woorden “paragraaf
1, eerste en tweede lid, 1°” vervangen door de woorden “para-
graaf 1, eerste lid en tweede lid, 2°”.
Art. 21
In dezelfde wet wordt artikel 40, waarvan de bestaande
tekst paragraaf 1 zal vormen, aangevuld met een paragraaf
2, luidende:
“§ 2. De leiders van het bijkantoor brengen minstens
eenmaal per jaar verslag uit aan de Bank en aan de erkende
revisor of de erkende revisorenvennootschap, over de
deugdelijkheid van de internecontrolemaatregelen die de
bijkantoren hebben getroffen om zich te conformeren aan de
bepalingen die krachtens paragraaf 1 van toepassing zijn.”.
Art. 22
Artikel 48 van dezelfde wet wordt vervangen als volgt:
“§ 1. De Bank kan geheel of gedeeltelijk vrijstelling verlenen
van de toepassing van de bepalingen van dit Boek en zijn
uitvoeringsbesluiten aan rechtspersonen:
1° waarvoor geldt dat het gemiddelde van het totale bedrag
aan betalingstransacties die zij of de agenten waarvoor zij
volledig aansprakelijk zijn, in de voorafgaande twaalf maan-
den hebben verricht, niet hoger is dan 3 000 000 euro per
maand. Dit criterium wordt beoordeeld op basis van het in het
2432/001
DOC 53
70
2431/001
DOC 53
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 3 e L É G I S L A T U R E
K AMER 3e Z ITTING VAN DE 53e Z ITTING S P E RIO DE
2011
2012
de paiement dans leur plan d’affaires, et sous réserve d’un
éventuel ajustement de ce plan exigé par la Banque; et
2° dont aucune des personnes physiques responsables de
la gestion ou de l’exercice de l’activité n’a été condamnée
pour des infractions liées au blanchiment de capitaux, au
fi nancement du terrorisme ou visées à l’article 19, § 1er, 1° et
2° de la loi bancaire.
La Banque ne peut exempter ces personnes morales de
l’application des articles 21 et 22 de la présente loi.
§ 2. Les personnes morales visées au paragraphe 1er, qui
sont exemptées, sont inscrites au registre visé à l’article 9.
L’article 9 s’applique par analogie à ces personnes morales
en ce qui concerne les informations fournies sur le site internet
de la Banque et leur actualisation régulière. Sans préjudice du
paragraphe 1er, dernier alinéa, le site internet mentionne que
ces personnes morales bénéfi cient d’une exemption, totale
ou partielle, en application du présent article.
§ 3. Les personnes morales bénéfi ciant d’une exemption
accordée en vertu du paragraphe 1er:
1° doivent avoir leur administration centrale en Belgique, et
exercer effectivement leurs activités de services de paiement
sur le territoire belge;
2° ne bénéficient pas du régime de reconnaissance
mutuelle prévu par l’article 39 de la présente loi;
3° informent la Banque de tout changement de leur situa-
tion ayant une incidence sur les conditions énoncées au
paragraphe 1er et rendent compte périodiquement à la Banque,
du montant total moyen, pour les douze mois précédents,
des opérations de paiement exécutées par elles, ou par tout
agent dont elles assument l’entière responsabilité. La Banque
détermine la fréquence de ce rapport.
4° appliquent les dispositions de la loi du 11 janvier 1993
relative à la prévention de l’utilisation du système fi nancier
aux fi ns du blanchiment de capitaux et du fi nancement du
terrorisme qui sont applicables aux établissements de paie-
ment, et des arrêtés et règlements pris pour son exécution.
§ 4. Le Roi peut prévoir qu’une personne morale béné-
fi ciant d’une exemption accordée en vertu du paragraphe
1er ne peut exercer que certaines des activités énumérées à
l’article 21, §§ 1er à 3.
§ 5. Lorsque les conditions énoncées aux paragraphes
1er, et 3, 1° ne sont plus remplies, les personnes morales
exemptées demandent l’agrément dans un délai de trente
jours calendaires conformément aux articles 6 et suivants.
Les établissements qui n’ont pas demandé l’agrément
dans ce délai se voient interdire, conformément à l’article 5,
de fournir des services de paiement en Belgique.”.
bedrijfsplan begrote totale bedrag aan betalingstransacties,
rekening houdend met de eventuele aanpassingen in dit plan
die de Bank heeft verlangd; en
2° waarvoor geldt dat geen enkele van de met het beleid
of de uitoefening van de werkzaamheden belaste natuurlijke
personen veroordeeld is wegens strafbare feiten in verband
met het witwassen van geld of terrorismefi nanciering,of zoals
bedoeld in artikel 19, § 1er, 1° en 2° van de bankwet.
De Bank kan deze rechtspersonen niet vrijstellen van de
toepassing van artikelen 21 en 22 van deze wet.
§ 2. De rechtspersonen bedoeld in de eerste paragraaf die
vrijgesteld zijn, worden ingeschreven in het register bedoeld
in artikel 9. Artikel 9 is op deze rechtspersonen van overeen-
komstige toepassing voor wat betreft de informatie die op de
website van de Bank wordt verstrekt en de geregelde actuali-
sering ervan. Onverminderd paragraaf 1, laatste lid, vermeldt
de website dat deze rechtspersonen geheel of gedeeltelijk
zijn vrijgesteld met toepassing van dit artikel.
§ 3. De rechtspersonen die vrijgesteld zijn op grond van
paragraaf 1:
1° hebben hun hoofdkantoor in België en oefenen hun
betalingsdienstactiviteiten daadwerkelijk op het Belgische
grondgebied uit;
2° komen niet in aanmerking voor de regeling inzake
wederzijdse erkenning vastgesteld in artikel 39 van deze wet;
3° stellen de Bank in kennis van elke verandering in
hun situatie die relevant is voor de in paragraaf 1 gestelde
voorwaarden en brengen periodiek verslag uit aan de Bank
over het gemiddelde van het totale bedrag aan betalingstran-
sacties die zij of de agenten waarvoor zij volledig aansprakelijk
zijn, in de voorafgaande twaalf maanden hebben verricht. De
Bank bepaalt de frequentie van deze rapportering.
4° passen de bepalingen toe van de wet van 11 januari 1993
tot voorkoming van het gebruik van het fi nanciële stelsel voor
het witwassen van geld en de fi nanciering van terrorisme die
gelden voor betalingsinstellingen, en van de ter uitvoering
ervan genomen besluiten en reglementen.
§ 4. De Koning kan bepalen dat een rechtspersoon die
vrijgesteld is op grond van paragraaf 1, alleen sommige van
de in artikel 21, §§ 1 tot 3 opgesomde werkzaamheden mag
uitoefenen.
§ 5. Wanneer de in de paragrafen 1 en 3, 1° gestelde
voorwaarden niet langer vervuld zijn, vragen de vrijgestelde
rechtspersonen binnen 30 kalenderdagen een vergunning
aan overeenkomstig artikel 6 en volgende.
Voor de instellingen die binnen deze termijn geen ver-
gunning hebben aangevraagd, is het overeenkomstig artikel
5 verboden om in België betalingsdiensten aan te bieden.”.
2432/001
DOC 53
71
2431/001
DOC 53
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 3 e L É G I S L A T U R E
K AMER 3e Z ITTING VAN DE 53e Z ITTING S P E RIO DE
2011
2012
Art. 23
Dans l’article 51 de la même loi, les modifi cations suivantes
sont apportées:
a) dans le 2°, les mots “, alinéas 1er et 2” sont abrogés;
b) dans le 8°, les mots “conformément à l’article 35, § 1er,
alinéa 2, 1°” sont remplacés par les mots “conformément à
l’article 35, § 1er, alinéa 2, 2°”.
Art. 24
Dans l’article 58 de la même loi, les mots “La présente loi”
sont remplacés par les mots “Le présent Livre”.
Art. 25
Dans la même loi, il est inséré un Livre 3, intitulé “LIVRE
3 — Accès à l’activité d’émission de monnaie électronique et
statut des établissements de monnaie électronique”.
Art. 26
Dans le Livre 3 de la même loi, inséré par l’article 25, il est
inséré un Titre 1er, intitulé “Titre 1er. — Emetteurs de monnaie
électronique”.
Art. 27
Dans le Livre 3, Titre 1er de la même loi, inséré par l’article
26, il est inséré un article 59 rédigé comme suit:
“Art. 59. Sans préjudice des dispositions régissant le sta-
tut des établissements ou autorités énoncés ci-après, seuls
peuvent exercer l’activité d’émission de monnaie électronique
en Belgique:
1° les établissements de crédit de droit belge, les établis-
sements de crédit relevant du droit d’un autre État membre
de l’EEE, autorisés à émettre de la monnaie électronique
dans leur État d’origine et opérant en Belgique en vertu des
articles 65 ou 66 de la loi bancaire, les succursales d’établis-
sements de crédit relevant du droit d’un État non membre de
l’EEE, établies en Belgique conformément à l’article 79 de
la loi bancaire;
2° les établissements de monnaie électronique de droit
belge, les établissements de monnaie électronique relevant
du droit d’un autre État membre de l’EEE et opérant en Bel-
gique en vertu de l’article 91 de la présente loi, les succur-
sales d’établissements de monnaie électronique relevant du
droit d’un État non membre de l’EEE, établies en Belgique
conformément à l’article 98 de la présente loi, ainsi que les
personnes morales bénéfi ciant d’une exemption, conformé-
ment à l’article 105;
Art. 23
In artikel 51 van dezelfde wet worden de volgende wijzi-
gingen aangebracht:
a) in de bepaling onder 2° worden de woorden “eerste en
tweede lid,” geschrapt;
b) in de bepaling onder 8° worden de woorden “overeen-
komstig artikel 35, § 1, tweede lid, 1°” vervangen door de
woorden “overeenkomstig artikel 35, § 1, tweede lid, 2°”.
Art. 24
In artikel 58 van dezelfde wet worden de woorden “Deze
wet” vervangen door de woorden “Dit Boek”.
Art. 25
In dezelfde wet wordt een Boek 3 ingevoegd, luidende
“BOEK 3 — Toegang tot de activiteit van uitgifte van elektro-
nisch geld en statuut van de instellingen voor elektronisch
geld”.
Art. 26
In Boek 3 van dezelfde wet, ingevoegd bij artikel 25, wordt
een Titel 1 ingevoegd, luidende “Titel 1. — Uitgevers van
elektronisch geld”.
Art. 27
In Boek 3, Titel 1 van dezelfde wet, ingevoegd bij artikel
26, wordt een artikel 59 ingevoegd, luidende:
“Art. 59. Onverminderd de bepalingen betreffende hun
statuut, mogen alleen de hiernavolgende instellingen of
overheden elektronisch geld uitgeven in België:
1° kredietinstellingen naar Belgisch recht, kredietinstellin-
gen die ressorteren onder het recht van een andere lidstaat
van de EER, die in hun land van herkomst elektronisch geld
mogen uitgeven en die in België werkzaam zijn op grond
van de artikelen 65 of 66 van de bankwet, en bijkantoren van
kredietinstellingen die ressorteren onder het recht van een
staat die geen lid is van de EER, die in België zijn gevestigd
overeenkomstig artikel 79 van de bankwet;
2° instellingen voor elektronisch geld naar Belgisch recht,
instellingen voor elektronisch geld die ressorteren onder het
recht van een andere lidstaat van de EER en die in België
werkzaam zijn op grond van artikel 91 van deze wet, bijkan-
toren van instellingen voor elektronisch geld die ressorteren
onder het recht van een staat die geen lid is van de EER, die in
België zijn gevestigd overeenkomstig artikel 98 van deze wet,
en rechtspersonen die zijn vrijgesteld op grond van artikel 105;
2432/001
DOC 53
72
2431/001
DOC 53
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 3 e L É G I S L A T U R E
K AMER 3e Z ITTING VAN DE 53e Z ITTING S P E RIO DE
2011
2012
3° la société anonyme de droit public bpost;
4° la Banque nationale de Belgique et la Banque Centrale
Européenne, lorsqu’elles n’agissent pas en qualité d’autorité
monétaire ou autre autorité publique;
5° les autorités fédérales, régionales, communautaires
et locales belges, lorsqu’elles agissent en qualité d’autorité
publique.”.
Art. 28
Dans le même Titre 1er, il est inséré un article 60 rédigé
comme suit:
“Art. 60. § 1er. La présente loi ne s’applique pas à la valeur
monétaire stockée sur des instruments qui ne peuvent être
utilisés, pour l’acquisition de biens ou de services, que dans
les locaux utilisés par l’émetteur ou, dans le cadre d’un accord
commercial avec l’émetteur, à l’intérieur d’un réseau limité de
prestataires de services ou pour un éventail limité de biens
ou de services.
§ 2. La présente loi ne s’applique pas à la valeur monétaire
utilisée pour effectuer des opérations de paiement exécutées
au moyen d’un appareil de télécommunication ou d’un autre
dispositif numérique ou informatique, lorsque les biens ou
les services achetés sont livrés et doivent être utilisés au
moyen d’un appareil de télécommunication ou d’un dispositif
numérique ou informatique, à condition que l’opérateur du
système de télécommunication, numérique ou informatique
n’agisse pas uniquement en qualité d’intermédiaire entre
le détenteur de monnaie électronique et le fournisseur des
biens ou services.”.
Art. 29
Dans le Livre 3 de la même loi, inséré par l’article 25, il
est inséré un Titre 2, intitulé “Titre 2. — Les établissements
de monnaie électronique”.
Art. 30
Dans le Livre 3, Titre 2 de la même loi, inséré par l’article
29, il est inséré un Chapitre 1er, intitulé: “Chapitre 1er. — Les
établissements de monnaie électronique de droit belge”.
Art. 31
Dans le Livre 3, Titre 2, Chapitre 1er de la même loi, inséré
par l’article 30, il est inséré une section 1re intitulée “Section
1re — Exigence d’un agrément”.
3° de naamloze vennootschap van publiek recht bpost;
4° de Nationale Bank van België en de Europese Centrale
Bank, wanneer zij niet handelen in hun hoedanigheid van
monetaire of andere publieke autoriteit;
5° de Belgische federale, gewestelijke en lokale overheden
en de overheden van de gemeenschappen in België, wanneer
zij handelen in hun hoedanigheid van publieke autoriteit.”.
Art. 28
In dezelfde Titel 1 wordt een artikel 60 ingevoegd, luidende:
“Art. 60. § 1. Deze wet is niet van toepassing op de
monetaire waarde die opgeslagen is op instrumenten die
kunnen worden gebruikt om, louter in de door de uitgevende
instelling gebruikte bedrijfsgebouwen of uit hoofde van een
handelsovereenkomst met de uitgevende instelling, hetzij
binnen een beperkt netwerk van dienstverleners hetzij voor
een beperkte reeks goederen en diensten, goederen en
diensten te verkrijgen.
§ 2. Deze wet is niet van toepassing op de monetaire
waarde die gebruikt wordt om betalingstransacties te ver-
richten die worden uitgevoerd via een telecommunicatie-,
digitaal of IT-instrument, wanneer de gekochte goederen of
diensten geleverd worden aan, en gebruikt moeten worden
via, een telecommunicatie-, digitaal of IT-instrument, mits de
telecommunicatie-, digitale of IT-exploitant niet uitsluitend als
tussenpersoon optreedt tussen de houder van elektronisch
geld en de leverancier van de goederen en diensten.”.
Art. 29
In Boek 3 van dezelfde wet, ingevoegd bij artikel 25, wordt
een Titel 2 ingevoegd, luidende “Titel 2. — Instellingen voor
elektronisch geld”.
Art. 30
In Boek 3, Titel 2 van dezelfde wet, ingevoegd bij artikel
29, wordt een Hoofdstuk 1 ingevoegd, luidende: “Hoofdstuk 1
— Instellingen voor elektronisch geld naar Belgisch recht”.
Art. 31
In Boek 3, Titel 2, Hoofdstuk 1 van dezelfde wet, ingevoegd
bij artikel 30, wordt een afdeling 1 ingevoegd, luidende “Afde-
ling 1. — Vereiste van bedrijfsvergunning”.
2432/001
DOC 53
73
2431/001
DOC 53
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 3 e L É G I S L A T U R E
K AMER 3e Z ITTING VAN DE 53e Z ITTING S P E RIO DE
2011
2012
Art. 32
Dans le Livre 3, Titre 2, Chapitre 1er, Section 1re de la
même loi, insérée par l’article 28, il est inséré un article 61
rédigé comme suit:
“Art. 61. Toute personne morale de droit belge qui entend
émettre de la monnaie électronique en Belgique en qualité
d’établissement de monnaie électronique, est tenue, avant
de commencer ses opérations, de se faire agréer auprès de
la Banque, quels que soient les autres lieux d’exercice de
ses activités.
Seuls les établissements de monnaie électronique de droit
belge, les établissements de monnaie électronique relevant
du droit d’un autre État membre de l’EEE opérant en Belgique
en vertu de l’article 91 de la présente loi, ainsi que les suc-
cursales d’établissements de monnaie électronique relevant
du droit d’un État non membre de l’EEE, établies en Belgique
conformément à l’article 98 de la présente loi sont autorisés à
faire usage public en Belgique des termes “établissement de
monnaie électronique”, notamment dans leur dénomination
sociale, dans la désignation de leur objet social, dans leurs
titres, effets ou documents ou dans leur publicité.”.
Art. 33
Dans la même section 1re, il est inséré un article 62 rédigé
comme suit:
“Art. 62. § 1er. La demande d’agrément est accompagnée
des renseignements suivants:
1° un programme d’activités indiquant les activités envi-
sagées et, notamment, le cas échéant, les autres activités
visées à l’article 77, §§ 1er et 2;
2° un plan d’affaires contenant notamment un programme
fi nancier afférent aux trois premiers exercices, démontrant
que le demandeur dispose, pour garantir une gestion saine
en matière d’émission de monnaie électronique, de systèmes,
de ressources et de procédures appropriés aux activités qu’il
exerce ou entend exercer;
3° la preuve que le demandeur dispose du capital initial
visé à l’article 66;
4° une description des mesures que l’établissement a
prises conformément à l’article 78, § 1er pour protéger les
fonds qui ont été reçus en échange de la monnaie électro-
nique émise;
5° une description du dispositif établi par le demandeur sur
le plan du gouvernement d’entreprise et des mécanismes de
contrôle interne, en ce compris les procédures applicables
en matière d’organisation administrative et comptable et de
gestion des risques, qui démontre le respect de l’article 69,
§§ 1er à 3;
Art. 32
In Boek III, Titel 2, Hoofdstuk 1, Afdeling 1 van dezelfde
wet, ingevoegd bij artikel 28, wordt een artikel 61 ingevoegd,
luidende:
“Art. 61. Iedere rechtspersoon naar Belgisch recht die
in België elektronisch geld wil uitgeven als instelling voor
elektronisch geld, moet, vooraleer hij zijn werkzaamheden
aanvat, een vergunning verkrijgen van de Bank, ongeacht
op welke andere plaatsen hij zijn werkzaamheden uitoefent.
In België mogen alleen instellingen voor elektronisch
geld naar Belgisch recht, instellingen voor elektronisch geld
die ressorteren onder het recht van een andere lidstaat van
de EER en die in België werkzaam zijn op grond van artikel
91 van deze wet, evenals bijkantoren van instellingen voor
elektronisch geld die ressorteren onder het recht van een
staat die geen lid is van de EER, die in België zijn gevestigd
overeenkomstig artikel 98 van deze wet, publiekelijk gebruik
maken van de termen “instelling voor elektronisch geld”,
inzonderheid in hun naam, in de opgave van hun doel, in hun
effecten, waarden, stukken of in hun reclame.”.
Art. 33
In dezelfde afdeling 1 wordt een artikel 62 ingevoegd,
luidende:
“Art. 62. § 1. Bij zijn vergunningsaanvraag voegt de aan-
vrager de volgende gegevens:
1° een programma van werkzaamheden, met opgave van
de voorgenomen werkzaamheden en, met name, in voor-
komend geval, de in artikel 77, §§ 1 en 2, bedoelde andere
werkzaamheden;
2° een bedrijfsplan met inbegrip van een fi nanciële planning
voor de eerste drie boekjaren, die aantoont dat de aanvrager
beschikt over de voor zijn werkzaamheden en voorgenomen
werkzaamheden passende systemen, middelen en proce-
dures om een gezond beleid inzake de uitgifte van elektro-
nisch geld te garanderen;
3° het bewijs dat de aanvrager beschikt over het in artikel
66 bedoelde aanvangskapitaal;
4° een beschrijving van de maatregelen die de instel-
ling overeenkomstig artikel 78, § 1 heeft genomen voor de
bescherming van geldmiddelen die zijn ontvangen in ruil voor
elektronisch geld dat is uitgegeven;
5° een beschrijving van de door de aanvrager genomen
maatregelen op het vlak van goed bestuur en internecontro-
lemechanismen, met inbegrip van de van toepassing zijnde
procedures inzake administratieve en boekhoudkundige
organisatie en risicobeheer, waaruit de naleving blijkt van
artikel 69, §§ 1 tot 3;
2432/001
DOC 53
74
2431/001
DOC 53
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 3 e L É G I S L A T U R E
K AMER 3e Z ITTING VAN DE 53e Z ITTING S P E RIO DE
2011
2012
6° une description des mécanismes de contrôle interne
que le demandeur a mis en place pour se conformer, le cas
échéant, aux obligations prévues dans le Règlement (CE) n°
1781/2006 du Parlement européen et du Conseil du 15 no-
vembre 2006 relatif aux informations concernant le donneur
d’ordre accompagnant les virements de fonds ainsi qu’à la
loi du 11 janvier 1993 relative à la prévention de l’utilisation
du système fi nancier aux fi ns du blanchiment de capitaux et
du fi nancement du terrorisme;
7° une description de l’organisation structurelle du deman-
deur, y compris, le cas échéant, une description du projet de
recours à des distributeurs, des agents et à des succursales
et une description des accords d’externalisation, ainsi que
de sa participation à un système de paiement national ou
international;
8° l’identité des personnes physiques ou morales détenant
directement ou indirectement une participation qualifi ée au
sens de l’article 3, § 1er, 3° de la loi bancaire dans le capital
du demandeur, la taille de leur participation en fractions du
capital et en droits de vote, ainsi que la preuve de leurs quali-
tés, nécessaires au regard du besoin de garantir une gestion
saine et prudente de l’établissement de monnaie électronique;
Les droits de vote sont calculés conformément aux dispo-
sitions de la loi du 2 mai 2007 relative à la publicité des par-
ticipations importantes dans des émetteurs dont les actions
sont admises à la négociation sur un marché réglementé
et portant des dispositions diverses, et conformément aux
dispositions de ses arrêtés d’exécution;
9° l’identité des personnes qui participent à l’administration
ou à la gestion de l’établissement de monnaie électronique,
ainsi que des personnes qui participent à la direction effective
de l’activité d’émission de monnaie électronique, et le cas
échéant de services de paiement, dans l’établissement de
monnaie électronique et la preuve de leur honorabilité pro-
fessionnelle, de leur expertise et de leur expérience adéquate
au sens de l’article 68;
10° l’identité du ou des commissaire(s)-réviseur(s);
11° la forme juridique et les statuts du demandeur;
12° l’adresse de l’administration centrale du demandeur.
Aux fi ns de l’alinéa 1er, 4°, 5° et 7°, le demandeur fournit
une description des dispositions en matière d’audit interne
et d’organisation qu’il a arrêtées en vue de prendre toute
mesure raisonnable pour protéger les intérêts des détenteurs
de monnaie électronique et le cas échéant, des utilisateurs
de services de paiement et garantir la continuité et la fi abilité
de son activité d’émission de monnaie électronique, et le cas
échéant, de fourniture de services de paiement.
Le demandeur doit fournir à la Banque, à la demande de
celle-ci, tout renseignement complémentaire devant permettre
6° een beschrijving van de internecontrolemechanismen
die de aanvrager heeft opgezet om te voldoen, in voorko-
mend geval, aan de verplichtingen bepaald bij Verordening
(EG) nr. 1781/2006 van het Europees Parlement en de Raad
van 15 november 2006 betreffende bij geldovermakingen te
voegen informatie over de betaler en aan het bepaalde bij
de wet van 11 januari 1993 tot voorkoming van het gebruik
van het fi nanciële stelsel voor het witwassen van geld en de
fi nanciering van terrorisme;
7° een beschrijving van de organisatiestructuur van de
aanvrager, met in voorkomend geval een beschrijving van
het voorgenomen gebruik van distributeurs, agenten en
bijkantoren en van de regelingen voor uitbesteding, alsmede
van zijn deelname aan een nationaal of internationaal beta-
lingssysteem;
8° de identiteit van natuurlijke of rechtspersonen die,
rechtstreeks of onrechtstreeks, in het kapitaal van de aanvra-
ger, een gekwalifi ceerde deelneming bezitten in de zin van
artikel 3, § 1, 3° van de bankwet, alsmede de omvang van hun
deelneming in kapitaalfracties en stemrechten, en het bewijs
van hun geschiktheid, gelet op de noodzaak van een gezond
en voorzichtig beleid van de instelling voor elektronisch geld;
De stemrechten worden berekend conform de bepalin-
gen van de wet van 2 mei 2007 op de openbaarmaking van
belangrijke deelnemingen in emittenten waarvan aandelen
zijn toegelaten tot de verhandeling op een gereglementeerde
markt en houdende diverse bepalingen, alsook conform de
bepalingen van haar uitvoeringsbesluiten;
9° de identiteit van de personen die deelnemen aan het
bestuur of het beleid van de instelling voor elektronisch geld,
en van de personen die deelnemen aan de effectieve leiding
van de activiteit van uitgifte van elektronisch geld, en, in
voorkomend geval, van het betalingsdienstenbedrijf, in een
instelling voor elektronisch geld, alsmede het bewijs van hun
professionele betrouwbaarheid, deskundigheid en passende
ervaring in de zin van artikel 68;
10° de identiteit van de commissaris-revisor of commis-
sarissen-revisoren;
11° de rechtsvorm en de statuten van de aanvrager;
12° het adres van hoofdbestuur van de aanvrager.
Voor de toepassing van het eerste lid, 4°, 5° en 7°, geeft de
aanvrager een beschrijving van de regelingen inzake interne
audit en organisatie die hij heeft getroffen met het oog op het
nemen van alle redelijke maatregelen om de belangen van de
houders van elektronisch geld, en, in voorkomend geval, van
de betalingsdienstgebruikers te beschermen en de continuïteit
en betrouwbaarheid bij de uitgifte van elektronisch geld en, in
voorkomend geval, bij het verrichten van betalingsdiensten,
te garanderen.
De aanvrager verstrekt de Bank op haar verzoek alle ver-
dere inlichtingen zodat de Bank kan nagaan of de aanvrager
2432/001
DOC 53
75
2431/001
DOC 53
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 3 e L É G I S L A T U R E
K AMER 3e Z ITTING VAN DE 53e Z ITTING S P E RIO DE
2011
2012
à la Banque de vérifi er si le demandeur répond aux conditions
visées aux alinéas 1er et 2 et lui permettre de procéder à une
évaluation appropriée.
§ 2. La Banque se prononce sur la demande d’agrément
sur avis de la FSMA pour ce qui est de l’honorabilité pro-
fessionnelle des personnes physiques qui sont appelées
à prendre part à l’administration, la gestion ou la direction
effective de l’établissement de monnaie électronique, si
ces personnes sont proposées pour la première fois pour
une telle fonction dans une entreprise fi nancière contrôlée
par la Banque par application de l’article 36/2 de la loi du
22 février 1998.
La FSMA communique son avis à la Banque dans un délai
d’une semaine à compter de la réception de la demande
d’avis. À défaut d’avis rendu par la FSMA dans ledit délai, la
Banque peut prendre une décision.”.
Art. 34
Dans la même section 1re, il est inséré un article 63 rédigé
comme suit:
“Art. 63. La Banque octroie l’agrément demandé aux
établissements qui répondent aux conditions de l’article 62
et de la section 2.
Dans les trois mois qui suivent la présentation du dossier
complet, la Banque se prononce sur la demande et porte sa
décision à la connaissance du demandeur par lettre recom-
mandée à la poste ou avec accusé de réception.
La Banque peut, au regard du besoin de garantir une
gestion saine et prudente de l’établissement, subordonner
l’agrément à des conditions relatives à l’exercice de certaines
des activités envisagées.”.
Art. 35
Dans la même section 1re, il est inséré un article 64 rédigé
comme suit:
“Art. 64. Les établissements agréés au titre d’établisse-
ment de monnaie électronique en vertu du présent chapitre,
sont inscrits sur une liste tenue à cet effet par la Banque. La
Banque publie sur son site internet la liste des établissements
de monnaie électronique auxquels elle a octroyé l’agrément.
La Banque veille à actualiser régulièrement les informations
fournies sur son site internet.
La liste visée à l’alinéa 1er indique pour chaque établisse-
ment de monnaie électronique au moins les renseignements
suivants:
— le cas échéant, les services de paiement dont la pres-
tation est envisagée;
— l’adresse de ses succursales à l’étranger et l’identité
de ses agents, tels que visés aux articles 75 et 76, § 3 res-
pectivement.”.
voldoet aan de voorwaarden bedoeld in het eerste en tweede
lid en zich een passend oordeel kan vormen.
§ 2. De Bank beslist over de vergunningsaanvraag, na
advies van de FSMA voor wat betreft de professionele
betrouwbaarheid van de natuurlijke personen die deelnemen
aan het bestuur, het beleid of de effectieve leiding van de
instelling voor elektronisch geld, indien zij voor het eerst voor
een dergelijke functie worden voorgedragen bij een fi nanciële
instelling die met toepassing van artikel 36/2 van de wet van
22 februari 1998 onder het toezicht staat van de Bank.
De FSMA deelt haar advies mee aan de Bank binnen een
termijn van een week na ontvangst van het verzoek om advies.
Indien de FSMA geen advies verstrekt binnen de genoemde
termijn, kan de Bank een beslissing nemen.”.
Art. 34
In dezelfde afdeling 1 wordt een artikel 63 ingevoegd,
luidende:
“Art. 63. De Bank verleent de aangevraagde vergunning
aan de instellingen die voldoen aan de voorwaarden van
artikel 62 en afdeling 2.
Binnen drie maanden na voorlegging van een volledig
dossier spreekt de Bank zich uit over de aanvraag en brengt
zij haar beslissing ter kennis van de aanvrager met een aan-
getekende brief of een brief met ontvangstbewijs.
De Bank kan, gelet op de noodzaak van een gezond
en voorzichtig beleid van de instelling, in haar vergunning
voorwaarden stellen aan de uitoefening van bepaalde van
de voorgenomen werkzaamheden.”.
Art. 35
In dezelfde afdeling 1 wordt een artikel 64 ingevoegd,
luidende:
“Art. 64. De instellingen die krachtens dit hoofdstuk een
vergunning hebben verkregen als instelling voor elektronisch
geld, worden ingeschreven op een daartoe door de Bank bi-
jgehouden lijst. De Bank maakt de lijst van de instellingen voor
elektronisch geld waaraan zij een vergunning heeft verleend,
bekend op haar website. De Bank zorgt voor een geregelde
actualisering van de op haar website verstrekte informatie.
De in het eerste lid bedoelde lijst vermeldt voor iedere
instelling voor elektronisch geld minstens de volgende infor-
matie:
— in voorkomend geval, de voorgenomen betalingsdiens-
ten;
— het adres van haar buitenlandse bijkantoren en de
identiteit van haar agenten bedoeld in, respectievelijk, de
artikelen 75 en 76, § 3.”.
2432/001
DOC 53
76
2431/001
DOC 53
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 3 e L É G I S L A T U R E
K AMER 3e Z ITTING VAN DE 53e Z ITTING S P E RIO DE
2011
2012
Art. 36
Dans le Livre 3, Titre 2, Chapitre 1er de la même loi, inséré
par l’article 30, il est inséré une section 2 intitulée “Section
2 - Conditions d’agrément”.
Art. 37
Dans le Livre 3, Titre 2, Chapitre 1er, Section 2 de la même
loi, insérée par l’article 36, il est inséré un article 65, rédigé
comme suit:
“Art. 65. Les établissements de monnaie électronique de
droit belge doivent être constitués sous la forme de société
commerciale, à l’exception de la forme de société privée à
responsabilité limitée constituée par une seule personne.”.
Art. 38
Dans la même section 2, il est inséré un article 66 rédigé
comme suit:
“Art. 66. Tout établissement de monnaie électronique doit,
au moment de l’agrément, disposer d’un capital de 350 000
euros au moins.
Pour le calcul du capital initial visé à l’alinéa 1er, les
éléments suivants sont pris en compte: le capital libéré,
les primes d’émission, les réserves et le résultat reporté,
à l’exclusion le cas échéant des actions préférentielles et
des réserves de réévaluation, et après déduction des pertes
reportées et du goodwill.”.
Art. 39
Dans la même section 2, il est inséré un article 67 rédigé
comme suit:
“Art. 67. L’agrément est refusé si la Banque a des raisons
de considérer que les personnes physiques ou morales visées
à l’article 62, alinéa 1er, 8°, ne présentent pas les qualités
nécessaires au regard du besoin de garantir une gestion saine
et prudente de l’établissement de monnaie électronique.”.
Art. 40
Dans la même section 2, il est inséré un article 68 rédigé
comme suit:
“Art. 68. § 1er. La direction effective de l’établissement de
monnaie électronique doit être confi ée à deux personnes
physiques au moins.
Les personnes qui participent à l’administration ou à la
gestion de l’établissement de monnaie électronique, ainsi
que les personnes qui participent à la direction effective
de l’activité d’émission de monnaie électronique et le cas
Art. 36
In Boek 3, Titel 2, Hoofdstuk 1 van dezelfde wet, ingevoegd
bij artikel 30, wordt een afdeling 2 ingevoegd, luidende “Afde-
ling 2 - Bedrijfsvergunningsvoorwaarden”.
Art. 37
In Boek 3, Titel 2, Hoofdstuk 1, Afdeling 2 van dezelfde
wet, ingevoegd bij artikel 36, wordt een artikel 65 ingevoegd,
luidende:
“Art. 65. Iedere instelling voor elektronisch geld naar
Belgisch recht wordt opgericht in de rechtsvorm van een
handelsvennootschap, met uitzondering van de besloten
vennootschap met beperkte aansprakelijkheid die is opgericht
door één enkele persoon.”.
Art. 38
In dezelfde afdeling 2 wordt een artikel 66 ingevoegd,
luidende:
“Art. 66. Elke instelling voor elektronisch geld beschikt op
het tijdstip waarop de vergunning wordt verleend, over een
kapitaal van minstens 350 000 euro.
Voor de berekening van het in het eerste lid bedoelde
aanvangskapitaal komen de volgende bestanddelen in aan-
merking: het volstort kapitaal, de uitgiftepremies, de reserves
en het overgedragen resultaat, met uitsluiting in voorkomend
geval van de preferente aandelen en de herwaarderingsre-
serves, en na aftrek van overgedragen verliezen en goodwill.”’.
Art. 39
In dezelfde afdeling 2 wordt een artikel 67 ingevoegd,
luidende:
“Art. 67. De vergunning wordt geweigerd wanneer de Bank,
gelet op de noodzaak van een gezond en voorzichtig beleid
van de instelling voor elektronisch geld, niet overtuigd is van
de geschiktheid van de natuurlijke of rechtspersonen bedoeld
in artikel 62, eerste lid, 8°.”.
Art. 40
In dezelfde afdeling 2 wordt een artikel 68 ingevoegd,
luidende:
“Art. 68. § 1. De effectieve leiding van de instelling voor
elektronisch geld wordt toevertrouwd aan ten minste twee
natuurlijke personen
De personen die deelnemen aan het bestuur of het beleid
van de instelling voor elektronisch geld, en de personen die
deelnemen aan de effectieve leiding van de activiteit van
uitgifte van elektronisch geld, en in voorkomend geval, van
2432/001
DOC 53
77
2431/001
DOC 53
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 3 e L É G I S L A T U R E
K AMER 3e Z ITTING VAN DE 53e Z ITTING S P E RIO DE
2011
2012
échéant, de services de paiement au sein de l’établissement
de monnaie électronique doivent disposer de l’honorabilité
professionnelle, de l’expertise et de l’expérience adéquate
nécessaires pour assumer leurs tâches en matière d’émis-
sion de monnaie électronique et le cas échéant de services
de paiement.
§ 2. L’article 19 de la loi bancaire est d’application.”.
Art. 41
Dans la même section 2, il est inséré un article 69 rédigé
comme suit:
“Art. 69. § 1er. Les établissements de monnaie électronique
doivent disposer d’une structure de gestion, d’une organisa-
tion administrative et comptable, de mécanismes de contrôle
et de sécurité dans le domaine informatique et d’un contrôle
interne, appropriés aux activités d’émission de monnaie
électronique, de services de paiement et aux activités visées
à l’article 77, § 2, 2°, qu’ils exercent ou entendent exercer.
Ils tiennent compte à cet égard de la nature, du volume
et de la complexité de ces activités, ainsi que des risques y
afférents.
§ 2. Les établissements de monnaie électronique doivent
disposer d’une structure de gestion adéquate, se composant
notamment des éléments suivants: une structure organisa-
tionnelle cohérente et transparente, prévoyant une sépara-
tion adéquate des fonctions; un dispositif d’attribution des
responsabilités qui est bien défi ni, transparent et cohérent;
et des procédures adéquates d’identifi cation, de mesure, de
gestion, de suivi et de reporting interne des risques importants
encourus par l’établissement de monnaie électronique en
raison des activités qu’il exerce ou entend exercer.
§ 3. Les établissements de monnaie électronique doivent
organiser un contrôle interne adéquat, dont le fonctionnement
est évalué au moins une fois par an. En ce qui concerne leur
organisation administrative et comptable, ils doivent orga-
niser un système de contrôle interne qui procure un degré
de certitude raisonnable quant à la fi abilité du processus de
reporting fi nancier, de manière à ce que les comptes annuels
soient conformes à la réglementation comptable en vigueur.
Les établissements de monnaie électronique prennent les
mesures nécessaires pour pouvoir disposer en permanence
d’une fonction d’audit interne indépendante adéquate.
Les établissements de monnaie électronique élaborent
une politique d’intégrité adéquate, qui est actualisée régu-
lièrement.
Ils prennent les mesures nécessaires pour pouvoir disposer
en permanence d’une fonction de compliance indépendante
adéquate, destinée à assurer le respect, par l’établissement,
ses administrateurs, ses dirigeants effectifs, ses salariés et
het betalingsdienstenbedrijf binnen een instelling voor elektro-
nisch geld, beschikken voor de uitoefening van hun taken
inzake uitgifte van elektronisch geld en betalingsdiensten over
de vereiste professionele betrouwbaarheid, deskundigheid
en passende ervaring.
§ 2. Artikel 19 van de bankwet is van toepassing.”.
Art. 41
In dezelfde afdeling 2 wordt een artikel 69 ingevoegd,
luidende:
“Art. 69. § 1. De instelling voor elektronisch geld beschikt
over een beleidsstructuur, administratieve en boekhoudkun-
dige organisatie, controle- en beveiligingsmaatregelen met
betrekking tot de elektronische informatieverwerking, en
interne controle, die aangepast zijn aan haar werkzaamhe-
den of voorgenomen werkzaamheden inzake de uitgifte van
elektronisch geld en betalingsdiensten en aan haar werk-
zaamheden of voorgenomen werkzaamheden bedoeld in
artikel 77, § 2, 2°.
Zij houdt daarbij rekening met de aard, de omvang en de
complexiteit van deze werkzaamheden en de eraan verbon-
den risico’s.
§ 2. De instelling voor elektronisch geld beschikt over een
passende beleidsstructuur, waaronder inzonderheid dient te
worden verstaan: een coherente en transparante organisa-
tiestructuur, met inbegrip van een passende functiescheiding;
een duidelijk omschreven, transparant en samenhangend
geheel van verantwoordelijkheidstoewijzingen; en passende
procedures voor de identifi catie, de meting, het beheer en de
opvolging van en de interne verslaggeving over de belangrijke
risico’s die de instelling voor elektronisch geld loopt ingevolge
haar werkzaamheden of voorgenomen werkzaamheden.
§ 3. De instelling voor elektronisch geld organiseert een
passende interne controle, waarvan de werking minstens
eenmaal per jaar wordt beoordeeld. Wat haar administratieve
en boekhoudkundige organisatie betreft, dient zij een systeem
van interne controle te organiseren dat een redelijke mate
van zekerheid verschaft over de betrouwbaarheid van het
fi nanciële verslaggevingsproces, zodat de jaarrekening in ove-
reenstemming is met de geldende boekhoudreglementering.
De instelling voor elektronisch geld neemt de nodige
maatregelen om blijvend te kunnen beschikken over een
passende onafhankelijke interneauditfunctie.
De instelling voor elektronisch geld werkt een passend
integriteitsbeleid uit dat geregeld wordt geactualiseerd.
Zij neemt de nodige maatregelen om blijvend te kunnen
beschikken over een passende onafhankelijke compliance-
functie, om de naleving door de instelling, haar bestuurders,
effectieve leiding, werknemers en gevolmachtigden te verze-
2432/001
DOC 53
78
2431/001
DOC 53
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 3 e L É G I S L A T U R E
K AMER 3e Z ITTING VAN DE 53e Z ITTING S P E RIO DE
2011
2012
ses mandataires, des règles de droit relatives à l’intégrité de
l’activité des établissements de monnaie électronique.
Les établissements de monnaie électronique doivent dis-
poser d’une fonction de gestion des risques indépendante
adéquate.
§ 4. La Banque peut, sans préjudice des dispositions des
paragraphes 1er, 2 et 3, préciser ce qu’il y a lieu d’entendre
par structure de gestion adéquate, contrôle interne adéquat,
fonction d’audit interne indépendante adéquate, politique
d’intégrité adéquate, fonction de gestion des risques adéquate
et fonction de compliance indépendante adéquate.
§ 5. Sans préjudice des pouvoirs dévolus à l’organe légal
d’administration en ce qui concerne la détermination de la
politique générale, tels que prévus par le Code des sociétés,
les personnes chargées de la direction effective de l’établis-
sement de monnaie électronique, le cas échéant le comité
de direction, prennent, sous la surveillance de l’organe légal
d’administration, les mesures nécessaires pour assurer le res-
pect des paragraphes 1er, 2 et 3 et de l’article 79, alinéa 1er, f).
L’organe légal d’administration de l’établissement de
monnaie électronique doit contrôler au moins une fois par
an si l’établissement se conforme aux dispositions des
paragraphes 1er, 2 et 3 du présent article, de l’alinéa 1er du
présent paragraphe et de l’article 79, alinéa 1er, f), et prend
connaissance des mesures adéquates prises.
Les personnes chargées de la direction effective, le cas
échéant le comité de direction, font rapport au moins une
fois par an à l’organe légal d’administration, à la Banque
et au commissaire agréé sur le respect des dispositions de
l’alinéa 1er du présent paragraphe et sur les mesures adé-
quates prises.
Ces informations sont transmises à la Banque et au com-
missaire agréé selon les modalités que la Banque détermine.
§ 6. Le commissaire agréé adresse en temps utile à
l’organe légal d’administration, un rapport sur les questions
importantes apparues dans l’exercice de sa mission légale
de contrôle, et en particulier sur les lacunes graves consta-
tées dans le processus de reporting fi nancier concernant les
activités d’émission de monnaie électronique, de services de
paiement et les activités visées à l’article 77, § 2, 2°.
§ 7. S’il existe des liens étroits entre l’établissement de
monnaie électronique et d’autres personnes physiques ou
morales, ces liens ne peuvent entraver l’exercice du contrôle
prudentiel de l’établissement de monnaie électronique.
Si l’établissement de monnaie électronique a des liens
étroits avec une personne physique ou morale relevant du
droit d’un État non membre de l’EEE, les dispositions légis-
latives, réglementaires et administratives applicables à cette
personne ou leur mise en œuvre ne peuvent entraver l’exer-
cice du contrôle prudentiel de l’établissement de monnaie
électronique.”.
keren van de rechtsregels in verband met de integriteit van de
werkzaamheden van de instellingen voor elektronisch geld.
De instelling voor elektronisch geld beschikt over een
passende onafhankelijke risicobeheerfunctie.
§ 4. De Bank kan, onverminderd het bepaalde bij de para-
grafen 1, 2 en 3, nader bepalen wat moet worden verstaan
onder een passende beleidsstructuur, een passende interne
controle, een passende onafhankelijke interneauditfunctie,
een passend integriteitsbeleid, een passende risicobeheer-
functie en een passende onafhankelijke compliancefunctie.
§ 5. Onverminderd de bevoegdheden van het wettelijk
bestuursorgaan inzake de vaststelling van het algemeen
beleid als bepaald bij het Wetboek van Vennootschappen,
nemen de personen belast met de effectieve leiding van de
instelling voor elektronisch geld, in voorkomend geval het
directiecomité, onder toezicht van het wettelijk bestuursorgaan
de nodige maatregelen voor de naleving van het bepaalde bij
de paragrafen 1, 2 en 3 en artikel 79, eerste lid, f).
Het wettelijk bestuursorgaan van de instelling voor elektro-
nisch geld controleert minstens eenmaal per jaar of de instel-
ling beantwoordt aan het bepaalde bij de paragrafen 1, 2 en
3 van dit artikel, het eerste lid van deze paragraaf en artikel
79, eerste lid, f) en neemt kennis van de genomen passende
maatregelen.
De personen belast met de effectieve leiding, in voorko-
mend geval het directiecomité, lichten minstens eenmaal per
jaar het wettelijk bestuursorgaan, de Bank en de erkende
commissaris in over de naleving van het bepaalde bij het
eerste lid van deze paragraaf en over de genomen passende
maatregelen.
De informatieverstrekking aan de Bank en de erkende com-
missaris gebeurt volgens de modaliteiten die de Bank bepaalt.
§ 6. De erkende commissaris brengt bij het wettelijk bes-
tuursorgaan tijdig verslag uit over de belangrijke zaken die bij
de uitoefening van zijn wettelijke controleopdracht aan het licht
zijn gekomen, en meer bepaald over ernstige tekortkomingen
in het fi nanciële verslaggevingsproces met betrekking tot de
werkzaamheden inzake de uitgifte van elektronisch geld en
betalingsdiensten en de werkzaamheden bedoeld in artikel
77, § 2, 2°.
§ 7. Als de instelling voor elektronisch geld nauwe banden
heeft met andere natuurlijke of rechtspersonen, mogen die
banden geen belemmering vormen voor het prudentieel toe-
zicht op de instelling voor elektronisch geld.
Als de instelling voor elektronisch geld nauwe banden heeft
met een natuurlijke of rechtspersoon die ressorteert onder
het recht van een staat die geen lid is van de EER, mogen
de voor die persoon geldende wettelijke, reglementaire en
bestuursrechtelijke bepalingen of hun uitvoering, geen belem-
mering vormen voor het prudentieel toezicht op de instelling
voor elektronisch geld.”.
2432/001
DOC 53
79
2431/001
DOC 53
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 3 e L É G I S L A T U R E
K AMER 3e Z ITTING VAN DE 53e Z ITTING S P E RIO DE
2011
2012
Art. 42
Dans la même section 2, il est inséré un article 70 rédigé
comme suit:
“Art. 70. L’administration centrale de l’établissement de
monnaie électronique doit être fi xée en Belgique.”.
Art. 43
Dans le Livre 3, Titre 2, Chapitre 1er de la même loi, inséré
par l’article 30, il est inséré une section 3 intitulée “Section
3 — Conditions d’exercice de l’activité”.
Art. 44
Dans le Livre 3, Titre 2, Chapitre 1er, Section 3 de la même
loi, insérée par l’article 43, il est inséré un article 71 rédigé
comme suit:
“Art. 71. Les établissements de monnaie électronique sont
tenus de satisfaire à tout moment aux conditions prévues aux
articles 65, 68, 69 et 70.
Lorsque les renseignements fournis pour les besoins de la
demande d’agrément en vertu de l’article 62 subissent des
modifi cations, l’établissement de monnaie électronique en
informe sans tarder la Banque.”.
Art. 45
Dans la même section 3, il est inséré un article 72 rédigé
comme suit:
“Art. 72. § 1er. Les fonds propres d’un établissement de
monnaie électronique ne peuvent à aucun moment devenir
inférieurs au montant du capital requis en application de
l’article 66.
§ 2. La Banque détermine, conformément aux dispositions
de la Directive 2009/110/CE, par voie de règlement, les obli-
gations en matière de solvabilité qui doivent être respectées
par tous les établissements de monnaie électronique ou par
catégorie d’établissements de monnaie électronique tant en
ce qui concerne leur activité d’émission de monnaie électro-
nique, qu’en ce qui concerne leurs activités visées à l’article
77, § 2, 1°, qui ne sont pas liées à l’émission de monnaie
électronique. En ce qui concerne ces activités, le règlement
peut prévoir différentes méthodes pour calculer les obligations
à respecter en matière de solvabilité et la Banque est autorisée
à préciser quelle méthode est applicable à un ou plusieurs
établissements de monnaie électronique ou à une ou plusieurs
catégories d’établissements de monnaie électronique.
Lorsqu’un établissement de monnaie électronique fait
partie d’un groupe avec d’autres établissements de monnaie
électronique, établissements de paiement ou entreprises
réglementées, la Banque prend des mesures pour éviter
toute double utilisation de fonds propres au sein du groupe.
Art. 42
In dezelfde afdeling 2 wordt een artikel 70 ingevoegd,
luidende:
“Art. 70. Het hoofdbestuur van de instelling voor elektro-
nisch geld is in België gevestigd.”.
Art. 43
In Boek 3, Titel 2, Hoofdstuk 1 van dezelfde wet, ingevoegd
bij artikel 30, wordt een afdeling 3 ingevoegd, luidende “Afde-
ling 3 — Bedrijfsuitoefeningsvoorwaarden”.
Art. 44
In Boek 3, Titel 2, Hoofdstuk 1, Afdeling 3 van dezelfde
wet, ingevoegd bij artikel 43, wordt een artikel 71 ingevoegd,
luidende:
“Art. 71. De instelling voor elektronisch geld voldoet te allen
tijde aan de voorwaarden van de artikelen 65, 68, 69 en 70.
Wanneer de overeenkomstig artikel 62 bij de vergunning-
saanvraag verstrekte gegevens gewijzigd zijn, brengt de
instelling voor elektronisch geld de Bank hiervan onverwijld
op de hoogte.”.
Art. 45
In dezelfde afdeling 3 wordt een artikel 72 ingevoegd,
luidende:
“Art. 72. § 1. Het eigen vermogen van een instelling voor
elektronisch geld mag op geen enkel moment dalen onder het
bedrag van het met toepassing van artikel 66 vereiste kapitaal.
§ 2. Overeenkomstig de bepalingen van Richtlijn 2009/110/
EG bepaalt de Bank bij reglement de verplichtingen inzake sol-
vabiliteit die door alle instellingen voor elektronisch geld of per
categorie van instellingen voor elektronisch geld moeten wor-
den nageleefd, zowel voor wat betreft hun activiteit van uitgifte
van elektronisch geld als voor wat betreft hun werkzaamheden
bedoeld in artikel 77, § 2, 1°, die geen verband houden met
de uitgifte van elektronisch geld. Voor die werkzaamheden
kan het reglement voorzien in verschillende methodes om
de na te leven solvabiliteitsverplichtingen te berekenen en
is de Bank gemachtigd om te bepalen welke methode van
toepassing is op een of meer instellingen voor elektronisch
geld of categorieën van instellingen voor elektronisch geld.
Wanneer een instelling voor elektronisch geld samen met
andere instellingen voor elektronisch geld, betalingsinstellin-
gen of gereglementeerde ondernemingen deel uitmaakt van
een groep, neemt de Bank maatregelen om het meervoudig
gebruik van eigen vermogen binnen de groep te vermijden.
2432/001
DOC 53
80
2431/001
DOC 53
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 3 e L É G I S L A T U R E
K AMER 3e Z ITTING VAN DE 53e Z ITTING S P E RIO DE
2011
2012
La Banque peut préciser selon quelles méthodes il convient
de calculer l’utilisation multiple de fonds propres. Le présent
alinéa s’applique par analogie lorsqu’un établissement de
monnaie électronique exerce directement ou indirectement
d’autres activités que l’émission de monnaie électronique,
visées à l’article 77.
Sans préjudice des obligations en matière de solvabilité
prévues au paragraphe 1er et aux alinéas 1er et 2, la Banque
peut prendre des mesures complémentaires dans le cas d’un
établissement de monnaie électronique qui exerce directe-
ment ou indirectement d’autres activités que la prestation de
services de paiement et l’émission de monnaie électronique,
visées à l’article 77, lorsque ces autres activités nuisent ou
risquent de nuire à la solidité fi nancière de l’établissement
de monnaie électronique.
La Banque peut, dans des cas spéciaux, autoriser des
dérogations motivées aux dispositions des règlements pris
par application du présent article.
Les règlements visés à l’alinéa 1er sont pris conformément
à l’article 12bis, § 2, de la loi du 22 février 1998.”.
Art. 46
Dans la même section 3, il est inséré un article 73 rédigé
comme suit:
“Art. 73. § 1er. Sans préjudice de l’article 67 et de la
loi du 2 mai 2007 relative à la publicité des participations
importantes, toute personne physique et morale qui a pris
la décision, soit d’acquérir ou de céder, directement ou indi-
rectement, une participation qualifi ée au sens de l’article 3,
§ 1er, 3° de la loi bancaire dans un établissement de monnaie
électronique de droit belge, soit d’augmenter ou de réduire,
directement ou indirectement, cette participation qualifi ée de
telle façon que la proportion de parts de capital ou de droits de
vote détenue atteindrait, dépasserait ou deviendrait inférieure
aux seuils de 20 %, 30 % ou 50 % ou que l’établissement
de monnaie électronique deviendrait sa fi liale ou cesserait
de l’être, est tenue d’en informer à l’avance la Banque, et de
lui notifi er par écrit au préalable le montant envisagé de sa
participation et les informations pertinentes visées à l’article
24, § 3, alinéa 3 de la loi bancaire.
§ 2. Lorsque la Banque a des raisons de considérer que
l’infl uence exercée par les personnes visées au paragraphe
1er est de nature à compromettre la gestion saine et prudente
de l’établissement, elle peut exprimer son opposition.
La décision de la Banque prise conformément à l’alinéa 1er
est notifi ée de la manière la plus appropriée à l’actionnaire ou
à l’associé en cause. Cette décision est exécutoire dès qu’elle
est notifi ée. La Banque peut rendre sa décision publique.
La Banque procède à l’évaluation visée à l’alinéa 1er en
pleine concertation avec toute autre autorité compétente
De Bank kan nader bepalen volgens welke methodes het
meervoudig gebruik van eigen vermogen berekend wordt.
Het bepaalde bij dit lid is van overeenkomstige toepassing
wanneer een instelling voor elektronisch geld rechtstreeks of
onrechtstreeks andere werkzaamheden dan de uitgifte van
elektronisch geld verricht, als bedoeld in artikel 77.
Onverminderd de solvabiliteitsverplichtingen bepaald bij
paragraaf 1 en bij het eerste en tweede lid, kan de Bank
aanvullende maatregelen nemen in het geval van een instel-
ling voor elektronisch geld die rechtstreeks of onrechtstreeks
andere werkzaamheden dan het verrichten van betalings-
diensten en de uitgifte van elektronisch geld uitoefent, als
bedoeld in artikel 77, wanneer deze andere werkzaamheden
afbreuk doen of dreigen te doen aan de fi nanciële soliditeit
van de instelling voor elektronisch geld.
In bijzondere gevallen kan de Bank met redenen omklede
afwijkingen toestaan van de bepalingen van de met toepas-
sing van dit artikel genomen reglementen.
De in het eerste lid bedoelde reglementen worden
genomen overeenkomstig artikel 12bis, § 2, van de wet van
22 februari 1998.”.
Art. 46
In dezelfde afdeling 3 wordt een artikel 73 ingevoegd,
luidende:
“Art. 73. § 1. Onverminderd artikel 67 en onverminderd de
wet van 2 mei 2007 op de openbaarmaking van belangrijke
deelnemingen, moet iedere natuurlijke of rechtspersoon die
besloten heeft om hetzij rechtstreeks of onrechtstreeks een
gekwalifi ceerde deelneming, als bedoeld in artikel 3, § 1,
3° van de bankwet, in een instelling voor elektronisch geld
naar Belgisch recht te verwerven of te vervreemden, hetzij
rechtstreeks of onrechtstreeks een dergelijke gekwalifi ceerde
deelneming te vergroten of te verminderen, waardoor het
percentage van de gehouden stemrechten of aandelen in het
kapitaal de drempel van 20 %, 30 % of 50 % zou bereiken,
onderschrijden of overschrijden, of waardoor de instelling voor
elektronisch geld haar dochteronderneming zou worden of
niet langer haar dochteronderneming zou zijn, de Bank daar-
van vooraf schriftelijk in kennis stellen, met vermelding van
de omvang van de beoogde deelneming en de in artikel 24,
§ 3, derde lid van de bankwet bedoelde relevante informatie.
§ 2. Indien de Bank grond heeft om aan te nemen dat de
invloed van de in paragraaf 1 bedoelde personen een gezond
en voorzichtig beleid van de instelling kan belemmeren, kan
zij haar verzet kenbaar maken.
De beslissing van de Bank die overeenkomstig het eerste
lid wordt genomen, wordt op de meest geschikte wijze ter
kennis gebracht van de betrokken aandeelhouder of vennoot.
Deze beslissing is uitvoerbaar zodra zij ter kennis is gebracht.
De Bank kan haar beslissing openbaar maken.
Voor het verrichten van de in het eerste lid bedoelde beoor-
deling werkt de Bank in onderling overleg samen met iedere
2432/001
DOC 53
81
2431/001
DOC 53
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 3 e L É G I S L A T U R E
K AMER 3e Z ITTING VAN DE 53e Z ITTING S P E RIO DE
2011
2012
concernée, ou, selon le cas, avec la FSMA, si le candidat
acquéreur est:
a) un établissement de crédit, une entreprise d’assurances,
une entreprise de réassurance, une entreprise d’investisse-
ment ou une société de gestion d’organismes de placement
collectif agréés dans un autre État membre, ou, selon le cas,
par la FSMA;
b) l’entreprise mère d’une entreprise ayant une des qualités
visées au a);
c) une personne physique ou morale contrôlant une entre-
prise ayant une des qualités visées au a);
§ 3. En cas d’abstention de procéder à la notifi cation pré-
alable prescrite au paragraphe 1er, ou en cas d’acquisition ou
d’accroissement d’une participation en dépit de l’opposition
de la Banque visée au paragraphe 2, la Banque peut:
1° suspendre l’exercice des droits de vote attachés aux
actions ou parts détenues par l’actionnaire ou l’associé en
question; elle peut, à la demande de tout intéressé, accorder
la levée des mesures ordonnées par elle; sa décision est
notifi ée de la manière la plus appropriée à l’actionnaire ou
à l’associé en cause; sa décision est exécutoire dès qu’elle
a été notifi ée; la Banque peut rendre sa décision publique;
2° donner injonction à l’actionnaire ou à l’associé en cause
de céder, dans le délai qu’elle fi xe, les droits d’associé qu’il
détient.
A défaut de cession dans le délai fi xé, la Banque peut
ordonner la mise sous séquestre des droits d’associés
auprès de telle institution ou personne qu’elle détermine.
Le séquestre en donne connaissance à l’établissement
de monnaie électronique qui modifi e en conséquence le
registre des actions ou parts d’associés nominatives et qui
n’accepte l’exercice des droits qui y sont attachés que par
le seul séquestre. Celui-ci agit dans l’intérêt d’une gestion
saine et prudente de l’établissement de monnaie électronique
et dans celui du détenteur des droits d’associés ayant fait
l’objet du séquestre. Il exerce tous les droits attachés aux
actions ou parts d’associés. Les sommes encaissées par lui
au titre de dividende ou à un autre titre ne sont remises par
lui au détenteur précité que si celui-ci a satisfait à l’injonction
visée à l’alinéa 1er, 2°. La souscription à des augmentations
de capital ou à d’autres titres conférant ou non le droit de
vote, l’option en matière de dividende payable en titres de la
société, la réponse à des offres publiques d’acquisition ou
d’échange et la libération de titres non entièrement libérés
sont subordonnés à l’accord du détenteur précité. Les droits
d’associés acquis en vertu de ces opérations font, de plein
droit, l’objet du séquestre prévu ci-dessus. La rémunération du
séquestre est fi xée par la Banque et est à charge du détenteur
précité. Le séquestre peut imputer cette rémunération sur les
sommes qui lui sont versées en sa qualité de séquestre ou
andere betrokken bevoegde autoriteit of, al naargelang het
geval, met de FSMA, indien de kandidaat-verwerver een van
de volgende personen is:
a) een kredietinstelling, een verzekerings-onderneming,
een herverzekeringsonderneming, een beleggingsonderne-
ming of een beheervennootschap van instellingen voor col-
lectieve belegging waaraan een vergunning is verleend in een
andere lidstaat, of, al naargelang het geval, door de FSMA;
b) de moederonderneming van een van de in de bepaling
onder a) bedoelde ondernemingen;
c) een natuurlijke of rechtspersoon die de controle heeft
over een van de in de bepaling onder a) bedoelde onderne-
mingen;
§ 3. Indien de bij paragraaf 1 voorgeschreven voorafgaande
kennisgeving niet wordt verricht of indien een deelneming
wordt verworven of vergroot ondanks het in paragraaf 2
bedoelde verzet van de Bank, kan de Bank:
1° de uitoefening schorsen van de stemrechten die ver-
bonden zijn aan de aandelen die door de betrokken aandeel-
houder of vennoot worden gehouden; zij kan, op verzoek van
elke belanghebbende, toestaan dat de door haar bevolen
maatregelen worden opgeheven; haar beslissing wordt op de
meest geschikte wijze ter kennis gebracht van de betrokken
aandeelhouder of vennoot; haar beslissing is uitvoerbaar
zodra zij ter kennis is gebracht; de Bank kan haar beslissing
openbaar maken;
2° de betrokken aandeelhouder of vennoot aanmanen om,
binnen de termijn die zij bepaalt, de aandeelhoudersrechten
in zijn bezit over te dragen.
Als zij binnen de vastgestelde termijn niet worden overge-
dragen, kan de Bank bevelen de aandeelhoudersrechten te
sekwestreren bij de instelling of de persoon die zij bepaalt.
Het sekwester brengt dit ter kennis van de instelling voor
elektronisch geld, die het register van de aandelen op naam
dienovereenkomstig wijzigt en de uitoefening van de hieraan
verbonden rechten enkel aanvaardt vanwege het sekwester.
Het sekwester handelt in het belang van een gezond en voor-
zichtig beleid van de instelling voor elektronisch geld en in het
belang van de houder van de gesekwestreerde aandeelhou-
dersrechten. Het oefent alle rechten uit die aan de aandelen
zijn verbonden. De bedragen die het sekwester als dividend
of anderszins int, worden slechts aan de voornoemde houder
overgemaakt indien hij gevolg heeft gegeven aan de in het
eerste lid, 2°, bedoelde aanmaning. Om in te schrijven op kapi-
taalverhogingen of andere al dan niet stemrechtverlenende
effecten, om te kiezen voor dividenduitkering in aandelen van
de vennootschap, om in te gaan op openbare overname- of
ruilaanbiedingen en om nog niet volgestorte aandelen vol te
storten, is de instemming van de voornoemde houder vereist.
De aandeelhoudersrechten die zijn verworven in het kader
van dergelijke verrichtingen worden van rechtswege toege-
voegd aan het voornoemde sekwester. De vergoeding van het
sekwester wordt vastgesteld door de Bank en betaald door
de voornoemde houder. Het sekwester kan deze vergoeding
2432/001
DOC 53
82
2431/001
DOC 53
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 3 e L É G I S L A T U R E
K AMER 3e Z ITTING VAN DE 53e Z ITTING S P E RIO DE
2011
2012
par le détenteur précité aux fi ns ou comme conséquence des
opérations visées ci-dessus.
Lorsque des droits de vote ont été exercés par le déten-
teur originaire ou par une personne, autre que le séquestre,
agissant pour le compte de ce détenteur après l’échéance
du délai fi xé conformément à l’alinéa 1er, 2°, première phrase,
nonobstant une suspension de leur exercice prononcée
conformément à l’alinéa 1er, 1°, le tribunal de commerce dans
le ressort duquel la société a son siège peut, sur requête de
la Banque, prononcer la nullité de tout ou partie des délibé-
rations de l’assemblée générale si, sans les droits de vote
illégalement exercés, les quorums de présence ou de majorité
requis par lesdites délibérations n’auraient pas été réunis.
3° demander au président du tribunal de commerce dans le
ressort duquel l’établissement de monnaie électronique a son
siège, statuant comme en référé, de prononcer l’annulation de
tout ou partie des votes émis par l’acquéreur ou l’actionnaire
ou associé concerné. La procédure est engagée par citation
émanant de la Banque. L’article 516, § 3 du Code des sociétés
est d’application.
§ 4. Lorsque la Banque a des raisons de considérer que
l’infl uence exercée par une personne physique ou morale
détenant, directement ou indirectement, une participation qua-
lifi ée dans un établissement de monnaie électronique est de
nature à compromettre sa gestion saine et prudente, et sans
préjudice des autres mesures prévues par la présente loi, elle
peut prendre les mesures visées au paragraphe 3, 1° et 2°.”.
Art. 47
Dans la même section 3, il est inséré un article 74 rédigé
comme suit:
“Art. 74. Sont soumises à l’autorisation de la Banque les
fusions entre établissements de monnaie électronique et les
fusions entre établissements de monnaie électronique et
d’autres établissements fi nanciers.
Sont, pour l’application du présent article, assimilées
à des fusions, les cessions de l’activité et les cessions de
l’ensemble ou d’une partie du réseau.
La Banque ne peut refuser l’autorisation que dans les trois
mois de la notifi cation préalable qui lui a été faite du projet
avec présentation d’un dossier complet, et pour des motifs
tenant à la gestion saine et prudente de l’établissement de
monnaie électronique. Si elle n’intervient pas dans le délai
fi xé ci-dessus, l’autorisation est réputée acquise.”.
aftrekken van de bedragen die hem worden gestort in zijn
hoedanigheid van sekwester of die hem worden gestort door
de voornoemde houder in het vooruitzicht of na uitvoering van
de hierboven bedoelde verrichtingen.
Indien na afl oop van de overeenkomstig het eerste lid, 2°,
eerste zin, vastgestelde termijn, stemrechten werden uitgeoe-
fend door de oorspronkelijke houder of door een andere
persoon, buiten het sekwester, die optreedt voor rekening
van deze houder, niettegenstaande een schorsing van hun
uitoefening overeenkomstig het eerste lid, 1°, kan de rechtbank
van koophandel van het rechtsgebied waar de vennootschap
haar zetel heeft, op verzoek van de Bank, alle of een deel van
de beslissingen van de algemene vergadering nietig verklaren
wanneer het aanwezigheids- of meerderheidsquorum dat is
vereist voor de genoemde beslissingen, buiten de onwettig
uitgeoefende stemrechten niet zou zijn bereikt.
3° de voorzitter van de rechtbank van koophandel van het
rechtsgebied waar de instelling voor elektronisch geld haar
zetel heeft, uitspraak doende als in kort geding, verzoeken
om alle of een deel van de stemmen uitgebracht door de
verwerver of de betrokken aandeelhouder of vennoot nietig te
verklaren. De procedure wordt ingeleid bij dagvaarding door
de Bank. Artikel 516, § 3, van het Wetboek van Vennootschap-
pen is van toepassing.
§ 4. Indien de Bank grond heeft om aan te nemen dat de
invloed van een natuurlijke of rechtspersoon die rechtstreeks
of onrechtstreeks een gekwalifi ceerde deelneming bezit in
een instelling voor elektronisch geld, een gezond en voor-
zichtig beleid van deze instelling voor elektronisch geld kan
belemmeren, kan zij, onverminderd de andere bij deze wet
bepaalde maatregelen, de in paragraaf 3, 1° en 2° bedoelde
maatregelen nemen.”.
Art. 47
In dezelfde afdeling 3 wordt een artikel 74 ingevoegd,
luidende:
“Art. 74. De toestemming van de Bank is vereist voor
fusies van instellingen voor elektronisch geld en fusies tus-
sen dergelijke instellingen en andere in de fi nanciële sector
bedrijvige instellingen.
Voor de toepassing van dit artikel worden de overdracht
van het bedrijf en de integrale of gedeeltelijke overdracht van
het net met een fusie gelijkgesteld.
De Bank kan haar toestemming enkel weigeren binnen
drie maanden nadat zij van het project in kennis is gesteld,
met voorlegging van een volledig dossier, om redenen die
verband houden met het gezond en voorzichtig beleid van de
instelling voor elektronisch geld. Als zij niet optreedt binnen
de voornoemde termijn, wordt de toestemming geacht te zijn
verkregen.”.
2432/001
DOC 53
83
2431/001
DOC 53
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 3 e L É G I S L A T U R E
K AMER 3e Z ITTING VAN DE 53e Z ITTING S P E RIO DE
2011
2012
Art. 48
Dans la même section 3, il est inséré un article 75 rédigé
comme suit:
“Art. 75. L’établissement de monnaie électronique qui pro-
jette d’ouvrir une succursale sur le territoire d’un autre État
membre de l’EEE en vue d’y exercer une activité d’émission
de monnaie électronique, ou qui projette d’exercer une activité
d’émission de monnaie électronique sur le territoire d’un autre
État membre de l’EEE sans y établir de succursale, notifi e
son intention à la Banque.
Cette notifi cation est assortie d’un programme d’activités
dans lequel sont notamment indiqués les activités envisagées
et, le cas échéant, les autres activités visées à l’article 77,
§ 2, et, dans le cas de l’établissement d’une succursale, la
structure de l’organisation de la succursale, la domiciliation
de la correspondance dans l’État concerné et le nom des
dirigeants de la succursale.
La Banque peut s’opposer à la réalisation du projet par
décision motivée par les répercussions préjudiciables de
l’ouverture de la succursale sur l’organisation, la situation
fi nancière ou le contrôle de l’établissement de monnaie
électronique.
La décision de la Banque est notifi ée à l’établissement de
monnaie électronique par lettre recommandée à la poste ou
avec accusé de réception au plus tard quatre semaines après
la réception du dossier complet comprenant les informations
prévues à l’alinéa 2.
Pour autant qu’elle ne formule pas d’opposition, la Banque
communique, dans un délai d’un mois suivant la réception de
la notifi cation visée à l’alinéa 1er, l’information visée à l’alinéa
2 à l’autorité chargée du contrôle des établissements de
monnaie électronique dans le pays concerné.
Le présent article s’applique également, à l’exception
de l’alinéa 3, à l’ouverture de succursales dans un État
non membre de l’EEE, quelles que soient les activités que
projettent d’exercer ces succursales. En ce cas, la Banque
peut convenir avec l’autorité de contrôle des établissements
de monnaie électronique de cet État des modalités d’ouver-
ture et de contrôle de la succursale ainsi que des échanges
d’informations souhaitables entre les deux autorités.
L’établissement de monnaie électronique qui a ouvert
une succursale à l’étranger informe la Banque au moins un
mois à l’avance, des modifi cations affectant les informations
communiquées en vertu de l’alinéa 2.”.
Art. 49
Dans la même section 3, il est inséré un article 76 rédigé
comme suit:
Art. 48
In dezelfde afdeling 3 wordt een artikel 75 ingevoegd,
luidende:
“Art. 75. Iedere instelling voor elektronisch geld die op
het grondgebied van een andere lidstaat van de EER een
bijkantoor wenst te vestigen om er een activiteit van uitgifte
van elektronisch geld uit te oefenen, of die voornemens is op
het grondgebied van een andere lidstaat van de EER een acti-
viteit van uitgifte van elektronisch geld uit te oefenen zonder
er een bijkantoor te vestigen, stelt de Bank daarvan in kennis.
Bij deze kennisgeving wordt een programma van werk-
zaamheden gevoegd, waarin met name de voorgenomen
werkzaamheden en, in voorkomend geval, de andere wer-
kzaamheden bedoeld in artikel 77, § 2, worden vermeld,
alsook, in geval van oprichting van een bijkantoor, de orga-
nisatiestructuur van het bijkantoor, de domiciliëring van de
correspondentie in de betrokken lidstaat en de naam van de
leiders van het bijkantoor.
De Bank kan zich verzetten tegen de uitvoering van het
project bij beslissing die is ingegeven door de nadelige
gevolgen van de opening van een bijkantoor op de organisa-
tie, de fi nanciële positie of het toezicht op de instelling voor
elektronisch geld.
De beslissing van de Bank wordt uiterlijk vier weken na de
ontvangst van het volledige dossier met alle in het tweede
lid bedoelde inlichtingen, met een aangetekende brief of een
brief met ontvangstbewijs ter kennis gebracht van de instelling
voor elektronisch geld.
Voor zover zij zich niet verzet, deelt de Bank binnen een
maand na de ontvangst van de in het eerste lid bedoelde
kennisgeving, de in het tweede lid bedoelde informatie mee
aan de autoriteit die in het betrokken land belast is met het
toezicht op de instellingen voor elektronisch geld.
Met uitzondering van het derde lid, geldt dit artikel eve-
neens voor de opening van bijkantoren in een staat die geen
lid is van de EER, welke ook de geplande werkzaamheden
voor deze bijkantoren zijn. In dit geval kan de Bank in overleg
met de autoriteit die toezicht houdt op de instellingen voor
elektronisch geld in die staat, regels vaststellen voor de
opening van en het toezicht op het bijkantoor alsook voor de
wenselijke informatie-uitwisseling tussen beide autoriteiten.
Iedere instelling voor elektronisch geld die in het buiten-
land een bijkantoor heeft geopend, stelt de Bank ten minste
één maand op voorhand in kennis van alle wijzigingen in de
krachtens het tweede lid verstrekte inlichtingen.”.
Art. 49
In dezelfde afdeling 3 wordt een artikel 76 ingevoegd,
luidende:
2432/001
DOC 53
84
2431/001
DOC 53
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 3 e L É G I S L A T U R E
K AMER 3e Z ITTING VAN DE 53e Z ITTING S P E RIO DE
2011
2012
“Art. 76. § 1er. Sans préjudice de l’article 63, alinéa 3, les
établissements de monnaie électronique sont autorisés à
distribuer et à rembourser de la monnaie électronique par
l’intermédiaire de distributeurs.
§ 2. Lorsqu’un établissement de monnaie électronique
souhaite distribuer de la monnaie électronique dans un autre
État membre de l’EEE, par l’intermédiaire d’un distributeur
établi dans ledit État, l’article 75 s’applique par analogie.
§ 3. Les établissements de monnaie électronique sont
autorisés à fournir les services de paiement visés à l’article
77, § 2, 1° par l’intermédiaire d’agents. Dans ce cas, l’article
20 s’applique par analogie.
Les établissements de monnaie électronique ne sont pas
autorisés à émettre de la monnaie électronique par l’inter-
médiaire d’agents.
§ 4. Les établissements de monnaie électronique sont
entièrement responsables des actes posés par leurs distri-
buteurs et leurs agents.”.
Art. 50
Dans la même section 3, il est inséré un article 77 rédigé
comme suit:
“Art. 77. § 1er. Les établissements de monnaie électronique
sont habilités à exercer des activités commerciales autres que
l’émission de monnaie électronique, moyennant l’autorisation
préalable de la Banque.
Sans préjudice de l’article 81, § 4, si la Banque autorise un
établissement de monnaie électronique à exercer des activités
autres que l’émission de monnaie électronique, elle peut, en
vue d’une gestion saine et prudente et d’une maîtrise des
risques appropriée par l’établissement de monnaie électro-
nique, ou pour les besoins d’un contrôle prudentiel adapté
dudit établissement, subordonner à certaines conditions com-
plémentaires l’exercice d’activités autres que l’émission de
monnaie électronique ou les activités visées au paragraphe 2.
En outre, la Banque peut exiger que l’exercice de l’activité
d’émission de monnaie électronique et, le cas échéant, de
services de paiement, soit logée dans une entité juridique
distincte de l’entité exerçant d’autres activités.
§ 2. Par dérogation au paragraphe 1er, alinéa 1er, et sans
préjudice de l’article 72, § 2, dernier alinéa, les établissements
de monnaie électronique sont habilités à exercer également
les activités suivantes:
1° la prestation des services de paiement énumérés à
l’annexe Ire de la présente loi;
2° la prestation de services opérationnels et de services
auxiliaires étroitement liés à l’émission de monnaie électro-
“Art. 76. § 1. Onverminderd artikel 63, derde lid, mogen
instellingen voor elektronisch geld via distributeurs elektro-
nisch geld overmaken en terugbetalen.
§ 2. Indien een instelling voor elektronisch geld elektronisch
geld wenst over te maken in een andere lidstaat van de EER
via een distributeur die in de genoemde staat is gevestigd, is
artikel 75 van overeenkomstige toepassing.
§ 3. Instellingen voor elektronisch geld mogen betalings-
diensten aanbieden als bedoeld in artikel 77, § 2, 1°, via agen-
ten. Artikel 20 is in dit geval van overeenkomstige toepassing.
Instellingen voor elektronisch geld mogen geen elektro-
nisch geld uitgeven via agenten.
§ 4. Instellingen voor elektronisch geld zijn volledig veran-
twoordelijk voor de handelingen die door hun distributeurs en
agenten worden gesteld.”.
Art. 50
In dezelfde afdeling 3 wordt een artikel 77 ingevoegd,
luidende:
“Art. 77. § 1. Instellingen voor elektronisch geld mogen an-
dere bedrijfswerkzaamheden dan de uitgifte van elektronisch
geld verrichten, mits hiervoor voorafgaandelijk toestemming
is verleend door de Bank.
Indien de Bank erin toestemt dat een instelling voor
elektronisch geld andere werkzaamheden dan de uitgifte van
elektronisch geld verricht, kan zij, onverminderd artikel 81,
§ 4 en gelet op de noodzaak van een gezond en voorzichtig
beleid en een passende risicobeheersing door de instelling
voor elektronisch geld of op de vereiste van een passend pru-
dentieel toezicht op deze instelling, de uitoefening van andere
werkzaamheden dan de uitgifte van elektronisch geld of de
in paragraaf 2 bedoelde werkzaamheden aan aanvullende
voorwaarden onderwerpen.
Bovendien kan de Bank eisen dat de activiteit van uitgifte
van elektronisch geld en, in voorkomend geval, het betalings-
dienstenbedrijf, ondergebracht worden in een afzonderlijke
juridische entiteit, afgescheiden van deze die andere werk-
zaamheden uitoefent.
§ 2. In afwijking van paragraaf 1, eerste lid, en onvermin-
derd artikel 72, paragraaf 2, tweede lid, mogen instellingen
voor elektronisch geld eveneens de volgende werkzaamhe-
den uitoefenen:
1° het verlenen van de betalingsdiensten die opgesomd
zijn in bijlage I bij deze wet;
2° het verrichten van operationele diensten en nevendiens-
ten die nauw samenhangen met de uitgifte van elektronisch
2432/001
DOC 53
85
2431/001
DOC 53
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 3 e L É G I S L A T U R E
K AMER 3e Z ITTING VAN DE 53e Z ITTING S P E RIO DE
2011
2012
nique ou à la prestation de services de paiement visés au
point 1°;
3° la gestion de systèmes de paiement, sans préjudice
de l’article 49;
§ 3. Les établissements de monnaie électronique ne
peuvent octroyer un crédit lié aux services de paiement visés
aux points 4, 5 ou 7 de l’annexe Ire de la présente loi qu’aux
conditions visées à l’article 21, § 3.
Les crédits visés à l’alinéa 1er ne peuvent être octroyés sur
la base des fonds reçus en contrepartie de monnaie électro-
nique et détenus conformément à l’article 78, § 1er.
§ 4. Les établissements de monnaie électronique ne sont
pas autorisés à exercer l’activité de réception de dépôts
d’argent ou d’autres fonds remboursables au sens de l’article
1er de la loi bancaire.
§ 5. Les fonds reçus des détenteurs de monnaie électro-
nique par des établissements de monnaie électronique sont
échangés sans délai contre de la monnaie électronique.
Ces fonds ne constituent pas des dépôts ou d’autres fonds
remboursables au sens de l’article 1er de la loi bancaire, à
condition que l’obligation visée à l’alinéa précédent soit
respectée.
À défaut de respecter l’obligation visée à l’alinéa 1er, la
réception de ces fonds est assimilée à une réception de
dépôts d’argent ou d’autres fonds remboursables illicite en
violation du paragraphe 4 et de l’article 68bis de la loi du
16 juin 2006 relative aux offres publiques d’instruments de
placement et aux admissions d’instruments de placement à
la négociation sur des marchés réglementés.
§ 6. L’article 21, §§ 4 et 5 s’applique aux fonds reçus dans
le cadre des activités visées au paragraphe 2, 1°, qui ne sont
pas liées à l’activité d’émission de monnaie électronique.
§ 7. Les établissements de monnaie électronique ne
peuvent, sauf autorisation préalable de la Banque, détenir
des participations dans des sociétés commerciales ou ayant
emprunté la forme d’une société commerciale.
L’interdiction visée à l’alinéa 1er ne s’applique pas aux
participations dans des sociétés exerçant en tout ou en partie
des activités en matière d’émission de monnaie électronique,
de services de paiement, de services auxiliaires à l’émission
de monnaie électronique ou à la prestation de services de
paiement, ou de gestion de systèmes de paiement, visés au
paragraphe 2, ou dans des sociétés dont l’objet consiste à
titre principal en la détention de participations dans de telles
sociétés.
geld of het verlenen van de betalingsdiensten bedoeld in
punt 1°;
3° het beheer van betalingssystemen, onverminderd
artikel 49;
§ 3. Instellingen voor elektronisch geld mogen maar een
krediet verlenen in verband met de betalingsdiensten bedoeld
in de punten 4, 5 en 7 van bijlage I bij deze wet mits voldaan
is aan de voorwaarden bedoeld in artikel 21, § 3.
De kredieten bedoeld in het eerste lid mogen niet worden
verleend uit de geldmiddelen die in ruil voor het elektronisch
geld worden ontvangen en conform artikel 78, § 1, worden
aangehouden.
§ 4. Instellingen voor elektronisch geld mogen geen geldde-
posito’s of andere terugbetaalbare gelden in de zin van artikel
1 van de bankwet ontvangen.
§ 5. Geldmiddelen die instellingen voor elektronisch geld
van houders van elektronisch geld ontvangen, worden onve-
rwijld gewisseld voor elektronisch geld.
Dergelijke geldmiddelen zijn noch deposito’s noch andere
terugbetaalbare gelden in de zin van artikel 1 van de bankwet,
op voorwaarde dat de verplichting bedoeld in het vorige lid
vervuld is.
Indien de verplichting bedoeld in het eerste lid niet ver-
vuld is, wordt het in ontvangst nemen van die geldmiddelen
gelijkgesteld met het ongeoorloofd in ontvangst nemen
van gelddeposito’s of andere terugbetaalbare gelden, met
overtreding van paragraaf 4 en van artikel 68bis van de wet
van 16 juni 2006 op de openbare aanbieding van belegging-
sinstrumenten en de toelating van beleggingsinstrumenten tot
de verhandeling op een gereglementeerde markt.
§ 6. Artikel 21, §§ 4 en 5 is van toepassing op de geldmidde-
len die worden ontvangen in het kader van de werkzaamheden
bedoeld in paragraaf 2, 1°, die geen verband houden met de
uitgifte van elektronisch geld.
§ 7. Instellingen voor elektronisch geld mogen, behoudens
voorafgaande toestemming van de Bank, geen deelnemingen
bezitten in handelsvennootschappen of in vennootschappen
die de vorm van een handelsvennootschap hebben aange-
nomen.
Het in het eerste lid bedoelde verbod geldt niet voor
deelnemingen in vennootschappen die alle of een deel van
de in paragraaf 2 bedoelde werkzaamheden inzake uitgifte
van elektronisch geld, betalingsdiensten, nevendiensten in
verband met de uitgifte van elektronisch geld of het verlenen
van betalingsdiensten, of het beheer van betalingssyste-
men uitoefenen, of voor deelnemingen in vennootschappen
waarvan het doel in hoofdzaak bestaat in het aanhouden van
deelnemingen in dergelijke vennootschappen.
2432/001
DOC 53
86
2431/001
DOC 53
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 3 e L É G I S L A T U R E
K AMER 3e Z ITTING VAN DE 53e Z ITTING S P E RIO DE
2011
2012
En vue d’une gestion saine et prudente et d’une maîtrise
adéquate des risques, la Banque peut soumettre la prise de
participations à des conditions.”.
Art. 51
Dans la même section 3, il est inséré un article 78 rédigé
comme suit:
“Art. 78. § 1er. Les fonds reçus par un établissement de
monnaie électronique en échange de la monnaie électronique
émise doivent:
a) pouvoir être distinctement identifi és dans sa comptabilité
et n’être jamais mélangés avec d’autres fonds, et
b) lorsque ces fonds sont encore détenus par l’établisse-
ment de monnaie électronique à la fi n du jour ouvrable suivant
le jour où ils ont été reçus:
(i) être déposés sur un compte global ou individualisé
distinct auprès d’une ou plusieurs entités ayant la qualité
d’établissement de crédit relevant du droit d’un État membre
de l’EEE, ou d’établissement de crédit établi dans l’EEE et
relevant du droit d’un État non membre de l’EEE, ou
(ii) être investis en actifs à faible risque, liquides et sûrs,
tels que défi nis par la Banque, conformément aux disposi-
tions de l’article 7.2. de la Directive 2009/110/CE, par voie
de règlement;
c) ou être couverts, d’une manière jugée satisfaisante par
la Banque, par une assurance, une garantie ou une caution
d’une entreprise d’assurances ou d’un établissement de cré-
dit relevant du droit d’un État membre de l’EEE ou disposant
d’un établissement dans l’EEE et relevant du droit d’un État
non membre de l’EEE, laquelle entreprise d’assurances ou
lequel établissement de crédit ne peut appartenir au même
groupe que l’établissement de monnaie électronique, pour
un montant qui est égal au montant qui aurait été affecté en
application du point b), et qui est payable si l’établissement
de monnaie électronique n’est pas en mesure d’honorer ses
obligations fi nancières.
Les entités visées à l’alinéa 1er, b), (i) ne peuvent, sur les
fonds déposés sur un compte distinct, faire valoir de droit
résultant de créances propres sur l’établissement de monnaie
électronique qui a ouvert ce compte. De même, ces comptes
et leur solde ne peuvent faire l’objet d’aucune saisie-arrêt par
les créanciers de l’établissement de monnaie électronique.
La Banque peut autoriser que les fonds visés à l’alinéa 1er,
b), soient déposés auprès d’un établissement de crédit rele-
vant du droit d’un État non membre de l’EEE et ne disposant
pas d’un établissement dans l’EEE, ou que les assurances,
garanties ou cautions visées à l’alinéa 1er, c), soient fournies
par une entreprise d’assurances ou un établissement de crédit
Gelet op de noodzaak van een gezond en voorzichtig beleid
en een passende risicobeheersing kan de Bank het nemen
van deelnemingen aan voorwaarden onderwerpen.”.
Art. 51
In dezelfde afdeling 3 wordt een artikel 78 ingevoegd,
luidende:
“Art. 78. § 1. De geldmiddelen die in ruil voor het elektro-
nisch geld door een instelling voor elektronisch geld worden
ontvangen, moeten:
a) in haar boekhouding afzonderlijk kunnen worden
geïdentifi ceerd en nooit worden vermengd met andere geld-
middelen, en
b) wanneer deze geldmiddelen op het einde van de
werkdag volgend op de dag waarop zij zijn ontvangen nog
steeds door de instelling voor elektronisch geld worden
aangehouden:
(i) worden gedeponeerd op een afzonderlijke gezamenlijke
of geïndividualiseerde rekening bijeen of meer entiteiten die
de hoedanigheid hebben van kredietinstelling die ressorteert
onder het recht van een lidstaat van de EER, of kredietinstel-
ling gevestigd in de EER die ressorteert onder het recht van
een staat die geen lid is van de EER, of
(ii) worden belegd in veilige, liquide activa met een lage
risicograad, zoals bij reglement gedefi nieerd door de Bank
conform de bepalingen van artikel 7.2. van Richtlijn 2009/110/
EG;
c) ofwel naar tevredenheid van de Bank gedekt zijn door
een verzekering, garantie of waarborg van een verzekering-
sonderneming of kredietinstelling, die ressorteert onder het
recht van een lidstaat van de EER of met vestiging in de EER
en ressorterend onder het recht van een staat die geen lid
is van de EER, en die niet tot dezelfde groep behoort als de
instelling voor elektronisch geld, voor een bedrag dat gelijk is
aan het bedrag dat besteed geweest zou zijn met toepassing
van punt b), en dat betaalbaar is ingeval de instelling voor
elektronisch geld niet in staat is haar fi nanciële verplichtingen
na te komen.
De in het eerste lid, b), (i) bedoelde entiteiten mogen op
de gelden die op een afzonderlijke rekening zijn geplaatst,
geen recht doen gelden ingevolge eigen vorderingen op
de instelling voor elektronisch geld die deze rekening heeft
geopend. Beslag onder derden door de schuldeisers van de
instelling voor elektronisch geld op deze rekeningen en hun
saldo is evenmin toegestaan.
De Bank kan toestaan dat de in het eerste lid, b), bedoelde
geldmiddelen gedeponeerd worden bij een kredietinstelling
die ressorteert onder het recht van een staat die geen lid is
van de EER en die geen vestiging heeft in de EER, of dat de in
het eerste lid, c) bedoelde verzekeringen, garanties en waar-
borgen verstrekt worden door een verzekeringsonderneming
2432/001
DOC 53
87
2431/001
DOC 53
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 3 e L É G I S L A T U R E
K AMER 3e Z ITTING VAN DE 53e Z ITTING S P E RIO DE
2011
2012
relevant du droit d’un État non membre de l’EEE et ne dispo-
sant pas d’un établissement dans l’EEE, si cet établissement
de crédit ou cette entreprise d’assurances est soumis(e) à
un contrôle exercé par une autorité de contrôle qui soit équi-
valent au contrôle prudentiel des établissements de crédit et
des entreprises d’assurances défi ni dans la réglementation
européenne.
Lorsque la monnaie électronique est acquise par le
moyen d’un instrument de paiement, la protection afférente
aux fonds reçus en échange de la monnaie électronique ne
doit être assurée qu’à partir du moment où les fonds sont
portés au crédit du compte de paiement de l’établissement
de monnaie électronique ou mis par tout autre moyen à la
disposition de l’établissement de monnaie électronique, le
cas échéant, conformément aux dispositions relatives au délai
d’exécution énoncées dans la loi du 10 décembre 2009. En
tout état de cause, ces fonds doivent être protégés au plus
tard cinq jours ouvrables, tels que défi nis à l’article 2, 17° de
la loi du 10 décembre 2009, après l’émission de la monnaie
électronique.
Les règlements visés à l’alinéa 1er, point b), ii) sont pris
conformément à l’article 12bis, § 2, de la loi du 22 février 1998.
§ 2. Lorsqu’une partie des fonds reçus en échange de la
monnaie électronique émise est potentiellement destinée
à être utilisée dans le cadre d’autres activités de l’établis-
sement de monnaie électronique, cette partie des fonds ne
relève pas des obligations au titre du paragraphe 1er. Si cette
partie est variable ou ne peut être déterminée à l’avance, les
établissements de monnaie électronique peuvent calculer ce
montant en supposant qu’une partie représentative des fonds
servira à l’émission de monnaie électronique, à condition que,
sur la base de données historiques, il soit raisonnablement
possible d’estimer cette partie représentative d’une manière
jugée satisfaisante par la Banque.
§ 3. L’article 22 s’applique aux établissements de mon-
naie électronique pour les activités visées à l’article 77, § 2,
1° qui ne sont pas liées à l’activité d’émission de monnaie
électronique.
§ 4. En cas de procédure d’insolvabilité ouverte à
l’encontre de l’établissement de monnaie électronique, les
espèces déposées sur un compte distinct en application du
paragraphe 1er, alinéa 1er, a) et b), sont affectées par privilège
spécial au remboursement des fonds reçus en échange de
la monnaie électronique émise.
§ 5. Les établissements de monnaie électronique informent
la Banque à l’avance de tout changement signifi catif affectant
les mesures prises en exécution du paragraphe 1er.”.
§ 6. Sans préjudice des pouvoirs dévolus à l’organe légal
d’administration en ce qui concerne la détermination de la
politique générale, tels que prévus par le Code des sociétés,
les personnes chargées de la direction effective de l’établis-
sement de monnaie électronique, le cas échéant le comité
de direction, prennent, sous la surveillance de l’organe légal
of kredietinstelling, die ressorteert onder het recht van staat
die geen lid is van de EER en die geen vestiging heeft in de
EER, indien deze kredietinstelling of verzekeringsonderne-
ming onderworpen is aan een door een toezichthoudende
autoriteit uitgeoefend toezicht dat gelijkwaardig is met het
prudentieel toezicht op kredietinstellingen en verzekering-
sondernemingen zoals bepaald in de Europese regelgeving.
Wanneer het elektronisch geld wordt verworven door mid-
del van een betaalinstrument, moeten de geldmiddelen die in
ruil voor het elektronisch geld worden ontvangen beschermd
worden vanaf het moment dat de betaalrekening van de
instelling voor elektronisch geld ermee gecrediteerd is of
vanaf het moment dat ze op een andere manier ter beschik-
king worden gesteld van de instelling voor elektronisch geld,
in voorkomend geval in overeenstemming met de vereisten
op het vlak van uitvoeringstermijnen die zijn vastgelegd in de
wet van 10 december 2009. Dergelijke middelen moeten in
ieder geval worden veilig gesteld ten laatste na vijf werkdagen,
zoals omschreven in artikel 2, 17° van de wet van 10 decem-
ber 2009, na de uitgifte van het elektronisch geld.
De in het eerste lid, punt b), ii) bedoelde reglementen
worden genomen overeenkomstig artikel 12bis, § 2, van de
wet van 22 februari 1998.
§ 2. Wanneer een gedeelte van de geldmiddelen die in
ruil voor het uitgegeven elektronisch geld worden ontvangen,
mogelijkerwijs in het kader van andere werkzaamheden van
de instelling voor elektronisch geld moet worden gebruikt,
zijn de vereisten van paragraaf 1 niet van toepassing op dit
gedeelte van de geldmiddelen. Wanneer dat gedeelte variabel
is of niet van tevoren is gekend, kunnen de instellingen voor
elektronisch geld dit bedrag berekenen op basis van een
representatief gedeelte dat geacht wordt voor de uitgifte van
elektronisch geld te worden gebruikt, mits het redelijkerwijs
mogelijk is een dergelijk representatief gedeelte naar tevre-
denheid van de Bank op basis van historische gegevens te
ramen.
§ 3. Artikel 22 is van toepassing op de instellingen voor
elektronisch geld, voor de werkzaamheden bedoeld in arti-
kel 77, § 2, 1° die geen verband houden met de uitgifte van
elektronisch geld.
§ 4. Indien er een insolventieprocedure wordt geopend
tegen de instelling voor elektronisch geld, worden de gelden
die met toepassing van paragraaf 1, eerste lid, a) en b), op een
afzonderlijke rekening zijn gedeponeerd, bij bijzonder voor-
recht aangewend voor de terugbetaling van de geldmiddelen
die zijn ontvangen in ruil voor het uitgegeven elektronisch geld.
§ 5. Instellingen voor elektronisch geld lichten de Bank op
voorhand in over elke substantiële wijziging in de maatregelen
die worden genomen in uitvoering van paragraaf 1.”.
§ 6. Onverminderd de bevoegdheden van het wettelijke
bestuursorgaan inzake vaststelling van het algemeen beleid
als bepaald bij het Wetboek van Vennootschappen, nemen
de personen belast met de effectieve leiding van de instelling
voor elektronisch geld, in voorkomend geval het directieco-
mité, onder toezicht van het wettelijke bestuursorgaan de
2432/001
DOC 53
88
2431/001
DOC 53
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 3 e L É G I S L A T U R E
K AMER 3e Z ITTING VAN DE 53e Z ITTING S P E RIO DE
2011
2012
d’administration, les mesures nécessaires pour assurer le
respect des paragraphes 1er et 2.
L’organe légal d’administration de l’établissement de
monnaie électronique doit contrôler au moins une fois par
an si l’établissement se conforme aux dispositions des para-
graphes 1er et 2 et de l’alinéa 1er du présent paragraphe, et
prend connaissance des mesures adéquates prises.
Les personnes chargées de la direction effective, le cas
échéant le comité de direction, font rapport au moins une
fois par an à l’organe légal d’administration, à la Banque
et au commissaire agréé sur le respect des dispositions de
l’alinéa 1er du présent paragraphe et sur les mesures adé-
quates prises.
Ces informations sont transmises à la Banque et au com-
missaire agréé selon les modalités que la Banque détermine.”.
Art. 52
Dans la même section 3, il est inséré un article 79 rédigé
comme suit:
“Art. 79. Les établissements de monnaie électronique ne
peuvent externaliser des tâches opérationnelles importantes
relatives à l’activité d’émission de monnaie électronique, ou
de prestation de services de paiement qu’aux conditions
suivantes:
a) ils en informent préalablement la Banque;
b) l’externalisation n’entraîne aucune délégation de la
responsabilité de la direction générale de l’établissement de
monnaie électronique;
c) la relation de l’établissement de monnaie électronique
avec les détenteurs de monnaie électronique et les obliga-
tions qu’il a envers eux en vertu de la présente loi et des
arrêtés et règlements pris en exécution de celle-ci ne sont
pas modifi ées;
d) le respect des conditions que l’établissement de
monnaie électronique est tenu de remplir pour recevoir puis
conserver son agrément n’est pas altéré;
e) aucune des autres conditions auxquelles l’agrément de
l’établissement de monnaie électronique a été subordonné
n’est supprimée ou modifi ée;
f) l’externalisation ne peut pas être faite d’une manière
qui nuise sérieusement à la qualité du contrôle interne de
l’établissement de monnaie électronique et qui empêche la
Banque de contrôler le respect, par l’établissement de mon-
naie électronique, de ses obligations.
Dans l’externalisation d’activités, les établissements de
monnaie électronique demeurent entièrement responsables
des actes posés par le prestataire de services.”.
nodige maatregelen voor de naleving van het bepaalde bij
de paragrafen 1 en 2.
Het wettelijke bestuursorgaan van de instelling voor
elektronisch geld dient minstens jaarlijks te controleren of de
instelling beantwoordt aan het bepaalde bij de paragrafen 1
en 2 en het eerste lid van deze paragraaf, en neemt kennis
van de genomen passende maatregelen.
De personen belast met de effectieve leiding, in voorko-
mend geval het directiecomité, lichten minstens jaarlijks het
wettelijke bestuursorgaan, de Bank en de erkende commissa-
ris in over de naleving van het bepaalde bij het eerste lid van
deze paragraaf en over de genomen passende maatregelen.
De informatieverstrekking aan de Bank en de erkende
commissaris gebeurt volgens de modaliteiten die de Bank
bepaalt.”.
Art. 52
In dezelfde afdeling 3 wordt een artikel 79 ingevoegd,
luidende:
“Art. 79. Instellingen voor elektronisch geld kunnen
belangrijke operationele taken met betrekking tot de uitgifte
van elektronisch geld of het verlenen van betalingsdiensten
slechts uitbesteden onder de hiernavolgende voorwaarden:
a) zij stellen de Bank hiervan voorafgaandelijk in kennis;
b) de uitbesteding leidt er niet toe dat de hoogste leiding
van de instelling voor elektronisch geld haar verantwoorde-
lijkheden delegeert;
c) de relatie van de instelling voor elektronisch geld met
de houders van elektronisch geld en de verplichtingen die zij
jegens hen heeft uit hoofde van deze wet en de ter uitvoe-
ring ervan genomen besluiten en reglementen, worden niet
gewijzigd;
d) de naleving van de voorwaarden waaraan de instelling
voor elektronisch geld moet voldoen om een vergunning te
verkrijgen en te behouden, mag niet worden ondermijnd;
e) geen van de andere voorwaarden waaronder de ver-
gunning aan de instelling voor elektronisch geld is verleend,
mag worden opgeheven of gewijzigd;
f) de uitbesteding mag geen wezenlijke afbreuk doen aan
de kwaliteit van de interne controle van de instelling voor
elektronisch geld en aan het vermogen van de Bank om te
controleren of de instelling voor elektronisch geld voldoet aan
haar verplichtingen.
Bij de uitbesteding van werkzaamheden blijven de instellin-
gen voor elektronisch geld volledig verantwoordelijk voor de
handelingen die gesteld zijn door de dienstverlener.”.
DOC 53 2432/001
89
2431/001
DOC 53
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 3 e L É G I S L A T U R E
K AMER 3e Z ITTING VAN DE 53e Z ITTING S P E RIO DE
2011
2012
Art. 53
In dezelfde afdeling 3 wordt een artikel 80 ingevoegd,
luidende:
“Art. 80. De instelling voor elektronisch geld legt periodiek
aan de Bank een gedetailleerde fi nanciële staat voor. Die
staat wordt opgemaakt overeenkomstig de regels die zijn
vastgesteld door de Bank, die ook de rapporteringsfrequen-
tie bepaalt. Bovendien kan de Bank eisen dat haar geregeld
andere cijfergegevens of uitleg worden verstrekt, zodat zij kan
nagaan of de bepalingen van deze wet of de ter uitvoering
ervan genomen besluiten en reglementen zijn nageleefd.
De effectieve leiding van de instelling voor elektronisch
geld, in voorkomend geval het directiecomité, verklaart aan
de Bank dat de voornoemde periodieke staten, die haar in
voorkomend geval aan het einde van het eerste halfjaar en
in elk geval aan het einde van het boekjaar worden bezorgd
door de instelling, in overeenstemming zijn met de boekhou-
ding en de inventarissen. Daartoe is vereist dat de periodieke
staten volledig zijn, d.w.z. dat zij alle gegevens bevatten uit
de boekhouding en de inventarissen op basis waarvan de
periodieke staten worden opgesteld, en dat zij juist zijn, d.w.z.
dat zij de gegevens correct weergeven uit de boekhouding
en de inventarissen op basis waarvan de periodieke staten
worden opgesteld. De effectieve leiding bevestigt het nodige
gedaan te hebben opdat de voornoemde staten volgens
de geldende richtlijnen van de Bank worden opgemaakt,
en worden opgesteld met toepassing van de boekings- en
waarderingsregels voor de opstelling van de jaarrekening, of,
voor de periodieke rapporteringsstaten die geen betrekking
hebben op het einde van het boekjaar, met toepassing van
de boekings- en waarderingsregels voor de opstelling van de
jaarrekening met betrekking tot het laatste boekjaar.
Na advies van de Bank bepaalt de Koning volgens welke
regels alle instellingen voor elektronisch geld of categorieën
van instellingen voor elektronisch geld:
1° hun boekhouding voeren, inventarisramingen verrichten
en hun jaarrekening opmaken en openbaar maken;
2° hun geconsolideerde jaarrekening opmaken, controleren
en openbaar maken en het jaar- en controleverslag over deze
geconsolideerde jaarrekening opmaken en openbaar maken.
Voor bepaalde categorieën van instellingen voor elektro-
nisch geld of in bijzondere gevallen kan de Bank met redenen
omklede afwijkingen toestaan van de in het eerste en derde
lid bedoelde besluiten en reglementen, voor alle instellingen
voor elektronisch geld die zich in vergelijkbare omstandighe-
den bevinden.
De instellingen voor elektronisch geld leggen hun jaarreke-
ning en hun geconsolideerde jaarrekening neer bij de Bank.
Art. 53
Dans la même section 3, il est inséré un article 80 rédigé
comme suit:
“Art. 80. Les établissements de monnaie électronique
communiquent périodiquement à la Banque une situation
fi nancière détaillée. Celle-ci est établie conformément aux
règles fi xées par la Banque, qui en détermine également la
fréquence. La Banque peut, en outre, prescrire la transmis-
sion régulière d’autres informations chiffrées ou descriptives
nécessaires à la vérifi cation du respect des dispositions de
la présente loi ou des arrêtés et règlements pris en exécution
de celles-ci.
La direction effective de l’établissement de monnaie élec-
tronique, le cas échéant le comité de direction, déclare à la
Banque que les états périodiques précités qui lui sont transmis
par l’établissement le cas échéant à la fi n du premier semestre
social et en tout état de cause à la fi n de l’exercice social, sont
conformes à la comptabilité et aux inventaires. Il est à cet effet
requis que les états périodiques soient complets, c’est-à-dire
qu’ils mentionnent toutes les données fi gurant dans la comp-
tabilité et dans les inventaires sur la base desquels ils sont
établis, et qu’ils soient corrects, c’est-à-dire qu’ils concordent
exactement avec la comptabilité et avec les inventaires sur la
base desquels ils sont établis. La direction effective confi rme
avoir fait le nécessaire pour que les états précités soient éta-
blis selon les instructions en vigueur de la Banque, ainsi que
par application des règles de comptabilisation et d’évaluation
présidant à l’établissement des comptes annuels, ou, s’agis-
sant des états périodiques qui ne se rapportent pas à la fi n
de l’exercice, par application des règles de comptabilisation
et d’évaluation qui ont présidé à l’établissement des comptes
annuels afférents au dernier exercice.
Le Roi détermine, sur avis de la Banque, pour l’ensemble
des établissements de monnaie électronique ou par catégorie
d’établissements de monnaie électronique:
1° les règles selon lesquelles les établissements de
monnaie électronique tiennent leur comptabilité, procèdent
aux évaluations d’inventaire et établissent et publient leurs
comptes annuels;
2° les règles à respecter par les établissements de monnaie
électronique pour l’établissement, le contrôle et la publication
de leurs comptes consolidés, ainsi que pour l’établissement
et la publication des rapports de gestion et de contrôle relatifs
à ces comptes consolidés.
La Banque peut, pour certaines catégories d’établisse-
ments de monnaie électronique ou dans des cas spéciaux,
autoriser des dérogations motivées aux arrêtés et règlements
visés aux alinéas 1er et 3, pour tous les établissements de
monnaie électronique se trouvant dans des circonstances
comparables.
Les établissements de monnaie électronique déposent
leurs comptes annuels et leurs comptes consolidés à la
Banque.
DOC 53 2432/001
90
2431/001
DOC 53
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 3 e L É G I S L A T U R E
K AMER 3e Z ITTING VAN DE 53e Z ITTING S P E RIO DE
2011
2012
De in dit artikel bedoelde besluiten en reglementen worden
genomen na raadpleging van de instellingen voor elektronisch
geld, in voorkomend geval via hun representatieve beroeps-
verenigingen.”.
Art. 54
In Boek 3, Titel 2, Hoofdstuk 1 van dezelfde wet, ingevoegd
bij artikel 30, wordt een afdeling 4 ingevoegd, luidende “Afde-
ling 4. — Toezicht op de instellingen voor elektronisch geld”.
Art. 55
In Boek 3, Titel 2, Hoofdstuk 1, Afdeling 4 van dezelfde
wet, ingevoegd bij artikel 54, wordt een artikel 81 ingevoegd,
luidende:
“Art. 81. § 1. De instellingen voor elektronisch geld zijn
onderworpen aan het toezicht van de Bank.
De Bank ziet erop toe dat elke instelling voor elektronisch
geld doorlopend werkt overeenkomstig de bepalingen van
deze wet en de ter uitvoering ervan genomen besluiten en
reglementen. Het toezicht door de Bank staat in verhouding
tot en is afgestemd op de aard, de omvang en de complexi-
teit van de door de instelling voor elektronisch geld verrichte
werkzaamheden, en de eraan verbonden risico’s.
§ 2. De Bank kan zich door de instellingen voor elektronisch
geld alle inlichtingen doen verstrekken over hun organisatie,
werking, fi nanciële positie en verrichtingen. Met dat doel kan
de Bank zich ook inlichtingen doen verstrekken door agenten
of distributeurs van instellingen voor elektronisch geld, door
dienstverleners als bedoeld in artikel 4, 17° en door andere
entiteiten waaraan taken zijn uitbesteed.
De Bank kan bij instellingen voor elektronisch geld ter
plaatse inspecties verrichten en ter plaatse kennis nemen en
een kopie maken van elk gegeven in bezit van de instelling
voor elektronisch geld:
1° om na te gaan of de wettelijke en reglementaire bepa-
lingen op het statuut van deinstellingen voor elektronisch
geld zijn nageleefd en of de boekhouding en de jaarrekening,
alsmede de haar door de instelling voor elektronisch geld
voorgelegde staten en andere inlichtingen, juist en waarheids-
getrouw zijn;
2° om het passende karakter te toetsen van de beleidss-
tructuren, de administratieve en boekhoudkundige organisatie
en de interne controle van de instelling voor elektronisch geld;
3° om zich ervan te vergewissen dat het beleid van de
instelling voor elektronisch geld gezond en voorzichtig is, en
dat haar positie of haar verrichtingen haar liquiditeit, rendabi-
liteit of solvabiliteit niet in gevaar kunnen brengen.
Les arrêtés et règlements visés au présent article sont
pris après consultation des établissements de monnaie élec-
tronique, le cas échéant représentés par leurs associations
professionnelles.”.
Art. 54
Dans le Livre 3, Titre 2, Chapitre 1er de la même loi, inséré
par l’article 30, il est inséré une section 4 intitulée “Section
4. — Contrôle des établissements de monnaie électronique”.
Art. 55
Dans le Livre 3, Titre 2, Chapitre 1er, Section 4 de la même
loi, insérée par l’article 54, il est inséré un article 81 rédigé
comme suit:
“Art. 81. § 1er. Les établissements de monnaie électronique
sont soumis au contrôle de la Banque.
La Banque veille à ce que chaque établissement de mon-
naie électronique opère en permanence conformément aux
dispositions de la présente loi et des arrêtés et règlements
pris pour son exécution. Le contrôle exercé par la Banque est
proportionné et adéquat, au regard de la nature, du volume et
de la complexité des activités de l’établissement de monnaie
électronique, ainsi que des risques y afférents.
§ 2. La Banque peut se faire communiquer par les éta-
blissements de monnaie électronique toutes informations
relatives à leur organisation, à leur fonctionnement, à leur
situation fi nancière et à leurs opérations. A cette fi n, la Banque
peut également se faire communiquer des informations par
les agents ou distributeurs d’établissements de monnaie
électronique, par les prestataires de services visés à l’article
4, 17° et par d’autres entités vers lesquelles des tâches sont
externalisées.
La Banque peut procéder auprès des établissements de
monnaie électronique à des inspections sur place et prendre
connaissance et copie, sans déplacement, de toute informa-
tion détenue par l’établissement de monnaie électronique,
en vue:
1° de vérifi er le respect des dispositions légales et régle-
mentaires relatives au statut des établissements de mon-
naie électronique ainsi que l’exactitude et la sincérité de la
comptabilité et des comptes annuels ainsi que des états et
autres informations qui lui sont transmis par l’établissement
de monnaie électronique;
2° de vérifier le caractère adéquat des structures de
gestion, de l’organisation administrative et comptable et du
contrôle interne de l’établissement de monnaie électronique;
3° de s’assurer que la gestion de l’établissement de mon-
naie électronique est saine et prudente et que sa situation
ou ses opérations ne sont pas de nature à mettre en péril sa
liquidité, sa rentabilité ou sa solvabilité.
DOC 53 2432/001
91
2431/001
DOC 53
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 3 e L É G I S L A T U R E
K AMER 3e Z ITTING VAN DE 53e Z ITTING S P E RIO DE
2011
2012
Met dat doel kan de Bank ook ter plaatse inspecties
verrichten bij agenten of distributeurs van instellingen voor
elektronisch geld, dienstverleners als bedoeld in artikel 4,
17° en andere entiteiten waaraan taken zijn uitbesteed, en ter
plaatse kennis nemen en een kopie maken van elk gegeven
in hun bezit.
§ 3. Het toezicht van de Bank slaat evenwel niet op de
door een instelling voor elektronisch geld verrichte andere
werkzaamheden dan de uitgifte van elektronisch geld, de
werkzaamheden bedoeld in artikel 77, § 2, 1° en 2°, en het
bezit van deelnemingen als bedoeld in artikel 77, § 7, tenzij dit
vereist is voor het toezicht op de naleving door de instelling
voor elektronisch geld van de bepalingen van deze wet en
de ter uitvoering ervan genomen besluiten en reglementen.”.
Art. 56
In dezelfde afdeling 4 wordt een artikel 82 ingevoegd,
luidende:
“Art. 82. Relaties tussen een instelling voor elektronisch
geld, haar agent of haar distributeur en een bepaalde cliënt
behoren niet tot de bevoegdheid van de Bank, tenzij het toe-
zicht op de instelling voor elektronisch geld dit vergt.”.
Art. 57
In dezelfde afdeling 4 wordt een artikel 83 ingevoegd,
luidende:
“Art. 83. De Bank kan bij de bijkantoren van instellingen
voor elektronisch geld naar Belgisch recht, evenals bij agen-
ten, distributeurs, dienstverleners als bedoeld in artikel 4, 17°
en andere entiteiten waaraan taken zijn uitbesteed, die in het
buitenland zijn gevestigd, na voorafgaande kennisgeving aan
de autoriteiten die in de betrokken staat belast zijn met het
toezicht op de instellingen voor elektronisch geld, de in artikel
81, § 1, vierde lid, bedoelde inspecties verrichten, alsook alle
inspecties met als doel de gegevens over de leiding en het
beleid van het bijkantoor, alsook alle gegevens die het toezicht
op de instelling voor elektronisch geld kunnen vergemakke-
lijken, inzonderheid op het vlak van haar fi nanciële positie,
administratieve en boekhoudkundige organisatie en interne
controle, ter plaatse in te zamelen of te toetsen.
Met hetzelfde doel en na kennisgeving aan de in het eerste
lid bedoelde autoriteiten, kan de Bank een deskundige die zij
aanstelt, gelasten alle nuttige controles en onderzoeken te
verrichten. De bezoldiging en de kosten van deze deskundige
worden door de instelling voor elektronisch geld gedragen. De
bezoldiging en de kosten van deze deskundige worden door
de instelling voor elektronisch geld gedragen.
Evenzo kan de Bank deze autoriteiten verzoeken bepaalde
van de in het eerste lid bedoelde controles en onderzoeken
te verrichten.”.
À cette fi n, la Banque peut également procéder à des
inspections sur place auprès des agents ou distributeurs
d’établissements de monnaie électronique, des prestataires
de services visés à l’article 4, 17° et d’autres entités vers
lesquelles des tâches sont externalisées, et prendre connais-
sance et copie, sans déplacement, de toute information
détenue par ces derniers.
§ 3. Le contrôle de la Banque ne porte toutefois pas sur
les activités de l’établissement de monnaie électronique
autres que l’activité d’émission de monnaie électronique, la
prestation d’activités visées à l’article 77, § 2, 1° et 2°, et la
détention de participations visée à l’article 77, § 7, sauf dans la
mesure requise pour le contrôle du respect par l’établissement
de monnaie électronique des dispositions de la présente loi
et des arrêtés et règlements pris pour son exécution.”.
Art. 56
Dans la même section 4, il est inséré un article 82 rédigé
comme suit:
“Art. 82. La Banque ne connaît des relations entre l’éta-
blissement de monnaie électronique, son agent ou son dis-
tributeur et un client déterminé que dans la mesure requise
pour le contrôle de l’établissement de monnaie électronique.”.
Art. 57
Dans la même section 4, il est inséré un article 83 rédigé
comme suit:
“Art. 83. La Banque peut procéder auprès des succursales
des établissements de monnaie électronique de droit belge,
des agents, des distributeurs, des prestataires de services
visés à l’article 4, 17° et des autres entités vers lesquelles
des tâches sont externalisées, établis à l’étranger, moyen-
nant l’information préalable des autorités de l’État concerné
chargées du contrôle des établissements de monnaie élec-
tronique, aux inspections visées à l’article 81, § 1, alinéa 4,
ainsi qu’à toute inspection en vue de recueillir ou de vérifi er
sur place les informations relatives à la direction et à la gestion
de la succursale ainsi que toutes informations susceptibles
de faciliter le contrôle de l’établissement de monnaie élec-
tronique, spécialement sur le plan de sa situation fi nancière,
de son organisation administrative et comptable et de son
contrôle interne.
Elle peut, aux mêmes fi ns, et après en avoir avisé les
autorités de contrôle visées à l’alinéa 1er, charger un expert,
qu’elle désigne, d’effectuer les vérifi cations et expertises
utiles. La rémunération et les frais de l’expert sont à charge
de l’établissement de monnaie électronique.
Elle peut, de même, demander à ces autorités de procéder
aux vérifi cations et expertises visées à l’alinéa 1er qu’elle leur
précise.”.
DOC 53 2432/001
92
2431/001
DOC 53
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 3 e L É G I S L A T U R E
K AMER 3e Z ITTING VAN DE 53e Z ITTING S P E RIO DE
2011
2012
Art. 58
Dans la même section 4, il est inséré un article 84 rédigé
comme suit:
“Art. 84. Les articles 28 à 32 s’appliquent aux établisse-
ments de monnaie électronique.”.
Art. 59
Dans la même section 4, il est inséré un article 85 rédigé
comme suit:
“Art. 85. Les commissaires agréés collaborent au contrôle
exercé par la Banque, sous leur responsabilité personnelle
et exclusive et conformément au présent article, aux règles
de la profession et aux instructions de la Banque. A cette fi n:
1° ils évaluent les mesures de contrôle interne adoptées
par les établissements de monnaie électronique conformé-
ment aux articles 69, § 3, alinéa 1er et 79, alinéa 1er, f), et ils
communiquent leurs conclusions en la matière à la Banque;
2° ils font rapport à la Banque sur:
a) les résultats de l’examen limité des états périodiques
transmis par les établissements de monnaie électronique à la
Banque à la fi n du premier semestre social, confi rmant qu’ils
n’ont pas connaissance de faits dont il apparaîtrait que ces
états périodiques n’ont pas, sous tous égards signifi cative-
ment importants, été établis selon les instructions en vigueur
de la Banque. Ils confi rment en outre que les états périodiques
arrêtés en fi n de semestre sont, pour ce qui est des données
comptables, sous tous égards signifi cativement importants,
conformes à la comptabilité et aux inventaires, en ce sens
qu’ils sont complets, c’est-à-dire qu’ils mentionnent toutes les
données fi gurant dans la comptabilité et dans les inventaires
sur la base desquels ils sont établis, et qu’ils sont corrects,
c’est-à-dire qu’ils concordent exactement avec la comptabilité
et avec les inventaires sur la base desquels ils sont établis;
ils confi rment également n’avoir pas connaissance de faits
dont il apparaîtrait que les états périodiques arrêtés en fi n de
semestre n’ont pas été établis par application des règles de
comptabilisation et d’évaluation qui ont présidé à l’établis-
sement des comptes annuels afférents au dernier exercice;
la Banque peut préciser quels sont en l’occurrence les états
périodiques visés;
b) les résultats du contrôle des états périodiques transmis
par les établissements de monnaie électronique à la Banque
à la fi n de l’exercice social, confi rmant que ces états pério-
diques ont, sous tous égards signifi cativement importants,
été établis selon les instructions en vigueur de la Banque. Ils
confi rment en outre que les états périodiques arrêtés en fi n
d’exercice sont, pour ce qui est des données comptables,
sous tous égards signifi cativement importants, conformes
à la comptabilité et aux inventaires, en ce sens qu’ils sont
complets, c’est-à-dire qu’ils mentionnent toutes les données
fi gurant dans la comptabilité et dans les inventaires sur la
base desquels ils sont établis, et qu’ils sont corrects, c’est-
Art. 58
In dezelfde afdeling 4 wordt een artikel 84 ingevoegd,
luidende:
“Art. 84. De artikelen 28 tot 32 zijn van toepassing op de
instellingen voor elektronisch geld.”.
Art. 59
In dezelfde afdeling 4 wordt een artikel 85 ingevoegd,
luidende:
“Art. 85. De erkende commissarissen verlenen hun
medewerking aan het toezicht van de Bank, op hun eigen
en uitsluitende verantwoordelijkheid en overeenkomstig dit
artikel, volgens de regels van het vak en de richtlijnen van
de Bank. Daartoe:
1° beoordelen zij de internecontrolemaatregelen die de
instellingen voor elektronisch geld hebben getroffen ove-
reenkomstig de artikelen 69, § 3, eerste lid en 79, eerste lid,
f), en delen zij hun bevindingen ter zake mee aan de Bank;
2° brengen zij verslag uit bij de Bank over:
a) de resultaten van het beperkt nazicht van de periodieke
staten die de instellingen voor elektronisch geld aan het einde
van het eerste halfjaar aan de Bank bezorgen, waarin beves-
tigd wordt dat zij geen kennis hebben van feiten waaruit zou
blijken dat de periodieke staten per einde halfjaar niet in alle
materieel belangrijke opzichten volgens de geldende richtli-
jnen van de Bank werden opgesteld. Bovendien bevestigen
zij dat de periodieke staten per einde halfjaar, voor wat de
boekhoudkundige gegevens betreft, in alle materieel belan-
grijke opzichten in overeenstemming zijn met de boekhouding
en de inventarissen, in die zin dat zij volledig zijn, d.w.z. dat zij
alle gegevens bevatten uit de boekhouding en de inventaris-
sen op basis waarvan de periodieke staten worden opgesteld,
en dat zij juist zijn, d.w.z. dat zij de gegevens correct weerge-
ven uit de boekhouding en de inventarissen op basis waarvan
de periodieke staten worden opgesteld; en bevestigen zij
geen kennis te hebben van feiten waaruit zou blijken dat de
periodieke staten per einde halfjaar niet zijn opgesteld met
toepassing van de boekings- en waarderingsregels voor de
opstelling van de jaarrekening met betrekking tot het laatste
boekjaar; de Bank kan de hier bedoelde periodieke staten
nader bepalen;
b) de resultaten van de controle van de periodieke staten
die de instellingen voor elektronisch geld aan het einde van
het boekjaar aan de Bank bezorgen, waarin bevestigd wordt
dat de periodieke staten in alle materieel belangrijke opzich-
ten werden opgesteld volgens de geldende richtlijnen van de
Bank. Bovendien bevestigen zij dat de periodieke staten per
einde van het boekjaar, voor wat de boekhoudkundige gege-
vens betreft, in alle materieel belangrijke opzichten in ove-
reenstemming zijn met de boekhouding en de inventarissen, in
die zin dat zij volledig zijn, d.w.z. dat zij alle gegevens bevatten
uit de boekhouding en de inventarissen op basis waarvan de
periodieke staten worden opgesteld, en dat zij juist zijn, d.w.z.
DOC 53 2432/001
93
2431/001
DOC 53
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 3 e L É G I S L A T U R E
K AMER 3e Z ITTING VAN DE 53e Z ITTING S P E RIO DE
2011
2012
dat zij de gegevens correct weergeven uit de boekhouding
en de inventarissen op basis waarvan de periodieke staten
worden opgesteld; en bevestigen zij dat de periodieke staten
per einde van het boekjaar werden opgesteld met toepassing
van de boekings- en waarderingsregels voor de opstelling van
de jaarrekening; de Bank kan de hier bedoelde periodieke
staten nader bepalen;
3° brengen zij bij de Bank op haar verzoek een bijzonder
verslag uit over de organisatie, de werkzaamheden en de
fi nanciële structuur van de instelling voor elektronisch geld;
de kosten voor de opstelling van dit verslag worden door de
instelling voor elektronisch geld gedragen;
4° brengen zij, in het kader van hun opdracht bij een
instelling voor elektronisch geld of een revisorale opdracht
bij een met een instelling voor elektronisch geld verbonden
onderneming, op eigen initiatief verslag uit bij de Bank, zodra
zij kennis krijgen van:
a) beslissingen, feiten of ontwikkelingen die de positie van
de instelling voor elektronisch geld fi nancieel of op het vlak
van haar administratieve en boekhoudkundige organisatie of
van haar interne controle, op betekenisvolle wijze beïnvloeden
of kunnen beïnvloeden;
b) beslissingen of feiten die kunnen wijzen op een overtre-
ding van het Wetboek van Vennootschappen, de statuten,
deze wet en de ter uitvoering ervan genomen besluiten en
reglementen;
c) andere beslissingen of feiten die kunnen leiden tot een
weigering van de certifi cering van de jaarrekening of tot het
formuleren van voorbehoud;
5° brengen zij minstens eenmaal per jaar verslag uit aan
de Bank over de deugdelijkheid van de maatregelen die de
instelling voor elektronisch geld heeft getroffen ter vrijwaring
van de geldmiddelen die zij van houders van elektronisch geld
ontvangt, met toepassing van artikel 78, §§ 1 en 2.
Tegen erkende commissarissen die te goeder trouw infor-
matie hebben verstrekt als bedoeld in het eerste lid, 4°, kunnen
geen burgerrechtelijke, strafrechtelijke of tuchtrechtelijke
vorderingen worden ingesteld, noch professionele sancties
worden uitgesproken.
De erkende commissarissen delen aan de leiders van de
instelling voor elektronisch geld de verslagen mee die zij aan
de Bank richten overeenkomstig het eerste lid, 3°. Voor deze
mededeling geldt de geheimhoudingsplicht zoals geregeld bij
artikel 35 van de wet van 22 februari 1998. Zij bezorgen de
Bank een kopie van de mededelingen die zij aan deze leiders
richten en die betrekking hebben op zaken die van belang
kunnen zijn voor het toezicht dat zij uitoefent.
De erkende commissarissen en de erkende revisorenven-
nootschappen mogen bij de buitenlandse bijkantoren van de
instelling waarop zij toezicht houden, het toezicht uitoefenen
en de onderzoeken verrichten die bij hun opdracht horen.
à-dire qu’ils concordent exactement avec la comptabilité et
avec les inventaires sur la base desquels ils sont établis; ils
confi rment également que les états périodiques arrêtés en
fi n d’exercice ont été établis par application des règles de
comptabilisation et d’évaluation présidant à l’établissement
des comptes annuels; la Banque peut préciser quels sont en
l’occurrence les états périodiques visés;
3° ils font à la Banque, à sa demande, des rapports spé-
ciaux portant sur l’organisation, les activités et la structure
financière de l’établissement de monnaie électronique,
rapports dont les frais d’établissement sont supportés par
l’établissement de monnaie électronique;
4° dans le cadre de leur mission auprès de l’établisse-
ment de monnaie électronique ou d’une mission révisorale
auprès d’une entreprise liée à l’établissement de monnaie
électronique, ils font d’initiative rapport à la Banque dès
qu’ils constatent:
a) des décisions, des faits ou des évolutions qui infl uencent
ou peuvent infl uencer de façon signifi cative la situation de
l’établissement de monnaie électronique sous l’angle fi nan-
cier ou sous l’angle de son organisation administrative et
comptable ou de son contrôle interne;
b) des décisions ou des faits qui peuvent constituer des
violations du Code des sociétés, des statuts, de la présente
loi et des arrêtés et règlements pris pour son exécution;
c) des autres décisions ou des faits qui sont de nature à
entraîner le refus ou des réserves en matière de certifi cation
des comptes;
5° ils font rapport au moins tous les ans à la Banque sur
l’adéquation des dispositions prises par les établissements de
monnaie électronique pour préserver les fonds qu’ils reçoivent
des détenteurs de monnaie électronique, en application de
l’article 78, §§ 1er et 2.
Aucune action civile, pénale ou disciplinaire ne peut être
intentée ni aucune sanction professionnelle prononcée contre
les commissaires agréés qui ont procédé de bonne foi à une
information visée sous le 4° de l’alinéa 1er.
Les commissaires agréés communiquent aux dirigeants de
l’établissement de monnaie électronique les rapports qu’ils
adressent à la Banque conformément à l’alinéa 1er, 3°. Ces
communications tombent sous le secret organisé par l’article
35 de la loi du 22 février 1998. Ils transmettent à la Banque
copie des communications qu’ils adressent à ces dirigeants
et qui portent sur des questions de nature à intéresser le
contrôle exercé par elle.
Les commissaires agréés et les sociétés de réviseurs
agréées peuvent effectuer les vérifi cations et expertises rele-
vant de leurs fonctions auprès des succursales à l’étranger
de l’établissement qu’ils contrôlent.
DOC 53 2432/001
94
2431/001
DOC 53
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 3 e L É G I S L A T U R E
K AMER 3e Z ITTING VAN DE 53e Z ITTING S P E RIO DE
2011
2012
Zij kunnen door de Bank, op verzoek van de Europese
Centrale Bank, worden gelast te bevestigen dat de gegevens
die de instellingen voor elektronisch geld aan deze autoriteiten
moeten verstrekken, volledig, juist en conform de geldende
regels zijn opgesteld.”.
Art. 60
In Boek 3, Titel 2, Hoofdstuk 1 van dezelfde wet, ingevoegd
bij artikel 30, wordt een afdeling 5 ingevoegd, luidende “Afde-
ling 5. — Uitzonderlijke maatregelen en sancties ten aanzien
van instellingen voor elektronisch geld”.
Art. 61
In Boek 3, Titel 2, Hoofdstuk 1, Afdeling 5 van dezelfde
wet, ingevoegd bij artikel 60, wordt een artikel 86 ingevoegd,
luidende:
“Art. 86. Bij beslissing die met een aangetekende brief of
een brief met ontvangstbewijs ter kennis wordt gebracht, trekt
de Bank de vergunning in van instellingen voor elektronisch
geld die hun bedrijf niet binnen twaalf maanden na het verle-
nen van de vergunning hebben aangevat, hun werkzaamhe-
den gedurende meer dan zes maanden hebben gestaakt,
afstand doen van hun vergunning, failliet zijn verklaard of hun
bedrijf hebben stopgezet.
De Bank maakt alle beslissingen tot intrekking van een
vergunning bekend op haar website.”.
Art. 62
In dezelfde afdeling 5 wordt een artikel 87 ingevoegd,
luidende:
“Art. 87. § 1. Wanneer de Bank vaststelt dat een instelling
voor elektronisch geld niet werkt overeenkomstig de bepa-
lingen van deze wet en de ter uitvoering ervan genomen
besluiten en reglementen, dat haar beleid of fi nanciële positie
de goede afl oop van haar verbintenissen in het gedrang dreigt
te brengen of niet voldoende waarborgen biedt voor haar
solvabiliteit, liquiditeit of rendabiliteit, dat haar beleidsstruc-
turen, haar administratieve of boekhoudkundige organisatie,
haar netwerk van agenten, distributeurs of bijkantoren, of
haar interne controle ernstige leemten vertonen, of dat de
voortzetting van haar bedrijf een bedreiging vormt voor de
stabiliteit van het betalingssysteem, stelt zij de termijn vast
waarbinnen deze toestand moet worden verholpen.
Indien de toestand na deze termijn niet is verholpen, kan
de Bank:
1° een speciaal commissaris aanstellen.
In dit geval is voor alle handelingen en beslissingen van alle
organen van de instelling, inclusief de algemene vergadering,
alsook voor die van de personen die instaan voor het beleid,
Ils peuvent être chargés par la Banque, à la demande
de la Banque Centrale Européenne, de confi rmer que les
informations que les établissements de monnaie électronique
sont tenus de communiquer à ces autorités sont complètes,
correctes et établies selon les règles qui s’y appliquent.”.
Art. 60
Dans le Livre 3, Titre 2, Chapitre 1er de la même loi, inséré
par l’article 30, il est inséré une section 5 intitulée “Section
5. — Mesures exceptionnelles et sanctions à l’égard des
établissements de monnaie électronique”.
Art. 61
Dans le Livre 3, Titre 2, Chapitre 1er, Section 5 de la même
loi, insérée par l’article 60, il est inséré un article 86 rédigé
comme suit:
“Art. 86. La Banque radie, par décision notifi ée par lettre
recommandée à la poste ou avec accusé de réception, l’agré-
ment des établissements de monnaie électronique qui n’ont
pas entamé leurs activités dans les douze mois de l’agrément,
qui renoncent à l’agrément, qui ont arrêté leurs activités pen-
dant une période supérieure à six mois, qui ont été déclarés
en faillite ou qui ont cessé d’exercer leurs activités.
La Banque rend publique, sur son site internet, toute déci-
sion de radiation d’un agrément.”.
Art. 62
Dans la même section 5, il est inséré un article 87 rédigé
comme suit:
“Art. 87. § 1er. Lorsque la Banque constate qu’un éta-
blissement de monnaie électronique ne fonctionne pas en
conformité avec les dispositions de la présente loi et des
arrêtés et règlements pris pour son exécution, que sa gestion
ou sa situation fi nancière sont de nature à mettre en cause la
bonne fi n de ses engagements ou n’offrent pas des garanties
suffisantes sur le plan de sa solvabilité, de sa liquidité ou
de sa rentabilité, que ses structures de gestion, son orga-
nisation administrative ou comptable, son réseau d’agents,
de distributeurs ou de succursales, ou son contrôle interne
présentent des lacunes graves, ou que la poursuite de ses
activités représente une menace pour la stabilité du système
de paiement, elle fi xe le délai dans lequel il doit être remédié
à la situation constatée.
Si, au terme de ce délai, il n’a pas été remédié à la situa-
tion, la Banque peut:
1° désigner un commissaire spécial.
Dans ce cas, l’autorisation écrite, générale ou spéciale
de celui-ci est requise pour tous les actes et décisions de
tous les organes de l’établissement, y compris l’assemblée
DOC 53 2432/001
95
2431/001
DOC 53
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 3 e L É G I S L A T U R E
K AMER 3e Z ITTING VAN DE 53e Z ITTING S P E RIO DE
2011
2012
zijn schriftelijke, algemene of bijzondere toestemming vereist;
de verrichtingen waarvoor een toestemming is vereist, kan
de Bank evenwel beperken.
De speciaal commissaris mag elk voorstel dat hij nuttig
acht aan alle organen van de instelling voorleggen, inclusief
de algemene vergadering. De bezoldiging van de speciaal
commissaris wordt vastgesteld door de Bank en gedragen
door de instelling.
De leden van de bestuurs- en de beleidsorganen en de
personen die instaan voor het beleid, die handelingen stellen
of beslissingen nemen zonder de vereiste toestemming van
de speciaal commissaris, zijn hoofdelijk aansprakelijk voor het
nadeel dat hieruit voor de instelling of voor derden voortvloeit.
Indien de Bank de aanstelling van een speciaal commis-
saris in het Belgisch Staatsblad heeft bekendgemaakt, met
opgave van de handelingen en beslissingen waarvoor zijn
toestemming is vereist, zijn alle handelingen en beslissingen
zonder deze vereiste toestemming nietig, tenzij de speciaal
commissaris die bekrachtigt. Onder dezelfde voorwaarden
zijn alle beslissingen van de algemene vergadering zonder
de vereiste toestemming van de speciaal commissaris nietig,
tenzij hij die bekrachtigt.
De Bank kan een plaatsvervangend commissaris aanstel-
len;
2° voor de termijn die zij bepaalt, de rechtstreekse of
onrechtstreekse uitoefening van het bedrijf van de instelling
voor elektronisch geld geheel of ten dele schorsen dan wel
verbieden; deze schorsing kan, in de door de Bank bepaalde
mate, de volledige of gedeeltelijke schorsing van de uitvoering
van de lopende overeenkomsten tot gevolg hebben.
De leden van de bestuurs- en beleidsorganen en de per-
sonen die instaan voor het beleid, die handelingen stellen of
beslissingen nemen ondanks de schorsing, zijn hoofdelijk
aansprakelijk voor het nadeel dat hieruit voor de instelling
voor elektronisch geld of voor derden voortvloeit.
Indien de Bank de schorsing in het Belgisch Staatsblad
heeft bekendgemaakt, zijn alle hiermee strijdige handelingen
en beslissingen nietig.
De Bank kan een instelling voor elektronisch geld tevens
gelasten deelnemingen over te dragen die zij in voorkomend
geval bezit overeenkomstig artikel 77, § 7;
3° inzake solvabiliteit, strengere vereisten opleggen dan
deze bedoeld in artikel 72;
4° de vervanging gelasten van bestuurders of zaakvoerders
van de instelling voor elektronisch geld binnen een termijn
die zij bepaalt en, zo binnen deze termijn geen vervanging
geschiedt, in de plaats van de voltallige bestuurs- en beleid-
sorganen van de instelling een of meer voorlopige bestuurders
of zaakvoerders aanstellen die alleen of collegiaal, naargelang
générale, et pour ceux des personnes chargées de la ges-
tion; la Banque peut toutefois limiter le champ des opérations
soumises à autorisation.
Le commissaire spécial peut soumettre à la délibération
de tous les organes de l’établissement, y compris l’assem-
blée générale, toutes propositions qu’il juge opportunes. La
rémunération du commissaire spécial est fi xée par la Banque
et supportée par l’établissement.
Les membres des organes d’administration et de gestion
et les personnes chargées de la gestion qui accomplissent
des actes ou prennent des décisions sans avoir recueilli
l’autorisation requise du commissaire spécial sont respon-
sables solidairement du préjudice qui en est résulté pour
l’établissement ou les tiers.
Si la Banque a publié au Moniteur belge la désignation du
commissaire spécial et spécifi é les actes et décisions soumis
à son autorisation, les actes et décisions intervenus sans
cette autorisation alors qu’elle était requise sont nuls, à moins
que le commissaire spécial ne les ratifi e. Dans les mêmes
conditions toute décision d’assemblée générale prise sans
avoir recueilli l’autorisation requise du commissaire spécial
est nulle, à moins que le commissaire spécial ne la ratifi e.
La Banque peut désigner un commissaire suppléant;
2° suspendre pour la durée qu’elle détermine l’exercice
direct ou indirect de tout ou partie de l’activité de l’établisse-
ment de monnaie électronique ou interdire cet exercice; cette
suspension peut, dans la mesure déterminée par la Banque,
impliquer la suspension totale ou partielle de l’exécution des
contrats en cours.
Les membres des organes d’administration et de gestion
et les personnes chargées de la gestion qui accomplissent
des actes ou prennent des décisions en violation de la sus-
pension sont responsables solidairement du préjudice qui
en est résulté pour l’établissement de monnaie électronique
ou les tiers.
Si la Banque a publié la suspension au Moniteur belge, les
actes et décisions intervenus à l’encontre de celle-ci sont nuls.
La Banque peut, de même, enjoindre à un établissement de
monnaie électronique de céder des participations qu’il détient,
le cas échéant, conformément à l’article 77, § 7;
3° imposer, en matière de solvabilité, des exigences plus
strictes que celles visées à l’article 72;
4° enjoindre le remplacement des administrateurs ou
gérants de l’établissement de monnaie électronique dans
un délai qu’elle détermine et, à défaut d’un tel remplacement
dans ce délai, substituer à l’ensemble des organes d’admi-
nistration et de gestion de l’établissement un ou plusieurs
administrateurs ou gérants provisoires qui disposent, seuls
DOC 53 2432/001
96
2431/001
DOC 53
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 3 e L É G I S L A T U R E
K AMER 3e Z ITTING VAN DE 53e Z ITTING S P E RIO DE
2011
2012
van het geval, de bevoegdheden hebben van de vervangen
personen. De Bank maakt haar beslissing bekend in het
Belgisch Staatsblad.
De bezoldiging van de voorlopige bestuurder(s) of
zaakvoerder(s) wordt vastgesteld door de Bank en gedragen
door de instelling voor elektronisch geld.
De Bank kan op elk tijdstip de voorlopige bestuurder(s)
of zaakvoerder(s) vervangen, hetzij ambtshalve, hetzij op
verzoek van een meerderheid van aandeelhouders of venno-
ten, wanneer zij aantonen dat het beleid van de betrokkenen
niet meer de nodige waarborgen biedt;
5° de vergunning herroepen. De Bank maakt alle beslis-
singen tot herroeping van een vergunning bekend op haar
website.
Bij uiterste hoogdringendheid kan de Bank de in deze
paragraaf bedoelde maatregelen nemen zonder dat vooraf
een hersteltermijn wordt vastgesteld.
§ 2. De in paragraaf 1 bedoelde beslissingen van de Bank
hebben voor de instelling voor elektronisch geld uitwerking
vanaf de datum van hun kennisgeving met een aangetekende
brief of een brief met ontvangstbewijs en, voor derden, vanaf
de datum van hun bekendmaking overeenkomstig paragraaf 1.
§ 3. Wanneer de Bank kennis heeft van het feit dat een
instelling voor elektronisch geld, haar agenten of haar dis-
tributeurs een bijzonder mechanisme hebben ingesteld met
als doel of gevolg fi scale fraude door derden te bevorderen,
zijn paragraaf 1, eerste en tweede lid, 2°, en paragraaf 2 van
toepassing.
Wanneer de Bank vaststelt dat de gegevens bedoeld in
artikel 20, § 1, die haar door een instelling voor elektronisch
geld zijn verstrekt krachtens artikel 76, § 3, onjuist of onvolle-
dig zijn, kan zij de inschrijving van de agent op de lijst bedoeld
in artikel 64 schorsen of schrappen.
§ 4. Paragraaf 1, eerste lid, en paragraaf 2 zijn niet van
toepassing bij intrekking van de vergunning van een failliet
verklaarde instelling voor elektronisch geld.”.
Art. 63
In dezelfde afdeling 5 wordt een artikel 88 ingevoegd,
luidende:
“Art. 88. Wanneer de autoriteiten die toezicht houden op
de instellingen voor elektronisch geld in een andere lidstaat
van de EER, waar een instelling voor elektronisch geld naar
Belgisch recht een beroep doet op een agent of voornemens
is dit te doen, de Bank ervan in kennis stellen dat zij goede
redenen hebben om te vermoeden dat geld wordt of werd
witgewassen of terrorisme gefi nancierd wordt of werd, of
dat gepoogd wordt of gepoogd werd geld wit te wassen of
terrorisme te fi nancieren in de zin van Richtlijn 2005/60/EG,
of dat het feit dat op een agent een beroep wordt gedaan, het
ou collégialement selon le cas, des pouvoirs des personnes
remplacées. La Banque publie sa décision au Moniteur belge.
La rémunération du ou des administrateurs ou gérants
provisoires est fi xée par la Banque et supportée par l’établis-
sement de monnaie électronique.
La Banque peut, à tout moment, remplacer le ou les
administrateurs ou gérants provisoires, soit d’office, soit à
la demande d’une majorité des actionnaires ou associés
lorsqu’ils justifi ent que la gestion des intéressés ne présente
plus les garanties nécessaires;
5° révoquer l’agrément. La Banque rend publique, sur son
site internet, toute décision de révocation d’un agrément.
En cas d’extrême urgence, la Banque peut adopter les
mesures visées au présent paragraphe sans qu’un délai de
redressement ne soit préalablement fi xé.
§ 2. Les décisions de la Banque visées au paragraphe 1er
produisent leurs effets à l’égard de l’établissement de mon-
naie électronique à dater de leur notifi cation à celui-ci par lettre
recommandée à la poste ou avec accusé de réception et, à
l’égard des tiers, à dater de leur publication conformément
au paragraphe 1er.
§ 3. Le paragraphe 1er, alinéas 1er et 2, 2°, et le paragraphe
2 sont applicables au cas où la Banque a connaissance
du fait qu’un établissement de monnaie électronique, ses
agents ou ses distributeurs ont mis en place un mécanisme
particulier ayant pour but ou pour effet de favoriser la fraude
fi scale par des tiers.
Lorsque la Banque constate que les renseignements
visés à l’article 20, § 1er, qui lui ont été communiqués par un
établissement de monnaie électronique en vertu de l’article
76, § 3, sont inexacts ou incomplets, elle peut suspendre ou
radier l’inscription de l’agent sur la liste visée à l’article 64.
§ 4. Le paragraphe 1er, alinéa 1er, et le paragraphe 2 ne
sont pas applicables en cas de radiation de l’agrément d’un
établissement de monnaie électronique déclaré en faillite.”.
Art. 63
Dans la même section 5, il est inséré un article 88 rédigé
comme suit:
“Art. 88. Lorsque les autorités de contrôle des établisse-
ments de monnaie électronique d’un autre État membre de
l’EEE dans lequel un établissement de monnaie électronique
de droit belge recourt à un agent, ou envisage de le faire, infor-
ment la Banque qu’elles ont de bonnes raisons de soupçonner
qu’une opération ou une tentative de blanchiment de capitaux
ou de fi nancement du terrorisme au sens de la Directive
2005/60/CE est en cours ou a eu lieu, ou que le recours à
l’agent pourrait accroître le risque de blanchiment de capitaux
ou de fi nancement du terrorisme, la Banque prend, dans les
DOC 53 2432/001
97
2431/001
DOC 53
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 3 e L É G I S L A T U R E
K AMER 3e Z ITTING VAN DE 53e Z ITTING S P E RIO DE
2011
2012
risico op witwassen van geld of fi nanciering van terrorisme
zou kunnen verhogen, neemt de Bank zo spoedig mogelijk
de vereiste maatregelen bedoeld in artikel 87, § 1. Artikel 87,
§ 2, is eveneens van toepassing.
In het geval bedoeld in het eerste lid kan de Bank eisen
dat de instelling voor elektronisch geld niet langer een beroep
doet op de betrokken agent en kan zij de inschrijving van de
agent, als bedoeld in artikel 20, § 2, hetzij weigeren, hetzij
schrappen.”.
Art. 64
In dezelfde afdeling 5 wordt een artikel 89 ingevoegd,
luidende:
“Art. 89. De Bank brengt onmiddellijk ter kennis van de
autoriteiten die toezicht houden op de instellingen voor
elektronisch geld in andere lidstaten van de EER waar een
instelling voor elektronisch geld naar Belgisch recht een
bijkantoor heeft gevestigd of werkzaamheden verricht in het
kader van het vrij verrichten van diensten, welke beslissingen
zij overeenkomstig de artikelen 86, 87 en 88 heeft genomen.
Zij houdt deze autoriteiten op de hoogte van de behandeling
van het beroep tegen deze beslissingen.”.
Art. 65
In dezelfde afdeling 5 wordt een artikel 90 ingevoegd,
luidende:
“Art. 90. De instellingen voor elektronisch geld waarvan de
vergunning is ingetrokken of herroepen op grond van deze
wet, blijven onderworpen aan deze wet tot hun verbintenissen
ten aanzien van de houders van elektronisch geld, en, in voor-
komend geval, van de betalingsdienstgebruikers, zijn veref-
fend, tenzij de Bank hen vrijstelt van bepaalde voorschriften.
Dit artikel is niet van toepassing bij intrekking van de ver-
gunning van een failliet verklaarde instelling voor elektronisch
geld.”.
Art. 66
In Boek 3, Titel 2 van dezelfde wet, ingevoegd bij artikel 29,
wordt een Hoofdstuk 2 ingevoegd, luidende: “HOOFDSTUK 2
-. Bijkantoren en dienstverrichtingen in België van instellingen
voor elektronisch geld die ressorteren onder het recht van een
andere lidstaat van de EER”.
Art. 67
In Boek 3, Titel 2, Hoofdstuk 2 van dezelfde wet, ingevoegd
bij artikel 66, wordt een artikel 91 ingevoegd, luidende:
“Art. 91. Iedere instelling voor elektronisch geld die ressor-
teert onder het recht van een andere lidstaat van de EER en op
plus brefs délais, celles des mesures visées à l’article 87, § 1er,
qui s’imposent. L’article 87, § 2, est également d’application.
La Banque peut, dans le cas visé à l’alinéa 1er, exiger que
l’établissement de monnaie électronique ne recoure plus à
l’agent concerné et peut soit refuser, soit radier l’inscription
de l’agent visée à l’article 20, § 2.”.
Art. 64
Dans la même section 5, il est inséré un article 89 rédigé
comme suit:
“Art. 89. La Banque informe sans délai les autorités de
contrôle des établissements de monnaie électronique des
autres États membres de l’EEE dans lesquels un établis-
sement de monnaie électronique de droit belge a établi une
succursale ou exerce des activités sous le régime de la
libre prestation de services, des décisions qu’elle a prises
conformément aux articles 86, 87 et 88. Elle tient ces auto-
rités informées des suites données aux recours pris contre
ces décisions.”.
Art. 65
Dans la même section 5, il est inséré un article 90 rédigé
comme suit:
“Art. 90. Les établissements de monnaie électronique dont
l’agrément a été radié ou révoqué en vertu de la présente loi,
restent soumis à cette loi jusqu’à la liquidation de leurs enga-
gements vis-à-vis des détenteurs de monnaie électronique,
et le cas échéant, des utilisateurs de services de paiement,
à moins que la Banque ne les en dispense pour certaines
dispositions.
Le présent article n’est pas applicable en cas de radiation
de l’agrément d’un établissement de monnaie électronique
déclaré en faillite.”.
Art. 66
Dans le Livre 3, Titre 2 de la même loi, inséré par l’article
29, il est inséré un Chapitre 2, intitulé: “CHAPITRE 2. - Suc-
cursales et activités de prestation de services en Belgique
des établissements de monnaie électronique relevant du droit
d’un autre État membre de l’EEE”.
Art. 67
Dans le Livre 3, Titre 2, Chapitre 2, inséré par l’article 66,
il est inséré un article 91 rédigé comme suit:
“Art. 91. Les établissements de monnaie électronique
relevant du droit d’un autre État membre de l’EEE, qui sont
DOC 53 2432/001
98
2431/001
DOC 53
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 3 e L É G I S L A T U R E
K AMER 3e Z ITTING VAN DE 53e Z ITTING S P E RIO DE
2011
2012
grond van haar nationaal recht elektronisch geld mag uitgeven
in haar land van herkomst, mag deze werkzaamheden in Bel-
gië aanvatten, hetzij via de vestiging van een bijkantoor, hetzij
in het kader van het vrij verrichten van diensten, zodra de Bank
de betrokken instelling ervan in kennis heeft gesteld dat zij
de mededeling van de toezichthoudende autoriteiten van het
land van herkomst van deze instelling heeft ontvangen, met
opgave van de werkzaamheden die deze instelling in België
wenst uit te oefenen. Binnen drie werkdagen na ontvangst
van de mededeling stelt de Bank de betrokken instelling voor
elektronisch geld hiervan in kennis. Bij gebrek aan kennisge-
ving binnen deze termijn mag de instelling voor elektronisch
geld de voorgenomen werkzaamheden aanvatten, na de Bank
hiervan op de hoogte te hebben gebracht. De Bank maakt op
haar website de lijst bekend van de instellingen voor elektro-
nisch geld die ressorteren onder het recht van een andere
lidstaat van de EER en in België actief zijn of verwijst naar de
website van de bevoegde autoriteit in het land van herkomst
van deze instellingen voor elektronisch geld.
Bij de uitoefening van haar bedrijf in België vermeldt een in
het eerste lid bedoelde instelling voor elektronisch geld naast
haar naam, haar land van herkomst en, indien zij werkzaam
is in het kader van het vrij verrichten van diensten, haar
maatschappelijke zetel.”.
Art. 68
In hetzelfde Hoofdstuk 2 wordt een artikel 92 ingevoegd,
luidende:
“Art. 92. § 1. De bepalingen van dit hoofdstuk doen geen
afbreuk aan de naleving, bij de uitgifte van elektronisch geld,
of, in voorkomend geval, bij het aanbieden en uitvoeren van
betalingsdiensten, van de wettelijke en reglementaire bepa-
lingen die in België van toepassing zijn op de instellingen
voor elektronisch geld en hun verrichtingen, om redenen van
algemeen belang.
De Bank deelt aan de in artikel 91 bedoelde instelling voor
elektronisch geld mee welke bepalingen naar haar weten van
algemeen belang zijn.
De bepalingen van dit hoofdstuk doen evenmin afbreuk aan
de naleving van de wettelijke en reglementaire bepalingen
die in België van toepassing zijn op andere werkzaamheden
dan de uitgifte van elektronisch geld en het verrichten van
betalingsdiensten.
§ 2. De leiders van het bijkantoor brengen minstens een-
maal per jaar verslag uit aan de Bank en aan de erkende
revisor of de erkende revisorenvennootschap, over de
deugdelijkheid van de internecontrolemaatregelen die de
bijkantoren hebben getroffen om zich te conformeren aan de
bepalingen die krachtens paragraaf 1 van toepassing zijn.”.
Art. 69
In hetzelfde Hoofdstuk 2 wordt een artikel 93 ingevoegd,
luidende:
habilités en vertu de leur droit national à émettre de la mon-
naie électronique dans leur État d’origine peuvent entamer
ces activités en Belgique, soit par voie d’installation de
succursales, soit sous le régime de la libre prestation de
services, dès que la Banque a notifi é à ces établissements la
réception de la communication qui lui a été faite par l’autorité
de contrôle de l’État d’origine de ces établissements portant
sur les activités qu’ils entendent exercer en Belgique. La
notifi cation est adressée par la Banque à l’établissement de
monnaie électronique intéressé dans les trois jours ouvrables
de la réception de la communication. À défaut de notifi cation
dans ce délai, l’établissement de monnaie électronique peut
entamer les activités annoncées, après en avoir informé la
Banque. La Banque publie sur son site internet la liste des
établissements de monnaie électronique qui relèvent du
droit d’un autre État membre de l’EEE et qui exercent des
activités en Belgique, ou renvoie au site internet de l’autorité
compétente dans l’État d’origine de ces établissements de
monnaie électronique.
Les établissements de monnaie électronique visés à
l’alinéa 1er font, dans l’exercice de leur activité en Belgique,
accompagner leur dénomination de la mention de leur État
d’origine et, en cas de libre prestation de services, de leur
siège social.”.
Art. 68
Dans le même Chapitre 2, il est inséré un article 92 rédigé
comme suit:
“Art. 92 § 1er. Les dispositions du présent chapitre ne
portent pas préjudice au respect, lors de l’émission de mon-
naie électronique, ou le cas échéant, lors de la fourniture et
de l’exécution de services de paiement, des dispositions
légales et réglementaires applicables en Belgique aux éta-
blissements de monnaie électronique et à leurs opérations
pour des raisons d’intérêt général.
La Banque donne aux établissements de monnaie élec-
tronique visés à l’article 91 communication des dispositions
qui, à sa connaissance, ont ce caractère.
Les dispositions du présent chapitre ne portent pas
davantage préjudice au respect des dispositions légales et
réglementaires applicables, en Belgique, aux activités autres
que l’émission de monnaie électronique et la prestation de
services de paiement.
§ 2. Les dirigeants de la succursale font rapport au moins
une fois par an à la Banque et au réviseur agréé ou à la société
de réviseurs agréée sur l’adéquation des mesures de contrôle
interne adoptées par les succursales en vue de se conformer
aux dispositions applicables en vertu du paragraphe 1er.”.
Art. 69
Dans le même Chapitre 2, il est inséré un article 93 rédigé
comme suit:
DOC 53 2432/001
99
2431/001
DOC 53
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 3 e L É G I S L A T U R E
K AMER 3e Z ITTING VAN DE 53e Z ITTING S P E RIO DE
2011
2012
“Art. 93. De in artikel 91 bedoelde instellingen voor elektro-
nisch geld bezorgen aan de Bank, volgens de frequentie die
zij bepaalt, voor statistische doeleinden bestemde periodieke
verslagen over de verrichtingen die hun in België gevestigde
bijkantoren in België uitvoeren. Artikel 80, tweede lid, is van
overeenkomstige toepassing.
Na advies van Bank bepaalt de Koning volgens welke
regels de in artikel 91 bedoelde bijkantoren:
1° hun boekhouding voeren en inventarisramingen ver-
richten;
2° hun jaarrekening opmaken;
3° de jaarlijkse boekhoudkundige gegevens in verband
met hun verrichtingen openbaar maken.”.
Art. 70
In hetzelfde Hoofdstuk 2 wordt een artikel 94 ingevoegd,
luidende:
“Art. 94. § 1. De in artikel 91 bedoelde bijkantoren zijn
onderworpen aan het toezicht van de Bank voor het bepaalde
in de artikelen 92 en 93, voor zover de Bank bevoegd is voor
de in deze bepalingen voorkomende aspecten. De artikelen
81 en 82 zijn dienovereenkomstig van toepassing.
Op verzoek van de toezichthoudende autoriteiten van het
land van herkomst van de instelling voor elektronisch geld mag
de Bank, als een vorm van bijstand aan deze autoriteiten, bij
deze bijkantoren inspecties verrichten, die zowel op de in het
eerste lid als op de in artikel 83, eerste lid, bedoelde aspecten
kunnen slaan. De kosten van deze inspecties en controles
worden gedragen door de autoriteit die erom verzoekt.
Bij dringende noodzaak en met onmiddellijke kennisge-
ving aan de toezichthoudende autoriteiten van het land van
herkomst van de instelling voor elektronisch geld, kan de
Bank nagaan of het bedrijf van het bijkantoor in België in
overeenstemming is met de van toepassing zijnde wetgeving.
§ 2. De buitenlandse autoriteiten die bevoegd zijn voor
het toezicht op de instellingen voor elektronisch geld die in
België een bijkantoor hebben geopend als bedoeld in artikel
91 mogen, na voorafgaande kennisgeving aan de Bank, de in
artikel 83, eerste lid, bedoelde gegevens in deze bijkantoren
controleren of op hun kosten laten controleren door deskun-
digen die zij aanstellen.”.
Art. 71
In hetzelfde Hoofdstuk 2 wordt een artikel 95 ingevoegd,
luidende:
“Art. 95. § 1. De leiders van de in artikel 91 bedoelde
bijkantoren stellen een of meer door de Bank erkende revi-
“Art. 93. Les établissements de monnaie électronique visés
à l’article 91 transmettent à la Banque, selon la périodicité
que celle-ci détermine, des rapports périodiques à des fi ns
statistiques relatifs aux opérations effectuées, dans le pays,
par leurs succursales établies en Belgique. L’article 80, alinéa
2, s’applique par analogie.
Le Roi détermine, sur avis de la Banque, les règles selon
lesquelles les succursales visées à l’article 91:
1° tiennent leur comptabilité et procèdent aux évaluations
d’inventaire;
2° établissent des comptes annuels;
3° publient des informations comptables annuelles relatives
à leurs opérations.”.
Art. 70
Dans le même Chapitre 2, il est inséré un article 94 rédigé
comme suit:
“Art. 94. § 1er. Les succursales visées à l’article 91 sont
soumises au contrôle de la Banque aux fi ns prévues par les
articles 92 et 93, dans la mesure où les matières visées par
ces dispositions relèvent de la compétence de la Banque. Les
articles 81 et 82 sont applicables dans cette mesure.
La Banque peut accepter de se charger, à la demande des
autorités de contrôle de l’État d’origine de l’établissement de
monnaie électronique, d’effectuer auprès de ces succursales
des inspections dans un but d’assistance à ces autorités,
portant tant sur les matières visées à l’alinéa 1er que sur
celles visées à l’article 83, alinéa 1er. Les frais entraînés par
ces inspections et vérifi cations sont à la charge de l’autorité
requérante.
En cas d’urgence et moyennant avis donné aussitôt à
l’autorité de contrôle de l’État d’origine de l’établissement de
monnaie électronique, la Banque peut vérifi er que l’activité
de la succursale en Belgique est conforme à la législation
qui lui est applicable.
§ 2. Les autorités étrangères compétentes pour le contrôle
des établissements de monnaie électronique ayant ouvert en
Belgique une succursale visée à l’article 91 peuvent, moyen-
nant un avis préalable donné à la Banque, procéder ou faire
procéder, à leurs frais, par des experts qu’elles désignent, à
la vérifi cation, auprès de ces succursales, des informations
visées à l’article 83, alinéa 1er.”.
Art. 71
Dans le même Chapitre 2, il est inséré un article 95 rédigé
comme suit:
“Art. 95. § 1er. Les dirigeants des succursales visées à
l’article 91 désignent, pour des durées renouvelables de trois
DOC 53 2432/001
100
2431/001
DOC 53
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 3 e L É G I S L A T U R E
K AMER 3e Z ITTING VAN DE 53e Z ITTING S P E RIO DE
2011
2012
soren of erkende revisorenvennootschappen aan voor een
hernieuwbare termijn van drie jaar.
De artikelen 31 en 32, eerste tot vierde lid, zijn van toepas-
sing op deze revisoren en vennootschappen. Vooraleer een
erkende revisor of een erkende revisorenvennootschap van
zijn of haar opdracht wordt ontslaan, moet het advies van de
Bank worden ingewonnen.
§ 2. De overeenkomstig § 1 aangestelde erkende revi-
soren of erkende revisorenvennootschappen verlenen hun
medewerking aan het toezicht van de Bank, op hun eigen en
uitsluitende verantwoordelijkheid en overeenkomstig deze
paragraaf, volgens de regels van het vak en de richtlijnen
van de Bank. Daartoe:
1° beoordelen zij de internecontrolemaatregelen die de
bijkantoren hebben getroffen met het oog op de naleving van
de wetten, besluiten en reglementen die krachtens artikel
93 van toepassing zijn op de bijkantoren, en delen zij hun
bevindingen mee aan de Bank;
2° brengen zij verslag uit bij de Bank over:
a) de resultaten van het beperkt nazicht van de periodieke
staten die de in artikel 91 bedoelde bijkantoren aan het einde
van het eerste halfjaar aan de Bank bezorgen, waarin beves-
tigd wordt dat zij geen kennis hebben van feiten waaruit zou
blijken dat de periodieke staten per einde halfjaar niet in alle
materieel belangrijke opzichten volgens de geldende richtli-
jnen van de Bank werden opgesteld. Bovendien bevestigen
zij dat de periodieke staten per einde halfjaar, voor wat de
boekhoudkundige gegevens betreft, in alle materieel belan-
grijke opzichten in overeenstemming zijn met de boekhouding
en de inventarissen, in die zin dat zij volledig zijn, d.w.z. dat zij
alle gegevens bevatten uit de boekhouding en de inventaris-
sen op basis waarvan de periodieke staten worden opgesteld,
en dat zij juist zijn, d.w.z. dat zij de gegevens correct weerge-
ven uit de boekhouding en de inventarissen op basis waarvan
de periodieke staten worden opgesteld; en bevestigen zij
geen kennis te hebben van feiten waaruit zou blijken dat de
periodieke staten per einde halfjaar niet zijn opgesteld met
toepassing van de boekings- en waarderingsregels voor de
opstelling van de jaarrekening met betrekking tot het laatste
boekjaar; de Bank kan de hier bedoelde periodieke staten
nader bepalen;
b) de resultaten van de controle van de periodieke staten
die de in artikel 91 bedoelde bijkantoren aan het einde van
het boekjaar aan de Bank bezorgen, waarin bevestigd wordt
dat de periodieke staten in alle materieel belangrijke opzich-
ten werden opgesteld volgens de geldende richtlijnen van de
Bank. Bovendien bevestigen zij dat de periodieke staten per
einde van het boekjaar, voor wat de boekhoudkundige gege-
vens betreft, in alle materieel belangrijke opzichten in ove-
reenstemming zijn met de boekhouding en de inventarissen, in
die zin dat zij volledig zijn, d.w.z. dat zij alle gegevens bevatten
uit de boekhouding en de inventarissen op basis waarvan de
periodieke staten worden opgesteld, en dat zij juist zijn, d.w.z.
dat zij de gegevens correct weergeven uit de boekhouding
en de inventarissen op basis waarvan de periodieke staten
worden opgesteld; en bevestigen zij dat de periodieke staten
ans, un ou plusieurs réviseurs agréés ou une ou plusieurs
sociétés de réviseurs agréées par la Banque.
Les articles 31 et 32, alinéas 1er à 4, sont applicables à
ces réviseurs et sociétés. La révocation des fonctions des
réviseurs agréés et sociétés de réviseurs agréées est soumise
à l’avis préalable de la Banque.
§ 2. Les réviseurs agréés ou sociétés de réviseurs agréées,
désignés conformément au § 1er, collaborent au contrôle
exercé par la Banque, sous leur responsabilité personnelle et
exclusive et conformément au présent paragraphe, aux règles
de la profession et aux instructions de la Banque. A cette fi n:
1° ils évaluent les mesures de contrôle interne adoptées
par les succursales en vue du respect des lois, arrêtés et
règlements applicables aux succursales en vertu de l’article
93, et ils communiquent leurs conclusions à la Banque;
2° ils font rapport à la Banque sur:
a) les résultats de l’examen limité des états périodiques
transmis par les succursales visées à l’article 91 à la Banque
à la fi n du premier semestre social, confi rmant qu’ils n’ont
pas connaissance de faits dont il apparaîtrait que ces états
périodiques n’ont pas, sous tous égards signifi cativement
importants, été établis selon les instructions en vigueur de
la Banque. Ils confi rment en outre que les états périodiques
arrêtés en fi n de semestre sont, pour ce qui est des données
comptables, sous tous égards signifi cativement importants,
conformes à la comptabilité et aux inventaires, en ce sens
qu’ils sont complets, c’est-à-dire qu’ils mentionnent toutes les
données fi gurant dans la comptabilité et dans les inventaires
sur la base desquels ils sont établis, et qu’ils sont corrects,
c’est-à-dire qu’ils concordent exactement avec la comptabilité
et avec les inventaires sur la base desquels ils sont établis;
ils confi rment également n’avoir pas connaissance de faits
dont il apparaîtrait que les états périodiques arrêtés en fi n de
semestre n’ont pas été établis par application des règles de
comptabilisation et d’évaluation qui ont présidé à l’établis-
sement des comptes annuels afférents au dernier exercice;
la Banque peut préciser quels sont en l’occurrence les états
périodiques visés;
b) les résultats du contrôle des états périodiques transmis
par les succursales visées à l’article 91 à la Banque à la fi n
de l’exercice social, confi rmant que ces états périodiques
ont, sous tous égards significativement importants, été
établis selon les instructions en vigueur de la Banque. Ils
confi rment en outre que les états périodiques arrêtés en fi n
d’exercice sont, pour ce qui est des données comptables,
sous tous égards signifi cativement importants, conformes
à la comptabilité et aux inventaires, en ce sens qu’ils sont
complets, c’est-à-dire qu’ils mentionnent toutes les données
fi gurant dans la comptabilité et dans les inventaires sur la
base desquels ils sont établis, et qu’ils sont corrects, c’est-
à-dire qu’ils concordent exactement avec la comptabilité et
avec les inventaires sur la base desquels ils sont établis; ils
confi rment également que les états périodiques arrêtés en
DOC 53 2432/001
101
2431/001
DOC 53
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 3 e L É G I S L A T U R E
K AMER 3e Z ITTING VAN DE 53e Z ITTING S P E RIO DE
2011
2012
per einde van het boekjaar werden opgesteld met toepassing
van de boekings- en waarderingsregels voor de opstelling van
de jaarrekening; de Bank kan de hier bedoelde periodieke
staten nader bepalen.
Zij kunnen door de Bank, op verzoek van de Europese
Centrale Bank, worden gelast ook de gegevens te bevestigen
die de bijkantoren aan deze autoriteiten moeten verstrekken
met toepassing van artikel 93, eerste lid;
3° brengen zij bij de Bank periodiek verslag uit of, op haar
verzoek, bijzonder verslag uit over de organisatie, de wer-
kzaamheden en de fi nanciële structuur van de bijkantoren
met betrekking tot de aangelegenheden waarvoor de Bank
bevoegd is;
4° brengen zij op eigen initiatief verslag uit bij de Bank, over
aspecten waarvoor zij bevoegd is, alsook in het kader van de
samenwerking met de autoriteiten die toezicht houden op de
centrale zetel, zodra zij kennis krijgen van:
a) beslissingen, feiten of ontwikkelingen die de positie van
het bijkantoor fi nancieel of op het vlak van zijn administratieve
en boekhoudkundige organisatie of van zijn interne controle,
op betekenisvolle wijze beïnvloeden of kunnen beïnvloeden;
b) beslissingen of feiten die kunnen wijzen op een overtre-
ding van de bepalingen van deze wet en de ter uitvoering
ervan genomen besluiten en reglementen of andere wetten en
reglementen die op hun bedrijf in België van toepassing zijn,
voor zover de in deze bepalingen bedoelde aangelegenheden
tot de bevoegdheid van de Bank behoren;
5° brengen zij bij de Bank, op haar verzoek, verslag uit,
wanneer een andere Belgische overheid haar ter kennis
brengt dat een wetgeving van algemeen belang die voor het
bijkantoor geldt, werd overtreden.
Tegen erkende revisoren die te goeder trouw informatie
hebben verstrekt als bedoeld in het eerste lid, 4°, kunnen
geen burgerrechtelijke, strafrechtelijke of tuchtrechtelijke
vorderingen worden ingesteld, noch professionele sancties
worden uitgesproken.
Zij delen aan de leiders van het bijkantoor de verslagen
mee die zij aan de Bank richten overeenkomstig het eerste
lid, 3°. Voor deze mededeling geldt de geheimhoudingsplicht
zoals geregeld bij artikel 35 van de wet van 22 februari 1998.
Zij bezorgen de Bank een kopie van de mededelingen die zij
aan deze leiders richten en die betrekking hebben op aspecten
waarvoor de Bank toezichtsbevoegdheid heeft.
In bijkantoren waar een ondernemingsraad is opgericht
met toepassing van de wet van 20 september 1948 houdende
organisatie van het bedrijfsleven, oefenen de erkende revi-
soren of de erkende revisorenvennootschappen de in artikel
15bis van deze wet bedoelde opdrachten uit.
Artikel 15quater, tweede lid, eerste en derde zin, en derde
lid, van deze wet is van toepassing.
fi n d’exercice ont été établis par application des règles de
comptabilisation et d’évaluation présidant à l’établissement
des comptes annuels; la Banque peut préciser quels sont en
l’occurrence les états périodiques visés.
Ils peuvent être chargés par la Banque, à la demande de
la Banque Centrale Européenne, de confi rmer, de même, les
informations que les succurcales sont tenues de communiquer
à ces autorités par application de l’article 93, alinéa 1er;
3° ils font à la Banque des rapports périodiques ou, à sa
demande, des rapports spéciaux portant sur l’organisation,
les activités et la structure fi nancière des succursales dans les
domaines de compétence de la Banque à l’égard de celles-ci;
4° ils font d’initiative rapport à la Banque dans les domaines
de compétence de celle-ci ainsi qu’en vue de la collabora-
tion avec l’autorité de contrôle du siège central, dès qu’ils
constatent:
a) des décisions, des faits ou des évolutions qui infl uencent
ou peuvent infl uencer de façon signifi cative la situation de
la succursale sous l’angle fi nancier ou sous l’angle de son
organisation administrative et comptable ou de son contrôle
interne;
b) des décisions ou des faits qui peuvent constituer des
violations des dispositions de la présente loi et des arrêtés
et règlements pris pour son exécution ou des autres lois et
règlements applicables à leur activité en Belgique dans la
mesure où les matières visées par ces dispositions relèvent
de la compétence de la Banque;
5° ils font rapport à la Banque, sur la demande de celle-ci,
lorsqu’elle est saisie par une autre autorité belge de violations
à des législations d’intérêt général applicables à la succursale.
Aucune action civile, pénale ou disciplinaire ne peut être
intentée ni aucune sanction professionnelle prononcée contre
les réviseurs agréés qui ont procédé de bonne foi à une infor-
mation visée sous le 4° de l’alinéa 1er.
Ils communiquent aux dirigeants de la succursale les rap-
ports qu’ils adressent à la Banque conformément à l’alinéa
1er, 3°. Ces communications tombent sous le secret prévu
par l’article 35 de la loi du 22 février 1998. Ils transmettent à
la Banque copie des communications qu’ils adressent à ces
dirigeants sur des questions rentrant dans le domaine de
contrôle de la Banque.
Dans les succursales où un conseil d’entreprise est institué
en application de la loi du 20 septembre 1948 portant orga-
nisation de l’économie, les réviseurs agréés ou sociétés de
réviseurs agréées assurent les fonctions prévues par l’article
15bis de cette loi.
L’article 15quater, alinéa 2, première et troisième phrases,
et alinéa 3, de cette loi est d’application.
DOC 53 2432/001
102
2431/001
DOC 53
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 3 e L É G I S L A T U R E
K AMER 3e Z ITTING VAN DE 53e Z ITTING S P E RIO DE
2011
2012
Op verzoek en op kosten van de toezichthoudende auto-
riteiten van het land van herkomst van het bijkantoor, mogen
zij als een vorm van bijstand aan deze autoriteiten en na
voorafgaande kennisgeving aan de Bank, in dit bijkantoor
toezicht uitoefenen op de in de artikelen 83, eerste lid, en 94,
§ 1, bedoelde aspecten.
§ 3. De erkende revisoren of de erkende revisorenven-
nootschappen certifi ceren de krachtens artikel 93, tweede lid,
openbaar gemaakte jaarlijkse boekhoudkundige gegevens.”.
Art. 72
In hetzelfde Hoofdstuk 2 wordt een artikel 96 ingevoegd,
luidende:
“Art. 96. Wanneer de Bank vaststelt dat een instelling
voor elektronisch geld die ressorteert onder het recht van
een andere lidstaat van de EER en die in België werkzaam
is via een bijkantoor of via het verrichten van diensten, zich
niet conformeert aan de in België geldende wettelijke en
reglementaire bepalingen die tot de bevoegdheidssfeer van
de Bank behoren, maant zij de instelling voor elektronisch
geld aan om de vastgestelde toestand binnen de door haar
bepaalde termijn te verhelpen.
Indien de toestand na deze termijn niet is verholpen,
brengt de Bank haar opmerkingen ter kennis van de toe-
zichthoudende autoriteit van het land van herkomst van de
instelling voor elektronisch geld.
Wanneer de Bank goede redenen heeft om te vermoeden
dat door een agent van een instelling voor elektronisch geld,
geld wordt of werd witgewassen of terrorisme gefi nancierd
wordt of werd, of dat gepoogd wordt of gepoogd werd geld wit
te wassen of terrorisme te fi nancieren in de zin van Richtlijn
2005/60/EG, of dat zijn werkzaamheden het risico op witwas-
sen van geld of fi nanciering van terrorisme zouden kunnen
verhogen, stelt zij de autoriteiten die toezicht houden op die
instelling voor elektronisch geld hiervan in kennis.”.
Art. 73
In hetzelfde Hoofdstuk 2 wordt een artikel 97 ingevoegd,
luidende:
“Art. 97. De Bank kan de autoriteiten die toezicht houden
op een instelling voor elektronisch geld die ressorteert onder
het recht van een andere lidstaat van de EER, meedelen om
welke redenen zij van oordeel is dat de positie van het bijkan-
toor van deze instelling in België niet de nodige waarborgen
biedt voor een goede administratieve of boekhoudkundige
organisatie of interne controle.
Bij intrekking of herroeping van de vergunning van een
instelling voor elektronisch geld door de toezichthoudende
autoriteiten van haar land van herkomst, beveelt de Bank,
na deze autoriteiten hiervan in kennis te hebben gesteld, de
sluiting van het bijkantoor dat deze instelling in België heeft
gevestigd. Indien nodig kan zij een voorlopige zaakvoerder
Ils peuvent, moyennant l’information préalable de la
Banque, accepter de se charger, à la demande et aux frais
des autorités de contrôle de l’État d’origine de la succursale,
d’effectuer auprès de cette succursale dans un but d’assis-
tance à ces autorités, des vérifi cations portant sur les matières
visées aux articles 83, alinéa 1er, et 94, § 1er.
§ 3. Les réviseurs agréés ou sociétés de réviseurs agréées
certifi ent les informations comptables annuelles publiées en
vertu de l’article 93, alinéa 2.”.
Art. 72
Dans le même Chapitre 2, il est inséré un article 96 rédigé
comme suit:
“Art. 96. Lorsque la Banque constate qu’un établissement
de monnaie électronique relevant du droit d’un autre État
membre de l’EEE et opérant en Belgique par l’intermédiaire
d’une succursale ou par voie de prestation de services ne
se conforme pas aux dispositions légales et réglementaires
applicables en Belgique dans le domaine de compétence de
la Banque, elle met l’établissement de monnaie électronique
en demeure de remédier, dans le délai qu’elle détermine, à
la situation constatée.
Si, au terme de ce délai, il n’a pas été remédié à la situation,
la Banque saisit de ses observations l’autorité de contrôle de
l’État d’origine de l’établissement de monnaie électronique.
Lorsque la Banque a de bonnes raisons de soupçonner
qu’une opération ou une tentative de blanchiment de capi-
taux ou de fi nancement du terrorisme au sens de la Directive
2005/60/CE est en cours ou a eu lieu dans le chef d’un agent
d’un établissement de monnaie électronique ou que ses
activités pourraient accroître le risque de blanchiment de
capitaux ou de fi nancement du terrorisme, elle en informe les
autorités chargées du contrôle de l’établissement de monnaie
électronique en question.”.
Art. 73
Dans le même Chapitre 2, il est inséré un article 97 rédigé
comme suit:
“Art. 97. La Banque peut communiquer à l’autorité de
contrôle d’un établissement de monnaie électronique relevant
du droit d’un autre État membre de l’EEE les raisons qu’elle
a de considérer que la situation de la succursale en Belgique
de cet établissement ne présente pas les garanties néces-
saires sur le plan de la bonne organisation administrative ou
comptable ou du contrôle interne.
En cas de radiation ou de révocation de l’agrément de
l’établissement de monnaie électronique par l’autorité de
contrôle de son État d’origine, la Banque ordonne, après en
avoir donné avis à cette autorité, la fermeture de la succur-
sale que cet établissement a établie en Belgique. Elle peut,
si nécessaire, désigner un gérant provisoire qui est habilité
DOC 53 2432/001
103
2431/001
DOC 53
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 3 e L É G I S L A T U R E
K AMER 3e Z ITTING VAN DE 53e Z ITTING S P E RIO DE
2011
2012
aanstellen die gemachtigd is in het belang van de schuldeisers
alle bewarende maatregelen te treffen.”.
Art. 74
In Boek 3, Titel 2 van dezelfde wet, ingevoegd bij artikel 26,
wordt een Hoofdstuk 3 ingevoegd, luidende “HOOFDSTUK
3. — Bijkantoren in België van instellingen voor elektronisch
geld die ressorteren onder het recht van staten die geen lid
zijn van de EER”.
Art. 75
In Boek 3, Titel 2, Hoofdstuk 3 van dezelfde wet, ingevoegd
bij artikel 74, wordt een afdeling 1 ingevoegd, luidende “Afde-
ling 1 — Bedrijfsvergunning”.
Art. 76
In Boek 3, Titel 2, Hoofdstuk 3, Afdeling 1 van dezelfde
wet, ingevoegd bij artikel 75, wordt een artikel 98 ingevoegd,
luidende:
“Art. 98. § 1. De volgende artikelen van de wet zijn van
toepassing:
1° de artikelen 61, 62 en 63 van de wet: met dien verstande
dat de Bank de toezichthoudende autoriteiten van het land van
herkomst van de instelling voor elektronisch geld raadpleegt
vooraleer zich uit te spreken over de vergunningsaanvraag
van een bijkantoor;
2° artikel 64, eerste lid: met dien verstande dat de in dit
hoofdstuk bedoelde bijkantoren worden vermeld in een bijzon-
dere rubriek van de lijst bedoeld in dit artikel;
3° artikel 65: er kan evenwel een vergunning worden ver-
leend aan bijkantoren van instellingen voor elektronisch geld
met rechtspersoonlijkheid die geen handelsvennootschap zijn;
4° artikel 66: waarbij het aanvangskapitaal wordt vervangen
door een dotatie; de Bank is bevoegd om de bestanddelen
van die dotatie te beoordelen;
5° de artikelen 67 tot 69.
§ 2. De Bank kan een vergunning weigeren aan het
bijkantoor van een instelling voor elektronisch geld die res-
sorteert onder het recht van een staat die aan instellingen
voor elektronisch geld naar Belgisch recht niet dezelfde
toegangsmogelijkheden tot zijn markt biedt.
§ 3. De Bank kan een vergunning weigeren aan een in dit
hoofdstuk bedoeld bijkantoor, indien zij van oordeel is dat
voor de bescherming van de houders van elektronisch geld
of voor een gezond en voorzichtig beleid van de instelling,
de oprichting van een vennootschap naar Belgisch recht is
vereist.”.
à prendre toutes mesures conservatoires dans l’intérêt des
créanciers.”.
Art. 74
Dans le Livre 3, Titre 2 de la même loi, inséré par l’article
26, il est inséré un Chapitre 3, intitulé “Chapitre 3. — Suc-
cursales en Belgique des établissements de monnaie élec-
tronique relevant du droit d’États qui ne sont pas membres
de l’EEE”.
Art. 75
Dans le Livre 3, Titre 2, Chapitre 3 de la même loi, inséré
par l’article 74, il est inséré une Section 1re intitulée “Section
1re. — Accès à l’activité”.
Art. 76
Dans le Livre 3, Titre 2, Chapitre 3, Section 1re, insérée
par l’article 75, il est inséré un article 98 rédigé comme suit:
“Art. 98. § 1er. Sont applicables les dispositions suivantes
de la loi:
1° les articles 61, 62 et 63 de la loi: étant entendu qu’avant
de statuer sur la demande d’agrément de la succursale, la
Banque consulte les autorités de contrôle de l’État d’origine
de l’établissement de monnaie électronique;
2° l’article 64, alinéa 1er: étant entendu que les succur-
sales visées par le présent chapitre sont mentionnées à une
rubrique spéciale de la liste visée à cet article;
3° l’article 65: toutefois, peuvent être agréées des succur-
sales d’établissements de monnaie électronique dotées de la
personnalité juridique mais n’ayant pas la forme de société
commerciale;
4° l’article 66: le capital initial étant remplacé par une dota-
tion, la Banque a compétence pour apprécier les éléments
constitutifs de la dotation;
5° les articles 67 à 69.
§ 2. La Banque peut refuser d’agréer la succursale d’un
établissement de monnaie électronique relevant du droit
d’un État qui n’accorde pas les mêmes possibilités d’accès
à son marché aux établissements de monnaie électronique
de droit belge.
§ 3. La Banque peut refuser l’agrément d’une succursale
visée par le présent chapitre si elle estime que la protection
des détenteurs de monnaie électronique ou la gestion saine
et prudente de l’établissement exige la constitution d’une
société de droit belge.”.
DOC 53 2432/001
104
2431/001
DOC 53
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 3 e L É G I S L A T U R E
K AMER 3e Z ITTING VAN DE 53e Z ITTING S P E RIO DE
2011
2012
Art. 77
In Boek 3, Titel 2, Hoofdstuk 3 van dezelfde wet, ingevoegd
bij artikel 74, wordt een afdeling 2 ingevoegd, luidende “Afde-
ling 2. — Bedrijfsuitoefening”.
Art. 78
In Boek 3, Titel 2, Hoofdstuk 3, Afdeling 2 van dezelfde
wet, ingevoegd bij artikel 77, wordt een artikel 99 ingevoegd,
luidende:
“Art. 99. De volgende artikelen van de wet zijn van toe-
passing:
1° artikel 72;
2° artikel 73, § 1; indien de Bank grond heeft om aan
te nemen dat de invloed van natuurlijke of rechtspersonen
die rechtstreeks of onrechtstreeks een gekwalificeerde
deelneming bezitten in de zin van artikel 3, § 1, 3° van de
bankwet, een gezond en voorzichtig beleid van de instelling
voor elektronisch geld kan belemmeren, kan de Bank, onver-
minderd de andere bij deze wet bepaalde maatregelen, de
vergunning van het bijkantoor schorsen of herroepen voor de
termijn die zij bepaalt; artikel 87, § 1, 2° en 5°, en § 2 is van
toepassing op deze beslissingen;
3° de artikelen 74, 76, § 1, 3 en 4 en 77 tot 80.”.
Art. 79
In Boek 3, Titel 2, Hoofdstuk 3 van dezelfde wet, ingevoegd
bij artikel 74, wordt een afdeling 3 ingevoegd, luidende “Afde-
ling 3 — Toezicht”.
Art. 80
In Boek 3, Titel 2, Hoofdstuk 3, Afdeling 3 van dezelfde
wet, ingevoegd bij artikel 79, wordt een artikel 100 ingevoegd,
luidende:
“Art. 100. De artikelen 81 en 82 zijn van toepassing.”.
Art. 81
In dezelfde afdeling 3 wordt een artikel 101 ingevoegd,
luidende:
“Art. 101. De leiders van de in dit hoofdstuk bedoelde bij-
kantoren stellen een of meer erkende revisoren of erkende
revisorenvennootschappen aan, overeenkomstig de artike-
len 84 en 28. Volgens dezelfde procedure kunnen zij een
plaatsvervanger aanstellen.
Bij aanstelling van een revisorenvennootschap is artikel
29 van toepassing.
Art. 77
Dans le Livre 3, Titre 2, Chapitre 3 de la même loi, inséré
par l’article 74, il est inséré une Section 2 intitulée “Section
2. — Exercice de l’activité”.
Art. 78
Dans le Livre 3, Titre 2, Chapitre 3, Section 2 de la même
loi, insérée par l’article 77, il est inséré un article 99 rédigé
comme suit:
“Art. 99. Sont applicables les articles suivants de la loi:
1° l’article 72;
2° l’article 73, § 1er; lorsque la Banque a des raisons de
considérer que l’infl uence exercée par les personnes phy-
siques ou morales détenant, directement ou indirectement,
une participation qualifi ée au sens de l’article 3, § 1er, 3° de la
loi bancaire, est de nature à compromettre la gestion saine et
prudente de l’établissement de monnaie électronique, et sans
préjudice des autres mesures prévues par la présente loi, la
Banque peut suspendre ou révoquer, pour la durée qu’elle
détermine l’agrément de la succursale; l’article 87, § 1er, 2°
et 5°, et § 2 s’applique à ces décisions;
3° les articles 74, 76, § 1er, 3 et 4 et 77 à 80.”.
Art. 79
Dans le Livre 3, Titre 2, Chapitre 3 de la même loi, inséré
par l’article 74, il est inséré une Section 3 intitulée “Section
3. - Contrôle”.
Art. 80
Dans le Livre 3, Titre 2, Chapitre 3, Section 3 de la même
loi, insérée par l’article 79, il est inséré un article 100 rédigé
comme suit:
“Art. 100. Les articles 81 et 82 sont applicables.”.
Art. 81
Dans la même section 3, il est inséré un article 101 rédigé
comme suit:
“Art. 101. Les dirigeants des succursales visées par le pré-
sent chapitre sont tenus de désigner un ou plusieurs réviseurs
agréés ou une ou plusieurs sociétés de réviseurs agréées
conformément aux articles 84 et 28. Ils peuvent désigner,
selon la même procédure, un suppléant.
En cas de désignation d’une société de réviseurs, l’article
29 est applicable.
DOC 53 2432/001
105
2431/001
DOC 53
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 3 e L É G I S L A T U R E
K AMER 3e Z ITTING VAN DE 53e Z ITTING S P E RIO DE
2011
2012
De artikelen 31, 32, eerste tot vierde lid, en 85, eerste tot
derde lid, en vijfde lid zijn van toepassing.
Vooraleer een erkende revisor of een erkende revisoren-
vennootschap van zijn of haar opdracht wordt ontslaan, moet
het advies van de Bank worden ingewonnen.
In bijkantoren waar een ondernemingsraad is opgericht
met toepassing van de wet van 20 september 1948 houdende
organisatie van het bedrijfsleven, oefenen de erkende revi-
soren of revisorenvennootschappen de in artikel 15bis van
deze wet bedoelde opdrachten uit.
De erkende revisoren of de erkende revisorenven-
nootschappen certifi ceren de krachtens artikel 80 openbaar
gemaakte boekhoudkundige gegevens.”.
Art. 82
In Boek 3, Titel 2, Hoofdstuk 3 van dezelfde wet, ingevoegd
bij artikel 74, wordt een Afdeling 4 ingevoegd, luidende “Afde-
ling 4. — Intrekking van de vergunning, uitzonderingsmaatre-
gelen en strafbepalingen”.
Art. 83
In Boek 3, Titel 2, Hoofdstuk 3, Afdeling 4 van dezelfde
wet, ingevoegd bij artikel 82, wordt een artikel 102 ingevoegd,
luidende:
“Art. 102. De artikelen 86, 87, 90, 106 en 107 zijn van
toepassing.”.
Art. 84
In dezelfde afdeling 4 wordt een artikel 103 ingevoegd,
luidende:
“Art. 103. Voor de toepassing van dit artikel wordt onder
“instelling voor elektronisch geld” verstaan elke onderne-
ming opgericht naar buitenlands recht die, indien zij haar
maatschappelijke zetel in België zou hebben, een vergunning
zou dienen te verkrijgen voor de uitoefening van het bedrijf
van instelling voor elektronisch geld.”.
Art. 85
In Boek 3, Titel 2 van dezelfde wet, ingevoegd bij artikel
29, wordt een Hoofdstuk 4 ingevoegd, luidende “HOOFDS-
TUK 4. — Informatie-uitwisseling en samenwerking tussen
autoriteiten”.
Art. 86
In Boek 3, Titel 2, Hoofdstuk 4 van dezelfde wet, ingevoegd
bij artikel 85, wordt een artikel 104 ingevoegd, luidende:
Les articles 31, 32, alinéas 1er à 4, et 85, alinéas 1er à 3, et
5 sont applicables.
La révocation des fonctions des réviseurs agréés et socié-
tés de réviseurs agréées est soumise à l’avis préalable de
la Banque.
Dans les succursales où un conseil d’entreprise est ins-
titué en application de la loi du 20 septembre 1948 portant
organisation de l’économie, les réviseurs ou sociétés de
réviseurs agréés assurent les fonctions prévues par l’article
15bis de cette loi.
Les réviseurs agréés ou sociétés de réviseurs agréées
certifi ent les informations comptables publiées en vertu de
l’article 80.”.
Art. 82
Dans le Livre 3, Titre 2, Chapitre 3 de la même loi, inséré
par l’article 74, il est inséré une Section 4 intitulée “Section
4. — Radiation de l’agrément, mesures exceptionnelles et
sanctions”.
Art. 83
Dans le Livre 3, Titre 2, Chapitre 3, Section 4 de la même
loi, insérée par l’article 82, il est inséré un article 102 rédigé
comme suit:
“Art. 102. Les articles 86, 87, 90, 106 et 107 sont appli-
cables.”.
Art. 84
Dans la même section 4, il est inséré un article 103 rédigé
comme suit:
“Art. 103. Pour l’application du présent article, il y a lieu
d’entendre par établissement de monnaie électronique
toute entreprise constituée selon un droit étranger qui, si elle
avait son siège social en Belgique, serait tenue d’obtenir un
agrément pour exercer l’activité d’établissement de monnaie
électronique.”.
Art. 85
Dans le Livre 3, Titre 2 de la même loi, inséré par l’article
29, il est inséré un Chapitre 4 intitulé “CHAPITRE 4. —
Echange d’information et coopération entre autorités”.
Art. 86
Dans le Livre 3, Titre 2, Chapitre 4 de la même loi, inséré
par l’article 85, il est inséré un article 104 rédigé comme suit:
DOC 53 2432/001
106
2431/001
DOC 53
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 3 e L É G I S L A T U R E
K AMER 3e Z ITTING VAN DE 53e Z ITTING S P E RIO DE
2011
2012
“Art. 104. § 1. Voor de toepassing van de artikelen 35 en
36/13 tot 36/15 van de wet van 22 februari 1998, die betrekking
hebben op de uitwisseling van informatie en de samenwerking
tussen de Bank en de autoriteiten van andere lidstaten van de
EER die belast zijn met het toezicht op de instellingen voor
elektronisch geld, moet onder het bedrijf van instelling voor
elektronisch geld eveneens worden verstaan, het bedrijf dat
de instelling voor elektronisch geld uitoefent via distributeurs,
agenten, bijkantoren of dienstverleners in de zin van artikel
4, 17°.
§ 2. De Bank verstrekt op eigen initiatief aan de in het
eerste lid bedoelde autoriteiten van andere lidstaten van de
EER alle essentiële informatie en verstrekt hen op verzoek
alle relevante informatie.”.
Art. 87
In Boek 3, ingevoegd bij artikel 25, wordt een Titel 3 inge-
voegd, luidende “TITEL 3. — Vrijstelling”.
Art. 88
In Boek 3, Titel 3, van dezelfde wet, ingevoegd bij artikel
87, wordt een artikel 105 ingevoegd, luidende:
“Art. 105. § 1. De Bank kan geheel of gedeeltelijk vrijstelling
verlenen van de toepassing van de bepalingen van afdelingen
1 tot 3 van Titel 2 van dit Boek en zijn uitvoeringsbesluiten
aan rechtspersonen:
1° waarvoor geldt dat de totale bedrijfsactiviteiten een
gemiddeld uitstaand elektronisch geld genereren dat niet
hoger is dan 5 000 000 euro; en
2° waarvoor geldt dat geen enkele van de met het beleid
of de uitoefening van de werkzaamheden belaste natuurlijke
personen veroordeeld is wegens strafbare feiten in verband
met het witwassen van geld of terrorismefi nanciering, of zoals
bedoeld in artikel 19, § 1er, 1° et 2° van de bankwet.
De Bank kan deze rechtspersonen niet vrijstellen van de
toepassing van artikelen 77 en 78 van deze wet.
Wanneer een instelling voor elektronisch geld werk-
zaamheden verricht als bedoeld in artikel 77, § 2, 1°, die
geen verband houden met de uitgifte van elektronisch geld,
of werkzaamheden verricht als bedoeld in artikel 77, § 1, § 2,
2° en 3°, of § 3, en het uitstaande bedrag aan elektronisch
geld niet van te voren is gekend, mag deze instelling voor
elektronisch geld het eerste lid, 1° toepassen op basis van
een representatief gedeelte dat geacht wordt voor de uitgifte
van elektronisch geld te worden gebruikt, mits het redelijke-
rwijs mogelijk is een dergelijk representatief gedeelte naar
tevredenheid van de Bank op basis van historische gegevens
te ramen. Wanneer een instelling voor elektronisch geld haar
activiteiten niet lang genoeg heeft uitgeoefend, wordt deze
voorwaarde beoordeeld op basis van het uitstaande bedrag
aan elektronisch geld als geraamd in haar bedrijfsplan, reke-
“Art. 104. § 1er. Pour l’application des articles 35 et 36/13
à 36/15 de la loi du 22 février 1998 concernant l’échange
d’informations et la coopération entre la Banque et les auto-
rités d’autres États membres de l’EEE chargées du contrôle
des établissements de monnaie électronique, l’activité des
établissements de monnaie électronique s’entend également
de l’activité qu’ils exercent en recourant à des distributeurs,
des agents, des succursales ou des prestataires de services
au sens de l’article 4, 17°.
§ 2. La Banque fournit d’initiative aux autorités d’autres
États membres de l’EEE, visées à l’alinéa 1er, toutes les infor-
mations essentielles et elle leur fournit sur demande toutes
les informations pertinentes.”.
Art. 87
Dans le Livre 3, inséré par l’article 25, il est inséré un Titre
3, intitulé “TITRE 3. — Exemption”.
Art. 88
Dans le Livre 3, Titre 3 de la même loi, inséré par l’article
87, il est inséré un article 105 rédigé comme suit:
“Art. 105. § 1er. La Banque peut exempter de l’application
de tout ou partie des dispositions des sections 1 à 3 du Titre
2 du présent Livre et de ses arrêtés d’exécution les personnes
morales:
1° dont les activités commerciales dans leur ensemble
génèrent une moyenne de monnaie électronique en circulation
qui ne dépasse pas 5 000 000 euros; et
2° dont aucune des personnes physiques responsables de
la gestion ou de l’exercice de l’activité n’a été condamnée
pour des infractions liées au blanchiment de capitaux, au
fi nancement du terrorisme ou visées à l’article 19, § 1er, 1° et
2° de la loi bancaire.
La Banque ne peut exempter ces personnes morales de
l’application des articles 77 et 78 de la présente loi.
Lorsqu’un établissement de monnaie électronique exerce
des activités visées à l’article 77, § 2, 1°, qui ne sont pas liées
à l’émission de monnaie électronique ou des activités visées
à l’article 77, § 1er, § 2, 2° et 3°, ou § 3, et que le montant de
la monnaie électronique en circulation ne peut être déterminé
à l’avance, cet établissement de monnaie électronique peut
bénéfi cier de l’application du premier alinéa, 1°, sur la base
d’une partie représentative des fonds qui est présumée utili-
sée pour l’émission de monnaie électronique, à condition que,
sur la base de données historiques, il soit raisonnablement
possible d’estimer cette partie représentative d’une manière
jugée satisfaisante par la Banque. Lorsqu’un établissement de
monnaie électronique n’a pas accompli une période d’activité
suffisamment longue, cette condition est évaluée sur la base
de l’estimation de la monnaie électronique en circulation résul-
DOC 53 2432/001
107
2431/001
DOC 53
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 3 e L É G I S L A T U R E
K AMER 3e Z ITTING VAN DE 53e Z ITTING S P E RIO DE
2011
2012
ning houdend met de eventuele aanpassingen in dit plan die
de Bank heeft verlangd.
§ 2. De rechtspersonen bedoeld in het eerste lid die vri-
jgesteld zijn, worden ingeschreven op de lijst bedoeld in artikel
64. Artikel 64 is op deze rechtspersonen van overeenkomstige
toepassing voor wat betreft de informatie die op de website
van de Bank wordt verstrekt en de geregelde actualisering
ervan. De website vermeldt dat deze rechtspersonen zijn
vrijgesteld met toepassing van dit artikel.
§ 3. De rechtspersonen die vrijgesteld zijn op grond van
paragraaf 1:
1° hebben hun maatschappelijke zetel in België en oefenen
hun activiteit van uitgifte van elektronisch geld daadwerkelijk
op het Belgische grondgebied uit;
2° komen niet in aanmerking voor de regeling inzake
wederzijdse erkenning vastgesteld in artikel 91 van deze wet;
3° bepalen in de overeenkomst tot regeling van de uitgifte
van elektronisch geld dat het bedrag dat op de elektronische
drager mag worden opgeslagen, beperkt is tot 150 euro;
4° mag enkel betalingsdiensten aanbieden die geen ver-
band houden met elektronisch geld dat wordt uitgegeven ove-
reenkomstig dit artikel, indien voldaan is aan de voorwaarden
van artikel 48;
5° stellen de Bank in kennis van elke verandering in
hun situatie die relevant is voor de in paragraaf 1 gestelde
voorwaarden en brengen periodiek verslag uit aan de Bank
over het gemiddeld uitstaand elektronisch geld. De Bank
bepaalt de frequentie van deze rapportering;
6° passen de bepalingen toe van de wet van 11 januari 1993
tot voorkoming van het gebruik van het fi nanciële stelsel voor
het witwassen van geld en de fi nanciering van terrorisme die
gelden voor instellingen voor elektronisch geld, en van de ter
uitvoering ervan genomen besluiten en reglementen.
§ 4. De Koning kan bepalen dat een rechtspersoon die
vrijgesteld is op grond van paragraaf 1, alleen sommige van
de in artikel 77, §§ 1 tot 3 opgesomde werkzaamheden mag
uitoefenen.
§ 5. Wanneer de in de paragrafen 1 en 3, 1°, 3°, 4° gestelde
voorwaarden niet langer vervuld zijn, vragen de vrijgestelde
instellingen voor elektronisch geld binnen 30 kalenderdagen
een vergunning aan overeenkomstig artikel 61 en volgende.
Voor de instellingen die binnen deze termijn geen vergun-
ning hebben aangevraagd, is het overeenkomstig artikel 59
verboden om elektronisch geld uit te geven.”.
tant de son plan d’entreprise, et sous réserve d’un éventuel
ajustement de ce plan exigé par la Banque.
§ 2. Les personnes morales visées à l’alinéa 1er, qui sont
exemptées, sont inscrites sur la liste visée à l’article 64.
L’article 64 s’applique par analogie à ces personnes morales
en ce qui concerne les informations fournies sur le site internet
de la Banque et leur actualisation régulière. Le site internet
mentionne que ces personnes morales bénéfi cient d’une
exemption en application du présent article.
§ 3. Les personnes morales bénéfi ciant d’une exemption
accordée en vertu du paragraphe 1er:
1° doivent avoir leur siège social en Belgique, et exercer
effectivement leurs activités d’émission de monnaie électro-
nique sur le territoire belge;
2° ne bénéficient pas du régime de reconnaissance
mutuelle prévu par l’article 91 de la présente loi;
3° doivent prévoir, dans le contrat régissant l’émission
de monnaie électronique, que le montant chargé sur le sup-
port électronique stockant la monnaie électronique ne peut
dépasser 150 euros;
4° ne peuvent fournir des services de paiement non liés à la
monnaie électronique émise conformément au présent article
que si les conditions énoncées à l’article 48 sont remplies;
5° informent la Banque de tout changement de leur situation
ayant une incidence sur les conditions énoncées au para-
graphe 1er et rendent compte périodiquement à la Banque
de la moyenne de monnaie électronique en circulation. La
Banque détermine la fréquence de ce rapport;
6° appliquent les dispositions de la loi du 11 janvier 1993
relative à la prévention de l’utilisation du système fi nancier
aux fi ns du blanchiment de capitaux et du fi nancement du
terrorisme, qui sont applicables aux établissements de mon-
naie électronique, et des arrêtés et règlements pris pour son
exécution.
§ 4. Le Roi peut prévoir qu’une personne morale béné-
fi ciant d’une exemption accordée en vertu du paragraphe
1er ne peut exercer que certaines des activités énumérées à
l’article 77, §§ 1er à 3.
§ 5 Lorsque les conditions énoncées aux paragraphes
1er, et 3, 1°, 3°, 4° ne sont plus remplies, les établissements
de monnaie électronique exemptés demandent l’agrément
dans un délai de trente jours calendaires conformément aux
articles 61 et suivants.
Les établissements qui n’ont pas demandé l’agrément
dans ce délai se voient interdire, conformément à l’article 59,
d’émettre de la monnaie électronique.”.
DOC 53 2432/001
108
2431/001
DOC 53
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 3 e L É G I S L A T U R E
K AMER 3e Z ITTING VAN DE 53e Z ITTING S P E RIO DE
2011
2012
Art. 89
In Boek 3 van dezelfde wet, ingevoegd bij artikel 25, wordt
een Titel 4 ingevoegd, luidende “Titel 4. — Sancties”.
Art. 90
In Boek 3, Titel 4 van dezelfde wet, ingevoegd bij artikel 89,
wordt een Hoofdstuk 1 ingevoegd, luidende “HOOFDSTUK
1. - Administratieve sancties”.
Art. 91
In Boek 3, Titel 4, Hoofdstuk 1 van dezelfde wet, ingevoegd
bij artikel 90, wordt een artikel 106 ingevoegd, luidende:
“Art. 106. § 1. Onverminderd de andere bij deze wet voor-
geschreven maatregelen, kan de Bank openbaar maken dat
een Belgische of buitenlandse instelling voor elektronisch
geld geen gevolg heeft gegeven aan haar aanmaningen om
zich binnen de door haar vastgestelde termijn te conformeren
aan de bepalingen van deze wet of de ter uitvoering ervan
genomen besluiten en reglementen.
§ 2. Onverminderd de andere bij deze wet voorgeschreven
maatregelen, kan de Bank voor een instelling voor elektro-
nisch geld naar Belgisch of buitenlands recht die in België is
gevestigd, een termijn bepalen:
a) waarbinnen zij zich dient te conformeren aan specifi eke
bepalingen van deze wet of de ter uitvoering ervan genomen
besluiten en reglementen, of
b) waarbinnen zij de nodige aanpassingen dient aan te
brengen in haar beleidsstructuur, haar administratieve en
boekhoudkundige organisatie of haar interne controle.
De in het eerste lid, littera b), bedoelde aanmaning geldt
niet voor de bijkantoren van instellingen voor elektronisch
geld die ressorteren onder het recht van een andere lidstaat
van de EER.
Indien de instelling voor elektronisch geld in gebreke blijft
bij het verstrijken van de termijn, kan de Bank, na de instelling
gehoord of tenminste opgeroepen te hebben, haar een dwang-
som opleggen van maximum 2 500 000 euro per overtreding
of maximum 50 000 euro per dag vertraging.
§ 3. Onverminderd andere maatregelen bepaald in deze
wet en onverminderd de maatregelen bepaald in andere
wetten, besluiten of reglementen, kan de Bank, indien zij een
inbreuk vaststelt op de bepalingen van deze wet of de ter
uitvoering ervan genomen maatregelen, een administratieve
geldboete opleggen aan een instelling voor elektronisch geld
naar Belgisch of buitenlands recht die in België is gevestigd,
die niet minder mag bedragen dan 2 500 euro, noch meer dan
2 500 000 euro voor hetzelfde feit of voor hetzelfde geheel
van feiten.
Art. 89
Dans le Livre 3 de la même loi, inséré par l’article 25, il est
inséré un Titre 4, intitulé “Titre 4. — Sanctions”.
Art. 90
Dans le Livre 3, Titre 4 de la même loi, inséré par l’article
89, il est inséré un Chapitre 1er intitulé “CHAPITRE 1er —
Sanctions administratives”.
Art. 91
Dans le Livre 3, Titre 4, Chapitre1er de la même loi, inséré
par l’article 90, il est inséré un article 106 rédigé comme suit:
“Art. 106. § 1er. Sans préjudice des autres mesures prévues
par la présente loi, la Banque peut publier qu’un établisse-
ment de monnaie électronique belge ou étranger ne s’est pas
conformé aux injonctions qui lui ont été faites de respecter
dans le délai qu’elle détermine des dispositions de la présente
loi ou des arrêtés et règlements pris pour son exécution.
§ 2. Sans préjudice des autres mesures prévues par la
présente loi, la Banque peut fi xer à un établissement de
monnaie électronique de droit belge ou étranger établi en
Belgique un délai dans lequel:
a) il doit se conformer à des dispositions déterminées de
la présente loi ou des arrêtés et règlements pris pour son
exécution, ou
b) il doit apporter les adaptations qui s’imposent à sa
structure de gestion, à son organisation administrative et
comptable ou à son contrôle interne.
L’injonction visée à l’alinéa 1er, littera b), n’est pas appli-
cable aux succursales d’établissements de monnaie élec-
tronique relevant du droit d’un autre État membre de l’EEE.
Si l’établissement de monnaie électronique reste en
défaut à l’expiration du délai, la Banque peut, l’établissement
entendu ou à tout le moins convoqué, lui infl iger une astreinte
à raison d’un montant maximum de 2 500 000 euros par
infraction ou de maximum 50 000 euros par jour de retard.
§ 3. Sans préjudice d’autres mesures prévues par la pré-
sente loi et sans préjudice des mesures prévues par d’autres
lois, arrêtés ou règlements, la Banque peut, lorsqu’elle
constate une infraction aux dispositions de la présente loi
ou des mesures prises en exécution de celle-ci, infl iger à
un établissement de monnaie électronique de droit belge ou
étranger établi en Belgique, une amende administrative qui ne
peut être inférieure à 2 500 euros ni supérieure, pour le même
fait ou pour le même ensemble de faits, à 2 500 000 euros.
DOC 53 2432/001
109
2431/001
DOC 53
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 3 e L É G I S L A T U R E
K AMER 3e Z ITTING VAN DE 53e Z ITTING S P E RIO DE
2011
2012
§ 4. De met toepassing van de paragrafen 2 en 3 opgelegde
dwangsommen en geldboetes worden ingevorderd ten bate
van de Schatkist door de administratie binnen de Federale
Overheidsdienst Financiën die bevoegd is inzake de niet
fi scale vorderingen.”.
Art. 92
In Boek 3, Titel 4 van dezelfde wet, ingevoegd bij artikel
89, wordt een Hoofdstuk 2 ingevoegd, luidende “Hoofdstuk 2.
— Strafrechtelijke sancties”.
Art. 93
In Boek 3, Titel 3, Hoofdstuk 2 van dezelfde wet, ingevoegd
bij artikel 92, wordt een artikel 107 ingevoegd, luidende:
“Art. 107. Met een gevangenisstraf van één maand tot één
jaar en met een geldboete van 50 euro tot 10 000 euro of met
één van die straffen alleen wordt gestraft:
1° wie in België elektronisch geld uitgeeft zonder te voldoen
aan de bepalingen van de artikelen 59, 91 en 98, § 1, 1°;
2° wie artikel 68, § 2, overtreedt;
3° wie met opzet de kennisgeving bedoeld in artikel 71,
tweede lid, niet verricht, voor wat het bepaalde bij artikel 62
eerste lid, 8°, betreft;
4° wie met opzet de kennisgevingen bedoeld in artikel 73,
§ 1, niet verricht, wie het in artikel 73, § 2, bedoelde verzet
negeert of wie de in artikel 73, § 2, 1° en § 3 bedoelde schor-
sing negeert;
5° elke instelling voor elektronisch geld of elke bestuurder,
zaakvoerder of directeur van een instelling voor elektronisch
geld die de artikelen 74, 77 en 79 overtreedt;
6° elke instelling voor elektronisch geld of elke bestuurder,
zaakvoerder of directeur van een instelling voor elektronisch
geld die in het buitenland een bijkantoor opent of die een
beroep doet op agenten of distributeurs, zonder de kennis-
gevingen te hebben verricht als bepaald in de artikelen 75 en
76, § 2 en § 3 of die zich niet conformeert aan de artikelen
75 en 76, § 2 of § 3;
7° elke instelling voor elektronisch geld of elke bestuurder,
zaakvoerder of directeur van een instelling voor elektronisch
geld die de in de artikelen 72, 80 en 93 bedoelde besluiten
of reglementen overtreedt;
8° elke instelling voor elektronisch geld of elke bestuurder,
zaakvoerder of directeur van een instelling voor elektronisch
geld die zich niet conformeert aan de artikelen 80, eerste,
tweede en zesde lid, en 93, eerste lid;
9° wie handelingen stelt of verrichtingen uitvoert die indrui-
sen tegen een schorsingsbeslissing overeenkomstig artikel
87, § 1, tweede lid, 2°;
§ 4. Les astreintes et amendes imposées en application
des paragraphes 2 et 3 sont recouvrées au profi t du Trésor par
l’administration au sein du Service Public Fédéral Finances
compétent en matière de recouvrements non fi scaux.”.
Art. 92
Dans le Livre 3, Titre 4 de la même loi, inséré par l’article
89, il est inséré un Chapitre 2 intitulé “CHAPITRE 2. — Sanc-
tions pénales”.
Art. 93
Dans le Livre 3, Titre 3, Chapitre 2 de la même loi, inséré
par l’article 92, il est inséré un article 107 rédigé comme suit:
“Art. 107. Sont punis d’un emprisonnement d’un mois à un
an et d’une amende de 50 euros à 10 000 euros, ou d’une
de ces peines seulement:
1° ceux qui émettent de la monnaie électronique en Bel-
gique sans satisfaire aux dispositions des articles 59, 91 et
98, § 1er, 1°;
2° ceux qui contreviennent à l’article 68, § 2;
3° ceux qui, sciemment, s’abstiennent de faire la décla-
ration prévue à l’article 71, alinéa 2, en ce qui concerne les
renseignements visés à l’article 62, alinéa 1er, 8°;
4° ceux qui sciemment s’abstiennent de faire les notifi ca-
tions prévues à l’article 73, § 1er, ceux qui passent outre à
l’opposition visée à l’article 73, § 2, ou ceux qui passent outre
à la suspension visée à l’article 73, § 2, 1° et § 3;
5° les établissements de monnaie électronique, ainsi
que leurs administrateurs, gérants ou directeurs, qui contre-
viennent aux articles 74, 77 et 79;
6° les établissements de monnaie électronique, ainsi que
leurs administrateurs, gérants ou directeurs, qui ouvrent une
succursale à l’étranger ou qui recourent à des agents ou à
des distributeurs sans avoir procédé aux notifi cations prévues
par les articles 75 et 76, § 2 et § 3 ou qui ne se conforment
pas aux articles 75 et 76, § 2 ou § 3;
7° les établissements de monnaie électronique, ainsi
que leurs administrateurs, gérants ou directeurs, qui contre-
viennent aux arrêtés ou aux règlements visés aux articles
72, 80, et 93;
8° les établissements de monnaie électronique, ainsi que
leurs administrateurs, gérants ou directeurs, qui ne se confor-
ment pas aux articles 80, alinéas 1er, 2 et 6, et 93, alinéa 1er;
9° ceux qui accomplissent des actes ou opérations à
l’encontre d’une décision de suspension prise conformément
à l’article 87, § 1er, alinéa 2, 2°;
DOC 53 2432/001
110
2431/001
DOC 53
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 3 e L É G I S L A T U R E
K AMER 3e Z ITTING VAN DE 53e Z ITTING S P E RIO DE
2011
2012
10° ceux qui, en qualité de commissaire, de réviseur agréé
ou d’expert indépendant, ont attesté, approuvé ou confi rmé
des comptes, des comptes annuels ou des comptes consoli-
dés d’établissements de monnaie électronique, ou des états
périodiques ou tous autres renseignements, alors que les
dispositions des lois, arrêtés et règlements relatifs au statut
légal des établissements de monnaie électronique n’ont pas
été respectées, soit en sachant qu’elles ne l’avaient pas été,
soit en n’ayant pas accompli les diligences normales pour
s’assurer qu’elles avaient été respectées;
11° ceux qui mettent obstacle aux inspections et vérifi ca-
tions auxquelles ils sont tenus dans le pays ou à l’étranger
ou refusent de donner des renseignements qu’ils sont tenus
de fournir en vertu de la présente loi et des arrêtés et règle-
ments pris pour son exécution, ou qui donnent sciemment
des renseignements inexacts ou incomplets;
12° ceux qui contreviennent à l’article 49, § 1er.”.
TITRE 3
Autres dispositions
CHAPITRE 1ER
Autres dispositions modifi catives
Section 1re
Modifications de la loi du 12 juin 1991 relative
au crédit à la consommation
Art. 94
À l’article 74, alinéa 2, de la loi du 12 juin 1991 relative
au crédit à la consommation, inséré par la loi du 11 fé-
vrier 1994 et modifi é par la loi du 10 décembre 2009, les
mots “et les établissements de paiement visés dans la loi
du 21 décembre 2009 relative au statut des établissements
de paiement, à l’accès à l’activité de prestataire de services
de paiement et à l’accès aux systèmes de paiement” sont
remplacés par les mots “, les établissements de paiement et
les établissements de monnaie électronique visés dans la loi
du 21 décembre 2009 relative au statut des établissements
de paiement et des établissements de monnaie électronique,
à l’accès à l’activité de prestataire de services de paiement,
à l’activité d’émission de monnaie électronique et à l’accès
aux systèmes de paiement”.
Art. 95
Dans l’article 75, § 6 de la même loi, inséré par la loi du
10 décembre 2009, le deuxième alinéa est remplacé par ce
qui suit suit:
“Sont également réputés satisfaire aux conditions visées
à l’alinéa 1er, les établissements de paiement et les établis-
10° wie als commissaris, erkende revisor of onafhankelijk
deskundige, rekeningen, jaarrekeningen of geconsolideerde
jaarrekeningen van instellingen voor elektronisch geld dan
wel periodieke staten of alle andere inlichtingen certifi ceert,
goedkeurt of bekrachtigt terwijl niet is voldaan aan de bepa-
lingen van de wetten, besluiten en reglementen over het
wettelijk statuut van de instellingen voor elektronisch geld, en
daarvan kennis heeft, of niet heeft gedaan wat hij normaal had
moeten doen om zich te vergewissen of aan die bepalingen
was voldaan;
11° wie de onderzoeken en controles verhindert waartoe
hij verplicht is in het land of in het buitenland dan wel weigert
de gegevens te verstrekken waartoe hij verplicht is op grond
van deze wet en de ter uitvoering ervan genomen besluiten en
reglementen of wie bewust onjuiste of onvolledige inlichtingen
verstrekt;
12° wie artikel 49, § 1, overtreedt.”.
TITEL 3
Overige bepalingen
HOOFDSTUK 1
Andere wijzigingsbepalingen
Afdeling 1
Wijzigingen in de wet van 12 juni 1991 op het
consumentenkrediet
Art. 94
In artikel 74, tweede lid, van de wet van 12 juni 1991 op
het consumentenkrediet, ingevoegd bij de wet van 11 februa-
ri 1994 en gewijzigd bij de wet van 10 december 2009, worden
de woorden “en de betalingsinstellingen als bedoeld in de wet
van 21 december 2009 op het statuut van de betalingsinstellin-
gen, de toegang tot het bedrijf van de betalingsdienstaanbie-
der en de toegang tot de betalingssystemen” vervangen door
de woorden “en de betalingsinstellingen en de instellingen
voor elektronisch geld als bedoeld in de wet van 21 decem-
ber 2009 op het statuut van de betalingsinstellingen en van de
instellingen voor elektronisch geld, de toegang tot het bedrijf
van betalingsdienstaanbieder en tot de activiteit van uitgifte
van elektronisch geld en de toegang tot betalingssystemen”.
Art. 95
In artikel 75, § 6 van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van
10 december 2009, de tweede lid wordt vervangen als volgt:
“Aan de in het eerste lid bedoelde voorwaarden worden
eveneens geacht te voldoen, de betalingsinstellingen en de
DOC 53 2432/001
111
2431/001
DOC 53
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 3 e L É G I S L A T U R E
K AMER 3e Z ITTING VAN DE 53e Z ITTING S P E RIO DE
2011
2012
instellingen voor elektronisch geld onderworpen aan het
toezicht van de Nationale Bank van België overeenkomstig
de wet van 21 december 2009 op het statuut van de betaling-
sinstellingen en van de instellingen voor elektronisch geld, de
toegang tot het bedrijf van betalingsdienstaanbieder en tot
de activiteit van uitgifte van elektronisch geld en de toegang
tot betalingssystemen en aan wie een bedrijfsvergunning
werd toegestaan op grond waarvan aanvullend krediet mag
worden aangeboden met betrekking tot de in punten 4, 5 en
7 van bijlage I bedoelde betalingsdiensten en dat aan de
voorwaarden van artikel 22, § 3 van de wet van 21 decem-
ber 2009 voldoet.”.
Art. 96
In artikel 75bis van dezelfde wet worden de volgende
wijzigingen aangebracht:
1° in paragraaf 1, eerste lid, gewijzigd bij de wetten
van 24 maart 2003 en 10 december 2009, worden in de
Nederlandse versie de woorden “artikel 39 van de wet van
21 december 2009 op het statuut van de betalingsinstellin-
gen, de toegang tot het bedrijf van betalingsdienstaanbieder
en de toegang tot de betalingssystemen” vervangen door de
woorden “artikel 39 of 91 van de wet van 21 december 2009
op het statuut van de betalingsinstellingen en van de instel-
lingen voor elektronisch geld, de toegang tot het bedrijf van
betalingsdienstaanbieder en tot de activiteit van uitgifte van
elektronisch geld en de toegang tot betalingssystemen”;
2° in paragraaf 2, gewijzigd bij de wetten van 24 maart 2003
en 10 december 2009, worden de woorden “kredietinstel-
lingen, financiële instellingen en betalingsinstellingen”
vervangen door de woorden “kredietinstellingen, fi nanciële
instellingen, betalingsinstellingen en instellingen voor elektro-
nisch geld”;
3° in paragraaf 3, eerste lid, gewijzigd bij de wetten van
24 maart 2003 en 10 december 2009, worden de woorden
“kredietinstelling, fi nanciële instelling, of betalingsinstelling”
vervangen door de woorden “kredietinstelling, fi nanciële
instelling, betalingsinstelling of instelling voor elektronisch
geld”.
Afdeling 2
Wijzigingen in de wet van 11 januari 1993 tot voorkoming
van het gebruik van het financiële stelsel voor het
witwassen van geld en de financiering van terrorisme
Art. 97
In artikel 2, § 1 van de wet van 11 januari 1993 tot voorko-
ming van het gebruik van het fi nanciële stelsel voor het wit-
wassen van geld en de fi nanciering van terrorisme, laatstelijk
gewijzigd bij het koninklijk besluit van 6 mei 2010, worden de
volgende wijzigingen aangebracht:
sements de monnaie électronique soumis au contrôle de
la Banque nationale de Belgique conformément à la loi du
21 décembre 2009 relative au statut des établissements de
paiement et des établissements de monnaie électronique, à
l’accès à l’activité de prestataire de services de paiement, à
l’activité d’émission de monnaie électronique et à l’accès aux
systèmes de paiement et à qui un agrément a été octroyé sur
base duquel du crédit additionnel, lié aux services de paie-
ment visés aux points 4, 5 ou 7 de l’Annexe I et répondant aux
conditions de l’article 21, § 3 de la loi du 21 décembre 2009,
peut être offert.”.
Art. 96
À l’article 75bis de la même loi, les modifi cations suivantes
sont apportées:
1° dans le paragraphe 1er, alinéa 1er, modifi é par les lois des
24 mars 2003 et 10 décembre 2009, dans la version française,
les mots “et des institutions de paiement conformément à
l’article 39 de la loi du 21 décembre 2009 relative au statut
des établissements de paiement, à l’accès à l’activité de pres-
tataire de services de paiement et à l’accès aux systèmes de
paiement”, sont remplacés par les mots “, ou conformément
aux articles 39 ou 91 de la loi du 21 décembre 2009 relative au
statut des établissements de paiement et des établissements
de monnaie électronique, à l’accès à l’activité de prestataire
de services de paiement, à l’activité d’émission de monnaie
électronique et à l’accès aux systèmes de paiement”;
2° dans le paragraphe 2, modifié par les lois des
24 mars 2003 et 10 décembre 2009, les mots “établissements
de crédit, établissements fi nanciers et établissements de
paiement” sont remplacés par les mots “établissements de
crédit, établissements fi nanciers, établissements de paiement
et établissements de monnaie électronique”;
3° dans le paragraphe 3, alinéa 1er, modifi é par les lois
des 24 mars 2003 et 10 décembre 2009, les mots “établis-
sement de crédit, établissement fi nancier ou établissement
de paiement” sont remplacés par les mots “établissement de
crédit, établissement fi nancier, établissement de paiement ou
établissement de monnaie électronique”.
Section 2
Modifications de la loi du 11 janvier 1993 relative à la
prévention de l’utilisation du système financier aux fins du
blanchiment de capitaux et du financement du terrorisme
Art. 97
Dans l’article 2, § 1er, de la loi du 11 janvier 1993 relative à
la prévention de l’utilisation du système fi nancier aux fi ns du
blanchiment de capitaux et du fi nancement du terrorisme, tel
que modifi é en dernier lieu par l’arrêté royal du 6 mai 2010,
il est apporté les modifi cations suivantes:
DOC 53 2432/001
112
2431/001
DOC 53
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 3 e L É G I S L A T U R E
K AMER 3e Z ITTING VAN DE 53e Z ITTING S P E RIO DE
2011
2012
1° de bepaling onder 3° wordt vervangen als volgt: “3° de
naamloze vennootschap van publiek recht bpost voor haar
fi nanciële postdiensten of de uitgifte van elektronisch geld;”;
2° in de bepaling onder 4°ter worden de woorden “wet van
21 december 2009 betreffende het statuut van de betaling-
sinstellingen, de toegang tot het bedrijf van betalingsdien-
staanbieder en de toegang tot betalingssystemen” vervangen
door de woorden “wet van 21 december 2009 op het statuut
van de betalingsinstellingen en van de instellingen voor
elektronisch geld, de toegang tot het bedrijf van betalingsdien-
staanbieder en tot de activiteit van uitgifte van elektronisch
geld en de toegang tot betalingssystemen”;
3° de bepaling onder 4°quater wordt ingevoegd, luidende:
“4°quater. a) de uitgevers van elektronisch geld bedoeld in
artikel 59, 4° en 5° van de wet van 21 december 2009 op het
statuut van de betalingsinstellingen en van de instellingen voor
elektronisch geld, de toegang tot het bedrijf van betalingsdien-
staanbieder en tot de activiteit van uitgifte van elektronisch
geld en de toegang tot betalingssystemen;
b) de instellingen voor elektronisch geld naar Belgisch
recht;
c) de in België gevestigde bijkantoren van instellingen voor
elektronisch geld bedoeld in Boek 3, Titel 2 van deze wet;
d) de vrijgestelde instellingen bedoeld in artikel 105 van
dezelfde wet;
e) de instellingen voor elektronisch geld die ressorteren
onder het recht van een andere lidstaat van de Europese
Economische Ruimte en die in België elektronisch geld uitge-
ven via een persoon die er gevestigd is en die de instelling
hiervoor vertegenwoordigt.”.
Art. 98
In artikel 11, § 2 van dezelfde wet wordt de bepaling onder
4° vervangen als volgt:
“de uitgifte van elektronisch geld in de zin van artikel 4, 33°
van de wet van 21 december 2009 op het statuut van de beta-
lingsinstellingen en van de instellingen voor elektronisch geld,
de toegang tot het bedrijf van betalingsdienstaanbieder en tot
de activiteit van uitgifte van elektronisch geld en de toegang
tot betalingssystemen, voor zover het maximumbedrag dat op
de elektronische drager is opgeslagen niet meer dan 250 euro
bedraagt indien de drager niet kan worden heropgeladen, of,
indien de drager kan worden heropgeladen, een limiet van
2 500 euro geldt voor het totaalbedrag van de verrichtingen
die in een kalenderjaar worden uitgevoerd. De artikelen 7
en 8 zijn echter wel van toepassing indien de houder van
elektronisch geld, met toepassing van artikel 58/2 van de wet
van 10 december 2009 betreffende de betalingsdiensten in
de loop van datzelfde kalenderjaar, de terugbetaling vraagt
van 1 000 euro of meer;”.
1° le 3° est remplacé par la disposition suivante “3° la
société anonyme de droit public bpost pour ses services
fi nanciers postaux ou l’émission de monnaie électronique;”;
2° au 4°ter, les mots “loi du 21 décembre 2009 relative au
statut des établissements de paiement, à l’accès à l’activité
de prestataire de services de paiement et à l’accès aux
systèmes de paiement” sont remplacés par les mots “loi du
21 décembre 2009 relative au statut des établissements de
paiement et des établissements de monnaie électronique, à
l’accès à l’activité de prestataire de services de paiement,
à l’activité d’émission de monnaie électronique et à l’accès
aux systèmes de paiement”;
3° il est inséré un 4°quater rédigé comme suit:
“4°quater. a) les émetteurs de monnaie électronique visés à
l’article 59, 4° et 5° de la loi du 21 décembre 2009 relative au
statut des établissements de paiement et des établissements
de monnaie électronique, à l’accès à l’activité de prestataire
de services de paiement, à l’activité d’émission de monnaie
électronique et à l’accès aux systèmes de paiement;
b) les établissements de monnaie électronique de droit
belge;
c) les succursales établies en Belgique d’établissements
de monnaie électronique visés au Livre 3, Titre 2 de cette loi;
d) les établissements exemptés visés à l’article 105 de
cette même loi;
e) les établissements de monnaie électronique relevant du
droit d’un autre État membre de l’Espace économique euro-
péen qui émettent en Belgique de la monnaie électronique
par le biais d’une personne qui y est établie et qui représente
l’établissement à cette fi n.”.
Art. 98
Dans l’article 11, § 2, de la même loi, le 4° est remplacé
par ce qui suit:
“l’émission de monnaie électronique au sens de l’article 4,
33° de la loi du 21 décembre 2009 relative au statut des éta-
blissements de paiement et des établissements de monnaie
électronique, à l’accès à l’activité de prestataire de services
de paiement, à l’activité d’émission de monnaie électronique
et à l’accès aux systèmes de paiement, pour autant que la
capacité maximale de chargement électronique du support
ne soit pas supérieure à 250 euros si le support ne peut être
rechargé ou, si le support peut être rechargé, pour autant
qu’une limite de 2 500 euros soit fi xée pour le montant total
des transactions dans une année civile. Toutefois, les articles
7 et 8 s’appliquent lorsque le détenteur de monnaie électro-
nique demande le remboursement d’au moins 1 000 euros
au cours de la même année civile en application de l’article
58/2 de la loi du 10 décembre 2009 relative aux services de
paiement;”.
DOC 53 2432/001
113
2431/001
DOC 53
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 3 e L É G I S L A T U R E
K AMER 3e Z ITTING VAN DE 53e Z ITTING S P E RIO DE
2011
2012
Art. 99
In artikel 18 van dezelfde wet wordt een lid ingevoegd,
luidende:
“In de gevallen beoeld in artikel 2, § 1, 4ter, c) en 4quater, e)
moet een voor de toepassing van deze wet verantwoordelijke
persoon in België zijn gevestigd.”.
Afdeling 3
Wijzigingen in de wet van 22 maart 1993 op het statuut van
en het toezicht op de kredietinstellingen
Art. 100
In artikel 1 van de wet van 22 maart 1993 op het statuut
van en het toezicht op de kredietinstellingen, gewijzigd bij de
wet van 25 februari 2003, worden de volgende wijzigingen
aangebracht:
1° Het tweede lid, gewijzigd bij de wet van 25 februari 2003,
wordt vervangen als volgt:
“Onder kredietinstelling wordt verstaan, een Belgische
of buitenlandse onderneming waarvan de werkzaamheden
bestaan in het van het publiek in ontvangst nemen van
gelddeposito’s of van andere terugbetaalbare gelden en het
verlenen van kredieten voor eigen rekening.”.
2° Het derde lid wordt opgeheven.
Art. 101
In artikel 2 van dezelfde wet, gewijzigd bij het koninklijk
besluit van 3 maart 2011, worden de volgende wijzigingen
aangebracht:
1° in paragraaf 1, 1° worden de woorden “De Post (Post-
cheque)” vervangen door de woorden “de naamloze ven-
nootschap van publiek recht bpost”;
2° paragraaf 2, ingevoegd bij de wet van 25 februari 2003,
wordt opgeheven.
Art. 102
In artikel 3 van dezelfde wet worden de volgende wijzigin-
gen aangebracht:
a) in paragraaf 1, 5°, worden de woorden “werkzaamheden
als vermeld in de punten 2 tot 12 van de lijst in § 2 van dit
artikel” vervangen door de woorden “werkzaamheden als
vermeld in de punten 2 tot 12 en 15 van de lijst in paragraaf
2 van dit artikel”;
b) in paragraaf 1 wordt de bepaling onder 7°, ingevoegd
bij de wet van 25 februari 2003, opgeheven;
Art. 99
Dans l’article 18 de la même loi, il est ajouté un alinéa
rédigé comme suit:
“Dans les cas visés à l’article 2, § 1er, 4ter, c) et 4 quater,
e), une personne responsable de l’application de la présente
loi doit être établie en Belgique.”.
Section 3
Modifications de la loi du 22 mars 1993 relative au statut et
au contrôle des établissements de crédit
Art. 100
Dans l’article 1er de la loi du 22 mars 1993 relative au statut
et au contrôle des établissements de crédit, modifi é par la loi
du 25 février 2003, les modifi cations suivantes sont apportées:
1° L’alinéa 2, modifi é par la loi du 25 février 2003, est
remplacé par ce qui suit:
“Sont défi nies comme établissement de crédit les entre-
prises belges ou étrangères dont l’activité consiste à recevoir
du public des dépôts d’argent ou d’autres fonds rembour-
sables et à octroyer des crédits pour leur propre compte.”.
2° L’alinéa 3 est abrogé.
Art. 101
Dans l’article 2 de la même loi, modifi é par l’arrêté royal
du 3 mars 2011, les modifi cations suivantes sont apportées:
1° au paragraphe 1er, 1°, les mots “La Poste (Postchèque)”
sont remplacés par les mots “la société anonyme de droit
public bpost”;
2° le paragraphe 2, inséré par la loi du 25 février 2003,
est abrogé.
Art. 102
Dans l’article 3 de la même loi, les modifi cations suivantes
sont apportées:
a) dans le paragraphe 1er, 5°, les mots “activités visées aux
points 2 à 12 de la liste reprise au paragraphe 2 du présent
article” sont remplacés par les mots “activités visées aux
points 2 à 12 et 15 de la liste reprise au paragraphe 2 du
présent article”;
b) dans le paragraphe 1er, le 7°, inséré par la loi du 25 fé-
vrier 2003, est abrogé;
DOC 53 2432/001
114
2431/001
DOC 53
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 3 e L É G I S L A T U R E
K AMER 3e Z ITTING VAN DE 53e Z ITTING S P E RIO DE
2011
2012
c) in paragraaf 2, 4) worden de woorden “wet van 21 de-
cember 2009 op het statuut van de betalingsinstellingen, de
toegang tot het bedrijf van betalingsdienstaanbieder en de
toegang tot betalingssystemen” vervangen door de woorden
“wet van 21 december 2009 betreffende het statuut van de
betalingsinstellingen, de toegang tot het bedrijf van beta-
lingsdienstaanbieder en de toegang tot betalingssystemen,
en van andere wetgeving die betrekking heeft op het statuut
van de betalingsinstellingen en van de instellingen voor
elektronisch geld.”;
d) in paragraaf 2 wordt het eerste lid aangevuld met de
bepaling onder 15), luidende: “Uitgifte van elektronisch geld”.
Art. 103
In Titel I van dezelfde wet wordt Hoofdstuk IIIbis, dat de
artikelen 5bis tot 5quater bevat, ingevoegd bij de wet van
25 februari 2009, opgeheven.
Art. 104
In artikel 6 van dezelfde wet worden de volgende wijzigin-
gen aangebracht:
1° in paragraaf 1, eerste lid, gewijzigd bij de wetten van
20 maart 1996 en 25 februari 2003, worden de woorden
“instelling voor elektronisch geld” geschrapt;
2° paragraaf 2, ingevoegd bij de wet van 25 februari 2003,
wordt opgeheven.
Art. 105
In artikel 41, eerste lid, van dezelfde wet, gewijzigd bij de
wetten van 25 februari 2003 en 19 november 2004, worden
de woorden “die geen instelling voor elektronisch geld zijn”
geschrapt.
Art. 106
In artikel 43, § 1, eerste lid van dezelfde wet, vervangen bij
de wet van 15 mei 2007 en gewijzigd bij het koninklijk besluit
van 3 maart 2011, wordt de bepaling onder b) opgeheven.
Art. 107
In artikel 57, paragraaf 1, tweede lid, 2°, gewijzigd bij het
koninklijk besluit van 3 maart 2011, wordt de eerste zin aan-
gevuld met de woorden “; deze schorsing kan, in de door de
Bank bepaalde mate, de volledige of gedeeltelijke schorsing
van de uitvoering van de lopende overeenkomsten tot gevolg
hebben”;
c) dans le paragraphe 2, 4) les mots “loi du 21 dé-
cembre 2009 relative au statut des établissements de
paiement, à l’accès à l’activité de prestataire de services
de paiement et à l’accès aux systèmes de paiement” sont
remplacés par les mots “loi du 21 décembre 2009 relative au
statut des établissements de paiement, à l’accès à l’activité de
prestataire de services de paiement et à l’accès aux systèmes
de paiement et d’autres législations dans la mesure où elles
sont relatives au statut des établissements de paiement et
des établissements de monnaie électronique.”;
d) dans le paragraphe 2, l’alinéa 1er est complété par le
15) rédigé comme suit: “Emission de monnaie électronique”.
Art. 103
Dans le Titre Ier de la même loi, le Chapitre IIIbis, com-
portant les articles 5bis à 5quater, inséré par la loi du
25 février 2009, est abrogé.
Art. 104
Dans l’article 6 de la même loi, les modifi cations suivantes
sont apportées:
1° dans le paragraphe 1er, alinéa 1er, modifi é par les lois
des 20 mars 1996 et 25 février 2003, les mots “établissement
de monnaie électronique”, sont abrogés;
2° le paragraphe 2, inséré par la loi du 25 février 2003,
est abrogé.
Art. 105
Dans l’article 41, alinéa 1er de la même loi, modifi é par
les lois des 25 février 2003 et 19 novembre 2004, les mots
“autres que les établissements de monnaie électronique”
sont abrogés.
Art. 106
Dans l’article 43, § 1er, alinéa 1er de la même loi, remplacé
par la loi du 15 mai 2007 et modifi é par l’arrêté royal du
3 mars 2011, le b) est abrogé.
Art. 107
Dans l’article 57, paragraphe 1er, alinéa 2, 2°, modifi é par
l’arrêté royal du 3 mars 2011, la première phrase est com-
plétée par les mots “; cette suspension peut, dans la mesure
déterminée par la Banque, impliquer la suspension totale ou
partielle de l’exécution des contrats en cours”;
DOC 53 2432/001
115
2431/001
DOC 53
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 3 e L É G I S L A T U R E
K AMER 3e Z ITTING VAN DE 53e Z ITTING S P E RIO DE
2011
2012
Art. 108
In dezelfde wet wordt Titel IIbis, ingevoegd bij de wet van
25 februari 2003, die de artikelen 64bis tot 64quinquies bevat,
opgeheven.
Art. 109
Artikel 66bis van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van
25 februari 2003 en gewijzigd bij de wet van 19 novem-
ber 2004, wordt opgeheven.
Art. 110
In Titel IV van dezelfde wet wordt Hoofdstuk V, dat artikel
84bis bevat, ingevoegd bij de wet van 25 februari 2003,
opgeheven.
Art. 111
In artikel 104, § 1, 1° van dezelfde wet, gewijzigd bij het
koninklijk besluit van 3 maart 2011, worden de woorden “artikel
5bis overtreedt of” geschrapt.
Art. 112
In artikel 110bis2, § 2 van dezelfde wet wordt het tweede
lid, ingevoegd bij de wet van 25 februari 2003, opgeheven.
Art. 113
Artikel 152quater van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet
van 25 februari 2003, wordt opgeheven.
Afdeling 4
Wijzigingen in de wet van 22 februari 1998 tot vaststelling
van het organiek statuut van de Nationale Bank van België
Art. 114
In artikel 36/1 van de wet van 22 februari 1998 tot vaststel-
ling van het organiek statuut van de Nationale Bank van
België, ingevoegd bij het koninklijk besluit van 3 maart 2011
betreffende de evolutie van de toezichtsarchitectuur voor
de fi nanciële sector, worden de volgende wijzigingen aan-
gebracht:
a) de bepaling onder 4° wordt vervangen als volgt:
“4° “instelling voor elektronisch geld”: een instelling als
bedoeld in artikel 4, 31°, van de wet van 21 december 2009
op het statuut van de betalingsinstellingen en van de instel-
lingen voor elektronisch geld, de toegang tot het bedrijf van
Art. 108
Dans la même loi, le Titre IIbis, inséré par la loi du 25 fé-
vrier 2003, comportant les articles 64bis à 64quinquies est
abrogé.
Art. 109
L’article 66bis de la même loi, inséré par la loi du 25 fé-
vrier 2003 et modifi é par la loi du 19 novembre 2004, est
abrogé.
Art. 110
Dans le Titre IV de la même loi, le Chapitre V, comportant
l’article 84bis, inséré par la loi du 25 février 2003, est abrogé.
Art. 111
Dans l’article 104, § 1er, 1° de la même loi, modifi é par
l’arrêté royal du 3 mars 2011, les mots “qui contreviennent à
l’article 5bis ou” sont abrogés.
Art. 112
Dans l’article 110bis2, § 2 de la même loi, l’alinéa 2, inséré
par la loi du 25 février 2003, est abrogé.
Art. 113
L’article 152quater de la même loi, inséré par la loi du
25 février 2003, est abrogé.
Section 4
Modifications de la loi du 22 février 1998 fixant le statut
organique de la Banque nationale de Belgique
Art. 114
Dans l’article 36/1 de la loi du 22 février 1998 fi xant le statut
organique de la Banque Nationale de Belgique, inséré par
l’arrêté royal du 3 mars 2011 mettant en œuvre l’évolution des
structures de contrôle du secteur fi nancier, les modifi cations
suivantes sont apportées:
a) le 4° est remplacé par ce qui suit:
“4° “établissement de monnaie électronique”: tout établis-
sement visé à l’article 4, 31° de la loi du 21 décembre 2009
relative au statut des établissements de paiement et des éta-
blissements de monnaie électronique, à l’accès à l’activité de
DOC 53 2432/001
116
2431/001
DOC 53
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 3 e L É G I S L A T U R E
K AMER 3e Z ITTING VAN DE 53e Z ITTING S P E RIO DE
2011
2012
betalingsdienstaanbieder en tot de activiteit van uitgifte van
elektronisch geld en de toegang tot betalingssystemen;
b) in de bepaling onder 9° worden de woorden “betreffende
het statuut van de betalingsinstellingen, toegang tot het bedrijf
van betalingsdienstenaanbieder en de toegang tot betalings-
systemen” vervangen door de woorden “op het statuut van de
betalingsinstellingen en van de instellingen voor elektronisch
geld, de toegang tot het bedrijf van betalingsdienstaanbieder
en tot de activiteit van uitgifte van elektronisch geld en de
toegang tot betalingssystemen”.
Art. 115
In artikel 36/2, eerste lid van dezelfde wet, ingevoegd bij het
koninklijk besluit van 3 maart 2011 betreffende de evolutie van
de toezichtsarchitectuur voor de fi nanciële sector, worden de
woorden “met inbegrip van de instellingen voor elektronisch
geld,” geschrapt en worden de woorden “en de betalingsinstel-
lingen” vervangen door de woorden “, de betalingsinstellingen
en de instellingen voor elektronisch geld”.
Art. 116
Artikel 36/14, paragraaf 1 van dezelfde wet, ingevoegd bij
het koninklijk besluit van 3 maart 2011 betreffende de evolutie
van de toezichtsarchitectuur voor de fi nanciële sector, wordt
aangevuld met de bepaling onder 17°, luidende;
“17° ambtenaren aangesteld door de minister bevoegd
voor Economische Zaken, die, in het kader van hun opdracht
bedoeld in artikel 72 van de wet van 10 december 2009,
bevoegd zijn om inbreuken gepleegd op de bepalingen van
de artikelen 58/1, 58/2 en 58/3 van dezelfde wet op te sporen
en vast te stellen.”.
Afdeling 5
Wijzigingen in de wet van 16 juni 2006 op de openbare
aanbieding van beleggingsinstrumenten en de toelating
van beleggingsinstrumenten tot de verhandeling op een
gereglementeerde markt
Art. 117
In artikel 68bis, eerste lid, 1° van de wet van 16 juni 2006
op de openbare aanbieding van beleggingsinstrumenten en
de toelating van beleggingsinstrumenten tot de verhandeling
op een gereglementeerde markt, ingevoegd bij het koninklijk
besluit van 3 maart 2011 betreffende de evolutie van de
toezichtsarchitectuur voor de fi nanciële sector, worden de
woorden “, met uitzondering van de instellingen voor elektro-
nisch geld” geschrapt.
prestataire de services de paiement, à l’activité d’émission de
monnaie électronique et à l’accès aux systèmes de paiement;
b) dans le 9°, les mots “, à l’accès à l’activité de prestataire
de services de paiement et à l’accès aux systèmes de paie-
ment” sont remplacés par les mots “et des établissements
de monnaie électronique, à l’accès à l’activité de prestataire
de services de paiement, à l’activité d’émission de monnaie
électronique et à l’accès aux systèmes de paiement”.
Art. 115
Dans l’article 36/2, alinéa 1er de la même loi, inséré par
l’arrêté royal du 3 mars 2011 mettant en œuvre l’évolution des
structures de contrôle du secteur fi nancier, les mots “, en ce
compris les établissements de monnaie électronique” sont
abrogés et les mots “et des établissements de paiement” sont
remplacés par les mots “, des établissements de paiement et
des établissements de monnaie électronique”.
Art. 116
L’article 36/14, paragraphe 1er de la même loi, inséré par
l’arrêté royal du 3 mars 2011 mettant en œuvre l’évolution
des structures de contrôle du secteur fi nancier, est complété
par le 17° rédigé comme suit:
“17° aux agents commissionnés par le ministre ayant les
Affaires économiques dans ses attributions, compétents
pour rechercher et constater les infractions commises aux
dispositions des articles 58/1, 58/2 et 58/3 de la loi du 10 dé-
cembre 2009, dans le cadre de leur mission visée à l’article
72 de ladite loi.”.
Section 5
Modifications de la loi du 16 juin 2006 relative aux offres
publiques d’instruments de placement et aux admissions
d’instruments de placement à la négociation sur des
marchés réglementés.
Art. 117
Dans l’article 68bis, alinéa 1er, 1° de la loi du 16 juin 2006
relative aux offres publiques d’instruments de placement et
aux admissions d’instruments de placement à la négociation
sur des marchés réglementés, inséré par l’arrêté royal du
3 mars 2011 mettant en œuvre l’évolution des structures de
contrôle du secteur fi nancier, les mots “, à l’exception des
établissements de monnaie électronique” sont abrogés.
DOC 53 2432/001
117
2431/001
DOC 53
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 3 e L É G I S L A T U R E
K AMER 3e Z ITTING VAN DE 53e Z ITTING S P E RIO DE
2011
2012
Afdeling 6
Wijzigingen in de wet van 10 december 2009 betreffende
de betalingsdiensten
Art. 118
In artikel 2 van de wet van 10 december 2009 betreffende
de betalingsdiensten worden de volgende wijzigingen aan-
gebracht:
a) in punt 2°, eerste lid wordt de bepaling onder b) ver-
vangen als volgt: “b) de instellingen voor elektronisch geld
bedoeld in artikel 4, 31°, van de wet van 21 december 2009
op het statuut van de betalingsinstellingen en van de instel-
lingen voor elektronisch geld, de toegang tot het bedrijf van
betalingsdienstaanbieder en tot de activiteit van uitgifte van
elektronisch geld en de toegang tot betalingssystemen;”;
b) in punt 2°, tweede lid worden de woorden “of elektronisch
geld levert aan een houder van elektronisch geld” ingevoegd
tussen de woorden “aan betalingsdienstgebruikers” en de
woorden “zonder hiertoe over de nodige vergunning of toe-
lating te beschikken”;
c) artikel 2 wordt aangevuld met de bepalingen onder 29°,
30°, 31°, 32° en 33°, luidende:
“29° “elektronisch geld”: elektronisch, met inbegrip van
magnetisch, opgeslagen monetaire waarde vertegenwoordigd
door een vordering op de uitgever, die is uitgegeven in ruil voor
ontvangen geld om betalingstransacties te verrichten en die
wordt aanvaard door een andere natuurlijke of rechtspersoon
dan de uitgever van elektronisch geld;
30° “uitgever van elektronisch geld”: een uitgever van
elektronisch geld als bedoeld in artikel 4, 32° van de wet van
21 december 2009 op het statuut van de betalingsinstellingen
en van de instellingen voor elektronisch geld, de toegang tot
het bedrijf van betalingsdienstaanbieder en tot de activiteit
van uitgifte van elektronisch geld en de toegang tot beta-
lingssystemen;
31° “instelling voor elektronisch geld”: een instelling voor
elektronisch geld als bedoeld in artikel 4, 31° van dezelfde wet;
32° “houder van elektronisch geld”: een natuurlijke of
rechtspersoon die geld overhandigt aan een uitgever van
elektronisch geld in ruil voor de uitgifte van elektronisch geld
door die uitgever;
33° “wet van 21 december 2009”: wet van 21 decem-
ber 2009 op het statuut van de betalingsinstellingen en van de
instellingen voor elektronisch geld, de toegang tot het bedrijf
van betalingsdienstaanbieder en tot de activiteit van uitgifte
van elektronisch geld en de toegang tot betalingssystemen.”.
Section 6
Modifications de la loi du 10 décembre 2009 relative aux
services de paiement
Art. 118
Dans l’article 2 de la loi du 10 décembre 2009 relative
aux services de paiement, les modifi cations suivantes sont
apportées:
a) dans le point 2°, alinéa 1er, le b) est remplacé par ce qui
suit: “b) les établissements de monnaie électronique tels que
visés à l’article 4, 31° de la loi du 21 décembre 2009 relative au
statut des établissements de paiement et des établissements
de monnaie électronique, à l’accès à l’activité de prestataire
de services de paiement, à l’activité d’émission de monnaie
électronique et à l’accès aux systèmes de paiement;”;
b) dans le point 2°, alinéa 2, les mots “ou remet de la mon-
naie électronique à un détenteur de monnaie électronique”
sont insérés entre les mots “à un utilisateur de services de
paiement” et les mots “sans disposer d’un agrément”;
c) l’article 2 est complété par les 29°; 30°, 31°, 32°et 33°,
rédigés comme suit:
“29° “monnaie électronique”: une valeur monétaire qui est
stockée sous une forme électronique, y compris magnétique,
représentant une créance sur l’émetteur, qui est émise contre
la remise de fonds aux fi ns d’opérations de paiement et qui
est acceptée par une personne physique ou morale autre que
l’émetteur de monnaie électronique;
30° “émetteur de monnaie électronique”: l’émetteur de
monnaie électronique tel que visé à l’article 4, 32° de la loi
du 21 décembre 2009 relative au statut des établissements
de paiement et des établissements de monnaie électronique,
à l’accès à l’activité de prestataire de services de paiement,
à l’activité d’émission de monnaie électronique et à l’accès
aux systèmes de paiement;
31° “établissement de monnaie électronique”: l’établisse-
ment de monnaie électronique tel que visé à l’article 4, 31°
de la même loi;
32° “détenteur de monnaie électronique”: une personne
physique ou morale qui remet des fonds à un émetteur de
monnaie électronique en échange de l’émission de monnaie
électronique par cet émetteur;
33° “loi du 21 décembre 2009”: la loi du 21 décembre 2009
relative au statut des établissements de paiement et des éta-
blissements de monnaie électronique, à l’accès à l’activité
de prestataire de services de paiement, à l’activité d’émis-
sion de monnaie électronique et à l’accès aux systèmes de
paiement.”.
DOC 53 2432/001
118
2431/001
DOC 53
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 3 e L É G I S L A T U R E
K AMER 3e Z ITTING VAN DE 53e Z ITTING S P E RIO DE
2011
2012
Art. 119
Artikel 3 van dezelfde wet wordt aangevuld met een para-
graaf 3, luidende:
“§ 3. Deze wet is ook van toepassing op de uitgifte en
terugbetaalbaarheid van elektronisch geld door uitgevers
van elektronisch geld.”.
Art. 120
In artikel 44, § 2, tweede lid van dezelfde wet worden de
woorden “Europese Unie” vervangen door de woorden “EER”.
Art. 121
In artikel 64, 11° van dezelfde wet worden de woorden “37,
§§ 1 tot 4” vervangen door de woorden “37, §§ 1 tot 3”.
Art. 122
In dezelfde wet wordt een Titel III/1 ingevoegd, luidende:
“Titel III/1. — Uitgifte en terugbetaalbaarheid van elektro-
nisch geld”.
Art. 123
In Titel III/1, ingevoegd bij artikel 122, wordt een Hoofdstuk
1 ingevoegd, luidende:
“Hoofdstuk 1 — Uitgifte en terugbetaalbaarheid”.
Art. 124
In Hoofdstuk 1, ingevoegd bij artikel 123, worden de arti-
kelen 58/1 en 58/2 ingevoegd, luidende:
“Art. 58/1. Uitgevers van elektronisch geld geven elektro-
nisch geld uit tegen de nominale waarde, in ruil voor ont-
vangen geld.
Art. 58/2. § 1. Uitgevers van elektronisch geld betalen de
nominale monetaire waarde van het aangehouden elektro-
nisch geld op elk ogenblik terug wanneer de houder van het
elektronisch geld daarom verzoekt.
§ 2. De terugbetalingsvoorwaarden, met inbegrip van
de eventuele vergoeding die hiermee samenhangt, worden
duidelijk en opvallend vermeld in de overeenkomst tussen de
uitgever van elektronisch geld en de houder van elektronisch
geld, en de houder van het elektronisch geld wordt in kennis
gesteld van deze voorwaarden voordat hij wordt gebonden
door een overeenkomst of een aanbod.
Art. 119
L’article 3, de la même loi, est complété par le paragraphe
3, rédigé comme suit:
“§ 3. La présente loi est également applicable à l’émission
et au remboursement de la monnaie électronique par des
émetteurs de monnaie électronique”.
Art. 120
Dans l’article 44, § 2, alinéa 2, de la même loi, les mots
“Union Européenne” sont remplacés par les mots “EEE”.
Art. 121
Dans l’article 64, 11°, de la même loi, les mots “37, §§ 1er
à 4” sont remplacés par les mots “37, §§ 1er à 3”.
Art. 122
Dans la même loi, il est inséré un Titre III/1, rédigé comme
suit:
“Titre III/1. — Emission et remboursement de la monnaie
électronique”.
Art. 123
Dans le Titre III/1, inséré par l’article 122, il est inséré un
Chapitre 1er, rédigé comme suit:
“Chapitre 1er — Emission et remboursement”.
Art. 124
Dans le Chapitre 1er, inséré par l’article 123, sont insérés
les articles 58/1 et 58/2, rédigés comme suit:
“Art. 58/1. Les émetteurs de monnaie électronique émettent
de la monnaie électronique à la valeur nominale contre la
remise de fonds.
Art. 58/2. § 1er. Les émetteurs de monnaie électronique
remboursent, à la demande du détenteur de monnaie élec-
tronique, à tout moment et à la valeur nominale, la valeur
monétaire de la monnaie électronique détenue.
§ 2. Le contrat conclu entre l’émetteur de monnaie élec-
tronique et le détenteur de monnaie électronique établit clai-
rement et de façon bien visible les conditions de rembourse-
ment, y compris les frais éventuels y afférents, et le détenteur
de monnaie électronique est informé de ces conditions avant
qu’il ne soit lié par un contrat ou une offre.
DOC 53 2432/001
119
2431/001
DOC 53
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 3 e L É G I S L A T U R E
K AMER 3e Z ITTING VAN DE 53e Z ITTING S P E RIO DE
2011
2012
§ 3. Le remboursement ne peut donner lieu au prélèvement
de frais que si le contrat le prévoit conformément au para-
graphe 2 et uniquement dans un des cas suivants:
a) le remboursement est demandé avant l’expiration du
contrat;
b) le contrat spécifi e une date d’expiration et le détenteur de
monnaie électronique a mis fi n au contrat avant cette date, ou
c) le remboursement est demandé plus d’un an après la
date d’expiration du contrat.
Le montant des frais doit être proportionné et en rapport
avec les coûts réels supportés par l’émetteur de monnaie
électronique.
Le Roi peut déterminer les critères permettant d’établir les
coûts réels supportés par l’émetteur de monnaie électronique.
§ 4. Lorsque le remboursement est demandé avant l’expi-
ration du contrat, le détenteur de monnaie électronique peut
demander le remboursement de la monnaie électronique en
tout ou en partie.
§ 5. Lorsque le remboursement est demandé par le déten-
teur de monnaie électronique à la date d’expiration du contrat
ou dans un délai d’un an après celle-ci:
a) la valeur monétaire totale de la monnaie électronique
détenue est remboursée; ou
b) lorsque l’établissement de monnaie électronique exerce
une ou plusieurs activités conformément à l’article 77, § 1er,
de la loi du 21 décembre 2009 et que la proportion des fonds
qui seront utilisés sous forme de monnaie électronique n’est
pas connue à l’avance, tous les fonds dont le remboursement
est demandé par le détenteur de monnaie électronique sont
remboursés.
§ 6. Nonobstant les paragraphes 3 à 5, le droit au rembour-
sement des personnes, autres que les consommateurs, qui
acceptent de la monnaie électronique est soumis à l’accord
contractuel entre les émetteurs de monnaie électronique et
ces personnes.”.
Art. 125
Dans le Titre III/1, inséré par l’article 122, il est inséré un
Chapitre 2, rédigé comme suit:
“Chapitre 2 — Interdiction des intérêts”.
Art. 126
Dans le Chapitre 2, inséré par l’article 125, il est inséré un
article 58/3, rédigé comme suit:
§ 3. Voor terugbetaling kan er enkel een vergoeding in
rekening worden gebracht indien dit in de overeenkomst is
vermeld overeenkomstig paragraaf 2, en enkel in een van de
volgende gevallen:
a) indien er om terugbetaling wordt gevraagd vóór de
overeenkomst is beëindigd;
b) indien de overeenkomst voorziet in een beëindigingsda-
tum en de houder van het elektronisch geld de overeenkomst
vóór deze datum beëindigt, of
c) indien er meer dan een jaar na de beëindiging van de
overeenkomst om terugbetaling wordt gevraagd.
Dergelijke vergoeding staaat in verhouding tot de werkelijke
kosten die de uitgever van elektronisch geld heeft gemaakt.
De Koning kan de criteria vastleggen die toelaten de wer-
kelijke kosten te bepalen die de uitgever van elektronisch geld
in aanmerking kan nemen.
§ 4. Indien er om terugbetaling wordt gevraagd vóór
de beëindiging van de overeenkomst, kan de houder van
elektronisch geld verzoeken om de gedeeltelijke of volledige
terugbetaling van het elektronisch geld.
§ 5. Wanneer de houder van het elektronisch geld om
terugbetaling vraagt op de datum van beëindiging van de
overeenkomst of binnen een termijn van een jaar na die datum:
a) wordt de volledige monetaire waarde van het aange-
houden elektronisch geld terugbetaald; of
b) worden alle middelen terugbetaald waarom de houder
van het elektronisch geld verzoekt, indien de instelling voor
elektronisch geld een of meer activiteiten uitoefent conform
artikel 77, § 1, van de wet van 21 december 2009 en het op
voorhand niet geweten is welk deel van de middelen zal
worden gebruikt als elektronisch geld.
§ 6. Niettegenstaande de paragrafen 3 tot 5, is het recht
op terugbetaling van personen die elektronisch geld aan-
vaarden en die geen consumenten zijn, vastgelegd in een
contractueel beding tussen de uitgevers van elektronisch
geld en die personen.”.
Art. 125
In Titel III/1, ingevoegd bij artikel 122, wordt een Hoofdstuk
2 ingevoegd, luidende:
“Hoofdstuk 2 — Verbod op rente”.
Art. 126
In Hoofdstuk 2, ingevoegd bij artikel 125, wordt een artikel
58/3 ingevoegd, luidende:
DOC 53 2432/001
120
2431/001
DOC 53
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 3 e L É G I S L A T U R E
K AMER 3e Z ITTING VAN DE 53e Z ITTING S P E RIO DE
2011
2012
“Art. 58/3. Uitgevers van elektronisch geld mogen geen
rente of andere voordelen toekennen die samenhangen met
de lengte van de periode gedurende dewelke een houder van
elektronisch geld het elektronisch geld aanhoudt.”.
Art. 127
In dezelfde wet wordt een artikel 63/1 ingevoegd, luidende:
“Artikel 63/1. Bij niet-naleving door de uitgever van elektro-
nisch geld van de verplichtingen voortvloeiend uit artikel 58/2,
en onverminderd de gemeenrechtelijke sancties:
— wordt de houder van elektronisch geld van rechtswege
ontslagen van de eventuele vergoeding die samenhangt met
de terugbetaling;
— kan de houder van elektronisch geld, de overeenkomst
elektronisch geld, en in voorkomend geval de raamovereen-
komst inzake betalingsdiensten, met een gemotiveerd ter post
aangetekend schrijven zonder kosten of boete onmiddellijk
opzeggen vanaf het ogenblik dat hij kennis had of hoorde te
hebben van de niet-nageleefde verplichtingen.”.
Art. 128
Artikel 64 van dezelfde wet wordt aangevuld met de bepa-
ling onder 20°, luidende:
“20° van de artikelen 58/1 tot 58/3, die betrekking hebben
op de uitgifte van elektronisch geld, de terugbetaalbaarheid
van elektronisch geld en het verbod op rente.”.
Art. 129
In artikel 71 van dezelfde wet worden de woorden “een
betalingsdienstaanbieder een of meerdere bepalingen van
deze wet niet naleeft delen zij deze vaststellingen mee, aan de
toezichthoudende autoriteit die de toelating heeft verleend om
betalingsdiensten aan te bieden” vervangen door de woorden
“een betalingsdienstaanbieder of een uitgever van elektro-
nisch geld een of meer bepalingen van deze wet niet naleeft,
delen zij deze vaststellingen mee aan de toezichthoudende
autoriteit die de vergunning heeft verleend om betalingsdiens-
ten aan te bieden of elektronisch geld uit te geven.”
Art. 130
In artikel 75 van dezelfde wet worden de volgende wijzi-
gingen aangebracht:
1° Het eerste lid wordt vervangen als volgt:
“Om de eventuele geschillen te regelen die voortvloeien uit
deze wet en uit Verordening nr. 924/2009 van het Europees
“Art. 58/3. Les émetteurs de monnaie électronique ne
peuvent octroyer des intérêts ou tout autre avantage liés à la
durée pendant laquelle le détenteur de monnaie électronique
détient de la monnaie électronique.”.
Art. 127
Dans la même loi, il est inséré un article 63/1 rédigé
comme suit:
“Article 63/1. En cas de non-respect par l’émetteur de
monnaie électronique des obligations qui découlent de l’article
58/2 et sans préjudice des sanctions de droit commun:
— le détenteur de monnaie électronique est dispensé de
plein droit du paiement des frais éventuels liés au rembour-
sement;
— le détenteur de monnaie électronique peut résilier sans
délai et sans frais ni pénalité, par lettre recommandée à la
poste et motivée, le contrat de monnaie électronique et, le cas
échéant, le contrat-cadre en matière de services de paiement,
à partir du moment où il a connaissance ou aurait dû avoir
connaissance du non-respect de ses obligations.”.
Art. 128
L’article 64 de la même loi est complété par le 20° rédigé
comme suit:
“20° des articles 58/1 à 58/3 relatifs à l’activité d’émis-
sion de monnaie électronique, au caractère remboursable
de la monnaie électronique et à l’interdiction d’octroyer des
intérêts.”.
Art. 129
Dans l’article 71 de la même loi, les mots “un prestataire
de services de paiement ne respecte pas une ou plusieurs
dispositions de la présente loi, ils communiquent ces consta-
tations à l’autorité de contrôle qui a accordé l’autorisation
d’offrir des services de paiement”, sont remplacés par les
mots “un prestataire de services de paiement ou un émetteur
de monnaie électronique ne respecte pas une ou plusieurs
dispositions de la présente loi, ils communiquent ces consta-
tations à l’autorité de contrôle qui a accordé l’agrément per-
mettant d’offrir des services de paiement ou d’émettre de la
monnaie électronique.”
Art. 130
Dans l’article 75 de la même loi, les modifi cations suivantes
sont apportées
1° L’alinéa 1er est remplacé par ce qui suit:
“Afi n de régler les éventuels litiges découlant de la présente
loi et du Règlement 924/2009 du Parlement européen et du
DOC 53 2432/001
121
2431/001
DOC 53
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 3 e L É G I S L A T U R E
K AMER 3e Z ITTING VAN DE 53e Z ITTING S P E RIO DE
2011
2012
Conseil du 16 septembre 2009 concernant les paiements
transfrontaliers dans la Communauté et abrogeant le Règle-
ment (CE) n° 2560/2001, relatifs aux droits et obligations entre
respectivement les utilisateurs de services de paiement, les
détenteurs de monnaie électronique et leurs prestataires de
services de paiement, leurs émetteurs de monnaie électro-
nique, ces derniers instituent une procédure adaptée de traite-
ment de plaintes où les décisions, rendues par un organisme
indépendant, peuvent être acceptées respectivement par les
prestataires de services de paiement et par les émetteurs de
monnaie électronique.”;
2° Entre le premier et le dernier alinéa, sont insérés deux
alinéas, rédigés comme suit:
“Le prestataire de services de paiement ou l’émetteur de
monnaie électronique, doit soit avoir adhéré à un tel système
de traitement des plaintes, soit être membre d’une association
professionnelle qui a adhéré à un tel système. Il doit contribuer
au fi nancement dudit système.
Le Roi peut créer un système extrajudiciaire de traitement
des plaintes dont la mission est de contribuer à résoudre les
litiges entre respectivement, d’une part, les prestataires de
services de paiement et les émetteurs de monnaie électro-
nique et, d’autre part, les utilisateurs de services de paiement
et les détenteurs de monnaie électronique, et d’autres parties
intéressées, y compris les associations de consommateurs,
en donnant des conseils en la matière ou en agissant à titre
de médiateur.”;
3° Dans le dernier alinéa, les mots “ou le détenteur de
monnaie électronique” sont insérés entre les mots “l’utilisateur
de services de paiement” et les mots “est un consommateur”.
Section 7
Modifications de la loi du 28 juillet 2011 visant à transposer
diverses directives relatives au contrôle du secteur financier
et portant dispositions diverses
Art. 131
“Le délai prévu par l’article 34 de la loi du 28 juillet 2011
visant à transposer diverses directives relatives au contrôle
du secteur fi nancier et portant dispositions diverses, dans
lequel le Roi est habilité à prendre, par arrêté délibéré en
Conseil des Ministres, sur avis de la Banque Nationale de
Belgique et de l’Autorité des services et marchés fi nanciers,
les mesures nécessaires pour assurer la transposition des
dispositions qui résultent de directives européennes et qui
portent sur la défi nition des compétences de l’Autorité ban-
caire européenne, de l’Autorité européenne des assurances
et des pensions professionnelles et de l’Autorité européenne
des marchés fi nanciers, est prorogé au 31 décembre 2012.”.
Parlement en de Raad van 16 september 2009 betreffende
grensoverschrijdende betalingen in de Gemeenschap en
tot intrekking van de Verordening (EG) nr. 2560/2001 en die
betrekking hebben op de rechten en plichten tussen betalings-
dienstgebruikers en hun betalingsdienstaanbieders of tussen
houders van elektronisch geld en hun uitgevers van elektro-
nisch geld, stellen deze laatsten een aangepaste klachtenbe-
handelingsprocedure in, waarbij de beslissingen die door een
onafhankelijk organisme worden genomen, kunnen worden
aanvaard door respectievelijk de betalingsdienstaanbieders
en de uitgevers van elektronisch geld.”;
2° Tussen het eerste en het laatste lid worden twee leden
ingevoegd, luidende:
“De betalingsdienstaanbieder of de uitgever van elektro-
nisch geld dient ofwel zelf toegetreden te zijn tot een dergelijke
klachtenregeling, ofwel lid te zijn van een beroepsvereniging
die is toegetreden tot een dergelijke klachtenregeling. Hij
dient bij te dragen tot de fi nanciering van de betrokken klach-
tenregeling.
De Koning kan een buitengerechtelijke klachtenregeling
oprichten met als opdracht geschillen tussen respectieve-
lijk, enerzijds, betalingsdienstaanbieders en uitgevers van
elektronisch geld, en, anderzijds betalingsdienstgebruikers
en houders van elektronisch geld, en andere belanghebben-
den, met inbegrip van consumentenverenigingen, te helpen
oplossen, door hierover advies te verstrekken of op te treden
als bemiddelaar.”;
3° In het laatste lid worden de woorden “of de houder
van elektronisch geld” ingevoegd tussen de woorden “de
betalingsdienstgebruiker” en de woorden “een consument”.
Afdeling 7
Wijzigingen in de wet van 28 juli 2011 tot omzetting van
diverse richtlijnen betreffende het toezicht op de financiële
sector en houdende diverse bepalingen
Art. 131
“De termijn waarin is voorzien in artikel 34 van de wet van
28 juli 2011 tot omzetting van diverse richtlijnen betreffende het
toezicht op de fi nanciële sector en houdende diverse bepalin-
gen, waarin aan de Koning de machtiging wordt verleend om,
door middel van Koninklijk besluit vastgesteld na overleg in de
Ministerraad, op advies van de Nationale Bank van België en
de Autoriteit voor Financiële Diensten en Markten, de nodige
maatregelen te treffen ter omzetting van de bepalingen die
voortvloeien uit Europese richtlijnen en die betrekking hebben
op de bepaling van de bevoegdheden van de Europese
Bankautoriteit, de Europese Autoriteit voor verzekeringen en
bedrijfspensioenen en de Europese Autoriteit voor effecten
en markten, wordt verlengd tot 31 december 2012.”.
DOC 53 2432/001
122
2431/001
DOC 53
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 3 e L É G I S L A T U R E
K AMER 3e Z ITTING VAN DE 53e Z ITTING S P E RIO DE
2011
2012
HOOFDSTUK 2
Overgangsbepalingen en inwerkingtreding
Art. 132
“§ 1. De instellingen voor elektronisch geld die vóór de
inwerkingtreding van deze wet een vergunning hebben ver-
kregen in België, verkrijgen van rechtswege een vergunning
voor de toepassing van de bepalingen van Boek 3 van de wet
van 21 december 2009, die bij deze wet worden ingevoegd.
Zij worden opgenomen in de lijst bedoeld in artikel 64 van de
wet van 21 december 2009.
§ 2. De instellingen voor elektronisch geld die vóór de
inwerkingtreding van deze wet waren vrijgesteld, zijn van
rechtswege vrijgesteld voor de toepassing van de bepalingen
van Boek 3 van de wet van 21 december 2009, die bij deze wet
worden ingevoegd. Zij worden opgenomen in de lijst bedoeld
in artikel 64 van de wet van 21 december 2009.
§ 3. De instellingen voor elektronisch geld die een vergun-
ning hebben verkregen en de rechtspersonen die vrijgesteld
zijn, als bedoeld in de paragrafen 1 en 2, brengen onmiddellijk
ter kennis van de Nationale Bank van België welke van de
werkzaamheden bedoeld in artikel 77, § 2 van de wet van
21 december 2009, als ingevoegd bij deze wet, zij wensen
uit te oefenen.
Art. 133
Deze wet treedt in werking de dag waarop ze in het Bel-
gisch Staatsblad wordt bekendgemaakt.
CHAPITRE 2
Dispositions transitoires et entrée en vigueur
Art. 132
“§ 1er. Les établissements de monnaie électronique agréés
en Belgique avant l’entrée en vigueur de la présente loi sont de
plein droit agréés pour l’application des dispositions du Livre
3 de la loi du 21 décembre 2009, introduites par la présente
loi. Ils sont inscrits sur la liste visée à l’article 64 de la loi du
21 décembre 2009.
§ 2. Les établissements de monnaie électronique qui
bénéfi ciaient d’une exemption avant l’entrée en vigueur de
la présente loi sont exemptés de plein droit pour l’application
des dispositions du Livre 3 de la loi du 21 décembre 2009,
introduites par la présente loi. Ils sont inscrits sur la liste visée
à l’article 64 de la loi du 21 décembre 2009.
§ 3. Les établissements de monnaie électronique agréés et
les personnes morales exemptées visés aux paragraphes 1 et
2 notifi ent sans délai à la Banque nationale de Belgique les ac-
tivités visées à l’article 77, § 2 de la loi du 21 décembre 2009,
tel qu’introduit par la présente loi, qu’elles entendent exercer.
Art. 133
La présente loi entre en vigueur le jour de sa publication
au Moniteur belge.
2432/001
DOC 53
123
2431/001
DOC 53
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 3 e L É G I S L A T U R E
K AMER 3e Z ITTING VAN DE 53e Z ITTING S P E RIO DE
2011
2012
AVANT-PROJET DE LOI (II)
soumis à l’avis du Conseil d’État
Avant-projet de loi modifi ant la loi du 22 février 1998
fi xant le statut organique de la Banque Nationale de
Belgique
Article 1er
La présente loi règle une matière visée à l’article 77 de la
Constitution.
Elle assure notamment la transposition partielle de la
directive 2009/110/CE du Parlement européen et du Conseil
du 16 septembre 2009 concernant l’accès à l’activité des
établissements de monnaie électronique et son exercice ainsi
que la surveillance prudentielle de ces établissements, modi-
fi ant les directives 2005/60/CE et 2006/48/CE et abrogeant
la directive 2000/46/CE.
Art. 2
Dans l’article 36/22 de la loi du 22 février 1998 fi xant le
statut organique de la Banque Nationale de Belgique, inséré
par l’arrêté royal du 3 mars 2011 mettant en œuvre l’évolution
des structures de contrôle du secteur fi nancier, les modifi ca-
tions suivantes sont apportées:
a) dans le 19°, les mots “alinéa 3 de l’article 8 précité” sont
remplacés par les mots “alinéa 2 de l’article 8 précité”;
b) dans le 21°, les mots “en vertu de l’article 35, § 1er, alinéa
2, 1°, 2°, 3° et 4°” sont remplacés par les mots “en vertu de
l’article 35, § 1er, alinéa 2, 1°, 2°, 3°, 4° et 5°”;
c) l’article est complété par les 32°, 33° et 34° rédigés
comme suit:
“27° au demandeur d’agrément, contre les décisions prises
par la Banque en matière d’agrément en vertu de l’article 63
de la loi du 21 décembre 2009 relative au statut des établis-
sements de paiement et des établissements de monnaie
électronique, à l’accès à l’activité de prestataire de services
de paiement, à l’activité d’émission de monnaie électronique
et à l’accès aux systèmes de paiement. Un même recours
est ouvert au demandeur lorsque la Banque n’a pas statué
dans les délais fi xés à l’alinéa 2 de l’article 63 précité. Dans
ce dernier cas, le recours est traité comme s’il y avait eu rejet
de la demande;
28° à l’établissement de monnaie électronique, contre les
décisions prises par la Banque en vertu de l’article 75, alinéa
3, de la loi du 21 décembre 2009 relative au statut des éta-
blissements de paiement et des établissements de monnaie
électronique, à l’accès à l’activité de prestataire de services
VOORONTWERP VAN WET (II)
onderworpen aan het advies van de Raad van State
Voorontwerp van wet tot wijziging van de wet van
22 februari 1998 tot vaststelling van het organiek
statuut van de Nationale Bank van België
Artikel 1
Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel
77 van de Grondwet.
Zij heeft inzonderheid de gedeeltelijke omzetting tot doel
van Richtlijn 2009/110/EG van het Europees Parlement en de
Raad van 16 september 2009 betreffende de toegang tot, de
uitoefening van en het prudentieel toezicht op de werkzaam-
heden van instellingen voor elektronisch geld, tot wijziging van
de Richtlijnen 2005/60/EG en 2006/48/EG en tot intrekking
van Richtlijn 2000/46/EG.
Art. 2
In artikel 36/22 van de wet van 22 februari 1998 tot vaststel-
ling van het organiek statuut van de Nationale Bank van België,
ingevoegd bij het koninklijk besluit van 3 maart 2011 betref-
fende de evolutie van de toezichtsarchitectuur voor de fi nan-
ciële sector, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
a) in de bepaling onder 19° worden de woorden “derde
lid van het voormelde artikel 8” vervangen door de woorden
“tweede lid van het voormelde artikel 8”;
b) in de bepaling onder 21° worden de woorden “krachtens
artikel 35, § 1, tweede lid, 1°, 2°, 3° en 4°” vervangen door
de woorden “krachtens artikel 35, § 1, tweede lid, 1°, 2°, 3°,
4° en 5°”;
c) het artikel wordt aangevuld met de bepalingen onder
32°, 33° en 34°, luidende:
“27° door de aanvrager van een vergunning, tegen de
beslissingen inzake vergunning die de Bank heeft genomen
krachtens artikel 63 van de wet van 21 december 2009 op
het statuut van de betalingsinstellingen en van de instel-
lingen voor elektronisch geld, de toegang tot het bedrijf van
betalingsdienstaanbieder en tot de activiteit van uitgifte van
elektronisch geld en de toegang tot betalingssystemen.
Eenzelfde beroep kan door de aanvrager worden ingesteld
indien de Bank geen uitspraak heeft gedaan binnen de bij het
tweede lid van het voormelde artikel 63 vastgestelde termij-
nen. In dit laatste geval wordt het beroep behandeld als was
de aanvraag verworpen;
28° door de instelling voor elektronisch geld, tegen de
beslissingen die de Bank heeft genomen krachtens artikel
75, derde lid, van de wet van 21 december 2009 op het sta-
tuut van de betalingsinstellingen en van de instellingen voor
elektronisch geld, de toegang tot het bedrijf van betalingsdien-
2432/001
DOC 53
DOC 53
124
2431/001
DOC 53
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 3 e L É G I S L A T U R E
K AMER 3e Z ITTING VAN DE 53e Z ITTING S P E RIO DE
2011
2012
de paiement, à l’activité d’émission de monnaie électronique
et à l’accès aux systèmes de paiement;
29° à l’établissement de monnaie électronique, contre les
décisions prises par la Banque en vertu de l’article 87, § 1er,
alinéa 2, 1°, 2°, 3°, 4° et 5°, et contre les décisions équiva-
lentes prises en vertu de l’article 96 de la loi du 21 décembre
2009 relative au statut des établissements de paiement et
des établissements de monnaie électronique, à l’accès à
l’activité de prestataire de services de paiement, à l’activité
d’émission de monnaie électronique et à l’accès aux systèmes
de paiement. Le recours est suspensif de la décision et de
sa publication sauf si, en raison d’un péril grave pour les
détenteurs de monnaie électronique, la Banque a déclaré sa
décision exécutoire nonobstant recours.”.
Art. 3
La présente loi entre en vigueur le jour de sa publication
au Moniteur belge.
staanbieder en tot de activiteit van uitgifte van elektronisch
geld en de toegang tot betalingssystemen;
29° door de instelling voor elektronisch geld, tegen de
beslissingen die de Bank heeft genomen krachtens artikel 87,
§ 1, tweede lid, 1°, 2°, 3°, 4° en 5° en tegen de gelijkaardige
beslissingen genomen krachtens artikel 96 van de wet van
21 december 2009 op het statuut van de betalingsinstellingen
en van de instellingen voor elektronisch geld, de toegang tot
het bedrijf van betalingsdienstaanbieder en tot de activiteit
van uitgifte van elektronisch geld en de toegang tot beta-
lingssystemen. Het beroep schorst de beslissing en haar
bekendmaking, tenzij de Bank, bij ernstig gevaar voor de
houders van elektronisch geld, haar beslissing uitvoerbaar
heeft verklaard niettegenstaande elk beroep.”.
Art. 3
Deze wet treedt in werking de dag waarop ze in het Bel-
gisch Staatsblad wordt bekendgemaakt.
2432/001
DOC 53
125
2431/001
DOC 53
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 3 e L É G I S L A T U R E
K AMER 3e Z ITTING VAN DE 53e Z ITTING S P E RIO DE
2011
2012
AVIS DU CONSEIL D’ÉTAT (I)
N° 51 456/2
du 20 juin 2012
Le Conseil d’État, section de législation, deuxième chambre,
saisi par le Vice-Premier Ministre et Ministre des Finances,
le 1er juin 2012, d’une demande d’avis, dans un délai de
trente jours, sur un avant-projet de loi “modifi ant la loi du
21 décembre 2009 relative au statut des établissements de
paiement, à l’accès à l’activité de prestataire de services de
paiement et à l’accès aux systèmes de paiement et d’autres
législations dans la mesure où elles sont relatives au statut
des établissements de paiement et des établissements de
monnaie électronique”, a donné l’avis suivant:
Comme la demande d’avis est introduite sur la base de l’ar-
ticle 84, § 1er, alinéa 1er, 1°, des lois coordonnées sur le Conseil
d’État, tel qu’il est remplacé par la loi du 2 avril 2003, la section
de législation limite son examen au fondement juridique de
l’avant-projet, à la compétence de l’auteur de l’acte ainsi qu’à
l’accomplissement des formalités préalables, conformément
à l’article 84, § 3, des lois coordonnées précitées.
Sur ces trois points, l’avant-projet appelle les observations
suivantes.
FORMALITÉ PRÉALABLE
Il ressort de l’article 19/1, § 1er, de la loi du 5 mai 1997 “rela-
tive à la coordination de la politique fédérale de développement
durable”qu’en principe, tout avant-projet de loi, tout projet
d’arrêté royal et tout projet de décision soumis à l’approbation
du Conseil des ministres doivent donner lieu à un examen pré-
alable de la nécessité de réaliser une évaluation d’incidence 1;
les seuls cas dans lesquels un tel examen préalable ne doit
pas avoir lieu sont ceux qui sont appelés à être fi xés par un
arrêté royal délibéré en Conseil des ministres 2, qui, à ce jour,
en l’état des textes publiés au Moniteur belge, n’a pas été pris.
Il conviendra de veiller au bon accomplissement de cette
formalité.
1
Article 19/1, § 1er, alinéa 1er, de la loi du 5 mai 1997 précitée.
L’article 19/1, § 2, de la loi du 5 mai 1997 précitée charge le Roi de
fi xer, par arrêté délibéré en Conseil des ministres, les modalités
de cet examen préalable. À ce jour, aucun arrêté ayant un pareil
objet n’a été publié au Moniteur belge.
2
Article 19/1, § 1er, alinéa 2, de la loi du 5 mai 1997 précitée.
ADVIES VAN DE RAAD VAN STATE (I)
NR. 51 456/2
van 20 juni 2012
De Raad van State, afdeling Wetgeving, tweede kamer,
op 1 juni 2012 door de Vice-Eerste Minister en Minister van
Financiën verzocht hem, binnen een termijn van dertig da-
gen, van advies te dienen over een voorontwerp van wet “tot
wijziging van de wet van 21 december 2009 betreffende het
statuut van de betalingsinstellingen, de toegang tot het bedrijf
van betalingsdienstaanbieder en de toegang tot betalings-
systemen, en van andere wetgeving die betrekking heeft op
het statuut van de betalingsinstellingen en van de instellingen
voor elektronisch geld”, heeft het volgende advies gegeven:
Aangezien de adviesaanvraag ingediend is op basis van
artikel 84, § 1, eerste lid, 1°, van de gecoördineerde wetten
op de Raad van State, zoals het is vervangen bij de wet van
2 april 2003, beperkt de afdeling Wetgeving overeenkomstig
artikel 84, § 3, van de voornoemde gecoördineerde wetten
haar onderzoek tot de rechtsgrond van het voorontwerp, de
bevoegdheid van de steller van de handeling en de te vervul-
len voorafgaande vormvereisten.
Wat deze drie punten betreft, geeft het voorontwerp aan-
leiding tot de volgende opmerkingen.
VOORAFGAAND VORMVEREISTE
Uit artikel 19/1, § 1, van de wet van 5 mei 1997 “betref-
fende de coördinatie van het federale beleid inzake duurzame
ontwikkeling”vloeit voort dat elk voorontwerp van wet, elk
ontwerp van koninklijk besluit en elk voorstel van beslis-
sing dat ter goedkeuring aan de Ministerraad moet worden
voorgelegd in principe aanleiding moet geven tot een voor-
afgaand onderzoek met betrekking tot de noodzaak om een
effectbeoordeling uit te voeren;1 de enige gevallen waarin zo
een voorafgaand onderzoek niet hoeft plaats te vinden, zijn
die welke moeten worden bepaald bij een koninklijk besluit
vastgesteld na overleg in de Ministerraad,2 welk besluit bij de
huidige stand van de teksten die in het Belgisch Staatsblad
bekendgemaakt zijn, nog niet uitgevaardigd is.
Er moet voor gezorgd worden dat dit vormvereiste naar
behoren vervuld wordt.
1
Artikel 19/1, § 1, eerste lid, van de voornoemde wet van
5 mei 1997. Artikel 19/1, § 2, van de voornoemde wet van
5 mei 1997 belast de Koning om bij een besluit vastgesteld na
overleg in de Ministerraad dat voorafgaand onderzoek te regelen.
Tot op heden is nog geen enkel besluit met een zodanige strek-
king bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad.
2
Artikel 19/1, § 1, tweede lid, van de voornoemde wet van 5 mei 1997.
2432/001
DOC 53
DOC 53
126
2431/001
DOC 53
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 3 e L É G I S L A T U R E
K AMER 3e Z ITTING VAN DE 53e Z ITTING S P E RIO DE
2011
2012
EXAMEN DE L’AVANT-PROJET
Dispositif
Art. 3
Il convient de préciser que la loi du 21 décembre 2009 “re-
lative au statut des établissements de paiement, à l’accès à
l’activité de prestataire de services de paiement et à l’accès
aux systèmes de paiement” a été précédemment modifi ée par
la loi du 28 juillet 2011 (“visant à transposer diverses directives
relatives au contrôle du secteur fi nancier et portant dispo-
sitions diverses’) et l’arrêté royal du 3 mars 2011 (“mettant
en œuvre l’évolution des structures de contrôle du secteur
fi nancier’).
Art. 7
1. La défi nition des “émetteurs de monnaie électronique” au
32° en projet, qui renvoie à l’article 59 en projet à l’article 27,
suscite une difficulté, dans la mesure où les 3°, 4° et 5° de cet
article 59 ne visent que des émetteurs belges, contrairement
aux 1° et 2°, ainsi qu’à la défi nition correspondante dans la
directive, à savoir l’article 1er, paragraphe 1, et plus particu-
lièrement les points c), d) et e).
Les auteurs de l’avant-projet veilleront par conséquent à
s’assurer qu’en procédant de la sorte, la législation destinée
à transposer la directive ne pourra restreindre indûment
l’exercice en Belgique des activités réglementées par la
directive pour les entités étrangères également visées dans
celle-ci mais non dans l’avant-projet, à savoir les offices de
chèques postaux habilités par leur droit national à émettre
de la monnaie électronique, les autres banques centrales
nationales n’agissant pas en qualité d’autorités monétaires ou
autres autorités publiques, ainsi que les autre États membres
ou leurs autorités régionales ou locales agissant en qualité
d’autorités publiques.
2. Cette observation vaut mutatis mutandis pour l’ar-
ticle 5 - spécialement les 3°, 4° et 5° — en projet à l’article 10,
au regard de l’article 1er, paragraphe 1 — spécialement les
points c), d) et e) — de la directive 2007/64/CE du Parlement
européen et du Conseil du 13 novembre 2007 concernant
les services de paiement dans le marché intérieur, modifi ant
les directives 97/7/CE, 2002/65/CE, 2005/60/CE ainsi que
2006/48/CE et abrogeant la directive 97/5/CE.
3. L’article 4, point 1), de la directive 2007/64/CE précitée
utilise la notion d’“État membre d’origine”. Le dispositif de la
loi du 21 décembre 2009 précitée utilise, quant à lui, la notion
de “personne morale de droit belge”. Par souci de sécurité
juridique et de correcte transposition de la directive 2007/64/
CE précitée, il conviendrait, dans l’article 4 en projet, de défi nir
la notion de “personne morale de droit belge” en se référant
explicitement à celle d’” État membre d’origine”.
ONDERZOEK VAN HET VOORONTWERP
Dispositief
Art. 3
Er behoort te worden aangegeven dat de wet van 21 de-
cember 2009 “betreffende het statuut van de betalingsinstel-
lingen, de toegang tot het bedrijf van betalingsdienstaanbieder
en de toegang tot betalingssystemen” eerder gewijzigd is bij
de wet van 28 juli 2011 (“tot omzetting van diverse richtlijnen
betreffende het toezicht op de fi nanciële sector en hou-
dende diverse bepalingen’) en bij het koninklijk besluit van
3 maart 2011 (“betreffende de evolutie van de toezichtsar-
chitectuur voor de fi nanciële sector”).
Art. 7
1. De defi nitie van “uitgevers van elektronisch geld” in de
ontworpen bepaling onder 32°, waarin verwezen wordt naar
het ontworpen artikel 59 (artikel 27 van het ontwerp), doet een
probleem rijzen doordat in de bepalingen onder 3°, 4° en 5°
van dat artikel 59 alleen sprake is van Belgische uitgevers,
in tegenstelling tot de bepalingen onder 1° en 2°, en tot de
overeenkomstige defi nitie in de richtlijn, namelijk artikel 1, lid
1, en meer bepaald de punten c), d) en e).
De stellers van het voorontwerp dienen bijgevolg zich ervan
te vergewissen dat, door aldus te werk te gaan, de wetgeving
ter omzetting van de richtlijn geen onrechtmatige beperking
meebrengt voor de uitoefening in België van de werkzaam-
heden die door de richtlijn gereglementeerd zijn voor de bui-
tenlandse entiteiten waarvan ook sprake is in de richtlijn maar
niet in het voorontwerp, namelijk postcheque- en girodiensten
die krachtens hun nationale wetgeving gemachtigd zijn om
elektronisch geld uit te geven, de andere nationale centrale
banken wanneer zij niet handelen in hun hoedanigheid van
monetaire of andere publieke autoriteit en de andere lidstaten
en hun regionale en lokale overheden wanneer zij handelen
in hun hoedanigheid van overheidsinstantie.
2. Deze opmerking geldt mutatis mutandis eveneens voor
het ontworpen artikel 5 — inzonderheid voor de bepalingen
onder 3°, 4° en 5° — (artikel 10 van het ontwerp) in het licht
van artikel 1, lid 1 — inzonderheid de punten c), d) en e) —
van richtlijn 2007/64/EG van het Europees Parlement en de
Raad van 13 november 2007 betreffende betalingsdiensten
in de interne markt tot wijziging van de Richtlijnen 97/7/EG,
2002/65/EG, 2005/60/EG en 2006/48/EG, en tot intrekking
van Richtlijn 97/5/EG.
3. In artikel 4, punt 1), van de voormelde richtlijn 2007/64/
EG wordt gebruik gemaakt van het begrip “lidstaat van
herkomst”. Het dispositief van de voormelde wet van 21 de-
cember 2009, zijnerzijds, gebruikt het begrip “rechtspersoon
naar Belgisch recht”. Met het oog op de rechtszekerheid en
de correcte omzetting van de voormelde richtlijn 2007/64/EG
zou in het ontworpen artikel 4 van het begrip “rechtspersoon
naar Belgisch recht” een defi nitie moeten worden gegeven
waarin uitdrukkelijk verwezen wordt naar die van “lidstaat
van herkomst”.
2432/001
DOC 53
127
2431/001
DOC 53
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 3 e L É G I S L A T U R E
K AMER 3e Z ITTING VAN DE 53e Z ITTING S P E RIO DE
2011
2012
Art. 15
Le commentaire de cet article dans l’exposé des motifs
indique que cet article “abroge également des références
erronées faites au comité d’audit, dont la mise en place n’est
pas exigée dans les établissements de paiement”.
Il convient toutefois de relever que la loi du 17 dé-
cembre 2008 “instituant notamment un Comité d’audit dans
les sociétés cotées et dans les entreprises fi nancières”modifi e
entre autres, à cet effet, la loi du 22 mars 1993 “relative au
statut et au contrôle des établissements de crédit’, qui peuvent
également être des établissements de paiement.
Le commentaire de l’article devrait aborder cette question.
Art. 20
Il serait préférable que l’alinéa 4 de l’article 35, § 1er, 2°,
en projet, devienne un nouveau 3° de ce paragraphe car il
s’agit d’une mesure distincte de celle prévue par les autres
alinéas du 2°.
La même observation vaut pour l’article 87, § 1er, alinéa 4,
2°, en projet (article 62 de l’avant-projet).
Art. 22
Suivant le commentaire de cet article dans l’exposé des
motifs,
“L’article 26 de la directive prévoit la possibilité d’une
exemption tant pour les personnes morales que pour les
personnes physiques. L’avant-projet de loi ne fait que partielle-
ment usage de cette possibilité, en ce sens que l’article 48 de
la loi ne permet d’accorder de telles exemptions qu’à des
personnes morales”.
Cette différence de traitement entre personnes physiques
et morales, qui ne résulte en rien de la directive 2007/64/CE
précitée, ne fait non plus l’objet d’aucune justifi cation. S’il
existe une telle justifi cation objective et raisonnable, l’exposé
des motifs doit être complété pour en donner connaissance;
sinon, il y a lieu d’éviter cette différence de traitement.
Art. 27
L’article 59 en projet appelle la première observation
formulée ci-dessus au sujet de l’article 7 de l’avant-projet, à
laquelle il y a donc lieu de se reporter, étant entendu que cet
article 59 transpose aussi l’article 10 de la directive, lequel
impose aux États membres d’interdire à toute personne
n’étant pas un émetteur de monnaie électronique au sens
de l’article 2, point 3), d’émettre de la monnaie électronique.
Art. 15
In de memorie van toelichting wordt in de commentaar bij
dit artikel aangegeven dat dit artikel “voorts (…) de foute ver-
wijzingen naar het auditcomité (schrapt); betalingsinstellingen
moeten immers geen dergelijk comité hebben”.
Er dient evenwel te worden opgemerkt dat bij de wet van
17 december 2008 “inzonderheid tot oprichting van een au-
ditcomité in de genoteerde vennootschappen en de fi nanciële
ondernemingen”te dien einde wijzigingen zijn aangebracht in
onder andere de wet van 22 maart 1993 “op het statuut van
en het toezicht op de kredietinstellingen’, welke instellingen
eveneens betalingsinstellingen kunnen zijn.
In de commentaar bij dit artikel zou die kwestie besproken
moeten worden.
Art. 20
Het ontworpen artikel 35, § 1, 2°, vierde lid, zou beter een
nieuwe bepaling onder 3° van diezelfde paragraaf worden,
aangezien het daarbij gaat om een maatregel die losstaat van
die waarin de overige leden van de bepaling onder 2° voorzien.
Deze opmerking geldt eveneens voor het ontworpen
artikel 87, § 1, vierde lid, 2° (artikel 62 van het voorontwerp).
Art. 22
In de memorie van toelichting wordt in de commentaar bij
dit artikel het volgende aangegeven:
“Volgens artikel 26 van de Richtlijn mag er zowel aan
rechtspersonen als aan natuurlijke personen een vrijstelling
worden verleend. In het voorontwerp van wet wordt slechts ge-
deeltelijk gebruik gemaakt van deze mogelijkheid, aangezien
artikel 48 van de wet enkel toelaat dat dergelijke vrijstellingen
worden verleend aan rechtspersonen.”
Voor deze verschillende behandeling van natuurlijke per-
sonen ten opzichte van rechtspersonen, die geenszins uit de
voormelde richtlijn 2007/64/EG volgt, wordt evenmin enige
rechtvaardiging opgegeven. Als een dergelijke objectieve en
redelijke rechtvaardiging bestaat, dient de memorie van toe-
lichting aldus te worden aangevuld dat die opgegeven wordt;
in het andere geval dient deze verschillende behandeling te
worden vermeden.
Art. 27
Het ontworpen artikel 59 geeft aanleiding tot dezelfde
opmerking als de eerste opmerking die hiervoren over ar-
tikel 7 van het voorontwerp gemaakt is, waarnaar dan ook
teruggegrepen dient te worden, met dien verstande dat bij dit
artikel 59 ook artikel 10 van de richtlijn wordt omgezet, naar
luid waarvan de lidstaten aan alle personen die geen uitgevers
van elektronisch geld zijn in de zin van artikel 2, punt 3) het
verbod dienen op te leggen om elektronisch geld uit te geven.
2432/001
DOC 53
128
2431/001
DOC 53
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 3 e L É G I S L A T U R E
K AMER 3e Z ITTING VAN DE 53e Z ITTING S P E RIO DE
2011
2012
Art. 35
1. Les éventuels “distributeurs”, visés à l’article 76, § 1er, en
projet, ne sont pas mentionnés dans l’alinéa 2, second tiret,
de l’article 64 en projet.
L’exposé des motifs devrait justifi er cette différence de
régime.
2. Plus fondamentalement, s’agissant de ces “distribu-
teurs”, le Conseil d’État se demande si l’avant-projet règle-
mente suffisamment leurs activités, notamment pour ceux de
ces intermédiaires agissant en Belgique pour le compte d’éta-
blissements étrangers, à la différence des succursales aux-
quelles les assimile l’article 3, paragraphe 4, de la directive.
Art. 39
Il y a lieu d’insérer “§ 1er,” entre les mots “l’article 62,” et
les mots “alinéa 1er, 8°”.
Art. 46
1. La fi n de l’article 73, § 1er, en projet, ne transpose
qu’incomplètement l’article 3, paragraphe 3, alinéa 2, de la
directive, dans la mesure où les obligations que cet alinéa
met à charge de l’” acquéreur potentiel” sont imposées par le
paragraphe en projet à l’ensemble des personnes énumérées
à l’article 3, paragraphe 3, alinéa 1er, de la directive.
2. Au même paragraphe 1er en projet, au lieu de prévoir
qu’une personne ayant pris la décision de réaliser l’une
ou l’autre des opérations visées est tenue “d’en informer à
l’avance la Banque”, il serait préférable d’exiger, en s’inspirant
de la directive, qu’elle informe sans délai la Banque de son
intention de procéder à une telle opération.
3. Au paragraphe 2 en projet, il conviendrait d’indiquer
selon quelles formes et dans quel délai la Banque doit, le cas
échéant, notifi er son opposition à ces opérations sur titres 3.
Art. 48
Dans l’alinéa 6 de l’article 75 en projet, il y a sans doute
lieu de lire “à l’exception de l’alinéa 5”, au lieu de “à l’exception
de l’alinéa 3”.
3
Comparer avec l’article 47 (article 74, alinéa 3 en projet) en
matière de fusion et avec l’article 48 (article 75, alinéa 4, en
projet) pour l’ouverture d’une succursale.
Art. 35
1. De eventuele “distributeurs” die ter sprake komen in het
ontworpen artikel 76, § 1, worden niet vermeld in het ontwor-
pen artikel 64, tweede lid, tweede streepje.
In de memorie van toelichting dient dit verschil in regeling
gerechtvaardigd te worden.
2. Fundamenteler nog vraagt de Raad van State zich met
betrekking tot die “distributeurs” af of hun activiteiten bij het
voorontwerp genoegzaam gereglementeerd worden, inzon-
derheid wat betreft degenen onder deze tussenpersonen die
in België namens buitenlandse instellingen optreden, in te-
genstelling tot de bijkantoren waarmee ze krachtens artikel 3,
lid 4, van de richtlijn gelijkgesteld worden.
Art. 39
Tussen de woorden “artikel 62,” en de woorden “eerste lid,
8°” dient “§ 1,” te worden ingevoegd.
Art. 46
1. In het ontworpen artikel 73, § 1, in fi ne, wordt artikel 3,
lid 3, tweede alinea, van de richtlijn slechts onvolledig om-
gezet, doordat de verplichtingen die bij die alinea aan de
“kandidaat-verwerver” worden opgelegd door de ontworpen
paragraaf opgelegd worden aan alle personen vermeld in
artikel 3, lid 3, eerste alinea, van de richtlijn.
2. Het zou beter zijn om in dezelfde ontworpen paragraaf 1
niet te bepalen dat een persoon die besloten heeft een of
andere van de vermelde verrichtingen uit te voeren “de Bank
daarvan vooraf (…) in kennis (dient) te stellen”, maar naar het
voorbeeld van de richtlijn voor te schrijven dat die persoon
de bank onverwijld op de hoogte brengt van zijn intentie om
een dergelijke verrichting uit te voeren.
3. In de ontworpen pararaaf 2 zou moeten worden aange-
geven welke vormvoorschriften en welke termijn de Bank in
voorkomend geval in acht dient te nemen wanneer ze haar ver-
zet tegen die effectenverrichtingen kenbaar wenst te maken.3
Art. 48
Ongetwijfeld dient in het ontworpen artikel 75, zesde lid,
te worden geschreven “Met uitzondering van het vijfde lid” in
plaats van “Met uitzondering van het derde lid”.
3
Vergelijk met artikel 47 (ontworpen artikel 74, derde lid) inzake
fusies en met artikel 48 (ontworpen artikel 75, vierde lid) in ver-
band met het openen van bijkantoren.
2432/001
DOC 53
129
2431/001
DOC 53
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 3 e L É G I S L A T U R E
K AMER 3e Z ITTING VAN DE 53e Z ITTING S P E RIO DE
2011
2012
Art. 50
Il n’y a pas de paragraphe 4 dans l’article 81 en projet à
l’article 55: sans doute faut-il lire, au début de l’article 77,
§ 1er, alinéa 2, en projet “Sans préjudice de l’article 81, § 3”.
En outre, dans la version française de la phrase introdui-
sant le paragraphe 2, les mots “dernier alinéa” doivent être
remplacés par “alinéa 2”.
Art. 51 et 67
Contrairement à ce que prévoit l’article 78, § 1er, alinéa 4,
in fi ne, en projet de la loi du 21 décembre 2009, qui défi nit
la notion de jour ouvrable, il n’est pas procuré de défi nition
de cette notion au sens où elle est utilisée aux articles 78,
§ 1er, alinéa 1er, b) (phrase liminaire), et 91 en projet de la loi
du 21 décembre 2009.
Cette dernière loi, dans son état actuel, ne contient pas
davantage de défi nition de la notion de jour ouvrable, alors
qu’il en est fait usage aux articles 22, § 1er, alinéa 1er, b) (phrase
liminaire), et 39, alinéa 1er.
Or, la notion de jour ouvrable ne revêt aucune signifi cation
juridique généralement reçue et peut varier, dans son sens
usuel, selon le contexte dans lequel elle est appliquée, ce qui
nuit à la sécurité juridique.
Il conviendrait en conséquence de procéder à une défi nition
de cette notion au sens où elle est utilisée dans la loi, tant dans
sa version actuelle que dans sa version qui résulterait de la
modifi cation en projet. Il paraît indiqué d’insérer cette défi ni-
tion à l’article 4 de la loi du 21 décembre 2009, sauf si cette
notion devait revêtir un sens différent selon les dispositions
concernées, auquel cas une défi nition particulière devrait être
chaque fois donnée; il va sans dire que la première solution,
par sa clarté et sa simplicité, est préférable.
À cette occasion, l’auteur de l’avant-projet appréciera s’il
sera nécessaire, compte tenu de son éventuelle spécifi cité, de
maintenir la défi nition de cette notion telle qu’elle est utilisée
à l’article 78, § 1er, alinéa 4, in fi ne, en projet.
Art. 57
Dans l’alinéa 1er de l’article 83 en projet, il y a sans doute
lieu de lire “inspections visées à l’article 81, § 2, alinéa 3”, au
lieu de “81, § 1er, alinéa 4”.
Art. 71
L’article 15quater de la loi du 20 septembre 1948 “portant
organisation de l’économie”a été abrogé par l’article 18 de
la loi du 7 mai 1999 “contenant le Code des sociétés’, de
Art. 50
Het ontworpen artikel 81 (artikel 55 van het ontwerp) bevat
geen paragraaf 4: in het ontworpen artikel 77, § 1, tweede lid,
dient ongetwijfeld te worden geschreven “… kan zij, onver-
minderd artikel 81, § 3, en gelet op …”.
Daarenboven dienen in de Franse tekst van de inleidende
zin van paragraaf 2 de woorden “dernier alinéa” te worden
vervangen door de woorden “alinéa 2”.
Art. 51 en 67
In tegenstelling tot wat bepaald wordt in het ontworpen
artikel 78, § 1, vierde lid, in fi ne, van de wet van 21 decem-
ber 2009, waarin het begrip werkdag gedefi nieerd wordt, wordt
geen defi nitie gegeven van dat begrip in de zin waarin het
gebezigd wordt in de ontworpen artikelen 78, § 1, eerste lid,
b) (inleidende zin), en 91 van de wet van 21 december 2009.
Laatstgenoemde wet bevat in haar huidige lezing evenmin
een defi nitie van het begrip werkdag, hoewel dat begrip ge-
hanteerd wordt in de artikelen 22, § 1, eerste lid, b) (inleidende
zin), en 39, eerste lid.
Het begrip werkdag bezit evenwel geen enkele algemeen
aanvaarde juridische betekenis en de gangbare betekenis
ervan varieert naar gelang van de context waarin het gebruikt
wordt, wat afbreuk doet aan de rechtszekerheid.
Bijgevolg zou dat begrip gedefi nieerd moeten worden
overeenkomstig de betekenis waarin het in de wet gebezigd
wordt, zowel in de huidige versie van de wet als in de versie
ervan die uit de ontworpen wijziging zal voortvloeien. Het lijkt
raadzaam die defi nitie in te voegen in artikel 4 van de wet van
21 december 2009, tenzij dat begrip een andere betekenis zou
hebben naar gelang van de bepaling in kwestie, in welk geval
telkens een specifi eke defi nitie gegeven zou moeten worden;
het spreekt vanzelf dat de eerstgenoemde oplossing, door
de duidelijkheid en de eenvoud ervan, de voorkeur verdient.
Bij die gelegenheid dient de steller van het voorontwerp
uit te maken of de defi nitie die in het ontworpen artikel 78,
§ 1, vierde lid, in fi ne, van dat begrip gegeven wordt, gelet op
de eventuele specifi citeit ervan, behouden dient te worden.
Art. 57
In het ontworpen artikel 83, eerste lid, dient wellicht te wor-
den gelezen “de inspecties bedoeld in artikel 81, § 2, derde
lid,” in plaats van “de in artikel 81, § 1, vierde lid, bedoelde
inspecties”.
Art. 71
Artikel 15quater van de wet van 20 september 1948 “hou-
dende organisatie van het bedrijfsleven” is opgeheven bij
artikel 18 van de wet van 7 mei 1999 “houdende het wetboek
2432/001
DOC 53
130
2431/001
DOC 53
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 3 e L É G I S L A T U R E
K AMER 3e Z ITTING VAN DE 53e Z ITTING S P E RIO DE
2011
2012
sorte que l’article 95, § 2, alinéa 5, doit être omis ou revu
en conséquence.
Art. 76
1. Il y a lieu de supprimer les mots “de la loi” dans la phrase
introductive, ainsi qu’au 1° de l’article 98, § 1er, en projet.
2. Il y a lieu, dans la version française, de remplacer le mot
“dotées” par le mot “dotés” étant donné que ce sont les établis-
sements et non les succursales d’établissements de monnaie
électronique qui sont dotés de la personnalité juridique.
Art. 84
Il faut vraisemblablement lire “Pour l’application du présent
chapitre, …”, auquel cas cette disposition serait mieux à sa
place au début de ce chapitre.
Art. 88
La mention “des sections 1 à 3 du Titre 2” est incorrecte
car elle ignore la division en quatre chapitres de ce titre 2.
van vennootschappen’, zodat artikel 95, § 2, vijfde lid, dient te
vervallen of dienovereenkomstig herzien behoort te worden.
Art. 76
1. In de inleidende zin en in de bepaling onder 1° van het
ontworpen artikel 98, § 1, dienen de woorden “van de wet”
te vervallen.
2. In de Franse tekst dient het woord “dotées” te worden
vervangen door het woord “dotés” aangezien dat woord be-
trekking heeft op “établissements” en niet op “succursales”.
Art. 84
Wellicht dient te worden gelezen “Voor de toepassing
van dit hoofdstuk, …”, in welk geval deze bepaling meer zou
thuishoren in het begin van dit hoofdstuk.
Art. 88
De vermelding “afdelingen 1 tot 3 van Titel 2” is onjuist,
omdat daarmee voorbijgegaan wordt aan het feit dat die titel 2
onderverdeeld is in vier hoofdstukken.
2432/001
DOC 53
131
2431/001
DOC 53
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 3 e L É G I S L A T U R E
K AMER 3e Z ITTING VAN DE 53e Z ITTING S P E RIO DE
2011
2012
Art. 131
Cet article devrait être rédigé sous forme de dispositions
modifi catives de l’article 34, alinéa 3, de la loi du 28 juil-
let 2011 “visant à transposer diverses directives relatives
au contrôle du secteur financier et portant dispositions
diverses”en y remplaçant expressément “2011” par “2012”.
La chambre était composée de
Messieurs
Y. KREINS,
président de chambre,
P. VANDERNOOT,
Madame
M. BAGUET,
conseillers d’État,
Monsieur
Y. DE CORDT,
assesseur de la section
de législation,
Madame
B. VIGNERON,
greffier.
Le rapport a été présenté par M. J.-L. Paquet, premier
auditeur.
Le greffier,
Le président,
B. VIGNERON
Y. KREINS
Art. 131
Dit artikel zou geredigeerd moeten worden als een bepaling
waarbij artikel 34, derde lid, van de wet van 28 juli 2011 “tot
omzetting van diverse richtlijnen betreffende het toezicht op de
fi nanciële sector en houdende diverse bepalingen”gewijzigd
wordt door daarin het jaartal “2011” uitdrukkelijk te vervangen
door “2012”.
De kamer was samengesteld uit
de Heren
Y. KREINS,
kamervoorzitter,
P. VANDERNOOT,
Mevrouw
M. BAGUET,
staatsraden,
de Heer
Y. DE CORDT,
assessor van de
afdeling Wetgeving,
Mevrouw
B. VIGNERON,
griffier.
Het verslag werd uitgebracht door de Heer J.-L. Paquet,
eerste auditeur.
De overeenstemming tussen de Franse en de Nederlandse
tekst werd nagezien onder toezicht van Mevr. M. BAGUET.
De griffier,
De voorzitter,
B. VIGNERON
Y. KREINS
DOC 53 2432/001
132
2431/001
DOC 53
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 3 e L É G I S L A T U R E
K AMER 3e Z ITTING VAN DE 53e Z ITTING S P E RIO DE
2011
2012
AVIS DU CONSEIL D’ÉTAT (II)
N° 51 457/2
du 20 juin 2012
Le Conseil d’État, section de législation, deuxième chambre,
saisi par le Vice-Premier Ministre et Ministre des Finances,
le 1er juin 2012, d’une demande d’avis, dans un délai de
trente jours, sur un avant-projet de loi “modifi ant la loi du
22 février 1998 fi xant le statut organique de la Banque Natio-
nale de Belgique”, a donné l’avis suivant:
Comme la demande d’avis est introduite sur la base de l’ar-
ticle 84, § 1er, alinéa 1er, 1°, des lois coordonnées sur le Conseil
d’État, tel qu’il est remplacé par la loi du 2 avril 2003, la section
de législation limite son examen au fondement juridique de
l’avant-projet, à la compétence de l’auteur de l’acte ainsi qu’à
l’accomplissement des formalités préalables, conformément
à l’article 84, § 3, des lois coordonnées précitées.
Sur ces trois points, l’avant-projet appelle les observations
suivantes.
FORMALITÉ PRÉALABLE
Il ressort de l’article 19/1, § 1er, de la loi du 5 mai 1997 “rela-
tive à la coordination de la politique fédérale de développement
durable”qu’en principe, tout avant-projet de loi, tout projet
d’arrêté royal et tout projet de décision soumis à l’approbation
du Conseil des ministres doivent donner lieu à un examen pré-
alable de la nécessité de réaliser une évaluation d’incidence 1;
les seuls cas dans lesquels un tel examen préalable ne doit
pas avoir lieu sont ceux qui sont appelés à être fi xés par un
arrêté royal délibéré en Conseil des ministres 2, qui, à ce jour,
en l’état des textes publiés au Moniteur belge, n’a pas été pris.
Il conviendra de veiller au bon accomplissement de cette
formalité.
ARRÊTÉ DE PRÉSENTATION
L’avant-projet est dépourvu d’arrêté de présentation: il y a
lieu de remédier à cet oubli 3.
1
Article 19/1, § 1er, alinéa 1er, de la loi du 5 mai 1997 précitée.
L’article 19/1, § 2, de la loi du 5 mai 1997 précitée charge le Roi de
fi xer, par arrêté délibéré en Conseil des ministres, les modalités
de cet examen préalable. À ce jour, aucun arrêté ayant un pareil
objet n’a été publié au Moniteur belge.
2
Article 19/1, § 1er, alinéa 2, de la loi du 5 mai 1997 précitée.
3
Principes de technique législative — Guide de rédaction des
textes législatifs et réglementaires, 2008, onglet “Technique légis-
lative”, www.raadvst-consetat.be, recommandations nos 226 et
227.
ADVIES VAN DE RAAD VAN STATE (II)
NR. 51 457/2
van 20 juni 2012
De Raad van State, afdeling Wetgeving, tweede kamer,
op 1 juni 2012 door de Vice-Eerste Minister en Minister van
Financiën verzocht hem, binnen een termijn van dertig da-
gen, van advies te dienen over een voorontwerp van wet “tot
wijziging van de wet van 22 februari 1998 tot vaststelling van
het organiek statuut van de Nationale Bank van België”, heeft
het volgende advies gegeven:
Aangezien de adviesaanvraag ingediend is op basis van
artikel 84, § 1, eerste lid, 1°, van de gecoördineerde wetten
op de Raad van State, zoals het vervangen is bij de wet van
2 april 2003, beperkt de afdeling Wetgeving overeenkomstig
artikel 84, § 3, van de voormelde gecoördineerde wetten
haar onderzoek tot de rechtsgrond van het voorontwerp, de
bevoegdheid van de steller van de handeling en de te vervul-
len voorafgaande vormvereisten.
Wat deze drie punten betreft, geeft het voorontwerp aan-
leiding tot de volgende opmerkingen.
VOORAFGAANDE VORMVEREISTE
Uit artikel 19/1, § 1, van de wet van 5 mei 1997 “betref-
fende de coördinatie van het federale beleid inzake duurzame
ontwikkeling”vloeit voort dat in principe elk voorontwerp van
wet, elk ontwerp van koninklijk besluit en elk voorstel van
beslissing dat ter goedkeuring aan de Ministerraad moet
worden voorgelegd, aanleiding moet geven tot een vooraf-
gaand onderzoek met betrekking tot de noodzaak om een
effectbeoordeling uit te voeren1; de enige gevallen waarin zo
een voorafgaand onderzoek niet hoeft plaats te vinden, zijn
die welke moeten worden bepaald bij een koninklijk besluit
vastgesteld na overleg in de Ministerraad2, welk besluit bij de
huidige stand van de teksten die in het Belgisch Staatsblad
bekendgemaakt zijn, nog niet uitgevaardigd is.
Er moet voor gezorgd worden dat dit vormvereiste naar
behoren vervuld wordt.
INDIENINGSBESLUIT
Het voorontwerp bevat geen indieningsbesluit: deze lacune
behoort te worden weggewerkt3.
1
Artikel 19/1, § 1, eerste lid, van de voornoemde wet van
5 mei 1997. Artikel 19/1, § 2, van de voornoemde wet van
5 mei 1997 belast de Koning om bij een besluit vastgesteld na
overleg in de Ministerraad dat voorafgaand onderzoek te regelen.
Tot op heden is nog geen enkel besluit met een zodanige strek-
king bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad.
2
Artikel 19/1, § 1, tweede lid, van de voornoemde wet van 5 mei 1997.
3
Beginselen van de wetgevingstechniek - Handleiding voor het
opstellen van wetgevende en reglementaire teksten, 2008, tab
“Wetgevingstechniek”, www.raadvst-consetat.be, aanbevelingen
226 en 227.
DOC 53 2432/001
133
2431/001
DOC 53
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 3 e L É G I S L A T U R E
K AMER 3e Z ITTING VAN DE 53e Z ITTING S P E RIO DE
2011
2012
EXAMEN DE L’AVANT-PROJET
Dispositif
Art. 2
Il y a lieu de tenir compte du fait que l’article 301 de l’arrêté
royal du 3 mars 2011 “mettant en œuvre l’évolution des struc-
tures de contrôle du secteur fi nancier”insère déjà à l’article
60 (lire: article 36/22) de la loi du 22 février 1998 “fi xant le
statut organique de la Banque nationale de Belgique”des sub-
divisions nouvelles sous les 27° à 29° non encore en vigueur.
La chambre était composée de
Messieurs
Y. KREINS,
président de chambre,
P. VANDERNOOT,
Madame
M. BAGUET,
conseillers d’État,
Monsieur
Y. DE CORDT,
assesseur de la section
de législation,
Madame
B. VIGNERON,
greffier.
Le rapport a été présenté par M. J.-L. PAQUET, premier
auditeur.
Le greffier,
Le président,
B. VIGNERON
Y. KREINS
ONDERZOEK VAN HET VOORONTWERP
Dispositief
Art. 2
Er behoort rekening gehouden te worden met het feit dat
artikel 301 van het koninklijk besluit van 3 maart 2011 “betref-
fende de evolutie van de toezichtsarchitectuur voor de fi nan-
ciële sector”reeds in artikel 60 (lees: artikel 36/22) van de wet
van 22 februari 1998 “tot vaststelling van het organiek statuut
van de Nationale Bank van België”nieuwe onderverdelingen
invoegt onder de punten 27° tot 29° die nog niet van kracht zijn.
De kamer was samengesteld uit
de Heren
Y. KREINS,
kamervoorzitter,
P. VANDERNOOT,
Mevrouw
M. BAGUET,
staatsraden,
de Heer
Y. DE CORDT,
assessor van de
afdeling Wetgeving,
Mevrouw
B. VIGNERON,
griffier.
Het verslag werd uitgebracht door de Heer J.-L. PAQUET,
eerste auditeur.
De overeenstemming tussen de Franse en de Nederlandse
tekst werd nagezien onder toezicht van de Heer P. LIÉNARDY,
kamervoorzitter.
De griffier,
De voorzitter,
B. VIGNERON
Y. KREINS
DOC 53 2432/001
134
2431/001
DOC 53
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 3 e L É G I S L A T U R E
K AMER 3e Z ITTING VAN DE 53e Z ITTING S P E RIO DE
2011
2012
PROJET DE LOI (I)
ALBERT II, ROI DES BELGES,
A tous, présents et à venir,
SALUT.
Sur la proposition du ministre de l’Economie, des
Consommateurs et de la Mer du Nord et du ministre
des Finances,
NOUS AVONS ARRÊTÉ ET ARRÊTONS:
Le ministre de l’Economie, des Consommateurs et de
la Mer du Nord et le ministre des Finances sont chargés
de présenter en notre nom aux Chambres législatives
et déposer à la Chambre des représentants le projet de
loi dont la teneur suit:
TITRE 1er
Dispositions générales
Article 1er
La présente loi règle une matière visée à l’article 78
de la Constitution.
Art. 2
La présente loi transpose la directive 2009/110/
CE du Parlement européen et du Conseil du 16 sep-
tembre 2009 concernant l’accès à l’activité des établis-
sements de monnaie électronique et son exercice ainsi
que la surveillance prudentielle de ces établissements,
modifi ant les directives 2005/60/CE et 2006/48/CE et
abrogeant la directive 2000/46/CE.
TITRE 2
Modifi cations de la loi du 21 décembre 2009 relative
au statut des établissements de paiement, à l’accès
à l’activité de prestataire de services de paiement et
à l’accès aux systèmes de paiement
Art. 3
L’intitulé de la loi du 21 décembre 2009 relative au
statut des établissements de paiement, à l’accès à
l’activité de prestataire de services de paiement et à
WETSONTWERP (I)
ALBERT II, KONING DER BELGEN,
Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen,
ONZE GROET.
Op de voordracht van de minister van Economie, Con-
sumenten en Noordzee en de minister van Financiën,
HEBBEN WIJ BESLOTEN EN BESLUITEN WIJ:
De minister van Economie, Consumenten en Noord-
zee en de minister van Financiën zijn ermee belast het
ontwerp van wet waarvan de tekst hierna volgt, in onze
naam aan de Wetgevende Kamers voor te leggen en
bij de Kamer van volksvertegenwoordigers in te dienen:
TITEL 1
Algemene bepalingen
Artikel 1
Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in
artikel 78 van de Grondwet.
Art. 2
Deze wet voorziet in de omzetting van Richtlijn
2009/110/EG van het Europees Parlement en de Raad
van 16 september 2009 betreffende de toegang tot, de
uitoefening van en het prudentieel toezicht op de werk-
zaamheden van instellingen voor elektronisch geld, tot
wijziging van de Richtlijnen 2005/60/EG en 2006/48/EG
en tot intrekking van Richtlijn 2000/46/EG.
TITEL 2
Wijzigingen in de wet van 21 december 2009
betreffende het statuut van de
betalingsinstellingen, de toegang tot het bedrijf
van betalingsdienstaanbieder en de toegang tot
betalingssystemen
Art. 3
Het opschrift van de wet van 21 december 2009
betreffende het statuut van de betalingsinstellingen,
de toegang tot het bedrijf van betalingsdienstaanbieder
DOC 53 2432/001
135
2431/001
DOC 53
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 3 e L É G I S L A T U R E
K AMER 3e Z ITTING VAN DE 53e Z ITTING S P E RIO DE
2011
2012
l’accès aux systèmes de paiement, modifi ée par la loi
du 28 juillet 2011 visant à transposer diverses directives
relatives au contrôle du secteur fi nancier et portant dis-
positions diverses et par l’arrêté royal du 3 mars 2011
mettant en oeuvre l’évolution des structures de contrôle
du secteur fi nancier, est remplacé par ce qui suit:
“Loi du 21 décembre 2009 relative au statut des
établissements de paiement et des établissements de
monnaie électronique, à l’accès à l’activité de presta-
taire de services de paiement, à l’activité d’émission
de monnaie électronique et à l’accès aux systèmes de
paiement”.
Art. 4
Dans la même loi, l’intitulé du Titre 1er est remplacé
par ce qui suit:
“Livre 1er - Objet – Champ d’application - Défi nitions”.
Art. 5
Dans l’article 2 de la même loi, les modifi cations
suivantes sont apportées:
1° dans l’alinéa 1er, les mots “La présente loi” sont
remplacés par les mots “Le Livre 2 de la présente loi”;
2° l’article 2 est complété par un alinéa rédigé comme
suit:
“Le Livre 3 de la présente loi transpose la Directive
2009/110/CE du Parlement européen et du Conseil du
16 septembre 2009 concernant l’accès à l’activité des
établissements de monnaie électronique et son exercice
ainsi que la surveillance prudentielle de ces établisse-
ments, modifi ant les directives 2005/60/CE et 2006/48/
CE et abrogeant la directive 2000/46/CE.”
Art. 6
Dans l’article 3 de la même loi, les modifi cations
suivantes sont apportées:
1° dans l’alinéa 1er, les mots “La présente loi” sont
remplacés par les mots “Le Livre 2 de la présente loi”;
2° l’article 3 est complété par un alinéa rédigé comme
suit:
“Le Livre 3 de la présente loi règle l’activité d’émission
de monnaie électronique, le statut des établissements
en de toegang tot betalingssystemen, gewijzigd door
de wet van 28 juli 2011 tot omzetting van diverse richt-
lijnen betreffende het toezicht op de fi nanciële sector
en houdende diverse bepalingen en door het koninklijk
besluit van 3 maart 2011 betreffende de evolutie van de
toezichtsarchitectuur voor de fi nanciële sector, wordt
vervangen als volgt:
“Wet van 21 december 2009 op het statuut van
de betalingsinstellingen en van de instellingen voor
elektronisch geld, de toegang tot het bedrijf van beta-
lingsdienstaanbieder en tot de activiteit van uitgifte van
elektronisch geld en de toegang tot betalingssystemen”.
Art. 4
In dezelfde wet wordt het opschrift van Titel 1 ver-
vangen als volgt:
“BOEK 1 - Doel – Toepassingsgebied - Defi nities”.
Art. 5
In artikel 2 van dezelfde wet worden de volgende
wijzigingen aangebracht:
1° in het eerste lid worden de woorden “Deze wet”
vervangen door de woorden “Boek 2 van deze wet”;
2° artikel 2 wordt aangevuld met een lid, luidende:
“Boek 3 van deze wet voorziet in de omzetting van
Richtlijn 2009/110/EG van het Europees Parlement en
de Raad van 16 september 2009 betreffende de toegang
tot, de uitoefening van en het prudentieel toezicht op de
werkzaamheden van instellingen voor elektronisch geld,
tot wijziging van de Richtlijnen 2005/60/EG en 2006/48/
EG en tot intrekking van Richtlijn 2000/46/EG.”
Art. 6
In artikel 3 van dezelfde wet worden de volgende
wijzigingen aangebracht:
1° in het eerste lid worden de woorden “Deze wet”
vervangen door de woorden “Boek 2 van deze wet”;
2° artikel 3 wordt aangevuld met een lid, luidende:
“Boek 3 van deze wet regelt de activiteit van uitgifte
van elektronisch geld, het statuut van instelling voor
DOC 53 2432/001
136
2431/001
DOC 53
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 3 e L É G I S L A T U R E
K AMER 3e Z ITTING VAN DE 53e Z ITTING S P E RIO DE
2011
2012
de monnaie électronique, ainsi que le contrôle du res-
pect des dispositions de la présente loi et des arrêtés
et règlements pris pour son exécution.”
Art. 7
Dans l’article 4 de la même loi, les modifi cations
suivantes sont apportées:
a) dans le 11°, les mots “au sens de l’article 3, § 1er,
7° de la loi bancaire” sont remplacés par les mots “au
sens de l’article 4, 33° de la présente loi”;
b) l’article est complété par les 29° à 37° rédigés
comme suit:
“29° Directive 2009/110/CE: la Directive 2009/110/
CE du Parlement européen et du Conseil du 16 sep-
tembre 2009 concernant l’accès à l’activité des établis-
sements de monnaie électronique et son exercice ainsi
que la surveillance prudentielle de ces établissements,
modifi ant les directives 2005/60/CE et 2006/48/CE et
abrogeant la directive 2000/46/CE;
30° loi du 10 décembre 2009: la loi du 10 dé-
cembre 2009 relative aux services de paiement;
31° établissement de monnaie électronique: un émet-
teur de monnaie électronique visé au Livre 3 , Titre 2;
32° émetteurs de monnaie électronique: les établisse-
ments et autres entités visés à l’article 59, dont l’activité
consiste à émettre de la monnaie électronique, ainsi que
les personnes morales qui bénéfi cient d’une exemption
au titre de l’article 105;
33° monnaie électronique: une valeur monétaire qui
est stockée sous une forme électronique, y compris ma-
gnétique, représentant une créance sur l’émetteur, qui
est émise contre la remise de fonds aux fi ns d’opérations
de paiement au sens de l’article 4, 2° de la présente
loi et qui est acceptée par une personne physique ou
morale autre que l’émetteur de monnaie électronique;
34° détenteur de monnaie électronique: une personne
physique ou morale qui remet des fonds à un émetteur
de monnaie électronique en échange de l’émission de
monnaie électronique par cet émetteur;
35° moyenne de la monnaie électronique en circu-
lation: la moyenne du montant total des engagements
fi nanciers liés à la monnaie électronique émise à la fi n
de chaque jour calendaire pour les six mois calendaires
précédents, calculée sur le premier jour calendaire
elektronisch geld, alsook het toezicht op de naleving
van de bepalingen van deze wet en de ter uitvoering
ervan genomen besluiten en reglementen.”
Art. 7
In artikel 4 van dezelfde wet worden de volgende
wijzigingen aangebracht:
a) in de bepaling onder 11° worden de woorden “in de
zin van artikel 3, § 1, 7°, van de bankwet” vervangen door
de woorden “in de zin van artikel 4, 33°, van deze wet”;
c) het artikel wordt aangevuld met de bepalingen
onder 29° tot 37°, luidende:
“29° Richtlijn 2009/110/EG: Richtlijn 2009/110/EG van
het Europees Parlement en de Raad van 16 septem-
ber 2009 betreffende de toegang tot, de uitoefening van
en het prudentieel toezicht op de werkzaamheden van
instellingen voor elektronisch geld, tot wijziging van de
Richtlijnen 2005/60/EG en 2006/48/EG en tot intrekking
van Richtlijn 2000/46/EG;
30° wet van 10 december 2009: de wet van 10 de-
cember 2009 betreffende de betalingsdiensten;
31° instelling voor elektronisch geld: een uitgever van
elektronisch geld als bedoeld in Boek 3, Titel 2;
32° uitgevers van elektronisch geld: de instellingen
en andere entiteiten bedoeld in artikel 59, waarvan de
werkzaamheden bestaan in het uitgeven van elektro-
nisch geld, en de rechtspersonen die vrijgesteld zijn op
grond van artikel 105;
33° elektronisch geld: een elektronische, met inbe-
grip van magnetische, opgeslagen monetaire waarde
vertegenwoordigd door een vordering op de uitgever,
die is uitgegeven in ruil voor ontvangen geld om beta-
lingstransacties te verrichten in de zin van artikel 4, 2°,
van deze wet, en die wordt aanvaard door een andere
natuurlijke of rechtspersoon dan de uitgever van elek-
tronisch geld;
34° houder van elektronisch geld: een natuurlijke of
rechtspersoon die geld overhandigt aan een uitgever
van elektronisch geld in ruil voor de uitgifte van elek-
tronisch geld door die uitgever;
35° gemiddeld uitstaand elektronisch geld: het ge-
middelde totale bedrag van de met elektronisch geld
verband houdende fi nanciële verplichtingen dat op het
einde van elke kalenderdag in omloop is gedurende de
zes voorafgaande kalendermaanden, berekend op de
DOC 53 2432/001
137
2431/001
DOC 53
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 3 e L É G I S L A T U R E
K AMER 3e Z ITTING VAN DE 53e Z ITTING S P E RIO DE
2011
2012
de chaque mois calendaire et appliquée pour le mois
calendaire en question;
36° distributeur: une personne physique ou morale
qui distribue et/ou rembourse de la monnaie électro-
nique pour le compte d’un établissement de monnaie
électronique conformément à l’article 76;
37° FSMA: l’Autorité des services et marchés fi nan-
ciers visée à l’article 44 de la loi du 2 août 2002 relative
à la surveillance du secteur fi nancier et aux services
fi nanciers.”;
38° jour ouvrable: un jour tel que défi ni à l’article 2, 17°
de la loi du 10 décembre 2009. Par exception, pour les
besoins des articles 39, alinéa 1er et 91, la notion de jour
ouvrable vise toute journée du lundi au vendredi inclus. “.
Art. 8
Dans la même loi, il est inséré un Livre 2, comportant
les articles 5 à 58, intitulé “Livre 2 — Statut des établis-
sements de paiement et accès à l’activité de prestataire
de services de paiement et aux systèmes de paiement”.
Art. 9
Dans le Livre 2 de la même loi, inséré par l’article 8
de la présente loi, il est inséré un Titre 1er, comportant
l’article 5, intitulé “Titre 1er. Prestataires de services de
paiement”
Art. 10
L’article 5 de la même loi est remplacé par ce qui suit:
“Art. 5. Sans préjudice des dispositions régissant le
statut des établissements ou autorités énoncés ci-après,
seuls sont autorisés à fournir des services de paiement
en Belgique:
1° les établissements de crédit de droit belge, les
établissements de crédit relevant du droit d’un autre
État membre de l’EEE, habilités à fournir des services
de paiement dans leur État d’origine, et opérant en
Belgique en vertu des articles 65 ou 66 de la loi ban-
caire, ainsi que les succursales d’établissements de
crédit relevant du droit d’un État non membre de l’EEE,
établies en Belgique conformément à l’article 79 de la
loi bancaire;
eerste kalenderdag van elke kalendermaand en toege-
past voor die kalendermaand;
36° distributeur: een natuurlijke of rechtspersoon
die voor rekening van een instelling voor elektronisch
geld elektronisch geld overmaakt en/of terugbetaalt
overeenkomstig artikel 76;
37° FSMA: de Autoriteit voor Financiële Diensten en
Markten bedoeld in artikel 44 van de wet van 2 augus-
tus 2002 betreffende het toezicht op de fi nanciële sector
en de fi nanciële diensten.”;
38° werkdag: een dag zoals omschreven in artikel 2,
17° van de wet van 10 december 2009. Als uitzondering
hierop, betekent het begrip werkdag in het kader van de
artikelen 39, eerste alinea en 91, elke dag van maandag
tot en met vrijdag”.
Art. 8
In dezelfde wet wordt een Boek 2 ingevoegd, dat de
artikelen 5 tot 58 bevat, luidende “BOEK 2 — Statuut
van de betalingsinstellingen, toegang tot het bedrijf
van betalingsdienstaanbieder en toegang tot betalings-
systemen”.
Art. 9
In Boek 2 van dezelfde wet, ingevoegd bij artikel 8
van deze wet, wordt een Titel 1 ingevoegd, die artikel
5 bevat, luidende “Titel 1. Betalingsdienstaanbieders”.
Art. 10
Art.kel 5 van dezelfde wet wordt vervangen als volgt:
“Art. 5. Onverminderd de bepalingen betreffende hun
statuut, mogen alleen de hiernavolgende instellingen
of overheden betalingsdiensten aanbieden in België:
1° kredietinstellingen naar Belgisch recht, krediet-
instellingen die ressorteren onder het recht van een
andere lidstaat van de EER, die gemachtigd zijn om
in hun land van herkomst betalingsdiensten aan te
bieden en die in België werkzaam zijn op grond van de
artikelen 65 of 66 van de bankwet, en bijkantoren van
kredietinstellingen die ressorteren onder het recht van
een staat die geen lid is van de EER, die in België zijn
gevestigd overeenkomstig artikel 79 van de bankwet;
DOC 53 2432/001
138
2431/001
DOC 53
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 3 e L É G I S L A T U R E
K AMER 3e Z ITTING VAN DE 53e Z ITTING S P E RIO DE
2011
2012
2° les établissements de monnaie électronique de
droit belge, les établissements de monnaie électronique
relevant du droit d’un autre État membre de l’EEE
et opérant en Belgique en vertu de l’article 91 de la
présente loi, ainsi que, pour les services de paiement
nécessaires à leur activité d’émission de monnaie élec-
tronique, les succursales d’établissements de monnaie
électronique relevant du droit d’un État non membre de
l’EEE, établies en Belgique en application du Livre 3,
Titre 2, Chapitre 3 de la présente loi;
3° la société anonyme de droit public bpost;
4° la Banque nationale de Belgique et la Banque
Centrale Européenne, lorsqu’elles n’agissent pas en
qualité d’autorité monétaire ou autre autorité publique;
5° les autorités fédérales, régionales, communau-
taires et locales belges, lorsqu’elles n’agissent pas en
qualité d’autorité publique;
6° les établissements de paiement visés au Titre
2, en ce compris les personnes morales bénéfi ciant
d’une exemption, totale ou partielle, conformément à
l’article 48.”.
Art. 11
Dans l’article 6 de la même loi, les modifi cations
suivantes sont apportées:
1° l’alinéa 1er est remplacé par ce qui suit:
“Toute personne morale de droit belge qui entend
fournir des services de paiement en Belgique en qua-
lité d’établissement de paiement, est tenue, avant de
commencer ses opérations, de se faire agréer auprès de
la Banque, quels que soient les autres lieux d’exercice
de ses activités.”;
2° l’article est complété par un alinéa rédigé comme
suit:
“Seuls les établissements de paiement établis en
Belgique et les établissements de paiement relevant du
droit d’un autre État membre de l’EEE opérant en Bel-
gique sous le régime de la libre prestation de services
en vertu de l’article 39 de la présente loi sont autorisés
à faire usage public en Belgique des termes “établisse-
ment de paiement”, notamment dans leur dénomination
sociale, dans la désignation de leur objet social, dans
leurs titres, effets ou documents ou dans leur publicité.”.
2° instellingen voor elektronisch geld naar Belgisch
recht, instellingen voor elektronisch geld die ressorteren
onder het recht van een andere lidstaat van de EER en
die in België werkzaam zijn op grond van artikel 91 van
deze wet, en, voor de betalingsdiensten die voor hun
activiteit van uitgifte van elektronisch geld vereist zijn,
bijkantoren van instellingen voor elektronisch geld die
ressorteren onder het recht van een staat die geen lid is
van de EER, die in België zijn gevestigd met toepassing
van Boek 3, Titel 2, Hoofdstuk 3 van deze wet;
3° de naamloze vennootschap van publiek recht
bpost;
4° de Nationale Bank van België en de Europese
Centrale Bank, wanneer zij niet handelen in hun hoe-
danigheid van monetaire of andere publieke autoriteit;
5° de Belgische federale, gewestelijke en lokale
overheden en de overheden van de gemeenschappen
in België, wanneer zij niet handelen in hun hoedanigheid
van publieke autoriteit;
6° de betalingsinstellingen bedoeld in Titel 2, met in-
begrip van de rechtspersonen die geheel of gedeeltelijk
zijn vrijgesteld op grond van artikel 48.”.
Art. 11
In artikel 6 van dezelfde wet worden de volgende
wijzigingen aangebracht:
1° het eerste lid wordt vervangen als volgt:
“Iedere rechtspersoon naar Belgisch recht die in
België betalingsdiensten wil aanbieden als betalings-
instelling, moet, vooraleer zij haar werkzaamheden
aanvat, een vergunning verkrijgen van de Bank, onge-
acht de overige plaatsen waar zij haar werkzaamheden
uitoefent.”;
2° het artikel wordt aangevuld met een lid, luidende:
“In België mogen alleen betalingsinstellingen die in
België zijn gevestigd en betalingsinstellingen die res-
sorteren onder het recht van een andere lidstaat van
de EER en die in België werkzaam zijn in het kader van
het vrij verrichten van diensten op grond van artikel 39
van deze wet, publiekelijk gebruik maken van de termen
“betalingsinstelling”, inzonderheid in hun naam, in de
opgave van hun doel, in hun effecten, waarden, stukken
of in hun reclame.”.
DOC 53 2432/001
139
2431/001
DOC 53
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 3 e L É G I S L A T U R E
K AMER 3e Z ITTING VAN DE 53e Z ITTING S P E RIO DE
2011
2012
Art. 12
Dans l’article 7 de la même loi, les modifi cations
suivantes sont apportées:
1° dans le 4°, les mots “pour les établissements de
paiement qui exercent, en sus des services de paiement,
d’autres activités au sens de l’article 21,” sont abrogés.
2° le 12° est abrogé.
Art. 13
Dans l’article 8, alinéa 1er de la même loi, les mots “,
pour autant qu’elle parvienne à une évaluation globa-
lement favorable” sont abrogés.
Art. 14
Dans l’article 11, alinéa 2 de la même loi, le mot
“cumulatives” est abrogé.
Art. 15
Dans l’article 14 de la même loi, les modifi cations
suivantes sont apportées:
1° dans le paragraphe 3, un alinéa rédigé comme suit
est inséré entre les alinéas 3 et 4:
“Ils prennent les mesures nécessaires pour pouvoir
disposer en permanence d’une fonction de compliance
indépendante adéquate, destinée à assurer le respect,
par l’établissement, ses administrateurs, ses dirigeants
effectifs, ses salariés et ses mandataires, des règles
de droit relatives à l’intégrité de l’activité des établis-
sements de paiement.”;
2° dans le paragraphe 4, les mots “et fonction de ges-
tion des risques adéquate” sont remplacés par les mots
“, fonction de gestion des risques adéquate et fonction
de compliance indépendante adéquate”;
3° dans le paragraphe 5, alinéa 1, les mots “des para-
graphes 1er, 2 et 3” sont remplacés par les mots “des
paragraphes 1er, 2 et 3 et de l’article 23, alinéa 1er, f)”.
4° dans le paragraphe 5, alinéa 2, les mots “des
paragraphes 1er, 2 et 3 et de l’alinéa 1er du présent para-
graphe” sont remplacés par les mots “des paragraphes
1er, 2 et 3 du présent article, de l’alinéa 1er du présent
paragraphe et de l’article 23, alinéa 1er, f)”
Art. 12
In artikel 7 van dezelfde wet worden de volgende
wijzigingen aangebracht:
1° in de bepaling onder 4° worden de woorden “voor de
betalingsinstellingen die naast betalingsdiensten andere
werkzaamheden verrichten in de zin van artikel 21,” geschrapt.
2° de bepaling onder 12° wordt opgeheven.
Art. 13
In artikel 8, eerste lid, van dezelfde wet, worden de
woorden “, en voor zover zij over de gehele lijn tot een
positief oordeel komt” geschrapt.
Art. 14
In artikel 11, tweede lid van dezelfde wet wordt het
woord “cumulatief” geschrapt.
Art. 15
In artikel 14 van dezelfde wet worden de volgende
wijzigingen aangebracht:
1° in paragraaf 3 wordt tussen het derde en het vierde
lid een lid ingevoegd, luidende:
“Zij neemt de nodige maatregelen om blijvend te
kunnen beschikken over een passende onafhankelijke
compliancefunctie, om de naleving door de instelling,
haar bestuurders, effectieve leiding, werknemers en
gevolmachtigden te verzekeren van de rechtsregels in
verband met de integriteit van de werkzaamheden van
de betalingsinstellingen.”;
2° in paragraaf 4 worden de woorden “en een pas-
sende risicobeheerfunctie” vervangen door de woorden
“, een passende risicobeheerfunctie en een passende
onafhankelijke compliancefunctie”;
3° In paragraaf 5, eerste lid, worden de woorden “bij
de paragrafen 1, 2 en 3” vervangen door de woorden
“bij de paragrafen 1, 2 en 3 en artikel 23, eerste lid, f)”.
4° In paragraaf 5, tweede lid, worden de woorden “bij
de paragrafen 1, 2 en 3 en het eerste lid van deze para-
graaf” vervangen door de woorden “bij de paragrafen 1,
2 en 3 van dit artikel, het eerste lid van deze paragraaf
en artikel 23, eerste lid, f)”.
DOC 53 2432/001
140
2431/001
DOC 53
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 3 e L É G I S L A T U R E
K AMER 3e Z ITTING VAN DE 53e Z ITTING S P E RIO DE
2011
2012
5° dans le paragraphe 5, alinéa 2 et dans le para-
graphe 6, les mots “, le cas échéant par l’intermédiaire
du comité d’audit,” sont chaque fois abrogés.
Art. 16
Dans l’article 21 de la même loi, les modifi cations
suivantes sont apportées:
1° Le paragraphe 1er est remplacé par ce qui suit:
“Les établissements de paiement sont habilités à
exercer des activités autres que les services de paie-
ment, moyennant l’autorisation préalable de la Banque.
Sans préjudice de l’article 25, dernier alinéa, si la
Banque autorise un établissement de paiement à exé-
cuter des activités autres que des services de paiement,
elle peut, en vue d’une gestion saine et prudente et
d’une maîtrise des risques appropriée par l’établisse-
ment de paiement, ou pour les besoins d’un contrôle
prudentiel adapté dudit établissement, subordonner à
certaines conditions complémentaires l’exercice d’acti-
vités autres que les services de paiement ou les activités
visées au paragraphe 2.
En outre, la Banque peut exiger que l’exercice des
services de paiement soit logée dans une entité juridique
distincte de l’entité exerçant d’autres activités.”.
2° Dans la version néerlandaise, au paragraphe 2,
2°, les mots “het exploiteren van betalingssystemen”
sont remplacés par les mots “het beheer van betalings-
systemen”.
3° Dans le paragraphe 4, alinéa 2, et dans le para-
graphe 5, les mots “au sens de l’article 3, 7°, de la loi
bancaire” sont chaque fois abrogés.
4° Dans le paragraphe 6, alinéa 1, les mots “sauf
autorisation de” sont remplacés par les mots “sauf
autorisation préalable de”.
5° Dans le paragraphe 6, alinéa 2, les mots “et
d’exploitation de systèmes de paiement” sont remplacés
par les mots “et de gestion de systèmes de paiement”.
Art. 17
Dans l’article 22, paragraphe 1er, alinéa 1er de la
même loi, les modifi cations suivantes sont apportées:
5° in paragraaf 5, tweede lid en in paragraaf 6 woor-
den de woorden “, in voorkomend geval via het audit-
comité,” geschrapt.
Art. 16
In artikel 21 van dezelfde wet worden de volgende
wijzigingen aangebracht:
1° Paragraaf 1 wordt vervangen als volgt:
“Betalingsinstellingen mogen andere werkzaamhe-
den dan betalingsdiensten verrichten, mits hiervoor
voorafgaandelijk toestemming is verleend door de Bank.
Indien de Bank erin toestemt dat een betalingsinstel-
ling andere werkzaamheden dan betalingsdiensten
verricht, kan zij, onverminderd artikel 25, laatste lid en
gelet op de noodzaak van een gezond en voorzichtig
beleid en een passende risicobeheersing door de
betalingsinstelling of op de vereiste van een passend
prudentieel toezicht op deze instelling, de uitoefening
van andere werkzaamheden dan betalingsdiensten of
de in paragraaf 2 bedoelde werkzaamheden aan aan-
vullende voorwaarden onderwerpen.
Bovendien kan de Bank eisen dat het betalingsdien-
stenbedrijf ondergebracht wordt in een afzonderlijke
juridische entiteit, afgescheiden van deze die andere
werkzaamheden uitoefent.”.
2° In de Nederlandse versie van paragraaf 2, 2°,
worden de woorden “het exploiteren van betalingssys-
temen” vervangen door de woorden “het beheer van
betalingssystemen”.
3° In paragraaf 4, tweede lid en in paragraaf 5 worden
de woorden “in de zin van artikel 3, 7°, van de bankwet”
telkens geschrapt.
4° In de Franse versie van paragraaf 6, eerste lid,
worden de woorden “sauf autorisation de” vervangen
door de woorden “sauf autorisation préalable de”.
5° In paragraaf 6, tweede lid, worden de woorden “en
exploiteren van betalingsystemen” vervangen door de
woorden “en het beheer van betalingssystemen”.
Art. 17
In artikel 22, paragraaf 1, eerste lid van dezelfde wet,
worden de volgende wijzigingen aangebracht:
DOC 53 2432/001
141
2431/001
DOC 53
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 3 e L É G I S L A T U R E
K AMER 3e Z ITTING VAN DE 53e Z ITTING S P E RIO DE
2011
2012
1° les mots “Lorsqu’un établissement de paiement
exerce des activités autres que les services de paiement
et les services visés à l’article 21, § 2, 1°, les fonds qui
ont été reçus” sont remplacés par les mots “Les fonds
reçus par un établissement de paiement”;
2° au point c), les mots “pour un montant qui est égal
au montant qui serait aliéné en l’absence d’une assu-
rance, d’une garantie ou d’une caution”, sont remplacés
par les mots “pour un montant qui aurait été affecté en
application du point b)”.
3° L’article est complété par un paragraphe 4 rédigé
comme suit:
“Sans préjudice des pouvoirs dévolus à l’organe légal
d’administration en ce qui concerne la détermination de
la politique générale, tels que prévus par le Code des
sociétés, les personnes chargées de la direction effec-
tive de l’établissement de paiement, le cas échéant le
comité de direction, prennent, sous la surveillance de
l’organe légal d’administration, les mesures nécessaires
pour assurer le respect des paragraphes 1er et 2.
L’organe légal d’administration de l’établissement
de paiement doit contrôler au moins une fois par an si
l’établissement se conforme aux dispositions des para-
graphes 1er et 2 et de l’alinéa 1er du présent paragraphe,
et prend connaissance des mesures adéquates prises.
Les personnes chargées de la direction effective,
le cas échéant le comité de direction, font rapport au
moins une fois par an à l’organe légal d’administration,
à la Banque et au commissaire agréé sur le respect des
dispositions de l’alinéa 1er du présent paragraphe et sur
les mesures adéquates prises.
Ces informations sont transmises à la Banque et au
commissaire agréé selon les modalités que la Banque
détermine.”.
Art. 18
À l’article 28, alinéa 4 de la même loi, les mots “aux
articles 144 et 148 du Code des sociétés” sont rempla-
cés par les mots “à l’article 33, alinéa 1er, 2°”.
1° de woorden “Wanneer een betalingsinstelling
andere werkzaamheden verricht dan betalingsdiensten
en de bij artikel 21, § 2, 1°, bedoelde diensten, dienen
de geldmiddelen die zij van betalingsdienstgebruikers
rechtstreeks of via andere betalingsdienstaanbieders
voor de uitvoering van betalingstransacties ontvangt”
worden vervangen door de woorden “De geldmiddelen
die een betalingsinstelling rechtstreeks of via andere be-
talingsdienstaanbieders van betalingsdienstgebruikers
ontvangt voor de uitvoering van betalingstransacties,
dienen”
2° in punt c) worden de woorden “voor een bedrag
dat gelijk is aan het bedrag dat afgescheiden zou zijn
bij afwezigheid van een verzekering, garantie of waar-
borg” vervangen door de woorden “voor een bedrag dat
besteed geweest zou zijn met toepassing van punt b)”.
3° Het artikel wordt aangevuld met een paragraaf 4,
luidende:
“Onverminderd de bevoegdheden van het wettelijke
bestuursorgaan inzake vaststelling van het algemeen
beleid als bepaald bij het Wetboek van Vennootschap-
pen, nemen de personen belast met de effectieve
leiding van de betalingsinstelling, in voorkomend geval
het directiecomité, onder toezicht van het wettelijke be-
stuursorgaan de nodige maatregelen voor de naleving
van het bepaalde bij de paragrafen 1 en 2.
Het wettelijke bestuursorgaan van de betalingsinstel-
ling dient minstens jaarlijks te controleren of de instelling
beantwoordt aan het bepaalde bij de paragrafen 1 en 2
en het eerste lid van deze paragraaf, en neemt kennis
van de genomen passende maatregelen.
De personen belast met de effectieve leiding, in
voorkomend geval het directiecomité, lichten minstens
jaarlijks het wettelijke bestuursorgaan, de Bank en de
erkende commissaris in over de naleving van het be-
paalde bij het eerste lid van deze paragraaf en over de
genomen passende maatregelen.
De informatieverstrekking aan de Bank en de erkende
commissaris gebeurt volgens de modaliteiten die de
Bank bepaalt.”.
Art. 18
In artikel 28, vierde lid van dezelfde wet, worden de
woorden “in de artikelen 144 en 148 van het Wetboek
van Vennootschappen”, vervangen door de woorden “in
artikel 33, eerste lid, 2°”.
DOC 53 2432/001
142
2431/001
DOC 53
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 3 e L É G I S L A T U R E
K AMER 3e Z ITTING VAN DE 53e Z ITTING S P E RIO DE
2011
2012
Art. 19
À l’article 33, alinéa 1er, 1° de la même loi, tel que
remplacé par la loi du 28 juillet 2011, les mots “confor-
mément à l’article 14, § 3, alinéa 1er” sont remplacés
par les mots “conformément aux articles 14, § 3, alinéa
1er et 23, alinéa 1er, f)”.
Art. 20
Dans l’article 35 de la même loi, les modifi cations
suivantes sont apportées:
a) le paragraphe 1er est remplacé par ce qui suit:
“§ 1er. Lorsque la Banque constate qu’un établis-
sement de paiement ne fonctionne pas en conformité
avec les dispositions de la présente loi et des arrêtés et
règlements pris pour son exécution, que sa gestion ou
sa situation fi nancière sont de nature à mettre en cause
la bonne fi n de ses engagements ou n’offrent pas des
garanties suffisantes sur le plan de sa solvabilité, de
sa liquidité ou de sa rentabilité, que ses structures de
gestion, son organisation administrative ou comptable,
son réseau d’agents ou de succursales, ou son contrôle
interne présentent des lacunes graves, ou que la pour-
suite de ses activités représente une menace pour la
stabilité du système de paiement, elle fi xe le délai dans
lequel il doit être remédié à la situation constatée.
Si, au terme de ce délai, il n’a pas été remédié à la
situation, la Banque peut:
1° désigner un commissaire spécial.
Dans ce cas, l’autorisation écrite, générale ou spé-
ciale de celui-ci est requise pour tous les actes et déci-
sions de tous les organes de l’établissement, y compris
l’assemblée générale, et pour ceux des personnes
chargées de la gestion; la Banque peut toutefois limiter
le champ des opérations soumises à autorisation.
Le commissaire spécial peut soumettre à la délibéra-
tion de tous les organes de l’établissement, y compris
l’assemblée générale, toutes propositions qu’il juge
opportunes. La rémunération du commissaire spécial
est fi xée par la Banque et supportée par l’établissement.
Les membres des organes d’administration et de
gestion et les personnes chargées de la gestion qui
accomplissent des actes ou prennent des décisions
sans avoir recueilli l’autorisation requise du commissaire
spécial sont responsables solidairement du préjudice
qui en est résulté pour l’établissement ou les tiers.
Art. 19
In artikel 33, eerste lid, 1° van dezelfde wet, vervan-
gen bij de wet van 28 juli 2011, worden de woorden
“overeenkomstig artikel 14, § 3, eerste lid” vervangen
door de woorden “overeenkomstig de artikelen 14, § 3,
eerste lid en 23, eerste lid, f)”.
Art. 20
In artikel 35 van dezelfde wet worden de volgende
wijzigingen aangebracht:
a) paragraaf 1 wordt vervangen als volgt:
“§ 1. Wanneer de Bank vaststelt dat een betalings-
instelling niet werkt overeenkomstig de bepalingen van
deze wet en de ter uitvoering ervan genomen besluiten
en reglementen, dat haar beleid of fi nanciële positie de
goede afl oop van haar verbintenissen in het gedrang
dreigt te brengen of niet voldoende waarborgen biedt
voor haar solvabiliteit, liquiditeit of rendabiliteit, dat haar
beleidsstructuren, haar administratieve of boekhoud-
kundige organisatie, haar agenten- of bijkantorennet, of
haar interne controle ernstige leemten vertoont, of dat
de voortzetting van haar bedrijf een bedreiging vormt
voor de stabiliteit van het betalingssysteem, stelt zij de
termijn vast waarbinnen deze toestand moet worden
verholpen.
Indien de toestand na deze termijn niet is verholpen,
kan de Bank:
1° een speciaal commissaris aanstellen.
In dit geval is voor alle handelingen en beslissingen
van alle organen van de instelling, inclusief de alge-
mene vergadering, alsook voor die van de personen
die instaan voor het beleid, zijn schriftelijke, algemene
of bijzondere toestemming vereist; de Bank kan de ver-
richtingen waarvoor een toestemming is vereist evenwel
beperken.
De speciaal commissaris mag elk voorstel dat hij
nuttig acht, voorleggen aan alle organen van de instel-
ling, inclusief de algemene vergadering. De bezoldiging
van de speciaal commissaris wordt vastgesteld door de
Bank en gedragen door de instelling.
De leden van de bestuurs- en beleidsorganen en de
personen die instaan voor het beleid, die handelingen
stellen of beslissingen nemen zonder de vereiste toe-
stemming van de speciaal commissaris, zijn hoofdelijk
aansprakelijk voor het nadeel dat hieruit voor de instel-
ling of voor derden voortvloeit.
DOC 53 2432/001
143
2431/001
DOC 53
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 3 e L É G I S L A T U R E
K AMER 3e Z ITTING VAN DE 53e Z ITTING S P E RIO DE
2011
2012
Si la Banque a publié au Moniteur belge la dési-
gnation du commissaire spécial et spécifi é les actes et
décisions soumis à son autorisation, les actes et déci-
sions intervenus sans cette autorisation alors qu’elle
était requise sont nuls, à moins que le commissaire
spécial ne les ratifi e. Dans les mêmes conditions toute
décision d’assemblée générale prise sans avoir recueilli
l’autorisation requise du commissaire spécial est nulle,
à moins que le commissaire spécial ne la ratifi e.
La Banque peut désigner un commissaire suppléant.
2° suspendre pour la durée qu’elle détermine l’exer-
cice direct ou indirect de tout ou partie de l’activité de
l’établissement de paiement ou interdire cet exercice;
cette suspension peut, dans la mesure déterminée par
la Banque, impliquer la suspension totale ou partielle
de l’exécution des contrats en cours.
Les membres des organes d’administration et de
gestion et les personnes chargées de la gestion qui
accomplissent des actes ou prennent des décisions en
violation de la suspension sont responsables solidaire-
ment du préjudice qui en est résulté pour l’établissement
de paiement ou les tiers.
Si la Banque a publié la suspension au Moniteur
belge, les actes et décisions intervenus à l’encontre
de celle-ci sont nuls.
La Banque peut, de même, enjoindre à un établis-
sement de paiement de céder des participations qu’il
détient, le cas échéant, conformément à l’article 21, § 6;
3° imposer, en matière de solvabilité, des exigences
plus strictes que celles visées à l’article 17;
4° enjoindre le remplacement des administrateurs ou
gérants de l’établissement de paiement dans un délai
qu’elle détermine et, à défaut d’un tel remplacement
dans ce délai, substituer à l’ensemble des organes
d’administration et de gestion de l’établissement un
ou plusieurs administrateurs ou gérants provisoires qui
disposent, seuls ou collégialement selon le cas, des
pouvoirs des personnes remplacées. La Banque publie
sa décision au Moniteur belge.
La rémunération du ou des administrateurs ou
gérants provisoires est fi xée par la Banque et supportée
par l’établissement de paiement.
Indien de Bank de aanstelling van een speciaal com-
missaris in het Belgisch Staatsblad heeft bekendge-
maakt, met opgave van de handelingen en beslissingen
waarvoor zijn toestemming is vereist, zijn alle handelin-
gen en beslissingen zonder deze vereiste toestemming
nietig, tenzij de speciaal commissaris die bekrachtigt.
Onder dezelfde voorwaarden zijn alle beslissingen van
de algemene vergadering zonder de vereiste toestem-
ming van de speciaal commissaris nietig, tenzij hij die
bekrachtigt.
De Bank kan een plaatsvervangend commissaris
aanstellen.
2° voor de termijn die zij bepaalt, de rechtstreekse
of onrechtstreekse uitoefening van het bedrijf van de
betalingsinstelling geheel of ten dele schorsen dan wel
verbieden; deze schorsing kan, in de door de Bank
bepaalde mate, de volledige of gedeeltelijke schorsing
van de uitvoering van de lopende overeenkomsten tot
gevolg hebben.
De leden van de bestuurs- en beleidsorganen en de
personen die instaan voor het beleid, die handelingen
stellen of beslissingen nemen ondanks de schorsing,
zijn hoofdelijk aansprakelijk voor het nadeel dat hieruit
voor de betalingsinstelling of voor derden voortvloeit.
Indien de Bank de schorsing in het Belgisch Staats-
blad heeft bekendgemaakt, zijn alle hiermee strijdige
handelingen en beslissingen nietig.
De Bank kan een betalingsinstelling tevens gelasten
deelnemingen over te dragen die zij in voorkomend
geval bezit overeenkomstig artikel 21, § 6;
3° inzake solvabiliteit, strengere vereisten opleggen
dan deze bedoeld in artikel 17;
4° de vervanging gelasten van bestuurders of
zaakvoerders van de betalingsinstelling binnen een
termijn die zij bepaalt en, zo binnen deze termijn geen
vervanging geschiedt, in de plaats van de voltallige
bestuurs- en beleidsorganen van de instelling een of
meer voorlopige bestuurders of zaakvoerders aanstel-
len die alleen of collegiaal, naargelang van het geval,
de bevoegdheden hebben van de vervangen personen.
De Bank maakt haar beslissing bekend in het Belgisch
Staatsblad.
De bezoldiging van de voorlopige bestuurder(s) of
zaakvoerder(s) wordt vastgesteld door de Bank en
gedragen door de betalingsinstelling.
DOC 53 2432/001
144
2431/001
DOC 53
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 3 e L É G I S L A T U R E
K AMER 3e Z ITTING VAN DE 53e Z ITTING S P E RIO DE
2011
2012
La Banque peut, à tout moment, remplacer le ou les
administrateurs ou gérants provisoires, soit d’office, soit
à la demande d’une majorité des actionnaires ou asso-
ciés lorsqu’ils justifi ent que la gestion des intéressés ne
présente plus les garanties nécessaires;
5° révoquer l’agrément. La Banque rend publique,
sur son site internet, toute décision de révocation d’un
agrément.
En cas d’extrême urgence, la Banque peut adopter
les mesures visées au présent paragraphe sans qu’un
délai de redressement ne soit préalablement fi xé.
b) dans le paragraphe 3, alinéa 1er, les mots “para-
graphe 1er, alinéas 1er et 2, 1°” sont remplacés par les
mots “paragraphe 1er, alinéas 1er et 2, 2°”.
Art. 21
Dans la même loi, l’article 40, dont le texte actuel for-
mera le paragraphe 1er, est complété par un paragraphe
2 rédigé comme suit:
“§ 2. Les dirigeants de la succursale font rapport au
moins une fois par an à la Banque et au réviseur agréé
ou à la société de réviseurs agréée sur l’adéquation
des mesures de contrôle interne adoptées par les
succursales en vue de se conformer aux dispositions
applicables en vertu du paragraphe 1er.”.
Art. 22
L’article 48 de la même loi est remplacé par ce qui
suit:
“§ 1er. La Banque peut exempter de l’application de
tout ou partie des dispositions du présent Livre et de
ses arrêtés d’exécution les personnes morales:
1° dont le montant total moyen, pour les douze mois
précédents, des opérations de paiement exécutées par
elles, ou par tout agent dont elles assument l’entière
responsabilité, ne dépasse pas 3 000 000 euros sur
un mois. Ce critère est évalué par rapport au montant
total prévu des opérations de paiement dans leur plan
d’affaires, et sous réserve d’un éventuel ajustement de
ce plan exigé par la Banque; et
2° dont aucune des personnes physiques respon-
sables de la gestion ou de l’exercice de l’activité n’a été
condamnée pour des infractions liées au blanchiment
De Bank kan op elk tijdstip de voorlopige bestuurder(s)
of zaakvoerder(s) vervangen, hetzij ambtshalve, hetzij
op verzoek van een meerderheid van aandeelhouders
of vennoten, wanneer zij aantonen dat het beleid van
de betrokkenen niet meer de nodige waarborgen biedt;
5° de vergunning herroepen. De Bank maakt alle
beslissingen tot herroeping van een vergunning bekend
op haar website.
Bij uiterste hoogdringendheid kan de Bank de in deze
paragraaf bedoelde maatregelen nemen zonder dat
vooraf een hersteltermijn wordt vastgesteld.
b) in paragraaf 3, eerste lid, worden de woorden
“paragraaf 1, eerste en tweede lid, 1°” vervangen door
de woorden “paragraaf 1, eerste lid en tweede lid, 2°”.
Art. 21
In dezelfde wet wordt artikel 40, waarvan de be-
staande tekst paragraaf 1 zal vormen, aangevuld met
een paragraaf 2, luidende:
“§ 2. De leiders van het bijkantoor brengen minstens
eenmaal per jaar verslag uit aan de Bank en aan de
erkende revisor of de erkende revisorenvennootschap,
over de deugdelijkheid van de internecontrolemaatre-
gelen die de bijkantoren hebben getroffen om zich te
conformeren aan de bepalingen die krachtens paragraaf
1 van toepassing zijn.”.
Art. 22
Artikel 48 van dezelfde wet wordt vervangen als volgt:
“§ 1. De Bank kan geheel of gedeeltelijk vrijstelling
verlenen van de toepassing van de bepalingen van dit
Boek en zijn uitvoeringsbesluiten aan rechtspersonen:
1° waarvoor geldt dat het gemiddelde van het totale
bedrag aan betalingstransacties die zij of de agenten
waarvoor zij volledig aansprakelijk zijn, in de vooraf-
gaande twaalf maanden hebben verricht, niet hoger
is dan 3 000 000 euro per maand. Dit criterium wordt
beoordeeld op basis van het in het bedrijfsplan begrote
totale bedrag aan betalingstransacties, rekening hou-
dend met de eventuele aanpassingen in dit plan die de
Bank heeft verlangd; en
2° waarvoor geldt dat geen enkele van de met
het beleid of de uitoefening van de werkzaamheden
belaste natuurlijke personen veroordeeld is wegens
DOC 53 2432/001
145
2431/001
DOC 53
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 3 e L É G I S L A T U R E
K AMER 3e Z ITTING VAN DE 53e Z ITTING S P E RIO DE
2011
2012
de capitaux, au fi nancement du terrorisme ou visées à
l’article 19, § 1er, 1° et 2° de la loi bancaire.
La Banque ne peut exempter ces personnes morales
de l’application des articles 21 et 22 de la présente loi.
§ 2. Les personnes morales visées au paragraphe
1er, qui sont exemptées, sont inscrites au registre visé
à l’article 9. L’article 9 s’applique par analogie à ces
personnes morales en ce qui concerne les informa-
tions fournies sur le site internet de la Banque et leur
actualisation régulière. Sans préjudice du paragraphe
1er, dernier alinéa, le site internet mentionne que ces
personnes morales bénéfi cient d’une exemption, totale
ou partielle, en application du présent article.
§ 3. Les personnes morales bénéfi ciant d’une exemp-
tion accordée en vertu du paragraphe 1er:
1° doivent avoir leur administration centrale en
Belgique, et exercer effectivement leurs activités de
services de paiement sur le territoire belge;
2° ne bénéfi cient pas du régime de reconnaissance
mutuelle prévu par l’article 39 de la présente loi;
3° informent la Banque de tout changement de leur
situation ayant une incidence sur les conditions énon-
cées au paragraphe 1er et rendent compte périodique-
ment à la Banque, du montant total moyen, pour les
douze mois précédents, des opérations de paiement
exécutées par elles, ou par tout agent dont elles assu-
ment l’entière responsabilité. La Banque détermine la
fréquence de ce rapport.
4° appliquent les dispositions de la loi du 11 jan-
vier 1993 relative à la prévention de l’utilisation du
système fi nancier aux fi ns du blanchiment de capitaux
et du fi nancement du terrorisme qui sont applicables
aux établissements de paiement, et des arrêtés et
règlements pris pour son exécution.
§ 4. Le Roi peut prévoir qu’une personne morale
bénéfi ciant d’une exemption accordée en vertu du para-
graphe 1er ne peut exercer que certaines des activités
énumérées à l’article 21, §§ 1er à 3.
§ 5. Lorsque les conditions énoncées aux para-
graphes 1er, et 3, 1° ne sont plus remplies, les personnes
morales exemptées demandent l’agrément dans un
délai de trente jours calendaires conformément aux
articles 6 et suivants.
strafbare feiten in verband met het witwassen van geld
of terrorismefi nanciering,of zoals bedoeld in artikel 19,
§ 1er, 1° en 2° van de bankwet.
De Bank kan deze rechtspersonen niet vrijstellen
van de toepassing van artikelen 21 en 22 van deze wet.
§ 2. De rechtspersonen bedoeld in de eerste pa-
ragraaf die vrijgesteld zijn, worden ingeschreven in
het register bedoeld in artikel 9. Artikel 9 is op deze
rechtspersonen van overeenkomstige toepassing voor
wat betreft de informatie die op de website van de Bank
wordt verstrekt en de geregelde actualisering ervan.
Onverminderd paragraaf 1, laatste lid, vermeldt de web-
site dat deze rechtspersonen geheel of gedeeltelijk zijn
vrijgesteld met toepassing van dit artikel.
§ 3. De rechtspersonen die vrijgesteld zijn op grond
van paragraaf 1:
1° hebben hun hoofdkantoor in België en oefenen
hun betalingsdienstactiviteiten daadwerkelijk op het
Belgische grondgebied uit;
2° komen niet in aanmerking voor de regeling inzake
wederzijdse erkenning vastgesteld in artikel 39 van
deze wet;
3° stellen de Bank in kennis van elke verandering
in hun situatie die relevant is voor de in paragraaf 1
gestelde voorwaarden en brengen periodiek verslag uit
aan de Bank over het gemiddelde van het totale bedrag
aan betalingstransacties die zij of de agenten waarvoor
zij volledig aansprakelijk zijn, in de voorafgaande twaalf
maanden hebben verricht. De Bank bepaalt de frequen-
tie van deze rapportering.
4° passen de bepalingen toe van de wet van 11 janua-
ri 1993 tot voorkoming van het gebruik van het fi nanciële
stelsel voor het witwassen van geld en de fi nanciering
van terrorisme die gelden voor betalingsinstellingen,
en van de ter uitvoering ervan genomen besluiten en
reglementen.
§ 4. De Koning kan bepalen dat een rechtspersoon die
vrijgesteld is op grond van paragraaf 1, alleen sommige
van de in artikel 21, §§ 1 tot 3 opgesomde werkzaam-
heden mag uitoefenen.
§ 5. Wanneer de in de paragrafen 1 en 3, 1° gestelde
voorwaarden niet langer vervuld zijn, vragen de vrijge-
stelde rechtspersonen binnen 30 kalenderdagen een
vergunning aan overeenkomstig artikel 6 en volgende.
DOC 53 2432/001
146
2431/001
DOC 53
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 3 e L É G I S L A T U R E
K AMER 3e Z ITTING VAN DE 53e Z ITTING S P E RIO DE
2011
2012
Les établissements qui n’ont pas demandé l’agré-
ment dans ce délai se voient interdire, conformément
à l’article 5, de fournir des services de paiement en
Belgique.”.
Art. 23
Dans l’article 51 de la même loi, les modifi cations
suivantes sont apportées:
a) dans le 2°, les mots “, alinéas 1er et 2” sont abrogés;
b) dans le 8°, les mots “conformément à l’article 35,
§ 1er, alinéa 2, 1°” sont remplacés par les mots “confor-
mément à l’article 35, § 1er, alinéa 2, 2°”.
Art. 24
Dans l’article 58 de la même loi, les mots “La présente
loi” sont remplacés par les mots “Le présent Livre”.
Art. 25
Dans la même loi, il est inséré un Livre 3, intitulé
“Livre 3. Accès à l’activité d’émission de monnaie
électronique et statut des établissements de monnaie
électronique”.
Art. 26
Dans le Livre 3 de la même loi, inséré par l’article 25,
il est inséré un Titre 1er, intitulé “Titre 1er. Emetteurs de
monnaie électronique”.
Art. 27
Dans le Livre 3, Titre 1er de la même loi, inséré par
l’article 26, il est inséré un article 59 rédigé comme suit:
“Article 59. Sans préjudice des dispositions régissant
le statut des établissements ou autorités énoncés ci-
après, seuls peuvent exercer l’activité d’émission de
monnaie électronique en Belgique:
1° les établissements de crédit de droit belge, les
établissements de crédit relevant du droit d’un autre État
membre de l’EEE, autorisés à émettre de la monnaie
électronique dans leur État d’origine et opérant en Bel-
gique en vertu des articles 65 ou 66 de la loi bancaire,
Voor de instellingen die binnen deze termijn geen
vergunning hebben aangevraagd, is het overeenkomstig
artikel 5 verboden om in België betalingsdiensten aan
te bieden.”.
Art. 23
In artikel 51 van dezelfde wet worden de volgende
wijzigingen aangebracht:
a) in de bepaling onder 2° worden de woorden “eerste
en tweede lid,” geschrapt;
b) in de bepaling onder 8° worden de woorden
“overeenkomstig artikel 35, § 1, tweede lid, 1°” vervan-
gen door de woorden “overeenkomstig artikel 35, § 1,
tweede lid, 2°”.
Art. 24
In artikel 58 van dezelfde wet worden de woorden
“Deze wet” vervangen door de woorden “Dit Boek”.
Art. 25
In dezelfde wet wordt een Boek 3 ingevoegd, lui-
dende “Boek 3. Toegang tot de activiteit van uitgifte van
elektronisch geld en statuut van de instellingen voor
elektronisch geld”.
Art. 26
In Boek 3 van dezelfde wet, ingevoegd bij artikel 25,
wordt een Titel 1 ingevoegd, luidende “Titel 1. Uitgevers
van elektronisch geld”.
Art. 27
In Boek 3, Titel 1 van dezelfde wet, ingevoegd bij
artikel 26, wordt een artikel 59 ingevoegd, luidende:
“Artikel 59. Onverminderd de bepalingen betreffende
hun statuut, mogen alleen de hiernavolgende instellin-
gen of overheden elektronisch geld uitgeven in België:
1° kredietinstellingen naar Belgisch recht, krediet-
instellingen die ressorteren onder het recht van een
andere lidstaat van de EER, die in hun land van her-
komst elektronisch geld mogen uitgeven en die in België
werkzaam zijn op grond van de artikelen 65 of 66 van
DOC 53 2432/001
147
2431/001
DOC 53
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 3 e L É G I S L A T U R E
K AMER 3e Z ITTING VAN DE 53e Z ITTING S P E RIO DE
2011
2012
les succursales d’établissements de crédit relevant
du droit d’un État non membre de l’EEE, établies en
Belgique conformément à l’article 79 de la loi bancaire;
2° les établissements de monnaie électronique de
droit belge, les établissements de monnaie électronique
relevant du droit d’un autre État membre de l’EEE et
opérant en Belgique en vertu de l’article 91 de la pré-
sente loi, les succursales d’établissements de monnaie
électronique relevant du droit d’un État non membre
de l’EEE, établies en Belgique en application du Livre
3, Titre 2, Chapitre 3 de la présente loi, ainsi que les
personnes morales bénéfi ciant d’une exemption, confor-
mément à l’article 105;
3° la société anonyme de droit public bpost;
4° la Banque nationale de Belgique et la Banque
Centrale Européenne, lorsqu’elles n’agissent pas en
qualité d’autorité monétaire ou autre autorité publique;
5° les autorités fédérales, régionales, communau-
taires et locales belges, lorsqu’elles agissent en qualité
d’autorité publique.”.
Art.28
Dans le même Titre 1er, il est inséré un article 60
rédigé comme suit:
“Article 60. § 1er. La présente loi ne s’applique pas à
la valeur monétaire stockée sur des instruments qui ne
peuvent être utilisés, pour l’acquisition de biens ou de
services, que dans les locaux utilisés par l’émetteur ou,
dans le cadre d’un accord commercial avec l’émetteur, à
l’intérieur d’un réseau limité de prestataires de services
ou pour un éventail limité de biens ou de services.
§ 2. La présente loi ne s’applique pas à la valeur
monétaire utilisée pour effectuer des opérations de
paiement exécutées au moyen d’un appareil de télé-
communication ou d’un autre dispositif numérique ou
informatique, lorsque les biens ou les services achetés
sont livrés et doivent être utilisés au moyen d’un appareil
de télécommunication ou d’un dispositif numérique ou
informatique, à condition que l’opérateur du système de
télécommunication, numérique ou informatique n’agisse
pas uniquement en qualité d’intermédiaire entre le
détenteur de monnaie électronique et le fournisseur
des biens ou services.”.
de bankwet, en bijkantoren van kredietinstellingen die
ressorteren onder het recht van een staat die geen lid is
van de EER, die in België zijn gevestigd overeenkomstig
artikel 79 van de bankwet;
2° instellingen voor elektronisch geld naar Belgisch
recht, instellingen voor elektronisch geld die ressorteren
onder het recht van een andere lidstaat van de EER en
die in België werkzaam zijn op grond van artikel 91 van
deze wet, bijkantoren van instellingen voor elektronisch
geld die ressorteren onder het recht van een staat die
geen lid is van de EER, die in België zijn gevestigd met
toepassing van Boek 3, Titel 2, Hoofdstuk 3 van deze
wet, en rechtspersonen die zijn vrijgesteld op grond
van artikel 105;
3° de naamloze vennootschap van publiek recht
bpost;
4° de Nationale Bank van België en de Europese
Centrale Bank, wanneer zij niet handelen in hun hoe-
danigheid van monetaire of andere publieke autoriteit;
5° de Belgische federale, gewestelijke en lokale
overheden en de overheden van de gemeenschappen
in België, wanneer zij handelen in hun hoedanigheid
van publieke autoriteit.”.
Art. 28
In dezelfde Titel 1 wordt een artikel 60 ingevoegd,
luidende:
“Artikel 60. § 1. Deze wet is niet van toepassing op de
monetaire waarde die opgeslagen is op instrumenten
die kunnen worden gebruikt om, louter in de door de
uitgevende instelling gebruikte bedrijfsgebouwen of uit
hoofde van een handelsovereenkomst met de uitge-
vende instelling, hetzij binnen een beperkt netwerk van
dienstverleners hetzij voor een beperkte reeks goederen
en diensten, goederen en diensten te verkrijgen.
§ 2. Deze wet is niet van toepassing op de monetaire
waarde die gebruikt wordt om betalingstransacties te
verrichten die worden uitgevoerd via een telecommu-
nicatie-, digitaal of IT-instrument, wanneer de gekochte
goederen of diensten geleverd worden aan, en gebruikt
moeten worden via, een telecommunicatie-, digitaal of
IT-instrument, mits de telecommunicatie-, digitale of
IT-exploitant niet uitsluitend als tussenpersoon optreedt
tussen de houder van elektronisch geld en de leveran-
cier van de goederen en diensten.”.
DOC 53 2432/001
148
2431/001
DOC 53
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 3 e L É G I S L A T U R E
K AMER 3e Z ITTING VAN DE 53e Z ITTING S P E RIO DE
2011
2012
Art. 29
Dans le Livre 3 de la même loi, inséré par l’article
25, il est inséré un Titre 2, intitulé “Titre 2. Les établis-
sements de monnaie électronique”.
Art. 30
Dans le Livre 3, Titre 2 de la même loi, inséré par
l’article 29, il est inséré un Chapitre 1er, intitulé: “Cha-
pitre 1er. Les établissements de monnaie électronique
de droit belge”.
Art. 31
Dans le Livre 3, Titre 2, Chapitre 1er de la même loi,
inséré par l’article 30, il est inséré une section 1re inti-
tulée “Section 1re. Exigence d’un agrément”.
Art. 32
Dans le Livre 3, Titre 2, Chapitre 1er, Section 1re de la
même loi, insérée par l’article 28, il est inséré un article
61 rédigé comme suit:
“Article 61. Toute personne morale de droit belge qui
entend émettre de la monnaie électronique en Belgique
en qualité d’établissement de monnaie électronique,
est tenue, avant de commencer ses opérations, de se
faire agréer auprès de la Banque, quels que soient les
autres lieux d’exercice de ses activités.
Seuls les établissements de monnaie électronique
de droit belge, les établissements de monnaie élec-
tronique relevant du droit d’un autre État membre de
l’EEE opérant en Belgique en vertu de l’article 91 de la
présente loi, ainsi que les succursales d’établissements
de monnaie électronique relevant du droit d’un État non
membre de l’EEE, établies en Belgique conformément à
l’article 99 de la présente loi sont autorisés à faire usage
public en Belgique des termes “établissement de mon-
naie électronique”, notamment dans leur dénomination
sociale, dans la désignation de leur objet social, dans
leurs titres, effets ou documents ou dans leur publicité.”.
Art. 33
Dans la même section 1re, il est inséré un article 62
rédigé comme suit:
“Article 62. § 1er. La demande d’agrément est accom-
pagnée des renseignements suivants:
Art. 29
In Boek 3 van dezelfde wet, ingevoegd bij artikel 25,
wordt een Titel 2 ingevoegd, luidende “Titel 2. Instel-
lingen voor elektronisch geld”.
Art. 30
In Boek 3, Titel 2 van dezelfde wet, ingevoegd bij
artikel 29, wordt een Hoofdstuk 1 ingevoegd, luidende:
“Hoofdstuk 1. Instellingen voor elektronisch geld naar
Belgisch recht”.
Art. 31
In Boek 3, Titel 2, Hoofdstuk 1 van dezelfde wet, in-
gevoegd bij artikel 30, wordt een afdeling 1 ingevoegd,
luidende “Afdeling 1. Vereiste van bedrijfsvergunning”.
Art. 32
In Boek III, Titel 2, Hoofdstuk 1, Afdeling 1 van de-
zelfde wet, ingevoegd bij artikel 28, wordt een artikel 61
ingevoegd, luidende:
“Artikel 61. Iedere rechtspersoon naar Belgisch recht
die in België elektronisch geld wil uitgeven als instel-
ling voor elektronisch geld, moet, vooraleer hij zijn
werkzaamheden aanvat, een vergunning verkrijgen van
de Bank, ongeacht op welke andere plaatsen hij zijn
werkzaamheden uitoefent.
In België mogen alleen instellingen voor elektronisch
geld naar Belgisch recht, instellingen voor elektronisch
geld die ressorteren onder het recht van een andere
lidstaat van de EER en die in België werkzaam zijn op
grond van artikel 91 van deze wet, evenals bijkantoren
van instellingen voor elektronisch geld die ressorteren
onder het recht van een staat die geen lid is van de EER,
die in België zijn gevestigd overeenkomstig artikel 99
van deze wet, publiekelijk gebruik maken van de ter-
men “instelling voor elektronisch geld”, inzonderheid in
hun naam, in de opgave van hun doel, in hun effecten,
waarden, stukken of in hun reclame.”.
Art. 33
In dezelfde afdeling 1 wordt een artikel 62 ingevoegd,
luidende:
“Artikel 62. § 1. Bij zijn vergunningsaanvraag voegt
de aanvrager de volgende gegevens:
DOC 53 2432/001
149
2431/001
DOC 53
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 3 e L É G I S L A T U R E
K AMER 3e Z ITTING VAN DE 53e Z ITTING S P E RIO DE
2011
2012
1° un programme d’activités indiquant les activités
envisagées et, notamment, le cas échéant, les autres
activités visées à l’article 77, §§ 1er et 2;
2° un plan d’affaires contenant notamment un pro-
gramme fi nancier afférent aux trois premiers exercices,
démontrant que le demandeur dispose, pour garantir
une gestion saine en matière d’émission de monnaie
électronique, de systèmes, de ressources et de procé-
dures appropriés aux activités qu’il exerce ou entend
exercer;
3° la preuve que le demandeur dispose du capital
initial visé à l’article 66;
4° une description des mesures que l’établissement
a prises conformément à l’article 78, § 1er pour protéger
les fonds qui ont été reçus en échange de la monnaie
électronique émise;
5° une description du dispositif établi par le deman-
deur sur le plan du gouvernement d’entreprise et des
mécanismes de contrôle interne, en ce compris les
procédures applicables en matière d’organisation admi-
nistrative et comptable et de gestion des risques, qui
démontre le respect de l’article 69, §§ 1er à 3;
6° une description des mécanismes de contrôle
interne que le demandeur a mis en place pour se confor-
mer, le cas échéant, aux obligations prévues dans le
Règlement (CE) n° 1781/2006 du Parlement européen
et du Conseil du 15 novembre 2006 relatif aux informa-
tions concernant le donneur d’ordre accompagnant les
virements de fonds ainsi qu’à la loi du 11 janvier 1993
relative à la prévention de l’utilisation du système
fi nancier aux fi ns du blanchiment de capitaux et du
fi nancement du terrorisme;
7° une description de l’organisation structurelle du
demandeur, y compris, le cas échéant, une description
du projet de recours à des distributeurs, des agents et à
des succursales et une description des accords d’exter-
nalisation, ainsi que de sa participation à un système
de paiement national ou international;
8° l’identité des personnes physiques ou morales
détenant directement ou indirectement une participation
qualifi ée au sens de l’article 3, § 1er, 3° de la loi bancaire
dans le capital du demandeur, la taille de leur partici-
pation en fractions du capital et en droits de vote, ainsi
que la preuve de leurs qualités, nécessaires au regard
du besoin de garantir une gestion saine et prudente de
l’établissement de monnaie électronique;
1° een programma van werkzaamheden, met opgave
van de voorgenomen werkzaamheden en, met name, in
voorkomend geval, de in artikel 77, §§ 1 en 2, bedoelde
andere werkzaamheden;
2° een bedrijfsplan met inbegrip van een fi nanciële
planning voor de eerste drie boekjaren, die aantoont dat
de aanvrager beschikt over de voor zijn werkzaamheden
en voorgenomen werkzaamheden passende systemen,
middelen en procedures om een gezond beleid inzake
de uitgifte van elektronisch geld te garanderen;
3° het bewijs dat de aanvrager beschikt over het in
artikel 66 bedoelde aanvangskapitaal;
4° een beschrijving van de maatregelen die de instel-
ling overeenkomstig artikel 78, § 1 heeft genomen voor
de bescherming van geldmiddelen die zijn ontvangen in
ruil voor elektronisch geld dat is uitgegeven;
5° een beschrijving van de door de aanvrager ge-
nomen maatregelen op het vlak van goed bestuur en
internecontrolemechanismen, met inbegrip van de van
toepassing zijnde procedures inzake administratieve en
boekhoudkundige organisatie en risicobeheer, waaruit
de naleving blijkt van artikel 69, §§ 1 tot 3;
6° een beschrijving van de internecontrolemechanis-
men die de aanvrager heeft opgezet om te voldoen, in
voorkomend geval, aan de verplichtingen bepaald bij
Verordening (EG) nr. 1781/2006 van het Europees Parle-
ment en de Raad van 15 november 2006 betreffende bij
geldovermakingen te voegen informatie over de betaler
en aan het bepaalde bij de wet van 11 januari 1993 tot
voorkoming van het gebruik van het fi nanciële stelsel
voor het witwassen van geld en de fi nanciering van
terrorisme;
7° een beschrijving van de organisatiestructuur van
de aanvrager, met in voorkomend geval een beschrijving
van het voorgenomen gebruik van distributeurs, agenten
en bijkantoren en van de regelingen voor uitbesteding,
alsmede van zijn deelname aan een nationaal of inter-
nationaal betalingssysteem;
8° de identiteit van natuurlijke of rechtspersonen die,
rechtstreeks of onrechtstreeks, in het kapitaal van de
aanvrager, een gekwalifi ceerde deelneming bezitten in
de zin van artikel 3, § 1, 3° van de bankwet, alsmede
de omvang van hun deelneming in kapitaalfracties en
stemrechten, en het bewijs van hun geschiktheid, gelet
op de noodzaak van een gezond en voorzichtig beleid
van de instelling voor elektronisch geld;
DOC 53 2432/001
150
2431/001
DOC 53
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 3 e L É G I S L A T U R E
K AMER 3e Z ITTING VAN DE 53e Z ITTING S P E RIO DE
2011
2012
Les droits de vote sont calculés conformément aux
dispositions de la loi du 2 mai 2007 relative à la publi-
cité des participations importantes dans des émetteurs
dont les actions sont admises à la négociation sur un
marché réglementé et portant des dispositions diverses,
et conformément aux dispositions de ses arrêtés d’exé-
cution;
9° l’identité des personnes qui participent à l’admi-
nistration ou à la gestion de l’établissement de monnaie
électronique, ainsi que des personnes qui participent à
la direction effective de l’activité d’émission de monnaie
électronique, et le cas échéant de services de paie-
ment, dans l’établissement de monnaie électronique et
la preuve de leur honorabilité professionnelle, de leur
expertise et de leur expérience adéquate au sens de
l’article 68;
10° l’identité du ou des commissaire(s)-réviseur(s);
11° la forme juridique et les statuts du demandeur;
12° l’adresse de l’administration centrale du deman-
deur.
Aux fi ns de l’alinéa 1er, 4°, 5° et 7°, le demandeur
fournit une description des dispositions en matière
d’audit interne et d’organisation qu’il a arrêtées en vue
de prendre toute mesure raisonnable pour protéger les
intérêts des détenteurs de monnaie électronique et le
cas échéant, des utilisateurs de services de paiement
et garantir la continuité et la fi abilité de son activité
d’émission de monnaie électronique, et le cas échéant,
de fourniture de services de paiement.
Le demandeur doit fournir à la Banque, à la demande
de celle-ci, tout renseignement complémentaire devant
permettre à la Banque de vérifi er si le demandeur
répond aux conditions visées aux alinéas 1er et 2 et lui
permettre de procéder à une évaluation appropriée.
§ 2. La Banque se prononce sur la demande d’agré-
ment sur avis de la FSMA pour ce qui est de l’honora-
bilité professionnelle des personnes physiques qui sont
appelées à prendre part à l’administration, la gestion
ou la direction effective de l’établissement de monnaie
électronique, si ces personnes sont proposées pour la
première fois pour une telle fonction dans une entreprise
fi nancière contrôlée par la Banque par application de
l’article 36/2 de la loi du 22 février 1998.
De stemrechten worden berekend conform de be-
palingen van de wet van 2 mei 2007 op de openbaar-
making van belangrijke deelnemingen in emittenten
waarvan aandelen zijn toegelaten tot de verhandeling
op een gereglementeerde markt en houdende diverse
bepalingen, alsook conform de bepalingen van haar
uitvoeringsbesluiten;
9° de identiteit van de personen die deelnemen aan
het bestuur of het beleid van de instelling voor elek-
tronisch geld, en van de personen die deelnemen aan
de effectieve leiding van de activiteit van uitgifte van
elektronisch geld, en, in voorkomend geval, van het
betalingsdienstenbedrijf, in een instelling voor elektro-
nisch geld, alsmede het bewijs van hun professionele
betrouwbaarheid, deskundigheid en passende ervaring
in de zin van artikel 68;
10° de identiteit van de commissaris-revisor of
commissarissen-revisoren;
11° de rechtsvorm en de statuten van de aanvrager;
12° het adres van hoofdbestuur van de aanvrager.
Voor de toepassing van het eerste lid, 4°, 5° en 7°,
geeft de aanvrager een beschrijving van de regelingen
inzake interne audit en organisatie die hij heeft getroffen
met het oog op het nemen van alle redelijke maatregelen
om de belangen van de houders van elektronisch geld,
en, in voorkomend geval, van de betalingsdienstgebrui-
kers te beschermen en de continuïteit en betrouwbaar-
heid bij de uitgifte van elektronisch geld en, in voorko-
mend geval, bij het verrichten van betalingsdiensten,
te garanderen.
De aanvrager verstrekt de Bank op haar verzoek
alle verdere inlichtingen zodat de Bank kan nagaan of
de aanvrager voldoet aan de voorwaarden bedoeld in
het eerste en tweede lid en zich een passend oordeel
kan vormen.
§ 2. De Bank beslist over de vergunningsaanvraag,
na advies van de FSMA voor wat betreft de professio-
nele betrouwbaarheid van de natuurlijke personen die
deelnemen aan het bestuur, het beleid of de effectieve
leiding van de instelling voor elektronisch geld, indien zij
voor het eerst voor een dergelijke functie worden voor-
gedragen bij een fi nanciële instelling die met toepassing
van artikel 36/2 van de wet van 22 februari 1998 onder
het toezicht staat van de Bank.
DOC 53 2432/001
151
2431/001
DOC 53
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 3 e L É G I S L A T U R E
K AMER 3e Z ITTING VAN DE 53e Z ITTING S P E RIO DE
2011
2012
La FSMA communique son avis à la Banque dans
un délai d’une semaine à compter de la réception de
la demande d’avis. À défaut d’avis rendu par la FSMA
dans ledit délai, la Banque peut prendre une décision.”.
Art. 34
Dans la même section 1re, il est inséré un article 63
rédigé comme suit:
“Article 63. La Banque octroie l’agrément demandé
aux établissements qui répondent aux conditions de
l’article 62 et de la section 2.
Dans les trois mois qui suivent la présentation du
dossier complet, la Banque se prononce sur la demande
et porte sa décision à la connaissance du demandeur
par lettre recommandée à la poste ou avec accusé de
réception.
La Banque peut, au regard du besoin de garantir une
gestion saine et prudente de l’établissement, subordon-
ner l’agrément à des conditions relatives à l’exercice de
certaines des activités envisagées.”.
Art. 35
Dans la même section 1re, il est inséré un article 64
rédigé comme suit:
“Article 64. Les établissements agréés au titre d’éta-
blissement de monnaie électronique en vertu du présent
chapitre, sont inscrits sur une liste tenue à cet effet
par la Banque. La Banque publie sur son site internet
la liste des établissements de monnaie électronique
auxquels elle a octroyé l’agrément. La Banque veille à
actualiser régulièrement les informations fournies sur
son site internet.
La liste visée à l’alinéa 1er indique pour chaque
établissement de monnaie électronique au moins les
renseignements suivants:
— le cas échéant, les services de paiement dont la
prestation est envisagée;
— l’adresse de ses succursales à l’étranger et l’iden-
tité de ses agents, tels que visés aux articles 75 et 76,
§ 3 respectivement.”.
De FSMA deelt haar advies mee aan de Bank binnen
een termijn van een week na ontvangst van het verzoek
om advies. Indien de FSMA geen advies verstrekt bin-
nen de genoemde termijn, kan de Bank een beslissing
nemen.”.
Art. 34
In dezelfde afdeling 1 wordt een artikel 63 ingevoegd,
luidende:
“Artikel 63. De Bank verleent de aangevraagde
vergunning aan de instellingen die voldoen aan de
voorwaarden van artikel 62 en afdeling 2.
Binnen drie maanden na voorlegging van een volledig
dossier spreekt de Bank zich uit over de aanvraag en
brengt zij haar beslissing ter kennis van de aanvrager
met een aangetekende brief of een brief met ontvangst-
bewijs.
De Bank kan, gelet op de noodzaak van een gezond
en voorzichtig beleid van de instelling, in haar vergun-
ning voorwaarden stellen aan de uitoefening van be-
paalde van de voorgenomen werkzaamheden.”.
Art. 35
In dezelfde afdeling 1 wordt een artikel 64 ingevoegd,
luidende:
“Artikel 64. De instellingen die krachtens dit hoofdstuk
een vergunning hebben verkregen als instelling voor
elektronisch geld, worden ingeschreven op een daartoe
door de Bank bijgehouden lijst. De Bank maakt de lijst
van de instellingen voor elektronisch geld waaraan zij
een vergunning heeft verleend, bekend op haar website.
De Bank zorgt voor een geregelde actualisering van de
op haar website verstrekte informatie.
De in het eerste lid bedoelde lijst vermeldt voor iedere
instelling voor elektronisch geld minstens de volgende
informatie:
— in voorkomend geval, de voorgenomen betalings-
diensten;
— het adres van haar buitenlandse bijkantoren en de
identiteit van haar agenten bedoeld in, respectievelijk,
de artikelen 75 en 76, § 3.”.
DOC 53 2432/001
152
2431/001
DOC 53
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 3 e L É G I S L A T U R E
K AMER 3e Z ITTING VAN DE 53e Z ITTING S P E RIO DE
2011
2012
Art. 36
Dans le Livre 3, Titre 2, Chapitre 1er de la même loi,
inséré par l’article 30, il est inséré une section 2 intitulée
“Section 2. Conditions d’agrément”.
Art. 37
Dans le Livre 3, Titre 2, Chapitre 1er, Section 2 de la
même loi, insérée par l’article 36, il est inséré un article
65, rédigé comme suit:
“Article 65. Les établissements de monnaie élec-
tronique de droit belge doivent être constitués sous la
forme de société commerciale, à l’exception de la forme
de société privée à responsabilité limitée constituée par
une seule personne.”.
Art. 38
Dans la même section 2, il est inséré un article 66
rédigé comme suit:
“Article 66. Tout établissement de monnaie électro-
nique doit, au moment de l’agrément, disposer d’un
capital de 350 000 euros au moins.
Pour le calcul du capital initial visé à l’alinéa 1er, les
éléments suivants sont pris en compte: le capital libéré,
les primes d’émission, les réserves et le résultat reporté,
à l’exclusion le cas échéant des actions préférentielles
et des réserves de réévaluation, et après déduction des
pertes reportées et du goodwill.”.
Art. 39
Dans la même section 2, il est inséré un article 67
rédigé comme suit:
“Artikel 67. L’agrément est refusé si la Banque a des
raisons de considérer que les personnes physiques
ou morales visées à l’article 62, § 1er, alinéa 1er, 8°, ne
présentent pas les qualités nécessaires au regard du
besoin de garantir une gestion saine et prudente de
l’établissement de monnaie électronique.”.
Art. 40
Dans la même section 2, il est inséré un article 68
rédigé comme suit:
Art. 36
In Boek 3, Titel 2, Hoofdstuk 1 van dezelfde wet, in-
gevoegd bij artikel 30, wordt een afdeling 2 ingevoegd,
luidende “Afdeling 2. Bedrijfsvergunningsvoorwaarden”.
Art. 37
In Boek 3, Titel 2, Hoofdstuk 1, Afdeling 2 van de-
zelfde wet, ingevoegd bij artikel 36, wordt een artikel
65 ingevoegd, luidende:
“Artikel 65. Iedere instelling voor elektronisch geld
naar Belgisch recht wordt opgericht in de rechtsvorm
van een handelsvennootschap, met uitzondering van de
besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
die is opgericht door één enkele persoon.”.
Art. 38
In dezelfde afdeling 2 wordt een artikel 66 ingevoegd,
luidende:
“Artikel 66. Elke instelling voor elektronisch geld
beschikt op het tijdstip waarop de vergunning wordt
verleend, over een kapitaal van minstens 350 000 euro.
Voor de berekening van het in het eerste lid bedoelde
aanvangskapitaal komen de volgende bestanddelen in
aanmerking: het volstort kapitaal, de uitgiftepremies, de
reserves en het overgedragen resultaat, met uitsluiting
in voorkomend geval van de preferente aandelen en de
herwaarderingsreserves, en na aftrek van overgedragen
verliezen en goodwill.”’.
Art. 39
In dezelfde afdeling 2 wordt een artikel 67 ingevoegd,
luidende:
“Artikel 67. De vergunning wordt geweigerd wanneer
de Bank, gelet op de noodzaak van een gezond en voor-
zichtig beleid van de instelling voor elektronisch geld,
niet overtuigd is van de geschiktheid van de natuurlijke
of rechtspersonen bedoeld in artikel 62, paragraaf 1,
eerste lid, 8°.”.
Art. 40
In dezelfde afdeling 2 wordt een artikel 68 ingevoegd,
luidende:
DOC 53 2432/001
153
2431/001
DOC 53
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 3 e L É G I S L A T U R E
K AMER 3e Z ITTING VAN DE 53e Z ITTING S P E RIO DE
2011
2012
“Article 68. § 1er. La direction effective de l’établisse-
ment de monnaie électronique doit être confi ée à deux
personnes physiques au moins.
Les personnes qui participent à l’administration ou à
la gestion de l’établissement de monnaie électronique,
ainsi que les personnes qui participent à la direction ef-
fective de l’activité d’émission de monnaie électronique
et le cas échéant, de services de paiement au sein de
l’établissement de monnaie électronique doivent dispo-
ser de l’honorabilité professionnelle, de l’expertise et de
l’expérience adéquate nécessaires pour assumer leurs
tâches en matière d’émission de monnaie électronique
et le cas échéant de services de paiement.
§ 2. L’article 19 de la loi bancaire est d’application.”.
Art. 41
Dans la même section 2, il est inséré un article 69
rédigé comme suit:
“Article 69. § 1er. Les établissements de monnaie
électronique doivent disposer d’une structure de ges-
tion, d’une organisation administrative et comptable, de
mécanismes de contrôle et de sécurité dans le domaine
informatique et d’un contrôle interne, appropriés aux
activités d’émission de monnaie électronique, de ser-
vices de paiement et aux activités visées à l’article 77,
§ 2, 2°, qu’ils exercent ou entendent exercer.
Ils tiennent compte à cet égard de la nature, du
volume et de la complexité de ces activités, ainsi que
des risques y afférents.
§ 2. Les établissements de monnaie électronique
doivent disposer d’une structure de gestion adéquate,
se composant notamment des éléments suivants: une
structure organisationnelle cohérente et transparente,
prévoyant une séparation adéquate des fonctions; un
dispositif d’attribution des responsabilités qui est bien
défi ni, transparent et cohérent; et des procédures adé-
quates d’identifi cation, de mesure, de gestion, de suivi
et de reporting interne des risques importants encourus
par l’établissement de monnaie électronique en raison
des activités qu’il exerce ou entend exercer.
§ 3. Les établissements de monnaie électronique
doivent organiser un contrôle interne adéquat, dont le
fonctionnement est évalué au moins une fois par an.
En ce qui concerne leur organisation administrative et
comptable, ils doivent organiser un système de contrôle
interne qui procure un degré de certitude raisonnable
“Artikel 68. § 1. De effectieve leiding van de instel-
ling voor elektronisch geld wordt toevertrouwd aan ten
minste twee natuurlijke personen
De personen die deelnemen aan het bestuur of het
beleid van de instelling voor elektronisch geld, en de
personen die deelnemen aan de effectieve leiding van
de activiteit van uitgifte van elektronisch geld, en in
voorkomend geval, van het betalingsdienstenbedrijf
binnen een instelling voor elektronisch geld, beschikken
voor de uitoefening van hun taken inzake uitgifte van
elektronisch geld en betalingsdiensten over de vereiste
professionele betrouwbaarheid, deskundigheid en pas-
sende ervaring.
§ 2. Artikel 19 van de bankwet is van toepassing.”.
Art. 41
In dezelfde afdeling 2 wordt een artikel 69 ingevoegd,
luidende:
“Artikel 69. § 1. De instelling voor elektronisch geld
beschikt over een beleidsstructuur, administratieve en
boekhoudkundige organisatie, controle- en beveili-
gingsmaatregelen met betrekking tot de elektronische
informatieverwerking, en interne controle, die aangepast
zijn aan haar werkzaamheden of voorgenomen werk-
zaamheden inzake de uitgifte van elektronisch geld en
betalingsdiensten en aan haar werkzaamheden of voor-
genomen werkzaamheden bedoeld in artikel 77, § 2, 2°.
Zij houdt daarbij rekening met de aard, de omvang en
de complexiteit van deze werkzaamheden en de eraan
verbonden risico’s.
§ 2. De instelling voor elektronisch geld beschikt
over een passende beleidsstructuur, waaronder inzon-
derheid dient te worden verstaan: een coherente en
transparante organisatiestructuur, met inbegrip van een
passende functiescheiding; een duidelijk omschreven,
transparant en samenhangend geheel van verantwoor-
delijkheidstoewijzingen; en passende procedures voor
de identifi catie, de meting, het beheer en de opvolging
van en de interne verslaggeving over de belangrijke
risico’s die de instelling voor elektronisch geld loopt
ingevolge haar werkzaamheden of voorgenomen werk-
zaamheden.
§ 3. De instelling voor elektronisch geld organiseert
een passende interne controle, waarvan de werking
minstens eenmaal per jaar wordt beoordeeld. Wat haar
administratieve en boekhoudkundige organisatie betreft,
dient zij een systeem van interne controle te organiseren
dat een redelijke mate van zekerheid verschaft over de
DOC 53 2432/001
154
2431/001
DOC 53
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 3 e L É G I S L A T U R E
K AMER 3e Z ITTING VAN DE 53e Z ITTING S P E RIO DE
2011
2012
quant à la fi abilité du processus de reporting fi nan-
cier, de manière à ce que les comptes annuels soient
conformes à la réglementation comptable en vigueur.
Les établissements de monnaie électronique
prennent les mesures nécessaires pour pouvoir dis-
poser en permanence d’une fonction d’audit interne
indépendante adéquate.
Les établissements de monnaie électronique éla-
borent une politique d’intégrité adéquate, qui est actua-
lisée régulièrement.
Ils prennent les mesures nécessaires pour pouvoir
disposer en permanence d’une fonction de compliance
indépendante adéquate, destinée à assurer le respect,
par l’établissement, ses administrateurs, ses dirigeants
effectifs, ses salariés et ses mandataires, des règles
de droit relatives à l’intégrité de l’activité des établis-
sements de monnaie électronique.
Les établissements de monnaie électronique doivent
disposer d’une fonction de gestion des risques indé-
pendante adéquate.
§ 4. La Banque peut, sans préjudice des dispositions
des paragraphes 1er, 2 et 3, préciser ce qu’il y a lieu
d’entendre par structure de gestion adéquate, contrôle
interne adéquat, fonction d’audit interne indépendante
adéquate, politique d’intégrité adéquate, fonction de
gestion des risques adéquate et fonction de compliance
indépendante adéquate.
§ 5. Sans préjudice des pouvoirs dévolus à l’organe
légal d’administration en ce qui concerne la détermina-
tion de la politique générale, tels que prévus par le Code
des sociétés, les personnes chargées de la direction
effective de l’établissement de monnaie électronique,
le cas échéant le comité de direction, prennent, sous
la surveillance de l’organe légal d’administration, les
mesures nécessaires pour assurer le respect des para-
graphes 1er, 2 et 3 et de l’article 79, alinéa 1er, f).
L’organe légal d’administration de l’établissement de
monnaie électronique doit contrôler au moins une fois
par an si l’établissement se conforme aux dispositions
des paragraphes 1er, 2 et 3 du présent article, de l’alinéa
1er du présent paragraphe et de l’article 79, alinéa 1er, f),
et prend connaissance des mesures adéquates prises.
Les personnes chargées de la direction effective,
le cas échéant le comité de direction, font rapport au
moins une fois par an à l’organe légal d’administration,
à la Banque et au commissaire agréé sur le respect des
dispositions de l’alinéa 1er du présent paragraphe et sur
les mesures adéquates prises.
betrouwbaarheid van het fi nanciële verslaggevingspro-
ces, zodat de jaarrekening in overeenstemming is met
de geldende boekhoudreglementering.
De instelling voor elektronisch geld neemt de nodige
maatregelen om blijvend te kunnen beschikken over een
passende onafhankelijke interneauditfunctie.
De instelling voor elektronisch geld werkt een pas-
send integriteitsbeleid uit dat geregeld wordt geactua-
liseerd.
Zij neemt de nodige maatregelen om blijvend te
kunnen beschikken over een passende onafhankelijke
compliancefunctie, om de naleving door de instelling,
haar bestuurders, effectieve leiding, werknemers en
gevolmachtigden te verzekeren van de rechtsregels in
verband met de integriteit van de werkzaamheden van
de instellingen voor elektronisch geld.
De instelling voor elektronisch geld beschikt over een
passende onafhankelijke risicobeheerfunctie.
§ 4. De Bank kan, onverminderd het bepaalde bij de
paragrafen 1, 2 en 3, nader bepalen wat moet worden
verstaan onder een passende beleidsstructuur, een
passende interne controle, een passende onafhankelijke
interneauditfunctie, een passend integriteitsbeleid, een
passende risicobeheerfunctie en een passende onaf-
hankelijke compliancefunctie.
§ 5. Onverminderd de bevoegdheden van het wettelijk
bestuursorgaan inzake de vaststelling van het algemeen
beleid als bepaald bij het Wetboek van Vennootschap-
pen, nemen de personen belast met de effectieve leiding
van de instelling voor elektronisch geld, in voorkomend
geval het directiecomité, onder toezicht van het wettelijk
bestuursorgaan de nodige maatregelen voor de naleving
van het bepaalde bij de paragrafen 1, 2 en 3 en artikel
79, eerste lid, f).
Het wettelijk bestuursorgaan van de instelling voor
elektronisch geld controleert minstens eenmaal per
jaar of de instelling beantwoordt aan het bepaalde bij
de paragrafen 1, 2 en 3 van dit artikel, het eerste lid van
deze paragraaf en artikel 79, eerste lid, f) en neemt ken-
nis van de genomen passende maatregelen.
De personen belast met de effectieve leiding, in
voorkomend geval het directiecomité, lichten minstens
eenmaal per jaar het wettelijk bestuursorgaan, de Bank
en de erkende commissaris in over de naleving van het
bepaalde bij het eerste lid van deze paragraaf en over
de genomen passende maatregelen.
DOC 53 2432/001
155
2431/001
DOC 53
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 3 e L É G I S L A T U R E
K AMER 3e Z ITTING VAN DE 53e Z ITTING S P E RIO DE
2011
2012
Ces informations sont transmises à la Banque et au
commissaire agréé selon les modalités que la Banque
détermine.
§ 6. Le commissaire agréé adresse en temps utile
à l’organe légal d’administration, un rapport sur les
questions importantes apparues dans l’exercice de
sa mission légale de contrôle, et en particulier sur
les lacunes graves constatées dans le processus de
reporting fi nancier concernant les activités d’émission
de monnaie électronique, de services de paiement et
les activités visées à l’article 77, § 2, 2°.
§ 7. S’il existe des liens étroits entre l’établisse-
ment de monnaie électronique et d’autres personnes
physiques ou morales, ces liens ne peuvent entraver
l’exercice du contrôle prudentiel de l’établissement de
monnaie électronique.
Si l’établissement de monnaie électronique a des
liens étroits avec une personne physique ou morale
relevant du droit d’un État non membre de l’EEE, les dis-
positions législatives, réglementaires et administratives
applicables à cette personne ou leur mise en œuvre ne
peuvent entraver l’exercice du contrôle prudentiel de
l’établissement de monnaie électronique.”.
Art. 42
Dans la même section 2, il est inséré un article 70
rédigé comme suit:
“Art. 70. L’administration centrale de l’établissement
de monnaie électronique doit être fi xée en Belgique.”.
Art. 43
Dans le Livre 3, Titre 2, Chapitre 1er de la même loi,
inséré par l’article 30, il est inséré une section 3 intitulée
“Section 3 – Conditions d’exercice de l’activité”.
Art. 44
Dans le Livre 3, Titre 2, Chapitre 1er, Section 3 de la
même loi, insérée par l’article 43, il est inséré un article
71 rédigé comme suit:
“Art. 71. Les établissements de monnaie électronique
sont tenus de satisfaire à tout moment aux conditions
prévues aux articles 65, 68, 69 et 70.
De informatieverstrekking aan de Bank en de erkende
commissaris gebeurt volgens de modaliteiten die de
Bank bepaalt.
§ 6. De erkende commissaris brengt bij het wettelijk
bestuursorgaan tijdig verslag uit over de belangrijke
zaken die bij de uitoefening van zijn wettelijke controle-
opdracht aan het licht zijn gekomen, en meer bepaald
over ernstige tekortkomingen in het fi nanciële verslag-
gevingsproces met betrekking tot de werkzaamheden
inzake de uitgifte van elektronisch geld en betalingsdien-
sten en de werkzaamheden bedoeld in artikel 77, § 2, 2°.
§ 7. Als de instelling voor elektronisch geld nauwe
banden heeft met andere natuurlijke of rechtspersonen,
mogen die banden geen belemmering vormen voor het
prudentieel toezicht op de instelling voor elektronisch
geld.
Als de instelling voor elektronisch geld nauwe banden
heeft met een natuurlijke of rechtspersoon die ressor-
teert onder het recht van een staat die geen lid is van de
EER, mogen de voor die persoon geldende wettelijke,
reglementaire en bestuursrechtelijke bepalingen of hun
uitvoering, geen belemmering vormen voor het pruden-
tieel toezicht op de instelling voor elektronisch geld.”.
Art. 42
In dezelfde afdeling 2 wordt een artikel 70 ingevoegd,
luidende:
“Artikel 70. Het hoofdbestuur van de instelling voor
elektronisch geld is in België gevestigd.”.
Art. 43
In Boek 3, Titel 2, Hoofdstuk 1 van dezelfde wet, inge-
voegd bij artikel 30, wordt een afdeling 3 ingevoegd, lui-
dende “Afdeling 3 – Bedrijfsuitoefeningsvoorwaarden”.
Art. 44
In Boek 3, Titel 2, Hoofdstuk 1, Afdeling 3 van de-
zelfde wet, ingevoegd bij artikel 43, wordt een artikel
71 ingevoegd, luidende:
“Artikel 71. De instelling voor elektronisch geld voldoet
te allen tijde aan de voorwaarden van de artikelen 65,
68, 69 en 70.
DOC 53 2432/001
156
2431/001
DOC 53
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 3 e L É G I S L A T U R E
K AMER 3e Z ITTING VAN DE 53e Z ITTING S P E RIO DE
2011
2012
Lorsque les renseignements fournis pour les besoins
de la demande d’agrément en vertu de l’article 62
subissent des modifi cations, l’établissement de monnaie
électronique en informe sans tarder la Banque.”.
Art. 45
Dans la même section 3, il est inséré un article 72
rédigé comme suit:
“Article 72. § 1er. Les fonds propres d’un établisse-
ment de monnaie électronique ne peuvent à aucun
moment devenir inférieurs au montant du capital requis
en application de l’article 66.
§ 2. La Banque détermine, conformément aux
dispositions de la Directive 2009/110/CE, par voie de
règlement, les obligations en matière de solvabilité qui
doivent être respectées par tous les établissements de
monnaie électronique ou par catégorie d’établissements
de monnaie électronique tant en ce qui concerne leur
activité d’émission de monnaie électronique, qu’en ce
qui concerne leurs activités visées à l’article 77, § 2, 1°,
qui ne sont pas liées à l’émission de monnaie électro-
nique. En ce qui concerne ces activités, le règlement
peut prévoir différentes méthodes pour calculer les
obligations à respecter en matière de solvabilité et la
Banque est autorisée à préciser quelle méthode est
applicable à un ou plusieurs établissements de monnaie
électronique ou à une ou plusieurs catégories d’établis-
sements de monnaie électronique.
Lorsqu’un établissement de monnaie électronique
fait partie d’un groupe avec d’autres établissements
de monnaie électronique, établissements de paiement
ou entreprises réglementées, la Banque prend des
mesures pour éviter toute double utilisation de fonds
propres au sein du groupe. La Banque peut préciser
selon quelles méthodes il convient de calculer l’uti-
lisation multiple de fonds propres. Le présent alinéa
s’applique par analogie lorsqu’un établissement de
monnaie électronique exerce directement ou indirec-
tement d’autres activités que l’émission de monnaie
électronique, visées à l’article 77.
Sans préjudice des obligations en matière de solva-
bilité prévues au paragraphe 1er et aux alinéas 1er et 2,
la Banque peut prendre des mesures complémentaires
dans le cas d’un établissement de monnaie électro-
nique qui exerce directement ou indirectement d’autres
activités que la prestation de services de paiement et
l’émission de monnaie électronique, visées à l’article 77,
lorsque ces autres activités nuisent ou risquent de nuire
à la solidité fi nancière de l’établissement de monnaie
électronique.
Wanneer de overeenkomstig artikel 62 bij de ver-
gunningsaanvraag verstrekte gegevens gewijzigd zijn,
brengt de instelling voor elektronisch geld de Bank
hiervan onverwijld op de hoogte.”.
Art. 45
In dezelfde afdeling 3 wordt een artikel 72 ingevoegd,
luidende:
“Artikel 72. § 1. Het eigen vermogen van een instelling
voor elektronisch geld mag op geen enkel moment dalen
onder het bedrag van het met toepassing van artikel 66
vereiste kapitaal.
§ 2. Overeenkomstig de bepalingen van Richtlijn
2009/110/EG bepaalt de Bank bij reglement de verplich-
tingen inzake solvabiliteit die door alle instellingen voor
elektronisch geld of per categorie van instellingen voor
elektronisch geld moeten worden nageleefd, zowel voor
wat betreft hun activiteit van uitgifte van elektronisch
geld als voor wat betreft hun werkzaamheden bedoeld
in artikel 77, § 2, 1°, die geen verband houden met de
uitgifte van elektronisch geld. Voor die werkzaamheden
kan het reglement voorzien in verschillende methodes
om de na te leven solvabiliteitsverplichtingen te bere-
kenen en is de Bank gemachtigd om te bepalen welke
methode van toepassing is op een of meer instellingen
voor elektronisch geld of categorieën van instellingen
voor elektronisch geld.
Wanneer een instelling voor elektronisch geld samen
met andere instellingen voor elektronisch geld, beta-
lingsinstellingen of gereglementeerde ondernemingen
deel uitmaakt van een groep, neemt de Bank maatre-
gelen om het meervoudig gebruik van eigen vermogen
binnen de groep te vermijden. De Bank kan nader be-
palen volgens welke methodes het meervoudig gebruik
van eigen vermogen berekend wordt. Het bepaalde
bij dit lid is van overeenkomstige toepassing wanneer
een instelling voor elektronisch geld rechtstreeks of
onrechtstreeks andere werkzaamheden dan de uitgifte
van elektronisch geld verricht, als bedoeld in artikel 77.
Onverminderd de solvabiliteitsverplichtingen bepaald
bij paragraaf 1 en bij het eerste en tweede lid, kan de
Bank aanvullende maatregelen nemen in het geval van
een instelling voor elektronisch geld die rechtstreeks of
onrechtstreeks andere werkzaamheden dan het verrich-
ten van betalingsdiensten en de uitgifte van elektronisch
geld uitoefent, als bedoeld in artikel 77, wanneer deze
andere werkzaamheden afbreuk doen of dreigen te
doen aan de fi nanciële soliditeit van de instelling voor
elektronisch geld.
DOC 53 2432/001
157
2431/001
DOC 53
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 3 e L É G I S L A T U R E
K AMER 3e Z ITTING VAN DE 53e Z ITTING S P E RIO DE
2011
2012
La Banque peut, dans des cas spéciaux, autoriser
des dérogations motivées aux dispositions des règle-
ments pris par application du présent article.
Les règlements visés à l’alinéa 1er sont pris conformé-
ment à l’article 12bis, § 2, de la loi du 22 février 1998.”.
Art. 46
Dans la même section 3, il est inséré un article 73
rédigé comme suit:
“Article 73. § 1er. Sans préjudice de l’article 67 et de la
loi du 2 mai 2007 relative à la publicité des participations
importantes, toute personne physique et morale qui a
pris la décision, soit d’acquérir ou de céder, directe-
ment ou indirectement, une participation qualifi ée au
sens de l’article 3, § 1er, 3° de la loi bancaire dans un
établissement de monnaie électronique de droit belge,
soit d’augmenter ou de réduire, directement ou indi-
rectement, cette participation qualifi ée de telle façon
que la proportion de parts de capital ou de droits de
vote détenue atteindrait, dépasserait ou deviendrait
inférieure aux seuils de 20 %, 30 % ou 50 % ou que
l’établissement de monnaie électronique deviendrait
sa fi liale ou cesserait de l’être, est tenue d’en informer
à l’avance la Banque, et de lui notifi er par écrit au pré-
alable le montant envisagé de sa participation et les
informations pertinentes visées à l’article 24, § 3, alinéa
3 de la loi bancaire.
§ 2. La Banque évalue si l’infl uence exercée par les
personnes visées au paragraphe 1er est susceptible de
se faire au détriment d’une gestion saine et prudente
de l’établissement. Cette évaluation est faite sur base
de l’ensemble des critères suivants:
a) la réputation du candidat acquéreur;
b) la réputation et l’expérience de toute personne
visée à l’article 62, § 1er, 9° qui assurera la direction des
activités de l’établissement de monnaie électronique à
la suite de l’opération envisagée;
c) la solidité financière du candidat acquéreur,
compte tenu notamment du type d’activités exercées
et envisagées au sein de l’établissement de monnaie
électronique visé par l’opération envisagée;
d) la capacité de l’établissement de monnaie élec-
tronique de satisfaire et de continuer à satisfaire aux
obligations prudentielles découlant de la présente loi et
In bijzondere gevallen kan de Bank met redenen
omklede afwijkingen toestaan van de bepalingen van
de met toepassing van dit artikel genomen reglementen.
De in het eerste lid bedoelde reglementen worden
genomen overeenkomstig artikel 12bis, § 2, van de wet
van 22 februari 1998.”.
Art. 46
In dezelfde afdeling 3 wordt een artikel 73 ingevoegd,
luidende:
“Artikel 73. § 1. Onverminderd artikel 67 en onvermin-
derd de wet van 2 mei 2007 op de openbaarmaking van
belangrijke deelnemingen, moet iedere natuurlijke of
rechtspersoon die besloten heeft om hetzij rechtstreeks
of onrechtstreeks een gekwalifi ceerde deelneming,
als bedoeld in artikel 3, § 1, 3° van de bankwet, in een
instelling voor elektronisch geld naar Belgisch recht te
verwerven of te vervreemden, hetzij rechtstreeks of on-
rechtstreeks een dergelijke gekwalifi ceerde deelneming
te vergroten of te verminderen, waardoor het percentage
van de gehouden stemrechten of aandelen in het kapi-
taal de drempel van 20 %, 30 % of 50 % zou bereiken,
onderschrijden of overschrijden, of waardoor de instel-
ling voor elektronisch geld haar dochteronderneming
zou worden of niet langer haar dochteronderneming
zou zijn, de Bank daarvan vooraf schriftelijk in kennis
stellen, met vermelding van de omvang van de beoogde
deelneming en de in artikel 24, § 3, derde lid van de
bankwet bedoelde relevante informatie.
§ 2. De Bank beoordeelt of de invloed uitgeoefend
door de personen bedoeld in paragraaf 1 van die aard is
om nadelig te zijn voor een gezond en voorzichtig beleid
van de instelling. Deze beoordeling gebeurt op basis van
het geheel van de onderstaande criteria:
a) de reputatie van de kandidaat-verwerver;
b) de reputatie en ervaring van elke in artikel 62, § 1,
9° bedoelde persoon die het bedrijf van de instelling
voor elektronisch geld als gevolg van de voorgenomen
operatie feitelijk gaat leiden;
c) de fi nanciële soliditeit van de kandidaat-verwerver,
met name met betrekking tot de aard van de werkzaam-
heden die verricht en beoogd worden in de instelling
voor elektronisch geld die het doelwit is van de voor-
genomen operatie;
d) of de instelling voor elektronisch geld zal kunnen
voldoen en blijven voldoen aan de prudentiële voor-
schriften op grond van deze wet en de besluiten en
DOC 53 2432/001
158
2431/001
DOC 53
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 3 e L É G I S L A T U R E
K AMER 3e Z ITTING VAN DE 53e Z ITTING S P E RIO DE
2011
2012
des arrêtés et règlements pris en exécution de celle-ci,
en particulier le point de savoir si le groupe auquel il
appartiendra possède une structure qui permet d’exer-
cer une surveillance effective, d’échanger réellement
des informations entre les autorités compétentes et
de déterminer le partage des responsabilités entre les
autorités compétentes;
e) l’existence de motifs raisonnables de soupçonner
qu’une opération ou une tentative de blanchiment de
capitaux ou de fi nancement du terrorisme au sens de
l’article 1er de la directive 2005/60/CE du Parlement
européen et du Conseil du 26 octobre 2005 relative à
la prévention de l’utilisation du système fi nancier aux
fi ns du blanchiment de capitaux et du fi nancement du
terrorisme est en cours ou a eu lieu en rapport avec
l’opération envisagée, ou que l’opération envisagée
pourrait en augmenter le risque.
La Banque procède à l’évaluation visée à l’alinéa 1er
en pleine concertation avec toute autre autorité com-
pétente concernée, ou, selon le cas, avec la FSMA, si
le candidat acquéreur est:
a) un établissement de crédit, une entreprise d’assu-
rances, une entreprise de réassurance, une entreprise
d’investissement ou une société de gestion d’orga-
nismes de placement collectif agréés dans un autre État
membre, ou, selon le cas, par la FSMA;
b) l’entreprise mère d’une entreprise ayant une des
qualités visées au a);
c) une personne physique ou morale contrôlant une
entreprise ayant une des qualités visées au a);
§ 3. Lorsque, sur la base de l’évaluation visée au
paragraphe 2, la Banque a des raisons de considérer
que l’infl uence exercée par les personnes visées au
paragraphe 1er est de nature à compromettre la gestion
saine et prudente de l’établissement, elle peut s’opposer
à la réalisation de l’opération envisagée.
La décision de la Banque est notifi ée à l’établisse-
ment de monnaie électronique par lettre recommandée
à la poste ou avec accusé de réception au plus tard
deux mois après la réception de la notifi cation visée au
paragraphe 1er.
reglementen genomen ter uitvoering ervan, met name
of de groep waarvan zij deel gaat uitmaken zo gestruc-
tureerd is dat effectief toezicht en effectieve uitwisseling
van informatie tussen de bevoegde autoriteiten mogelijk
zijn, en dat de verdeling van de verantwoordelijkheden
tussen de bevoegde autoriteiten kan worden bepaald;
e) of er gegronde redenen zijn om te vermoeden dat
in verband met de voorgenomen operatie geld wordt
of werd witgewassen of terrorisme wordt of werd gefi -
nancierd dan wel dat gepoogd wordt of werd geld wit te
wassen of terrorisme te fi nancieren in de zin van artikel
1 van Richtlijn 2005/60/EG van het Europees Parlement
en de Raad van 26 oktober 2005 tot voorkoming van
het gebruik van het fi nanciële stelsel voor het witwas-
sen van geld en de fi nanciering van terrorisme, of dat
de voorgenomen operatie het risico daarop zou kunnen
vergroten.
Voor het verrichten van de in het eerste lid bedoelde
beoordeling werkt de Bank in onderling overleg sa-
men met iedere andere betrokken bevoegde autoriteit
of, al naargelang het geval, met de FSMA, indien de
kandidaat-verwerver een van de volgende personen is:
a) een kredietinstelling, een verzekerings-onderne-
ming, een herverzekeringsonderneming, een beleg-
gingsonderneming of een beheervennootschap van
instellingen voor collectieve belegging waaraan een
vergunning is verleend in een andere lidstaat, of, al
naargelang het geval, door de FSMA;
b) de moederonderneming van een van de in de
bepaling onder a) bedoelde ondernemingen;
c) een natuurlijke of rechtspersoon die de controle
heeft over een van de in de bepaling onder a) bedoelde
ondernemingen;
§ 3. Indien de Bank, op basis van de evaluatie zo-
als bedoeld in paragraaf 2, redenen heeft om aan te
nemen dat de invloed uitgeoefend door de personen
bedoeld in paragraaf 1 van die aard is om het gezond
en voorzichtig beleid van de instelling in het gedrang te
brengen, kan zij zich verzetten tegen de uitvoering van
de voorgenomen operatie.
De beslissing van de Bank wordt ter kennis gebracht
van de instelling voor elektronisch geld via een aange-
tekende brief of een brief met ontvangstbewijs en dit ten
laatste twee maanden na ontvangst van de kennisgeving
bedoeld in paragraaf 1.
DOC 53 2432/001
159
2431/001
DOC 53
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 3 e L É G I S L A T U R E
K AMER 3e Z ITTING VAN DE 53e Z ITTING S P E RIO DE
2011
2012
§ 4. En cas d’abstention de procéder à la notifi ca-
tion préalable prescrite au paragraphe 1er, ou en cas
d’acquisition, d’accroissement ou de cession d’une
participation en dépit de l’opposition de la Banque visée
au paragraphe 3, la Banque peut:
1° suspendre l’exercice des droits de vote attachés
aux actions ou parts détenues par l’actionnaire ou
l’associé en question; elle peut, à la demande de tout
intéressé, accorder la levée des mesures ordonnées
par elle; sa décision est notifi ée de la manière la plus
appropriée à l’actionnaire ou à l’associé en cause; sa
décision est exécutoire dès qu’elle a été notifi ée; la
Banque peut rendre sa décision publique;
2° donner injonction à l’actionnaire ou à l’associé
en cause de céder, dans le délai qu’elle fi xe, les droits
d’associé qu’il détient.
À défaut de cession dans le délai fi xé, la Banque peut
ordonner la mise sous séquestre des droits d’associés
auprès de telle institution ou personne qu’elle détermine.
Le séquestre en donne connaissance à l’établissement
de monnaie électronique qui modifi e en conséquence le
registre des actions ou parts d’associés nominatives et
qui n’accepte l’exercice des droits qui y sont attachés
que par le seul séquestre. Celui-ci agit dans l’intérêt
d’une gestion saine et prudente de l’établissement de
monnaie électronique et dans celui du détenteur des
droits d’associés ayant fait l’objet du séquestre. Il exerce
tous les droits attachés aux actions ou parts d’associés.
Les sommes encaissées par lui au titre de dividende ou
à un autre titre ne sont remises par lui au détenteur pré-
cité que si celui-ci a satisfait à l’injonction visée à l’alinéa
1er, 2°. La souscription à des augmentations de capital
ou à d’autres titres conférant ou non le droit de vote,
l’option en matière de dividende payable en titres de la
société, la réponse à des offres publiques d’acquisition
ou d’échange et la libération de titres non entièrement li-
bérés sont subordonnés à l’accord du détenteur précité.
Les droits d’associés acquis en vertu de ces opérations
font, de plein droit, l’objet du séquestre prévu ci-dessus.
La rémunération du séquestre est fi xée par la Banque
et est à charge du détenteur précité. Le séquestre peut
imputer cette rémunération sur les sommes qui lui sont
versées en sa qualité de séquestre ou par le détenteur
précité aux fi ns ou comme conséquence des opérations
visées ci-dessus.
Lorsque des droits de vote ont été exercés par le
détenteur originaire ou par une personne, autre que
le séquestre, agissant pour le compte de ce détenteur
§ 4. Indien de bij paragraaf 1 voorgeschreven voor-
afgaande kennisgeving niet wordt verricht of indien
een deelneming wordt verworven, vergroot of verkocht
ondanks het in paragraaf 3 bedoelde verzet van de
Bank, kan de Bank:
1° de uitoefening schorsen van de stemrechten die
verbonden zijn aan de aandelen die door de betrokken
aandeelhouder of vennoot worden gehouden; zij kan, op
verzoek van elke belanghebbende, toestaan dat de door
haar bevolen maatregelen worden opgeheven; haar
beslissing wordt op de meest geschikte wijze ter kennis
gebracht van de betrokken aandeelhouder of vennoot;
haar beslissing is uitvoerbaar zodra zij ter kennis is ge-
bracht; de Bank kan haar beslissing openbaar maken;
2° de betrokken aandeelhouder of vennoot aanmanen
om, binnen de termijn die zij bepaalt, de aandeelhou-
dersrechten in zijn bezit over te dragen.
Als zij binnen de vastgestelde termijn niet worden
overgedragen, kan de Bank bevelen de aandeelhou-
dersrechten te sekwestreren bij de instelling of de per-
soon die zij bepaalt. Het sekwester brengt dit ter kennis
van de instelling voor elektronisch geld, die het register
van de aandelen op naam dienovereenkomstig wijzigt
en de uitoefening van de hieraan verbonden rechten
enkel aanvaardt vanwege het sekwester. Het sekwester
handelt in het belang van een gezond en voorzichtig
beleid van de instelling voor elektronisch geld en in
het belang van de houder van de gesekwestreerde
aandeelhoudersrechten. Het oefent alle rechten uit die
aan de aandelen zijn verbonden. De bedragen die het
sekwester als dividend of anderszins int, worden slechts
aan de voornoemde houder overgemaakt indien hij ge-
volg heeft gegeven aan de in het eerste lid, 2°, bedoelde
aanmaning. Om in te schrijven op kapitaalverhogingen
of andere al dan niet stemrechtverlenende effecten, om
te kiezen voor dividenduitkering in aandelen van de ven-
nootschap, om in te gaan op openbare overname- of rui-
laanbiedingen en om nog niet volgestorte aandelen vol
te storten, is de instemming van de voornoemde houder
vereist. De aandeelhoudersrechten die zijn verworven
in het kader van dergelijke verrichtingen worden van
rechtswege toegevoegd aan het voornoemde sekwes-
ter. De vergoeding van het sekwester wordt vastgesteld
door de Bank en betaald door de voornoemde houder.
Het sekwester kan deze vergoeding aftrekken van de
bedragen die hem worden gestort in zijn hoedanigheid
van sekwester of die hem worden gestort door de voor-
noemde houder in het vooruitzicht of na uitvoering van
de hierboven bedoelde verrichtingen.
Indien na afl oop van de overeenkomstig het eerste
lid, 2°, eerste zin, vastgestelde termijn, stemrechten
werden uitgeoefend door de oorspronkelijke houder of
DOC 53 2432/001
160
2431/001
DOC 53
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 3 e L É G I S L A T U R E
K AMER 3e Z ITTING VAN DE 53e Z ITTING S P E RIO DE
2011
2012
après l’échéance du délai fi xé conformément à l’alinéa
1er, 2°, première phrase, nonobstant une suspension
de leur exercice prononcée conformément à l’alinéa
1er, 1°, le tribunal de commerce dans le ressort duquel
la société a son siège peut, sur requête de la Banque,
prononcer la nullité de tout ou partie des délibérations
de l’assemblée générale si, sans les droits de vote
illégalement exercés, les quorums de présence ou de
majorité requis par lesdites délibérations n’auraient pas
été réunis.
3° demander au président du tribunal de commerce
dans le ressort duquel l’établissement de monnaie
électronique a son siège, statuant comme en référé, de
prononcer l’annulation de tout ou partie des votes émis
par l’acquéreur ou l’actionnaire ou associé concerné.
La procédure est engagée par citation émanant de la
Banque. L’article 516, § 3 du Code des sociétés est
d’application.
§ 5. Lorsque la Banque a des raisons de considérer
que l’infl uence exercée par une personne physique
ou morale détenant, directement ou indirectement,
une participation qualifi ée dans un établissement de
monnaie électronique est de nature à compromettre sa
gestion saine et prudente, et sans préjudice des autres
mesures prévues par la présente loi, elle peut prendre
les mesures visées au paragraphe 3, 1° et 2°.”.
Art. 47
Dans la même section 3, il est inséré un article 74
rédigé comme suit:
“Article 74. Sont soumises à l’autorisation de la
Banque les fusions entre établissements de monnaie
électronique et les fusions entre établissements de mon-
naie électronique et d’autres établissements fi nanciers.
Sont, pour l’application du présent article, assimilées
à des fusions, les cessions de l’activité et les cessions
de l’ensemble ou d’une partie du réseau.
La Banque ne peut refuser l’autorisation que dans
les trois mois de la notifi cation préalable qui lui a été
faite du projet avec présentation d’un dossier complet,
et pour des motifs tenant à la gestion saine et prudente
de l’établissement de monnaie électronique. Si elle
n’intervient pas dans le délai fi xé ci-dessus, l’autorisa-
tion est réputée acquise.”.
door een andere persoon, buiten het sekwester, die op-
treedt voor rekening van deze houder, niettegenstaande
een schorsing van hun uitoefening overeenkomstig het
eerste lid, 1°, kan de rechtbank van koophandel van het
rechtsgebied waar de vennootschap haar zetel heeft,
op verzoek van de Bank, alle of een deel van de beslis-
singen van de algemene vergadering nietig verklaren
wanneer het aanwezigheids- of meerderheidsquorum
dat is vereist voor de genoemde beslissingen, buiten de
onwettig uitgeoefende stemrechten niet zou zijn bereikt.
3° de voorzitter van de rechtbank van koophandel
van het rechtsgebied waar de instelling voor elektro-
nisch geld haar zetel heeft, uitspraak doende als in
kort geding, verzoeken om alle of een deel van de
stemmen uitgebracht door de verwerver of de betrok-
ken aandeelhouder of vennoot nietig te verklaren. De
procedure wordt ingeleid bij dagvaarding door de Bank.
Artikel 516, § 3, van het Wetboek van Vennootschappen
is van toepassing.
§ 5. Indien de Bank grond heeft om aan te nemen
dat de invloed van een natuurlijke of rechtspersoon die
rechtstreeks of onrechtstreeks een gekwalifi ceerde
deelneming bezit in een instelling voor elektronisch
geld, een gezond en voorzichtig beleid van deze in-
stelling voor elektronisch geld kan belemmeren, kan
zij, onverminderd de andere bij deze wet bepaalde
maatregelen, de in paragraaf 3, 1° en 2° bedoelde
maatregelen nemen.”.
Art. 47
In dezelfde afdeling 3 wordt een artikel 74 ingevoegd,
luidende:
“Artikel 74. De toestemming van de Bank is vereist
voor fusies van instellingen voor elektronisch geld en
fusies tussen dergelijke instellingen en andere in de
fi nanciële sector bedrijvige instellingen.
Voor de toepassing van dit artikel worden de over-
dracht van het bedrijf en de integrale of gedeeltelijke
overdracht van het net met een fusie gelijkgesteld.
De Bank kan haar toestemming enkel weigeren bin-
nen drie maanden nadat zij van het project in kennis is
gesteld, met voorlegging van een volledig dossier, om
redenen die verband houden met het gezond en voor-
zichtig beleid van de instelling voor elektronisch geld.
Als zij niet optreedt binnen de voornoemde termijn, wordt
de toestemming geacht te zijn verkregen.”.
DOC 53 2432/001
161
2431/001
DOC 53
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 3 e L É G I S L A T U R E
K AMER 3e Z ITTING VAN DE 53e Z ITTING S P E RIO DE
2011
2012
Art. 48
Dans la même section 3, il est inséré un article 75
rédigé comme suit:
“Article 75. L’établissement de monnaie électronique
qui projette d’ouvrir une succursale sur le territoire d’un
autre État membre de l’EEE en vue d’y exercer une
activité d’émission de monnaie électronique, ou qui
projette d’exercer une activité d’émission de monnaie
électronique sur le territoire d’un autre État membre de
l’EEE sans y établir de succursale, notifi e son intention
à la Banque.
Cette notifi cation est assortie d’un programme d’acti-
vités dans lequel sont notamment indiqués les activités
envisagées et, le cas échéant, les autres activités visées
à l’article 77, § 2, et, dans le cas de l’établissement
d’une succursale, la structure de l’organisation de
la succursale, la domiciliation de la correspondance
dans l’État concerné et le nom des dirigeants de la
succursale.
La Banque peut s’opposer à la réalisation du projet
par décision motivée par les répercussions préjudi-
ciables de l’ouverture de la succursale sur l’organisa-
tion, la situation fi nancière ou le contrôle de l’établisse-
ment de monnaie électronique.
La décision de la Banque est notifi ée à l’établisse-
ment de monnaie électronique par lettre recommandée
à la poste ou avec accusé de réception au plus tard
quatre semaines après la réception du dossier complet
comprenant les informations prévues à l’alinéa 2.
Pour autant qu’elle ne formule pas d’opposition, la
Banque communique, dans un délai d’un mois suivant
la réception de la notifi cation visée à l’alinéa 1er, l’infor-
mation visée à l’alinéa 2 à l’autorité chargée du contrôle
des établissements de monnaie électronique dans le
pays concerné.
Le présent article s’applique également, à l’exception
de l’alinéa 5, à l’ouverture de succursales dans un État
non membre de l’EEE, quelles que soient les activités
que projettent d’exercer ces succursales. En ce cas, la
Banque peut convenir avec l’autorité de contrôle des
établissements de monnaie électronique de cet État des
modalités d’ouverture et de contrôle de la succursale
ainsi que des échanges d’informations souhaitables
entre les deux autorités.
L’établissement de monnaie électronique qui a ouvert
une succursale à l’étranger informe la Banque au moins
un mois à l’avance, des modifi cations affectant les
informations communiquées en vertu de l’alinéa 2.”.
Art. 48
In dezelfde afdeling 3 wordt een artikel 75 ingevoegd,
luidende:
“Artikel 75. Iedere instelling voor elektronisch geld die
op het grondgebied van een andere lidstaat van de EER
een bijkantoor wenst te vestigen om er een activiteit van
uitgifte van elektronisch geld uit te oefenen, of die voor-
nemens is op het grondgebied van een andere lidstaat
van de EER een activiteit van uitgifte van elektronisch
geld uit te oefenen zonder er een bijkantoor te vestigen,
stelt de Bank daarvan in kennis.
Bij deze kennisgeving wordt een programma van
werkzaamheden gevoegd, waarin met name de voor-
genomen werkzaamheden en, in voorkomend geval,
de andere werkzaamheden bedoeld in artikel 77, § 2,
worden vermeld, alsook, in geval van oprichting van een
bijkantoor, de organisatiestructuur van het bijkantoor, de
domiciliëring van de correspondentie in de betrokken
lidstaat en de naam van de leiders van het bijkantoor.
De Bank kan zich verzetten tegen de uitvoering van
het project bij beslissing die is ingegeven door de na-
delige gevolgen van de opening van een bijkantoor op
de organisatie, de fi nanciële positie of het toezicht op
de instelling voor elektronisch geld.
De beslissing van de Bank wordt uiterlijk vier weken
na de ontvangst van het volledige dossier met alle in
het tweede lid bedoelde inlichtingen, met een aangete-
kende brief of een brief met ontvangstbewijs ter kennis
gebracht van de instelling voor elektronisch geld.
Voor zover zij zich niet verzet, deelt de Bank binnen
een maand na de ontvangst van de in het eerste lid
bedoelde kennisgeving, de in het tweede lid bedoelde
informatie mee aan de autoriteit die in het betrokken
land belast is met het toezicht op de instellingen voor
elektronisch geld.
Met uitzondering van het vijfde lid, geldt dit artikel
eveneens voor de opening van bijkantoren in een staat
die geen lid is van de EER, welke ook de geplande werk-
zaamheden voor deze bijkantoren zijn. In dit geval kan
de Bank in overleg met de autoriteit die toezicht houdt
op de instellingen voor elektronisch geld in die staat,
regels vaststellen voor de opening van en het toezicht
op het bijkantoor alsook voor de wenselijke informatie-
uitwisseling tussen beide autoriteiten.
Iedere instelling voor elektronisch geld die in het buiten-
land een bijkantoor heeft geopend, stelt de Bank ten minste
één maand op voorhand in kennis van alle wijzigingen in
de krachtens het tweede lid verstrekte inlichtingen.”.
DOC 53 2432/001
162
2431/001
DOC 53
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 3 e L É G I S L A T U R E
K AMER 3e Z ITTING VAN DE 53e Z ITTING S P E RIO DE
2011
2012
Art. 49
Dans la même section 3, il est inséré un article 76
rédigé comme suit:
“Article 76. § 1er. Sans préjudice de l’article 63, alinéa
3, les établissements de monnaie électronique sont
autorisés à distribuer et à rembourser de la monnaie
électronique par l’intermédiaire de distributeurs.
§ 2. Lorsqu’un établissement de monnaie électro-
nique souhaite distribuer de la monnaie électronique
dans un autre État membre de l’EEE, par l’intermé-
diaire d’un distributeur établi dans ledit État, l’article 75
s’applique par analogie.
§ 3. Les établissements de monnaie électronique
sont autorisés à fournir les services de paiement visés
à l’article 77, § 2, 1° par l’intermédiaire d’agents. Dans
ce cas, l’article 20 s’applique par analogie.
Les établissements de monnaie électronique ne sont
pas autorisés à émettre de la monnaie électronique par
l’intermédiaire d’agents.
§ 4. Les établissements de monnaie électronique
sont entièrement responsables des actes posés par
leurs distributeurs et leurs agents.”.
Art. 50
Dans la même section 3, il est inséré un article 77
rédigé comme suit:
“Article 77. § 1er. Les établissements de monnaie élec-
tronique sont habilités à exercer des activités commer-
ciales autres que l’émission de monnaie électronique,
moyennant l’autorisation préalable de la Banque.
Sans préjudice de l’article 81, § 3, si la Banque auto-
rise un établissement de monnaie électronique à exercer
des activités autres que l’émission de monnaie électro-
nique, elle peut, en vue d’une gestion saine et prudente
et d’une maîtrise des risques appropriée par l’établis-
sement de monnaie électronique, ou pour les besoins
d’un contrôle prudentiel adapté dudit établissement,
subordonner à certaines conditions complémentaires
l’exercice d’activités autres que l’émission de monnaie
électronique ou les activités visées au paragraphe 2.
Art. 49
In dezelfde afdeling 3 wordt een artikel 76 ingevoegd,
luidende:
“Artikel 76. § 1. Onverminderd artikel 63, derde lid,
mogen instellingen voor elektronisch geld via distribu-
teurs elektronisch geld overmaken en terugbetalen.
§ 2. Indien een instelling voor elektronisch geld elek-
tronisch geld wenst over te maken in een andere lidstaat
van de EER via een distributeur die in de genoemde
staat is gevestigd, is artikel 75 van overeenkomstige
toepassing.
§ 3. Instellingen voor elektronisch geld mogen beta-
lingsdiensten aanbieden als bedoeld in artikel 77, § 2,
1°, via agenten. Artikel 20 is in dit geval van overeen-
komstige toepassing.
Instellingen voor elektronisch geld mogen geen elek-
tronisch geld uitgeven via agenten.
§ 4. Instellingen voor elektronisch geld zijn volledig
verantwoordelijk voor de handelingen die door hun
distributeurs en agenten worden gesteld.”.
Art. 50
In dezelfde afdeling 3 wordt een artikel 77 ingevoegd,
luidende:
“Artikel 77. § 1. Instellingen voor elektronisch geld
mogen andere bedrijfswerkzaamheden dan de uitgifte
van elektronisch geld verrichten, mits hiervoor vooraf-
gaandelijk toestemming is verleend door de Bank.
Indien de Bank erin toestemt dat een instelling voor
elektronisch geld andere werkzaamheden dan de
uitgifte van elektronisch geld verricht, kan zij, onver-
minderd artikel 81, § 3 en gelet op de noodzaak van
een gezond en voorzichtig beleid en een passende
risicobeheersing door de instelling voor elektronisch
geld of op de vereiste van een passend prudentieel
toezicht op deze instelling, de uitoefening van andere
werkzaamheden dan de uitgifte van elektronisch geld
of de in paragraaf 2 bedoelde werkzaamheden aan
aanvullende voorwaarden onderwerpen.
DOC 53 2432/001
163
2431/001
DOC 53
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 3 e L É G I S L A T U R E
K AMER 3e Z ITTING VAN DE 53e Z ITTING S P E RIO DE
2011
2012
En outre, la Banque peut exiger que l’exercice de
l’activité d’émission de monnaie électronique et, le cas
échéant, de services de paiement, soit logée dans une
entité juridique distincte de l’entité exerçant d’autres
activités.
§ 2. Par dérogation au paragraphe 1er, alinéa 1er, et
sans préjudice de l’article 72, § 2, alinéa 3, les établisse-
ments de monnaie électronique sont habilités à exercer
également les activités suivantes:
1° la prestation des services de paiement énumérés
à l’annexe Ire de la présente loi;
2° la prestation de services opérationnels et de ser-
vices auxiliaires étroitement liés à l’émission de monnaie
électronique ou à la prestation de services de paiement
visés au point 1°;
3° la gestion de systèmes de paiement, sans préju-
dice de l’article 49;
§ 3. Les établissements de monnaie électronique ne
peuvent octroyer un crédit lié aux services de paiement
visés aux points 4, 5 ou 7 de l’annexe Ire de la présente
loi qu’aux conditions visées à l’article 21, § 3.
Les crédits visés à l’alinéa 1er ne peuvent être
octroyés sur la base des fonds reçus en contrepartie
de monnaie électronique et détenus conformément à
l’article 78, § 1er.
§ 4. Les établissements de monnaie électronique ne
sont pas autorisés à exercer l’activité de réception de
dépôts d’argent ou d’autres fonds remboursables au
sens de l’article 1er de la loi bancaire.
§ 5. Les fonds reçus des détenteurs de monnaie
électronique par des établissements de monnaie élec-
tronique sont échangés sans délai contre de la monnaie
électronique.
Ces fonds ne constituent pas des dépôts ou d’autres
fonds remboursables au sens de l’article 1er de la loi
bancaire, à condition que l’obligation visée à l’alinéa
précédent soit respectée.
À défaut de respecter l’obligation visée à l’alinéa 1er,
la réception de ces fonds est assimilée à une réception
de dépôts d’argent ou d’autres fonds remboursables
illicite en violation du paragraphe 4 et de l’article 68bis
de la loi du 16 juin 2006 relative aux offres publiques
d’instruments de placement et aux admissions
Bovendien kan de Bank eisen dat de activiteit van
uitgifte van elektronisch geld en, in voorkomend geval,
het betalingsdienstenbedrijf, ondergebracht worden in
een afzonderlijke juridische entiteit, afgescheiden van
deze die andere werkzaamheden uitoefent.
§ 2. In afwijking van paragraaf 1, eerste lid, en onver-
minderd artikel 72, paragraaf 2, derde lid, mogen instel-
lingen voor elektronisch geld eveneens de volgende
werkzaamheden uitoefenen:
1° het verlenen van de betalingsdiensten die opge-
somd zijn in bijlage I bij deze wet;
2° het verrichten van operationele diensten en ne-
vendiensten die nauw samenhangen met de uitgifte van
elektronisch geld of het verlenen van de betalingsdien-
sten bedoeld in punt 1°;
3° het beheer van betalingssystemen, onverminderd
artikel 49;
§ 3. Instellingen voor elektronisch geld mogen maar
een krediet verlenen in verband met de betalingsdien-
sten bedoeld in de punten 4, 5 en 7 van bijlage I bij
deze wet mits voldaan is aan de voorwaarden bedoeld
in artikel 21, § 3.
De kredieten bedoeld in het eerste lid mogen niet
worden verleend uit de geldmiddelen die in ruil voor het
elektronisch geld worden ontvangen en conform artikel
78, § 1, worden aangehouden.
§ 4. Instellingen voor elektronisch geld mogen geen
gelddeposito’s of andere terugbetaalbare gelden in de
zin van artikel 1 van de bankwet ontvangen.
§ 5. Geldmiddelen die instellingen voor elektronisch
geld van houders van elektronisch geld ontvangen,
worden onverwijld gewisseld voor elektronisch geld.
Dergelijke geldmiddelen zijn noch deposito’s noch
andere terugbetaalbare gelden in de zin van artikel 1 van
de bankwet, op voorwaarde dat de verplichting bedoeld
in het vorige lid vervuld is.
Indien de verplichting bedoeld in het eerste lid
niet vervuld is, wordt het in ontvangst nemen van die
geldmiddelen gelijkgesteld met het ongeoorloofd in
ontvangst nemen van gelddeposito’s of andere terugbe-
taalbare gelden, met overtreding van paragraaf 4 en van
artikel 68bis van de wet van 16 juni 2006 op de openbare
DOC 53 2432/001
164
2431/001
DOC 53
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 3 e L É G I S L A T U R E
K AMER 3e Z ITTING VAN DE 53e Z ITTING S P E RIO DE
2011
2012
d’instruments de placement à la négociation sur des
marchés réglementés.
§ 6. L’article 21, §§ 4 et 5 s’applique aux fonds reçus
dans le cadre des activités visées au paragraphe 2, 1°,
qui ne sont pas liées à l’activité d’émission de monnaie
électronique.
§ 7. Les établissements de monnaie électronique ne
peuvent, sauf autorisation préalable de la Banque, déte-
nir des participations dans des sociétés commerciales
ou ayant emprunté la forme d’une société commerciale.
L’interdiction visée à l’alinéa 1er ne s’applique pas aux
participations dans des sociétés exerçant en tout ou en
partie des activités en matière d’émission de monnaie
électronique, de services de paiement, de services
auxiliaires à l’émission de monnaie électronique ou à
la prestation de services de paiement, ou de gestion
de systèmes de paiement, visés au paragraphe 2, ou
dans des sociétés dont l’objet consiste à titre principal
en la détention de participations dans de telles sociétés.
En vue d’une gestion saine et prudente et d’une maî-
trise adéquate des risques, la Banque peut soumettre
la prise de participations à des conditions.”.
Art. 51
Dans la même section 3, il est inséré un article 78
rédigé comme suit:
“Article 78. § 1er. Les fonds reçus par un établissement
de monnaie électronique en échange de la monnaie
électronique émise doivent:
a) pouvoir être distinctement identifi és dans sa comp-
tabilité et n’être jamais mélangés avec d’autres fonds, et
b) lorsque ces fonds sont encore détenus par l’éta-
blissement de monnaie électronique à la fi n du jour
ouvrable suivant le jour où ils ont été reçus:
(i) être déposés sur un compte global ou individualisé
distinct auprès d’une ou plusieurs entités ayant la qualité
d’établissement de crédit relevant du droit d’un État
membre de l’EEE, ou d’établissement de crédit établi
dans l’EEE et relevant du droit d’un État non membre
de l’EEE, ou
aanbieding van beleggingsinstrumenten en de toelating
van beleggingsinstrumenten tot de verhandeling op een
gereglementeerde markt.
§ 6. Artikel 21, §§ 4 en 5 is van toepassing op de
geldmiddelen die worden ontvangen in het kader van
de werkzaamheden bedoeld in paragraaf 2, 1°, die geen
verband houden met de uitgifte van elektronisch geld.
§ 7. Instellingen voor elektronisch geld mogen, be-
houdens voorafgaande toestemming van de Bank, geen
deelnemingen bezitten in handelsvennootschappen of
in vennootschappen die de vorm van een handelsven-
nootschap hebben aangenomen.
Het in het eerste lid bedoelde verbod geldt niet voor
deelnemingen in vennootschappen die alle of een deel
van de in paragraaf 2 bedoelde werkzaamheden inzake
uitgifte van elektronisch geld, betalingsdiensten, neven-
diensten in verband met de uitgifte van elektronisch geld
of het verlenen van betalingsdiensten, of het beheer van
betalingssystemen uitoefenen, of voor deelnemingen in
vennootschappen waarvan het doel in hoofdzaak be-
staat in het aanhouden van deelnemingen in dergelijke
vennootschappen.
Gelet op de noodzaak van een gezond en voorzich-
tig beleid en een passende risicobeheersing kan de
Bank het nemen van deelnemingen aan voorwaarden
onderwerpen.”.
Art. 51
In dezelfde afdeling 3 wordt een artikel 78 ingevoegd,
luidende:
“Artikel 78. § 1. De geldmiddelen die in ruil voor het
elektronisch geld door een instelling voor elektronisch
geld worden ontvangen, moeten:
a) in haar boekhouding afzonderlijk kunnen worden
geïdentifi ceerd en nooit worden vermengd met andere
geldmiddelen, en
b) wanneer deze geldmiddelen op het einde van de
werkdag volgend op de dag waarop zij zijn ontvangen
nog steeds door de instelling voor elektronisch geld
worden aangehouden:
(i) worden gedeponeerd op een afzonderlijke gezamen-
lijke of geïndividualiseerde rekening bijeen of meer entitei-
ten die de hoedanigheid hebben van kredietinstelling die
ressorteert onder het recht van een lidstaat van de EER,
of kredietinstelling gevestigd in de EER die ressorteert
onder het recht van een staat die geen lid is van de EER, of
DOC 53 2432/001
165
2431/001
DOC 53
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 3 e L É G I S L A T U R E
K AMER 3e Z ITTING VAN DE 53e Z ITTING S P E RIO DE
2011
2012
(ii) être investis en actifs à faible risque, liquides et
sûrs, tels que défi nis par la Banque, conformément aux
dispositions de l’article 7.2. de la Directive 2009/110/CE,
par voie de règlement;
c) ou être couverts, d’une manière jugée satisfai-
sante par la Banque, par une assurance, une garantie
ou une caution d’une entreprise d’assurances ou d’un
établissement de crédit relevant du droit d’un État
membre de l’EEE ou disposant d’un établissement
dans l’EEE et relevant du droit d’un État non membre
de l’EEE, laquelle entreprise d’assurances ou lequel
établissement de crédit ne peut appartenir au même
groupe que l’établissement de monnaie électronique,
pour un montant qui est égal au montant qui aurait été
affecté en application du point b), et qui est payable si
l’établissement de monnaie électronique n’est pas en
mesure d’honorer ses obligations fi nancières.
Les entités visées à l’alinéa 1er, b), (i) ne peuvent, sur
les fonds déposés sur un compte distinct, faire valoir de
droit résultant de créances propres sur l’établissement
de monnaie électronique qui a ouvert ce compte. De
même, ces comptes et leur solde ne peuvent faire l’objet
d’aucune saisie-arrêt par les créanciers de l’établisse-
ment de monnaie électronique.
La Banque peut autoriser que les fonds visés à l’ali-
néa 1er, b), soient déposés auprès d’un établissement de
crédit relevant du droit d’un État non membre de l’EEE
et ne disposant pas d’un établissement dans l’EEE,
ou que les assurances, garanties ou cautions visées à
l’alinéa 1er, c), soient fournies par une entreprise d’assu-
rances ou un établissement de crédit relevant du droit
d’un État non membre de l’EEE et ne disposant pas
d’un établissement dans l’EEE, si cet établissement de
crédit ou cette entreprise d’assurances est soumis(e) à
un contrôle exercé par une autorité de contrôle qui soit
équivalent au contrôle prudentiel des établissements
de crédit et des entreprises d’assurances défi ni dans
la réglementation européenne.
Lorsque la monnaie électronique est acquise par le
moyen d’un instrument de paiement, la protection affé-
rente aux fonds reçus en échange de la monnaie élec-
tronique ne doit être assurée qu’à partir du moment où
les fonds sont portés au crédit du compte de paiement
de l’établissement de monnaie électronique ou mis par
tout autre moyen à la disposition de l’établissement de
monnaie électronique, le cas échéant, conformément
aux dispositions relatives au délai d’exécution énoncées
dans la loi du 10 décembre 2009. En tout état de cause,
ces fonds doivent être protégés au plus tard cinq jours
ouvrables après l’émission de la monnaie électronique.
(ii) worden belegd in veilige, liquide activa met een
lage risicograad, zoals bij reglement gedefi nieerd door
de Bank conform de bepalingen van artikel 7.2. van
Richtlijn 2009/110/EG;
c) ofwel naar tevredenheid van de Bank gedekt zijn
door een verzekering, garantie of waarborg van een
verzekeringsonderneming of kredietinstelling, die res-
sorteert onder het recht van een lidstaat van de EER
of met vestiging in de EER en ressorterend onder het
recht van een staat die geen lid is van de EER, en die
niet tot dezelfde groep behoort als de instelling voor
elektronisch geld, voor een bedrag dat gelijk is aan het
bedrag dat besteed geweest zou zijn met toepassing
van punt b), en dat betaalbaar is ingeval de instelling
voor elektronisch geld niet in staat is haar fi nanciële
verplichtingen na te komen.
De in het eerste lid, b), (i) bedoelde entiteiten mogen
op de gelden die op een afzonderlijke rekening zijn
geplaatst, geen recht doen gelden ingevolge eigen vor-
deringen op de instelling voor elektronisch geld die deze
rekening heeft geopend. Beslag onder derden door de
schuldeisers van de instelling voor elektronisch geld op
deze rekeningen en hun saldo is evenmin toegestaan.
De Bank kan toestaan dat de in het eerste lid, b),
bedoelde geldmiddelen gedeponeerd worden bij een
kredietinstelling die ressorteert onder het recht van
een staat die geen lid is van de EER en die geen
vestiging heeft in de EER, of dat de in het eerste lid,
c) bedoelde verzekeringen, garanties en waarborgen
verstrekt worden door een verzekeringsonderneming
of kredietinstelling, die ressorteert onder het recht van
staat die geen lid is van de EER en die geen vestiging
heeft in de EER, indien deze kredietinstelling of ver-
zekeringsonderneming onderworpen is aan een door
een toezichthoudende autoriteit uitgeoefend toezicht
dat gelijkwaardig is met het prudentieel toezicht op
kredietinstellingen en verzekeringsondernemingen zoals
bepaald in de Europese regelgeving.
Wanneer het elektronisch geld wordt verworven door
middel van een betaalinstrument, moeten de geldmid-
delen die in ruil voor het elektronisch geld worden ont-
vangen beschermd worden vanaf het moment dat de
betaalrekening van de instelling voor elektronisch geld
ermee gecrediteerd is of vanaf het moment dat ze op
een andere manier ter beschikking worden gesteld van
de instelling voor elektronisch geld, in voorkomend geval
in overeenstemming met de vereisten op het vlak van
uitvoeringstermijnen die zijn vastgelegd in de wet van
10 december 2009. Dergelijke middelen moeten in ieder
geval worden veilig gesteld ten laatste na vijf werkdagen
na de uitgifte van het elektronisch geld.
DOC 53 2432/001
166
2431/001
DOC 53
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 3 e L É G I S L A T U R E
K AMER 3e Z ITTING VAN DE 53e Z ITTING S P E RIO DE
2011
2012
Les règlements visés à l’alinéa 1er, point b), ii) sont
pris conformément à l’article 12bis, § 2, de la loi du
22 février 1998.
§ 2. Lorsqu’une partie des fonds reçus en échange
de la monnaie électronique émise est potentiellement
destinée à être utilisée dans le cadre d’autres activités
de l’établissement de monnaie électronique, cette partie
des fonds ne relève pas des obligations au titre du para-
graphe 1er. Si cette partie est variable ou ne peut être
déterminée à l’avance, les établissements de monnaie
électronique peuvent calculer ce montant en supposant
qu’une partie représentative des fonds servira à l’émis-
sion de monnaie électronique, à condition que, sur la
base de données historiques, il soit raisonnablement
possible d’estimer cette partie représentative d’une
manière jugée satisfaisante par la Banque.
§ 3. L’article 22 s’applique aux établissements de
monnaie électronique pour les activités visées à l’article
77, § 2, 1° qui ne sont pas liées à l’activité d’émission
de monnaie électronique.
§ 4. En cas de procédure d’insolvabilité ouverte à
l’encontre de l’établissement de monnaie électronique,
les espèces déposées sur un compte distinct en applica-
tion du paragraphe 1er, alinéa 1er, a) et b), sont affectées
par privilège spécial au remboursement des fonds reçus
en échange de la monnaie électronique émise.
§ 5. Les établissements de monnaie électronique
informent la Banque à l’avance de tout changement
signifi catif affectant les mesures prises en exécution
du paragraphe 1er.”.
§ 6. Sans préjudice des pouvoirs dévolus à l’organe
légal d’administration en ce qui concerne la détermina-
tion de la politique générale, tels que prévus par le Code
des sociétés, les personnes chargées de la direction
effective de l’établissement de monnaie électronique,
le cas échéant le comité de direction, prennent, sous
la surveillance de l’organe légal d’administration, les
mesures nécessaires pour assurer le respect des para-
graphes 1er et 2.
L’organe légal d’administration de l’établissement de
monnaie électronique doit contrôler au moins une fois
par an si l’établissement se conforme aux dispositions
des paragraphes 1er et 2 et de l’alinéa 1er du présent
paragraphe, et prend connaissance des mesures adé-
quates prises.
De in het eerste lid, punt b), ii) bedoelde reglementen
worden genomen overeenkomstig artikel 12bis, § 2, van
de wet van 22 februari 1998.
§ 2. Wanneer een gedeelte van de geldmiddelen die
in ruil voor het uitgegeven elektronisch geld worden
ontvangen, mogelijkerwijs in het kader van andere
werkzaamheden van de instelling voor elektronisch
geld moet worden gebruikt, zijn de vereisten van pa-
ragraaf 1 niet van toepassing op dit gedeelte van de
geldmiddelen. Wanneer dat gedeelte variabel is of niet
van tevoren is gekend, kunnen de instellingen voor
elektronisch geld dit bedrag berekenen op basis van
een representatief gedeelte dat geacht wordt voor de
uitgifte van elektronisch geld te worden gebruikt, mits
het redelijkerwijs mogelijk is een dergelijk representatief
gedeelte naar tevredenheid van de Bank op basis van
historische gegevens te ramen.
§ 3. Artikel 22 is van toepassing op de instellingen
voor elektronisch geld, voor de werkzaamheden be-
doeld in artikel 77, § 2, 1° die geen verband houden met
de uitgifte van elektronisch geld.
§ 4. Indien er een insolventieprocedure wordt ge-
opend tegen de instelling voor elektronisch geld, worden
de gelden die met toepassing van paragraaf 1, eerste lid,
a) en b), op een afzonderlijke rekening zijn gedeponeerd,
bij bijzonder voorrecht aangewend voor de terugbetaling
van de geldmiddelen die zijn ontvangen in ruil voor het
uitgegeven elektronisch geld.
§ 5. Instellingen voor elektronisch geld lichten de
Bank op voorhand in over elke substantiële wijziging
in de maatregelen die worden genomen in uitvoering
van paragraaf 1.”.
§ 6. Onverminderd de bevoegdheden van het wet-
telijke bestuursorgaan inzake vaststelling van het
algemeen beleid als bepaald bij het Wetboek van
Vennootschappen, nemen de personen belast met de
effectieve leiding van de instelling voor elektronisch
geld, in voorkomend geval het directiecomité, onder
toezicht van het wettelijke bestuursorgaan de nodige
maatregelen voor de naleving van het bepaalde bij de
paragrafen 1 en 2.
Het wettelijke bestuursorgaan van de instelling voor
elektronisch geld dient minstens jaarlijks te controleren
of de instelling beantwoordt aan het bepaalde bij de pa-
ragrafen 1 en 2 en het eerste lid van deze paragraaf, en
neemt kennis van de genomen passende maatregelen.
DOC 53 2432/001
167
2431/001
DOC 53
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 3 e L É G I S L A T U R E
K AMER 3e Z ITTING VAN DE 53e Z ITTING S P E RIO DE
2011
2012
Les personnes chargées de la direction effective,
le cas échéant le comité de direction, font rapport au
moins une fois par an à l’organe légal d’administration,
à la Banque et au commissaire agréé sur le respect des
dispositions de l’alinéa 1er du présent paragraphe et sur
les mesures adéquates prises.
Ces informations sont transmises à la Banque et au
commissaire agréé selon les modalités que la Banque
détermine.”.
Art. 52
Dans la même section 3, il est inséré un article 79
rédigé comme suit:
“Article 79. Les établissements de monnaie électro-
nique ne peuvent externaliser des tâches opération-
nelles importantes relatives à l’activité d’émission de
monnaie électronique, ou de prestation de services de
paiement qu’aux conditions suivantes:
a) ils en informent préalablement la Banque;
b) l’externalisation n’entraîne aucune délégation de
la responsabilité de la direction générale de l’établis-
sement de monnaie électronique;
c) la relation de l’établissement de monnaie électro-
nique avec les détenteurs de monnaie électronique et
les obligations qu’il a envers eux en vertu de la présente
loi et des arrêtés et règlements pris en exécution de
celle-ci ne sont pas modifi ées;
d) le respect des conditions que l’établissement de
monnaie électronique est tenu de remplir pour recevoir
puis conserver son agrément n’est pas altéré;
e) aucune des autres conditions auxquelles l’agré-
ment de l’établissement de monnaie électronique a été
subordonné n’est supprimée ou modifi ée;
f) l’externalisation ne peut pas être faite d’une
manière qui nuise sérieusement à la qualité du contrôle
interne de l’établissement de monnaie électronique et
qui empêche la Banque de contrôler le respect, par l’éta-
blissement de monnaie électronique, de ses obligations.
Dans l’externalisation d’activités, les établissements
de monnaie électronique demeurent entièrement
responsables des actes posés par le prestataire de
services.”.
De personen belast met de effectieve leiding, in
voorkomend geval het directiecomité, lichten minstens
jaarlijks het wettelijke bestuursorgaan, de Bank en de
erkende commissaris in over de naleving van het be-
paalde bij het eerste lid van deze paragraaf en over de
genomen passende maatregelen.
De informatieverstrekking aan de Bank en de erkende
commissaris gebeurt volgens de modaliteiten die de
Bank bepaalt.”.
Art. 52
In dezelfde afdeling 3 wordt een artikel 79 ingevoegd,
luidende:
“Artikel 79. Instellingen voor elektronisch geld kun-
nen belangrijke operationele taken met betrekking tot
de uitgifte van elektronisch geld of het verlenen van
betalingsdiensten slechts uitbesteden onder de hier-
navolgende voorwaarden:
a) zij stellen de Bank hiervan voorafgaandelijk in
kennis;
b) de uitbesteding leidt er niet toe dat de hoogste
leiding van de instelling voor elektronisch geld haar
verantwoordelijkheden delegeert;
c) de relatie van de instelling voor elektronisch geld
met de houders van elektronisch geld en de verplich-
tingen die zij jegens hen heeft uit hoofde van deze
wet en de ter uitvoering ervan genomen besluiten en
reglementen, worden niet gewijzigd;
d) de naleving van de voorwaarden waaraan de
instelling voor elektronisch geld moet voldoen om een
vergunning te verkrijgen en te behouden, mag niet
worden ondermijnd;
e) geen van de andere voorwaarden waaronder de
vergunning aan de instelling voor elektronisch geld is
verleend, mag worden opgeheven of gewijzigd;
f) de uitbesteding mag geen wezenlijke afbreuk doen
aan de kwaliteit van de interne controle van de instelling
voor elektronisch geld en aan het vermogen van de Bank
om te controleren of de instelling voor elektronisch geld
voldoet aan haar verplichtingen.
Bij de uitbesteding van werkzaamheden blijven de
instellingen voor elektronisch geld volledig verant-
woordelijk voor de handelingen die gesteld zijn door
de dienstverlener.”.
DOC 53 2432/001
168
2431/001
DOC 53
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 3 e L É G I S L A T U R E
K AMER 3e Z ITTING VAN DE 53e Z ITTING S P E RIO DE
2011
2012
Art. 53
Dans la même section 3, il est inséré un article 80
rédigé comme suit:
“Article 80. Les établissements de monnaie élec-
tronique communiquent périodiquement à la Banque
une situation fi nancière détaillée. Celle-ci est établie
conformément aux règles fi xées par la Banque, qui en
détermine également la fréquence. La Banque peut,
en outre, prescrire la transmission régulière d’autres
informations chiffrées ou descriptives nécessaires à la
vérifi cation du respect des dispositions de la présente
loi ou des arrêtés et règlements pris en exécution de
celles-ci.
La direction effective de l’établissement de monnaie
électronique, le cas échéant le comité de direction,
déclare à la Banque que les états périodiques précités
qui lui sont transmis par l’établissement le cas échéant à
la fi n du premier semestre social et en tout état de cause
à la fi n de l’exercice social, sont conformes à la comp-
tabilité et aux inventaires. Il est à cet effet requis que
les états périodiques soient complets, c’est-à-dire qu’ils
mentionnent toutes les données fi gurant dans la comp-
tabilité et dans les inventaires sur la base desquels ils
sont établis, et qu’ils soient corrects, c’est-à-dire qu’ils
concordent exactement avec la comptabilité et avec
les inventaires sur la base desquels ils sont établis. La
direction effective confi rme avoir fait le nécessaire pour
que les états précités soient établis selon les instructions
en vigueur de la Banque, ainsi que par application des
règles de comptabilisation et d’évaluation présidant à
l’établissement des comptes annuels, ou, s’agissant des
états périodiques qui ne se rapportent pas à la fi n de
l’exercice, par application des règles de comptabilisation
et d’évaluation qui ont présidé à l’établissement des
comptes annuels afférents au dernier exercice.
Le Roi détermine, sur avis de la Banque, pour
l’ensemble des établissements de monnaie électro-
nique ou par catégorie d’établissements de monnaie
électronique:
1° les règles selon lesquelles les établissements
de monnaie électronique tiennent leur comptabilité,
procèdent aux évaluations d’inventaire et établissent
et publient leurs comptes annuels;
2° les règles à respecter par les établissements de
monnaie électronique pour l’établissement, le contrôle
et la publication de leurs comptes consolidés, ainsi que
pour l’établissement et la publication des rapports de
gestion et de contrôle relatifs à ces comptes consolidés.
Art. 53
In dezelfde afdeling 3 wordt een artikel 80 ingevoegd,
luidende:
“Artikel 80. De instelling voor elektronisch geld legt
periodiek aan de Bank een gedetailleerde fi nanciële
staat voor. Die staat wordt opgemaakt overeenkomstig
de regels die zijn vastgesteld door de Bank, die ook
de rapporteringsfrequentie bepaalt. Bovendien kan de
Bank eisen dat haar geregeld andere cijfergegevens of
uitleg worden verstrekt, zodat zij kan nagaan of de bepa-
lingen van deze wet of de ter uitvoering ervan genomen
besluiten en reglementen zijn nageleefd.
De effectieve leiding van de instelling voor elektro-
nisch geld, in voorkomend geval het directiecomité,
verklaart aan de Bank dat de voornoemde periodieke
staten, die haar in voorkomend geval aan het einde
van het eerste halfjaar en in elk geval aan het einde
van het boekjaar worden bezorgd door de instelling,
in overeenstemming zijn met de boekhouding en de
inventarissen. Daartoe is vereist dat de periodieke staten
volledig zijn, d.w.z. dat zij alle gegevens bevatten uit
de boekhouding en de inventarissen op basis waarvan
de periodieke staten worden opgesteld, en dat zij juist
zijn, d.w.z. dat zij de gegevens correct weergeven uit
de boekhouding en de inventarissen op basis waarvan
de periodieke staten worden opgesteld. De effectieve
leiding bevestigt het nodige gedaan te hebben opdat
de voornoemde staten volgens de geldende richtlijnen
van de Bank worden opgemaakt, en worden opgesteld
met toepassing van de boekings- en waarderingsregels
voor de opstelling van de jaarrekening, of, voor de peri-
odieke rapporteringsstaten die geen betrekking hebben
op het einde van het boekjaar, met toepassing van de
boekings- en waarderingsregels voor de opstelling van
de jaarrekening met betrekking tot het laatste boekjaar.
Na advies van de Bank bepaalt de Koning volgens
welke regels alle instellingen voor elektronisch geld of
categorieën van instellingen voor elektronisch geld:
1° hun boekhouding voeren, inventarisramingen
verrichten en hun jaarrekening opmaken en openbaar
maken;
2° hun geconsolideerde jaarrekening opmaken,
controleren en openbaar maken en het jaar- en con-
troleverslag over deze geconsolideerde jaarrekening
opmaken en openbaar maken.
DOC 53 2432/001
169
2431/001
DOC 53
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 3 e L É G I S L A T U R E
K AMER 3e Z ITTING VAN DE 53e Z ITTING S P E RIO DE
2011
2012
La Banque peut, pour certaines catégories d’éta-
blissements de monnaie électronique ou dans des cas
spéciaux, autoriser des dérogations motivées aux arrê-
tés et règlements visés aux alinéas 1er et 3, pour tous
les établissements de monnaie électronique se trouvant
dans des circonstances comparables.
Les établissements de monnaie électronique dé-
posent leurs comptes annuels et leurs comptes conso-
lidés à la Banque.
Les arrêtés et règlements visés au présent article
sont pris après consultation des établissements de
monnaie électronique, le cas échéant représentés par
leurs associations professionnelles.”.
Art. 54
Dans le Livre 3, Titre 2, Chapitre 1er de la même loi,
inséré par l’article 30, il est inséré une section 4 intitulée
“Section 4. Contrôle des établissements de monnaie
électronique”.
Art. 55
Dans le Livre 3, Titre 2, Chapitre 1er, Section 4 de la
même loi, insérée par l’article 54, il est inséré un article
81 rédigé comme suit:
“Article 81. § 1er. Les établissements de monnaie
électronique sont soumis au contrôle de la Banque.
La Banque veille à ce que chaque établissement de
monnaie électronique opère en permanence conformé-
ment aux dispositions de la présente loi et des arrêtés et
règlements pris pour son exécution. Le contrôle exercé
par la Banque est proportionné et adéquat, au regard
de la nature, du volume et de la complexité des activités
de l’établissement de monnaie électronique, ainsi que
des risques y afférents.
§ 2. La Banque peut se faire communiquer par les
établissements de monnaie électronique toutes informa-
tions relatives à leur organisation, à leur fonctionnement,
à leur situation fi nancière et à leurs opérations. À cette
fi n, la Banque peut également se faire communiquer des
informations par les agents ou distributeurs d’établisse-
ments de monnaie électronique, par les prestataires de
services visés à l’article 4, 17° et par d’autres entités
vers lesquelles des tâches sont externalisées.
Voor bepaalde categorieën van instellingen voor
elektronisch geld of in bijzondere gevallen kan de Bank
met redenen omklede afwijkingen toestaan van de in het
eerste en derde lid bedoelde besluiten en reglementen,
voor alle instellingen voor elektronisch geld die zich in
vergelijkbare omstandigheden bevinden.
De instellingen voor elektronisch geld leggen hun
jaarrekening en hun geconsolideerde jaarrekening neer
bij de Bank.
De in dit artikel bedoelde besluiten en reglementen
worden genomen na raadpleging van de instellingen
voor elektronisch geld, in voorkomend geval via hun
representatieve beroepsverenigingen.”.
Art. 54
In Boek 3, Titel 2, Hoofdstuk 1 van dezelfde wet, in-
gevoegd bij artikel 30, wordt een afdeling 4 ingevoegd,
luidende “Afdeling 4. Toezicht op de instellingen voor
elektronisch geld”.
Art. 55
In Boek 3, Titel 2, Hoofdstuk 1, Afdeling 4 van de-
zelfde wet, ingevoegd bij artikel 54, wordt een artikel
81 ingevoegd, luidende:
“Artikel 81. § 1. De instellingen voor elektronisch geld
zijn onderworpen aan het toezicht van de Bank.
De Bank ziet erop toe dat elke instelling voor elektro-
nisch geld doorlopend werkt overeenkomstig de bepa-
lingen van deze wet en de ter uitvoering ervan genomen
besluiten en reglementen. Het toezicht door de Bank
staat in verhouding tot en is afgestemd op de aard, de
omvang en de complexiteit van de door de instelling
voor elektronisch geld verrichte werkzaamheden, en
de eraan verbonden risico’s.
§ 2. De Bank kan zich door de instellingen voor elek-
tronisch geld alle inlichtingen doen verstrekken over hun
organisatie, werking, fi nanciële positie en verrichtingen.
Met dat doel kan de Bank zich ook inlichtingen doen ver-
strekken door agenten of distributeurs van instellingen
voor elektronisch geld, door dienstverleners als bedoeld
in artikel 4, 17° en door andere entiteiten waaraan taken
zijn uitbesteed.
DOC 53 2432/001
170
2431/001
DOC 53
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 3 e L É G I S L A T U R E
K AMER 3e Z ITTING VAN DE 53e Z ITTING S P E RIO DE
2011
2012
La Banque peut procéder auprès des établissements
de monnaie électronique à des inspections sur place
et prendre connaissance et copie, sans déplacement,
de toute information détenue par l’établissement de
monnaie électronique, en vue:
1° de vérifi er le respect des dispositions légales et
réglementaires relatives au statut des établissements
de monnaie électronique ainsi que l’exactitude et la
sincérité de la comptabilité et des comptes annuels
ainsi que des états et autres informations qui lui sont
transmis par l’établissement de monnaie électronique;
2° de vérifi er le caractère adéquat des structures de
gestion, de l’organisation administrative et comptable
et du contrôle interne de l’établissement de monnaie
électronique;
3° de s’assurer que la gestion de l’établissement
de monnaie électronique est saine et prudente et que
sa situation ou ses opérations ne sont pas de nature à
mettre en péril sa liquidité, sa rentabilité ou sa solvabilité.
À cette fi n, la Banque peut également procéder à des
inspections sur place auprès des agents ou distributeurs
d’établissements de monnaie électronique, des pres-
tataires de services visés à l’article 4, 17° et d’autres
entités vers lesquelles des tâches sont externalisées,
et prendre connaissance et copie, sans déplacement,
de toute information détenue par ces derniers.
§ 3. Le contrôle de la Banque ne porte toutefois pas
sur les activités de l’établissement de monnaie élec-
tronique autres que l’activité d’émission de monnaie
électronique, la prestation d’activités visées à l’article
77, § 2, 1° et 2°, et la détention de participations visée
à l’article 77, § 7, sauf dans la mesure requise pour le
contrôle du respect par l’établissement de monnaie
électronique des dispositions de la présente loi et des
arrêtés et règlements pris pour son exécution.”.
Art. 56
Dans la même section 4, il est inséré un article 82
rédigé comme suit:
“Article 82. La Banque ne connaît des relations entre
l’établissement de monnaie électronique, son agent
ou son distributeur et un client déterminé que dans la
mesure requise pour le contrôle de l’établissement de
monnaie électronique.”.
De Bank kan bij instellingen voor elektronisch geld
ter plaatse inspecties verrichten en ter plaatse kennis
nemen en een kopie maken van elk gegeven in bezit
van de instelling voor elektronisch geld:
1° om na te gaan of de wettelijke en reglementaire
bepalingen op het statuut van deinstellingen voor elek-
tronisch geld zijn nageleefd en of de boekhouding en
de jaarrekening, alsmede de haar door de instelling
voor elektronisch geld voorgelegde staten en andere
inlichtingen, juist en waarheidsgetrouw zijn;
2° om het passende karakter te toetsen van de be-
leidsstructuren, de administratieve en boekhoudkundige
organisatie en de interne controle van de instelling voor
elektronisch geld;
3° om zich ervan te vergewissen dat het beleid van de
instelling voor elektronisch geld gezond en voorzichtig
is, en dat haar positie of haar verrichtingen haar liqui-
diteit, rendabiliteit of solvabiliteit niet in gevaar kunnen
brengen.
Met dat doel kan de Bank ook ter plaatse inspecties
verrichten bij agenten of distributeurs van instellingen
voor elektronisch geld, dienstverleners als bedoeld in
artikel 4, 17° en andere entiteiten waaraan taken zijn
uitbesteed, en ter plaatse kennis nemen en een kopie
maken van elk gegeven in hun bezit.
§ 3. Het toezicht van de Bank slaat evenwel niet op
de door een instelling voor elektronisch geld verrichte
andere werkzaamheden dan de uitgifte van elektronisch
geld, de werkzaamheden bedoeld in artikel 77, § 2, 1°
en 2°, en het bezit van deelnemingen als bedoeld in
artikel 77, § 7, tenzij dit vereist is voor het toezicht op de
naleving door de instelling voor elektronisch geld van
de bepalingen van deze wet en de ter uitvoering ervan
genomen besluiten en reglementen.”.
Art. 56
In dezelfde afdeling 4 wordt een artikel 82 ingevoegd,
luidende:
“Artikel 82. Relaties tussen een instelling voor elek-
tronisch geld, haar agent of haar distributeur en een
bepaalde cliënt behoren niet tot de bevoegdheid van
de Bank, tenzij het toezicht op de instelling voor elek-
tronisch geld dit vergt.”.
DOC 53 2432/001
171
2431/001
DOC 53
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 3 e L É G I S L A T U R E
K AMER 3e Z ITTING VAN DE 53e Z ITTING S P E RIO DE
2011
2012
Art. 57
Dans la même section 4, il est inséré un article 83
rédigé comme suit:
“Article 83. La Banque peut procéder auprès des
succursales des établissements de monnaie électro-
nique de droit belge, des agents, des distributeurs, des
prestataires de services visés à l’article 4, 17° et des
autres entités vers lesquelles des tâches sont exter-
nalisées, établis à l’étranger, moyennant l’information
préalable des autorités de l’État concerné chargées du
contrôle des établissements de monnaie électronique,
aux inspections visées à l’article 81, § 1, alinéa 3, ainsi
qu’à toute inspection en vue de recueillir ou de vérifi er
sur place les informations relatives à la direction et à la
gestion de la succursale ainsi que toutes informations
susceptibles de faciliter le contrôle de l’établissement
de monnaie électronique, spécialement sur le plan de sa
situation fi nancière, de son organisation administrative
et comptable et de son contrôle interne.
Elle peut, aux mêmes fi ns, et après en avoir avisé
les autorités de contrôle visées à l’alinéa 1er, charger
un expert, qu’elle désigne, d’effectuer les vérifi cations
et expertises utiles. La rémunération et les frais de
l’expert sont à charge de l’établissement de monnaie
électronique.
Elle peut, de même, demander à ces autorités de
procéder aux vérifi cations et expertises visées à l’alinéa
1er qu’elle leur précise.”.
Art. 58
Dans la même section 4, il est inséré un article 84
rédigé comme suit:
“Article 84. Les articles 28 à 32 s’appliquent aux
établissements de monnaie électronique.”.
Art. 59
Dans la même section 4, il est inséré un article 85
rédigé comme suit:
“Article 85. Les commissaires agréés collaborent au
contrôle exercé par la Banque, sous leur responsabilité
personnelle et exclusive et conformément au présent
article, aux règles de la profession et aux instructions
de la Banque. À cette fi n:
Art. 57
In dezelfde afdeling 4 wordt een artikel 83 ingevoegd,
luidende:
“Artikel 83. De Bank kan bij de bijkantoren van in-
stellingen voor elektronisch geld naar Belgisch recht,
evenals bij agenten, distributeurs, dienstverleners als
bedoeld in artikel 4, 17° en andere entiteiten waaraan
taken zijn uitbesteed, die in het buitenland zijn gevestigd,
na voorafgaande kennisgeving aan de autoriteiten die
in de betrokken staat belast zijn met het toezicht op de
instellingen voor elektronisch geld, de in artikel 81, § 1,
derde lid, bedoelde inspecties verrichten, alsook alle
inspecties met als doel de gegevens over de leiding en
het beleid van het bijkantoor, alsook alle gegevens die
het toezicht op de instelling voor elektronisch geld kun-
nen vergemakkelijken, inzonderheid op het vlak van haar
fi nanciële positie, administratieve en boekhoudkundige
organisatie en interne controle, ter plaatse in te zamelen
of te toetsen.
Met hetzelfde doel en na kennisgeving aan de in het
eerste lid bedoelde autoriteiten, kan de Bank een des-
kundige die zij aanstelt, gelasten alle nuttige controles
en onderzoeken te verrichten. De bezoldiging en de
kosten van deze deskundige worden door de instelling
voor elektronisch geld gedragen. De bezoldiging en de
kosten van deze deskundige worden door de instelling
voor elektronisch geld gedragen.
Evenzo kan de Bank deze autoriteiten verzoeken
bepaalde van de in het eerste lid bedoelde controles
en onderzoeken te verrichten.”.
Art. 58
In dezelfde afdeling 4 wordt een artikel 84 ingevoegd,
luidende:
“Artikel 84. De artikelen 28 tot 32 zijn van toepassing
op de instellingen voor elektronisch geld.”.
Art. 59
In dezelfde afdeling 4 wordt een artikel 85 ingevoegd,
luidende:
“Artikel 85. De erkende commissarissen verlenen
hun medewerking aan het toezicht van de Bank, op hun
eigen en uitsluitende verantwoordelijkheid en overeen-
komstig dit artikel, volgens de regels van het vak en de
richtlijnen van de Bank. Daartoe:
DOC 53 2432/001
172
2431/001
DOC 53
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 3 e L É G I S L A T U R E
K AMER 3e Z ITTING VAN DE 53e Z ITTING S P E RIO DE
2011
2012
1° ils évaluent les mesures de contrôle interne adop-
tées par les établissements de monnaie électronique
conformément aux articles 69, § 3, alinéa 1er et 79,
alinéa 1er, f), et ils communiquent leurs conclusions en
la matière à la Banque;
2° ils font rapport à la Banque sur:
a) les résultats de l’examen limité des états pério-
diques transmis par les établissements de monnaie
électronique à la Banque à la fi n du premier semestre
social, confi rmant qu’ils n’ont pas connaissance de
faits dont il apparaîtrait que ces états périodiques n’ont
pas, sous tous égards signifi cativement importants, été
établis selon les instructions en vigueur de la Banque.
Ils confi rment en outre que les états périodiques arrêtés
en fi n de semestre sont, pour ce qui est des données
comptables, sous tous égards signifi cativement impor-
tants, conformes à la comptabilité et aux inventaires,
en ce sens qu’ils sont complets, c’est-à-dire qu’ils
mentionnent toutes les données fi gurant dans la comp-
tabilité et dans les inventaires sur la base desquels ils
sont établis, et qu’ils sont corrects, c’est-à-dire qu’ils
concordent exactement avec la comptabilité et avec
les inventaires sur la base desquels ils sont établis; ils
confi rment également n’avoir pas connaissance de faits
dont il apparaîtrait que les états périodiques arrêtés en
fi n de semestre n’ont pas été établis par application
des règles de comptabilisation et d’évaluation qui ont
présidé à l’établissement des comptes annuels afférents
au dernier exercice; la Banque peut préciser quels sont
en l’occurrence les états périodiques visés;
b) les résultats du contrôle des états périodiques
transmis par les établissements de monnaie électro-
nique à la Banque à la fi n de l’exercice social, confi r-
mant que ces états périodiques ont, sous tous égards
significativement importants, été établis selon les
instructions en vigueur de la Banque. Ils confi rment en
outre que les états périodiques arrêtés en fi n d’exercice
sont, pour ce qui est des données comptables, sous
tous égards signifi cativement importants, conformes
à la comptabilité et aux inventaires, en ce sens qu’ils
sont complets, c’est-à-dire qu’ils mentionnent toutes
les données fi gurant dans la comptabilité et dans les
inventaires sur la base desquels ils sont établis, et qu’ils
sont corrects, c’est-à-dire qu’ils concordent exactement
avec la comptabilité et avec les inventaires sur la base
desquels ils sont établis; ils confi rment également que
les états périodiques arrêtés en fi n d’exercice ont été
établis par application des règles de comptabilisation
et d’évaluation présidant à l’établissement des comptes
annuels; la Banque peut préciser quels sont en l’occur-
rence les états périodiques visés;
1° beoordelen zij de internecontrolemaatregelen die
de instellingen voor elektronisch geld hebben getroffen
overeenkomstig de artikelen 69, § 3, eerste lid en 79,
eerste lid, f), en delen zij hun bevindingen ter zake mee
aan de Bank;
2° brengen zij verslag uit bij de Bank over:
a) de resultaten van het beperkt nazicht van de
periodieke staten die de instellingen voor elektronisch
geld aan het einde van het eerste halfjaar aan de Bank
bezorgen, waarin bevestigd wordt dat zij geen kennis
hebben van feiten waaruit zou blijken dat de periodieke
staten per einde halfjaar niet in alle materieel belang-
rijke opzichten volgens de geldende richtlijnen van de
Bank werden opgesteld. Bovendien bevestigen zij dat
de periodieke staten per einde halfjaar, voor wat de
boekhoudkundige gegevens betreft, in alle materieel
belangrijke opzichten in overeenstemming zijn met de
boekhouding en de inventarissen, in die zin dat zij vol-
ledig zijn, d.w.z. dat zij alle gegevens bevatten uit de
boekhouding en de inventarissen op basis waarvan
de periodieke staten worden opgesteld, en dat zij juist
zijn, d.w.z. dat zij de gegevens correct weergeven uit
de boekhouding en de inventarissen op basis waarvan
de periodieke staten worden opgesteld; en bevestigen
zij geen kennis te hebben van feiten waaruit zou blijken
dat de periodieke staten per einde halfjaar niet zijn
opgesteld met toepassing van de boekings- en waarde-
ringsregels voor de opstelling van de jaarrekening met
betrekking tot het laatste boekjaar; de Bank kan de hier
bedoelde periodieke staten nader bepalen;
b) de resultaten van de controle van de periodieke
staten die de instellingen voor elektronisch geld aan het
einde van het boekjaar aan de Bank bezorgen, waarin
bevestigd wordt dat de periodieke staten in alle materi-
eel belangrijke opzichten werden opgesteld volgens de
geldende richtlijnen van de Bank. Bovendien bevestigen
zij dat de periodieke staten per einde van het boekjaar,
voor wat de boekhoudkundige gegevens betreft, in alle
materieel belangrijke opzichten in overeenstemming zijn
met de boekhouding en de inventarissen, in die zin dat
zij volledig zijn, d.w.z. dat zij alle gegevens bevatten uit
de boekhouding en de inventarissen op basis waarvan
de periodieke staten worden opgesteld, en dat zij juist
zijn, d.w.z. dat zij de gegevens correct weergeven uit
de boekhouding en de inventarissen op basis waarvan
de periodieke staten worden opgesteld; en bevestigen
zij dat de periodieke staten per einde van het boekjaar
werden opgesteld met toepassing van de boekings- en
waarderingsregels voor de opstelling van de jaarreke-
ning; de Bank kan de hier bedoelde periodieke staten
nader bepalen;
DOC 53 2432/001
173
2431/001
DOC 53
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 3 e L É G I S L A T U R E
K AMER 3e Z ITTING VAN DE 53e Z ITTING S P E RIO DE
2011
2012
3° ils font à la Banque, à sa demande, des rapports
spéciaux portant sur l’organisation, les activités et la
structure fi nancière de l’établissement de monnaie élec-
tronique, rapports dont les frais d’établissement sont
supportés par l’établissement de monnaie électronique;
4° dans le cadre de leur mission auprès de l’éta-
blissement de monnaie électronique ou d’une mission
révisorale auprès d’une entreprise liée à l’établissement
de monnaie électronique, ils font d’initiative rapport à la
Banque dès qu’ils constatent:
a) des décisions, des faits ou des évolutions qui
infl uencent ou peuvent infl uencer de façon signifi cative
la situation de l’établissement de monnaie électronique
sous l’angle fi nancier ou sous l’angle de son organi-
sation administrative et comptable ou de son contrôle
interne;
b) des décisions ou des faits qui peuvent constituer
des violations du Code des sociétés, des statuts, de la
présente loi et des arrêtés et règlements pris pour son
exécution;
c) des autres décisions ou des faits qui sont de nature
à entraîner le refus ou des réserves en matière de cer-
tifi cation des comptes;
5° ils font rapport au moins tous les ans à la Banque
sur l’adéquation des dispositions prises par les éta-
blissements de monnaie électronique pour préserver
les fonds qu’ils reçoivent des détenteurs de monnaie
électronique, en application de l’article 78, §§ 1er et 2.
Aucune action civile, pénale ou disciplinaire ne
peut être intentée ni aucune sanction professionnelle
prononcée contre les commissaires agréés qui ont
procédé de bonne foi à une information visée sous le
4° de l’alinéa 1er.
Les commissaires agréés communiquent aux diri-
geants de l’établissement de monnaie électronique les
rapports qu’ils adressent à la Banque conformément à
l’alinéa 1er, 3°. Ces communications tombent sous le se-
cret organisé par l’article 35 de la loi du 22 février 1998.
Ils transmettent à la Banque copie des communications
qu’ils adressent à ces dirigeants et qui portent sur des
questions de nature à intéresser le contrôle exercé par
elle.
Les commissaires agréés et les sociétés de réviseurs
agréées peuvent effectuer les vérifi cations et expertises
relevant de leurs fonctions auprès des succursales à
l’étranger de l’établissement qu’ils contrôlent.
3° brengen zij bij de Bank op haar verzoek een bijzon-
der verslag uit over de organisatie, de werkzaamheden en
de fi nanciële structuur van de instelling voor elektronisch
geld; de kosten voor de opstelling van dit verslag worden
door de instelling voor elektronisch geld gedragen;
4° brengen zij, in het kader van hun opdracht bij een
instelling voor elektronisch geld of een revisorale op-
dracht bij een met een instelling voor elektronisch geld
verbonden onderneming, op eigen initiatief verslag uit
bij de Bank, zodra zij kennis krijgen van:
a) beslissingen, feiten of ontwikkelingen die de positie
van de instelling voor elektronisch geld fi nancieel of op
het vlak van haar administratieve en boekhoudkundige
organisatie of van haar interne controle, op betekenis-
volle wijze beïnvloeden of kunnen beïnvloeden;
b) beslissingen of feiten die kunnen wijzen op een
overtreding van het Wetboek van Vennootschappen, de
statuten, deze wet en de ter uitvoering ervan genomen
besluiten en reglementen;
c) andere beslissingen of feiten die kunnen leiden tot
een weigering van de certifi cering van de jaarrekening
of tot het formuleren van voorbehoud;
5° brengen zij minstens eenmaal per jaar verslag uit
aan de Bank over de deugdelijkheid van de maatregelen
die de instelling voor elektronisch geld heeft getroffen
ter vrijwaring van de geldmiddelen die zij van houders
van elektronisch geld ontvangt, met toepassing van
artikel 78, §§ 1 en 2.
Tegen erkende commissarissen die te goeder trouw
informatie hebben verstrekt als bedoeld in het eerste
lid, 4°, kunnen geen burgerrechtelijke, strafrechtelijke
of tuchtrechtelijke vorderingen worden ingesteld, noch
professionele sancties worden uitgesproken.
De erkende commissarissen delen aan de leiders
van de instelling voor elektronisch geld de verslagen
mee die zij aan de Bank richten overeenkomstig het
eerste lid, 3°. Voor deze mededeling geldt de geheim-
houdingsplicht zoals geregeld bij artikel 35 van de wet
van 22 februari 1998. Zij bezorgen de Bank een kopie
van de mededelingen die zij aan deze leiders richten en
die betrekking hebben op zaken die van belang kunnen
zijn voor het toezicht dat zij uitoefent.
De erkende commissarissen en de erkende reviso-
renvennootschappen mogen bij de buitenlandse bijkan-
toren van de instelling waarop zij toezicht houden, het
toezicht uitoefenen en de onderzoeken verrichten die
bij hun opdracht horen.
DOC 53 2432/001
174
2431/001
DOC 53
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 3 e L É G I S L A T U R E
K AMER 3e Z ITTING VAN DE 53e Z ITTING S P E RIO DE
2011
2012
Ils peuvent être chargés par la Banque, à la demande
de la Banque Centrale Européenne, de confi rmer que
les informations que les établissements de monnaie
électronique sont tenus de communiquer à ces autorités
sont complètes, correctes et établies selon les règles
qui s’y appliquent.”.
Art. 60
Dans le Livre 3, Titre 2, Chapitre 1er de la même loi,
inséré par l’article 30, il est inséré une section 5 intitulée
“Section 5 – Mesures exceptionnelles et sanctions à
l’égard des établissements de monnaie électronique”.
Art. 61
Dans le Livre 3, Titre 2, Chapitre 1er, Section 5 de la
même loi, insérée par l’article 60, il est inséré un article
86 rédigé comme suit:
“Article 86. La Banque radie, par décision notifi ée
par lettre recommandée à la poste ou avec accusé de
réception, l’agrément des établissements de monnaie
électronique qui n’ont pas entamé leurs activités dans
les douze mois de l’agrément, qui renoncent à l’agré-
ment, qui ont arrêté leurs activités pendant une période
supérieure à six mois, qui ont été déclarés en faillite ou
qui ont cessé d’exercer leurs activités.
La Banque rend publique, sur son site internet, toute
décision de radiation d’un agrément.”.
Art. 62
Dans la même section 5, il est inséré un article 87
rédigé comme suit:
“Article 87. § 1er. Lorsque la Banque constate qu’un
établissement de monnaie électronique ne fonctionne
pas en conformité avec les dispositions de la présente
loi et des arrêtés et règlements pris pour son exécution,
que sa gestion ou sa situation fi nancière sont de nature
à mettre en cause la bonne fi n de ses engagements ou
n’offrent pas des garanties suffisantes sur le plan de sa
solvabilité, de sa liquidité ou de sa rentabilité, que ses
structures de gestion, son organisation administrative
ou comptable, son réseau d’agents, de distributeurs
ou de succursales, ou son contrôle interne présentent
des lacunes graves, ou que la poursuite de ses activités
représente une menace pour la stabilité du système
de paiement, elle fi xe le délai dans lequel il doit être
remédié à la situation constatée.
Zij kunnen door de Bank, op verzoek van de Euro-
pese Centrale Bank, worden gelast te bevestigen dat
de gegevens die de instellingen voor elektronisch geld
aan deze autoriteiten moeten verstrekken, volledig, juist
en conform de geldende regels zijn opgesteld.”.
Art. 60
In Boek 3, Titel 2, Hoofdstuk 1 van dezelfde wet, inge-
voegd bij artikel 30, wordt een afdeling 5 ingevoegd, lui-
dende “Afdeling 5 – Uitzonderlijke maatregelen en sancties
ten aanzien van instellingen voor elektronisch geld”.
Art. 61
In Boek 3, Titel 2, Hoofdstuk 1, Afdeling 5 van de-
zelfde wet, ingevoegd bij artikel 60, wordt een artikel
86 ingevoegd, luidende:
“Artikel 86. Bij beslissing die met een aangetekende
brief of een brief met ontvangstbewijs ter kennis wordt
gebracht, trekt de Bank de vergunning in van instellingen
voor elektronisch geld die hun bedrijf niet binnen twaalf
maanden na het verlenen van de vergunning hebben
aangevat, hun werkzaamheden gedurende meer dan
zes maanden hebben gestaakt, afstand doen van hun
vergunning, failliet zijn verklaard of hun bedrijf hebben
stopgezet.
De Bank maakt alle beslissingen tot intrekking van
een vergunning bekend op haar website.”.
Art. 62
In dezelfde afdeling 5 wordt een artikel 87 ingevoegd,
luidende:
“Artikel 87. § 1. Wanneer de Bank vaststelt dat een
instelling voor elektronisch geld niet werkt overeenkom-
stig de bepalingen van deze wet en de ter uitvoering
ervan genomen besluiten en reglementen, dat haar
beleid of fi nanciële positie de goede afl oop van haar
verbintenissen in het gedrang dreigt te brengen of niet
voldoende waarborgen biedt voor haar solvabiliteit,
liquiditeit of rendabiliteit, dat haar beleidsstructuren,
haar administratieve of boekhoudkundige organisatie,
haar netwerk van agenten, distributeurs of bijkantoren,
of haar interne controle ernstige leemten vertonen, of
dat de voortzetting van haar bedrijf een bedreiging vormt
voor de stabiliteit van het betalingssysteem, stelt zij de
termijn vast waarbinnen deze toestand moet worden
verholpen.
DOC 53 2432/001
175
2431/001
DOC 53
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 3 e L É G I S L A T U R E
K AMER 3e Z ITTING VAN DE 53e Z ITTING S P E RIO DE
2011
2012
Si, au terme de ce délai, il n’a pas été remédié à la
situation, la Banque peut:
1° désigner un commissaire spécial.
Dans ce cas, l’autorisation écrite, générale ou spé-
ciale de celui-ci est requise pour tous les actes et déci-
sions de tous les organes de l’établissement, y compris
l’assemblée générale, et pour ceux des personnes
chargées de la gestion; la Banque peut toutefois limiter
le champ des opérations soumises à autorisation.
Le commissaire spécial peut soumettre à la délibéra-
tion de tous les organes de l’établissement, y compris
l’assemblée générale, toutes propositions qu’il juge
opportunes. La rémunération du commissaire spécial
est fi xée par la Banque et supportée par l’établissement.
Les membres des organes d’administration et de
gestion et les personnes chargées de la gestion qui
accomplissent des actes ou prennent des décisions
sans avoir recueilli l’autorisation requise du commissaire
spécial sont responsables solidairement du préjudice
qui en est résulté pour l’établissement ou les tiers.
Si la Banque a publié au Moniteur belge la dési-
gnation du commissaire spécial et spécifi é les actes et
décisions soumis à son autorisation, les actes et déci-
sions intervenus sans cette autorisation alors qu’elle
était requise sont nuls, à moins que le commissaire
spécial ne les ratifi e. Dans les mêmes conditions toute
décision d’assemblée générale prise sans avoir recueilli
l’autorisation requise du commissaire spécial est nulle,
à moins que le commissaire spécial ne la ratifi e.
La Banque peut désigner un commissaire suppléant;
2° suspendre pour la durée qu’elle détermine l’exer-
cice direct ou indirect de tout ou partie de l’activité de
l’établissement de monnaie électronique ou interdire
cet exercice; cette suspension peut, dans la mesure
déterminée par la Banque, impliquer la suspension
totale ou partielle de l’exécution des contrats en cours.
Les membres des organes d’administration et de
gestion et les personnes chargées de la gestion qui
accomplissent des actes ou prennent des décisions en
violation de la suspension sont responsables solidaire-
ment du préjudice qui en est résulté pour l’établissement
de monnaie électronique ou les tiers.
Indien de toestand na deze termijn niet is verholpen,
kan de Bank:
1° een speciaal commissaris aanstellen.
In dit geval is voor alle handelingen en beslissingen
van alle organen van de instelling, inclusief de alge-
mene vergadering, alsook voor die van de personen
die instaan voor het beleid, zijn schriftelijke, algemene
of bijzondere toestemming vereist; de verrichtingen
waarvoor een toestemming is vereist, kan de Bank
evenwel beperken.
De speciaal commissaris mag elk voorstel dat hij
nuttig acht aan alle organen van de instelling voorleg-
gen, inclusief de algemene vergadering. De bezoldiging
van de speciaal commissaris wordt vastgesteld door de
Bank en gedragen door de instelling.
De leden van de bestuurs- en de beleidsorganen en
de personen die instaan voor het beleid, die handelingen
stellen of beslissingen nemen zonder de vereiste toe-
stemming van de speciaal commissaris, zijn hoofdelijk
aansprakelijk voor het nadeel dat hieruit voor de instel-
ling of voor derden voortvloeit.
Indien de Bank de aanstelling van een speciaal com-
missaris in het Belgisch Staatsblad heeft bekendge-
maakt, met opgave van de handelingen en beslissingen
waarvoor zijn toestemming is vereist, zijn alle handelin-
gen en beslissingen zonder deze vereiste toestemming
nietig, tenzij de speciaal commissaris die bekrachtigt.
Onder dezelfde voorwaarden zijn alle beslissingen van
de algemene vergadering zonder de vereiste toestem-
ming van de speciaal commissaris nietig, tenzij hij die
bekrachtigt.
De Bank kan een plaatsvervangend commissaris
aanstellen;
2° voor de termijn die zij bepaalt, de rechtstreekse of
onrechtstreekse uitoefening van het bedrijf van de instel-
ling voor elektronisch geld geheel of ten dele schorsen
dan wel verbieden; deze schorsing kan, in de door de
Bank bepaalde mate, de volledige of gedeeltelijke schor-
sing van de uitvoering van de lopende overeenkomsten
tot gevolg hebben.
De leden van de bestuurs- en beleidsorganen en de
personen die instaan voor het beleid, die handelingen
stellen of beslissingen nemen ondanks de schorsing,
zijn hoofdelijk aansprakelijk voor het nadeel dat hieruit
voor de instelling voor elektronisch geld of voor derden
voortvloeit.
DOC 53 2432/001
176
2431/001
DOC 53
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 3 e L É G I S L A T U R E
K AMER 3e Z ITTING VAN DE 53e Z ITTING S P E RIO DE
2011
2012
Si la Banque a publié la suspension au Moniteur
belge, les actes et décisions intervenus à l’encontre
de celle-ci sont nuls.
La Banque peut, de même, enjoindre à un établis-
sement de monnaie électronique de céder des partici-
pations qu’il détient, le cas échéant, conformément à
l’article 77, § 7;
3° imposer, en matière de solvabilité, des exigences
plus strictes que celles visées à l’article 72;
4° enjoindre le remplacement des administrateurs
ou gérants de l’établissement de monnaie électronique
dans un délai qu’elle détermine et, à défaut d’un tel
remplacement dans ce délai, substituer à l’ensemble
des organes d’administration et de gestion de l’éta-
blissement un ou plusieurs administrateurs ou gérants
provisoires qui disposent, seuls ou collégialement selon
le cas, des pouvoirs des personnes remplacées. La
Banque publie sa décision au Moniteur belge.
La rémunération du ou des administrateurs ou
gérants provisoires est fi xée par la Banque et supportée
par l’établissement de monnaie électronique.
La Banque peut, à tout moment, remplacer le ou les
administrateurs ou gérants provisoires, soit d’office, soit
à la demande d’une majorité des actionnaires ou asso-
ciés lorsqu’ils justifi ent que la gestion des intéressés ne
présente plus les garanties nécessaires;
5° révoquer l’agrément. La Banque rend publique,
sur son site internet, toute décision de révocation d’un
agrément.
En cas d’extrême urgence, la Banque peut adopter
les mesures visées au présent paragraphe sans qu’un
délai de redressement ne soit préalablement fi xé.
§ 2. Les décisions de la Banque visées au paragraphe
1er produisent leurs effets à l’égard de l’établissement
de monnaie électronique à dater de leur notifi cation
à celui-ci par lettre recommandée à la poste ou avec
accusé de réception et, à l’égard des tiers, à dater de
leur publication conformément au paragraphe 1er.
§ 3. Le paragraphe 1er, alinéas 1er et 2, 2°, et le
paragraphe 2 sont applicables au cas où la Banque a
connaissance du fait qu’un établissement de monnaie
électronique, ses agents ou ses distributeurs ont mis en
place un mécanisme particulier ayant pour but ou pour
effet de favoriser la fraude fi scale par des tiers.
Indien de Bank de schorsing in het Belgisch Staats-
blad heeft bekendgemaakt, zijn alle hiermee strijdige
handelingen en beslissingen nietig.
De Bank kan een instelling voor elektronisch geld
tevens gelasten deelnemingen over te dragen die zij in
voorkomend geval bezit overeenkomstig artikel 77, § 7;
3° inzake solvabiliteit, strengere vereisten opleggen
dan deze bedoeld in artikel 72;
4° de vervanging gelasten van bestuurders of zaak-
voerders van de instelling voor elektronisch geld binnen
een termijn die zij bepaalt en, zo binnen deze termijn
geen vervanging geschiedt, in de plaats van de voltallige
bestuurs- en beleidsorganen van de instelling een of
meer voorlopige bestuurders of zaakvoerders aanstel-
len die alleen of collegiaal, naargelang van het geval,
de bevoegdheden hebben van de vervangen personen.
De Bank maakt haar beslissing bekend in het Belgisch
Staatsblad.
De bezoldiging van de voorlopige bestuurder(s) of
zaakvoerder(s) wordt vastgesteld door de Bank en ge-
dragen door de instelling voor elektronisch geld.
De Bank kan op elk tijdstip de voorlopige bestuurder(s)
of zaakvoerder(s) vervangen, hetzij ambtshalve, hetzij
op verzoek van een meerderheid van aandeelhouders
of vennoten, wanneer zij aantonen dat het beleid van
de betrokkenen niet meer de nodige waarborgen biedt;
5° de vergunning herroepen. De Bank maakt alle
beslissingen tot herroeping van een vergunning bekend
op haar website.
Bij uiterste hoogdringendheid kan de Bank de in deze
paragraaf bedoelde maatregelen nemen zonder dat
vooraf een hersteltermijn wordt vastgesteld.
§ 2. De in paragraaf 1 bedoelde beslissingen van de
Bank hebben voor de instelling voor elektronisch geld
uitwerking vanaf de datum van hun kennisgeving met
een aangetekende brief of een brief met ontvangstbewijs
en, voor derden, vanaf de datum van hun bekendmaking
overeenkomstig paragraaf 1.
§ 3. Wanneer de Bank kennis heeft van het feit dat
een instelling voor elektronisch geld, haar agenten of
haar distributeurs een bijzonder mechanisme hebben
ingesteld met als doel of gevolg fi scale fraude door der-
den te bevorderen, zijn paragraaf 1, eerste en tweede
lid, 2°, en paragraaf 2 van toepassing.
DOC 53 2432/001
177
2431/001
DOC 53
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 3 e L É G I S L A T U R E
K AMER 3e Z ITTING VAN DE 53e Z ITTING S P E RIO DE
2011
2012
Lorsque la Banque constate que les renseignements
visés à l’article 20, § 1er, qui lui ont été communiqués par
un établissement de monnaie électronique en vertu de
l’article 76, § 3, sont inexacts ou incomplets, elle peut
suspendre ou radier l’inscription de l’agent sur la liste
visée à l’article 64.
§ 4. Le paragraphe 1er, alinéa 1er, et le paragraphe 2 ne
sont pas applicables en cas de radiation de l’agrément
d’un établissement de monnaie électronique déclaré
en faillite.”.
Art. 63
Dans la même section 5, il est inséré un article 88
rédigé comme suit:
“Article 88. Lorsque les autorités de contrôle des
établissements de monnaie électronique d’un autre
État membre de l’EEE dans lequel un établissement
de monnaie électronique de droit belge recourt à un
agent, ou envisage de le faire, informent la Banque
qu’elles ont de bonnes raisons de soupçonner qu’une
opération ou une tentative de blanchiment de capitaux
ou de fi nancement du terrorisme au sens de la Directive
2005/60/CE est en cours ou a eu lieu, ou que le recours
à l’agent pourrait accroître le risque de blanchiment de
capitaux ou de fi nancement du terrorisme, la Banque
prend, dans les plus brefs délais, celles des mesures
visées à l’article 87, § 1er, qui s’imposent. L’article 87,
§ 2, est également d’application.
La Banque peut, dans le cas visé à l’alinéa 1er, exiger
que l’établissement de monnaie électronique ne recoure
plus à l’agent concerné et peut soit refuser, soit radier
l’inscription de l’agent visée à l’article 20, § 2.”.
Art. 64
Dans la même section 5, il est inséré un article 89
rédigé comme suit:
“Article 89. La Banque informe sans délai les autorités
de contrôle des établissements de monnaie électronique
des autres États membres de l’EEE dans lesquels un
établissement de monnaie électronique de droit belge
a établi une succursale ou exerce des activités sous le
régime de la libre prestation de services, des décisions
qu’elle a prises conformément aux articles 86, 87 et 88.
Elle tient ces autorités informées des suites données
aux recours pris contre ces décisions.”.
Wanneer de Bank vaststelt dat de gegevens bedoeld
in artikel 20, § 1, die haar door een instelling voor elektro-
nisch geld zijn verstrekt krachtens artikel 76, § 3, onjuist
of onvolledig zijn, kan zij de inschrijving van de agent
op de lijst bedoeld in artikel 64 schorsen of schrappen.
§ 4. Paragraaf 1, eerste lid, en paragraaf 2 zijn niet
van toepassing bij intrekking van de vergunning van
een failliet verklaarde instelling voor elektronisch geld.”.
Art. 63
In dezelfde afdeling 5 wordt een artikel 88 ingevoegd,
luidende:
“Artikel 88. Wanneer de autoriteiten die toezicht
houden op de instellingen voor elektronisch geld in een
andere lidstaat van de EER, waar een instelling voor
elektronisch geld naar Belgisch recht een beroep doet
op een agent of voornemens is dit te doen, de Bank
ervan in kennis stellen dat zij goede redenen hebben
om te vermoeden dat geld wordt of werd witgewassen
of terrorisme gefi nancierd wordt of werd, of dat gepoogd
wordt of gepoogd werd geld wit te wassen of terrorisme
te fi nancieren in de zin van Richtlijn 2005/60/EG, of dat
het feit dat op een agent een beroep wordt gedaan, het
risico op witwassen van geld of fi nanciering van terro-
risme zou kunnen verhogen, neemt de Bank zo spoedig
mogelijk de vereiste maatregelen bedoeld in artikel 87,
§ 1. Artikel 87, § 2, is eveneens van toepassing.
In het geval bedoeld in het eerste lid kan de Bank
eisen dat de instelling voor elektronisch geld niet langer
een beroep doet op de betrokken agent en kan zij de
inschrijving van de agent, als bedoeld in artikel 20, § 2,
hetzij weigeren, hetzij schrappen.”.
Art. 64
In dezelfde afdeling 5 wordt een artikel 89 ingevoegd,
luidende:
“Artikel 89. De Bank brengt onmiddellijk ter kennis van
de autoriteiten die toezicht houden op de instellingen
voor elektronisch geld in andere lidstaten van de EER
waar een instelling voor elektronisch geld naar Belgisch
recht een bijkantoor heeft gevestigd of werkzaamheden
verricht in het kader van het vrij verrichten van diensten,
welke beslissingen zij overeenkomstig de artikelen 86,
87 en 88 heeft genomen. Zij houdt deze autoriteiten op
de hoogte van de behandeling van het beroep tegen
deze beslissingen.”.
DOC 53 2432/001
178
2431/001
DOC 53
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 3 e L É G I S L A T U R E
K AMER 3e Z ITTING VAN DE 53e Z ITTING S P E RIO DE
2011
2012
Art. 65
Dans la même section 5, il est inséré un article 90
rédigé comme suit:
“Article 90. Les établissements de monnaie électro-
nique dont l’agrément a été radié ou révoqué en vertu
de la présente loi, restent soumis à cette loi jusqu’à la
liquidation de leurs engagements vis-à-vis des déten-
teurs de monnaie électronique, et le cas échéant, des
utilisateurs de services de paiement, à moins que la
Banque ne les en dispense pour certaines dispositions.
Le présent article n’est pas applicable en cas de
radiation de l’agrément d’un établissement de monnaie
électronique déclaré en faillite.”.
Art. 66
Dans le Livre 3, Titre 2 de la même loi, inséré
par l’article 29, il est inséré un Chapitre 2, intitulé:
“Chapitre 2. Succursales et activités de prestation de
services en Belgique des établissements de monnaie
électronique relevant du droit d’un autre État membre
de l’EEE”.
Art. 67
Dans le Livre 3, Titre 2, Chapitre 2, inséré par l’article
66, il est inséré un article 91 rédigé comme suit:
“Article 91. Les établissements de monnaie élec-
tronique relevant du droit d’un autre État membre de
l’EEE, qui sont habilités en vertu de leur droit national
à émettre de la monnaie électronique dans leur État
d’origine peuvent entamer ces activités en Belgique,
soit par voie d’installation de succursales, soit sous
le régime de la libre prestation de services, dès que
la Banque a notifi é à ces établissements la réception
de la communication qui lui a été faite par l’autorité
de contrôle de l’État d’origine de ces établissements
portant sur les activités qu’ils entendent exercer en
Belgique. La notifi cation est adressée par la Banque
à l’établissement de monnaie électronique intéressé
dans les trois jours ouvrables de la réception de la
communication. À défaut de notifi cation dans ce délai,
l’établissement de monnaie électronique peut enta-
mer les activités annoncées, après en avoir informé
la Banque. La Banque publie sur son site internet la
liste des établissements de monnaie électronique qui
relèvent du droit d’un autre État membre de l’EEE et qui
exercent des activités en Belgique, ou renvoie au site
internet de l’autorité compétente dans l’État d’origine
de ces établissements de monnaie électronique.
Art. 65
In dezelfde afdeling 5 wordt een artikel 90 ingevoegd,
luidende:
“Artikel 90. De instellingen voor elektronisch geld
waarvan de vergunning is ingetrokken of herroepen
op grond van deze wet, blijven onderworpen aan deze
wet tot hun verbintenissen ten aanzien van de houders
van elektronisch geld, en, in voorkomend geval, van de
betalingsdienstgebruikers, zijn vereffend, tenzij de Bank
hen vrijstelt van bepaalde voorschriften.
Dit artikel is niet van toepassing bij intrekking van de
vergunning van een failliet verklaarde instelling voor
elektronisch geld.”.
Art. 66
In Boek 3, Titel 2 van dezelfde wet, ingevoegd bij
artikel 29, wordt een Hoofdstuk 2 ingevoegd, luidende:
“Hoofdstuk 2. Bijkantoren en dienstverrichtingen in
België van instellingen voor elektronisch geld die res-
sorteren onder het recht van een andere lidstaat van
de EER”.
Art. 67
In Boek 3, Titel 2, Hoofdstuk 2 van dezelfde wet, in-
gevoegd bij artikel 66, wordt een artikel 91 ingevoegd,
luidende:
“Artikel 91. Iedere instelling voor elektronisch geld
die ressorteert onder het recht van een andere lidstaat
van de EER en op grond van haar nationaal recht elek-
tronisch geld mag uitgeven in haar land van herkomst,
mag deze werkzaamheden in België aanvatten, hetzij
via de vestiging van een bijkantoor, hetzij in het kader
van het vrij verrichten van diensten, zodra de Bank de
betrokken instelling ervan in kennis heeft gesteld dat zij
de mededeling van de toezichthoudende autoriteiten
van het land van herkomst van deze instelling heeft
ontvangen, met opgave van de werkzaamheden die
deze instelling in België wenst uit te oefenen. Binnen
drie werkdagen na ontvangst van de mededeling stelt
de Bank de betrokken instelling voor elektronisch geld
hiervan in kennis. Bij gebrek aan kennisgeving binnen
deze termijn mag de instelling voor elektronisch geld de
voorgenomen werkzaamheden aanvatten, na de Bank
hiervan op de hoogte te hebben gebracht. De Bank
maakt op haar website de lijst bekend van de instel-
lingen voor elektronisch geld die ressorteren onder het
recht van een andere lidstaat van de EER en in België
actief zijn of verwijst naar de website van de bevoegde
autoriteit in het land van herkomst van deze instellingen
voor elektronisch geld.
DOC 53 2432/001
179
2431/001
DOC 53
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 3 e L É G I S L A T U R E
K AMER 3e Z ITTING VAN DE 53e Z ITTING S P E RIO DE
2011
2012
Les établissements de monnaie électronique visés à
l’alinéa 1er font, dans l’exercice de leur activité en Bel-
gique, accompagner leur dénomination de la mention
de leur État d’origine et, en cas de libre prestation de
services, de leur siège social.”.
Art. 68
Dans le même Chapitre 2, il est inséré un article 92
rédigé comme suit:
“Article 92. § 1er. Les dispositions du présent chapitre
ne portent pas préjudice au respect, lors de l’émission
de monnaie électronique, ou le cas échéant, lors de la
fourniture et de l’exécution de services de paiement, des
dispositions légales et réglementaires applicables en
Belgique aux établissements de monnaie électronique
et à leurs opérations pour des raisons d’intérêt général.
La Banque donne aux établissements de monnaie
électronique visés à l’article 91 communication des
dispositions qui, à sa connaissance, ont ce caractère.
Les dispositions du présent chapitre ne portent pas
davantage préjudice au respect des dispositions légales
et réglementaires applicables, en Belgique, aux activités
autres que l’émission de monnaie électronique et la
prestation de services de paiement.
§ 2. Les dirigeants de la succursale font rapport au
moins une fois par an à la Banque et au réviseur agréé
ou à la société de réviseurs agréée sur l’adéquation
des mesures de contrôle interne adoptées par les
succursales en vue de se conformer aux dispositions
applicables en vertu du paragraphe 1er.”.
Art. 69
Dans le même Chapitre 2, il est inséré un article 93
rédigé comme suit:
“Article 93. Les établissements de monnaie élec-
tronique visés à l’article 91 transmettent à la Banque,
selon la périodicité que celle-ci détermine, des rapports
périodiques à des fi ns statistiques relatifs aux opéra-
tions effectuées, dans le pays, par leurs succursales
établies en Belgique. L’article 80, alinéa 2, s’applique
par analogie.
Le Roi détermine, sur avis de la Banque, les règles
selon lesquelles les succursales visées à l’article 91:
Bij de uitoefening van haar bedrijf in België vermeldt
een in het eerste lid bedoelde instelling voor elektronisch
geld naast haar naam, haar land van herkomst en, indien
zij werkzaam is in het kader van het vrij verrichten van
diensten, haar maatschappelijke zetel.”.
Art. 68
In hetzelfde Hoofdstuk 2 wordt een artikel 92 inge-
voegd, luidende:
“Artikel 92. § 1. De bepalingen van dit hoofdstuk doen
geen afbreuk aan de naleving, bij de uitgifte van elektro-
nisch geld, of, in voorkomend geval, bij het aanbieden
en uitvoeren van betalingsdiensten, van de wettelijke
en reglementaire bepalingen die in België van toepas-
sing zijn op de instellingen voor elektronisch geld en
hun verrichtingen, om redenen van algemeen belang.
De Bank deelt aan de in artikel 91 bedoelde instelling
voor elektronisch geld mee welke bepalingen naar haar
weten van algemeen belang zijn.
De bepalingen van dit hoofdstuk doen evenmin af-
breuk aan de naleving van de wettelijke en reglementaire
bepalingen die in België van toepassing zijn op andere
werkzaamheden dan de uitgifte van elektronisch geld
en het verrichten van betalingsdiensten.
§ 2. De leiders van het bijkantoor brengen minstens
eenmaal per jaar verslag uit aan de Bank en aan de
erkende revisor of de erkende revisorenvennootschap,
over de deugdelijkheid van de internecontrolemaatre-
gelen die de bijkantoren hebben getroffen om zich te
conformeren aan de bepalingen die krachtens paragraaf
1 van toepassing zijn.”.
Art. 69
In hetzelfde Hoofdstuk 2 wordt een artikel 93 inge-
voegd, luidende:
“Artikel 93. De in artikel 91 bedoelde instellingen voor
elektronisch geld bezorgen aan de Bank, volgens de
frequentie die zij bepaalt, voor statistische doeleinden
bestemde periodieke verslagen over de verrichtingen
die hun in België gevestigde bijkantoren in België uit-
voeren. Artikel 80, tweede lid, is van overeenkomstige
toepassing.
Na advies van Bank bepaalt de Koning volgens welke
regels de in artikel 91 bedoelde bijkantoren:
DOC 53 2432/001
180
2431/001
DOC 53
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 3 e L É G I S L A T U R E
K AMER 3e Z ITTING VAN DE 53e Z ITTING S P E RIO DE
2011
2012
1° tiennent leur comptabilité et procèdent aux éva-
luations d’inventaire;
2° établissent des comptes annuels;
3° publient des informations comptables annuelles
relatives à leurs opérations.”.
Art. 70
Dans le même Chapitre 2, il est inséré un article 94
rédigé comme suit:
“Article 94. § 1er. Les succursales visées à l’article
91 sont soumises au contrôle de la Banque aux fi ns
prévues par les articles 92 et 93, dans la mesure où
les matières visées par ces dispositions relèvent de la
compétence de la Banque. Les articles 81 et 82 sont
applicables dans cette mesure.
La Banque peut accepter de se charger, à la demande
des autorités de contrôle de l’État d’origine de l’établis-
sement de monnaie électronique, d’effectuer auprès de
ces succursales des inspections dans un but d’assis-
tance à ces autorités, portant tant sur les matières visées
à l’alinéa 1er que sur celles visées à l’article 83, alinéa 1er.
Les frais entraînés par ces inspections et vérifi cations
sont à la charge de l’autorité requérante.
En cas d’urgence et moyennant avis donné aussitôt
à l’autorité de contrôle de l’État d’origine de l’établisse-
ment de monnaie électronique, la Banque peut vérifi er
que l’activité de la succursale en Belgique est conforme
à la législation qui lui est applicable.
§ 2. Les autorités étrangères compétentes pour le
contrôle des établissements de monnaie électronique
ayant ouvert en Belgique une succursale visée à l’article
91 peuvent, moyennant un avis préalable donné à la
Banque, procéder ou faire procéder, à leurs frais, par
des experts qu’elles désignent, à la vérifi cation, auprès
de ces succursales, des informations visées à l’article
83, alinéa 1er.”.
Art. 71
Dans le même Chapitre 2, il est inséré un article 95
rédigé comme suit:
“Article 95. § 1er. Les dirigeants des succursales visées
à l’article 91 désignent, pour des durées renouvelables
de trois ans, un ou plusieurs réviseurs agréés ou une ou
plusieurs sociétés de réviseurs agréées par la Banque.
1° hun boekhouding voeren en inventarisramingen
verrichten;
2° hun jaarrekening opmaken;
3° de jaarlijkse boekhoudkundige gegevens in ver-
band met hun verrichtingen openbaar maken.”.
Art. 70
In hetzelfde Hoofdstuk 2 wordt een artikel 94 inge-
voegd, luidende:
“Artikel 94. § 1. De in artikel 91 bedoelde bijkantoren
zijn onderworpen aan het toezicht van de Bank voor het
bepaalde in de artikelen 92 en 93, voor zover de Bank
bevoegd is voor de in deze bepalingen voorkomende
aspecten. De artikelen 81 en 82 zijn dienovereenkomstig
van toepassing.
Op verzoek van de toezichthoudende autoriteiten van
het land van herkomst van de instelling voor elektronisch
geld mag de Bank, als een vorm van bijstand aan deze
autoriteiten, bij deze bijkantoren inspecties verrichten,
die zowel op de in het eerste lid als op de in artikel 83,
eerste lid, bedoelde aspecten kunnen slaan. De kosten
van deze inspecties en controles worden gedragen door
de autoriteit die erom verzoekt.
Bij dringende noodzaak en met onmiddellijke ken-
nisgeving aan de toezichthoudende autoriteiten van
het land van herkomst van de instelling voor elektro-
nisch geld, kan de Bank nagaan of het bedrijf van het
bijkantoor in België in overeenstemming is met de van
toepassing zijnde wetgeving.
§ 2. De buitenlandse autoriteiten die bevoegd zijn voor
het toezicht op de instellingen voor elektronisch geld die
in België een bijkantoor hebben geopend als bedoeld
in artikel 91 mogen, na voorafgaande kennisgeving aan
de Bank, de in artikel 83, eerste lid, bedoelde gegevens
in deze bijkantoren controleren of op hun kosten laten
controleren door deskundigen die zij aanstellen.”.
Art. 71
In hetzelfde Hoofdstuk 2 wordt een artikel 95 inge-
voegd, luidende:
“Artikel 95. § 1. De leiders van de in artikel 91 be-
doelde bijkantoren stellen een of meer door de Bank
erkende revisoren of erkende revisorenvennootschap-
pen aan voor een hernieuwbare termijn van drie jaar.
DOC 53 2432/001
181
2431/001
DOC 53
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 3 e L É G I S L A T U R E
K AMER 3e Z ITTING VAN DE 53e Z ITTING S P E RIO DE
2011
2012
Les articles 31 et 32, alinéas 1er à 4, sont applicables
à ces réviseurs et sociétés. La révocation des fonctions
des réviseurs agréés et sociétés de réviseurs agréées
est soumise à l’avis préalable de la Banque.
§ 2. Les réviseurs agréés ou sociétés de réviseurs
agréées, désignés conformément au § 1er, collaborent
au contrôle exercé par la Banque, sous leur respon-
sabilité personnelle et exclusive et conformément au
présent paragraphe, aux règles de la profession et aux
instructions de la Banque. À cette fi n:
1° ils évaluent les mesures de contrôle interne adop-
tées par les succursales en vue du respect des lois,
arrêtés et règlements applicables aux succursales en
vertu de l’article 93, et ils communiquent leurs conclu-
sions à la Banque;
2° ils font rapport à la Banque sur:
a) les résultats de l’examen limité des états pério-
diques transmis par les succursales visées à l’article
91 à la Banque à la fi n du premier semestre social,
confi rmant qu’ils n’ont pas connaissance de faits dont
il apparaîtrait que ces états périodiques n’ont pas, sous
tous égards signifi cativement importants, été établis
selon les instructions en vigueur de la Banque. Ils
confi rment en outre que les états périodiques arrêtés
en fi n de semestre sont, pour ce qui est des données
comptables, sous tous égards signifi cativement impor-
tants, conformes à la comptabilité et aux inventaires,
en ce sens qu’ils sont complets, c’est-à-dire qu’ils
mentionnent toutes les données fi gurant dans la comp-
tabilité et dans les inventaires sur la base desquels ils
sont établis, et qu’ils sont corrects, c’est-à-dire qu’ils
concordent exactement avec la comptabilité et avec
les inventaires sur la base desquels ils sont établis; ils
confi rment également n’avoir pas connaissance de faits
dont il apparaîtrait que les états périodiques arrêtés en
fi n de semestre n’ont pas été établis par application
des règles de comptabilisation et d’évaluation qui ont
présidé à l’établissement des comptes annuels afférents
au dernier exercice; la Banque peut préciser quels sont
en l’occurrence les états périodiques visés;
b) les résultats du contrôle des états périodiques
transmis par les succursales visées à l’article 91 à la
Banque à la fi n de l’exercice social, confi rmant que ces
états périodiques ont, sous tous égards signifi cative-
ment importants, été établis selon les instructions en
vigueur de la Banque. Ils confi rment en outre que les
états périodiques arrêtés en fi n d’exercice sont, pour
ce qui est des données comptables, sous tous égards
signifi cativement importants, conformes à la comptabi-
lité et aux inventaires, en ce sens qu’ils sont complets,
De artikelen 31 en 32, eerste tot vierde lid, zijn van
toepassing op deze revisoren en vennootschappen.
Vooraleer een erkende revisor of een erkende revisoren-
vennootschap van zijn of haar opdracht wordt ontslaan,
moet het advies van de Bank worden ingewonnen.
§ 2. De overeenkomstig § 1 aangestelde erkende
revisoren of erkende revisorenvennootschappen ver-
lenen hun medewerking aan het toezicht van de Bank,
op hun eigen en uitsluitende verantwoordelijkheid en
overeenkomstig deze paragraaf, volgens de regels van
het vak en de richtlijnen van de Bank. Daartoe:
1° beoordelen zij de internecontrolemaatregelen die
de bijkantoren hebben getroffen met het oog op de
naleving van de wetten, besluiten en reglementen die
krachtens artikel 93 van toepassing zijn op de bijkan-
toren, en delen zij hun bevindingen mee aan de Bank;
2° brengen zij verslag uit bij de Bank over:
a) de resultaten van het beperkt nazicht van de perio-
dieke staten die de in artikel 91 bedoelde bijkantoren aan
het einde van het eerste halfjaar aan de Bank bezorgen,
waarin bevestigd wordt dat zij geen kennis hebben van
feiten waaruit zou blijken dat de periodieke staten per
einde halfjaar niet in alle materieel belangrijke opzichten
volgens de geldende richtlijnen van de Bank werden
opgesteld. Bovendien bevestigen zij dat de periodieke
staten per einde halfjaar, voor wat de boekhoudkundige
gegevens betreft, in alle materieel belangrijke opzichten
in overeenstemming zijn met de boekhouding en de
inventarissen, in die zin dat zij volledig zijn, d.w.z. dat
zij alle gegevens bevatten uit de boekhouding en de
inventarissen op basis waarvan de periodieke staten
worden opgesteld, en dat zij juist zijn, d.w.z. dat zij de
gegevens correct weergeven uit de boekhouding en de
inventarissen op basis waarvan de periodieke staten
worden opgesteld; en bevestigen zij geen kennis te
hebben van feiten waaruit zou blijken dat de periodieke
staten per einde halfjaar niet zijn opgesteld met toepas-
sing van de boekings- en waarderingsregels voor de
opstelling van de jaarrekening met betrekking tot het
laatste boekjaar; de Bank kan de hier bedoelde perio-
dieke staten nader bepalen;
b) de resultaten van de controle van de periodieke
staten die de in artikel 91 bedoelde bijkantoren aan het
einde van het boekjaar aan de Bank bezorgen, waarin
bevestigd wordt dat de periodieke staten in alle materi-
eel belangrijke opzichten werden opgesteld volgens de
geldende richtlijnen van de Bank. Bovendien bevestigen
zij dat de periodieke staten per einde van het boekjaar,
voor wat de boekhoudkundige gegevens betreft, in alle
materieel belangrijke opzichten in overeenstemming zijn
met de boekhouding en de inventarissen, in die zin dat
DOC 53 2432/001
182
2431/001
DOC 53
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 3 e L É G I S L A T U R E
K AMER 3e Z ITTING VAN DE 53e Z ITTING S P E RIO DE
2011
2012
c’est-à-dire qu’ils mentionnent toutes les données
fi gurant dans la comptabilité et dans les inventaires
sur la base desquels ils sont établis, et qu’ils sont cor-
rects, c’est-à-dire qu’ils concordent exactement avec la
comptabilité et avec les inventaires sur la base desquels
ils sont établis; ils confi rment également que les états
périodiques arrêtés en fi n d’exercice ont été établis par
application des règles de comptabilisation et d’évalua-
tion présidant à l’établissement des comptes annuels;
la Banque peut préciser quels sont en l’occurrence les
états périodiques visés.
Ils peuvent être chargés par la Banque, à la demande
de la Banque Centrale Européenne, de confi rmer, de
même, les informations que les succurcales sont tenues
de communiquer à ces autorités par application de
l’article 93, alinéa 1er;
3° ils font à la Banque des rapports périodiques
ou, à sa demande, des rapports spéciaux portant sur
l’organisation, les activités et la structure fi nancière des
succursales dans les domaines de compétence de la
Banque à l’égard de celles-ci;
4° ils font d’initiative rapport à la Banque dans les
domaines de compétence de celle-ci ainsi qu’en vue
de la collaboration avec l’autorité de contrôle du siège
central, dès qu’ils constatent:
a) des décisions, des faits ou des évolutions qui
infl uencent ou peuvent infl uencer de façon signifi ca-
tive la situation de la succursale sous l’angle fi nancier
ou sous l’angle de son organisation administrative et
comptable ou de son contrôle interne;
b) des décisions ou des faits qui peuvent constituer
des violations des dispositions de la présente loi et des
arrêtés et règlements pris pour son exécution ou des
autres lois et règlements applicables à leur activité en
Belgique dans la mesure où les matières visées par ces
dispositions relèvent de la compétence de la Banque;
5° ils font rapport à la Banque, sur la demande de
celle-ci, lorsqu’elle est saisie par une autre autorité
belge de violations à des législations d’intérêt général
applicables à la succursale.
Aucune action civile, pénale ou disciplinaire ne peut
être intentée ni aucune sanction professionnelle pro-
noncée contre les réviseurs agréés qui ont procédé
de bonne foi à une information visée sous le 4° de
l’alinéa 1er.
zij volledig zijn, d.w.z. dat zij alle gegevens bevatten uit
de boekhouding en de inventarissen op basis waarvan
de periodieke staten worden opgesteld, en dat zij juist
zijn, d.w.z. dat zij de gegevens correct weergeven uit
de boekhouding en de inventarissen op basis waarvan
de periodieke staten worden opgesteld; en bevestigen
zij dat de periodieke staten per einde van het boekjaar
werden opgesteld met toepassing van de boekings- en
waarderingsregels voor de opstelling van de jaarreke-
ning; de Bank kan de hier bedoelde periodieke staten
nader bepalen.
Zij kunnen door de Bank, op verzoek van de Europese
Centrale Bank, worden gelast ook de gegevens te be-
vestigen die de bijkantoren aan deze autoriteiten moeten
verstrekken met toepassing van artikel 93, eerste lid;
3° brengen zij bij de Bank periodiek verslag uit of, op
haar verzoek, bijzonder verslag uit over de organisatie,
de werkzaamheden en de fi nanciële structuur van de
bijkantoren met betrekking tot de aangelegenheden
waarvoor de Bank bevoegd is;
4° brengen zij op eigen initiatief verslag uit bij de
Bank, over aspecten waarvoor zij bevoegd is, alsook in
het kader van de samenwerking met de autoriteiten die
toezicht houden op de centrale zetel, zodra zij kennis
krijgen van:
a) beslissingen, feiten of ontwikkelingen die de posi-
tie van het bijkantoor fi nancieel of op het vlak van zijn
administratieve en boekhoudkundige organisatie of van
zijn interne controle, op betekenisvolle wijze beïnvloeden
of kunnen beïnvloeden;
b) beslissingen of feiten die kunnen wijzen op een
overtreding van de bepalingen van deze wet en de ter
uitvoering ervan genomen besluiten en reglementen
of andere wetten en reglementen die op hun bedrijf in
België van toepassing zijn, voor zover de in deze bepa-
lingen bedoelde aangelegenheden tot de bevoegdheid
van de Bank behoren;
5° brengen zij bij de Bank, op haar verzoek, verslag
uit, wanneer een andere Belgische overheid haar ter
kennis brengt dat een wetgeving van algemeen belang
die voor het bijkantoor geldt, werd overtreden.
Tegen erkende revisoren die te goeder trouw infor-
matie hebben verstrekt als bedoeld in het eerste lid,
4°, kunnen geen burgerrechtelijke, strafrechtelijke of
tuchtrechtelijke vorderingen worden ingesteld, noch
professionele sancties worden uitgesproken.
DOC 53 2432/001
183
2431/001
DOC 53
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 3 e L É G I S L A T U R E
K AMER 3e Z ITTING VAN DE 53e Z ITTING S P E RIO DE
2011
2012
Ils communiquent aux dirigeants de la succursale les
rapports qu’ils adressent à la Banque conformément à
l’alinéa 1er, 3°. Ces communications tombent sous le
secret prévu par l’article 35 de la loi du 22 février 1998.
Ils transmettent à la Banque copie des communications
qu’ils adressent à ces dirigeants sur des questions ren-
trant dans le domaine de contrôle de la Banque.
Dans les succursales où un conseil d’entreprise est
institué en application de la loi du 20 septembre 1948
portant organisation de l’économie, les réviseurs agréés
ou sociétés de réviseurs agréées assurent les fonctions
prévues par l’article 15bis de cette loi.
Ils peuvent, moyennant l’information préalable de la
Banque, accepter de se charger, à la demande et aux
frais des autorités de contrôle de l’État d’origine de la
succursale, d’effectuer auprès de cette succursale dans
un but d’assistance à ces autorités, des vérifi cations
portant sur les matières visées aux articles 83, alinéa
1er, et 94, § 1er.
§ 3. Les réviseurs agréés ou sociétés de réviseurs
agréées certifi ent les informations comptables annuelles
publiées en vertu de l’article 93, alinéa 2.”.
Art. 72
Dans le même Chapitre 2, il est inséré un article 96
rédigé comme suit:
“Article 96. Lorsque la Banque constate qu’un
établissement de monnaie électronique relevant du
droit d’un autre État membre de l’EEE et opérant en
Belgique par l’intermédiaire d’une succursale ou par
voie de prestation de services ne se conforme pas aux
dispositions légales et réglementaires applicables en
Belgique dans le domaine de compétence de la Banque,
elle met l’établissement de monnaie électronique en
demeure de remédier, dans le délai qu’elle détermine,
à la situation constatée.
Si, au terme de ce délai, il n’a pas été remédié à la
situation, la Banque saisit de ses observations l’autorité
de contrôle de l’État d’origine de l’établissement de
monnaie électronique.
Lorsque la Banque a de bonnes raisons de soupçon-
ner qu’une opération ou une tentative de blanchiment
de capitaux ou de fi nancement du terrorisme au sens
de la Directive 2005/60/CE est en cours ou a eu lieu
dans le chef d’un agent d’un établissement de monnaie
Zij delen aan de leiders van het bijkantoor de versla-
gen mee die zij aan de Bank richten overeenkomstig het
eerste lid, 3°. Voor deze mededeling geldt de geheim-
houdingsplicht zoals geregeld bij artikel 35 van de wet
van 22 februari 1998. Zij bezorgen de Bank een kopie
van de mededelingen die zij aan deze leiders richten en
die betrekking hebben op aspecten waarvoor de Bank
toezichtsbevoegdheid heeft.
In bijkantoren waar een ondernemingsraad is opge-
richt met toepassing van de wet van 20 september 1948
houdende organisatie van het bedrijfsleven, oefenen
de erkende revisoren of de erkende revisorenvennoot-
schappen de in artikel 15bis van deze wet bedoelde
opdrachten uit.
Op verzoek en op kosten van de toezichthoudende
autoriteiten van het land van herkomst van het bijkantoor,
mogen zij als een vorm van bijstand aan deze autoritei-
ten en na voorafgaande kennisgeving aan de Bank, in
dit bijkantoor toezicht uitoefenen op de in de artikelen
83, eerste lid, en 94, § 1, bedoelde aspecten.
§ 3. De erkende revisoren of de erkende revisoren-
vennootschappen certifi ceren de krachtens artikel 93,
tweede lid, openbaar gemaakte jaarlijkse boekhoud-
kundige gegevens.”.
Art. 72
In hetzelfde Hoofdstuk 2 wordt een artikel 96 inge-
voegd, luidende:
“Artikel 96. Wanneer de Bank vaststelt dat een in-
stelling voor elektronisch geld die ressorteert onder
het recht van een andere lidstaat van de EER en die
in België werkzaam is via een bijkantoor of via het ver-
richten van diensten, zich niet conformeert aan de in
België geldende wettelijke en reglementaire bepalingen
die tot de bevoegdheidssfeer van de Bank behoren,
maant zij de instelling voor elektronisch geld aan om
de vastgestelde toestand binnen de door haar bepaalde
termijn te verhelpen.
Indien de toestand na deze termijn niet is verholpen,
brengt de Bank haar opmerkingen ter kennis van de
toezichthoudende autoriteit van het land van herkomst
van de instelling voor elektronisch geld.
Wanneer de Bank goede redenen heeft om te ver-
moeden dat door een agent van een instelling voor
elektronisch geld, geld wordt of werd witgewassen of
terrorisme gefi nancierd wordt of werd, of dat gepoogd
wordt of gepoogd werd geld wit te wassen of terrorisme
DOC 53 2432/001
184
2431/001
DOC 53
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 3 e L É G I S L A T U R E
K AMER 3e Z ITTING VAN DE 53e Z ITTING S P E RIO DE
2011
2012
électronique ou que ses activités pourraient accroître le
risque de blanchiment de capitaux ou de fi nancement
du terrorisme, elle en informe les autorités chargées du
contrôle de l’établissement de monnaie électronique
en question.”.
Art. 73
Dans le même Chapitre 2, il est inséré un article 97
rédigé comme suit:
“Article 97. La Banque peut communiquer à l’autorité
de contrôle d’un établissement de monnaie électronique
relevant du droit d’un autre État membre de l’EEE les
raisons qu’elle a de considérer que la situation de la
succursale en Belgique de cet établissement ne pré-
sente pas les garanties nécessaires sur le plan de la
bonne organisation administrative ou comptable ou du
contrôle interne.
En cas de radiation ou de révocation de l’agrément de
l’établissement de monnaie électronique par l’autorité
de contrôle de son État d’origine, la Banque ordonne,
après en avoir donné avis à cette autorité, la fermeture
de la succursale que cet établissement a établie en
Belgique. Elle peut, si nécessaire, désigner un gérant
provisoire qui est habilité à prendre toutes mesures
conservatoires dans l’intérêt des créanciers.”.
Art. 74
Dans le Livre 3, Titre 2 de la même loi, inséré
par l’article 26, il est inséré un Chapitre 3, intitulé
“Chapitre 3. Succursales en Belgique des établisse-
ments de monnaie électronique relevant du droit d’États
qui ne sont pas membres de l’EEE”.
Art. 75
Dans le Livre 3, Titre 2, Chapitre 3 de la même loi,
inséré par l’article 74, il est inséré un article 98 rédigé
comme suit:
“Article 98. Pour l’application du présent chapitre, il
y a lieu d’entendre par établissement de monnaie élec-
tronique toute entreprise relevant du droit d’un État non
membre de l’EEE et dont l’activité consiste à émettre
de la monnaie électronique.”.
te fi nancieren in de zin van Richtlijn 2005/60/EG, of dat
zijn werkzaamheden het risico op witwassen van geld
of fi nanciering van terrorisme zouden kunnen verhogen,
stelt zij de autoriteiten die toezicht houden op die instel-
ling voor elektronisch geld hiervan in kennis.”.
Art. 73
In hetzelfde Hoofdstuk 2 wordt een artikel 97 inge-
voegd, luidende:
“Artikel 97. De Bank kan de autoriteiten die toezicht
houden op een instelling voor elektronisch geld die
ressorteert onder het recht van een andere lidstaat van
de EER, meedelen om welke redenen zij van oordeel
is dat de positie van het bijkantoor van deze instelling
in België niet de nodige waarborgen biedt voor een
goede administratieve of boekhoudkundige organisatie
of interne controle.
Bij intrekking of herroeping van de vergunning van
een instelling voor elektronisch geld door de toezicht-
houdende autoriteiten van haar land van herkomst,
beveelt de Bank, na deze autoriteiten hiervan in kennis
te hebben gesteld, de sluiting van het bijkantoor dat deze
instelling in België heeft gevestigd. Indien nodig kan zij
een voorlopige zaakvoerder aanstellen die gemachtigd
is in het belang van de schuldeisers alle bewarende
maatregelen te treffen.”.
Art. 74
In Boek 3, Titel 2 van dezelfde wet, ingevoegd bij
artikel 26, wordt een Hoofdstuk 3 ingevoegd, luidende
“Hoofdstuk 3. Bijkantoren in België van instellingen voor
elektronisch geld die ressorteren onder het recht van
staten die geen lid zijn van de EER”.
Art. 75
In Boek 3, Titel 2, Hoofdstuk 3 van dezelfde wet, in-
gevoegd bij artikel 74, wordt een artikel 98 ingevoegd,
luidende:
“Artikel 98. Voor de toepassing van dit hoofdstuk
wordt onder “instelling voor elektronisch geld” verstaan
elke onderneming die ressorteert onder het recht van
een Staat die geen lid is van de EER en waarvan de
activiteit bestaat in het uitgeven van elektronisch geld.”.
DOC 53 2432/001
185
2431/001
DOC 53
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 3 e L É G I S L A T U R E
K AMER 3e Z ITTING VAN DE 53e Z ITTING S P E RIO DE
2011
2012
Art. 76
Dans le Livre 3, Titre 2, Chapitre 3 de la même loi,
inséré par l’article 74, il est inséré une Section 1re inti-
tulée “Section 1re. Accès à l’activité”.
Art. 77
Dans le Livre 3, Titre 2, Chapitre 3, Section 1re,
insérée par l’article 76, il est inséré un article 99 rédigé
comme suit:
“Article 99. § 1er. Sont applicables les dispositions
suivantes:
1° les articles 61, 62 et 63 de la loi: étant entendu
qu’avant de statuer sur la demande d’agrément de la
succursale, la Banque consulte les autorités de contrôle
de l’État d’origine de l’établissement de monnaie élec-
tronique;
2° l’article 64, alinéa 1er: étant entendu que les succur-
sales visées par le présent chapitre sont mentionnées
à une rubrique spéciale de la liste visée à cet article;
3° l’article 65: toutefois, peuvent être agréées des
succursales d’établissements de monnaie électronique
dotés de la personnalité juridique mais n’ayant pas la
forme de société commerciale;
4° l’article 66: le capital initial étant remplacé par une
dotation, la Banque a compétence pour apprécier les
éléments constitutifs de la dotation;
5° les articles 67 à 69.
§ 2. La Banque peut refuser d’agréer la succursale
d’un établissement de monnaie électronique relevant du
droit d’un État qui n’accorde pas les mêmes possibilités
d’accès à son marché aux établissements de monnaie
électronique de droit belge.
§ 3. La Banque peut refuser l’agrément d’une suc-
cursale visée par le présent chapitre si elle estime que
la protection des détenteurs de monnaie électronique
ou la gestion saine et prudente de l’établissement exige
la constitution d’une société de droit belge.”.
Art. 78
Dans le Livre 3, Titre 2, Chapitre 3 de la même loi,
inséré par l’article 74, il est inséré une Section 2 intitulée
“Section 2. Exercice de l’activité”.
Art.76
In Boek 3, Titel 2, Hoofdstuk 3 van dezelfde wet, in-
gevoegd bij artikel 74, wordt een afdeling 1 ingevoegd,
luidende “Afdeling 1. Bedrijfsvergunning”.
Art. 77
In Boek 3, Titel 2, Hoofdstuk 3, Afdeling 1 van de-
zelfde wet, ingevoegd bij artikel 76, wordt een artikel 99
ingevoegd, luidende:
“Artikel 99. § 1. De volgende artikelen zijn van toe-
passing:
1° de artikelen 61, 62 en 63 van de wet: met dien
verstande dat de Bank de toezichthoudende autoriteiten
van het land van herkomst van de instelling voor elektro-
nisch geld raadpleegt vooraleer zich uit te spreken over
de vergunningsaanvraag van een bijkantoor;
2° artikel 64, eerste lid: met dien verstande dat de in
dit hoofdstuk bedoelde bijkantoren worden vermeld in
een bijzondere rubriek van de lijst bedoeld in dit artikel;
3° artikel 65: er kan evenwel een vergunning wor-
den verleend aan bijkantoren van instellingen voor
elektronisch geld met rechtspersoonlijkheid die geen
handelsvennootschap zijn;
4° artikel 66: waarbij het aanvangskapitaal wordt
vervangen door een dotatie; de Bank is bevoegd om de
bestanddelen van die dotatie te beoordelen;
5° de artikelen 67 tot 69.
§ 2. De Bank kan een vergunning weigeren aan het
bijkantoor van een instelling voor elektronisch geld die
ressorteert onder het recht van een staat die aan instel-
lingen voor elektronisch geld naar Belgisch recht niet
dezelfde toegangsmogelijkheden tot zijn markt biedt.
§ 3. De Bank kan een vergunning weigeren aan een
in dit hoofdstuk bedoeld bijkantoor, indien zij van oordeel
is dat voor de bescherming van de houders van elek-
tronisch geld of voor een gezond en voorzichtig beleid
van de instelling, de oprichting van een vennootschap
naar Belgisch recht is vereist.”.
Art. 78
In Boek 3, Titel 2, Hoofdstuk 3 van dezelfde wet, in-
gevoegd bij artikel 74, wordt een afdeling 2 ingevoegd,
luidende “Afdeling 2. Bedrijfsuitoefening”.
DOC 53 2432/001
186
2431/001
DOC 53
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 3 e L É G I S L A T U R E
K AMER 3e Z ITTING VAN DE 53e Z ITTING S P E RIO DE
2011
2012
Art. 79
Dans le Livre 3, Titre 2, Chapitre 3, Section 2 de la
même loi, insérée par l’article 78, il est inséré un article
100 rédigé comme suit:
“Article 100. Sont applicables les articles suivants:
1° l’article 72;
2° l’article 73, § 1er; lorsque la Banque a des raisons
de considérer que l’infl uence exercée par les personnes
physiques ou morales détenant, directement ou indirec-
tement, une participation qualifi ée au sens de l’article
3, § 1er, 3° de la loi bancaire, est de nature à compro-
mettre la gestion saine et prudente de l’établissement
de monnaie électronique, et sans préjudice des autres
mesures prévues par la présente loi, la Banque peut
suspendre ou révoquer, pour la durée qu’elle détermine
l’agrément de la succursale; l’article 87, § 1er, 2° et 5°,
et § 2 s’applique à ces décisions;
3° les articles 74, 76, § 1er, 3 et 4 et 77 à 80.”.
Art. 80
Dans le Livre 3, Titre 2, Chapitre 3 de la même loi,
inséré par l’article 74, il est inséré une Section 3 intitulée
“Section 3. Contrôle”.
Art. 81
Dans le Livre 3, Titre 2, Chapitre 3, Section 3 de la
même loi, insérée par l’article 80, il est inséré un article
100 rédigé comme suit:
“Article 101. Les articles 81 et 82 sont applicables.”.
Art. 82
Dans la même section 3, il est inséré un article 102
rédigé comme suit:
“Article 102. Les dirigeants des succursales visées
par le présent chapitre sont tenus de désigner un ou
plusieurs réviseurs agréés ou une ou plusieurs sociétés
de réviseurs agréées conformément aux articles 84 et
28. Ils peuvent désigner, selon la même procédure, un
suppléant.
En cas de désignation d’une société de réviseurs,
l’article 29 est applicable.
Art. 79
In Boek 3, Titel 2, Hoofdstuk 3, Afdeling 2 van de-
zelfde wet, ingevoegd bij artikel 78, wordt een artikel
100 ingevoegd, luidende:
“Artikel 100. De volgende artikelen zijn van toepassing:
1° artikel 72;
2° artikel 73, § 1; indien de Bank grond heeft om aan
te nemen dat de invloed van natuurlijke of rechtsperso-
nen die rechtstreeks of onrechtstreeks een gekwalifi -
ceerde deelneming bezitten in de zin van artikel 3, § 1,
3° van de bankwet, een gezond en voorzichtig beleid
van de instelling voor elektronisch geld kan belemme-
ren, kan de Bank, onverminderd de andere bij deze wet
bepaalde maatregelen, de vergunning van het bijkantoor
schorsen of herroepen voor de termijn die zij bepaalt;
artikel 87, § 1, 2° en 5°, en § 2 is van toepassing op
deze beslissingen;
3° de artikelen 74, 76, § 1, 3 en 4 en 77 tot 80.”.
Art. 80
In Boek 3, Titel 2, Hoofdstuk 3 van dezelfde wet, in-
gevoegd bij artikel 74, wordt een afdeling 3 ingevoegd,
luidende “Afdeling 3. Toezicht”.
Art. 81
In Boek 3, Titel 2, Hoofdstuk 3, Afdeling 3 van de-
zelfde wet, ingevoegd bij artikel 80, wordt een artikel
100 ingevoegd, luidende:
“Artikel 101. De artikelen 81 en 82 zijn van toepas-
sing.”.
Art. 82
In dezelfde afdeling 3 wordt een artikel 102 inge-
voegd, luidende:
“Artikel 102. De leiders van de in dit hoofdstuk bedoel-
de bijkantoren stellen een of meer erkende revisoren of
erkende revisorenvennootschappen aan, overeenkom-
stig de artikelen 84 en 28. Volgens dezelfde procedure
kunnen zij een plaatsvervanger aanstellen.
Bij aanstelling van een revisorenvennootschap is
artikel 29 van toepassing.
DOC 53 2432/001
187
2431/001
DOC 53
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 3 e L É G I S L A T U R E
K AMER 3e Z ITTING VAN DE 53e Z ITTING S P E RIO DE
2011
2012
Les articles 31, 32, alinéas 1er à 4, et 85, alinéas 1er
à 3, et 5 sont applicables.
La révocation des fonctions des réviseurs agréés
et sociétés de réviseurs agréées est soumise à l’avis
préalable de la Banque.
Dans les succursales où un conseil d’entreprise est
institué en application de la loi du 20 septembre 1948
portant organisation de l’économie, les réviseurs ou
sociétés de réviseurs agréés assurent les fonctions
prévues par l’article 15bis de cette loi.
Les réviseurs agréés ou sociétés de réviseurs
agréées certifi ent les informations comptables publiées
en vertu de l’article 80.”.
Art. 83
Dans le Livre 3, Titre 2, Chapitre 3 de la même loi,
inséré par l’article 74, il est inséré une Section 4 intitulée
“Section 4. Radiation de l’agrément, mesures excep-
tionnelles et sanctions”.
Art. 84
Dans le Livre 3, Titre 2, Chapitre 3, Section 4 de la
même loi, insérée par l’article 83, il est inséré un article
103 rédigé comme suit:
“Article 103. Les articles 86, 87, 90, 106 et 107 sont
applicables.”.
Art. 85
Dans le Livre 3, Titre 2 de la même loi, inséré
par l’article 29, il est inséré un Chapitre 4 intitulé
“Chapitre 4. Echange d’information et coopération
entre autorités”.
Art. 86
Dans le Livre 3, Titre 2, Chapitre 4 de la même loi,
inséré par l’article 85, il est inséré un article 104 rédigé
comme suit:
“Article 104. § 1er. Pour l’application des articles 35
et 36/13 à 36/15 de la loi du 22 février 1998 concer-
nant l’échange d’informations et la coopération entre
la Banque et les autorités d’autres États membres de
l’EEE chargées du contrôle des établissements de
monnaie électronique, l’activité des établissements de
De artikelen 31, 32, eerste tot vierde lid, en 85, eerste
tot derde lid, en vijfde lid zijn van toepassing.
Vooraleer een erkende revisor of een erkende revi-
sorenvennootschap van zijn of haar opdracht wordt ont-
slaan, moet het advies van de Bank worden ingewonnen.
In bijkantoren waar een ondernemingsraad is opge-
richt met toepassing van de wet van 20 september 1948
houdende organisatie van het bedrijfsleven, oefenen
de erkende revisoren of revisorenvennootschappen de
in artikel 15bis van deze wet bedoelde opdrachten uit.
De erkende revisoren of de erkende revisorenven-
nootschappen certifi ceren de krachtens artikel 80 open-
baar gemaakte boekhoudkundige gegevens.”.
Art. 83
In Boek 3, Titel 2, Hoofdstuk 3 van dezelfde wet, in-
gevoegd bij artikel 74, wordt een Afdeling 4 ingevoegd,
luidende “Afdeling 4. Intrekking van de vergunning,
uitzonderingsmaatregelen en strafbepalingen”.
Art. 84
In Boek 3, Titel 2, Hoofdstuk 3, Afdeling 4 van de-
zelfde wet, ingevoegd bij artikel 83, wordt een artikel
103 ingevoegd, luidende:
“Artikel 103. De artikelen 86, 87, 90, 106 en 107 zijn
van toepassing.”.
Art. 85
In Boek 3, Titel 2 van dezelfde wet, ingevoegd bij
artikel 29, wordt een Hoofdstuk 4 ingevoegd, luidende
“Hoofdstuk 4. Informatie-uitwisseling en samenwerking
tussen autoriteiten”.
Art. 86
In Boek 3, Titel 2, Hoofdstuk 4 van dezelfde wet, in-
gevoegd bij artikel 85, wordt een artikel 104 ingevoegd,
luidende:
“Artikel 104. § 1. Voor de toepassing van de artikelen
35 en 36/13 tot 36/15 van de wet van 22 februari 1998,
die betrekking hebben op de uitwisseling van informatie
en de samenwerking tussen de Bank en de autoriteiten
van andere lidstaten van de EER die belast zijn met het
toezicht op de instellingen voor elektronisch geld, moet
DOC 53 2432/001
188
2431/001
DOC 53
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 3 e L É G I S L A T U R E
K AMER 3e Z ITTING VAN DE 53e Z ITTING S P E RIO DE
2011
2012
monnaie électronique s’entend également de l’activité
qu’ils exercent en recourant à des distributeurs, des
agents, des succursales ou des prestataires de services
au sens de l’article 4, 17°.
§ 2. La Banque fournit d’initiative aux autorités
d’autres États membres de l’EEE, visées à l’alinéa 1er,
toutes les informations essentielles et elle leur fournit
sur demande toutes les informations pertinentes.”.
Art. 87
Dans le Livre 3, inséré par l’article 25, il est inséré un
Titre 3, intitulé “Titre 3. Exemption”.
Art. 88
Dans le Livre 3, Titre 3 de la même loi, inséré par
l’article 87, il est inséré un article 105 rédigé comme suit:
“Article 105. § 1er. La Banque peut exempter de l’appli-
cation de tout ou partie des dispositions des sections 1
à 3 du chapitre Ier du Titre 2 du présent Livre et de ses
arrêtés d’exécution les personnes morales:
1° dont les activités commerciales dans leur en-
semble génèrent une moyenne de monnaie électronique
en circulation qui ne dépasse pas 5 000 000 euros; et
2° dont aucune des personnes physiques respon-
sables de la gestion ou de l’exercice de l’activité n’a été
condamnée pour des infractions liées au blanchiment
de capitaux, au fi nancement du terrorisme ou visées à
l’article 19, § 1er, 1° et 2° de la loi bancaire.
La Banque ne peut exempter ces personnes morales
de l’application des articles 77 et 78 de la présente loi.
Lorsqu’un établissement de monnaie électronique
exerce des activités visées à l’article 77, § 2, 1°, qui ne
sont pas liées à l’émission de monnaie électronique
ou des activités visées à l’article 77, § 1er, § 2, 2° et 3°,
ou § 3, et que le montant de la monnaie électronique
en circulation ne peut être déterminé à l’avance, cet
établissement de monnaie électronique peut bénéfi cier
de l’application du premier alinéa, 1°, sur la base d’une
partie représentative des fonds qui est présumée utilisée
pour l’émission de monnaie électronique, à condition
que, sur la base de données historiques, il soit raison-
nablement possible d’estimer cette partie représenta-
tive d’une manière jugée satisfaisante par la Banque.
onder het bedrijf van instelling voor elektronisch geld
eveneens worden verstaan, het bedrijf dat de instel-
ling voor elektronisch geld uitoefent via distributeurs,
agenten, bijkantoren of dienstverleners in de zin van
artikel 4, 17°.
§ 2. De Bank verstrekt op eigen initiatief aan de in
het eerste lid bedoelde autoriteiten van andere lidstaten
van de EER alle essentiële informatie en verstrekt hen
op verzoek alle relevante informatie.”.
Art. 87
In Boek 3, ingevoegd bij artikel 25, wordt een Titel 3
ingevoegd, luidende “Titel 3. Vrijstelling”.
Art. 88
In Boek 3, Titel 3, van dezelfde wet, ingevoegd bij
artikel 87, wordt een artikel 105 ingevoegd, luidende:
“Artikel 105. § 1. De Bank kan geheel of gedeeltelijk
vrijstelling verlenen van de toepassing van de bepalin-
gen van afdelingen 1 tot 3 van Hoofdstuk 1 van Titel 2
van dit Boek en zijn uitvoeringsbesluiten aan rechts-
personen:
1° waarvoor geldt dat de totale bedrijfsactiviteiten
een gemiddeld uitstaand elektronisch geld genereren
dat niet hoger is dan 5 000 000 euro; en
2° waarvoor geldt dat geen enkele van de met het
beleid of de uitoefening van de werkzaamheden belaste
natuurlijke personen veroordeeld is wegens strafbare
feiten in verband met het witwassen van geld of terro-
rismefi nanciering, of zoals bedoeld in artikel 19, § 1, 1°
et 2° van de bankwet.
De Bank kan deze rechtspersonen niet vrijstellen
van de toepassing van artikelen 77 en 78 van deze wet.
Wanneer een instelling voor elektronisch geld werk-
zaamheden verricht als bedoeld in artikel 77, § 2, 1°, die
geen verband houden met de uitgifte van elektronisch
geld, of werkzaamheden verricht als bedoeld in artikel
77, § 1, § 2, 2° en 3°, of § 3, en het uitstaande bedrag
aan elektronisch geld niet van te voren is gekend, mag
deze instelling voor elektronisch geld het eerste lid, 1°
toepassen op basis van een representatief gedeelte
dat geacht wordt voor de uitgifte van elektronisch geld
te worden gebruikt, mits het redelijkerwijs mogelijk is
een dergelijk representatief gedeelte naar tevreden-
heid van de Bank op basis van historische gegevens te
ramen. Wanneer een instelling voor elektronisch geld
DOC 53 2432/001
189
2431/001
DOC 53
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 3 e L É G I S L A T U R E
K AMER 3e Z ITTING VAN DE 53e Z ITTING S P E RIO DE
2011
2012
Lorsqu’un établissement de monnaie électronique
n’a pas accompli une période d’activité suffisamment
longue, cette condition est évaluée sur la base de
l’estimation de la monnaie électronique en circulation
résultant de son plan d’entreprise, et sous réserve d’un
éventuel ajustement de ce plan exigé par la Banque.
§ 2. Les personnes morales visées à l’alinéa 1er, qui
sont exemptées, sont inscrites sur la liste visée à l’article
64. L’article 64 s’applique par analogie à ces personnes
morales en ce qui concerne les informations fournies
sur le site internet de la Banque et leur actualisation
régulière. Le site internet mentionne que ces personnes
morales bénéfi cient d’une exemption en application du
présent article.
§ 3. Les personnes morales bénéfi ciant d’une exemp-
tion accordée en vertu du paragraphe 1er:
1° doivent avoir leur siège social en Belgique, et exer-
cer effectivement leurs activités d’émission de monnaie
électronique sur le territoire belge;
2° ne bénéfi cient pas du régime de reconnaissance
mutuelle prévu par l’article 91 de la présente loi;
3° doivent prévoir, dans le contrat régissant l’émission
de monnaie électronique, que le montant chargé sur le
support électronique stockant la monnaie électronique
ne peut dépasser 150 euros;
4° ne peuvent fournir des services de paiement non
liés à la monnaie électronique émise conformément au
présent article que si les conditions énoncées à l’article
48 sont remplies;
5° informent la Banque de tout changement de
leur situation ayant une incidence sur les conditions
énoncées au paragraphe 1er et rendent compte pério-
diquement à la Banque de la moyenne de monnaie
électronique en circulation. La Banque détermine la
fréquence de ce rapport;
6° appliquent les dispositions de la loi du 11 jan-
vier 1993 relative à la prévention de l’utilisation du
système fi nancier aux fi ns du blanchiment de capitaux
et du fi nancement du terrorisme, qui sont applicables
aux établissements de monnaie électronique, et des
arrêtés et règlements pris pour son exécution.
§ 4. Le Roi peut prévoir qu’une personne morale
bénéfi ciant d’une exemption accordée en vertu du para-
graphe 1er ne peut exercer que certaines des activités
énumérées à l’article 77, §§ 1er à 3.
haar activiteiten niet lang genoeg heeft uitgeoefend,
wordt deze voorwaarde beoordeeld op basis van het
uitstaande bedrag aan elektronisch geld als geraamd in
haar bedrijfsplan, rekening houdend met de eventuele
aanpassingen in dit plan die de Bank heeft verlangd.
§ 2. De rechtspersonen bedoeld in het eerste lid die
vrijgesteld zijn, worden ingeschreven op de lijst bedoeld
in artikel 64. Artikel 64 is op deze rechtspersonen van
overeenkomstige toepassing voor wat betreft de infor-
matie die op de website van de Bank wordt verstrekt en
de geregelde actualisering ervan. De website vermeldt
dat deze rechtspersonen zijn vrijgesteld met toepassing
van dit artikel.
§ 3. De rechtspersonen die vrijgesteld zijn op grond
van paragraaf 1:
1° hebben hun maatschappelijke zetel in België en
oefenen hun activiteit van uitgifte van elektronisch geld
daadwerkelijk op het Belgische grondgebied uit;
2° komen niet in aanmerking voor de regeling inzake
wederzijdse erkenning vastgesteld in artikel 91 van
deze wet;
3° bepalen in de overeenkomst tot regeling van de
uitgifte van elektronisch geld dat het bedrag dat op de
elektronische drager mag worden opgeslagen, beperkt
is tot 150 euro;
4° mag enkel betalingsdiensten aanbieden die geen
verband houden met elektronisch geld dat wordt uitge-
geven overeenkomstig dit artikel, indien voldaan is aan
de voorwaarden van artikel 48;
5° stellen de Bank in kennis van elke verandering in
hun situatie die relevant is voor de in paragraaf 1 gestel-
de voorwaarden en brengen periodiek verslag uit aan
de Bank over het gemiddeld uitstaand elektronisch geld.
De Bank bepaalt de frequentie van deze rapportering;
6° passen de bepalingen toe van de wet van 11 ja-
nuari 1993 tot voorkoming van het gebruik van het
fi nanciële stelsel voor het witwassen van geld en de
fi nanciering van terrorisme die gelden voor instellingen
voor elektronisch geld, en van de ter uitvoering ervan
genomen besluiten en reglementen.
§ 4. De Koning kan bepalen dat een rechtspersoon die
vrijgesteld is op grond van paragraaf 1, alleen sommige
van de in artikel 77, §§ 1 tot 3 opgesomde werkzaam-
heden mag uitoefenen.
DOC 53 2432/001
190
2431/001
DOC 53
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 3 e L É G I S L A T U R E
K AMER 3e Z ITTING VAN DE 53e Z ITTING S P E RIO DE
2011
2012
§ 5. Lorsque les conditions énoncées aux para-
graphes 1er, et 3, 1°, 3°, 4° ne sont plus remplies, les
établissements de monnaie électronique exemptés
demandent l’agrément dans un délai de trente jours
calendaires conformément aux articles 61 et suivants.
Les établissements qui n’ont pas demandé l’agré-
ment dans ce délai se voient interdire, conformément
à l’article 59, d’émettre de la monnaie électronique.”.
Art. 89
Dans le Livre 3 de la même loi, inséré par l’article 25,
il est inséré un Titre 4, intitulé “Titre 4. Sanctions”.
Art. 90
Dans le Livre 3, Titre 4 de la même loi, inséré par
l’article 89, il est inséré un Chapitre 1er intitulé “Chapitre
1er. Sanctions administratives”.
Art. 91
Dans le Livre 3, Titre 4, Chapitre1er de la même loi,
inséré par l’article 90, il est inséré un article 106 rédigé
comme suit:
“Article 106. § 1er. Sans préjudice des autres mesures
prévues par la présente loi, la Banque peut publier
qu’un établissement de monnaie électronique belge ou
étranger ne s’est pas conformé aux injonctions qui lui
ont été faites de respecter dans le délai qu’elle déter-
mine des dispositions de la présente loi ou des arrêtés
et règlements pris pour son exécution.
§ 2. Sans préjudice des autres mesures prévues par
la présente loi, la Banque peut fi xer à un établissement
de monnaie électronique de droit belge ou étranger
établi en Belgique un délai dans lequel:
a) il doit se conformer à des dispositions déterminées
de la présente loi ou des arrêtés et règlements pris pour
son exécution, ou
b) il doit apporter les adaptations qui s’imposent à sa
structure de gestion, à son organisation administrative
et comptable ou à son contrôle interne.
§ 5. Wanneer de in de paragrafen 1 en 3, 1°, 3°, 4°
gestelde voorwaarden niet langer vervuld zijn, vragen
de vrijgestelde instellingen voor elektronisch geld binnen
30 kalenderdagen een vergunning aan overeenkomstig
artikel 61 en volgende.
Voor de instellingen die binnen deze termijn geen
vergunning hebben aangevraagd, is het overeenkomstig
artikel 59 verboden om elektronisch geld uit te geven.”.
Art. 89
In Boek 3 van dezelfde wet, ingevoegd bij artikel
25, wordt een Titel 4 ingevoegd, luidende “Titel 4.
Sancties”.
Art. 90
In Boek 3, Titel 4 van dezelfde wet, ingevoegd bij
artikel 89, wordt een Hoofdstuk 1 ingevoegd, luidende
“Hoofdstuk 1. Administratieve sancties”.
Art. 91
In Boek 3, Titel 4, Hoofdstuk 1 van dezelfde wet, in-
gevoegd bij artikel 90, wordt een artikel 106 ingevoegd,
luidende:
“Artikel 106. § 1. Onverminderd de andere bij deze wet
voorgeschreven maatregelen, kan de Bank openbaar
maken dat een Belgische of buitenlandse instelling voor
elektronisch geld geen gevolg heeft gegeven aan haar
aanmaningen om zich binnen de door haar vastgestelde
termijn te conformeren aan de bepalingen van deze
wet of de ter uitvoering ervan genomen besluiten en
reglementen.
§ 2. Onverminderd de andere bij deze wet voorge-
schreven maatregelen, kan de Bank voor een instelling
voor elektronisch geld naar Belgisch of buitenlands recht
die in België is gevestigd, een termijn bepalen:
a) waarbinnen zij zich dient te conformeren aan
specifi eke bepalingen van deze wet of de ter uitvoering
ervan genomen besluiten en reglementen, of
b) waarbinnen zij de nodige aanpassingen dient aan
te brengen in haar beleidsstructuur, haar administra-
tieve en boekhoudkundige organisatie of haar interne
controle.
DOC 53 2432/001
191
2431/001
DOC 53
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 3 e L É G I S L A T U R E
K AMER 3e Z ITTING VAN DE 53e Z ITTING S P E RIO DE
2011
2012
L’injonction visée à l’alinéa 1er, littera b), n’est pas
applicable aux succursales d’établissements de mon-
naie électronique relevant du droit d’un autre État
membre de l’EEE.
Si l’établissement de monnaie électronique reste
en défaut à l’expiration du délai, la Banque peut, l’éta-
blissement entendu ou à tout le moins convoqué, lui
infl iger une astreinte à raison d’un montant maximum
de 2 500 000 euros par infraction ou de maximum
50 000 euros par jour de retard.
§ 3. Sans préjudice d’autres mesures prévues par la
présente loi et sans préjudice des mesures prévues par
d’autres lois, arrêtés ou règlements, la Banque peut,
lorsqu’elle constate une infraction aux dispositions de
la présente loi ou des mesures prises en exécution de
celle-ci, infl iger à un établissement de monnaie élec-
tronique de droit belge ou étranger établi en Belgique,
une amende administrative qui ne peut être inférieure
à 2 500 euros ni supérieure, pour le même fait ou pour
le même ensemble de faits, à 2 500 000 euros.
§ 4. Les astreintes et amendes imposées en appli-
cation des paragraphes 2 et 3 sont recouvrées au profi t
du Trésor par l’administration au sein du Service Public
Fédéral Finances compétent en matière de recouvre-
ments non fi scaux.”.
Art. 92
Dans le Livre 3, Titre 4 de la même loi, inséré par
l’article 89, il est inséré un Chapitre 2 intitulé “CHA-
PITRE 2. — Sanctions pénales”.
Art. 93
Dans le Livre 3, Titre 3, Chapitre 2 de la même loi,
inséré par l’article 92, il est inséré un article 107 rédigé
comme suit:
“Article 107. Sont punis d’un emprisonnement d’un
mois à un an et d’une amende de 50 euros à 10 000 eu-
ros, ou d’une de ces peines seulement:
1° ceux qui émettent de la monnaie électronique en
Belgique sans satisfaire aux dispositions des articles
59, 91 et 99, § 1er, 1°;
2° ceux qui contreviennent à l’article 68, § 2;
De in het eerste lid, littera b), bedoelde aanmaning
geldt niet voor de bijkantoren van instellingen voor
elektronisch geld die ressorteren onder het recht van
een andere lidstaat van de EER.
Indien de instelling voor elektronisch geld in gebreke
blijft bij het verstrijken van de termijn, kan de Bank,
na de instelling gehoord of tenminste opgeroepen te
hebben, haar een dwangsom opleggen van maximum
2 500 000 euro per overtreding of maximum 50 000 euro
per dag vertraging.
§ 3. Onverminderd andere maatregelen bepaald in
deze wet en onverminderd de maatregelen bepaald in
andere wetten, besluiten of reglementen, kan de Bank,
indien zij een inbreuk vaststelt op de bepalingen van
deze wet of de ter uitvoering ervan genomen maatre-
gelen, een administratieve geldboete opleggen aan
een instelling voor elektronisch geld naar Belgisch of
buitenlands recht die in België is gevestigd, die niet
minder mag bedragen dan 2 500 euro, noch meer dan
2 500 000 euro voor hetzelfde feit of voor hetzelfde
geheel van feiten.
§ 4. De met toepassing van de paragrafen 2 en 3
opgelegde dwangsommen en geldboetes worden inge-
vorderd ten bate van de Schatkist door de administratie
binnen de Federale Overheidsdienst Financiën die
bevoegd is inzake de niet fi scale vorderingen.”.
Art. 92
In Boek 3, Titel 4 van dezelfde wet, ingevoegd bij
artikel 89, wordt een Hoofdstuk 2 ingevoegd, luidende
“HOOFDSTUK 2. — Strafrechtelijke sancties”.
Art. 93
In Boek 3, Titel 3, Hoofdstuk 2 van dezelfde wet, in-
gevoegd bij artikel 92, wordt een artikel 107 ingevoegd,
luidende:
“Artikel 107. Met een gevangenisstraf van één maand
tot één jaar en met een geldboete van 50 euro tot
10 000 euro of met één van die straffen alleen wordt
gestraft:
1° wie in België elektronisch geld uitgeeft zonder te
voldoen aan de bepalingen van de artikelen 59, 91 en
99, § 1, 1°;
2° wie artikel 68, § 2, overtreedt;
DOC 53 2432/001
192
2431/001
DOC 53
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 3 e L É G I S L A T U R E
K AMER 3e Z ITTING VAN DE 53e Z ITTING S P E RIO DE
2011
2012
3° ceux qui, sciemment, s’abstiennent de faire la
déclaration prévue à l’article 71, alinéa 2, en ce qui
concerne les renseignements visés à l’article 62, alinéa
1er, 8°;
4° ceux qui sciemment s’abstiennent de faire les noti-
fi cations prévues à l’article 73, § 1er, ceux qui passent
outre à l’opposition visée à l’article 73, § 2, ou ceux
qui passent outre à la suspension visée à l’article 73,
§ 2, 1° et § 3;
5° les établissements de monnaie électronique, ainsi
que leurs administrateurs, gérants ou directeurs, qui
contreviennent aux articles 74, 77 et 79;
6° les établissements de monnaie électronique, ainsi
que leurs administrateurs, gérants ou directeurs, qui
ouvrent une succursale à l’étranger ou qui recourent à
des agents ou à des distributeurs sans avoir procédé
aux notifi cations prévues par les articles 75 et 76, § 2
et § 3 ou qui ne se conforment pas aux articles 75 et
76, § 2 ou § 3;
7° les établissements de monnaie électronique, ainsi
que leurs administrateurs, gérants ou directeurs, qui
contreviennent aux arrêtés ou aux règlements visés aux
articles 72, 80, et 93;
8° les établissements de monnaie électronique, ainsi
que leurs administrateurs, gérants ou directeurs, qui ne
se conforment pas aux articles 80, alinéas 1er, 2 et 6,
et 93, alinéa 1er;
9° ceux qui accomplissent des actes ou opérations à
l’encontre d’une décision de suspension prise confor-
mément à l’article 87, § 1er, alinéa 2, 2°;
10° ceux qui, en qualité de commissaire, de réviseur
agréé ou d’expert indépendant, ont attesté, approuvé
ou confi rmé des comptes, des comptes annuels ou des
comptes consolidés d’établissements de monnaie élec-
tronique, ou des états périodiques ou tous autres ren-
seignements, alors que les dispositions des lois, arrêtés
et règlements relatifs au statut légal des établissements
de monnaie électronique n’ont pas été respectées, soit
en sachant qu’elles ne l’avaient pas été, soit en n’ayant
pas accompli les diligences normales pour s’assurer
qu’elles avaient été respectées;
11° ceux qui mettent obstacle aux inspections et
vérifi cations auxquelles ils sont tenus dans le pays ou
à l’étranger ou refusent de donner des renseignements
qu’ils sont tenus de fournir en vertu de la présente loi et
des arrêtés et règlements pris pour son exécution, ou
qui donnent sciemment des renseignements inexacts
ou incomplets;
3° wie met opzet de kennisgeving bedoeld in artikel
71, tweede lid, niet verricht, voor wat het bepaalde bij
artikel 62 eerste lid, 8°, betreft;
4° wie met opzet de kennisgevingen bedoeld in artikel
73, § 1, niet verricht, wie het in artikel 73, § 2, bedoelde
verzet negeert of wie de in artikel 73, § 2, 1° en § 3
bedoelde schorsing negeert;
5° elke instelling voor elektronisch geld of elke be-
stuurder, zaakvoerder of directeur van een instelling voor
elektronisch geld die de artikelen 74, 77 en 79 overtreedt;
6° elke instelling voor elektronisch geld of elke be-
stuurder, zaakvoerder of directeur van een instelling voor
elektronisch geld die in het buitenland een bijkantoor
opent of die een beroep doet op agenten of distribu-
teurs, zonder de kennisgevingen te hebben verricht als
bepaald in de artikelen 75 en 76, § 2 en § 3 of die zich
niet conformeert aan de artikelen 75 en 76, § 2 of § 3;
7° elke instelling voor elektronisch geld of elke be-
stuurder, zaakvoerder of directeur van een instelling
voor elektronisch geld die de in de artikelen 72, 80 en
93 bedoelde besluiten of reglementen overtreedt;
8° elke instelling voor elektronisch geld of elke be-
stuurder, zaakvoerder of directeur van een instelling voor
elektronisch geld die zich niet conformeert aan de arti-
kelen 80, eerste, tweede en zesde lid, en 93, eerste lid;
9° wie handelingen stelt of verrichtingen uitvoert die
indruisen tegen een schorsingsbeslissing overeenkom-
stig artikel 87, § 1, tweede lid, 2°;
10° wie als commissaris, erkende revisor of onaf-
hankelijk deskundige, rekeningen, jaarrekeningen of
geconsolideerde jaarrekeningen van instellingen voor
elektronisch geld dan wel periodieke staten of alle an-
dere inlichtingen certifi ceert, goedkeurt of bekrachtigt
terwijl niet is voldaan aan de bepalingen van de wetten,
besluiten en reglementen over het wettelijk statuut van
de instellingen voor elektronisch geld, en daarvan kennis
heeft, of niet heeft gedaan wat hij normaal had moeten
doen om zich te vergewissen of aan die bepalingen
was voldaan;
11° wie de onderzoeken en controles verhindert
waartoe hij verplicht is in het land of in het buitenland
dan wel weigert de gegevens te verstrekken waartoe hij
verplicht is op grond van deze wet en de ter uitvoering
ervan genomen besluiten en reglementen of wie bewust
onjuiste of onvolledige inlichtingen verstrekt;
DOC 53 2432/001
193
2431/001
DOC 53
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 3 e L É G I S L A T U R E
K AMER 3e Z ITTING VAN DE 53e Z ITTING S P E RIO DE
2011
2012
12° ceux qui contreviennent à l’article 49, § 1er.”.
TITRE 3
Autres dispositions
CHAPITRE 1er
Autres dispositions modifi catives
Section 1re
Modifi cations de la loi du 12 juin 1991
relative au crédit à la consommation
Art. 94
À l’article 74, alinéa 2, de la loi du 12 juin 1991 relative
au crédit à la consommation, inséré par la loi du 11 fé-
vrier 1994 et modifi é par la loi du 10 décembre 2009, les
mots “et les établissements de paiement visés dans la
loi du 21 décembre 2009 relative au statut des établisse-
ments de paiement, à l’accès à l’activité de prestataire
de services de paiement et à l’accès aux systèmes de
paiement” sont remplacés par les mots “, les établisse-
ments de paiement et les établissements de monnaie
électronique visés dans la loi du 21 décembre 2009
relative au statut des établissements de paiement et
des établissements de monnaie électronique, à l’accès
à l’activité de prestataire de services de paiement,
à l’activité d’émission de monnaie électronique et à
l’accès aux systèmes de paiement”.
Art. 95
Dans l’article 75, § 6 de la même loi, inséré par la loi
du 10 décembre 2009, le deuxième alinéa est remplacé
par ce qui suit suit:
“Sont également réputés satisfaire aux conditions
visées à l’alinéa 1er, les établissements de paiement
et les établissements de monnaie électronique soumis
au contrôle de la Banque nationale de Belgique confor-
mément à la loi du 21 décembre 2009 relative au statut
des établissements de paiement et des établissements
de monnaie électronique, à l’accès à l’activité de pres-
tataire de services de paiement, à l’activité d’émission
de monnaie électronique et à l’accès aux systèmes
de paiement et à qui un agrément a été octroyé sur
base duquel du crédit additionnel, lié aux services de
paiement visés aux points 4, 5 ou 7 de l’Annexe I et
répondant aux conditions de l’article 21, § 3 de la loi du
21 décembre 2009, peut être offert.”.
12° wie artikel 49, § 1, overtreedt.”.
TITEL 3
Overige bepalingen
HOOFDSTUK 1
Andere wijzigingsbepalingen
Afdeling 1
Wijzigingen in de wet van 12 juni 1991
op het consumentenkrediet
Art. 94
In artikel 74, tweede lid, van de wet van 12 juni 1991
op het consumentenkrediet, ingevoegd bij de wet van
11 februari 1994 en gewijzigd bij de wet van 10 decem-
ber 2009, worden de woorden “en de betalingsinstel-
lingen als bedoeld in de wet van 21 december 2009
op het statuut van de betalingsinstellingen, de toegang
tot het bedrijf van de betalingsdienstaanbieder en de
toegang tot de betalingssystemen” vervangen door
de woorden “en de betalingsinstellingen en de instel-
lingen voor elektronisch geld als bedoeld in de wet van
21 december 2009 op het statuut van de betalingsinstel-
lingen en van de instellingen voor elektronisch geld, de
toegang tot het bedrijf van betalingsdienstaanbieder en
tot de activiteit van uitgifte van elektronisch geld en de
toegang tot betalingssystemen”.
Art. 95
In artikel 75, § 6 van dezelfde wet, ingevoegd bij de
wet van 10 december 2009, de tweede lid wordt ver-
vangen als volgt:
“Aan de in het eerste lid bedoelde voorwaarden
worden eveneens geacht te voldoen, de betalingsin-
stellingen en de instellingen voor elektronisch geld on-
derworpen aan het toezicht van de Nationale Bank van
België overeenkomstig de wet van 21 december 2009
op het statuut van de betalingsinstellingen en van de
instellingen voor elektronisch geld, de toegang tot het
bedrijf van betalingsdienstaanbieder en tot de activiteit
van uitgifte van elektronisch geld en de toegang tot be-
talingssystemen en aan wie een bedrijfsvergunning werd
toegestaan op grond waarvan aanvullend krediet mag
worden aangeboden met betrekking tot de in punten 4,
5 en 7 van bijlage I bedoelde betalingsdiensten en dat
aan de voorwaarden van artikel 22, § 3 van de wet van
21 december 2009 voldoet.”.
DOC 53 2432/001
194
2431/001
DOC 53
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 3 e L É G I S L A T U R E
K AMER 3e Z ITTING VAN DE 53e Z ITTING S P E RIO DE
2011
2012
Art. 96
À l’article 75bis de la même loi, les modifi cations
suivantes sont apportées:
1° dans le paragraphe 1er, alinéa 1er, modifi é par les
lois des 24 mars 2003 et 10 décembre 2009, dans la
version française, les mots “et des institutions de paie-
ment conformément à l’article 39 de la loi du 21 dé-
cembre 2009 relative au statut des établissements de
paiement, à l’accès à l’activité de prestataire de services
de paiement et à l’accès aux systèmes de paiement”,
sont remplacés par les mots “, ou conformément aux
articles 39 ou 91 de la loi du 21 décembre 2009 relative
au statut des établissements de paiement et des établis-
sements de monnaie électronique, à l’accès à l’activité
de prestataire de services de paiement, à l’activité
d’émission de monnaie électronique et à l’accès aux
systèmes de paiement”;
2° dans le paragraphe 2, modifi é par les lois des
24 mars 2003 et 10 décembre 2009, les mots “éta-
blissements de crédit, établissements fi nanciers et
établissements de paiement” sont remplacés par les
mots “établissements de crédit, établissements fi nan-
ciers, établissements de paiement et établissements de
monnaie électronique”;
3° dans le paragraphe 3, alinéa 1er, modifi é par les
lois des 24 mars 2003 et 10 décembre 2009, les mots
“établissement de crédit, établissement fi nancier ou
établissement de paiement” sont remplacés par les
mots “établissement de crédit, établissement fi nancier,
établissement de paiement ou établissement de mon-
naie électronique”.
Section 2
Modifi cations de la loi du 11 janvier 1993 relative à la
prévention de l’utilisation du système fi nancier aux fi ns du
blanchiment de capitaux et du fi nancement du terrorisme
Art. 97
Dans l’article 2, § 1er, de la loi du 11 janvier 1993 rela-
tive à la prévention de l’utilisation du système fi nancier
aux fi ns du blanchiment de capitaux et du fi nancement
du terrorisme, tel que modifi é en dernier lieu par l’arrêté
royal du 6 mai 2010, il est apporté les modifi cations
suivantes:
1° le 3° est remplacé par la disposition suivante
“3° la société anonyme de droit public bpost pour ses
services fi nanciers postaux ou l’émission de monnaie
électronique;”;
Art. 96
In artikel 75bis van dezelfde wet worden de volgende
wijzigingen aangebracht:
1° in paragraaf 1, eerste lid, gewijzigd bij de wetten
van 24 maart 2003 en 10 december 2009, worden
in de Nederlandse versie de woorden “artikel 39 van
de wet van 21 december 2009 op het statuut van de
betalingsinstellingen, de toegang tot het bedrijf van
betalingsdienstaanbieder en de toegang tot de beta-
lingssystemen” vervangen door de woorden “artikel 39
of 91 van de wet van 21 december 2009 op het statuut
van de betalingsinstellingen en van de instellingen voor
elektronisch geld, de toegang tot het bedrijf van beta-
lingsdienstaanbieder en tot de activiteit van uitgifte van
elektronisch geld en de toegang tot betalingssystemen”;
2° in paragraaf 2, gewijzigd bij de wetten van
24 maart 2003 en 10 december 2009, worden de
woorden “kredietinstellingen, fi nanciële instellingen
en betalingsinstellingen” vervangen door de woorden
“kredietinstellingen, fi nanciële instellingen, betalingsin-
stellingen en instellingen voor elektronisch geld”;
3° in paragraaf 3, eerste lid, gewijzigd bij de wetten
van 24 maart 2003 en 10 december 2009, worden
de woorden “kredietinstelling, fi nanciële instelling, of
betalingsinstelling” vervangen door de woorden “kre-
dietinstelling, fi nanciële instelling, betalingsinstelling of
instelling voor elektronisch geld”.
Afdeling 2
Wijzigingen in de wet van 11 januari 1993 tot voorkoming
van het gebruik van het fi nanciële stelsel voor het
witwassen van geld en de fi nanciering van terrorisme
Art. 97
In artikel 2, § 1 van de wet van 11 januari 1993 tot
voorkoming van het gebruik van het fi nanciële stelsel
voor het witwassen van geld en de fi nanciering van
terrorisme, laatstelijk gewijzigd bij het koninklijk besluit
van 6 mei 2010, worden de volgende wijzigingen aan-
gebracht:
1° de bepaling onder 3° wordt vervangen als volgt:
“3° de naamloze vennootschap van publiek recht bpost
voor haar fi nanciële postdiensten of de uitgifte van
elektronisch geld;”;
DOC 53 2432/001
195
2431/001
DOC 53
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 3 e L É G I S L A T U R E
K AMER 3e Z ITTING VAN DE 53e Z ITTING S P E RIO DE
2011
2012
2° au 4°ter, les mots “loi du 21 décembre 2009 relative
au statut des établissements de paiement, à l’accès
à l’activité de prestataire de services de paiement et
à l’accès aux systèmes de paiement” sont remplacés
par les mots “loi du 21 décembre 2009 relative au statut
des établissements de paiement et des établissements
de monnaie électronique, à l’accès à l’activité de pres-
tataire de services de paiement, à l’activité d’émission
de monnaie électronique et à l’accès aux systèmes de
paiement”;
3° il est inséré un 4°quater rédigé comme suit:
“4°quater. a) les émetteurs de monnaie électronique
visés à l’article 59, 4° et 5° de la loi du 21 décembre 2009
relative au statut des établissements de paiement et des
établissements de monnaie électronique, à l’accès à
l’activité de prestataire de services de paiement, à l’acti-
vité d’émission de monnaie électronique et à l’accès
aux systèmes de paiement;;
b) les établissements de monnaie électronique de
droit belge;
c) les succursales établies en Belgique d’établisse-
ments de monnaie électronique visés au Livre 3, Titre
2 de cette loi;
d) les établissements exemptés visés à l’article 105
de cette même loi;
e) les établissements de monnaie électronique
relevant du droit d’un autre État membre de l’Espace
économique européen qui émettent en Belgique de la
monnaie électronique par le biais d’une personne qui y
est établie et qui représente l’établissement à cette fi n.”.
Art. 98
Dans l’article 11, § 2, de la même loi, le 4° est rem-
placé par ce qui suit:
“l’émission de monnaie électronique au sens de
l’article 4, 33° de la loi du 21 décembre 2009 relative au
statut des établissements de paiement et des établis-
sements de monnaie électronique, à l’accès à l’activité
de prestataire de services de paiement, à l’activité
d’émission de monnaie électronique et à l’accès aux
systèmes de paiement, pour autant que la capacité
maximale de chargement électronique du support ne
soit pas supérieure à 250 euros si le support ne peut
être rechargé ou, si le support peut être rechargé, pour
autant qu’une limite de 2 500 euros soit fi xée pour le
montant total des transactions dans une année civile.
2° in de bepaling onder 4°ter worden de woorden
“wet van 21 december 2009 betreffende het statuut
van de betalingsinstellingen, de toegang tot het bedrijf
van betalingsdienstaanbieder en de toegang tot beta-
lingssystemen” vervangen door de woorden “wet van
21 december 2009 op het statuut van de betalingsinstel-
lingen en van de instellingen voor elektronisch geld, de
toegang tot het bedrijf van betalingsdienstaanbieder en
tot de activiteit van uitgifte van elektronisch geld en de
toegang tot betalingssystemen”;
3° de bepaling onder 4°quater wordt ingevoegd,
luidende:
“4°quater. a) de uitgevers van elektronisch geld be-
doeld in artikel 59, 4° en 5° van de wet van 21 decem-
ber 2009 op het statuut van de betalingsinstellingen en
van de instellingen voor elektronisch geld, de toegang
tot het bedrijf van betalingsdienstaanbieder en tot de
activiteit van uitgifte van elektronisch geld en de toegang
tot betalingssystemen;
b) de instellingen voor elektronisch geld naar Bel-
gisch recht;
c) de in België gevestigde bijkantoren van instellingen
voor elektronisch geld bedoeld in Boek 3, Titel 2 van
deze wet;
d) de vrijgestelde instellingen bedoeld in artikel 105
van dezelfde wet;
e) de instellingen voor elektronisch geld die ressor-
teren onder het recht van een andere lidstaat van de
Europese Economische Ruimte en die in België elektro-
nisch geld uitgeven via een persoon die er gevestigd is
en die de instelling hiervoor vertegenwoordigt.”.
Art. 98
In artikel 11, § 2 van dezelfde wet wordt de bepaling
onder 4° vervangen als volgt:
“de uitgifte van elektronisch geld in de zin van artikel
4, 33° van de wet van 21 december 2009 op het statuut
van de betalingsinstellingen en van de instellingen voor
elektronisch geld, de toegang tot het bedrijf van beta-
lingsdienstaanbieder en tot de activiteit van uitgifte van
elektronisch geld en de toegang tot betalingssystemen,
voor zover het maximumbedrag dat op de elektronische
drager is opgeslagen niet meer dan 250 euro bedraagt
indien de drager niet kan worden heropgeladen, of,
indien de drager kan worden heropgeladen, een limiet
van 2 500 euro geldt voor het totaalbedrag van de ver-
richtingen die in een kalenderjaar worden uitgevoerd. De
DOC 53 2432/001
196
2431/001
DOC 53
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 3 e L É G I S L A T U R E
K AMER 3e Z ITTING VAN DE 53e Z ITTING S P E RIO DE
2011
2012
Toutefois, les articles 7 et 8 s’appliquent lorsque le dé-
tenteur de monnaie électronique demande le rembour-
sement d’au moins 1 000 euros au cours de la même
année civile en application de l’article 58/2 de la loi du
10 décembre 2009 relative aux services de paiement;”.
Art. 99
Dans l’article 18 de la même loi, il est ajouté un alinéa
rédigé comme suit:
“Dans les cas visés à l’article 2, § 1er, 4ter, c) et 4
quater, e), une personne responsable de l’application
de la présente loi doit être établie en Belgique.”.
Section 3
Modifi cations de la loi du 22 mars 1993 relative au statut et
au contrôle des établissements de crédit
Art. 100
Dans l’article 1er de la loi du 22 mars 1993 relative
au statut et au contrôle des établissements de crédit,
modifi é par la loi du 25 février 2003, les modifi cations
suivantes sont apportées:
1° L’alinéa 2, modifi é par la loi du 25 février 2003, est
remplacé par ce qui suit:
“Sont défi nies comme établissement de crédit les
entreprises belges ou étrangères dont l’activité consiste
à recevoir du public des dépôts d’argent ou d’autres
fonds remboursables et à octroyer des crédits pour leur
propre compte.”.
2° L’alinéa 3 est abrogé.
Art. 101
Dans l’article 2 de la même loi, modifi é par l’arrêté
royal du 3 mars 2011, les modifi cations suivantes sont
apportées:
1° au paragraphe 1er, 1°, les mots “La Poste (Post-
chèque)” sont remplacés par les mots “la société ano-
nyme de droit public bpost”;
2° le paragraphe 2, inséré par la loi du 25 février 2003,
est abrogé.
artikelen 7 en 8 zijn echter wel van toepassing indien de
houder van elektronisch geld, met toepassing van artikel
58/2 van de wet van 10 december 2009 betreffende de
betalingsdiensten in de loop van datzelfde kalenderjaar,
de terugbetaling vraagt van 1 000 euro of meer;”.
Art. 99
In artikel 18 van dezelfde wet wordt een lid ingevoegd,
luidende:
“In de gevallen beoeld in artikel 2, § 1, 4ter, c) en
4quater, e) moet een voor de toepassing van deze wet
verantwoordelijke persoon in België zijn gevestigd.”.
Afdeling 3
Wijzigingen in de wet van 22 maart 1993 op het statuut van
en het toezicht op de kredietinstellingen
Art. 100
In artikel 1 van de wet van 22 maart 1993 op het
statuut van en het toezicht op de kredietinstellingen,
gewijzigd bij de wet van 25 februari 2003, worden de
volgende wijzigingen aangebracht:
1° Het tweede lid, gewijzigd bij de wet van 25 febru-
ari 2003, wordt vervangen als volgt:
“Onder kredietinstelling wordt verstaan, een Belgi-
sche of buitenlandse onderneming waarvan de werk-
zaamheden bestaan in het van het publiek in ontvangst
nemen van gelddeposito’s of van andere terugbetaal-
bare gelden en het verlenen van kredieten voor eigen
rekening.”.
2° Het derde lid wordt opgeheven.
Art. 101
In artikel 2 van dezelfde wet, gewijzigd bij het ko-
ninklijk besluit van 3 maart 2011, worden de volgende
wijzigingen aangebracht:
1° in paragraaf 1, 1° worden de woorden “De Post
(Postcheque)” vervangen door de woorden “de naam-
loze vennootschap van publiek recht bpost”;
2° paragraaf 2, ingevoegd bij de wet van 25 febru-
ari 2003, wordt opgeheven.
DOC 53 2432/001
197
2431/001
DOC 53
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 3 e L É G I S L A T U R E
K AMER 3e Z ITTING VAN DE 53e Z ITTING S P E RIO DE
2011
2012
Art. 102
Dans l’article 3 de la même loi, les modifi cations
suivantes sont apportées:
a) dans le paragraphe 1er, 5°, les mots “activités visées
aux points 2 à 12 de la liste reprise au paragraphe 2 du
présent article” sont remplacés par les mots “activités
visées aux points 2 à 12 et 15 de la liste reprise au
paragraphe 2 du présent article”;
b) dans le paragraphe 1er, le 7°, inséré par la loi du
25 février 2003, est abrogé;
c) dans le paragraphe 2, 4) les mots “loi du 21 dé-
cembre 2009 relative au statut des établissements de
paiement, à l’accès à l’activité de prestataire de services
de paiement et à l’accès aux systèmes de paiement”
sont remplacés par les mots “loi du 21 décembre 2009
relative au statut des établissements de paiement, à
l’accès à l’activité de prestataire de services de paie-
ment et à l’accès aux systèmes de paiement et d’autres
législations dans la mesure où elles sont relatives au
statut des établissements de paiement et des établis-
sements de monnaie électronique.”;
d) dans le paragraphe 2, l’alinéa 1er est complété
par le 15) rédigé comme suit: “Émission de monnaie
électronique”.
Art. 103
Dans le Titre Ier de la même loi, le Chapitre IIIbis,
comportant les articles 5bis à 5quater, inséré par la loi
du 25 février 2009, est abrogé.
Art. 104
Dans l’article 6 de la même loi, les modifi cations
suivantes sont apportées:
1° dans le paragraphe 1er, alinéa 1er, modifi é par
les lois des 20 mars 1996 et 25 février 2003, les mots
“établissement de monnaie électronique”, sont abrogés;
2° le paragraphe 2, inséré par la loi du 25 février 2003,
est abrogé.
Art. 105
Dans l’article 41, alinéa 1er de la même loi, modifi é
par les lois des 25 février 2003 et 19 novembre 2004,
Art. 102
In artikel 3 van dezelfde wet worden de volgende
wijzigingen aangebracht:
a) in paragraaf 1, 5°, worden de woorden “werk-
zaamheden als vermeld in de punten 2 tot 12 van de
lijst in § 2 van dit artikel” vervangen door de woorden
“werkzaamheden als vermeld in de punten 2 tot 12 en
15 van de lijst in paragraaf 2 van dit artikel”;
b) in paragraaf 1 wordt de bepaling onder 7°, inge-
voegd bij de wet van 25 februari 2003, opgeheven;
c) in paragraaf 2, 4) worden de woorden “wet van
21 december 2009 op het statuut van de betalingsin-
stellingen, de toegang tot het bedrijf van betalingsdien-
staanbieder en de toegang tot betalingssystemen” ver-
vangen door de woorden “wet van 21 december 2009
betreffende het statuut van de betalingsinstellingen, de
toegang tot het bedrijf van betalingsdienstaanbieder
en de toegang tot betalingssystemen, en van andere
wetgeving die betrekking heeft op het statuut van de
betalingsinstellingen en van de instellingen voor elek-
tronisch geld.”;
d) in paragraaf 2 wordt het eerste lid aangevuld met
de bepaling onder 15), luidende: “Uitgifte van elektro-
nisch geld”.
Art. 103
In Titel I van dezelfde wet wordt Hoofdstuk IIIbis, dat
de artikelen 5bis tot 5quater bevat, ingevoegd bij de wet
van 25 februari 2009, opgeheven.
Art. 104
In artikel 6 van dezelfde wet worden de volgende
wijzigingen aangebracht:
1° in paragraaf 1, eerste lid, gewijzigd bij de wetten
van 20 maart 1996 en 25 februari 2003, worden de
woorden “instelling voor elektronisch geld” geschrapt;
2° paragraaf 2, ingevoegd bij de wet van 25 febru-
ari 2003, wordt opgeheven.
Art. 105
In artikel 41, eerste lid, van dezelfde wet, gewijzigd bij
de wetten van 25 februari 2003 en 19 november 2004,
DOC 53 2432/001
198
2431/001
DOC 53
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 3 e L É G I S L A T U R E
K AMER 3e Z ITTING VAN DE 53e Z ITTING S P E RIO DE
2011
2012
les mots “autres que les établissements de monnaie
électronique” sont abrogés.
Art. 106
Dans l’article 43, § 1er, alinéa 1er de la même loi, rem-
placé par la loi du 15 mai 2007 et modifi é par l’arrêté
royal du 3 mars 2011, le b) est abrogé.
Art. 107
Dans l’article 57, paragraphe 1er, alinéa 2, 2°, modifi é
par l’arrêté royal du 3 mars 2011, la première phrase
est complétée par les mots “; cette suspension peut,
dans la mesure déterminée par la Banque, impliquer
la suspension totale ou partielle de l’exécution des
contrats en cours”;
Art. 108
Dans la même loi, le Titre IIbis, inséré par la loi du
25 février 2003, comportant les articles 64bis à 64quin-
quies est abrogé.
Art. 109
L’article 66bis de la même loi, inséré par la loi du
25 février 2003 et modifi é par la loi du 19 novembre 2004,
est abrogé.
Art. 110
Dans le Titre IV de la même loi, le Chapitre V, compor-
tant l’article 84bis, inséré par la loi du 25 février 2003,
est abrogé.
Art. 111
Dans l’article 104, § 1er, 1° de la même loi, modifi é
par l’arrêté royal du 3 mars 2011, les mots “qui contre-
viennent à l’article 5bis ou” sont abrogés.
Art. 112
Dans l’article 110bis2, § 2 de la même loi, l’alinéa 2,
inséré par la loi du 25 février 2003, est abrogé.
worden de woorden “die geen instelling voor elektro-
nisch geld zijn” geschrapt.
Art. 106
In artikel 43, § 1, eerste lid van dezelfde wet, ver-
vangen bij de wet van 15 mei 2007 en gewijzigd bij het
koninklijk besluit van 3 maart 2011, wordt de bepaling
onder b) opgeheven.
Art. 107
In artikel 57, paragraaf 1, tweede lid, 2°, gewijzigd bij
het koninklijk besluit van 3 maart 2011, wordt de eerste
zin aangevuld met de woorden “; deze schorsing kan,
in de door de Bank bepaalde mate, de volledige of ge-
deeltelijke schorsing van de uitvoering van de lopende
overeenkomsten tot gevolg hebben”;
Art. 108
In dezelfde wet wordt Titel IIbis, ingevoegd bij de wet
van 25 februari 2003, die de artikelen 64bis tot 64quin-
quies bevat, opgeheven.
Art. 109
Artikel 66bis van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet
van 25 februari 2003 en gewijzigd bij de wet van 19 no-
vember 2004, wordt opgeheven.
Art. 110
In Titel IV van dezelfde wet wordt Hoofdstuk V, dat
artikel 84bis bevat, ingevoegd bij de wet van 25 febru-
ari 2003, opgeheven.
Art. 111
In artikel 104, § 1, 1° van dezelfde wet, gewijzigd
bij het koninklijk besluit van 3 maart 2011, worden de
woorden “artikel 5bis overtreedt of” geschrapt.
Art. 112
In artikel 110bis2, § 2 van dezelfde wet wordt het
tweede lid, ingevoegd bij de wet van 25 februari 2003,
opgeheven.
DOC 53 2432/001
199
2431/001
DOC 53
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 3 e L É G I S L A T U R E
K AMER 3e Z ITTING VAN DE 53e Z ITTING S P E RIO DE
2011
2012
Art. 113
L’article 152quater de la même loi, inséré par la loi
du 25 février 2003, est abrogé.
Section 4
Modifi cations de la loi du 22 février 1998 fi xant le statut
organique de la Banque nationale de Belgique
Art. 114
Dans l’article 36/1 de la loi du 22 février 1998 fi xant
le statut organique de la Banque Nationale de Belgique,
inséré par l’arrêté royal du 3 mars 2011 mettant en
œuvre l’évolution des structures de contrôle du secteur
fi nancier, les modifi cations suivantes sont apportées:
a) le 4° est remplacé par ce qui suit:
“4° “établissement de monnaie électronique”: tout
établissement visé à l’article 4, 31° de la loi du 21 dé-
cembre 2009 relative au statut des établissements de
paiement et des établissements de monnaie électro-
nique, à l’accès à l’activité de prestataire de services
de paiement, à l’activité d’émission de monnaie élec-
tronique et à l’accès aux systèmes de paiement;
b) dans le 9°, les mots “, à l’accès à l’activité de
prestataire de services de paiement et à l’accès aux
systèmes de paiement” sont remplacés par les mots “et
des établissements de monnaie électronique, à l’accès
à l’activité de prestataire de services de paiement,
à l’activité d’émission de monnaie électronique et à
l’accès aux systèmes de paiement”.
Art. 115
Dans l’article 36/2, alinéa 1er de la même loi, inséré
par l’arrêté royal du 3 mars 2011 mettant en œuvre l’évo-
lution des structures de contrôle du secteur fi nancier, les
mots “, en ce compris les établissements de monnaie
électronique” sont abrogés et les mots “et des établis-
sements de paiement” sont remplacés par les mots “,
des établissements de paiement et des établissements
de monnaie électronique”.
Art. 113
Artikel 152quater van dezelfde wet, ingevoegd bij de
wet van 25 februari 2003, wordt opgeheven.
Afdeling 4
Wijzigingen in de wet van 22 februari 1998 tot vaststelling
van het organiek statuut van de Nationale Bank van België
Art. 114
In artikel 36/1 van de wet van 22 februari 1998 tot
vaststelling van het organiek statuut van de Nationale
Bank van België, ingevoegd bij het koninklijk besluit
van 3 maart 2011 betreffende de evolutie van de toe-
zichtsarchitectuur voor de fi nanciële sector, worden de
volgende wijzigingen aangebracht:
a) de bepaling onder 4° wordt vervangen als volgt:
“4° “instelling voor elektronisch geld”: een instelling
als bedoeld in artikel 4, 31°, van de wet van 21 decem-
ber 2009 op het statuut van de betalingsinstellingen en
van de instellingen voor elektronisch geld, de toegang
tot het bedrijf van betalingsdienstaanbieder en tot de
activiteit van uitgifte van elektronisch geld en de toegang
tot betalingssystemen;
b) in de bepaling onder 9° worden de woorden “betref-
fende het statuut van de betalingsinstellingen, toegang
tot het bedrijf van betalingsdienstenaanbieder en de
toegang tot betalingssystemen” vervangen door de
woorden “op het statuut van de betalingsinstellingen en
van de instellingen voor elektronisch geld, de toegang
tot het bedrijf van betalingsdienstaanbieder en tot de
activiteit van uitgifte van elektronisch geld en de toegang
tot betalingssystemen”.
Art. 115
In artikel 36/2, eerste lid van dezelfde wet, ingevoegd
bij het koninklijk besluit van 3 maart 2011 betreffende de
evolutie van de toezichtsarchitectuur voor de fi nanciële
sector, worden de woorden “met inbegrip van de instel-
lingen voor elektronisch geld,” geschrapt en worden de
woorden “en de betalingsinstellingen” vervangen door
de woorden “, de betalingsinstellingen en de instellingen
voor elektronisch geld”.
DOC 53 2432/001
200
2431/001
DOC 53
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 3 e L É G I S L A T U R E
K AMER 3e Z ITTING VAN DE 53e Z ITTING S P E RIO DE
2011
2012
Art. 116
L’article 36/14, paragraphe 1er de la même loi, inséré
par l’arrêté royal du 3 mars 2011 mettant en œuvre l’évo-
lution des structures de contrôle du secteur fi nancier,
est complété par le 17° rédigé comme suit:
“17° aux agents commissionnés par le ministre
ayant les Affaires économiques dans ses attributions,
compétents pour rechercher et constater les infractions
commises aux dispositions des articles 58/1, 58/2 et
58/3 de la loi du 10 décembre 2009, dans le cadre de
leur mission visée à l’article 72 de ladite loi.”.
Section 5
Modifi cations de la loi du 16 juin 2006 relative aux offres
publiques d’instruments de placement et aux admissions
d’instruments de placement à la négociation sur des
marchés réglementés
Art. 117
Dans l’article 68bis, alinéa 1er, 1° de la loi du
16 juin 2006 relative aux offres publiques d’instruments
de placement et aux admissions d’instruments de pla-
cement à la négociation sur des marchés réglementés,
inséré par l’arrêté royal du 3 mars 2011 mettant en
œuvre l’évolution des structures de contrôle du secteur
fi nancier, les mots “, à l’exception des établissements
de monnaie électronique” sont abrogés.
Section 6
Modifi cations de la loi du 10 décembre 2009
relative aux services de paiement
Art. 118
Dans l’article 2 de la loi du 10 décembre 2009 relative
aux services de paiement, les modifi cations suivantes
sont apportées:
a) dans le point 2°, alinéa 1er, le b) est remplacé
par ce qui suit: “b) les établissements de monnaie
électronique tels que visés à l’article 4, 31° de la loi
du 21 décembre 2009 relative au statut des établisse-
ments de paiement et des établissements de monnaie
électronique, à l’accès à l’activité de prestataire de
services de paiement, à l’activité d’émission de monnaie
électronique et à l’accès aux systèmes de paiement;”;
Art. 116
Artikel 36/14, paragraaf 1 van dezelfde wet, inge-
voegd bij het koninklijk besluit van 3 maart 2011 betref-
fende de evolutie van de toezichtsarchitectuur voor de
fi nanciële sector, wordt aangevuld met de bepaling
onder 17°, luidende;
“17° ambtenaren aangesteld door de minister be-
voegd voor Economische Zaken, die, in het kader van
hun opdracht bedoeld in artikel 72 van de wet van 10 de-
cember 2009, bevoegd zijn om inbreuken gepleegd op
de bepalingen van de artikelen 58/1, 58/2 en 58/3 van
dezelfde wet op te sporen en vast te stellen.”.
Afdeling 5
Wijzigingen in de wet van 16 juni 2006 op de openbare
aanbieding van beleggingsinstrumenten en de toelating
van beleggingsinstrumenten tot de verhandeling op een
gereglementeerde markt
Art. 117
In artikel 68bis, eerste lid, 1° van de wet van
16 juni 2006 op de openbare aanbieding van beleggings-
instrumenten en de toelating van beleggingsinstrumen-
ten tot de verhandeling op een gereglementeerde markt,
ingevoegd bij het koninklijk besluit van 3 maart 2011
betreffende de evolutie van de toezichtsarchitectuur
voor de fi nanciële sector, worden de woorden “, met
uitzondering van de instellingen voor elektronisch geld”
geschrapt.
Afdeling 6
Wijzigingen in de wet van 10 december 2009
betreffende de betalingsdiensten
Art. 118
In artikel 2 van de wet van 10 december 2009 be-
treffende de betalingsdiensten worden de volgende
wijzigingen aangebracht:
a) in punt 2°, eerste lid wordt de bepaling onder b)
vervangen als volgt: “b) de instellingen voor elektronisch
geld bedoeld in artikel 4, 31°, van de wet van 21 decem-
ber 2009 op het statuut van de betalingsinstellingen en
van de instellingen voor elektronisch geld, de toegang
tot het bedrijf van betalingsdienstaanbieder en tot de
activiteit van uitgifte van elektronisch geld en de toegang
tot betalingssystemen;”;
DOC 53 2432/001
201
2431/001
DOC 53
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 3 e L É G I S L A T U R E
K AMER 3e Z ITTING VAN DE 53e Z ITTING S P E RIO DE
2011
2012
b) dans le point 2°, alinéa 2, les mots “ou remet de
la monnaie électronique à un détenteur de monnaie
électronique” sont insérés entre les mots “à un utilisateur
de services de paiement” et les mots “sans disposer
d’un agrément”;
c) l’article 2 est complété par les 29°; 30°, 31°, 32°et
33°, rédigés comme suit:
“29° “monnaie électronique”: une valeur monétaire
qui est stockée sous une forme électronique, y compris
magnétique, représentant une créance sur l’émetteur,
qui est émise contre la remise de fonds aux fi ns d’opéra-
tions de paiement et qui est acceptée par une personne
physique ou morale autre que l’émetteur de monnaie
électronique;
30° “émetteur de monnaie électronique”: l’émetteur
de monnaie électronique tel que visé à l’article 4, 32°
de la loi du 21 décembre 2009 relative au statut des
établissements de paiement et des établissements de
monnaie électronique, à l’accès à l’activité de presta-
taire de services de paiement, à l’activité d’émission
de monnaie électronique et à l’accès aux systèmes de
paiement;
31° “établissement de monnaie électronique”: l’éta-
blissement de monnaie électronique tel que visé à
l’article 4, 31° de la même loi;
32° “détenteur de monnaie électronique”: une per-
sonne physique ou morale qui remet des fonds à un
émetteur de monnaie électronique en échange de
l’émission de monnaie électronique par cet émetteur;
33° “loi du 21 décembre 2009”: la loi du 21 dé-
cembre 2009 relative au statut des établissements de
paiement et des établissements de monnaie électro-
nique, à l’accès à l’activité de prestataire de services
de paiement, à l’activité d’émission de monnaie élec-
tronique et à l’accès aux systèmes de paiement.”.
Art. 119
L’article 3, de la même loi, est complété par le para-
graphe 3, rédigé comme suit:
“§ 3. La présente loi est également applicable à
l’émission et au remboursement de la monnaie élec-
tronique par des émetteurs de monnaie électronique.”.
b) in punt 2°, tweede lid worden de woorden “of elek-
tronisch geld levert aan een houder van elektronisch
geld” ingevoegd tussen de woorden “aan betalings-
dienstgebruikers” en de woorden “zonder hiertoe over
de nodige vergunning of toelating te beschikken”;
c) artikel 2 wordt aangevuld met de bepalingen onder
29°, 30°, 31°, 32° en 33°, luidende:
“29° “elektronisch geld”: elektronisch, met inbegrip
van magnetisch, opgeslagen monetaire waarde verte-
genwoordigd door een vordering op de uitgever, die is
uitgegeven in ruil voor ontvangen geld om betalings-
transacties te verrichten en die wordt aanvaard door
een andere natuurlijke of rechtspersoon dan de uitgever
van elektronisch geld;
30° “uitgever van elektronisch geld”: een uitgever van
elektronisch geld als bedoeld in artikel 4, 32° van de wet
van 21 december 2009 op het statuut van de betalingsin-
stellingen en van de instellingen voor elektronisch geld,
de toegang tot het bedrijf van betalingsdienstaanbieder
en tot de activiteit van uitgifte van elektronisch geld en
de toegang tot betalingssystemen;
31° “instelling voor elektronisch geld”: een instelling
voor elektronisch geld als bedoeld in artikel 4, 31° van
dezelfde wet;
32° “houder van elektronisch geld”: een natuurlijke
of rechtspersoon die geld overhandigt aan een uitgever
van elektronisch geld in ruil voor de uitgifte van elektro-
nisch geld door die uitgever;
33° “wet van 21 december 2009”: wet van 21 decem-
ber 2009 op het statuut van de betalingsinstellingen en
van de instellingen voor elektronisch geld, de toegang
tot het bedrijf van betalingsdienstaanbieder en tot de
activiteit van uitgifte van elektronisch geld en de toegang
tot betalingssystemen.”.
Art. 119
Artikel 3 van dezelfde wet wordt aangevuld met een
paragraaf 3, luidende:
“§ 3. Deze wet is ook van toepassing op de uitgifte
en terugbetaalbaarheid van elektronisch geld door uit-
gevers van elektronisch geld.”.
DOC 53 2432/001
202
2431/001
DOC 53
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 3 e L É G I S L A T U R E
K AMER 3e Z ITTING VAN DE 53e Z ITTING S P E RIO DE
2011
2012
Art. 120
Dans l’article 44, § 2, alinéa 2, de la même loi, les
mots “Union Européenne” sont remplacés par les mots
“EEE”.
Art. 121
Dans l’article 64, 11°, de la même loi, les mots “37,
§§ 1er à 4” sont remplacés par les mots “37, §§ 1er à 3”.
Art. 122
Dans la même loi, il est inséré un Titre III/1, rédigé
comme suit:
“Titre III/1. Emission et remboursement de la monnaie
électronique”.
Art. 123
Dans le Titre III/1, inséré par l’article 122, il est inséré
un Chapitre 1er, rédigé comme suit:
“Chapitre 1er. Emission et remboursement”.
Art. 124
Dans le Chapitre 1er, inséré par l’article 123, sont
insérés les articles 58/1 et 58/2, rédigés comme suit:
“Article 58/1. Les émetteurs de monnaie électronique
émettent de la monnaie électronique à la valeur nomi-
nale contre la remise de fonds.
Article 58/2. § 1er. Les émetteurs de monnaie élec-
tronique remboursent, à la demande du détenteur de
monnaie électronique, à tout moment et à la valeur
nominale, la valeur monétaire de la monnaie électro-
nique détenue.
§ 2. Le contrat conclu entre l’émetteur de monnaie
électronique et le détenteur de monnaie électronique
établit clairement et de façon bien visible les conditions
de remboursement, y compris les frais éventuels y
afférents, et le détenteur de monnaie électronique est
informé de ces conditions avant qu’il ne soit lié par un
contrat ou une offre.
§ 3. Le remboursement ne peut donner lieu au
prélèvement de frais que si le contrat le prévoit confor-
Art. 120
In artikel 44, § 2, tweede lid van dezelfde wet wor-
den de woorden “Europese Unie” vervangen door de
woorden “EER”.
Art. 121
In artikel 64, 11° van dezelfde wet worden de woorden
“37, §§ 1 tot 4” vervangen door de woorden “37, §§ 1
tot 3”.
Art. 122
In dezelfde wet wordt een Titel III/1 ingevoegd, lui-
dende:
“Titel III/1. Uitgifte en terugbetaalbaarheid van elek-
tronisch geld”.
Art. 123
In Titel III/1, ingevoegd bij artikel 122, wordt een
Hoofdstuk 1 ingevoegd, luidende:
“Hoofdstuk 1. Uitgifte en terugbetaalbaarheid”.
Art. 124
In Hoofdstuk 1, ingevoegd bij artikel 123, worden de
artikelen 58/1 en 58/2 ingevoegd, luidende:
“Artikel 58/1. Uitgevers van elektronisch geld geven
elektronisch geld uit tegen de nominale waarde, in ruil
voor ontvangen geld.
Artikel 58/2. § 1. Uitgevers van elektronisch geld
betalen de nominale monetaire waarde van het aange-
houden elektronisch geld op elk ogenblik terug wanneer
de houder van het elektronisch geld daarom verzoekt.
§ 2. De terugbetalingsvoorwaarden, met inbegrip van
de eventuele vergoeding die hiermee samenhangt, wor-
den duidelijk en opvallend vermeld in de overeenkomst
tussen de uitgever van elektronisch geld en de houder
van elektronisch geld, en de houder van het elektronisch
geld wordt in kennis gesteld van deze voorwaarden
voordat hij wordt gebonden door een overeenkomst of
een aanbod.
§ 3. Voor terugbetaling kan er enkel een vergoeding in
rekening worden gebracht indien dit in de overeenkomst
DOC 53 2432/001
203
2431/001
DOC 53
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 3 e L É G I S L A T U R E
K AMER 3e Z ITTING VAN DE 53e Z ITTING S P E RIO DE
2011
2012
mément au paragraphe 2 et uniquement dans un des
cas suivants:
a) le remboursement est demandé avant l’expiration
du contrat;
b) le contrat spécifi e une date d’expiration et le
détenteur de monnaie électronique a mis fi n au contrat
avant cette date, ou
c) le remboursement est demandé plus d’un an après
la date d’expiration du contrat.
Le montant des frais doit être proportionné et en
rapport avec les coûts réels supportés par l’émetteur
de monnaie électronique.
Le Roi peut déterminer les critères permettant d’éta-
blir les coûts réels supportés par l’émetteur de monnaie
électronique.
§ 4. Lorsque le remboursement est demandé avant
l’expiration du contrat, le détenteur de monnaie électro-
nique peut demander le remboursement de la monnaie
électronique en tout ou en partie.
§ 5. Lorsque le remboursement est demandé par le
détenteur de monnaie électronique à la date d’expiration
du contrat ou dans un délai d’un an après celle-ci:
a) la valeur monétaire totale de la monnaie électro-
nique détenue est remboursée; ou
b) lorsque l’établissement de monnaie électronique
exerce une ou plusieurs activités conformément à
l’article 77, § 1er, de la loi du 21 décembre 2009 et que
la proportion des fonds qui seront utilisés sous forme
de monnaie électronique n’est pas connue à l’avance,
tous les fonds dont le remboursement est demandé par
le détenteur de monnaie électronique sont remboursés.
§ 6. Nonobstant les paragraphes 3 à 5, le droit au
remboursement des personnes, autres que les consom-
mateurs, qui acceptent de la monnaie électronique est
soumis à l’accord contractuel entre les émetteurs de
monnaie électronique et ces personnes.”.
is vermeld overeenkomstig paragraaf 2, en enkel in een
van de volgende gevallen:
a) indien er om terugbetaling wordt gevraagd vóór de
overeenkomst is beëindigd;
b) indien de overeenkomst voorziet in een beëindi-
gingsdatum en de houder van het elektronisch geld de
overeenkomst vóór deze datum beëindigt, of
c) indien er meer dan een jaar na de beëindiging van
de overeenkomst om terugbetaling wordt gevraagd.
Dergelijke vergoeding staat in verhouding tot de
werkelijke kosten die de uitgever van elektronisch geld
heeft gemaakt.
De Koning kan de criteria vastleggen die toelaten de
werkelijke kosten te bepalen die de uitgever van elek-
tronisch geld in aanmerking kan nemen.
§ 4. Indien er om terugbetaling wordt gevraagd vóór
de beëindiging van de overeenkomst, kan de houder
van elektronisch geld verzoeken om de gedeeltelijke of
volledige terugbetaling van het elektronisch geld.
§ 5. Wanneer de houder van het elektronisch geld
om terugbetaling vraagt op de datum van beëindiging
van de overeenkomst of binnen een termijn van een
jaar na die datum:
a) wordt de volledige monetaire waarde van het aan-
gehouden elektronisch geld terugbetaald; of
b) worden alle middelen terugbetaald waarom de
houder van het elektronisch geld verzoekt, indien de
instelling voor elektronisch geld een of meer activitei-
ten uitoefent conform artikel 77, § 1, van de wet van
21 december 2009 en het op voorhand niet geweten
is welk deel van de middelen zal worden gebruikt als
elektronisch geld.
§ 6. Niettegenstaande de paragrafen 3 tot 5, is het
recht op terugbetaling van personen die elektronisch
geld aanvaarden en die geen consumenten zijn, vast-
gelegd in een contractueel beding tussen de uitgevers
van elektronisch geld en die personen.”.
DOC 53 2432/001
204
2431/001
DOC 53
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 3 e L É G I S L A T U R E
K AMER 3e Z ITTING VAN DE 53e Z ITTING S P E RIO DE
2011
2012
Art. 125
Dans le Titre III/1, inséré par l’article 122, il est inséré
un Chapitre 2, rédigé comme suit:
“Chapitre 2. Interdiction des intérêts”.
Art. 126
Dans le Chapitre 2, inséré par l’article 125, il est
inséré un article 58/3, rédigé comme suit:
“Article 58/3. Les émetteurs de monnaie électronique
ne peuvent octroyer des intérêts ou tout autre avantage
liés à la durée pendant laquelle le détenteur de monnaie
électronique détient de la monnaie électronique.”.
Art. 127
Dans la même loi, il est inséré un article 63/1 rédigé
comme suit:
“Article 63/1. En cas de non-respect par l’émetteur
de monnaie électronique des obligations qui découlent
de l’article 58/2 et sans préjudice des sanctions de
droit commun:
— le détenteur de monnaie électronique est dispensé
de plein droit du paiement des frais éventuels liés au
remboursement;
— le détenteur de monnaie électronique peut résilier
sans délai et sans frais ni pénalité, par lettre recom-
mandée à la poste et motivée, le contrat de monnaie
électronique et, le cas échéant, le contrat-cadre en
matière de services de paiement, à partir du moment
où il a connaissance ou aurait dû avoir connaissance
du non-respect de ses obligations.”.
Art. 128
L’article 64 de la même loi est complété par le 20°
rédigé comme suit:
“20° des articles 58/1 à 58/3 relatifs à l’activité
d’émission de monnaie électronique, au caractère rem-
boursable de la monnaie électronique et à l’interdiction
d’octroyer des intérêts.”.
Art. 125
In Titel III/1, ingevoegd bij artikel 122, wordt een
Hoofdstuk 2 ingevoegd, luidende:
“Hoofdstuk 2. Verbod op rente”.
Art. 126
In Hoofdstuk 2, ingevoegd bij artikel 125, wordt een
artikel 58/3 ingevoegd, luidende:
“Artikel 58/3. Uitgevers van elektronisch geld mogen
geen rente of andere voordelen toekennen die samen-
hangen met de lengte van de periode gedurende de-
welke een houder van elektronisch geld het elektronisch
geld aanhoudt.”.
Art. 127
In dezelfde wet wordt een artikel 63/1 ingevoegd,
luidende:
“Artikel 63/1. Bij niet-naleving door de uitgever van
elektronisch geld van de verplichtingen voortvloeiend
uit artikel 58/2, en onverminderd de gemeenrechtelijke
sancties:
— wordt de houder van elektronisch geld van rechts-
wege ontslagen van de eventuele vergoeding die sa-
menhangt met de terugbetaling;
— kan de houder van elektronisch geld, de over-
eenkomst elektronisch geld, en in voorkomend geval
de raamovereenkomst inzake betalingsdiensten, met
een gemotiveerd ter post aangetekend schrijven zon-
der kosten of boete onmiddellijk opzeggen vanaf het
ogenblik dat hij kennis had of hoorde te hebben van de
niet-nageleefde verplichtingen.”.
Art. 128
Artikel 64 van dezelfde wet wordt aangevuld met de
bepaling onder 20°, luidende:
“20° van de artikelen 58/1 tot 58/3, die betrekking
hebben op de uitgifte van elektronisch geld, de terug-
betaalbaarheid van elektronisch geld en het verbod op
rente.”.
DOC 53 2432/001
205
2431/001
DOC 53
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 3 e L É G I S L A T U R E
K AMER 3e Z ITTING VAN DE 53e Z ITTING S P E RIO DE
2011
2012
Art. 129
Dans l’article 71 de la même loi, les mots “un pres-
tataire de services de paiement ne respecte pas une
ou plusieurs dispositions de la présente loi, ils commu-
niquent ces constatations à l’autorité de contrôle qui a
accordé l’autorisation d’offrir des services de paiement”,
sont remplacés par les mots “un prestataire de services
de paiement ou un émetteur de monnaie électronique
ne respecte pas une ou plusieurs dispositions de la pré-
sente loi, ils communiquent ces constatations à l’autorité
de contrôle qui a accordé l’agrément permettant d’offrir
des services de paiement ou d’émettre de la monnaie
électronique.”
Art. 130
Dans l’article 75 de la même loi, les modifi cations
suivantes sont apportées
1° L’alinéa 1er est remplacé par ce qui suit:
“Afi n de régler les éventuels litiges découlant de la
présente loi et du Règlement 924/2009 du Parlement
européen et du Conseil du 16 septembre 2009 concer-
nant les paiements transfrontaliers dans la Communauté
et abrogeant le Règlement (CE) n° 2560/2001, relatifs
aux droits et obligations entre respectivement les utilisa-
teurs de services de paiement, les détenteurs de mon-
naie électronique et leurs prestataires de services de
paiement, leurs émetteurs de monnaie électronique, ces
derniers instituent une procédure adaptée de traitement
de plaintes où les décisions, rendues par un organisme
indépendant, peuvent être acceptées respectivement
par les prestataires de services de paiement et par les
émetteurs de monnaie électronique.”;
2° Entre le premier et le dernier alinéa, sont insérés
deux alinéas, rédigés comme suit:
“Le prestataire de services de paiement ou l’émetteur
de monnaie électronique, doit soit avoir adhéré à un tel
système de traitement des plaintes, soit être membre
d’une association professionnelle qui a adhéré à un tel
système. Il doit contribuer au fi nancement dudit système.
Le Roi peut créer un système extrajudiciaire de trai-
tement des plaintes dont la mission est de contribuer à
résoudre les litiges entre respectivement, d’une part, les
prestataires de services de paiement et les émetteurs
de monnaie électronique et, d’autre part, les utilisateurs
de services de paiement et les détenteurs de monnaie
Art. 129
In artikel 71 van dezelfde wet worden de woorden
“een betalingsdienstaanbieder een of meerdere bepa-
lingen van deze wet niet naleeft delen zij deze vaststel-
lingen mee, aan de toezichthoudende autoriteit die de
toelating heeft verleend om betalingsdiensten aan te
bieden” vervangen door de woorden “een betalings-
dienstaanbieder of een uitgever van elektronisch geld
een of meer bepalingen van deze wet niet naleeft, delen
zij deze vaststellingen mee aan de toezichthoudende
autoriteit die de vergunning heeft verleend om betalings-
diensten aan te bieden of elektronisch geld uit te geven.”
Art. 130
In artikel 75 van dezelfde wet worden de volgende
wijzigingen aangebracht:
1° Het eerste lid wordt vervangen als volgt:
“Om de eventuele geschillen te regelen die voort-
vloeien uit deze wet en uit Verordening nr. 924/2009 van
het Europees Parlement en de Raad van 16 septem-
ber 2009 betreffende grensoverschrijdende betalingen
in de Gemeenschap en tot intrekking van de Verordening
(EG) nr. 2560/2001 en die betrekking hebben op de
rechten en plichten tussen betalingsdienstgebruikers en
hun betalingsdienstaanbieders of tussen houders van
elektronisch geld en hun uitgevers van elektronisch geld,
stellen deze laatsten een aangepaste klachtenbehan-
delingsprocedure in, waarbij de beslissingen die door
een onafhankelijk organisme worden genomen, kunnen
worden aanvaard door respectievelijk de betalingsdien-
staanbieders en de uitgevers van elektronisch geld.”;
2° Tussen het eerste en het laatste lid worden twee
leden ingevoegd, luidende:
“De betalingsdienstaanbieder of de uitgever van
elektronisch geld dient ofwel zelf toegetreden te zijn tot
een dergelijke klachtenregeling, ofwel lid te zijn van een
beroepsvereniging die is toegetreden tot een dergelijke
klachtenregeling. Hij dient bij te dragen tot de fi nancie-
ring van de betrokken klachtenregeling.
De Koning kan een buitengerechtelijke klachtenre-
geling oprichten met als opdracht geschillen tussen
respectievelijk, enerzijds, betalingsdienstaanbieders
en uitgevers van elektronisch geld, en, anderzijds beta-
lingsdienstgebruikers en houders van elektronisch geld,
en andere belanghebbenden, met inbegrip van consu-
DOC 53 2432/001
206
2431/001
DOC 53
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 3 e L É G I S L A T U R E
K AMER 3e Z ITTING VAN DE 53e Z ITTING S P E RIO DE
2011
2012
électronique, et d’autres parties intéressées, y com-
pris les associations de consommateurs, en donnant
des conseils en la matière ou en agissant à titre de
médiateur.”;
3° Dans le dernier alinéa, les mots “ou le détenteur
de monnaie électronique” sont insérés entre les mots
“l’utilisateur de services de paiement” et les mots “est
un consommateur”.
Section 7
Modifi cations de la loi du 28 juillet 2011 visant à transposer
diverses directives relatives au contrôle du secteur
fi nancier et portant dispositions diverses
Art. 131
“Dans l’article 34, alinéa 3, de la loi du 28 juillet 2011
visant à transposer diverses directives relatives au
contrôle du secteur fi nancier et portant dispositions
diverses, “2011” est remplacé par “2012”. “.
CHAPITRE 2
Dispositions transitoires et entrée en vigueur
Art. 132
“§ 1er. Les établissements de monnaie électronique
agréés en Belgique avant l’entrée en vigueur de la pré-
sente loi sont de plein droit agréés pour l’application des
dispositions du Livre 3 de la loi du 21 décembre 2009,
introduites par la présente loi. Ils sont inscrits sur la
liste visée à l’article 64 de la loi du 21 décembre 2009.
§ 2. Les établissements de monnaie électronique
qui bénéfi ciaient d’une exemption avant l’entrée en
vigueur de la présente loi sont exemptés de plein droit
pour l’application des dispositions du Livre 3 de la loi
du 21 décembre 2009, introduites par la présente loi.
Ils sont inscrits sur la liste visée à l’article 64 de la loi
du 21 décembre 2009.
§ 3. Les établissements de monnaie électronique
agréés et les personnes morales exemptées visés aux
paragraphes 1 et 2 notifi ent sans délai à la Banque
nationale de Belgique les activités visées à l’article 77,
§ 2 de la loi du 21 décembre 2009, tel qu’introduit par
la présente loi, qu’elles entendent exercer.
mentenverenigingen, te helpen oplossen, door hierover
advies te verstrekken of op te treden als bemiddelaar.”;
3° In het laatste lid worden de woorden “of de houder
van elektronisch geld” ingevoegd tussen de woorden
“de betalingsdienstgebruiker” en de woorden “een
consument”.
Afdeling 7
Wijzigingen in de wet van 28 juli 2011 tot omzetting van
diverse richtlijnen betreffende het toezicht op de fi nanciële
sector en houdende diverse bepalingen
Art. 131
“In artikel 34, derde lid, van de wet van 28 juli 2011 tot
omzetting van diverse richtlijnen betreffende het toezicht
op de fi nanciële sector en houdende diverse bepalingen,
wordt “2011” vervangen door “2012”. “.
HOOFDSTUK 2
Overgangsbepalingen en inwerkingtreding
Art. 132
“§ 1. De instellingen voor elektronisch geld die vóór
de inwerkingtreding van deze wet een vergunning heb-
ben verkregen in België, verkrijgen van rechtswege een
vergunning voor de toepassing van de bepalingen van
Boek 3 van de wet van 21 december 2009, die bij deze
wet worden ingevoegd. Zij worden opgenomen in de lijst
bedoeld in artikel 64 van de wet van 21 december 2009.
§ 2. De instellingen voor elektronisch geld die vóór
de inwerkingtreding van deze wet waren vrijgesteld,
zijn van rechtswege vrijgesteld voor de toepassing van
de bepalingen van Boek 3 van de wet van 21 decem-
ber 2009, die bij deze wet worden ingevoegd. Zij worden
opgenomen in de lijst bedoeld in artikel 64 van de wet
van 21 december 2009.
§ 3. De instellingen voor elektronisch geld die een
vergunning hebben verkregen en de rechtspersonen
die vrijgesteld zijn, als bedoeld in de paragrafen 1 en 2,
brengen onmiddellijk ter kennis van de Nationale Bank
van België welke van de werkzaamheden bedoeld in
artikel 77, § 2 van de wet van 21 december 2009, als
ingevoegd bij deze wet, zij wensen uit te oefenen.
DOC 53 2432/001
207
2431/001
DOC 53
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 3 e L É G I S L A T U R E
K AMER 3e Z ITTING VAN DE 53e Z ITTING S P E RIO DE
2011
2012
Art. 133
Deze wet treedt in werking de dag waarop ze in het
Belgisch Staatsblad wordt bekendgemaakt.
Gegeven te Trapani, 20 september 2012
ALBERT
VAN KONINGSWEGE:
De vice-eersteminister en minister van Financiën,
Steven VANACKERE
De vice-eersteminister en minister van Economie,
Consumenten en Noordzee,
Johan VANDE LANOTTE
Art. 133
La présente loi entre en vigueur le jour de sa publi-
cation au Moniteur belge.
Donné à Trapani, le 20 septembre 2012
ALBERT
PAR LE ROI:
Le vice-premier ministre et ministre des Finances,
Steven VANACKERE
Le vice-premier ministre et ministre de l’Economie,
des Consommateurs et de la Mer du Nord,
Johan VANDE LANOTTE
DOC 53 2432/001
208
2431/001
DOC 53
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 3 e L É G I S L A T U R E
K AMER 3e Z ITTING VAN DE 53e Z ITTING S P E RIO DE
2011
2012
PROJET DE LOI (II)
ALBERT II, ROI DES BELGES,
À tous, présents et à venir,
SALUT.
Sur la proposition du ministre des Finances,
NOUS AVONS ARRÊTÉ ET ARRÊTONS:
Le ministre des Finances est chargé de présenter
en notre nom aux Chambres législatives et déposer à
la Chambre des représentants le projet de loi dont la
teneur suit:
Article 1er
La présente loi règle une matière visée à l’article
77 de la Constitution.
Elle assure notamment la transposition partielle de
la directive 2009/110/CE du Parlement européen et du
Conseil du 16 septembre 2009 concernant l’accès à
l’activité des établissements de monnaie électronique
et son exercice ainsi que la surveillance prudentielle de
ces établissements, modifi ant les directives 2005/60/CE
et 2006/48/CE et abrogeant la directive 2000/46/CE.
Art. 2
Dans l’article 36/22 de la loi du 22 février 1998 fi xant
le statut organique de la Banque Nationale de Belgique,
inséré par l’arrêté royal du 3 mars 2011 mettant en
œuvre l’évolution des structures de contrôle du secteur
fi nancier, les modifi cations suivantes sont apportées:
a) dans le 19°, les mots “alinéa 3 de l’article 8 pré-
cité” sont remplacés par les mots “alinéa 2 de l’article
8 précité”;
b) dans le 21°, les mots “en vertu de l’article 35, § 1er,
alinéa 2, 1°, 2°, 3° et 4°” sont remplacés par les mots “en
vertu de l’article 35, § 1er, alinéa 2, 1°, 2°, 3°, 4° et 5°”;
c) l’article est complété par les 32°, 33° et 34° rédigés
comme suit:
“32° au demandeur d’agrément, contre les décisions
prises par la Banque en matière d’agrément en vertu
WETSONTWERP (II)
ALBERT II, KONING DER BELGEN,
Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen,
ONZE GROET.
Op de voordracht van de minister van Financiën,
HEBBEN WIJ BESLOTEN EN BESLUITEN WIJ:
De minister van Financiën is hiermee belast het
ontwerp van wet waarvan de tekst hierna volgt, in onze
naam aan de Wetgevende Kamers voor te leggen en
bij de Kamer van volksvertegenwoordigers in te dienen:
Artikel 1
Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in
artikel 77 van de Grondwet.
Zij heeft inzonderheid de gedeeltelijke omzetting tot
doel van Richtlijn 2009/110/EG van het Europees Par-
lement en de Raad van 16 september 2009 betreffende
de toegang tot, de uitoefening van en het prudentieel
toezicht op de werkzaamheden van instellingen voor
elektronisch geld, tot wijziging van de Richtlijnen
2005/60/EG en 2006/48/EG en tot intrekking van Richt-
lijn 2000/46/EG.
Art. 2
In artikel 36/22 van de wet van 22 februari 1998 tot
vaststelling van het organiek statuut van de Nationale
Bank van België, ingevoegd bij het koninklijk besluit
van 3 maart 2011 betreffende de evolutie van de toe-
zichtsarchitectuur voor de fi nanciële sector, worden de
volgende wijzigingen aangebracht:
a) in de bepaling onder 19° worden de woorden
“derde lid van het voormelde artikel 8” vervangen door
de woorden “tweede lid van het voormelde artikel 8”;
b) in de bepaling onder 21° worden de woorden
“krachtens artikel 35, § 1, tweede lid, 1°, 2°, 3° en 4°”
vervangen door de woorden “krachtens artikel 35, § 1,
tweede lid, 1°, 2°, 3°, 4° en 5°”;
c) het artikel wordt aangevuld met de bepalingen
onder 32°, 33° en 34°, luidende:
“32° door de aanvrager van een vergunning, tegen
de beslissingen inzake vergunning die de Bank heeft
DOC 53 2432/001
DOC 53
Centrale drukkerij – Deze publicatie wordt uitsluitend gedrukt op FSC gecertificeerd papier
Imprimerie centrale – Cette publication est imprimée exclusivement sur du papier certifié FSC
209
2431/001
DOC 53
de l’article 63 de la loi du 21 décembre 2009 relative au
statut des établissements de paiement et des établis-
sements de monnaie électronique, à l’accès à l’activité
de prestataire de services de paiement, à l’activité
d’émission de monnaie électronique et à l’accès aux
systèmes de paiement. Un même recours est ouvert au
demandeur lorsque la Banque n’a pas statué dans les
délais fi xés à l’alinéa 2 de l’article 63 précité. Dans ce
dernier cas, le recours est traité comme s’il y avait eu
rejet de la demande;
33° à l’établissement de monnaie électronique, contre
les décisions prises par la Banque en vertu de l’article
75, alinéa 3, de la loi du 21 décembre 2009 relative au
statut des établissements de paiement et des établis-
sements de monnaie électronique, à l’accès à l’activité
de prestataire de services de paiement, à l’activité
d’émission de monnaie électronique et à l’accès aux
systèmes de paiement;
34° à l’établissement de monnaie électronique,
contre les décisions prises par la Banque en vertu de
l’article 87, § 1er, alinéa 2, 1°, 2°, 3°, 4° et 5°, et contre
les décisions équivalentes prises en vertu de l’article
96 de la loi du 21 décembre 2009 relative au statut des
établissements de paiement et des établissements de
monnaie électronique, à l’accès à l’activité de presta-
taire de services de paiement, à l’activité d’émission
de monnaie électronique et à l’accès aux systèmes de
paiement. Le recours est suspensif de la décision et de
sa publication sauf si, en raison d’un péril grave pour
les détenteurs de monnaie électronique, la Banque a
déclaré sa décision exécutoire nonobstant recours.”.
Art. 3
La présente loi entre en vigueur le jour de sa publi-
cation au Moniteur belge.
Donné à Trapani, le 20 septembre 2012
ALBERT
PAR LE ROI:
Le vice-premier ministre et ministre des Finances,
Steven VANACKERE
genomen krachtens artikel 63 van de wet van 21 de-
cember 2009 op het statuut van de betalingsinstellin-
gen en van de instellingen voor elektronisch geld, de
toegang tot het bedrijf van betalingsdienstaanbieder en
tot de activiteit van uitgifte van elektronisch geld en de
toegang tot betalingssystemen. Eenzelfde beroep kan
door de aanvrager worden ingesteld indien de Bank
geen uitspraak heeft gedaan binnen de bij het tweede
lid van het voormelde artikel 63 vastgestelde termijnen.
In dit laatste geval wordt het beroep behandeld als was
de aanvraag verworpen;
33° door de instelling voor elektronisch geld, tegen de
beslissingen die de Bank heeft genomen krachtens arti-
kel 75, derde lid, van de wet van 21 december 2009 op
het statuut van de betalingsinstellingen en van de
instellingen voor elektronisch geld, de toegang tot het
bedrijf van betalingsdienstaanbieder en tot de activiteit
van uitgifte van elektronisch geld en de toegang tot
betalingssystemen;
34° door de instelling voor elektronisch geld, tegen
de beslissingen die de Bank heeft genomen krachtens
artikel 87, § 1, tweede lid, 1°, 2°, 3°, 4° en 5° en tegen
de gelijkaardige beslissingen genomen krachtens artikel
96 van de wet van 21 december 2009 op het statuut
van de betalingsinstellingen en van de instellingen voor
elektronisch geld, de toegang tot het bedrijf van beta-
lingsdienstaanbieder en tot de activiteit van uitgifte van
elektronisch geld en de toegang tot betalingssystemen.
Het beroep schorst de beslissing en haar bekendma-
king, tenzij de Bank, bij ernstig gevaar voor de houders
van elektronisch geld, haar beslissing uitvoerbaar heeft
verklaard niettegenstaande elk beroep.”.
Art. 3
Deze wet treedt in werking de dag waarop ze in het
Belgisch Staatsblad wordt bekendgemaakt.
Gegeven te Trapani, 20 september 2012
ALBERT
VAN KONINGSWEGE:
De vice-eersteminister en minister van Financiën,
Steven VANACKERE