Document 55K3808/002

🏛️ KAMER Legislatuur 55 📁 3808 Verslag 🌐 NL

Inhoud

5 februari 2024 5 février 2024 3808/002 DOC 55 3808/002 DOC 55 11315 C H A M B R E 6 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2023 2024 K A M E R • 6 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E Chambre des représentants de Belgique Belgische Kamer van volksvertegenwoordigers Amendementen Amendements Voir: Doc 55 3808/ (2023/2024): 001: Projet de loi. Zie: Doc 55 3808/ (2023/2024): 001: Wetsontwerp. houdende de hervorming van de pensioenen portant la réforme des pensions PROJET DE LOI WETSONTWERP 3808/002 DOC 55 2 C H A M B R E 6 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2023 2024 K A M E R • 6 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E Nr. 1 van mevrouw Samyn en de heer Verreyt Art. 27 tot 50 Titel 3, die de artikelen 27 tot en met 50 bevat, weglaten. VERANTWOORDING Het Planbureau geeft aan dat de pensioenbonus een mee- ruitgave zal opleveren in plaats van een opbrengst: “Op lange termijn verhoogt de invoering van een pensi- oenbonus de budgettaire kosten van de vergrijzing. In 2070 bedraagt deze stijging tussen 0,1 en 0,3 procentpunt van het bbp.” De pensioenbonus zet de duurzaamheid en betaalbaar- heid van ons pensioensysteem bijgevolg verder onder druk. Ellen Samyn (VB) Hans Verreyt (VB) N° 1 de Mme Samyn et M. Verreyt Art. 27 à 50 Supprimer le titre 3, qui contient les articles 27 à 50. JUSTIFICATION Le Bureau du plan indique que le bonus de pension entraî- nera une dépense supplémentaire plutôt qu’une recette: “À long terme, l’introduction d’un bonus de pension accroît le coût budgétaire du vieillissement. En 2070, cet accroisse- ment est compris entre 0,1 et 0,3 point de pourcentage du PIB selon le scénario retenu.” Le bonus de pension exercera par conséquent une pres- sion supplémentaire sur la durabilité et la viabilité de notre système de pension. 3 3808/002 DOC 55 C H A M B R E 6 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2023 2024 K A M E R • 6 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E  Nr. 2 van mevrouw Samyn en de heer Verreyt Art. 27 (nieuw) Onder een nieuwe titel 3 “Titel 3. Alle meewerkende echtgenoten die aan de slag zijn geweest binnen het kader van het maxi-statuut toegang geven tot het mi- nimumpensioen”, een artikel 27 invoegen, luidende: “Art. 27. Artikel 131quinquies, § 1, van de wet van 15 mei 1984 houdende maatregelen tot harmonise- ring in de pensioenregelingen, ingevoegd bij de wet van 27 november 2022, wordt vervangen als volgt: “§ 1. Wanneer de loopbaan van de meewerkende echtgenoot die zich voor minstens één kwartaal vrijwillig heeft onderworpen aan het maxi-statuut, bedoeld in artikel  7bis, §  1, van het koninklijk be- sluit nr. 38 van 27 juli 1967 houdende inrichting van het sociaal statuut der zelfstandigen, ofwel zich verplicht moest aansluiten bij het maxi-statuut op 1 juli 2005, niet ten minste gelijk is aan twee derde van een vol- ledige loopbaan bepaald bij artikel 131ter, wordt aan de meewerkende echtgenoot een minimumpensioen verleend wanneer hij in de periode die aanvangt op  1  januari  2003 en eindigt op het einde van het kwartaal voorafgaand aan de ingangsdatum van het pensioen een loopbaan bewijst als meewerkende echt- genoot in het maxi-statuut, en, in voorkomend geval, in de regeling voor zelfstandigen, in de regeling voor werknemers en in regelingen waarop de Europese Verordeningen van toepassing zijn of waarop een internationale overeenkomst die geheel of gedeeltelijk betrekking heeft op de pensioenen van werknemers of zelfstandigen en waar België door gebonden is, van toepassing is, dat ten minste gelijk is aan twee derde van het aantal jaren en kwartalen gelegen in de bedoelde periode.”” VERANTWOORDING Momenteel hebben meewerkende echtgenoten die niet vol- doen aan de gewone voorwaarden voor het minimumpensioen enkel recht op een minimumpensioen als ze geboren zijn in de periode tussen 1 januari 1956 en 31 mei 1968 en als ze zich vrijwillig voor één of meerdere kwartalen onderworpen  N° 2 de Mme Samyn et M. Verreyt Art. 27 (nouveau) Sous un nouveau Titre 3 intitulé “Titre 3. Octroi de la pension minimum à tous les conjoints aidants ayant travaillé sous le maxi-statut”, insérer un article 27 rédigé comme suit: “Art. 27. L’article  131quinquies, §  1er, de la loi du 15  mai  1984 portant mesures d’harmonisation dans les régimes de pensions, inséré par la loi du 27 novembre 2022, est remplacé par ce qui suit: “§  1er. Lorsque la carrière du conjoint aidant qui s’est soit volontairement assujetti au maxi-statut visé à l’article 7bis, de l’arrêté royal n° 38 du 27 juillet 1967 organisant le statut social des travailleurs indépendants, pendant au moins un trimestre, soit a dû s’affilier obli- gatoirement au maxi-statut le 1er juillet 2005, n’est pas au moins égale aux deux tiers d’une carrière complète comme prévu à l’article 131ter, la pension minimum est allouable au conjoint aidant s’il prouve dans la période qui débute le 1er janvier 2003 et se termine à la fin du trimestre précédant la date de prise de cours de la pension, une carrière comme conjoint aidant dans le maxi-statut et, le cas échéant, une carrière dans le régime des travailleurs indépendants, une carrière dans le régime des travailleurs salariés et dans des régimes qui relèvent du champ d’application des règlements européens ou auxquels une convention internationale concernant totalement ou partiellement les pensions des travailleurs salariés ou des travailleurs indépen- dants et par laquelle la Belgique est liée, s’applique, qui est au moins égale aux deux tiers du nombre d’années et de trimestres situés dans la période visée”.”. JUSTIFICATION Les conjoints aidants qui ne remplissent pas les condi- tions ordinaires pour bénéficier de la pension minimum n’ont actuellement droit à une pension minimum que s’ils sont nés entre le 1er janvier 1956 et le 31 mai 1968 et s’ils se sont volon- tairement affiliés au maxi-statut entre le 1er janvier 2003 et le 3808/002 DOC 55 4 C H A M B R E 6 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2023 2024 K A M E R • 6 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E hebben aan het maxi-statuut van meewerkende echtgenoot tijdens de periode van 1 januari 2003 tot 30 juni 2005 of als ze zich verplicht moesten aansluiten vanaf 1 juli 2005. Het maxi-statuut van meewerkende echtgenoot werd in- gevoerd in  2003 en heeft een volwaardig sociaal statuut voor meewerkende echtgenoten ingevoerd. Tegenover de hogere sociale bijdragen die ze betalen, staat een verzeke- ring die identiek is aan de verzekering die een zelfstandige in hoofdberoep geniet. Het maxi-statuut is automatisch van toepassing op alle meewerkende echtgenoten die geboren zijn vanaf 1 januari 1956. Meewerkende echtgenoten die vóór 1956 geboren zijn, konden zich aansluiten bij het maxi- statuut sinds de invoering ervan op 1 januari 2003. Voordien vielen zij onder het mini-statuut, met lagere sociale bijdragen en minder sociale bescherming. Zij bouwden dan bijvoorbeeld geen pensioenrechten op, maar enkel sociale rechten op het vlak van uitkeringen bij arbeidsongeschiktheid. Indieners willen deze vergeten groep – die voornamelijk be- staat uit vrouwen – toegang geven tot het minimumpensioen. Ellen Samyn (VB) Hans Verreyt (VB) 30 juin 2005 pour un trimestre ou pour plusieurs trimestres, ou s’ils ont dû s’y affilier obligatoirement à partir du 1er juil- let 2005. Introduit en 2003, le maxi-statut a créé un statut social à part entière pour les conjoints aidants. En contrepartie du paiement de cotisations sociales plus élevées, les conjoints aidants bénéficient d’une assurance identique à celle de tout travailleur indépendant à Titre principal. Le maxi-statut s’ap- plique automatiquement à tout conjoint aidant né à partir du 1er janvier 1956. Les conjoints aidants nés avant 1956 ont pu s’y affilier dès son introduction le 1er janvier 2003. Auparavant, ils relevaient du mini-statut, payaient des cotisations sociales moins élevées et bénéficiaient d’une protection sociale moins étendue. Par exemple, ils ne se constituaient aucun droit en matière de pension, et ne se constituaient des droits sociaux qu’en matière de prestations en cas d’incapacité de travail. Les auteurs souhaitent que ce groupe oublié – principale- ment constitué de femmes – puisse bénéficier de la pension minimum. 5 3808/002 DOC 55 C H A M B R E 6 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2023 2024 K A M E R • 6 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E  Nr. 3 van mevrouw Samyn en de heer Verreyt Art. 71 (nieuw) Onder een nieuwe titel 7 “Titel 7. Afschaffing van de solidariteitsbijdrage”, een artikel  71 invoegen, luidende: “Art. 71. In de wet van 30 maart 1994 houdende sociale bepalingen, met ingang van 1 januari 2023, worden de volgende artikelen opgeheven: 1° artikel  68, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 17 februari 2019; 2° artikel 68bis, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 18 maart 2016; 3° artikel 68ter, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 18 maart 2016; 4° artikel 68quinquies, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 18 maart 2016.” VERANTWOORDING Gepensioneerden hebben tijdens hun loopbaan al zeer veel afgedragen aan de Belgische Staat. Door de solidariteits- bijdrage kunnen gepensioneerden niet volledig genieten van hun opgebouwde pensioenrechten. Wij willen deze belasting dan ook integraal afschaffen. De ingangsdatum van 1 januari 2025 werd gekozen omwille van de praktische haalbaarheid. Zo hebben de administraties voldoende tijd om dit voor te bereiden. Ellen Samyn (VB) Hans Verreyt (VB)  N° 3 de Mme Samyn et M. Verreyt Art. 71 (nouveau) Sous un nouveau Titre 7 “Titre 7. Suppression de la cotisation de solidarité”, insérer un article 71 rédigé comme suit: “Art. 71. Dans la loi du 30 mars 1994 portant des dispositions sociales, les articles suivants sont abro- gés avec effet au 1er janvier 2023: 1° article 68, modifié en dernier lieu par la loi du 17 février 2019; 2° article 68bis, modifié en dernier lieu par la loi du 18 mars 2016; 3° article 68ter, modifié en dernier lieu par la loi du 18 mars 2016; 4° article 68quinquies, modifié en dernier lieu par la loi du 18 mars 2016.” JUSTIFICATION Les pensionnés ont déjà versé beaucoup de cotisations à l’État belge au cours de leur carrière. La cotisation de solidarité empêche les pensionnés de bénéficier pleinement des droits de pension qu’ils ont accumulés. Nous souhaitons donc supprimer totalement cette cotisation. La date de prise de cours du 1er janvier 2025 a été choisie pour des raisons pratiques. Les administrations auront ainsi suffisamment de temps pour se préparer. 3808/002 DOC 55 6 C H A M B R E 6 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2023 2024 K A M E R • 6 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E  Nr. 4 van mevrouw Samyn en de heer Verreyt Art. 72 (nieuw) Onder een nieuwe titel 8 “Titel 8. Verlaging van de pensioenleeftijd naar 65 jaar”, een artikel 72 invoegen, luidende: “Art. 72. De artikelen 12 tot en met 17 van de wet van xxxxx tot verhoging van de wettelijke leeftijd voor het rustpension, de voorwaarden voor de toegang tot het vervroegd pensioen en de minimumleeftijd voor het overlevingspensioen worden opgeheven.” VERANTWOORDING Het pensioenprobleem wordt niet opgelost door mensen langer te laten werken, maar wel door de werkzaamheidgraad van oudere werknemers op te trekken. Bovendien roepen we de regering op om te kijken naar het aantal gewerkte uren in plaats van louter naar de pensi- oenleeftijd. Wij wensen een volwaardig pensioen te mogelijk te maken voor personen die 66.000 uur hebben gewerkt. Dit komt neer op 40 jaar aan 1.650 uur per jaar. Personen die bijvoorbeeld op hun 18e beginnen te werken – vaak in een functie met zware taken – kunnen dus op hun 58e op pensioen gaan in het systeem dat wordt voorgesteld. Wij stellen voor om de minimumpensioenen in alle stelsels op te trekken naar 1.799 euro. De verhoging van de minimum- pensioenen is voornamelijk te wijten aan de (hoge) inflatie, waardoor deze gepensioneerden in (veel) mindere mate kon- den profiteren van de koopkrachtstijging. Slechts 31 procent van de stijging werd rechtstreeks gerealiseerd door de re- gering. Maar liefst 69 procent door systemen die al decen- nia bestaan: 57 procent ten gevolge van de automatische indexatie en 12 procent via de welvaartsenveloppe. In 2019 stelde het Vlaams Belang voor om de minimumpensioenen op te trekken naar 1.500 euro. Een berekening op basis van de gezondheidsindex toont aan dat de prijzen – uit de korf die wordt meegenomen bij de bepaling van deze index – geste- gen zijn met 19,99 procent. Dit betekent dat het bedrag van 1.500 euro – op basis van de gezondheidsindex – neerkomt op 1.799 euro in februari 2024. Momenteel ligt het minimum- pensioen lager dan dit bedrag.  N° 4 de Mme Samyn et M. Verreyt Art. 72 (nouveau) Sous un nouveau Titre 8 intitulé “L’abaissement de l’âge de la pension à 65 ans”, insérer un article 72 rédigé comme suit: “Art. 72. Les articles 12 à 17 de la loi du xxxxx visant à relever l’âge légal de la pension de retraite, les condi- tions d’accès à la pension de retraite anticipée et l’âge minimum de la pension de survie sont abrogés.” JUSTIFICATION On ne résoudra pas le problème des pensions en allon- geant la carrière professionnelle, mais en relevant le taux d’emploi des travailleurs plus âgés. En outre, nous appelons le gouvernement à tenir compte du nombre d’heures prestées, au lieu de se focaliser sur l’âge de la pension. Nous voulons qu’une pension à part entière puisse être octroyée aux personnes ayant travaillé 66.000 heures, ce qui correspond, sur une carrière de 40 ans, à 1.650 heures par an. Les travailleurs qui sont par exemple entrés dans la vie active à 18 ans – souvent dans des fonctions pénibles – peuvent donc être admis à la retraite à 58 ans dans le système proposé. Nous proposons de relever les pensions minimales, tous régimes confondus, à 1.799 euros. L’augmentation des pen- sions minimales étant principalement due à la (forte) inflation, ces retraités ont (nettement) moins pu profiter de la hausse du pouvoir d’achat. Seuls 31 % de cette augmentation sont direc- tement imputables aux mesures du gouvernement, tandis que 69 % résultent de systèmes qui existent depuis des décen- nies: 57 % découlent d’une indexation automatique et 12 % proviennent de l’enveloppe bien-être. En 2019, le Vlaams Belang avait proposé de relever les pensions minimales à 1.500 euros. Un calcul effectué sur la base de l’indice santé montre que les prix – provenant de la corbeille prise en compte pour fixer cet indice – ont augmenté de 19,99 %. Cela signifie que, sur la base de l’indice santé, le montant de 1.500 euros équivaut à 1.799 euros en février 2024. Actuellement, la pen- sion minimale est inférieure à ce montant. 7 3808/002 DOC 55 C H A M B R E 6 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2023 2024 K A M E R • 6 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E Daarnaast roepen we de regering op de hoogste pensioe- nen te beperken. Volgens het Federaal Planbureau zou de begrenzing van het wettelijk maximumpensioen tot 4.000 euro in prijzen van 2019 (4.845 euro in prijzen van februari 2024) de pensioenfactuur verlichten met 1,13 miljard euro (in prijzen van 2022). Het Vlaams Belang wil paal en perk stellen aan de grote pensioenverschillen van werknemers, zelfstandigen en ambtenaren. Volgens dezelfde berekening als bovenstaande komt dit neer op een maximum van 4.799,60 euro. Ellen Samyn (VB) Hans Verreyt (VB) En outre, nous exhortons le gouvernement à plafonner les pensions les plus élevées. Selon le Bureau fédéral du Plan, limiter la pension maximum légale à 4.000 euros selon les prix de 2019 (4.845 euros selon les prix de 2024) allégerait la facture des pensions de 1,13 milliard d’euros (prix de 2022). Le Vlaams Belang entend mettre un frein aux grandes dis- parités entre la pension des travailleurs salariés, la pension des indépendants et la pension des fonctionnaires. Selon ce même calcul, cela correspond à un montant maximum de 4.799,60 euros. 3808/002 DOC 55 8 C H A M B R E 6 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2023 2024 K A M E R • 6 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E  Nr. 5 van mevrouw Samyn en de heer Verreyt Art. 73 en 74 (nieuw) Onder een nieuwe titel 9 “Titel 9. Naar een sterke tweede pensioenpijler”, de artikelen 73 en 74 invoe- gen, luidende: “Art. 73. Artikel 9 van de wet van 28 april 2003 betref- fende de aanvullende pensioenen en het belastingstel- sel van die pensioenen en van sommige aanvullende voordelen inzake sociale zekerheid wordt vervangen als volgt: “Art. 9. §  1. Iedere werkgever organiseert een pensioenstelsel voor alle van zijn werknemers op het niveau van de onderneming, dat, tenzij anders bepaald in deze titel, de regels moet volgen die gelden voor ondernemingspensioenstelsels. Bij de invoering van dit stelsel kan rekening worden gehouden met een pensioenstelsel dat reeds bestaat op het niveau van de onderneming. Bij een pensioenstelsel van het type “vaste bijdra- gen” mogen de stortingen niet lager zijn dan 2 procent van het brutoloon. Bij een pensioenstelsel van het type “vaste prestaties” mogen de verworven reserves op geen enkel ogenblik lager zijn dan de verworven reser- ves die voortvloeien uit het sectoraal pensioenstelsel. De werkgever, legt, onverminderd de toepassing van de procedures bedoeld in de artikelen 7 en 11, die beslissing, het ontwerp van pensioenreglement en de keuze van de pensioeninstelling voorafgaandelijk voor advies voor aan de ondernemingsraad of, bij ontstente- nis, aan het comité voor preventie en bescherming op het werk, of bij ontstentenis, aan de vakbondsafvaar- diging. Bij ontstentenis van een vakbondsafvaardiging worden de werknemers voorafgaandelijk op de hoogte gebracht door middel van aanplakking. De werkgever deelt het pensioenreglement mee aan de rechtspersoon bedoeld in artikel 3, § 1, 5°, a), vóór het pensioenstelsel van toepassing wordt.” Art. 74. Artikel 3 van de wet van 18 februari 2018 houdende diverse bepalingen inzake aanvullende  N° 5 de Mme Samyn et de M. Verreyt Art. 73 et 74 (nouveaux) Sous un nouveau Titre 9 intitulé “Vers un renfor- cement du deuxième pilier de pension”, insérer les articles 73 et 74 rédigés comme suit: “Art. 73. L’article 9 de la loi du 28 avril 2003 relative aux pensions complémentaires et au régime fiscal de celles-ci et de certains avantages complémentaires en matière de sécurité sociale est remplacé par ce qui suit: “Art. 9. § 1er. Tout employeur organise un régime de pension pour l’ensemble des travailleurs au niveau de l’entreprise, qui doit, à moins que le présent Titre n’en dispose autrement, suivre les règles qui valent pour les régimes de pension d’entreprise. Lors de l’instauration de ce régime, il peut être tenu compte du régime de pension existant déjà au niveau de l’entreprise. Lorsque le régime de pension est de type contribu- tions définies, les versements ne peuvent pas être infé- rieurs à 2 pour cent du salaire brut. Lorsque le régime de pension est de type prestations définies, les réserves acquises ne peuvent être, à aucun moment, inférieures à celles résultant du régime de pension sectoriel. L’employeur soumet, sans préjudice de l’application des procédures visées aux articles 7 et 11, cette déci- sion ainsi que le projet du règlement de pension et le choix de l’organisme de pension pour avis préalable au conseil d’entreprise ou, à défaut, au comité pour la prévention et la protection au travail ou, à défaut, à la délégation syndicale. À défaut de délégation syndicale, les travailleurs sont informés préalablement par voie d’affichage. L’employeur communique le règlement de pension à la personne morale visée à l’article 3, § 1er, 5°, a), avant que le régime de pension ne soit d’application.”. Art. 74. L’article 3 de la loi du 18 février 2018 por- tant des dispositions diverses en matière de pensions 9 3808/002 DOC 55 C H A M B R E 6 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2023 2024 K A M E R • 6 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E pensioenen en tot instelling van een aanvullend pensi- oen voor de zelfstandigen actief als natuurlijk persoon, voor de meewerkende echtgenoten en voor de zelfstan- dige helpers wordt vervangen als volgt: “Art. 3. § 1. Met het oog op de opbouw van een aanvullend pensioen sluit een zelfstandige actief als natuurlijke persoon, een meewerkende echtgenoot of een helper een pensioenovereenkomst af bij een pensioeninstelling. § 2. Onverminderd de vermeldingen die er krachtens andere wettelijke of regelgevende bepalingen in moeten worden opgenomen, moet de pensioenovereenkomst de pensioenleeftijd vastleggen. De door de pensioenovereenkomst bepaalde pensi- oenleeftijd kan niet lager zijn dan de op het ogenblik van de afsluiting in voege zijnde wettelijke pensioenleeftijd. § 3. De tekst van de pensioenovereenkomst wordt aan de aangeslotene verstrekt.”” VERANTWOORDING Verschillende wetenschappelijke onderzoeken tonen aan dat zowel een wettelijk, als een aanvullend pensioen cruciaal zijn. Naast een maandelijks bedrag via het rustpensioen, is het belangrijk dat onze ouderen kunnen beschikken over een zeker kapitaal. Dit om grote kosten te dekken zoals aanpas- singen in het huis ten gevolge van verminderde mobiliteit, een nieuwe auto en dergelijke. De bedragen die momenteel werden “gespaard” via een aanvullend pensioen zijn voor velen ontoereikend. Voor de helft van de personen ligt dit bedrag lager of gelijk aan 10.115 euro. Wij pleiten voor een aanvullend pensioen voor iedereen met een maandelijkse bijdrage van minstens 2 procent van het brutoloon. Ellen Samyn (VB) Hans Verreyt (VB) complémentaires et instaurant une pension complé- mentaire pour les travailleurs indépendants personnes physiques, pour les conjoints aidants et pour les aidants indépendants est remplacé par ce qui suit: “Art. 3. § 1er. En vue de la constitution d’une pen- sion complémentaire, un travailleur indépendant en personne physique, un conjoint aidant ou un aidant souscrit une convention de pension auprès d’un orga- nisme de pension. §  2. Sans préjudice des mentions qui doivent y figurer en vertu d’autres dispositions légales ou régle- mentaires, la convention de pension doit préciser l’âge de retraite. L’âge de retraite prévu par la convention de pension ne peut être inférieur à l’âge légal de la pension en vigueur au moment de la souscription. § 3. Le texte de la convention de pension est com- muniqué à l’affilié.”” JUSTIFICATION Plusieurs études scientifiques révèlent qu’il est crucial de bénéficier tant d’une pension légale que d’une pension complémentaire. Outre un montant mensuel provenant de la pension de retraite, il importe que nos aînés puissent disposer d’un certain capital afin de couvrir des frais importants, par exemple des aménagements dans leur habitation en raison d’une mobilité réduite, une nouvelle voiture, etc. Pour nombre d’entre eux, les montants actuellement “épargnés” au travers d’une pension complémentaire sont insuffisants. Pour la moi- tié, ce montant est inférieur ou égal à 10.115 euros. Nous préconisons une pension complémentaire pour tous alimentée par un montant mensuel d’au moins 2 pour cent du salaire brut. 3808/002 DOC 55 10 C H A M B R E 6 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2023 2024 K A M E R • 6 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E  Nr. 6 van mevrouw Samyn en de heer Verreyt Art. 75 (nieuw) Onder een nieuwe titel 10 “Titel 10. Invoering van de pensioensplit”, een artikel 75 invoegen, luidende: “Art. 75. In het koninklijk besluit nr.  50 van 24 oktober 1967 betreffende het rust- en overlevings- pensioen voor werknemers wordt in een nieuw hoofd- stuk IIbis “Hoofdstuk IIbis Invoering van een pensioen- split” een artikel 15ter ingevoegd, luidende: “Art. 15ter. Wanneer één partner de zorg op zich neemt voor de kinderen of het huishouden en dus niet of slechts deeltijds werkt, tellen de pensioenrechten die opgebouwd worden door de wettelijk samenwonende of gehuwde partner, ook mee voor de pensioenrechten van de persoon in kwestie.”” VERANTWOORDING Wanneer één partner de zorg op zich neemt voor de kinde- ren of het huishouden en dus niet of slechts deeltijds werkt, vertaalt zich dat in geen of een lager pensioen. Dat is bijzonder pijnlijk bij een scheiding of overlijden van de werkende partner, die mede dankzij de inspanningen van de andere partner vaak een snellere carrière en een hoger pensioen heeft. Daarom is het billijk dat de werkende partner pensioenuren overdraagt naar de partner die onbetaalde zorgtaken op zich neemt. Wij zijn voorstander van de overdraagbaarheid van pensioenrechten tussen partners (pensioensplit). Ellen Samyn (VB) Hans Verreyt (VB)  N° 6 de Mme Samyn et M. Verreyt Art. 75 (nouveau) Sous un nouveau Titre 10 intitulé “Introduction du partage des droits en matière de pension”, insérer un article 75 rédigé comme suit: “Art. 75. Dans l’arrêté royal n° 50 du 24 octobre 1967 relatif à la pension de retraite et de survie des travail- leurs salariés, dans un nouveau chapitre IIbis, intitulé “Introduction d’un partage des droits en matière de pension”, il est inséré un article 15ter rédigé comme suit: “Art. 15ter. Lorsque l’un des partenaires s’occupe des enfants ou du ménage et qu’il ne travaille dès lors pas ou qu’à temps partiel, les droits en matière de pension constitués par le cohabitant légal ou par le partenaire marié sont également pris en compte pour le calcul des droits en matière de pension de la personne concernée.”.” JUSTIFICATION Lorsque l’un des partenaires s’occupe des enfants ou du ménage et qu’il ne travaille dès lors pas ou qu’à temps partiel, il n’a pas droit à une pension ou celle-ci est d’un montant moindre. C’est particulièrement douloureux en cas de divorce ou de décès du partenaire actif, qui a souvent pu développer une carrière plus rapide et une pension plus élevée en partie grâce aux efforts consentis par l’autre partenaire. Il est dès lors raisonnable de permettre au partenaire actif de transférer des heures de pension au partenaire assumant des tâches de soin non rémunérées. Nous sommes favorables à la por- tabilité des droits en matière de pension entre les partenaires (partage des droits en matière de pension). Imprimerie centrale – Centrale drukkerij

Vragen over dit document?

Stel uw vragen aan onze juridische AI-assistent

Open chatbot