Document 55K3808/007

🏛️ KAMER Legislatuur 55 📁 3808 Other 🌐 NL

Inhoud

19 maart 2024 19 mars 2024 3808/007 DOC 55 3808/007 DOC 55 11692 C H A M B R E 6 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2023 2024 K A M E R • 6 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E Chambre des représentants de Belgique Belgische Kamer van volksvertegenwoordigers Amendementen Advies van de Raad van State nr. 75.424/4 van 18 maart 2024 Amendements Avis du Conseil d’État n° 75.424/4 du 18 mars 2024 Voir: Doc 55 3808/ (2023/2024): 001: Projet de loi. 002 à 004: Amendements. 005: Rapport de la première lecture. 006: Articles adoptés en première lecture. Zie: Doc 55 3808/ (2023/2024): 001: Wetsontwerp. 002 tot 004: Amendementen. 005: Verslag van de eerste lezing. 006: Artikelen aangenomen in eerste lezing. houdende de hervorming van de pensioenen portant la réforme des pensions PROJET DE LOI WETSONTWERP 3808/007 DOC 55 2 C H A M B R E 6 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2023 2024 K A M E R • 6 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E Nr. 25 van de regering Art. 51 Dit artikel vervangen als volgt: “Art. 51. In artikel  20, derde lid, van de wet van 24 oktober 2011 tot vrijwaring van een duurzame fi- nanciering van de pensioenen van de vastbenoemde personeelsleden van de provinciale en plaatselijke overheidsdiensten en van de lokale politiezones, tot wijziging van de wet van 6 mei 2002 tot oprichting van het fonds voor de pensioenen van de geïntegreerde po- litie en houdende bijzondere bepalingen inzake sociale zekerheid en houdende diverse wijzigingsbepalingen, gewijzigd bij de wet van 30 maart 2018, worden de volgende wijzigingen aangebracht: 1° in de eerste zin worden de woorden “50 percent van de kost” vervangen door de woorden “een deel van de kost”; 2° de tweede zin wordt vervangen als volgt: “Het procentueel deel van de kosten voor de werk- gever van het pensioenstelsel dat in mindering wordt gebracht van de responsabiliseringsbijdrage wordt zodanig vastgesteld dat het totale maximumbedrag van de verminderingen gelijk is aan het totale bedrag van de verhogingen van de responsabiliseringsbijdrage die op grond van het vijfde lid kunnen worden toegepast, zonder evenwel hoger te kunnen zijn dan 50 %.”” VERANTWOORDING Dit amendement moet ervoor zorgen dat, zonder nieuwe tussenkomst van de federale overheid, de verminderingen, ingevoegd bij artikel 51 van het ontwerp, worden beperkt tot het totale bedrag van de verhogingen van de responsabilise‑ ringsbijdrage die kunnen worden toegepast. Immers, indien het bedrag van de vermindering vanaf 2024 niet wordt beperkt, zou dit in 2025 leiden tot een tekort van bijna 87 miljoen euro op het niveau van het Gesolidariseerd pensioenfonds, dat de volgende jaren nog verder zou oplopen tot bijna 94 miljoen euro in 2026 en bijna 99 miljoen euro in 2027 (berekening van de responsabiliseringsbijdrage voor N° 25 du gouvernement Art. 51 Remplacer cet article par ce qui suit: “Art. 51. Dans l’article  20, alinéa  3, de la loi du 24 octobre 2011 assurant un financement pérenne des pensions des membres du personnel nommé à titre défi- nitif des administrations provinciales et locales et des zones de police locale et modifiant la loi du 6 mai 2002 portant création du fonds des pensions de la police inté- grée et portant des dispositions particulières en matière de sécurité sociale et contenant diverses dispositions modificatives, modifié par la loi du 30 mars 2018, les modifications suivantes sont apportées: 1° dans la première phrase, les mots “50 pourcent du coût” sont remplacés par les mots “une partie du coût”; 2° la deuxième phrase est remplacée par ce qui suit: “La partie procentuelle du coût pour l’employeur du régime de pension qui peut être déduite de la cotisa- tion de responsabilisation est fixée de telle sorte que le montant total des déductions soit égal au montant maximal total des majorations de la cotisation de res- ponsabilisation qui peuvent être appliquées sur base de l’alinéa 5, sans pouvoir être supérieur à 50 %.”” JUSTIFICATION L’amendement vise à assurer que, sans nouvelle inter‑ vention de l’autorité fédéral, les déductions, instaurées par l’article 51 du projet, seront limitées au montant total des majorations de la cotisation de responsabilisation qui peuvent être appliquées. En effet, si le montant de la déduction n’est pas limitée à partir de 2024, cela résulterait en 2025 en un déficit de presque 87 millions d’euros au niveau du Fonds de pension solidarisé, qui augmente à presque 94 millions d’euros en 2026 et à presque 99 millions d’euros en 2027 (calcul de la cotisation de responsabilisation pour respectivement les 3 3808/007 DOC 55 C H A M B R E 6 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2023 2024 K A M E R • 6 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E respectievelijk de jaren 2025 en 2026). Het is belangrijk om ervoor te zorgen dat als deze recurrente tekorten niet worden opgevangen door de federale overheid in de toekomst, de inhoudingen worden beperkt om tekorten te voorkomen en aldus de betaling van pensioenen te garanderen Artikel 20, derde lid, van de wet van 24 oktober 2011 tot vrijwaring van een duurzame financiering van de pensioenen van de vastbenoemde personeelsleden van de provinciale en plaatselijke overheidsdiensten en van de lokale politiezones, tot wijziging van de wet van 6 mei 2002 tot oprichting van het fonds voor de pensioenen van de geïntegreerde politie en houdende bijzondere bepalingen inzake sociale zekerheid en houdende diverse wijzigingsbepalingen, bepaalt vooreerst dat 50 % van de door de werkgever gemaakte kosten voor het financieren van het aanvullende pensioen van zijn con‑ tractuele personeelsleden in mindering wordt gebracht van de responsabiliseringsbijdrage. Artikel 51 wijzigt artikel 20, derde lid, opdat vanaf het jaar 2024 (berekening vanaf 2025) de hoogte van de kortingen op de responsabiliseringsbijdrage een lager percentage dan 50 % van de kosten van de aanvullende pensioenregeling zou kunnen bedragen. Het percentage van de kosten van de aanvullende pensi‑ oenregeling dat in mindering wordt gebracht van de respon‑ sabiliseringsbijdrage wordt vanaf 2024 zodanig vastgesteld dat het totale bedrag van de verminderingen gelijk is aan het totale maximumbedrag van de verhogingen van de responsa‑ biliseringsbijdrage. Dit zal ertoe leiden dat de verminderingen geen tekorten meer doen ontstaan op het niveau van het Gesolidariseerd pensioenfonds. De minister van Pensioenen, Karine Lalieux années 2026 et 2027). Il convient de veiller que si ces défi‑ cits récurrents ne sont pas couverts à l’avenir par l’autorité fédéral, les déductions soient limitées pour éviter tout déficit et garantir ainsi le paiement des pensions. L’article 20, alinéa 3, de la loi du 24 octobre 2011 assurant un financement pérenne des pensions des membres du per‑ sonnel nommé à titre définitif des administrations provinciales et locales et des zones de police locale et modifiant la loi du 6 mai 2002 portant création du fonds des pensions de la police intégrée et portant des dispositions particulières en matière de sécurité sociale et contenant diverses dispositions modi‑ ficatives, dispose en premier lieu que 50 % du coût exposé par l’employeur pour financer la pension complémentaire de son personnel contractuel est déduit de la cotisation de responsabilisation. L’article 51 modifie l’article 20, alinéa 3, de sorte que, à partir de l’année 2024 (calcul à partir de 2025), le montant des déductions de la cotisation de responsabilisation pour‑ rait s’élever à un pourcentage inférieur à 50 % des coûts du régime de pension complémentaire. À partir de 2024, le pourcentage du coût du régime de pension complémentaire qui peut être déduit de la cotisation de responsabilisation est fixé de manière à ce que le montant total des déductions soit égal au montant maximal total des majorations de la cotisation de responsabilisation. Cela aura comme conséquence que les déductions ne créent plus de déficits au niveau du Fonds de pension solidarisé. La ministre des Pensions, Karine Lalieux 3808/007 DOC 55 4 C H A M B R E 6 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2023 2024 K A M E R • 6 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E ADVIES VAN DE RAAD VAN STATE NR. 75.424/4 VAN 18 MAART 2024 Op 22 januari 2024 is de Raad van State, afdeling Wetgeving, door de minister van Pensioenen en Maatschappelijke Integratie, belast met Personen met een handicap, Armoedebestrijding en Beliris verzocht binnen een termijn van dertig dagen een advies te verstrekken over een amendement bij een wetsont‑ werp van wet ‘houdende hervorming van pensioenen’. Het amendement is door de vierde kamer onderzocht op 18 maart 2024. De kamer was samengesteld uit Bernard Blero, kamervoorzitter, Luc Cambier en Géraldine Rosoux, staats‑ raden, Sébastien Van Drooghenbroeck, assessor, en Anne‑Catherine Van Geersdaele, griffier. Het verslag is uitgebracht door Stéphane Tellier, eerste auditeur. De overeenstemming tussen de Franse en de Nederlandse tekst van het advies is nagezien onder toezicht van Bernard Blero. Het advies, waarvan de tekst hierna volgt, is gegeven op 18 maart 2024. * Aangezien de adviesaanvraag is ingediend op basis van artikel 84, § 1, eerste lid, 2°, van de wetten ‘op de Raad van State’, gecoördineerd op 12 januari 1973, beperkt de afdeling Wetgeving overeenkomstig artikel 84, § 3, van de voornoemde gecoördineerde wetten haar onderzoek tot de rechtsgrond van het amendement, 1‡‡ de bevoegdheid van de steller van de handeling en de te vervullen voorafgaande vormvereisten. Wat die drie punten betreft, geeft het amendement aanlei‑ ding tot de volgende opmerkingen. Onderzoek van het amendement 1. Artikel 20, derde lid, eerste zin, van de wet van 24 ok‑ tober 2011 ‘tot vrijwaring van een duurzame financiering van de pensioenen van de vastbenoemde personeelsleden van de provinciale en plaatselijke overheidsdiensten en van de lokale politiezones, tot wijziging van de wet van 6 mei 2002 tot oprichting van het fonds voor de pensioenen van de geïn‑ tegreerde politie en houdende bijzondere bepalingen inzake sociale zekerheid en houdende diverse wijzigingsbepalingen’ bepaalt dat 50 % van de kosten die de werkgever draagt om het aanvullend pensioen van zijn contractueel personeel te financieren, wordt afgetrokken van de responsabiliseringsbij‑ drage die bestemd is om het Gesolidariseerd pensioenfonds van de provinciale en plaatselijke besturen te stijven. ‡ 1 Aangezien het om een amendement op een ontwerp van wet gaat, wordt onder “rechtsgrond” de overeenstemming met de hogere rechtsnormen verstaan. AVIS DU CONSEIL D’ÉTAT N° 75.424/4 DU 18 MARS 2024 Le 22 janvier 2024, le Conseil d’État, section de législation, a été invité par la ministre des Pensions et de l’Intégration sociale, chargée des Personnes handicapées, de la Lutte contre la pauvreté et de Beliris à communiquer un avis dans un délai de trente jours, sur un amendement à l’avant-projet de loi ‘portant réforme des pensions’. L’amendement a été examiné par la quatrième chambre le 18 mars 2024. La chambre était composée de Bernard Blero, président de chambre, Luc Cambier et Géraldine Rosoux, conseillers d’État, Sébastien Van Drooghenbroeck, assesseur, et Anne‑Catherine Van Geersdaele, greffier. Le rapport a été présenté par Stéphane Tellier, premier auditeur. La concordance entre la version française et la version néerlandaise a été vérifiée sous le contrôle de Bernard Blero. L’avis, dont le texte suit, a été donné le 18 mars 2024. * Comme la demande d’avis est introduite sur la base de l’article 84, § 1er, alinéa 1er, 2°, des lois ‘sur le Conseil d’État’, coordonnées le 12 janvier 1973, la section de législation limite son examen au fondement juridique de l’amendement 1‡‡ , à la compétence de l’auteur de l’acte ainsi qu’à l’accomplissement des formalités préalables, conformément à l’article 84, § 3, des lois coordonnées précitées. Sur ces trois points, l’amendement appelle les observa‑ tions suivantes. Examen de l’amendement 1. L’article 20, alinéa 3, première phrase, de la loi du 24 oc‑ tobre 2011 ‘assurant un financement pérenne des pensions des membres du personnel nommé des administrations pro‑ vinciales et locales et des zones de police locale, modifiant la loi du 6 mai 2002 portant création du fonds des pensions de la police intégrée et portant des dispositions particulières en matière de sécurité sociale et contenant diverses dispositions modificatives’ prévoit que 50 % du cout exposé par l’employeur pour financer la pension complémentaire de son personnel contractuel est déduit de la cotisation de responsabilisation, destinée à alimenter le Fonds de pension solidarisé des administrations provinciales et locales. ‡ 1 S’agissant d’un amendement à un projet de loi, on entend par “fondement juridique” la conformité aux normes supérieures. 5 3808/007 DOC 55 C H A M B R E 6 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2023 2024 K A M E R • 6 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E In de thans geldende versie van artikel 20, derde lid, laatste zin, van dezelfde wet wordt het volgende bepaald: “Met respect voor het financieel evenwicht van het Gesolidariseerd Pensioenfonds van de provinciale en plaat‑ selijke besturen, mag de Koning bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad het percentage van de kosten voor de werkgever dat in mindering gebracht mag worden, naar boven aanpassen zonder dat dit percentage lager dan 50 % mag zijn.” Het voorliggende amendement wijzigt artikel 20, derde lid, van de wet van 24 oktober 2011 als volgt: 1° Luidens de eerste zin wordt niet langer “50 percent” maar wel “een deel” van de kosten die de werkgever maakt om het aanvullend pensioen van zijn contractueel personeel te financieren, in mindering gebracht. 2° De laatste zin wordt gewijzigd als volgt: “Het procentueel deel van de kost voor de werkgever van het pensioenstelsel dat in mindering gebracht wordt van de responsabiliseringsbijdrage wordt zodanig vastgesteld dat het totale maximumbedrag van de verminderingen gelijk is aan het totale bedrag van de verhogingen van de responsabilise‑ ringsbijdrage die op grond van het vijfde lid kunnen worden toegepast, zonder evenwel hoger te kunnen zijn dan 50 %.” 2. Er wordt akte van genomen dat, door de beoogde wijzi‑ ging van de laatste zin van artikel 20, derde lid, de Koning er niet langer toe wordt gemachtigd “het percentage van de kost voor de werkgever dat in mindering gebracht mag worden” hetzij naar boven hetzij naar onderen aan te passen zoals was voorzien in artikel 51 van het voorontwerp van wet “houdende de hervorming van de pensioenen”, dat het voorwerp uitmaakt van het voorliggende amendement. 21 3. Op die manier zal de regel vervat in artikel 20, derde lid, zoals gewijzigd bij het amendement, het omgekeerde bepalen van wat momenteel in die bepaling wordt voorzien: terwijl het huidige artikel 20, derde lid, bepaalt dat de Koning het percentage van de kosten voor de werkgever dat in min‑ dering mag worden gebracht, naar boven mag aanpassen zonder dat dit percentage lager dan 50 % mag zijn, bepaalt de beoogde wijziging dat dat percentage niet “hoger [zal] kunnen zijn dan 50 %”. 1 2 De gemachtigde van de minister bevestigt dat en voegt eraan toe: “Ik kan u bevestigen dat ingevolge het voorgestelde amendement de Koning niet langer gemachtigd zal zijn om het percentage te wijzigen van de kostenprijs van de tweede pensioenpijler dat in mindering mag worden gebracht van de responsabiliseringsbijdrage. Dit percentage zal automatisch worden berekend in functie van het maximale bedrag van de verhogingen van de responsabiliseringsbijdrage die kunnen worden toegepast.” Dans sa version actuellement en vigueur, l’article 20, ali‑ néa 3, dernière phrase, de la même loi prévoit que “[d]ans le respect de l’équilibre financier du Fonds de pension solidarisé des administrations provinciales et locales, le Roi, par arrêté délibéré en Conseil des ministres, peut modifier à la hausse le pourcentage du cout pour l’employeur qui peut être déduit sans que ce pourcentage puisse être inférieur à 50 %”. L’amendement examiné modifie l’article 20, alinéa 3, de la loi du 24 octobre 2011, de la manière suivante: 1° dans la première phrase, ce n’est plus “50 % du cout” exposé par l’employeur pour financer la pension complémen‑ taire de son personnel contractuel qui est déduit mais “une partie du cout”; 2° La dernière phrase est modifiée comme suit: “La partie procentuelle du cout pour l’employeur du régime de pension qui peut être déduit de la cotisation de responsabi‑ lisation est fixée de telle sorte que le montant total des déduc‑ tions soit égal au montant maximal total des majorations de la cotisation de responsabilisation qui peuvent être appliquées sur base de l’alinéa 5, sans pouvoir être supérieur à 50 %”. 2. Il est pris acte de ce que, par la modification envisagée de la dernière phrase de l’article 20, alinéa 3, plus aucune habilitation au Roi n’est prévue, lui permettant de “modifier le pourcentage du cout pour l’employeur qui peut être déduit”, que ce soit à la baisse où à la hausse, comme l’envisageait l’article 51 de l’avant‑projet de loi “portant réforme des pen‑ sions”, qui fait l’objet de l’amendement examiné 21. 3. Ce faisant, la règle posée par l’article 20, alinéa 3, tel que modifié par l’amendement, revient à prévoir l’inverse de ce qui est actuellement prévu dans cette disposition: si l’article 20, alinéa 3, actuel dispose que le Roi peut modifier à la hausse le pourcentage du cout pour l’employeur qui peut être déduit sans que ce pourcentage puisse être inférieur à 50 %, la modification envisagée prévoit que ce pourcentage ne pourra pas “être supérieur à 50 %”. 1 2 Le délégué de la ministre le confirme en ajoutant: “Ik kan u bevestigen dat ingevolge het voorgestelde amendement de Koning niet langer gemachtigd zal zijn om het percentage te wijzigen van de kostprijs van de tweede pensioenpijler dat in mindering mag worden gebracht van de responsabiliseringsbijdrage. Dit percentage zal automatisch worden berekend in functie van het maximale bedrag van de verhogingen van de responsabiliseringsbijdrage die kunnen worden toegepast”. 3808/007 DOC 55 6 C H A M B R E 6 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2023 2024 K A M E R • 6 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E De gemachtigde van de minister heeft, ten aanzien van het beginsel van het gewettigd vertrouwen, 32 het volgende aangegeven aangaande die wetgevende evolutie, die im‑ pliceert dat de provinciale en plaatselijke overheidsdiensten alsook de politiezones die een tweede pensioenpijler voor hun contractuele medewerkers hebben gefinancierd zodat ze een vermindering genieten van 50 % van hun responsabili‑ seringsbijdrage voor de financiering van het Gesolidariseerd pensioenfonds, minder korting zullen krijgen: “Desbetreffend gedeelte van de oorspronkelijke tekst van artikel 20, derde lid is niet coherent: er wordt immers gesteld dat het in de wet ingeschreven percentage van 50 % door de Koning kan worden verhoogd zonder dat dit percentage lager dan 50 % kan zijn. Het spreekt nochtans voor zich dat, indien het percentage van 50 % zou worden opgetrokken, het verkregen nieuwe percentage per definitie hoger is dan en dus niet lager kan zijn dan 50 %. De reden dat het percentage redelijkerwijze niet hoger zou kunnen zijn dan 50 % is dat de vermindering wordt toegekend als stimulans aan het provinciaal of plaatselijk bestuur om een tweede pensioenpijler in te stellen ten gunste van zijn contractuele personeelsleden. Logischerwijze mag worden aangenomen dat het bestuur zelf minstens de helft van de kostenprijs van de aanvullende pensioenregeling van zijn eigen personeelsleden draagt. Bovendien was het bij de invoering van het systeem van de vermindering van de responsabiliseringsbijdrage van meet af aan duidelijk dat, aangezien dit geconcipieerd was als een tijdelijke stimulans om de tweede pensioenpijler onder het con‑ tractueel personeel van de lokale besturen te veralgemenen, het systeem op termijn afgebouwd of stopgezet zou worden – d.w.z. dat het percentage van de toegekende vermindering lager zou worden of zelfs tot 0 herleid zou worden – naarmate deze doelstelling grotendeels of zelfs volledig bereikt wordt. De op grond van het amendement voorgestelde wijziging van artikel 20, derde lid maakt de aldus beoogde evolutie mogelijk. Zoals vermeld in de verantwoording bij het amendement, zullen, indien het percentage van 50 % niet (substantieel) wordt verlaagd, ook voor de jaren 2024 en volgende (berekening in 2025 en volgende) tekorten worden gecreëerd op het niveau van het Gesolidariseerd pensioenfonds.” 4.1. In tegenstelling tot het bepaalde in artikel 51 van het voorontwerp van wet “houdende de hervorming van de pen‑ sioenen”, waarover de afdeling Wetgeving op 22 december 2023 advies 74.718/VR heeft gegeven, 43 wordt in de tekst van het voorliggende amendement enerzijds het in artikel 20, derde lid, vervatte principe van een vermindering voor de werkgever ten belope van 50 % van de kosten opgeg0even, en wordt anderzijds, zoals de gemachtigde van de minister heeft be‑ vestigd, het percentage van die vermindering “automatisch” 2 3 Zoals werd onderstreept in het ongunstige advies dat het Beheerscomité van de pensioenen van de provinciale en lokale besturen op 5 december 2023 over het amendement heeft gegeven. 3 4 Parl.St. Kamer, 2023‑24, nr. 3808/001, 220‑251. Le délégué de la ministre a indiqué ce qui suit, au regard du principe de confiance légitime 32, quant à cette évolution législative qui implique que les administrations provinciales et locales et les zones de police qui ont financé un deuxième pilier de pension pour leurs employés contractuels de manière à bénéficier d’une déduction de 50 % de leur cotisation de responsabilisation pour financer le Fonds de pension solida‑ risé, verront cette déduction se réduire: “Desbetreffend gedeelte van de oorspronkelijke tekst van artikel 20, derde lid is niet coherent: er wordt immers gesteld dat het in de wet ingeschreven percentage van 50 % door de Koning kan worden verhoogd zonder dat dit percentage lager dan 50 % kan zijn. Het spreekt nochtans voor zich dat, indien het percentage van 50 % zou worden opgetrokken, het verkregen nieuwe percentage per definitie hoger is dan en dus niet lager kan zijn dan 50 %. De reden dat het percentage redelijkerwijze niet hoger zou kunnen zijn dan 50 % is dat de vermindering wordt toegekend als stimulans aan het provinciaal of plaatselijk bestuur om een tweede pensioenpijler in te stellen ten gunste van zijn contractuele personeelsleden. Logischerwijze mag worden aangenomen dat het bestuur zelf minstens de helft van de kostprijs van de aanvullende pensioenregeling van zijn eigen personeelsleden draagt. Bovendien was het bij de invoering van het systeem van de vermindering van de responsabiliseringsbijdrage van meet af aan duidelijk dat, aangezien dit geconcipieerd was als een tijdelijke stimulans om de tweede pensioenpijler onder het contractueel personeel van de lokale besturen te veralgemenen, het systeem op termijn afgebouwd of stopgezet zou worden – d.w.z. dat het percentage van de toegekende vermindering lager zou worden of zelfs tot 0 herleid zou worden – naarmate deze doelstelling grotendeels of zelfs volledig bereikt wordt. De op grond van het amendement voorgestelde wijziging van artikel 20, derde lid maakt de aldus beoogde evolutie mogelijk. Zoals vermeld in de verantwoording bij het amendement, zullen, indien het percentage van 50 % niet (substantieel) wordt verlaagd, ook voor de jaren 2024 en volgende (berekening in 2025 en volgende) tekorten worden gecreëerd op het niveau van het Gesolidariseerd pensioenfonds”. 4.1. À la différence de ce que prévoyait l’article 51 de l’avant‑projet de loi “portant réforme des pensions”, au sujet duquel la section de législation a donné le 22 décembre 2023 l’avis 74.718/VR 43, le texte du présent amendement, d’une part, supprime le principe, contenu dans l’article 20, alinéa 3, d’une déduction pour l’employeur à concurrence de 50 % du cout et, d’autre part, détermine de manière “automatique”, ainsi que l’a confirmé le délégué de la ministre, le pourcentage de cette déduction en référence au “montant maximal total des 2 3 Tel que souligné dans l’avis négatif du Comité de gestion Pensions des Administrations provinciales et locales du 5 décembre 2023 sur l’amendement. 3 4 Doc. parl., Chambre, 2023‑2024, n° 3808/001, pp. 220‑251. 7 3808/007 DOC 55 C H A M B R E 6 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2023 2024 K A M E R • 6 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E vastgesteld op het “totale bedrag van de verhogingen van de responsabiliseringsbijdrage die op grond van het vijfde lid kunnen worden toegepast”. Door die maatregel zal de berekeningswijze van de ver‑ mindering bedoeld in artikel 20, derde lid, van de wet van 24 oktober 2011, bijgevolg wijzigen zodra de ontworpen bepaling in werking treedt. 4.2. Het Grondwettelijk Hof heeft het volgende geoordeeld: “Het vertrouwensbeginsel is nauw verbonden met het rechtszekerheidsbeginsel, dat de wetgever verbiedt om zon‑ der objectieve en redelijke verantwoording afbreuk te doen aan het belang van de rechtssubjecten om in staat te zijn de rechtsgevolgen van hun handelingen te voorzien.” 54 4.3. Het principe van een vermindering van de responsa‑ biliseringsbijdrage van 50 % van de kosten die de werknemer maakt om het aanvullend pensioen van zijn contractueel personeel te financieren, is ingevoegd bij artikel 12 van de wet van 30 maart 2018 ‘met betrekking tot het niet in aanmer‑ king nemen van diensten gepresteerd als nietvastbenoemd personeelslid voor een pensioen van de overheidssector, tot wijziging van de individuele responsabilisering van de provinciale en lokale overheden binnen het Gesolidariseerde pensioenfonds, tot aanpassing van de reglementering inzake aanvullende pensioenen, tot wijziging van de modaliteiten van de financiering van het Gesolidariseerde pensioenfonds van de provinciale en plaatselijke besturen en tot bijkomende financiering van het Gesolidariseerde pensioenfonds van de provinciale en plaatselijke besturen’. In de parlementaire voorbereiding van die wet staat in dat verband het volgende: “De regering wenst op dit moment de individuele responsa‑ biliseringsbijdrage ingevoerd door de wet van 24 oktober 2011 verder te verfijnen. Zij wenst dat in de individuele responsabi‑ liseringsfactuur rekening gehouden wordt met de gemaakte kosten voor de opbouw van een aanvullend pensioen ten gunste van de contractuele personeelsleden door de werkge‑ vers van de publieke sector die geresponsabiliseerd zijn. Er moet inderdaad rekening kunnen gehouden worden met de zo door deze werkgevers van de publieke sector geleverde financiële inspanning hoewel ze al verder een eigen wet‑ telijke pensioenlast hebben voor hun voormalige benoemde personeelsleden en hun rechthebbenden wat impliceert dat ze ten individuele titel geresponsabiliseerd zijn. Art. 12 van het ontwerp voorziet dus dat 50 % van de ge‑ maakte kosten door de werkgever voor het financieren van het aanvullende pensioen van zijn contractuele personeelsleden tijdens het beschouwde kalenderjaar wordt in mindering ge‑ bracht van de individuele responsabiliseringsfactuur. Deze vermindering mag niet tot ge volg hebben dat een bedrag moet worden terugbetaald aan de betrokken werkgever van de publieke sector. De vermindering mag enkel gebeuren bin‑ nen de limieten van de individuele responsabiliseringsfactuur. 4 5 GwH 6 februari 2020, nr. 13/2020, B.5.1. majorations de la cotisation de responsabilisation qui peuvent être appliquées sur base de l’alinéa 5”. Cette mesure modifiera par conséquent, dès l’entrée en vigueur de la disposition en projet, le mode de calcul de la déduction visée à l’article 20, alinéa 3, de la loi du 24 octobre 2011. 4.2. Ainsi que la Cour constitutionnelle le juge, “Le principe de la confiance est étroitement lié au principe de la sécurité juridique, qui interdit au législateur de porter atteinte, sans justification objective et raisonnable, à l’intérêt que possèdent les sujets de droit d’être en mesure de prévoir les conséquences juridiques de leurs actes” 54. 4.3. Le principe d’une déduction de la cotisation de res‑ ponsabilisation d’un pourcentage de 50 % du cout exposé par l’employeur pour financer la pension complémentaire de son personnel contractuel a été inséré par l’article 12 de la loi du 30 mars 2018 ‘relative à la non prise en considération de services en tant que personnel non nommé à titre définitif dans une pension du secteur public, modifiant la respon‑ sabilisation individuelle des administrations provinciales et locales au sein du Fonds de pension solidarisé, adaptant la règlementation des pensions complémentaires, modifiant les modalités de financement du Fonds de pension solida‑ risé des administrations provinciales et locales et portant un financement supplémentaire du Fonds de pension solidarisé des administrations provinciales et locales’. Les travaux préparatoires de cette loi exposent à ce sujet: “Le gouvernement souhaite à présent affiner davantage la responsabilisation individuelle introduite par la loi du 24 octobre 2011. Il souhaite que, dans la facture de responsabilisation individuelle, il soit tenu compte du coût exposé pour la consti‑ tution d’une pension complémentaire au profit du personnel contractuel par les employeurs publics responsabilisés. Il faut en effet pouvoir tenir compte de l’effort financier ainsi fourni par ces employeurs publics alors même qu’ils ont par ailleurs une charge propre de pension légale pour leurs anciens membres du personnel nommé et leurs ayants droit qui implique qu’ils sont responsabilisés à titre individuel. L’article 12 du projet prévoit donc que 50 % du cout exposé par l’employeur pour financer la pension complémentaire de son personnel contractuel au cours de l’année civile considé‑ rée est déduit de la facture de responsabilisation individuelle. Cette déduction ne peut avoir pour effet qu’un montant doive être remboursé à l’employeur public concerné. La déduction ne peut intervenir que dans les limites de la facture de res‑ ponsabilisation individuelle. 4 5 C.C., 6 février 2020, n° 13/2020, B.5.1. 3808/007 DOC 55 8 C H A M B R E 6 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2023 2024 K A M E R • 6 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E De Koning is gemachtigd bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad het percentage van de kosten van de werkgever van de publieke sector dat in mindering ge‑ bracht mag worden, naar boven aan te pas sen zonder dat dit percentage lager dan 50 % mag zijn. Deze aanpassing naar boven zal echter enkel kunnen gebeuren met respect voor het financieel evenwicht van het Gesolidariseerde Pensioenfonds van de provinciale en plaatselijke besturen.” 65 4.4. Er mag worden aangenomen dat de momenteel geldende vermindering van 50 % van de kosten geen verworven recht kan vormen voor werkgevers die die aanvullende pensioen‑ regeling voor hun contractueel personeel hebben ingevoerd. 4.5. Er dient immers rekening te worden gehouden met de beoordelingsbevoegdheid waarover de wetgever beschikt “met het oog op besparingen inzake rust- en overlevingspensioenen”, 76 maar ook, zoals het Grondwettelijk Hof herhaaldelijk heeft vastgesteld in verband met de responsabiliseringsbijdrage bedoeld in artikel 20 van de wet van 24 oktober 2011, met de noodzaak de financiering van de pensioenen van de vastbe‑ noemde personeelsleden van de lokale besturen veilig te stellen: “(…) het [is] niet zonder verantwoording dat de wetgever heeft getracht de moeilijkheden inzake financiering van de pensioenen die worden teweeggebracht door een verminde‑ ring, door bepaalde werkgevers, van het aantal benoemde personeelsleden en, bijgevolg, van de loonmassa waarop de basispensioenbijdrage wordt berekend, te corrigeren door die werkgevers een gedeelte van de financiële gevolgen van hun keuze inzake de benoeming van hun personeel te laten dragen, door de betaling van een responsabiliseringsbijdrage die het mogelijk maakt de bijkomende pensioenlast die die werkgevers op alle bij het Gesolidariseerde Pensioenfonds aangesloten besturen doen rusten, te compenseren, zij het gedeeltelijk.” 87 4.6. In het licht van wat voorafgaat, hoort de steller van het amendement beter uit te leggen in hoeverre het met het oog op het financiële evenwicht van het Gesolidariseerd pensi‑ oenfonds van de provinciale en plaatselijke overheidsdiensten onontbeerlijk is dat het percentage van de “vermindering” van de kosten van de werkgever vanaf 2024 onmiddellijk, in voorkomend geval substantieel, wordt verlaagd. 5. Ter wille van de rechtszekerheid dient men in het ontwor‑ pen artikel 20, derde lid, tweede zin, ingevoegd bij artikel 51, 2°, van het voorliggende amendement, te schrijven: “zonder evenwel hoger te kunnen zijn dan 50 % van die kosten”. De griffier, Anne‑Catherine Van Geersdaele De voorzitter, Bernard Blero 5 6 Parl.St. Kamer 2017‑18, nr. 2718/001, 19‑20. 6 7 GwH 28 september 2017, nr. 104/2017, B.9. 7 8 GwH 28 oktober 2021, nr. 155/2021, B.3.7. Zie ook GwH 14 januari 2016, nr. 6/2016, B.5.4; GwH 19 juli 2018, nr. 94/2018, B.9.2; GwH 6 februari 2020, nr. 13/2020, B.2.5 en B.10.1. Le Roi, par arrêté délibéré en Conseil des ministres, est habilité à modifier à la hausse le pourcentage du cout pour l’employeur public qui peut être déduit sans que ce pourcentage puisse être inférieur à 50 %. Cette modification à la hausse ne pourra cependant intervenir que dans le respect de l’équilibre financier du Fonds de pension solidarisé des administrations provinciales et locales” 65. 4.4. Il peut être admis que la déduction de 50 % du cout actuellement en vigueur ne peut pas constituer un droit acquis dans le chef des employeurs ayant mis en place ce régime de pension complémentaire pour leur personnel contractuel. 4.5. Il convient en effet de tenir compte du pouvoir d’appré‑ ciation dont dispose le législateur “en vue de réaliser des économies dans le domaine des pensions de retraite et de survie” 76, mais aussi, ainsi que l’a constaté la Cour consti‑ tutionnelle à plusieurs reprises au sujet de la cotisation de responsabilisation visée à l’article 20 de la loi du 24 octobre 2011, de la nécessité d’assurer le financement des pensions des membres du personnel nommé des administrations locales: “[…] il n’est pas injustifié que le législateur ait cherché à corriger les difficultés de financement des pensions entraînées par une réduction, par certains employeurs, du nombre d’agents nommés et, partant, de la masse salariale sur laquelle la coti‑ sation de pension de base est calculée, en faisant supporter à ces employeurs une partie des conséquences financières de leur choix en ce qui concerne la nomination de leur personnel, par le paiement d’une cotisation de responsabilisation qui permet de compenser, fût-ce de manière partielle, la charge de pensions supplémentaire que ces employeurs font peser sur l’ensemble des administrations affiliées au Fonds de pension solidarisé” 87. 4.6. Au regard de ce qui précède, il appartient à l’auteur de l’amendement de mieux expliquer en quoi, à partir de 2024, une diminution immédiate, le cas échéant substantielle, du pourcentage de “déduction” du cout de l’employeur constitue une mesure indispensable pour assurer l’équilibre financier du Fonds de pension solidarisé des administrations provin‑ ciales et locales. 5. Dans un souci de sécurité juridique, à l’article 20, ali‑ néa 3, deuxième phrase, en projet, insérée par l’article 51, 2°, de l’amendement examiné, il y a lieu d’écrire “sans pouvoir être supérieure à 50 % de ce cout”. Le greffier, Anne‑Catherine Van Geersdaele Le président, Bernard Blero 5 6 Doc. parl., Chambre, 2017‑2018, n° 2718/001, pp. 19‑20. 6 7 C.C., 28 septembre 2017, n° 104/2017, B.9. 7 8 C.C., 28 octobre 2021, n° 155/2021, B.3.7. Voir aussi C.C., 14 janvier 2016, n° 6/2016, B.5.4; C.C., 19 juillet 2018, n° 94/2018, B.9.2; C.C., 6 février 2020, n° 13/2020, B.2.5 et B.10.1. 9 3808/007 DOC 55 C H A M B R E 6 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2023 2024 K A M E R • 6 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E Nr. 26 van de heer Colebunders Art. 3 In § 5, tweede lid, de bepaling onder 2° vervangen als volgt: “2° bedoeld in artikel 34, § 1, A., 1° en 34, § 1, A., 4°, van het koninklijk besluit van 21 december 1967 tot vaststelling van het algemeen reglement betreffende het rust- en overlevingspensioen voor werknemers;” VERANTWOORDING Dit amendement voegt onvrijwillige werkloosheid en de perioden van conventioneel brugpensioen, van halftijds brug‑ pensioen en van werkloosheid met bedrijfstoeslag toe aan de gelijkgestelde periodes voor de extra toegangsvoorwaarde tot het minimumpensioen. Mensen die tijdens hun loopbaan pech hebben gehad worden dubbel gestraft bij hun pensioen. Dit amendement zorgt voor een correctie. N° 26 de M. Colebunders Art. 3 Dans le § 5, alinéa 2, remplacer le 2° par ce qui suit: “2° visées aux articles 34, § 1er, A., 1°, et 34, § 1er, A., 4°, de l’arrêté royal du 21décembre 1967 portant règlement général du régime de pension de retraite et de survie des travailleurs salariés;” JUSTIFICATION Le présent amendement ajoute les périodes de chômage involontaire et de prépension conventionnelle, de prépension à mi-temps et de chômage avec complément d’entreprise aux périodes assimilées pour l’application de la condition d’accès supplémentaire à la pension minimum. Les per‑ sonnes frappées par la malchance au cours de leur carrière sont doublement pénalisées à l’âge de la retraite. Le présent amendement tend a y remédier. Gaby Colebunders (PVDA-PTB) 3808/007 DOC 55 10 C H A M B R E 6 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2023 2024 K A M E R • 6 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E  Nr. 27 van de heer Colebunders Art. 3 In § 5, het tweede lid, aanvullen met een bepaling onder 5°, luidende: “5° bedoeld in artikel 34, § 1, H., van het voornoemde koninklijk besluit van 21 december 1967;”. VERANTWOORDING Dit amendement voegt stakingsdagen en lock-outs toe aan de gelijkgestelde perioden voor de extra toegangsvoor‑ waarde tot het minimumpensioen. Het stakingsrecht is een fundamenteel recht. De niet gelijkstelling van stakingsdagen voor de nieuwe toegangsvoorwaarde tot het minimumpensioen van “effectief gewerkte dagen” is onlogisch, aangezien een persoon effec‑ tief tewerkgesteld moet zijn om te kunnen staken. Het uitlaten van een gelijkstelling van stakingsdagen kan dan ook niet anders gezien worden als een aanval op het stakingsrecht.  N° 27 de M. Colebunders Art. 3 Dans le § 5, compléter l’alinéa 2 par un 5°, rédigé comme suit: “5° visées à l’article 34, § 1er, H., de l’arrêté royal précité du 21 décembre 1967;”. JUSTIFICATION Le présent amendement ajoute les jours de grève et de lock-out aux périodes assimilées pour l’application de la condition d’accès supplémentaire à la pension minimum. Le droit de grève est un droit fondamental. Il est illogique que les jours de grève ne soient pas assimi‑ lés à des “jours effectivement prestés” pour l’application de la nouvelle condition d’accès à la pension minimum étant donné qu’une occupation effective est nécessaire pour pouvoir faire grève. La non-assimilation des jours de grève pourrait par conséquent être considérée comme une atteinte pure et simple au droit de grève. Gaby Colebunders (PVDA-PTB) 11 3808/007 DOC 55 C H A M B R E 6 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2023 2024 K A M E R • 6 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E  Nr. 28 van de heer Colebunders Art. 3 In § 5, het tweede lid aanvullen met een bepaling onder 6°, luidende: “6° bedoeld in artikel 34, § 1, B., 1° en 34, § 1, B., 3°, van het voornoemde koninklijk besluit van 21 december 1967.” VERANTWOORDING Dit amendement voegt arbeidsongeschiktheid wegens ziekte, invaliditeit en beroepsziekte toe aan de gelijkge‑ stelde perioden voor de extra toegangsvoorwaarde tot het minimumpensioen. Mensen die tijdens hun loopbaan pech hebben gehad, worden dubbel gestraft bij hun pensioen. De nieuwe toegangs‑ voorwaarde bestraft vrouwen dubbel zo hard dan mannen. Eén van de oorzaken is het niet gelijkstellen van arbeidson‑ geschiktheid. Twee derde van de mensen in invaliditeit door burn-out en depressie zijn vrouwen. Vrouwen zijn ook vaker afwezig dan mannen voor kortere ziekteperiodes. Fysieke klachten eigen aan het lichaam van vrouwen, zoals pijnlijke maandstonden en de overgang; werken in sectoren met zwaar werk zoals de poets- en zorgsector; de dubbele dagtaak en extra zorgtaken. Het eist zijn tol en leidt tot meer ziektedagen en onder het nieuwe stelsel tot minder pensioenopbouw. Dit amendement zorgt voor een kleine correctie.  N° 28 de M. Colebunders Art. 3 Dans le § 5, compléter l’alinéa 2 par un 6°, rédigé comme suit: “6° visées à l’article  34, §  1er, B., 1°, et à l’ar- ticle  34, §  1er, B., 3°, de l’arrêté royal précité du 21 décembre 1967.” JUSTIFICATION Le présent amendement ajoute l’incapacité de travail pour cause de maladie, d’invalidité et de maladie professionnelle aux périodes assimilées pour l’application de la condition d’accès supplémentaire à la pension minimum. Les personnes frappées par la malchance au cours de leur carrière sont doublement pénalisées à l’âge de la retraite. La nouvelle condition d’accès pénalisera les femmes deux fois plus sévèrement que les hommes, entre autres en raison de la non-assimilation de l’incapacité de travail. Deux tiers des personnes en invalidité pour cause de burn-out et de dépression sont des femmes. De plus, les femmes prennent plus souvent des congés de maladie de courte durée que les hommes. Les troubles physiques spécifiques aux femmes ont des conséquences qui les amènent à prendre plus de jours de congé de maladie. Il s’agit par exemple des menstruations douloureuses et de la ménopause, de la pénibilité du travail dans certains secteurs tels ceux du nettoyage et des soins de santé, de la double journée de travail et des tâches familiales supplémentaires. Dans le nouveau régime, leurs droits seront réduits en matière de pension. Le présent amendement tend à y remédier légèrement. Gaby Colebunders (PVDA-PTB) Imprimerie centrale – Centrale drukkerij

Vragen over dit document?

Stel uw vragen aan onze juridische AI-assistent

Open chatbot