Inhoud
29 maart 2024
29 mars 2024
3808/009
DOC 55
3808/009
DOC 55
11847
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2023
2024
K A M E R • 6 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
Chambre des représentants
de Belgique
Belgische Kamer van
volksvertegenwoordigers
Voir:
Doc 55 3808/ (2023/2024):
001:
Projet de loi.
002 à 004: Amendements.
005:
Rapport de la première lecture.
006:
Articles adoptés en première lecture.
007:
Amendements.
008:
Rapport de la deuxième lecture.
Zie:
Doc 55 3808/ (2023/2024):
001:
Wetsontwerp.
002 tot 004: Amendementen.
005:
Verslag van de eerste lezing.
006:
Artikelen aangenomen in eerste lezing.
007:
Amendementen.
008:
Verslag van de tweede lezing.
door de commissie
voor Sociale Zaken, Werk en
Pensioenen
par la commission
des Affaires sociales, de l’Emploi et
des Pensions
en deuxième lecture
in tweede lezing
Tekst aangenomen
Texte adopté
TER VERVANGING VAN HET VROEGER RONDGEDEELDE
STUK
EN REMPLACEMENT DU DOCUMENT DISTRIBUÉ
PRÉCÉDEMMENT
houdende de hervorming van de pensioenen
portant la réforme des pensions
PROJET DE LOI
WETSONTWERP
3808/009
DOC 55
2
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2023
2024
K A M E R • 6 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
N-VA
:
Nieuw-Vlaamse Alliantie
Ecolo-Groen
:
Ecologistes Confédérés pour l’organisation de luttes originales – Groen
PS
:
Parti Socialiste
VB
:
Vlaams Belang
MR
:
Mouvement Réformateur
cd&v
:
Christen-Democratisch en Vlaams
PVDA-PTB
:
Partij van de Arbeid van België – Parti du Travail de Belgique
Open Vld
:
Open Vlaamse liberalen en democraten
Vooruit
:
Vooruit
Les Engagés
:
Les Engagés
DéFI
:
Démocrate Fédéraliste Indépendant
INDEP-ONAFH :
Indépendant - Onafhankelijk
Abréviations dans la numérotation des publications:
Afkorting bij de nummering van de publicaties:
DOC 55 0000/000 Document de la 55e législature, suivi du numéro de base
et numéro de suivi
DOC 55 0000/000 Parlementair document van de 55e zittingsperiode +
basisnummer en volgnummer
QRVA
Questions et Réponses écrites
QRVA
Schriftelijke Vragen en Antwoorden
CRIV
Version provisoire du Compte Rendu Intégral
CRIV
Voorlopige versie van het Integraal Verslag
CRABV
Compte Rendu Analytique
CRABV
Beknopt Verslag
CRIV
Compte Rendu Intégral, avec, à gauche, le compte rendu
intégral et, à droite, le compte rendu analytique traduit
des interventions (avec les annexes)
CRIV
Integraal Verslag, met links het definitieve integraal
verslag en rechts het vertaalde beknopt verslag van
de toespraken (met de bijlagen)
PLEN
Séance plénière
PLEN
Plenum
COM
Réunion de commission
COM
Commissievergadering
MOT
Motions déposées en conclusion d’interpellations (papier
beige)
MOT
Moties tot besluit van interpellaties (beigekleurig
papier)
3
3808/009
DOC 55
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2023
2024
K A M E R • 6 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
TITEL 1
Algemene bepaling
Artikel 1
Deze wet regelt een aangelegenheid bedoeld in
artikel 74 van de Grondwet.
TITEL 2
Het minimumpensioen
HOOFDSTUK 1
Het gewaarborgd minimumpensioen
in de werknemersregeling
Afdeling 1
Definities
Art. 2
Voor de toepassing van dit hoofdstuk, wordt er ver-
staan onder:
1° “het koninklijk besluit nr. 50”: het koninklijk be-
sluit nr. 50 van 24 oktober 1967 betreffende het rust- en
overlevingspensioen voor werknemers;
2° “het koninklijk besluit nr. 72”: het koninklijk be-
sluit nr. 72 van 10 november 1967 betreffende het rust- en
overlevingspensioen der zelfstandigen;
3° “het koninklijk besluit van 23 december 1996”: het
koninklijk besluit van 23 december 1996 tot uitvoering van
de artikelen 15, 16 en 17 van de wet van 26 juli 1996 tot
modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring
van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenen;
4° “het koninklijk besluit van 21 december 1967”: het
koninklijk besluit van 21 december 1967 tot vaststelling
van het algemeen reglement betreffende het rust- en
overlevingspensioen voor werknemers;
5° “loopbaan als werknemer”: de perioden van tewerk-
stelling als werknemer die in aanmerking worden genomen
krachtens de bepalingen van het koninklijk besluit nr. 50 of
krachtens de Europese verordeningen of internationale
overeenkomsten waar België door gebonden is, en die
betrekking hebben op de sociale zekerheid, die voor-
zien in de samentelling van verzekeringstijdvakken die
geregistreerd werden in de ondertekenende landen en
de toekenning van een nationaal pensioen ten laste van
TITRE 1ER
Disposition générale
Article 1er
La présente loi règle une matière visée à l’article 74 de
la Constitution.
TITRE 2
La pension minimum
CHAPITRE 1ER
La pension minimum garantie
dans le régime des travailleurs salariés
Section 1re
Définitions
Art. 2
Pour l’application du présent chapitre, il y a lieu d’en-
tendre par:
1° “l’arrêté royal n° 50”: l’arrêté royal n° 50 du 24 oc-
tobre 1967 relatif à la pension de retraite et de survie
des travailleurs salariés;
2° “l’arrêté royal n° 72”: l’arrêté royal n° 72 du 10 no-
vembre 1967 relatif à la pension de retraite et de survie
des travailleurs indépendants;
3° “l’arrêté royal du 23 décembre 1996”: l’arrêté royal
du 23 décembre 1996 portant exécution des articles 15,
16 et 17 de la loi du 26 juillet 1996 portant modernisation
de la sécurité sociale et assurant la viabilité des régimes
légaux des pensions;
4° “l’arrêté royal du 21 décembre 1967”: l’arrêté royal
du 21 décembre 1967 portant règlement général du
régime de pension de retraite et de survie des travail-
leurs salariés;
5° “carrière en qualité de travailleur salarié”: les pé-
riodes d’occupation en qualité de travailleur salarié,
prises en considération en vertu des dispositions de
l’arrêté royal n° 50 ou en vertu des règlements européens
ou des conventions internationales par lesquelles la
Belgique est liée, et qui concernent la sécurité sociale,
qui prévoient la totalisation des périodes d’assurances
enregistrées dans les pays signataires et l’octroi d’une
pension nationale à charge de chacun de ces pays, au
3808/009
DOC 55
4
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2023
2024
K A M E R • 6 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
ieder van die landen, pro rata de verzekeringstijdvakken
geregistreerd door ieder van hen;
6° “loopbaan als zelfstandige”: de perioden van on-
derwerping als zelfstandige die in aanmerking worden
genomen in het pensioenstelsel voor zelfstandigen
krachtens enige wettelijke of reglementaire bepaling;
7° “loopbaan als ambtenaar”: de diensten gepres-
teerd als vastbenoemd ambtenaar of daarmee gelijk-
gesteld in aanmerking genomen voor de berekening
van een pensioen ten laste van één van de machten of
organismen bedoeld in artikel 38 van de wet van 5 au-
gustus 1978 houdende economische en budgettaire
hervormingen;
8° “beroepsloopbaan” de loopbaan gepresteerd als
werknemer, als zelfstandige en als ambtenaar;
9° “voltijdse dagequivalenten”: de dagen bedoeld in
artikel 10bis, § 2bis, 2°, van het koninklijk besluit nr. 50;
10° “daadwerkelijk gepresteerde voltijdse dag-
equivalenten”:
a) in het pensioenstelsel van werknemers, de arbeids-
dagen zoals gedefinieerd in artikel 3ter, eerste lid, 2°, van
het koninklijk besluit nr. 50 en de geregulariseerde dagen
krachtens artikel 32bis van het koninklijk besluit van 21 de-
cember 1967, omgezet in voltijdse dagequivalenten;
b) in het pensioenstelsel van zelfstandigen, de kwar-
talen van effectieve of daarmee gelijkgestelde beroeps-
bezigheid als zelfstandige bedoeld in artikel 131sexies,
§ 1, eerste lid, 2°, van de wet van 15 mei 1984 houdende
maatregelen tot harmonisering in de pensioenregelingen,
omgezet in voltijdse dagequivalenten;
c) in het pensioenstelsel van de overheidssector,
de werkelijk gepresteerde diensten bedoeld in arti-
kel 119, § 5, eerste lid, van de wet van 26 juni 1992 hou-
dende sociale en diverse bepalingen, omgezet in
voltijdse dagequivalenten;
11° “onthaalouder”:
a) de persoon bedoeld in artikel 3, 9°, van het konink-
lijk besluit van 28 november 1969 tot uitvoering van de
wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet
van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke
zekerheid der arbeiders;
b) de persoon die instaat voor de opvang van kinde-
ren in een woning voor de opvang in gezinsverband en
prorata des périodes d’assurances enregistrées par
chacun d’entre eux;
6° “carrière en qualité de travailleur indépendant”:
les périodes d’assujettissement en qualité de travailleur
indépendant prises en considération dans le régime de
pension des travailleurs indépendants en vertu d’une
disposition légale ou réglementaire;
7° “carrière en qualité de fonctionnaire”: les services
prestés en qualité de fonctionnaire nommé à titre définitif
ou y assimilé prises en considération pour le calcul d’une
pension à charge de l’un des pouvoirs ou organismes
visés à l’article 38 de la loi du 5 août 1978 de réformes
économiques et budgétaires;
8° “carrière professionnelle”: la carrière prestée en
qualité de travailleur salarié, de travailleur indépendant
et de fonctionnaire;
9° “jours équivalents temps plein”: les jours visés à
l’article 10bis, § 2bis, 2°, de l’arrêté royal n° 50;
10° “jours équivalents temps plein effectivement
prestés”:
a) dans le régime de pension des travailleurs salariés,
les jours de travail tels que définis à l’article 3ter, alinéa 1er,
2°, de l’arrêté royal n° 50 et les jours régularisés en vertu
de l’article 32bis de l’arrêté royal du 21 décembre 1967,
convertis en jours équivalents temps plein;
b) dans le régime de pension des travailleurs indé-
pendants, les trimestres de travail effectif ou y assimilé
comme indépendant visés à l’article 131sexies, § 1er,
alinéa 1er, 2°, de la loi du 15 mai 1984 portant mesures
d’harmonisation dans les régimes de pension, convertis
en jours équivalents temps plein;
c) dans le régime de pension du secteur public, les
services réellement prestés visés à l’article 119, § 5,
alinéa 1er, de la loi du 26 juin 1992 portant des disposi-
tions sociales et diverses, convertis en jours équivalents
temps plein;
11° “accueillant d’enfants”:
a) la personne visée à l’article 3, 9°, de l’arrêté
royal du 28 novembre 1969 pris en exécution de la
loi du 27 juin 1969 révisant l’arrêté-loi du 28 dé-
cembre 1944 concernant la sécurité sociale des
travailleurs;
b) la personne qui assure l’accueil d’enfants dans une
habitation destinée à un accueil à caractère familial et
5
3808/009
DOC 55
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2023
2024
K A M E R • 6 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
die, in het kader van een pilootproject waarin voorzien
is met toepassing van een decretale of reglementaire
bepaling, tewerkgesteld is bij een erkende dienst inzake
kinderopvang.
12° “kunstwerker”: de persoon die:
a) vóór de inwerkingtreding van de wet van 16 decem-
ber 2022 tot oprichting van de Kunstwerkcommissie en tot
verbetering van de sociale bescherming van kunstwerkers
genoot van de oude artikelen 116, § 5 en § 5bis of van
het hoofdstuk XII van het koninklijk besluit van 25 novem-
ber 1991 houdende de werkloosheidsreglementering;
b) na de inwerkingtreding van de wet van 16 decem-
ber 2022 tot oprichting van de Kunstwerkcommissie en
tot verbetering van de sociale bescherming van kunst-
werkers geniet van het kunstwerkattest voorzien in het
artikel 7 van de voormelde wet.
Afdeling 2
Loopbaanvoorwaarden en vaststelling
van het gewaarborgd minimumpensioen
Art. 3
§ 1. Een gewaarborgd minimumrustpensioen wordt
toegekend aan de werknemer die een beroepsloopbaan
bewijst waarvan, vóór toepassing van artikel 10bis van
het koninklijk besluit nr. 50, van artikel 5, § 1, derde lid,
van het koninklijk besluit van 23 december 1996 en van
artikel 19 van het koninklijk besluit nr. 72:
1° hetzij het totaal van de kalenderjaren die in aanmer-
king worden genomen in de regeling voor werknemers
en die elk ten minste 208 voltijdse dagequivalenten
omvatten en van de kwartalen in aanmerking genomen
in de regeling voor zelfstandigen gedeeld door vier, ten
minste gelijk is aan 30 en die, onverminderd de toepas-
sing van paragraaf 4, ten minste 5.000 daadwerkelijk
gepresteerde voltijdse dagequivalenten bevat;
2° hetzij het totaal van de kalenderjaren die in aanmer-
king worden genomen in de regeling voor werknemers
en die elk ten minste 156 voltijdse dagequivalenten
omvatten en van de kwartalen in aanmerking genomen
in de regeling voor zelfstandigen gedeeld door vier, ten
minste gelijk is aan 30 en die, onverminderd de toepas-
sing van paragraaf 4, ten minste 3.120 daadwerkelijk
gepresteerde voltijdse dagequivalenten bevat.
Wanneer het rustpensioen als werknemer is berekend
op basis van één of meerdere breuken met een noemer
lager dan 45, wordt het aantal in aanmerking te nemen
qui, dans le cadre d’un projet pilote prévu en vertu d’une
disposition décrétale ou réglementaire, est engagée par
un service d’accueil d’enfants agréé par l’organisme
compétent.
12° “travailleur des arts”: la personne qui:
a) avant l’entrée en vigueur de la loi du 16 dé-
cembre 2022 portant création de la Commission du
travail des arts et améliorant la protection sociale des
travailleurs des arts, bénéficiait des anciens articles 116,
§ 5 et § 5bis ou du chapitre XII de l’arrêté royal du 25 no-
vembre 1991 portant réglementation du chômage;
b) après l’entrée en vigueur de la loi du 16 dé-
cembre 2022 portant création de la Commission du
travail des arts et améliorant la protection sociale des
travailleurs des arts, bénéficie de l’attestation du travail
des arts visée à l’article 7 de ladite loi.
Section 2
Conditions de carrière et détermination
de la pension minimum garantie
Art. 3
§ 1er. Une pension de retraite minimum garantie est
accordée au travailleur salarié qui justifie d’une carrière
professionnelle dont, avant l’application de l’article 10bis
de l’arrêté royal n° 50, de l’article 5, § 1er, alinéa 3, de
l’arrêté royal du 23 décembre 1996 et de l’article 19 de
l’arrêté royal n° 72:
1° soit le total des années civiles prises en compte
dans le régime des travailleurs salariés et comportant
chacune au moins 208 jours équivalents temps plein et
des trimestres pris en compte dans le régime des travail-
leurs indépendants divisés par quatre, est au moins égal
à 30 et qui comporte, sans préjudice de l’application du
paragraphe 4, au moins 5.000 jours équivalents temps
plein effectivement prestés;
2° soit le total des années civiles prises en compte
dans le régime des travailleurs salariés et comportant
chacune au moins 156 jours équivalents temps plein et
des trimestres pris en compte dans le régime des travail-
leurs indépendants divisés par quatre, est au moins égal
à 30 et qui comporte, sans préjudice de l’application du
paragraphe 4, au moins 3.120 jours équivalents temps
plein effectivement prestés.
Lorsque la pension de retraite de travailleur salarié est
calculée sur la base d’une ou plusieurs fractions ayant un
dénominateur inférieur à 45, le nombre d’années civiles
3808/009
DOC 55
6
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2023
2024
K A M E R • 6 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
kalenderjaren betreffende elke noemer vermenigvuldigd
met de verhouding tussen 45 en deze lagere noemer.
Wanneer de beroepsloopbaan één of meerdere in
aanmerking te nemen kalenderjaren als onthaalouder
bevat worden, voor de toepassing van het eerste lid,
deze kalenderjaren als onthaalouder vermenigvuldigd
met een breuk waarvan de teller gelijk is aan 45 en
waarvan de noemer gelijk is aan het aantal kalender-
jaren gelegen tussen 1 januari 2003 en 31 december
van het kalenderjaar voorafgaand aan het kalenderjaar
waarin betrokkene de leeftijd bedoeld in artikel 2, § 1,
van het koninklijk besluit van 23 december 1996 bereikt
en wordt, in afwijking van het eerste lid, de voorwaarde
van daadwerkelijke tewerkstelling niet toegepast.
Het derde lid is uitsluitend van toepassing op de rust-
pensioenen die daadwerkelijk en voor de eerste maal
ingaan ten vroegste op 1 januari 2025 en ten laatste
op 1 januari 2033.
Aan een meewerkende echtgenoot bedoeld in arti-
kel 131quinquies van de wet van 15 mei 1984 houdende
maatregelen tot harmonisering in de pensioenregelin-
gen, wordt een gewaarborgd minimumrustpensioen
toegekend wanneer de meewerkende echtgenoot, in
de referteperiode die aanvangt op 1 januari 2003 en
eindigt op het einde van het kwartaal voorafgaand aan
de ingangsdatum van het rustpensioen ten laste van de
pensioenregeling voor zelfstandigen, een beroepsloop-
baan bewijst waarvan, vóór toepassing van artikel 10bis
van het koninklijk besluit nr. 50, van artikel 5, § 1, derde lid
van het koninklijk besluit van 23 december 1996 en van
artikel 19 van het koninklijk besluit nr. 72, het totaal van
de kalenderjaren die in aanmerking worden genomen
in de regeling voor werknemers en die elk ten min-
ste 156 voltijdse dagequivalenten omvatten en van de
kwartalen in aanmerking genomen in de regeling voor
zelfstandigen gedeeld door vier, ten minste gelijk is aan
twee derden van het aantal kalenderjaren gelegen in
die referteperiode.
§ 2. Een gewaarborgd minimumoverlevingspensioen
wordt toegekend aan de langstlevende echtgenoot van
een werknemer die aanspraak kan maken op een over-
levingspensioen op basis van een beroepsloopbaan van
de overleden echtgenoot waarvan, vóór toepassing van
artikel 10bis van het koninklijk besluit nr. 50, van artikel 7,
§ 1, vierde lid, van het koninklijk besluit van 23 decem-
ber 1996 en van artikel 19 van het koninklijk besluit nr. 72:
1° hetzij het totaal van de kalenderjaren die in aanmer-
king worden genomen in de regeling voor werknemers en
die elk ten minste 208 voltijdse dagequivalenten omvat-
ten en van de kwartalen in aanmerking genomen in de
à prendre en compte relatif à chaque dénominateur est
multiplié par le rapport entre 45 et ce dénominateur
inférieur.
Lorsque la carrière professionnelle comporte une ou
plusieurs années civiles comme accueillant d’enfants à
prendre en compte, ces années civiles comme accueillant
d’enfants sont, pour l’application de l’alinéa 1er, multipliées
par une fraction dont le numérateur est égal à 45 et dont
le dénominateur est égal au nombre d’années civiles
comprises entre le 1er janvier 2003 et le 31 décembre
de l’année civile précédant l’année civile au cours de
laquelle l’intéressé atteint l’âge visé à l’article 2, § 1er,
de l’arrêté royal du 23 décembre 1996 et, par dérogation
à l’alinéa 1er, la condition d’occupation effective n’est
pas appliquée.
L’alinéa 3 s’applique uniquement aux pensions de
retraite qui prennent cours effectivement et pour la
première fois au plus tôt le 1er janvier 2025 et au plus
tard le 1er janvier 2033.
Au conjoint aidant visé à l’article 131quinquies de la loi
du 15 mai 1984 portant mesures d’harmonisation dans les
régimes de pensions, une pension de retraite minimum
garantie est accordée lorsque le conjoint aidant, dans la
période de référence commençant le 1er janvier 2003 et
se terminant à la fin du trimestre précédant la date de
prise de cours de la pension de retraite à charge du
régime de pension des travailleurs indépendants, justifie
d’une carrière professionnelle dont, avant l’application
de l’article 10bis de l’arrêté royal n° 50, de l’article 5,
§ 1er, alinéa 3, de l’arrêté royal du 23 décembre 1996 et
de l’article 19 de l’arrêté royal n° 72, le total des années
civiles prises en compte dans le régime des travailleurs
salariés et comportant chacune au moins 156 jours
équivalents temps plein et des trimestres pris en compte
dans le régime des travailleurs indépendants divisés
par quatre, est au moins égal aux deux tiers du nombre
d’années civiles situées dans cette période de référence.
§ 2. Une pension de survie minimum garantie est
accordée au conjoint survivant d’un travailleur salarié
qui peut prétendre à une pension de survie sur la base
d’une carrière professionnelle du conjoint décédé dont,
avant l’application de l’article 10bis de l’arrêté royal n° 50,
de l’article 7, § 1er, alinéa 4, de l’arrêté royal du 23 dé-
cembre 1996 et de l’article 19 de l’arrêté royal n° 72:
1° soit le total des années civiles prises en compte
dans le régime des travailleurs salariés et comportant
chacune au moins 208 jours équivalents temps plein
et des trimestres pris en compte dans le régime des
7
3808/009
DOC 55
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2023
2024
K A M E R • 6 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
regeling voor zelfstandigen gedeeld door vier, ten minste
gelijk is aan twee derden van de noemer van de breuk
waarin het pensioen als werknemer wordt uitgedrukt en
die een aantal daadwerkelijk gepresteerde voltijdse da-
gequivalenten bevat dat, onverminderd de toepassing
van paragraaf 4, ten minste gelijk is aan het resultaat
van 5.000 vermenigvuldigd met een breuk waarvan
de teller gelijk is aan de noemer bedoeld in artikel 7,
§ 1, derde lid, van het koninklijk besluit van 23 decem-
ber 1996 en waarvan de noemer gelijk is aan 45;
2° hetzij het totaal van de kalenderjaren die in aanmer-
king worden genomen in de regeling voor werknemers
en die elk ten minste 156 voltijdse dagequivalenten
omvatten en van de kwartalen in aanmerking genomen
in de regeling voor zelfstandigen gedeeld door vier, ten
minste gelijk is aan twee derden van de noemer van
de breuk waarin het pensioen als werknemer wordt uit-
gedrukt en die een aantal daadwerkelijk gepresteerde
voltijdse dagequivalenten bevat dat, onverminderd de
toepassing van paragraaf 4, ten minste gelijk is aan
het resultaat van 3.120 vermenigvuldigd met een breuk
waarvan de teller gelijk is aan de noemer bedoeld in
artikel 7, § 1, derde lid, van het koninklijk besluit van 23 de-
cember 1996 en waarvan de noemer gelijk is aan 45.
Wanneer het overlevingspensioen als werknemer is
berekend op basis van één of meerdere breuken met een
noemer die lager is dan de noemer bedoeld in artikel 7,
§ 1, derde lid, van het koninklijk besluit van 23 decem-
ber 1996, wordt het aantal in aanmerking te nemen
kalenderjaren betreffende elke noemer vermenigvuldigd
met de verhouding tussen de hoogste noemer en de
lagere noemer.
Wanneer de beroepsloopbaan van de overleden
echtgenoot één of meerdere in aanmerking te nemen
kalenderjaren als onthaalouder bevat, worden, voor de
toepassing van het eerste lid, deze kalenderjaren als
onthaalouder vermenigvuldigd met een breuk waarvan
de teller gelijk is aan de noemer van de breuk waarin
het pensioen als werknemer wordt uitgedrukt en waar-
van de noemer gelijk is aan het aantal kalenderjaren
gelegen tussen 1 januari 2003 en 31 december van het
kalenderjaar voorafgaand aan het overlijden, zonder dat
de aldus bekomen breuk lager kan zijn dan de eenheid
en is, in afwijking van het eerste lid, de voorwaarde van
daadwerkelijke tewerkstelling niet van toepassing.
Het derde lid is uitsluitend van toepassing op de
overlevingspensioenen die daadwerkelijk en voor de
eerste maal ingaan:
1° ten vroegste op 1 januari 2025, met uitzondering
van de overlevingspensioenen berekend op basis van
travailleurs indépendants divisés par quatre, est au moins
égal aux deux tiers du dénominateur de la fraction dans
laquelle la pension de travailleur salarié est exprimée
et qui contient, sans préjudice de l’application du para-
graphe 4, un nombre de jours équivalents temps plein
effectivement prestés qui est au moins égal au résultat
de 5.000 multiplié par une fraction dont le numérateur
est égal au dénominateur visé à l’article 7, § 1er, alinéa 3,
de l’arrêté royal du 23 décembre 1996 et dont le déno-
minateur est égal à 45;
2° soit le total des années civiles prises en compte
dans le régime des travailleurs salariés et comportant
chacune au moins 156 jours équivalents temps plein et
des trimestres pris en compte dans le régime des tra-
vailleurs indépendants divisés par quatre, est au moins
égal aux deux tiers du dénominateur de la fraction selon
laquelle la pension de travailleur salarié est exprimée et
qui comporte, sans préjudice de l’application du para-
graphe 4, un nombre de jours équivalents temps plein
effectivement prestés qui est au moins égal au résultat
de 3.120 multiplié par une fraction dont le numérateur
est égal au dénominateur visé à l’article 7, § 1er, alinéa 3,
de l’arrêté royal du 23 décembre 1996 et dont le déno-
minateur est égal à 45.
Lorsque la pension de survie de travailleur salarié est
calculée sur la base d’une ou plusieurs fractions ayant un
dénominateur inférieur au dénominateur visé à l’article 7,
§ 1er, alinéa 3, de l’arrêté royal du 23 décembre 1996, le
nombre d’années civiles à prendre en compte relatif à
chaque dénominateur est multiplié par le rapport entre le
dénominateur le plus élevé et le dénominateur inférieur.
Lorsque la carrière professionnelle du conjoint décé-
dé comporte une ou plusieurs années civiles comme
accueillant d’enfants à prendre en compte, ces années
civiles comme accueillant d’enfants sont, pour l’appli-
cation de l’alinéa 1er, multipliées par une fraction dont
le numérateur est égal au dénominateur de la fraction
selon laquelle la pension en tant que travailleur salarié
est exprimée et dont le dénominateur est égal au nombre
d’années civiles comprises entre le 1er janvier 2003 et
le 31 décembre de l’année civile précédant le décès,
sans que la fraction ainsi obtenue soit inférieure à l’unité
et, par dérogation à l’alinéa 1er, la condition d’occupation
effective n’est pas appliquée.
L’alinéa 3 s’applique uniquement aux pensions de
survie qui prennent cours effectivement et pour la pre-
mière fois:
1° au plus tôt le 1er janvier 2025, à l’exception des
pensions de survie calculées sur la base d’une pension
3808/009
DOC 55
8
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2023
2024
K A M E R • 6 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
een rustpensioen dat daadwerkelijk en voor de eerste
maal ten laatste op 1 december 2024 ingegaan is, en
2° ten laatste op 1 januari 2033, met uitzondering van
de overlevingspensioenen ten gevolge een overlijden
voor 1 januari 2033.
§ 3. Een gewaarborgde minimumovergangsuitkering
wordt toegekend aan de langstlevende echtgenoot
van een werknemer die aanspraak kan maken op een
overgangsuitkering op basis van een beroepsloopbaan
van de overleden echtgenoot waarvan, vóór toepas-
sing van artikel 10bis van het koninklijk besluit nr. 50,
van artikel 7bis, § 1, derde lid, van het koninklijk besluit
van 23 december 1996 en van artikel 19 van het koninklijk
besluit nr. 72:
1° hetzij het totaal van de kalenderjaren die in aanmer-
king worden genomen in de regeling voor werknemers
en die elk ten minste 208 voltijdse dagequivalenten
omvatten en van de kwartalen in aanmerking genomen
in de regeling voor zelfstandigen gedeeld door vier, ten
minste gelijk is aan twee derden van de noemer van
de breuk waarin de overgangsuitkering als werknemer
wordt uitgedrukt;
2° hetzij het totaal van de kalenderjaren die in aanmer-
king worden genomen in de regeling voor werknemers
en die elk ten minste 156 voltijdse dagequivalenten
omvatten en de kwartalen in aanmerking genomen in
de regeling voor zelfstandigen gedeeld door vier, ten
minste gelijk is aan twee derden van de noemer van
de breuk waarin de overgangsuitkering als werknemer
wordt uitgedrukt.
Wanneer de overgangsuitkering als werknemer is
berekend op basis van één of meerdere breuken met
een noemer die lager is dan de noemer bedoeld in
artikel 7bis, § 1, tweede lid, van het koninklijk besluit
van 23 december 1996, wordt het aantal in aanmer-
king te nemen kalenderjaren betreffende elke noemer
vermenigvuldigd met de verhouding tussen de hoogste
noemer en de lagere noemer.
Wanneer de beroepsloopbaan van de overleden
echtgenoot één of meerdere in aanmerking te nemen
kalenderjaren als onthaalouder bevat worden, voor de
toepassing van het eerste lid, deze kalenderjaren als
onthaalouder vermenigvuldigd met een breuk waarvan
de teller gelijk is aan de noemer van de breuk waarin de
overgangsuitkering als werknemer wordt uitgedrukt en
waarvan de noemer gelijk is aan het aantal kalenderjaren
gelegen tussen 1 januari 2003 en 31 december van het
kalenderjaar voorafgaand aan het overlijden, zonder dat
de aldus bekomen breuk lager kan zijn dan de eenheid.
de retraite qui a pris cours effectivement et pour la pre-
mière fois au plus tard le 1er décembre 2024, et
2° au plus tard le 1er janvier 2033, à l’exception
des pensions de survie à la suite d’un décès avant
le 1er janvier 2033.
§ 3. Une allocation de transition minimum garantie est
accordée au conjoint survivant d’un travailleur salarié
qui peut prétendre à une allocation de transition sur la
base d’une carrière professionnelle du conjoint décédé
dont, avant l’application de l’article 10bis de l’arrêté
royal n° 50, de l’article 7bis, § 1er, alinéa 3, de l’arrêté
royal du 23 décembre 1996 et de l’article 19 de l’arrêté
royal n° 72:
1° soit le total des années civiles prises en compte
dans le régime des travailleurs salariés et comportant
chacune au moins 208 jours équivalents temps plein et
des trimestres pris en compte dans le régime des tra-
vailleurs indépendants divisés par quatre, est au moins
égal aux deux tiers du dénominateur de la fraction selon
laquelle l’allocation de transition en qualité de travailleur
salarié est exprimée;
2° soit le total des années civiles prises en compte
dans le régime des travailleurs salariés et comportant
chacune au moins 156 jours équivalents temps plein et
des trimestres pris en compte dans le régime des tra-
vailleurs indépendants divisés par quatre, est au moins
égal aux deux tiers du dénominateur de la fraction selon
laquelle l’allocation de transition en qualité de travailleur
salarié est exprimée.
Lorsque l’allocation de transition en qualité de travail-
leur salarié est calculée sur la base d’une ou plusieurs
fractions ayant un dénominateur inférieur au dénomina-
teur visé à l’article 7bis, § 1er, alinéa 2, de l’arrêté royal
du 23 décembre 1996, le nombre d’années civiles à
prendre en compte relatif à chaque dénominateur est
multiplié par le rapport entre le dénominateur le plus
élevé et le dénominateur inférieur.
Lorsque la carrière professionnelle du conjoint décédé
comporte une ou plusieurs années civiles comme accueil-
lant d’enfants à prendre en compte, ces années civiles
comme accueillant d’enfants sont, pour l’application de
l’alinéa 1er, multipliées par une fraction dont le numérateur
est égal au dénominateur de la fraction selon laquelle
l’allocation de transition en tant que travailleur salarié est
exprimée et dont le dénominateur est égal au nombre
d’années civiles comprises entre le 1er janvier 2003 et
le 31 décembre de l’année civile précédant le décès,
sans que la fraction ainsi obtenue soit inférieure à l’unité.
9
3808/009
DOC 55
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2023
2024
K A M E R • 6 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
Het derde lid is uitsluitend van toepassing op de
overgangsuitkeringen die daadwerkelijk en voor de
eerste maal ingaan ten vroegste op 1 januari 2025 en
ten laatste op 1 januari 2033, met uitzondering van
de overgangsuitkeringen ten gevolge een overlijden
voor 1 januari 2033.
§ 4. Indien de beroepsloopbaan perioden bevat tijdens
welke betrokkene om medische redenen geen daadwer-
kelijke tewerkstelling kan bewijzen, dan wordt een lager
aantal dan het in paragraaf 1, eerste lid, 1°, en paragraaf 2,
eerste lid, 1°, bedoelde aantal van 5.000 daadwerkelijk
gepresteerde voltijdse dagequivalenten vereist. Het aantal
daadwerkelijk gepresteerde voltijdse dagequivalenten
wordt vastgesteld naargelang de beroepsloopbaan:
1° indien deze 1.561 tot en met 9.359 dagen bevat
tijdens welke betrokkene om medische redenen geen
daadwerkelijke tewerkstelling kan bewijzen, is de ver-
mindering van het aantal daadwerkelijk gepresteerde
voltijdse dagequivalenten gelijk aan het tot de hogere
eenheid afgerond resultaat, bekomen door het product
van 100/312 met het verschil tussen het aantal dagen
tijdens welke betrokkene om medische redenen geen
daadwerkelijke tewerkstelling kan bewijzen en 1.560;
2° indien deze ten minste 9.360 dagen bevat tijdens
welke betrokkene om medische redenen geen daad-
werkelijke tewerkstelling kan bewijzen, is het vereiste
aantal daadwerkelijk gepresteerde voltijdse dagequi-
valenten gelijk aan het tot de hogere eenheid afgerond
resultaat, bekomen door het verschil tussen 14.040 en
het aantal dagen tijdens welke betrokkene om medische
redenen geen daadwerkelijke tewerkstelling kan bewijzen,
vermenigvuldigd met het product van 250/312 met 30/45.
Het in paragraaf 1, eerste lid, 2°, en paragraaf 2,
eerste lid, 2°, bedoelde vereiste aantal van 3.120 daad-
werkelijk gepresteerde voltijdse dagequivalenten wordt
vervangen door het krachtens het eerste lid vastge-
stelde aantal voor zover het aldus bekomen resultaat
voordeliger is.
Wanneer het overlevingspensioen als werknemer is
berekend op basis van één of meerdere breuken met
een noemer die lager is dan 45, wordt het aantal in aan-
merking te nemen dagen tijdens welke betrokkene om
medische redenen geen daadwerkelijke tewerkstelling
kan bewijzen betreffende elke noemer vermenigvuldigd
met de verhouding tussen 45 en de lagere noemer.
Voor de toepassing van deze paragraaf wordt onder
perioden tijdens welke betrokkene om medische rede-
nen geen daadwerkelijke tewerkstelling kan bewijzen
begrepen, de perioden bedoeld in:
L’alinéa 3 s’applique uniquement aux allocations de
transition qui prennent cours effectivement et pour la
première fois au plus tôt le 1er janvier 2025 et au plus
tard le 1er janvier 2033, à l’exception des allocations de
transition à la suite d’un décès avant le 1er janvier 2033.
§ 4. Si la carrière professionnelle comporte des
périodes au cours desquelles, pour des raisons médi-
cales, l’intéressé ne peut pas justifier d’une occupation
effective, un nombre inférieur au nombre de 5.000 jours
équivalents temps plein effectivement prestés visé au
paragraphe 1er, alinéa 1er, 1°, et au paragraphe 2, ali-
néa 1er, 1°, est requis. Le nombre de jours équivalents
temps plein effectivement prestés est déterminé selon
la carrière professionnelle:
1° si celle-ci comporte de 1.561 jusqu’à, y compris,
9.359 jours au cours desquels, pour des raisons médi-
cales, l’intéressé ne peut pas justifier d’une occupation
effective, la réduction du nombre de jours équivalents
temps plein effectivement prestés est égale au résultat,
arrondi à l’unité supérieure, du produit de 100/312 par
le résultat de la différence entre le nombre de jours au
cours desquels l’intéressé ne peut pas justifier d’une
occupation effective pour des raisons médicales et 1.560;
2° si celle-ci comporte au moins 9.360 jours au cours
desquels, pour des raisons médicales, l’intéressé ne
peut pas justifier d’une occupation effective, le nombre
requis de jours équivalents temps plein effectivement
prestés est égal au résultat, arrondi à l’unité supérieure,
de la différence entre 14.040 et le nombre de jours au
cours desquels l’intéressé ne peut pas justifier d’une
occupation effective pour des raisons médicales, mul-
tiplié par le produit de 250/312 par 30/45.
Le nombre requis de 3.120 jours équivalents temps
plein requis effectivement prestés visés au paragraphe 1er,
alinéa 1er, 2°, et au paragraphe 2, alinéa 1er, 2°, est rem-
placé par le nombre fixé conformément à l’alinéa 1er, dans
la mesure où le résultat ainsi obtenu est plus favorable.
Lorsque la pension de survie de travailleur salarié est
calculée sur la base d’une ou plusieurs fractions ayant
un dénominateur inférieur à 45, le nombre de jours au
cours desquels, pour des raisons médicales, l’intéressé
ne peut pas justifier d’une occupation effective à prendre
en compte relatif à chaque dénominateur est multiplié
par le rapport entre 45 et le dénominateur inférieur.
Pour l’application de ce paragraphe, les périodes au
cours desquelles, pour des raisons médicales, l’inté-
ressé ne peut pas justifier d’une occupation effective
comprennent les périodes visées à:
3808/009
DOC 55
10
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2023
2024
K A M E R • 6 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
1° artikel 34, § 1, B., 1° en 3°, van het koninklijk besluit
van 21 december 1967;
2° artikel 34, § 1, C., van het koninklijk besluit
van 21 december 1967;
3° artikel 34, § 1, K., van het koninklijk besluit
van 21 december 1967;
4° artikel 29 van het koninklijk besluit van 22 decem-
ber 1967 houdende algemeen reglement betreffende
het rust- en overlevingspensioen der zelfstandigen,
omgezet in dagen.
5° artikel 120, tweede lid, van de wet van 26 juni 1992
houdende sociale en diverse bepalingen, tijdens welke
de persoon bedoeld in artikel 118, § 1, van voormelde
wet van 26 juni 1992, om gezondheidsredenen geen
werkelijk gepresteerde diensten kan bewijzen, omgezet
in dagen.
De in het vierde lid, 1° tot 3°, bedoelde perioden wor-
den in aanmerking genomen voor zover ze krachtens
artikel 34, § 2, van het koninklijk besluit van 21 decem-
ber 1967 worden gelijkgesteld, vóór toepassing van arti-
kel 28bis van het koninklijk besluit van 21 december 1967.
De Koning kan, bij een besluit vastgesteld na overleg
in de Ministerraad, de in het vierde lid bedoelde perioden
wijzigen, aanvullen of vervangen.
§ 5. Voor de toepassing van de paragrafen 1 tot 3,
wordt geen rekening gehouden met de perioden:
1° geregulariseerd of toegekend in toepassing van de
artikelen 3ter, 7, 75, 76, 77, 78 en 79 van het koninklijk
besluit van 21 december 1967;
2° bedoeld bij de artikelen 92 tot en met 98bis van
het koninklijk besluit van 22 december 1967 houdende
algemeen reglement betreffende het rust- en overle-
vingspensioen der zelfstandigen.
Voor de toepassing van de paragrafen 1 tot 3, wordt
voor de vaststelling van de loopbaan als werknemer
rekening gehouden met de perioden, omgezet in
voltijdse dagequivalenten:
1° bedoeld in titel IV, hoofdstuk 7, afdeling 3, onderafde-
ling 8, van de programmawet (I) van 24 december 2002,
zoals hersteld door de wet van 6 maart 2020 tot behoud
van tewerkstelling na de terugtrekking van het Verenigd
Koninkrijk uit de Europese Unie;
1° l’article 34, § 1er, B., 1° et 3°, de l’arrêté royal du
21 décembre 1967;
2° l’article 34, § 1er, C., de l’arrêté royal du
21 décembre 1967;
3° l’article 34, § 1er, K., de l’arrêté royal du
21 décembre 1967;
4° l’article 29 de l’arrêté royal du 22 décembre 1967 por-
tant règlement général relatif à la pension de retraite
et de survie des travailleurs indépendants, converties
en jours.
5° l’article 120, alinéa 2, de la loi du 26 juin 1992 por-
tant des dispositions sociales et diverses, converties
en jours, au cours desquelles, pour des raisons de
santé, la personne visée à l’article 118, § 1er, de la loi
du 26 juin 1992 précitée, ne peut pas justifier des ser-
vices réellement prestés.
Les périodes visées à l’alinéa 4, 1° à 3°, sont prises en
compte pour autant qu’elles soient assimilées en vertu de
l’article 34, § 2, de l’arrêté royal du 21 décembre 1967,
avant l’application de l’article 28bis de l’arrêté royal
du 21 décembre 1967.
Le Roi peut, par arrêté délibéré en Conseil des mi-
nistres, modifier, compléter ou remplacer les périodes
visées à l’alinéa 4.
§ 5. Pour l’application des paragraphes 1er à 3, il n’est
pas tenu compte des périodes:
1° régularisées ou attribuées en vertu des ar-
ticles 3ter, 7, 75, 76, 77, 78 et 79 de l’arrêté royal
du 21 décembre 1967;
2° visées par les articles 92 à 98bis inclus de l’arrêté
royal du 22 décembre 1967 portant règlement général
relatif à la pension de retraite et de survie des travailleurs
indépendants.
Pour l’application des paragraphes 1er à 3, il est tenu
compte pour la détermination de la carrière en qualité
de travailleur salarié des périodes, converties en jours
équivalents temps plein:
1° visées au titre IV, chapitre 7, section 3, sous-sec-
tion 8, de la loi-programme (I) du 24 décembre 2002, réta-
blie par la loi du 6 mars 2020 visant à maintenir l’emploi
après le retrait du Royaume-Uni de l’Union européenne;
11
3808/009
DOC 55
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2023
2024
K A M E R • 6 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
2° bedoeld in titel IV, hoofdstuk 7, afdeling 3, onder-
afdeling 8/1, van de voormelde programmawet (I) van
24 december 2002;
3° bedoeld in titel 2, hoofdstuk 2, van de voormelde
wet van 6 maart 2020;
4° bedoeld in de hoofdstukken 2 en 3 van het koninklijk
besluit nr. 46 van 26 juni 2020 tot uitvoering van artikel 5,
§ 1, 5°, van de wet van 27 maart 2020 die machtiging
verleent aan de Koning om maatregelen te nemen in
de strijd tegen de verspreiding van het coronavirus
COVID-19 (II) tot ondersteuning van de werkgevers en
de werknemers.
Voor de toepassing van de paragrafen 1 en 2 worden
met daadwerkelijk gepresteerde voltijdse dagequivalenten
gelijkgesteld, de perioden:
1° bedoeld in artikel 34, § 1, D., van het koninklijk
besluit van 21 december 1967, vóór toepassing van
artikel 28bis en artikel 34, § 2, 3., eerste lid, van het
koninklijk besluit van 21 december 1967;
2° bedoeld in artikel 34, § 1, A., 1°, van het koninklijk
besluit van 21 december 1967, beperkt tot tijdelijke
werkloosheid;
3° bedoeld in artikel 34, § 1, B., 2° en R., van het
koninklijk besluit van 21 december 1967;
4° bedoeld in artikel 34, § 1, Nter., van het koninklijk
besluit van 21 december 1967;
5° bedoeld in artikel 34, § 1, S., van het koninklijk
besluit van 21 december 1967;
6° bedoeld in artikel 34, § 1, V., van het koninklijk
besluit van 21 december 1967;
7° bedoeld in artikel 4, § 4, b), en § 5, eerste lid,
eerste streepje, van het koninklijk besluit van 12 de-
cember 2001 tot uitvoering van hoofdstuk IV van de
wet van 10 augustus 2001 betreffende verzoening van
werkgelegenheid en kwaliteit van het leven betreffende
het stelsel van tijdskrediet, loopbaanvermindering en
vermindering van de arbeidsprestaties tot een halftijdse
betrekking, zoals van kracht voor 1 januari 2015;
8° bedoeld in artikel 5, § 2, b) en d), van het voormelde
koninklijk besluit van 12 december 2001;
9° bedoeld in de artikelen 5 en 6 van het besluit van
de Vlaamse regering van 26 juli 2016 tot toekenning van
onderbrekingsuitkeringen voor zorgkrediet;
2° visées au titre IV, chapitre 7, section 3, sous-sec-
tion 8/1, de la loi-programme (I) du 24 décembre 2002
précitée;
3° visées au titre 2, chapitre 2, de la loi du
6 mars 2020 précitée;
4° visées aux chapitres 2 et 3 de l’arrêté royal n° 46
du 26 juin 2020 pris en exécution de l’article 5, § 1er, 5°,
de la loi du 27 mars 2020 accordant des pouvoirs au
Roi afin de prendre des mesures dans la lutte contre
la propagation du coronavirus COVID-19 (II) visant à
soutenir les employeurs et les travailleurs.
Pour l’application des paragraphes 1er et 2, sont assi-
milées aux jours équivalent temps plein effectivement
prestés, les périodes:
1° visées à l’article 34, § 1er, D., de l’arrêté royal
du 21 décembre 1967, avant application de l’article 28bis
et de l’article 34, § 2, 3., alinéa 1er, de l’arrêté royal
du 21 décembre 1967;
2° visées à l’article 34, § 1er, A., 1°, de l’arrêté royal
du 21 décembre 1967, limité au chômage temporaire;
3° visées à l’article 34, § 1er, B., 2° et R., de l’arrêté
royal du 21 décembre 1967;
4° visées à l’article 34, § 1er, Nter., de l’arrêté royal
du 21 décembre 1967;
5° visées à l’article 34, § 1er, S., de l’arrêté royal
du 21 décembre 1967;
6° visées à l’article 34, § 1er, V., de l’arrêté royal
du 21 décembre 1967;
7° visées à l’article 4, § 4, b), et § 5, alinéa 1er, premier
tiret, de l’arrêté royal du 12 décembre 2001 pris en exécu-
tion du chapitre IV de la loi du 10 août 2001 relative à la
conciliation entre l’emploi et la qualité de vie concernant
le système du crédit-temps, la diminution de carrière et
la réduction des prestations de travail à mi-temps, tel
qu’en vigueur avant le 1er janvier 2015;
8° visées à l’article 5, § 2, b) et d), de l’arrêté royal
du 12 décembre 2001 précité;
9° visées aux articles 5 et 6 de l’arrêté du gouverne-
ment flamand du 26 juillet 2016 portant octroi d’allocations
d’interruption pour crédit-soins;
3808/009
DOC 55
12
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2023
2024
K A M E R • 6 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
10° van tewerkstelling van werklozen door de provin-
ciën, de gemeenten, de openbare instellingen of een
andere werkgever;
11° bedoeld in titel IV, hoofdstuk 7, afdeling 3, onderaf-
deling 8, van de programmawet (I) van 24 december 2002,
zoals hersteld door de wet van 6 maart 2020 tot behoud
van tewerkstelling na de terugtrekking van het Verenigd
Koninkrijk uit de Europese Unie;
12° bedoeld in titel IV, hoofdstuk 7, afdeling 3, on-
derafdeling 8/1, van de voormelde programmawet (I)
van 24 december 2002;
13° bedoeld in titel 2, hoofdstuk 2, van de voormelde
wet van 6 maart 2020;
14° bedoeld in de hoofdstukken 2 en 3 van het koninklijk
besluit nr. 46 van 26 juni 2020 tot uitvoering van artikel 5,
§ 1, 5°, van de wet van 27 maart 2020 die machtiging
verleent aan de Koning om maatregelen te nemen in
de strijd tegen de verspreiding van het coronavirus
COVID-19 (II) tot ondersteuning van de werkgevers en
de werknemers.
De in het derde lid, 2° tot en met 14° bedoelde perioden
worden omgezet in voltijdse dagequivalenten.
De in het derde lid, 2° tot en met 10°, bedoelde pe-
rioden worden in aanmerking genomen voor zover ze
krachtens artikel 34, §§ 1 en 2, van het koninklijk besluit
van 21 december 1967 worden gelijkgesteld.
De Koning kan, bij een besluit vastgesteld na over-
leg in de Ministerraad, de in het tweede en derde lid
bedoelde perioden wijzigen, aanvullen of vervangen,
alsook de wijze waarop deze perioden in aanmerking
worden genomen.
In afwijking van artikel 2, 10°, a), worden voor de
kalenderjaren als kunstwerker de arbeidsdagen zo-
als berekend overeenkomstig artikel 185, § 3, van het
koninklijk besluit van 25 november 1991 houdende de
werkloosheidsreglementering in aanmerking genomen
als daadwerkelijk gepresteerde voltijdse dagequivalenten
voor de toepassing van de paragrafen 1 en 2. De aldus
bekomen arbeidsdagen worden vermenigvuldigd met 1,42.
Art. 4
Het bedrag van het gewaarborgd minimumpensioen
toegekend ten laste van de werknemersregeling is gelijk
aan een breuk van de volgende basisbedragen:
10° de mise au travail des chômeurs par les provinces,
les communes, les établissements publics ou un autre
employeur;
11° visées au titre IV, chapitre 7, section 3, sous-sec-
tion 8, de la loi-programme (I) du 24 décembre 2002, réta-
blie par la loi du 6 mars 2020 visant à maintenir l’emploi
après le retrait du Royaume-Uni de l’Union européenne;
12° visées au titre IV, chapitre 7, section 3, sous-sec-
tion 8/1, de la loi-programme (I) du 24 décembre 2002
précitée;
13° visées au titre 2, chapitre 2 de la loi du 6 mars 2020
précitée;
14° visées aux chapitres 2 et 3 de l’arrêté royal
n° 46 du 26 juin 2020 pris en exécution de l’article 5, § 1er,
5°, de la loi du 27 mars 2020 accordant des pouvoirs au
Roi afin de prendre des mesures dans la lutte contre
la propagation du coronavirus COVID-19 (II) visant à
soutenir les employeurs et les travailleurs.
Les périodes visées à l’alinéa 3, 2° à 14° sont conver-
ties en jours équivalents temps plein.
Les périodes visées à l’alinéa 3, 2° à 10°, sont
prises en compte pour autant qu’elles soient assimi-
lées en vertu de l’article 34, §§ 1er et 2, de l’arrêté royal
du 21 décembre 1967.
Le Roi peut, par arrêté délibéré en Conseil des mi-
nistres, modifier, compléter ou remplacer les périodes
visées aux alinéas 2 et 3, ainsi que la manière dont ces
périodes sont prises en compte.
Par dérogation à l’article 2, 10°, a), pour les années
civiles en qualité de travailleur des arts, les jours de travail,
tels que calculés conformément à l’article 185, § 3, de
l’arrêté royal du 25 novembre 1991 portant réglemen-
tation du chômage, sont pris en compte comme jours
équivalents temps plein effectivement prestés pour
l’application des paragraphes 1er et 2. Les jours de travail
ainsi obtenus sont multipliés par 1,42.
Art. 4
Le montant de la pension minimum garantie accordée
à charge du régime de pension des travailleurs salariés
est égal à une fraction des montants de base suivants:
13
3808/009
DOC 55
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2023
2024
K A M E R • 6 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
1° 15.579,02 euro wanneer het een rustpensioen
betreft berekend op basis van artikel 5, § 1, eerste lid,
a), van het koninklijk besluit van 23 december 1996;
2° 12.467,14 euro wanneer het een rustpensioen betreft
berekend op basis van het artikel 5, § 1, eerste lid, b),
van het koninklijk besluit van 23 december 1996;
3° 12.300,53 euro wanneer het een gewaarborgd
minimumoverlevingspensioen of een gewaarborgde
minimumovergangsuitkering betreft.
In afwijking van het eerste lid, is het bedrag van het
gewaarborgd minimumpensioen toegekend ten laste
van de werknemersregeling gelijk aan een breuk van
de volgende basisbedragen indien de krachtens arti-
kel 5 vastgestelde breuk, desgevallend opgeteld met de
breuk toegekend in het zelfstandigenstelsel, op dezelfde
noemer gebracht, de eenheid bereikt:
1° 15.258,58 euro wanneer het een rustpensioen
betreft berekend op basis van artikel 5, § 1, eerste lid,
a), van het koninklijk besluit van 23 december 1996;
2° 12.210,73 euro wanneer het een rustpensioen be-
treft berekend op basis van het artikel 5, § 1, eerste lid,
b), van het koninklijk besluit van 23 december 1996;
3° 12.047,53 euro wanneer het een gewaarborgd
minimumoverlevingspensioen of een gewaarborgde
minimumovergangsuitkering betreft.
De in het tweede lid bedoelde basisbedragen worden
verhoogd met 2,1 %.
De bedragen bedoeld in het eerste en het tweede lid
zijn gekoppeld aan de spilindex 103,14 (basis 1996 = 100)
en evolueren overeenkomstig de bepalingen van de wet
van 2 augustus 1971 houdende inrichting van een stel-
sel waarbij de wedden, lonen, pensioenen, toelagen en
tegemoetkomingen ten laste van de openbare schatkist,
sommige sociale uitkeringen, de bezoldigingsgrenzen
waarmee rekening dient gehouden bij de berekening
van sommige bijdragen van de sociale zekerheid der
arbeiders, alsmede de verplichtingen op sociaal gebied
opgelegd aan de zelfstandigen, aan het indexcijfer van
de consumptieprijzen worden gekoppeld.
De Koning kan, bij een besluit vastgesteld na overleg
in de Ministerraad:
1° de bedragen bedoeld in het eerste en het tweede lid,
verhogen;
1° 15.579,02 euros lorsqu’il s’agit d’une pension de
retraite calculée sur la base de l’article 5, § 1er, alinéa 1er,
a), de l’arrêté royal du 23 décembre 1996;
2° 12.467,14 euros lorsqu’il s’agit d’une pension de
retraite calculée sur la base de l’article 5, § 1er, alinéa 1er,
b), de l’arrêté royal du 23 décembre 1996;
3° 12.300,53 euros lorsqu’il s’agit d’une pension de
survie minimum garantie ou d’une allocation de transition
minimum garantie.
Par dérogation à l’alinéa 1er, le montant de la pension
minimum garantie accordée à charge du régime de
pension des travailleurs salariés est égal à une frac-
tion des montants de base suivants pour autant que la
fraction fixée en vertu de l’article 5, additionnée, le cas
échéant, avec la fraction attribuée dans le régime des
travailleurs indépendants, portées au même dénomina-
teur, atteigne l’unité:
1° 15.258,58 euros lorsqu’il s’agit d’une pension de
retraite calculée sur la base de l’article 5, § 1er, alinéa 1er,
a), de l’arrêté royal du 23 décembre 1996;
2° 12.210,73 euros lorsqu’il s’agit d’une pension de
retraite calculée sur la base de l’article 5, § 1er, alinéa 1er,
b), de l’arrêté royal du 23 décembre 1996;
3° 12.047,53 euros lorsqu’il s’agit d’une pension de
survie minimum garantie ou d’une allocation de transition
minimum garantie.
Les montants de base visés à l’alinéa 2 sont aug-
mentés de 2,1 %.
Les montants visés aux alinéas 1er et 2 sont liés
à l’indice-pivot 103,14 (base 1996 = 100) et évoluent
conformément aux dispositions de la loi du 2 août 1971 or-
ganisant un régime de liaison à l’indice des prix à la
consommation des traitements, salaires, pensions,
allocations et subventions à charge du Trésor public,
de certaines prestations sociales, des limites de rému-
nération à prendre en considération pour le calcul de
certaines cotisations de sécurité sociale des travailleurs,
ainsi que des obligations imposées en matière sociale
aux travailleurs indépendants.
Le Roi peut, par arrêté délibéré en Conseil des
ministres:
1° augmenter les montants visés aux alinéas 1er et 2;
3808/009
DOC 55
14
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2023
2024
K A M E R • 6 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
2° de breuk bedoeld in het tweede lid verlagen zonder
dat deze lager kan zijn dan 43/45 of een gelijkwaardige
breuk;
3° het in het derde lid bedoelde percentage verhogen
zonder dat dit percentage 10 % kan overschrijden.
Art. 5
De breuk bedoeld in artikel 4 heeft als noemer deze
die werd gebruikt voor de berekening, naargelang het
geval, van het persoonlijk rustpensioen, van het overle-
vingspensioen of van de overgangsuitkering toegekend
in het pensioenstelsel van de werknemers, uitgedrukt in
voltijdse dagequivalenten en als teller de voltijdse dagequi-
valenten in aanmerking genomen in het pensioenstelsel
van de werknemers, na toepassing van, naargelang het
geval, artikel 10bis van het koninklijk besluit nr. 50, van
artikel 5, § 1, derde lid, van artikel 7, § 1, vierde lid, of
van artikel 7bis, § 1, derde lid, van het koninklijk besluit
van 23 december 1996, zonder dat de aldus bekomen
breuk de eenheid kan overschrijden.
Indien de beroepsloopbaan uitsluitend voldoet aan
de voorwaarden bedoeld in respectievelijk artikel 3,
§ 1, eerste lid, 2°, artikel 3, § 1, vijfde lid, artikel 3, § 2,
eerste lid, 2°, of artikel 3, § 3, eerste lid, 2°, wordt aan
de in het eerste lid bedoelde teller van de breuk een
aantal bijkomende fictieve voltijdse dagequivalenten
toegevoegd dat bekomen wordt door:
1° voor alle afzonderlijke kalenderjaren gelegen
vóór 2002 het verschil te nemen tussen het aantal vol-
tijdse dagequivalenten in het betrokken kalenderjaar en
dat aantal vermenigvuldigd met de verhouding 5/4 waarbij
het resultaat van deze vermenigvuldiging beperkt wordt
tot 312;
2° de vijf grootste verschillen bekomen na toepassing
van de bepaling onder 1° op te tellen.
Voor zover de toepassing van dit lid voordeliger is
en onverminderd de toepassing van het eerste lid, is
de breuk gelijk aan deze welke gebruikt werd voor de
berekening, naargelang het geval, van het persoonlijk
rustpensioen, van het overlevingspensioen of van de
overgangsuitkering toegekend in het pensioenstelsel
van werknemers, na toepassing van, naargelang het
geval, artikel 10bis van het koninklijk besluit nr. 50, van
artikel 5, § 1, derde lid, van artikel 7, § 1, vierde lid, of
van artikel 7bis, § 1, derde lid, van het koninklijk besluit
van 23 december 1996, uitgedrukt in kalenderjaren,
indien de beroepsloopbaan voldoet aan de voorwaarden
bedoeld in respectievelijk artikel 3, § 1, eerste lid, 1°,
artikel 3, § 2, eerste lid, 1°, of artikel 3, § 3, eerste lid,
2° réduire la fraction exigée visée à l’alinéa 2 sans
que celle-ci puisse être inférieure à 43/45 ou à une
fraction équivalente;
3° augmenter le pourcentage visé à l’alinéa 3 sans
que ce pourcentage puisse excéder 10 %.
Art. 5
La fraction visée à l’article 4 a comme dénominateur
celui qui a été utilisé pour le calcul, selon le cas, de
la pension de retraite personnelle, de la pension de
survie ou de l’allocation de transition attribuée dans
le régime de pension des travailleurs salariés exprimé
en jours équivalents temps pleins et comme numérateur
les jours équivalents temps plein pris en compte dans
le régime de pension des travailleurs salariés, après
application, selon le cas, de l’article 10bis de l’arrêté
royal n° 50, de l’article 5, § 1er, alinéa 3, de l’article 7, § 1er,
alinéa 4, ou de l’article 7bis, § 1er, alinéa 3, de l’arrêté
royal du 23 décembre 1996, sans que la fraction ainsi
obtenue ne puisse dépasser l’unité.
Si la carrière professionnelle remplit uniquement
les conditions visées respectivement à l’article 3, § 1er,
alinéa 1er, 2°, à l’article 3, § 1er, alinéa 5, à l’article 3,
§ 2, alinéa 1er, 2°, ou à l’article 3, § 3, alinéa 1er, 2°, il est
ajouté au numérateur de la fraction visée à l’alinéa 1er, un
nombre de jours effectivement prestés supplémentaires
fictifs qui est obtenu en:
1° prenant la différence, pour toutes les années civiles
individuelles antérieures à 2002, entre le nombre de jours
équivalents temps plein de l’année civile concernée et
ce nombre multiplié par le rapport 5/4, le résultat de
cette multiplication étant limité à 312;
2° additionnant les cinq plus grandes différences
obtenues après application du 1°.
Pour autant que l’application de cet alinéa soit plus
favorable et sans préjudice de l’alinéa 1er , la fraction est
égale à celle qui a été utilisée pour le calcul, selon le
cas, de la pension de retraite personnelle, de la pension
de survie ou de l’allocation de transition attribuée dans
le régime de pension des travailleurs salariés exprimée
en années civiles, après application, selon le cas, de
l’article 10bis de l’arrêté royal n° 50, de l’article 5, § 1er,
alinéa 3, de l’article 7, § 1er, alinéa 4, ou de l’article 7bis,
§ 1er, alinéa 3, de l’arrêté royal du 23 décembre 1996,
lorsque la carrière professionnelle remplit les conditions
visées à respectivement à l’article 3, § 1er, alinéa 1er,
1°, à l’article 3, § 2, alinéa 1er, 1°, ou à l’article 3, § 3,
alinéa 1er, 1°, sans que la fraction ainsi obtenue puisse
15
3808/009
DOC 55
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2023
2024
K A M E R • 6 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
1°, zonder dat de aldus bekomen breuk de eenheid kan
overschrijden. De teller is echter beperkt tot het aantal
kalenderjaren die elk ten minste 52 voltijdse dagequi-
valenten bevatten.
Afdeling 3
Opheffingsbepaling
Art. 6
Worden opgeheven:
1° de artikelen 152 en 153 van de wet van 8 augus-
tus 1980 betreffende de budgettaire voorstellen 1979-1980;
2° de artikelen 33 tot en met 34bis van de herstel-
wet van 10 februari 1981 inzake de pensioenen van de
sociale sector;
3° het koninklijk besluit van 28 september 2006 tot
uitvoering van de artikelen 33, 33bis, 34 en 34bis van
de herstelwet van 10 februari 1981 inzake pensioenen
van de sociale sector;
4° de wet van 6 juli 2016 tot toekenning van een premie
aan sommige begunstigden van een minimumpensioen
en tot verhoging van sommige minimumpensioenen, in
het werknemers- en zelfstandigenstelsel.
De in het eerste lid bedoelde bepalingen blijven even-
wel van toepassing op de pensioenen en overgangs-
uitkeringen die daadwerkelijk en voor de eerste maal
ingaan vóór de inwerkingtreding van dit hoofdstuk en
op de overlevingspensioenen die voortvloeien uit een
rustpensioen dat daadwerkelijk en voor de eerste maal
is ingegaan vóór deze datum.
Onverminderd het tweede lid, zijn de basisbedragen
bedoeld in artikel 4, eerste en tweede lid, van toepas-
sing op de gewaarborgde minimumpensioenen en ge-
waarborgde minimumovergangsuitkeringen die werden
toegekend krachtens de opgeheven bepalingen bedoeld
in het eerste lid.
Afdeling 4
Overgangsbepalingen en inwerkingtreding
Art. 7
De voorwaarde van daadwerkelijke tewerkstelling be-
doeld in artikel 3, § 1, eerste lid, en artikel 3, § 2, eerste lid,
dépasser l’unité. Le numérateur est cependant limité
au nombre d’années civiles qui comportent chacune au
minimum 52 jours équivalents temps plein.
Section 3
Disposition abrogatoire
Art. 6
Sont abrogés:
1° les articles 152 et 153 de la loi du 8 août 1980 rela-
tive aux propositions budgétaires 1979-1980;
2° les articles 33 à 34bis de la loi de redressement
du 10 février 1981 relative aux pensions du secteur social;
3° l’arrêté royal du 28 septembre 2006 portant exé-
cution des articles 33, 33bis, 34 et 34bis de la loi de
redressement du 10 février 1981 relative aux pensions
du secteur social;
4° la loi du 6 juillet 2016 accordant une prime à cer-
tains bénéficiaires d’une pension minimum et portant
augmentation de certaines pensions minima, dans les
régimes des travailleurs salariés et des travailleurs
indépendants.
Les dispositions visées à l’alinéa 1er restent toutefois
d’application aux pensions et allocations de transition
qui prennent cours effectivement et pour la première
fois avant l’entrée en vigueur du présent chapitre et
aux pensions de survie qui découlent d’une pension de
retraite qui a pris cours effectivement et pour la première
fois avant cette date.
Sans préjudice de l’alinéa 2, les montants de base
visés à l’article 4, alinéas 1er et 2, s’appliquent aux pen-
sions minimum garanties et aux allocations de transition
minimum garanties qui ont été attribuées en vertu des
dispositions abrogées visées à l’alinéa 1er.
Section 4
Dispositions transitoires et entrée en vigueur
Art. 7
La condition d’occupation effective, visée à l’article 3,
§ 1er, alinéa 1er, et l’article 3, § 2, alinéa 1er, n’est pas
3808/009
DOC 55
16
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2023
2024
K A M E R • 6 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
wordt niet toegepast op de rust- en overlevingspensi-
oenen vastgesteld op basis van de beroepsloopbaan:
1° van de personen geboren vóór 1 januari 1963;
2° van de personen, geboren vóór 1 januari 1969,
die op 1 januari 2025 aanspraak kunnen maken op
een gewaarborgd minimumpensioen overeenkomstig
de bepalingen bedoeld in artikel 6.
Art. 8
In afwijking van artikel 3, § 1, eerste lid, en artikel 3,
§ 2, eerste lid, en onverminderd de toepassing van
artikel 3, § 4, en artikel 7, bedraagt het vereiste aantal
daadwerkelijk gepresteerde voltijdse dagequivalenten:
voor de personen geboren in:
voor de toepassing van:
artikel 3, § 1, eerste lid, 1°, en artikel 3, § 2, eerste lid,
1°, artikel 3, § 1, eerste lid, 2°, en artikel 3, § 2, eerste
lid, 2°,
1963
1.250
780
1964
1.500
936
1965
1.750
1.092
1966
2.250
1.404
1967
2.750
1.716
1968
3.500
2.184
1969
4.250
2.652
Indien de beroepsloopbaan perioden bevat tijdens
welke betrokkene om medische redenen geen daad-
werkelijke tewerkstelling kan bewijzen stemt het vereiste
aantal daadwerkelijk gepresteerde voltijdse dagequi-
valenten overeen met het krachtens het artikel 3, § 4,
vastgestelde aantal voor zover het aldus bekomen
resultaat voordeliger is.
Art. 9
Dit hoofdstuk treedt in werking op 1 januari 2025 en
is van toepassing op de pensioenen en overgangsuit-
keringen die daadwerkelijk en voor de eerste maal ten
vroegste ingaan op 1 januari 2025, met uitzondering
van de overlevingspensioenen die voortvloeien uit een
rustpensioen dat daadwerkelijk en voor de eerste maal
is ingegaan vóór deze datum.
appliquée aux pensions de retraite et de survie déter-
minées sur la base de la carrière professionnelle:
1° des personnes nées avant le 1er janvier 1963;
2° des personnes, nées avant le 1er janvier 1969, qui
au 1er janvier 2025 peuvent prétendre à une pension
minimum garantie conformément aux dispositions visées
à l’article 6.
Art. 8
Par dérogation à l’article 3, § 1er, alinéa 1er, et à l’ar-
ticle 3, § 2, alinéa 1er, et sans préjudice de l’application de
l’article 3, § 4, et de l’article 7, le nombre requis de jours
équivalents temps plein effectivement prestés est de:
pour les personnes nées:
pour l’application de:
article 3, § 1er, alinéa 1er, 1°, et article 3, § 2, alinéa 1er,
1°, article 3, § 1er, alinéa 1er, 2°, et article 3, § 2, alinéa 1er,
2°,
1963
1.250
780
1964
1.500
936
1965
1.750
1.092
1966
2.250
1.404
1967
2.750
1.716
1968
3.500
2.184
1969
4.250
2.652
Si la carrière professionnelle comporte des périodes
au cours desquelles l’intéressé ne peut pas justifier
d’une occupation effective pour des raisons médicales,
le nombre requis de jours équivalents temps plein effec-
tivement prestés correspond au nombre fixé conformé-
ment à l’article 3, § 4, dans la mesure où le résultat ainsi
obtenu est plus favorable.
Art. 9
Ce chapitre entre en vigueur le 1er janvier 2025 et est
applicable aux pensions et aux allocations de transition
qui prennent cours effectivement et pour la première fois
au plus tôt le 1er janvier 2025, à l’exception des pensions
de survie qui découlent d’une pension de retraite qui a
pris cours effectivement et pour la première fois avant
cette date.
17
3808/009
DOC 55
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2023
2024
K A M E R • 6 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
HOOFDSTUK 2
Het gewaarborgd minimum
in de pensioenregelingen van de overheidssector
Afdeling 1
Wijzigingsbepalingen
Art. 10
Artikel 119 van de wet van 26 juni 1992 houdende
sociale en diverse bepalingen wordt aangevuld met een
paragraaf 5, luidende als volgt:
“§ 5. Onder “werkelijk gepresteerde diensten” moet
worden verstaan:
— de perioden van werkelijk gepresteerde diensten;
— de perioden van verlof of afwezigheid met behoud
van de volledige bezoldiging;
— de perioden van loopbaanonderbreking met toe-
kenning van een onderbrekingsuitkering ten laste van
de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening of een andere
federale instelling:
a) teneinde palliatieve zorg te verstrekken;
b) voor ouderschapsverlof;
c) voor het bijstaan of verzorgen van een gezinslid
of een familielid tot in de tweede graad dat lijdt aan een
ernstige ziekte;
d) voor mantelzorg;
— de perioden bedoeld in de artikelen 5 en 6 van het
besluit van de Vlaamse regering van 26 juli 2016 tot toe-
kenning van onderbrekingsuitkeringen voor zorgkrediet;
— de perioden:
a) van preventieve werkverwijdering om gezondheids-
redenen;
b) van omgezette moederschapsrust;
c) van geboorteverlof;
d) van adoptieverlof;
e) van pleegouderverlof;
f) van borstvoedingsverlof;
CHAPITRE 2
Le minimum garanti
dans les régimes de pension du secteur public
Section 1re
Dispositions modificatives
Art. 10
L’article 119 de la loi du 26 juin 1992 portant des
dispositions sociales et diverses est complété par un
paragraphe 5 rédigé comme suit:
“§ 5. Par “services réellement prestés”, il faut entendre:
— les périodes de services réellement prestés;
— les périodes de congé ou d’absence avec maintien
de la rémunération intégrale;
— les périodes d’interruption de carrière avec octroi
d’une allocation d’interruption à charge de l’Office National
de l’Emploi ou d’un autre organisme fédéral:
a) en vue d’assurer des soins palliatifs;
b) pour congé parental;
c) pour assistance ou octroi de soins à un membre
de son ménage ou à un membre de sa famille jusqu’au
deuxième degré qui souffre d’une maladie grave;
d) pour aidant proche;
— les périodes visées aux articles 5 et 6 de l’arrêté du
gouvernement flamand du 26 juillet 2016 portant octroi
d’allocations d’interruption pour crédit-soins;
— les périodes:
a) d’écartement préventif du travail pour raisons
de santé;
b) du repos de maternité converti;
c) du congé de naissance;
d) du congé d’adoption;
e) du congé parental d’accueil;
f) de congé d’allaitement;
3808/009
DOC 55
18
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2023
2024
K A M E R • 6 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
g) van ziekteverlof vóór de uitputting van het
ziektekapitaal;
h) van verminderde prestaties wegens medische
redenen.
De duur van de in het eerste lid bedoelde diensten
wordt vastgesteld overeenkomstig de bepalingen van
het koninklijk besluit nr. 206 van 29 augustus 1983 tot
regeling van de berekening van het pensioen van de
openbare sector voor diensten met onvolledige opdracht.
Onder “werkelijk gepresteerde diensten” moet even-
eens worden verstaan:
— de daadwerkelijk gepresteerde voltijdse dagequiva-
lenten bedoeld in artikel 2, 10°, a) en b), van de wet van
xxxxxxxxx houdende de hervorming van de pensioenen,
omgezet in maanden;
— de met daadwerkelijk gepresteerde voltijdse da-
gequivalenten gelijkgestelde perioden bedoeld in ar-
tikel 3, § 5, derde lid en zevende lid, van de wet van
xxxxxxxxxxxx houdende de hervorming van de pensi-
oenen, omgezet in maanden.
Art. 11
In artikel 120 van dezelfde wet, laatstelijk gewijzigd
bij het koninklijk besluit van 20 december 2020, worden
de volgende wijzigingen aangebracht:
1° de woorden “en die de leeftijd van 60 jaar hebben
bereikt,” worden vervangen door de woorden “, die de
leeftijd van 60 jaar hebben bereikt en 189 maanden
werkelijk gepresteerde diensten kunnen bewijzen,”;
2° het artikel wordt aangevuld met twee leden, luidende:
“Indien de loopbaan perioden bevat tijdens welke
de betrokkene om gezondheidsredenen geen werkelijk
gepresteerde diensten kan bewijzen, dan wordt een
lager aantal dan het in het eerste lid bedoelde aantal
van 189 maanden werkelijk gepresteerde diensten
vereist. Het aantal maanden werkelijk gepresteerde
diensten wordt vastgesteld in functie van de loopbaan:
1° indien de loopbaan meer dan 60 maar minder
dan 360 maanden bevat tijdens welke betrokkene om
gezondheidsredenen geen werkelijk gepresteerde dien-
sten kan bewijzen, is de vermindering gelijk aan het
tot de hogere eenheid afgerond resultaat, bekomen
door het product van 100/312 met het verschil tus-
sen het aantal maanden tijdens welke betrokkene om
g) du congé de maladie avant épuisement du capital
congé de maladie;
h) de prestations réduites pour raisons médicales.
La durée des services visés à l’alinéa 1er est éta-
blie conformément aux dispositions de l’arrêté
royal n° 206 du 29 août 1983 réglant le calcul de la
pension du secteur public pour les services à prestations
incomplètes.
Par “services effectivement prestés”, il faut également
entendre:
— les jours équivalents temps plein effectivement pres-
tés visés à l’article 2, 10°, a) et b), de la loi du xxxxxxxxxx
portant la réforme des pensions, convertis en mois;
— les périodes assimilées aux jours équivalents
temps plein effectivement prestés visés à l’article 3, § 5,
alinéas 3 et 7, de la loi du xxx xxxxxxxxx xxx portant la
réforme des pensions, converties en mois.
Art. 11
À l’article 120 de la même loi, modifié en dernier lieu
par l’arrêté royal du 20 décembre 2020, les modifications
suivantes sont apportées:
1° les mots “et ayant atteint l’âge de 60 ans” sont rem-
placés par les mots “, ayant atteint l’âge de 60 ans et pou-
vant prouver 189 mois de services réellement prestés.”;
2° l’article est complété par deux alinéas rédigés
comme suit:
“Si la carrière comporte des périodes au cours des-
quelles, pour des raisons de santé, l’intéressé ne peut
pas prouver de services réellement prestés, un nombre
inférieur de mois au nombre de 189 mois de services
réellement prestés visé à l’alinéa 1er est requis. Le nombre
de mois de services réellement prestés est déterminé
en fonction de la carrière:
1° si la carrière comporte plus de 60 mois mais moins
de 360 mois au cours desquels, pour des raisons de
santé, l’intéressé ne peut pas prouver des services
réellement prestés, la réduction est égale au résultat,
arrondi à l’unité supérieure, du produit de 100/312 par
le résultat de la différence entre le nombre de mois au
cours desquels l’intéressé ne peut pas prouver des
19
3808/009
DOC 55
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2023
2024
K A M E R • 6 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
gezondheidsredenen geen werkelijk gepresteerde dien-
sten kan bewijzen en 60 maanden;
2° indien de loopbaan minstens 360 maanden bevat
tijdens welke betrokkene om gezondheidsredenen
geen werkelijk gepresteerde diensten kan bewijzen,
is het vereiste aantal maanden werkelijk gepresteerde
diensten gelijk aan het tot de hogere eenheid afgerond
resultaat, bekomen door het verschil tussen 540 maan-
den en het aantal maanden tijdens welke betrokkene
om gezondheidsredenen geen werkelijk gepresteerde
diensten kan bewijzen te vermenigvuldigen met het
product van 250/312 met 30/45.
Voor de vaststelling van de perioden tijdens welke
betrokkene om gezondheidsredenen geen werkelijk
gepresteerde diensten kan bewijzen, moet eveneens
rekening gehouden worden met de perioden bedoeld
in artikel 3, § 4, vierde lid, 1° tot en met 4°, van de wet
van xxxxxxxxxxxxxxxxx houdende de hervorming van
de pensioenen, omgezet in maanden..”.
Art. 12
In artikel 124 van dezelfde wet, laatstelijk gewijzigd bij
de wetten van 30 december 1992, 5 april 1994 en 3 fe-
bruari 2003, worden de woorden “van de wet
van 5 april 1994 houdende regeling van de cumulatie
van pensioenen van de openbare sector met inkomsten
voortvloeiend uit de uitoefening van een beroepsactiviteit
of met een vervangingsinkomen” vervangen door de
woorden “van titel 8, hoofdstuk 1 van de programmawet
van 28 juni 2013”.
Afdeling 2
Overgangsbepalingen
Art. 13
De voorwaarde van werkelijk gepresteerde dien-
sten bedoeld in artikel 120, eerste lid, van de wet
van 26 juni 1992 houdende sociale en diverse bepalin-
gen, zoals gewijzigd bij artikel 11, wordt niet toegepast
op de rustpensioenen van:
1° de personen geboren vóór 1 januari 1963;
2° de personen, geboren na 31 december 1962 en vóór
1 januari 1969, die op 1 januari 2025 minstens 20 pen-
sioenaanspraakverlenende dienstjaren kunnen laten
gelden.
services réellement prestés pour des raisons de santé
et 60 mois;
2° si la carrière comporte au moins 360 mois au
cours desquels, pour des raisons de santé, l’intéressé
ne peut pas prouver des services réellement prestés, le
nombre requis de mois réellement prestés est égal au
résultat, arrondi à l’unité supérieure, obtenu en multi-
pliant la différence entre 540 mois et le nombre de mois
au cours desquels l’intéressé ne peut pas prouver des
services réellement prestés pour des raisons de santé
par le produit de 250/312 par 30/45.
Pour la détermination des périodes pendant lesquelles
l’intéressé ne peut pas prouver des services effectifs pour
des raisons de santé, il faut également tenir compte des
périodes visées à l’article 3, § 4, alinéa 4, 1° à 4°, de la
loi du xxxxxxxxxxxxxx portant la réforme des pensions,
converties en mois.”.
Art. 12
Dans l’article 124 de la même loi, modifié par les lois
du 30 décembre 1992, du 5 avril 1994 et du 3 février 2003,
les mots “de la loi du 5 avril 1994 régissant le cumul des
pensions du secteur public avec des revenus provenant
de l’exercice d’une activité professionnelle ou avec un
revenu de remplacement” sont remplacés par les mots “du
titre 8, chapitre 1er de la loi-programme du 28 juin 2013”.
Section 2
Dispositions transitoires
Art. 13
La condition de services réellement prestés visée à
l’article 120, alinéa 1er, de la loi du 26 juin 1992 portant
des dispositions sociales et diverses, tel que modifié par
l’article 11, n’est pas appliquée aux pensions de retraite:
1° des personnes nées avant le 1er janvier 1963;
2° des personnes, nées après le 31 décembre 1962 et
avant le 1er janvier 1969, qui au 1er janvier 2025 peuvent
faire valoir au moins 20 années de services admissibles
pour l’ouverture du droit à la pension.
3808/009
DOC 55
20
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2023
2024
K A M E R • 6 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
Art. 14
In afwijking van artikel 120, eerste lid van de wet
van 26 juni 1992 houdende sociale en diverse bepalin-
gen, zoals gewijzigd bij artikel 11, 1°, wordt het vereiste
aantal maanden werkelijk gepresteerde diensten voor
de in het jaar 1969 geboren personen en voor de in
de jaren 1963 tot en met 1968 geboren personen die
op 1 januari 2025 geen 20 pensioenaanspraakverlenende
dienstjaren kunnen laten gelden vastgesteld als volgt:
Voor de personen geboren in:
Vereiste aantal maanden werkelijk gepresteerde
diensten:
1963
47,25
1964
56,75
1965
66,25
1966
85,00
1967
104,00
1968
132,50
1969
160,75
Indien de loopbaan perioden bevat tijdens welke
de in het eerste lid bedoelde personen om medische
redenen geen daadwerkelijke tewerkstelling kunnen
bewijzen, stemt het vereiste aantal maanden werkelijk
gepresteerde diensten overeen met het aantal dat wordt
vastgesteld overeenkomstig artikel 120, tweede lid, van
de wet van 26 juni 1992 houdende sociale en diverse
bepalingen, zoals gewijzigd bij artikel 11, 2°, voor zover
het aldus verkregen resultaat voordeliger is dan het in
het eerste lid bepaalde aantal maanden.
Afdeling 3
Inwerkingtreding
Art. 15
Dit hoofdstuk treedt in werking op 1 januari 2025 en is
van toepassing op de rustpensioenen die daadwerkelijk
en voor de eerste maal ten vroegste op 1 januari 2025 in-
gaan, met uitzondering van artikel 12, dat uitwerking
heeft met ingang van 1 januari 2013.
Art. 14
Par dérogation à l’article 120, alinéa 1er, de la loi
du 26 juin 1992 portant des dispositions sociales et
diverses, tel que modifié par l’article 11, 1°, le nombre
de mois de services réellement prestés requis pour
les personnes nées en 1969 et pour les personnes
nées dans les années 1963 jusqu’à 1968 compris, qui
au 1er janvier 2025 ne peuvent pas faire valoir 20 années
de services admissibles pour l’ouverture du droit à la
pension est fixé comme suit:
Pour les personnes nées en:
Nombre de mois de services réellement prestés requis:
1963
47,25
1964
56,75
1965
66,25
1966
85,00
1967
104,00
1968
132,50
1969
160,75
Si la carrière comporte des périodes au cours des-
quelles les personnes visées à l’alinéa 1er, ne peuvent
pas justifier d’une occupation effective pour des raisons
de santé, le nombre requis de mois de services réelle-
ment prestés correspond au nombre fixé conformément
à l’article 120, alinéa 2, de la loi du 26 juin 1992 portant
des dispositions sociales et diverses, tel que modifié
par l’article 11, 2°, dans la mesure où le résultat ainsi
obtenu est plus favorable que le nombre de mois visés
à l’alinéa 1er.
Section 3
Entrée en vigueur
Art. 15
Ce chapitre entre en vigueur le 1er janvier 2025 et
est applicable aux pensions de retraite qui prennent
cours effectivement et pour la première fois au plus tôt
le 1er janvier 2025, à l’exception de l’article 12 qui produit
ses effets au 1er janvier 2013.
21
3808/009
DOC 55
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2023
2024
K A M E R • 6 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
HOOFDSTUK 3
Het minimumpensioen
in de regeling voor zelfstandigen
Afdeling 1
Wijzigingen van de wet van 15 mei 1984 houdende
maatregelen tot harmonisering in de pensioenregelingen
Art. 16
Artikel 118 van de wet van 15 mei 1984 houdende
maatregelen tot harmonisering in de pensioenregelingen,
wordt vervangen als volgt:
“Voor de toepassing van deze wet moet verstaan
worden onder:
1° “het koninklijk besluit nr. 72”: het koninklijk be-
sluit nr. 72 van 10 november 1967 betreffende het rust- en
overlevingspensioen der zelfstandigen;
2° “de wet van…xxxxxxxxxxxxx“: de wet van
xxxxxxxxxxxxx… houdende de hervorming van de
pensioenen.”
Art. 17
In artikel 131bis van dezelfde wet,ingevoegd bij de
wet van 22 december 1989 en laatstelijk gewijzigd bij
de wet van 26 april 2019, wordt een paragraaf 1nonies
ingevoegd, luidende:
“§ 1nonies. Vanaf 1 januari 2025 zijn de in § 1octies
bedoelde bedragen gelijk aan de in artikel 4, eerste lid,
1° en 2°, van de wet van xxxxxxxxxxxx… bedoelde be-
dragen voor wat het rustpensioen betreft, en aan het in
artikel 4, eerste lid, 3°, van dezelfde wet bedoeld bedrag,
voor wat betreft het overlevingspensioen.”
Art. 18
In artikel 131ter van dezelfde wet, ingevoegd bij de
wet van 24 april 2014 en laatstelijk gewijzigd bij de wet
van 27 november 2022, worden de volgende wijzigingen
aangebracht:
1° § 1, eerste lid, 2°, wordt aangevuld met de woorden
“doch zonder dat die breuk de eenheid mag overschrijden”;
2° Paragraaf 1bis wordt aangevuld met een lid,
luidende:
CHAPITRE 3
La pension minimum
dans le régime des travailleurs indépendants
Section 1re
Modifications de la loi du 15 mai 1984 portant
mesures d’harmonisation dans les régimes de pensions
Art. 16
L’article 118 de la loi du 15 mai 1984 mesures d’har-
monisation dans les régimes de pension, est remplacé
par ce qui suit:
“Pour l’application de la présente loi, il y a lieu d’en-
tendre par:
1° “arrêté royal n° 72”: l’arrêté royal n° 72 du 10 no-
vembre 1967 relatif à la pension de retraite et de survie
des travailleurs indépendants;
2° “la loi du…xxxxxxxxxxxxxx”: la loi du…xxxxxxxxxxxx
portant la réforme des pensions.”
Art. 17
À l’article 131bis de la même loi, inséré par la loi du
22 décembre 1989 et modifié en dernier lieu par la loi
du 26 avril 2019, un paragraphe 1ernonies est inséré,
rédigé comme suit:
“§ 1ernonies. A partir du 1er janvier 2025, les montants
visés au § 1erocties sont égaux aux montants visés à
l’article 4, alinéa 1er, 1° et 2°, de la loi du…xxxxxxxxxxxx,
en ce qui concerne la pension de retraite et à l’article 4,
alinéa 1er, 3°, de la même loi, en ce qui concerne la
pension de survie.”
Art. 18
À l’article 131ter de la même loi, inséré par la loi
du 24 avril 2014 et modifié en dernier lieu par la loi
du 27 novembre 2022, les modifications suivantes sont
apportées:
1° le paragraphe 1er , alinéa 1er, 2°, est complété par
les mots “sans toutefois que cette fraction ne dépasse
l’unité”;
2° le paragraphe1erbis est complété par un alinéa,
rédigé comme suit:
3808/009
DOC 55
22
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2023
2024
K A M E R • 6 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
“Vanaf 1 januari 2025 zijn de bedragen bedoeld in het
eerste lid gelijk aan de bedragen bedoeld in artikel 4,
eerste lid, 1° en 2°, van de wet van…xxxxxxxxxxxx, voor
wat betreft de rustpensioenen, en aan het in artikel 4,
eerste lid, 3°, van dezelfde wet bedoeld bedrag, voor
wat betreft het overlevingspensioen.”;
3° In paragraaf 1ter, eerste lid, worden de woor-
den “de bepalingen van artikel 5, § 4, of van artikel 6,
tweede lid, of van artikel 9, derde lid, van het koninklijk
besluit van 28 september 2006 tot uitvoering van de
artikelen 33, 33bis, 34 en 34bis van de Herstelwet
van 10 februari 1981 inzake pensioenen van de sociale
sector” vervangen door de woorden “de bepalingen van
artikel 3, § 1, derde lid, van de wet van…xxxxxxxxxxxxx.”;
4° In paragraaf 1ter, tweede lid, worden de woorden
“bedoeld in artikel 152 van de wet van 8 augustus 1980 be-
treffende de budgettaire voorstellen 1979-1980, voor wat
het rustpensioen betreft, of in artikel 33 van de Herstelwet
van 10 februari 1981 inzake de pensioenen van de so-
ciale sector,” vervangen door de woorden “bedoeld in
artikel 4, eerste lid, van de wet van…xxxxxxxxxxxxxx”.
Art. 19
Artikel 131quater van dezelfde wet, ingevoegd bij de
wet van 6 juli 2016 en gewijzigd bij de wet van 3 sep-
tember 2017, wordt vervangen als volgt:
“Artikel 131quater. § 1. Vanaf 1 januari 2017 worden
de rust- en overlevingspensioenen toegekend krachtens
artikel 131bis of 131ter, naargelang het geval, verhoogd
met 0,7 % voor zover de breuk die in aanmerking genomen
werd voor de berekening van het rust- of overlevings-
pensioen in de pensioenregeling voor zelfstandigen,
in voorkomend geval vermeerderd met de breuk die
gebruikt wordt of die gebruikt zou moeten worden voor
de berekening van het gewaarborgd minimumpensioen
van dezelfde aard ten laste van de pensioenregeling
voor werknemers, naargelang het geval, overeenkom-
stig de artikelen 152 of 153 van de wet van 8 augus-
tus 1980 betreffende de budgettaire voorstellen 1979-
1980 of de artikelen 33, 33bis, 34 en 34bis van de
herstelwet van 10 februari 1981 inzake de pensioenen
van de sociale sector, naargelang het geval, en zoals
van toepassing vóór 1 januari 2025, op dezelfde noemer
gebracht, de eenheid bereikt.
Wanneer een rust- of overlevingspensioen toegekend
krachtens artikel 131bis of 131ter, naargelang het geval,
niet voldoet aan de voorwaarde bedoeld in het eerste lid,
zijn de bedragen bedoeld in artikel 131bis, § 1octies,
en 131ter, § 1bis, eerste lid, gelijk aan de in artikel 33 van
de herstelwet van 10 februari 1981 inzake de pensioenen
“À partir du 1er janvier 2025, les montants visés à
l’alinéa 1er sont égaux aux montants visés à l’article 4,
alinéa 1er, 1° et 2°, de la loi du…xxxxxxxxxxx, en ce qui
concerne la pension de retraite et à l’article 4, alinéa 1er,
3°, de la même loi, en ce qui concerne la pension de
survie.”;
3° Au paragraphe 1ter, alinéa 1er, les mots “aux dis-
positions de l’article 5, § 4, ou de l’article 6, alinéa 2,
ou de l’article 9, alinéa 3, de l’arrêté royal du 28 sep-
tembre 2006 portant exécution des articles 33, 33bis,
34 et 34bis de la loi de redressement du 10 février 1981 re-
lative aux pensions du secteur social.” sont remplacés
par “aux dispositions de l’article 3, § 1er , alinéa 3, de la
loi du….xxxxxxxxxxxxxx”;
4° au paragraphe 1ter, alinéa 2, les mots “visés à
l’article 152 de la loi du 8 août 1980 relative aux propo-
sitions budgétaires 1979-1980, en ce qui concerne la
pension de retraite, ou à l’article 33 de la loi de redresse-
ment du 10 février 1981 relative aux pensions du secteur
social,” sont remplacés par les mots “visés à l’article 4,
alinéa 1er, de la loi du…xxxxxxxxxxxxxx”.
Art. 19
L’article 131quater de la même loi, inséré par la loi
du 6 juillet 2016 et modifié par la loi du 3 septembre 2017,
est remplacé par ce qui suit:
“Article 131quater. § 1er. À partir du 1er janvier 2017,
les pensions de retraite et de survie attribuées en vertu,
selon le cas, de l’article 131bis ou 131ter sont majorées
de 0,7 % pour autant que la fraction qui a servi au calcul
de la pension de retraite ou de survie à charge du régime
de pension des travailleurs indépendants augmentée,
le cas échéant, de la fraction utilisée ou qui devrait être
utilisée pour le calcul de la pension minimum garantie
de même nature à charge du régime de pension des
travailleurs salariés attribuée, selon le cas, conformément
aux articles 152 ou 153 de la loi du 8 août 1980 rela-
tive aux propositions budgétaires 1979-1980 ou aux
articles 33, 33bis, 34 et 34bis de la loi de redressement
du 10 février 1981 relative aux pensions du secteur social,
tels qu’ils étaient d’application avant le 1er janvier 2025,
portées au même dénominateur, atteigne l’unité.
Lorsqu’une pension de retraite ou de survie attribuée,
en vertu, selon le cas, de l’article 131bis ou 131ter, ne
remplit pas la condition visée à l’alinéa 1er, les montants
visés à l’article 131bis, § 1erocties, et 131ter, § 1er bis,
alinéa 1er, sont égaux aux montants visés à l’article 33 de
la loi de redressement du 10 février 1981 relative aux
23
3808/009
DOC 55
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2023
2024
K A M E R • 6 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
van de sociale sector bedoelde bedragen wanneer het
gaat om een rustpensioen en aan het in artikel 34 van
dezelfde wet, zoals van toepassing vóór 1 januari 2025,
bedoelde bedrag wanneer het gaat om een overlevings-
pensioen onverminderd artikel 6, derde lid, van de wet
van…xxxxxxxxxxxx.
§ 2. Vanaf 1 januari 2025, worden de rust- en overle-
vingspensioenen, toegekend krachtens artikel 131sexies,
waarvan de breuk die in aanmerking genomen werd voor
de berekening van het rust- of overlevingspensioen in de
pensioenregeling voor zelfstandigen en, in voorkomend
geval, vermeerderd met, enerzijds, de breuk die het aantal
kwartalen uitdrukt waarvoor een vrijstelling van bijdra-
gen in de zin van het koninklijk besluit nr. 38 houdende
inrichting van het sociaal statuut der zelfstandigen, werd
toegekend in het kader van de COVID-19-crisis tijdens
de periode van 1 januari 2020 tot 31 maart 2022 en,
anderzijds, met de breuk die gebruikt wordt of die zou
moeten gebruikt worden voor de berekening van het ge-
waarborgd minimumpensioen van dezelfde aard ten laste
van de pensioenregeling voor werknemers en toegekend
krachtens artikel 5 van de wet van…xxxxxxxxxxxxxx,
op dezelfde noemer gebracht, de eenheid bereikt, bere-
kend aan de hand van de bedragen bedoeld in artikel 4,
tweede en derde lid, van dezelfde wet.
Wanneer een rust- of overlevingspensioen toegekend
krachtens artikel 131sexies niet voldoet aan de voor-
waarde bedoeld in het eerste lid, worden zij berekend
aan de hand van de bedragen bedoeld in artikel 4,
eerste lid, 1° en 2°, van de wet van ... wanneer het gaat
om een rustpensioen en aan het in artikel 4, eerste lid,
3°, van dezelfde wet bedoeld bedrag wanneer het gaat
om een overlevingspensioen.
§ 3. De Koning kan bij besluit na overleg in de
Ministerraad:
1° de breuk vereist voor de toepassing van paragraaf 1,
eerste lid, en van paragraaf 2, eerste lid, verlagen zonder
dat deze lager kan zijn dan 43/45 of een gelijkwaardige
breuk;
2° het in paragraaf 1 eerste lid bedoelde percen-
tage verhogen zonder dat dit percentage 10 % kan
overschrijden.”
Art. 20
In artikel 131quinquies, § 2, van dezelfde wet, inge-
voegd bij de wet van 27 november 2022, wordt aangevuld
een vierde lid ingevoegd, luidende:
pensions du secteur social, lorsqu’il s’agit d’une pension
de retraite et au montant visé à l’article 34 de la même loi,
tels qu’ils étaient d’application avant le 1er janvier 2025,
lorsqu’il s’agit d’une pension de survie, sans préjudice
de l’article 6, alinéa 3 de loi du…xxxxxxxxxxxxxxxx.
§ 2. À partir du 1er janvier 2025, les pensions de retraite
et de survie attribuées en vertu de l’article 131sexies
dont la fraction qui a servi au calcul de la pension de
retraite ou de survie à charge du régime de pension des
travailleurs indépendants augmentée, le cas échéant,
d’une part, avec la fraction qui exprime le nombre de
trimestres pour lesquels une dispense de cotisations,
au sens de l’arrêté royal n° 38 organisant le statut social
des travailleurs indépendants, a été octroyée dans le
cadre de la crise du COVID-19 au cours de la période
du 1er janvier 2020 au 31 mars 2022, et d’autre part,
de la fraction utilisée ou qui devrait être utilisée pour le
calcul de la pension minimum garantie de même nature
à charge du régime de pension des travailleurs salariés
et attribuée, conformément à l’article 5 de la loi du…
xxxxxxxxxxxxx, portées au même dénominateur, atteint
l’unité, sont calculées sur la base des montants visés à
l’article 4, alinéa 2 et 3, de la même loi.
Lorsqu’une pension de retraite ou de survie attribuée
en vertu de l’article 131sexies ne remplit pas la condition
visée à l’alinéa 1er, elles sont calculées sur la base des
montants visés à l’article 4, alinéa 1er, 1° et 2° de la loi
du ..., lorsqu’il s’agit d’une pension de retraite et sur la
base de l’article 4, alinéa 1er, 3°, lorsqu’il s’agit d’une
pension de survie.
§ 3. Le Roi peut, par arrêté, délibéré en Conseil des
ministres:
1° réduire la fraction exigée pour l’application du
paragraphe 1er, alinéa 1er, et du paragraphe 2, alinéa 1er,
sans que celle-ci puisse être inférieure à 43/45 ou à une
fraction équivalente;
2° augmenter le pourcentage visé au paragraphe1er,
alinéa 1er, sans que ce pourcentage puisse excéder 10 %.”
Art. 20
À l’article 131quinquies, § 2, de la même loi, inséré
par la loi du 27 novembre 2022, est complété par un
alinéa, rédigé comme suit:
3808/009
DOC 55
24
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2023
2024
K A M E R • 6 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
“Vanaf 1 januari 2025 wordt het minimumpensioen
bedoeld in het eerste en het tweede lid, berekend aan
de hand van de bedragen, bedoeld in artikel 4, eerste lid,
1° of 2°, van de wet van…xxxxxxxxxxxxxxx.”
Art. 21
Een nieuw artikel 131sexies wordt in dezelfde wet
ingevoegd, luidende:
“Art. 131sexies. § 1. Met ingang van 1 januari 2025
wordt aan de gerechtigde op een rust- of overlevingspen-
sioen als zelfstandige, een minimumpensioen verleend op
voorwaarde dat hij, naargelang het geval, in zijn hoofde
of in hoofde van de overleden echtgenoot, voldoet aan
de volgende cumulatieve voorwaarden:
1° een beroepsloopbaan bewijzen die ten minste
gelijk is aan twee derde van een volledige loopbaan
zoals voorzien in artikel 131ter, § 1, 2°;
2° een beroepsloopbaan bewijzen die ten min-
ste 64 kwartalen van effectieve of daarmee gelijkstelde
beroepsbezigheid bevat, hetzij alleen in de regeling voor
zelfstandigen, hetzij samen in de regeling voor zelf-
standigen en in een of meerdere regelingen waarop de
Europese Verordeningen van toepassing zijn of waarop
een internationale overeenkomst die geheel of gedeelte-
lijk betrekking heeft op de pensioenen van werknemers
of zelfstandigen en waar België door gebonden is, van
toepassing is, die, in voorkomend geval, verminderd
wordt wanneer de loopbaan kwartalen bevat die gelijk-
gesteld werden krachtens artikel 29 van het koninklijk
besluit van 22 december 1967 houdende algemeen
reglement betreffende het rust- en overlevingspensioen
der zelfstandigen.
Nochtans wordt voor de gerechtigden op een over-
levingspensioen van wie de echtgenoot overleden is
vóór 31 december van het jaar voorafgaand aan datgene
waarin hij de pensioenleeftijd, bedoeld in artikel 3, § 1,
§ 1bis of § 1ter, van het koninklijk besluit van 30 janu-
ari 1997 betreffende het pensioenstelsel der zelfstan-
digen met toepassing van de artikelen 15 en 27 van de
wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale
zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de
wettelijke pensioenstelsels en van artikel 3, §1, 4°, van
de wet van 26 juli 1996 strekkende tot realisatie van de
budgettaire voorwaarden tot deelname van België aan
de Europese en Monetaire Unie, naargelang het geval,
bereikt heeft, en zonder in het genot geweest te zijn van
een vervroegd rustpensioen als zelfstandige, het vereiste
aantal kwartalen van effectieve beroepsbezigheid als
zelfstandige vermenigvuldigd met een breuk waarvan
de teller overeenstemt met het aantal kalenderjaren dat
“À partir du 1er janvier 2025, la pension minimum
visée aux alinéas 1er et 2 est calculée sur la base des
montants visés à l’article 4, alinéa 1er, 1° ou 2°, de la loi
du….xxxxxxxxxxxxxx”
Art. 21
Un nouvel article 131sexies est inséré dans la même
loi, rédigé comme suit:
“Art. 131sexies. § 1er. À partir du 1er janvier 2025, une
pension minimum est allouable au bénéficiaire d’une
pension de retraite ou d’une pension de survie de tra-
vailleur indépendant à la condition qu’il réponde dans
son propre chef ou dans le chef de son conjoint défunt,
selon le cas, aux conditions cumulatives suivantes:
1° prouver une carrière professionnelle au moins
égale aux deux tiers d’une carrière complète telle que
prévue à l’article 131ter, § 1er, 2°;
2° prouver une carrière professionnelle qui comporte
au moins 64 trimestres de travail effectif ou y assimilés,
soit dans le seul régime des travailleurs indépendants, soit
ensemble dans le régime des travailleurs indépendants
et dans un ou plusieurs régimes qui relèvent du champ
d’application des règlements européens ou auxquels
s’applique une convention internationale concernant
totalement ou partiellement les pensions des travailleurs
salariés ou indépendants et par laquelle la Belgique est
liée, et qui, le cas échéant, est réduite quand la carrière
contient des trimestres assimilés en vertu de l’article 29 de
l’arrêté royal du 22 décembre 1967 portant règlement
général relatif à la pension de retraite et de survie des
travailleurs indépendants.
Néanmoins, pour les bénéficiaires d’une pension de
survie dont le conjoint est décédé avant le 31 décembre
de l’année précédant celle au cours de laquelle il atteint
l’âge de la retraite visé à l’article 3, § 1er, § 1bis ou § 1ter,
de l’arrêté royal du 30 janvier 1997 relatif au régime de
pension des travailleurs indépendants en application
des articles 15 et 27 de la loi du 26 juillet 1996 portant
modernisation de la sécurité sociale et assurant la viabilité
des régimes légaux de pensions et de l’article 3, § 1er, 4°,
de la loi du 26 juillet 1996 visant à réaliser les conditions
budgétaires de la participation de la Belgique à l’Union
économique et monétaire européenne, selon le cas, et
sans avoir bénéficié d’une pension anticipée en tant
qu’indépendant, le nombre requis de trimestre d’activité
professionnelle effective d’indépendant est multiplié par
une fraction dont le numérateur correspond au nombre
d’années civiles comprises dans la période prenant cours
le 1er janvier de l’année du vingtième anniversaire du
25
3808/009
DOC 55
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2023
2024
K A M E R • 6 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
begrepen is in de periode die aanvangt op 1 januari van
het jaar van de twintigste verjaardag van de overleden
echtgenoot en die eindigt op 31 december van het jaar
voorafgaand aan dat waarin hij overleden is en waarvan
de noemer gelijk is aan 45.
§ 2. Wanneer de gerechtigde op een rust- of overle-
vingspensioen als zelfstandige die, in zijn hoofde of in
hoofde van zijn overleden echtgenoot, een beroepsloop-
baan bewijst, hetzij als zelfstandige en als werknemer,
hetzij als zelfstandige, als werknemer en als ambtenaar,
voldoet aan de voorwaarden betreffende het aantal te
bewijzen dagen van daadwerkelijk gepresteerde voltijd-
sequivalenten, bedoeld in artikel 3, § 1, § 2 en § 4, van
de wet van …, wordt hij geacht eveneens te voldoen aan
de voorwaarden, bedoeld in paragraaf 1, 2°.
Wanneer de gerechtigde op een rust- of overlevings-
pensioen als zelfstandige die, in zijn hoofde of in hoofde
van zijn overleden echtgenoot, een beroepsloopbaan
bewijst als zelfstandige en als ambtenaar, voldoet aan
de voorwaarde betreffende het aantal maanden wer-
kelijk gepresteerde diensten, bedoeld in artikel 120 van
de wet van 26 juni 1992 houdende sociale en diverse
bepalingen, wordt hij geacht eveneens te voldoen aan
de voorwaarde, bedoeld in paragraaf 1, 2°.
§ 3. Onverminderd de toepassing van paragraaf 2,
is de voorwaarde, bedoeld in paragraaf 1, 2°, niet van
toepassing op:
1° de gerechtigden op een rustpensioen die gebo-
ren zijn vóór 1 januari 1963 en op de gerechtigden op
een overlevingspensioen wiens overleden echtgenoot
geboren was vóór 1963;
2° de gerechtigden op een rustpensioen die geboren
zijn vóór 1 januari 1969 en die op 1 januari 2025, een
beroepsloopbaan bewijzen die ten minste gelijk is aan
twee derde van een volledige loopbaan in de zin van
artikel 131ter, § 1, 2°, alsook de gerechtigden op een
overlevingspensioen wiens overleden echtgenoot op het
ogenblik van zijn overlijden beantwoordde aan dezelfde
voorwaarden;
3° de gerechtigden op een overlevingspensioen van
wie de overleden echtgenoot een rustpensioen genoot,
dat vóór 1 januari 2025 beantwoordde aan de voorwaar-
den, bedoeld in artikel 131ter, § 1, 2°;
4° de gerechtigden bedoeld in artikel 131quinquies.
§ 4. Het minimumpensioen is gelijk aan een breuk-
gedeelte van één van de bedragen bedoeld in artikel 4,
eerste of tweede lid, van de wet van…xxxxxxxxxxxxxx,
conjoint décédé et prenant fin le 31 décembre de l’année
précédant celle au cours de laquelle il est décédé et
dont le dénominateur est égal à 45.
§ 2. Lorsque le bénéficiaire d’une pension de retraite
ou de survie comme indépendant, qui, dans son propre
chef ou dans le chef de son conjoint défunt, prouve
une carrière professionnelle, soit en qualité de tra-
vailleur indépendant et de travailleur salarié, soit en
qualité de travailleur indépendant, de travailleur salarié
et de fonctionnaire, satisfait aux conditions relatives au
nombre de jours équivalents temps plein effectivement
prestés, visées à l’article 3, §§ 1er, 2 et 4 de la loi du …,
il est présumé satisfaire aux conditions visées au para-
graphe 1er, 2°.
Lorsque le bénéficiaire d’une pension de retraite ou de
survie comme indépendant, qui, dans son propre chef ou
dans le chef de son conjoint défunt, prouve une carrière
professionnelle en qualité de travailleur indépendant
et de fonctionnaire, satisfait à la condition relative au
nombre de mois de services réellement prestés visés
à l’article 120 de la loi du 26 juin 1992 portant des dis-
positions sociales et diverses, il est présumé satisfaire
à la condition visée au paragraphe 1er, 2°.
§ 3. Sans préjudice du paragraphe 2, la condition
visée au paragraphe 1er, 2°, ne s’applique pas:
1° aux bénéficiaires d’une pension de retraite nés avant
le 1er janvier 1963 et aux bénéficiaires d’une pension de
survie dont le conjoint décédé est né avant 1963;
2° aux bénéficiaires d’une pension de retraite nés avant
le 1er janvier 1969 et qui prouvent au 1er janvier 2025,
une carrière professionnelle au moins égale aux deux
tiers d’une carrière complète au sens de l’article 131ter,
§ 1er, 2°, ainsi qu’aux bénéficiaires d’une pension de
survie dont le conjoint décédé répondait aux mêmes
conditions au moment du décès;
3° aux bénéficiaires d’une pension de survie dont le
conjoint décédé bénéficiait d’une pension de retraite qui
répondait aux conditions fixées à l’article 131ter, § 1er,
2°, avant le 1er janvier 2025;
4° aux bénéficiaires visés à l’article 131quinquies.
§ 4. La pension minimum est égale à une fraction d’un
des montants visés à l’article 4, alinéa 1er ou alinéa 2,
de la loi…xxxxxxxxxxxx, selon qu’il s’agit d’une pension
3808/009
DOC 55
26
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2023
2024
K A M E R • 6 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
naargelang het een rustpensioen of een overlevings-
pensioen betreft, dat gelijk is aan de breuk die na de
toepassing van artikel 19 van het koninklijk besluit nr. 72 in
aanmerking genomen werd voor de berekening van
het rust- of overlevingspensioen in de regeling voor
zelfstandigen, zonder dat die breuk de eenheid mag
overschrijden.
Wanneer de gerechtigde op een rustpensioen even-
eens aanspraak kan maken op een rustpensioen in de
regeling voor werknemers of wanneer de gerechtigde
op een overlevingspensioen eveneens aanspraak kan
maken op een overlevingspensioen in de regeling voor
werknemers, mag de toepassing van de bepalingen
van deze titel niet tot gevolg hebben dat het totaal van
die voordelen van dezelfde aard, toegekend in de pen-
sioenregelingen voor zelfstandigen en werknemers,
hoger is dan:
1° het bedrag bedoeld in artikel 4, eerste lid, 1°, van
de wet van…xxxxxxxxxxxxx, wanneer de belangheb-
bende de voorwaarden vervult beoogd in artikel 9, § 2,
eerste lid, 1°, van het koninklijk besluit nr. 72;
2° het bedrag bedoeld in artikel 4, eerste lid, 2°, van
de wet van…xxxxxxxxxxxxxxx, wanneer de belangheb-
bende de voorwaarden vervult beoogd in artikel 9, § 2,
eerste lid, 2°, van het koninklijk besluit nr. 72;
3° het bedrag bedoeld in artikel 4, eerste lid, 3°, van
de wet van…xxxxxxxxxxxxxx, wanneer de belangheb-
bende de voorwaarden vervult beoogd in artikel 4 van
het koninklijk besluit nr. 72.
Wanneer deze grens wordt overschreden, wordt het
minimumrustpensioen of het minimum-overlevings-
pensioen, naargelang het geval, in de regeling voor
zelfstandigen tot het vereiste bedrag verminderd, zonder
dat die vermindering evenwel tot gevolg mag hebben
dat in deze regeling een pensioen wordt toegekend dat
kleiner is dan de uitkering die zou zijn toegekend indien
de belanghebbende geen aanspraak had kunnen maken
op het minimumpensioen.
De Koning kan van deze bepaling afwijken indien de
voormelde grens wordt overschreden naar aanleiding
van de verhoging van het werknemerspensioen ingevolge
de aanpassing aan het algemeen welzijn.
§ 5. In afwijking van paragraaf 1, 2°, en onverminderd
de eventuele toepassing van de vermindering van het
aantal effectieve en daarmee gelijkgestelde kwartalen
wanneer de loopbaan gelijkstelde kwartalen bevat krach-
tens artikel 29 van het koninklijk besluit van 22 decem-
ber 1967 houdende algemeen reglement betreffende het
rust- en overlevingspensioen der zelfstandigen, wordt
de retraite ou de survie, fraction égale à celle qui a servi
au calcul de la pension de retraite ou de survie, selon le
cas, dans le régime des travailleurs indépendants après
application de l’article 19 de l’arrêté royal n° 72, sans
que cette fraction ne puisse dépasser l’unité.
Lorsque le bénéficiaire d’une pension de retraite peut
également prétendre à une pension de retraite dans le
régime des travailleurs salariés ou lorsque le bénéficiaire
d’une pension de survie peut également prétendre à
une pension de survie dans le régime des travailleurs
salariés, l’application des dispositions du présent titre
ne peut avoir pour effet d’augmenter l’ensemble de ces
avantages de même nature, octroyés dans les régimes
de pension des travailleurs indépendants et des travail-
leurs salariés au-delà:
1° du montant visé à l’article 4, alinéa 1er, 1°, de la
loi du…xxxxxxxxxxxxx, lorsque l’intéressé remplit les
conditions visées à l’article 9, § 2, alinéa 1er, 1°, de
l’arrêté royal n° 72;
2° du montant visé à l’article 4, alinéa 1er, 2°, de la
loi du…xxxxxxxxxxxxxx, lorsque l’intéressé remplit
les conditions visées à l’article 9, § 2, alinéa 1er, 2°, de
l’arrêté royal n° 72;
3° du montant visé à l’article 4, alinéa 1er, 3°, de la
loi du…xxxxxxxxxxxxxx, lorsque l’intéressé remplit les
conditions visées à l’article 4 de l’arrêté royal n° 72.
Lorsque cette limite est dépassée, la pension minimum
de retraite ou de survie, selon le cas, dans le régime des
travailleurs indépendants est réduite à due concurrence,
sans toutefois que cette réduction puisse entraîner
l’octroi, dans ce régime, d’une pension inférieure à la
prestation qui eût été octroyée si l’intéressé n’avait pu
prétendre à la pension minimum.
Le Roi peut déroger à cette disposition lorsque la limite
précitée est dépassée à la suite de l’augmentation de la
pension de travailleur salarié en fonction de l’adaptation
au bien-être général.
§ 5. Par dérogation au paragraphe 1er, 2°, et sans
préjudice de la réduction éventuellement appliquée au
nombre de trimestres effectifs ou y assimilés quand la
carrière comporte des trimestres assimilés en vertu de
l’article 29 de l’arrêté royal du 22 décembre 1967 por-
tant règlement général relatif à la pension de retraite
et de survie des travailleurs indépendants, la condition
27
3808/009
DOC 55
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2023
2024
K A M E R • 6 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
de voorwaarde van 64 kwartalen van effectieve of daar-
mee gelijkgestelde beroepsbezigheid als zelfstandige,
te bewijzen door de gerechtigde op een rustpensioen
of door de gerechtigde op een overlevingspensioen, uit
hoofde van de loopbaan van zijn overleden echtgenoot,
gebracht:
1° op 16 kwartalen voor degenen die geboren zijn
in 1963;
2° op 19 kwartalen voor degenen die geboren zijn
in 1964;
3° op 23 kwartalen voor degenen die geboren zijn
in 1965;
4° op 29 kwartalen voor degenen die geboren zijn
in 1966;
5° op 35 kwartalen voor degenen die geboren zijn
in 1967;
6° op 45 kwartalen voor degenen die geboren zijn
in 1968;
7° op 55 kwartalen voor degenen die geboren zijn
in 1969.
Als de beroepsloopbaan kwartalen bevat die omwille
van ziekte gelijkgesteld werden overeenkomstig arti-
kel 29 van het voormelde koninklijk besluit van 22 de-
cember 1967, zal rekening gehouden worden met het
meest voordelige resultaat dat bekomen wordt tussen
het aantal kwartalen zoals vastgesteld volgens het
eerste lid en het aantal kwartalen dat verkregen wordt
na de eventuele vermindering zoals voorzien in § 1, 2.
§ 6. De Koning stelt bij koninklijk besluit, na overleg
in de Ministerraad, vast:
1° wat vanaf 1 januari 2025 moet verstaan worden
onder een beroepsloopbaan die ten minste gelijk is aan
twee derde van een volledige loopbaan, hetzij in de
regeling voor zelfstandigen alleen, hetzij in de regeling
voor zelfstandigen en werknemers samen, hetzij in de
regeling voor zelfstandigen en in regelingen waarop de
Europese verordeningen van toepassing zijn of waarop
een internationale overeenkomst die geheel of gedeelte-
lijk betrekking heeft op de pensioenen van werknemers
of zelfstandigen en waar België door gebonden is, van
toepassing is, samen, hetzij in de regeling voor zelf-
standigen en werknemers of in regelingen waarop de
Europese verordeningen van toepassing zijn of waarop
een internationale overeenkomst die geheel of gedeelte-
lijk betrekking heeft op de pensioenen van werknemers
de 64 trimestres de travail effectif ou y assimilés comme
indépendant à prouver par le bénéficiaire d’une pen-
sion de retraite ou par le bénéficiaire d’une pension de
survie, du chef de la carrière de son conjoint décédé,
est portée à:
1° 16 trimestres pour ceux qui sont nés en 1963;
2° 19 trimestres pour ceux qui sont nés en 1964;
3° 23 trimestres pour ceux qui sont nés en 1965;
4° 29 trimestres pour ceux qui sont nés en 1966;
5° 35 trimestres pour ceux qui sont nés en 1967;
6° 45 trimestres pour ceux qui sont nés en 1968;
7° 55 trimestres pour ceux qui sont nés en 1969.
Si la carrière professionnelle comprend des trimestres
qui ont été assimilés pour cause de maladie conformément
à l’article 29 de l’arrêté royal du 22 décembre 1967 pré-
cité, il sera tenu compte du résultat le plus avantageux
entre le nombre de trimestres tels qu’établis à l’alinéa 1er
et le nombre de trimestres obtenus après la réduction
éventuellement appliquée, tel que prévu au § 1er, 2°.
§ 6. Le Roi détermine, par arrêté royal délibéré en
Conseil des ministres:
1° ce qu’il faut entendre, à partir du 1er janvier 2025,
par carrière professionnelle au moins égale aux deux-
tiers d’une carrière complète soit dans le seul régime
des travailleurs indépendants, soit ensemble dans le
régime des travailleurs indépendants et des travailleurs
salariés, soit ensemble dans le régime des travailleurs
indépendants et dans un ou plusieurs régimes qui relèvent
du champ d’application des règlements européens
ou auxquels s’applique une convention internationale
concernant totalement ou partiellement les pensions
des travailleurs salariés ou indépendants et par laquelle
la Belgique est liée, soit ensemble dans le régime des
travailleurs indépendants et salariés ou dans les ré-
gimes auxquels s’appliquent les règlements européens
ou auxquels s’applique une convention internationale
3808/009
DOC 55
28
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2023
2024
K A M E R • 6 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
of zelfstandigen en waar België door gebonden is, van
toepassing is, samen;
2° wat moet verstaan worden onder kwartalen van
effectieve beroepsbezigheid als zelfstandige;
3° welke kwartalen kunnen gelijkgesteld worden met
periodes van effectieve beroepsbezigheid;
4° hoe de periodes die pensioenrechten openen
ten laste van een of meerdere regelingen waarop de
Europese Verordeningen van toepassing zijn of waarop
een internationale overeenkomst die geheel of gedeelte-
lijk betrekking heeft op de pensioenen van werknemers
of zelfstandigen en waar België door gebonden is, van
toepassing is, omgezet worden naar kwartalen;
5° hoe de periodes die gelijkgesteld werden in toepas-
sing van artikel 29 van het koninklijk besluit van 22 de-
cember 1967 houdende algemeen reglement betreffende
het rust- en overlevingspensioen der zelfstandigen in
mindering gebracht worden op het vereiste aantal ef-
fectief gewerkte kwartalen.”
Art. 22
Artikel 132 van dezelfde wet, laatstelijk gewijzigd bij
de wet van 27 november 2022, wordt aangevuld met
een lid, luidende:
“Zonder dat een nieuwe beslissing ter kennis
wordt gebracht van de gerechtigde, gaat de Federale
Pensioendienst ambtshalve over tot de verhoging van
de pensioenen die daadwerkelijk en voor de eerste
maal zijn ingegaan vanaf 1 januari 2025 en waarop het
door artikel 131sexies beoogde minimumpensioen van
toepassing is en waarvoor hem een betalingsopdracht
werd overgezonden.”
Art. 23
In artikel 152 van dezelfde wet, laatstelijk gewijzigd
bij de wet van 26 april 2019, worden de vol-gende wij-
zigingen aangebracht:
1° het artikel wordt aangevuld met een paragraaf 5,
luidende:
“§ 5. Met ingang van 1 juli 2015 zijn de bepalingen
van paragraaf 1 niet meer van toepassing op:
1° de gerechtigden bedoeld in paragraaf 4;
concernant totalement ou partiellement les pensions
des travailleurs salariés ou indépendants et par laquelle
la Belgique est liée;
2° ce qu’il y a lieu d’entendre par trimestres de travail
effectif comme travailleur indépendant;
3° quels trimestres peuvent être assimilés à des
périodes de travail effectif;
4° comment les périodes ouvrant des droits à pension
à charge d’un ou plusieurs régimes qui relèvent du champ
d’application des règlements européens ou auxquels
s’applique une convention internationale concernant
totalement ou partiellement les pensions des travailleurs
salariés ou indépendants et par laquelle la Belgique est
liée sont converties en trimestres;
5° comment les périodes assimilées en vertu de
l’article 29 de l’arrêté royal du 22 décembre 1967 portant
règlement général relatif à la pension de retraite et de
survie des travailleurs indépendants sont déduites du
nombre de trimestres de travail effectif requis.”
Art. 22
L’article 132 de la même loi, modifié en dernier lieu
par la loi du 27 novembre 2022, est complété par un
alinéa rédigé comme suit:
“Le Service fédéral des Pensions procède d’office,
sans qu’une nouvelle décision soit notifiée au bénéfi-
ciaire, à l’augmentation des pensions qui ont pris cours
effectivement et pour la première fois à partir du 1er
janvier 2025 et auxquelles la pension minimum visée à
l’article 131sexies est ap-plicable, et pour lesquelles un
ordre de paiement lui a été transmis.”.
Art. 23
À l’article 152 de la même loi, modifié en dernier lieu
par la loi du 26 avril 2019, les modifications suivantes
sont apportées:
1° l’article est complété par un paragraphe 5 rédigé
comme suit:
“§ 5 À partir du 1er juillet 2015, les dispositions du
paragraphe 1er ne sont plus applicables:
1° aux bénéficiaires visés au paragraphe 4;
29
3808/009
DOC 55
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2023
2024
K A M E R • 6 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
2° de gerechtigden die voldoen aan de loopbaan-
voorwaarden bepaald in artikel 131ter, § 1, eerste lid, 2°;
3° de gerechtigden op een pensioen waarvan het
jaarlijks bedrag groter is dan het bedrag van het in
artikel 131ter, § 1, § 1bis, en § 3, naargelang het geval,
bedoelde minimum pensioen, vermenigvuldigd met de
breuk die de loopbaan van de zelfstandige uitdrukt;
4° de gerechtigden op meerdere pensioenen waarvan
het jaarlijks bedrag, hetzij in de regeling voor zelfstan-
digen alleen, hetzij in de regeling voor zelfstandigen
en in iedere andere Belgische regeling inzake rust- en
overlevingspensioenen of iedere gelijkaardige regeling
van een vreemd land of een regeling die toepasselijk
is op het personeel van een volkenrechtelijke instelling
samen, groter is dan het bedrag van het in artikel 131ter,
§ 1, § 1bis, en § 3, naargelang het geval, bedoelde
minimumpensioen.”.
2° het artikel wordt aangevuld met een paragraaf 6,
luidende: “§ 6. Met ingang van 1 juli 2017 zijn de bepa-
lingen van paragraaf 1 niet meer van toepassing op:
1° de gerechtigden bedoeld in paragraaf 4 en in
paragraaf 5;
2° de gerechtigden die voldoen aan de loopbaan-
voorwaarden bedoeld in artikel 131quater;
3° de gerechtigden op een pensioen waarvan het
jaarlijks bedrag groter is dan het bedrag van het mini-
mumpensioen, bedoeld in artikel 131quater, eerste of
derde lid, vermenigvuldigd met de breuk die de loopbaan
van de zelfstandige uitdrukt, naargelang het geval;
4° de gerechtigden op meerdere pensioenen waarvan
het jaarlijks bedrag, hetzij in de regeling voor zelfstan-
digen alleen, hetzij in de regeling voor zelfstandigen
en in iedere andere Belgische regeling inzake rust- en
overlevingspensioenen of iedere gelijkaardige regeling
van een vreemd land of een regeling die toepasselijk
is op het personeel van een volkenrechtelijke instelling
samen, groter is dan het bedrag van het minimumpen-
sioen bedoeld in artikel 131quater, eerste of derde lid,
naargelang het geval.”;
3° het artikel wordt aangevuld met een paragraaf 7,
luidende: “§ 7. Met ingang van 1 juli 2023 zijn de bepa-
lingen van paragraaf 1 niet meer van toepassing op:
1° de gerechtigden bedoeld in paragraaf 4 tot
paragraaf 6;
2° de gerechtigden bedoeld in artikel 131ter, § 1ter;
2° aux bénéficiaires qui satisfont aux conditions de
carrière prévues à l’article 131ter, § 1, alinéa 1er, 2°;
3° aux bénéficiaires d’une pension dont le montant
total annuel est supérieur au montant de la pension
minimum visée à l’article 131ter, § 1er, § 1erbis et § 3,
selon le cas, multiplié par la fraction qui exprime la
carrière de travailleur indépendant;
4° aux bénéficiaires de plusieurs pensions dont le
montant annuel, soit dans le seul régime des indépen-
dants, soit ensemble dans le régime des indépendants
et dans tout autre régime belge de pensions de retraite
et de survie, ou tout autre régime analogue d’un pays
étranger ou dans un régime qui est applicable au per-
sonnel d’une institution de droit international public, est
supérieur au montant de la pension minimum visée à
l’article 131ter, § 1, § 1erbis et § 3, selon le cas.”;
2° l’article est complété par un paragraphe 6 rédigé
comme suit: “§ 6. § 6. À partir du 1er juillet 2017, les
dispositions du paragraphe 1er ne sont plus applicables:
1° aux bénéficiaires visés au paragraphe 4 et au
paragraphe 5;
2° aux bénéficiaires qui satisfont aux conditions de
carrière visées à l’article 131quater;
3° aux bénéficiaires d’une pension dont le montant
total annuel est supérieur au montant visé à l’article
131quater, alinéa 1er ou alinéa 3, multiplié par la frac-
tion qui exprime la carrière de travailleur indépendant,
selon le cas;
4° aux bénéficiaires de plusieurs pensions dont le
montant annuel, soit dans le seul régime des indépen-
dants, soit ensemble dans le régime des indépendants
et dans tout autre régime belge de pensions de retraite
et de survie, ou tout autre régime analogue d’un pays
étranger ou dans un régime qui est applicable au per-
sonnel d’une institution de droit international public, est
supérieur au montant de la pension minimum visée à
l’article 131quater, alinéa 1er ou alinéa 3, selon le cas.”;
3° l’article est complété par un paragraphe 7 rédigé
comme suit: “§ 7 À partir du 1er juillet 2023, les disposi-
tions du paragraphe 1er ne sont plus applicables:
1° aux bénéficiaires visés aux paragraphes 4 à 6;
2° aux bénéficiaires visés à l’article 131ter, § 1erter;
3808/009
DOC 55
30
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2023
2024
K A M E R • 6 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
3° de gerechtigden die voldoen aan de loopbaan-
voorwaarden bepaald in artikel 131quinquies, § 1;
4° de gerechtigden op een pensioen waarvan het
jaarlijks bedrag groter is dan het bedrag van het in
bedoeld in artikel 33 van de Herstelwet van 10 februari
1981 inzake de pensioenen van de sociale sector, zoals
van toepassing vóór 1 januari 2025, bedoelde minimum
pensioen vermenigvuldigd met de breuk die de loopbaan
van de zelfstandige uitdrukt;
5° de gerechtigden op meerdere pensioenen waarvan
het jaarlijks bedrag, hetzij in de regeling voor zelfstan-
digen alleen, hetzij in de regeling voor zelfstandigen
en in iedere andere Belgische regeling inzake rust- en
overlevingspensioenen of iedere gelijkaardige regeling
van een vreemd land of een regeling die toepasselijk
is op het personeel van een volkenrechtelijke instelling
samen, groter is dan het bedrag van het in artikel 33 van
de Herstelwet van 10 februari 1981 inzake de pensioe-
nen van de sociale sector, zoals van toepassing vóór
1 januari 2025, bedoelde minimumpensioen.”;
4° het artikel wordt aangevuld met een paragraaf 8,
luidende: “§ 8. Met ingaan op 1 juli 2025 zijn de bepa-
lingen van paragraaf 1 niet meer van toepassing op:
1° de gerechtigden bedoeld in de paragrafen 4 tot 7;
2° de gerechtigden die voldoen aan de loopbaan-
voorwaarden bepaald in artikel 131sexies, § 1, 1° en
2°, § 2, § 3 en § 5;
3° de gerechtigden op een pensioen waarvan het
jaarlijks bedrag groter is dan het bedrag van het in arti-
kel 4, eerste en tweede lid, van de wet van …, bedoelde
minimumpensioen vermenigvuldigd met de breuk die de
loopbaan van de zelfstandige uitdrukt;
4° de gerechtigden op meerdere pensioenen waarvan
het jaarlijks bedrag, hetzij in de regeling voor zelfstan-
digen alleen, hetzij in de regeling voor zelfstandigen
en in iedere andere Belgische regeling inzake rust- en
overlevingspensioenen of iedere gelijkaardige regeling
van een vreemd land of een regeling die toepasselijk
is op het personeel van een volkenrechtelijke instel-
ling samen, groter is dan het bedrag van het in arti-
kel 4, eerste en tweede lid, van de wet van … bedoelde
minimumpensioen.”
3° aux bénéficiaires qui satisfont aux conditions de
carrière prévues à l’article 131quinquies, § 1er;
4° aux bénéficiaires d’une pension dont le montant
total annuel est supérieur au montant de la pension
minimum visé à l’article 33 de la loi de redressement du
10 février 1981 relative aux pensions du secteur social,
tel qu’il est d’application avant le 1er janvier 2025, mul-
tiplié par la fraction qui exprime la carrière de travailleur
indépendant;
5° aux bénéficiaires de plusieurs pensions dont le
montant annuel, soit dans le seul régime des indépen-
dants, soit ensemble dans le régime des indépendants
et dans tout autre régime belge de pensions de retraite
et de survie, ou tout autre régime analogue d’un pays
étranger ou dans un régime qui est applicable au per-
sonnel d’une institution de droit international public,
est supérieur au montant de la pension minimum visé
à l’article 33 de la loi de redressement du 10 février
1981 relative aux pensions du secteur social, tel qu’il
est d’application avant le 1er janvier 2025.”;
4° l’article est complété par un paragraphe 8 rédigé
comme suit: «§ 8. À partir du 1er juillet 2025, les dispo-
sitions du paragraphe 1er ne sont plus applicables:
1° aux bénéficiaires visés aux paragraphes 4 à 7;
2° aux bénéficiaires qui satisfont aux conditions de
carrière prévues à l’article 131sexies, § 1, 1° et 2°, § 2,
§ 3 et § 5;
3° aux bénéficiaires d’une pension dont le montant
total annuel est supérieur au montant de la pension
minimum visée à l’article 4, alinéas 1er et 2, de la loi du
…, multiplié par la fraction qui exprime la carrière de
travailleur indépendant;
4° aux bénéficiaires de plusieurs pensions dont le
montant annuel, soit dans le seul régime des indépen-
dants, soit ensemble dans le régime des indépendants
et dans tout autre régime belge de pensions de retraite
et de survie, ou tout autre régime analogue d’un pays
étranger ou dans un régime qui est applicable au per-
sonnel d’une institution de droit international public, est
supérieur au montant de la pension minimum visé à
l’article 4, alinéas 1er et 2, de la loi du ….”.”
31
3808/009
DOC 55
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2023
2024
K A M E R • 6 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
Afdeling 2
Wijzigingen van het koninklijk besluit van 30 januari 1997
betreffende het pensioenstelsel der zelfstandigen
met toepassing van de artikelen 15 en 27
van de wet van 26 juli 1996 tot modernisering
van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de
leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels en van
artikel 3, § 1, 4°, van de wet van 26 juli 1996 strekkende
tot realisatie van de budgettaire voorwaarden
tot deelname van België aan de Europese en
Monetaire Unie
Art. 24
Artikel 9bis, § 10, van het koninklijk besluit van 30 ja-
nuari 1997 betreffende het pensioenstelsel der zelfstan-
digen met toepassing van de artikelen 15 en 27 van de
wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale
zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de
wettelijke pensioenstelsels en van artikel 3, § 1, 4°, van
de wet van 26 juli 1996 strekkende tot realisatie van de
budgettaire voorwaarden tot deelname van België aan
de Europese en Monetaire Unie, wordt aangevuld met
een lid, luidende:
“Vanaf 1 januari 2025 is het in het eerste lid bedoelde
bedrag van 9.648,57 euro gelijk aan het bedrag in ar-
tikel 4, eerste lid, 3°, van de wet van … houdende de
hervorming van pensioenen.”
Afdeling 3
Inwerkingtreding
Art. 25
Dit hoofdstuk is van toepassing op de pensioenen
die daadwerkelijk en voor de eerste maal ten vroegste
ingaan op 1 januari 2025, behalve artikel 23, dat be-
trekking heeft op de betaling van de bijzondere bijslag.
Art. 26
Dit hoofdstuk treedt in werking op 1 januari 2025,
met uitzondering van artikel 23, 1°, dat uitwerking heeft
vanaf 1 juli 2015, van artikel 23, 2°, dat uitwerking heeft
vanaf 1 juli 2017, van artikel 23, 3°, dat uitwerking heeft
vanaf 1 juli 2023 en van artikel 23, 4°, dat in werking
treedt op 1 juli 2025.
Section 2
Modifications de l’arrêté royal du 30 janvier 1997
relatif au régime de pension des travailleurs indépendants
en application des articles 15 et 27
de la loi du 26 juillet 1996 portant modernisation
de la sécurité sociale et assurant la viabilité
des régimes légaux de pensions et de l’article 3, § 1er, 4°,
de la loi du 26 juillet 1996 visant à réaliser
les conditions budgétaires de la participation
de la Belgique à l’Union économique et
monétaire européenne
Art. 24
L’article 9bis, § 10, de l’arrêté royal du 30 jan-
vier 1997 relatif au régime de pension des travailleurs
indépendants en application des articles 15 et 27 de la
loi du 26 juillet 1996 portant modernisation de la sécurité
sociale et assurant la viabilité des régimes légaux de
pensions et de l’article 3, § 1er, 4°, de la loi du 26 juil-
let 1996 visant à réaliser les conditions budgétaires de
la participation de la Belgique à l’Union économique et
monétaire européenne, modifié en dernier lieu par la
loi du 18 juillet 2021, est complété par un alinéa, rédigé
comme suit:
“À partir du 1er janvier 2025, le montant de 9.648,57 eu-
ros visé à l’alinéa 1er est égal au montant visé à l’article 4,
alinéa 1er, 3°, de la loi du … portant la réforme des
pensions.”
Section 3
Entrée en vigueur
Art. 25
Ce chapitre s’applique aux pensions qui prennent
cours effectivement et pour la première fois au plus tôt
le 1er janvier 2025, à l’exception de l’article 23, concer-
nant le paiement de l’allocation spéciale.
Art. 26
Le présent chapitre entre en vigueur au 1er janvier 2025,
à l’exception de l’article 23, 1°, qui produit ses effets à
partir du 1er juillet 2015, de l’article 23, 2°, qui produit
ses effets à partir du 1er juillet 2017, de l’article 23, 3°,
qui produit ses effet à partir du 1er juillet 2023 et de
l’article 23, 4°, qui entre en vigueur le 1er juillet 2025.
3808/009
DOC 55
32
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2023
2024
K A M E R • 6 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
TITEL 3
De pensioenbonus
HOOFDSTUK 1
Bepalingen inzake de pensioenbonus
in de pensioenregelingen van de overheidssector
Afdeling 1
Toepassingsgebied
Art. 27
Dit hoofdstuk is van toepassing:
1° op de rustpensioenen ten laste van de Openbare
Schatkist;
2° op de rustpensioenen toegekend aan het statutair
personeel:
a) van de provincies, alsook van de plaatselijke be-
sturen waarop de bepalingen inzake pensioenen van
de nieuwe gemeentewet toepasselijk zijn;
b) van de instellingen waarop het koninklijk be-
sluit nr. 117 van 27 februari 1935 tot vaststelling van
het statuut der pensioenen van het personeel der zelf-
standige openbare inrichtingen en der regieën ingesteld
door de Staat, van toepassing is;
c) van de instellingen waarop de wet van 28 april 1958
betreffende het pensioen van het personeel van zekere
organismen van openbaar nut alsmede van hun recht-
hebbenden, van toepassing is;
d) van de hiervoor nog niet bedoelde autonome
overheidsbedrijven;
e) van de geïntegreerde politie;
3° op de rustpensioenen ten laste van het Gesolida-
riseerde pensioenfonds van de provinciale en plaatselijke
besturen.
TITRE 3
Le bonus de pension
CHAPITRE 1ER
Dispositions relatives au bonus de pension
dans les régimes de pension du secteur public
Section 1re
Champ d’application
Art. 27
Le présent chapitre s’applique:
1° aux pensions de retraite à charge du Trésor public;
2° aux pensions de retraite octroyées au personnel
statutaire:
a) des provinces, des administrations locales aux-
quelles les dispositions de la nouvelle loi communale
en matière de pension sont applicables;
b) des organismes auxquels est applicable l’arrêté
royal n° 117 du 27 février 1935 établissant le statut des
pensions du personnel des établissements publics
autonomes et des régies instituées par l’État;
c) des organismes auxquels est applicable la loi
du 28 avril 1958 relative à la pension des membres du
personnel de certains organismes d’intérêt public et de
leurs ayants droit;
d) des entreprises publiques autonomes non visées
ci-avant;
e) de la police intégrée;
3° aux pensions de retraite à charge du Fonds de
pension solidarisé des administrations provinciales et
locales.
33
3808/009
DOC 55
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2023
2024
K A M E R • 6 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
Afdeling 2
Definities
Art. 28
Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan
onder:
1° “referteperiode”: het tijdvak van maximum 3 op-
eenvolgende refertejaren, dat aanvangt de eerste dag
van de maand volgend op deze waarin het personeelslid
de leeftijdsgrens bereikt, bedoeld in artikel 46, § 3, van
de wet van 15 mei 1984 houdende maatregelen tot
harmonisering in de pensioenregelingen, voor zover het
personeelslid in die maand een dag werkelijk gepres-
teerde diensten heeft verstrekt.
In afwijking van het eerste lid, vangt de referteperi-
ode aan de eerste dag van de maand volgend op deze
waarin het personeelslid de voorwaarden inzake leeftijd
en loopbaanduur vervult voor de toekenning van een
vervroegd rustpensioen overeenkomstig artikel 46 van
de voormelde wet van 15 mei 1984, voor zover het per-
soneelslid in die maand een dag werkelijk gepresteerde
diensten heeft verstrekt.
In afwijking van het eerste en tweede lid, vangt voor
het personeelslid dat aan de in het eerste of tweede lid
bedoelde voorwaarden voldoet, met uitzondering van de
voorwaarde betreffende de dag werkelijk gepresteerde
diensten, de referteperiode aan op de eerste dag van
de maand waarin een dag werkelijk gepresteerde dien-
sten werd verstrekt.
Voor de personeelsleden voor wie de referteperiode
overeenkomstig het eerste, het tweede of het derde lid
aanvangt vóór 1 juli 2024, wordt de referteperiode geacht
aan te vangen op 1 juli 2024.
In voorkomend geval eindigt de referteperiode op de
laatste dag van de maand voorafgaand aan de maand
waarin aan het personeelslid een rustpensioen of een
als zodanig geldend voordeel krachtens een Belgische
wettelijke, reglementaire, statutaire of contractuele
pensioenregeling, met uitzondering van het onvoorwaar-
delijk pensioen, bedoeld in artikel 37 van het koninklijk
besluit nr. 72 van 10 november 1967 betreffende het
rust- en overlevingspensioen der zelfstandigen, toege-
kend wordt.
2° “refertejaar”: een tijdvak van 12 opeenvolgende
kalendermaanden binnen de referteperiode, telkens te
rekenen vanaf de eerste dag van de kalendermaand
waarin de referteperiode aanving;
Section 2
Définitions
Art. 28
Pour l’application du présent chapitre, il y a lieu d’en-
tendre par:
1° “période de référence”: la période de maximum 3 an-
nées de référence consécutives, qui débute le pre-
mier jour du mois qui suit celui au cours duquel l’agent
atteint la limite d’âge visée à l’article 46, § 3, de la loi
du 15 mai 1984 portant mesures d’harmonisation dans
les régimes de pensions, dans la mesure où le membre
du personnel a presté réellement une journée de services
au cours de ce mois.
Par dérogation à l’alinéa 1er, la période de référence
débute le premier jour du mois qui suit celui au cours
duquel l’agent remplit les conditions d’âge et de durée de
carrière pour l’octroi d’une pension de retraite anticipée
conformément à l’article 46 de la loi du 15 mai 1984 préci-
tée, dans la mesure où le membre du personnel a presté
réellement une journée de services au cours de ce mois.
Par dérogation aux alinéas 1er et 2, pour le membre
du personnel qui satisfait aux conditions visées aux
alinéas 1er et 2, à l’exception de la condition relative au
jour de services réellement prestés, la période de réfé-
rence débute le premier jour du mois au cours duquel
un jour de services réellement prestés a été effectué.
Pour les agents dont la période de référence débute
avant le 1er juillet 2024 conformément aux alinéas 1er,
2 et 3, la période de référence est réputée débuter
le 1er juillet 2024.
Le cas échéant, la période de référence se termine le
dernier jour du mois précédant le mois au cours duquel le
membre du personnel bénéficie d’une pension de retraite
ou d’un avantage en tenant lieu en vertu d’un régime
légal, réglementaire, statutaire ou contractuel belge de
pension, à l’exception de la pension inconditionnelle visée
à l’article 37 de l’arrêté royal no 72 du 10 novembre 1967
relatif à la pension de retraite et de survie des travailleurs
indépendants.
2° “année de référence”: une période de 12 mois
civils consécutifs au cours de la période de référence,
à compter du premier jour du mois civil au cours duquel
la période de référence a débuté;
3808/009
DOC 55
34
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2023
2024
K A M E R • 6 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
3° “rustpensioen”: het in artikel 27 bedoelde rust-
pensioen;
4° “werkelijk gepresteerde diensten”: de perioden met
werkelijke arbeidsprestaties, met inbegrip van de perioden
van verlof of afwezigheid met behoud van de volledige
bezoldiging, die in aanmerking genomen worden voor
de berekening van een rustpensioen;
5° “pensioenbonus”: het voordeel dat wordt toegekend
voor elke kalendermaand tijdens de referteperiode waarin
zich werkelijk gepresteerde diensten situeren.
Afdeling 3
Toekenningsvoorwaarden en
bedrag van de pensioenbonus
Art. 29
§ 1. Bovenop het rustpensioen wordt een pensi-
oenbonus toegekend aan elke persoon die tijdens de
referteperiode werkelijk gepresteerde diensten verstrekt
in de overheidssector die in aanmerking komen voor de
berekening van dat rustpensioen.
§ 2. Indien een persoon in een refertejaar meer
dan 12 maanden werkelijk gepresteerde diensten heeft
verstrekt, wordt het aantal maanden werkelijk gepres-
teerde diensten dat in aanmerking wordt genomen voor
de berekening van de pensioenbonus beperkt tot 12.
Indien een persoon gedurende een refertejaar gelijk-
tijdig diensten heeft verstrekt in onderscheiden ambten
die aanleiding geven tot de toekenning van meerdere
rustpensioenen, wordt de in het eerste lid bedoelde
beperking eerst toegepast op de werkelijk gepresteerde
diensten volbracht in het ambt waarvan de omvang van
de prestaties het kleinst is en vervolgens, in stijgende
volgorde van de omvang van de werkelijk gepresteerde
diensten, op de werkelijk gepresteerde diensten volbracht
in het ambt of de ambten met een grotere omvang.
Indien de omvang van de gepresteerde diensten in de
onderscheiden ambten dezelfde is, worden de diensten
die volbracht werden in het best bezoldigde ambt, voor
de toepassing van het tweede lid, geacht een omvang
van de prestaties te hebben die groter is dan die van
het andere ambt.
Om vast te stellen of het in het eerste lid bedoelde
maximum aantal maanden wordt bereikt, wordt de ver-
minderde duur van de in artikel 33 bedoelde diensten
in aanmerking genomen.
3° “pension de retraite”: la pension de retraite visée
à l’article 27;
4° “services réellement prestés”: les périodes avec
des prestations de travail effectif en ce compris les
périodes de congé ou d’absence avec maintien de la
rémunération intégrale, qui sont prises en compte pour
le calcul d’une pension de retraite;
5° “bonus de pension”: l’avantage qui est octroyé
pour chaque mois civil pendant la période de référence,
dans lequel se situent des services réellement prestés.
Section 3
Conditions d’octroi et
montant du bonus de pension
Art. 29
§ 1er. En supplément de la pension de retraite, un
bonus de pension est octroyé à chaque personne qui,
pendant la période de référence, fournit des services
réellement prestés dans le secteur public qui entrent
en compte pour le calcul de cette pension de retraite.
§ 2. Si une personne a fourni plus de 12 mois de
services réellement prestés au cours d’une année de
référence, le nombre de mois de services réellement
prestés pris en considération pour le calcul du bonus
de pension est limité à 12.
Si une personne a fourni simultanément, au cours
d’une année de référence, des services dans différentes
fonctions donnant lieu à l’octroi de plusieurs pensions
de retraite, la limitation visée à l’alinéa 1er s’applique en
premier lieu sur les services réellement prestés dans la
fonction dont le volume des services est le plus faible
et puis, dans l’ordre croissant du volume des services
réellement prestés, aux services réellement prestés dans
la fonction ou les fonctions dont le volume est plus grand.
Si le volume des services prestés dans différentes
fonctions est identique, les services effectués dans
la fonction la mieux rémunérée sont présumés, pour
l’application de l’alinéa 2, avoir un volume supérieur à
ceux de l’autre fonction.
Pour déterminer si le nombre maximum de mois visé
à l’alinéa 1er est atteint, la durée réduite des services,
visés à l’article 33, est prise en compte.
35
3808/009
DOC 55
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2023
2024
K A M E R • 6 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
§ 3. Het maximum aantal maanden werkelijk gepres-
teerde diensten dat recht geeft op een pensioenbonus
mag, na toepassing van paragraaf 2, 36 niet overschrijden.
Om vast te stellen of het in het eerste lid bedoelde
maximum aantal maanden wordt bereikt, wordt de ver-
minderde duur van de in artikel 33 bedoelde diensten
in aanmerking genomen.
Art. 30
§ 1. De pensioenbonus wordt uitbetaald onder de
vorm van een eenmalige betaling.
§ 2. Het bedrag van de pensioenbonus wordt vast-
gesteld op:
— 314,58 euro per maand werkelijk gepresteerde
diensten met volledige opdracht die werden verstrekt
in het eerste refertejaar;
— 629,17 euro per maand werkelijk gepresteerde
diensten met volledige opdracht die werden verstrekt
in het tweede refertejaar;
— 943,75 euro per maand werkelijk gepresteerde
diensten met volledige opdracht die werden verstrekt
in het derde refertejaar.
§ 3. In afwijking van paragraaf 2 bedraagt het bedrag
van de pensioenbonus 943,75 euro per maand werkelijk
gepresteerde diensten met volledige opdracht die gedu-
rende de referteperiode werd verstrekt voor de persoon
die vóór de leeftijd van 63 jaar een loopbaan van min-
stens 43 dienstjaren kan laten gelden overeenkomstig
de regeling die geldt voor het vervroegd pensioen in de
regeling van de werknemers.
Art. 31
§ 1. In afwijking van artikel 30 kan de pensioenbonus
onder de vorm van een maandelijkse rente worden
uitbetaald indien de gerechtigde daar met toepassing
van artikel 47 een aanvraag voor indient.
§ 2. Het jaarbedrag van de pensioenbonus wordt
vastgesteld op:
15,60 euro per maand werkelijk gepresteerde dien-
sten met volledige opdracht die werden verstrekt in het
eerste refertejaar;
§ 3. Le nombre maximum de mois de services réelle-
ment prestés qui donne droit à un bonus de pension ne
peut pas, après application du paragraphe 2, dépasser 36.
Pour déterminer si le nombre maximum de mois visé
à l’alinéa 1er est atteint, la durée réduite des services,
visés à l’article 33, est prise en compte.
Art. 30
§ 1er. Le bonus de pension est versé en une fois sous
la forme d’un paiement unique.
§ 2. Le montant du bonus de pension est fixé à:
— 314,58 euros par mois de services réellement
prestés à prestations complètes qui ont été effectués
au cours de la première année de référence;
— 629,17 euros par mois de services réellement
prestés à prestations complètes qui ont été effectués
au cours de la deuxième année de référence;
— 943,75 euros par mois de services réellement
prestés à prestations complètes qui ont été effectués
au cours de la troisième année de référence.
§ 3. Par dérogation au paragraphe 2, le montant du
bonus de pension est fixé à 943,75 euros par mois de
services réellement prestés à prestations complètes au
cours de la période de référence pour la personne qui,
avant l’âge de 63 ans, peut faire valoir une carrière d’au
moins 43 ans de services conformément à la règlemen-
tation applicable à la pension anticipée dans le régime
des travailleurs salariés.
Art. 31
§ 1er. Par dérogation à l’article 30, le bonus de pension
peut être versé sous la forme d’une rente mensuelle
si le bénéficiaire en fait la demande en application de
l’article 47.
§ 2. Le montant annuel du bonus de pension est fixé à:
15,60 euros par mois de services réellement prestés
à prestations complètes au cours de la première année
de référence;
3808/009
DOC 55
36
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2023
2024
K A M E R • 6 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
31,20 euro per maand werkelijk gepresteerde dien-
sten met volledige opdracht die werden verstrekt in het
tweede refertejaar;
46,80 euro per maand werkelijk gepresteerde dien-
sten met volledige opdracht die werden verstrekt in het
derde refertejaar.
§ 3. In afwijking van paragraaf 2 bedraagt het jaar-
bedrag van de pensioenbonus 46,80 euro per maand
werkelijk gepresteerde diensten met volledige opdracht
die gedurende de referteperiode werd verstrekt, voor de
persoon die vóór de leeftijd van 63 jaar een loopbaan van
minstens 43 dienstjaren kan laten gelden overeenkomstig
de regeling die geldt voor het vervroegd pensioen in de
regeling van de werknemers.
Art. 32
§ 1. De pensioenbonus wordt toegekend voor de rust-
pensioenen die ten vroegste ingaan op 1 januari 2025.
Voor het bepalen van het bedrag van de pensioenbonus
worden enkel de vanaf 1 juli 2024 werkelijk gepresteerde
diensten in aanmerking genomen.
§ 2. De bedragen van de pensioenbonus zoals bepaald
in de artikelen 30 en 31 zijn gekoppeld aan de verho-
gingscoëfficiënt 1,9999 van het spilindexcijfer 138,01 van
kracht op 1 juli 2023 en schommelen overeenkomstig
de bepalingen van de wet van 1 maart 1977 houdende
inrichting van een stelsel waarbij sommige uitgaven in
de overheidssector aan het indexcijfer van de consump-
tieprijzen van het Rijk worden gekoppeld.
§ 3. De Koning kan, bij een besluit vastgesteld na
overleg in de Ministerraad, de in de artikelen 30 en 31 be-
doelde bedragen wijzigen.
Art. 33
§ 1. In geval van werkelijk gepresteerde diensten met
volledige opdracht wordt een pensioenbonus toegekend
per kalendermaand van verlenging van de loopbaan.
In geval van werkelijk gepresteerde diensten met
onvolledige opdracht wordt de in het eerste lid be-
doelde maand verminderd ten belope van het gedeelte
dat deze diensten vertegenwoordigen in verhouding tot
dezelfde diensten met volledige opdracht.
§ 2. De in de eerste paragraaf bedoelde maand wordt
verminderd met de gedeeltelijk bezoldigde of onbezol-
digde afwezigheidsperioden, ongeacht of ze al dan niet
gelijkgesteld zijn met dienstactiviteit.
31,20 euros par mois de services réellement prestés
à prestations complètes au cours de la deuxième année
de référence;
46,80 euros par mois de services réellement prestés
à prestations complètes au cours de la troisième année
de référence.
§ 3. Par dérogation au paragraphe 2, le montant
annuel du bonus de pension est fixé à 46,80 euros
par mois de services réellement prestés à prestations
complètes au cours de la période de référence pour la
personne qui, avant l’âge de 63 ans, peut faire valoir une
carrière d’au moins 43 ans de services conformément
à la réglementation applicable à la pension anticipée
dans le régime des travailleurs salariés.
Art. 32
§ 1er. Le bonus de pension est octroyé pour les pen-
sions de retraite prenant cours au plus tôt le 1er jan-
vier 2025. Pour la détermination du montant du bonus
de pension, seuls les services réellement prestés à partir
du 1er juillet 2024 sont pris en compte.
§ 2. Les montants du bonus de pension déterminés
aux articles 30 et 31 sont liés au coefficient de majora-
tion 1,9999 de l’indice-pivot 138,01 en vigueur au 1er juil-
let 2023 et évoluent conformément aux dispositions de
la loi du 1er mars 1977 organisant un régime de liaison
à l’indice des prix à la consommation du Royaume de
certaines dépenses dans le secteur public.
§ 3. Le Roi peut, par arrêté délibéré en Conseil des
ministres, modifier les montants visés aux articles 30 et 31.
Art. 33
§ 1er. En cas de services réellement prestés à pres-
tations complètes, un bonus de pension est octroyé
par mois civil de prolongation de la carrière.
En cas de services réellement prestés à prestations
incomplètes, le mois, visé à l’alinéa 1er, est réduit à concur-
rence de la fraction que ces services représentent par
rapport à ces mêmes services à prestations complètes.
§ 2. Le mois visé au paragraphe 1er est réduit des
périodes d’absence partiellement rémunérées ou non
rémunérées, qu’elles soient assimilées ou non à de
l’activité de service.
37
3808/009
DOC 55
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2023
2024
K A M E R • 6 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
In afwijking van het eerste lid worden gedeeltelijk
bezoldigde of onbezoldigde afwezigheidsperioden,
waarin de betrokkene in disponibiliteit is gesteld of in
een administratieve toestand die gelijkgesteld is met
dienstactiviteit werd geplaatst, ten belope van maximum
één maand per refertejaar gelijkgesteld met werkelijk
gepresteerde diensten, op voorwaarde dat datzelfde
refertejaar minstens één dag werkelijk gepresteerde
diensten telt.
In afwijking van het tweede lid, worden de perioden
van volledige en gedeeltelijke loopbaanonderbreking
bedoeld in de artikelen 100 en 102 van de herstelwet
van 22 januari 1985 houdende sociale bepalingen, en
de perioden van zorgkrediet bedoeld in het besluit van
de Vlaamse regering van 26 juli 2016 tot toekenning
van onderbrekingsuitkeringen voor zorgkrediet, niet
gelijkgesteld met werkelijk gepresteerde diensten.
§ 3. In afwijking van de paragrafen 1 en 2 wordt geen
pensioenbonus opgebouwd tijdens de perioden van
verlof of afwezigheid waarvoor een pensioenbonus
wordt opgebouwd in een ander pensioenstelsel dan
bedoeld in artikel 27.
Art. 34
§ 1. De pensioenbonus is een als pensioen geldend
voordeel dat geen deel uitmaakt van het rustpensioen.
§ 2. De pensioenbonussen bedoeld in artikel 28, 5°,
en in de artikelen 3/2 en 7ter van de wet van 23 decem-
ber 2005 betreffende het generatiepact worden niet in
rekening gebracht voor de toepassing van de volgende
bepalingen:
1° de artikelen 6 en 7 van de wet van 30 april 1958
tot wijziging van de koninklijke besluiten nr. 254 en 255
van 12 maart 1936 waarbij eenheid wordt gebracht in
het regime van de pensioenen der weduwen en wezen
van het burgerlijk rijkspersoneel en van de leden van
het leger en van de rijkswacht, en tot instelling van een
begrafenisvergoeding ten gunste van de rechthebbenden
van gepensioneerde rijksambtenaren;
2° artikel 12 van de wet van 9 juli 1969 tot wijziging
en aanvulling van de wetgeving betreffende de rust-
en overlevingspensioenen van het personeel van de
openbare sector;
3° de artikelen 39, 40 en 40bis van de wet van 5 au-
gustus 1978 houdende economische en budgettaire
hervormingen;
Par dérogation à l’alinéa 1er, les périodes d’absence
partiellement rémunérées ou non rémunérées pendant
lesquelles l’intéressé a été mis en disponibilité ou placé
dans une situation administrative qui est assimilée à
de l’activité de service, sont assimilées à des services
réellement prestés à concurrence de maximum un mois
par année de référence, à condition de compter au mini-
mum un jour de services réellement prestés au cours
de la même année de référence.
Par dérogation à l’alinéa 2, les périodes d’inter-
ruption de carrière totale et partielle visées aux ar-
ticles 100 et 102 de la loi de redressement du 22 jan-
vier 1985 contenant des dispositions sociales, ainsi
que les périodes de crédit-soins visées dans l’arrêté du
gouvernement flamand du 26 juillet 2016 relatif à l’octroi
d’indemnités d’interruption pour crédit-soins, ne sont
pas assimilées à des services effectivement prestés.
§ 3. Par dérogation aux paragraphes 1er et 2, aucun
bonus de pension n’est constitué pendant les périodes
de congé ou d’absence pour lesquelles un bonus de
pension est constitué dans un autre régime de pension
que celui visé à l’article 27.
Art. 34
§ 1er. Le bonus de pension est un avantage tenant lieu
de pension qui ne fait pas partie de la pension de retraite.
§ 2. Les bonus de pension, visés à l’article 28, 5°, et
aux articles 3/2 et 7ter de la loi du 23 décembre 2005 rela-
tive au pacte de solidarité entre les générations ne sont
pas pris en compte pour l’application des dispositions
suivantes:
1° les articles 6 et 7 de la loi du 30 avril 1958 modifiant
les arrêtés royaux n° 254 et 255 du 12 mars 1936 unifiant
les régimes de pensions des veuves et des orphelins du
personnel civil de l’État et des membres de l’armée et de
la gendarmerie et instituant une indemnité de funérailles
en faveur des ayants droit des pensionnés de l’État;
2° l’article 12 de la loi du 9 juillet 1969 modifiant et
complétant la législation relative aux pensions de retraite
et de survie des agents du secteur public;
3° les articles 39, 40 et 40bis de la loi du 5 août 1978 de
réformes économiques et budgétaires;
3808/009
DOC 55
38
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2023
2024
K A M E R • 6 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
4° de artikelen 120, 121, 125, 126 en 135 van de wet
van 26 juni 1992 houdende sociale en diverse bepalingen;
5° artikel 1 van het koninklijk besluit van 1 april 1992
houdende toekenning van een vakantiegeld en van
een aanvullende toeslag bij het vakantiegeld aan de
gepensioneerden van de openbare diensten;
6° artikel 3, § 1, eerste lid, van de wet van 4 maart 2004
houdende toekenning van aanvullende voordelen inzake
rustpensioen aan personen die werden aangesteld om
een management- of staffunctie uit te oefenen in een
overheidsdienst.
§ 3. De pensioenbonus die wordt uitbetaald onder
de vorm van een maandelijkse rente wordt op dezelfde
wijze als het rustpensioen geschorst en verminderd.
§ 4. De pensioenbonus wordt toegekend en betaald
door de macht of het organisme dat het pensioenstelsel
beheert waaraan het personeelslid onderworpen was
tijdens de referteperiode.
Indien het personeelslid tijdens de referteperiode on-
derworpen was aan meerdere pensioenstelsels, wordt de
pensioenbonus toegekend en betaald door de machten
of organismen die deze stelsels beheren in verhouding tot
het aantal maanden werkelijk gepresteerde diensten dat
in elk van deze stelsels in aanmerking wordt genomen
voor de berekening van de pensioenbonus.
Afdeling 4
Overgangsbepaling
Art. 35
De bepalingen van de afdelingen 1 tot en met 3 van
dit hoofdstuk zijn niet van toepassing op de personeels-
leden bedoeld in artikel 109/1 van de programmawet
van 28 juni 2013 die reeds voorafgaand aan 1 juli 2024 een
pensioenbonus opbouwden en dit zelfs indien hun rust-
pensioen ingaat vanaf 1 januari 2025.
4° les articles 120, 121, 125, 126 et 135 de la loi
du 26 juin 1992 portant des dispositions sociales et
diverses;
5° l’article 1er de l’arrêté royal du 1er avril 1992 accordant
un pécule de vacances et un pécule complémentaire au
pécule de vacances aux pensionnés des services publics;
6° l’article 3, § 1er, alinéa 1er, de la loi du 4 mars 2004 ac-
cordant des avantages complémentaires en matière de
pension de retraite aux personnes désignées pour exercer
une fonction de management ou d’encadrement dans
un service public.
§ 3. Le bonus de pension qui est versé sous forme
de rente mensuelle est suspendu et réduit de la même
manière que la pension de retraite.
§ 4. Le bonus de pension est octroyé et payé par le
pouvoir ou l’organisme qui gère le régime de pension
auquel le membre du personnel était soumis pendant
la période de référence.
Si le membre du personnel était soumis à plusieurs
régimes de pension pendant la période de référence, le
bonus de pension est octroyé et payé par les pouvoirs
ou organismes qui gèrent ces régimes au prorata du
nombre de mois de services effectivement prestés qui
sont pris en compte dans chaque régime pour le calcul
du bonus de pension.
Section 4
Disposition transitoire
Art. 35
Les dispositions des sections 1re à 3 incluses de ce
chapitre ne sont pas d’application pour les agents visés
à l’article 109/1 de la loi-programme du 28 juin 2013 qui
ont déjà constitué un bonus de pension avant le 1er juil-
let 2024, et ce, même si leur pension de retraite prend
cours à partir du 1er janvier 2025.
39
3808/009
DOC 55
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2023
2024
K A M E R • 6 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
HOOFDSTUK 2
Bepaling inzake de pensioenbonus
in de pensioenregeling
van de werknemers
Art. 36
In titel III, hoofdstuk 1, van de wet van 23 decem-
ber 2005 betreffende het generatiepact, wordt een
artikel 7ter ingevoegd, luidende:
“Art. 7ter. § 1. Een pensioenbonus wordt toegekend
aan de werknemer die, naargelang het geval:
1° zijn beroepsbezigheid voortzet na de datum waarop
hij zijn vervroegd rustpensioen als werknemer had
kunnen verkrijgen met toepassing van artikel 4 van het
voormelde koninklijk besluit van 23 december 1996 tot
uitvoering van de artikelen 15, 16 en 17 van de wet van
26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid
en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke
pensioenstelsels;
2° zijn beroepsbezigheid voortzet na de leeftijd bedoeld
in artikel 2, § 1, van het voormelde koninklijk besluit
van 23 december 1996.
§ 2. De Koning bepaalt bij een besluit vastgesteld na
overleg in de Ministerraad:
1° het bedrag en de aard van de pensioenbonus;
2° de voorwaarden en de nadere regels waaronder
de pensioenbonus wordt toegekend en uitbetaald;
3° de tijdvakken die voor de vaststelling van de pen-
sioenbonus in aanmerking genomen worden.
§ 3. Dit artikel is van toepassing op de rustpensioenen
die daadwerkelijk en voor de eerste maal ten vroegste
ingaan op 1 januari 2025 en enkel voor de tijdvakken
gepresteerd vanaf 1 juli 2024.
In afwijking van het eerste lid, kan de Koning, bij een
besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de
voorwaarden bepalen waaronder de bepalingen van
artikel 7bis van toepassing blijven op rustpensioenen
die na 31 december 2024 daadwerkelijk en voor de
eerste maal ingaan.”
CHAPITRE 2
Disposition relative au bonus de pension
dans le régime de pension
des travailleurs salariés
Art. 36
Dans le titre III, chapitre 1er, de la loi du 23 dé-
cembre 2005 relative au pacte de solidarité entre les
générations, il est inséré un article 7ter rédigé comme suit:
“Art. 7ter. § 1er. Un bonus de pension est octroyé en
faveur du travailleur salarié qui, selon le cas:
1° poursuit son activité professionnelle au-delà de la
date à laquelle il aurait pu obtenir sa pension de retraite
anticipée en tant que travailleur salarié en application de
l’article 4 de l’arrêté royal du 23 décembre 1996 portant
exécution des articles 15, 16 et 17 de la loi du 26 juil-
let 1996 portant modernisation de la sécurité sociale et
assurant la viabilité des régimes légaux des pensions”;
2° poursuit son activité professionnelle au-de-
là de l’âge visé à l’article 2, § 1er, de l’arrêté royal
du 23 décembre 1996 précité.
§ 2. Le Roi détermine par arrêté délibéré en Conseil
des ministres:
1° le montant et la nature du bonus de pension;
2° les conditions et les modalités auxquelles l’octroi
et le paiement du bonus de pension sont soumis;
3° les périodes qui sont prises en compte pour la
détermination du bonus de pension.
§ 3. Le présent article s’applique aux pensions de
retraite qui prennent cours effectivement et pour la
première fois au plus tôt le 1er janvier 2025 et seulement
aux périodes prestées à partir du 1er juillet 2024.
Par dérogation à l’alinéa 1er, le Roi peut, par arrêté
délibéré en Conseil des ministres, déterminer les condi-
tions dans lesquelles les dispositions de l’article 7bis
continuent de régir des pensions de retraite qui prennent
cours effectivement et pour la première fois après
le 31 décembre 2024.”
3808/009
DOC 55
40
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2023
2024
K A M E R • 6 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
HOOFDSTUK 3
Bepaling inzake de pensioenbonus
in de pensioenregeling
van de zelfstandigen
Art. 37
In titel II, hoofdstuk I, van de wet van 23 decem-
ber 2005 betreffende het generatiepact, wordt een
artikel 3/2 ingevoegd, luidende:
“Art. 3/2, § 1. Het rustpensioen als zelfstandige wordt
aangevuld met een bonus voor de zelfstandigen die,
naargelang het geval:
1° hun beroepsbezigheden voortzetten na de datum
waarop ze hun vervroegd rustpensioen als zelfstandige
voor het eerst hadden kunnen verkrijgen krachtens
artikel 3, § 2, § 2bis, § 2ter, § 3, § 3ter en § 4, van het
koninklijk besluit van 30 januari 1997 betreffende het
pensioenstelsel der zelfstandigen met toepassing van
de artikelen 15 en 27 van de wet van 26 juli 1996 tot
modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring
van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels
en van artikel 3, § 1, 4°, van de wet van 26 juli 1996 strek-
kende tot realisatie van de budgettaire voorwaarden tot
deelname van België aan de Europese en Monetaire Unie;
2° geen vervroegd rustpensioen kunnen bekomen
en die hun beroepsbezigheden voortzetten na de pen-
sioenleeftijd bedoeld in artikel 3, § 1, § 1bis of § 1ter,
naargelang het geval, van het vermeld koninklijk besluit
van 30 januari 1997.
§ 2. De bepalingen van dit artikel zijn van toepassing
op de pensioenen die daadwerkelijk en voor de eerste
maal ten vroegste ingaan op 1 januari 2025 doch enkel
voor de tijdvakken gepresteerd vanaf 1 juli 2024.
De bepalingen van dit artikel zijn niet van toepassing
op de zelfstandigen die een bonus opgebouwd hebben
overeenkomstig de bepalingen van artikel 3 en van arti-
kel 3/1 wanneer hun pensioen daadwerkelijk en voor de
eerste maal ten vroegste ingaat na 31 december 2024.
Er kan geen bonus meer opgebouwd worden vanaf
de datum waarop een rustpensioen of een als zodanig
geldend voordeel krachtens een andere Belgische
wettelijke, reglementaire, statutaire of contractuele pen-
sioenregeling dan de regeling voor zelfstandigen voor
het eerst ingaat, met uitzondering van het onvoorwaar-
delijk pensioen, bedoeld in artikel 37 van het koninklijk
besluit nr. 72 van 10 november 1967 betreffende het
rust- en overlevingspensioen der zelfstandigen.
CHAPITRE 3
Disposition relative au bonus de pension
dans le régime de pension
des travailleurs indépendants
Art. 37
Dans le titre II, chapitre Ier, de la loi du 23 dé-
cembre 2005 relative au pacte de solidarité entre les
générations, il est inséré un article 3/2, rédigé comme suit:
“Art. 3/2. § 1er. La pension de retraite comme travail-
leur indépendant est complétée par un bonus pour les
travailleurs indépendants, qui, selon le cas:
1° poursuivent leur activité professionnelle au-delà de
la date à laquelle ils auraient pu obtenir pour la première
fois leur pension de retraite anticipée de travailleur indé-
pendant en vertu de l’article 3, § 2, § 2bis, § 2ter, § 3,
§ 3ter et § 4 de l’arrêté royal du 30 janvier 1997 relatif
au régime de pension des travailleurs indépendants
en application des articles 15 et 27 de la loi du 26 juil-
let 1996 portant modernisation de la sécurité sociale et
assurant la viabilité des régimes légaux de pensions et
de l’article 3, § 1er, 4°, de la loi du 26 juillet 1996 visant à
réaliser les conditions budgétaires de la participation de la
Belgique à l’Union économique et monétaire européenne;
2° ne peuvent obtenir une pension de retraite antici-
pée et poursuivent leur activité professionnelle au-delà
de l’âge de la pension, visé à l’article 3, § 1er, § 1bis ou
§ 1ter, selon le cas, de l’arrêté royal du 30 janvier 1997.
§ 2. Les dispositions du présent article s’appliquent
aux pensions qui prennent cours effectivement et pour la
première fois au plus tôt le 1er janvier 2025 et seulement
pour les périodes prestées à partir du 1er juillet 2024.
Les dispositions de cet article ne sont pas d’applica-
tion aux indépendants qui se sont constitués un bonus
conformément aux dispositions de l’article 3 et de l’ar-
ticle 3/1 lorsque leur pension prend cours effectivement
et pour la première fois après le 31 décembre 2024.
Aucun bonus ne peut plus être constitué à partir de la
première date de prise de cours effective d’une pension
de retraite ou d’un avantage en tenant lieu en vertu d’un
régime légal, réglementaire, statutaire ou contractuel
belge de pension autre que le régime indépendant, à
l’exception de la pension inconditionnelle visée à l’ar-
ticle 37 de l’arrêté royal n° 72 du 10 novembre 1967 relatif
à la pension de retraite et de survie des travailleurs
indépendants.
41
3808/009
DOC 55
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2023
2024
K A M E R • 6 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
§ 3. De Koning bepaalt, na advies van het Algemeen
Beheerscomité voor het sociaal statuut der zelfstandigen,
bij een in Ministerraad overlegd besluit:
1° de voorwaarden waaronder de pensioenbonus
wordt toegekend en de wijze waarop die wordt uitbetaald;
2° het bedrag en de aard van de pensioenbonus;
3° de tijdvakken die voor de vaststelling van de pen-
sioenbonus in aanmerking genomen worden.”
HOOFDSTUK 4
Gemeenschappelijke bepalingen
Afdeling 1
Toepassingsgebied
Art. 38
De bepalingen van dit hoofdstuk zijn van toepassing
op de pensioenbonussen bedoeld in:
— artikel 28, 5°;
— artikel 3/2 van de wet van 23 december 2005 be-
treffende het generatiepact;
— artikel 7ter van de voormelde wet van 23 dec-
ember 2005.
Afdeling 2
Definities en begrippen
Art. 39
Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan
onder:
1° “wettelijke pensioenen”: de wettelijke pen-
sioenen bedoeld in artikel 68, § 1, a), van de wet
van 30 maart 1994 houdende sociale bepalingen;
2° “aanvullende pensioenen”: de aanvullende pensi-
oenen bedoeld in artikel 68, § 1, c), van de voormelde
wet van 30 maart 1994;
3° “totaalbedrag van de pensioenvoordelen”: het jaar-
lijks totaalbedrag van de pensioenbonussen en de
wettelijke en aanvullende pensioenen, vastgesteld
overeenkomstig artikel 45;
§ 3. Le Roi détermine, par arrêté délibéré en Conseil
des ministres et après avis du Comité général de gestion
pour le statut social des travailleurs indépendants:
1° les conditions auxquelles l’octroi et la façon dont
le bonus de pension est payé;
2° le montant et la nature du bonus de pension;
3° les périodes qui sont prises en compte pour la
détermination du bonus de pension.”
CHAPITRE 4
Dispositions communes
Section 1re
Champ d’application
Art. 38
Les dispositions de ce chapitre sont d’application aux
bonus de pension visés à:
— l’article 28, 5°;
— l’article 3/2 de la loi du 23 décembre 2005 relative
au pacte de solidarité entre les générations;
— l’article 7ter de la loi du 23 décembre 2005 précitée.
Section 2
Définitions et notions
Art. 39
Pour l’application de ce chapitre, on entend par:
1° “pensions légales”: les pensions légales visées à
l’article 68, § 1er, a), de la loi du 30 mars 1994 portant
des dispositions sociales;
2° “pensions complémentaires”: les pensions com-
plémentaires visées à l’article 68, § 1er, c), de la loi
du 30 mars 1994 précitée;
3° “montant total des avantages de pension”: le montant
total annuel des bonus de pension et des pensions légales
et complémentaires, fixé conformément à l’article 45;
3808/009
DOC 55
42
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2023
2024
K A M E R • 6 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
4° “bonusdagen”:
— de kalenderdagen waarvoor een pensioenbonus
wordt opgebouwd overeenkomstig hoofdstuk 1 en die
vastgesteld worden overeenkomstig het tweede en
derde lid;
— de dagen waarvoor een pensioenbonus wordt op-
gebouwd in uitvoering van artikel 7ter van de voormelde
wet van 23 december 2005;
— de dagen waarvoor een pensioenbonus wordt op-
gebouwd in uitvoering van artikel 3/2 van de voormelde
wet van 23 december 2005, en die vastgesteld worden
overeenkomstig het vierde lid.
Voor een pensioenbonus die wordt toegekend over-
eenkomstig hoofdstuk 1 wordt elke kalendermaand van
verlenging van de loopbaan geacht samengesteld te zijn
uit zesentwintig bonusdagen van werkelijk gepresteerde
diensten in het geval van diensten met volledige opdracht.
Indien een kalendermaand diensten met onvolle-
dige opdracht of gedeeltelijk bezoldigde of onbezol-
digde afwezigheidsdagen telt, ongeacht of zij al dan
niet gelijkgesteld zijn met dienstactiviteit, wordt het in
het tweede lid bedoelde aantal dagen verminderd ten
belope van het gedeelte dat de verminderde duur van
deze diensten, vastgesteld overeenkomstig artikel 33,
vertegenwoordigt in verhouding tot dezelfde diensten
met volledige opdracht.
Voor een pensioenbonus die wordt toegekend over-
eenkomstig artikel 3/2 van de voormelde wet van 23 de-
cember 2005 wordt elk volledig kwartaal van verlenging
van de loopbaan geacht samengesteld te zijn uit acht-
enzeventig bonusdagen.
Afdeling 3
Inhoudingen
Art. 40
De pensioenbonus is vrijgesteld van elke sociaal-
rechtelijke inhouding.
Art. 41
Artikel 39 van het Wetboek van de inkomstenbelas-
tingen 1992, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 21 janu-
ari 2022, wordt aangevuld met een paragraaf 3, luidende:
4° “jours de bonus”:
— les jours civils pour lesquels un bonus de pension
a été constitué conformément au chapitre 1er et qui sont
établis conformément aux alinéas 2 et 3;
— les jours pour lesquels un bonus de pension a
été constitué en application de l’article 7ter de la loi
du 23 décembre 2005 précitée;
— les jours pour lesquels un bonus de pension a
été constitué en application de l’article 3/2 de la loi
du 23 décembre 2005 précitée et qui sont établis confor-
mément à l’alinéa 4.
Pour un bonus de pension qui est octroyé conformé-
ment au chapitre 1er, chaque mois civil de prolongation
de carrière est considéré comme étant composé de
vingt-six jours de bonus effectivement prestés dans le
cas d’un travail à temps plein.
Si un mois civil est presté à temps partiel ou s’il com-
prend des jours d’absence partiellement rémunérés
ou non, qu’ils soient ou non assimilés à de l’activité de
service, le nombre de jours visé à l’alinéa 2 est réduit à
concurrence de la fraction que la durée réduite de ces
services, établie conformément à l’article 33, repré-
sente par rapport à ces mêmes services à prestations
complètes.
Pour un bonus de pension qui est octroyé conformé-
ment à l’article 3/2 de la loi du 23 décembre 2005 précitée,
chaque trimestre complet de prolongation de la carrière
est réputé être composé de septante-huit jours de bonus.
Section 3
Retenues
Art. 40
Le bonus de pension est dispensé de toute retenue
sociale.
Art. 41
L’article 39 du Code des impôts sur les revenus 1992,
modifié en dernier lieu par la loi du 21 janvier 2022, est
complété par un paragraphe 3, rédigé comme suit:
43
3808/009
DOC 55
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2023
2024
K A M E R • 6 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
“§ 3. De pensioenbonus die wordt betaald of toege-
kend in toepassing van titel 3, hoofdstuk 1, van de wet
van.xxxxxxxxxxxxxx. houdende de hervorming van
de pensioenen, van artikel 3/2 van de wet van 23 de-
cember 2005 betreffende het generatiepact of van arti-
kel 7ter van de voormelde wet van 23 december 2005,
is vrijgesteld.
De in het eerste lid bedoelde pensioenbonus wordt
vermeld op de berekeningsnota die gevoegd is bij het
aanslagbiljet inzake personenbelasting van de genieter.”
Afdeling 4
Maxima
Onderafdeling 1
Maximum aantal bonusdagen
per refertejaar
Art. 42
Wanneer een persoon pensioenbonussen opbouwt
in meerdere pensioenregelingen, worden voor de be-
rekening van de verschillende pensioenbonussen over
alle pensioenregelingen heen per refertejaar ten hoog-
ste 312 bonusdagen in aanmerking genomen.
Wanneer een persoon in een refertejaar meer dan
312 bonusdagen heeft gepresteerd, wordt het aantal
bonusdagen dat voor dat refertejaar in aanmerking wordt
genomen voor de berekening van de pensioenbonussen
tot 312 beperkt.
De in het tweede lid bedoelde beperking wordt eerst
toegepast op de pensioenbonus bedoeld in artikel 3/2 van
de voormelde wet van 23 december 2005, vervolgens
op de pensioenbonus bedoeld in artikel 7ter van de
voormelde wet van 23 december 2005 en tenslotte op
de pensioenbonus bedoeld in hoofdstuk 1.
Indien de pensioenbonussen in de verschillende
regelingen niet gelijktijdig worden uitbetaald, wordt de
beperking, in afwijking van het derde lid, telkens verricht
op de pensioenbonus die het laatst wordt toegekend,
rekening houdend met de beperking ten gevolge elke
andere eerder toegekende pensioenbonus.
“§ 3. Le bonus de pension payé ou attribué en appli-
cation du titre 3, chapitre 1er, de la loi du…xxxxxxxxxxx
portant la réforme des pensions, de l’article 3/2 de la
loi du 23 décembre 2005 relative au pacte de solida-
rité entre les générations ou de l’article 7ter de la loi
du 23 décembre 2005 précitée, est exonéré.
Le bonus de pension visé à l’alinéa 1er est mentionné
sur la note de calcul qui est jointe à l’avertissement-extrait
de rôle en matière d’impôt des personnes physiques
du bénéficiaire.”
Section 4
Maxima
Sous-section 1re
Nombre maximum de jours de bonus
par année de référence
Art. 42
Lorsqu’une personne constitue des bonus de pen-
sion dans plusieurs régimes de pension, 312 jours de
bonus par année de référence au maximum sont pris
en considération pour le calcul des différents bonus de
pension sur l’ensemble des régimes de pension.
Lorsqu’une personne a presté plus de 312 jours de
bonus sur une année de référence, le nombre de jours
de bonus qui est pris en considération pour cette année
de référence, pour le calcul des bonus de pension, est
limité à 312.
La limitation visée à l’alinéa 2 est d’abord appliquée au
bonus de pension visé à l’article 3/2 de la loi du 23 dé-
cembre 2005 précitée, ensuite au bonus de pension visé
à l’article 7ter de la loi du 23 décembre 2005 précitée
et finalement au bonus de pension visé au chapitre 1er.
Si les bonus de pension des différents régimes ne
sont pas versés en même temps, la limitation, par déro-
gation à l’alinéa 3, est appliquée dans chaque cas sur
le dernier bonus de pension qui a été octroyé, compte
tenu de la limitation résultant de tout autre bonus de
pension antérieurement octroyé.
3808/009
DOC 55
44
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2023
2024
K A M E R • 6 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
Onderafdeling 2
Maximum totaal aantal bonusdagen
Art. 43
Wanneer een persoon pensioenbonussen opbouwt in
meerdere pensioenregelingen, worden, na toepassing
van artikel 42, maximum 936 bonusdagen in aanmerking
genomen voor de berekening van de pensioenbonussen.
De in het eerste lid bedoelde beperking wordt eerst
toegepast op de pensioenbonus bedoeld in artikel 3/2 van
de voormelde wet van 23 december 2005, vervolgens
op de pensioenbonus bedoeld in artikel 7ter van die
wet en tenslotte op de pensioenbonus zoals bedoeld
in hoofdstuk 1.
Indien de pensioenbonussen in de verschillende
regelingen niet gelijktijdig worden uitbetaald, wordt de
beperking, in afwijking van het tweede lid, verricht op de
pensioenbonus die het laatst wordt uitbetaald.
Onderafdeling 3
Maximumbedrag
Art. 44
De toekenning van één of meer pensioenbonussen
mag niet tot gevolg hebben dat het totaalbedrag van de
pensioenvoordelen voor een bepaald kalenderjaar het
bedrag van 46.882,74 euro overschrijdt.
Het in het eerste lid bedoelde bedrag is gekoppeld
aan de spilindex 138,01 en schommelt overeenkomstig
de bepalingen van de wet van 1 maart 1977 houdende
inrichting van een stelsel waarbij sommige uitgaven in
de overheidssector aan het indexcijfer van de consump-
tieprijzen van het Rijk worden gekoppeld en kan, bij een
besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, door
de Koning verhoogd worden.
Art. 45
Voor de vaststelling van het totaalbedrag van de
pensioenvoordelen:
1° worden de wettelijke en aanvullende pensioenen
die in de vorm van een kapitaal worden uitbetaald,
omgezet in een fictieve rente op basis van de coëf-
ficiënten bepaald in de tabel gevoegd bij het koninklijk
Sous-section 2
Nombre maximum total de jours de bonus
Art. 43
Lorsqu’une personne constitue des bonus de pension
dans plusieurs régimes de pension, 936 jours de bonus
au maximum, après l’application de l’article 42, sont pris
en considération pour le calcul des bonus de pension.
La limitation, visée à l’alinéa 1er, s’applique d’abord au
bonus de pension visé à l’article 3/2 de la loi du 23 dé-
cembre 2005 précitée, puis au bonus de pension visé
à l’article 7ter de cette loi et enfin au bonus de pension
visé au chapitre 1er.
Si les bonus de pension des différents régimes ne
sont pas versés en même temps, la limitation s’applique,
par dérogation à l’alinéa 2, au bonus de pension versé
en dernier.
Sous-section 3
Montant maximum
Art. 44
L’octroi d’un ou plusieurs bonus de pension ne peut
avoir pour effet que le montant total des avantages
de pension pour une année civile dépasse le montant
de 46.882,74 euros.
Le montant visé à l’alinéa 1er est lié à l’indice-pi-
vot 138,01 et varie conformément aux dispositions de
la loi du 1er mars 1977 organisant un régime de liaison
à l’indice des prix à la consommation du Royaume de
certaines dépenses dans le secteur public à l’indice et
peut être augmenté par le Roi par arrêté délibéré en
Conseil des ministres.
Art. 45
Pour déterminer le montant total des avantages de
pension:
1° les pensions légales et complémentaires qui
sont versées sous la forme d’un capital sont conver-
ties en une rente fictive sur la base des coefficients
déterminés dans le tableau annexé à l’arrêté royal
45
3808/009
DOC 55
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2023
2024
K A M E R • 6 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
besluit van 25 april 1997 tot uitvoering van artikel 68,
§ 2, derde lid, van de wet van 30 maart 1994 houdende
sociale bepalingen;
2° worden de wettelijke en aanvullende pensioenen
die niet maandelijks worden uitbetaald, desgevallend
na hun omzetting in een fictieve rente, omgerekend
in maandbedragen;
3° worden de pensioenbonussen die onder de vorm
van een éénmalige betaling zijn uitbetaald omgezet in het
bedrag dat zou worden uitbetaald indien de betrokkene
voor maandelijkse betaling had geopteerd.
Art. 46
Indien het in artikel 44 bedoelde maximumbedrag
overschrijdt, wordt de beperking eerst toegepast op de
pensioenbonus bedoeld in artikel 3/2 van voormelde wet
van 23 december 2005, vervolgens op de pensioenbonus
bedoeld in artikel 7ter van voormelde wet van 23 de-
cember 2005 en tenslotte op de pensioenbonus zoals
bedoeld in hoofdstuk 1.
Ingeval van beperking van de in hoofdstuk 1 van deze
titel bedoelde pensioenbonus, wordt deze verminderd
overeenkomstig de orde van voorrang zoals bepaald
in artikel 3 van het koninklijk besluit van 22 septem-
ber 1980 tot uitvoering van artikel 50, § 2, tweede lid,
van de wet van 5 augustus 1978 houdende economische
en budgettaire hervormingen.
Afdeling 5
Nadere regels inzake betaling
Art. 47
De pensioenbonus kan, naar keuze en op verzoek
van betrokkene, uitbetaald worden onder de vorm van
een maandelijkse rente.
De betrokkene dient hiertoe een schriftelijke of elek-
tronische aanvraag in bij de pensioeninstelling binnen
een termijn van één maand vanaf het ogenblik waarop
hem het bedrag van de pensioenbonus onder de vorm
van een éénmalige betaling wordt meegedeeld.
Wanneer een persoon aanspraak kan maken op
meerdere pensioenbonussen bedoeld in artikel 28, 5°,
en in de artikelen 3/2 en 7ter van de voormelde wet
van 23 december 2005, geldt de vorm van uitbetaling
van de pensioenbonus die het eerst wordt uitbetaald
eveneens voor de andere pensioenbonussen.
du 25 avril 1997 portant exécution de l’article 68, § 2,
alinéa 3, de la loi du 30 mars 1994 portant des dispo-
sitions sociales;
2° les pensions légales et complémentaires qui ne
sont pas versées mensuellement, le cas échéant après
leur transformation en rente fictive, sont converties en
montants mensuels;
3° les bonus de pension qui sont versés sous la
forme d’un paiement unique, converti en montant qui
serait versé si la personne concernée avait opté pour
le paiement mensuel.
Art. 46
Si le montant total des avantages de pension dé-
passe le montant maximal visé à l’article 44, la limitation
est d’abord appliquée sur le bonus de pension visé à
l’article 3/2 de la loi du 23 décembre 2005 précitée,
ensuite sur le bonus de pension visé à l’article 7ter de
du 23 décembre 2005 précitée et enfin sur le bonus de
pension visé au chapitre 1er.
Dans l’hypothèse de la limitation du bonus de pen-
sion visée au chapitre 1er du présent titre, celui-ci est
réduit conformément à l’ordre de priorité déterminé à
l’article 3 de l’arrêté royal du 22 septembre 1980 por-
tant exécution de l’article 50, § 2, alinéa 2, de la loi
du 5 août 1978 de réformes économiques et budgétaires.
Section 5
Modalités relatives au paiement
Art. 47
Le bonus de pension peut, au choix et à la demande
de l’intéressé, être versé sous la forme d’une rente
mensuelle.
L’intéressé introduit à cette fin une demande écrite
ou électronique auprès l’organisme de pension dans
un délai d’un mois à partir du moment où il est informé
du montant du bonus de pension sous la forme d’un
paiement unique.
Lorsqu’une personne peut prétendre à plusieurs bonus
de pension visés à l’article 28, 5°, et aux articles 3/2 et 7ter
de la loi du 23 décembre 2005 précitée, la forme de
paiement du bonus de pension qui a été versé en premier
lieu vaut également pour les autres bonus de pension.
3808/009
DOC 55
46
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2023
2024
K A M E R • 6 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
Afdeling 6
Termijnen
Art. 48
Voor de beslissingen inzake de pensioenbonus neemt
de termijn van vier maanden bedoeld in artikel 10 van
de wet van 11 april 1995 tot invoering van het “handvest”
van de sociaal verzekerde een aanvang op de ingangs-
datum van het rustpensioen waaraan de pensioenbonus
wordt toegevoegd.
Art. 49
Voor de betalingen van de pensioenbonus wordt de ter-
mijn van vier maanden bedoeld in artikel 12 van de voor-
melde wet van 11 april 1995 verlengd tot acht maanden.
HOOFDSTUK 5
Inwerkingtreding
Art. 50
Deze titel treedt in werking op 1 januari 2025.
Artikel 49 treedt buiten werking op 1 januari 2026.
TITEL 4
De financiering van het Gesolidariseerde
pensioenfonds van de provinciale en
plaatselijke besturen
HOOFDSTUK 1
Wijziging van de financiering
van het Gesolidariseerde pensioenfonds
van de provinciale en plaatselijke besturen
Art. 51
In artikel 20, derde lid van de wet van 24 oktober 2011
tot vrijwaring van een duurzame financiering van de
pensioenen van de vastbenoemde personeelsleden van
de provinciale en plaatselijke overheidsdiensten en van
de lokale politiezones, tot wijziging van de wet van 6 mei
2002 tot oprichting van het fonds voor de pensioenen
van de geïntegreerde politie en houdende bijzondere
bepalingen inzake sociale zekerheid en houdende diverse
wijzigingsbepalingen, gewijzigd bij de wet van 30 maart
2018, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
Section 6
Délais
Art. 48
Pour les décisions prises en matière de bonus de
pension, le délai de quatre mois visé à l’article 10 de
la loi du 11 avril 1995 visant à instituer “la charte” de
l’assuré social prend cours à la date de prise de cours
de la pension à laquelle le bonus de pension est ajouté.
Art. 49
Pour les paiements du bonus de pension, le délai de
quatre mois visé à l’article 12 de la loi du 11 avril 1995 pré-
citée est porté à huit mois.
CHAPITRE 5
Entrée en vigueur
Art. 50
Le présent titre entre en vigueur le 1er janvier 2025.
L’article 49 cesse d’être en vigueur le 1er janvier 2026.
TITRE 4
Le financement du Fonds
de pension solidarisé
des administrations provinciales et locales
CHAPITRE 1ER
Modification du financement
du Fonds de pension solidarisé
des administrations provinciales et locales
Art. 51
Dans l’article 20, alinéa 3, de la loi du 24 octobre
2011 assurant un financement pérenne des pensions
des membres du personnel nommé à titre définitif des
administrations provinciales et locales et des zones de
police locale et modifiant la loi du 6 mai 2002 portant
création du fonds des pensions de la police intégrée
et portant des dispositions particulières en matière
de sécurité sociale et contenant diverses dispositions
modificatives, modifié par la loi du 30 mars 2018, les
modifications suivantes sont apportées:
47
3808/009
DOC 55
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2023
2024
K A M E R • 6 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
1° in de eerste zin worden de woorden “50 percent
van de kost” vervangen door de woorden “een deel
van de kost”;
2° de tweede zin wordt vervangen als volgt: “Het
procentueel deel van de kost voor de werkgever van het
pensioenstelsel dat in mindering gebracht wordt van de
responsabiliseringsbijdrage wordt zodanig vastgesteld
dat het totale maximumbedrag van de verminderingen
gelijk is aan het totale bedrag van de verhogingen van de
responsabiliseringsbijdrage die op grond van het vijfde
lid kunnen worden toegepast, zonder evenwel hoger te
kunnen zijn dan 50 %.”
Art. 52
In artikel 21 van dezelfde wet, vervangen bij de
wet van 30 maart 2018, worden volgende wijzigingen
aangebracht:
1° paragraaf 3 wordt opgeheven;
2° paragraaf 4 wordt vervangen als volgt:
“§ 4. De werkgevers die voor het tweede jaar vooraf-
gaand aan het lopende kalenderjaar een aanvullende
bijdrage voor individuele responsabilisering verschuldigd
waren, zijn ertoe gehouden om in elke kalendermaand
een termijn te betalen op de verschuldigde responsa-
biliseringsbijdrage voor het lopende kalenderjaar, ten
laatste de 10e van de maand die volgt op het versturen
van de factuur. Het bedrag van deze maandelijkse
termijnen is gelijk aan één twaalfde van een door de
Koning te bepalen percentage van het bedrag van de
verschuldigde responsabiliseringsbijdrage voor het
tweede jaar voorafgaand aan het lopende kalenderjaar
zonder dat evenwel rekening wordt gehouden met de
in toepassing van artikel 20, derde lid toegekende ver-
mindering of de in toepassing van artikel 20, vijfde lid
opgelegde verhoging.”;
3° paragraaf 5 wordt vervangen als volgt:
“§ 5. Het saldo van de verschuldigde responsabilise-
ringsbijdrage wordt bij helften betaald in de maanden
november en december van het volgende kalenderjaar.
Het bedrag van het saldo is gelijk aan het verschil tus-
sen enerzijds het bedrag van de verschuldigde res-
ponsabiliseringsbijdrage en anderzijds de som van
de in § 4 bedoelde, tijdens het vorige kalenderjaar
betaalde maandelijkse termijnen.”
1° dans la première phrase, les mots “50 pourcent du
coût” sont remplacés par les mots “une partie du coût”;
2° la deuxième phrase est remplacée comme suit: “La
partie procentuelle du coût pour l’employeur du régime
de pension qui peut être déduit de la cotisation de res-
ponsabilisation est fixée de telle sorte que le montant
total des déductions soit égal au montant maximal total
des majorations de la cotisation de responsabilisation
qui peuvent être appliquées sur base de l’alinéa 5, sans
pouvoir être supérieur à 50 %.”
Art. 52
Dans l’article 21 de la même loi, remplacé par la
loi du 30 mars 2018, les modifications suivantes sont
apportées:
1° le paragraphe 3 est abrogé;
2° le paragraphe 4 est remplacé comme suit:
“§ 4. Les employeurs qui, pour la deuxième année
précédant l’année civile en cours, étaient redevables
d’une cotisation complémentaire de responsabilisation
individuelle, sont tenus de payer au cours de chaque mois
civil, au plus tard le 10 du mois qui suit l’envoi de la
facture, une mensualité sur la cotisation de responsabi-
lisation due pour l’année civile en cours. Le montant de
ces mensualités est égal à un douzième d’un pourcen-
tage, à fixer par le Roi, du montant de la cotisation de
responsabilisation qui était due pour la deuxième année
précédant l’année civile en cours sans qu’il soit toutefois
tenu compte des déductions accordées en application
de l’article 20, alinéa 3 ou des majorations imposées
en application de l’article 20, alinéa 5.”;
3° le paragraphe 5 est remplacé comme suit:
“§ 5. Le solde de la cotisation de responsabilisation
due est payé par moitiés au cours des mois de novembre
et de décembre de l’année civile suivante. Le montant
du solde est égal à la différence entre, d’une part, le
montant de la cotisation de responsabilisation et, d’autre
part, la somme des mensualités visées au § 4 payées
au cours de l’année civile précédente.”
3808/009
DOC 55
48
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2023
2024
K A M E R • 6 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
Art. 53
In artikel 27 van dezelfde wet, vervangen bij de wet
van 30 maart 2018, worden de woorden “de aanwijzing van
de rechter bevoegd in geval van betwisting,” opgeheven.
HOOFDSTUK 2
Bijkomende financiering
van het Gesolidariseerde pensioenfonds
van de provinciale en plaatselijke besturen
Art. 54
In artikel 71, derde lid, van de wet van 18 maart 2016 tot
wijziging van de benaming van de Rijksdienst voor
Pensioenen in Federale Pensioendienst, tot integratie van
de bevoegdheden en het personeel van de Pensioendienst
voor de Overheidssector, van een deel van de bevoegd-
heden en van het personeel van de Directie-generaal
Oorlogsslachtoffers, van de opdrachten “Pensioenen” van
de lokale en provinciale sectoren van de Dienst voor de
Bijzondere socialezekerheidsstelsels en van HR Rail en
tot overname van de gemeenschappelijke sociale dienst
van de Dienst voor de Bijzondere socialezekerheidsstel-
sels, ingevoegd bij de wet van 11 december 2023 hou-
dende diverse bepalingen inzake pensioenen, worden
de woorden “voor het jaar 2023” vervangen door de
woorden “voor de jaren 2023 en 2024”.
HOOFDSTUK 3
Inwerkingtreding
Art. 55
Deze titel heeft uitwerking met ingang van 1 janu-
ari 2024, met uitzondering van:
— artikel 53 dat in werking treedt op de dag volgend
op de bekendmaking van deze wet in het Belgisch
Staatsblad en dat van toepassing is voor de nieuwe
rechtsvorderingen die vanaf deze datum worden ingeleid;
— artikel 54 dat in werking treedt op de dag van de
bekendmaking van deze wet in het Belgisch Staatsblad
en dat wordt toegepast bij de berekening van de aan-
vullende werkgeversbijdragen inzake pensioenen voor
het jaar 2023.
Art. 53
Dans l’article 27 de la même loi, remplacé par la
loi du 30 mars 2018, les mots “la désignation du juge
compétent en cas de litige,” sont abrogés.
CHAPITRE 2
Financement supplémentaire
du Fonds de pension solidarisé
des administrations locales et provinciales
Art. 54
Dans l’article 71, alinéa 3, de la loi du 18 mars 2016 por-
tant modification de la dénomination de l’Office national
des pensions en Service fédéral des Pensions, portant
intégration des attributions et du personnel du Service des
Pensions du Secteur Public, d’une partie des attributions
et du personnel de la Direction générale Victimes de la
Guerre, des missions “pensions” des secteurs locaux et
provinciaux de l’Office des régimes particuliers de sécurité
sociale et de HR Rail et portant reprise du Service social
collectif de l’Office des régimes particuliers de sécurité
sociale, inséré par la loi du 11 décembre 2023 portant
des dispositions diverses en matière de pension, les
mots “pour l’année 2023” sont remplacés par les mots
“pour les années 2023 et 2024”.
CHAPITRE 3
Entrée en vigueur
Art. 55
Le présent titre produit ses effets le 1er janvier 2024,
à l’exception:
— de l’article 53 qui entre en vigueur le lendemain
de la publication de la présente loi au Moniteur belge
et qui s’applique aux nouvelles actions introduites à
partir de cette date;
— de l’article 54, qui entre en vigueur le jour de la
publication de la présente loi au Moniteur belge et qui
s’applique lors du calcul des suppléments de cotisations
patronales pensions pour l’année 2023.
49
3808/009
DOC 55
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2023
2024
K A M E R • 6 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
TITEL 5
Wijziging van de bepalingen inzake de perequatie
van de rust- en overlevingspensioenen
van het personeel van de openbare sector
HOOFDSTUK 1
Wijzigingsbepalingen
Art. 56
In artikel 1 van de wet van 9 juli 1969 tot wijziging
en aanvulling van de wetgeving betreffende de rust-
en overlevingspensioenen van het personeel van de
openbare sector, gewijzigd bij de wetten van 24 okto-
ber 2011 en 5 mei 2014, worden volgende wijzigingen
aangebracht:
1° in het eerste lid wordt de bepaling onder 5° vervan-
gen als volgt: “5° het Gesolidariseerde pensioenfonds
van de provinciale en plaatselijke besturen”;
2° in het tweede lid worden de woorden “gesolida-
riseerd pensioenfonds van de RSZPPO” vervangen
door de woorden “gesolidariseerd pensioenfonds van
de provinciale en plaatselijke besturen”.
Art. 57
Artikel 11, § 2, derde lid, van dezelfde wet, vervangen
bij de wet van 25 april 2007, wordt aangevuld met de
volgende zin:
“Wat de weddebijslagen betreft die voor de bereke-
ning van het pensioen in aanmerking worden genomen
krachtens artikel 8, § 2, van de wet van 21 juli 1844 op
de burgerlijke en kerkelijke pensioenen wordt uitslui-
tend rekening gehouden met de weddebijslagen die in
aanmerking komen krachtens bepalingen die uiterlijk
op 30 juni 2008 werden bekendgemaakt in het Belgisch
Staatsblad.”
Art. 58
In artikel 12, § 1, van dezelfde wet, vervangen bij de
wet van 25 april 2007, worden de volgende wijzigingen
aangebracht:
1° het eerste lid wordt aangevuld met de woorden “of
ten belope van de in paragraaf 11 bedoelde forfaitaire
som”.
TITRE 5
Modification des dispositions relatives
à la péréquation des pensions de retraite et de survie
des membres du personnel du secteur public
CHAPITRE 1ER
Dispositions modificatives
Art. 56
Dans l’article 1er de la loi du 9 juillet 1969 modifiant et
complétant la législation relative aux pensions de retraite
et de survie des agents du secteur public, modifié par
les lois du 24 octobre 2011 et du 5 mai 2014, les modi-
fications suivantes sont apportées:
1° dans l’alinéa 1er, le 5° est remplacé par ce qui suit:
“5° du Fonds de pension solidarisé des administrations
provinciales et locales”;
2° dans l’alinéa 2, les mots “Fonds de pensions solida-
risé de l’ONSSAPL” sont remplacés par les mots “Fonds
de pension solidarisé des administrations provinciales
et locales”.
Art. 57
L’article 11, § 2, alinéa 3, de la même loi, remplacé
par la loi du 25 avril 2007, est complété par la phrase
suivante:
“En ce qui concerne les suppléments de traitement
qui sont pris en considération pour le calcul de la pen-
sion en application de l’article 8, § 2, de la loi générale
du 21 juillet 1844 sur les pensions civiles et ecclésias-
tiques, seuls les suppléments de traitement pris en
compte en vertu des dispositions publiées au Moniteur
belge au plus tard le 30 juin 2008 sont pris en compte.”
Art. 58
Dans l’article 12, § 1er, de la même loi, remplacé par
la loi du 25 avril 2007, les modifications suivantes sont
apportées:
1° l’alinéa 1er est complété par les mots “ou à concur-
rence de la somme forfaitaire visée au paragraphe 11”.
3808/009
DOC 55
50
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2023
2024
K A M E R • 6 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
2° het derde lid wordt aangevuld met de woorden
“, behalve in geval van toepassing van paragraaf 11”.
Art. 59
In artikel 12, § 4, eerste lid, van dezelfde wet, ver-
vangen bij de wet van 25 april 2007 en gewijzigd bij
de wet van 5 mei 2014, worden volgende wijzigingen
aangebracht:
1° het woord “PDOS” wordt telkens vervangen door
het woord “FPD”;
2° de woorden “gesolidariseerd pensioenfonds van
de RSZPPO” worden vervangen door de woorden
“Gesolidariseerde pensioenfonds van de provinciale
en plaatselijke besturen”.
Art. 60
In artikel 12, § 8, vierde lid, van dezelfde wet, ver-
vangen bij de wet van 25 april 2007 en gewijzigd bij de
wet van 5 mei 2014, worden de volgende wijzigingen
aangebracht:
1° het woord “PDOS” wordt vervangen door het woord
“FPD”;
2° het lid wordt aangevuld met de volgende zin:
“Wat de weddebijslagen betreft die voor de bereke-
ning van het pensioen in aanmerking worden genomen
krachtens artikel 8, § 2, van de wet van 21 juli 1844 op
de burgerlijke en kerkelijke pensioenen wordt bovendien
uitsluitend rekening gehouden met de weddebijslagen
die in aanmerking komen krachtens bepalingen die
uiterlijk op de in de voormelde respectievelijke bepa-
lingen bedoelde datum werden bekendgemaakt in het
Belgisch Staatsblad.”
Art. 61
Artikel 12 van dezelfde wet, vervangen bij de wet
van 25 april 2007 en gewijzigd bij het koninklijk besluit
van 11 december 2013 en de wet van 5 mei 2014, wordt
aangevuld met een paragraaf 10, luidend als volgt:
“§ 10. Indien voor het geheel van de perequatiekorven
het totale bedrag van de pensioenverhogingen voortvloei-
end uit de in paragraaf 9 bedoelde perequatiepercen-
tages hoger is dan 0,60 pct. van de globale last van de
rust- en overlevingspensioenen voor het laatste jaar van
de referentieperiode, wordt het in paragraaf 9 bedoelde
2° l’alinéa 3 est complété par les mots “, sauf en cas
d’application du paragraphe 11”.
Art. 59
Dans l’article 12, § 4, alinéa 1er, de la même loi, rem-
placé par la loi du 25 avril 2007 et modifié par la loi
du 5 mai 2014, les modifications suivantes sont apportées:
1° le mot “SdPSP” est remplacé à chaque fois par
le mot” “SFP”;
2° les mots “Fonds de pensions solidarisé de l’ONSSA-
PL” sont remplacés par les mots “Fonds de pension
solidarisé des administrations provinciales et locales”.
Art. 60
Dans l’article 12, § 8, alinéa 4, de la même loi, rem-
placé par la loi du 25 avril 2007 et modifié par la loi
du 5 mai 2014, les modifications suivantes sont apportées:
1° le mot “SdPSP” est remplacé par le mot “SFP”;
2° l’alinéa est complété par la phrase suivante:
“En ce qui concerne les suppléments de traitement
qui sont pris en compte pour le calcul de la pension en
application de l’article 8, § 2, de la loi générale du 21 juil-
let 1844 sur les pensions civiles et ecclésiastiques, il
n’est tenu compte que des seuls suppléments pris en
compte en vertu de dispositions publiées au Moniteur
belge au plus tard à la date visée dans les dispositions
respectives précitées.”
Art. 61
L’article 12 de la même loi, remplacé par la loi du
25 avril 2007 et modifié par l’arrêté royal du 11 dé-
cembre 2013 et la loi du 5 mai 2014, est complété par
un paragraphe 10 rédigé comme suit:
“§ 10. Si, pour l’ensemble des corbeilles de péréqua-
tion, le montant total des majorations de pension résultant
des pourcentages de péréquation visés au paragraphe 9,
dépasse 0,60 p.c. de la charge globale des pensions de
retraite et de survie de la dernière année de la période
de référence, le pourcentage de péréquation visé au
51
3808/009
DOC 55
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2023
2024
K A M E R • 6 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
perequatiepercentage beperkt voor elke perequatiekorf
waarvan dit percentage 0,60 pct. overschrijdt.
Hiertoe wordt voor elk van deze korven het in para-
graaf 9 bedoelde perequatiepercentage proportioneel
verminderd in verhouding tot het aandeel van de korf
in de in het eerste lid bedoelde overschrijding van de
globale last van de rust- en overlevingspensioenen. Het
perequatiepercentage van deze korven wordt in die mate
verminderd dat de toename van de voormelde globale
pensioenlast tot 0,60 pct. wordt beperkt.”
Art. 62
Artikel 12 van dezelfde wet, vervangen bij de wet
van 25 april 2007 en gewijzigd bij het koninklijk besluit
van 11 december 2013 en de wet van 5 mei 2014, wordt
aangevuld met een paragraaf 11, luidend als volgt:
“§ 11. Indien voor een perequatiekorf toepassing wordt
gemaakt van paragraaf 10 en het nominaal bedrag van
het pensioen dat van kracht is op de laatste dag van
de referentieperiode hoger is dan het in het tweede lid
bedoelde drempelbedrag, wordt de pensioenverhoging
voortvloeiend uit het in paragraaf 9 bedoelde perequatie-
percentage, in afwijking van paragraaf 1, derde lid, ver-
vangen door een forfaitaire pensioenverhoging waarvan
het bedrag bekomen wordt door de toepassing van het
in paragraaf 9 bedoelde perequatiepercentage op het
in het tweede lid bedoelde drempelbedrag.
Het drempelbedrag wordt zodanig vastgesteld dat het
totale bedrag van de pensioenverhogingen voortvloeiend
uit het in paragraaf 9 bedoelde perequatiepercentage
en uit de in het eerste lid bedoelde forfaitaire verhoging
van de nominale bedragen van de rust- en overlevings-
pensioenen die van kracht waren in de tiende maand
van het tweede jaar van de referentieperiode, gelijk is
aan het bedrag bekomen door de toepassing van het in
paragraaf 10 bedoelde verminderde perequatiepercen-
tage op de globale last van de aan de perequatiekorf
verbonden rust- en overlevingspensioenen.”
Art. 63
Artikel 14, tweede lid, van dezelfde wet, vervangen
bij de wet van 25 april 2007 en gewijzigd bij de wet
van 5 mei 2014, wordt aangevuld met de volgende zin:
“Wat de weddebijslagen betreft die voor de bereke-
ning van het pensioen in aanmerking worden genomen
krachtens artikel 8, § 2, van de wet van 21 juli 1844 op
de burgerlijke en kerkelijke pensioenen wordt bovendien
uitsluitend rekening gehouden met de weddebijslagen
paragraphe 9, est limité pour chaque corbeille de péré-
quation pour laquelle ce pourcentage dépasse 0,60 p.c.
À cet effet, pour chacune de ces corbeilles, le pour-
centage de péréquation visé au paragraphe 9 est réduit
proportionnellement à la part de la corbeille dans le
dépassement visé à l’alinéa 1er de la charge globale des
pensions de retraite et de survie. Le pourcentage de
péréquation de ces corbeilles est réduit dans la mesure
où l’augmentation de la charge globale de pension
précitée est limitée à 0,60 p.c.”
Art. 62
L’article 12 de la même loi, remplacé par la loi
du 25 avril 2007 et modifié par l’arrêté royal du 11 dé-
cembre 2013 et la loi du 5 mai 2014 est complété par
un paragraphe 11, rédigé comme suit:
“§ 11. Si pour une corbeille de péréquation le para-
graphe 10 est appliqué et si le taux nominal de la pension
en vigueur le dernier jour de la période de référence est
supérieur au montant seuil visé à l’alinéa 2, la majoration
de pension résultant du pourcentage de péréquation
visé au paragraphe 9 est remplacé, par dérogation au
paragraphe 1er , alinéa 3, par une augmentation forfaitaire
de pension dont le montant est obtenu par l’application
du pourcentage de péréquation visé au paragraphe 9 au
montant seuil visé à l’alinéa 2.
Le montant seuil est fixé de telle sorte que le montant
total des majorations de pension résultant du pourcentage
de péréquation visé au paragraphe 9 et de l’augmentation
forfaitaire visée à l’alinéa 1er aux montants nominaux
des pensions de retraite et de survie qui étaient en
vigueur au dixième mois de la deuxième année de la
période de référence, soit égal au montant obtenu par
l’application du pourcentage de péréquation réduit visé
au paragraphe 10 à la charge globale des pensions
rattachées à la corbeille de péréquation.”
Art. 63
L’article 14, alinéa 2, de la même loi, remplacé par la
loi du 25 avril 2007 et modifié par la loi du 5 mai 2014,
est complété par la phrase suivante:
“En ce qui concerne les suppléments de traitement
qui sont pris en considération pour le calcul de la pen-
sion en application de l’article 8, § 2, de la loi générale
du 21 juillet 1844 sur les pensions civiles et ecclésias-
tiques, seuls les suppléments de traitement pris en
3808/009
DOC 55
52
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2023
2024
K A M E R • 6 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
die in aanmerking komen krachtens bepalingen die
uiterlijk op 30 juni 2008 werden bekendgemaakt in het
Belgisch Staatsblad.”
Art. 64
Artikel 15 van dezelfde wet, vervangen bij de wet van
25 april 2007, wordt aangevuld met de woorden “of met
de in artikel 12, § 11, bedoelde forfaitaire som”.
Art. 65
Artikel 16 van dezelfde wet, vervangen bij de wet
van 5 mei 2014, wordt vervangen als volgt:
“Art. 16. Indien voor het geheel van de perequatie-
korven het totale bedrag van de pensioenverhogingen
voortvloeiend uit de in artikel 12, § 9 bedoelde pere-
quatiepercentages niet hoger is dan 0,30 pct. van de
globale last van de rust- en overlevingspensioenen
voor het laatste jaar van de referentieperiode, wordt de
pensioenverhoging die voortvloeit uit het in artikel 12,
§ 9, bedoelde perequatiepercentage integraal in één
enkele schijf uitbetaald.
Indien voor het geheel van de perequatiekorven het
totale bedrag van de pensioenverhogingen voortvloeiend
uit de in artikel 12, § 9, bedoelde perequatiepercentages
hoger is dan 0,30 pct. maar niet hoger dan 0,60 pct. van
de globale last van de rust- en overlevingspensioenen
voor het laatste jaar van de referentieperiode, wordt de
pensioenverhoging die voortvloeit uit het in artikel 12,
§ 9, bedoelde perequatiepercentage uitbetaald in twee
opeenvolgende gelijke jaarlijkse schijven.
Indien voor het geheel van de perequatiekorven het
totale bedrag van de pensioenverhogingen voortvloeiend
uit de in artikel 12, § 9, bedoelde perequatiepercenta-
ges hoger is dan 0,60 pct. van de globale last van de
rust- en overlevingspensioenen voor het laatste jaar
van de referentieperiode, wordt de pensioenverhoging
die voortvloeit uit het in artikel 12, § 9, bedoelde pere-
quatiepercentage of uit de in artikel 12, § 11, eerste lid,
bedoelde forfaitaire som, uitbetaald in twee opeenvol-
gende gelijke jaarlijkse schijven.”
HOOFDSTUK 2
Inwerkingtreding
Art. 66
Deze titel treedt in werking op 1 januari 2025.
compte en vertu des dispositions publiées au Moniteur
belge au plus tard le 30 juin 2008 sont pris en compte.”
Art. 64
L’article 15 de la même loi, remplacé par la loi du
25 avril 2007, est complété par les mots “ou de la somme
forfaitaire visée à l’article 12, § 11”.
Art. 65
L’article 16 de la même loi, remplacé par la loi
du 5 mai 2014, est remplacé comme suit:
“Art. 16. Si, pour l’ensemble des corbeilles de péré-
quation, le montant total des majorations de pension
résultant des pourcentages de péréquation visés à
l’article 12, § 9, ne dépasse pas 0,30 p.c. de la charge
globale des pensions de retraite et de survie pour la
dernière année de la période de référence, la majoration
de pension résultant du pourcentage de péréquation
visé à l’article 12, § 9, est versée de manière intégrale
en une seule tranche.
Si, pour l’ensemble des corbeilles de péréquation,
le montant total des majorations de pension résultant
des pourcentages de péréquation visés à l’article 12,
§ 9, dépasse 0,30 p.c. sans excéder 0,60 p.c. de la
charge globale des pensions de retraite et de survie
pour la dernière année de la période de référence, la
majoration de pension résultant du pourcentage de
péréquation visé à l’article 12, § 9, est versée en deux
annuités égales successives.
Si, pour l’ensemble des corbeilles de péréquation, le
montant total des majorations de pension résultant des
pourcentages de péréquation visés à l’article 12, § 9,
dépasse 0,60 p.c. de la charge globale des pensions de
retraite et de survie pour la dernière année de la période
de référence, la majoration de pension résultant du pour-
centage de péréquation visé à l’article 12, § 9, ou de la
somme forfaitaire visée à l’article 12, § 11, alinéa 1er, est
versée en deux annuités égales successives.”
CHAPITRE 2
Entrée en vigueur
Art. 66
Le présent titre entre en vigueur le 1er janvier 2025.
53
3808/009
DOC 55
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2023
2024
K A M E R • 6 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
HOOFDSTUK 3
Overgangsbepaling
Art. 67
Voor de perequatie op 1 januari 2025 wordt voor de
toepassing van de artikelen 12, §§ 10 en 11, van de
voormelde wet van 9 juli 1969, zoals ingevoegd bij de
artikelen 61 en 62 van deze wet, en van artikel 16 van
de voormelde wet van 9 juli 1969, zoals vervangen bij
artikel 65 van deze wet, geen rekening gehouden met
de pensioenverhogingen of het gedeelte ervan voort-
vloeiend uit de toename van de globale bezoldiging
binnen een perequatiekorf die het resultaat is van een
wijziging van het geldelijk statuut waarover uiterlijk
op 10 juli 2023 een loonakkoord werd afgesloten en
evenmin, indien en voor zover binnen diezelfde pere-
quatiekorf de globale bezoldiging niet mede gestegen is
ingevolge een wijziging van het geldelijk statuut waarover
na 10 juli 2023 een loonakkoord werd afgesloten, met de
globale last van de aan deze perequatiekorf verbonden
rust- en overlevingspensioenen.
TITEL 6
Bijdragevoet van de bijzondere bijdrage
voor de aanvullende pensioenen
HOOFDSTUK 1
Wijzigingsbepalingen
Art. 68
Artikel 38, § 3terdecies, A, vierde lid, van de wet van
29 juni 1981 houdende de algemene beginselen van
de sociale zekerheid voor werknemers, ingevoegd bij
de wet van 22 juni 2012, opgeheven door en hersteld
bij de wet van 30 september 2017 en vervangen bij
de wet van 21 december 2018, wordt aangevuld met
de volgende zin: “Vanaf 1 januari 2028 bedraagt de
bijzondere bijdrage 6 %.”
Art. 69
Artikel 30, § 1, vierde lid, van de programmawet van
22 juni 2012, opgeheven door en hersteld bij de wet van
30 september 2017 en vervangen bij de wet van 18 febru-
ari 2018, wordt aangevuld met de volgende zin: “Vanaf
1 januari 2028 bedraagt de bijzondere bijdrage 6 %.”
CHAPITRE 3
Disposition transitoire
Art. 67
Pour la péréquation au 1er janvier 2025, pour l’applica-
tion des article 12, §§ 10 et 11, de la loi précitée du 9 juil-
let 1969, tels qu’insérés par les articles 61 et 62 de la
présente loi, et de l’article 16 de la précitée du 9 juil-
let 1969, tel que remplacé par l’article 65 de la présente
loi, il n’est pas tenu compte d’une part, des majorations
de pension ou de la partie de celles-ci résultant de
l’augmentation de la rémunération globale au sein d’une
corbeille de péréquation qui résultent d’une modification
du statut pécuniaire pour lequel un accord salarial a été
conclu au plus tard le 10 juillet 2023 et d’autre part, de
la charge globale des pensions de retraite et de survie
liées à une corbeille de péréquation, si et dans la mesure
où, au sein de cette même corbeille de péréquation, la
rémunération globale n’a pas augmenté à la suite d’une
modification du statut pécuniaire pour lequel un accord
salarial a été conclu après le 10 juillet 2023.
TITRE 6
Taux de la cotisation spéciale
pour les pensions complémentaires
CHAPITRE 1ER
Dispositions modificatives
Art. 68
L’article 38, § 3terdecies, A, alinéa 4, de la loi du
29 juin 1981 établissant les principes généraux de la
sécurité sociale des travailleurs salariés, inséré par la
loi du 22 juin 2012, abrogé et rétabli par la loi du 30 sep-
tembre 2017 et remplacé par la loi du 21 décembre 2018,
est complété par la phrase suivante: “À partir du 1er janvier
2028, la cotisation spéciale est égale à 6 %.”
Art. 69
L’article 30, § 1er, alinéa 4, de la loi programme du
22 juin 2012, abrogé et rétabli par la loi du 30 sep-
tembre 2017 et remplacé par la loi du 18 février 2018, est
complété par la phrase suivante: “A partir du 1er janvier
2028, la cotisation spéciale est égale à 6 %.”
3808/009
DOC 55
54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2023
2024
K A M E R • 6 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
HOOFDSTUK 2
Inwerkingtreding
Art. 70
Deze titel treedt in werking op 1 januari 2028.
CHAPITRE 2
Entrée en vigueur
Art. 70
Le présent titre entre en vigueur le 1er janvier 2028.
Imprimerie centrale – Centrale drukkerij