Document 55K3808/009

🏛️ KAMER Legislatuur 55 📁 3808 Other 🌐 NL

Inhoud

29 maart 2024 29 mars 2024 3808/009 DOC 55 3808/009 DOC 55 11847 C H A M B R E 6 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2023 2024 K A M E R • 6 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E Chambre des représentants de Belgique Belgische Kamer van volksvertegenwoordigers Voir: Doc 55 3808/ (2023/2024): 001: Projet de loi. 002 à 004: Amendements. 005: Rapport de la première lecture. 006: Articles adoptés en première lecture. 007: Amendements. 008: Rapport de la deuxième lecture. Zie: Doc 55 3808/ (2023/2024): 001: Wetsontwerp. 002 tot 004: Amendementen. 005: Verslag van de eerste lezing. 006: Artikelen aangenomen in eerste lezing. 007: Amendementen. 008: Verslag van de tweede lezing. door de commissie voor Sociale Zaken, Werk en Pensioenen par la commission des Affaires sociales, de l’Emploi et des Pensions en deuxième lecture in tweede lezing Tekst aangenomen Texte adopté TER VERVANGING VAN HET VROEGER RONDGEDEELDE STUK EN REMPLACEMENT DU DOCUMENT DISTRIBUÉ PRÉCÉDEMMENT houdende de hervorming van de pensioenen portant la réforme des pensions PROJET DE LOI WETSONTWERP 3808/009 DOC 55 2 C H A M B R E 6 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2023 2024 K A M E R • 6 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E N-VA : Nieuw-Vlaamse Alliantie Ecolo-Groen : Ecologistes Confédérés pour l’organisation de luttes originales – Groen PS : Parti Socialiste VB : Vlaams Belang MR : Mouvement Réformateur cd&v : Christen-Democratisch en Vlaams PVDA-PTB : Partij van de Arbeid van België – Parti du Travail de Belgique Open Vld : Open Vlaamse liberalen en democraten Vooruit : Vooruit Les Engagés : Les Engagés DéFI : Démocrate Fédéraliste Indépendant INDEP-ONAFH : Indépendant - Onafhankelijk Abréviations dans la numérotation des publications: Afkorting bij de nummering van de publicaties: DOC 55 0000/000 Document de la 55e législature, suivi du numéro de base et numéro de suivi DOC 55 0000/000 Parlementair document van de 55e zittingsperiode + basisnummer en volgnummer QRVA Questions et Réponses écrites QRVA Schriftelijke Vragen en Antwoorden CRIV Version provisoire du Compte Rendu Intégral CRIV Voorlopige versie van het Integraal Verslag CRABV Compte Rendu Analytique CRABV Beknopt Verslag CRIV Compte Rendu Intégral, avec, à gauche, le compte rendu intégral et, à droite, le compte rendu analytique traduit des interventions (avec les annexes) CRIV Integraal Verslag, met links het definitieve integraal verslag en rechts het vertaalde beknopt verslag van de toespraken (met de bijlagen) PLEN Séance plénière PLEN Plenum COM Réunion de commission COM Commissievergadering MOT Motions déposées en conclusion d’interpellations (papier beige) MOT Moties tot besluit van interpellaties (beigekleurig papier) 3 3808/009 DOC 55 C H A M B R E 6 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2023 2024 K A M E R • 6 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E TITEL 1 Algemene bepaling Artikel 1 Deze wet regelt een aangelegenheid bedoeld in artikel 74 van de Grondwet. TITEL 2 Het minimumpensioen HOOFDSTUK 1 Het gewaarborgd minimumpensioen in de werknemersregeling Afdeling 1 Definities Art. 2 Voor de toepassing van dit hoofdstuk, wordt er ver- staan onder: 1° “het koninklijk besluit nr. 50”: het koninklijk be- sluit nr. 50 van 24 oktober 1967 betreffende het rust- en overlevingspensioen voor werknemers; 2° “het koninklijk besluit nr. 72”: het koninklijk be- sluit nr. 72 van 10 november 1967 betreffende het rust- en overlevingspensioen der zelfstandigen; 3° “het koninklijk besluit van 23 december 1996”: het koninklijk besluit van 23 december 1996 tot uitvoering van de artikelen 15, 16 en 17 van de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenen; 4° “het koninklijk besluit van 21 december 1967”: het koninklijk besluit van 21 december 1967 tot vaststelling van het algemeen reglement betreffende het rust- en overlevingspensioen voor werknemers; 5° “loopbaan als werknemer”: de perioden van tewerk- stelling als werknemer die in aanmerking worden genomen krachtens de bepalingen van het koninklijk besluit nr. 50 of krachtens de Europese verordeningen of internationale overeenkomsten waar België door gebonden is, en die betrekking hebben op de sociale zekerheid, die voor- zien in de samentelling van verzekeringstijdvakken die geregistreerd werden in de ondertekenende landen en de toekenning van een nationaal pensioen ten laste van TITRE 1ER Disposition générale Article 1er La présente loi règle une matière visée à l’article 74 de la Constitution. TITRE 2 La pension minimum CHAPITRE 1ER La pension minimum garantie dans le régime des travailleurs salariés Section 1re Définitions Art. 2 Pour l’application du présent chapitre, il y a lieu d’en- tendre par: 1° “l’arrêté royal n° 50”: l’arrêté royal n° 50 du 24 oc- tobre 1967 relatif à la pension de retraite et de survie des travailleurs salariés; 2° “l’arrêté royal n° 72”: l’arrêté royal n° 72 du 10 no- vembre 1967 relatif à la pension de retraite et de survie des travailleurs indépendants; 3° “l’arrêté royal du 23 décembre 1996”: l’arrêté royal du 23 décembre 1996 portant exécution des articles 15, 16 et 17 de la loi du 26 juillet 1996 portant modernisation de la sécurité sociale et assurant la viabilité des régimes légaux des pensions; 4° “l’arrêté royal du 21 décembre 1967”: l’arrêté royal du 21 décembre 1967 portant règlement général du régime de pension de retraite et de survie des travail- leurs salariés; 5° “carrière en qualité de travailleur salarié”: les pé- riodes d’occupation en qualité de travailleur salarié, prises en considération en vertu des dispositions de l’arrêté royal n° 50 ou en vertu des règlements européens ou des conventions internationales par lesquelles la Belgique est liée, et qui concernent la sécurité sociale, qui prévoient la totalisation des périodes d’assurances enregistrées dans les pays signataires et l’octroi d’une pension nationale à charge de chacun de ces pays, au 3808/009 DOC 55 4 C H A M B R E 6 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2023 2024 K A M E R • 6 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E ieder van die landen, pro rata de verzekeringstijdvakken geregistreerd door ieder van hen; 6° “loopbaan als zelfstandige”: de perioden van on- derwerping als zelfstandige die in aanmerking worden genomen in het pensioenstelsel voor zelfstandigen krachtens enige wettelijke of reglementaire bepaling; 7° “loopbaan als ambtenaar”: de diensten gepres- teerd als vastbenoemd ambtenaar of daarmee gelijk- gesteld in aanmerking genomen voor de berekening van een pensioen ten laste van één van de machten of organismen bedoeld in artikel 38 van de wet van 5 au- gustus 1978 houdende economische en budgettaire hervormingen; 8° “beroepsloopbaan” de loopbaan gepresteerd als werknemer, als zelfstandige en als ambtenaar; 9° “voltijdse dagequivalenten”: de dagen bedoeld in artikel 10bis, § 2bis, 2°, van het koninklijk besluit nr. 50; 10° “daadwerkelijk gepresteerde voltijdse dag- equivalenten”: a) in het pensioenstelsel van werknemers, de arbeids- dagen zoals gedefinieerd in artikel 3ter, eerste lid, 2°, van het koninklijk besluit nr. 50 en de geregulariseerde dagen krachtens artikel 32bis van het koninklijk besluit van 21 de- cember 1967, omgezet in voltijdse dagequivalenten; b) in het pensioenstelsel van zelfstandigen, de kwar- talen van effectieve of daarmee gelijkgestelde beroeps- bezigheid als zelfstandige bedoeld in artikel 131sexies, § 1, eerste lid, 2°, van de wet van 15 mei 1984 houdende maatregelen tot harmonisering in de pensioenregelingen, omgezet in voltijdse dagequivalenten; c) in het pensioenstelsel van de overheidssector, de werkelijk gepresteerde diensten bedoeld in arti- kel 119, § 5, eerste lid, van de wet van 26 juni 1992 hou- dende sociale en diverse bepalingen, omgezet in voltijdse dagequivalenten; 11° “onthaalouder”: a) de persoon bedoeld in artikel 3, 9°, van het konink- lijk besluit van 28 november 1969 tot uitvoering van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders; b) de persoon die instaat voor de opvang van kinde- ren in een woning voor de opvang in gezinsverband en prorata des périodes d’assurances enregistrées par chacun d’entre eux; 6° “carrière en qualité de travailleur indépendant”: les périodes d’assujettissement en qualité de travailleur indépendant prises en considération dans le régime de pension des travailleurs indépendants en vertu d’une disposition légale ou réglementaire; 7° “carrière en qualité de fonctionnaire”: les services prestés en qualité de fonctionnaire nommé à titre définitif ou y assimilé prises en considération pour le calcul d’une pension à charge de l’un des pouvoirs ou organismes visés à l’article 38 de la loi du 5 août 1978 de réformes économiques et budgétaires; 8° “carrière professionnelle”: la carrière prestée en qualité de travailleur salarié, de travailleur indépendant et de fonctionnaire; 9° “jours équivalents temps plein”: les jours visés à l’article 10bis, § 2bis, 2°, de l’arrêté royal n° 50; 10° “jours équivalents temps plein effectivement prestés”: a) dans le régime de pension des travailleurs salariés, les jours de travail tels que définis à l’article 3ter, alinéa 1er, 2°, de l’arrêté royal n° 50 et les jours régularisés en vertu de l’article 32bis de l’arrêté royal du 21 décembre 1967, convertis en jours équivalents temps plein; b) dans le régime de pension des travailleurs indé- pendants, les trimestres de travail effectif ou y assimilé comme indépendant visés à l’article 131sexies, § 1er, alinéa 1er, 2°, de la loi du 15 mai 1984 portant mesures d’harmonisation dans les régimes de pension, convertis en jours équivalents temps plein; c) dans le régime de pension du secteur public, les services réellement prestés visés à l’article 119, § 5, alinéa 1er, de la loi du 26 juin 1992 portant des disposi- tions sociales et diverses, convertis en jours équivalents temps plein; 11° “accueillant d’enfants”: a) la personne visée à l’article 3, 9°, de l’arrêté royal du 28 novembre 1969 pris en exécution de la loi du 27 juin 1969 révisant l’arrêté-loi du 28 dé- cembre 1944 concernant la sécurité sociale des travailleurs; b) la personne qui assure l’accueil d’enfants dans une habitation destinée à un accueil à caractère familial et 5 3808/009 DOC 55 C H A M B R E 6 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2023 2024 K A M E R • 6 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E die, in het kader van een pilootproject waarin voorzien is met toepassing van een decretale of reglementaire bepaling, tewerkgesteld is bij een erkende dienst inzake kinderopvang. 12° “kunstwerker”: de persoon die: a) vóór de inwerkingtreding van de wet van 16 decem- ber 2022 tot oprichting van de Kunstwerkcommissie en tot verbetering van de sociale bescherming van kunstwerkers genoot van de oude artikelen 116, § 5 en § 5bis of van het hoofdstuk XII van het koninklijk besluit van 25 novem- ber 1991 houdende de werkloosheidsreglementering; b) na de inwerkingtreding van de wet van 16 decem- ber 2022 tot oprichting van de Kunstwerkcommissie en tot verbetering van de sociale bescherming van kunst- werkers geniet van het kunstwerkattest voorzien in het artikel 7 van de voormelde wet. Afdeling 2 Loopbaanvoorwaarden en vaststelling van het gewaarborgd minimumpensioen Art. 3 § 1. Een gewaarborgd minimumrustpensioen wordt toegekend aan de werknemer die een beroepsloopbaan bewijst waarvan, vóór toepassing van artikel 10bis van het koninklijk besluit nr. 50, van artikel 5, § 1, derde lid, van het koninklijk besluit van 23 december 1996 en van artikel 19 van het koninklijk besluit nr. 72: 1° hetzij het totaal van de kalenderjaren die in aanmer- king worden genomen in de regeling voor werknemers en die elk ten minste 208 voltijdse dagequivalenten omvatten en van de kwartalen in aanmerking genomen in de regeling voor zelfstandigen gedeeld door vier, ten minste gelijk is aan 30 en die, onverminderd de toepas- sing van paragraaf 4, ten minste 5.000 daadwerkelijk gepresteerde voltijdse dagequivalenten bevat; 2° hetzij het totaal van de kalenderjaren die in aanmer- king worden genomen in de regeling voor werknemers en die elk ten minste 156 voltijdse dagequivalenten omvatten en van de kwartalen in aanmerking genomen in de regeling voor zelfstandigen gedeeld door vier, ten minste gelijk is aan 30 en die, onverminderd de toepas- sing van paragraaf 4, ten minste 3.120 daadwerkelijk gepresteerde voltijdse dagequivalenten bevat. Wanneer het rustpensioen als werknemer is berekend op basis van één of meerdere breuken met een noemer lager dan 45, wordt het aantal in aanmerking te nemen qui, dans le cadre d’un projet pilote prévu en vertu d’une disposition décrétale ou réglementaire, est engagée par un service d’accueil d’enfants agréé par l’organisme compétent. 12° “travailleur des arts”: la personne qui: a) avant l’entrée en vigueur de la loi du 16 dé- cembre 2022 portant création de la Commission du travail des arts et améliorant la protection sociale des travailleurs des arts, bénéficiait des anciens articles 116, § 5 et § 5bis ou du chapitre XII de l’arrêté royal du 25 no- vembre 1991 portant réglementation du chômage; b) après l’entrée en vigueur de la loi du 16 dé- cembre 2022 portant création de la Commission du travail des arts et améliorant la protection sociale des travailleurs des arts, bénéficie de l’attestation du travail des arts visée à l’article 7 de ladite loi. Section 2 Conditions de carrière et détermination de la pension minimum garantie Art. 3 § 1er. Une pension de retraite minimum garantie est accordée au travailleur salarié qui justifie d’une carrière professionnelle dont, avant l’application de l’article 10bis de l’arrêté royal n° 50, de l’article 5, § 1er, alinéa 3, de l’arrêté royal du 23 décembre 1996 et de l’article 19 de l’arrêté royal n° 72: 1° soit le total des années civiles prises en compte dans le régime des travailleurs salariés et comportant chacune au moins 208 jours équivalents temps plein et des trimestres pris en compte dans le régime des travail- leurs indépendants divisés par quatre, est au moins égal à 30 et qui comporte, sans préjudice de l’application du paragraphe 4, au moins 5.000 jours équivalents temps plein effectivement prestés; 2° soit le total des années civiles prises en compte dans le régime des travailleurs salariés et comportant chacune au moins 156 jours équivalents temps plein et des trimestres pris en compte dans le régime des travail- leurs indépendants divisés par quatre, est au moins égal à 30 et qui comporte, sans préjudice de l’application du paragraphe 4, au moins 3.120 jours équivalents temps plein effectivement prestés. Lorsque la pension de retraite de travailleur salarié est calculée sur la base d’une ou plusieurs fractions ayant un dénominateur inférieur à 45, le nombre d’années civiles 3808/009 DOC 55 6 C H A M B R E 6 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2023 2024 K A M E R • 6 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E kalenderjaren betreffende elke noemer vermenigvuldigd met de verhouding tussen 45 en deze lagere noemer. Wanneer de beroepsloopbaan één of meerdere in aanmerking te nemen kalenderjaren als onthaalouder bevat worden, voor de toepassing van het eerste lid, deze kalenderjaren als onthaalouder vermenigvuldigd met een breuk waarvan de teller gelijk is aan 45 en waarvan de noemer gelijk is aan het aantal kalender- jaren gelegen tussen 1 januari 2003 en 31 december van het kalenderjaar voorafgaand aan het kalenderjaar waarin betrokkene de leeftijd bedoeld in artikel 2, § 1, van het koninklijk besluit van 23 december 1996 bereikt en wordt, in afwijking van het eerste lid, de voorwaarde van daadwerkelijke tewerkstelling niet toegepast. Het derde lid is uitsluitend van toepassing op de rust- pensioenen die daadwerkelijk en voor de eerste maal ingaan ten vroegste op 1 januari 2025 en ten laatste op 1 januari 2033. Aan een meewerkende echtgenoot bedoeld in arti- kel 131quinquies van de wet van 15 mei 1984 houdende maatregelen tot harmonisering in de pensioenregelin- gen, wordt een gewaarborgd minimumrustpensioen toegekend wanneer de meewerkende echtgenoot, in de referteperiode die aanvangt op 1 januari 2003 en eindigt op het einde van het kwartaal voorafgaand aan de ingangsdatum van het rustpensioen ten laste van de pensioenregeling voor zelfstandigen, een beroepsloop- baan bewijst waarvan, vóór toepassing van artikel 10bis van het koninklijk besluit nr. 50, van artikel 5, § 1, derde lid van het koninklijk besluit van 23 december 1996 en van artikel 19 van het koninklijk besluit nr. 72, het totaal van de kalenderjaren die in aanmerking worden genomen in de regeling voor werknemers en die elk ten min- ste 156 voltijdse dagequivalenten omvatten en van de kwartalen in aanmerking genomen in de regeling voor zelfstandigen gedeeld door vier, ten minste gelijk is aan twee derden van het aantal kalenderjaren gelegen in die referteperiode. § 2. Een gewaarborgd minimumoverlevingspensioen wordt toegekend aan de langstlevende echtgenoot van een werknemer die aanspraak kan maken op een over- levingspensioen op basis van een beroepsloopbaan van de overleden echtgenoot waarvan, vóór toepassing van artikel 10bis van het koninklijk besluit nr. 50, van artikel 7, § 1, vierde lid, van het koninklijk besluit van 23 decem- ber 1996 en van artikel 19 van het koninklijk besluit nr. 72: 1° hetzij het totaal van de kalenderjaren die in aanmer- king worden genomen in de regeling voor werknemers en die elk ten minste 208 voltijdse dagequivalenten omvat- ten en van de kwartalen in aanmerking genomen in de à prendre en compte relatif à chaque dénominateur est multiplié par le rapport entre 45 et ce dénominateur inférieur. Lorsque la carrière professionnelle comporte une ou plusieurs années civiles comme accueillant d’enfants à prendre en compte, ces années civiles comme accueillant d’enfants sont, pour l’application de l’alinéa 1er, multipliées par une fraction dont le numérateur est égal à 45 et dont le dénominateur est égal au nombre d’années civiles comprises entre le 1er janvier 2003 et le 31 décembre de l’année civile précédant l’année civile au cours de laquelle l’intéressé atteint l’âge visé à l’article 2, § 1er, de l’arrêté royal du 23 décembre 1996 et, par dérogation à l’alinéa 1er, la condition d’occupation effective n’est pas appliquée. L’alinéa 3 s’applique uniquement aux pensions de retraite qui prennent cours effectivement et pour la première fois au plus tôt le 1er janvier 2025 et au plus tard le 1er janvier 2033. Au conjoint aidant visé à l’article 131quinquies de la loi du 15 mai 1984 portant mesures d’harmonisation dans les régimes de pensions, une pension de retraite minimum garantie est accordée lorsque le conjoint aidant, dans la période de référence commençant le 1er janvier 2003 et se terminant à la fin du trimestre précédant la date de prise de cours de la pension de retraite à charge du régime de pension des travailleurs indépendants, justifie d’une carrière professionnelle dont, avant l’application de l’article 10bis de l’arrêté royal n° 50, de l’article 5, § 1er, alinéa 3, de l’arrêté royal du 23 décembre 1996 et de l’article 19 de l’arrêté royal n° 72, le total des années civiles prises en compte dans le régime des travailleurs salariés et comportant chacune au moins 156 jours équivalents temps plein et des trimestres pris en compte dans le régime des travailleurs indépendants divisés par quatre, est au moins égal aux deux tiers du nombre d’années civiles situées dans cette période de référence. § 2. Une pension de survie minimum garantie est accordée au conjoint survivant d’un travailleur salarié qui peut prétendre à une pension de survie sur la base d’une carrière professionnelle du conjoint décédé dont, avant l’application de l’article 10bis de l’arrêté royal n° 50, de l’article 7, § 1er, alinéa 4, de l’arrêté royal du 23 dé- cembre 1996 et de l’article 19 de l’arrêté royal n° 72: 1° soit le total des années civiles prises en compte dans le régime des travailleurs salariés et comportant chacune au moins 208 jours équivalents temps plein et des trimestres pris en compte dans le régime des 7 3808/009 DOC 55 C H A M B R E 6 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2023 2024 K A M E R • 6 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E regeling voor zelfstandigen gedeeld door vier, ten minste gelijk is aan twee derden van de noemer van de breuk waarin het pensioen als werknemer wordt uitgedrukt en die een aantal daadwerkelijk gepresteerde voltijdse da- gequivalenten bevat dat, onverminderd de toepassing van paragraaf 4, ten minste gelijk is aan het resultaat van 5.000 vermenigvuldigd met een breuk waarvan de teller gelijk is aan de noemer bedoeld in artikel 7, § 1, derde lid, van het koninklijk besluit van 23 decem- ber 1996 en waarvan de noemer gelijk is aan 45; 2° hetzij het totaal van de kalenderjaren die in aanmer- king worden genomen in de regeling voor werknemers en die elk ten minste 156 voltijdse dagequivalenten omvatten en van de kwartalen in aanmerking genomen in de regeling voor zelfstandigen gedeeld door vier, ten minste gelijk is aan twee derden van de noemer van de breuk waarin het pensioen als werknemer wordt uit- gedrukt en die een aantal daadwerkelijk gepresteerde voltijdse dagequivalenten bevat dat, onverminderd de toepassing van paragraaf 4, ten minste gelijk is aan het resultaat van 3.120 vermenigvuldigd met een breuk waarvan de teller gelijk is aan de noemer bedoeld in artikel 7, § 1, derde lid, van het koninklijk besluit van 23 de- cember 1996 en waarvan de noemer gelijk is aan 45. Wanneer het overlevingspensioen als werknemer is berekend op basis van één of meerdere breuken met een noemer die lager is dan de noemer bedoeld in artikel 7, § 1, derde lid, van het koninklijk besluit van 23 decem- ber 1996, wordt het aantal in aanmerking te nemen kalenderjaren betreffende elke noemer vermenigvuldigd met de verhouding tussen de hoogste noemer en de lagere noemer. Wanneer de beroepsloopbaan van de overleden echtgenoot één of meerdere in aanmerking te nemen kalenderjaren als onthaalouder bevat, worden, voor de toepassing van het eerste lid, deze kalenderjaren als onthaalouder vermenigvuldigd met een breuk waarvan de teller gelijk is aan de noemer van de breuk waarin het pensioen als werknemer wordt uitgedrukt en waar- van de noemer gelijk is aan het aantal kalenderjaren gelegen tussen 1 januari 2003 en 31 december van het kalenderjaar voorafgaand aan het overlijden, zonder dat de aldus bekomen breuk lager kan zijn dan de eenheid en is, in afwijking van het eerste lid, de voorwaarde van daadwerkelijke tewerkstelling niet van toepassing. Het derde lid is uitsluitend van toepassing op de overlevingspensioenen die daadwerkelijk en voor de eerste maal ingaan: 1° ten vroegste op 1 januari 2025, met uitzondering van de overlevingspensioenen berekend op basis van travailleurs indépendants divisés par quatre, est au moins égal aux deux tiers du dénominateur de la fraction dans laquelle la pension de travailleur salarié est exprimée et qui contient, sans préjudice de l’application du para- graphe 4, un nombre de jours équivalents temps plein effectivement prestés qui est au moins égal au résultat de 5.000 multiplié par une fraction dont le numérateur est égal au dénominateur visé à l’article 7, § 1er, alinéa 3, de l’arrêté royal du 23 décembre 1996 et dont le déno- minateur est égal à 45; 2° soit le total des années civiles prises en compte dans le régime des travailleurs salariés et comportant chacune au moins 156 jours équivalents temps plein et des trimestres pris en compte dans le régime des tra- vailleurs indépendants divisés par quatre, est au moins égal aux deux tiers du dénominateur de la fraction selon laquelle la pension de travailleur salarié est exprimée et qui comporte, sans préjudice de l’application du para- graphe 4, un nombre de jours équivalents temps plein effectivement prestés qui est au moins égal au résultat de 3.120 multiplié par une fraction dont le numérateur est égal au dénominateur visé à l’article 7, § 1er, alinéa 3, de l’arrêté royal du 23 décembre 1996 et dont le déno- minateur est égal à 45. Lorsque la pension de survie de travailleur salarié est calculée sur la base d’une ou plusieurs fractions ayant un dénominateur inférieur au dénominateur visé à l’article 7, § 1er, alinéa 3, de l’arrêté royal du 23 décembre 1996, le nombre d’années civiles à prendre en compte relatif à chaque dénominateur est multiplié par le rapport entre le dénominateur le plus élevé et le dénominateur inférieur. Lorsque la carrière professionnelle du conjoint décé- dé comporte une ou plusieurs années civiles comme accueillant d’enfants à prendre en compte, ces années civiles comme accueillant d’enfants sont, pour l’appli- cation de l’alinéa 1er, multipliées par une fraction dont le numérateur est égal au dénominateur de la fraction selon laquelle la pension en tant que travailleur salarié est exprimée et dont le dénominateur est égal au nombre d’années civiles comprises entre le 1er janvier 2003 et le 31 décembre de l’année civile précédant le décès, sans que la fraction ainsi obtenue soit inférieure à l’unité et, par dérogation à l’alinéa 1er, la condition d’occupation effective n’est pas appliquée. L’alinéa 3 s’applique uniquement aux pensions de survie qui prennent cours effectivement et pour la pre- mière fois: 1° au plus tôt le 1er janvier 2025, à l’exception des pensions de survie calculées sur la base d’une pension 3808/009 DOC 55 8 C H A M B R E 6 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2023 2024 K A M E R • 6 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E een rustpensioen dat daadwerkelijk en voor de eerste maal ten laatste op 1 december 2024 ingegaan is, en 2° ten laatste op 1 januari 2033, met uitzondering van de overlevingspensioenen ten gevolge een overlijden voor 1 januari 2033. § 3. Een gewaarborgde minimumovergangsuitkering wordt toegekend aan de langstlevende echtgenoot van een werknemer die aanspraak kan maken op een overgangsuitkering op basis van een beroepsloopbaan van de overleden echtgenoot waarvan, vóór toepas- sing van artikel 10bis van het koninklijk besluit nr. 50, van artikel 7bis, § 1, derde lid, van het koninklijk besluit van 23 december 1996 en van artikel 19 van het koninklijk besluit nr. 72: 1° hetzij het totaal van de kalenderjaren die in aanmer- king worden genomen in de regeling voor werknemers en die elk ten minste 208 voltijdse dagequivalenten omvatten en van de kwartalen in aanmerking genomen in de regeling voor zelfstandigen gedeeld door vier, ten minste gelijk is aan twee derden van de noemer van de breuk waarin de overgangsuitkering als werknemer wordt uitgedrukt; 2° hetzij het totaal van de kalenderjaren die in aanmer- king worden genomen in de regeling voor werknemers en die elk ten minste 156 voltijdse dagequivalenten omvatten en de kwartalen in aanmerking genomen in de regeling voor zelfstandigen gedeeld door vier, ten minste gelijk is aan twee derden van de noemer van de breuk waarin de overgangsuitkering als werknemer wordt uitgedrukt. Wanneer de overgangsuitkering als werknemer is berekend op basis van één of meerdere breuken met een noemer die lager is dan de noemer bedoeld in artikel 7bis, § 1, tweede lid, van het koninklijk besluit van 23 december 1996, wordt het aantal in aanmer- king te nemen kalenderjaren betreffende elke noemer vermenigvuldigd met de verhouding tussen de hoogste noemer en de lagere noemer. Wanneer de beroepsloopbaan van de overleden echtgenoot één of meerdere in aanmerking te nemen kalenderjaren als onthaalouder bevat worden, voor de toepassing van het eerste lid, deze kalenderjaren als onthaalouder vermenigvuldigd met een breuk waarvan de teller gelijk is aan de noemer van de breuk waarin de overgangsuitkering als werknemer wordt uitgedrukt en waarvan de noemer gelijk is aan het aantal kalenderjaren gelegen tussen 1 januari 2003 en 31 december van het kalenderjaar voorafgaand aan het overlijden, zonder dat de aldus bekomen breuk lager kan zijn dan de eenheid. de retraite qui a pris cours effectivement et pour la pre- mière fois au plus tard le 1er décembre 2024, et 2° au plus tard le 1er janvier 2033, à l’exception des pensions de survie à la suite d’un décès avant le 1er janvier 2033. § 3. Une allocation de transition minimum garantie est accordée au conjoint survivant d’un travailleur salarié qui peut prétendre à une allocation de transition sur la base d’une carrière professionnelle du conjoint décédé dont, avant l’application de l’article 10bis de l’arrêté royal n° 50, de l’article 7bis, § 1er, alinéa 3, de l’arrêté royal du 23 décembre 1996 et de l’article 19 de l’arrêté royal n° 72: 1° soit le total des années civiles prises en compte dans le régime des travailleurs salariés et comportant chacune au moins 208 jours équivalents temps plein et des trimestres pris en compte dans le régime des tra- vailleurs indépendants divisés par quatre, est au moins égal aux deux tiers du dénominateur de la fraction selon laquelle l’allocation de transition en qualité de travailleur salarié est exprimée; 2° soit le total des années civiles prises en compte dans le régime des travailleurs salariés et comportant chacune au moins 156 jours équivalents temps plein et des trimestres pris en compte dans le régime des tra- vailleurs indépendants divisés par quatre, est au moins égal aux deux tiers du dénominateur de la fraction selon laquelle l’allocation de transition en qualité de travailleur salarié est exprimée. Lorsque l’allocation de transition en qualité de travail- leur salarié est calculée sur la base d’une ou plusieurs fractions ayant un dénominateur inférieur au dénomina- teur visé à l’article 7bis, § 1er, alinéa 2, de l’arrêté royal du 23 décembre 1996, le nombre d’années civiles à prendre en compte relatif à chaque dénominateur est multiplié par le rapport entre le dénominateur le plus élevé et le dénominateur inférieur. Lorsque la carrière professionnelle du conjoint décédé comporte une ou plusieurs années civiles comme accueil- lant d’enfants à prendre en compte, ces années civiles comme accueillant d’enfants sont, pour l’application de l’alinéa 1er, multipliées par une fraction dont le numérateur est égal au dénominateur de la fraction selon laquelle l’allocation de transition en tant que travailleur salarié est exprimée et dont le dénominateur est égal au nombre d’années civiles comprises entre le 1er janvier 2003 et le 31 décembre de l’année civile précédant le décès, sans que la fraction ainsi obtenue soit inférieure à l’unité. 9 3808/009 DOC 55 C H A M B R E 6 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2023 2024 K A M E R • 6 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E Het derde lid is uitsluitend van toepassing op de overgangsuitkeringen die daadwerkelijk en voor de eerste maal ingaan ten vroegste op 1 januari 2025 en ten laatste op 1 januari 2033, met uitzondering van de overgangsuitkeringen ten gevolge een overlijden voor 1 januari 2033. § 4. Indien de beroepsloopbaan perioden bevat tijdens welke betrokkene om medische redenen geen daadwer- kelijke tewerkstelling kan bewijzen, dan wordt een lager aantal dan het in paragraaf 1, eerste lid, 1°, en paragraaf 2, eerste lid, 1°, bedoelde aantal van 5.000 daadwerkelijk gepresteerde voltijdse dagequivalenten vereist. Het aantal daadwerkelijk gepresteerde voltijdse dagequivalenten wordt vastgesteld naargelang de beroepsloopbaan: 1° indien deze 1.561 tot en met 9.359 dagen bevat tijdens welke betrokkene om medische redenen geen daadwerkelijke tewerkstelling kan bewijzen, is de ver- mindering van het aantal daadwerkelijk gepresteerde voltijdse dagequivalenten gelijk aan het tot de hogere eenheid afgerond resultaat, bekomen door het product van 100/312 met het verschil tussen het aantal dagen tijdens welke betrokkene om medische redenen geen daadwerkelijke tewerkstelling kan bewijzen en 1.560; 2° indien deze ten minste 9.360 dagen bevat tijdens welke betrokkene om medische redenen geen daad- werkelijke tewerkstelling kan bewijzen, is het vereiste aantal daadwerkelijk gepresteerde voltijdse dagequi- valenten gelijk aan het tot de hogere eenheid afgerond resultaat, bekomen door het verschil tussen 14.040 en het aantal dagen tijdens welke betrokkene om medische redenen geen daadwerkelijke tewerkstelling kan bewijzen, vermenigvuldigd met het product van 250/312 met 30/45. Het in paragraaf 1, eerste lid, 2°, en paragraaf 2, eerste lid, 2°, bedoelde vereiste aantal van 3.120 daad- werkelijk gepresteerde voltijdse dagequivalenten wordt vervangen door het krachtens het eerste lid vastge- stelde aantal voor zover het aldus bekomen resultaat voordeliger is. Wanneer het overlevingspensioen als werknemer is berekend op basis van één of meerdere breuken met een noemer die lager is dan 45, wordt het aantal in aan- merking te nemen dagen tijdens welke betrokkene om medische redenen geen daadwerkelijke tewerkstelling kan bewijzen betreffende elke noemer vermenigvuldigd met de verhouding tussen 45 en de lagere noemer. Voor de toepassing van deze paragraaf wordt onder perioden tijdens welke betrokkene om medische rede- nen geen daadwerkelijke tewerkstelling kan bewijzen begrepen, de perioden bedoeld in: L’alinéa 3 s’applique uniquement aux allocations de transition qui prennent cours effectivement et pour la première fois au plus tôt le 1er janvier 2025 et au plus tard le 1er janvier 2033, à l’exception des allocations de transition à la suite d’un décès avant le 1er janvier 2033. § 4. Si la carrière professionnelle comporte des périodes au cours desquelles, pour des raisons médi- cales, l’intéressé ne peut pas justifier d’une occupation effective, un nombre inférieur au nombre de 5.000 jours équivalents temps plein effectivement prestés visé au paragraphe 1er, alinéa 1er, 1°, et au paragraphe 2, ali- néa 1er, 1°, est requis. Le nombre de jours équivalents temps plein effectivement prestés est déterminé selon la carrière professionnelle: 1° si celle-ci comporte de 1.561 jusqu’à, y compris, 9.359 jours au cours desquels, pour des raisons médi- cales, l’intéressé ne peut pas justifier d’une occupation effective, la réduction du nombre de jours équivalents temps plein effectivement prestés est égale au résultat, arrondi à l’unité supérieure, du produit de 100/312 par le résultat de la différence entre le nombre de jours au cours desquels l’intéressé ne peut pas justifier d’une occupation effective pour des raisons médicales et 1.560; 2° si celle-ci comporte au moins 9.360 jours au cours desquels, pour des raisons médicales, l’intéressé ne peut pas justifier d’une occupation effective, le nombre requis de jours équivalents temps plein effectivement prestés est égal au résultat, arrondi à l’unité supérieure, de la différence entre 14.040 et le nombre de jours au cours desquels l’intéressé ne peut pas justifier d’une occupation effective pour des raisons médicales, mul- tiplié par le produit de 250/312 par 30/45. Le nombre requis de 3.120 jours équivalents temps plein requis effectivement prestés visés au paragraphe 1er, alinéa 1er, 2°, et au paragraphe 2, alinéa 1er, 2°, est rem- placé par le nombre fixé conformément à l’alinéa 1er, dans la mesure où le résultat ainsi obtenu est plus favorable. Lorsque la pension de survie de travailleur salarié est calculée sur la base d’une ou plusieurs fractions ayant un dénominateur inférieur à 45, le nombre de jours au cours desquels, pour des raisons médicales, l’intéressé ne peut pas justifier d’une occupation effective à prendre en compte relatif à chaque dénominateur est multiplié par le rapport entre 45 et le dénominateur inférieur. Pour l’application de ce paragraphe, les périodes au cours desquelles, pour des raisons médicales, l’inté- ressé ne peut pas justifier d’une occupation effective comprennent les périodes visées à: 3808/009 DOC 55 10 C H A M B R E 6 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2023 2024 K A M E R • 6 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E 1° artikel 34, § 1, B., 1° en 3°, van het koninklijk besluit van 21 december 1967; 2° artikel 34, § 1, C., van het koninklijk besluit van 21 december 1967; 3° artikel 34, § 1, K., van het koninklijk besluit van 21 december 1967; 4° artikel 29 van het koninklijk besluit van 22 decem- ber 1967 houdende algemeen reglement betreffende het rust- en overlevingspensioen der zelfstandigen, omgezet in dagen. 5° artikel 120, tweede lid, van de wet van 26 juni 1992 houdende sociale en diverse bepalingen, tijdens welke de persoon bedoeld in artikel 118, § 1, van voormelde wet van 26 juni 1992, om gezondheidsredenen geen werkelijk gepresteerde diensten kan bewijzen, omgezet in dagen. De in het vierde lid, 1° tot 3°, bedoelde perioden wor- den in aanmerking genomen voor zover ze krachtens artikel 34, § 2, van het koninklijk besluit van 21 decem- ber 1967 worden gelijkgesteld, vóór toepassing van arti- kel 28bis van het koninklijk besluit van 21 december 1967. De Koning kan, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de in het vierde lid bedoelde perioden wijzigen, aanvullen of vervangen. § 5. Voor de toepassing van de paragrafen 1 tot 3, wordt geen rekening gehouden met de perioden: 1° geregulariseerd of toegekend in toepassing van de artikelen 3ter, 7, 75, 76, 77, 78 en 79 van het koninklijk besluit van 21 december 1967; 2° bedoeld bij de artikelen 92 tot en met 98bis van het koninklijk besluit van 22 december 1967 houdende algemeen reglement betreffende het rust- en overle- vingspensioen der zelfstandigen. Voor de toepassing van de paragrafen 1 tot 3, wordt voor de vaststelling van de loopbaan als werknemer rekening gehouden met de perioden, omgezet in voltijdse dagequivalenten: 1° bedoeld in titel IV, hoofdstuk 7, afdeling 3, onderafde- ling 8, van de programmawet (I) van 24 december 2002, zoals hersteld door de wet van 6 maart 2020 tot behoud van tewerkstelling na de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk uit de Europese Unie; 1° l’article 34, § 1er, B., 1° et 3°, de l’arrêté royal du 21 décembre 1967; 2° l’article 34, § 1er, C., de l’arrêté royal du 21 décembre 1967; 3° l’article 34, § 1er, K., de l’arrêté royal du 21 décembre 1967; 4° l’article 29 de l’arrêté royal du 22 décembre 1967 por- tant règlement général relatif à la pension de retraite et de survie des travailleurs indépendants, converties en jours. 5° l’article 120, alinéa 2, de la loi du 26 juin 1992 por- tant des dispositions sociales et diverses, converties en jours, au cours desquelles, pour des raisons de santé, la personne visée à l’article 118, § 1er, de la loi du 26 juin 1992 précitée, ne peut pas justifier des ser- vices réellement prestés. Les périodes visées à l’alinéa 4, 1° à 3°, sont prises en compte pour autant qu’elles soient assimilées en vertu de l’article 34, § 2, de l’arrêté royal du 21 décembre 1967, avant l’application de l’article 28bis de l’arrêté royal du 21 décembre 1967. Le Roi peut, par arrêté délibéré en Conseil des mi- nistres, modifier, compléter ou remplacer les périodes visées à l’alinéa 4. § 5. Pour l’application des paragraphes 1er à 3, il n’est pas tenu compte des périodes: 1° régularisées ou attribuées en vertu des ar- ticles 3ter, 7, 75, 76, 77, 78 et 79 de l’arrêté royal du 21 décembre 1967; 2° visées par les articles 92 à 98bis inclus de l’arrêté royal du 22 décembre 1967 portant règlement général relatif à la pension de retraite et de survie des travailleurs indépendants. Pour l’application des paragraphes 1er à 3, il est tenu compte pour la détermination de la carrière en qualité de travailleur salarié des périodes, converties en jours équivalents temps plein: 1° visées au titre IV, chapitre 7, section 3, sous-sec- tion 8, de la loi-programme (I) du 24 décembre 2002, réta- blie par la loi du 6 mars 2020 visant à maintenir l’emploi après le retrait du Royaume-Uni de l’Union européenne; 11 3808/009 DOC 55 C H A M B R E 6 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2023 2024 K A M E R • 6 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E 2° bedoeld in titel IV, hoofdstuk 7, afdeling 3, onder- afdeling 8/1, van de voormelde programmawet (I) van 24 december 2002; 3° bedoeld in titel 2, hoofdstuk 2, van de voormelde wet van 6 maart 2020; 4° bedoeld in de hoofdstukken 2 en 3 van het koninklijk besluit nr. 46 van 26 juni 2020 tot uitvoering van artikel 5, § 1, 5°, van de wet van 27 maart 2020 die machtiging verleent aan de Koning om maatregelen te nemen in de strijd tegen de verspreiding van het coronavirus COVID-19 (II) tot ondersteuning van de werkgevers en de werknemers. Voor de toepassing van de paragrafen 1 en 2 worden met daadwerkelijk gepresteerde voltijdse dagequivalenten gelijkgesteld, de perioden: 1° bedoeld in artikel 34, § 1, D., van het koninklijk besluit van 21 december 1967, vóór toepassing van artikel 28bis en artikel 34, § 2, 3., eerste lid, van het koninklijk besluit van 21 december 1967; 2° bedoeld in artikel 34, § 1, A., 1°, van het koninklijk besluit van 21 december 1967, beperkt tot tijdelijke werkloosheid; 3° bedoeld in artikel 34, § 1, B., 2° en R., van het koninklijk besluit van 21 december 1967; 4° bedoeld in artikel 34, § 1, Nter., van het koninklijk besluit van 21 december 1967; 5° bedoeld in artikel 34, § 1, S., van het koninklijk besluit van 21 december 1967; 6° bedoeld in artikel 34, § 1, V., van het koninklijk besluit van 21 december 1967; 7° bedoeld in artikel 4, § 4, b), en § 5, eerste lid, eerste streepje, van het koninklijk besluit van 12 de- cember 2001 tot uitvoering van hoofdstuk IV van de wet van 10 augustus 2001 betreffende verzoening van werkgelegenheid en kwaliteit van het leven betreffende het stelsel van tijdskrediet, loopbaanvermindering en vermindering van de arbeidsprestaties tot een halftijdse betrekking, zoals van kracht voor 1 januari 2015; 8° bedoeld in artikel 5, § 2, b) en d), van het voormelde koninklijk besluit van 12 december 2001; 9° bedoeld in de artikelen 5 en 6 van het besluit van de Vlaamse regering van 26 juli 2016 tot toekenning van onderbrekingsuitkeringen voor zorgkrediet; 2° visées au titre IV, chapitre 7, section 3, sous-sec- tion 8/1, de la loi-programme (I) du 24 décembre 2002 précitée; 3° visées au titre 2, chapitre 2, de la loi du 6 mars 2020 précitée; 4° visées aux chapitres 2 et 3 de l’arrêté royal n° 46  du 26 juin 2020 pris en exécution de l’article 5, § 1er, 5°, de la loi du 27 mars 2020 accordant des pouvoirs au Roi afin de prendre des mesures dans la lutte contre la propagation du coronavirus COVID-19 (II) visant à soutenir les employeurs et les travailleurs. Pour l’application des paragraphes 1er et 2, sont assi- milées aux jours équivalent temps plein effectivement prestés, les périodes: 1° visées à l’article 34, § 1er, D., de l’arrêté royal du 21 décembre 1967, avant application de l’article 28bis et de l’article 34, § 2, 3., alinéa 1er, de l’arrêté royal du 21 décembre 1967; 2° visées à l’article 34, § 1er, A., 1°, de l’arrêté royal du 21 décembre 1967, limité au chômage temporaire; 3° visées à l’article 34, § 1er, B., 2° et R., de l’arrêté royal du 21 décembre 1967; 4° visées à l’article 34, § 1er, Nter., de l’arrêté royal du 21 décembre 1967; 5° visées à l’article 34, § 1er, S., de l’arrêté royal du 21 décembre 1967; 6° visées à l’article 34, § 1er, V., de l’arrêté royal du 21 décembre 1967; 7° visées à l’article 4, § 4, b), et § 5, alinéa 1er, premier tiret, de l’arrêté royal du 12 décembre 2001 pris en exécu- tion du chapitre IV de la loi du 10 août 2001 relative à la conciliation entre l’emploi et la qualité de vie concernant le système du crédit-temps, la diminution de carrière et la réduction des prestations de travail à mi-temps, tel qu’en vigueur avant le 1er janvier 2015; 8° visées à l’article 5, § 2, b) et d), de l’arrêté royal du 12 décembre 2001 précité; 9° visées aux articles 5 et 6 de l’arrêté du gouverne- ment flamand du 26 juillet 2016 portant octroi d’allocations d’interruption pour crédit-soins; 3808/009 DOC 55 12 C H A M B R E 6 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2023 2024 K A M E R • 6 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E 10° van tewerkstelling van werklozen door de provin- ciën, de gemeenten, de openbare instellingen of een andere werkgever; 11° bedoeld in titel IV, hoofdstuk 7, afdeling 3, onderaf- deling 8, van de programmawet (I) van 24 december 2002, zoals hersteld door de wet van 6 maart 2020 tot behoud van tewerkstelling na de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk uit de Europese Unie; 12° bedoeld in titel IV, hoofdstuk 7, afdeling 3, on- derafdeling 8/1, van de voormelde programmawet (I) van 24 december 2002; 13° bedoeld in titel 2, hoofdstuk 2, van de voormelde wet van 6 maart 2020; 14° bedoeld in de hoofdstukken 2 en 3 van het koninklijk besluit nr. 46 van 26 juni 2020 tot uitvoering van artikel 5, § 1, 5°, van de wet van 27 maart 2020 die machtiging verleent aan de Koning om maatregelen te nemen in de strijd tegen de verspreiding van het coronavirus COVID-19 (II) tot ondersteuning van de werkgevers en de werknemers. De in het derde lid, 2° tot en met 14° bedoelde perioden worden omgezet in voltijdse dagequivalenten. De in het derde lid, 2° tot en met 10°, bedoelde pe- rioden worden in aanmerking genomen voor zover ze krachtens artikel 34, §§ 1 en 2, van het koninklijk besluit van 21 december 1967 worden gelijkgesteld. De Koning kan, bij een besluit vastgesteld na over- leg in de Ministerraad, de in het tweede en derde lid bedoelde perioden wijzigen, aanvullen of vervangen, alsook de wijze waarop deze perioden in aanmerking worden genomen. In afwijking van artikel 2, 10°, a), worden voor de kalenderjaren als kunstwerker de arbeidsdagen zo- als berekend overeenkomstig artikel 185, § 3, van het koninklijk besluit van 25 november 1991 houdende de werkloosheidsreglementering in aanmerking genomen als daadwerkelijk gepresteerde voltijdse dagequivalenten voor de toepassing van de paragrafen 1 en 2. De aldus bekomen arbeidsdagen worden vermenigvuldigd met 1,42. Art. 4 Het bedrag van het gewaarborgd minimumpensioen toegekend ten laste van de werknemersregeling is gelijk aan een breuk van de volgende basisbedragen: 10° de mise au travail des chômeurs par les provinces, les communes, les établissements publics ou un autre employeur; 11° visées au titre IV, chapitre 7, section 3, sous-sec- tion 8, de la loi-programme (I) du 24 décembre 2002, réta- blie par la loi du 6 mars 2020 visant à maintenir l’emploi après le retrait du Royaume-Uni de l’Union européenne; 12° visées au titre IV, chapitre 7, section 3, sous-sec- tion 8/1, de la loi-programme (I) du 24 décembre 2002 précitée; 13° visées au titre 2, chapitre 2 de la loi du 6 mars 2020 précitée; 14° visées aux chapitres 2 et 3 de l’arrêté royal  n° 46 du 26 juin 2020 pris en exécution de l’article 5, § 1er, 5°, de la loi du 27 mars 2020 accordant des pouvoirs au Roi afin de prendre des mesures dans la lutte contre la propagation du coronavirus COVID-19 (II) visant à soutenir les employeurs et les travailleurs. Les périodes visées à l’alinéa 3, 2° à 14° sont conver- ties en jours équivalents temps plein. Les périodes visées à l’alinéa 3, 2° à 10°, sont prises en compte pour autant qu’elles soient assimi- lées en vertu de l’article 34, §§ 1er et 2, de l’arrêté royal du 21 décembre 1967. Le Roi peut, par arrêté délibéré en Conseil des mi- nistres, modifier, compléter ou remplacer les périodes visées aux alinéas 2 et 3, ainsi que la manière dont ces périodes sont prises en compte. Par dérogation à l’article 2, 10°, a), pour les années civiles en qualité de travailleur des arts, les jours de travail, tels que calculés conformément à l’article 185, § 3, de l’arrêté royal du 25 novembre 1991 portant réglemen- tation du chômage, sont pris en compte comme jours équivalents temps plein effectivement prestés pour l’application des paragraphes 1er et 2. Les jours de travail ainsi obtenus sont multipliés par 1,42. Art. 4 Le montant de la pension minimum garantie accordée à charge du régime de pension des travailleurs salariés est égal à une fraction des montants de base suivants: 13 3808/009 DOC 55 C H A M B R E 6 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2023 2024 K A M E R • 6 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E 1° 15.579,02 euro wanneer het een rustpensioen betreft berekend op basis van artikel 5, § 1, eerste lid, a), van het koninklijk besluit van 23 december 1996; 2° 12.467,14 euro wanneer het een rustpensioen betreft berekend op basis van het artikel 5, § 1, eerste lid, b), van het koninklijk besluit van 23 december 1996; 3° 12.300,53 euro wanneer het een gewaarborgd minimumoverlevingspensioen of een gewaarborgde minimumovergangsuitkering betreft. In afwijking van het eerste lid, is het bedrag van het gewaarborgd minimumpensioen toegekend ten laste van de werknemersregeling gelijk aan een breuk van de volgende basisbedragen indien de krachtens arti- kel 5 vastgestelde breuk, desgevallend opgeteld met de breuk toegekend in het zelfstandigenstelsel, op dezelfde noemer gebracht, de eenheid bereikt: 1° 15.258,58 euro wanneer het een rustpensioen betreft berekend op basis van artikel 5, § 1, eerste lid, a), van het koninklijk besluit van 23 december 1996; 2° 12.210,73 euro wanneer het een rustpensioen be- treft berekend op basis van het artikel 5, § 1, eerste lid, b), van het koninklijk besluit van 23 december 1996; 3° 12.047,53 euro wanneer het een gewaarborgd minimumoverlevingspensioen of een gewaarborgde minimumovergangsuitkering betreft. De in het tweede lid bedoelde basisbedragen worden verhoogd met 2,1 %. De bedragen bedoeld in het eerste en het tweede lid zijn gekoppeld aan de spilindex 103,14 (basis 1996 = 100) en evolueren overeenkomstig de bepalingen van de wet van 2 augustus 1971 houdende inrichting van een stel- sel waarbij de wedden, lonen, pensioenen, toelagen en tegemoetkomingen ten laste van de openbare schatkist, sommige sociale uitkeringen, de bezoldigingsgrenzen waarmee rekening dient gehouden bij de berekening van sommige bijdragen van de sociale zekerheid der arbeiders, alsmede de verplichtingen op sociaal gebied opgelegd aan de zelfstandigen, aan het indexcijfer van de consumptieprijzen worden gekoppeld. De Koning kan, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad: 1° de bedragen bedoeld in het eerste en het tweede lid, verhogen; 1° 15.579,02 euros lorsqu’il s’agit d’une pension de retraite calculée sur la base de l’article 5, § 1er, alinéa 1er, a), de l’arrêté royal du 23 décembre 1996; 2° 12.467,14 euros lorsqu’il s’agit d’une pension de retraite calculée sur la base de l’article 5, § 1er, alinéa 1er, b), de l’arrêté royal du 23 décembre 1996; 3° 12.300,53 euros lorsqu’il s’agit d’une pension de survie minimum garantie ou d’une allocation de transition minimum garantie. Par dérogation à l’alinéa 1er, le montant de la pension minimum garantie accordée à charge du régime de pension des travailleurs salariés est égal à une frac- tion des montants de base suivants pour autant que la fraction fixée en vertu de l’article 5, additionnée, le cas échéant, avec la fraction attribuée dans le régime des travailleurs indépendants, portées au même dénomina- teur, atteigne l’unité: 1° 15.258,58 euros lorsqu’il s’agit d’une pension de retraite calculée sur la base de l’article 5, § 1er, alinéa 1er, a), de l’arrêté royal du 23 décembre 1996; 2° 12.210,73 euros lorsqu’il s’agit d’une pension de retraite calculée sur la base de l’article 5, § 1er, alinéa 1er, b), de l’arrêté royal du 23 décembre 1996; 3° 12.047,53 euros lorsqu’il s’agit d’une pension de survie minimum garantie ou d’une allocation de transition minimum garantie. Les montants de base visés à l’alinéa 2 sont aug- mentés de 2,1 %. Les montants visés aux alinéas 1er et 2 sont liés à l’indice-pivot 103,14 (base 1996 = 100) et évoluent conformément aux dispositions de la loi du 2 août 1971 or- ganisant un régime de liaison à l’indice des prix à la consommation des traitements, salaires, pensions, allocations et subventions à charge du Trésor public, de certaines prestations sociales, des limites de rému- nération à prendre en considération pour le calcul de certaines cotisations de sécurité sociale des travailleurs, ainsi que des obligations imposées en matière sociale aux travailleurs indépendants. Le Roi peut, par arrêté délibéré en Conseil des ministres: 1° augmenter les montants visés aux alinéas 1er et 2; 3808/009 DOC 55 14 C H A M B R E 6 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2023 2024 K A M E R • 6 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E 2° de breuk bedoeld in het tweede lid verlagen zonder dat deze lager kan zijn dan 43/45 of een gelijkwaardige breuk; 3° het in het derde lid bedoelde percentage verhogen zonder dat dit percentage 10 % kan overschrijden. Art. 5 De breuk bedoeld in artikel 4 heeft als noemer deze die werd gebruikt voor de berekening, naargelang het geval, van het persoonlijk rustpensioen, van het overle- vingspensioen of van de overgangsuitkering toegekend in het pensioenstelsel van de werknemers, uitgedrukt in voltijdse dagequivalenten en als teller de voltijdse dagequi- valenten in aanmerking genomen in het pensioenstelsel van de werknemers, na toepassing van, naargelang het geval, artikel 10bis van het koninklijk besluit nr. 50, van artikel 5, § 1, derde lid, van artikel 7, § 1, vierde lid, of van artikel 7bis, § 1, derde lid, van het koninklijk besluit van 23 december 1996, zonder dat de aldus bekomen breuk de eenheid kan overschrijden. Indien de beroepsloopbaan uitsluitend voldoet aan de voorwaarden bedoeld in respectievelijk artikel 3, § 1, eerste lid, 2°, artikel 3, § 1, vijfde lid, artikel 3, § 2, eerste lid, 2°, of artikel 3, § 3, eerste lid, 2°, wordt aan de in het eerste lid bedoelde teller van de breuk een aantal bijkomende fictieve voltijdse dagequivalenten toegevoegd dat bekomen wordt door: 1° voor alle afzonderlijke kalenderjaren gelegen vóór 2002 het verschil te nemen tussen het aantal vol- tijdse dagequivalenten in het betrokken kalenderjaar en dat aantal vermenigvuldigd met de verhouding 5/4 waarbij het resultaat van deze vermenigvuldiging beperkt wordt tot 312; 2° de vijf grootste verschillen bekomen na toepassing van de bepaling onder 1° op te tellen. Voor zover de toepassing van dit lid voordeliger is en onverminderd de toepassing van het eerste lid, is de breuk gelijk aan deze welke gebruikt werd voor de berekening, naargelang het geval, van het persoonlijk rustpensioen, van het overlevingspensioen of van de overgangsuitkering toegekend in het pensioenstelsel van werknemers, na toepassing van, naargelang het geval, artikel 10bis van het koninklijk besluit nr. 50, van artikel 5, § 1, derde lid, van artikel 7, § 1, vierde lid, of van artikel 7bis, § 1, derde lid, van het koninklijk besluit van 23 december 1996, uitgedrukt in kalenderjaren, indien de beroepsloopbaan voldoet aan de voorwaarden bedoeld in respectievelijk artikel 3, § 1, eerste lid, 1°, artikel 3, § 2, eerste lid, 1°, of artikel 3, § 3, eerste lid, 2° réduire la fraction exigée visée à l’alinéa 2 sans que celle-ci puisse être inférieure à 43/45 ou à une fraction équivalente; 3° augmenter le pourcentage visé à l’alinéa 3 sans que ce pourcentage puisse excéder 10 %. Art. 5 La fraction visée à l’article 4 a comme dénominateur celui qui a été utilisé pour le calcul, selon le cas, de la pension de retraite personnelle, de la pension de survie ou de l’allocation de transition attribuée dans le régime de pension des travailleurs salariés exprimé en jours équivalents temps pleins et comme numérateur les jours équivalents temps plein pris en compte dans le régime de pension des travailleurs salariés, après application, selon le cas, de l’article 10bis de l’arrêté royal n° 50, de l’article 5, § 1er, alinéa 3, de l’article 7, § 1er, alinéa 4, ou de l’article 7bis, § 1er, alinéa 3, de l’arrêté royal du 23 décembre 1996, sans que la fraction ainsi obtenue ne puisse dépasser l’unité. Si la carrière professionnelle remplit uniquement les conditions visées respectivement à l’article 3, § 1er, alinéa 1er, 2°, à l’article 3, § 1er, alinéa 5, à l’article 3, § 2, alinéa 1er, 2°, ou à l’article 3, § 3, alinéa 1er, 2°, il est ajouté au numérateur de la fraction visée à l’alinéa 1er, un nombre de jours effectivement prestés supplémentaires fictifs qui est obtenu en: 1° prenant la différence, pour toutes les années civiles individuelles antérieures à 2002, entre le nombre de jours équivalents temps plein de l’année civile concernée et ce nombre multiplié par le rapport 5/4, le résultat de cette multiplication étant limité à 312; 2° additionnant les cinq plus grandes différences obtenues après application du 1°. Pour autant que l’application de cet alinéa soit plus favorable et sans préjudice de l’alinéa 1er , la fraction est égale à celle qui a été utilisée pour le calcul, selon le cas, de la pension de retraite personnelle, de la pension de survie ou de l’allocation de transition attribuée dans le régime de pension des travailleurs salariés exprimée en années civiles, après application, selon le cas, de l’article 10bis de l’arrêté royal n° 50, de l’article 5, § 1er, alinéa 3, de l’article 7, § 1er, alinéa 4, ou de l’article 7bis, § 1er, alinéa 3, de l’arrêté royal du 23 décembre 1996, lorsque la carrière professionnelle remplit les conditions visées à respectivement à l’article 3, § 1er, alinéa 1er, 1°, à l’article 3, § 2, alinéa 1er, 1°, ou à l’article 3, § 3, alinéa 1er, 1°, sans que la fraction ainsi obtenue puisse 15 3808/009 DOC 55 C H A M B R E 6 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2023 2024 K A M E R • 6 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E 1°, zonder dat de aldus bekomen breuk de eenheid kan overschrijden. De teller is echter beperkt tot het aantal kalenderjaren die elk ten minste 52 voltijdse dagequi- valenten bevatten. Afdeling 3 Opheffingsbepaling Art. 6 Worden opgeheven: 1° de artikelen 152 en 153 van de wet van 8 augus- tus 1980 betreffende de budgettaire voorstellen 1979-1980; 2° de artikelen 33 tot en met 34bis van de herstel- wet van 10 februari 1981 inzake de pensioenen van de sociale sector; 3° het koninklijk besluit van 28 september 2006 tot uitvoering van de artikelen 33, 33bis, 34 en 34bis van de herstelwet van 10 februari 1981 inzake pensioenen van de sociale sector; 4° de wet van 6 juli 2016 tot toekenning van een premie aan sommige begunstigden van een minimumpensioen en tot verhoging van sommige minimumpensioenen, in het werknemers- en zelfstandigenstelsel. De in het eerste lid bedoelde bepalingen blijven even- wel van toepassing op de pensioenen en overgangs- uitkeringen die daadwerkelijk en voor de eerste maal ingaan vóór de inwerkingtreding van dit hoofdstuk en op de overlevingspensioenen die voortvloeien uit een rustpensioen dat daadwerkelijk en voor de eerste maal is ingegaan vóór deze datum. Onverminderd het tweede lid, zijn de basisbedragen bedoeld in artikel 4, eerste en tweede lid, van toepas- sing op de gewaarborgde minimumpensioenen en ge- waarborgde minimumovergangsuitkeringen die werden toegekend krachtens de opgeheven bepalingen bedoeld in het eerste lid. Afdeling 4 Overgangsbepalingen en inwerkingtreding Art. 7 De voorwaarde van daadwerkelijke tewerkstelling be- doeld in artikel 3, § 1, eerste lid, en artikel 3, § 2, eerste lid, dépasser l’unité. Le numérateur est cependant limité au nombre d’années civiles qui comportent chacune au minimum 52 jours équivalents temps plein. Section 3 Disposition abrogatoire Art. 6 Sont abrogés: 1° les articles 152 et 153 de la loi du 8 août 1980 rela- tive aux propositions budgétaires 1979-1980; 2° les articles 33 à 34bis de la loi de redressement du 10 février 1981 relative aux pensions du secteur social; 3° l’arrêté royal du 28 septembre 2006 portant exé- cution des articles 33, 33bis, 34 et 34bis de la loi de redressement du 10 février 1981 relative aux pensions du secteur social; 4° la loi du 6 juillet 2016 accordant une prime à cer- tains bénéficiaires d’une pension minimum et portant augmentation de certaines pensions minima, dans les régimes des travailleurs salariés et des travailleurs indépendants. Les dispositions visées à l’alinéa 1er restent toutefois d’application aux pensions et allocations de transition qui prennent cours effectivement et pour la première fois avant l’entrée en vigueur du présent chapitre et aux pensions de survie qui découlent d’une pension de retraite qui a pris cours effectivement et pour la première fois avant cette date. Sans préjudice de l’alinéa 2, les montants de base visés à l’article 4, alinéas 1er et 2, s’appliquent aux pen- sions minimum garanties et aux allocations de transition minimum garanties qui ont été attribuées en vertu des dispositions abrogées visées à l’alinéa 1er. Section 4 Dispositions transitoires et entrée en vigueur Art. 7 La condition d’occupation effective, visée à l’article 3, § 1er, alinéa 1er, et l’article 3, § 2, alinéa 1er, n’est pas 3808/009 DOC 55 16 C H A M B R E 6 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2023 2024 K A M E R • 6 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E wordt niet toegepast op de rust- en overlevingspensi- oenen vastgesteld op basis van de beroepsloopbaan: 1° van de personen geboren vóór 1 januari 1963; 2° van de personen, geboren vóór 1 januari 1969, die op 1 januari 2025 aanspraak kunnen maken op een gewaarborgd minimumpensioen overeenkomstig de bepalingen bedoeld in artikel 6. Art. 8 In afwijking van artikel 3, § 1, eerste lid, en artikel 3, § 2, eerste lid, en onverminderd de toepassing van artikel 3, § 4, en artikel 7, bedraagt het vereiste aantal daadwerkelijk gepresteerde voltijdse dagequivalenten: voor de personen geboren in: voor de toepassing van: artikel 3, § 1, eerste lid, 1°, en artikel 3, § 2, eerste lid, 1°, artikel 3, § 1, eerste lid, 2°, en artikel 3, § 2, eerste lid, 2°, 1963 1.250 780 1964 1.500 936 1965 1.750 1.092 1966 2.250 1.404 1967 2.750 1.716 1968 3.500 2.184 1969 4.250 2.652 Indien de beroepsloopbaan perioden bevat tijdens welke betrokkene om medische redenen geen daad- werkelijke tewerkstelling kan bewijzen stemt het vereiste aantal daadwerkelijk gepresteerde voltijdse dagequi- valenten overeen met het krachtens het artikel 3, § 4, vastgestelde aantal voor zover het aldus bekomen resultaat voordeliger is. Art. 9 Dit hoofdstuk treedt in werking op 1 januari 2025 en is van toepassing op de pensioenen en overgangsuit- keringen die daadwerkelijk en voor de eerste maal ten vroegste ingaan op 1 januari 2025, met uitzondering van de overlevingspensioenen die voortvloeien uit een rustpensioen dat daadwerkelijk en voor de eerste maal is ingegaan vóór deze datum. appliquée aux pensions de retraite et de survie déter- minées sur la base de la carrière professionnelle: 1° des personnes nées avant le 1er janvier 1963; 2° des personnes, nées avant le 1er janvier 1969, qui au 1er janvier 2025 peuvent prétendre à une pension minimum garantie conformément aux dispositions visées à l’article 6. Art. 8 Par dérogation à l’article 3, § 1er, alinéa 1er, et à l’ar- ticle 3, § 2, alinéa 1er, et sans préjudice de l’application de l’article 3, § 4, et de l’article 7, le nombre requis de jours équivalents temps plein effectivement prestés est de: pour les personnes nées: pour l’application de: article 3, § 1er, alinéa 1er, 1°, et article 3, § 2, alinéa 1er, 1°, article 3, § 1er, alinéa 1er, 2°, et article 3, § 2, alinéa 1er, 2°, 1963 1.250 780 1964 1.500 936 1965 1.750 1.092 1966 2.250 1.404 1967 2.750 1.716 1968 3.500 2.184 1969 4.250 2.652 Si la carrière professionnelle comporte des périodes au cours desquelles l’intéressé ne peut pas justifier d’une occupation effective pour des raisons médicales, le nombre requis de jours équivalents temps plein effec- tivement prestés correspond au nombre fixé conformé- ment à l’article 3, § 4, dans la mesure où le résultat ainsi obtenu est plus favorable. Art. 9 Ce chapitre entre en vigueur le 1er janvier 2025 et est applicable aux pensions et aux allocations de transition qui prennent cours effectivement et pour la première fois au plus tôt le 1er janvier 2025, à l’exception des pensions de survie qui découlent d’une pension de retraite qui a pris cours effectivement et pour la première fois avant cette date. 17 3808/009 DOC 55 C H A M B R E 6 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2023 2024 K A M E R • 6 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E HOOFDSTUK 2 Het gewaarborgd minimum in de pensioenregelingen van de overheidssector Afdeling 1 Wijzigingsbepalingen Art. 10 Artikel 119 van de wet van 26 juni 1992 houdende sociale en diverse bepalingen wordt aangevuld met een paragraaf 5, luidende als volgt: “§ 5. Onder “werkelijk gepresteerde diensten” moet worden verstaan: — de perioden van werkelijk gepresteerde diensten; — de perioden van verlof of afwezigheid met behoud van de volledige bezoldiging; — de perioden van loopbaanonderbreking met toe- kenning van een onderbrekingsuitkering ten laste van de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening of een andere federale instelling: a) teneinde palliatieve zorg te verstrekken; b) voor ouderschapsverlof; c) voor het bijstaan of verzorgen van een gezinslid of een familielid tot in de tweede graad dat lijdt aan een ernstige ziekte; d) voor mantelzorg; — de perioden bedoeld in de artikelen 5 en 6 van het besluit van de Vlaamse regering van 26 juli 2016 tot toe- kenning van onderbrekingsuitkeringen voor zorgkrediet; — de perioden: a) van preventieve werkverwijdering om gezondheids- redenen; b) van omgezette moederschapsrust; c) van geboorteverlof; d) van adoptieverlof; e) van pleegouderverlof; f) van borstvoedingsverlof; CHAPITRE 2 Le minimum garanti dans les régimes de pension du secteur public Section 1re Dispositions modificatives Art. 10 L’article 119 de la loi du 26 juin 1992 portant des dispositions sociales et diverses est complété par un paragraphe 5 rédigé comme suit: “§ 5. Par “services réellement prestés”, il faut entendre: — les périodes de services réellement prestés; — les périodes de congé ou d’absence avec maintien de la rémunération intégrale; — les périodes d’interruption de carrière avec octroi d’une allocation d’interruption à charge de l’Office National de l’Emploi ou d’un autre organisme fédéral: a) en vue d’assurer des soins palliatifs; b) pour congé parental; c) pour assistance ou octroi de soins à un membre de son ménage ou à un membre de sa famille jusqu’au deuxième degré qui souffre d’une maladie grave; d) pour aidant proche; — les périodes visées aux articles 5 et 6 de l’arrêté du gouvernement flamand du 26 juillet 2016 portant octroi d’allocations d’interruption pour crédit-soins; — les périodes: a) d’écartement préventif du travail pour raisons de santé; b) du repos de maternité converti; c) du congé de naissance; d) du congé d’adoption; e) du congé parental d’accueil; f) de congé d’allaitement; 3808/009 DOC 55 18 C H A M B R E 6 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2023 2024 K A M E R • 6 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E g) van ziekteverlof vóór de uitputting van het ziektekapitaal; h) van verminderde prestaties wegens medische redenen. De duur van de in het eerste lid bedoelde diensten wordt vastgesteld overeenkomstig de bepalingen van het koninklijk besluit nr. 206 van 29 augustus 1983 tot regeling van de berekening van het pensioen van de openbare sector voor diensten met onvolledige opdracht. Onder “werkelijk gepresteerde diensten” moet even- eens worden verstaan: — de daadwerkelijk gepresteerde voltijdse dagequiva- lenten bedoeld in artikel 2, 10°, a) en b), van de wet van xxxxxxxxx houdende de hervorming van de pensioenen, omgezet in maanden; — de met daadwerkelijk gepresteerde voltijdse da- gequivalenten gelijkgestelde perioden bedoeld in ar- tikel 3, § 5, derde lid en zevende lid, van de wet van xxxxxxxxxxxx houdende de hervorming van de pensi- oenen, omgezet in maanden. Art. 11 In artikel 120 van dezelfde wet, laatstelijk gewijzigd bij het koninklijk besluit van 20 december 2020, worden de volgende wijzigingen aangebracht: 1° de woorden “en die de leeftijd van 60 jaar hebben bereikt,” worden vervangen door de woorden “, die de leeftijd van 60 jaar hebben bereikt en 189 maanden werkelijk gepresteerde diensten kunnen bewijzen,”; 2° het artikel wordt aangevuld met twee leden, luidende: “Indien de loopbaan perioden bevat tijdens welke de betrokkene om gezondheidsredenen geen werkelijk gepresteerde diensten kan bewijzen, dan wordt een lager aantal dan het in het eerste lid bedoelde aantal van 189 maanden werkelijk gepresteerde diensten vereist. Het aantal maanden werkelijk gepresteerde diensten wordt vastgesteld in functie van de loopbaan: 1° indien de loopbaan meer dan 60 maar minder dan 360 maanden bevat tijdens welke betrokkene om gezondheidsredenen geen werkelijk gepresteerde dien- sten kan bewijzen, is de vermindering gelijk aan het tot de hogere eenheid afgerond resultaat, bekomen door het product van 100/312 met het verschil tus- sen het aantal maanden tijdens welke betrokkene om g) du congé de maladie avant épuisement du capital congé de maladie; h) de prestations réduites pour raisons médicales. La durée des services visés à l’alinéa 1er est éta- blie conformément aux dispositions de l’arrêté royal n° 206 du 29 août 1983 réglant le calcul de la pension du secteur public pour les services à prestations incomplètes. Par “services effectivement prestés”, il faut également entendre: — les jours équivalents temps plein effectivement pres- tés visés à l’article 2, 10°, a) et b), de la loi du xxxxxxxxxx portant la réforme des pensions, convertis en mois; — les périodes assimilées aux jours équivalents temps plein effectivement prestés visés à l’article 3, § 5, alinéas 3 et 7, de la loi du xxx xxxxxxxxx xxx portant la réforme des pensions, converties en mois. Art. 11 À l’article 120 de la même loi, modifié en dernier lieu par l’arrêté royal du 20 décembre 2020, les modifications suivantes sont apportées: 1° les mots “et ayant atteint l’âge de 60 ans” sont rem- placés par les mots “, ayant atteint l’âge de 60 ans et pou- vant prouver 189 mois de services réellement prestés.”; 2° l’article est complété par deux alinéas rédigés comme suit: “Si la carrière comporte des périodes au cours des- quelles, pour des raisons de santé, l’intéressé ne peut pas prouver de services réellement prestés, un nombre inférieur de mois au nombre de 189 mois de services réellement prestés visé à l’alinéa 1er est requis. Le nombre de mois de services réellement prestés est déterminé en fonction de la carrière: 1° si la carrière comporte plus de 60 mois mais moins de 360 mois au cours desquels, pour des raisons de santé, l’intéressé ne peut pas prouver des services réellement prestés, la réduction est égale au résultat, arrondi à l’unité supérieure, du produit de 100/312 par le résultat de la différence entre le nombre de mois au cours desquels l’intéressé ne peut pas prouver des 19 3808/009 DOC 55 C H A M B R E 6 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2023 2024 K A M E R • 6 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E gezondheidsredenen geen werkelijk gepresteerde dien- sten kan bewijzen en 60 maanden; 2° indien de loopbaan minstens 360 maanden bevat tijdens welke betrokkene om gezondheidsredenen geen werkelijk gepresteerde diensten kan bewijzen, is het vereiste aantal maanden werkelijk gepresteerde diensten gelijk aan het tot de hogere eenheid afgerond resultaat, bekomen door het verschil tussen 540 maan- den en het aantal maanden tijdens welke betrokkene om gezondheidsredenen geen werkelijk gepresteerde diensten kan bewijzen te vermenigvuldigen met het product van 250/312 met 30/45. Voor de vaststelling van de perioden tijdens welke betrokkene om gezondheidsredenen geen werkelijk gepresteerde diensten kan bewijzen, moet eveneens rekening gehouden worden met de perioden bedoeld in artikel 3, § 4, vierde lid, 1° tot en met 4°, van de wet van xxxxxxxxxxxxxxxxx houdende de hervorming van de pensioenen, omgezet in maanden..”. Art. 12 In artikel 124 van dezelfde wet, laatstelijk gewijzigd bij de wetten van 30 december 1992, 5 april 1994 en 3 fe- bruari 2003, worden de woorden “van de wet van 5 april 1994 houdende regeling van de cumulatie van pensioenen van de openbare sector met inkomsten voortvloeiend uit de uitoefening van een beroepsactiviteit of met een vervangingsinkomen” vervangen door de woorden “van titel 8, hoofdstuk 1 van de programmawet van 28 juni 2013”. Afdeling 2 Overgangsbepalingen Art. 13 De voorwaarde van werkelijk gepresteerde dien- sten bedoeld in artikel 120, eerste lid, van de wet van 26 juni 1992 houdende sociale en diverse bepalin- gen, zoals gewijzigd bij artikel 11, wordt niet toegepast op de rustpensioenen van: 1° de personen geboren vóór 1 januari 1963; 2° de personen, geboren na 31 december 1962 en vóór 1 januari 1969, die op 1 januari 2025 minstens 20 pen- sioenaanspraakverlenende dienstjaren kunnen laten gelden. services réellement prestés pour des raisons de santé et 60 mois; 2° si la carrière comporte au moins 360 mois au cours desquels, pour des raisons de santé, l’intéressé ne peut pas prouver des services réellement prestés, le nombre requis de mois réellement prestés est égal au résultat, arrondi à l’unité supérieure, obtenu en multi- pliant la différence entre 540 mois et le nombre de mois au cours desquels l’intéressé ne peut pas prouver des services réellement prestés pour des raisons de santé par le produit de 250/312 par 30/45. Pour la détermination des périodes pendant lesquelles l’intéressé ne peut pas prouver des services effectifs pour des raisons de santé, il faut également tenir compte des périodes visées à l’article 3, § 4, alinéa 4, 1° à 4°, de la loi du xxxxxxxxxxxxxx portant la réforme des pensions, converties en mois.”. Art. 12 Dans l’article 124 de la même loi, modifié par les lois du 30 décembre 1992, du 5 avril 1994 et du 3 février 2003, les mots “de la loi du 5 avril 1994 régissant le cumul des pensions du secteur public avec des revenus provenant de l’exercice d’une activité professionnelle ou avec un revenu de remplacement” sont remplacés par les mots “du titre 8, chapitre 1er de la loi-programme du 28 juin 2013”. Section 2 Dispositions transitoires Art. 13 La condition de services réellement prestés visée à l’article 120, alinéa 1er, de la loi du 26 juin 1992 portant des dispositions sociales et diverses, tel que modifié par l’article 11, n’est pas appliquée aux pensions de retraite: 1° des personnes nées avant le 1er janvier 1963; 2° des personnes, nées après le 31 décembre 1962 et avant le 1er janvier 1969, qui au 1er janvier 2025 peuvent faire valoir au moins 20 années de services admissibles pour l’ouverture du droit à la pension. 3808/009 DOC 55 20 C H A M B R E 6 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2023 2024 K A M E R • 6 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E Art. 14 In afwijking van artikel 120, eerste lid van de wet van 26 juni 1992 houdende sociale en diverse bepalin- gen, zoals gewijzigd bij artikel 11, 1°, wordt het vereiste aantal maanden werkelijk gepresteerde diensten voor de in het jaar 1969 geboren personen en voor de in de jaren 1963 tot en met 1968 geboren personen die op 1 januari 2025 geen 20 pensioenaanspraakverlenende dienstjaren kunnen laten gelden vastgesteld als volgt: Voor de personen geboren in: Vereiste aantal maanden werkelijk gepresteerde diensten: 1963 47,25 1964 56,75 1965 66,25 1966 85,00 1967 104,00 1968 132,50 1969 160,75 Indien de loopbaan perioden bevat tijdens welke de in het eerste lid bedoelde personen om medische redenen geen daadwerkelijke tewerkstelling kunnen bewijzen, stemt het vereiste aantal maanden werkelijk gepresteerde diensten overeen met het aantal dat wordt vastgesteld overeenkomstig artikel 120, tweede lid, van de wet van 26 juni 1992 houdende sociale en diverse bepalingen, zoals gewijzigd bij artikel 11, 2°, voor zover het aldus verkregen resultaat voordeliger is dan het in het eerste lid bepaalde aantal maanden. Afdeling 3 Inwerkingtreding Art. 15 Dit hoofdstuk treedt in werking op 1 januari 2025 en is van toepassing op de rustpensioenen die daadwerkelijk en voor de eerste maal ten vroegste op 1 januari 2025 in- gaan, met uitzondering van artikel 12, dat uitwerking heeft met ingang van 1 januari 2013. Art. 14 Par dérogation à l’article 120, alinéa 1er, de la loi du 26 juin 1992 portant des dispositions sociales et diverses, tel que modifié par l’article 11, 1°, le nombre de mois de services réellement prestés requis pour les personnes nées en 1969 et pour les personnes nées dans les années 1963 jusqu’à 1968 compris, qui au 1er janvier 2025 ne peuvent pas faire valoir 20 années de services admissibles pour l’ouverture du droit à la pension est fixé comme suit: Pour les personnes nées en: Nombre de mois de services réellement prestés requis: 1963 47,25 1964 56,75 1965 66,25 1966 85,00 1967 104,00 1968 132,50 1969 160,75 Si la carrière comporte des périodes au cours des- quelles les personnes visées à l’alinéa 1er, ne peuvent pas justifier d’une occupation effective pour des raisons de santé, le nombre requis de mois de services réelle- ment prestés correspond au nombre fixé conformément à l’article 120, alinéa 2, de la loi du 26 juin 1992 portant des dispositions sociales et diverses, tel que modifié par l’article 11, 2°, dans la mesure où le résultat ainsi obtenu est plus favorable que le nombre de mois visés à l’alinéa 1er. Section 3 Entrée en vigueur Art. 15 Ce chapitre entre en vigueur le 1er janvier 2025 et est applicable aux pensions de retraite qui prennent cours effectivement et pour la première fois au plus tôt le 1er janvier 2025, à l’exception de l’article 12 qui produit ses effets au 1er janvier 2013. 21 3808/009 DOC 55 C H A M B R E 6 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2023 2024 K A M E R • 6 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E HOOFDSTUK 3 Het minimumpensioen in de regeling voor zelfstandigen Afdeling 1 Wijzigingen van de wet van 15 mei 1984 houdende maatregelen tot harmonisering in de pensioenregelingen Art. 16 Artikel 118 van de wet van 15 mei 1984 houdende maatregelen tot harmonisering in de pensioenregelingen, wordt vervangen als volgt: “Voor de toepassing van deze wet moet verstaan worden onder: 1° “het koninklijk besluit nr. 72”: het koninklijk be- sluit nr. 72 van 10 november 1967 betreffende het rust- en overlevingspensioen der zelfstandigen; 2° “de wet van…xxxxxxxxxxxxx“: de wet van xxxxxxxxxxxxx… houdende de hervorming van de pensioenen.” Art. 17 In artikel 131bis van dezelfde wet,ingevoegd bij de wet van 22 december 1989 en laatstelijk gewijzigd bij de wet van 26 april 2019, wordt een paragraaf 1nonies ingevoegd, luidende: “§ 1nonies. Vanaf 1 januari 2025 zijn de in § 1octies bedoelde bedragen gelijk aan de in artikel 4, eerste lid, 1° en 2°, van de wet van xxxxxxxxxxxx… bedoelde be- dragen voor wat het rustpensioen betreft, en aan het in artikel 4, eerste lid, 3°, van dezelfde wet bedoeld bedrag, voor wat betreft het overlevingspensioen.” Art. 18 In artikel 131ter van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 24 april 2014 en laatstelijk gewijzigd bij de wet van 27 november 2022, worden de volgende wijzigingen aangebracht: 1° § 1, eerste lid, 2°, wordt aangevuld met de woorden “doch zonder dat die breuk de eenheid mag overschrijden”; 2° Paragraaf 1bis wordt aangevuld met een lid, luidende: CHAPITRE 3 La pension minimum dans le régime des travailleurs indépendants Section 1re Modifications de la loi du 15 mai 1984 portant mesures d’harmonisation dans les régimes de pensions Art. 16 L’article 118 de la loi du 15 mai 1984 mesures d’har- monisation dans les régimes de pension, est remplacé par ce qui suit: “Pour l’application de la présente loi, il y a lieu d’en- tendre par: 1° “arrêté royal n° 72”: l’arrêté royal n° 72 du 10 no- vembre 1967 relatif à la pension de retraite et de survie des travailleurs indépendants; 2° “la loi du…xxxxxxxxxxxxxx”: la loi du…xxxxxxxxxxxx portant la réforme des pensions.” Art. 17 À l’article 131bis de la même loi, inséré par la loi du 22 décembre 1989 et modifié en dernier lieu par la loi du 26 avril 2019, un paragraphe 1ernonies est inséré, rédigé comme suit: “§ 1ernonies. A partir du 1er janvier 2025, les montants visés au § 1erocties sont égaux aux montants visés à l’article 4, alinéa 1er, 1° et 2°, de la loi du…xxxxxxxxxxxx, en ce qui concerne la pension de retraite et à l’article 4, alinéa 1er, 3°, de la même loi, en ce qui concerne la pension de survie.” Art. 18 À l’article 131ter de la même loi, inséré par la loi du 24 avril 2014 et modifié en dernier lieu par la loi du 27 novembre 2022, les modifications suivantes sont apportées: 1° le paragraphe 1er , alinéa 1er, 2°, est complété par les mots “sans toutefois que cette fraction ne dépasse l’unité”; 2° le paragraphe1erbis est complété par un alinéa, rédigé comme suit: 3808/009 DOC 55 22 C H A M B R E 6 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2023 2024 K A M E R • 6 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E “Vanaf 1 januari 2025 zijn de bedragen bedoeld in het eerste lid gelijk aan de bedragen bedoeld in artikel 4, eerste lid, 1° en 2°, van de wet van…xxxxxxxxxxxx, voor wat betreft de rustpensioenen, en aan het in artikel 4, eerste lid, 3°, van dezelfde wet bedoeld bedrag, voor wat betreft het overlevingspensioen.”; 3° In paragraaf 1ter, eerste lid, worden de woor- den “de bepalingen van artikel 5, § 4, of van artikel 6, tweede lid, of van artikel 9, derde lid, van het koninklijk besluit van 28 september 2006 tot uitvoering van de artikelen 33, 33bis, 34 en 34bis van de Herstelwet van 10 februari 1981 inzake pensioenen van de sociale sector” vervangen door de woorden “de bepalingen van artikel 3, § 1, derde lid, van de wet van…xxxxxxxxxxxxx.”; 4° In paragraaf 1ter, tweede lid, worden de woorden “bedoeld in artikel 152 van de wet van 8 augustus 1980 be- treffende de budgettaire voorstellen 1979-1980, voor wat het rustpensioen betreft, of in artikel 33 van de Herstelwet van 10 februari 1981 inzake de pensioenen van de so- ciale sector,” vervangen door de woorden “bedoeld in artikel 4, eerste lid, van de wet van…xxxxxxxxxxxxxx”. Art. 19 Artikel 131quater van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 6 juli 2016 en gewijzigd bij de wet van 3 sep- tember 2017, wordt vervangen als volgt: “Artikel 131quater. § 1. Vanaf 1 januari 2017 worden de rust- en overlevingspensioenen toegekend krachtens artikel 131bis of 131ter, naargelang het geval, verhoogd met 0,7 % voor zover de breuk die in aanmerking genomen werd voor de berekening van het rust- of overlevings- pensioen in de pensioenregeling voor zelfstandigen, in voorkomend geval vermeerderd met de breuk die gebruikt wordt of die gebruikt zou moeten worden voor de berekening van het gewaarborgd minimumpensioen van dezelfde aard ten laste van de pensioenregeling voor werknemers, naargelang het geval, overeenkom- stig de artikelen 152 of 153 van de wet van 8 augus- tus 1980 betreffende de budgettaire voorstellen 1979- 1980 of de artikelen 33, 33bis, 34 en 34bis van de herstelwet van 10 februari 1981 inzake de pensioenen van de sociale sector, naargelang het geval, en zoals van toepassing vóór 1 januari 2025, op dezelfde noemer gebracht, de eenheid bereikt. Wanneer een rust- of overlevingspensioen toegekend krachtens artikel 131bis of 131ter, naargelang het geval, niet voldoet aan de voorwaarde bedoeld in het eerste lid, zijn de bedragen bedoeld in artikel 131bis, § 1octies, en 131ter, § 1bis, eerste lid, gelijk aan de in artikel 33 van de herstelwet van 10 februari 1981 inzake de pensioenen “À partir du 1er janvier 2025, les montants visés à l’alinéa 1er sont égaux aux montants visés à l’article 4, alinéa 1er, 1° et 2°, de la loi du…xxxxxxxxxxx, en ce qui concerne la pension de retraite et à l’article 4, alinéa 1er, 3°, de la même loi, en ce qui concerne la pension de survie.”; 3° Au paragraphe 1ter, alinéa 1er, les mots “aux dis- positions de l’article 5, § 4, ou de l’article 6, alinéa 2, ou de l’article 9, alinéa 3, de l’arrêté royal du 28 sep- tembre 2006 portant exécution des articles 33, 33bis, 34 et 34bis de la loi de redressement du 10 février 1981 re- lative aux pensions du secteur social.” sont remplacés par “aux dispositions de l’article 3, § 1er , alinéa 3, de la loi du….xxxxxxxxxxxxxx”; 4° au paragraphe 1ter, alinéa 2, les mots “visés à l’article 152 de la loi du 8 août 1980 relative aux propo- sitions budgétaires 1979-1980, en ce qui concerne la pension de retraite, ou à l’article 33 de la loi de redresse- ment du 10 février 1981 relative aux pensions du secteur social,” sont remplacés par les mots “visés à l’article 4, alinéa 1er, de la loi du…xxxxxxxxxxxxxx”. Art. 19 L’article 131quater de la même loi, inséré par la loi du 6 juillet 2016 et modifié par la loi du 3 septembre 2017, est remplacé par ce qui suit: “Article 131quater. § 1er. À partir du 1er janvier 2017, les pensions de retraite et de survie attribuées en vertu, selon le cas, de l’article 131bis ou 131ter sont majorées de 0,7 % pour autant que la fraction qui a servi au calcul de la pension de retraite ou de survie à charge du régime de pension des travailleurs indépendants augmentée, le cas échéant, de la fraction utilisée ou qui devrait être utilisée pour le calcul de la pension minimum garantie de même nature à charge du régime de pension des travailleurs salariés attribuée, selon le cas, conformément aux articles 152 ou 153 de la loi du 8 août 1980 rela- tive aux propositions budgétaires 1979-1980 ou aux articles 33, 33bis, 34 et 34bis de la loi de redressement du 10 février 1981 relative aux pensions du secteur social, tels qu’ils étaient d’application avant le 1er janvier 2025, portées au même dénominateur, atteigne l’unité. Lorsqu’une pension de retraite ou de survie attribuée, en vertu, selon le cas, de l’article 131bis ou 131ter, ne remplit pas la condition visée à l’alinéa 1er, les montants visés à l’article 131bis, § 1erocties, et 131ter, § 1er bis, alinéa 1er, sont égaux aux montants visés à l’article 33 de la loi de redressement du 10 février 1981 relative aux 23 3808/009 DOC 55 C H A M B R E 6 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2023 2024 K A M E R • 6 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E van de sociale sector bedoelde bedragen wanneer het gaat om een rustpensioen en aan het in artikel 34 van dezelfde wet, zoals van toepassing vóór 1 januari 2025, bedoelde bedrag wanneer het gaat om een overlevings- pensioen onverminderd artikel 6, derde lid, van de wet van…xxxxxxxxxxxx. § 2. Vanaf 1 januari 2025, worden de rust- en overle- vingspensioenen, toegekend krachtens artikel 131sexies, waarvan de breuk die in aanmerking genomen werd voor de berekening van het rust- of overlevingspensioen in de pensioenregeling voor zelfstandigen en, in voorkomend geval, vermeerderd met, enerzijds, de breuk die het aantal kwartalen uitdrukt waarvoor een vrijstelling van bijdra- gen in de zin van het koninklijk besluit nr. 38 houdende inrichting van het sociaal statuut der zelfstandigen, werd toegekend in het kader van de COVID-19-crisis tijdens de periode van 1 januari 2020 tot 31 maart 2022 en, anderzijds, met de breuk die gebruikt wordt of die zou moeten gebruikt worden voor de berekening van het ge- waarborgd minimumpensioen van dezelfde aard ten laste van de pensioenregeling voor werknemers en toegekend krachtens artikel 5 van de wet van…xxxxxxxxxxxxxx, op dezelfde noemer gebracht, de eenheid bereikt, bere- kend aan de hand van de bedragen bedoeld in artikel 4, tweede en derde lid, van dezelfde wet. Wanneer een rust- of overlevingspensioen toegekend krachtens artikel 131sexies niet voldoet aan de voor- waarde bedoeld in het eerste lid, worden zij berekend aan de hand van de bedragen bedoeld in artikel 4, eerste lid, 1° en 2°, van de wet van ... wanneer het gaat om een rustpensioen en aan het in artikel 4, eerste lid, 3°, van dezelfde wet bedoeld bedrag wanneer het gaat om een overlevingspensioen. § 3. De Koning kan bij besluit na overleg in de Ministerraad: 1° de breuk vereist voor de toepassing van paragraaf 1, eerste lid, en van paragraaf 2, eerste lid, verlagen zonder dat deze lager kan zijn dan 43/45 of een gelijkwaardige breuk; 2° het in paragraaf 1 eerste lid bedoelde percen- tage verhogen zonder dat dit percentage 10 % kan overschrijden.” Art. 20 In artikel 131quinquies, § 2, van dezelfde wet, inge- voegd bij de wet van 27 november 2022, wordt aangevuld een vierde lid ingevoegd, luidende: pensions du secteur social, lorsqu’il s’agit d’une pension de retraite et au montant visé à l’article 34 de la même loi, tels qu’ils étaient d’application avant le 1er janvier 2025, lorsqu’il s’agit d’une pension de survie, sans préjudice de l’article 6, alinéa 3 de loi du…xxxxxxxxxxxxxxxx. § 2. À partir du 1er janvier 2025, les pensions de retraite et de survie attribuées en vertu de l’article 131sexies dont la fraction qui a servi au calcul de la pension de retraite ou de survie à charge du régime de pension des travailleurs indépendants augmentée, le cas échéant, d’une part, avec la fraction qui exprime le nombre de trimestres pour lesquels une dispense de cotisations, au sens de l’arrêté royal n° 38 organisant le statut social des travailleurs indépendants, a été octroyée dans le cadre de la crise du COVID-19 au cours de la période du 1er janvier 2020 au 31 mars 2022, et d’autre part, de la fraction utilisée ou qui devrait être utilisée pour le calcul de la pension minimum garantie de même nature à charge du régime de pension des travailleurs salariés et attribuée, conformément à l’article 5 de la loi du… xxxxxxxxxxxxx, portées au même dénominateur, atteint l’unité, sont calculées sur la base des montants visés à l’article 4, alinéa 2 et 3, de la même loi. Lorsqu’une pension de retraite ou de survie attribuée en vertu de l’article 131sexies ne remplit pas la condition visée à l’alinéa 1er, elles sont calculées sur la base des montants visés à l’article 4, alinéa 1er, 1° et 2° de la loi du ..., lorsqu’il s’agit d’une pension de retraite et sur la base de l’article 4, alinéa 1er, 3°, lorsqu’il s’agit d’une pension de survie. § 3. Le Roi peut, par arrêté, délibéré en Conseil des ministres: 1° réduire la fraction exigée pour l’application du paragraphe 1er, alinéa 1er, et du paragraphe 2, alinéa 1er, sans que celle-ci puisse être inférieure à 43/45 ou à une fraction équivalente; 2° augmenter le pourcentage visé au paragraphe1er, alinéa 1er, sans que ce pourcentage puisse excéder 10 %.” Art. 20 À l’article 131quinquies, § 2, de la même loi, inséré par la loi du 27 novembre 2022, est complété par un alinéa, rédigé comme suit: 3808/009 DOC 55 24 C H A M B R E 6 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2023 2024 K A M E R • 6 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E “Vanaf 1 januari 2025 wordt het minimumpensioen bedoeld in het eerste en het tweede lid, berekend aan de hand van de bedragen, bedoeld in artikel 4, eerste lid, 1° of 2°, van de wet van…xxxxxxxxxxxxxxx.” Art. 21 Een nieuw artikel 131sexies wordt in dezelfde wet ingevoegd, luidende: “Art. 131sexies. § 1. Met ingang van 1 januari 2025 wordt aan de gerechtigde op een rust- of overlevingspen- sioen als zelfstandige, een minimumpensioen verleend op voorwaarde dat hij, naargelang het geval, in zijn hoofde of in hoofde van de overleden echtgenoot, voldoet aan de volgende cumulatieve voorwaarden: 1° een beroepsloopbaan bewijzen die ten minste gelijk is aan twee derde van een volledige loopbaan zoals voorzien in artikel 131ter, § 1, 2°; 2° een beroepsloopbaan bewijzen die ten min- ste 64 kwartalen van effectieve of daarmee gelijkstelde beroepsbezigheid bevat, hetzij alleen in de regeling voor zelfstandigen, hetzij samen in de regeling voor zelf- standigen en in een of meerdere regelingen waarop de Europese Verordeningen van toepassing zijn of waarop een internationale overeenkomst die geheel of gedeelte- lijk betrekking heeft op de pensioenen van werknemers of zelfstandigen en waar België door gebonden is, van toepassing is, die, in voorkomend geval, verminderd wordt wanneer de loopbaan kwartalen bevat die gelijk- gesteld werden krachtens artikel 29 van het koninklijk besluit van 22 december 1967 houdende algemeen reglement betreffende het rust- en overlevingspensioen der zelfstandigen. Nochtans wordt voor de gerechtigden op een over- levingspensioen van wie de echtgenoot overleden is vóór 31 december van het jaar voorafgaand aan datgene waarin hij de pensioenleeftijd, bedoeld in artikel 3, § 1, § 1bis of § 1ter, van het koninklijk besluit van 30 janu- ari 1997 betreffende het pensioenstelsel der zelfstan- digen met toepassing van de artikelen 15 en 27 van de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels en van artikel 3, §1, 4°, van de wet van 26 juli 1996 strekkende tot realisatie van de budgettaire voorwaarden tot deelname van België aan de Europese en Monetaire Unie, naargelang het geval, bereikt heeft, en zonder in het genot geweest te zijn van een vervroegd rustpensioen als zelfstandige, het vereiste aantal kwartalen van effectieve beroepsbezigheid als zelfstandige vermenigvuldigd met een breuk waarvan de teller overeenstemt met het aantal kalenderjaren dat “À partir du 1er janvier 2025, la pension minimum visée aux alinéas 1er et 2 est calculée sur la base des montants visés à l’article 4, alinéa 1er, 1° ou 2°, de la loi du….xxxxxxxxxxxxxx” Art. 21 Un nouvel article 131sexies est inséré dans la même loi, rédigé comme suit: “Art. 131sexies. § 1er. À partir du 1er janvier 2025, une pension minimum est allouable au bénéficiaire d’une pension de retraite ou d’une pension de survie de tra- vailleur indépendant à la condition qu’il réponde dans son propre chef ou dans le chef de son conjoint défunt, selon le cas, aux conditions cumulatives suivantes: 1° prouver une carrière professionnelle au moins égale aux deux tiers d’une carrière complète telle que prévue à l’article 131ter, § 1er, 2°; 2° prouver une carrière professionnelle qui comporte au moins 64 trimestres de travail effectif ou y assimilés, soit dans le seul régime des travailleurs indépendants, soit ensemble dans le régime des travailleurs indépendants et dans un ou plusieurs régimes qui relèvent du champ d’application des règlements européens ou auxquels s’applique une convention internationale concernant totalement ou partiellement les pensions des travailleurs salariés ou indépendants et par laquelle la Belgique est liée, et qui, le cas échéant, est réduite quand la carrière contient des trimestres assimilés en vertu de l’article 29 de l’arrêté royal du 22 décembre 1967 portant règlement général relatif à la pension de retraite et de survie des travailleurs indépendants. Néanmoins, pour les bénéficiaires d’une pension de survie dont le conjoint est décédé avant le 31 décembre de l’année précédant celle au cours de laquelle il atteint l’âge de la retraite visé à l’article 3, § 1er, § 1bis ou § 1ter, de l’arrêté royal du 30 janvier 1997 relatif au régime de pension des travailleurs indépendants en application des articles 15 et 27 de la loi du 26 juillet 1996 portant modernisation de la sécurité sociale et assurant la viabilité des régimes légaux de pensions et de l’article 3, § 1er, 4°, de la loi du 26 juillet 1996 visant à réaliser les conditions budgétaires de la participation de la Belgique à l’Union économique et monétaire européenne, selon le cas, et sans avoir bénéficié d’une pension anticipée en tant qu’indépendant, le nombre requis de trimestre d’activité professionnelle effective d’indépendant est multiplié par une fraction dont le numérateur correspond au nombre d’années civiles comprises dans la période prenant cours le 1er janvier de l’année du vingtième anniversaire du 25 3808/009 DOC 55 C H A M B R E 6 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2023 2024 K A M E R • 6 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E begrepen is in de periode die aanvangt op 1 januari van het jaar van de twintigste verjaardag van de overleden echtgenoot en die eindigt op 31 december van het jaar voorafgaand aan dat waarin hij overleden is en waarvan de noemer gelijk is aan 45. § 2. Wanneer de gerechtigde op een rust- of overle- vingspensioen als zelfstandige die, in zijn hoofde of in hoofde van zijn overleden echtgenoot, een beroepsloop- baan bewijst, hetzij als zelfstandige en als werknemer, hetzij als zelfstandige, als werknemer en als ambtenaar, voldoet aan de voorwaarden betreffende het aantal te bewijzen dagen van daadwerkelijk gepresteerde voltijd- sequivalenten, bedoeld in artikel 3, § 1, § 2 en § 4, van de wet van …, wordt hij geacht eveneens te voldoen aan de voorwaarden, bedoeld in paragraaf 1, 2°. Wanneer de gerechtigde op een rust- of overlevings- pensioen als zelfstandige die, in zijn hoofde of in hoofde van zijn overleden echtgenoot, een beroepsloopbaan bewijst als zelfstandige en als ambtenaar, voldoet aan de voorwaarde betreffende het aantal maanden wer- kelijk gepresteerde diensten, bedoeld in artikel 120 van de wet van 26 juni 1992 houdende sociale en diverse bepalingen, wordt hij geacht eveneens te voldoen aan de voorwaarde, bedoeld in paragraaf 1, 2°. § 3. Onverminderd de toepassing van paragraaf 2, is de voorwaarde, bedoeld in paragraaf 1, 2°, niet van toepassing op: 1° de gerechtigden op een rustpensioen die gebo- ren zijn vóór 1 januari 1963 en op de gerechtigden op een overlevingspensioen wiens overleden echtgenoot geboren was vóór 1963; 2° de gerechtigden op een rustpensioen die geboren zijn vóór 1 januari 1969 en die op 1 januari 2025, een beroepsloopbaan bewijzen die ten minste gelijk is aan twee derde van een volledige loopbaan in de zin van artikel 131ter, § 1, 2°, alsook de gerechtigden op een overlevingspensioen wiens overleden echtgenoot op het ogenblik van zijn overlijden beantwoordde aan dezelfde voorwaarden; 3° de gerechtigden op een overlevingspensioen van wie de overleden echtgenoot een rustpensioen genoot, dat vóór 1 januari 2025 beantwoordde aan de voorwaar- den, bedoeld in artikel 131ter, § 1, 2°; 4° de gerechtigden bedoeld in artikel 131quinquies. § 4. Het minimumpensioen is gelijk aan een breuk- gedeelte van één van de bedragen bedoeld in artikel 4, eerste of tweede lid, van de wet van…xxxxxxxxxxxxxx, conjoint décédé et prenant fin le 31 décembre de l’année précédant celle au cours de laquelle il est décédé et dont le dénominateur est égal à 45. § 2. Lorsque le bénéficiaire d’une pension de retraite ou de survie comme indépendant, qui, dans son propre chef ou dans le chef de son conjoint défunt, prouve une carrière professionnelle, soit en qualité de tra- vailleur indépendant et de travailleur salarié, soit en qualité de travailleur indépendant, de travailleur salarié et de fonctionnaire, satisfait aux conditions relatives au nombre de jours équivalents temps plein effectivement prestés, visées à l’article 3, §§ 1er, 2 et 4 de la loi du …, il est présumé satisfaire aux conditions visées au para- graphe 1er, 2°. Lorsque le bénéficiaire d’une pension de retraite ou de survie comme indépendant, qui, dans son propre chef ou dans le chef de son conjoint défunt, prouve une carrière professionnelle en qualité de travailleur indépendant et de fonctionnaire, satisfait à la condition relative au nombre de mois de services réellement prestés visés à l’article 120 de la loi du 26 juin 1992 portant des dis- positions sociales et diverses, il est présumé satisfaire à la condition visée au paragraphe 1er, 2°. § 3. Sans préjudice du paragraphe 2, la condition visée au paragraphe 1er, 2°, ne s’applique pas: 1° aux bénéficiaires d’une pension de retraite nés avant le 1er janvier 1963 et aux bénéficiaires d’une pension de survie dont le conjoint décédé est né avant 1963; 2° aux bénéficiaires d’une pension de retraite nés avant le 1er janvier 1969 et qui prouvent au 1er janvier 2025, une carrière professionnelle au moins égale aux deux tiers d’une carrière complète au sens de l’article 131ter, § 1er, 2°, ainsi qu’aux bénéficiaires d’une pension de survie dont le conjoint décédé répondait aux mêmes conditions au moment du décès; 3° aux bénéficiaires d’une pension de survie dont le conjoint décédé bénéficiait d’une pension de retraite qui répondait aux conditions fixées à l’article 131ter, § 1er, 2°, avant le 1er janvier 2025; 4° aux bénéficiaires visés à l’article 131quinquies. § 4. La pension minimum est égale à une fraction d’un des montants visés à l’article 4, alinéa 1er ou alinéa 2, de la loi…xxxxxxxxxxxx, selon qu’il s’agit d’une pension 3808/009 DOC 55 26 C H A M B R E 6 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2023 2024 K A M E R • 6 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E naargelang het een rustpensioen of een overlevings- pensioen betreft, dat gelijk is aan de breuk die na de toepassing van artikel 19 van het koninklijk besluit nr. 72 in aanmerking genomen werd voor de berekening van het rust- of overlevingspensioen in de regeling voor zelfstandigen, zonder dat die breuk de eenheid mag overschrijden. Wanneer de gerechtigde op een rustpensioen even- eens aanspraak kan maken op een rustpensioen in de regeling voor werknemers of wanneer de gerechtigde op een overlevingspensioen eveneens aanspraak kan maken op een overlevingspensioen in de regeling voor werknemers, mag de toepassing van de bepalingen van deze titel niet tot gevolg hebben dat het totaal van die voordelen van dezelfde aard, toegekend in de pen- sioenregelingen voor zelfstandigen en werknemers, hoger is dan: 1° het bedrag bedoeld in artikel 4, eerste lid, 1°, van de wet van…xxxxxxxxxxxxx, wanneer de belangheb- bende de voorwaarden vervult beoogd in artikel 9, § 2, eerste lid, 1°, van het koninklijk besluit nr. 72; 2° het bedrag bedoeld in artikel 4, eerste lid, 2°, van de wet van…xxxxxxxxxxxxxxx, wanneer de belangheb- bende de voorwaarden vervult beoogd in artikel 9, § 2, eerste lid, 2°, van het koninklijk besluit nr. 72; 3° het bedrag bedoeld in artikel 4, eerste lid, 3°, van de wet van…xxxxxxxxxxxxxx, wanneer de belangheb- bende de voorwaarden vervult beoogd in artikel 4 van het koninklijk besluit nr. 72. Wanneer deze grens wordt overschreden, wordt het minimumrustpensioen of het minimum-overlevings- pensioen, naargelang het geval, in de regeling voor zelfstandigen tot het vereiste bedrag verminderd, zonder dat die vermindering evenwel tot gevolg mag hebben dat in deze regeling een pensioen wordt toegekend dat kleiner is dan de uitkering die zou zijn toegekend indien de belanghebbende geen aanspraak had kunnen maken op het minimumpensioen. De Koning kan van deze bepaling afwijken indien de voormelde grens wordt overschreden naar aanleiding van de verhoging van het werknemerspensioen ingevolge de aanpassing aan het algemeen welzijn. § 5. In afwijking van paragraaf 1, 2°, en onverminderd de eventuele toepassing van de vermindering van het aantal effectieve en daarmee gelijkgestelde kwartalen wanneer de loopbaan gelijkstelde kwartalen bevat krach- tens artikel 29 van het koninklijk besluit van 22 decem- ber 1967 houdende algemeen reglement betreffende het rust- en overlevingspensioen der zelfstandigen, wordt de retraite ou de survie, fraction égale à celle qui a servi au calcul de la pension de retraite ou de survie, selon le cas, dans le régime des travailleurs indépendants après application de l’article 19 de l’arrêté royal n° 72, sans que cette fraction ne puisse dépasser l’unité. Lorsque le bénéficiaire d’une pension de retraite peut également prétendre à une pension de retraite dans le régime des travailleurs salariés ou lorsque le bénéficiaire d’une pension de survie peut également prétendre à une pension de survie dans le régime des travailleurs salariés, l’application des dispositions du présent titre ne peut avoir pour effet d’augmenter l’ensemble de ces avantages de même nature, octroyés dans les régimes de pension des travailleurs indépendants et des travail- leurs salariés au-delà: 1° du montant visé à l’article 4, alinéa 1er, 1°, de la loi du…xxxxxxxxxxxxx, lorsque l’intéressé remplit les conditions visées à l’article 9, § 2, alinéa 1er, 1°, de l’arrêté royal n° 72; 2° du montant visé à l’article 4, alinéa 1er, 2°, de la loi du…xxxxxxxxxxxxxx, lorsque l’intéressé remplit les conditions visées à l’article 9, § 2, alinéa 1er, 2°, de l’arrêté royal n° 72; 3° du montant visé à l’article 4, alinéa 1er, 3°, de la loi du…xxxxxxxxxxxxxx, lorsque l’intéressé remplit les conditions visées à l’article 4 de l’arrêté royal n° 72. Lorsque cette limite est dépassée, la pension minimum de retraite ou de survie, selon le cas, dans le régime des travailleurs indépendants est réduite à due concurrence, sans toutefois que cette réduction puisse entraîner l’octroi, dans ce régime, d’une pension inférieure à la prestation qui eût été octroyée si l’intéressé n’avait pu prétendre à la pension minimum. Le Roi peut déroger à cette disposition lorsque la limite précitée est dépassée à la suite de l’augmentation de la pension de travailleur salarié en fonction de l’adaptation au bien-être général. § 5. Par dérogation au paragraphe 1er, 2°, et sans préjudice de la réduction éventuellement appliquée au nombre de trimestres effectifs ou y assimilés quand la carrière comporte des trimestres assimilés en vertu de l’article 29 de l’arrêté royal du 22 décembre 1967 por- tant règlement général relatif à la pension de retraite et de survie des travailleurs indépendants, la condition 27 3808/009 DOC 55 C H A M B R E 6 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2023 2024 K A M E R • 6 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E de voorwaarde van 64 kwartalen van effectieve of daar- mee gelijkgestelde beroepsbezigheid als zelfstandige, te bewijzen door de gerechtigde op een rustpensioen of door de gerechtigde op een overlevingspensioen, uit hoofde van de loopbaan van zijn overleden echtgenoot, gebracht: 1° op 16 kwartalen voor degenen die geboren zijn in 1963; 2° op 19 kwartalen voor degenen die geboren zijn in 1964; 3° op 23 kwartalen voor degenen die geboren zijn in 1965; 4° op 29 kwartalen voor degenen die geboren zijn in 1966; 5° op 35 kwartalen voor degenen die geboren zijn in 1967; 6° op 45 kwartalen voor degenen die geboren zijn in 1968; 7° op 55 kwartalen voor degenen die geboren zijn in 1969. Als de beroepsloopbaan kwartalen bevat die omwille van ziekte gelijkgesteld werden overeenkomstig arti- kel 29 van het voormelde koninklijk besluit van 22 de- cember 1967, zal rekening gehouden worden met het meest voordelige resultaat dat bekomen wordt tussen het aantal kwartalen zoals vastgesteld volgens het eerste lid en het aantal kwartalen dat verkregen wordt na de eventuele vermindering zoals voorzien in § 1, 2. § 6. De Koning stelt bij koninklijk besluit, na overleg in de Ministerraad, vast: 1° wat vanaf 1 januari 2025 moet verstaan worden onder een beroepsloopbaan die ten minste gelijk is aan twee derde van een volledige loopbaan, hetzij in de regeling voor zelfstandigen alleen, hetzij in de regeling voor zelfstandigen en werknemers samen, hetzij in de regeling voor zelfstandigen en in regelingen waarop de Europese verordeningen van toepassing zijn of waarop een internationale overeenkomst die geheel of gedeelte- lijk betrekking heeft op de pensioenen van werknemers of zelfstandigen en waar België door gebonden is, van toepassing is, samen, hetzij in de regeling voor zelf- standigen en werknemers of in regelingen waarop de Europese verordeningen van toepassing zijn of waarop een internationale overeenkomst die geheel of gedeelte- lijk betrekking heeft op de pensioenen van werknemers de 64 trimestres de travail effectif ou y assimilés comme indépendant à prouver par le bénéficiaire d’une pen- sion de retraite ou par le bénéficiaire d’une pension de survie, du chef de la carrière de son conjoint décédé, est portée à: 1° 16 trimestres pour ceux qui sont nés en 1963; 2° 19 trimestres pour ceux qui sont nés en 1964; 3° 23 trimestres pour ceux qui sont nés en 1965; 4° 29 trimestres pour ceux qui sont nés en 1966; 5° 35 trimestres pour ceux qui sont nés en 1967; 6° 45 trimestres pour ceux qui sont nés en 1968; 7° 55 trimestres pour ceux qui sont nés en 1969. Si la carrière professionnelle comprend des trimestres qui ont été assimilés pour cause de maladie conformément à l’article 29 de l’arrêté royal du 22 décembre 1967 pré- cité, il sera tenu compte du résultat le plus avantageux entre le nombre de trimestres tels qu’établis à l’alinéa 1er et le nombre de trimestres obtenus après la réduction éventuellement appliquée, tel que prévu au § 1er, 2°. § 6. Le Roi détermine, par arrêté royal délibéré en Conseil des ministres: 1° ce qu’il faut entendre, à partir du 1er janvier 2025, par carrière professionnelle au moins égale aux deux- tiers d’une carrière complète soit dans le seul régime des travailleurs indépendants, soit ensemble dans le régime des travailleurs indépendants et des travailleurs salariés, soit ensemble dans le régime des travailleurs indépendants et dans un ou plusieurs régimes qui relèvent du champ d’application des règlements européens ou auxquels s’applique une convention internationale concernant totalement ou partiellement les pensions des travailleurs salariés ou indépendants et par laquelle la Belgique est liée, soit ensemble dans le régime des travailleurs indépendants et salariés ou dans les ré- gimes auxquels s’appliquent les règlements européens ou auxquels s’applique une convention internationale 3808/009 DOC 55 28 C H A M B R E 6 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2023 2024 K A M E R • 6 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E of zelfstandigen en waar België door gebonden is, van toepassing is, samen; 2° wat moet verstaan worden onder kwartalen van effectieve beroepsbezigheid als zelfstandige; 3° welke kwartalen kunnen gelijkgesteld worden met periodes van effectieve beroepsbezigheid; 4° hoe de periodes die pensioenrechten openen ten laste van een of meerdere regelingen waarop de Europese Verordeningen van toepassing zijn of waarop een internationale overeenkomst die geheel of gedeelte- lijk betrekking heeft op de pensioenen van werknemers of zelfstandigen en waar België door gebonden is, van toepassing is, omgezet worden naar kwartalen; 5° hoe de periodes die gelijkgesteld werden in toepas- sing van artikel 29 van het koninklijk besluit van 22 de- cember 1967 houdende algemeen reglement betreffende het rust- en overlevingspensioen der zelfstandigen in mindering gebracht worden op het vereiste aantal ef- fectief gewerkte kwartalen.” Art. 22 Artikel 132 van dezelfde wet, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 27 november 2022, wordt aangevuld met een lid, luidende: “Zonder dat een nieuwe beslissing ter kennis wordt gebracht van de gerechtigde, gaat de Federale Pensioendienst ambtshalve over tot de verhoging van de pensioenen die daadwerkelijk en voor de eerste maal zijn ingegaan vanaf 1 januari 2025 en waarop het door artikel 131sexies beoogde minimumpensioen van toepassing is en waarvoor hem een betalingsopdracht werd overgezonden.” Art. 23 In artikel 152 van dezelfde wet, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 26 april 2019, worden de vol-gende wij- zigingen aangebracht: 1° het artikel wordt aangevuld met een paragraaf 5, luidende: “§ 5. Met ingang van 1 juli 2015 zijn de bepalingen van paragraaf 1 niet meer van toepassing op: 1° de gerechtigden bedoeld in paragraaf 4; concernant totalement ou partiellement les pensions des travailleurs salariés ou indépendants et par laquelle la Belgique est liée; 2° ce qu’il y a lieu d’entendre par trimestres de travail effectif comme travailleur indépendant; 3° quels trimestres peuvent être assimilés à des périodes de travail effectif; 4° comment les périodes ouvrant des droits à pension à charge d’un ou plusieurs régimes qui relèvent du champ d’application des règlements européens ou auxquels s’applique une convention internationale concernant totalement ou partiellement les pensions des travailleurs salariés ou indépendants et par laquelle la Belgique est liée sont converties en trimestres; 5° comment les périodes assimilées en vertu de l’article 29 de l’arrêté royal du 22 décembre 1967 portant règlement général relatif à la pension de retraite et de survie des travailleurs indépendants sont déduites du nombre de trimestres de travail effectif requis.” Art. 22 L’article 132 de la même loi, modifié en dernier lieu par la loi du 27 novembre 2022, est complété par un alinéa rédigé comme suit: “Le Service fédéral des Pensions procède d’office, sans qu’une nouvelle décision soit notifiée au bénéfi- ciaire, à l’augmentation des pensions qui ont pris cours effectivement et pour la première fois à partir du 1er janvier 2025 et auxquelles la pension minimum visée à l’article 131sexies est ap-plicable, et pour lesquelles un ordre de paiement lui a été transmis.”. Art. 23 À l’article 152 de la même loi, modifié en dernier lieu par la loi du 26 avril 2019, les modifications suivantes sont apportées: 1° l’article est complété par un paragraphe 5 rédigé comme suit: “§ 5 À partir du 1er juillet 2015, les dispositions du paragraphe 1er ne sont plus applicables: 1° aux bénéficiaires visés au paragraphe 4; 29 3808/009 DOC 55 C H A M B R E 6 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2023 2024 K A M E R • 6 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E 2° de gerechtigden die voldoen aan de loopbaan- voorwaarden bepaald in artikel 131ter, § 1, eerste lid, 2°; 3° de gerechtigden op een pensioen waarvan het jaarlijks bedrag groter is dan het bedrag van het in artikel 131ter, § 1, § 1bis, en § 3, naargelang het geval, bedoelde minimum pensioen, vermenigvuldigd met de breuk die de loopbaan van de zelfstandige uitdrukt; 4° de gerechtigden op meerdere pensioenen waarvan het jaarlijks bedrag, hetzij in de regeling voor zelfstan- digen alleen, hetzij in de regeling voor zelfstandigen en in iedere andere Belgische regeling inzake rust- en overlevingspensioenen of iedere gelijkaardige regeling van een vreemd land of een regeling die toepasselijk is op het personeel van een volkenrechtelijke instelling samen, groter is dan het bedrag van het in artikel 131ter, § 1, § 1bis, en § 3, naargelang het geval, bedoelde minimumpensioen.”. 2° het artikel wordt aangevuld met een paragraaf 6, luidende: “§ 6. Met ingang van 1 juli 2017 zijn de bepa- lingen van paragraaf 1 niet meer van toepassing op: 1° de gerechtigden bedoeld in paragraaf 4 en in paragraaf 5; 2° de gerechtigden die voldoen aan de loopbaan- voorwaarden bedoeld in artikel 131quater; 3° de gerechtigden op een pensioen waarvan het jaarlijks bedrag groter is dan het bedrag van het mini- mumpensioen, bedoeld in artikel 131quater, eerste of derde lid, vermenigvuldigd met de breuk die de loopbaan van de zelfstandige uitdrukt, naargelang het geval; 4° de gerechtigden op meerdere pensioenen waarvan het jaarlijks bedrag, hetzij in de regeling voor zelfstan- digen alleen, hetzij in de regeling voor zelfstandigen en in iedere andere Belgische regeling inzake rust- en overlevingspensioenen of iedere gelijkaardige regeling van een vreemd land of een regeling die toepasselijk is op het personeel van een volkenrechtelijke instelling samen, groter is dan het bedrag van het minimumpen- sioen bedoeld in artikel 131quater, eerste of derde lid, naargelang het geval.”; 3° het artikel wordt aangevuld met een paragraaf 7, luidende: “§ 7. Met ingang van 1 juli 2023 zijn de bepa- lingen van paragraaf 1 niet meer van toepassing op: 1° de gerechtigden bedoeld in paragraaf 4 tot paragraaf 6; 2° de gerechtigden bedoeld in artikel 131ter, § 1ter; 2° aux bénéficiaires qui satisfont aux conditions de carrière prévues à l’article 131ter, § 1, alinéa 1er, 2°; 3° aux bénéficiaires d’une pension dont le montant total annuel est supérieur au montant de la pension minimum visée à l’article 131ter, § 1er, § 1erbis et § 3, selon le cas, multiplié par la fraction qui exprime la carrière de travailleur indépendant; 4° aux bénéficiaires de plusieurs pensions dont le montant annuel, soit dans le seul régime des indépen- dants, soit ensemble dans le régime des indépendants et dans tout autre régime belge de pensions de retraite et de survie, ou tout autre régime analogue d’un pays étranger ou dans un régime qui est applicable au per- sonnel d’une institution de droit international public, est supérieur au montant de la pension minimum visée à l’article 131ter, § 1, § 1erbis et § 3, selon le cas.”; 2° l’article est complété par un paragraphe 6 rédigé comme suit: “§ 6. § 6. À partir du 1er juillet 2017, les dispositions du paragraphe 1er ne sont plus applicables: 1° aux bénéficiaires visés au paragraphe 4 et au paragraphe 5; 2° aux bénéficiaires qui satisfont aux conditions de carrière visées à l’article 131quater; 3° aux bénéficiaires d’une pension dont le montant total annuel est supérieur au montant visé à l’article 131quater, alinéa 1er ou alinéa 3, multiplié par la frac- tion qui exprime la carrière de travailleur indépendant, selon le cas; 4° aux bénéficiaires de plusieurs pensions dont le montant annuel, soit dans le seul régime des indépen- dants, soit ensemble dans le régime des indépendants et dans tout autre régime belge de pensions de retraite et de survie, ou tout autre régime analogue d’un pays étranger ou dans un régime qui est applicable au per- sonnel d’une institution de droit international public, est supérieur au montant de la pension minimum visée à l’article 131quater, alinéa 1er ou alinéa 3, selon le cas.”; 3° l’article est complété par un paragraphe 7 rédigé comme suit: “§ 7 À partir du 1er juillet 2023, les disposi- tions du paragraphe 1er ne sont plus applicables: 1° aux bénéficiaires visés aux paragraphes 4 à 6; 2° aux bénéficiaires visés à l’article 131ter, § 1erter; 3808/009 DOC 55 30 C H A M B R E 6 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2023 2024 K A M E R • 6 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E 3° de gerechtigden die voldoen aan de loopbaan- voorwaarden bepaald in artikel 131quinquies, § 1; 4° de gerechtigden op een pensioen waarvan het jaarlijks bedrag groter is dan het bedrag van het in bedoeld in artikel 33 van de Herstelwet van 10 februari 1981 inzake de pensioenen van de sociale sector, zoals van toepassing vóór 1 januari 2025, bedoelde minimum pensioen vermenigvuldigd met de breuk die de loopbaan van de zelfstandige uitdrukt; 5° de gerechtigden op meerdere pensioenen waarvan het jaarlijks bedrag, hetzij in de regeling voor zelfstan- digen alleen, hetzij in de regeling voor zelfstandigen en in iedere andere Belgische regeling inzake rust- en overlevingspensioenen of iedere gelijkaardige regeling van een vreemd land of een regeling die toepasselijk is op het personeel van een volkenrechtelijke instelling samen, groter is dan het bedrag van het in artikel 33 van de Herstelwet van 10 februari 1981 inzake de pensioe- nen van de sociale sector, zoals van toepassing vóór 1 januari 2025, bedoelde minimumpensioen.”; 4° het artikel wordt aangevuld met een paragraaf 8, luidende: “§ 8. Met ingaan op 1 juli 2025 zijn de bepa- lingen van paragraaf 1 niet meer van toepassing op: 1° de gerechtigden bedoeld in de paragrafen 4 tot 7; 2° de gerechtigden die voldoen aan de loopbaan- voorwaarden bepaald in artikel 131sexies, § 1, 1° en 2°, § 2, § 3 en § 5; 3° de gerechtigden op een pensioen waarvan het jaarlijks bedrag groter is dan het bedrag van het in arti- kel 4, eerste en tweede lid, van de wet van …, bedoelde minimumpensioen vermenigvuldigd met de breuk die de loopbaan van de zelfstandige uitdrukt; 4° de gerechtigden op meerdere pensioenen waarvan het jaarlijks bedrag, hetzij in de regeling voor zelfstan- digen alleen, hetzij in de regeling voor zelfstandigen en in iedere andere Belgische regeling inzake rust- en overlevingspensioenen of iedere gelijkaardige regeling van een vreemd land of een regeling die toepasselijk is op het personeel van een volkenrechtelijke instel- ling samen, groter is dan het bedrag van het in arti- kel 4, eerste en tweede lid, van de wet van … bedoelde minimumpensioen.” 3° aux bénéficiaires qui satisfont aux conditions de carrière prévues à l’article 131quinquies, § 1er; 4° aux bénéficiaires d’une pension dont le montant total annuel est supérieur au montant de la pension minimum visé à l’article 33 de la loi de redressement du 10 février 1981 relative aux pensions du secteur social, tel qu’il est d’application avant le 1er janvier 2025, mul- tiplié par la fraction qui exprime la carrière de travailleur indépendant; 5° aux bénéficiaires de plusieurs pensions dont le montant annuel, soit dans le seul régime des indépen- dants, soit ensemble dans le régime des indépendants et dans tout autre régime belge de pensions de retraite et de survie, ou tout autre régime analogue d’un pays étranger ou dans un régime qui est applicable au per- sonnel d’une institution de droit international public, est supérieur au montant de la pension minimum visé à l’article 33 de la loi de redressement du 10 février 1981 relative aux pensions du secteur social, tel qu’il est d’application avant le 1er janvier 2025.”; 4° l’article est complété par un paragraphe 8 rédigé comme suit: «§ 8. À partir du 1er juillet 2025, les dispo- sitions du paragraphe 1er ne sont plus applicables: 1° aux bénéficiaires visés aux paragraphes 4 à 7; 2° aux bénéficiaires qui satisfont aux conditions de carrière prévues à l’article 131sexies, § 1, 1° et 2°, § 2, § 3 et § 5; 3° aux bénéficiaires d’une pension dont le montant total annuel est supérieur au montant de la pension minimum visée à l’article 4, alinéas 1er et 2, de la loi du …, multiplié par la fraction qui exprime la carrière de travailleur indépendant; 4° aux bénéficiaires de plusieurs pensions dont le montant annuel, soit dans le seul régime des indépen- dants, soit ensemble dans le régime des indépendants et dans tout autre régime belge de pensions de retraite et de survie, ou tout autre régime analogue d’un pays étranger ou dans un régime qui est applicable au per- sonnel d’une institution de droit international public, est supérieur au montant de la pension minimum visé à l’article 4, alinéas 1er et 2, de la loi du ….”.” 31 3808/009 DOC 55 C H A M B R E 6 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2023 2024 K A M E R • 6 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E Afdeling 2 Wijzigingen van het koninklijk besluit van 30 januari 1997 betreffende het pensioenstelsel der zelfstandigen met toepassing van de artikelen 15 en 27 van de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels en van artikel 3, § 1, 4°, van de wet van 26 juli 1996 strekkende tot realisatie van de budgettaire voorwaarden tot deelname van België aan de Europese en Monetaire Unie Art. 24 Artikel 9bis, § 10, van het koninklijk besluit van 30 ja- nuari 1997 betreffende het pensioenstelsel der zelfstan- digen met toepassing van de artikelen 15 en 27 van de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels en van artikel 3, § 1, 4°, van de wet van 26 juli 1996 strekkende tot realisatie van de budgettaire voorwaarden tot deelname van België aan de Europese en Monetaire Unie, wordt aangevuld met een lid, luidende: “Vanaf 1 januari 2025 is het in het eerste lid bedoelde bedrag van 9.648,57 euro gelijk aan het bedrag in ar- tikel 4, eerste lid, 3°, van de wet van … houdende de hervorming van pensioenen.” Afdeling 3 Inwerkingtreding Art. 25 Dit hoofdstuk is van toepassing op de pensioenen die daadwerkelijk en voor de eerste maal ten vroegste ingaan op 1 januari 2025, behalve artikel 23, dat be- trekking heeft op de betaling van de bijzondere bijslag. Art. 26 Dit hoofdstuk treedt in werking op 1 januari 2025, met uitzondering van artikel 23, 1°, dat uitwerking heeft vanaf 1 juli 2015, van artikel 23, 2°, dat uitwerking heeft vanaf 1 juli 2017, van artikel 23, 3°, dat uitwerking heeft vanaf 1 juli 2023 en van artikel 23, 4°, dat in werking treedt op 1 juli 2025. Section 2 Modifications de l’arrêté royal du 30 janvier 1997 relatif au régime de pension des travailleurs indépendants en application des articles 15 et 27 de la loi du 26 juillet 1996 portant modernisation de la sécurité sociale et assurant la viabilité des régimes légaux de pensions et de l’article 3, § 1er, 4°, de la loi du 26 juillet 1996 visant à réaliser les conditions budgétaires de la participation de la Belgique à l’Union économique et monétaire européenne Art. 24 L’article 9bis, § 10, de l’arrêté royal du 30 jan- vier 1997 relatif au régime de pension des travailleurs indépendants en application des articles 15 et 27 de la loi du 26 juillet 1996 portant modernisation de la sécurité sociale et assurant la viabilité des régimes légaux de pensions et de l’article 3, § 1er, 4°, de la loi du 26 juil- let 1996 visant à réaliser les conditions budgétaires de la participation de la Belgique à l’Union économique et monétaire européenne, modifié en dernier lieu par la loi du 18 juillet 2021, est complété par un alinéa, rédigé comme suit: “À partir du 1er janvier 2025, le montant de 9.648,57 eu- ros visé à l’alinéa 1er est égal au montant visé à l’article 4, alinéa 1er, 3°, de la loi du … portant la réforme des pensions.” Section 3 Entrée en vigueur Art. 25 Ce chapitre s’applique aux pensions qui prennent cours effectivement et pour la première fois au plus tôt le 1er janvier 2025, à l’exception de l’article 23, concer- nant le paiement de l’allocation spéciale. Art. 26 Le présent chapitre entre en vigueur au 1er janvier 2025, à l’exception de l’article 23, 1°, qui produit ses effets à partir du 1er juillet 2015, de l’article 23, 2°, qui produit ses effets à partir du 1er juillet 2017, de l’article 23, 3°, qui produit ses effet à partir du 1er juillet 2023 et de l’article 23, 4°, qui entre en vigueur le 1er juillet 2025. 3808/009 DOC 55 32 C H A M B R E 6 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2023 2024 K A M E R • 6 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E TITEL 3 De pensioenbonus HOOFDSTUK 1 Bepalingen inzake de pensioenbonus in de pensioenregelingen van de overheidssector Afdeling 1 Toepassingsgebied Art. 27 Dit hoofdstuk is van toepassing: 1° op de rustpensioenen ten laste van de Openbare Schatkist; 2° op de rustpensioenen toegekend aan het statutair personeel: a) van de provincies, alsook van de plaatselijke be- sturen waarop de bepalingen inzake pensioenen van de nieuwe gemeentewet toepasselijk zijn; b) van de instellingen waarop het koninklijk be- sluit nr. 117 van 27 februari 1935 tot vaststelling van het statuut der pensioenen van het personeel der zelf- standige openbare inrichtingen en der regieën ingesteld door de Staat, van toepassing is; c) van de instellingen waarop de wet van 28 april 1958 betreffende het pensioen van het personeel van zekere organismen van openbaar nut alsmede van hun recht- hebbenden, van toepassing is; d) van de hiervoor nog niet bedoelde autonome overheidsbedrijven; e) van de geïntegreerde politie; 3° op de rustpensioenen ten laste van het Gesolida- riseerde pensioenfonds van de provinciale en plaatselijke besturen. TITRE 3 Le bonus de pension CHAPITRE 1ER Dispositions relatives au bonus de pension dans les régimes de pension du secteur public Section 1re Champ d’application Art. 27 Le présent chapitre s’applique: 1° aux pensions de retraite à charge du Trésor public; 2° aux pensions de retraite octroyées au personnel statutaire: a) des provinces, des administrations locales aux- quelles les dispositions de la nouvelle loi communale en matière de pension sont applicables; b) des organismes auxquels est applicable l’arrêté royal n° 117 du 27 février 1935 établissant le statut des pensions du personnel des établissements publics autonomes et des régies instituées par l’État; c) des organismes auxquels est applicable la loi du 28 avril 1958 relative à la pension des membres du personnel de certains organismes d’intérêt public et de leurs ayants droit; d) des entreprises publiques autonomes non visées ci-avant; e) de la police intégrée; 3° aux pensions de retraite à charge du Fonds de pension solidarisé des administrations provinciales et locales. 33 3808/009 DOC 55 C H A M B R E 6 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2023 2024 K A M E R • 6 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E Afdeling 2 Definities Art. 28 Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan onder: 1° “referteperiode”: het tijdvak van maximum 3 op- eenvolgende refertejaren, dat aanvangt de eerste dag van de maand volgend op deze waarin het personeelslid de leeftijdsgrens bereikt, bedoeld in artikel 46, § 3, van de wet van 15 mei 1984 houdende maatregelen tot harmonisering in de pensioenregelingen, voor zover het personeelslid in die maand een dag werkelijk gepres- teerde diensten heeft verstrekt. In afwijking van het eerste lid, vangt de referteperi- ode aan de eerste dag van de maand volgend op deze waarin het personeelslid de voorwaarden inzake leeftijd en loopbaanduur vervult voor de toekenning van een vervroegd rustpensioen overeenkomstig artikel 46 van de voormelde wet van 15 mei 1984, voor zover het per- soneelslid in die maand een dag werkelijk gepresteerde diensten heeft verstrekt. In afwijking van het eerste en tweede lid, vangt voor het personeelslid dat aan de in het eerste of tweede lid bedoelde voorwaarden voldoet, met uitzondering van de voorwaarde betreffende de dag werkelijk gepresteerde diensten, de referteperiode aan op de eerste dag van de maand waarin een dag werkelijk gepresteerde dien- sten werd verstrekt. Voor de personeelsleden voor wie de referteperiode overeenkomstig het eerste, het tweede of het derde lid aanvangt vóór 1 juli 2024, wordt de referteperiode geacht aan te vangen op 1 juli 2024. In voorkomend geval eindigt de referteperiode op de laatste dag van de maand voorafgaand aan de maand waarin aan het personeelslid een rustpensioen of een als zodanig geldend voordeel krachtens een Belgische wettelijke, reglementaire, statutaire of contractuele pensioenregeling, met uitzondering van het onvoorwaar- delijk pensioen, bedoeld in artikel 37 van het koninklijk besluit nr. 72 van 10 november 1967 betreffende het rust- en overlevingspensioen der zelfstandigen, toege- kend wordt. 2° “refertejaar”: een tijdvak van 12 opeenvolgende kalendermaanden binnen de referteperiode, telkens te rekenen vanaf de eerste dag van de kalendermaand waarin de referteperiode aanving; Section 2 Définitions Art. 28 Pour l’application du présent chapitre, il y a lieu d’en- tendre par: 1° “période de référence”: la période de maximum 3 an- nées de référence consécutives, qui débute le pre- mier jour du mois qui suit celui au cours duquel l’agent atteint la limite d’âge visée à l’article 46, § 3, de la loi du 15 mai 1984 portant mesures d’harmonisation dans les régimes de pensions, dans la mesure où le membre du personnel a presté réellement une journée de services au cours de ce mois. Par dérogation à l’alinéa 1er, la période de référence débute le premier jour du mois qui suit celui au cours duquel l’agent remplit les conditions d’âge et de durée de carrière pour l’octroi d’une pension de retraite anticipée conformément à l’article 46 de la loi du 15 mai 1984 préci- tée, dans la mesure où le membre du personnel a presté réellement une journée de services au cours de ce mois. Par dérogation aux alinéas 1er et 2, pour le membre du personnel qui satisfait aux conditions visées aux alinéas 1er et 2, à l’exception de la condition relative au jour de services réellement prestés, la période de réfé- rence débute le premier jour du mois au cours duquel un jour de services réellement prestés a été effectué. Pour les agents dont la période de référence débute avant le 1er juillet 2024 conformément aux alinéas 1er, 2 et 3, la période de référence est réputée débuter le 1er juillet 2024. Le cas échéant, la période de référence se termine le dernier jour du mois précédant le mois au cours duquel le membre du personnel bénéficie d’une pension de retraite ou d’un avantage en tenant lieu en vertu d’un régime légal, réglementaire, statutaire ou contractuel belge de pension, à l’exception de la pension inconditionnelle visée à l’article 37 de l’arrêté royal no 72 du 10 novembre 1967 relatif à la pension de retraite et de survie des travailleurs indépendants. 2° “année de référence”: une période de 12 mois civils consécutifs au cours de la période de référence, à compter du premier jour du mois civil au cours duquel la période de référence a débuté; 3808/009 DOC 55 34 C H A M B R E 6 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2023 2024 K A M E R • 6 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E 3° “rustpensioen”: het in artikel 27 bedoelde rust- pensioen; 4° “werkelijk gepresteerde diensten”: de perioden met werkelijke arbeidsprestaties, met inbegrip van de perioden van verlof of afwezigheid met behoud van de volledige bezoldiging, die in aanmerking genomen worden voor de berekening van een rustpensioen; 5° “pensioenbonus”: het voordeel dat wordt toegekend voor elke kalendermaand tijdens de referteperiode waarin zich werkelijk gepresteerde diensten situeren. Afdeling 3 Toekenningsvoorwaarden en bedrag van de pensioenbonus Art. 29 § 1. Bovenop het rustpensioen wordt een pensi- oenbonus toegekend aan elke persoon die tijdens de referteperiode werkelijk gepresteerde diensten verstrekt in de overheidssector die in aanmerking komen voor de berekening van dat rustpensioen. § 2. Indien een persoon in een refertejaar meer dan 12 maanden werkelijk gepresteerde diensten heeft verstrekt, wordt het aantal maanden werkelijk gepres- teerde diensten dat in aanmerking wordt genomen voor de berekening van de pensioenbonus beperkt tot 12. Indien een persoon gedurende een refertejaar gelijk- tijdig diensten heeft verstrekt in onderscheiden ambten die aanleiding geven tot de toekenning van meerdere rustpensioenen, wordt de in het eerste lid bedoelde beperking eerst toegepast op de werkelijk gepresteerde diensten volbracht in het ambt waarvan de omvang van de prestaties het kleinst is en vervolgens, in stijgende volgorde van de omvang van de werkelijk gepresteerde diensten, op de werkelijk gepresteerde diensten volbracht in het ambt of de ambten met een grotere omvang. Indien de omvang van de gepresteerde diensten in de onderscheiden ambten dezelfde is, worden de diensten die volbracht werden in het best bezoldigde ambt, voor de toepassing van het tweede lid, geacht een omvang van de prestaties te hebben die groter is dan die van het andere ambt. Om vast te stellen of het in het eerste lid bedoelde maximum aantal maanden wordt bereikt, wordt de ver- minderde duur van de in artikel 33 bedoelde diensten in aanmerking genomen. 3° “pension de retraite”: la pension de retraite visée à l’article 27; 4° “services réellement prestés”: les périodes avec des prestations de travail effectif en ce compris les périodes de congé ou d’absence avec maintien de la rémunération intégrale, qui sont prises en compte pour le calcul d’une pension de retraite; 5° “bonus de pension”: l’avantage qui est octroyé pour chaque mois civil pendant la période de référence, dans lequel se situent des services réellement prestés. Section 3 Conditions d’octroi et montant du bonus de pension Art. 29 § 1er. En supplément de la pension de retraite, un bonus de pension est octroyé à chaque personne qui, pendant la période de référence, fournit des services réellement prestés dans le secteur public qui entrent en compte pour le calcul de cette pension de retraite. § 2. Si une personne a fourni plus de 12 mois de services réellement prestés au cours d’une année de référence, le nombre de mois de services réellement prestés pris en considération pour le calcul du bonus de pension est limité à 12. Si une personne a fourni simultanément, au cours d’une année de référence, des services dans différentes fonctions donnant lieu à l’octroi de plusieurs pensions de retraite, la limitation visée à l’alinéa 1er s’applique en premier lieu sur les services réellement prestés dans la fonction dont le volume des services est le plus faible et puis, dans l’ordre croissant du volume des services réellement prestés, aux services réellement prestés dans la fonction ou les fonctions dont le volume est plus grand. Si le volume des services prestés dans différentes fonctions est identique, les services effectués dans la fonction la mieux rémunérée sont présumés, pour l’application de l’alinéa 2, avoir un volume supérieur à ceux de l’autre fonction. Pour déterminer si le nombre maximum de mois visé à l’alinéa 1er est atteint, la durée réduite des services, visés à l’article 33, est prise en compte. 35 3808/009 DOC 55 C H A M B R E 6 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2023 2024 K A M E R • 6 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E § 3. Het maximum aantal maanden werkelijk gepres- teerde diensten dat recht geeft op een pensioenbonus mag, na toepassing van paragraaf 2, 36 niet overschrijden. Om vast te stellen of het in het eerste lid bedoelde maximum aantal maanden wordt bereikt, wordt de ver- minderde duur van de in artikel 33 bedoelde diensten in aanmerking genomen. Art. 30 § 1. De pensioenbonus wordt uitbetaald onder de vorm van een eenmalige betaling. § 2. Het bedrag van de pensioenbonus wordt vast- gesteld op: — 314,58 euro per maand werkelijk gepresteerde diensten met volledige opdracht die werden verstrekt in het eerste refertejaar; — 629,17 euro per maand werkelijk gepresteerde diensten met volledige opdracht die werden verstrekt in het tweede refertejaar; — 943,75 euro per maand werkelijk gepresteerde diensten met volledige opdracht die werden verstrekt in het derde refertejaar. § 3. In afwijking van paragraaf 2 bedraagt het bedrag van de pensioenbonus 943,75 euro per maand werkelijk gepresteerde diensten met volledige opdracht die gedu- rende de referteperiode werd verstrekt voor de persoon die vóór de leeftijd van 63 jaar een loopbaan van min- stens 43 dienstjaren kan laten gelden overeenkomstig de regeling die geldt voor het vervroegd pensioen in de regeling van de werknemers. Art. 31 § 1. In afwijking van artikel 30 kan de pensioenbonus onder de vorm van een maandelijkse rente worden uitbetaald indien de gerechtigde daar met toepassing van artikel 47 een aanvraag voor indient. § 2. Het jaarbedrag van de pensioenbonus wordt vastgesteld op: 15,60 euro per maand werkelijk gepresteerde dien- sten met volledige opdracht die werden verstrekt in het eerste refertejaar; § 3. Le nombre maximum de mois de services réelle- ment prestés qui donne droit à un bonus de pension ne peut pas, après application du paragraphe 2, dépasser 36. Pour déterminer si le nombre maximum de mois visé à l’alinéa 1er est atteint, la durée réduite des services, visés à l’article 33, est prise en compte. Art. 30 § 1er. Le bonus de pension est versé en une fois sous la forme d’un paiement unique. § 2. Le montant du bonus de pension est fixé à: — 314,58 euros par mois de services réellement prestés à prestations complètes qui ont été effectués au cours de la première année de référence; — 629,17 euros par mois de services réellement prestés à prestations complètes qui ont été effectués au cours de la deuxième année de référence; — 943,75 euros par mois de services réellement prestés à prestations complètes qui ont été effectués au cours de la troisième année de référence. § 3. Par dérogation au paragraphe 2, le montant du bonus de pension est fixé à 943,75 euros par mois de services réellement prestés à prestations complètes au cours de la période de référence pour la personne qui, avant l’âge de 63 ans, peut faire valoir une carrière d’au moins 43 ans de services conformément à la règlemen- tation applicable à la pension anticipée dans le régime des travailleurs salariés. Art. 31 § 1er. Par dérogation à l’article 30, le bonus de pension peut être versé sous la forme d’une rente mensuelle si le bénéficiaire en fait la demande en application de l’article 47. § 2. Le montant annuel du bonus de pension est fixé à: 15,60 euros par mois de services réellement prestés à prestations complètes au cours de la première année de référence; 3808/009 DOC 55 36 C H A M B R E 6 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2023 2024 K A M E R • 6 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E 31,20 euro per maand werkelijk gepresteerde dien- sten met volledige opdracht die werden verstrekt in het tweede refertejaar; 46,80 euro per maand werkelijk gepresteerde dien- sten met volledige opdracht die werden verstrekt in het derde refertejaar. § 3. In afwijking van paragraaf 2 bedraagt het jaar- bedrag van de pensioenbonus 46,80 euro per maand werkelijk gepresteerde diensten met volledige opdracht die gedurende de referteperiode werd verstrekt, voor de persoon die vóór de leeftijd van 63 jaar een loopbaan van minstens 43 dienstjaren kan laten gelden overeenkomstig de regeling die geldt voor het vervroegd pensioen in de regeling van de werknemers. Art. 32 § 1. De pensioenbonus wordt toegekend voor de rust- pensioenen die ten vroegste ingaan op 1 januari 2025. Voor het bepalen van het bedrag van de pensioenbonus worden enkel de vanaf 1 juli 2024 werkelijk gepresteerde diensten in aanmerking genomen. § 2. De bedragen van de pensioenbonus zoals bepaald in de artikelen 30 en 31 zijn gekoppeld aan de verho- gingscoëfficiënt 1,9999 van het spilindexcijfer 138,01 van kracht op 1 juli 2023 en schommelen overeenkomstig de bepalingen van de wet van 1 maart 1977 houdende inrichting van een stelsel waarbij sommige uitgaven in de overheidssector aan het indexcijfer van de consump- tieprijzen van het Rijk worden gekoppeld. § 3. De Koning kan, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de in de artikelen 30 en 31 be- doelde bedragen wijzigen. Art. 33 § 1. In geval van werkelijk gepresteerde diensten met volledige opdracht wordt een pensioenbonus toegekend per kalendermaand van verlenging van de loopbaan. In geval van werkelijk gepresteerde diensten met onvolledige opdracht wordt de in het eerste lid be- doelde maand verminderd ten belope van het gedeelte dat deze diensten vertegenwoordigen in verhouding tot dezelfde diensten met volledige opdracht. § 2. De in de eerste paragraaf bedoelde maand wordt verminderd met de gedeeltelijk bezoldigde of onbezol- digde afwezigheidsperioden, ongeacht of ze al dan niet gelijkgesteld zijn met dienstactiviteit. 31,20 euros par mois de services réellement prestés à prestations complètes au cours de la deuxième année de référence; 46,80 euros par mois de services réellement prestés à prestations complètes au cours de la troisième année de référence. § 3. Par dérogation au paragraphe 2, le montant annuel du bonus de pension est fixé à 46,80 euros par mois de services réellement prestés à prestations complètes au cours de la période de référence pour la personne qui, avant l’âge de 63 ans, peut faire valoir une carrière d’au moins 43 ans de services conformément à la réglementation applicable à la pension anticipée dans le régime des travailleurs salariés. Art. 32 § 1er. Le bonus de pension est octroyé pour les pen- sions de retraite prenant cours au plus tôt le 1er jan- vier 2025. Pour la détermination du montant du bonus de pension, seuls les services réellement prestés à partir du 1er juillet 2024 sont pris en compte. § 2. Les montants du bonus de pension déterminés aux articles 30 et 31 sont liés au coefficient de majora- tion 1,9999 de l’indice-pivot 138,01 en vigueur au 1er juil- let 2023 et évoluent conformément aux dispositions de la loi du 1er mars 1977 organisant un régime de liaison à l’indice des prix à la consommation du Royaume de certaines dépenses dans le secteur public. § 3. Le Roi peut, par arrêté délibéré en Conseil des ministres, modifier les montants visés aux articles 30 et 31. Art. 33 § 1er. En cas de services réellement prestés à pres- tations complètes, un bonus de pension est octroyé par mois civil de prolongation de la carrière. En cas de services réellement prestés à prestations incomplètes, le mois, visé à l’alinéa 1er, est réduit à concur- rence de la fraction que ces services représentent par rapport à ces mêmes services à prestations complètes. § 2. Le mois visé au paragraphe 1er est réduit des périodes d’absence partiellement rémunérées ou non rémunérées, qu’elles soient assimilées ou non à de l’activité de service. 37 3808/009 DOC 55 C H A M B R E 6 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2023 2024 K A M E R • 6 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E In afwijking van het eerste lid worden gedeeltelijk bezoldigde of onbezoldigde afwezigheidsperioden, waarin de betrokkene in disponibiliteit is gesteld of in een administratieve toestand die gelijkgesteld is met dienstactiviteit werd geplaatst, ten belope van maximum één maand per refertejaar gelijkgesteld met werkelijk gepresteerde diensten, op voorwaarde dat datzelfde refertejaar minstens één dag werkelijk gepresteerde diensten telt. In afwijking van het tweede lid, worden de perioden van volledige en gedeeltelijke loopbaanonderbreking bedoeld in de artikelen 100 en 102 van de herstelwet van 22 januari 1985 houdende sociale bepalingen, en de perioden van zorgkrediet bedoeld in het besluit van de Vlaamse regering van 26 juli 2016 tot toekenning van onderbrekingsuitkeringen voor zorgkrediet, niet gelijkgesteld met werkelijk gepresteerde diensten. § 3. In afwijking van de paragrafen 1 en 2 wordt geen pensioenbonus opgebouwd tijdens de perioden van verlof of afwezigheid waarvoor een pensioenbonus wordt opgebouwd in een ander pensioenstelsel dan bedoeld in artikel 27. Art. 34 § 1. De pensioenbonus is een als pensioen geldend voordeel dat geen deel uitmaakt van het rustpensioen. § 2. De pensioenbonussen bedoeld in artikel 28, 5°, en in de artikelen 3/2 en 7ter van de wet van 23 decem- ber 2005 betreffende het generatiepact worden niet in rekening gebracht voor de toepassing van de volgende bepalingen: 1° de artikelen 6 en 7 van de wet van 30 april 1958 tot wijziging van de koninklijke besluiten nr. 254 en 255 van 12 maart 1936 waarbij eenheid wordt gebracht in het regime van de pensioenen der weduwen en wezen van het burgerlijk rijkspersoneel en van de leden van het leger en van de rijkswacht, en tot instelling van een begrafenisvergoeding ten gunste van de rechthebbenden van gepensioneerde rijksambtenaren; 2° artikel 12 van de wet van 9 juli 1969 tot wijziging en aanvulling van de wetgeving betreffende de rust- en overlevingspensioenen van het personeel van de openbare sector; 3° de artikelen 39, 40 en 40bis van de wet van 5 au- gustus 1978 houdende economische en budgettaire hervormingen; Par dérogation à l’alinéa 1er, les périodes d’absence partiellement rémunérées ou non rémunérées pendant lesquelles l’intéressé a été mis en disponibilité ou placé dans une situation administrative qui est assimilée à de l’activité de service, sont assimilées à des services réellement prestés à concurrence de maximum un mois par année de référence, à condition de compter au mini- mum un jour de services réellement prestés au cours de la même année de référence. Par dérogation à l’alinéa 2, les périodes d’inter- ruption de carrière totale et partielle visées aux ar- ticles 100 et 102 de la loi de redressement du 22 jan- vier 1985 contenant des dispositions sociales, ainsi que les périodes de crédit-soins visées dans l’arrêté du gouvernement flamand du 26 juillet 2016 relatif à l’octroi d’indemnités d’interruption pour crédit-soins, ne sont pas assimilées à des services effectivement prestés. § 3. Par dérogation aux paragraphes 1er et 2, aucun bonus de pension n’est constitué pendant les périodes de congé ou d’absence pour lesquelles un bonus de pension est constitué dans un autre régime de pension que celui visé à l’article 27. Art. 34 § 1er. Le bonus de pension est un avantage tenant lieu de pension qui ne fait pas partie de la pension de retraite. § 2. Les bonus de pension, visés à l’article 28, 5°, et aux articles 3/2 et 7ter de la loi du 23 décembre 2005 rela- tive au pacte de solidarité entre les générations ne sont pas pris en compte pour l’application des dispositions suivantes: 1° les articles 6 et 7 de la loi du 30 avril 1958 modifiant les arrêtés royaux n° 254 et 255 du 12 mars 1936 unifiant les régimes de pensions des veuves et des orphelins du personnel civil de l’État et des membres de l’armée et de la gendarmerie et instituant une indemnité de funérailles en faveur des ayants droit des pensionnés de l’État; 2° l’article 12 de la loi du 9 juillet 1969 modifiant et complétant la législation relative aux pensions de retraite et de survie des agents du secteur public; 3° les articles 39, 40 et 40bis de la loi du 5 août 1978 de réformes économiques et budgétaires; 3808/009 DOC 55 38 C H A M B R E 6 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2023 2024 K A M E R • 6 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E 4° de artikelen 120, 121, 125, 126 en 135 van de wet van 26 juni 1992 houdende sociale en diverse bepalingen; 5° artikel 1 van het koninklijk besluit van 1 april 1992 houdende toekenning van een vakantiegeld en van een aanvullende toeslag bij het vakantiegeld aan de gepensioneerden van de openbare diensten; 6° artikel 3, § 1, eerste lid, van de wet van 4 maart 2004 houdende toekenning van aanvullende voordelen inzake rustpensioen aan personen die werden aangesteld om een management- of staffunctie uit te oefenen in een overheidsdienst. § 3. De pensioenbonus die wordt uitbetaald onder de vorm van een maandelijkse rente wordt op dezelfde wijze als het rustpensioen geschorst en verminderd. § 4. De pensioenbonus wordt toegekend en betaald door de macht of het organisme dat het pensioenstelsel beheert waaraan het personeelslid onderworpen was tijdens de referteperiode. Indien het personeelslid tijdens de referteperiode on- derworpen was aan meerdere pensioenstelsels, wordt de pensioenbonus toegekend en betaald door de machten of organismen die deze stelsels beheren in verhouding tot het aantal maanden werkelijk gepresteerde diensten dat in elk van deze stelsels in aanmerking wordt genomen voor de berekening van de pensioenbonus. Afdeling 4 Overgangsbepaling Art. 35 De bepalingen van de afdelingen 1 tot en met 3 van dit hoofdstuk zijn niet van toepassing op de personeels- leden bedoeld in artikel 109/1 van de programmawet van 28 juni 2013 die reeds voorafgaand aan 1 juli 2024 een pensioenbonus opbouwden en dit zelfs indien hun rust- pensioen ingaat vanaf 1 januari 2025. 4° les articles 120, 121, 125, 126 et 135 de la loi du 26 juin 1992 portant des dispositions sociales et diverses; 5° l’article 1er de l’arrêté royal du 1er avril 1992 accordant un pécule de vacances et un pécule complémentaire au pécule de vacances aux pensionnés des services publics; 6° l’article 3, § 1er, alinéa 1er, de la loi du 4 mars 2004 ac- cordant des avantages complémentaires en matière de pension de retraite aux personnes désignées pour exercer une fonction de management ou d’encadrement dans un service public. § 3. Le bonus de pension qui est versé sous forme de rente mensuelle est suspendu et réduit de la même manière que la pension de retraite. § 4. Le bonus de pension est octroyé et payé par le pouvoir ou l’organisme qui gère le régime de pension auquel le membre du personnel était soumis pendant la période de référence. Si le membre du personnel était soumis à plusieurs régimes de pension pendant la période de référence, le bonus de pension est octroyé et payé par les pouvoirs ou organismes qui gèrent ces régimes au prorata du nombre de mois de services effectivement prestés qui sont pris en compte dans chaque régime pour le calcul du bonus de pension. Section 4 Disposition transitoire Art. 35 Les dispositions des sections 1re à 3 incluses de ce chapitre ne sont pas d’application pour les agents visés à l’article 109/1 de la loi-programme du 28 juin 2013 qui ont déjà constitué un bonus de pension avant le 1er juil- let 2024, et ce, même si leur pension de retraite prend cours à partir du 1er janvier 2025. 39 3808/009 DOC 55 C H A M B R E 6 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2023 2024 K A M E R • 6 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E HOOFDSTUK 2 Bepaling inzake de pensioenbonus in de pensioenregeling van de werknemers Art. 36 In titel III, hoofdstuk 1, van de wet van 23 decem- ber 2005 betreffende het generatiepact, wordt een artikel 7ter ingevoegd, luidende: “Art. 7ter. § 1. Een pensioenbonus wordt toegekend aan de werknemer die, naargelang het geval: 1° zijn beroepsbezigheid voortzet na de datum waarop hij zijn vervroegd rustpensioen als werknemer had kunnen verkrijgen met toepassing van artikel 4 van het voormelde koninklijk besluit van 23 december 1996 tot uitvoering van de artikelen 15, 16 en 17 van de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels; 2° zijn beroepsbezigheid voortzet na de leeftijd bedoeld in artikel 2, § 1, van het voormelde koninklijk besluit van 23 december 1996. § 2. De Koning bepaalt bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad: 1° het bedrag en de aard van de pensioenbonus; 2° de voorwaarden en de nadere regels waaronder de pensioenbonus wordt toegekend en uitbetaald; 3° de tijdvakken die voor de vaststelling van de pen- sioenbonus in aanmerking genomen worden. § 3. Dit artikel is van toepassing op de rustpensioenen die daadwerkelijk en voor de eerste maal ten vroegste ingaan op 1 januari 2025 en enkel voor de tijdvakken gepresteerd vanaf 1 juli 2024. In afwijking van het eerste lid, kan de Koning, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de voorwaarden bepalen waaronder de bepalingen van artikel 7bis van toepassing blijven op rustpensioenen die na 31 december 2024 daadwerkelijk en voor de eerste maal ingaan.” CHAPITRE 2 Disposition relative au bonus de pension dans le régime de pension des travailleurs salariés Art. 36 Dans le titre III, chapitre 1er, de la loi du 23 dé- cembre 2005 relative au pacte de solidarité entre les générations, il est inséré un article 7ter rédigé comme suit: “Art. 7ter. § 1er. Un bonus de pension est octroyé en faveur du travailleur salarié qui, selon le cas: 1° poursuit son activité professionnelle au-delà de la date à laquelle il aurait pu obtenir sa pension de retraite anticipée en tant que travailleur salarié en application de l’article 4 de l’arrêté royal du 23 décembre 1996 portant exécution des articles 15, 16 et 17 de la loi du 26 juil- let 1996 portant modernisation de la sécurité sociale et assurant la viabilité des régimes légaux des pensions”; 2° poursuit son activité professionnelle au-de- là de l’âge visé à l’article 2, § 1er, de l’arrêté royal du 23 décembre 1996 précité. § 2. Le Roi détermine par arrêté délibéré en Conseil des ministres: 1° le montant et la nature du bonus de pension; 2° les conditions et les modalités auxquelles l’octroi et le paiement du bonus de pension sont soumis; 3° les périodes qui sont prises en compte pour la détermination du bonus de pension. § 3. Le présent article s’applique aux pensions de retraite qui prennent cours effectivement et pour la première fois au plus tôt le 1er janvier 2025 et seulement aux périodes prestées à partir du 1er juillet 2024. Par dérogation à l’alinéa 1er, le Roi peut, par arrêté délibéré en Conseil des ministres, déterminer les condi- tions dans lesquelles les dispositions de l’article 7bis continuent de régir des pensions de retraite qui prennent cours effectivement et pour la première fois après le 31 décembre 2024.” 3808/009 DOC 55 40 C H A M B R E 6 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2023 2024 K A M E R • 6 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E HOOFDSTUK 3 Bepaling inzake de pensioenbonus in de pensioenregeling van de zelfstandigen Art. 37 In titel II, hoofdstuk I, van de wet van 23 decem- ber 2005 betreffende het generatiepact, wordt een artikel 3/2 ingevoegd, luidende: “Art. 3/2, § 1. Het rustpensioen als zelfstandige wordt aangevuld met een bonus voor de zelfstandigen die, naargelang het geval: 1° hun beroepsbezigheden voortzetten na de datum waarop ze hun vervroegd rustpensioen als zelfstandige voor het eerst hadden kunnen verkrijgen krachtens artikel 3, § 2, § 2bis, § 2ter, § 3, § 3ter en § 4, van het koninklijk besluit van 30 januari 1997 betreffende het pensioenstelsel der zelfstandigen met toepassing van de artikelen 15 en 27 van de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels en van artikel 3, § 1, 4°, van de wet van 26 juli 1996 strek- kende tot realisatie van de budgettaire voorwaarden tot deelname van België aan de Europese en Monetaire Unie; 2° geen vervroegd rustpensioen kunnen bekomen en die hun beroepsbezigheden voortzetten na de pen- sioenleeftijd bedoeld in artikel 3, § 1, § 1bis of § 1ter, naargelang het geval, van het vermeld koninklijk besluit van 30 januari 1997. § 2. De bepalingen van dit artikel zijn van toepassing op de pensioenen die daadwerkelijk en voor de eerste maal ten vroegste ingaan op 1 januari 2025 doch enkel voor de tijdvakken gepresteerd vanaf 1 juli 2024. De bepalingen van dit artikel zijn niet van toepassing op de zelfstandigen die een bonus opgebouwd hebben overeenkomstig de bepalingen van artikel 3 en van arti- kel 3/1 wanneer hun pensioen daadwerkelijk en voor de eerste maal ten vroegste ingaat na 31 december 2024. Er kan geen bonus meer opgebouwd worden vanaf de datum waarop een rustpensioen of een als zodanig geldend voordeel krachtens een andere Belgische wettelijke, reglementaire, statutaire of contractuele pen- sioenregeling dan de regeling voor zelfstandigen voor het eerst ingaat, met uitzondering van het onvoorwaar- delijk pensioen, bedoeld in artikel 37 van het koninklijk besluit nr. 72 van 10 november 1967 betreffende het rust- en overlevingspensioen der zelfstandigen. CHAPITRE 3 Disposition relative au bonus de pension dans le régime de pension des travailleurs indépendants Art. 37 Dans le titre II, chapitre Ier, de la loi du 23 dé- cembre 2005 relative au pacte de solidarité entre les générations, il est inséré un article 3/2, rédigé comme suit: “Art. 3/2. § 1er. La pension de retraite comme travail- leur indépendant est complétée par un bonus pour les travailleurs indépendants, qui, selon le cas: 1° poursuivent leur activité professionnelle au-delà de la date à laquelle ils auraient pu obtenir pour la première fois leur pension de retraite anticipée de travailleur indé- pendant en vertu de l’article 3, § 2, § 2bis, § 2ter, § 3, § 3ter et § 4 de l’arrêté royal du 30 janvier 1997 relatif au régime de pension des travailleurs indépendants en application des articles 15 et 27 de la loi du 26 juil- let 1996 portant modernisation de la sécurité sociale et assurant la viabilité des régimes légaux de pensions et de l’article 3, § 1er, 4°, de la loi du 26 juillet 1996 visant à réaliser les conditions budgétaires de la participation de la Belgique à l’Union économique et monétaire européenne; 2° ne peuvent obtenir une pension de retraite antici- pée et poursuivent leur activité professionnelle au-delà de l’âge de la pension, visé à l’article 3, § 1er, § 1bis ou § 1ter, selon le cas, de l’arrêté royal du 30 janvier 1997. § 2. Les dispositions du présent article s’appliquent aux pensions qui prennent cours effectivement et pour la première fois au plus tôt le 1er janvier 2025 et seulement pour les périodes prestées à partir du 1er juillet 2024. Les dispositions de cet article ne sont pas d’applica- tion aux indépendants qui se sont constitués un bonus conformément aux dispositions de l’article 3 et de l’ar- ticle 3/1 lorsque leur pension prend cours effectivement et pour la première fois après le 31 décembre 2024. Aucun bonus ne peut plus être constitué à partir de la première date de prise de cours effective d’une pension de retraite ou d’un avantage en tenant lieu en vertu d’un régime légal, réglementaire, statutaire ou contractuel belge de pension autre que le régime indépendant, à l’exception de la pension inconditionnelle visée à l’ar- ticle 37 de l’arrêté royal n° 72 du 10 novembre 1967 relatif à la pension de retraite et de survie des travailleurs indépendants. 41 3808/009 DOC 55 C H A M B R E 6 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2023 2024 K A M E R • 6 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E § 3. De Koning bepaalt, na advies van het Algemeen Beheerscomité voor het sociaal statuut der zelfstandigen, bij een in Ministerraad overlegd besluit: 1° de voorwaarden waaronder de pensioenbonus wordt toegekend en de wijze waarop die wordt uitbetaald; 2° het bedrag en de aard van de pensioenbonus; 3° de tijdvakken die voor de vaststelling van de pen- sioenbonus in aanmerking genomen worden.” HOOFDSTUK 4 Gemeenschappelijke bepalingen Afdeling 1 Toepassingsgebied Art. 38 De bepalingen van dit hoofdstuk zijn van toepassing op de pensioenbonussen bedoeld in: — artikel 28, 5°; — artikel 3/2 van de wet van 23 december 2005 be- treffende het generatiepact; — artikel 7ter van de voormelde wet van 23 dec- ember 2005. Afdeling 2 Definities en begrippen Art. 39 Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan onder: 1° “wettelijke pensioenen”: de wettelijke pen- sioenen bedoeld in artikel 68, § 1, a), van de wet van 30 maart 1994 houdende sociale bepalingen; 2° “aanvullende pensioenen”: de aanvullende pensi- oenen bedoeld in artikel 68, § 1, c), van de voormelde wet van 30 maart 1994; 3° “totaalbedrag van de pensioenvoordelen”: het jaar- lijks totaalbedrag van de pensioenbonussen en de wettelijke en aanvullende pensioenen, vastgesteld overeenkomstig artikel 45; § 3. Le Roi détermine, par arrêté délibéré en Conseil des ministres et après avis du Comité général de gestion pour le statut social des travailleurs indépendants: 1° les conditions auxquelles l’octroi et la façon dont le bonus de pension est payé; 2° le montant et la nature du bonus de pension; 3° les périodes qui sont prises en compte pour la détermination du bonus de pension.” CHAPITRE 4 Dispositions communes Section 1re Champ d’application Art. 38 Les dispositions de ce chapitre sont d’application aux bonus de pension visés à: — l’article 28, 5°; — l’article 3/2 de la loi du 23 décembre 2005 relative au pacte de solidarité entre les générations; — l’article 7ter de la loi du 23 décembre 2005 précitée. Section 2 Définitions et notions Art. 39 Pour l’application de ce chapitre, on entend par: 1° “pensions légales”: les pensions légales visées à l’article 68, § 1er, a), de la loi du 30 mars 1994 portant des dispositions sociales; 2° “pensions complémentaires”: les pensions com- plémentaires visées à l’article 68, § 1er, c), de la loi du 30 mars 1994 précitée; 3° “montant total des avantages de pension”: le montant total annuel des bonus de pension et des pensions légales et complémentaires, fixé conformément à l’article 45; 3808/009 DOC 55 42 C H A M B R E 6 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2023 2024 K A M E R • 6 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E 4° “bonusdagen”: — de kalenderdagen waarvoor een pensioenbonus wordt opgebouwd overeenkomstig hoofdstuk 1 en die vastgesteld worden overeenkomstig het tweede en derde lid; — de dagen waarvoor een pensioenbonus wordt op- gebouwd in uitvoering van artikel 7ter van de voormelde wet van 23 december 2005; — de dagen waarvoor een pensioenbonus wordt op- gebouwd in uitvoering van artikel 3/2 van de voormelde wet van 23 december 2005, en die vastgesteld worden overeenkomstig het vierde lid. Voor een pensioenbonus die wordt toegekend over- eenkomstig hoofdstuk 1 wordt elke kalendermaand van verlenging van de loopbaan geacht samengesteld te zijn uit zesentwintig bonusdagen van werkelijk gepresteerde diensten in het geval van diensten met volledige opdracht. Indien een kalendermaand diensten met onvolle- dige opdracht of gedeeltelijk bezoldigde of onbezol- digde afwezigheidsdagen telt, ongeacht of zij al dan niet gelijkgesteld zijn met dienstactiviteit, wordt het in het tweede lid bedoelde aantal dagen verminderd ten belope van het gedeelte dat de verminderde duur van deze diensten, vastgesteld overeenkomstig artikel 33, vertegenwoordigt in verhouding tot dezelfde diensten met volledige opdracht. Voor een pensioenbonus die wordt toegekend over- eenkomstig artikel 3/2 van de voormelde wet van 23 de- cember 2005 wordt elk volledig kwartaal van verlenging van de loopbaan geacht samengesteld te zijn uit acht- enzeventig bonusdagen. Afdeling 3 Inhoudingen Art. 40 De pensioenbonus is vrijgesteld van elke sociaal- rechtelijke inhouding. Art. 41 Artikel 39 van het Wetboek van de inkomstenbelas- tingen 1992, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 21 janu- ari 2022, wordt aangevuld met een paragraaf 3, luidende: 4° “jours de bonus”: — les jours civils pour lesquels un bonus de pension a été constitué conformément au chapitre 1er et qui sont établis conformément aux alinéas 2 et 3; — les jours pour lesquels un bonus de pension a été constitué en application de l’article 7ter de la loi du 23 décembre 2005 précitée; — les jours pour lesquels un bonus de pension a été constitué en application de l’article 3/2 de la loi du 23 décembre 2005 précitée et qui sont établis confor- mément à l’alinéa 4. Pour un bonus de pension qui est octroyé conformé- ment au chapitre 1er, chaque mois civil de prolongation de carrière est considéré comme étant composé de vingt-six jours de bonus effectivement prestés dans le cas d’un travail à temps plein. Si un mois civil est presté à temps partiel ou s’il com- prend des jours d’absence partiellement rémunérés ou non, qu’ils soient ou non assimilés à de l’activité de service, le nombre de jours visé à l’alinéa 2 est réduit à concurrence de la fraction que la durée réduite de ces services, établie conformément à l’article 33, repré- sente par rapport à ces mêmes services à prestations complètes. Pour un bonus de pension qui est octroyé conformé- ment à l’article 3/2 de la loi du 23 décembre 2005 précitée, chaque trimestre complet de prolongation de la carrière est réputé être composé de septante-huit jours de bonus. Section 3 Retenues Art. 40 Le bonus de pension est dispensé de toute retenue sociale. Art. 41 L’article 39 du Code des impôts sur les revenus 1992, modifié en dernier lieu par la loi du 21 janvier 2022, est complété par un paragraphe 3, rédigé comme suit: 43 3808/009 DOC 55 C H A M B R E 6 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2023 2024 K A M E R • 6 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E “§ 3. De pensioenbonus die wordt betaald of toege- kend in toepassing van titel 3, hoofdstuk 1, van de wet van.xxxxxxxxxxxxxx. houdende de hervorming van de pensioenen, van artikel 3/2 van de wet van 23 de- cember 2005 betreffende het generatiepact of van arti- kel 7ter van de voormelde wet van 23 december 2005, is vrijgesteld. De in het eerste lid bedoelde pensioenbonus wordt vermeld op de berekeningsnota die gevoegd is bij het aanslagbiljet inzake personenbelasting van de genieter.” Afdeling 4 Maxima Onderafdeling 1 Maximum aantal bonusdagen per refertejaar Art. 42 Wanneer een persoon pensioenbonussen opbouwt in meerdere pensioenregelingen, worden voor de be- rekening van de verschillende pensioenbonussen over alle pensioenregelingen heen per refertejaar ten hoog- ste 312 bonusdagen in aanmerking genomen. Wanneer een persoon in een refertejaar meer dan 312 bonusdagen heeft gepresteerd, wordt het aantal bonusdagen dat voor dat refertejaar in aanmerking wordt genomen voor de berekening van de pensioenbonussen tot 312 beperkt. De in het tweede lid bedoelde beperking wordt eerst toegepast op de pensioenbonus bedoeld in artikel 3/2 van de voormelde wet van 23 december 2005, vervolgens op de pensioenbonus bedoeld in artikel 7ter van de voormelde wet van 23 december 2005 en tenslotte op de pensioenbonus bedoeld in hoofdstuk 1. Indien de pensioenbonussen in de verschillende regelingen niet gelijktijdig worden uitbetaald, wordt de beperking, in afwijking van het derde lid, telkens verricht op de pensioenbonus die het laatst wordt toegekend, rekening houdend met de beperking ten gevolge elke andere eerder toegekende pensioenbonus. “§ 3. Le bonus de pension payé ou attribué en appli- cation du titre 3, chapitre 1er, de la loi du…xxxxxxxxxxx portant la réforme des pensions, de l’article 3/2 de la loi du 23 décembre 2005 relative au pacte de solida- rité entre les générations ou de l’article 7ter de la loi du 23 décembre 2005 précitée, est exonéré. Le bonus de pension visé à l’alinéa 1er est mentionné sur la note de calcul qui est jointe à l’avertissement-extrait de rôle en matière d’impôt des personnes physiques du bénéficiaire.” Section 4 Maxima Sous-section 1re Nombre maximum de jours de bonus par année de référence Art. 42 Lorsqu’une personne constitue des bonus de pen- sion dans plusieurs régimes de pension, 312 jours de bonus par année de référence au maximum sont pris en considération pour le calcul des différents bonus de pension sur l’ensemble des régimes de pension. Lorsqu’une personne a presté plus de 312 jours de bonus sur une année de référence, le nombre de jours de bonus qui est pris en considération pour cette année de référence, pour le calcul des bonus de pension, est limité à 312. La limitation visée à l’alinéa 2 est d’abord appliquée au bonus de pension visé à l’article 3/2 de la loi du 23 dé- cembre 2005 précitée, ensuite au bonus de pension visé à l’article 7ter de la loi du 23 décembre 2005 précitée et finalement au bonus de pension visé au chapitre 1er. Si les bonus de pension des différents régimes ne sont pas versés en même temps, la limitation, par déro- gation à l’alinéa 3, est appliquée dans chaque cas sur le dernier bonus de pension qui a été octroyé, compte tenu de la limitation résultant de tout autre bonus de pension antérieurement octroyé. 3808/009 DOC 55 44 C H A M B R E 6 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2023 2024 K A M E R • 6 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E Onderafdeling 2 Maximum totaal aantal bonusdagen Art. 43 Wanneer een persoon pensioenbonussen opbouwt in meerdere pensioenregelingen, worden, na toepassing van artikel 42, maximum 936 bonusdagen in aanmerking genomen voor de berekening van de pensioenbonussen. De in het eerste lid bedoelde beperking wordt eerst toegepast op de pensioenbonus bedoeld in artikel 3/2 van de voormelde wet van 23 december 2005, vervolgens op de pensioenbonus bedoeld in artikel 7ter van die wet en tenslotte op de pensioenbonus zoals bedoeld in hoofdstuk 1. Indien de pensioenbonussen in de verschillende regelingen niet gelijktijdig worden uitbetaald, wordt de beperking, in afwijking van het tweede lid, verricht op de pensioenbonus die het laatst wordt uitbetaald. Onderafdeling 3 Maximumbedrag Art. 44 De toekenning van één of meer pensioenbonussen mag niet tot gevolg hebben dat het totaalbedrag van de pensioenvoordelen voor een bepaald kalenderjaar het bedrag van 46.882,74 euro overschrijdt. Het in het eerste lid bedoelde bedrag is gekoppeld aan de spilindex 138,01 en schommelt overeenkomstig de bepalingen van de wet van 1 maart 1977 houdende inrichting van een stelsel waarbij sommige uitgaven in de overheidssector aan het indexcijfer van de consump- tieprijzen van het Rijk worden gekoppeld en kan, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, door de Koning verhoogd worden. Art. 45 Voor de vaststelling van het totaalbedrag van de pensioenvoordelen: 1° worden de wettelijke en aanvullende pensioenen die in de vorm van een kapitaal worden uitbetaald, omgezet in een fictieve rente op basis van de coëf- ficiënten bepaald in de tabel gevoegd bij het koninklijk Sous-section 2 Nombre maximum total de jours de bonus Art. 43 Lorsqu’une personne constitue des bonus de pension dans plusieurs régimes de pension, 936 jours de bonus au maximum, après l’application de l’article 42, sont pris en considération pour le calcul des bonus de pension. La limitation, visée à l’alinéa 1er, s’applique d’abord au bonus de pension visé à l’article 3/2 de la loi du 23 dé- cembre 2005 précitée, puis au bonus de pension visé à l’article 7ter de cette loi et enfin au bonus de pension visé au chapitre 1er. Si les bonus de pension des différents régimes ne sont pas versés en même temps, la limitation s’applique, par dérogation à l’alinéa 2, au bonus de pension versé en dernier. Sous-section 3 Montant maximum Art. 44 L’octroi d’un ou plusieurs bonus de pension ne peut avoir pour effet que le montant total des avantages de pension pour une année civile dépasse le montant de 46.882,74 euros. Le montant visé à l’alinéa 1er est lié à l’indice-pi- vot 138,01 et varie conformément aux dispositions de la loi du 1er mars 1977 organisant un régime de liaison à l’indice des prix à la consommation du Royaume de certaines dépenses dans le secteur public à l’indice et peut être augmenté par le Roi par arrêté délibéré en Conseil des ministres. Art. 45 Pour déterminer le montant total des avantages de pension: 1° les pensions légales et complémentaires qui sont versées sous la forme d’un capital sont conver- ties en une rente fictive sur la base des coefficients déterminés dans le tableau annexé à l’arrêté royal 45 3808/009 DOC 55 C H A M B R E 6 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2023 2024 K A M E R • 6 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E besluit van 25 april 1997 tot uitvoering van artikel 68, § 2, derde lid, van de wet van 30 maart 1994 houdende sociale bepalingen; 2° worden de wettelijke en aanvullende pensioenen die niet maandelijks worden uitbetaald, desgevallend na hun omzetting in een fictieve rente, omgerekend in maandbedragen; 3° worden de pensioenbonussen die onder de vorm van een éénmalige betaling zijn uitbetaald omgezet in het bedrag dat zou worden uitbetaald indien de betrokkene voor maandelijkse betaling had geopteerd. Art. 46 Indien het in artikel 44 bedoelde maximumbedrag overschrijdt, wordt de beperking eerst toegepast op de pensioenbonus bedoeld in artikel 3/2 van voormelde wet van 23 december 2005, vervolgens op de pensioenbonus bedoeld in artikel 7ter van voormelde wet van 23 de- cember 2005 en tenslotte op de pensioenbonus zoals bedoeld in hoofdstuk 1. Ingeval van beperking van de in hoofdstuk 1 van deze titel bedoelde pensioenbonus, wordt deze verminderd overeenkomstig de orde van voorrang zoals bepaald in artikel 3 van het koninklijk besluit van 22 septem- ber 1980 tot uitvoering van artikel 50, § 2, tweede lid, van de wet van 5 augustus 1978 houdende economische en budgettaire hervormingen. Afdeling 5 Nadere regels inzake betaling Art. 47 De pensioenbonus kan, naar keuze en op verzoek van betrokkene, uitbetaald worden onder de vorm van een maandelijkse rente. De betrokkene dient hiertoe een schriftelijke of elek- tronische aanvraag in bij de pensioeninstelling binnen een termijn van één maand vanaf het ogenblik waarop hem het bedrag van de pensioenbonus onder de vorm van een éénmalige betaling wordt meegedeeld. Wanneer een persoon aanspraak kan maken op meerdere pensioenbonussen bedoeld in artikel 28, 5°, en in de artikelen 3/2 en 7ter van de voormelde wet van 23 december 2005, geldt de vorm van uitbetaling van de pensioenbonus die het eerst wordt uitbetaald eveneens voor de andere pensioenbonussen. du 25 avril 1997 portant exécution de l’article 68, § 2, alinéa 3, de la loi du 30 mars 1994 portant des dispo- sitions sociales; 2° les pensions légales et complémentaires qui ne sont pas versées mensuellement, le cas échéant après leur transformation en rente fictive, sont converties en montants mensuels; 3° les bonus de pension qui sont versés sous la forme d’un paiement unique, converti en montant qui serait versé si la personne concernée avait opté pour le paiement mensuel. Art. 46 Si le montant total des avantages de pension dé- passe le montant maximal visé à l’article 44, la limitation est d’abord appliquée sur le bonus de pension visé à l’article 3/2 de la loi du 23 décembre 2005 précitée, ensuite sur le bonus de pension visé à l’article 7ter de du 23 décembre 2005 précitée et enfin sur le bonus de pension visé au chapitre 1er. Dans l’hypothèse de la limitation du bonus de pen- sion visée au chapitre 1er du présent titre, celui-ci est réduit conformément à l’ordre de priorité déterminé à l’article 3 de l’arrêté royal du 22 septembre 1980 por- tant exécution de l’article 50, § 2, alinéa 2, de la loi du 5 août 1978 de réformes économiques et budgétaires. Section 5 Modalités relatives au paiement Art. 47 Le bonus de pension peut, au choix et à la demande de l’intéressé, être versé sous la forme d’une rente mensuelle. L’intéressé introduit à cette fin une demande écrite ou électronique auprès l’organisme de pension dans un délai d’un mois à partir du moment où il est informé du montant du bonus de pension sous la forme d’un paiement unique. Lorsqu’une personne peut prétendre à plusieurs bonus de pension visés à l’article 28, 5°, et aux articles 3/2 et 7ter de la loi du 23 décembre 2005 précitée, la forme de paiement du bonus de pension qui a été versé en premier lieu vaut également pour les autres bonus de pension. 3808/009 DOC 55 46 C H A M B R E 6 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2023 2024 K A M E R • 6 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E Afdeling 6 Termijnen Art. 48 Voor de beslissingen inzake de pensioenbonus neemt de termijn van vier maanden bedoeld in artikel 10 van de wet van 11 april 1995 tot invoering van het “handvest” van de sociaal verzekerde een aanvang op de ingangs- datum van het rustpensioen waaraan de pensioenbonus wordt toegevoegd. Art. 49 Voor de betalingen van de pensioenbonus wordt de ter- mijn van vier maanden bedoeld in artikel 12 van de voor- melde wet van 11 april 1995 verlengd tot acht maanden. HOOFDSTUK 5 Inwerkingtreding Art. 50 Deze titel treedt in werking op 1 januari 2025. Artikel 49 treedt buiten werking op 1 januari 2026. TITEL 4 De financiering van het Gesolidariseerde pensioenfonds van de provinciale en plaatselijke besturen HOOFDSTUK 1 Wijziging van de financiering van het Gesolidariseerde pensioenfonds van de provinciale en plaatselijke besturen Art. 51 In artikel 20, derde lid van de wet van 24 oktober 2011 tot vrijwaring van een duurzame financiering van de pensioenen van de vastbenoemde personeelsleden van de provinciale en plaatselijke overheidsdiensten en van de lokale politiezones, tot wijziging van de wet van 6 mei 2002 tot oprichting van het fonds voor de pensioenen van de geïntegreerde politie en houdende bijzondere bepalingen inzake sociale zekerheid en houdende diverse wijzigingsbepalingen, gewijzigd bij de wet van 30 maart 2018, worden de volgende wijzigingen aangebracht: Section 6 Délais Art. 48 Pour les décisions prises en matière de bonus de pension, le délai de quatre mois visé à l’article 10 de la loi du 11 avril 1995 visant à instituer “la charte” de l’assuré social prend cours à la date de prise de cours de la pension à laquelle le bonus de pension est ajouté. Art. 49 Pour les paiements du bonus de pension, le délai de quatre mois visé à l’article 12 de la loi du 11 avril 1995 pré- citée est porté à huit mois. CHAPITRE 5 Entrée en vigueur Art. 50 Le présent titre entre en vigueur le 1er janvier 2025. L’article 49 cesse d’être en vigueur le 1er janvier 2026. TITRE 4 Le financement du Fonds de pension solidarisé des administrations provinciales et locales CHAPITRE 1ER Modification du financement du Fonds de pension solidarisé des administrations provinciales et locales Art. 51 Dans l’article 20, alinéa 3, de la loi du 24 octobre 2011 assurant un financement pérenne des pensions des membres du personnel nommé à titre définitif des administrations provinciales et locales et des zones de police locale et modifiant la loi du 6 mai 2002 portant création du fonds des pensions de la police intégrée et portant des dispositions particulières en matière de sécurité sociale et contenant diverses dispositions modificatives, modifié par la loi du 30 mars 2018, les modifications suivantes sont apportées: 47 3808/009 DOC 55 C H A M B R E 6 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2023 2024 K A M E R • 6 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E 1° in de eerste zin worden de woorden “50 percent van de kost” vervangen door de woorden “een deel van de kost”; 2° de tweede zin wordt vervangen als volgt: “Het procentueel deel van de kost voor de werkgever van het pensioenstelsel dat in mindering gebracht wordt van de responsabiliseringsbijdrage wordt zodanig vastgesteld dat het totale maximumbedrag van de verminderingen gelijk is aan het totale bedrag van de verhogingen van de responsabiliseringsbijdrage die op grond van het vijfde lid kunnen worden toegepast, zonder evenwel hoger te kunnen zijn dan 50 %.” Art. 52 In artikel 21 van dezelfde wet, vervangen bij de wet van 30 maart 2018, worden volgende wijzigingen aangebracht: 1° paragraaf 3 wordt opgeheven; 2° paragraaf 4 wordt vervangen als volgt: “§ 4. De werkgevers die voor het tweede jaar vooraf- gaand aan het lopende kalenderjaar een aanvullende bijdrage voor individuele responsabilisering verschuldigd waren, zijn ertoe gehouden om in elke kalendermaand een termijn te betalen op de verschuldigde responsa- biliseringsbijdrage voor het lopende kalenderjaar, ten laatste de 10e van de maand die volgt op het versturen van de factuur. Het bedrag van deze maandelijkse termijnen is gelijk aan één twaalfde van een door de Koning te bepalen percentage van het bedrag van de verschuldigde responsabiliseringsbijdrage voor het tweede jaar voorafgaand aan het lopende kalenderjaar zonder dat evenwel rekening wordt gehouden met de in toepassing van artikel 20, derde lid toegekende ver- mindering of de in toepassing van artikel 20, vijfde lid opgelegde verhoging.”; 3° paragraaf 5 wordt vervangen als volgt: “§ 5. Het saldo van de verschuldigde responsabilise- ringsbijdrage wordt bij helften betaald in de maanden november en december van het volgende kalenderjaar. Het bedrag van het saldo is gelijk aan het verschil tus- sen enerzijds het bedrag van de verschuldigde res- ponsabiliseringsbijdrage en anderzijds de som van de in § 4 bedoelde, tijdens het vorige kalenderjaar betaalde maandelijkse termijnen.” 1° dans la première phrase, les mots “50 pourcent du coût” sont remplacés par les mots “une partie du coût”; 2° la deuxième phrase est remplacée comme suit: “La partie procentuelle du coût pour l’employeur du régime de pension qui peut être déduit de la cotisation de res- ponsabilisation est fixée de telle sorte que le montant total des déductions soit égal au montant maximal total des majorations de la cotisation de responsabilisation qui peuvent être appliquées sur base de l’alinéa 5, sans pouvoir être supérieur à 50 %.” Art. 52 Dans l’article 21 de la même loi, remplacé par la loi du 30 mars 2018, les modifications suivantes sont apportées: 1° le paragraphe 3 est abrogé; 2° le paragraphe 4 est remplacé comme suit: “§ 4. Les employeurs qui, pour la deuxième année précédant l’année civile en cours, étaient redevables d’une cotisation complémentaire de responsabilisation individuelle, sont tenus de payer au cours de chaque mois civil, au plus tard le 10 du mois qui suit l’envoi de la facture, une mensualité sur la cotisation de responsabi- lisation due pour l’année civile en cours. Le montant de ces mensualités est égal à un douzième d’un pourcen- tage, à fixer par le Roi, du montant de la cotisation de responsabilisation qui était due pour la deuxième année précédant l’année civile en cours sans qu’il soit toutefois tenu compte des déductions accordées en application de l’article 20, alinéa 3 ou des majorations imposées en application de l’article 20, alinéa 5.”; 3° le paragraphe 5 est remplacé comme suit: “§ 5. Le solde de la cotisation de responsabilisation due est payé par moitiés au cours des mois de novembre et de décembre de l’année civile suivante. Le montant du solde est égal à la différence entre, d’une part, le montant de la cotisation de responsabilisation et, d’autre part, la somme des mensualités visées au § 4 payées au cours de l’année civile précédente.” 3808/009 DOC 55 48 C H A M B R E 6 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2023 2024 K A M E R • 6 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E Art. 53 In artikel 27 van dezelfde wet, vervangen bij de wet van 30 maart 2018, worden de woorden “de aanwijzing van de rechter bevoegd in geval van betwisting,” opgeheven. HOOFDSTUK 2 Bijkomende financiering van het Gesolidariseerde pensioenfonds van de provinciale en plaatselijke besturen Art. 54 In artikel 71, derde lid, van de wet van 18 maart 2016 tot wijziging van de benaming van de Rijksdienst voor Pensioenen in Federale Pensioendienst, tot integratie van de bevoegdheden en het personeel van de Pensioendienst voor de Overheidssector, van een deel van de bevoegd- heden en van het personeel van de Directie-generaal Oorlogsslachtoffers, van de opdrachten “Pensioenen” van de lokale en provinciale sectoren van de Dienst voor de Bijzondere socialezekerheidsstelsels en van HR Rail en tot overname van de gemeenschappelijke sociale dienst van de Dienst voor de Bijzondere socialezekerheidsstel- sels, ingevoegd bij de wet van 11 december 2023 hou- dende diverse bepalingen inzake pensioenen, worden de woorden “voor het jaar 2023” vervangen door de woorden “voor de jaren 2023 en 2024”. HOOFDSTUK 3 Inwerkingtreding Art. 55 Deze titel heeft uitwerking met ingang van 1 janu- ari 2024, met uitzondering van: — artikel 53 dat in werking treedt op de dag volgend op de bekendmaking van deze wet in het Belgisch Staatsblad en dat van toepassing is voor de nieuwe rechtsvorderingen die vanaf deze datum worden ingeleid; — artikel 54 dat in werking treedt op de dag van de bekendmaking van deze wet in het Belgisch Staatsblad en dat wordt toegepast bij de berekening van de aan- vullende werkgeversbijdragen inzake pensioenen voor het jaar 2023. Art. 53 Dans l’article 27 de la même loi, remplacé par la loi du 30 mars 2018, les mots “la désignation du juge compétent en cas de litige,” sont abrogés. CHAPITRE 2 Financement supplémentaire du Fonds de pension solidarisé des administrations locales et provinciales Art. 54 Dans l’article 71, alinéa 3, de la loi du 18 mars 2016 por- tant modification de la dénomination de l’Office national des pensions en Service fédéral des Pensions, portant intégration des attributions et du personnel du Service des Pensions du Secteur Public, d’une partie des attributions et du personnel de la Direction générale Victimes de la Guerre, des missions “pensions” des secteurs locaux et provinciaux de l’Office des régimes particuliers de sécurité sociale et de HR Rail et portant reprise du Service social collectif de l’Office des régimes particuliers de sécurité sociale, inséré par la loi du 11 décembre 2023 portant des dispositions diverses en matière de pension, les mots “pour l’année 2023” sont remplacés par les mots “pour les années 2023 et 2024”. CHAPITRE 3 Entrée en vigueur Art. 55 Le présent titre produit ses effets le 1er janvier 2024, à l’exception: — de l’article 53 qui entre en vigueur le lendemain de la publication de la présente loi au Moniteur belge et qui s’applique aux nouvelles actions introduites à partir de cette date; — de l’article 54, qui entre en vigueur le jour de la publication de la présente loi au Moniteur belge et qui s’applique lors du calcul des suppléments de cotisations patronales pensions pour l’année 2023. 49 3808/009 DOC 55 C H A M B R E 6 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2023 2024 K A M E R • 6 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E TITEL 5 Wijziging van de bepalingen inzake de perequatie van de rust- en overlevingspensioenen van het personeel van de openbare sector HOOFDSTUK 1 Wijzigingsbepalingen Art. 56 In artikel 1 van de wet van 9 juli 1969 tot wijziging en aanvulling van de wetgeving betreffende de rust- en overlevingspensioenen van het personeel van de openbare sector, gewijzigd bij de wetten van 24 okto- ber 2011 en 5 mei 2014, worden volgende wijzigingen aangebracht: 1° in het eerste lid wordt de bepaling onder 5° vervan- gen als volgt: “5° het Gesolidariseerde pensioenfonds van de provinciale en plaatselijke besturen”; 2° in het tweede lid worden de woorden “gesolida- riseerd pensioenfonds van de RSZPPO” vervangen door de woorden “gesolidariseerd pensioenfonds van de provinciale en plaatselijke besturen”. Art. 57 Artikel 11, § 2, derde lid, van dezelfde wet, vervangen bij de wet van 25 april 2007, wordt aangevuld met de volgende zin: “Wat de weddebijslagen betreft die voor de bereke- ning van het pensioen in aanmerking worden genomen krachtens artikel 8, § 2, van de wet van 21 juli 1844 op de burgerlijke en kerkelijke pensioenen wordt uitslui- tend rekening gehouden met de weddebijslagen die in aanmerking komen krachtens bepalingen die uiterlijk op 30 juni 2008 werden bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad.” Art. 58 In artikel 12, § 1, van dezelfde wet, vervangen bij de wet van 25 april 2007, worden de volgende wijzigingen aangebracht: 1° het eerste lid wordt aangevuld met de woorden “of ten belope van de in paragraaf 11 bedoelde forfaitaire som”. TITRE 5 Modification des dispositions relatives à la péréquation des pensions de retraite et de survie des membres du personnel du secteur public CHAPITRE 1ER Dispositions modificatives Art. 56 Dans l’article 1er de la loi du 9 juillet 1969 modifiant et complétant la législation relative aux pensions de retraite et de survie des agents du secteur public, modifié par les lois du 24 octobre 2011 et du 5 mai 2014, les modi- fications suivantes sont apportées: 1° dans l’alinéa 1er, le 5° est remplacé par ce qui suit: “5° du Fonds de pension solidarisé des administrations provinciales et locales”; 2° dans l’alinéa 2, les mots “Fonds de pensions solida- risé de l’ONSSAPL” sont remplacés par les mots “Fonds de pension solidarisé des administrations provinciales et locales”. Art. 57 L’article 11, § 2, alinéa 3, de la même loi, remplacé par la loi du 25 avril 2007, est complété par la phrase suivante: “En ce qui concerne les suppléments de traitement qui sont pris en considération pour le calcul de la pen- sion en application de l’article 8, § 2, de la loi générale du 21 juillet 1844 sur les pensions civiles et ecclésias- tiques, seuls les suppléments de traitement pris en compte en vertu des dispositions publiées au Moniteur belge au plus tard le 30 juin 2008 sont pris en compte.” Art. 58 Dans l’article 12, § 1er, de la même loi, remplacé par la loi du 25 avril 2007, les modifications suivantes sont apportées: 1° l’alinéa 1er est complété par les mots “ou à concur- rence de la somme forfaitaire visée au paragraphe 11”. 3808/009 DOC 55 50 C H A M B R E 6 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2023 2024 K A M E R • 6 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E 2° het derde lid wordt aangevuld met de woorden “, behalve in geval van toepassing van paragraaf 11”. Art. 59 In artikel 12, § 4, eerste lid, van dezelfde wet, ver- vangen bij de wet van 25 april 2007 en gewijzigd bij de wet van 5 mei 2014, worden volgende wijzigingen aangebracht: 1° het woord “PDOS” wordt telkens vervangen door het woord “FPD”; 2° de woorden “gesolidariseerd pensioenfonds van de RSZPPO” worden vervangen door de woorden “Gesolidariseerde pensioenfonds van de provinciale en plaatselijke besturen”. Art. 60 In artikel 12, § 8, vierde lid, van dezelfde wet, ver- vangen bij de wet van 25 april 2007 en gewijzigd bij de wet van 5 mei 2014, worden de volgende wijzigingen aangebracht: 1° het woord “PDOS” wordt vervangen door het woord “FPD”; 2° het lid wordt aangevuld met de volgende zin: “Wat de weddebijslagen betreft die voor de bereke- ning van het pensioen in aanmerking worden genomen krachtens artikel 8, § 2, van de wet van 21 juli 1844 op de burgerlijke en kerkelijke pensioenen wordt bovendien uitsluitend rekening gehouden met de weddebijslagen die in aanmerking komen krachtens bepalingen die uiterlijk op de in de voormelde respectievelijke bepa- lingen bedoelde datum werden bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad.” Art. 61 Artikel 12 van dezelfde wet, vervangen bij de wet van 25 april 2007 en gewijzigd bij het koninklijk besluit van 11 december 2013 en de wet van 5 mei 2014, wordt aangevuld met een paragraaf 10, luidend als volgt: “§ 10. Indien voor het geheel van de perequatiekorven het totale bedrag van de pensioenverhogingen voortvloei- end uit de in paragraaf 9 bedoelde perequatiepercen- tages hoger is dan 0,60 pct. van de globale last van de rust- en overlevingspensioenen voor het laatste jaar van de referentieperiode, wordt het in paragraaf 9 bedoelde 2° l’alinéa 3 est complété par les mots “, sauf en cas d’application du paragraphe 11”. Art. 59 Dans l’article 12, § 4, alinéa 1er, de la même loi, rem- placé par la loi du 25 avril 2007 et modifié par la loi du 5 mai 2014, les modifications suivantes sont apportées: 1° le mot “SdPSP” est remplacé à chaque fois par le mot” “SFP”; 2° les mots “Fonds de pensions solidarisé de l’ONSSA- PL” sont remplacés par les mots “Fonds de pension solidarisé des administrations provinciales et locales”. Art. 60 Dans l’article 12, § 8, alinéa 4, de la même loi, rem- placé par la loi du 25 avril 2007 et modifié par la loi du 5 mai 2014, les modifications suivantes sont apportées: 1° le mot “SdPSP” est remplacé par le mot “SFP”; 2° l’alinéa est complété par la phrase suivante: “En ce qui concerne les suppléments de traitement qui sont pris en compte pour le calcul de la pension en application de l’article 8, § 2, de la loi générale du 21 juil- let 1844 sur les pensions civiles et ecclésiastiques, il n’est tenu compte que des seuls suppléments pris en compte en vertu de dispositions publiées au Moniteur belge au plus tard à la date visée dans les dispositions respectives précitées.” Art. 61 L’article 12 de la même loi, remplacé par la loi du 25 avril 2007 et modifié par l’arrêté royal du 11 dé- cembre 2013 et la loi du 5 mai 2014, est complété par un paragraphe 10 rédigé comme suit: “§ 10. Si, pour l’ensemble des corbeilles de péréqua- tion, le montant total des majorations de pension résultant des pourcentages de péréquation visés au paragraphe 9, dépasse 0,60 p.c. de la charge globale des pensions de retraite et de survie de la dernière année de la période de référence, le pourcentage de péréquation visé au 51 3808/009 DOC 55 C H A M B R E 6 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2023 2024 K A M E R • 6 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E perequatiepercentage beperkt voor elke perequatiekorf waarvan dit percentage 0,60 pct. overschrijdt. Hiertoe wordt voor elk van deze korven het in para- graaf 9 bedoelde perequatiepercentage proportioneel verminderd in verhouding tot het aandeel van de korf in de in het eerste lid bedoelde overschrijding van de globale last van de rust- en overlevingspensioenen. Het perequatiepercentage van deze korven wordt in die mate verminderd dat de toename van de voormelde globale pensioenlast tot 0,60 pct. wordt beperkt.” Art. 62 Artikel 12 van dezelfde wet, vervangen bij de wet van 25 april 2007 en gewijzigd bij het koninklijk besluit van 11 december 2013 en de wet van 5 mei 2014, wordt aangevuld met een paragraaf 11, luidend als volgt: “§ 11. Indien voor een perequatiekorf toepassing wordt gemaakt van paragraaf 10 en het nominaal bedrag van het pensioen dat van kracht is op de laatste dag van de referentieperiode hoger is dan het in het tweede lid bedoelde drempelbedrag, wordt de pensioenverhoging voortvloeiend uit het in paragraaf 9 bedoelde perequatie- percentage, in afwijking van paragraaf 1, derde lid, ver- vangen door een forfaitaire pensioenverhoging waarvan het bedrag bekomen wordt door de toepassing van het in paragraaf 9 bedoelde perequatiepercentage op het in het tweede lid bedoelde drempelbedrag. Het drempelbedrag wordt zodanig vastgesteld dat het totale bedrag van de pensioenverhogingen voortvloeiend uit het in paragraaf 9 bedoelde perequatiepercentage en uit de in het eerste lid bedoelde forfaitaire verhoging van de nominale bedragen van de rust- en overlevings- pensioenen die van kracht waren in de tiende maand van het tweede jaar van de referentieperiode, gelijk is aan het bedrag bekomen door de toepassing van het in paragraaf 10 bedoelde verminderde perequatiepercen- tage op de globale last van de aan de perequatiekorf verbonden rust- en overlevingspensioenen.” Art. 63 Artikel 14, tweede lid, van dezelfde wet, vervangen bij de wet van 25 april 2007 en gewijzigd bij de wet van 5 mei 2014, wordt aangevuld met de volgende zin: “Wat de weddebijslagen betreft die voor de bereke- ning van het pensioen in aanmerking worden genomen krachtens artikel 8, § 2, van de wet van 21 juli 1844 op de burgerlijke en kerkelijke pensioenen wordt bovendien uitsluitend rekening gehouden met de weddebijslagen paragraphe 9, est limité pour chaque corbeille de péré- quation pour laquelle ce pourcentage dépasse 0,60 p.c. À cet effet, pour chacune de ces corbeilles, le pour- centage de péréquation visé au paragraphe 9 est réduit proportionnellement à la part de la corbeille dans le dépassement visé à l’alinéa 1er de la charge globale des pensions de retraite et de survie. Le pourcentage de péréquation de ces corbeilles est réduit dans la mesure où l’augmentation de la charge globale de pension précitée est limitée à 0,60 p.c.” Art. 62 L’article 12 de la même loi, remplacé par la loi du 25 avril 2007 et modifié par l’arrêté royal du 11 dé- cembre 2013 et la loi du 5 mai 2014 est complété par un paragraphe 11, rédigé comme suit: “§ 11. Si pour une corbeille de péréquation le para- graphe 10 est appliqué et si le taux nominal de la pension en vigueur le dernier jour de la période de référence est supérieur au montant seuil visé à l’alinéa 2, la majoration de pension résultant du pourcentage de péréquation visé au paragraphe 9 est remplacé, par dérogation au paragraphe 1er , alinéa 3, par une augmentation forfaitaire de pension dont le montant est obtenu par l’application du pourcentage de péréquation visé au paragraphe 9 au montant seuil visé à l’alinéa 2. Le montant seuil est fixé de telle sorte que le montant total des majorations de pension résultant du pourcentage de péréquation visé au paragraphe 9 et de l’augmentation forfaitaire visée à l’alinéa 1er aux montants nominaux des pensions de retraite et de survie qui étaient en vigueur au dixième mois de la deuxième année de la période de référence, soit égal au montant obtenu par l’application du pourcentage de péréquation réduit visé au paragraphe 10 à la charge globale des pensions rattachées à la corbeille de péréquation.” Art. 63 L’article 14, alinéa 2, de la même loi, remplacé par la loi du 25 avril 2007 et modifié par la loi du 5 mai 2014, est complété par la phrase suivante: “En ce qui concerne les suppléments de traitement qui sont pris en considération pour le calcul de la pen- sion en application de l’article 8, § 2, de la loi générale du 21 juillet 1844 sur les pensions civiles et ecclésias- tiques, seuls les suppléments de traitement pris en 3808/009 DOC 55 52 C H A M B R E 6 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2023 2024 K A M E R • 6 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E die in aanmerking komen krachtens bepalingen die uiterlijk op 30 juni 2008 werden bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad.” Art. 64 Artikel 15 van dezelfde wet, vervangen bij de wet van 25 april 2007, wordt aangevuld met de woorden “of met de in artikel 12, § 11, bedoelde forfaitaire som”. Art. 65 Artikel 16 van dezelfde wet, vervangen bij de wet van 5 mei 2014, wordt vervangen als volgt: “Art. 16. Indien voor het geheel van de perequatie- korven het totale bedrag van de pensioenverhogingen voortvloeiend uit de in artikel 12, § 9 bedoelde pere- quatiepercentages niet hoger is dan 0,30 pct. van de globale last van de rust- en overlevingspensioenen voor het laatste jaar van de referentieperiode, wordt de pensioenverhoging die voortvloeit uit het in artikel 12, § 9, bedoelde perequatiepercentage integraal in één enkele schijf uitbetaald. Indien voor het geheel van de perequatiekorven het totale bedrag van de pensioenverhogingen voortvloeiend uit de in artikel 12, § 9, bedoelde perequatiepercentages hoger is dan 0,30 pct. maar niet hoger dan 0,60 pct. van de globale last van de rust- en overlevingspensioenen voor het laatste jaar van de referentieperiode, wordt de pensioenverhoging die voortvloeit uit het in artikel 12, § 9, bedoelde perequatiepercentage uitbetaald in twee opeenvolgende gelijke jaarlijkse schijven. Indien voor het geheel van de perequatiekorven het totale bedrag van de pensioenverhogingen voortvloeiend uit de in artikel 12, § 9, bedoelde perequatiepercenta- ges hoger is dan 0,60 pct. van de globale last van de rust- en overlevingspensioenen voor het laatste jaar van de referentieperiode, wordt de pensioenverhoging die voortvloeit uit het in artikel 12, § 9, bedoelde pere- quatiepercentage of uit de in artikel 12, § 11, eerste lid, bedoelde forfaitaire som, uitbetaald in twee opeenvol- gende gelijke jaarlijkse schijven.” HOOFDSTUK 2 Inwerkingtreding Art. 66 Deze titel treedt in werking op 1 januari 2025. compte en vertu des dispositions publiées au Moniteur belge au plus tard le 30 juin 2008 sont pris en compte.” Art. 64 L’article 15 de la même loi, remplacé par la loi du 25 avril 2007, est complété par les mots “ou de la somme forfaitaire visée à l’article 12, § 11”. Art. 65 L’article 16 de la même loi, remplacé par la loi du 5 mai 2014, est remplacé comme suit: “Art. 16. Si, pour l’ensemble des corbeilles de péré- quation, le montant total des majorations de pension résultant des pourcentages de péréquation visés à l’article 12, § 9, ne dépasse pas 0,30 p.c. de la charge globale des pensions de retraite et de survie pour la dernière année de la période de référence, la majoration de pension résultant du pourcentage de péréquation visé à l’article 12, § 9, est versée de manière intégrale en une seule tranche. Si, pour l’ensemble des corbeilles de péréquation, le montant total des majorations de pension résultant des pourcentages de péréquation visés à l’article 12, § 9, dépasse 0,30 p.c. sans excéder 0,60 p.c. de la charge globale des pensions de retraite et de survie pour la dernière année de la période de référence, la majoration de pension résultant du pourcentage de péréquation visé à l’article 12, § 9, est versée en deux annuités égales successives. Si, pour l’ensemble des corbeilles de péréquation, le montant total des majorations de pension résultant des pourcentages de péréquation visés à l’article 12, § 9, dépasse 0,60 p.c. de la charge globale des pensions de retraite et de survie pour la dernière année de la période de référence, la majoration de pension résultant du pour- centage de péréquation visé à l’article 12, § 9, ou de la somme forfaitaire visée à l’article 12, § 11, alinéa 1er, est versée en deux annuités égales successives.” CHAPITRE 2 Entrée en vigueur Art. 66 Le présent titre entre en vigueur le 1er janvier 2025. 53 3808/009 DOC 55 C H A M B R E 6 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2023 2024 K A M E R • 6 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E HOOFDSTUK 3 Overgangsbepaling Art. 67 Voor de perequatie op 1 januari 2025 wordt voor de toepassing van de artikelen 12, §§ 10 en 11, van de voormelde wet van 9 juli 1969, zoals ingevoegd bij de artikelen 61 en 62 van deze wet, en van artikel 16 van de voormelde wet van 9 juli 1969, zoals vervangen bij artikel 65 van deze wet, geen rekening gehouden met de pensioenverhogingen of het gedeelte ervan voort- vloeiend uit de toename van de globale bezoldiging binnen een perequatiekorf die het resultaat is van een wijziging van het geldelijk statuut waarover uiterlijk op 10 juli 2023 een loonakkoord werd afgesloten en evenmin, indien en voor zover binnen diezelfde pere- quatiekorf de globale bezoldiging niet mede gestegen is ingevolge een wijziging van het geldelijk statuut waarover na 10 juli 2023 een loonakkoord werd afgesloten, met de globale last van de aan deze perequatiekorf verbonden rust- en overlevingspensioenen. TITEL 6 Bijdragevoet van de bijzondere bijdrage voor de aanvullende pensioenen HOOFDSTUK 1 Wijzigingsbepalingen Art. 68 Artikel 38, § 3terdecies, A, vierde lid, van de wet van 29 juni 1981 houdende de algemene beginselen van de sociale zekerheid voor werknemers, ingevoegd bij de wet van 22 juni 2012, opgeheven door en hersteld bij de wet van 30 september 2017 en vervangen bij de wet van 21 december 2018, wordt aangevuld met de volgende zin: “Vanaf 1 januari 2028 bedraagt de bijzondere bijdrage 6 %.” Art. 69 Artikel 30, § 1, vierde lid, van de programmawet van 22 juni 2012, opgeheven door en hersteld bij de wet van 30 september 2017 en vervangen bij de wet van 18 febru- ari 2018, wordt aangevuld met de volgende zin: “Vanaf 1 januari 2028 bedraagt de bijzondere bijdrage 6 %.” CHAPITRE 3 Disposition transitoire Art. 67 Pour la péréquation au 1er janvier 2025, pour l’applica- tion des article 12, §§ 10 et 11, de la loi précitée du 9 juil- let 1969, tels qu’insérés par les articles 61 et 62 de la présente loi, et de l’article 16 de la précitée du 9 juil- let 1969, tel que remplacé par l’article 65 de la présente loi, il n’est pas tenu compte d’une part, des majorations de pension ou de la partie de celles-ci résultant de l’augmentation de la rémunération globale au sein d’une corbeille de péréquation qui résultent d’une modification du statut pécuniaire pour lequel un accord salarial a été conclu au plus tard le 10 juillet 2023 et d’autre part, de la charge globale des pensions de retraite et de survie liées à une corbeille de péréquation, si et dans la mesure où, au sein de cette même corbeille de péréquation, la rémunération globale n’a pas augmenté à la suite d’une modification du statut pécuniaire pour lequel un accord salarial a été conclu après le 10 juillet 2023. TITRE 6 Taux de la cotisation spéciale pour les pensions complémentaires CHAPITRE 1ER Dispositions modificatives Art. 68 L’article 38, § 3terdecies, A, alinéa 4, de la loi du 29 juin 1981 établissant les principes généraux de la sécurité sociale des travailleurs salariés, inséré par la loi du 22 juin 2012, abrogé et rétabli par la loi du 30 sep- tembre 2017 et remplacé par la loi du 21 décembre 2018, est complété par la phrase suivante: “À partir du 1er janvier 2028, la cotisation spéciale est égale à 6 %.” Art. 69 L’article 30, § 1er, alinéa 4, de la loi programme du 22 juin 2012, abrogé et rétabli par la loi du 30 sep- tembre 2017 et remplacé par la loi du 18 février 2018, est complété par la phrase suivante: “A partir du 1er janvier 2028, la cotisation spéciale est égale à 6 %.” 3808/009 DOC 55 54 C H A M B R E 6 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2023 2024 K A M E R • 6 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E HOOFDSTUK 2 Inwerkingtreding Art. 70 Deze titel treedt in werking op 1 januari 2028. CHAPITRE 2 Entrée en vigueur Art. 70 Le présent titre entre en vigueur le 1er janvier 2028. Imprimerie centrale – Centrale drukkerij

Vragen over dit document?

Stel uw vragen aan onze juridische AI-assistent

Open chatbot