K. 51-2922/2

🏛️ SENAAT Legislatuur 3 📁 2009 Other 🌐 NL

Inhoud

CHAMBRE DES REPRÉSENTANTS DE BELGIQUE BELGISCHE KAMER VAN VOLKSVERTEGENWOORDIGERS 7127 DOC 51 2922/002 DOC 51 2922/002 C H A M B R E 5e S E S S I O N D E L A 5 1e L É G I S L A T U R E K A M E R 5e Z I T T I N G V A N D E 5 1e Z I T T I N G S P E R I O D E 2006 2007 23 maart 2007 23 mars 2007 NAMENS DE COMMISSIE VOOR DE JUSTITIE UITGEBRACHT DOOR MEVROUW Sabien LAHAYE-BATTHEU FAIT AU NOM DE LA COMMISSION DE LA JUSTICE PAR MME Sabien LAHAYE-BATTHEU SOMMAIRE I. Exposé introductif de Mme Laurette Onkelinx, vice- première ministre et ministre de la Justice . . . . . . . . 3 II. Discussion générale . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 10 III. Discussion des articles et votes . . . . . . . . . . . . . . . 13 Errata . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 20 Document précédent : Doc 51 2922/ (2006/2007) : 001 : Projet transmis par le Sénat. Voorgaand document : Doc 51 2922/ (2006/2007) : 001 : Ontwerp overgezonden door de Senaat. INHOUD I. Inleidende uiteenzetting door mevrouw Laurette Onkelinx, vice-eersteminister en minister van Justitie 3 II. Algemene bespreking . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 10 III. Artikelsgewijze bespreking en stemmingen . . . . . . 13 Errata . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 20 VERSLAG RAPPORT PROJET DE LOI WETSONTWERP modifiant le Code judiciaire, notamment les dispositions relatives au personnel judiciaire de niveau A, aux greffiers et aux secrétaires ainsi que les dispositions relatives à l'organisation judiciaire tot wijziging van het Gerechtelijk Wetboek inzonderheid met betrekking tot bepalingen inzake het gerechtspersoneel van het niveau A, de griffiers en de secretarissen en inzake de rechterlijke organisatie 2 2922/002 DOC 51 C H A M B R E 5e S E S S I O N D E L A 5 1e L É G I S L A T U R E K A M E R 5e Z I T T I N G VA N D E 5 1e Z I T T I N G S P E R I O D E 2006 2007 Abréviations dans la numérotation des publications : DOC 51 0000/000 : Document parlementaire de la 51e législature, suivi du n° de base et du n° consécutif QRVA : Questions et Réponses écrites CRIV : Version Provisoire du Compte Rendu intégral (couverture verte) CRABV : Compte Rendu Analytique (couverture bleue) CRIV : Compte Rendu Intégral, avec, à gauche, le compte rendu intégral et, à droite, le compte rendu analytique traduit des interventions (avec les annexes) (PLEN: couverture blanche; COM: couverture saumon) PLEN : Séance plénière COM : Réunion de commission MOT : Motions déposées en conclusion d’interpellations (papier beige) Publications officielles éditées par la Chambre des représentants Commandes : Place de la Nation 2 1008 Bruxelles Tél. : 02/ 549 81 60 Fax : 02/549 82 74 www.laChambre.be Officiële publicaties, uitgegeven door de Kamer van volksvertegenwoordigers Bestellingen : Natieplein 2 1008 Brussel Tel. : 02/ 549 81 60 Fax : 02/549 82 74 www.deKamer.be e-mail : publicaties@deKamer.be cdH : Centre démocrate Humaniste CD&V : Christen-Democratisch en Vlaams ECOLO : Ecologistes Confédérés pour l’organisation de luttes originales FN : Front National MR : Mouvement Réformateur N-VA : Nieuw - Vlaamse Alliantie PS : Parti socialiste sp.a - spirit : Socialistische Partij Anders - Sociaal progressief internationaal, regionalistisch integraal democratisch toekomstgericht. Vlaams Belang : Vlaams Belang VLD : Vlaamse Liberalen en Democraten Afkortingen bij de nummering van de publicaties : DOC 51 0000/000 : Parlementair document van de 51e zittingsperiode + basisnummer en volgnummer QRVA : Schriftelijke Vragen en Antwoorden CRIV : Voorlopige versie van het Integraal Verslag (groene kaft) CRABV : Beknopt Verslag (blauwe kaft) CRIV : Integraal Verslag, met links het definitieve integraal verslag en rechts het vertaald beknopt verslag van de toespraken (met de bijlagen) (PLEN: witte kaft; COM: zalmkleurige kaft) PLEN : Plenum COM : Commissievergadering MOT : Moties tot besluit van interpellaties (beigekleurig papier) Samenstelling van de commissie op datum van indiening van het verslag/ Composition de la commission à la date du dépôt du rapport : Voorzitter / Président : Martine Taelman A. — Titulaires / Vaste leden : VLD Sabien Lahaye-Battheu, Claude Marinower, Martine Taelman PS Valérie Déom, Thierry Giet, André Perpète MR Alain Courtois, Olivier Maingain, Jean-Pierre Malmendier sp.a-spirit David Geerts, Walter Muls, Guy Swennen CD&V Jo Vandeurzen, Tony Van Parys Vlaams Belang Bart Laeremans, Bert Schoofs cdH Melchior Wathelet C. — Membres sans voix délibérative / Niet-stemgerechtigde leden: ECOLO Marie Nagy B. — Suppléants / Plaatsvervangers : Alfons Borginon,Guido De Padt, Stef Goris, Guy Hove Alisson De Clercq, Karine Lalieux, Jean-Claude Maene, Eric Massin Eric Libert, Marie-Christine Marghem, Charles Michel, Dominique Van Roy Anne-Marie Baeke, Stijn Bex, Dylan Casaer, Cemal Cavdarli Carl Devlies, Liesbeth Van der Auwera, Servais Verherstraeten Nancy Caslo, Alexandra Colen, Paul Meeus Joseph Arens, Joëlle Milquet, 3 2922/002 DOC 51 C H A M B R E 5e S E S S I O N D E L A 5 1e L É G I S L A T U R E K A M E R 5e Z I T T I N G V A N D E 5 1e Z I T T I N G S P E R I O D E 2006 2007 DAMES EN HEREN, Uw commissie heeft dit door de Senaat overgezonden wetsontwerp besproken tijdens de vergadering van 14 maart 2007. I. — INLEIDENDE UITEENZETTING DOOR ME- VROUW LAURETTE ONKELINX, VICE-EERSTE- MINISTER EN MINISTER VAN JUSTITIE Dit wetsontwerp is zeer omvangrijk en technisch en werd reeds uitvoerig besproken in de senaatscommissie Justitie. Daar waar nodig werd het geoptimaliseerd bij amendementen. Bij deze inleiding wordt vooral de nadruk gelegd op de vele perspectieven die het ontwerp biedt in het ka- der van de modernisering van justitie. Bijna iedereen is overtuigd van het feit dat justitie ef- ficiënter, sneller en toegankelijker dient te worden ge- maakt, weliswaar met het behoud van de rechterlijke onafhankelijkheid en de vereiste kwaliteit. Verschillende facetten van de organisatie zijn voor verbetering vatbaar. Er is onder meer nood aan een in- tegraal management, aan harmonisering, aan gemoti- veerd, adequaat en flexibel inzetbaar personeel en aan een duidelijke omlijning van functies, in de context van efficiënte werkprocessen. De regering heeft reeds tal van regelgevende initia- tieven genomen op basis waarvan deze modernisering kan worden tot stand gebracht: 1. INTEGRAAL MANAGEMENT 1.1. Responsabilisering van de magistraat-korps- overste In dit ontwerp wordt de magistraat-korpsoverste be- voegd voor de algemene leiding en de organisatie van het hof of de rechtbank. Deze beheersfunctie omvat tal van aspecten, waar- onder personeelsbeleid, preventiebeleid, administratief beheer, informaticabeheer gebouwenbeheer en mate- riële uitrusting. Voor een optimale uitoefening van deze taak worden onder meer de volgende initiatieven genomen: – de hoofdgriffier komt onder zijn gezag en toezicht; MESDAMES, MESSIEURS, Votre commission a examiné ce projet de loi, trans- mis par le Sénat, au cours de sa réunion du 14 mars 2007. I. — EXPOSÉ INTRODUCTIF DE MME LAURETTE ONKELINX, VICE-PREMIÈRE MINISTRE ET MINISTRE DE LA JUSTICE Le présent projet de loi est un projet technique de grande ampleur qui a déjà été examiné en détail par la commission de la Justice du Sénat. Il a été optimisé par des amendements là où cela s’avérait nécessaire. Dans cette introduction, l’accent est surtout mis sur les nombreuses perspectives offertes par le projet dans le cadre de la modernisation de la justice. Pratiquement tout le monde est convaincu de la né- cessité de rendre la justice plus efficace, plus rapide et plus accessible, tout en préservant l’indépendance du pouvoir judiciaire et la qualité requise. Diverses facettes de l’organisation sont susceptibles d’être améliorées. On soulignera notamment le besoin d’un management intégral, d’une harmonisation, d’un personnel motivé, approprié et flexible ainsi que d’une définition claire des fonctions, dans le contexte de pro- cessus de travail efficaces. Le gouvernement a déjà pris différentes initiatives en vue de moderniser la politique du personnel et les struc- tures de gestion dans les cours et tribunaux: 1. MANAGEMENT INTÉGRAL 1.1. Responsabilisation du magistrat-chef de corps Dans le présent projet, le magistrat-chef de corps est compétent pour la direction générale et l’organisation de la cour ou du tribunal. Cette fonction de gestion englobe de nombreux as- pects, parmi lesquels la politique en matière de per- sonnel, la politique de prévention, la gestion adminis- trative, la gestion informatique, la gestion des bâtiments et l’équipement matériel. Pour que cette tâche puisse être accomplie de ma- nière optimale, les initiatives suivantes ont été prises: – le greffier en chef est placé sous son autorité et sa surveillance; 4 2922/002 DOC 51 C H A M B R E 5e S E S S I O N D E L A 5 1e L É G I S L A T U R E K A M E R 5e Z I T T I N G VA N D E 5 1e Z I T T I N G S P E R I O D E 2006 2007 – hij krijgt meer bevoegdheden inzake personeelsbeleid, waaronder de selectie; – op zijn verzoek kan een steundienst worden opge- richt die hem bijstaat bij zijn managementfunctie. In deze steundienst is er plaats voor tal van actuele en toekom- stige functies die moeilijk onder te brengen zijn in een griffie of een parket. Eén van de cruciale opdrachten van het Instituut voor gerechtelijke opleiding dat op basis van de wet van 31 januari 2007 zal worden opgericht, zal er in bestaan om de korpsoversten onafgebroken bij te scholen in zake al deze aspecten van management. Overeenkomstig de wet van 18 december 2006 zal de uitvoering van het beheersplan van de korpschef, dat hij naar aanleiding van zijn kandidaatsstelling heeft opgemaakt, geëvalueerd worden. 1.2. Oprichting van een gemeenschappelijke steun- dienst ten behoeve van het college van procureurs-ge- neraal, de raad van procureurs des Koning en de raad van arbeidsauditeurs De verticale integratie van het openbaar ministerie beoogt een permanent overleg, een samenwerking en een ondersteuning tussen de verschillende niveaus van het openbaar ministerie. Momenteel kan enkel het college van procureurs- generaal beroep doen op een ondersteunend orgaan, zijnde het secretariaat. Met het oog op een optimale aanwending van mid- delen is het aangewezen om dit ondersteunend orgaan aan te passen aan de actuele behoeften: – enerzijds wordt het voortaan ten dienste gesteld van de raad van procureurs des Konings en de raad van arbeidsauditeurs; – anderzijds wordt de ondersteuning ook qua inhoud verruimd: het geeft onder andere juridische en admini- stratieve bijstand, bijstand bij informaticabeheer, gebou- wen en materiële uitrusting. 2. GEMOTIVEERD, ADEQUAAT EN FLEXIBEL INZETBAAR PERSO- NEEL De magistraat-korpsoverste kan slechts een succes- vol beleid voeren indien hij beroep kan doen op vol- – ses compétences en matière de politique du per- sonnel, en ce compris la sélection, sont accrues; – des services d’appui sont créés pour l’assister dans la fonction de management. Beaucoup de tâches ac- tuelles et futures peuvent et pourront difficilement être intégrées à un greffe ou un parquet. Sont par exemple peu concernés par le fonctionnement d’un greffe ou d’un parquet. Une des missions essentielles de l’Institut de forma- tion judiciaire qui sera créé sur la base de la loi du 31 janvier 2007 consistera à assurer la formation continue des chefs de corps en ce qui concerne ces aspects du management. Conformément à la loi du 18 décembre 2006, l’exé- cution du plan de gestion du chef de corps, qu’il a ré- digé dans le cadre de sa candidature, fera l’objet d’une évaluation. 1.2. Création d’un service d’appui commun pour le collège des procureurs généraux, le conseil des procu- reurs du roi et le conseil des auditeurs du travail L’intégration verticale du ministère public a pour ob- jectifs une concertation permanente, une collaboration et un appui entre les différents niveaux du ministère public. Actuellement, seul le Collège des Procureurs géné- raux peut bénéficier des services d’un organe d’appui, à savoir le secrétariat. En vue de l’utilisation optimale des moyens, il est in- diqué d’adapter cet organe d’appui aux besoins actuels: – d’une part, il est dorénavant mis au service du Con- seil des procureurs du Roi et du Conseil des auditeurs du travail; – d’autre part, l’appui est également étendu en ter- mes de contenu: il inclut notamment l’assistance juridi- que et administrative, l’assistance en matière de ges- tion informatique, les bâtiments et l’équipement matériel. 2. PERSONNEL MOTIVE, APPROPRIE ET FLEXIBLE Le magistrat-chef de corps ne peut mener une politi- que avec succès que s’il peut faire appel à du person- 5 2922/002 DOC 51 C H A M B R E 5e S E S S I O N D E L A 5 1e L É G I S L A T U R E K A M E R 5e Z I T T I N G V A N D E 5 1e Z I T T I N G S P E R I O D E 2006 2007 doende gemotiveerd, adequaat en flexibel inzetbaar personeel. De regering heeft reeds de loopbaan van het administratief gerechtspersoneel van het niveau B, C en D gemoderniseerd; deze is in werking getreden op 1 december 2006. Dit ontwerp is een logische verderzetting en beoogt het gerechtspersoneel van ni- veau A, griffiers en secretarissen. 2.1. Koppeling van de rechtspositieregeling en het statuut aan de doelstellingen en de inhoud van de func- tie Eén van de grote knelpunten in de griffies en parket- ten is het gebrek aan een duidelijk totaalbeeld van de inhoud en het gewicht van de diverse gerechtsfuncties. Actueel zijn er tal van personeelsleden van verschil- lende niveaus met dezelfde taakinhoud of van eenzelfde niveau met een taakinhoud die aanzienlijk verschilt in zwaarte en complexiteit. Expertise en vaardigheden worden bovendien niet steeds voldoende gevalideerd. Nochtans is de functie-inhoud primordiaal bij de be- paling van: – het hiërarchisch niveau (A, B, C of D); – een marktconform inkomen; – de benoemings- en selectievoorwaarden; – de verdere loopbaanontwikkeling; – de opleiding; – de evaluatie, etc. Een totaalbeeld geeft eveneens een transparante kijk op de werkprocessen; van elke actor in de organisatie (referendaris, parketjurist, griffier, secretaris, deskundige, assistent, medewerker…) wordt de plaats in het geheel gekend. Dit geeft de mogelijkheid om knelpunten op te sporen en verbeteringen naar voor te brengen op basis waarvan het management een beslissing moet nemen. Dit ontwerp bepaalt het kader voor deze functie- classificaties en alle daaraan gekoppelde aspecten van het personeelsbeheer van het gerechtspersoneel van niveau A, de griffiers en de secretarissen. 2.1.1. Gerechtspersoneel van niveau A Dit niveau omvat onder meer de referendarissen, de parketjuristen, de attachés, de hoofdgriffiers, de hoofd- secretarissen, de griffiers-hoofd van dienst, de secreta- nel suffisamment motivé, approprié et flexible. Le gou- vernement a déjà modernisé la carrière du personnel judiciaire administratif des niveaux B, C et D; celle-ci est entrée en vigueur le 1er décembre 2006. Le présent projet est un prolongement logique et vise le personnel judiciaire de niveau A, les greffiers et les secrétaires. 2.1. Articulation entre la réglementation relative au statut juridique et le statut et les objectifs et le contenu de la fonction L’un des grands problèmes dans les greffes et par- quets est l’absence d’une vue d’ensemble claire du con- tenu et du poids des différentes fonctions judiciaires. Actuellement, il existe un grand nombre de membres du personnel de différents niveaux dont le contenu des fonctions est identique ou de membres du personnel d’un même niveau dont le contenu des fonctions diffère grandement quant à leur poids et à leur complexité. L’expertise et les aptitudes ne sont en outre pas tou- jours suffisamment validées. Toutefois, le contenu de la fonction est primordial pour déterminer: – le niveau hiérarchique (A, B, C ou D); – un revenu conforme au marché; – les conditions de nomination et de sélection; – le développement de la carrière; – la formation; – l’évaluation, … Une vue d’ensemble donne également une vision transparente des processus de travail dans la mesure où la place de chaque acteur (référendaire, juriste de parquet, greffier, secrétaire, expert, assistant, collabo- rateur, …) dans l’ensemble de l’organisation est con- nue. Cela permet de déceler les problèmes et de pro- poser des améliorations sur la base desquelles le management devra prendre une décision. Le présent projet prévoit le cadre pour ces classifica- tions de fonctions et tous les aspects y afférents en matière de gestion du personnel judiciaire de niveau A, des greffiers et des secrétaires. barémique commence- ront prochainement. 2.1.1. Personnel judiciaire de niveau A Ce niveau contient notamment les référendaires, les juristes de parquet, les attachés, les greffiers en chef, les secrétaires en chef, les greffiers-chefs de service, 6 2922/002 DOC 51 C H A M B R E 5e S E S S I O N D E L A 5 1e L É G I S L A T U R E K A M E R 5e Z I T T I N G VA N D E 5 1e Z I T T I N G S P E R I O D E 2006 2007 rissen-hoofd van dienst en personeelsleden van de steundiensten. De diverse functies in het niveau A zullen worden beschreven, gegroepeerd, onderling gewogen en uit- eindelijk door de Koning geclassificeerd in één van de vijf vakklassen (A1 tot A5). Ze worden uitgevoerd door een wegingscommissie en een uitgebreide wegingscommissie die is samenge- steld uit vertegenwoordigers van hoven en rechtban- ken en experten waaronder die van de FOD P&O, de FOD Justitie en de FOD Begroting. 2.1.2. Griffiers en secretarissen Op basis van hun actuele taakinhoud en verantwoor- delijkheden en hun vereiste opleiding, heeft de regering beslist om de griffiers en de secretarissen onder te bren- gen in het niveau B. Voor een uitgebreide motivering van deze keuze verwijst de minister naar de memorie van toelichting en de uitvoerige besprekingen in de Se- naat. Deze keuze stuitte nochtans op zware kritiek in be- paalde griffierskringen. De belangenverening, CENEGER, werd het forum gegeven om uitvoerig al haar verzuchtingen en opmerkingen uiteen te zetten. Hierbij bleek dat verschillende opmerkingen berustten op on- juiste juridisch-technische inzichten van hunnentwege. Aan bepaalde verzuchtingen werd tegemoet gekomen door de amendemering van het ontwerp, meer bepaald: · mogelijkheid tot weging van een functie van ni- veau B. Dit ontwerp kent aan de verantwoordelijken van de rechterlijke orde een belangrijke inbreng toe bij het be- palen van de inhoud van de diverse functies in het ka- der van de doelstellingen van justitie als organisatie en de weging ervan. Mochten naargelang van het geval, het college van procureurs-generaal of de eerste voorzitters van de hoven van beroep of van de arbeidshoven, van oordeel zijn dat een functie in het niveau B dermate evolueert dat het aangewezen is dat de wetgever ze anders zou indelen, dan kunnen zij aan de minister van Justitie vra- gen de opdracht te geven aan de wegingscomités om deze functie te wegen. · Prioriteit gerechtspersoneel Initieel werd enkel bepaald dat voor een benoeming tot functies in de vakklasse A3 of A4, in eerste instantie les secrétaires-chefs de service et des membres du personnel des services d’appui. Les différentes fonctions dans le niveau A seront dé- crites, groupées, pondérées entre elles et finalement classées par le Roi dans une des cinq classes de mé- tiers (A1 à A5). Ces pondérations sont réalisées par une commission de pondération et une commission de pondération élar- gie composée de représentants des cours et tribunaux et d’experts parmi lesquels ceux du SPF P&O, du SPF Justice et du SPF Budget. 2.1.2. Greffiers et secrétaires Le gouvernement a décidé d’intégrer les greffiers et les secrétaires dans le niveau B, ce sur la base de leur formation requise, du contenu de leurs tâches et de leurs responsabilités. Pour une motivation étendue de ce choix, la ministre renvoie à l’exposé des motifs et aux discussions approfondies menées au Sénat. Ce choix a néanmoins été fortement critiqué dans certains milieux parmi les greffiers. L’association CENEGER, a obtenu la parole afin qu’elle puisse expri- mer ses attentes et formuler ses remarques. A cet égard, il est apparu que diverses remarques se fondaient sur des conceptions d’ordre juridique et techniques erro- nées. Certaines de ces attentes ont du être rencon- trées par des amendments au projet, en particulier sur les points suivants: · possibilité de pondération d’une fonction de ni- veau B Ce projet accorde aux responsables de l’ordre judi- ciaire un rôle important dans la détermination du con- tenu des différentes fonctions dans le cadre des objec- tifs de la justice en tant qu’organisation ainsi que dans leur pondération. Si le Collège des Procureurs généraux ou le Collège des premiers présidents des cours d’appel ou des cours du travail, selon le cas, estime qu’une fonction de ni- veau B évolue dans une mesure telle qu’il serait indiqué que le législateur la classe différemment, il peut deman- der au Ministre de la Justice de charger les comités de pondération de pondérer cette fonction. · Priorité au personnel judiciaire Initialement, il était seulement prévu de faire d’abord appel à du personnel judiciaire pour la nomination à des 7 2922/002 DOC 51 C H A M B R E 5e S E S S I O N D E L A 5 1e L É G I S L A T U R E K A M E R 5e Z I T T I N G V A N D E 5 1e Z I T T I N G S P E R I O D E 2006 2007 beroep moest worden gedaan op gerechtpersoneel. Deze prioriteit wordt uitgebreid voor een benoeming tot hoofdgriffier, hoofdsecretaris, griffier-hoofd van dienst en secretaris hoofd van dienst. · wijziging benoemingsvoorwaarden De anciënniteitsvereisten van de kandidaten met een diploma van niveau A, om te kunnen worden bevorderd tot respectievelijk hoofdgriffier of griffier-hoofd van dienst en hoofdsecretaris of secretaris-hoofd van dienst wor- den gelijkgeschakeld; vijf jaar ongeachte de hoedanig- heid van de kandidaat (parketjurist, referendaris, grif- fier, secretaris).. · Wijziging overgansmaatregelen De overgangsperiode voorzien om zonder het beha- len van de bijkomende brevetten door te stromen naar niveau A, wordt van 6 naar 10 jaar gebracht. Derhalve zullen quasi alle in dienst zijnde leden van de griffies en parketsecretariaten van deze overgangsmaatregel ge- bruik kunnen maken. 2.2. Professionalisering van de selectie De vergelijkende selecties moeten op een objectieve en professionele wijze gebeuren, in nauwe samenwer- king met de lokale overheden. Selor krijgt hierbij een belangrijke rol. Deze autonome organisatie beschikt hier- voor immers over de know how en de middelen. 2.3. Loopbaanontwikkeling De loopbaanontwikkeling is voornamelijk gebaseerd op de investering in kennis en vaardigheden. Het Insti- tuut voor gerechtelijke opleiding zal ook hier een be- langrijke taak worden toebedeeld. Een personeelslid kan in niveau A bevorderen naar een hogere klasse. Een personeelslid met een graad in niveau B kan bevorderen naar een klasse in niveau A. Het slagen in een gecertificeerde opleiding geeft recht op een competentietoelage of een bevordering in een hogere weddenschaal. Deze opleidingen zullen in eer- ste instantie worden georganiseerd door het Opleidings- instituut van de Federale Overheid. Het Instituut voor gerechtelijke opleiding zal mede deze taak overnemen van zodra het op kruissnelheid is gekomen. fonctions de la classe de métiers A3 ou A4. Cette prio- rité est étendue à la nomination au grade de greffier en chef, de secrétaire en chef, de greffier-chef de service et de secrétaire-chef de service. · modification des conditions de nomination Les conditions d’ancienneté des candidats titulaires d’un diplôme de niveau A requises pour pouvoir être promu respectivement greffier en chef ou greffier-chef de service et secrétaire en chef ou secrétaire-chef de service sont alignées: cinq ans, indépendamment de la qualité du candidat (juriste de parquet, référendaire, greffier, secrétaire). · modification des mesures transitoires La période transitoire permettant d’accéder au niveau A sans obtenir de brevets supplémentaires est portée de 6 à 10 ans. Par conséquent, quasiment tous les membres des greffes et secrétariats de parquet en ser- vice pourront bénéficier de cette mesure transitoire. 2.2. La professionnalisation de la sélection Les sélections comparatives doivent être effectuées de manière objective et professionnelle en étroite colla- boration avec les autorités locales. Selor se voit attri- buer un rôle important. Cette organisation autonome dispose en effet du savoir-faire et des moyens pour ce faire. 2.3. Développement de la carrière Le développement de la carrière se base principale- ment sur l’investissement dans les connaissances et les aptitudes. Dans ce domaine également, l’Institut de for- mation judiciaire se verra confier une mission impor- tante. Au niveau A, un membre du personnel peut être promu dans une classe supérieure. Un membre du per- sonnel revêtu d’un grade de niveau B peut être promu dans une classe du niveau A. La réussite d’une formation certifiée donne droit au bénéfice d’une allocation de compétence et à la promo- tion à une échelle de traitement supérieure. Ces for- mations seront organisées dans un premier temps par l’Institut de Formation de l’Administration fédérale. L’Ins- titut de formation judiciaire se chargera également de cette tâche dès qu’il aura atteint sa vitesse de croisière. 8 2922/002 DOC 51 C H A M B R E 5e S E S S I O N D E L A 5 1e L É G I S L A T U R E K A M E R 5e Z I T T I N G VA N D E 5 1e Z I T T I N G S P E R I O D E 2006 2007 2.4. bevordering van personeelsmobiliteit De regering wil, net zoals voor de personeelsleden van de niveaus B, C en D, ook voor de doelgroep in kwestie, de vrijwillige interne mobiliteit door middel van mutatie bevorderen. Hiertoe worden bepaald: · het verlenen van voorrang aan mutatie bij het in- vullen van vacante betrekkingen; · een ontkoppeling van benoemingsvoorwaarden en de baremaloopbaan aan het type gerecht. Er wordt bijvoorbeeld geen onderscheid meer gemaakt tussen deze van griffier bij de rechtbank van eerste aanleg of deze van griffier bij het hof van beroep; Bovendien wordt in een wederzijdse mobiliteit voor- zien tussen de rijksambtenaren en het gerechts- personeel. Al deze aspecten bieden ook vanuit organisatorische standpunt tal van perspectieven. 2.5. Integratie- en overgangsmaatregelen De weging van alle type-functies in het niveau A ge- beurt na de inwerkingtreding van het ontwerp. Bij de inwerkingtreding zullen, in een eerste fase, alle perso- neelsleden in een bepaalde klasse worden geïntegreerd, rekening houdende met hun huidige graad, wedde en anciënniteit. Er worden bovendien in verschillende overgangs- maatregelen voorzien op geldelijk vlak (bijv. behoud van bestaande weddenbijslagen) en op het vlak van de loopbaanontwikkeling (bijv. 10 jaar vrijstelling voor het behalen van brevetten van het niveau A). 3. OVERIGE MEEST SIGNIFICANTE AMENDEMENTEN 3.1. balie-ervaring In het initieel neergelegde ontwerp werd reeds be- paald dat de volledige periode van inschrijving bij de balie meetelt voor de berekening van de geldelijke anciënniteit en niet meer voor een beperkte periode van 4 jaar. Bij amendement wordt bepaald dat deze bepaling met terugwerkende kracht ingaat vanaf 1 december 2006, meer bepaald het tijdstip waarop het Arbitragehof de beperking tot 4 jaar vernietigde. 2.4. Promotion de la mobilité du personnel Le gouvernement souhaite, comme c’est le cas pour les agents des niveaux B, C et D, promouvoir égale- ment pour le groupe cible concerné la mobilité interne volontaire par voie de mutation. Il est prévu pour ce faire: · de donner priorité à la mutation lorsque des em- plois vacants sont à pourvoir; · de dissocier les conditions de nomination et la carrière barémique du type de juridiction. Il n’est, par exemple, plus établi de distinction sur ce plan entre le greffier du tribunal de première instance et le greffier de la cour d’appel; En outre une mobilité réciproque est prévue entre les agents de l’Etat et le personnel judiciaire. Tous ces éléments offrent de nombreuses perspecti- ves du point de vue organisationnel aussi. 2.5. Intégration et mesures transitoires La pondération de toutes les fonctions-types dans le niveau A s’effectuera après l’entrée en vigueur du pré- sent projet. A l’entrée en vigueur du projet, les mem- bres du personnel seront, dans une première phase, intégrés compte tenu de leur grade, traitement et an- cienneté actuels. Différentes mesures transitoires sont en outre pré- vues sur le plan pécuniaire (p. ex. le maintien des sup- pléments de traitement actuels) et sur le plan du déve- loppement de la carrière (p. ex. une dispense de 10 ans pour l’obtention de brevets du niveau A). 3. AUTRES AMENDEMENTS LES PLUS SIGNIFICATIFS 3.1. expérience au barreau Le projet déposé initialement prévoyait déjà d’inclure dans le calcul de l’ancienneté pécuniaire la période to- tale d’inscription au barreau et non plus une période limitée de 4 ans. Il est prévu par voie d’amendement de conférer à cette disposition un effet rétroactif au 1er décembre 2006, c’est- à-dire le moment où la Cour d’arbitrage a annulé la limi- tation à 4 ans. 9 2922/002 DOC 51 C H A M B R E 5e S E S S I O N D E L A 5 1e L É G I S L A T U R E K A M E R 5e Z I T T I N G V A N D E 5 1e Z I T T I N G S P E R I O D E 2006 2007 3.2. verhoging taalpremie griffiers De maandelijkse taalpremie voor de griffiers die het bewijs hebben geleverd van de kennis van de tweede taal wordt verhoogd van 24, 79 tot 110 euro. TOEKOMSTPERSPECTIEF Het advies van de Hoge Raad voor de Justitie van 29 november 2006 is hoogst merkwaardig; het ontwerp zou geen visie inhouden op de rechterlijke organisatie van de toekomst. Er kan niet genoeg worden benadrukt dat alle regel- gevende initiatieven van de regering op het vlak van de modernisering van justitie, inclusief dit ontwerp, inhe- rent met elkaar verbonden zijn en een krachtdadige aanzet tot verandering inhouden. Van een eindpunt is vanzelfsprekend geen sprake. – Dit ontwerp schept een kader op basis waarvan een modern personeelsbeleid kan worden uitgebouwd, dat compatibel is met toekomstige hervormingen. De resultaten van de BPR’s in hoven en rechtbanken en de resultaten van de werklastmeting zullen ongetwijfeld de doelstellingen van de functies van het gerechtspersoneel en de inhoud ervan, evenals het personeelskader beïn- vloeden. – Er dienen nog tal van uitvoeringsmaatregelen te worden genomen, in nauwe samenwerking met de verantwoordelijken van de rechterlijke orde. – Daarenboven dient de regelgeving inzake personeelsbeleid ook nog op andere vlakken te worden aangepast, denk maar aan de evaluatieprocedure. De decentralisatie van een groot deel van de beheers- bevoegdheden, zowel wat personeel als budget betreft naar nieuwe machtsniveaus moet hand in hand gaan met de uitvoering van de talrijke initiatieven inzake op- leiding, integraal management, modern personeelsbeheer, verbetering van de werkprocessen, werklastmeting, informatisering, harmonisering, enz. Het is zeer belangrijk dat fundamentele veranderin- gen in het beheer van de rechterlijke orde worden ge- dragen door alle betrokkenen, beleidsverantwoorde- lijken, magistraten, gerechtspersoneel en externe partners, waaronder de FOD Justitie. 3.2. augmentation de la prime linguistique des gref- fiers La prime linguistique mensuelle pour les greffiers qui ont justifié de la connaissance de la deuxième langue est portée de 24,79 à 110 euros. PERSPECTIVES D’AVENIR L’avis du Conseil supérieur de la Justice du 29 no- vembre 2006 est des plus remarquables; le projet ne contiendrait aucune vision d’avenir pour l’organisation judiciaire. On ne pourra jamais souligner à quel point toutes les initiatives réglementaires du gouvernement sur le plan de la modernisation de la justice, en ce compris le pré- sent projet, sont intrinsèquement liées et impliquent une puissante impulsion au changement. Il n’est évidem- ment pas question d’un point final. – Il crée un cadre sur la base duquel peut être déve- loppée une politique du personnel moderne, compati- ble avec des réformes futures. Les résultats des BPR dans les cours et tribunaux et les résultats de la mesure de la charge de travail influenceront certainement les objectifs et le contenu des fonctions du personnel judi- ciaire ainsi que le cadre du personnel. – De nombreuses mesures d’exécution doivent en- core être prises en étroite collaboration avec les res- ponsables de l’Ordre judiciaire. – En outre, la réglementation relative à la politique du personnel doit encore être adaptée sur d’autres plans, par exemple au niveau de la procédure d’évaluation. La décentralisation d’une grande partie des compé- tences en matière de gestion, tant sur le plan du per- sonnel que sur le plan budgétaire, vers de nouveaux niveaux de pouvoir doit aller de pair avec l’exécution d’un grand nombre d’initiatives dans les domaines de la formation, du management intégral, de la gestion mo- derne du personnel, de l’amélioration des processus de travail, de la mesure de la charge de travail, de l’infor- matisation, de l’harmonisation, etc. Il est essentiel que les changements fondamentaux dans la gestion de l’ordre judiciaire soient supportés par tous les intéressés, les responsables de la politique à suivre, les magistrats, le personnel judiciaire et les par- tenaires externes, parmi lesquels le SPF Justice. 10 2922/002 DOC 51 C H A M B R E 5e S E S S I O N D E L A 5 1e L É G I S L A T U R E K A M E R 5e Z I T T I N G VA N D E 5 1e Z I T T I N G S P E R I O D E 2006 2007 De commissie voor de Modernisering van de Rech- terlijke Orde die is opgericht op 1 maart 2007, krijgt bij al deze aspecten van het moderniseringproces een be- langrijke rol van katalysator en begeleider toebedeeld. Zij zal in haar opdracht worden gesteund door de Alge- mene Raad van partners van de Rechterlijke Orde. II. — ALGEMENE BESPREKING a) Vragen en opmerkingen van de leden De heer Tony Van Parys (CD&V) stelt vast dat in de Senaat over dit wetsontwerp een fundamentele discus- sie heeft plaatsgevonden. Over deze materie bestaan bij een aantal actoren bepaalde gevoeligheden die in de mate van het moge- lijke opgelost dienen te worden. Het is belangrijk dat aangetoond wordt welke richting deze globale hervor- ming uitgaat. Het lid treedt de minister bij in haar uitspraak dat hier voor het wegingscomité en de commissie voor de modernisering van de rechterlijke orde een belangrijke rol is weggelegd. Het wordt evenwel afwachten hoe het wegingscomité en de commissie voor de modernisering van de rechterlijke orde, als overblijfsel van het Themisplan, zullen functioneren en op welke manier zij hun taak zullen uitvoeren. Het is belangrijk dat de overgangsbepalingen inzake de opdrachten van het wegingscomité ongerustheden wegwerken. De spreker is van oordeel dat nog veel dialoog zal nodig zijn om iedereen te overtuigen. Er moeten prag- matische oplossingen gevonden worden opdat elkeen overeenkomstig zijn hoedanigheden en kwaliteiten, zijn opleiding en functie een terechte valorisatie kan krijgen. Hij vestigt de aandacht van de minister op de vol- gende punctuele bemerkingen: – De problematiek van de referendarissen en de parketjuristen Tijdens de hoorzittingen in de Senaat werd de vraag gesteld op welke wijze de toegang tot de magistratuur voor referendarissen en parketjuristen georganiseerd zou kunnen worden. Wat is terzake de mening van de minister? – Opmerking van de Raad van State De Raad van State stelt in zijn advies dat het wets- ontwerp een aantal buitensporige machtigingen aan de Koning verleent (bijvoorbeeld de artikelen 15, 15, 60, 81 en 95 van het wetsontwerp). De bevoegde instanties van de rechterlijke orde zul- len aldus een minder gewichtige rol spelen. Voorts wor- den een aantal bepalingen die aan de rechterlijke macht en de Hoge Raad voor de Justitie een rol toekenden bij de keuze van personen die nauw met de magistraten Dans tous ces aspects du processus de modernisa- tion, la Commission de modernisation de l’Ordre judi- ciaire, instaurée le 1er mars 2007, se voit confier un rôle important de catalyseur et de guide. Elle sera soutenue dans sa mission par le Conseil général des partenaires de l’Ordre judiciaire. II. — DISCUSSION GÉNÉRALE a) Questions et observations des membres M. Tony Van Parys (CD&V) constate que le projet de loi à l’examen a fait l’objet d’une discussion fondamen- tale au Sénat. Chez un certain nombre d’acteurs, cette matière gé- nère certaines sensibilités auxquelles il faudrait, dans la mesure du possible, répondre. Il est important de montrer dans quelle direction va cette réforme globale. Le membre approuve la ministre qui a réservé, dans son allocution, un rôle important au comité de pondé- ration et à la Commission de modernisation de l’Ordre judiciaire. On attend toutefois de voir comment le co- mité de pondération et la Commission de modernisa- tion de l’Ordre judiciaire fonctionneront, comme éma- nation du plan Thémis, et de quelle manière ils rempliront leur tâche. Il importe que les dispositions transitoires relatives aux missions du comité de pondération dissipent les in- quiétudes. L’intervenant estime qu’il sera encore nécessaire de beaucoup dialoguer pour convaincre chacun. Il faut trou- ver des solutions pragmatiques pour que chacun puisse être valorisé à juste titre en fonction de ses qualités, de sa formation et de sa fonction. Il attire l’attention de la ministre sur les observations ponctuelles suivantes: – La problématique des référendaires et des juristes de parquet Au cours des auditions au Sénat, la question a été posée de savoir comment l’accès à la magistrature pour- rait être organisé pour les référendaires et les juristes de parquet. Qu’en pense la ministre? – Observation du Conseil d’État Le Conseil d’État indique dans son avis que le projet de loi confère au Roi des habilitations excessives (par exemple les articles 15, 60, 81 et 95 du projet de loi). Les instances compétentes de l’ordre judiciaire joue- ront ainsi un rôle moins important. Par ailleurs, un cer- tain nombre de dispositions qui conféraient un rôle au pouvoir judiciaire et au Conseil supérieur de la Justice dans le choix des personnes appelées à collaborer étroi- 11 2922/002 DOC 51 C H A M B R E 5e S E S S I O N D E L A 5 1e L É G I S L A T U R E K A M E R 5e Z I T T I N G V A N D E 5 1e Z I T T I N G S P E R I O D E 2006 2007 moeten samenwerken, opgeheven. De Raad van State verwijst in deze naar de artikelen 206bis, 261, 262, 273, 287bis van het Gerechtelijk Wetboek. In de memorie van toelichting stelt de minister dat de verantwoorde- lijken van de rechterlijke organisatie betrokken zullen worden bij de vergelijkende selecties. Op welke wijze zal dit gebeuren? – Wet van 10 juni 2006 tot herziening van de loopba- nen en de bezoldiging van het personeel van de griffies en de parketsecretariaten Kan de minister de samenhang tussen dit wetsont- werp en de wet van 10 juni 2006 verduidelijken? Voorts stipt hij aan dat het koninklijk besluit betref- fende het statuut, de loopbaan en de bezoldigings- regeling van het personeel van de griffies en de parket- secretariaten, genomen in toepassing van de wet van 10 juni 2006, verwijst naar bepalingen die met dit wets- ontwerp worden opgeheven. * * * De heer Melchior Wathelet (cdH) vindt dit wetsont- werp een stap in de goede richting. Toch rijzen er verschillende vragen met betrekking tot de loopbanen van de griffiers en de parket- secretarissen. De voornaamste eis van de griffiers bestaat erin alle carrièrekansen die zich aandienen, te mogen benutten, met name via examens. Het wetsontwerp houdt echter een beperking in van de loopbaanmogelijkheden ten opzichte van de huidige situatie, door de loopbaanstadia van griffier en griffier-hoofd van dienst, evenals de equi- valente functies bij de secretarissen, onder te brengen bij niveau B, terwijl de betrokkenen vandaag feitelijk onder niveau 1 ressorteren. Die gang van zaken wordt veroorzaakt door het feit dat de minister voor de totstandbrenging van deze hervorming de drie volgende criteria heeft gehanteerd: opleiding, verantwoordelijkheid en uitgeoefend ambt. Hoewel de ontworpen bepalingen verantwoord zijn, is het volstrekt begrijpelijk dat de betrokkenen ze be- treuren. Daarom zou het bij wijze van signaal interes- sant kunnen zijn, mochten de bepalingen met betrek- king tot het wegingscomité zo spoedig mogelijk in werking treden. Wat de benoemingswijze en de promotiekansen be- treft, had de minister tijdens de bespreking in de Se- naat beklemtoond dat de prioriteit zou liggen bij bevor- dering, gevolgd door mobiliteit en tot slot ook indienstnemingen. Kan de minister die aanpak bevesti- gen? De minister antwoordt bevestigend. tement avec les magistrats sont abrogées. Le Conseil d’État renvoie à cet égard aux articles 206bis, 261, 262, 273, 287bis du Code judiciaire. Dans l’exposé des mo- tifs, la ministre déclare que les responsables de l’orga- nisation judiciaire seront activement associés aux sé- lections comparatives. De quelle manière cela se fera-t-il? – Loi du 10 juin 2006 portant réforme des carrières et de la rémunération du personnel des greffes et des se- crétariats des parquets La ministre peut-elle préciser le lien qui existe entre le projet de loi à l’examen et la loi du 10 juin 2006? L’intervenant souligne ensuite que l’arrêté royal por- tant statut, carrière et statut pécuniaire du personnel des greffes et secrétariats de parquet, pris en applica- tion de la loi du 10 juin 2006, renvoie à des dispositions qui sont abrogées par le projet de loi à l’examen. * * * M. Melchior Wathelet (cdH) estime que le présent projet de loi va dans le bon sens. Différentes questions toutefois se posent par rapport à la carrière des greffiers et des secrétaires de parquet. La revendication principale des greffiers est de pou- voir bénéficier de toutes les possibilités qui pourraient s’offrir à eux, notamment par le biais d’examens. Or, le projet de loi limite les possibilités de carrière par rapport à la situation actuelle, en faisant passer le stade de gref- fier en chef et greffier chef de service, de même que leur pendant au niveau des secrétaires de parquet, au niveau B, alors qu’ils se trouvent actuellement dans les faits au niveau 1. Cette situation est due au fait que la ministre a pris les 3 critères suivants pour mettre en place sa réforme: le critère de la formation, celui de la responsabilité et enfin celui de la fonction exercée. Si les dispositions en projet se justifient, il n’en est pas moins compréhensible que les personnes concer- nées regrettent cette situation. Il pourrait dès lors être intéressant, en guise de signal, de faire en sorte que les dispositions relatives au Comité de pondération puis- sent entrer le plus rapidement en vigueur. En ce qui concerne le mode de nomination et les pro- motions possibles, la ministre avait insisté dans le ca- dre des discussions menées au Sénat, sur la priorité de la promotion, puis de la mobilité et enfin du recrutement. La ministre confirme-t-elle ce mode de mouvement? La ministre répond par l’affirmative. 12 2922/002 DOC 51 C H A M B R E 5e S E S S I O N D E L A 5 1e L É G I S L A T U R E K A M E R 5e Z I T T I N G VA N D E 5 1e Z I T T I N G S P E R I O D E 2006 2007 De mensen die vandaag of morgen een getuigschrift van kandidaat-griffier bezitten, moeten volgens de heer Melchior Wathelet (cdH) de zekerheid krijgen dat zij, qua voorwaarden inzake toegang tot het ambt van griffier door bevordering, een gelijke behandeling zullen krij- gen als de huidige contractuele werknemers. Het zou interessant kunnen zijn te voorzien in een overgangsmaatregel die alle bezitters van een getuig- schrift van kandidaat-griffier écht beschermt. De minister wijst erop dat het ontworpen artikel 184 voor de bescherming van die categorie van kandidaten zorgt. Vervolgens gaat de heer Melchior Wathelet (cdH) die- per in op het geval van de adjunct-griffiers bij de hoven van beroep, de arbeidshoven en het Hof van Cassatie. Zij worden namelijk ondergebracht in de weddenschalen BJ 2 of BJ 3 (zie het ontworpen artikel 172). Door die weddenschaalindeling verliezen zij per maand 360 euro. * * * De heer Walter Muls (sp.a-spirit) onderstreept dat er momenteel een groot verschil bestaat tussen de bedra- gen van de taalpremies voor magistraten en die voor griffiers (van 216 tot 286 euro, tegenover 35 euro). Hoe- wel het wetsontwerp de verschillen gedeeltelijk uitvlakt door de premies voor de griffiers op te trekken van 35 tot 110 euro, blijft de kloof groot. Daartegenover staat dat het taalexamen dat de griffiers moeten afleggen, niet makkelijker is dan dat voor de magistraten, alsook dat tweetaligheid voor de beide functies even noodzakelijk is. * * * Mevrouw Martine Taelman (VLD) valt de heer Muls bij en voegt daaraan toe dat het bedrag van de taal- premie voor de parketsecretarissen weliswaar werd af- gestemd op dat voor de griffiers, maar dat tegelijk moet worden erkend dat tweetaligheid voor laatstgenoemden van veel groter belang is. Het ware dus billijk hun pre- mie gelijk te schakelen met die van de magistraten. b) Antwoorden van de minister Allereerst stipt mevrouw Laurette Onkelinx, vice- eersteminister en minister van Justitie, aan dat men de idee van een vierde toegangsmogelijkheid tot de ma- gistratuur heeft laten varen, omdat de invoering van de derde toegangsmogelijkheid al op zoveel weerstand was gestuit. M. Melchior Wathelet (cdH) souligne, par rapport aux détenteurs actuels ou futurs de certificats de candidat greffier, qu’il convient de s’assurer que ces personnes soient bien mises sur un pied d’égalité au niveau des conditions d’accès à la fonction de greffier par promo- tion, avec les agents contractuels actuels. Il pourrait être intéressant de prévoir une mesure tran- sitoire qui préserve véritablement tous les détenteurs de certificats de candidat greffier. La ministre précise que l’article 184 de la loi en projet couvre cette catégorie de candidats. M. Wathelet aborde ensuite le cas des greffiers ad- joints des cours d’appel, du travail et de la Cour de cas- sation, qui sont intégrés dans les échelles barémiques BJ 2 ou BJ 3 (article 172 en projet). L’intégration dans cette échelle barémique leur fait perdre 360 euros par mois. * * * M. Walter Muls (sp.a-spirit) souligne qu’il existe ac- tuellement une très grande différence entre les mon- tants de la prime linguistique accordée aux magistrats et de celle accordée aux greffiers (216 à 286 euros con- tre 35 euros). Si cette différence est partiellement ré- sorbée par le projet de loi qui augmente la prime des greffiers de 35 à 110 euros, celle-ci n’en reste pas moins importante. Pourtant, force est de constater que l’exa- men que les greffiers doivent présenter n’est pas plus simple que celui des magistrats et que l’emploi de l’autre langue leur est tout aussi nécessaire. * * * Mme Martine Taelman (VLD) rejoint le point de vue de M. Muls. Elle ajoute que si le montant de la prime linguistique accordée aux secrétaires de parquet a été aligné sur celui des greffiers, il convient de reconnaître que la connaissance de l’autre langue nationale est bien plus importante pour ces derniers. Il serait donc justifié d’aligner le montant de leur prime sur celle des magis- trats. b) Réponses de la ministre Mme Laurette Onkelinx, vice-premier ministre et mi- nistre de la Justice, précise tout d’abord que l’idée de développer une quatrième voie d’accès à la magistra- ture a été abandonnée en raison des réticences qui ont déjà été exprimées dans le cadre de la mise en place d’une troisième voie d’accès. 13 2922/002 DOC 51 C H A M B R E 5e S E S S I O N D E L A 5 1e L É G I S L A T U R E K A M E R 5e Z I T T I N G V A N D E 5 1e Z I T T I N G S P E R I O D E 2006 2007 Wat de te ruime machtigingen aan de Koning betreft, preciseert de minister dat het wetsontwerp overal waar mogelijk werd aangepast aan het advies terzake van de Raad van State. Het spreekt echter voor zich dat men om bepaalde machtigingen niet heen kon. De coherentie tussen de ontworpen bepalingen en het koninklijk besluit met betrekking tot de loopbanen van de categorieën B, C en D zal worden gegarandeerd, door te voorzien in de gelijktijdige inwerkingtreding van de bepalingen van dat besluit en de bij koninklijk besluit nader in te vullen bepalingen van dit wetsontwerp. Wat tot slot de taalpremies betreft, herinnert de mi- nister aan het uitgangspunt van het wetsontwerp, te weten dat iedereen op voet van gelijkheid wordt ge- plaatst, waardoor het noodzakelijk is de premie van de secretarissen gelijk te schakelen met die van de grif- fiers. Dat de premies van de magistraten hoger blijven, heeft historische gronden. Aangezien de bedragen er- van zo hoog liggen, zou het uit den boze zijn de andere premies op die van de magistraten te willen afstemmen. III. — ARTIKELSGEWIJZE BESPREKING EN STEMMINGEN Artikelen 1 tot 14 Over deze artikelen worden geen opmerkingen ge- maakt. Ze worden achtereenvolgens eenparig aangenomen. Art. 15 De heer Melchior Wathelet (cdH) herinnert eraan hoe belangrijk het is de artikelen 15 en 16 van dit wetsont- werp zo spoedig mogelijk in werking te doen treden. Mevrouw Laurette Onkelinx, vice-eersteminister en minister van Justitie, neemt akte van dat verzoek en zal het nodige doen. * * * Deze bepaling wordt eenparig aangenomen. Par rapport à la problématique de la trop large délé- gation au Roi, le projet de loi a été adapté conformé- ment à l’avis du Conseil d’Etat en la matière à chaque fois que cela s’avérait possible. Il est toutefois évident que certaines délégations ne pouvaient être évitées. En ce qui concerne la cohérence des dispositions avec l’arrêté royal sur les carrières B, C et D, celle-ci sera assurée, en faisant entrer en vigueur simultané- ment les dispositions de l’arrêté en question et les dis- positions du présent projet qui doivent être prises par arrêté royal. Enfin, par rapport à la problématique des primes lin- guistiques, la ministre rappelle que la philosophie du projet est de mettre tout le monde sur un pied d’égalité, d’où la nécessité d’aligner la prime des secrétaires sur celle des greffiers. Si la prime des magistrats reste su- périeure c’est pour des raisons historiques. Vu l’ampleur du montant de cette prime, il serait impensable de vou- loir aligner les différentes primes sur celle des magis- trats. III. — DISCUSSION DES ARTICLES ET VOTES Art. 1 à 14 Ces dispositions n’appellent aucune observation de la part des membres. Ces articles sont successivement adoptés à l’unani- mité. Art. 15 M. Melchior Wathelet (cdH) rappelle l’importance de faire entrer en vigueur les articles 15 et 16 du présent projet le plus rapidement possible. Mme Laurette Onkelinx, vice-premier ministre et mi- nistre de la Justice, prend note de cette requête et fera le nécessaire. * * * Cette disposition est adoptée à l’unanimité. 14 2922/002 DOC 51 C H A M B R E 5e S E S S I O N D E L A 5 1e L É G I S L A T U R E K A M E R 5e Z I T T I N G VA N D E 5 1e Z I T T I N G S P E R I O D E 2006 2007 Art. 16 tot 51 Over deze artikelen worden geen opmerkingen ge- maakt. De artikelen 16 tot 19 worden achtereenvolgens een- parig aangenomen. Artikel 20 wordt aangenomen met 11 stemmen en 2 onthoudingen. De artikelen 21 tot 29 worden achtereenvolgens een- parig aangenomen. Artikel 30 wordt aangenomen met 12 stemmen en 1 onthouding. De artikelen 31 tot 50 worden achtereenvolgens een- parig aangenomen. Artikel 51 wordt aangenomen met 12 stemmen en 1 onthouding. Art. 52 Mevrouw Marie-Christine Marghem (MR) herinnert eraan dat een amendement werd ingediend om de dis- criminatie weg te werken tussen een jurist of een licentiaat-referendaris en een licentitaat-griffier bij een benoeming door bevordering van een universitair ge- schoolde in een leidinggevend ambt. Dat vraagstuk komt hier aan bod in het kader van de artikelen 51, § 2, en 52, § 2, van het ter bespreking voorliggende wetsontwerp. Krachtens die bepalingen zal de licentiaat-griffier, net als een jurist of een referendaris, moeten kunnen aantonen dat hij over een anciënniteit van ten minste vijf jaar – in plaats van tien jaar – in het ambt van griffier beschikt. Men kan evenwel niet om de vaststelling heen dat in geen enkele specifiek op de licentiaten in de rechten afgestemde overgangsregeling is voorzien. De vertegenwoordiger van de minister bevestigt dat alle houders van een universitair diploma gelijk worden behandeld, ongeacht of het om juristen, referendarissen of griffiers gaat. Voor de drie categorieën is een beroepsanciënniteit van vijf jaar vereist, een griffier die daarentegen niet over een universitair diploma beschikt; hij zal een beroepsanciënniteit van tien jaar als griffier moeten kunnen voorleggen. Mevrouw Marie-Christine Marghem (MR) beklemtoont dat de afzonderlijke indeling van de houders van een licentie in de rechten van niveau A (juristen en referendarissen) en de houders van een licentie in de Art. 16 à 51 Ces articles ne font l’objet d’aucun commentaire. Les articles 16 à 19 sont successivement adoptés à l’unanimité. L’article 20 est adopté par 11 voix et 2 abstentions. Les articles 21 à 29 sont successivement adoptés à l’unanimité. L’article 30 est adopté par 12 voix et 1 abstention. Les articles 31 à 50 sont successivement adoptés à l’unanimité. L’article 51 est adopté par 12 voix et 1 abstention. Art. 52 Mme Marie-Christine Marghem (MR) rappelle qu’un amendement avait été déposé en vue de supprimer la discrimination qui existait entre un juriste ou un licencié référendaire et un licencié greffier, dans le cadre d’une nomination par promotion d’un universitaire à une fonc- tion dirigeante. Cette problématique est ici abordée dans le cadre des articles 51, § 2, et 52, § 2, du présent projet de loi. Conformément à ces dispositions, le licencié greffier devra au même titre que le juriste ou le référendaire justifier d’une ancienneté de cinq ans au moins dans la fonction de greffier au lieu de dix ans. Toutefois, force est de constater qu’aucune autre mesure transitoire spé- cifique au licencié en droit n’a été prévue. Le représentant de la ministre confirme que tous les titulaires d’un diplôme universitaire ont été mis sur un pied d’égalité, qu’ils soient juristes, référendaires ou greffiers. Pour les trois catégories, il est exigé une an- cienneté professionnelle de cinq ans, au contraire d’un greffier qui n’est pas titulaire d’un diplôme universitaire qui devra justifier d’une ancienneté professionnelle de dix ans dans la fonction de greffier. Mme Marie-Christine Marghem (MR) souligne que le classement distinct des détenteurs d’une licence en droit dans le niveau A (juristes et référendaires) et des dé- tenteurs d’une licence en droit dans le niveau B (gref- 15 2922/002 DOC 51 C H A M B R E 5e S E S S I O N D E L A 5 1e L É G I S L A T U R E K A M E R 5e Z I T T I N G V A N D E 5 1e Z I T T I N G S P E R I O D E 2006 2007 rechten van niveau B (griffiers), die worden benoemd op grond van artikel 265 van het Gerechtelijk Wetboek, discriminatoir is. Voor die ambten is een licentiaat of master in de rechten van onschatbare waarde. De minister wijst op de spreiding van de diploma’s: 12,48% heeft opleidingsniveau 2D, 72,27% niveau 2C, 6,31% niveau 2B, 6,66% heeft de opleiding van jurist achter de rug, en 2,28% is houder van een ander uni- versitair diploma. Die categorie is dus zwaar in de min- derheid. De heer Melchior Wathelet (cdH) merkt op dat de vi- gerende wettelijke bepalingen een dubbel onderscheid maken ten aanzien van de juristen-griffiers. Als dit wets- ontwerp wordt aangenomen, zullen zij nog slechts vijf jaar anciënniteit moeten aantonen om bevorderd te kun- nen worden. Desondanks zullen zij nog steeds tot ni- veau B behoren. Hoewel zij dezelfde opleiding hebben gevolgd, wordt dus een onderscheid gemaakt. Mevrouw Marie-Christine Marghem (MR) voegt daar- aan toe dat de universitair geschoolden bij de aanvang van hun loopbaan als griffier nog niet wisten hoe hun statuut er zou uitzien. Hoewel zij tot niveau 1 behoor- den, zullen zij voortaan hoofd van dienst moeten wor- den vooraleer zij toegang krijgen tot niveau A. Volgens de minister hebben die academici daarvoor gekozen. Men kan een universitaire opleiding hebben gevolgd, en toch een ambt van niveau B willen uitoefe- nen. Men mag trouwens niet uitgaan van de opleiding van een persoon om een statuut uit te werken; zulks mag alleen gebeuren op grond van de aard van het ambt. Het probleem is dat velen meenden tot niveau 1 te be- horen, hoewel dat beslist niet het geval was, aangezien zij geen reëel statuut hadden. Er moet echter worden beklemtoond dat hun statuut daadwerkelijk zal worden gevaloriseerd. Mevrouw Sabien Lahaye-Battheu (VLD) wenst te weten hoe de bevorderingsexamens eruit zien voor uni- versitair geschoolden die willen overgaan van niveau B naar niveau A. De vertegenwoordiger van de minister licht toe dat een ambtenaar van niveau B zonder universitair diploma die wil overgaan naar een ambt van niveau A, moet sla- gen voor een tweedelig examen om een brevet te be- halen. Het eerste deel is algemeen en wordt georgani- seerd door Selor, zoals dat voor alle examens in de overheidssector het geval is. Het tweede testgedeelte is specifiek op het ambt afgestemd. fiers), nommés sur la base de l’article 265 du Code judi- ciaire, est discriminatoire. Or, l’apport d’un licencié ou d’un master en droit dans le cadre de ces fonctions est indéniable. La ministre attire l’attention sur le nombre de diplô- més: 12,48% ont la formation de niveau 2D, 72,27% de niveau 2C, 6,31% de niveau 2B, 6,66% la formation de juriste et 2,28% un autre diplôme universitaire. Il s’agit donc d’une catégorie extrêmement minoritaire. M. Melchior Wathelet (cdH) fait remarquer que les dispositions légales actuelles établissent une double distinction dans le chef des juristes greffiers. Avec le présent projet de loi, ils ne devront justifier plus que d’une ancienneté de 5 ans pour pouvoir obtenir une promo- tion. Toutefois, ils resteront au niveau B. A niveau de formation égale, une distinction est donc faite. Mme Marie-Christine Marghem (MR) ajoute que les universitaires qui se sont engagés dans la carrière de greffier ne savaient pas encore de quelle manière serait rédigé leur statut. Alors qu’ils étaient inscrits dans le ni- veau 1, ils devront désormais devenir chef de service pour accéder au niveau A. La ministre estime qu’il s’agit d’un choix de la part de ces universitaires. Il est tout à fait possible d’être uni- versitaire et de vouloir exercer une fonction de niveau B. L’on ne peut d’ailleurs pas partir de la formation de chaque personne pour élaborer un statut. On ne peut le faire qu’à partir de la nature de la fonction. Le problème est que beaucoup se considéraient comme appartenant au niveau 1, or ce n’était certainement pas le cas étant donné qu’ils n’avaient pas de véritable statut. Il convient toutefois de souligner qu’ils bénéficieront d’une véritable valorisation statutaire. Mme Sabien Lahaye-Battheu (VLD) souhaiterait con- naître le contenu des examens organisés dans le cadre de la promotion d’universitaires souhaitant passer du niveau B au niveau A. Le représentant de la ministre explique qu’une per- sonne exerçant une fonction de niveau B et ne possé- dant pas de diplôme universitaire devra, pour accéder au niveau A, passer une épreuve pour obtenir un bre- vet, composé de deux parties. La première est de na- ture générale et est organisée par Selor comme pour l’ensemble de la fonction publique. La seconde partie de l’épreuve est de nature spécifique, adaptée à la fonc- tion. 16 2922/002 DOC 51 C H A M B R E 5e S E S S I O N D E L A 5 1e L É G I S L A T U R E K A M E R 5e Z I T T I N G VA N D E 5 1e Z I T T I N G S P E R I O D E 2006 2007 De overgangsmaatregel waarin is voorzien voor de houders van een brevet van griffier of secretaris, stelt die personen vrij van het algemene examengedeelte. Zij mogen dus onmiddellijk deelnemen aan de speci- fieke test die in het kader van de vergelijkende selectie wordt georganiseerd. Een universitair geschoolde moet alleen deelnemen aan het vergelijkende gedeelte. * * * Het artikel wordt eenparig aangenomen. Art. 53 De heer Melchior Wathelet (cdH) constateert dat ie- mand met een brevet van kandidaat-griffier niet langer moet geslaagd zijn voor een door Selor georganiseerde vergelijkende selectie voor het bewuste ambt. Hij moet evenwel nog steeds vastbenoemd zijn in het ambt van assistent of deskundige bij een griffie of een parket- secretariaat. Het lijkt er echter op dat de kandidaat-grif- fiers, in het licht van artikel 184 van het ter bespreking voorliggende wetsontwerp, nooit aan die voorwaarde zullen kunnen voldoen. De vertegenwoordiger van de minister preciseert dat het brevet van kandidaat-griffier gewaarborgd is bij de wet van 10 juni 2006 tot herziening van de loopbanen en de bezoldiging van het personeel van de griffies en de parketsecretariaten, die in dat verband in een aantal overgangsmaatregelen voorziet. Voor de kandidaat-griffiers en de kandidaat-secreta- rissen die hun getuigschrift hebben behaald op grond van een examen dat werd georganiseerd vóór of dat aan de gang was op het tijdstip waarop het wetsont- werp in werking treedt, geldt dus niet alleen de afwij- king van artikel 184 van het wetsontwerp, maar ook die van die vorige overgangsbepalingen. * * * Het artikel wordt eenparig aangenomen. Art. 54 tot 134 Over deze artikelen worden geen opmerkingen ge- maakt. La mesure transitoire accordée aux personnes titu- laires d’un brevet de greffier ou secrétaire dispense ces personnes de l’épreuve générale. Celles-ci pourront donc présenter directement le test spécifique organisé dans le cadre de la sélection comparative. Un universi- taire sera uniquement soumis à l’épreuve comparative. * * * L’article est adopté à l’unanimité. Art. 53 M. Melchior Wathelet (cdH) constate qu’avec un cer- tificat de candidat greffier, la personne concernée ne doit plus être lauréate d’une sélection comparative or- ganisée par Selor pour la fonction concernée. Ils ne sont toutefois pas dispensés de l’exigence d’être nommé à titre définitif dans la fonction d’assistant ou d’expert près un greffe ou un secrétariat de parquet. Il semblerait tou- tefois que, au vu de l’article 184 du projet de loi, les candidats greffiers ne puissent jamais remplir cette con- dition. Le représentant de la ministre précise que le brevet de candidat greffier est garanti dans la loi du 10 juin 2006 portant réforme des carrières et de la rémunéra- tion du personnel des greffes et des secrétariats, qui prévoit un certain nombre de dispositions transitoires à ce sujet. Les candidats greffier et candidats secrétaire qui ont obtenu leur certificat sur base d’un examen organisé avant ou en cours d’organisation au moment de l’en- trée en vigueur du projet de loi, bénéficient dès lors non seulement de la dérogation de l’article 184 en projet, mais également de ces précédentes dispositions tran- sitoires. * * * L’article est adopté à l’unanimité. Art. 54 à 134 Ces articles ne font l’objet d’aucun commentaire en commission. 17 2922/002 DOC 51 C H A M B R E 5e S E S S I O N D E L A 5 1e L É G I S L A T U R E K A M E R 5e Z I T T I N G V A N D E 5 1e Z I T T I N G S P E R I O D E 2006 2007 De artikelen 54 tot 56 worden achtereenvolgens een- parig aangenomen. Artikel 57 wordt aangenomen met 12 stemmen en 1 onthouding. De artikelen 58 tot 134 worden achtereenvolgens eenparig aangenomen. Art. 135 Mevrouw Martine Taelman (VLD) meende te hebben begrepen dat de wetgever met die bepaling vooruitloopt op een koninklijk besluit in verband met een algemene personeelsformatie van het openbaar ambt dat binnen- kort zal worden bekendgemaakt. Is het de bedoeling bijkomende wijzigingen aan te brengen in het kader van dat koninklijk besluit? De minister wijst erop dat die bepaling de hoogste niveaus overneemt voor niveau A. Opnieuw onderhan- delen met het oog op een opwaartse herziening van die bedragen kan derhalve niet worden overwogen. * * * Dit artikel wordt eenparig aangenomen. Art. 136 tot 171 Over die artikelen worden geen opmerkingen ge- maakt. * * * Artikel 139 wordt op verzoek van de minister tech- nisch verbeterd (zie bijlagen: errata). Ze worden achtereenvolgens eenparig aangenomen. Art. 172 De heer Melchior Wathelet (cdH) wijst erop dat de adjunct-griffiers van de hoven van beroep, van de arbeidshoven en van het Hof van Cassatie in de wedden- schaal BJ3 zijn opgenomen, waardoor ze aanvankelijk een salarisvoordeel kunnen hebben. Aangezien ze in een minder gunstige weddenschaal zullen terechtko- men, zal er een probleem rijzen omdat voor die men- sen, als ze vóór de inwerkingtreding en de tenuitvoer- legging van de wet geen vacante betrekking kunnen Les articles 54 à 56 sont successivement adoptés à l’unanimité. L’article 57 est adopté par 12 voix et 1 abstention. Les articles 58 à 134 sont successivement adoptés à l’unanimité. Art. 135 Mme Martine Taelman (VLD) a cru comprendre qu’avec cette disposition le législateur anticipe un ar- rêté royal relatif à un cadre général de la fonction publi- que qui sera prochainement publié. L’objectif est-il d’ap- porter des modifications complémentaires dans le cadre de cet arrêté? La ministre souligne que cette disposition reprend les niveaux les plus élevés pour le niveau A. Une renégociation à la hausse de ces montants n’est dès lors pas envisageable. * * * Cet article est adopté à l’unanimité. Art. 136 à 171 Ces dispositions n’appellent aucune observation par- ticulière de la part des membres. * * * À la demande du ministre, l’article 139 fait l’objet d’une corection technique (voir annexes: errata). Ces articles sont successivement adoptés à l’unani- mité. Art. 172 M. Melchior Wathelet (cdH) attire l’attention sur le fait que les greffiers adjoints des cours d’appel, des cours du travail et de la Cour de cassation sont intégrés dans l’échelle barémique BJ3, qui leur permet au départ de pouvoir bénéficier d’un avantage salarial. Toutefois, n’étant plus dans les barèmes réservés aux greffiers et greffiers adjoints des cours, s’ils n’arrivent pas à inté- grer une place vacante avant l’entrée en vigueur de la loi et avant sa mise en œuvre, un problème se posera, 18 2922/002 DOC 51 C H A M B R E 5e S E S S I O N D E L A 5 1e L É G I S L A T U R E K A M E R 5e Z I T T I N G VA N D E 5 1e Z I T T I N G S P E R I O D E 2006 2007 vinden, niet langer de weddenschalen van de griffiers en van de adjunct-griffiers van de hoven zullen gelden. De vertegenwoordiger van de minister merkt op dat de adjunct-griffiers ervan uitgingen dat ze op termijn een bevordering zouden krijgen en tot griffier zouden kun- nen worden benoemd. Om een hervorming door te voe- ren, mag men echter niet van een dergelijke veronder- stelling uitgaan. Elke bestaande functie moet worden ingepast in een niveau en geen enkele bevordering mag als verworven worden beschouwd. In dat precieze ge- val ligt het voor de hand dat het aantal vacante betrek- kingen van griffier niet groot is. Het is dus logisch dat niet iedereen automatisch een promotie kan krijgen. De heer Melchior Wathelet (cdH) onderstreept dat een dergelijk systeem vrij onrechtvaardig is omdat twee per- sonen met een zelfde functie een zeer verschillende wedde zullen kunnen hebben. De vertegenwoordiger van de minister licht toe dat een hervorming vereist dat men de situatie op een be- paald moment «bevriest». Het kan niet anders. Het komt erop aan voor iedereen dezelfde regel uit te vaardigen. Uiteraard zullen op termijn de bestaande ongelijkheden tussen de griffiers en de adjunct-griffiers allemaal worden weggewerkt aangezien de tweede func- tie zal verdwijnen. Het is dus vooral nu dat de situatie veel onbillijker is omdat een adjunct-griffier minder goed wordt betaald terwijl hij vaak dezelfde taken vervult als de griffier. * * * Dit artikel wordt eenparig aangenomen. Art. 173 tot 182 Over die artikelen worden geen opmerkingen ge- maakt. Ze worden achtereenvolgens eenparig aangenomen. Art. 183 Mevrouw Marie-Christine Marghem (MR) constateert dat het in de Senaat aangenomen amendement nr. 143 van de regering (3-2009/7) de termijn tijdens welke on- der meer de niet-universitair geschoolde griffiers en parketsecretarissen zullen worden vrijgesteld van het behalen van de brevetten om bij bevordering te kunnen étant donné qu’ils seront versés dans une échelle barémique moins favorable. Le représentant de la ministre fait remarquer que le problème qui se pose ici est que les greffiers adjoints partaient du principe qu’ils pourraient à terme bénéfi- cier d’une promotion et ainsi être nommés greffier. L’on ne peut toutefois partir d’un tel principe pour dévelop- per une réforme. Chaque fonction existante doit être intégrée dans un niveau et aucune promotion ne peut être considérée comme acquise. Dans ce cas précis, il est évident qu’il n’y a pas une multitude de places va- cantes de greffier. Il est donc logique que tout le monde ne puisse obtenir automatiquement une promotion. M. Melchior Wathelet (cdH) souligne qu’un tel sys- tème est relativement injuste dans la mesure où, dans une même fonction, deux personnes pourront avoir un salaire très différent. Le représentant de la ministre explique qu’une ré- forme impose que l’on fige la situation à un moment précis. On ne peut faire autrement. Il est important de déterminer une règle identique pour tout le monde. A terme naturellement, les inégalités existantes entre gref- fiers et greffiers adjoints seront toutes supprimées étant donné que la seconde fonction disparaîtra. C’est donc essentiellement maintenant que la situation est beau- coup plus injuste dans la mesure où un greffier adjoint est moins bien rémunéré alors qu’il accomplit souvent les mêmes tâches que le greffier. * * * Cet article est adopté à l’unanimité. Art. 173 à 182 Ces dispositions ne font l’objet d’aucune observation. Les articles sont successivement adoptés à l’unani- mité. Art. 183 Mme Marie-Christine Marghem (MR) constate que l’amendement n° 143 du gouvernement adopté au Sé- nat (Doc. Senaat 3-2009/7), a augmenté de 6 à 10 ans le délai pendant lequel, notamment, les greffiers et se- crétaires de parquet non universitaires seront dispen- sés de l’obtention des brevets pour pouvoir être nom- 19 2922/002 DOC 51 C H A M B R E 5e S E S S I O N D E L A 5 1e L É G I S L A T U R E K A M E R 5e Z I T T I N G V A N D E 5 1e Z I T T I N G S P E R I O D E 2006 2007 més, par promotion, dans une classe de métiers de ni- veau A. Ils devront donc uniquement réussir la sélec- tion comparative consistant en un entretien basé sur un cas pratique lié à la fonction. L’article 183 en projet qui consacre cette mesure ne renvoie qu’à l’article 262, § 2, alinéa 3, 2°, du Code judiciaire proposé, qui con- cerne les conditions à remplir pour être greffier en chef. Cette prorogation du délai est-elle dès lors ouverte pour les autres fonctions supérieures de niveau A requérant le passage de brevets préalables à la sélection Selor (greffier chef de service (art.263 CJ), secrétaire en chef (art.265 CJ) et chef de service (art.266 CJ))? Les commentaires du texte sont très généraux et le laissent penser. Si tel était le cas, il faudrait peut-être également renvoyer à ces articles dans l’article 183 du projet. Qu’en est-il des personnes qui, dispensées des bre- vets, passent avec succès la sélection du Selor mais que des places ne sont pas disponibles? Restent-ils sur une liste de réserve? Cette liste est-elle limitée dans le temps? La ministre précise que la validité de la liste de ré- serve est à durée indéterminée. Sur la première question, la ministre précise que les conditions de nomination et d’accès sont mentionnées dans les dispositions relatives à la nomination des gref- fiers en chef, dans lesquelles une référence à l’article 262, § 2, est systématiquement faite. * * * Cet article est adopté à l’unanimité. Art. 184 et 185 Ces dispositions ne font l’objet d’aucun commentaire. Ces articles sont successivement adoptés à l’unani- mité. worden benoemd in een vakklasse van niveau A, werd verlengd van 6 naar 10 jaar. Ze zullen dus alleen moe- ten slagen voor de vergelijkende selectie bestaande uit een onderhoud op basis van een functiegerelateerd praktijkgeval. Het ontworpen artikel 183, dat die maat- regel bekrachtigt, verwijst alleen naar het voorgestelde artikel 262, § 2, derde lid, 2°, van het Gerechtelijk Wet- boek, dat betrekking heeft op de voorwaarden om hoofd- griffier te zijn. Geldt die verlenging van de termijn bijge- volg voor de andere hogere functies van niveau A die vereisen dat voorafgaand aan de Selorselectie een bre- vet wordt behaald (griffier-hoofd van dienst (artikel 263 van het Gerechtelijk Wetboek)), hoofdsecretaris (artikel 265 van het Gerechtelijk Wetboek) en secretaris-hoofd van dienst (artikel 266 van het Gerechtelijk Wetboek)? De commentaren op de tekst zijn zeer algemeen en laten denken dat zulks het geval is. Als dat zo is, dan zou in het ontworpen artikel 183 misschien ook naar die artikelen moeten worden verwezen. Quid met de personen die vrijgesteld zijn van brevet- ten en de Selorselectie met succes doorstaan terwijl er geen plaatsen beschikbaar zijn? Worden ze opgeno- men in een reservelijst? Is de geldigheid van die lijst beperkt in de tijd? De minister geeft aan dat de reservelijst voor onbe- paalde tijd blijft gelden. Wat de eerste vraag betreft, preciseert de minister dat de voorwaarden inzake benoeming en toegang ver- meld zijn in de bepalingen met betrekking tot de benoe- ming van de griffiers-hoofden van dienst, waarin syste- matisch wordt verwezen naar artikel 262, § 2. * * * Dit artikel wordt eenparig aangenomen. Art. 184 tot 185 Over die artikelen worden geen opmerkingen ge- maakt. Ze worden achtereenvolgens eenparig aangenomen. 20 2922/002 DOC 51 C H A M B R E 5e S E S S I O N D E L A 5 1e L É G I S L A T U R E K A M E R 5e Z I T T I N G VA N D E 5 1e Z I T T I N G S P E R I O D E 2006 2007 * * * L’ensemble du projet de loi, tel que corrigé, est adopté à l’unanimité. Le rapporteur, Le président, Sabien LAHAYE-BATTHEU Martine TAELMAN ERRATA Art. 139 1. À l’article 372, points 6 et 11 en projet, lire, dans le texte néerlandais, «drie jaarlijkse» au lieu de «driejaarlijkse». 2. 1. À l’article 372, points 6 et 11 en projet, lire «trois augmentations annuelles» au lieu de «augmentations triennales». * * * Het hele wetsontwerp, zoals het werd verbeterd, wordt eenparig aangenomen. De rapporteur, De voorzitter, Sabien LAHAY-BATTHEU Martine TAELMAN ERRATA Art. 139 1. In het ontworpen artikel 372, zesde en elfde punt, leze men «drie jaarlijkse» in plaats van «driejaarlijkse». 2. In het ontworpen artikel 372, zesde en elfde punt van de Franse tekst, leze men «trois augmentations an- nuelles» in plaats van «augmentations triennales». Centrale drukkerij – Deze publicatie wordt uitsluitend gedrukt op volledig gerecycleerd papier Imprimerie centrale – Cette publication est imprimée exclusivement sur du papier entièrement recyclé

Vragen over dit document?

Stel uw vragen aan onze juridische AI-assistent

Open chatbot