Inhoud
CHAMBRE DES REPRÉSENTANTS
DE BELGIQUE
BELGISCHE KAMER VAN
VOLKSVERTEGENWOORDIGERS
7127
DOC 51 2922/002
DOC 51 2922/002
C H A M B R E
5e S E S S I O N D E L A 5 1e L É G I S L A T U R E
K A M E R 5e Z I T T I N G V A N D E 5 1e Z I T T I N G S P E R I O D E
2006
2007
23 maart 2007
23 mars 2007
NAMENS DE COMMISSIE VOOR DE JUSTITIE
UITGEBRACHT DOOR
MEVROUW Sabien LAHAYE-BATTHEU
FAIT AU NOM DE LA COMMISSION DE LA JUSTICE
PAR
MME Sabien LAHAYE-BATTHEU
SOMMAIRE
I.
Exposé introductif de Mme Laurette Onkelinx, vice-
première ministre et ministre de la Justice . . . . . . . . 3
II. Discussion générale . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 10
III. Discussion des articles et votes . . . . . . . . . . . . . . . 13
Errata . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 20
Document précédent :
Doc 51 2922/ (2006/2007) :
001 :
Projet transmis par le Sénat.
Voorgaand document :
Doc 51 2922/ (2006/2007) :
001 :
Ontwerp overgezonden door de Senaat.
INHOUD
I.
Inleidende uiteenzetting door mevrouw Laurette
Onkelinx, vice-eersteminister en minister van Justitie 3
II. Algemene bespreking . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 10
III. Artikelsgewijze bespreking en stemmingen . . . . . . 13
Errata . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 20
VERSLAG
RAPPORT
PROJET DE LOI
WETSONTWERP
modifiant le Code judiciaire, notamment les
dispositions relatives au personnel judiciaire
de niveau A, aux greffiers et aux secrétaires
ainsi que les dispositions relatives à
l'organisation judiciaire
tot wijziging van het Gerechtelijk Wetboek
inzonderheid met betrekking tot bepalingen
inzake het gerechtspersoneel van het niveau
A, de griffiers en de secretarissen en inzake
de rechterlijke organisatie
2
2922/002
DOC 51
C H A M B R E
5e S E S S I O N D E L A 5 1e L É G I S L A T U R E
K A M E R 5e Z I T T I N G VA N D E 5 1e Z I T T I N G S P E R I O D E
2006
2007
Abréviations dans la numérotation des publications :
DOC 51 0000/000 :
Document parlementaire de la 51e législature, suivi
du n° de base et du n° consécutif
QRVA :
Questions et Réponses écrites
CRIV :
Version Provisoire du Compte Rendu intégral
(couverture verte)
CRABV :
Compte Rendu Analytique (couverture bleue)
CRIV :
Compte Rendu Intégral, avec, à gauche, le compte
rendu intégral et, à droite, le compte rendu analytique
traduit des interventions (avec les annexes)
(PLEN: couverture blanche; COM: couverture
saumon)
PLEN :
Séance plénière
COM :
Réunion de commission
MOT :
Motions déposées en conclusion d’interpellations
(papier beige)
Publications officielles éditées par la Chambre des représentants
Commandes :
Place de la Nation 2
1008 Bruxelles
Tél. : 02/ 549 81 60
Fax : 02/549 82 74
www.laChambre.be
Officiële publicaties, uitgegeven door de Kamer van volksvertegenwoordigers
Bestellingen :
Natieplein 2
1008 Brussel
Tel. : 02/ 549 81 60
Fax : 02/549 82 74
www.deKamer.be
e-mail : publicaties@deKamer.be
cdH
:
Centre démocrate Humaniste
CD&V
:
Christen-Democratisch en Vlaams
ECOLO
:
Ecologistes Confédérés pour l’organisation de luttes originales
FN
:
Front National
MR
:
Mouvement Réformateur
N-VA
:
Nieuw - Vlaamse Alliantie
PS
:
Parti socialiste
sp.a - spirit
:
Socialistische Partij Anders - Sociaal progressief internationaal, regionalistisch integraal democratisch toekomstgericht.
Vlaams Belang
:
Vlaams Belang
VLD
:
Vlaamse Liberalen en Democraten
Afkortingen bij de nummering van de publicaties :
DOC 51 0000/000 :
Parlementair document van de 51e zittingsperiode +
basisnummer en volgnummer
QRVA :
Schriftelijke Vragen en Antwoorden
CRIV :
Voorlopige versie van het Integraal Verslag (groene kaft)
CRABV :
Beknopt Verslag (blauwe kaft)
CRIV :
Integraal Verslag, met links het definitieve integraal
verslag en rechts het vertaald beknopt verslag van de
toespraken (met de bijlagen)
(PLEN: witte kaft; COM: zalmkleurige kaft)
PLEN :
Plenum
COM :
Commissievergadering
MOT :
Moties tot besluit van interpellaties (beigekleurig papier)
Samenstelling van de commissie op datum van indiening van het verslag/
Composition de la commission à la date du dépôt du rapport :
Voorzitter / Président : Martine Taelman
A. — Titulaires / Vaste leden :
VLD
Sabien Lahaye-Battheu, Claude Marinower, Martine
Taelman
PS
Valérie Déom, Thierry Giet, André Perpète
MR
Alain Courtois, Olivier Maingain, Jean-Pierre
Malmendier
sp.a-spirit
David Geerts, Walter Muls, Guy Swennen
CD&V
Jo Vandeurzen, Tony Van Parys
Vlaams Belang Bart Laeremans, Bert Schoofs
cdH
Melchior Wathelet
C. — Membres sans voix délibérative / Niet-stemgerechtigde
leden:
ECOLO
Marie Nagy
B. — Suppléants / Plaatsvervangers :
Alfons Borginon,Guido De Padt, Stef Goris, Guy Hove
Alisson De Clercq, Karine Lalieux, Jean-Claude Maene, Eric Massin
Eric Libert, Marie-Christine Marghem, Charles Michel, Dominique
Van Roy
Anne-Marie Baeke, Stijn Bex, Dylan Casaer, Cemal Cavdarli
Carl Devlies, Liesbeth Van der Auwera, Servais Verherstraeten
Nancy Caslo, Alexandra Colen, Paul Meeus
Joseph Arens, Joëlle Milquet,
3
2922/002
DOC 51
C H A M B R E
5e S E S S I O N D E L A 5 1e L É G I S L A T U R E
K A M E R 5e Z I T T I N G V A N D E 5 1e Z I T T I N G S P E R I O D E
2006
2007
DAMES EN HEREN,
Uw commissie heeft dit door de Senaat overgezonden
wetsontwerp besproken tijdens de vergadering van 14
maart 2007.
I. — INLEIDENDE UITEENZETTING DOOR ME-
VROUW LAURETTE ONKELINX, VICE-EERSTE-
MINISTER EN MINISTER VAN JUSTITIE
Dit wetsontwerp is zeer omvangrijk en technisch en
werd reeds uitvoerig besproken in de senaatscommissie
Justitie. Daar waar nodig werd het geoptimaliseerd bij
amendementen.
Bij deze inleiding wordt vooral de nadruk gelegd op
de vele perspectieven die het ontwerp biedt in het ka-
der van de modernisering van justitie.
Bijna iedereen is overtuigd van het feit dat justitie ef-
ficiënter, sneller en toegankelijker dient te worden ge-
maakt, weliswaar met het behoud van de rechterlijke
onafhankelijkheid en de vereiste kwaliteit.
Verschillende facetten van de organisatie zijn voor
verbetering vatbaar. Er is onder meer nood aan een in-
tegraal management, aan harmonisering, aan gemoti-
veerd, adequaat en flexibel inzetbaar personeel en aan
een duidelijke omlijning van functies, in de context van
efficiënte werkprocessen.
De regering heeft reeds tal van regelgevende initia-
tieven genomen op basis waarvan deze modernisering
kan worden tot stand gebracht:
1.
INTEGRAAL MANAGEMENT
1.1. Responsabilisering van de magistraat-korps-
overste
In dit ontwerp wordt de magistraat-korpsoverste be-
voegd voor de algemene leiding en de organisatie van
het hof of de rechtbank.
Deze beheersfunctie omvat tal van aspecten, waar-
onder personeelsbeleid, preventiebeleid, administratief
beheer, informaticabeheer gebouwenbeheer en mate-
riële uitrusting.
Voor een optimale uitoefening van deze taak worden
onder meer de volgende initiatieven genomen:
– de hoofdgriffier komt onder zijn gezag en toezicht;
MESDAMES, MESSIEURS,
Votre commission a examiné ce projet de loi, trans-
mis par le Sénat, au cours de sa réunion du 14 mars
2007.
I. — EXPOSÉ INTRODUCTIF DE MME LAURETTE
ONKELINX, VICE-PREMIÈRE MINISTRE ET
MINISTRE DE LA JUSTICE
Le présent projet de loi est un projet technique de
grande ampleur qui a déjà été examiné en détail par la
commission de la Justice du Sénat. Il a été optimisé par
des amendements là où cela s’avérait nécessaire.
Dans cette introduction, l’accent est surtout mis sur
les nombreuses perspectives offertes par le projet dans
le cadre de la modernisation de la justice.
Pratiquement tout le monde est convaincu de la né-
cessité de rendre la justice plus efficace, plus rapide et
plus accessible, tout en préservant l’indépendance du
pouvoir judiciaire et la qualité requise.
Diverses facettes de l’organisation sont susceptibles
d’être améliorées. On soulignera notamment le besoin
d’un management intégral, d’une harmonisation, d’un
personnel motivé, approprié et flexible ainsi que d’une
définition claire des fonctions, dans le contexte de pro-
cessus de travail efficaces.
Le gouvernement a déjà pris différentes initiatives en
vue de moderniser la politique du personnel et les struc-
tures de gestion dans les cours et tribunaux:
1.
MANAGEMENT INTÉGRAL
1.1. Responsabilisation du magistrat-chef de corps
Dans le présent projet, le magistrat-chef de corps est
compétent pour la direction générale et l’organisation
de la cour ou du tribunal.
Cette fonction de gestion englobe de nombreux as-
pects, parmi lesquels la politique en matière de per-
sonnel, la politique de prévention, la gestion adminis-
trative, la gestion informatique, la gestion des bâtiments
et l’équipement matériel.
Pour que cette tâche puisse être accomplie de ma-
nière optimale, les initiatives suivantes ont été prises:
– le greffier en chef est placé sous son autorité et sa
surveillance;
4
2922/002
DOC 51
C H A M B R E
5e S E S S I O N D E L A 5 1e L É G I S L A T U R E
K A M E R 5e Z I T T I N G VA N D E 5 1e Z I T T I N G S P E R I O D E
2006
2007
– hij krijgt meer bevoegdheden inzake
personeelsbeleid, waaronder de selectie;
– op zijn verzoek kan een steundienst worden opge-
richt die hem bijstaat bij zijn managementfunctie. In deze
steundienst is er plaats voor tal van actuele en toekom-
stige functies die moeilijk onder te brengen zijn in een
griffie of een parket.
Eén van de cruciale opdrachten van het Instituut voor
gerechtelijke opleiding dat op basis van de wet van 31
januari 2007 zal worden opgericht, zal er in bestaan om
de korpsoversten onafgebroken bij te scholen in zake
al deze aspecten van management.
Overeenkomstig de wet van 18 december 2006 zal
de uitvoering van het beheersplan van de korpschef,
dat hij naar aanleiding van zijn kandidaatsstelling heeft
opgemaakt, geëvalueerd worden.
1.2. Oprichting van een gemeenschappelijke steun-
dienst ten behoeve van het college van procureurs-ge-
neraal, de raad van procureurs des Koning en de raad
van arbeidsauditeurs
De verticale integratie van het openbaar ministerie
beoogt een permanent overleg, een samenwerking en
een ondersteuning tussen de verschillende niveaus van
het openbaar ministerie.
Momenteel kan enkel het college van procureurs-
generaal beroep doen op een ondersteunend orgaan,
zijnde het secretariaat.
Met het oog op een optimale aanwending van mid-
delen is het aangewezen om dit ondersteunend orgaan
aan te passen aan de actuele behoeften:
– enerzijds wordt het voortaan ten dienste gesteld
van de raad van procureurs des Konings en de raad
van arbeidsauditeurs;
– anderzijds wordt de ondersteuning ook qua inhoud
verruimd: het geeft onder andere juridische en admini-
stratieve bijstand, bijstand bij informaticabeheer, gebou-
wen en materiële uitrusting.
2.
GEMOTIVEERD, ADEQUAAT EN FLEXIBEL INZETBAAR PERSO-
NEEL
De magistraat-korpsoverste kan slechts een succes-
vol beleid voeren indien hij beroep kan doen op vol-
–
ses compétences en matière de politique du per-
sonnel, en ce compris la sélection, sont accrues;
– des services d’appui sont créés pour l’assister dans
la fonction de management. Beaucoup de tâches ac-
tuelles et futures peuvent et pourront difficilement être
intégrées à un greffe ou un parquet. Sont par exemple
peu concernés par le fonctionnement d’un greffe ou d’un
parquet.
Une des missions essentielles de l’Institut de forma-
tion judiciaire qui sera créé sur la base de la loi du 31
janvier 2007 consistera à assurer la formation continue
des chefs de corps en ce qui concerne ces aspects du
management.
Conformément à la loi du 18 décembre 2006, l’exé-
cution du plan de gestion du chef de corps, qu’il a ré-
digé dans le cadre de sa candidature, fera l’objet d’une
évaluation.
1.2. Création d’un service d’appui commun pour le
collège des procureurs généraux, le conseil des procu-
reurs du roi et le conseil des auditeurs du travail
L’intégration verticale du ministère public a pour ob-
jectifs une concertation permanente, une collaboration
et un appui entre les différents niveaux du ministère
public.
Actuellement, seul le Collège des Procureurs géné-
raux peut bénéficier des services d’un organe d’appui,
à savoir le secrétariat.
En vue de l’utilisation optimale des moyens, il est in-
diqué d’adapter cet organe d’appui aux besoins actuels:
– d’une part, il est dorénavant mis au service du Con-
seil des procureurs du Roi et du Conseil des auditeurs
du travail;
– d’autre part, l’appui est également étendu en ter-
mes de contenu: il inclut notamment l’assistance juridi-
que et administrative, l’assistance en matière de ges-
tion informatique, les bâtiments et l’équipement matériel.
2.
PERSONNEL MOTIVE, APPROPRIE ET FLEXIBLE
Le magistrat-chef de corps ne peut mener une politi-
que avec succès que s’il peut faire appel à du person-
5
2922/002
DOC 51
C H A M B R E
5e S E S S I O N D E L A 5 1e L É G I S L A T U R E
K A M E R 5e Z I T T I N G V A N D E 5 1e Z I T T I N G S P E R I O D E
2006
2007
doende gemotiveerd, adequaat en flexibel inzetbaar
personeel. De regering heeft reeds de loopbaan van
het administratief gerechtspersoneel van het niveau B,
C en D gemoderniseerd; deze is in werking getreden
op 1 december 2006. Dit ontwerp is een logische
verderzetting en beoogt het gerechtspersoneel van ni-
veau A, griffiers en secretarissen.
2.1. Koppeling van de rechtspositieregeling en het
statuut aan de doelstellingen en de inhoud van de func-
tie
Eén van de grote knelpunten in de griffies en parket-
ten is het gebrek aan een duidelijk totaalbeeld van de
inhoud en het gewicht van de diverse gerechtsfuncties.
Actueel zijn er tal van personeelsleden van verschil-
lende niveaus met dezelfde taakinhoud of van eenzelfde
niveau met een taakinhoud die aanzienlijk verschilt in
zwaarte en complexiteit.
Expertise en vaardigheden worden bovendien niet
steeds voldoende gevalideerd.
Nochtans is de functie-inhoud primordiaal bij de be-
paling van:
– het hiërarchisch niveau (A, B, C of D);
– een marktconform inkomen;
– de benoemings- en selectievoorwaarden;
– de verdere loopbaanontwikkeling;
– de opleiding;
– de evaluatie, etc.
Een totaalbeeld geeft eveneens een transparante kijk
op de werkprocessen; van elke actor in de organisatie
(referendaris, parketjurist, griffier, secretaris, deskundige,
assistent, medewerker…) wordt de plaats in het geheel
gekend. Dit geeft de mogelijkheid om knelpunten op te
sporen en verbeteringen naar voor te brengen op basis
waarvan het management een beslissing moet nemen.
Dit ontwerp bepaalt het kader voor deze functie-
classificaties en alle daaraan gekoppelde aspecten van
het personeelsbeheer van het gerechtspersoneel van
niveau A, de griffiers en de secretarissen.
2.1.1. Gerechtspersoneel van niveau A
Dit niveau omvat onder meer de referendarissen, de
parketjuristen, de attachés, de hoofdgriffiers, de hoofd-
secretarissen, de griffiers-hoofd van dienst, de secreta-
nel suffisamment motivé, approprié et flexible. Le gou-
vernement a déjà modernisé la carrière du personnel
judiciaire administratif des niveaux B, C et D; celle-ci
est entrée en vigueur le 1er décembre 2006. Le présent
projet est un prolongement logique et vise le personnel
judiciaire de niveau A, les greffiers et les secrétaires.
2.1. Articulation entre la réglementation relative au
statut juridique et le statut et les objectifs et le contenu
de la fonction
L’un des grands problèmes dans les greffes et par-
quets est l’absence d’une vue d’ensemble claire du con-
tenu et du poids des différentes fonctions judiciaires.
Actuellement, il existe un grand nombre de membres
du personnel de différents niveaux dont le contenu des
fonctions est identique ou de membres du personnel
d’un même niveau dont le contenu des fonctions diffère
grandement quant à leur poids et à leur complexité.
L’expertise et les aptitudes ne sont en outre pas tou-
jours suffisamment validées.
Toutefois, le contenu de la fonction est primordial pour
déterminer:
– le niveau hiérarchique (A, B, C ou D);
– un revenu conforme au marché;
– les conditions de nomination et de sélection;
– le développement de la carrière;
– la formation;
– l’évaluation, …
Une vue d’ensemble donne également une vision
transparente des processus de travail dans la mesure
où la place de chaque acteur (référendaire, juriste de
parquet, greffier, secrétaire, expert, assistant, collabo-
rateur, …) dans l’ensemble de l’organisation est con-
nue. Cela permet de déceler les problèmes et de pro-
poser des améliorations sur la base desquelles le
management devra prendre une décision.
Le présent projet prévoit le cadre pour ces classifica-
tions de fonctions et tous les aspects y afférents en
matière de gestion du personnel judiciaire de niveau A,
des greffiers et des secrétaires. barémique commence-
ront prochainement.
2.1.1. Personnel judiciaire de niveau A
Ce niveau contient notamment les référendaires, les
juristes de parquet, les attachés, les greffiers en chef,
les secrétaires en chef, les greffiers-chefs de service,
6
2922/002
DOC 51
C H A M B R E
5e S E S S I O N D E L A 5 1e L É G I S L A T U R E
K A M E R 5e Z I T T I N G VA N D E 5 1e Z I T T I N G S P E R I O D E
2006
2007
rissen-hoofd van dienst en personeelsleden van de
steundiensten.
De diverse functies in het niveau A zullen worden
beschreven, gegroepeerd, onderling gewogen en uit-
eindelijk door de Koning geclassificeerd in één van de
vijf vakklassen (A1 tot A5).
Ze worden uitgevoerd door een wegingscommissie
en een uitgebreide wegingscommissie die is samenge-
steld uit vertegenwoordigers van hoven en rechtban-
ken en experten waaronder die van de FOD P&O, de
FOD Justitie en de FOD Begroting.
2.1.2. Griffiers en secretarissen
Op basis van hun actuele taakinhoud en verantwoor-
delijkheden en hun vereiste opleiding, heeft de regering
beslist om de griffiers en de secretarissen onder te bren-
gen in het niveau B. Voor een uitgebreide motivering
van deze keuze verwijst de minister naar de memorie
van toelichting en de uitvoerige besprekingen in de Se-
naat.
Deze keuze stuitte nochtans op zware kritiek in be-
paalde griffierskringen. De belangenverening,
CENEGER, werd het forum gegeven om uitvoerig al haar
verzuchtingen en opmerkingen uiteen te zetten. Hierbij
bleek dat verschillende opmerkingen berustten op on-
juiste juridisch-technische inzichten van hunnentwege.
Aan bepaalde verzuchtingen werd tegemoet gekomen
door de amendemering van het ontwerp, meer bepaald:
·
mogelijkheid tot weging van een functie van ni-
veau B.
Dit ontwerp kent aan de verantwoordelijken van de
rechterlijke orde een belangrijke inbreng toe bij het be-
palen van de inhoud van de diverse functies in het ka-
der van de doelstellingen van justitie als organisatie en
de weging ervan.
Mochten naargelang van het geval, het college van
procureurs-generaal of de eerste voorzitters van de
hoven van beroep of van de arbeidshoven, van oordeel
zijn dat een functie in het niveau B dermate evolueert
dat het aangewezen is dat de wetgever ze anders zou
indelen, dan kunnen zij aan de minister van Justitie vra-
gen de opdracht te geven aan de wegingscomités om
deze functie te wegen.
·
Prioriteit gerechtspersoneel
Initieel werd enkel bepaald dat voor een benoeming
tot functies in de vakklasse A3 of A4, in eerste instantie
les secrétaires-chefs de service et des membres du
personnel des services d’appui.
Les différentes fonctions dans le niveau A seront dé-
crites, groupées, pondérées entre elles et finalement
classées par le Roi dans une des cinq classes de mé-
tiers (A1 à A5).
Ces pondérations sont réalisées par une commission
de pondération et une commission de pondération élar-
gie composée de représentants des cours et tribunaux
et d’experts parmi lesquels ceux du SPF P&O, du SPF
Justice et du SPF Budget.
2.1.2. Greffiers et secrétaires
Le gouvernement a décidé d’intégrer les greffiers et
les secrétaires dans le niveau B, ce sur la base de leur
formation requise, du contenu de leurs tâches et de leurs
responsabilités. Pour une motivation étendue de ce
choix, la ministre renvoie à l’exposé des motifs et aux
discussions approfondies menées au Sénat.
Ce choix a néanmoins été fortement critiqué dans
certains milieux parmi les greffiers. L’association
CENEGER, a obtenu la parole afin qu’elle puisse expri-
mer ses attentes et formuler ses remarques. A cet égard,
il est apparu que diverses remarques se fondaient sur
des conceptions d’ordre juridique et techniques erro-
nées. Certaines de ces attentes ont du être rencon-
trées par des amendments au projet, en particulier sur
les points suivants:
·
possibilité de pondération d’une fonction de ni-
veau B
Ce projet accorde aux responsables de l’ordre judi-
ciaire un rôle important dans la détermination du con-
tenu des différentes fonctions dans le cadre des objec-
tifs de la justice en tant qu’organisation ainsi que dans
leur pondération.
Si le Collège des Procureurs généraux ou le Collège
des premiers présidents des cours d’appel ou des cours
du travail, selon le cas, estime qu’une fonction de ni-
veau B évolue dans une mesure telle qu’il serait indiqué
que le législateur la classe différemment, il peut deman-
der au Ministre de la Justice de charger les comités de
pondération de pondérer cette fonction.
·
Priorité au personnel judiciaire
Initialement, il était seulement prévu de faire d’abord
appel à du personnel judiciaire pour la nomination à des
7
2922/002
DOC 51
C H A M B R E
5e S E S S I O N D E L A 5 1e L É G I S L A T U R E
K A M E R 5e Z I T T I N G V A N D E 5 1e Z I T T I N G S P E R I O D E
2006
2007
beroep moest worden gedaan op gerechtpersoneel.
Deze prioriteit wordt uitgebreid voor een benoeming tot
hoofdgriffier, hoofdsecretaris, griffier-hoofd van dienst
en secretaris hoofd van dienst.
·
wijziging benoemingsvoorwaarden
De anciënniteitsvereisten van de kandidaten met een
diploma van niveau A, om te kunnen worden bevorderd
tot respectievelijk hoofdgriffier of griffier-hoofd van dienst
en hoofdsecretaris of secretaris-hoofd van dienst wor-
den gelijkgeschakeld; vijf jaar ongeachte de hoedanig-
heid van de kandidaat (parketjurist, referendaris, grif-
fier, secretaris)..
·
Wijziging overgansmaatregelen
De overgangsperiode voorzien om zonder het beha-
len van de bijkomende brevetten door te stromen naar
niveau A, wordt van 6 naar 10 jaar gebracht. Derhalve
zullen quasi alle in dienst zijnde leden van de griffies en
parketsecretariaten van deze overgangsmaatregel ge-
bruik kunnen maken.
2.2. Professionalisering van de selectie
De vergelijkende selecties moeten op een objectieve
en professionele wijze gebeuren, in nauwe samenwer-
king met de lokale overheden. Selor krijgt hierbij een
belangrijke rol. Deze autonome organisatie beschikt hier-
voor immers over de know how en de middelen.
2.3. Loopbaanontwikkeling
De loopbaanontwikkeling is voornamelijk gebaseerd
op de investering in kennis en vaardigheden. Het Insti-
tuut voor gerechtelijke opleiding zal ook hier een be-
langrijke taak worden toebedeeld.
Een personeelslid kan in niveau A bevorderen naar
een hogere klasse. Een personeelslid met een graad in
niveau B kan bevorderen naar een klasse in niveau A.
Het slagen in een gecertificeerde opleiding geeft recht
op een competentietoelage of een bevordering in een
hogere weddenschaal. Deze opleidingen zullen in eer-
ste instantie worden georganiseerd door het Opleidings-
instituut van de Federale Overheid. Het Instituut voor
gerechtelijke opleiding zal mede deze taak overnemen
van zodra het op kruissnelheid is gekomen.
fonctions de la classe de métiers A3 ou A4. Cette prio-
rité est étendue à la nomination au grade de greffier en
chef, de secrétaire en chef, de greffier-chef de service
et de secrétaire-chef de service.
·
modification des conditions de nomination
Les conditions d’ancienneté des candidats titulaires
d’un diplôme de niveau A requises pour pouvoir être
promu respectivement greffier en chef ou greffier-chef
de service et secrétaire en chef ou secrétaire-chef de
service sont alignées: cinq ans, indépendamment de la
qualité du candidat (juriste de parquet, référendaire,
greffier, secrétaire).
·
modification des mesures transitoires
La période transitoire permettant d’accéder au niveau
A sans obtenir de brevets supplémentaires est portée
de 6 à 10 ans. Par conséquent, quasiment tous les
membres des greffes et secrétariats de parquet en ser-
vice pourront bénéficier de cette mesure transitoire.
2.2. La professionnalisation de la sélection
Les sélections comparatives doivent être effectuées
de manière objective et professionnelle en étroite colla-
boration avec les autorités locales. Selor se voit attri-
buer un rôle important. Cette organisation autonome
dispose en effet du savoir-faire et des moyens pour ce
faire.
2.3. Développement de la carrière
Le développement de la carrière se base principale-
ment sur l’investissement dans les connaissances et les
aptitudes. Dans ce domaine également, l’Institut de for-
mation judiciaire se verra confier une mission impor-
tante.
Au niveau A, un membre du personnel peut être
promu dans une classe supérieure. Un membre du per-
sonnel revêtu d’un grade de niveau B peut être promu
dans une classe du niveau A.
La réussite d’une formation certifiée donne droit au
bénéfice d’une allocation de compétence et à la promo-
tion à une échelle de traitement supérieure. Ces for-
mations seront organisées dans un premier temps par
l’Institut de Formation de l’Administration fédérale. L’Ins-
titut de formation judiciaire se chargera également de
cette tâche dès qu’il aura atteint sa vitesse de croisière.
8
2922/002
DOC 51
C H A M B R E
5e S E S S I O N D E L A 5 1e L É G I S L A T U R E
K A M E R 5e Z I T T I N G VA N D E 5 1e Z I T T I N G S P E R I O D E
2006
2007
2.4. bevordering van personeelsmobiliteit
De regering wil, net zoals voor de personeelsleden
van de niveaus B, C en D, ook voor de doelgroep in
kwestie, de vrijwillige interne mobiliteit door middel van
mutatie bevorderen.
Hiertoe worden bepaald:
·
het verlenen van voorrang aan mutatie bij het in-
vullen van vacante betrekkingen;
·
een ontkoppeling van benoemingsvoorwaarden
en de baremaloopbaan aan het type gerecht. Er wordt
bijvoorbeeld geen onderscheid meer gemaakt tussen
deze van griffier bij de rechtbank van eerste aanleg of
deze van griffier bij het hof van beroep;
Bovendien wordt in een wederzijdse mobiliteit voor-
zien tussen de rijksambtenaren en het gerechts-
personeel.
Al deze aspecten bieden ook vanuit organisatorische
standpunt tal van perspectieven.
2.5. Integratie- en overgangsmaatregelen
De weging van alle type-functies in het niveau A ge-
beurt na de inwerkingtreding van het ontwerp. Bij de
inwerkingtreding zullen, in een eerste fase, alle perso-
neelsleden in een bepaalde klasse worden geïntegreerd,
rekening houdende met hun huidige graad, wedde en
anciënniteit.
Er worden bovendien in verschillende overgangs-
maatregelen voorzien op geldelijk vlak (bijv. behoud van
bestaande weddenbijslagen) en op het vlak van de
loopbaanontwikkeling (bijv. 10 jaar vrijstelling voor het
behalen van brevetten van het niveau A).
3. OVERIGE MEEST SIGNIFICANTE AMENDEMENTEN
3.1. balie-ervaring
In het initieel neergelegde ontwerp werd reeds be-
paald dat de volledige periode van inschrijving bij de
balie meetelt voor de berekening van de geldelijke
anciënniteit en niet meer voor een beperkte periode van
4 jaar.
Bij amendement wordt bepaald dat deze bepaling met
terugwerkende kracht ingaat vanaf 1 december 2006,
meer bepaald het tijdstip waarop het Arbitragehof de
beperking tot 4 jaar vernietigde.
2.4. Promotion de la mobilité du personnel
Le gouvernement souhaite, comme c’est le cas pour
les agents des niveaux B, C et D, promouvoir égale-
ment pour le groupe cible concerné la mobilité interne
volontaire par voie de mutation.
Il est prévu pour ce faire:
·
de donner priorité à la mutation lorsque des em-
plois vacants sont à pourvoir;
·
de dissocier les conditions de nomination et la
carrière barémique du type de juridiction. Il n’est, par
exemple, plus établi de distinction sur ce plan entre le
greffier du tribunal de première instance et le greffier de
la cour d’appel;
En outre une mobilité réciproque est prévue entre les
agents de l’Etat et le personnel judiciaire.
Tous ces éléments offrent de nombreuses perspecti-
ves du point de vue organisationnel aussi.
2.5. Intégration et mesures transitoires
La pondération de toutes les fonctions-types dans le
niveau A s’effectuera après l’entrée en vigueur du pré-
sent projet. A l’entrée en vigueur du projet, les mem-
bres du personnel seront, dans une première phase,
intégrés compte tenu de leur grade, traitement et an-
cienneté actuels.
Différentes mesures transitoires sont en outre pré-
vues sur le plan pécuniaire (p. ex. le maintien des sup-
pléments de traitement actuels) et sur le plan du déve-
loppement de la carrière (p. ex. une dispense de 10 ans
pour l’obtention de brevets du niveau A).
3. AUTRES AMENDEMENTS LES PLUS SIGNIFICATIFS
3.1. expérience au barreau
Le projet déposé initialement prévoyait déjà d’inclure
dans le calcul de l’ancienneté pécuniaire la période to-
tale d’inscription au barreau et non plus une période
limitée de 4 ans.
Il est prévu par voie d’amendement de conférer à cette
disposition un effet rétroactif au 1er décembre 2006, c’est-
à-dire le moment où la Cour d’arbitrage a annulé la limi-
tation à 4 ans.
9
2922/002
DOC 51
C H A M B R E
5e S E S S I O N D E L A 5 1e L É G I S L A T U R E
K A M E R 5e Z I T T I N G V A N D E 5 1e Z I T T I N G S P E R I O D E
2006
2007
3.2. verhoging taalpremie griffiers
De maandelijkse taalpremie voor de griffiers die het
bewijs hebben geleverd van de kennis van de tweede
taal wordt verhoogd van 24, 79 tot 110 euro.
TOEKOMSTPERSPECTIEF
Het advies van de Hoge Raad voor de Justitie van 29
november 2006 is hoogst merkwaardig; het ontwerp zou
geen visie inhouden op de rechterlijke organisatie van
de toekomst.
Er kan niet genoeg worden benadrukt dat alle regel-
gevende initiatieven van de regering op het vlak van de
modernisering van justitie, inclusief dit ontwerp, inhe-
rent met elkaar verbonden zijn en een krachtdadige
aanzet tot verandering inhouden. Van een eindpunt is
vanzelfsprekend geen sprake.
– Dit ontwerp schept een kader op basis waarvan
een modern personeelsbeleid kan worden uitgebouwd,
dat compatibel is met toekomstige hervormingen. De
resultaten van de BPR’s in hoven en rechtbanken en de
resultaten van de werklastmeting zullen ongetwijfeld de
doelstellingen van de functies van het gerechtspersoneel
en de inhoud ervan, evenals het personeelskader beïn-
vloeden.
– Er dienen nog tal van uitvoeringsmaatregelen te
worden genomen, in nauwe samenwerking met de
verantwoordelijken van de rechterlijke orde.
– Daarenboven dient de regelgeving inzake
personeelsbeleid ook nog op andere vlakken te worden
aangepast, denk maar aan de evaluatieprocedure.
De decentralisatie van een groot deel van de beheers-
bevoegdheden, zowel wat personeel als budget betreft
naar nieuwe machtsniveaus moet hand in hand gaan
met de uitvoering van de talrijke initiatieven inzake op-
leiding,
integraal
management,
modern
personeelsbeheer, verbetering van de werkprocessen,
werklastmeting, informatisering, harmonisering, enz.
Het is zeer belangrijk dat fundamentele veranderin-
gen in het beheer van de rechterlijke orde worden ge-
dragen door alle betrokkenen, beleidsverantwoorde-
lijken, magistraten, gerechtspersoneel en externe
partners, waaronder de FOD Justitie.
3.2. augmentation de la prime linguistique des gref-
fiers
La prime linguistique mensuelle pour les greffiers qui
ont justifié de la connaissance de la deuxième langue
est portée de 24,79 à 110 euros.
PERSPECTIVES D’AVENIR
L’avis du Conseil supérieur de la Justice du 29 no-
vembre 2006 est des plus remarquables; le projet ne
contiendrait aucune vision d’avenir pour l’organisation
judiciaire.
On ne pourra jamais souligner à quel point toutes les
initiatives réglementaires du gouvernement sur le plan
de la modernisation de la justice, en ce compris le pré-
sent projet, sont intrinsèquement liées et impliquent une
puissante impulsion au changement. Il n’est évidem-
ment pas question d’un point final.
– Il crée un cadre sur la base duquel peut être déve-
loppée une politique du personnel moderne, compati-
ble avec des réformes futures. Les résultats des BPR
dans les cours et tribunaux et les résultats de la mesure
de la charge de travail influenceront certainement les
objectifs et le contenu des fonctions du personnel judi-
ciaire ainsi que le cadre du personnel.
– De nombreuses mesures d’exécution doivent en-
core être prises en étroite collaboration avec les res-
ponsables de l’Ordre judiciaire.
– En outre, la réglementation relative à la politique
du personnel doit encore être adaptée sur d’autres plans,
par exemple au niveau de la procédure d’évaluation.
La décentralisation d’une grande partie des compé-
tences en matière de gestion, tant sur le plan du per-
sonnel que sur le plan budgétaire, vers de nouveaux
niveaux de pouvoir doit aller de pair avec l’exécution
d’un grand nombre d’initiatives dans les domaines de la
formation, du management intégral, de la gestion mo-
derne du personnel, de l’amélioration des processus de
travail, de la mesure de la charge de travail, de l’infor-
matisation, de l’harmonisation, etc.
Il est essentiel que les changements fondamentaux
dans la gestion de l’ordre judiciaire soient supportés par
tous les intéressés, les responsables de la politique à
suivre, les magistrats, le personnel judiciaire et les par-
tenaires externes, parmi lesquels le SPF Justice.
10
2922/002
DOC 51
C H A M B R E
5e S E S S I O N D E L A 5 1e L É G I S L A T U R E
K A M E R 5e Z I T T I N G VA N D E 5 1e Z I T T I N G S P E R I O D E
2006
2007
De commissie voor de Modernisering van de Rech-
terlijke Orde die is opgericht op 1 maart 2007, krijgt bij
al deze aspecten van het moderniseringproces een be-
langrijke rol van katalysator en begeleider toebedeeld.
Zij zal in haar opdracht worden gesteund door de Alge-
mene Raad van partners van de Rechterlijke Orde.
II. — ALGEMENE BESPREKING
a)
Vragen en opmerkingen van de leden
De heer Tony Van Parys (CD&V) stelt vast dat in de
Senaat over dit wetsontwerp een fundamentele discus-
sie heeft plaatsgevonden.
Over deze materie bestaan bij een aantal actoren
bepaalde gevoeligheden die in de mate van het moge-
lijke opgelost dienen te worden. Het is belangrijk dat
aangetoond wordt welke richting deze globale hervor-
ming uitgaat.
Het lid treedt de minister bij in haar uitspraak dat hier
voor het wegingscomité en de commissie voor de
modernisering van de rechterlijke orde een belangrijke
rol is weggelegd. Het wordt evenwel afwachten hoe het
wegingscomité en de commissie voor de modernisering
van de rechterlijke orde, als overblijfsel van het
Themisplan, zullen functioneren en op welke manier zij
hun taak zullen uitvoeren.
Het is belangrijk dat de overgangsbepalingen inzake
de opdrachten van het wegingscomité ongerustheden
wegwerken.
De spreker is van oordeel dat nog veel dialoog zal
nodig zijn om iedereen te overtuigen. Er moeten prag-
matische oplossingen gevonden worden opdat elkeen
overeenkomstig zijn hoedanigheden en kwaliteiten, zijn
opleiding en functie een terechte valorisatie kan krijgen.
Hij vestigt de aandacht van de minister op de vol-
gende punctuele bemerkingen:
– De problematiek van de referendarissen en de
parketjuristen
Tijdens de hoorzittingen in de Senaat werd de vraag
gesteld op welke wijze de toegang tot de magistratuur
voor referendarissen en parketjuristen georganiseerd
zou kunnen worden. Wat is terzake de mening van de
minister?
– Opmerking van de Raad van State
De Raad van State stelt in zijn advies dat het wets-
ontwerp een aantal buitensporige machtigingen aan de
Koning verleent (bijvoorbeeld de artikelen 15, 15, 60,
81 en 95 van het wetsontwerp).
De bevoegde instanties van de rechterlijke orde zul-
len aldus een minder gewichtige rol spelen. Voorts wor-
den een aantal bepalingen die aan de rechterlijke macht
en de Hoge Raad voor de Justitie een rol toekenden bij
de keuze van personen die nauw met de magistraten
Dans tous ces aspects du processus de modernisa-
tion, la Commission de modernisation de l’Ordre judi-
ciaire, instaurée le 1er mars 2007, se voit confier un rôle
important de catalyseur et de guide. Elle sera soutenue
dans sa mission par le Conseil général des partenaires
de l’Ordre judiciaire.
II. — DISCUSSION GÉNÉRALE
a)
Questions et observations des membres
M. Tony Van Parys (CD&V) constate que le projet de
loi à l’examen a fait l’objet d’une discussion fondamen-
tale au Sénat.
Chez un certain nombre d’acteurs, cette matière gé-
nère certaines sensibilités auxquelles il faudrait, dans
la mesure du possible, répondre. Il est important de
montrer dans quelle direction va cette réforme globale.
Le membre approuve la ministre qui a réservé, dans
son allocution, un rôle important au comité de pondé-
ration et à la Commission de modernisation de l’Ordre
judiciaire. On attend toutefois de voir comment le co-
mité de pondération et la Commission de modernisa-
tion de l’Ordre judiciaire fonctionneront, comme éma-
nation du plan Thémis, et de quelle manière ils rempliront
leur tâche.
Il importe que les dispositions transitoires relatives
aux missions du comité de pondération dissipent les in-
quiétudes.
L’intervenant estime qu’il sera encore nécessaire de
beaucoup dialoguer pour convaincre chacun. Il faut trou-
ver des solutions pragmatiques pour que chacun puisse
être valorisé à juste titre en fonction de ses qualités, de
sa formation et de sa fonction.
Il attire l’attention de la ministre sur les observations
ponctuelles suivantes:
– La problématique des référendaires et des juristes
de parquet
Au cours des auditions au Sénat, la question a été
posée de savoir comment l’accès à la magistrature pour-
rait être organisé pour les référendaires et les juristes
de parquet. Qu’en pense la ministre?
– Observation du Conseil d’État
Le Conseil d’État indique dans son avis que le projet
de loi confère au Roi des habilitations excessives (par
exemple les articles 15, 60, 81 et 95 du projet de loi).
Les instances compétentes de l’ordre judiciaire joue-
ront ainsi un rôle moins important. Par ailleurs, un cer-
tain nombre de dispositions qui conféraient un rôle au
pouvoir judiciaire et au Conseil supérieur de la Justice
dans le choix des personnes appelées à collaborer étroi-
11
2922/002
DOC 51
C H A M B R E
5e S E S S I O N D E L A 5 1e L É G I S L A T U R E
K A M E R 5e Z I T T I N G V A N D E 5 1e Z I T T I N G S P E R I O D E
2006
2007
moeten samenwerken, opgeheven. De Raad van State
verwijst in deze naar de artikelen 206bis, 261, 262, 273,
287bis van het Gerechtelijk Wetboek. In de memorie
van toelichting stelt de minister dat de verantwoorde-
lijken van de rechterlijke organisatie betrokken zullen
worden bij de vergelijkende selecties. Op welke wijze
zal dit gebeuren?
– Wet van 10 juni 2006 tot herziening van de loopba-
nen en de bezoldiging van het personeel van de griffies
en de parketsecretariaten
Kan de minister de samenhang tussen dit wetsont-
werp en de wet van 10 juni 2006 verduidelijken?
Voorts stipt hij aan dat het koninklijk besluit betref-
fende het statuut, de loopbaan en de bezoldigings-
regeling van het personeel van de griffies en de parket-
secretariaten, genomen in toepassing van de wet van
10 juni 2006, verwijst naar bepalingen die met dit wets-
ontwerp worden opgeheven.
*
* *
De heer Melchior Wathelet (cdH) vindt dit wetsont-
werp een stap in de goede richting.
Toch rijzen er verschillende vragen met betrekking
tot de loopbanen van de griffiers en de parket-
secretarissen.
De voornaamste eis van de griffiers bestaat erin alle
carrièrekansen die zich aandienen, te mogen benutten,
met name via examens. Het wetsontwerp houdt echter
een beperking in van de loopbaanmogelijkheden ten
opzichte van de huidige situatie, door de loopbaanstadia
van griffier en griffier-hoofd van dienst, evenals de equi-
valente functies bij de secretarissen, onder te brengen
bij niveau B, terwijl de betrokkenen vandaag feitelijk
onder niveau 1 ressorteren. Die gang van zaken wordt
veroorzaakt door het feit dat de minister voor de
totstandbrenging van deze hervorming de drie volgende
criteria heeft gehanteerd: opleiding, verantwoordelijkheid
en uitgeoefend ambt.
Hoewel de ontworpen bepalingen verantwoord zijn,
is het volstrekt begrijpelijk dat de betrokkenen ze be-
treuren. Daarom zou het bij wijze van signaal interes-
sant kunnen zijn, mochten de bepalingen met betrek-
king tot het wegingscomité zo spoedig mogelijk in
werking treden.
Wat de benoemingswijze en de promotiekansen be-
treft, had de minister tijdens de bespreking in de Se-
naat beklemtoond dat de prioriteit zou liggen bij bevor-
dering, gevolgd door mobiliteit en tot slot ook
indienstnemingen. Kan de minister die aanpak bevesti-
gen?
De minister antwoordt bevestigend.
tement avec les magistrats sont abrogées. Le Conseil
d’État renvoie à cet égard aux articles 206bis, 261, 262,
273, 287bis du Code judiciaire. Dans l’exposé des mo-
tifs, la ministre déclare que les responsables de l’orga-
nisation judiciaire seront activement associés aux sé-
lections comparatives. De quelle manière cela se
fera-t-il?
– Loi du 10 juin 2006 portant réforme des carrières et
de la rémunération du personnel des greffes et des se-
crétariats des parquets
La ministre peut-elle préciser le lien qui existe entre
le projet de loi à l’examen et la loi du 10 juin 2006?
L’intervenant souligne ensuite que l’arrêté royal por-
tant statut, carrière et statut pécuniaire du personnel
des greffes et secrétariats de parquet, pris en applica-
tion de la loi du 10 juin 2006, renvoie à des dispositions
qui sont abrogées par le projet de loi à l’examen.
*
* *
M. Melchior Wathelet (cdH) estime que le présent
projet de loi va dans le bon sens.
Différentes questions toutefois se posent par rapport
à la carrière des greffiers et des secrétaires de parquet.
La revendication principale des greffiers est de pou-
voir bénéficier de toutes les possibilités qui pourraient
s’offrir à eux, notamment par le biais d’examens. Or, le
projet de loi limite les possibilités de carrière par rapport
à la situation actuelle, en faisant passer le stade de gref-
fier en chef et greffier chef de service, de même que
leur pendant au niveau des secrétaires de parquet, au
niveau B, alors qu’ils se trouvent actuellement dans les
faits au niveau 1. Cette situation est due au fait que la
ministre a pris les 3 critères suivants pour mettre en
place sa réforme: le critère de la formation, celui de la
responsabilité et enfin celui de la fonction exercée.
Si les dispositions en projet se justifient, il n’en est
pas moins compréhensible que les personnes concer-
nées regrettent cette situation. Il pourrait dès lors être
intéressant, en guise de signal, de faire en sorte que les
dispositions relatives au Comité de pondération puis-
sent entrer le plus rapidement en vigueur.
En ce qui concerne le mode de nomination et les pro-
motions possibles, la ministre avait insisté dans le ca-
dre des discussions menées au Sénat, sur la priorité de
la promotion, puis de la mobilité et enfin du recrutement.
La ministre confirme-t-elle ce mode de mouvement?
La ministre répond par l’affirmative.
12
2922/002
DOC 51
C H A M B R E
5e S E S S I O N D E L A 5 1e L É G I S L A T U R E
K A M E R 5e Z I T T I N G VA N D E 5 1e Z I T T I N G S P E R I O D E
2006
2007
De mensen die vandaag of morgen een getuigschrift
van kandidaat-griffier bezitten, moeten volgens de heer
Melchior Wathelet (cdH) de zekerheid krijgen dat zij, qua
voorwaarden inzake toegang tot het ambt van griffier
door bevordering, een gelijke behandeling zullen krij-
gen als de huidige contractuele werknemers.
Het zou interessant kunnen zijn te voorzien in een
overgangsmaatregel die alle bezitters van een getuig-
schrift van kandidaat-griffier écht beschermt.
De minister wijst erop dat het ontworpen artikel 184
voor de bescherming van die categorie van kandidaten
zorgt.
Vervolgens gaat de heer Melchior Wathelet (cdH) die-
per in op het geval van de adjunct-griffiers bij de hoven
van beroep, de arbeidshoven en het Hof van Cassatie.
Zij worden namelijk ondergebracht in de weddenschalen
BJ 2 of BJ 3 (zie het ontworpen artikel 172). Door die
weddenschaalindeling verliezen zij per maand 360 euro.
*
* *
De heer Walter Muls (sp.a-spirit) onderstreept dat er
momenteel een groot verschil bestaat tussen de bedra-
gen van de taalpremies voor magistraten en die voor
griffiers (van 216 tot 286 euro, tegenover 35 euro). Hoe-
wel het wetsontwerp de verschillen gedeeltelijk uitvlakt
door de premies voor de griffiers op te trekken van 35
tot 110 euro, blijft de kloof groot. Daartegenover staat
dat het taalexamen dat de griffiers moeten afleggen, niet
makkelijker is dan dat voor de magistraten, alsook dat
tweetaligheid voor de beide functies even noodzakelijk
is.
*
* *
Mevrouw Martine Taelman (VLD) valt de heer Muls
bij en voegt daaraan toe dat het bedrag van de taal-
premie voor de parketsecretarissen weliswaar werd af-
gestemd op dat voor de griffiers, maar dat tegelijk moet
worden erkend dat tweetaligheid voor laatstgenoemden
van veel groter belang is. Het ware dus billijk hun pre-
mie gelijk te schakelen met die van de magistraten.
b) Antwoorden van de minister
Allereerst stipt mevrouw Laurette Onkelinx, vice-
eersteminister en minister van Justitie, aan dat men de
idee van een vierde toegangsmogelijkheid tot de ma-
gistratuur heeft laten varen, omdat de invoering van de
derde toegangsmogelijkheid al op zoveel weerstand was
gestuit.
M. Melchior Wathelet (cdH) souligne, par rapport aux
détenteurs actuels ou futurs de certificats de candidat
greffier, qu’il convient de s’assurer que ces personnes
soient bien mises sur un pied d’égalité au niveau des
conditions d’accès à la fonction de greffier par promo-
tion, avec les agents contractuels actuels.
Il pourrait être intéressant de prévoir une mesure tran-
sitoire qui préserve véritablement tous les détenteurs
de certificats de candidat greffier.
La ministre précise que l’article 184 de la loi en projet
couvre cette catégorie de candidats.
M. Wathelet aborde ensuite le cas des greffiers ad-
joints des cours d’appel, du travail et de la Cour de cas-
sation, qui sont intégrés dans les échelles barémiques
BJ 2 ou BJ 3 (article 172 en projet). L’intégration dans
cette échelle barémique leur fait perdre 360 euros par
mois.
*
* *
M. Walter Muls (sp.a-spirit) souligne qu’il existe ac-
tuellement une très grande différence entre les mon-
tants de la prime linguistique accordée aux magistrats
et de celle accordée aux greffiers (216 à 286 euros con-
tre 35 euros). Si cette différence est partiellement ré-
sorbée par le projet de loi qui augmente la prime des
greffiers de 35 à 110 euros, celle-ci n’en reste pas moins
importante. Pourtant, force est de constater que l’exa-
men que les greffiers doivent présenter n’est pas plus
simple que celui des magistrats et que l’emploi de l’autre
langue leur est tout aussi nécessaire.
*
* *
Mme Martine Taelman (VLD) rejoint le point de vue
de M. Muls. Elle ajoute que si le montant de la prime
linguistique accordée aux secrétaires de parquet a été
aligné sur celui des greffiers, il convient de reconnaître
que la connaissance de l’autre langue nationale est bien
plus importante pour ces derniers. Il serait donc justifié
d’aligner le montant de leur prime sur celle des magis-
trats.
b) Réponses de la ministre
Mme Laurette Onkelinx, vice-premier ministre et mi-
nistre de la Justice, précise tout d’abord que l’idée de
développer une quatrième voie d’accès à la magistra-
ture a été abandonnée en raison des réticences qui ont
déjà été exprimées dans le cadre de la mise en place
d’une troisième voie d’accès.
13
2922/002
DOC 51
C H A M B R E
5e S E S S I O N D E L A 5 1e L É G I S L A T U R E
K A M E R 5e Z I T T I N G V A N D E 5 1e Z I T T I N G S P E R I O D E
2006
2007
Wat de te ruime machtigingen aan de Koning betreft,
preciseert de minister dat het wetsontwerp overal waar
mogelijk werd aangepast aan het advies terzake van
de Raad van State. Het spreekt echter voor zich dat
men om bepaalde machtigingen niet heen kon.
De coherentie tussen de ontworpen bepalingen en
het koninklijk besluit met betrekking tot de loopbanen
van de categorieën B, C en D zal worden gegarandeerd,
door te voorzien in de gelijktijdige inwerkingtreding van
de bepalingen van dat besluit en de bij koninklijk besluit
nader in te vullen bepalingen van dit wetsontwerp.
Wat tot slot de taalpremies betreft, herinnert de mi-
nister aan het uitgangspunt van het wetsontwerp, te
weten dat iedereen op voet van gelijkheid wordt ge-
plaatst, waardoor het noodzakelijk is de premie van de
secretarissen gelijk te schakelen met die van de grif-
fiers. Dat de premies van de magistraten hoger blijven,
heeft historische gronden. Aangezien de bedragen er-
van zo hoog liggen, zou het uit den boze zijn de andere
premies op die van de magistraten te willen afstemmen.
III. — ARTIKELSGEWIJZE BESPREKING
EN STEMMINGEN
Artikelen 1 tot 14
Over deze artikelen worden geen opmerkingen ge-
maakt.
Ze worden achtereenvolgens eenparig aangenomen.
Art. 15
De heer Melchior Wathelet (cdH) herinnert eraan hoe
belangrijk het is de artikelen 15 en 16 van dit wetsont-
werp zo spoedig mogelijk in werking te doen treden.
Mevrouw Laurette Onkelinx, vice-eersteminister en
minister van Justitie, neemt akte van dat verzoek en zal
het nodige doen.
*
* *
Deze bepaling wordt eenparig aangenomen.
Par rapport à la problématique de la trop large délé-
gation au Roi, le projet de loi a été adapté conformé-
ment à l’avis du Conseil d’Etat en la matière à chaque
fois que cela s’avérait possible. Il est toutefois évident
que certaines délégations ne pouvaient être évitées.
En ce qui concerne la cohérence des dispositions
avec l’arrêté royal sur les carrières B, C et D, celle-ci
sera assurée, en faisant entrer en vigueur simultané-
ment les dispositions de l’arrêté en question et les dis-
positions du présent projet qui doivent être prises par
arrêté royal.
Enfin, par rapport à la problématique des primes lin-
guistiques, la ministre rappelle que la philosophie du
projet est de mettre tout le monde sur un pied d’égalité,
d’où la nécessité d’aligner la prime des secrétaires sur
celle des greffiers. Si la prime des magistrats reste su-
périeure c’est pour des raisons historiques. Vu l’ampleur
du montant de cette prime, il serait impensable de vou-
loir aligner les différentes primes sur celle des magis-
trats.
III. — DISCUSSION DES ARTICLES
ET VOTES
Art. 1 à 14
Ces dispositions n’appellent aucune observation de
la part des membres.
Ces articles sont successivement adoptés à l’unani-
mité.
Art. 15
M. Melchior Wathelet (cdH) rappelle l’importance de
faire entrer en vigueur les articles 15 et 16 du présent
projet le plus rapidement possible.
Mme Laurette Onkelinx, vice-premier ministre et mi-
nistre de la Justice, prend note de cette requête et fera
le nécessaire.
*
* *
Cette disposition est adoptée à l’unanimité.
14
2922/002
DOC 51
C H A M B R E
5e S E S S I O N D E L A 5 1e L É G I S L A T U R E
K A M E R 5e Z I T T I N G VA N D E 5 1e Z I T T I N G S P E R I O D E
2006
2007
Art. 16 tot 51
Over deze artikelen worden geen opmerkingen ge-
maakt.
De artikelen 16 tot 19 worden achtereenvolgens een-
parig aangenomen.
Artikel 20 wordt aangenomen met 11 stemmen en 2
onthoudingen.
De artikelen 21 tot 29 worden achtereenvolgens een-
parig aangenomen.
Artikel 30 wordt aangenomen met 12 stemmen en 1
onthouding.
De artikelen 31 tot 50 worden achtereenvolgens een-
parig aangenomen.
Artikel 51 wordt aangenomen met 12 stemmen en 1
onthouding.
Art. 52
Mevrouw Marie-Christine Marghem (MR) herinnert
eraan dat een amendement werd ingediend om de dis-
criminatie weg te werken tussen een jurist of een
licentiaat-referendaris en een licentitaat-griffier bij een
benoeming door bevordering van een universitair ge-
schoolde in een leidinggevend ambt.
Dat vraagstuk komt hier aan bod in het kader van de
artikelen 51, § 2, en 52, § 2, van het ter bespreking
voorliggende wetsontwerp. Krachtens die bepalingen zal
de licentiaat-griffier, net als een jurist of een referendaris,
moeten kunnen aantonen dat hij over een anciënniteit
van ten minste vijf jaar – in plaats van tien jaar – in het
ambt van griffier beschikt. Men kan evenwel niet om de
vaststelling heen dat in geen enkele specifiek op de
licentiaten in de rechten afgestemde overgangsregeling
is voorzien.
De vertegenwoordiger van de minister bevestigt dat
alle houders van een universitair diploma gelijk worden
behandeld, ongeacht of het om juristen, referendarissen
of griffiers gaat. Voor de drie categorieën is een
beroepsanciënniteit van vijf jaar vereist, een griffier die
daarentegen niet over een universitair diploma beschikt;
hij zal een beroepsanciënniteit van tien jaar als griffier
moeten kunnen voorleggen.
Mevrouw Marie-Christine Marghem (MR) beklemtoont
dat de afzonderlijke indeling van de houders van een
licentie in de rechten van niveau A (juristen en
referendarissen) en de houders van een licentie in de
Art. 16 à 51
Ces articles ne font l’objet d’aucun commentaire.
Les articles 16 à 19 sont successivement adoptés à
l’unanimité.
L’article 20 est adopté par 11 voix et 2 abstentions.
Les articles 21 à 29 sont successivement adoptés à
l’unanimité.
L’article 30 est adopté par 12 voix et 1 abstention.
Les articles 31 à 50 sont successivement adoptés à
l’unanimité.
L’article 51 est adopté par 12 voix et 1 abstention.
Art. 52
Mme Marie-Christine Marghem (MR) rappelle qu’un
amendement avait été déposé en vue de supprimer la
discrimination qui existait entre un juriste ou un licencié
référendaire et un licencié greffier, dans le cadre d’une
nomination par promotion d’un universitaire à une fonc-
tion dirigeante.
Cette problématique est ici abordée dans le cadre
des articles 51, § 2, et 52, § 2, du présent projet de loi.
Conformément à ces dispositions, le licencié greffier
devra au même titre que le juriste ou le référendaire
justifier d’une ancienneté de cinq ans au moins dans la
fonction de greffier au lieu de dix ans. Toutefois, force
est de constater qu’aucune autre mesure transitoire spé-
cifique au licencié en droit n’a été prévue.
Le représentant de la ministre confirme que tous les
titulaires d’un diplôme universitaire ont été mis sur un
pied d’égalité, qu’ils soient juristes, référendaires ou
greffiers. Pour les trois catégories, il est exigé une an-
cienneté professionnelle de cinq ans, au contraire d’un
greffier qui n’est pas titulaire d’un diplôme universitaire
qui devra justifier d’une ancienneté professionnelle de
dix ans dans la fonction de greffier.
Mme Marie-Christine Marghem (MR) souligne que le
classement distinct des détenteurs d’une licence en droit
dans le niveau A (juristes et référendaires) et des dé-
tenteurs d’une licence en droit dans le niveau B (gref-
15
2922/002
DOC 51
C H A M B R E
5e S E S S I O N D E L A 5 1e L É G I S L A T U R E
K A M E R 5e Z I T T I N G V A N D E 5 1e Z I T T I N G S P E R I O D E
2006
2007
rechten van niveau B (griffiers), die worden benoemd
op grond van artikel 265 van het Gerechtelijk Wetboek,
discriminatoir is. Voor die ambten is een licentiaat of
master in de rechten van onschatbare waarde.
De minister wijst op de spreiding van de diploma’s:
12,48% heeft opleidingsniveau 2D, 72,27% niveau 2C,
6,31% niveau 2B, 6,66% heeft de opleiding van jurist
achter de rug, en 2,28% is houder van een ander uni-
versitair diploma. Die categorie is dus zwaar in de min-
derheid.
De heer Melchior Wathelet (cdH) merkt op dat de vi-
gerende wettelijke bepalingen een dubbel onderscheid
maken ten aanzien van de juristen-griffiers. Als dit wets-
ontwerp wordt aangenomen, zullen zij nog slechts vijf
jaar anciënniteit moeten aantonen om bevorderd te kun-
nen worden. Desondanks zullen zij nog steeds tot ni-
veau B behoren. Hoewel zij dezelfde opleiding hebben
gevolgd, wordt dus een onderscheid gemaakt.
Mevrouw Marie-Christine Marghem (MR) voegt daar-
aan toe dat de universitair geschoolden bij de aanvang
van hun loopbaan als griffier nog niet wisten hoe hun
statuut er zou uitzien. Hoewel zij tot niveau 1 behoor-
den, zullen zij voortaan hoofd van dienst moeten wor-
den vooraleer zij toegang krijgen tot niveau A.
Volgens de minister hebben die academici daarvoor
gekozen. Men kan een universitaire opleiding hebben
gevolgd, en toch een ambt van niveau B willen uitoefe-
nen. Men mag trouwens niet uitgaan van de opleiding
van een persoon om een statuut uit te werken; zulks
mag alleen gebeuren op grond van de aard van het ambt.
Het probleem is dat velen meenden tot niveau 1 te be-
horen, hoewel dat beslist niet het geval was, aangezien
zij geen reëel statuut hadden.
Er moet echter worden beklemtoond dat hun statuut
daadwerkelijk zal worden gevaloriseerd.
Mevrouw Sabien Lahaye-Battheu (VLD) wenst te
weten hoe de bevorderingsexamens eruit zien voor uni-
versitair geschoolden die willen overgaan van niveau B
naar niveau A.
De vertegenwoordiger van de minister licht toe dat
een ambtenaar van niveau B zonder universitair diploma
die wil overgaan naar een ambt van niveau A, moet sla-
gen voor een tweedelig examen om een brevet te be-
halen. Het eerste deel is algemeen en wordt georgani-
seerd door Selor, zoals dat voor alle examens in de
overheidssector het geval is. Het tweede testgedeelte
is specifiek op het ambt afgestemd.
fiers), nommés sur la base de l’article 265 du Code judi-
ciaire, est discriminatoire. Or, l’apport d’un licencié ou
d’un master en droit dans le cadre de ces fonctions est
indéniable.
La ministre attire l’attention sur le nombre de diplô-
més: 12,48% ont la formation de niveau 2D, 72,27%
de niveau 2C, 6,31% de niveau 2B, 6,66% la formation
de juriste et 2,28% un autre diplôme universitaire. Il s’agit
donc d’une catégorie extrêmement minoritaire.
M. Melchior Wathelet (cdH) fait remarquer que les
dispositions légales actuelles établissent une double
distinction dans le chef des juristes greffiers. Avec le
présent projet de loi, ils ne devront justifier plus que d’une
ancienneté de 5 ans pour pouvoir obtenir une promo-
tion. Toutefois, ils resteront au niveau B. A niveau de
formation égale, une distinction est donc faite.
Mme Marie-Christine Marghem (MR) ajoute que les
universitaires qui se sont engagés dans la carrière de
greffier ne savaient pas encore de quelle manière serait
rédigé leur statut. Alors qu’ils étaient inscrits dans le ni-
veau 1, ils devront désormais devenir chef de service
pour accéder au niveau A.
La ministre estime qu’il s’agit d’un choix de la part de
ces universitaires. Il est tout à fait possible d’être uni-
versitaire et de vouloir exercer une fonction de niveau
B.
L’on ne peut d’ailleurs pas partir de la formation de
chaque personne pour élaborer un statut. On ne peut le
faire qu’à partir de la nature de la fonction. Le problème
est que beaucoup se considéraient comme appartenant
au niveau 1, or ce n’était certainement pas le cas étant
donné qu’ils n’avaient pas de véritable statut.
Il convient toutefois de souligner qu’ils bénéficieront
d’une véritable valorisation statutaire.
Mme Sabien Lahaye-Battheu (VLD) souhaiterait con-
naître le contenu des examens organisés dans le cadre
de la promotion d’universitaires souhaitant passer du
niveau B au niveau A.
Le représentant de la ministre explique qu’une per-
sonne exerçant une fonction de niveau B et ne possé-
dant pas de diplôme universitaire devra, pour accéder
au niveau A, passer une épreuve pour obtenir un bre-
vet, composé de deux parties. La première est de na-
ture générale et est organisée par Selor comme pour
l’ensemble de la fonction publique. La seconde partie
de l’épreuve est de nature spécifique, adaptée à la fonc-
tion.
16
2922/002
DOC 51
C H A M B R E
5e S E S S I O N D E L A 5 1e L É G I S L A T U R E
K A M E R 5e Z I T T I N G VA N D E 5 1e Z I T T I N G S P E R I O D E
2006
2007
De overgangsmaatregel waarin is voorzien voor de
houders van een brevet van griffier of secretaris, stelt
die personen vrij van het algemene examengedeelte.
Zij mogen dus onmiddellijk deelnemen aan de speci-
fieke test die in het kader van de vergelijkende selectie
wordt georganiseerd. Een universitair geschoolde moet
alleen deelnemen aan het vergelijkende gedeelte.
*
* *
Het artikel wordt eenparig aangenomen.
Art. 53
De heer Melchior Wathelet (cdH) constateert dat ie-
mand met een brevet van kandidaat-griffier niet langer
moet geslaagd zijn voor een door Selor georganiseerde
vergelijkende selectie voor het bewuste ambt. Hij moet
evenwel nog steeds vastbenoemd zijn in het ambt van
assistent of deskundige bij een griffie of een parket-
secretariaat. Het lijkt er echter op dat de kandidaat-grif-
fiers, in het licht van artikel 184 van het ter bespreking
voorliggende wetsontwerp, nooit aan die voorwaarde
zullen kunnen voldoen.
De vertegenwoordiger van de minister preciseert dat
het brevet van kandidaat-griffier gewaarborgd is bij de
wet van 10 juni 2006 tot herziening van de loopbanen
en de bezoldiging van het personeel van de griffies en
de parketsecretariaten, die in dat verband in een aantal
overgangsmaatregelen voorziet.
Voor de kandidaat-griffiers en de kandidaat-secreta-
rissen die hun getuigschrift hebben behaald op grond
van een examen dat werd georganiseerd vóór of dat
aan de gang was op het tijdstip waarop het wetsont-
werp in werking treedt, geldt dus niet alleen de afwij-
king van artikel 184 van het wetsontwerp, maar ook die
van die vorige overgangsbepalingen.
*
* *
Het artikel wordt eenparig aangenomen.
Art. 54 tot 134
Over deze artikelen worden geen opmerkingen ge-
maakt.
La mesure transitoire accordée aux personnes titu-
laires d’un brevet de greffier ou secrétaire dispense ces
personnes de l’épreuve générale. Celles-ci pourront
donc présenter directement le test spécifique organisé
dans le cadre de la sélection comparative. Un universi-
taire sera uniquement soumis à l’épreuve comparative.
*
* *
L’article est adopté à l’unanimité.
Art. 53
M. Melchior Wathelet (cdH) constate qu’avec un cer-
tificat de candidat greffier, la personne concernée ne
doit plus être lauréate d’une sélection comparative or-
ganisée par Selor pour la fonction concernée. Ils ne sont
toutefois pas dispensés de l’exigence d’être nommé à
titre définitif dans la fonction d’assistant ou d’expert près
un greffe ou un secrétariat de parquet. Il semblerait tou-
tefois que, au vu de l’article 184 du projet de loi, les
candidats greffiers ne puissent jamais remplir cette con-
dition.
Le représentant de la ministre précise que le brevet
de candidat greffier est garanti dans la loi du 10 juin
2006 portant réforme des carrières et de la rémunéra-
tion du personnel des greffes et des secrétariats, qui
prévoit un certain nombre de dispositions transitoires à
ce sujet.
Les candidats greffier et candidats secrétaire qui ont
obtenu leur certificat sur base d’un examen organisé
avant ou en cours d’organisation au moment de l’en-
trée en vigueur du projet de loi, bénéficient dès lors non
seulement de la dérogation de l’article 184 en projet,
mais également de ces précédentes dispositions tran-
sitoires.
*
* *
L’article est adopté à l’unanimité.
Art. 54 à 134
Ces articles ne font l’objet d’aucun commentaire en
commission.
17
2922/002
DOC 51
C H A M B R E
5e S E S S I O N D E L A 5 1e L É G I S L A T U R E
K A M E R 5e Z I T T I N G V A N D E 5 1e Z I T T I N G S P E R I O D E
2006
2007
De artikelen 54 tot 56 worden achtereenvolgens een-
parig aangenomen.
Artikel 57 wordt aangenomen met 12 stemmen en 1
onthouding.
De artikelen 58 tot 134 worden achtereenvolgens
eenparig aangenomen.
Art. 135
Mevrouw Martine Taelman (VLD) meende te hebben
begrepen dat de wetgever met die bepaling vooruitloopt
op een koninklijk besluit in verband met een algemene
personeelsformatie van het openbaar ambt dat binnen-
kort zal worden bekendgemaakt. Is het de bedoeling
bijkomende wijzigingen aan te brengen in het kader van
dat koninklijk besluit?
De minister wijst erop dat die bepaling de hoogste
niveaus overneemt voor niveau A. Opnieuw onderhan-
delen met het oog op een opwaartse herziening van die
bedragen kan derhalve niet worden overwogen.
*
* *
Dit artikel wordt eenparig aangenomen.
Art. 136 tot 171
Over die artikelen worden geen opmerkingen ge-
maakt.
*
* *
Artikel 139 wordt op verzoek van de minister tech-
nisch verbeterd (zie bijlagen: errata).
Ze worden achtereenvolgens eenparig aangenomen.
Art. 172
De heer Melchior Wathelet (cdH) wijst erop dat de
adjunct-griffiers van de hoven van beroep, van de
arbeidshoven en van het Hof van Cassatie in de wedden-
schaal BJ3 zijn opgenomen, waardoor ze aanvankelijk
een salarisvoordeel kunnen hebben. Aangezien ze in
een minder gunstige weddenschaal zullen terechtko-
men, zal er een probleem rijzen omdat voor die men-
sen, als ze vóór de inwerkingtreding en de tenuitvoer-
legging van de wet geen vacante betrekking kunnen
Les articles 54 à 56 sont successivement adoptés à
l’unanimité.
L’article 57 est adopté par 12 voix et 1 abstention.
Les articles 58 à 134 sont successivement adoptés à
l’unanimité.
Art. 135
Mme Martine Taelman (VLD) a cru comprendre
qu’avec cette disposition le législateur anticipe un ar-
rêté royal relatif à un cadre général de la fonction publi-
que qui sera prochainement publié. L’objectif est-il d’ap-
porter des modifications complémentaires dans le cadre
de cet arrêté?
La ministre souligne que cette disposition reprend les
niveaux les plus élevés pour le niveau A. Une
renégociation à la hausse de ces montants n’est dès
lors pas envisageable.
*
* *
Cet article est adopté à l’unanimité.
Art. 136 à 171
Ces dispositions n’appellent aucune observation par-
ticulière de la part des membres.
*
* *
À la demande du ministre, l’article 139 fait l’objet d’une
corection technique (voir annexes: errata).
Ces articles sont successivement adoptés à l’unani-
mité.
Art. 172
M. Melchior Wathelet (cdH) attire l’attention sur le fait
que les greffiers adjoints des cours d’appel, des cours
du travail et de la Cour de cassation sont intégrés dans
l’échelle barémique BJ3, qui leur permet au départ de
pouvoir bénéficier d’un avantage salarial. Toutefois,
n’étant plus dans les barèmes réservés aux greffiers et
greffiers adjoints des cours, s’ils n’arrivent pas à inté-
grer une place vacante avant l’entrée en vigueur de la
loi et avant sa mise en œuvre, un problème se posera,
18
2922/002
DOC 51
C H A M B R E
5e S E S S I O N D E L A 5 1e L É G I S L A T U R E
K A M E R 5e Z I T T I N G VA N D E 5 1e Z I T T I N G S P E R I O D E
2006
2007
vinden, niet langer de weddenschalen van de griffiers
en van de adjunct-griffiers van de hoven zullen gelden.
De vertegenwoordiger van de minister merkt op dat
de adjunct-griffiers ervan uitgingen dat ze op termijn een
bevordering zouden krijgen en tot griffier zouden kun-
nen worden benoemd. Om een hervorming door te voe-
ren, mag men echter niet van een dergelijke veronder-
stelling uitgaan. Elke bestaande functie moet worden
ingepast in een niveau en geen enkele bevordering mag
als verworven worden beschouwd. In dat precieze ge-
val ligt het voor de hand dat het aantal vacante betrek-
kingen van griffier niet groot is. Het is dus logisch dat
niet iedereen automatisch een promotie kan krijgen.
De heer Melchior Wathelet (cdH) onderstreept dat een
dergelijk systeem vrij onrechtvaardig is omdat twee per-
sonen met een zelfde functie een zeer verschillende
wedde zullen kunnen hebben.
De vertegenwoordiger van de minister licht toe dat
een hervorming vereist dat men de situatie op een be-
paald moment «bevriest». Het kan niet anders. Het
komt erop aan voor iedereen dezelfde regel uit te
vaardigen. Uiteraard zullen op termijn de bestaande
ongelijkheden tussen de griffiers en de adjunct-griffiers
allemaal worden weggewerkt aangezien de tweede func-
tie zal verdwijnen. Het is dus vooral nu dat de situatie
veel onbillijker is omdat een adjunct-griffier minder goed
wordt betaald terwijl hij vaak dezelfde taken vervult als
de griffier.
*
* *
Dit artikel wordt eenparig aangenomen.
Art. 173 tot 182
Over die artikelen worden geen opmerkingen ge-
maakt.
Ze worden achtereenvolgens eenparig aangenomen.
Art. 183
Mevrouw Marie-Christine Marghem (MR) constateert
dat het in de Senaat aangenomen amendement nr. 143
van de regering (3-2009/7) de termijn tijdens welke on-
der meer de niet-universitair geschoolde griffiers en
parketsecretarissen zullen worden vrijgesteld van het
behalen van de brevetten om bij bevordering te kunnen
étant donné qu’ils seront versés dans une échelle
barémique moins favorable.
Le représentant de la ministre fait remarquer que le
problème qui se pose ici est que les greffiers adjoints
partaient du principe qu’ils pourraient à terme bénéfi-
cier d’une promotion et ainsi être nommés greffier. L’on
ne peut toutefois partir d’un tel principe pour dévelop-
per une réforme. Chaque fonction existante doit être
intégrée dans un niveau et aucune promotion ne peut
être considérée comme acquise. Dans ce cas précis, il
est évident qu’il n’y a pas une multitude de places va-
cantes de greffier. Il est donc logique que tout le monde
ne puisse obtenir automatiquement une promotion.
M. Melchior Wathelet (cdH) souligne qu’un tel sys-
tème est relativement injuste dans la mesure où, dans
une même fonction, deux personnes pourront avoir un
salaire très différent.
Le représentant de la ministre explique qu’une ré-
forme impose que l’on fige la situation à un moment
précis. On ne peut faire autrement. Il est important de
déterminer une règle identique pour tout le monde. A
terme naturellement, les inégalités existantes entre gref-
fiers et greffiers adjoints seront toutes supprimées étant
donné que la seconde fonction disparaîtra. C’est donc
essentiellement maintenant que la situation est beau-
coup plus injuste dans la mesure où un greffier adjoint
est moins bien rémunéré alors qu’il accomplit souvent
les mêmes tâches que le greffier.
*
* *
Cet article est adopté à l’unanimité.
Art. 173 à 182
Ces dispositions ne font l’objet d’aucune observation.
Les articles sont successivement adoptés à l’unani-
mité.
Art. 183
Mme Marie-Christine Marghem (MR) constate que
l’amendement n° 143 du gouvernement adopté au Sé-
nat (Doc. Senaat 3-2009/7), a augmenté de 6 à 10 ans
le délai pendant lequel, notamment, les greffiers et se-
crétaires de parquet non universitaires seront dispen-
sés de l’obtention des brevets pour pouvoir être nom-
19
2922/002
DOC 51
C H A M B R E
5e S E S S I O N D E L A 5 1e L É G I S L A T U R E
K A M E R 5e Z I T T I N G V A N D E 5 1e Z I T T I N G S P E R I O D E
2006
2007
més, par promotion, dans une classe de métiers de ni-
veau A. Ils devront donc uniquement réussir la sélec-
tion comparative consistant en un entretien basé sur un
cas pratique lié à la fonction. L’article 183 en projet qui
consacre cette mesure ne renvoie qu’à l’article 262,
§ 2, alinéa 3, 2°, du Code judiciaire proposé, qui con-
cerne les conditions à remplir pour être greffier en chef.
Cette prorogation du délai est-elle dès lors ouverte pour
les autres fonctions supérieures de niveau A requérant
le passage de brevets préalables à la sélection Selor
(greffier chef de service (art.263 CJ), secrétaire en chef
(art.265 CJ) et chef de service (art.266 CJ))?
Les commentaires du texte sont très généraux et le
laissent penser. Si tel était le cas, il faudrait peut-être
également renvoyer à ces articles dans l’article 183 du
projet.
Qu’en est-il des personnes qui, dispensées des bre-
vets, passent avec succès la sélection du Selor mais
que des places ne sont pas disponibles? Restent-ils sur
une liste de réserve? Cette liste est-elle limitée dans le
temps?
La ministre précise que la validité de la liste de ré-
serve est à durée indéterminée.
Sur la première question, la ministre précise que les
conditions de nomination et d’accès sont mentionnées
dans les dispositions relatives à la nomination des gref-
fiers en chef, dans lesquelles une référence à l’article
262, § 2, est systématiquement faite.
*
* *
Cet article est adopté à l’unanimité.
Art. 184 et 185
Ces dispositions ne font l’objet d’aucun commentaire.
Ces articles sont successivement adoptés à l’unani-
mité.
worden benoemd in een vakklasse van niveau A, werd
verlengd van 6 naar 10 jaar. Ze zullen dus alleen moe-
ten slagen voor de vergelijkende selectie bestaande uit
een onderhoud op basis van een functiegerelateerd
praktijkgeval. Het ontworpen artikel 183, dat die maat-
regel bekrachtigt, verwijst alleen naar het voorgestelde
artikel 262, § 2, derde lid, 2°, van het Gerechtelijk Wet-
boek, dat betrekking heeft op de voorwaarden om hoofd-
griffier te zijn. Geldt die verlenging van de termijn bijge-
volg voor de andere hogere functies van niveau A die
vereisen dat voorafgaand aan de Selorselectie een bre-
vet wordt behaald (griffier-hoofd van dienst (artikel 263
van het Gerechtelijk Wetboek)), hoofdsecretaris (artikel
265 van het Gerechtelijk Wetboek) en secretaris-hoofd
van dienst (artikel 266 van het Gerechtelijk Wetboek)?
De commentaren op de tekst zijn zeer algemeen en
laten denken dat zulks het geval is. Als dat zo is, dan
zou in het ontworpen artikel 183 misschien ook naar die
artikelen moeten worden verwezen.
Quid met de personen die vrijgesteld zijn van brevet-
ten en de Selorselectie met succes doorstaan terwijl er
geen plaatsen beschikbaar zijn? Worden ze opgeno-
men in een reservelijst? Is de geldigheid van die lijst
beperkt in de tijd?
De minister geeft aan dat de reservelijst voor onbe-
paalde tijd blijft gelden.
Wat de eerste vraag betreft, preciseert de minister
dat de voorwaarden inzake benoeming en toegang ver-
meld zijn in de bepalingen met betrekking tot de benoe-
ming van de griffiers-hoofden van dienst, waarin syste-
matisch wordt verwezen naar artikel 262, § 2.
*
* *
Dit artikel wordt eenparig aangenomen.
Art. 184 tot 185
Over die artikelen worden geen opmerkingen ge-
maakt.
Ze worden achtereenvolgens eenparig aangenomen.
20
2922/002
DOC 51
C H A M B R E
5e S E S S I O N D E L A 5 1e L É G I S L A T U R E
K A M E R 5e Z I T T I N G VA N D E 5 1e Z I T T I N G S P E R I O D E
2006
2007
*
* *
L’ensemble du projet de loi, tel que corrigé, est adopté
à l’unanimité.
Le rapporteur,
Le président,
Sabien LAHAYE-BATTHEU
Martine TAELMAN
ERRATA
Art. 139
1. À l’article 372, points 6 et 11 en projet, lire, dans le
texte néerlandais, «drie jaarlijkse» au lieu de
«driejaarlijkse».
2. 1. À l’article 372, points 6 et 11 en projet, lire «trois
augmentations annuelles» au lieu de «augmentations
triennales».
*
* *
Het hele wetsontwerp, zoals het werd verbeterd, wordt
eenparig aangenomen.
De rapporteur,
De voorzitter,
Sabien LAHAY-BATTHEU
Martine TAELMAN
ERRATA
Art. 139
1. In het ontworpen artikel 372, zesde en elfde punt,
leze men «drie jaarlijkse» in plaats van «driejaarlijkse».
2. In het ontworpen artikel 372, zesde en elfde punt
van de Franse tekst, leze men «trois augmentations an-
nuelles» in plaats van «augmentations triennales».
Centrale drukkerij – Deze publicatie wordt uitsluitend gedrukt op volledig gerecycleerd papier
Imprimerie centrale – Cette publication est imprimée exclusivement sur du papier entièrement recyclé