Inhoud
CHAMBRE DES REPRÉSENTANTS
DE BELGIQUE
BELGISCHE KAMER VAN
VOLKSVERTEGENWOORDIGERS
3649
DOC 51 1467/004
DOC 51 1467/004
K A M E R 3e Z I T T I N G V A N D E 5 1e Z I T T I N G S P E R I O D E
C H A M B R E
3e S E S S I O N D E L A 51e L É G I S L A T U R E
2005
2004
8 juni 2005
8 juin 2005
AMENDEMENTS
AMENDEMENTEN
N° 1 DE M. WATHELET
Art. 4
Apporter au 7° les modifications suivantes:
A) Au point d), proposé, remplacer le mot «vingt-
trois» par le mot «dix-huit»;
B) Au point e), remplacer le mot «vingt-trois» par
le mot «dix-huit».
JUSTIFICATION
Les Communautés ne sont pas compétentes pour exécu-
ter des mesures relatives à des majeurs, donc à des person-
nes âgées de plus de dix-huit ans.
Les projets pédagogiques mis en place par les Commu-
nautés sont différents s’il s’agit d’un jeune de douze ou de
quatorze ans ou d’un jeune majeur de dix-neuf ou vingt-deux
ans.
Nr. 1 VAN DE HEER WATHELET
Art. 4
In de punten d) en e) van het ontworpen punt 7°,
het woord «drieëntwintig» telkens vervangen door
het woord «achttien».
VERANTWOORDING
De gemeenschappen zijn niet bevoegd om uitvoering te
verlenen aan maatregelen betreffende meerderjarigen, dus
betreffende mensen die ouder zijn dan achttien jaar.
De opvoedkundige programma’s van de gemeenschappen
verschillen van elkaar als het gaat om een jongere van twaalf
of veertien jaar of een jongvolwassene van negentien of
tweeëntwintig jaar.
Documents précédents :
Doc 51 1467/ (2004/2005) :
001 :
Projet de loi.
002 :
Avis du Conseil Supérieur de la Justice.
003 :
Farde.
Voorgaande documenten :
Doc 51 1467/ (2004/2005) :
001 :
Wetsontwerp.
002 :
Advies van de Hoge Raad voor de Justitie.
003 :
Kaft.
PROJET DE LOI
WETSONTWERP
modifiant la législation relative à la
protection de la jeunesse et à la prise en
charge des mineurs ayant commis un fait
qualifié infraction
tot wijziging van de wetgeving betreffende de
jeugdbescherming en het ten laste nemen van
minderjarigen die een als misdrijf
omschreven feit hebben gepleegd
2
1467/004
DOC 51
K A M E R 3e Z I T T I N G VA N D E 5 1e Z I T T I N G S P E R I O D E
C H A M B R E
3e S E S S I O N D E L A 51e L É G I S L A T U R E
2005
2004
Bijgevolg moet artikel 37, § 7, van de wet van 8 april 1965
betreffende de jeugdbescherming worden gewijzigd teneinde
het optreden van de gemeenschappen toe te spitsen op de
minderjarigen.
Nr. 2 VAN DE HEER WATHELET
Art. 5
In de Franse versie van het ontworpen artikel
37bis, § 3, eerste lid, het woord «notamment» wegla-
ten.
VERANTWOORDING
Aangezien de overlegovereenkomst bindend is voor de
rechter moet de inhoud ervan nauwkeurig worden omschre-
ven zodat ze wordt beperkt tot het privé-geschil tussen par-
tijen en ze geen inbreuk maakt op de bevoegdheden van de
rechter inzake de strafvordering.
Derhalve moet het woord «notamment» worden geschrapt
omdat het onnauwkeurig is.
Nr. 3 VAN DE HEER WATHELET
Art. 5
Het ontworpen artikel 37bis, § 2, derde lid, wordt
aangevuld met wat volgt:
«De minderjarige wordt bijgestaan door een advo-
caat voor minderjarigen, tenzij hij een andere advocaat
kiest. Die advocaat wordt, in voorkomend geval, aan-
gewezen overeenkomstig artikel 54bis.».
VERANTWOORDING
Het is van belang ervoor te zorgen dat de minderjarige ge-
garandeerd wordt bijgestaan door een gespecialiseerd advo-
caat, teneinde zich ervan te vergewissen dat hij wel degelijk
beseft wat allemaal de gevolgen zijn van het feit dat hij in-
stemt met bemiddeling. De advocaat kan hem in de fase van
het sluiten van het akkoord de nodige bijstand verlenen. Heeft
de minderjarige geen advocaat, dan krijgt hij op verzoek van
de geadieerde rechter een advocaat voor minderjarigen toe-
gewezen door de stafhouder van de balie of door het bureau
voor juridische bijstand.
Nr. 4 VAN DE HEER WATHELET
Art. 4
Het ontworpen artikel 37, § 2ter, aanvullen met
een nieuw lid, luidende:
Il convient donc de modifier l’article 37, § 3, de la loi du
8 avril 1965 relative à la protection de la jeunesse afin de re-
centrer l’action des Communautés sur les mineurs.
N° 2 DE M. WATHELET
Art. 5
A l’article 37bis, § 3, alinéa premier, proposé, sup-
primer le mot «notamment».
JUSTIFICATION
Dans la mesure où le juge est lié par l’accord de concerta-
tion, le contenu de celui-ci doit être défini précisément de
manière à ce qu’il soit limité au litige privé entre parties et
n’empiète pas sur les pouvoirs du juge relativement à l’action
publique.
Le terme «notamment «en raison de son imprécision doit
être omis.
N° 3 DE M. WATHELET
Art. 5
Compléter l’article 37bis, § 2, alinéa 3, comme suit:
«Le mineur est assisté par un avocat des mineurs,
excepté lorsqu’il choisit un autre avocat. Cet avocat est
désigné, le cas échéant, conformément à l’article
54bis.».
JUSTIFICATION
Il est important de prévoir l’assistance obligatoire du mi-
neur par un avocat spécialisé pour s’assurer que le mineur a
bien conscience de toutes les conséquences de l’acceptation
d’une médiation. L’avocat pourrait le conseiller utilement lors
de la phase d’accord. Lorsque le mineur n’a pas d’avocat, il lui
est attribué, à la requête du juge saisi du litige, un avocat des
mineurs par le bâtonnier du barreau ou par le bureau d’aide
juridique.
N° 4 DE M. WATHELET
Art. 4
Compléter l’article 37, § 2ter, proposé par un nou-
vel alinéa rédigé comme suit:
3
1467/004
DOC 51
K A M E R 3e Z I T T I N G V A N D E 5 1e Z I T T I N G S P E R I O D E
C H A M B R E
3e S E S S I O N D E L A 51e L É G I S L A T U R E
2005
2004
«Tijdens die procedure wordt de minderjarige bijge-
staan door een advocaat voor minderjarigen, tenzij hij
een andere advocaat kiest. Die advocaat wordt in voor-
komend geval aangewezen overeenkomstig artikel
54bis.».
VERANTWOORDING
De minderjarige moet verplicht worden bijgestaan door een
gespecialiseerd advocaat in alle stadia van de procedure, ook
bij de uitwerking en de voorstelling van een persoonlijk pro-
ject. Als de minderjarige geen advocaat heeft, krijgt hij er een
toegewezen door de stafhouder of het bureau voor juridische
bijstand.
Nr. 5 VAN DE HEER WATHELET
Art. 12
Het ontworpen artikel 45quater, § 1, vijfde lid, ver-
vangen door wat volgt:
«De minderjarige wordt bijgestaan door een advo-
caat voor minderjarigen, tenzij hij een andere advocaat
kiest. Die advocaat wordt, in voorkomend geval, aan-
gewezen overeenkomstig artikel 54bis.».
VERANTWOORDING
Het is van belang ervoor te zorgen dat de minderjarige ge-
garandeerd wordt bijgestaan door een gespecialiseerd advo-
caat, teneinde zich ervan te vergewissen dat hij wel degelijk
beseft wat allemaal de gevolgen zijn van het feit dat hij in-
stemt met bemiddeling. De advocaat kan hem in de fase van
het sluiten van het akkoord de nodige bijstand verlenen. Heeft
de minderjarige geen advocaat, dan krijgt hij op verzoek van
de geadieerde rechter een advocaat voor minderjarigen toe-
gewezen door de stafhouder van de balie of door het bureau
voor juridische bijstand.
Nr. 6 VAN DE HEER WATHELET
Art. 14
In het ontworpen artikel 47, de woorden «aan de
rechten van de slachtoffers die hebben deelgenomen
aan de bemiddeling en van de in hun rechten
gesubrogeerden om een schadevergoeding te verkrij-
gen» vervangen door de woorden «aan de rechten
van gesubrogeerden in de rechten van het slachtoffer
of de slachtoffers die niet bij de bemiddeling werden
betrokken».
«Lors de cette procédure, le mineur est assisté par
un avocat des mineurs, excepté lorsqu’il choisit un autre
avocat. Cet avocat est désigné, le cas échéant, confor-
mément à l’article 54bis».
JUSTIFICATION
Il s’impose qu’un avocat spécialisé soit présent aux côtés
du mineur et de manière obligatoire, et ce à tous les stades
des procédures, y compris lors de l’élaboration et la présenta-
tion d’un projet personnel. Lorsque le mineur n’a pas d’avo-
cat, il lui en est désigné un par le Bâtonnier ou le bureau de
l’aide juridique. Le mineur peut renoncer à l’assistance d’un
avocat: cette renonciation doit toutefois être expresse et est
soumise au contrôle du juge saisi du litige.
N° 5 DE M. WATHELET
Art. 12
Compléter l’article 45quater, § 1er, alinéa 5, pro-
posé, comme suit:
«Le mineur est assisté par un avocat des mineurs,
excepté lorsqu’il choisit un autre avocat. Cet avocat est
désigné, le cas échéant, conformément à l’article
54bis.».
JUSTIFICATION
Il est important de prévoir l’assistance obligatoire du mi-
neur par un avocat spécialisé pour s’assurer que le mineur a
bien conscience de toutes les conséquences de l’acceptation
d’une médiation. L’avocat pourrait le conseiller utilement lors
de la phase d’accord. Lorsque le mineur n’a pas d’avocat, il lui
est attribué, à la requête du juge saisi du litige, un avocat des
mineurs par le bâtonnier du barreau ou par le bureau d’aide
juridique.
N° 6 DE M. WATHELET
Art. 14
Remplacer les mots «aux droits des victimes qui
ont participé à la médiation et des personnes subro-
gées dans leurs droits d’obtenir une indemnisation» par
les mots «aux droits des personnes subrogées dans
les droits de la victime ou des victimes qui n’ont pas été
associées à la médiation.».
4
1467/004
DOC 51
K A M E R 3e Z I T T I N G VA N D E 5 1e Z I T T I N G S P E R I O D E
C H A M B R E
3e S E S S I O N D E L A 51e L É G I S L A T U R E
2005
2004
VERANTWOORDING
Artikel 216ter, § 4, tweede lid, van het Wetboek van straf-
vordering heeft model gestaan voor de ontworpen bepaling.
Die betreft echter alleen de rechten van de slachtoffers en de
in hun rechten gesubrogeerde personen die niet bij de bemid-
deling werden betrokken.
Bepalen dat de slachtoffers die bij de bemiddeling werden
betrokken na de sluiting van een overeenkomst waarbij ze
partij zijn een schadevergoeding kunnen verkrijgen waarin de
bemiddelingsovereenkomst niet voorziet, komt erop neer de
overeenkomst, die betrekking heeft op het herstel van de
schade, uit te hollen en het evenwicht te verstoren van het
bemiddelingsproces zelf, waardoor het wordt ondermijnd.
Dit amendement beperkt de portee van de bepaling op
dezelfde manier als in artikel 216ter, § 4, tweede lid, van het
Wetboek van strafvordering.
Nr. 7 VAN DE HEER WATHELET
Art. 20
Het voorgestelde artikel vervangen door wat volgt:
«In artikel 52ter van dezelfde wet, gewijzigd bij de
wet van 2 februari 1994, worden de volgende wijzigin-
gen aangebracht:
«1° Het tweede lid wordt vervangen door de volgende
bepaling:
«Bij elke verschijning voor de jeugdrechtbank wordt
de minderjarige bijgestaan door een advocaat voor min-
derjarigen, tenzij hij een andere advocaat kiest. Die ad-
vocaat wordt, in voorkomend geval, aangewezen over-
eenkomstig artikel 54bis. Behoudens de gevallen waarin
de zaak bij de jeugdrechtbank aanhangig werd gemaakt
overeenkomstig artikel 45.2.b) of c), kan de jeugdrechter
evenwel een afzonderlijk onderhoud met de betrokkene
hebben.»;
2° Het vierde lid wordt vervangen door de volgende
bepaling:
«Na het verhoor van de betrokkene, wordt hem en
zijn advocaat een afschrift van de beschikking overhan-
digd, evenals aan zijn vader en moeder, voogden of
personen die hem onder hun bewaring hebben, indien
zij ter terechtzitting aanwezig zijn. Wanneer dat afschrift
niet kon worden overhandigd, wordt de beslissing bij
gerechtsbrief ter kennis gebracht. Het afschrift vermeldt
de bestaande rechtsmiddelen, alsook de in acht te ne-
men vormvereisten en termijnen. De termijn voor hoger
beroep loopt vanaf de overhandiging van het afschrift
of vanaf de dag dat de betrokkene bij gerechtsbrief ken-
nis heeft gekregen van de kennisgeving.».
JUSTIFICATION
La disposition proposée s’inspire de l’article 216ter, § 4,
alinéa 2 du Code d’instruction criminelle. Cette disposition ne
concerne cependant que les droits des victimes et des per-
sonnes subrogées dans leurs droits qui n’ont pas été asso-
ciées à la médiation.
Prévoir que les victimes qui ont été associées à la média-
tion puissent, après la conclusion d’un accord dont elles sont
partie prenante, obtenir une indemnisation qui n’a pas été pré-
vue dans l’accord de médiation revient à vider l’accord de sa
substance, en ce qu’il porte sur la réparation du préjudice, et
à déséquilibrer et ainsi saper le processus de médiation lui-
même.
Le présent amendement limite la portée de la disposition
de la même manière que dans l’article 216ter, § 4, alinéa 2 du
Code d’instruction criminelle.
N° 7 DE M. WATHELET
Art. 20
Remplacer l’article proposé comme suit:
«A l’article 52ter de la même loi, modifié par la loi du
2 février 1994, sont apportées les modifications suivan-
tes:
1° L’alinéa 2 est remplacé comme suit:
«Le mineur est assisté par un avocat des mineurs
lors de toute comparution devant le tribunal de la jeu-
nesse, excepté lorsqu’il choisit un autre avocat. Cet
avocat est désigné, le cas échéant, conformément à
l’article 54bis. Hors les cas où le tribunal de la jeunesse
est saisi conformément à l’article 45.2b) ou c), le juge
de la jeunesse peut néanmoins avoir un entretien parti-
culier avec l’intéressé»;
2° A l’alinéa 4, les mots «ainsi qu’à son avocat»,
sont insérés après le mot «intéressé» et la phrase «La
copie de l’ordonnance indique l’existence des voies de
recours et les formes et délais à respecter» est insérée
entre les mots «par pli judiciaire» et «Le délai d’appel».
5
1467/004
DOC 51
K A M E R 3e Z I T T I N G V A N D E 5 1e Z I T T I N G S P E R I O D E
C H A M B R E
3e S E S S I O N D E L A 51e L É G I S L A T U R E
2005
2004
VERANTWOORDING
Het is van belang ervoor te zorgen dat de minderjarige ge-
garandeerd wordt bijgestaan door een gespecialiseerd advo-
caat, telkens wanneer hij voor de jeugdrechter moet verschij-
nen. Heeft de minderjarige geen advocaat, dan krijgt hij op
verzoek van de geadieerde rechter een advocaat voor min-
derjarigen toegewezen door de stafhouder van de balie of door
het bureau voor juridische bijstand.
Voorts wordt bepaald dat ook de advocaat van de minder-
jarige een afschrift van de beschikking ontvangt.
Nr. 8 VAN DE HEER WATHELET
Art. 24
In het voorgestelde artikel 61bis, eerste lid, na de
woorden «onder hun bewaring hebben» de woorden
«alsook aan zijn advocaat,» invoegen.
VERANTWOORDING
De advocaat van de minderjarige zou, gezien zijn bijzon-
dere functie en zijn rol in het kader van de rechtsbijstand, een
afschrift van de uitgesproken vonnissen en arresten moeten
ontvangen. Hij is nog steeds een contactpersoon tot wie de
minderjarige – en, in bijkomende orde, diens ouders - zich
kan (kunnen) richten voor toelichting bij de inhoud van de be-
slissingen.
Nr. 9 VAN DE HEER WATHELET
Art. 47bis (nieuw)
Een artikel 47bis invoegen, luidende:
«Art. 47bis. — Een samenwerkingsakkoord tussen
de Staat en de gemeenschappen, bedoeld bij artikel
92bis, eerste lid, van de bijzondere wet van 8 augustus
1980 tot hervorming der instellingen, regelt de nadere
financieringsregels van de uitvoering door de gemeen-
schappen of de onder hun bevoegdheid ressorterende
diensten van de in deze wet bedoelde maatregelen.».
VERANTWOORDING
Het wetsontwerp belast de gemeenschappen met de uit-
voering van tal van nieuwe taken.
Derhalve moet een samenwerkingsakkoord worden geslo-
ten tussen de Staat en de gemeenschappen, teneinde te pre-
ciseren op welke wijze de federale Staat de door de gemeen-
schappen uit te voeren maatregelen zal financieren.
In dat verband moet een samenwerkingsakkoord worden
gesloten, met het oog op de inachtneming van de
bevoegdheidsverdeling tussen de federale Staat en de ge-
meenschappen. Zonder een soortgelijk akkoord zou het wets-
ontwerp indruisen tegen die bevoegdheidsverdeling, aange-
JUSTIFICATION
Il est important de prévoir l’assistance obligatoire du mi-
neur par un avocat spécialisé pour lors de toute comparution
devant le tribunal de la jeunesse. Lorsque le mineur n’a pas
d’avocat, il lui est attribué, à la requête du juge saisi du litige,
un avocat des mineurs par le bâtonnier du barreau ou par le
bureau d’aide juridique
Par ailleurs, il est prévu qu’une copie de l’ordonnance est
remise également à l’avocat du mineur.
N° 8 DE M. WATHELET
Art. 24
A l’article 61bis, alinéa 1er, proposé, insérer après
le mot «intéressé» les mots «ainsi qu’à son avocat».
JUSTIFICATION
L’avocat du mineur, de par sa fonction particulière et son
intervention dans le cadre de l’aide légale devrait pouvoir re-
cevoir copie des jugements et arrêts rendus. Il demeure une
personne de référence pour expliquer le contenu des déci-
sions au mineur et, subsidiairement, à ses parents.
N° 9 DE M. WATHELET
Art. 47bis (nouveau)
Insérer un article 47bis, rédigé comme suit:
«Art. 47bis. — Un accord de coopération entre l’État
et les Communautés, visé à l’article 92bis, § 1er, de la loi
spéciale du 8 août 1980 de réformes institutionnelles,
règle les modalités de financement de la mise en œuvre,
par les communautés ou les services relevant de cel-
les-ci, des mesures prévues par la présente loi».».
JUSTIFICATION
Le projet de loi met à charge des communautés l’exécution
de nombreuses et nouvelles missions.
Il convient donc qu’un accord de coopération soit conclu
entre l’État et les communautés afin de préciser les modalités
de financement par l’État fédéral de la mise en œuvre de ces
mesures par les communautés.
La conclusion d’un accord de coopération à ce sujet est
indispensable au respect de la répartition des compétences
entre l’État fédéral et les communautés. Sans cet accord, le
projet de loi violerait cette répartition des compétences en
imposant aux communautés des obligations disproportion-
6
1467/004
DOC 51
K A M E R 3e Z I T T I N G VA N D E 5 1e Z I T T I N G S P E R I O D E
C H A M B R E
3e S E S S I O N D E L A 51e L É G I S L A T U R E
2005
2004
zien het de gemeenschappen aldus onevenredige verplich-
tingen zou opleggen. In zijn advies stelt de Raad van State
terzake het volgende: «Mocht blijken dat uit de ontworpen wet
onevenredige lasten voor de gemeenschappen voortvloeien,
dan zou de federale overheid onbevoegd zijn om eenzijdig in
de ontworpen maatregelen te voorzien.». Derhalve moet een
samenwerkingsakkoord worden gesloten vooraleer de wet in
werking kan treden.
Nr. 10 VAN DE HEER WATHELET
Art. 48
Dit artikel vervangen als volgt:
«Art. 48. — De Koning bepaalt de datum van inwer-
kingtreding van deze wet. Die datum mag niet vooraf-
gaan aan de datum waarop de bij deze wet bedoelde
samenwerkingsakkoorden worden gesloten.».
VERANTWOORDING
Zie amendement nr. 9.
Nr. 11 VAN MEVROUW LALIEUX c.s.
Art. 27 en 28
In hoofdstuk 3, dat de artikelen 27 en 28 bevat, de
volgende wijzigingen aanbrengen:
1) In de plaats van artikel 27, dat artikel 28bis
wordt, een nieuwe artikel 27 invoegen, luidende:
«Art. 27. — De wet van 17 april 1878, houdende de
voorafgaande titel van het Wetboek van strafvordering,
wordt aangevuld met een nieuw hoofdstuk, luidende:
«Hoofdstuk V - REGELS MET BETREKKING TOT
DE UITOEFENING VAN DE STRAFVORDERING VOL-
GEND OP EEN BESLISSING VAN UITHANDENGE-
VING BEVOLEN DOOR EEN JEUGDGERECHT.
Artikel 30. — Wanneer een strafvordering wordt in-
gesteld met toepassing van deze wet, ten gevolge van
een beslissing van uithandengeving bevolen in toepas-
sing van artikel 57bis van de wet van 8 april 1965 be-
treffende de jeugdbescherming, het ten laste nemen van
minderjarigen die een als misdrijf omschreven feit heb-
ben gepleegd en het herstel van de door dit feit veroor-
nées. Or, selon l’avis rendu par le Conseil d’État, «s’il devait
s’avérer que la loi en projet emporte des charges dispropor-
tionnées pour les communautés, l’autorité fédérale serait in-
compétente pour édicter unilatéralement les mesures proje-
tées «.
Il convient donc qu’un accord de coopération soit conclu
avant que la loi ne puisse entrer en vigueur.
N° 10 DE M. WATHELET
Art. 48
Remplacer cet article comme suit:
«Art. 48. — Le Roi fixe la date d’entrée en vigueur de
la présente loi. Cette date ne peut être antérieure à la
conclusion des accords de coopération visés par la pré-
sente loi.».
JUSTIFICATION
Voir amendement précédent.
Melchior WATHELET (cdH)
N° 11 DE MME LALIEUX ET CONSORTS
Art. 27 et 28
Au Chapitre 3, comprenant les articles 27 et 28,
apporter les modifications suivantes:
1) Insérer, à la place de l’article 27, qui devient
l’article 28bis, un article 27 nouveau rédigé comme
suit:
«Art. 27. — La loi du 17 avril 1878 contenant le titre
préliminaire du Code de procédure pénale est complé-
tée par un nouveau chapitre rédigé comme suit:
«Chapitre V - REGLES RELATIVES À L’EXERCICE
DE L’ACTION PUBLIQUE À LA SUITE D’UNE DECI-
SION DE DESSAISISSEMENT ORDONNEE PAR UNE
JURIDICTION DE LA JEUNESSE.
Article 30. — Lorsque l’action publique est exercée
en application de la présente loi à la suite d’une déci-
sion de dessaisissement ordonnée en application de l’ar-
ticle 57bis de la loi du 8 avril 1965 relative à la protec-
tion de la jeunesse, à la prise en charge des mineurs
ayant commis un fait qualifié infraction et à la répara-
tion du dommage causé par ce fait, les pièces relatives
7
1467/004
DOC 51
K A M E R 3e Z I T T I N G V A N D E 5 1e Z I T T I N G S P E R I O D E
C H A M B R E
3e S E S S I O N D E L A 51e L É G I S L A T U R E
2005
2004
zaakte schade, mogen de stukken die verband houden
met de persoonlijkheid en de leefomgeving van de ver-
volgde persoon uitsluitend worden meegedeeld aan de
betrokkene of aan zijn advocaat, met uitsluiting van elke
andere vervolgde persoon en van de burgerlijke par-
tij.».
2) In de plaats van artikel 28, dat artikel 28ter
wordt, een nieuwe artikel 28 invoegen, luidende:
«Art. 28. — Art. 216quater van het Wetboek van straf-
vordering, ingevoegd door de wet van 11 juli 1994 en
gewijzigd door de wet van 13 april 2005, wordt aange-
vuld als volgt:
«Aan de oproeping bij proces-verbaal wordt voorrang
gegeven in geval van vervolging van een persoon uit-
handen gegeven is met toepassing van artikel 57bis van
de wet van 8 april 1965 betreffende de jeugd-
bescherming, het ten laste nemen van minderjarigen
die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd
en het herstel van de door dit feit veroorzaakte schade.».
VERANTWOORDING
Dit amendement brengt verscheidene wijzigingen aan in
hoofdstuk 3 betreffende de bepalingen tot wijziging van het
Wetboek van Strafvordering.
Er wordt in de eerste plaats een bepaling ingevoegd van
algemene aard inzake het raadplegen van een strafdossier
betreffende een jongere die het voorwerp was van een uit-
handengeving door een jeugdrechtbank. Het nieuwe artikel
57bis in ontwerp van de wet van 8 april 1965 voorziet inder-
daad dat de jeugdrechtbank die een beslissing tot uithand-
engeving neemt het integrale dossier moet overmaken aan
het openbaar ministerie, inclusief alle stukken in verband met
de persoonlijkheid en de leefomgeving van de jongere. Deze
mededeling beoogt de rechtsmacht van gemeen recht die
kennis zal nemen van de zaak voor te lichten over de per-
soonlijkheid van de vervolgde jongere. Deze stukken zijn en-
kel bestemd voor deze laatste die er de exclusieve toegang
toe heeft. De burgerlijke partij of de eventuele andere perso-
nen die in het kader van dezelfde zaak worden vervolgd, mo-
gen geen toegang krijgen tot deze stukken, aangezien ze be-
trekking hebben op het privé-leven van de betrokken jongere,
en hoe dan ook de vervolgingen die tegen hen ingesteld zijn
niet ondersteunen of wat hen betreft geen bewijselement vor-
men.
Vervolgens wordt artikel 216quater van het Wetboek van
strafvordering gewijzigd. Dit artikel behandelt de oproeping bij
proces-verbaal. Het is aangewezen dat aan deze wijze van
aanhangigmaking de voorkeur wordt gegeven wanneer er
vervolgingen worden ingesteld ten aanzien van een, met toe-
passing van de wet van 8 april 1965 betreffende de jeugd-
bescherming, het ten laste nemen van minderjarigen die een
als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd en het herstel
van de door dit feit veroorzaakte schade, uit handen gegeven
à la personnalité et au milieu de vie de la personne pour-
suivie, ne peuvent être communiquées qu’à l’intéressé
ou à son avocat, à l’exclusion de toute autre personne
poursuivie et de la partie civile.».
2) Insérer, à la place de l’article 28, qui devient
l’article 28ter, un article 28 nouveau rédigé comme
suit:
«Art. 28. — L’art. 216quater, du Code d’instruction
criminelle, inséré par la loi du 11 juillet 1994 et modifié
par la loi du 13 avril 2005, est complété comme suit:
«La convocation par procès verbal est privilégiée en
cas de poursuite intentée à l’encontre d’une personne
ayant fait l’objet d’un dessaisissement en application de
l’article 57bis de la loi du 8 avril 1965 relative à la pro-
tection de la jeunesse, à la prise en charge des mineurs
ayant commis un fait qualifié infraction et à la répara-
tion du dommage causé par ce fait.».
JUSTIFICATION
Le présent amendement apporte plusieurs modifications
au chapitre 3 relatif aux dispositions modifiant le Code d’ins-
truction criminelle.
Il est, tout d’abord, inséré une disposition à caractère gé-
néral relative à la consultation du dossier répressif qui con-
cerne un jeune ayant fait l’objet d’un dessaisissement par
une juridiction de la jeunesse. Le nouvel article 57bis en pro-
jet de la loi du 8 avril 1965 prévoit en effet que la juridiction de
la jeunesse qui décide un dessaisissement doit transmettre
l’intégralité du dossier du jeune au ministère public, en ce com-
pris les pièces relatives à la personnalité et au lieu de vie du
jeune. Cette communication a pour objectif d’éclairer la juri-
diction de droit commun qui sera amenée à connaître de l’af-
faire sur la personnalité du jeune poursuivi. Seul ce dernier
est concerné par lesdites pièces et peut y avoir accès. La
partie civile ou les éventuels autres personnes poursuivies
dans le cadre de la même affaire, ne peuvent avoir accès à
ces pièces dès lors qu’elles ont trait à la vie privée du jeune
concerné, et que d’ailleurs ne fondent pas les poursuites in-
tentées à leur encontre ou qu’elles ne constituent pas un élé-
ment de preuve les concernant.
Ensuite, l’article 216quater du Code d’instruction criminelle
est modifié. Cet article traite de la convocation par procès-
verbal. Il est indiqué que ce mode de saisine est privilégié
lorsque des poursuites sont intentées à l’encontre d’un jeune
ayant fait l’objet d’un dessaisissement en application de la loi
du 8 avril 1965 relative à la protection de la jeunesse, à la
prise en charge des mineurs ayant commis un fait qualifié in-
fraction et à la réparation du dommage causé par ce fait. L’ob-
jectif étant de privilégier, lorsque les circonstances de l’affaire
8
1467/004
DOC 51
K A M E R 3e Z I T T I N G VA N D E 5 1e Z I T T I N G S P E R I O D E
C H A M B R E
3e S E S S I O N D E L A 51e L É G I S L A T U R E
2005
2004
jongere. Het is de bedoeling om, wanneer de omstandighe-
den van de zaak het toelaten, binnen een kortere termijn te
komen tot het bepalen van de rechtsdag en het uitspreken
van het vonnis.
Nr. 12 VAN MEVROUW LALIEUX c.s.
Art. 1bis (nieuw)
Een artikel 1bis invoegen, luidende als volgt:
«Art. 1bis. — In de wet van 8 april 1965 betreffende
de jeugdbescherming wordt een voorafgaande titel in-
gevoegd, luidende:
«Voorafgaande titel: Beginselen van de rechts-
bedeling ten aanzien van minderjarigen
De volgende beginselen zijn erkend en van toepas-
sing op de rechtsbedeling ten aanzien minderjarigen:
• de voorkoming van delinquentie is van wezenlijk
belang om de maatschappij op lange termijn te bescher-
men. Zulks vereist dat de bevoegde autoriteiten de on-
derliggende oorzaken van de jeugddelinquentie aanpak-
ken en een multidisciplinair actieplan uitwerken;
• elke rechtsbedeling ten aanzien van minderjarigen
gebeurt, voor zover zulks mogelijk is, door actoren,
ambtenaren en magistraten met een specifieke en per-
manente opleiding inzake jeugdrecht;
• de rechtsbedeling ten aanzien van minderjarigen
streeft doelstellingen na inzake opvoeding,
verantwoordelijkheidszin, resocialisatie en bescherming
van de maatschappij;
• de minderjarigen mogen geenszins worden gelijk-
gesteld met meerderjarigen wat de mate van verant-
woordelijkheid en de gevolgen van hun daden betreft.
De minderjarigen die een als misdrijf omschreven feit
hebben gepleegd, moeten evenwel bewust worden ge-
maakt van de gevolgen van hun daden;
• de minderjarigen genieten in het kader van deze
wet persoonlijke rechten en vrijheden, waaronder die
omschreven in de Grondwet en in het Internationaal
Verdrag inzake de Rechten van het Kind, inzonderheid
het recht te worden gehoord tijdens het proces dat leidt
tot beslissingen die hen aangaan en het recht daaraan
deel te nemen. Deze rechten en plichten moeten ge-
paard gaan met bijzondere waarborgen:
– telkens als de wet afbreuk kan doen aan bepaalde
rechten en vrijheden van de jongeren, hebben die jon-
geren het recht te worden geïnformeerd over de inhoud
van deze rechten en vrijheden;
le permettent, la fixation et le jugement dans un délai plus
rapide.
N° 12 DE MME LALIEUX ET CONSORTS
Art. 1bis (nouveau)
Insérer un article 1erbis, rédigé comme suit:
«Art. 1erbis. — Dans la loi du 8 avril 1965 relative à la
protection de la jeunesse un titre préliminaire est inséré,
rédigé comme suit:
«Titre préliminaire: Principes de l’administration de
la justice des mineurs.
Les principes suivants sont reconnus et applicables
à l’administration de la justice des mineurs:
• la prévention de la délinquance est essentielle pour
protéger la société à long terme et exige que les auto-
rités compétentes s’attaquent aux causes sous -
jacentes de la délinquance des mineurs et qu’elles éla-
borent un cadre d’action multidisciplinaire.
• toute intervention de l’administration de la justice
des mineurs est, dans la mesure du possible, assurée
par des intervenants, fonctionnaires et magistrats qui
ont reçu une formation spécifique et continue en ma-
tière de droit de la jeunesse;
• l’administration de la justice des mineurs poursuit
les objectifs d’éducation, de responsabilisation et de
réinsertion sociale ainsi que de protection de la société;
• les mineurs ne peuvent, dans tous les cas, être as-
similés aux majeurs quant à leur degré de responsabi-
lité et aux conséquences de leurs actes. Toutefois, les
mineurs ayant commis un fait qualifié infraction doivent
être amenés à prendre conscience des conséquences
de leurs actes;
• les mineurs jouissent dans le cadre de cette loi, à
titre propre, de droits et libertés, au nombre desquels
figurent ceux qui sont énoncés dans la Constitution et
la Convention internationale des droits de l’enfant, et
notamment le droit de se faire entendre au cours du
processus conduisant à des décisions qui les touchent
et de prendre part à ce processus, ces droits et libertés
devant être assortis de garanties spéciales:
– les jeunes ont le droit, chaque fois que la loi est
susceptible de porter atteinte à certains de leurs droits
et libertés, d’être informés du contenu de ces droits et
libertés;
9
1467/004
DOC 51
K A M E R 3e Z I T T I N G V A N D E 5 1e Z I T T I N G S P E R I O D E
C H A M B R E
3e S E S S I O N D E L A 51e L É G I S L A T U R E
2005
2004
– de vader en moeder nemen het onderhoud en de
opvoeding van en het toezicht op hun kinderen op zich.
Bijgevolg kunnen de jongeren enkel volledig of gedeel-
telijk aan het ouderlijk gezag worden onttrokken in de
gevallen waarin maatregelen houdende handhaving van
dit gezag als een contra-indicatie kunnen worden be-
schouwd;
– de situatie van de minderjarigen die een als misdrijf
omschreven feit hebben gepleegd, vereist toezicht, op-
voeding, tucht en begeleiding. Hun toestand van afhan-
kelijkheid, hun ontwikkelings- en maturiteitsgraad schep-
pen echter bijzondere noden die luisterbereidheid, raad
en bijstand vereisen;
– elk optreden dat een opvoedende maatregel in-
houdt, heeft tot doel de jongere aan te moedigen zich
de maatschappelijke normen eigen te maken;
– bij de tenlasteneming van minderjarigen die een
als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd, wordt,
wanneer zulks mogelijk is, een beroep gedaan op de in
de wet bepaalde vervangingsmaatregelen voor de ge-
rechtelijke procedures, waarbij evenwel rekening wordt
gehouden met de bescherming van de maatschappij;
– in het kader van de wet mogen aan het recht op
vrijheid van de jongeren slechts minimale belemmerin-
gen worden opgelegd die noodzakelijk zijn voor de be-
scherming van de maatschappij, rekening houdend met
de noden van de jongeren, de belangen van hun familie
en het recht van de slachtoffers.»
VERANTWOORDING
Krachtens dit artikel wordt in de wet van 8 april 1965 een
voorafgaande titel ingevoegd met betrekking tot de fundamen-
tele beginselen die het optreden van de Staat ten aanzien van
minderjarige delinquenten moeten leiden.
Het is bijvoorbeeld belangrijk in de wetgeving het beginsel
op te nemen van de specifieke aard van de maatschappelijke
reactie op jeugddelinquentie. Zulks houdt in dat de rechter bij
zijn optreden en zijn reactie rekening houdt met de persoon-
lijkheid van de minderjarige, maar ook met de aard van het
gepleegde feit; dat de rechter altijd de voorkeur geeft aan het
behoud van de minderjarige in zijn omgeving; dat de maat-
schappij het recht heeft zich op grond van de openbare veilig-
heid te verdedigen tegen gewelddadig gedrag van jongeren;
dat de minderjarige wordt gewezen op zijn verantwoordelijk-
heid met betrekking tot de draagwijdte van zijn daad en de
schade veroorzaakt aan de slachtoffers en de maatschappe-
lijke orde.
Nr. 13 AN MEVROUW LALIEUX c.s.
Art. 2bis (nieuw)
Een artikel 2bis invoegen, luidend als volgt:
– les père et mère assument l’entretien, l’éducation
et la surveillance de leurs enfants. Par conséquent, les
jeunes ne peuvent être entièrement ou partiellement
soustraits à l’autorité parentale que dans les seuls cas
où des mesures comportant le maintien de cette auto-
rité sont contre-indiquées;
– la situation des mineurs ayant commis un fait qua-
lifié infraction requiert surveillance, éducation, discipline
et encadrement. Toutefois, l’état de dépendance où ils
se trouvent, leur degré de développement et de matu-
rité créent dans leur chef des besoins spéciaux qui exi-
gent écoute, conseils et assistance;
– toute intervention comportant une mesure éduca-
tive vise à encourager le jeune à intégrer les normes de
la vie sociale;
– dans le cadre de la prise en charge des mineurs
ayant commis un fait qualifié infraction, il est fait recours,
lorsque cela est possible, aux mesures de substitution
aux procédures judiciaires prévues
– dans le cadre de la loi, le droit des jeunes à la li-
berté ne peut souffrir que d’un minimum d’entraves com-
mandées par la protection de la société, compte tenu
des besoins des jeunes, des intérêts de leur famille et
du droit des victimes.»
JUSTIFICATION
Cet article insère dans la loi du 8 avril 1965 un titre prélimi-
naire ayant trait aux principes fondamentaux qui doivent gui-
der les interventions de l’État à l’égard de mineurs délinquants.
A titre d’exemple, il est important d’inscrire dans la législa-
tion le principe de la spécificité de la réaction sociale face à la
délinquance juvénile; le principe selon lequel l’intervention du
juge et sa réponse tiendront compte de la personnalité du
mineur mais aussi de la nature de l’acte posé; le principe en
vertu duquel le juge privilégiera toujours le maintien dans le
milieu de vie; le droit pour la société de se défendre au nom
de la sécurité publique face à des comportements violents
commis par des mineurs; le principe de la responsabilisation
du mineur face à la portée de son acte et des dommages
causés aux victimes et à l’ordre social.
N° 13 DE MME LALIEUX ET CONSORTS
Art. 2bis (nouveau)
Insérer un article 2bis, rédigé comme suit:
10
1467/004
DOC 51
K A M E R 3e Z I T T I N G VA N D E 5 1e Z I T T I N G S P E R I O D E
C H A M B R E
3e S E S S I O N D E L A 51e L É G I S L A T U R E
2005
2004
«Art. 2bis. — Artikel 10 van de wet van 8 april 1965
betreffende de jeugdbescherming, opgeheven bij de wet
van 10 oktober 1967, wordt hersteld in de volgende le-
zing:
«Art. 10. — Door toedoen van de griffier wordt elke
beslissing, te weten een voorlopige maatregel of een
maatregel ten gronde, van de jeugdrechter of de jeugd-
rechtbank, in eerste aanleg of in hoger beroep, de dag
van de beslissing zelf bij gewone kopie overgezonden
aan de advocaat van de minderjarige, behalve in geval
van toezending ervan aan de minderjarige zelf en on-
verminderd andersluidende wettelijke bepalingen.».
VERANTWOORDING
Thans is het zo dat in bepaalde rechtsgebieden de advo-
caat van de minderjarige een kopie ontvangt van de beslis-
sing van het kabinet en van de zitting binnen 24 uur, onder
voorbehoud van de wettelijke bepalingen terzake. Aangezien
dit geen wettelijke verplichting is, maar wel zeer nuttig blijkt te
zijn, wordt dit beginsel expliciet opgenomen in de wetgeving.
Nr. 14 VAN MEVROUW LALIEUX c.s.
Art. 3
In het ontworpen artikel 29bis, de woorden «de
personen die het ouderlijk gezag uitoefenen» vervan-
gen door de woorden «de vader en de moeder, tenzij
deze, overeenkomstig deze wet, volledig ontzet zijn uit
het ouderlijk gezag of ontzet zijn uit de uitoefening van
de in artikel 33, 1° en 2° van deze wet vermelde rech-
ten, alsook de voogd, pleegvoogd of de personen aan
wie, krachtens artikel 34 van deze wet, de uitoefening
werd toegewezen van de in artikel 33, 1° en 2° van deze
wet vermelde rechten».
VERANTWOORDING
Met dit amendement wordt in artikel 29bis, de notie ouder-
lijk gezag uitgebreid, aangezien de regeling van de ouder-
stage behoort tot de bijstand aan personen en een daarin
passende hulpverleningsgerichte interventie te verkiezen is
boven de repressieve interventie. De notie wordt uitgebreid
tot de vader, de moeder, met inbegrip van de adoptant of
adoptanten, tenzij deze, overeenkomstig de wet van 8 april
1965 betreffende de jeugdbescherming volledig ontzet zijn uit
het ouderlijk gezag of ontzet zijn uit de uitoefening van de in
artikel 33, 1° en 2° vermelde rechten. Ook de voogd wordt
geviseerd, met uitsluiting evenwel van de voogd aangewezen
overeenkomstig Titel XIII, Hoofdstuk 6, «Voogdij over niet-be-
geleide minderjarige vreemdelingen» van de programmawet
van 24 december 2002, gewijzigd door de programmawetten
van 22 december 2003 en 27 december 2004. Deze staat
«Art. 2bis. — L’article 10 de la même loi, abrogée par
la loi du 10 octobre 1967 est rétabli comme suit:
«Art. 10. — Par l’intermédiaire du greffier, toute déci-
sion, soit une mesure provisoire soit une mesure sur le
fond prise par le juge de la jeunesse ou le tribunal de la
jeunesse, en première instance ou en degré d’appel,
est transmise encore le jour même de la décision par
simple copie à l’avocat du mineur sauf en cas d’envoi
au mineur lui-même et sous réserve d’autres disposi-
tions légales.».
JUSTIFICATION
Aujourd’hui, c’est vrai que dans certaines juridictions, l’avo-
cat du mineur reçoit une copie tant de la décision du cabinet
que de l’audience dans les 24 heures sous réserve de dispo-
sitions légales à ce sujet. Comme ce n’est pas une obligation
légale, mais plutôt utile, nous inscrivons ce principe explicite-
ment dans la législation.
N° 14 DE MME LALIEUX ET CONSORTS
Art.3
Dans l’article 29bis, en projet, remplacer les mots
«les personnes qui exercent l’autorité parentale» par
les mots «le père et la mère, sauf s’ils sont totalement
déchus de l’autorité parentale ou déchus de l’exercice
des droits repris à l’article 33, 1° et 2°, ainsi que le tu-
teur, le protuteur ou les personnes auxquelles, en vi-
gueur de l’article 34 de la présente loi, l’exercice a été
confié des droits repris à l’article 33, 1° et 2°».
JUSTIFICATION
Le présent amendement étend à l’article 29bis la notion
d’autorité parentale étant donné que le règlement du stage
parental relève de l’assistance aux personnes et que préférer
dans ce cadre une intervention adéquate en termes d’assis-
tance va au-delà de l’intervention répressive. La notion est
étendue au père, à la mère, l’adoptant ou les adoptants y com-
pris, sauf si conformément à la loi du 8 avril 1965 relative à la
protection de la jeunesse, ceux-ci ont été déchus totalement
de l’autorité parentale ou de l’exercice des droits mentionnés
à l’article 33, 1° et 2°. Le tuteur est également visé, en dehors
par contre du tuteur désigné conformément au Titre XIII, Cha-
pitre 6 «Tutelle des mineurs étrangers non accompagnés» de
la loi-programme du 24 décembre 2002, modifiée par les lois-
programmes des 22 décembre 2003 et 27 décembre 2004.
En effet, ce tuteur ne s’occupe pas de l’accueil du jeune et
11
1467/004
DOC 51
K A M E R 3e Z I T T I N G V A N D E 5 1e Z I T T I N G S P E R I O D E
C H A M B R E
3e S E S S I O N D E L A 51e L É G I S L A T U R E
2005
2004
immers niet in voor de opvang van de minderjarige en is even-
min burgerrechtelijk aansprakelijk in de zin van artikel 1384
Burgerlijk Wetboek. Daarnaast is de bepaling ook van toe-
passing op de pleegvoogd, alsook op de natuurlijke personen
aan wie, krachtens artikel 34 van voormelde wet betreffende
de jeugdbescherming, de uitoefening van de in artikel 33, 1°
en 2° vermelde rechten werd toegewezen.
Nr. 15 VAN MEVROUW LALIEUX c.s.
Art. 4
In dit artikel de volgende wijzigingen aanbrengen:
1) In het 2° in de Nederlandse tekst van het ont-
worpen artikel 37, § 2, 1°, de woorden «streng ver-
manen» vervangen door het woord «berispen»;
2) In het 2° in de Nederlandse tekst van het ont-
worpen artikel 37, § 2, 9°, de woorden «een open-
bare instelling voor jeugdbescherming» vervangen door
de woorden «een gemeenschapsinstelling»;
3) In het 2° in het ontworpen artikel 37, § 2, 10°,
worden de woorden «inzonderheid met het oog op een
medisch-psychologische evaluatie» weggelaten;
4) In het 4° in de Nederlandse tekst van het ont-
worpen artikel 37, § 2ter, g), worden de woorden
«diensten voor bijzondere jeugdbijstand ingericht door
de bevoegde instanties» vervangen door de woorden
«diensten voor jeugdhulpverlening, ingericht door de be-
voegde gemeenschappen»;
5) In het 4° in de Franse tekst van het ontworpen
artikel 37, § 2ter, g), het woord «spéciale» weglaten;
6) In het 7°, een punt dbis) invoegen luidende:
«dbis) In het tweede lid, 2°, in de Nederlandse tekst,
worden de woorden «als misdrijf gekwalificeerd feit»
vervangen door de woorden «als misdrijf omschreven
feit».».
VERANTWOORDING
Met dit amendement worden taalkundige verbeteringen, en
een verbetering in gebruik van terminologie beoogd.
n’est pas non plus civilement responsable dans le sens de
l’article 1384 du Code civil. Finalement, la disposition s’appli-
que au protuteur, ainsi qu’aux personnes physiques à qui l’exer-
cice des droits mentionnés à l’article 33, 1° et 2°, de la loi
précitée a été confié conformément à l’article 34 de la même
loi.
N° 15 DE MME LALIEUX ET CONSORTS
Art. 4
Apporter à cet article les modifications suivan-
tes:
1) Au 2° dans le texte néerlandais de l’article 37,
§ 2, 1°, en projet, remplacer les mots «streng
vermanen» par le mot «berispen»;
2) Au 2° dans le texte néerlandais de l’article 37,
§ 2, 9°, en projet, remplacer les mots «een openbare
instelling voor jeugdbescherming» par les mots «een
gemeenschapsinstelling»;
3) Au 2°, à l’article 37, § 2, 10°, en projet, suppri-
mer les mots «notamment pour établir un bilan médico-
psychologique»;
4) Au 4° dans la version néerlandaise de l’article
37, § 2ter, g), en projet, remplacer les mots «diensten
voor bijzondere jeugdbijstand ingericht door de
bevoegde instanties» par les mots «diensten voor
jeugdhulpverlening, ingericht door de bevoegde
gemeenschappen»;
5) Au 4° dans le texte français de l’article 37,
§ 2ter, g), en projet, supprimer le mot «spéciale»;
6) Insérer au 7° un point dbis) rédigé comme suit:
«dbis) A l’article 2, 2°, dans le texte néerlandais, les
mots «als misdrijf gekwalificeerd feit» sont remplacés
par les mots «als misdrijf omschreven feit».
JUSTIFICATION
Le présent amendement vise à apporter des corrections
d’ordre terminologique et à améliorer la terminologie utilisée.
12
1467/004
DOC 51
K A M E R 3e Z I T T I N G VA N D E 5 1e Z I T T I N G S P E R I O D E
C H A M B R E
3e S E S S I O N D E L A 51e L É G I S L A T U R E
2005
2004
Nr. 16 VAN MEVROUW LALIEUX c.s.
Art. 4bis (nieuw)
Een artikel 4bis invoegen, luidend als volgt:
«Artikel 4bis. — In het artikel 36, 5° van de Wet van 8
april 1965 betreffende de jeugdbescherming worden de
volgende wijzigingen aangebracht:
1) In de Nederlandse tekst wordt het woord «bereik»
vervangen door het woord «bereikt»;
2) In de Nederlandse tekst worden de woorden «arti-
kel 119, § 2, lid 2, 1» vervangen door de woorden «arti-
kel 119bis, § 2, lid 2, 1°».
VERANTWOORDING
Dit amendement beoogt in de Nederlandse tekst een taal-
kundige verbetering en een verbetering in de verwijzing naar
de juiste bepaling aan te brengen.
Nr. 17 VAN MEVROUW LALIEUX c.s.
Art. 5
In het artikel 37bis, in ontwerp, worden de vol-
gende wijzigingen aangebracht:
1) Paragraaf 1, aanvullen met een lid, luidende als
volgt:
«De bemiddelingsdienst stelt een bondig verslag op,
waarin vermeld wordt dat:
1° Ofwel de bemiddeling niet werd aangevat, omdat:
a. één van de betrokken personen niet kon worden
bereikt;
b. één van de betrokken partijen de bemiddeling niet
wilde opstarten.
c. de betrokken personen reeds een akkoord heb-
ben gesloten, of de benadeelde persoon geen eis meer
instelt;
d. de jongere de feiten ontkent.
2° Ofwel de bemiddeling geen resultaat heeft opge-
leverd. In dit geval wordt de volgende informatie ver-
meld:
a. de naam van de betrokken personen die
gecontacteerd werden, met de vermelding dat er geen
overeenstemming werd bereikt;
N° 16 DE MME LALIEUX ET CONSORTS
Art. 4bis (nouveau)
Insérer un article 4bis, rédigé comme suit:
«Article 4bis. — A l’article 36, 5°, de la loi du 8 avril
1965 relative à la protection de la jeunesse sont appor-
tées les modifications suivantes:
1) Dans le texte néerlandais, le mot «bereik» est rem-
placé par le mot «bereikt»;
2) Dans le texte néerlandais, les mots «article 119,
§ 2, alinéa 2, 1» sont remplacés par les mots «article
119bis, § 2, alinéa 1°».
JUSTIFICATION
Le présent amendement vise à apporter dans le texte néer-
landais une correction d’ordre linguistique ainsi qu’une rectifi-
cation de la référence de la disposition à laquelle il est ren-
voyé.
N° 17 DE MME LALIEUX ET CONSORTS
Art. 5
Apporter à l’article 37bis, en projet, les modifica-
tions suivantes:
1) Compléter le § 1er par l’alinéa suivant:
«Le service de médiation rédige un rapport succinct
qui précise que:
1° soit la médiation n’a pas été entamée parce que:
a. une des personnes concernées n’a pas pu être
jointe;
b. une des parties concernées ne souhaitait pas que
la médiation soit entamée.
c. les personnes concernées ont déjà conclu un ac-
cord ou que la personne lésée ne formule plus d’exi-
gence;
d. le jeune nie les faits.
2° soit la médiation n’a donné aucun résultat. Dans
ce cas, il est fait mention des informations suivantes:
a. le nom des personnes concernées qui ont été con-
tactées, accompagné de la mention qu’aucun accord
n’a été atteint;
13
1467/004
DOC 51
K A M E R 3e Z I T T I N G V A N D E 5 1e Z I T T I N G S P E R I O D E
C H A M B R E
3e S E S S I O N D E L A 51e L É G I S L A T U R E
2005
2004
b. elke andere informatie, waarvan de kennisgeving
voor akkoord is ondertekend door alle betrokken perso-
nen;
Informatie die de minderjarige kan schaden wordt
evenwel niet opgenomen.
3° Ofwel de bemiddeling geslaagd is. In dit geval wordt
het door de betrokken personen ondertekende akkoord
bij het gerechtelijk dossier gevoegd.»;
2) In § 2, tweede lid, de woorden «de personen die
het ouderlijk gezag uitoefenen» vervangen door de
woorden «de vader, de moeder, de adoptant of de
adoptanten, tenzij deze, overeenkomstig deze wet, vol-
ledig ontzet zijn uit het ouderlijk gezag of ontzet zijn uit
de uitoefening van de in artikel 33, 1° en 2° van deze
wet vermelde rechten, alsook de voogd, of de personen
aan wie, krachtens artikel 34 van deze wet, de uitoefe-
ning werd toegewezen van de in artikel 33, 1° en 2° van
deze wet vermelde rechten»;
3) Paragraaf 2, tweede lid 2, 2°, vervangen als
volgt:
«2° de betrokkene verklaart zijn betrokkenheid bij het
als misdrijf omschreven feit niet te ontkennen;»;
4) Paragraaf 2, tweede lid, aanvullen met een 4°,
luidend als volgt:
«4° het slachtoffer moet geïdentificeerd zijn;» ;
5) Paragraaf 2, derde lid, vervangen als volgt:
«De rechtbank of de rechter brengt de bij de bemid-
deling betrokken personen ervan op de hoogte dat zij
zich kunnen laten bijstaan door een advocaat op het
ogenblik dat het akkoord dat de betrokken personen
bereiken wordt vastgesteld.»;
6) In § 3, zesde lid, tussen de woorden «stelt een»
en het woord «verslag» het woord «bondig» invoegen;
7) In § 3, tweede lid 2, de woorden «de personen
die het ouderlijk gezag uitoefenen» vervangen door
de woorden «de vader en de moeder, tenzij deze, over-
eenkomstig deze wet, volledig ontzet zijn uit het ouder-
lijk gezag of ontzet zijn uit de uitoefening van de in arti-
kel 33, 1° en 2° van deze wet vermelde rechten, alsook
de voogd, of de personen aan wie, krachtens artikel 34
van deze wet, de uitoefening werd toegewezen van de
in artikel 33, 1° en 2° van deze wet vermelde rechten»;
b. toute autre information, dont la communication est
signée pour accord par toutes les personnes concer-
nées;
Les informations pouvant porter préjudice au mineur
ne sont par contre pas reprises.
3° soit la médiation a abouti. Dans ce cas, l’accord
signé par les personnes concernées est versé au dos-
sier judiciaire.»;
2) dans le § 2, alinéa 2, remplacer les mots «les
personnes qui exercent l’autorité parentale «par les
mots «le père, la mère, l’adoptant ou les adoptants, sauf
s’ils sont totalement déchus de l’autorité parentale ou
déchus de l’exercice des droits repris à l’article 33, 1° et
2°, ainsi que le tuteur, le protuteur ou les personnes
auxquelles, en vigueur de l’article 34 de la présente loi,
l’exercice a été confié des droits repris à l’article 33, 1°
et 2°»;
3) remplacer le § 2, alinéa 2, 2°, par le texte sui-
vant:
«2° l’intéressé déclare ne pas nier le fait qualifié in-
fraction;»;
4) compléter le § 2, alinéa 2, par un 4°) rédigé
comme suit:
«4° la victime doit être identifiée; »;
5) remplacer le § 2, alinéa 3, par l’alinéa suivant:
«Le tribunal ou le juge informe les personnes con-
cernées par la médiation qu’ils peuvent se faire assister
par un avocat au moment où l’accord auquel aboutis-
sent les personnes concernées est fixé.»;
6) dans le § 3, alinéa 6, insérer le mot «succinct»
entre les mots «un rapport» et «sur l’exécution»;
7) dans le § 3, alinéa 2, remplacer les mots «aux
personnes qui exercent l’autorité parentale «sont rem-
placés par les mots «au père et à la mère, sauf s’ils
sont totalement déchus de l’autorité parentale ou dé-
chus de l’exercice des droits repris à l’article 33, 1° et
2°, ainsi au tuteur, au protuteur ou aux personnes aux-
quelles, en vigueur de l’article 34 de la présente loi,
l’exercice a été confié des droits repris à l’article 33, 1°
et 2°»;
14
1467/004
DOC 51
K A M E R 3e Z I T T I N G VA N D E 5 1e Z I T T I N G S P E R I O D E
C H A M B R E
3e S E S S I O N D E L A 51e L É G I S L A T U R E
2005
2004
8) Paragraaf 3, tweede lid, 2°, vervangen als volgt:
«2° de betrokkene verklaart zijn betrokkenheid bij het
als misdrijf omschreven feit niet te ontkennen;»;
9) Paragraaf 3, tweede lid, aanvullen met een 4°,
lid 2, worden er twee voorwaarden toegevoegd, lui-
dende als volgt:
«4° het slachtoffer moet geïdentificeerd zijn;
10) In § 3, tussen het tweede en het derde lid een
lid invoegen, luidende:
«De rechtbank brengt de bij het herstelgericht groeps-
overleg betrokken personen ervan op de hoogte dat zij
zich kunnen laten bijstaan door een advocaat op het
ogenblik dat het akkoord dat de betrokken personen
bereiken wordt vastgesteld.»;
11) In § 3, lid 6, tussen de woorden «stelt een» en
het woord «verslag» het woord «bondig» invoegen.
VERANTWOORDING
Punt 1) schrijft de wijze van rapportage van de bemidde-
ling door de bemiddelingsdienst in de wet in. De rapportage
zal systematisch en bondig zijn, waardoor problemen inzake
beroepsgeheim worden voorkomen. Bovendien zal het par-
ket geen uitvoerig verslag kunnen eisen.
Tevens wordt met punt 2) het aantal personen uitgebreid
dat de jongere kan bijstaan. Het betreft de vader, de moeder,
met inbegrip van de adoptant of adoptanten, tenzij deze, over-
eenkomstig de wet van 8 april 1965 betreffende de jeugd-
bescherming volledig ontzet zijn uit het ouderlijk gezag of ont-
zet zijn uit de uitoefening van de in artikel 33, 1° en 2° vermelde
rechten, de voogd, met inbegrip van de voogd aangewezen
overeenkomstig Titel XIII, Hoofdstuk 6 «Voogdij over niet-be-
geleide minderjarige vreemdelingen» van de programmawet
van 24 december 2002, gewijzigd door de programmawetten
van 22 december 2003 en 27 december 2004, de pleegvoogd,
alsook de natuurlijke personen aan wie, krachtens artikel 34
van voormelde wet betreffende de jeugdbescherming, de uit-
oefening van de in artikel 33, 1° en 2° vermelde rechten werd
toegewezen.
Punt 3) brengt de tekst van het artikel in overeenstemming
met het recht bepaald in artikel 40, lid 2, b), (iv) Kinderrechten-
verdrag: de minderjarige kan immers niet ertoe worden ge-
dwongen om schuld te bekennen. Deze formulering verhoogt
trouwens de kansen op bemiddeling en herstelgericht groeps-
overleg voor daders bij wie een expliciete erkenning van schuld
van bij de aanvang van het bemiddelingsproces moeilijk ligt.
8) Remplacer le § 3, alinéa 2, 2°, par le texte sui-
vant:
«2° l’intéressé déclare ne pas nier le fait qualifié in-
fraction;»;
9) Compléter le § 3, alinéa 2, par un 4°), rédigé
comme suit:
«4° la victime doit être identifiée;
10) Au § 3, insérer l’alinéa suivant entre les ali-
néas 2 et 3:
«Le tribunal informe les personnes concernées par
la concertation restauratrice qu’ils peuvent se faire as-
sister par un avocat au moment où l’accord auquel abou-
tissent les personnes concernées est fixé.»;
11) dans le § 3, alinéa 6, insérer le mot «succinct»
entre les mots «un rapport» et «sur l’exécution».
JUSTIFICATION
Le point 1) inscrit dans la loi les modalités selon lesquelles
le service de médiation fait rapport de la médiation. Le rapport
sera systématique et succincte, ce qui permettra d’éviter des
problèmes sur le plan du secret professionnel. En outre, le
parquet ne pourra pas exiger de rapport circonstancié.
De plus, le point 2) étend le nombre de personnes suscep-
tibles à assister le jeune. Il s’agit du père, de la mère, l’adop-
tant ou les adoptants y compris, sauf si conformément à la loi
du 8 avril 1965 relative à la protection de la jeunesse, ceux-ci
ont été déchus totalement de l’autorité parentale ou de l’exer-
cice des droits mentionnés à l’article 33, 1° et 2°, ainsi que du
tuteur, en ce compris le tuteur désigné conformément au Titre
XIII, Chapitre 6 «Tutelle des mineurs étrangers non accompa-
gnés» de la loi-programme du 24 décembre 2002, modifiée
par les lois-programmes des 22 décembre 2003 et 27 décem-
bre 2004, du protuteur et des personnes physiques à qui l’exer-
cice des droits mentionnés à l’article 33, 1° et 2°, de la loi
précitée a été confié conformément à l’article 34 de la même
loi.
Le point 3) met le texte de l’article en concordance avec le
droit prévu à l’article 40, alinéa 2, b), (iv), de la Convention
relative aux droits de l’enfant: le mineur ne peut en effet être
contraint de s’avouer coupable. Les chances de médiation et
de concertation restauratrice en groupe s’en trouvent par
ailleurs augmentées pour les auteurs qui ont des difficultés à
reconnaître explicitement leur culpabilité dès le début du pro-
cessus de médiation.
15
1467/004
DOC 51
K A M E R 3e Z I T T I N G V A N D E 5 1e Z I T T I N G S P E R I O D E
C H A M B R E
3e S E S S I O N D E L A 51e L É G I S L A T U R E
2005
2004
Wat de procedure van bemiddeling betreft wordt een voor-
waarde toegevoegd (punt 4)).
Met de punten 5) en 10) wordt het recht op bijstand door
een advocaat bij bemiddeling en herstelgericht groepsoverleg
toegekend, zodat de betrokken personen, en de minderjarige,
uitvoerig geïnformeerd zijn, en er in hun belang kan worden
gehandeld. Het akkoord waartoe de bemiddeling leidt wordt
immers door de rechter gehomologeerd, tenzij het inbreuk
pleegt op de openbare orde. Om evenwel te vermijden dat de
herstelgerichte aanpak uitmondt in een onderhandeling tus-
sen advocaten, wordt de advocaat pas aangesteld op het ogen-
blik dat het werkelijk door de betrokkenen persoonlijk bereikte
akkoord wordt vastgelegd.
In artikel 37bis, § 2, lid 6 wordt, in navolging van punt 1)
toegevoegd dat het verslag beknopt is (amendement 6)).
Punt 7) past artikel 37bis, § 3, tweede lid, aan in dezelfde
zin als punt 2).
De tekst van artikel 37bis, § 3, tweede lid, eveneens in over-
eenstemming gebracht met het recht bepaald in artikel 40, lid
2,b), (iv) Kinderrechtenverdrag, door punt 8).
In artikel 37bis, § 3, lid 2 wordt met betrekking tot het herstel-
gericht groepsoverleg een voorwaarde toegevoegd (punt 9)).
In artikel 37bis, § 3, lid 6 wordt, in navolging van punt 1)
toegevoegd dat het verslag beknopt is (punt 11).
Nr. 18 VAN MEVROUW LALIEUX c.s.
Art. 8
In het ontworpen artikel 43, de volgende wijzigin-
gen aanbrengen:
1) In lid 1 en 2 de woorden «de jeugdrechtbank»
vervangen door de woorden «de rechter of de jeugd-
rechtbank»;
2) In lid 2 de woorden «voornoemde wet op de per-
soon bedoeld in artikel 36, 4°» vervangen door de
woorden «voornoemde wet van 26 juni 1990 op de per-
sonen die oorspronkelijk voor de jeugdrechtbank waren
geleid op grond van artikel 36, 4°»;
3) In lid 2, de woorden «over elke andere maatregel
die zij nuttig acht» vervangen door de woorden «over
elke maatregel, bedoeld in artikel 37, die zij nuttig acht».
VERANTWOORDING
Er wordt, via de punten 1) en 3) in artikel 43, lid 1 en 2 een
taalkundige en procedurele verbetering aangebracht, om elke
verwarring te vermijden, ingevolge het feit dat dit artikel naar
Quant à la procédure de médiation, le point 4) ajoute une
condition.
Les points 5) et 10) accordent le droit de bénéficier de l’as-
sistance d’un avocat dans le cadre de la médiation et de la
concertation restauratrice en groupe, de sorte que les per-
sonnes concernées et le mineur soient amplement informés
et qu’il puisse être agi dans leur intérêt. L’accord auquel aboutit
la médiation est en effet homologué par le juge, sauf en cas
de contrariété à l’ordre public. Néanmoins, afin d’éviter que
l’approche restauratrice résulte en une négociation entre avo-
cats, l’avocat n’est désigné qu’au moment où l’accord aux-
quels les personnes concernées aboutissent personnellement,
est fixé.
Le point 6) ajoute, parallèlement au point 1), à l’article 37bis,
§ 2, alinéa 6, que le rapport est succinct.
Le point 7) inscrit à l’article 37bis, § 3, alinéa 2, une même
adaptation que celle prévue au point 2).
Le point 8) met le texte de l’article 37bis, § 3, alinéa 2, 2° en
concordance avec le droit prévu à l’article 40, alinéa 2, b), (iv),
de la Convention relative aux droits de l’enfant.
A l’article 37bis, § 3, alinéa 2 une condition est ajoutée à la
concertation restauratrice en groupe (point 9)).
Le point 11) ajoute, parallèlement au point 1), à l’article
37bis, § 3, alinéa 6, que le rapport est succinct.
N° 18 DE MME LALIEUX ET CONSORTS
Art. 8
Apporter à l’article 43, en projet, les modifications
suivantes:
1) Remplacer dans les alinéas 1er et 2, les mots
«le tribunal de la jeunesse» par les mots «le juge ou le
tribunal de la jeunesse»;
2) Dans l’alinéa 2, remplacer les mots «loi précitée
à la personne visée à l’article 36, 4°» par les mots «loi
du 26 juin 1990 précitée aux personnes renvoyées ini-
tialement devant le tribunal de la jeunesse sur la base
de l’article 36, 4°»;
3) Dans l’alinéa 2, remplacer les mots «sur toute
autre mesure qu’il juge utile» par les mots «sur toute
mesure visée à l’article 37, qu’il juge utile».
JUSTIFICATION
Les points 1) et 3) apportent à l’article 43, alinéas 1er et 2,
une rectification d’ordre linguistique et procédural, afin d’évi-
ter toute confusion vu que cet article réfère à 2 lois différen-
16
1467/004
DOC 51
K A M E R 3e Z I T T I N G VA N D E 5 1e Z I T T I N G S P E R I O D E
C H A M B R E
3e S E S S I O N D E L A 51e L É G I S L A T U R E
2005
2004
twee verschillende wetten verwijst, en om te verduidelijken
dat het niet alleen maatregelen ten gronde betreft, maar even-
eens voorlopige maatregelen.
Er wordt in artikel 43, lid 2 (punt 2) verduidelijkt dat de pro-
cedure wordt aangewend voor personen die (oorspronkelijk)
voor de jeugdrechtbank waren geleid op basis van artikel 36,
4°, Jeugdbeschermingswet.
Nr. 19 VAN MEVROUW LALIEUX c.s.
Art. 8bis (nieuw)
Een artikel 8bis invoegen, luidend als volgt:
«Artikel 8bis. — In de Nederlandse tekst van het arti-
kel 44, lid 2 en 3, van dezelfde wet worden de woorden
«als misdrijf gekwalificeerd feit» vervangen door de
woorden «als misdrijf omschreven feit».».
VERANTWOORDING
Dit amendement beoogt een taalkundige verbetering aan
te brengen in de Nederlandse tekst van artikel 44, lid 2 en 3.
Nr. 20 VAN MEVROUW LALIEUX c.s.
Art. 11
Het ontworpen artikel 45ter, vervangen als volgt:
«Artikel 45ter. — Ten aanzien van de personen be-
doeld in artikel 36, 4°, kan de procureur des Konings de
vermoedelijke pleger van het als misdrijf omschreven
feit een waarschuwingsbrief sturen waarin hij vermeldt
dat hij kennis heeft genomen van de feiten, dat hij van
oordeel is dat deze feiten ten laste van de minderjarige
vaststaan en dat hij beslist heeft het dossier te
seponeren.
Een kopie van de waarschuwingsbrief wordt bezorgd
aan de vader en aan de moeder, aan de voogd van de
minderjarige of aan de personen die hem in rechte of in
feite onder hun bewaring hebben.
De procureur des Konings kan de vermoedelijke da-
der van het als misdrijf omschreven feit en zijn wette-
lijke vertegenwoordigers evenwel oproepen en hen wij-
zen op hun wettelijke verplichtingen en de risico’s die zij
lopen.».
tes, et afin de clarifier que la disposition porte non seulement
sur les mesures sur le fond mais également sur les mesures
provisoires.
Il est précisé à l’article 43, alinéa 2 (point 2)) que la procé-
dure est appliquée à l’égard des personnes qui (initialement)
avaient été renvoyées devant le tribunal de la jeunesse sur la
base de l’article 36, 4°, de la loi relative à la protection de la
jeunesse.
N° 19 DE MME LALIEUX ET CONSORTS
Art. 8bis
Insérer un article 8bis, rédigé comme suit:
«Article 8bis. — Dans le texte néerlandais de l’article
44, alinéas 2 et 3, de la même loi les mots «als misdrijf
gekwalificeerd feit» sont remplacés par les mots «als
misdrijf omschreven feit».».
JUSTIFICATION
Le présent amendement vise à apporter une correction d’or-
dre linguistique dans le texte néerlandais de l’article 44, ali-
néas 2 et 3.
N° 20 DE MME LALIEUX ET CONSORTS
Art. 11
Remplacer l’article 45ter, en projet, comme suit:
«Art. 45ter. — A l’égard des personnes visées à l’ar-
ticle 36, 4°, le procureur du Roi peut adresser à l’auteur
présumé du fait qualifié infraction une lettre d’avertisse-
ment dans laquelle il indique qu’il a pris connaissance
des faits, qu’il estime ces faits établis à charge du mi-
neur et qu’il a décidé de classer le dossier sans suite.
Une copie de la lettre d’avertissement est transmise
aux père et mère, au tuteur du mineur ou aux person-
nes qui en ont la garde en droit ou en fait.
Le procureur du Roi peut toutefois convoquer l’auteur
présumé du fait qualifié infraction et ses représentants
légaux et leur notifier un rappel à la loi et les risques
qu’ils encourent.».
17
1467/004
DOC 51
K A M E R 3e Z I T T I N G V A N D E 5 1e Z I T T I N G S P E R I O D E
C H A M B R E
3e S E S S I O N D E L A 51e L É G I S L A T U R E
2005
2004
VERANTWOORDING
De auteurs van dit amendement delen de bekommernis
om de mogelijkheden die aan het parket ter beschikking wor-
den gesteld te diversifiëren zodat het snel en constructief kan
optreden.
De auteurs stellen derhalve voor om de huidige wettelijke
bepalingen aan te vullen door de procureur des Konings de
mogelijkheid te bieden de minderjarige die een als misdrijf
omschreven feit heeft gepleegd een waarschuwingsbrief te
sturen waarin de procureur des Konings vermeldt dat hij ken-
nis heeft genomen van de feiten, dat hij van oordeel is dat
deze feiten ten laste van de minderjarige vast staan en dat hij
beslist heeft het dossier te seponeren. Een kopie van de
waarschuwingsbrief wordt bezorgd aan de vader en aan de
moeder, aan de voogd van de minderjarige of aan de perso-
nen die hem in rechte of in feite onder hun bewaring hebben.
Deze aanvulling heeft dus betrekking op het geval waarin de
procureur des Konings het niet absoluut noodzakelijk acht de
betrokken partijen op te roepen.
Nr. 21 VAN MEVROUW LALIEUX c.s.
Art. 12
In het ontworpen artikel 45quater, de volgende wij-
zigingen aanbrengen:
1) Paragraaf 1, tweede lid, 2°, vervangen als volgt:
«2° de betrokkene verklaart zijn betrokkenheid bij het
als misdrijf omschreven feit niet te ontkennen;»;
2) Paragraaf 1, tweede lid aanvullen met een 4°),
luidend als volgt:
«4° het slachtoffer moet geïdentificeerd zijn.»;
3) Paragraaf 1, derde lid, aanvullen als volgt:
«, behalve indien hij de zaak zonder gevolg wenst te
rangschikken.»;
4) Paragraaf 1, vijfde lid, aanvullen als volgt:
«op het ogenblik dat het akkoord dat de betrokken
personen bereiken wordt vastgesteld.»;
5) In § 3, lid 2, de woorden «wordt de strafvordering
beëindigd» vervangen door de woorden «houdt daar-
mee rekening bij zijn beslissing om de zaak al dan niet
zonder gevolg te rangschikken. In dit kader doet een
rangschikking zonder gevolg de strafvordering verval-
len.»
JUSTIFICATION
Les auteurs de cet amendement partagent le souci de di-
versification des possibilités mises à la disposition du parquet
afin de lui permettre d’agir rapidement et de manière cons-
tructive.
Les auteurs proposent donc de compléter le dispositif
proposé en permettant au procureur du Roi d’adresser au
mineur ayant commis un fait qualifié infraction une lettre
d’avertissement dans laquelle il indique qu’il a pris
connaissance des faits, qu’il estime ces faits établis à charge
du mineur et qu’il a décidé de classer le dossier sans suite.
Une copie de la lettre d’avertissement sera transmise aux père
et mère, au tuteur du mineur ou aux personnes qui en ont la
garde en droit ou en fait. Cet ajout vise donc l’hypothèse dans
laquelle le procureur du Roi estime qu’il n’est pas indispensable
de convoquer les parties concernées.
N° 21 DE MME LALIEUX ET CONSORTS
Art. 12
Apporter à l’article 45quater, en projet, les modi-
fications suivantes:
1) Remplacer le § 1er, alinéa 2, 2°, comme suit:
«2° l’intéressé déclare ne pas nier le fait qualifié in-
fraction;»;
2) Compléter le § 1er, alinéa 2, par un 4°), rédigé
comme suit:
«4° la victime doit être identifiée.»;
3) Compléter le § 1er, alinéa 3, comme suit:
«, sauf s’il souhaite classer l’affaire sans suite.»;
4) Compléter le § 1er, alinéa 5, comme suit:
«au moment où l’accord auquel aboutissent les per-
sonnes concernées est fixé.»;
5) Dans le § 3, alinéa 2, remplacer les mots «et il
est mis fin à l’action publique» par les mots «et en tient
compte lorsqu’il décide de classer sans suite ou non
l’affaire. Un classement sans suite dans ce cadre a pour
effet l’extinction de l’action publique.»;
18
1467/004
DOC 51
K A M E R 3e Z I T T I N G VA N D E 5 1e Z I T T I N G S P E R I O D E
C H A M B R E
3e S E S S I O N D E L A 51e L É G I S L A T U R E
2005
2004
6) In § 4, het woord «mislukt» vervangen door de
woorden «geen resultaat oplevert».
VERANTWOORDING
Met dit amendement wordt de tekst van het artikel 45quater,
§ 1, lid 2, 2° herformuleert, en in overeenstemming gebracht
met het recht bepaald in artikel 40, lid 2,b), (iv) Kinderrechten-
verdrag: de minderjarige kan er immers niet toe worden ge-
dwongen om schuld te bekennen.
Het amendement verhoogt overigens de kansen op herstel-
bemiddeling en herstelgericht groepsoverleg voor daders bij
wie de expliciete erkenning van de schuld in de beginfase van
het bemiddelingsproces moeilijk ligt.
Er wordt in artikel 45quater, § 1, lid 2 (punt 2) een nieuwe
voorwaarde opgenomen, voorafgaand aan iedere bemidde-
ling.
Punt 3) past artikel 45quater, § 1, lid 3 aan, rekening hou-
dend met het advies van de Hoge Raad voor de Justitie dat
het geen zin heeft om het parket op te leggen om te motiveren
waarom het niet tot een bemiddeling wenst over te gaan, wan-
neer het de zaak zonder gevolg wenst te rangschikken.
Tevens wordt met punt 4) het recht op bijstand door een
advocaat bij bemiddeling toegekend, zodat de betrokken per-
sonen, en de minderjarige, uitvoerig geïnformeerd zijn, en er
in hun belang kan worden gehandeld. Om evenwel te vermij-
den dat de herstelgerichte aanpak uitmondt in een onderhan-
deling tussen advocaten, wordt de advocaat pas aangesteld
op het ogenblik dat het werkelijk door de betrokkenen per-
soonlijk bereikte akkoord wordt vastgelegd.
Voorts wordt afgezien van het automatisme van het verval
van de strafvordering na een geslaagde bemiddeling. Bemid-
deling wordt de partijen immers niet opgelegd, maar slechts
voorgesteld, en gebeurt buiten enige gerechtelijke procedure.
Tevens bestond er een risico dat het automatisme bemidde-
ling zou uitsluiten in geval van zwaardere delinquenten. Door
het automatisme van het verval van de strafvordering te schrap-
pen, laat de wet de keuze aan de procureur des Konings. In
die zin wordt artikel 45quater, § 3, lid 2 aangepast (punt 5).
Tenslotte wordt een taalkundige verbetering aangebracht
in artikel 45quater, § 4 (punt 6).
Nr. 22 VAN MEVROUW LALIEUX c.s.
Art. 16bis (nieuw)
Een artikel 16bis invoegen, luidende:
«Artikel 16bis. — Artikel 49, tweede lid van dezelfde
wet wordt aangevuld als volgt:
6) dans le § 4, remplacer les mots «En cas d’échec
de la médiation,» par les mots «Si la médiation ne
donne aucun résultat,».
JUSTIFICATION
Le présent amendement reformule le texte de l’article
45quater, § 1er, alinéa 2, 2°, et le texte de l’article en concor-
dance avec l’article 40, alinéa 2, b), (iv), de la Convention
relative aux droits de l’enfant: le mineur ne peut en effet être
contraint de s’avouer coupable.
Les chances de médiation réparatrice et de concertation
restauratrice en groupe s’en trouvent par ailleurs augmentées
pour les auteurs qui ont des difficultés à reconnaître explicite-
ment leur culpabilité dès le début du processus de médiation.
Une nouvelle condition, préalable à toute médiation, est
intégrée dans l’article 45quater, §1er, alinéa 2 (point 2)).
Le point 3) adapte l’article 45quater, § 1er, alinéa 3, compte
tenu de l’avis du Conseil supérieur de la Justice qu’il est inu-
tile d’imposer au parquet de motiver pourquoi il ne souhaite
pas procéder à une médiation, s’il souhaite classer l’affaire
sans suite.
En outre, le point 4) accorde le droit de bénéficier de l’as-
sistance d’un avocat dans le cadre de la médiation, de sorte
que les personnes concernées et le mineur soient amplement
informés et qu’il puisse être agi dans leur intérêt. Néanmoins,
afin d’éviter que l’approche restauratrice résulte en une négo-
ciation entre avocats, l’avocat n’est désigné qu’au moment où
l’accord auxquels les personnes concernées aboutissent per-
sonnellement, est fixé.
Il est également dérogé à l’automatisme de l’extinction de
l’action publique à l’issue d’une médiation réussie. En effet, la
médiation n’est pas imposée mais est uniquement proposée
aux parties et a lieu en dehors de toute procédure judiciaire.
De même, l’automatisme risquait d’exclure la médiation pour
les délinquants graves. En supprimant l’extinction de l’action
publique, la loi laisse le choix au procureur du Roi. L’article
45quater, § 3, alinéa 2, est adapté en ce sens (point 5)).
De plus, une correction d’ordre linguistique est apportée à
l’article 45quater, § 4 (point 6)).
N° 22 DE MME LALIEUX ET CONSORTS
Art. 16bis (nouveau)
Insérer un article 16bis, rédigé comme suit:
«Article 16bis. — L’article 49, alinéa 2, de la même
loi, est complété comme suit:
19
1467/004
DOC 51
K A M E R 3e Z I T T I N G V A N D E 5 1e Z I T T I N G S P E R I O D E
C H A M B R E
3e S E S S I O N D E L A 51e L É G I S L A T U R E
2005
2004
«De betrokkene heeft, telkens hij voor de onderzoeks-
rechter verschijnt, recht op bijstand van een advocaat.
Deze advocaat wordt, in voorkomend geval, aangewe-
zen overeenkomstig artikel 54bis. De onderzoeksrechter
kan evenwel een afzonderlijk onderhoud met de betrok-
kene hebben.».».
VERANTWOORDING
Dit amendement beoogt het verschil in behandeling van de
minderjarige weg te werken, in navolging van het Arbitrage-
hofarrest nr. 184/2004 van 16 november 2004. Indien een
maatregel van bewaring door een onderzoeksrechter, op grond
van art. 49 werd genomen, kon de minderjarige niet van de
bijstand van een advocaat genieten, terwijl dit wel het geval
was indien dezelfde maatregel door een jeugdrechter werd
genomen, krachtens art. 52ter, tweede lid. In beide hypothe-
ses kan de in het geding zijnde maatregel van bewaring ern-
stige gevolgen hebben voor de rechten van de minderjarige.
Eveneens parallel met artikel 52ter, tweede lid, wordt niette-
min een mogelijkheid voor de onderzoeksrechter ingeschreven
om een afzonderlijk onderhoud met de betrokkene te hebben.
In die zin wordt artikel 49, tweede lid, aangevuld.
Nr. 23 VAN MEVROUW LALIEUX c.s.
Art. 18
In punt 3° in het artikel 51, § 2, vierde lid, het woord
«vordering» vervangen door het woord «advies».
VERANTWOORDING
Dit amendement wijzigt artikel 51, § 2, vierde lid, zodat re-
kening wordt gehouden met het advies geformuleerd door de
Orde van Vlaamse Balies, teneinde de rechter de mogelijk-
heid te bieden om ambtshalve te ontheffen van de geldboete,
na advies van het parket.
Nr. 24 VAN MEVROUW LALIEUX c.s.
Art. 19
In dit artikel de volgende wijzigingen aanbrengen:
1) In punt 1°, in het eerste lid, de woorden «of aan
een voorwaarde opgesomd in artikel 37, § 2bis» invoe-
gen tussen de woorden «in artikel 37, § 2, 3°,» en de
woorden «ofwel voorlopig»;
2) In punt 1°, in het eerste lid, de woorden «artikel
37, § 2, 9° tot 12°» vervangen door de woorden «arti-
kel 37, § 2, 8° tot 12°, in voorkomend geval op cumula-
tieve wijze»;
«L’intéressé a droit à l’assistance d’un avocat, lors
de toute comparution devant le juge d’instruction. Cet
avocat est désigné, le cas échéant, conformément à
l’article 54bis. Le juge d’instruction peut néanmoins avoir
un entretien particulier avec l’intéressé.» .».
JUSTIFICATION
Le présent amendement vise à supprimer la différence de
traitement à l’égard du mineur. Lorsqu’une mesure de garde
était prise par un juge d’instruction sur la base de l’article 49,
le mineur ne pouvait bénéficier de l’assistance d’un avocat
alors qu’une même mesure prise par un juge de la jeunesse
lui donnait droit à cette assistance, conformément à l’article
52ter, alinéa 2. Dans les deux hypothèses, la mesure de garde
en cause peut avoir de graves conséquences en ce qui con-
cerne les droits du mineur.
Egalement parallèlement à l’article 52ter, alinéa 2, le juge
d’instruction a la possibilité d’avoir un entretien particulier avec
l’intéressé.
L’article 49, alinéa 2, est complété en ce sens.
N° 23 DE MME LALIEUX ET CONSORTS
Art. 18
Au point 3° dans l’article 51, § 2, alinéa 4, en pro-
jet, remplacer le mot «réquisition» par le mot «avis».
JUSTIFICATION
Le présent amendement modifie l’article 51, § 2, alinéa 4,
pour tenir compte de l’avis formulé par l’Orde van Vlaamse
Balies, afin d’offrir la possibilité au juge de décharger d’office
de l’amende, après avis du parquet.
N° 24 DE MME LALIEUX ET CONSORTS
Art. 19
Apporter à cet article les modifications suivan-
tes:
1) Au point 1°, à l’alinéa 1er, insérer les mots «ou à
une condition énumérée à l’article 37, § 2bis» entre les
mots «à l’article 37, § 2, 3°,» et «, soit»;
2) Au point 1°, dans l’alinéa 1er, remplacer les mots
«article 37, § 2, 9° à 12°» par les mots «article 37, § 2,
8° à 12°, le cas échéant de façon cumulative»;
20
1467/004
DOC 51
K A M E R 3e Z I T T I N G VA N D E 5 1e Z I T T I N G S P E R I O D E
C H A M B R E
3e S E S S I O N D E L A 51e L É G I S L A T U R E
2005
2004
3) In punt 1°, het eerste lid aanvullen met de woor-
den «De maatregel bedoeld in artikel 37, § 2, 10° wordt
steeds genomen met het oog op een medisch-psycho-
logische evaluatie.»;
4) Punt 1° aanvullen met het volgende lid:
«Om de beslissing bedoeld in het tweede lid te ne-
men, houdt de jeugdrechtbank rekening met de in arti-
kel 37, § 1, lid 2, bedoelde factoren. Er wordt tevens
rekening gehouden met de mate waarin de
behandelingswijzen, de vormen van opvoedkundige
trajectverwerking of enige andere middelen daartoe
beschikbaar zijn, alsmede met het voordeel dat de be-
trokkene zich daarmee zou kunnen doen.»;
5) Het artikel aanvullen met een punt 3°, luidende:
«3° in de Nederlandse tekst van lid 4, worden de
woorden «als misdrijf gekwalificeerd feit» vervangen
door de woorden «als misdrijf omschreven feit».
VERANTWOORDING
Met dit amendement kan het opleggen van jeugd-
beschermingsmaatregelen in de voorlopige fase afhankelijk
worden gemaakt van één of meer van de in artikel 37, § 2bis
opgesomde voorwaarden. In die zin wordt artikel 52, lid 2 ge-
wijzigd (punt 1).
De verwijzing naar de maatregel bedoeld in artikel 37, § 2,
8°, door een wijziging in artikel 52, lid 2 (punt 2)), heeft tot
gevolg dat de jongere gedurende de rechtspleging eveneens
voorlopig in een geschikte inrichting kan worden geplaatst,
met het oog op zijn huisvesting, behandeling, opvoeding, on-
derricht of beroepsopleiding , of onder toezicht van de be-
voegde sociale dienst kan worden toevertrouwd aan een be-
trouwbaar persoon. Zoals de Raad van State in zijn advies in
herinnering brengt, beogen maatregelen van bewaring om de
situatie van de minderjarige zo goed mogelijk af te stemmen
op wat in zijn belang is, in afwachting van een beslissing ten
gronde. De rechter kan in dit verband een opvang voor de
jongere vinden wanneer het onmogelijk is om hem langer in
zijn thuismilieu te laten. Een privé-instelling of een opvang-
gezin kan verkieslijk blijken te zijn boven een plaatsing in een
gemeenschapsinstelling.
Daarnaast wordt bepaald dat de maatregel bedoeld in arti-
kel 37, § 2, 10° steeds wordt genomen met het oog op een
medisch-psychologische evaluatie.
Bovendien worden de factoren bedoeld in art. 37, § 1, lid 2,
in rekening gebracht bij het opleggen van voorlopige maatre-
gelen. In die zin werd er een lid ingevoegd tussen lid 2 en 3
van het artikel 52 (punt 3)).
Voorts wordt een taalkundige verbetering aangebracht in
artikel 52, lid 4 (punt 4) van de Nederlandse tekst.
3) Au point 1°, compléter l’alinéa 1er par les mots
«La mesure prévue à l’article 37, § 2, 10° est prise en
vue d’établir un bilan médico-psychologique.»;
4) Compléter le point 1° par l’alinéa suivant:
«Afin de prendre la décision visée à l’alinéa 2, le tri-
bunal de la jeunesse tient compte des facteurs visés à
l’article 37, § 1er, alinéa 2. La disponibilité des moyens
de traitement, des programmes d’éducation ou de tou-
tes autres ressources envisagées et le bénéfice qu’en
retirerait l’intéressé sont également pris en considéra-
tion.»;
5) Compléter l’article par un point 3°, rédigé
comme suit:
«3° dans le texte néerlandais de l’alinéa 4, les mots
«als misdrijf gekwalificeerd feit» sont remplacés par les
mots «als misdrijf omschreven feit».
JUSTIFICATION
Le présent amendement permet de subordonner l’imposi-
tion de mesures de protection de la jeunesse au stade provi-
soire au respect d’une ou de plusieurs des conditions énon-
cées à l’article 37, § 2bis. L’article 52, alinéa 2, est modifié en
ce sens (point 1)).
Le renvoi à la mesure visée à l’article 37, § 2, 8°, par une
modification à l’article 52, alinéa 2 (point 2)), a pour effet que
pendant la procédure le jeune peut également être placé, à
titre provisoire, dans un établissement approprié, en vue de
son hébergement, de son traitement, de son éducation, de
son instruction ou de sa formation professionnelle, ou être
confié sous surveillance du service social compétent à une
personne digne de confiance. Comme le rappelle le Conseil
d’État dans son avis, les mesures de garde ont pour objet
d’aménager la situation du jeune à mieux de ses intérêts dans
l’attente d’une décision au fond. Le juge peut dans ce cadre
trouver un hébergement pour le jeune lorsque le maintien dans
son milieu de vie n’est plus possible. Une institution privée ou
une famille d’accueil peut apparaître préférable à un place-
ment en IPPJ.
Il est également clarifié que la mesure prévue à l’article 37,
§ 2, 10° est prise en vue d’établir un bilan médico-psychologi-
que.
En outre, il est tenu compte des facteurs visés à l’article
37, § 1er, alinéa 2, lors de l’imposition de mesures provisoires.
Un alinéa a, en ce sens, été inséré entre les alinéas 2 et 3 de
l’article 52 (point 3)).
De plus, une correction d’ordre linguistique est apportée
au texte néerlandais de l’article 52, alinéa 4 (point 4)).
21
1467/004
DOC 51
K A M E R 3e Z I T T I N G V A N D E 5 1e Z I T T I N G S P E R I O D E
C H A M B R E
3e S E S S I O N D E L A 51e L É G I S L A T U R E
2005
2004
Nr. 25 VAN MEVROUW LALIEUX c.s.
Art. 21bis (nieuw)
Een artikel 21bis invoegen, luidend als volgt:
«Art. 21bis. — Een nieuw artikel 52quinquies wordt
ingevoegd in de wet van 8 april 1965 betreffende de
jeugdbescherming, luidende als volgt:
«Artikel 52quinquies. — «Gedurende een rechtsple-
ging strekkende tot de toepassing van een der maatre-
gelen bedoeld in titel II, hoofdstuk III, kan de jeugdrechter
of de jeugdrechtbank een bemiddeling voorstellen krach-
tens de modaliteiten voorzien in artikel 37bis.».».
VERANTWOORDING
Dit amendement strekt ertoe, via het invoegen van een
nieuw artikel 52quinquies, bemiddeling op te nemen in het
voorlopige stadium van de procedure, teneinde bemiddeling
mogelijk te maken in elk stadium van de procedure. Bemidde-
ling dient immers niet te worden beschouwd als een maatre-
gel, maar wel als een vrijwillig en niet-dwingend communica-
tieproces, en dit zowel in het voorlopige als in het definitieve
stadium van de rechtspleging.
Nr. 26 VAN MEVROUW LALIEUX c.s.
Art. 22
In het ontworpen artikel 57bis, de volgende wijzi-
gingen aanbrengen:
1) Paragraaf 1, eerste lid, aanvullen als volgt:
«De motivering gebeurt in functie van de persoonlijk-
heid van de betrokkene en van zijn omgeving en van de
graad van maturiteit van de betrokkene.»;
2) Paragraaf 2, eerste lid, aanvullen als volgt:
«Het medisch-psychologisch onderzoek is erop ge-
richt de situatie te evalueren in functie van de persoon-
lijkheid van de betrokkene en van zijn omgeving en van
de graad van maturiteit van de betrokkene. De aard,
frequentie en ernst van de feiten die de betrokkene ten
laste worden gelegd, worden in overweging genomen
in zoverre ze bijdragen tot de evaluatie van zijn per-
soonlijkheid.
De Koning bepaalt volgens welke modaliteiten het
medisch-psychologisch onderzoek dient te worden ge-
realiseerd.»;
N° 25 DE MME LALIEUX ET CONSORTS
Art. 21bis (nouveau)
Insérer un article 21bis, rédigé comme suit:
«Art. 21bis. — Un article 52quinquies, rédigé comme
suit, est inséré dans la même loi:
«Art. 52quinquies. — Durant une procédure visant
l’application d’une des mesures visées au titre II, chapi-
tre III, le juge de la jeunesse ou le tribunal de la jeu-
nesse peut proposer une médiation en vertu des moda-
lités prévues à l’article 37bis.».».
JUSTIFICATION
En insérant un nouvel article 52quinquies, le présent amen-
dement vise à introduire la médiation au stade provisoire de
la procédure afin de la rendre possible à chaque stade de la
procédure. La médiation ne doit, en effet, pas être considé-
rée comme une mesure mais comme un processus de com-
munication volontaire et non contraignant, et ce aussi bien au
stade provisoire qu’au stade définitif de la procédure.
N° 26 DE MME LALIEUX ET CONSORTS
Art. 22
A l’article 57bis, en projet, apporter les modifica-
tions suivantes:
1) Compléter le § 1er, alinéa 1er, comme suit:
«La motivation porte sur la personnalité de la per-
sonne concernée et de son entourage et sur le degré
de maturité de la personne concernée.»;
2) Compléter le § 2, alinéa 1er, comme suit:
«L’examen médico-psychologique a pour but d’éva-
luer la situation en fonction de la personnalité de la per-
sonne concernée et de son entourage, ainsi que du
degré de maturité de la personne concernée. La na-
ture, la fréquence et la gravité des faits qui lui sont re-
prochés, sont prises en considération dans la mesure
où elles sont pertinentes pour l’évaluation de sa per-
sonnalité.
Le Roi fixe les modalités selon lesquelles l’examen
médico-psychologique doit avoir lieu.»;
22
1467/004
DOC 51
K A M E R 3e Z I T T I N G VA N D E 5 1e Z I T T I N G S P E R I O D E
C H A M B R E
3e S E S S I O N D E L A 51e L É G I S L A T U R E
2005
2004
3) In § 3, derde lid, de woorden «15 dagen» ver-
vangen door de woorden «30 werkdagen»;
4) In § 5, de woorden «vanaf de dag waarop die
beslissing definitief is geworden, onderworpen aan de
rechtsmacht van de gewone rechter» vervangen door
de woorden «na de dag van de dagvaarding tot uit-
handengeving onderworpen aan de rechtsmacht van de
gewone rechter, vanaf de dag waarop die beslissing de-
finitief is geworden».
5) Een § 6 toevoegen, luidende:
«§ 6. Als gevolg van een beslissing van uithandenge-
ving, bevolen met toepassing van deze bepaling, draagt
de jeugdrechtbank of, in voorkomend geval, de jeugd-
kamer van het hof van beroep, dadelijk het integrale
dossier van de betrokken persoon over aan het open-
baar ministerie, teneinde het, in geval van vervolging,
bij het strafdossier te voegen.».
VERANTWOORDING
Met punt 1) wordt bepaald dat, alvorens wordt overgegaan
tot een uithandengeving, vastgesteld moet worden dat de
persoonlijkheid van de minderjarige en zijn familiale, sociale
en culturele omgeving van die aard zijn dat er geen enkele
positieve ontwikkeling kan worden verwacht naar aanleiding
van een maatregel van bewaring, behoeding of opvoeding.
De aard, de frequentie, en de ernst van de feiten die de jon-
gere ten laste worden gelegd worden eveneens in aanmer-
king genomen, in zoverre zij de persoonlijkheid van de jon-
gere verhelderen. Ook wordt nagegaan of desgevallend de
graad van immaturiteit van de minderjarige, onder andere
wegens zwakzinnigheid, niet tot gevolg kan hebben dat een
persoon ongeschikt is om een strafprocedure te ondergaan of
om in instellingen voor volwassenen te verblijven. In die zin
wordt artikel 57bis, §1, lid 1 aangepast (punt 1).
Voorts wordt gewaarborgd dat de uithandengeving enkel
plaatsvindt indien de situatie dit vereist. Er worden cumula-
tieve beslissingscriteria ingevoegd, opdat de rechters hun
beslissing systematisch minstens zouden steunen op de ge-
noemde concrete beoordelingselementen, die tevens worden
aangehaald in het deskundigenonderzoek, waartoe systema-
tisch wordt overgegaan, behoudens in uitzonderlijke geval-
len. In die zin wordt artikel 57bis, § 2, lid 1 aangevuld (punt 2))
Daarnaast wordt de koning de bevoegdheid verleend om
normen te bepalen, teneinde de beslissingscriteria die wor-
den gehanteerd tijdens het medisch-psychologisch onderzoek,
te harmoniseren. De criteria kunnen onder meer betrekking
hebben op bovengenoemde beoordelingselementen. De pro-
cedure kan bestaan in een verplicht onderzoek naar alle rele-
vante risicofactoren, zowel op het niveau van de individuele
jongere als op het niveau van het gezin of van de ruimere
omgeving, met aandacht voor het inlevingsvermogen en het
3) dans le § 3, alinéa 3, remplacer les mots «15
jours» par les mots «30 jours ouvrables»;
4) dans le § 5, remplacer les mots «devient justi-
ciable de la juridiction ordinaire pour les poursuites re-
latives aux faits commis à partir du jour où cette déci-
sion est devenue définitive» par les mots «devient
justiciable de la juridiction ordinaire pour les poursuites
relatives aux faits commis après le jour de la citation de
dessaisissement, à compter du jour où la décision est
devenue définitive»;
5) Compléter l’article par un § 6 rédigé comme
suit:
«§ 6. À la suite d’une décision de dessaisissement
ordonnée en application de la présente disposition, le
tribunal de la jeunesse ou, le cas échéant, la chambre
jeunesse de la cour d’appel, transmet sans délai au
ministère public l’intégralité du dossier de la personne
concernée en vue de le joindre, en cas de poursuite, au
dossier répressif.».
JUSTIFICATION
Le point 1) énonce qu’avant de procéder à un
dessaisissement, il convient de constater que la personnalité
du mineur et de son environnement familial, social et culturel
ne permettent pas d’envisager un quelconque développement
positif par l’application d’une mesure de garde, de préserva-
tion ou d’éducation. La nature, la fréquence et la gravité des
faits reprochés au jeune sont également prises en considéra-
tion pour la mesure dès lors qu’elles apportent un éclairage
quant à la personnalité du jeune. Il est également vérifié si, le
cas échéant, le degré d’immaturité du mineur, notamment en
raison d’une débilité mentale, ne peut avoir pour effet que la
personne ne soit pas apte à subir une procédure pénale ou à
séjourner dans des institutions pour adultes. L’article 57bis,
§ 1er, alinéa 1er, est adapté en ce sens (point 1).
De plus, il est garanti que le dessaisissement n’intervient
que si la situation le requiert. Des critères de décision cumu-
latifs sont insérés afin que les juges se prononcent systémati-
quement sur base des critères de décision énumérés, qui sont
également appliqués dans le cadre de l’expertise à laquelle il
est procédé systématiquement, sauf cas exceptionnel. L’arti-
cle 57bis, § 2, alinéa 1er, est complété en ce sens (point 2).
En outre, le Roi est habilité à fixer des normes visant à
harmoniser les critères de décision appliqués lors de l’exa-
men médico-psychologique. Ces critères pourront, entre
autres, porter sur les éléments de décision repris ci-dessus.
La procédure pourrait exister en une enquête obligatoire sur
tous les facteurs de risque pertinents, aussi bien au niveau de
l’individu du jeune qu’au niveau de sa famille ou de son entou-
rage au sens le plus large, tout en prenant en compte la capa-
cité d’empathie et la prise de conscience du jeune. En outre,
23
1467/004
DOC 51
K A M E R 3e Z I T T I N G V A N D E 5 1e Z I T T I N G S P E R I O D E
C H A M B R E
3e S E S S I O N D E L A 51e L É G I S L A T U R E
2005
2004
vermogen tot bewustwording van de jongere. Tevens zou bij-
voorbeeld kunnen worden bepaald dat in bepaalde gevallen
een multidisciplinair onderzoek is aangewezen. In die zin wordt
artikel 57bis, § 2, lid 1 aangevuld (punt 2).
Er wordt tevens rekening gehouden met het advies van de
Hoge Raad voor de Justitie, die stelt dat een termijn van 15
dagen niet realistisch is. Het kan immers gebeuren dat het
parket (of in uitzonderlijke gevallen de onderzoeksrechter) zijn
onderzoekingen nog niet heeft voleindigd op het ogenblik dat
de jeugdrechter zijn dossier meedeelt. In die zin wordt artikel
57bis, § 3, lid 3 (punt 3) aangepast.
Punt 4) bepaalt dat de jongere definitief onderworpen wordt
aan de rechtsmacht van de gewone rechter voor elke vervol-
ging ingesteld naar aanleiding van een feit dat hij heeft ge-
pleegd na de dag van de dagvaarding tot uithandengeving,
vanaf de dag waarop die beslissing definitief is geworden.
Tot slot voorziet een vijfde punt dat, in geval van uithand-
engeving, de rechtbank of, in voorkomend geval, het hof van
beroep, het integrale dossier overdraagt aan het openbaar
ministerie, inclusief de stukken die betrekking hebben op de
persoonlijkheid en de leefomgeving van de jongere. Beoogt
wordt om de rechtsmacht van gemeen recht de mogelijkheid
te bieden om kennis te nemen van de feiten die aanleiding
gaven tot de uithandengeving van de jongere en om de rechts-
macht meer informatie te verstrekken over de persoonlijkheid
van de minderjarige en over zijn leefomgeving. Er worden
eveneens wijzigingen ingevoerd in het Wetboek van Strafvor-
dering, opdat de toegang tot de stukken inzake diens privé-
leven voorbehouden zou blijven aan de betrokken jongere.
Nr. 27 VAN MEVROUW LALIEUX c.s.
Art. 23
In dit artikel de volgende wijzigingen aanbrengen:
1) Een punt 1°bis) invoegen, luidende:
«1°bis. Het tweede lid wordt aangevuld met de vol-
gende bepaling: In de gevallen voorzien in artikel 37bis,
§ 2, laatste lid en § 3, laatste lid, geldt de wachttermijn
van één jaar niet.»;
2) In het punt 2°, de woorden «in artikel 37, § 2, 7°,
8°, 10°, 11° of 12°» vervangen door de woorden «in
artikel 37,§ 2, uitgezonderd 1°, 2° en 9°».
VERANTWOORDING
Met dit amendement wordt een uitzondering voorzien ten
opzichte van de gevallen bepaald in artikel 37bis, § 2, laatste
lid en § 3, laatste lid, voor de minderjarige en zijn ouders of
voogd om een herzieningsvordering in te stellen nadat één
jaar is verstreken sedert de dag waarop de beslissing waarop
le roi pourrait imposer des enquêtes multidisciplinaires dans
des cas spécifiques. L’article 57bis, § 2, alinéa 1er, est com-
plété en ce sens (point 2).
Il est également tenu compte de l’avis du Conseil supé-
rieur de la Justice selon lequel un délai de 15 jours n’est pas
réaliste. En effet, il peut arriver qu’à la communication du dos-
sier par le juge de la jeunesse, le parquet (ou le juge d’instruc-
tion dans des cas exceptionnels) n’ait pas terminé ses inves-
tigations. L’article 57bis, § 3, alinéa 3 (point 3), est adapté en
ce sens.
Le point 4) énonce que le jeune devient justiciable de la
juridiction ordinaire pour les poursuites relatives aux faits com-
mis après le jour de la citation de dessaisissement, à compter
du jour où la décision est devenue définitive.
Enfin, un cinquième point prévoit qu’en cas de
dessaisissement, le tribunal, ou le cas échéant, la cour d’ap-
pel, transmet au ministère public l’intégralité du dossier, en ce
compris les pièces relatives à la personnalité et au milieu du
jeune. Il s’agit, ici, de permettre à la juridiction de droit com-
mun, qui sera amenée à connaître des faits pour lesquels le
jeune a été dessaisi, d’être davantage informée sur la person-
nalité du mineur ainsi que sur son milieu de vie. Des modifica-
tions sont également introduites dans le Code d’instruction
criminelle pour réserver au jeune concerné l’accès des pièces
relatives à sa vie privée.
N° 27 DE MME LALIEUX ET CONSORTS
Art. 23
Apporter à cet article les modifications suivan-
tes:
1) Insérer un point 1bis), rédigé comme suit:
«1°bis. l’alinéa 2 est complété comme suit:
«Dans les cas prévus à l’article 37bis, § 2, dernier
alinéa, et § 3, dernier alinéa, le délai d’attente d’un an
ne s’applique pas.»;
2) Au point 2°, remplacer les mots «à l’article 37,
§ 2, 7°, 8°, 10°, 11° ou 12°» par les mots «à l’article 37,
§ 2, à l’exception des 1°, 2° et 9°».
JUSTIFICATION
Le présent amendement prévoit une exception pour les cas
prévus à l’article 37bis, § 2, dernier alinéa, et § 3, dernier ali-
néa, permettant au mineur et à ses parents ou tuteur d’intro-
duire une demande en révision à l’expiration d’un délai d’un
an à compter du jour où la décision sur la base de laquelle la
24
1467/004
DOC 51
K A M E R 3e Z I T T I N G VA N D E 5 1e Z I T T I N G S P E R I O D E
C H A M B R E
3e S E S S I O N D E L A 51e L É G I S L A T U R E
2005
2004
de maatregel is bevolen, definitief is geworden. In die zin
wordt artikel 60, lid 2 aangepast (punt 1).
Voorts wordt de herziening van de maatregelen bedoeld in
artikel 37, § 2 uitgebreid, met uitzondering van de ernstige
vermaning, de herstelgerichte maatregelen en de plaatsing
in een gemeenschapsinstelling, voor deze laatste maatregel
aangezien ze in toepassing van het nieuwe vierde lid zes-
maandelijks moet worden herzien.
In die zin wordt artikel 60, derde lid aangepast (punt 2).
Nr. 28 VAN MEVROUW LALIEUX c.s.
Artikel 23bis (nieuw)
Een artikel 23bis invoegen, luidend als volgt:
«Artikel 23bis. — Artikel 61 van dezelfde wet wordt
aangevuld met de volgende leden:
«Het slachtoffer kan afstand doen van de
hoofdelijkheid of de schuld in haar geheel kwijtschelden,
ten voordele van één of meerdere daders van het als
misdrijf omschreven feit. De dader ten voordele van wie
het slachtoffer afstand doet van de hoofdelijkheid moet
meewerken aan een herstelgerichte maatregel.
Uit de in het vierde lid genoemde afstand van
hoofdelijkheid volgt automatisch dat alle personen die
hetzij krachtens artikel 1384 van het Burgerlijk Wetboek,
hetzij krachtens een bijzondere wet aansprakelijk zijn
voor de door deze dader(s) veroorzaakte schade, slechts
aangesproken kunnen worden voor het proportionele
deel van de schade waarvoor deze dader aansprakelijk
blijft.
Ingeval van kwijtschelding van schuld zoals bedoeld
in het vierde lid, vermeldt het slachtoffer expliciet in het
akkoord dat door de herstelgerichte maatregel wordt
bereikt, of het de kwijtschelding van de schuld al dan
niet wenst te beperken tot de dader of daders die heb-
ben meegewerkt aan de herstelgerichte maatregel, dan
wel of deze kwijtschelding ook ten voordele van de an-
dere daders geldt.
Een kwijtschelding ten voordele van een dader, im-
pliceert automatisch een kwijtschelding ten voordele van
de personen die hetzij krachtens artikel 1384 van het
Burgerlijk Wetboek, hetzij krachtens een bijzondere wet
aansprakelijk zijn voor de door deze dader veroorzaakte
schade.».
VERANTWOORDING
De in het voorgestelde artikel 61, 4e lid, vervatte mogelijk-
heid om afstand te doen van de hoofdelijkheid of om de schuld
mesure a été ordonnée est devenue définitive. L’article 60,
alinéa 2, est adapté en ce sens (point 1).
En outre, la révision des mesures visées à l’article 37, § 2,
est étendue, sauf pour la réprimande, les mesures restaura-
trices et le placement dans une institution publique de protec-
tion de la jeunesse, cette dernière mesure devant être revue
chaque semestre, sur base du nouvel alinéa 4.
L’article 60, alinéa 3, est adapté en ce sens (point 2).
N° 28 DE MME LALIEUX ET CONSORTS
Art. 23bis (nouveau)
Un article 23bis, est inséré, rédigé comme suit:
«Article 23bis. — L’article 61 de la même loi est com-
plété par les alinéas suivants:
«La victime peut renoncer à la solidarité ou remettre
la totalité de la dette au profit d’un ou de plusieurs auteurs
du fait qualifié infraction. L’auteur au profit duquel la vic-
time renonce à la solidarité ou remet la totalité de la
dette, doit collaborer à une mesure restauratrice.
La renonciation à la solidarité visée au quatrième ali-
néa implique automatiquement que toutes les person-
nes qui, soit en vertu de l’article 1384 du Code civil, soit
en vertu d’une loi spéciale sont responsables du dom-
mage causé par ce ou ces auteurs, ne peuvent être
tenues responsables que pour la partie proportionnelle
du dommage pour laquelle ce ou ces auteurs restent
responsable.
En cas de remise de dette, telle que visée au qua-
trième alinéa, la victime mentionne explicitement dans
l’accord auquel aboutit la mesures restauratrice si elle
souhaite ou non limiter la remise de la dette à l’auteur
ou aux auteurs qui ont collaboré à la mesure restaura-
trice ou si cette remise de dette vaut également au pro-
fit des autres auteurs.
Une remise de dette au profit d’un auteur implique
automatiquement une remise de dette au profit des per-
sonnes qui soit en vertu de l’article 1384 du Code civil,
soit en vertu d’une loi spéciale sont responsables du
dommage causé par cet auteur.».
JUSTIFICATION
La possibilité, de renoncer à la solidarité ou de remettre la
totalité de la dette prévue à l’article 61, alinéa 4 proposé, de
25
1467/004
DOC 51
K A M E R 3e Z I T T I N G V A N D E 5 1e Z I T T I N G S P E R I O D E
C H A M B R E
3e S E S S I O N D E L A 51e L É G I S L A T U R E
2005
2004
in zijn geheel kwijt te schelden, is erop gericht een bemidde-
ling of herstelgericht groepsoverleg tussen het slachtoffer en
de jongere te doen slagen, in geval van samenloop van da-
ders, ook al is de jongere niet in de mogelijkheid of niet bereid
om de (volledige) schade te vergoeden. Met het begrip
«hoofdelijkheid» wordt de hoofdelijkheid in burgerrechtelijke
zin tussen de verschillende daders van eenzelfde feit bedoeld.
In het voorgestelde artikel 61, 5e lid, wordt het principe vast-
gelegd, dat de uit het vierde lid genoemde afstand van
hoofdelijkheid ten voordele van de dader, ook rechtstreeks
volgt dat de ouders, in het kader van hun kwalitatieve aan-
sprakelijkheid, slechts kunnen worden aangesproken voor het
proportionele deel van de schade waarvoor de jongere aan-
sprakelijk blijft.
De eerste zin van het laatste lid ( het voorgestelde artikel
61, 6e lid) is erop gericht om vergissingen te vermijden, door
het beginsel vervat in artikel 1285 B.W., dat gemeenrechtelijk
van toepassing is, in te schrijven in artikel 61 van de jeugd-
beschermingswet en het slachtoffer, voor zijn eigen bestwil,
te verplichten om stelling in te nemen. Stilzwijgen kost hem
immers, mogelijk buiten zijn wil, elke mogelijkheid om de
schade vergoed te zien. Artikel 1285 B.W. bepaalt dat kwijt-
schelding ten voordele van één van de hoofdelijke schulde-
naars (in dit geval de daders), al de medeschuldenaars be-
vrijdt, tenzij de schuldeiser (in dit geval het slachtoffer) zich
uitdrukkelijk zijn rechten tegen hen heeft voorbehouden.
De tweede zin van het laatste lid legt het principe vast dat
in geval van kwijtschelding ten voordele van de jongere, ook
diens ouders niet langer kunnen aangesproken worden.
Nr. 29 VAN MEVROUW LALIEUX c.s.
Art. 25
In het ontworpen artikel 84bis, de volgende wijzi-
gingen aanbrengen:
1) de woorden «de personen die het ouderlijk gezag
uitoefenen» vervangen door de woorden «de vader
en de moeder, tenzij deze, overeenkomstig deze wet,
volledig ontzet zijn uit het ouderlijk gezag of ontzet zijn
uit de uitoefening van de in artikel 33, 1° en 2° van deze
wet vermelde rechten, alsook de voogd, pleegvoogd of
de personen aan wie, krachtens artikel 34 van deze wet,
de uitoefening werd toegewezen van de in artikel 33, 1°
en 2° van deze wet vermelde rechten».
2) de woorden «of 45ter,» weglaten.
VERANTWOORDING
Met dit amendement wordt de notie ouderlijk gezag uitge-
breid, aangezien de regeling van de ouderstage behoort tot
de bijstand aan personen en een daarin passende
renoncer à la solidarité ou de remettre la totalité de la dette,
vise à faire aboutir une médiation ou une concertation restau-
ratrice en groupe entre la victime et le jeune, s’il y a plusieurs
auteurs, même si le jeune n’est pas en mesure de ou n’est
pas disposé à réparer (entièrement) le dommage. La notion
«solidarité «concerne la solidarité entre auteurs d’un même
fait, dans le sens du droit civil.
L’article 61, alinéa 5, proposé, fixe le principe selon lequel
la renonciation à la solidarité au profit de l’auteur, visée à l’ali-
néa 4, implique aussi directement le fait que les parents, dans
le cadre de leur responsabilité qualitative, ne pourront être
tenus responsables que pour la partie proportionnelle du dom-
mage pour laquelle le jeune reste responsable.
La première phrase du dernier alinéa (article 61, alinéa 6,
proposé) vise à éviter des erreurs, en inscrivant le principe
repris à l’article 1285 du Code civil, qui est de droit commun, à
l’article 61 de la loi sur la protection de la jeunesse, tout en
obligeant la victime, dans son propre intérêt, à prendre une
décision en la matière. Effectivement, ne rien dire lui coûte-
rait, le cas échéant hors de sa propre volonté, toute possibilité
de voir indemnisé son dommage. L’article 1285 du Code civil
énonce qu’une remise au profit d’un des débiteurs (ici les
auteurs) solidairement responsables, libère tous les autres co-
débiteurs, sauf si le créancier (ici la victime) a explicitement
réservé ses droits à leur égard.
La deuxième phrase du dernier alinéa fixe le principe selon
lequel les parents du jeune, dans le cas d’une remise de dette
au profit de ce jeune, ne peuvent plus être tenus responsa-
bles.
N° 29 DE MME LALIEUX ET CONSORTS
Art. 25
Apporter à l’article 84bis, en projet, les modifica-
tions suivantes:
1.
Remplacer les mots «les personnes qui exer-
cent l’autorité parentale» par les mots «le père et la
mère, sauf s’ils sont totalement déchus de l’autorité
parentale ou déchus de l’exercice des droits repris à
l’article 33, 1° et 2°, ainsi que le tuteur, le protuteur ou
les personnes auxquelles, en vigueur de l’article 34 de
la présente loi, l’exercice a été confié des droits repris à
l’article 33, 1° et 2°».
2) les mots «ou 45ter» sont supprimés.
JUSTIFICATION
Le présent amendement étend la notion d’autorité paren-
tale étant donné que le règlement du stage parental relève de
l’assistance aux personnes et que préférer dans ce cadre une
26
1467/004
DOC 51
K A M E R 3e Z I T T I N G VA N D E 5 1e Z I T T I N G S P E R I O D E
C H A M B R E
3e S E S S I O N D E L A 51e L É G I S L A T U R E
2005
2004
hulpverleningsgerichte interventie te verkiezen is boven de
repressieve interventie. De notie wordt uitgebreid tot de va-
der, de moeder, met inbegrip van de adoptant of adoptanten,
tenzij deze, overeenkomstig de wet van 8 april 1965 betref-
fende de jeugdbescherming volledig ontzet zijn uit het ouder-
lijk gezag of ontzet zijn uit de uitoefening van de in artikel 33,
1° en 2° vermelde rechten. Ook de voogd wordt geviseerd,
met uitsluiting evenwel van de voogd aangewezen overeen-
komstig titel XIII, hoofdstuk 6 «Voogdij over niet-begeleide min-
derjarige vreemdelingen» van de programmawet van 24 de-
cember 2002, gewijzigd door de programmawetten van
22 december 2003 en 27 december 2004. Deze staat immers
niet in voor de opvang van de minderjarige en is evenmin
burgerrechtelijk aansprakelijk in de zin van artikel 1384
Burgerlijk wetboek. Daarnaast is de bepaling ook van toepas-
sing op de pleegvoogd, alsook op de natuurlijke personen aan
wie, krachtens artikel 34 van voormelde wet betreffende de
jeugdbescherming, de uitoefening van de in artikel 33, 1° en
2° vermelde rechten werd toegewezen. Voorts wordt de mo-
gelijkheid geschrapt om de ouders te sanctioneren die een
door het parket voorgestelde bemiddeling niet uitvoeren. De
ouderstage zelf, alsook de mogelijkheid voor de jeugdrechter
om de niet-uitvoering van de stage te sanctioneren, blijft be-
houden.
In die zin wordt artikel 84bis aangepast.
Nr. 30 VAN MEVROUW LALIEUX c.s.
Art. 26bis (nieuw)
Een artikel 26bis invoegen, luidend als volgt:
«Art. 26bis. — Artikel 100bis van dezelfde wet, inge-
voegd bij de wet van 30 juni 1994, wordt als volgt ver-
vangen:
«Art. 100bis. — Voor de zaken die hangend zijn op
het ogenblik van de inwerkingtreding van de wet van
....., worden de in deze wet vermelde termijnen bere-
kend vanaf de dag die volgt op de inwerkingtreding van
voormelde wet.».».
VERANTWOORDING
Dit amendement beoogt een overgangsbepaling in de wet
van 8 april 1965 in te voegen, via een wijziging van artikel
100bis. De overgangsbepalingen ingevoegd door de wetswij-
ziging van 30 juni 1994 zijn niet meer actueel, en kunnen op-
geheven worden, . Deze laatste bepaling heeft betrekking op
het oproepen van minderjarigen in geschillen tussen perso-
nen aan wie het ouderlijk gezag over de betrokken persoon is
toevertrouwd.
intervention adéquate en termes d’assistance va au-delà de
l’intervention répressive. La notion est étendue au père, à la
mère, l’adoptant ou les adoptants y compris, sauf si confor-
mément à la loi du 8 avril 1965 relative à la protection de la
jeunesse, ceux-ci ont été déchus totalement de l’autorité pa-
rentale ou de l’exercice des droits mentionnés à l’article 33, 1°
et 2°. Le tuteur est également visé, en dehors par contre du
tuteur désigné conformément au titre XIII, chapitre 6 «Tutelle
des mineurs étrangers non accompagnés» de la loi-pro-
gramme du 24 décembre 2002, modifiée par les lois-program-
mes des 22 décembre 2003 et 27 décembre 2004. En effet,
ce tuteur ne s’occupe pas de l’accueil du jeune et n’est pas
non plus civilement responsable dans le sens de l’article 1384
du Code civil. Finalement, la disposition s’applique au protu-
teur, ainsi qu’aux personnes physiques à qui l’exercice des
droits mentionnés à l’article 33, 1° et 2°, de la loi précitée a été
confié conformément à l’article 34 de la même loi. En outre, la
possibilité de sanctionner les parents qui n’accomplissent pas
une médiation proposée par le parquet est supprimée. Le stage
parental même ainsi que la possibilité pour le juge de la jeu-
nesse de sanctionner le non-accomplissement du stage sont
maintenus.
L’article 84bis est adapté en ce sens.
N° 30 DE MME LALIEUX ET CONSORTS
Art. 26bis (nouveau)
Insérer un article 26bis, rédigé comme suit:
«Art. 26bis. — L’article 100bis de la même loi, inséré
par la loi du 30 juin 1994, est remplacé par la disposi-
tion suivante:
«Art. 100bis. — Pour les affaires en cours au mo-
ment de l’entrée en vigueur de la loi du ....., les délais
prévus dans la présente loi courent à partir du lende-
main de l’entrée en vigueur de la loi précitée.».».
JUSTIFICATION
Le présent amendement vise à insérer une disposition tran-
sitoire dans la loi du 8 avril 1965 via une modification de l’arti-
cle 100bis. Les dispositions transitoires insérées par la modi-
fication de loi du 30 juin 1994 ne sont plus d’actualité et peuvent
être abrogées. Cette dernière disposition porte sur la convo-
cation de mineurs dans les litiges qui opposent les personnes
investies à leur égard de l’autorité parentale.
27
1467/004
DOC 51
K A M E R 3e Z I T T I N G V A N D E 5 1e Z I T T I N G S P E R I O D E
C H A M B R E
3e S E S S I O N D E L A 51e L É G I S L A T U R E
2005
2004
Nr. 31 VAN MEVROUW LALIEUX c.s.
Art. 32bis (nieuw)
Een artikel 32bis invoegen, luidend als volgt:
«Artikel 32bis. — In het artikel 80, § 2 van de Wet
van 10 oktober 1967 betreffende het Gerechtelijk Wet-
boek worden de woorden «of als jeugdrechter» inge-
voegd tussen het woord «onderzoeksrechter» en de
woorden «, moet de».
VERANTWOORDING
Met dit amendement wordt rekening gehouden met het
advies van de Hoge Raad voor de Justitie, zodat de jeugd-
magistraten eveneens een gespecialiseerde opleiding zouden
kunnen volgen, georganiseerd in het kader van de opleiding
van magistraten. In die zin wordt artikel 80, § 2 van de Wet
van 10 oktober 1967 betreffende het Gerechtelijk Wetboek
aangepast.
Nr. 32 VAN MEVROUW LALIEUX c.s.
Art. 35
Een punt 1°bis invoegen, luidende:
«1°bis. — In § 1, 1°, derde lid, in ontwerp, worden de
woorden «of het ambt van jeugdrechter» ingevoegd tus-
sen de woorden «het ambt van onderzoeksrechter» en
«te kunnen uitoefenen».».
VERANTWOORDING
Met dit amendement wordt rekening gehouden met het
advies van de Hoge Raad voor de Justitie, zodat de jeugd-
magistraten eveneens een gespecialiseerde opleiding zouden
kunnen volgen, georganiseerd in het kader van de opleiding
van magistraten. Paragraaf 1, 1°, lid 3 van artikel 259sexies,
Gerechtelijk Wetboek,werd in die zin aangepast.
Nr. 33 VAN MEVROUW LALIEUX c.s.
Art. 37
In dit artikel de volgende wijzigingen aanbrengen:
1) In § 2, tweede lid, de woorden «of de jeugd-
rechter» invoegen tussen het woord «jeugdrechtbank»
en het woord «bevoegd»;
N° 31 DE MME LALIEUX ET CONSORTS
Art. 32bis (nouveau)
Insérer un article 32bis, rédigé comme suit:
«Article 32bis. — Dans l’article 80, § 2, de la loi du 10
octobre 1967 contenant le Code judiciaire les mots «ou
juge de la jeunesse» sont insérés entre les mots «juge
d’instruction» et «, le juge effectif».
JUSTIFICATION
Le présent amendement tient compte de l’avis du Conseil
supérieur de la Justice, de manière à ce que les magistrats de
la jeunesse puissent également suivre une formation spécia-
lisée, organisée dans le cadre de la formation des magistrats.
L’article 80, § 2, de la loi du 10 octobre 1967 contenant le
Code judiciaire est adapté en ce sens.
N° 32 DE MME LALIEUX ET CONSORTS
Art. 35
Insérer un point 1°bis, rédigé comme suit:
«1°bis. — Au § 1er, 1°, alinéa 3, en projet, les mots
«ou la fonction de juge de la jeunesse» sont insérés
entre les mots «la fonction de juge d’instruction» et «,
avoir exercé pendant».».
JUSTIFICATION
Le présent amendement tient compte de l’avis du Conseil
supérieur de la Justice, de manière à ce que les magistrats de
la jeunesse puissent également suivre une formation spécia-
lisée, organisée dans le cadre de la formation des magistrats.
Le § 1er, 1°, alinéa 3, de l’article 259sexies du Code judiciaire
a été adapté en ce sens.
N° 33 DE MME LALIEUX ET CONSORTS
Art. 37
Apporter à cet article les modifications suivan-
tes:
1) dans le § 2, alinéa 2, insérer les mots «ou le
juge de la jeunesse» entre les mots «le tribunal de la
jeunesse» et «est seul compétent»;
28
1467/004
DOC 51
K A M E R 3e Z I T T I N G VA N D E 5 1e Z I T T I N G S P E R I O D E
C H A M B R E
3e S E S S I O N D E L A 51e L É G I S L A T U R E
2005
2004
2) In § 2, lid 4, de woorden «of de jeugdrechter»
invoegen tussen het woord «jeugdrechtbank» en de
woorden «het dossier»;
3) Het artikel waarvan de ontworpen § 2 het punt
1) zal vormen, aanvullen met een punt 2), luidend
als volgt:
«2. Paragraaf 1 wordt aangevuld met de woorden «en
de wet van 8 april 1965 betreffende de jeugd-
bescherming»;
VERANTWOORDING
Met dit amendement wordt rekening gehouden met de in-
voeging van artikel 37, § 2, 12° in de jeugdbeschermingswet
(via een aanvulling in § 1, van artikel 1 van de wet van 26 juni
1990) en wordt verduidelijkt dat deze wet bij wege van voorlo-
pige maatregel kan worden toegepast en het niet steeds om
een uitspraak in openbare zitting gaat.
In die zin worden § 2, lid 2 en lid 4 van artikel 1 van de wet
van 26 juni 1990 gewijzigd.
Nr. 34 VAN MEVROUW LALIEUX c.s.
Art. 40
In dit artikel de volgende wijzigingen aanbrengen:
1) In punt 2), de woorden «de procureur-generaal»
vervangen door de woorden «de procureur des
Konings of de procureur-generaal»;
2) In punt 9), de woorden «de procureur-generaal»
vervangen door de woorden «de procureur des
Konings of de procureur-generaal».
VERANTWOORDING
Met dit amendement wordt verduidelijkt dat bij hoger be-
roep tegen de vonnissen van de jeugdrechtbank het hof van
beroep bevoegd is, en dus melding gemaakt moet worden
van de procureur-generaal, maar bij hoger beroep tegen de
vonnissen van de vrederechter, de rechtbank van eerste aan-
leg bevoegd is. In het licht van deze laatste hypothese moet
dus melding worden gemaakt van de procureur des Konings.
In die zin wordt artikel 30 van de wet van 26 juni 1990, § 3,
tweede lid en § 6 gewijzigd.
2) dans le § 2, alinéa 4, insérer les mots «ou le
juge de la jeunesse» entre les mots «le tribunal de la
jeunesse» et les mots «transmet le dossier»;
3) Compléter cet article, dont le § 2 en projet for-
mera le point 1) par un point 2), rédigé comme suit:
«2. le § 1er est complété par les mots «et de la loi du
8 avril 1965 relative à la protection de la jeunesse»;
JUSTIFICATION
Le présent amendement tient compte de l’insertion de l’ar-
ticle 37, § 2, 12°, dans la loi relative à la protection de la jeu-
nesse, (par un ajout au § 1er de l’article 1er de la loi du 26 juin
1990) et précise que cette loi peut être appliquée par voie de
mesure provisoire et qu’il ne s’agit pas toujours d’une déci-
sion en audience publique.
Le § 2, alinéas 2 et 4, de l’article 1er de la loi du 26 juin 1990
est modifié en ce sens.
N° 34 DE MME LALIEUX ET CONSORTS
Art. 40
Apporter à cet article les modifications suivan-
tes:
1.
Au point 2), remplacer les mots «le procureur
général» par les mots «le procureur du Roi ou le pro-
cureur général»;
2.
Au point 9), remplacer les mots «le procureur
général» par les mots «le procureur du Roi ou le pro-
cureur général».
JUSTIFICATION
Le présent amendement précise que la cour d’appel est
compétente en cas d’appel contre les jugements du tribunal
de la jeunesse, et qu’il y a donc lieu de faire mention du pro-
cureur général, mais qu’en ce qui concerne l’appel contre les
jugements du juge de paix, c’est le tribunal de première ins-
tance qui est compétent. A la lumière de cette dernière hypo-
thèse, il convient donc de faire mention du procureur du Roi.
L’article 30, § 3, alinéa 2, et § 6, de la loi du 26 juin 1990 est
modifié en ce sens.
29
1467/004
DOC 51
K A M E R 3e Z I T T I N G V A N D E 5 1e Z I T T I N G S P E R I O D E
C H A M B R E
3e S E S S I O N D E L A 51e L É G I S L A T U R E
2005
2004
Nr. 35 VAN MEVROUW LALIEUX c.s.
Art. 4
In dit artikel de volgende wijzigingen aanbrengen:
1)
In punt 2°, het ontworpen artikel 37, § 2, eer-
ste lid, 12° vervangen als volgt:
«overgaan tot residentiële plaatsing van de betrok-
kene in hetzij een open afdeling, hetzij een gesloten af-
deling van een jeugdpsychiatrische dienst, ingeval uit
een door een jeugdpsychiater, volgens de minimum-
normen bepaald door de Koning, opgesteld onafhanke-
lijk verslag van minder dan een maand oud, blijkt dat hij
lijdt aan een geestesstoornis waardoor zijn oordeels-
vermogen of zijn beheersing van zijn handelingen ern-
stig is aangetast.
Plaatsing in een gesloten afdeling van een jeugd-
psychiatrische dienst is enkel mogelijk met toepassing
van de wet van 26 juni 1990 betreffende de bescher-
ming van de persoon van de geesteszieke, overeen-
komstig artikel 43.»;
2)
In punt 2°, in het ontworpen artikel 37, § 2, het
volgende lid invoegen tussen het eerste en het
tweede lid:
«Alleen de maatregelen bedoeld in 3° en 4° kunnen
worden bevolen ten opzichte van de personen van min-
der dan twaalf jaar oud»;
3)
In punt 2°, het ontworpen artikel 37, § 2, tweede
lid, vervangen als volgt:
«In eerste instantie verdient een herstelgerichte maat-
regel, omschreven in artikel 37bis van deze wet, de voor-
keur. Alvorens een maatregel, omschreven in 1° tot 6°
wordt opgelegd, dient de haalbaarheid van een door de
betrokkene voorgesteld project, omschreven in § 2ter, te
worden overwogen. De maatregelen omschreven in 1°
tot 6 verdienen de voorkeur boven een plaatsings-
maatregel. Tot slot verdient plaatsing in een open afde-
ling de voorkeur boven plaatsing in een gesloten afde-
ling.»;
4)
In punt 2°, het ontworpen artikel 37, § 2, aan-
vullen met volgende leden:
«De rechtbank kan de uitvoering van de plaatsings-
maatregel uitstellen voor een termijn van zes maanden,
te rekenen vanaf de datum van het vonnis, op voor-
waarde dat de betrokkene zich verbindt tot het uitvoe-
ren van een prestatie van opvoedkundige aard en van
algemeen nut van ten hoogste 150 uur.
N° 35 DE MME LALIEUX ET CONSORTS
Art. 4
Apporter à cet article les modifications suivan-
tes:
1) Au point 2°, remplacer l’article 37, § 2, alinéa
1er, 12°, en projet, comme suit:
«décider le placement résidentiel de l’intéressé soit
dans une section ouverte, soit dans une section fermée
d’un service pédopsychiatrique, s’il est établi dans un
rapport indépendant pédopsychiatrique datant de moins
d’un mois et établi selon les standards minimums déter-
minés par le Roi, qu’il souffre d’un trouble mental qui
affecte gravement sa faculté de jugement ou sa capa-
cité à contrôler ses actes.
Le placement dans une section fermée d’un service
pédopsychiatrique n’est possible qu’en application de
la loi du 26 juin 1990 relative à la protection de la per-
sonne des malades mentaux, conformément à l’article
43.»;
2) Au point 2, à l’article 37, § 2, en projet, insérer
entre les alinéas 1er et 2:
«Seules les mesures visées au 3° et 4° peuvent être
ordonnées à l’égard des personnes de moins de 12
ans.«;
3) Au point 2, remplacer l’article 37, § 2, alinéa 2,
en projet, qui devient l’alinéa 3, comme suit:
«La préférence doit être donnée en premier lieu à
une mesure restauratrice, visée à l’article 37bis de la
présente loi. Avant qu’une mesure visée aux 1° à 6° soit
imposée, la faisabilité d’un projet proposé par la per-
sonne concernée, visé au § 2ter doit être considérée.
Les mesures visées aux 1° au 6° sont privilégiées par
rapport à une mesure de placement. Enfin, le place-
ment en régime ouvert est privilégié par rapport au pla-
cement en régime fermé.»;
4) Au 2°, compléter l’article 37, § 2, en projet, par
les alinéas suivants:
«Le tribunal peut assortir la mesure de placement d’un
sursis pour un délai de 6 mois à compter de la date du
jugement, pour autant que l’intéressé s’engage à effec-
tuer une prestation éducative et d’intérêt général à rai-
son de 150 heures maximum.
30
1467/004
DOC 51
K A M E R 3e Z I T T I N G VA N D E 5 1e Z I T T I N G S P E R I O D E
C H A M B R E
3e S E S S I O N D E L A 51e L É G I S L A T U R E
2005
2004
Indien de rechtbank echter krachtens artikel 37,
§ 2quater, eerste lid, d of tweede lid c), een maatregel
uitspreekt tot plaatsing in een gemeenschapsinstelling,
bedraagt de maximumduur ervan zes maanden en kan
deze niet worden verlengd.
Indien de rechtbank een andere maatregel oplegt,
dient de maximale duur ervan te worden bepaald, met
uitzondering van de maatregelen genoemd in artikel 37,
§ 2, 1° en 2°.»;
5)
In punt 3°, het ontworpen artikel 37, § 2bis, c,
aanvullen als volgt:
«, indien de betrokkene de leeftijd van minimum 16
jaar heeft bereikt»;
6)
In punt 5°, in het ontworpen artikel 37, § 2qua-
ter, eerste lid, de woorden «, behalve in hoogst uit-
zonderlijke omstandigheden,» weglaten.
7)
In punt 5°, het ontworpen artikel 37, § 2qua-
ter, eerste lid, aanvullen met een punt d), luidend
als volgt:
«d) hetzij ze het voorwerp zijn van een herziening
van de maatregel, genomen krachtens artikel 60, in geval
de eerder opgelegde maatregel of maatregelen niet werd
of werden nageleefd door de betrokkene, waarbij de
plaatsing voor een niet verlengbare termijn van maxi-
mum zes maanden kan worden opgelegd. Na het ver-
strijken van deze termijn kunnen andere maatregelen
slechts worden opgelegd na een herziening door de
rechtbank.»;
8)
In punt 5°, het ontworpen artikel 37, § 2qua-
ter, eerste lid, aanvullen met een punt e), luidend
als volgt:
«e) hetzij ze met voorbedachten rade een als slagen
en verwondingen omschreven feit hebben gepleegd dat
een ziekte of ongeschiktheid tot het verrichten van per-
soonlijke arbeid, hetzij een ongeneeslijke lijkende ziekte,
hetzij het volledig verlies van het gebruik van een or-
gaan, hetzij een zware verminking ten gevolge heeft,
hetzij ze vernielingen aanrichten van bouwwerken of
stoommachines, gepleegd in vereniging of in bende en
met behulp van gewelddaden, feitelijkheden of bedrei-
gingen, hetzij ze, voorzien van wapens of in groep van
personen voorzien van wapens, weerspannigheid heb-
ben gepleegd»;
9)
In punt 5° in het ontworpen artikel 37, § 2qua-
ter, tweede lid, wordt tussen punt a) en punt b) dat
punt c) wordt, een punt b) ingevoegd, luidende:
Si le tribunal prononce, en application de l’article 37,
§ 2quater, alinéa 1er, d) ou alinéa 2, c) une mesure de
placement en institution publique de protection de la
jeunesse, il en précise la durée, avec un maximum de
six mois qui ne peut être prolongé.
Si le tribunal impose une autre mesure, il en précise
la durée maximale, à l’exception des mesures visées à
l’article 37, § 2, 1° et 2°.»;
5) Au 3°, compléter l’article 37, § 2bis, c, en projet
comme suit:
«, si l’intéressé a atteint l’âge de 16 ans minimum;»;
6) Au 5°, supprimer à l’article 37, § 2quater, alinéa
1er, les mots «, sauf circonstances très exceptionnel-
les,».
7) Au 5°, compléter l’article 37, § 2quater, alinéa
1er, en projet, par un d), rédigé comme suit:
«d) soit, ont fait l’objet d’une révision de la mesure,
prise conformément à l’article 60, si la ou les mesures
imposées précédemment n’ont pas été respectées par
la personne concernée, pour laquelle le placement peut
être imposé pour une période de six mois maximum qui
ne peut être prolongée. Au terme de cette période,
d’autres mesures peuvent uniquement être imposées
après une révision par le tribunal.»;
8) Au 5°, compléter l’article 37, § 2quater, alinéa
1er, par un point e), rédigé comme suit:
«e) soit, ont commis avec préméditation un fait qua-
lifié coups et blessures ayant entraîné une maladie ou
une incapacité de travail, soit une maladie paraissant
incurable, soit la perte complète de l’utilisation d’un or-
gane, soit une défiguration grave, soit ils ont causé des
dégâts à des bâtiments ou des machines à vapeur, com-
mis en association ou en bande et avec violence, par
voies de fait ou menaces, soit ils ont commis une rébel-
lion avec arme ou en groupe avec arme.»;
9) Au 5°, à l’article 37, § 2quater, alinéa 2, en pro-
jet, insérer le point b) suivant entre le point a) et le
point b) qui devient le point c):
31
1467/004
DOC 51
K A M E R 3e Z I T T I N G V A N D E 5 1e Z I T T I N G S P E R I O D E
C H A M B R E
3e S E S S I O N D E L A 51e L É G I S L A T U R E
2005
2004
«b) hetzij, ze een als aanranding van de eerbaarheid,
criminele organisatie, bedreiging van personen omschre-
ven feit hebben gepleegd;»
10) In punt 5° het ontworpen artikel 37, § 2qua-
ter, tweede lid, aanvullen met een punt d), luidend
als volgt:
«d) hetzij ze met voorbedachten rade een als slagen
en verwondingen omschreven feit hebben gepleegd dat
een ziekte of ongeschiktheid tot het verrichten van per-
soonlijke arbeid, hetzij een ongeneeslijke lijkende ziekte,
hetzij het volledig verlies van het gebruik van een or-
gaan, hetzij een zware verminking ten gevolge heeft,
hetzij ze vernielingen aanrichten van bouwwerken of
stoommachines, gepleegd in vereniging of in bende en
met behulp van gewelddaden, feitelijkheden of bedrei-
gingen, hetzij ze, voorzien van wapens of in groep van
personen voorzien van wapens, weerspannigheid heb-
ben gepleegd.».
11) In punt 5°, het ontworpen artikel 37, § 2qua-
ter, tweede lid aanvullen met een punt e), luidend
als volgt:
«e) hetzij ze het voorwerp zijn van een herziening
van de maatregel, genomen krachtens artikel 60, in geval
de eerder opgelegde maatregel of maatregelen niet werd
of werden nageleefd door de betrokkene, waarbij de
plaatsing voor een niet verlengbare termijn van maxi-
mum zes maanden kan worden opgelegd. Na het ver-
strijken van deze termijn kunnen andere maatregelen
slechts worden opgelegd na een herziening door de
rechtbank.»;
12) In punt 6°, in het ontworpen artikel 37,
§ 2quinquies, tweede lid, de woorden «, een combi-
natie van meerdere van de in § 2 bedoelde maatrege-
len, of een combinatie van één of meer van deze maat-
regelen met één of meer van de in § 2bis bedoelde
voorwaarden» invoegen tussen de woorden «maat-
regelen» en «beveelt»;
13) In punt 7°, het c) weglaten;
14) Het volgende lid invoegen tussen het derde
en het vierde lid:
«Ten aanzien van de in artikel 36, § 2, 12°, bedoelde
personen dient de residentiële plaatsing te lopen tot het
einde van de behandeling, zolang dat in het licht van
die behandeling vereist is.».
«b) soit, ont commis un fait qualifié attentat à la pu-
deur, ou association de malfaiteur, ou menace contre
les personnes; «
10) Au 5°, compléter l’article 37, § 2quater, alinéa
2, en projet, par un point d), rédigé comme suit:
«d) soit, ont commis avec préméditation un fait qua-
lifié coups et blessures qui a entraîné une maladie ou
une incapacité de travail soit une maladie paraissant
incurable, soit la perte complète de l’utilisation d’un or-
gane, soit une défiguration grave, soit ils ont causé des
dégâts à des bâtiments ou des machines à vapeur, com-
mis en association ou en bande et avec violence, par
voies de fait ou menaces, soit ils ont commis une rébel-
lion avec arme ou en groupe avec arme.»
11) Au point 5°, compléter l’article 37, § 2quater,
alinéa 2, en projet, par un point e) rédigé comme
suit:
«e) soit, ont fait l’objet d’une révision de la mesure,
prise conformément à l’article 60, si la ou les mesures
imposées précédemment n’ont pas été respectées par
la personne concernée, pour laquelle le placement peut
être imposé pour une période de six mois maximum qui
ne peut être prolongée. Au terme de cette période,
d’autres mesures peuvent uniquement être imposées
après une révision par le tribunal.»;
12) Au 6°, à l’article 37, § 2quinquies, alinéa 2, en
projet, insérer les mots «, une combinaison de plu-
sieurs des mesures visées au § 2, ou une combinaison
d’une ou de plusieurs de ces mesures avec une ou plu-
sieurs conditions visées au § 2bis», entre les mots «pa-
ragraphe 2, 7° à 12°» et les mots «, ou s’il ordonne».
13) Au 7°, supprimer le c);
14) Insérer entre l’alinéa 3 et l’alinéa 4 l’alinéa sui-
vant:
«A l’égard des personnes visées à l’article 36, § 2,
12°, le placement résidentiel doit se poursuivre jusqu’à
la fin du traitement, pour autant que ce traitement le
nécessite.».
32
1467/004
DOC 51
K A M E R 3e Z I T T I N G VA N D E 5 1e Z I T T I N G S P E R I O D E
C H A M B R E
3e S E S S I O N D E L A 51e L É G I S L A T U R E
2005
2004
VERANTWOORDING
Met het punt 1) wordt uitdrukkelijk gesteld dat de jeugd-
rechtbank een plaatsing kan bevelen in een gesloten afdeling
van een jeugdpsychiatrische dienst. Dit was reeds impliciet
bepaald in de tweede zin van punt 12° van artikel 37, § 2, van
het ontwerp, maar het is aangewezen om het tevens uitdruk-
kelijk te vermelden in de eerste zin van hetzelfde punt 12°.
Het punt 1) herformuleert in die zin artikel 37, § 2, 12° .
In de rangorde van de maatregelen komt de bemiddeling
op de eerste plaats. Vooraleer de maatregelen bedoeld in
paragraaf 2, 1° tot en met 6° worden overwogen, dient de
haalbaarheid van een project, voorgesteld door de jongere, te
worden nagegaan. In laatste instantie komt de plaatsing in
een gemeenschapsinstelling, bij voorkeur in een open
opvoedingsafdeling, in aanmerking.
Het punt 2) strekt ertoe de gerechtelijke tussenkomst te
beperken bij zaken die minderjarigen van minder dan 12 jaar
betreffen. Wanneer jongeren van minder dan 12 jaar feiten
plegen die als misdrijf worden omschreven, moet men hen
inderdaad beschouwen als zijnde bijzonder in gevaar. Daarom
moet men ten aanzien van hen slechts een maatregel uitspre-
ken die zorgt voor een intensieve opvoedkundige omkadering
onder toezicht van de rechtbank. Deze maatregel laat een
grote manoeuvreerruimte aan de diensten van de Gemeen-
schappen inzake de definitie van het type opvoedkundige in-
terventie ten aanzien van de jongere, in functie van het bij-
zonder concrete. Paragraaf 2bis is eveneens op hen van
toepassing.
Het punt 3) wijzigt in die zin artikel 37, § 2, lid 2. Tevens
wordt voorzien dat de rechtbank de uitvoering van de
plaatsingsmaatregel kan uitstellen voor een termijn van zes
maanden, te rekenen vanaf de datum van het vonnis, op voor-
waarde dat de betrokkene zich verbindt tot het uitvoeren van
een prestatie van opvoedkundige aard en van algemeen nut
van ten hoogste 150 uur. Het punt 4), 1e lid vult in die zin
artikel 37, § 2 aan.
Aangezien de rechter door de amendementen 7) en 9) bij
herziening van de maatregel overeenkomstig artikel 60, de
mogelijkheid wordt geboden om de betrokkene in een
gemeenschapsinstelling te plaatsen, indien de betrokkene de
eerder opgelegde maatregel niet eerbiedigde, dient, teneinde
een disproportioneel gebruik van deze mogelijkheid te voor-
komen, in geval van plaatsing, bij wet een onverlengbare
maximumtermijn van zes maanden te worden bepaald. Na
deze periode kunnen andere maatregelen worden opgelegd
bij een herziening. Het punt 4),tweede lid, vult in die zin artikel
37, § 2, aan.
Voor het opleggen van andere maatregelen dient de rech-
ter eveneens steeds een maximumtermijn te bepalen, met
uitzondering voor wat betreft de strenge vermaning en de
herstelgerichte maatregel. Het punt 4), derde lid vult in die zin
artikel 37, § 2 aan.
Het verdient evenwel verduidelijking dat de maatregel na
verloop van de door de rechtbank bepaalde maximumtermijn
steeds kan worden herzien of verlengd onder de voorwaar-
den genoemd in artikel 37, § 2, derde lid, artikel 37, § 3 en/of
artikel 60.
JUSTIFICATION
Avec le point 1), il est explicité que le tribunal de la jeu-
nesse peut ordonner un placement dans une section fermée
d’un service pédopsychiatrique. Ceci était déjà prévu de fa-
çon implicite dans la deuxième phrase du point 12° de l’article
37, § 2 du projet, mais il y a lieu de l’expliciter dans la pre-
mière phrase de ce même point 12°.
Le point 1) reformule en ce sens l’article 37, § 2, 12°.
Parmi les mesures, la priorité est donnée à la médiation.
Avant d’envisager les mesures visées au § 2, 1° à 6°, il con-
vient d’examiner la faisabilité d’un projet, proposé par le jeune.
Le placement en institution, de préférence en section ouverte,
constitue le dernier recours.
Le point 2) vise à limiter l’intervention judiciaire dans les
affaires mettant en cause des mineurs de moins de 12 ans.
Lorsque des jeunes de moins de 12 ans commettent des faits
qualifiés infraction, il convient en effet de les considérer comme
particulièrement en danger. C’est pourquoi, il y a lieu, à leur
égard, de ne prononcer que la mesure qui leur apporte un
encadrement éducatif intensif sous la surveillance du Tribu-
nal. Cette mesure laisse une grande marge de manœuvre
aux services des Communautés dans la définition type d’in-
tervention éducative qu’il convient d’apporter au jeune en fonc-
tion du cas d’espèce. Le § 2bis leur est également applicable.
Le point 3) modifie en ce sens l’article 37,§ 2, alinéa 2. En
outre, il est prévu que le tribunal a la possibilité de reporter
son exécution pour un délai de 6 mois à compter de la date du
jugement, pour autant que l’intéressé s’engage à effectuer
prestation éducative et d’intérêt général à raison de 150 heures
maximum.
Le point 4), alinéa 1er, complète en ce sens l’article 37, § 2.
Etant donné que, par le biais des points 7) et 9), en cas de
révision de la mesure conformément à l’article 60 le juge a la
possibilité de placer la personne concernée dans une institution
publique de protection de la jeunesse, si elle ne respecte pas
les mesures antérieurement imposées, la loi doit, afin d’éviter
une utilisation disproportionnée de cette possibilité, imposer
une période non-prolongeable de placement de six mois maxi-
mum. A l’issue de cette période, d’autres mesures peuvent
être imposées dans le cadre d’une révision.
Le point 4), alinéa 2, complète en ce sens l’article 37, § 2.
Pour l’imposition d’autres mesures, à l’exception de la répri-
mande et de la mesure restauratrice, le juge doit également
systématiquement prévoir une période maximum.
Le point 4), alinéa 3, complète en ce sens l’article 37,§ 2.
Il y a lieu de bien clarifier qu’après échéance de la période
maximum décidée par le tribunal, la mesure peut être revue à
tout moment et peut être prolongée en application de l’article
37, § 2, alinéa 3, et/ou de l’article 60.
33
1467/004
DOC 51
K A M E R 3e Z I T T I N G V A N D E 5 1e Z I T T I N G S P E R I O D E
C H A M B R E
3e S E S S I O N D E L A 51e L É G I S L A T U R E
2005
2004
Het punt 5) beoogt om in artikel 37, § 2bis, c) de betaalde
arbeid, gedurende ten hoogste 150 uur, met het oog op de
vergoeding van het slachtoffer, alleen op te leggen aan be-
trokkenen, die de leeftijd van minimum 16 jaar hebben be-
reikt.
Het punt 6) beoogt om in artikel 37, § 2quater, lid 1, in alle
omstandigheden de toegang tot een gemeenschapsinstelling
voor te behouden aan kinderen ouder dan 12 jaar.
Met punt 8) wordt een criterium tot plaatsing in een open
afdeling van een gemeenschapsinstelling toegevoegd. Het
betreft enkel zware vergrijpen, die worden genoemd in de ar-
tikelen 271, 272, 399, 400 en 525 van het Strafwetboek.
Het punt 11) beoogt de plaatsing van jongeren in een ge-
sloten afdeling van een gemeenschapsinstelling mogelijk te
maken in geval van vervolging voor feiten omschreven als
aanranding van de eerbaarheid (art. 373 Sw), bedreiging van
personen (art. 327 Sw.) of criminele organisatie (art. 323,
tweede lid, Sw.). Deze inbreuken worden correctioneel ge-
straft.
Met het punt 10) wordt een criterium tot plaatsing in een
gesloten afdeling van een gemeenschapsinstelling toege-
voegd. Het betreft enkel zware vergrijpen, die worden genoemd
in de artikelen 271, 272, 399, 400 en 525 van het Strafwet-
boek.
Voorts bepaalt het punt 12) dat niet enkel de maatregelen
als dusdanig maar ook de beslissing van de rechter om een
combinatie van maatregelen of een combinatie van één of
meer maatregelen met één of meer bijkomende voorwaarden
op te leggen, moet worden gemotiveerd (artikel 37,
§ 2quinquies).
Vervolgens wordt de mogelijkheid van de rechter om ambts-
halve de verlenging van de maatregel te bevelen, geschrapt,
als antwoord op de kritiek van meerdere terreinactoren dat
deze bepaling de rol van het openbaar ministerie inzake pu-
blieke vorderingen niet eerbiedigt. Het is niet gepast om de
rechter de bevoegdheid toe te kennen om maatregelen te
nemen die niet gevorderd worden.
Het punt 13) wijzigt artikel 37, § 3, tweede lid, 2° zodat de
mogelijkheid voor de jeugdrechter om «ambtshalve» de ver-
lenging van de maatregelen uit te spreken wordt opgeheven.
Deze mogelijkheid zou van weinig respect getuigen voor de
rol van het openbaar ministerie in de strafvordering.
Tenslotte wordt mogelijk gemaakt om een maatregel geno-
men krachtens artikel 37, § 2, 12°, te laten doorlopen tot het
einde van de behandeling, voor zover deze behandeling dit
vereist. Het voleindigen van de therapie primeert met andere
woorden op het beginsel dat jeugdbeschermingsmaatregelen
aflopen op de leeftijd van 18 jaar, behoudens bij verlenging in
toepassing van artikel 37, § 3. De behandelende geneesheer
bepaalt wanneer de therapie beëindigd kan worden. Hij kan
tevens ten allen tijde beslissen dat het beter is de behande-
ling stop te zetten. De bepaling laat inderdaad toe om af te
wijken van de oorspronkelijk door de rechter vastgestelde ter-
mijn. Dit beginsel is reeds vervat in de wet, inzonderheid in
artikel 43 van de wet van 1965 (in ontwerp): in geval van plaat-
sing krachtens de wet van 1990, wordt de beslissing om de
Le point 5) a pour but de n’imposer le travail rémunéré, à
raison de 150 heures maximum, effectué en vue de
l’indemnisation de la victime, visé à l’article 37, § 2bis, c), qu’aux
intéressés qui ont atteint l’âge de 16 ans minimum.
L point 6) vise, dans l’article 37, § 2quater, alinéa 1er, à
réserver l’entrée en IPPJ en toute circonstance aux enfants
âgés de plus de 12 ans.
Un critère de placement dans une section ouverte d’une
institution communautaire est inséré avec le point 8). Il
concerne uniquement de graves délits qui sont repris aux
articles 271, 272, 399, 400 et 525 du Code pénal.
Le point 11) vise à permettre le placement de jeunes en
IPPJ, section fermée, en cas de poursuites pour des faits
qualifiés d’attentat à la pudeur (art. 373 du C.P.), de menace
contre les personnes (art. 327 du C.P.) ou encore de
d’association de malfaiteurs (art. 323, alinéa 2, du C.P.). Ces
infractions sont, en effet, sanctionnées par une peine
correctionnelle.
Un critère de placement dans une section fermée d’une
institution communautaire est inséré par le point 10). Il
concerne uniquement de graves délits qui sont repris aux
articles 271, 272, 399, 400 et 525 du Code pénal.
En outre, le point 12) énonce que non seulement les
mesures en tant que telle mais également la décision du
tribunal d’imposer une combinaison de mesures ou une
combinaison d’une ou de plusieurs mesures et d’une ou de
plusieurs conditions supplémentaires, doit être motivée. (article
37, § 2quinquies).
Ensuite, la possibilité pour le juge de prolonger d’office la
mesure est supprimée, afin de répondre à la critique de
plusieurs acteurs de terrain que cette disposition n’est pas
respectueuse du rôle du ministère public en matière d’action
publique. Il n’y a pas lieu de conférer au juge le pouvoir de
prendre des mesures qui n’ont pas été requises.
Le point 13) modifie l’article 37, § 3, alinéa 2, 2°, de sorte
que la possibilité pour le juge de la jeunesse de prononcer
«d’office» la prolongation des mesures est supprimée. Cette
possibilité témoignerait d’un manque de respect pour le rôle
du ministère public dans l’action publique.
Finalement, il permet la poursuite d’une mesure prise en
vertu de l’article 37, § 2, 12°, jusqu’à la fin du traitement, pour
autant que ce traitement le nécessite. En d’autres mots, la
finalisation de la thérapie prime sur le principe qu’il est mis fin
aux mesures protectionnelles à l’âge de 18 ans, sauf dans les
cas visés à l’article 37, § 3. Le médecin traitant décide quand
il est mis fin à la thérapie. Il peut également à tout moment
décider qu’il vaut mieux mettre fin au traitement. En effet, la
disposition permet de déroger du délai originalement prévu
par le juge. Ce principe est déjà prévu dans la loi, notamment
à l’article 43 de la loi de 65 (en projet): en cas de placement
en application de la loi de 1990, la décision de mettre fin au
traitement n’est exécutée qu’après 5 jours. Il y a lieu d’y faire
référence ici et d ‘élargir ce principe à tout placement en mi-
34
1467/004
DOC 51
K A M E R 3e Z I T T I N G VA N D E 5 1e Z I T T I N G S P E R I O D E
C H A M B R E
3e S E S S I O N D E L A 51e L É G I S L A T U R E
2005
2004
lieu psychiatrique. Le délai transitoire de 5 jours est donc
systématiquement d’application.
Une disposition est insérée en ce sens entre les alinéas 3
et 4 de l’article 37, § 3 (point 14).
Karine LALIEUX (PS)
Martine TAELMAN (PS)
Alain COURTOIS (MR)
Hilde CLAES (sp.a-spirit)
Valérie DÉOM (PS)
Annelies STORMS (sp.a-spirit)
Jean-Claude MAENE (PS)
behandeling stop te zetten slechts na 5 dagen uitgevoerd. Dit
beginsel moet hier worden aangehaald en uitgebreid tot ie-
dere plaatsing in een psychiatrische afdeling. De overgang-
stermijn van vijf dagen is dus systematisch van toepassing.
In die zin wordt een bepaling ingevoegd tussen het 3e en
4e lid van artikel 37, § 3 (punt 14).
Centrale drukkerij – Deze publicatie wordt uitsluitend gedrukt op volledig gerecycleerd papier
Imprimerie centrale – Cette publication est imprimée exclusivement sur du papier entièrement recyclé