Inhoud
2762/003
DOC 55
2762/003
DOC 55
07451
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
6 juli 2022
6 juillet 2022
Chambre des représentants
de Belgique
Belgische Kamer van
volksvertegenwoordigers
Voir:
Doc 55 2762/ (2021/2022):
001:
Projet de loi.
002:
Texte adopté par la commission.
Doc 55 2763/ (2021/2022):
001:
Projet de loi.
Doc 55 2765/ (2021/2022):
001:
Projet de loi.
Zie:
Doc 55 2762/ (2021/2022):
001:
Wetsontwerp.
002:
Tekst aangenomen door de commissie.
Doc 55 2763/ (2021/2022):
001:
Wetsontwerp.
Doc 55 2765/ (2021/2022):
001:
Wetsontwerp.
NAMENS DE COMMISSIE
VOOR FINANCIËN EN BEGROTING
UITGEBRACHT DOOR
DE HEER Benoît PIEDBOEUF
FAIT AU NOM DE LA COMMISSION
DES FINANCES ET DU BUDGET
PAR
M. Benoît PIEDBOEUF
VERSLAG
RAPPORT
INHOUD
SOMMAIRE
Blz.
Pages
I. Exposé introductif...........................................................3
II. Procédure........................................................................8
III. Discussion générale......................................................13
IV. Discussion des articles et votes...................................19
I. Inleidende uiteenzetting..................................................3
II. Procedure........................................................................8
III. Algemene bespreking...................................................13
IV. Artikelsgewijze bespreking en stemmingen..................19
op het statuut van en het toezicht
op beursvennootschappen voor
wat betreft bepaalde versnelde procedures
voor beroep bij de Raad van State
relatif au statut et au contrôle
des sociétés de bourse en ce qui concerne
certaines procédures de recours accélérées
auprès du Conseil d’État
PROJET DE LOI
WETSONTWERP
Wetsontwerp op het statuut van en het
toezicht op beursvennootschappen en
houdende diverse bepalingen
Projet de loi relatif au statut et au contrôle
des sociétés de bourse et portant des
dispositions diverses
Wetsontwerp tot wijziging van de wet van
25 oktober 2016 betreffende de toegang tot
het beleggingsdienstenbedrijf en betreffende
het statuut van en het toezicht op de
vennootschappen voor vermogensbeheer
en beleggingsadvies, en houdende diverse
andere bepalingen tot omzetting van
Richtlijn (EU) 2019/2034 van het Europees
Parlement en de Raad van 27 november 2019
betreffende het prudentiële toezicht
op beleggingsondernemingen
Projet de loi modifiant la loi du
25 octobre 2016 relative à l’accès à l’activité
de prestation de services d’investissement
et au statut et au contrôle des sociétés de
gestion de portefeuille et de conseil en
investissement et portant autres dispositions
diverses visant à transposer la directive (UE)
2019/2034 du Parlement européen et du
Conseil du 27 novembre 2019 concernant
la surveillance prudentielle
des entreprises d’investissement
2762/003
DOC 55
2
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
N-VA
:
Nieuw-Vlaamse Alliantie
Ecolo-Groen
:
Ecologistes Confédérés pour l’organisation de luttes originales – Groen
PS
:
Parti Socialiste
VB
:
Vlaams Belang
MR
:
Mouvement Réformateur
CD&V
:
Christen-Democratisch en Vlaams
PVDA-PTB
:
Partij van de Arbeid van België – Parti du Travail de Belgique
Open Vld
:
Open Vlaamse liberalen en democraten
Vooruit
:
Vooruit
Les Engagés
:
Les Engagés
DéFI
:
Démocrate Fédéraliste Indépendant
INDEP-ONAFH :
Indépendant – Onafhankelijk
Abréviations dans la numérotation des publications:
Afkorting bij de nummering van de publicaties:
DOC 55 0000/000 Document de la 55e législature, suivi du numéro de base
et numéro de suivi
DOC 55 0000/000 Parlementair document van de 55e zittingsperiode +
basisnummer en volgnummer
QRVA
Questions et Réponses écrites
QRVA
Schriftelijke Vragen en Antwoorden
CRIV
Version provisoire du Compte Rendu Intégral
CRIV
Voorlopige versie van het Integraal Verslag
CRABV
Compte Rendu Analytique
CRABV
Beknopt Verslag
CRIV
Compte Rendu Intégral, avec, à gauche, le compte rendu
intégral et, à droite, le compte rendu analytique traduit
des interventions (avec les annexes)
CRIV
Integraal Verslag, met links het definitieve integraal
verslag en rechts het vertaalde beknopt verslag van
de toespraken (met de bijlagen)
PLEN
Séance plénière
PLEN
Plenum
COM
Réunion de commission
COM
Commissievergadering
MOT
Motions déposées en conclusion d’interpellations (papier
beige)
MOT
Moties tot besluit van interpellaties (beigekleurig
papier)
Composition de la commission à la date de dépôt du rapport/
Samenstelling van de commissie op de datum van indiening van het verslag
Président/Voorzitter: Marie-Christine Marghem
A. — Titulaires / Vaste leden:
B. — Suppléants / Plaatsvervangers:
N-VA
Peter De Roover, Sander Loones, Wim Van der
Donckt
Peter Buysrogge, Kathleen Depoorter, Michael Freilich, Tomas
Roggeman
Ecolo-Groen
Cécile Cornet, Dieter Vanbesien, Gilles Vanden Burre
Wouter De Vriendt, Marie-Colline Leroy, Stefaan Van Hecke, Albert
Vicaire
PS
Hugues Bayet, Malik Ben Achour, Ahmed Laaouej
Mélissa Hanus, Christophe Lacroix, Patrick Prévot, Sophie Thémont
VB
Kurt Ravyts, Wouter Vermeersch
Steven Creyelman, Erik Gilissen, Reccino Van Lommel
MR
Marie-Christine Marghem, Benoît Piedboeuf
Nathalie Gilson, Florence Reuter, Vincent Scourneau
CD&V
N .
Hendrik Bogaert, Leen Dierick
PVDA-PTB
Marco Van Hees
Steven De Vuyst, Peter Mertens
Open Vld
Christian Leysen
Egbert Lachaert, Jasper Pillen
Vooruit
Joris Vandenbroucke
Melissa Depraetere, Vicky Reynaert
3
2762/003
DOC 55
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
Dames en Heren,
Uw commissie heeft de voorliggende wetsont-
werpen besproken tijdens haar vergadering van
woensdag 29 juni 2021.
De commissie heeft beslist om de wetsontwerpen
nrs. 2762, 2763 en 2765 samen te voegen en er één
bespreking aan te wijden.
I. — INLEIDENDE UITEENZETTING
De heer Vincent Van Peteghem, vice-eersteminister
en minister van Financiën, belast met de Coördinatie
van de fraudebestrijding, stipt aan dat de voorliggende
wetsontwerpen de Europese Richtlijn “Investment Firms
directive” 2019/2034 omzetten in Belgisch recht.
Deze richtlijn diende te worden omgezet in Belgisch
recht tegen 26 juni 2021. Wegens de complexiteit van
deze richtlijn en het feit dat deze wordt omgezet mid-
dels drie verschillende wetsontwerpen waarvan één
een volledig nieuw wetboek creëert, heeft de regering
vertraging opgelopen.
Deze richtlijn vervolledigt op bepaalde punten
het prudentieel kader dat vastgesteld werd door de
Verordening 2019/2033 van het Europees Parlement en
de Raad van 27 november 2019 betreffende prudentiële
vereisten voor beleggingsondernemingen (“IFR”). Deze
verordening is rechtstreeks van toepassing in Belgisch
recht en vergt bijgevolg geen omzettingsmaatregelen.
De vice-eersteminister herinnert eraan dat het
Europese concept van “beleggingsonderneming” in het
Belgisch recht betrekking heeft op de volgende entiteiten:
1) de beursvennootschappen, die in principe alle
beleggingsdiensten en -activiteiten mogen verrichten en
dus ook tegoeden van cliënten mogen aanhouden. Zij
vallen onder het prudentieel toezicht van de Nationale
Bank van België; en
2) de vennootschappen voor vermogensbeheer en
beleggingsadvies, die maar een beperkter aantal beleg-
gingsdiensten en -activiteiten mogen verrichten en in
geen geval tegoeden van cliënten mogen aanhouden. Zij
vallen onder het toezicht van de Autoriteit voor Financiële
Diensten en Markten (“FSMA” genoemd).
Vermits het statuut van en het toezicht op deze twee
categorieën van beleggingsondernemingen in Belgisch
Mesdames, Messieurs,
Votre commission a examiné ces projets de loi au
cours de sa réunion du mercredi 29 juin 2022.
La commission a décidé de joindre les projets de loi
n° 2762, 2763 et 2765 et de leur consacrer une seule
discussion.
I. — EXPOSÉ INTRODUCTIF
M. Vincent Van Peteghem, vice-premier ministre et
ministre des Finances, chargé de la Coordination de
la lutte contre la fraude, indique que les projets de loi
à l’examen visent à transposer en droit belge la direc-
tive européenne 2019/2034 relative à la surveillance
prudentielle des entreprises d’investissement.
Cette directive devait être transposée en droit belge
pour le 26 juin 2021. En raison de la complexité de cette
directive et du fait qu'elle est transposée par le biais de
trois projets de loi différents, dont l'un crée un Code
complètement nouveau, le gouvernement a pris du retard.
Cette directive complète certains points du cadre
prudentiel mis en place par le règlement (UE)
2019/2033 du Parlement européen et du Conseil du 27 no-
vembre 2019 concernant les exigences prudentielles
applicables aux entreprises d’investissement (“IFR”).
Ce règlement est directement applicable en droit belge
et ne requiert donc pas de mesures de transposition.
Le vice-premier ministre rappelle qu’en droit belge,
le concept européen d’ “entreprise d’investissement”
regroupe:
1) les sociétés de bourse, qui peuvent, en principe,
fournir tous les services et exercer toutes les activités
d’investissement, et donc aussi détenir les avoirs de leurs
clients. Ces sociétés relèvent du contrôle prudentiel de
la Banque nationale de Belgique; et
2) les sociétés de gestion de portefeuille et de conseil
en investissement, qui ne peuvent fournir qu’un nombre
plus limité de services et exercer qu’un nombre plus
limité d’activités d’investissement, et qui ne peuvent
en aucun cas détenir les avoirs de leurs clients. Elles
relèvent du contrôle de l’Autorité des services et des
marchés financiers (la FSMA).
Le statut et la supervision de ces deux catégories
d’entreprises d’investissement étant réglée en droit belge
2762/003
DOC 55
4
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
recht in afzonderlijke wetten opgenomen is, worden
hier ook afzonderlijke wetsontwerpen voorgelegd, die
tot doel hebben om IFD om te zetten enerzijds wat de
beursvennootschappen betreft en anderzijds wat de
vennootschappen voor vermogensbeheer en beleg-
gingsadvies betreft.
De voorliggende wetsontwerpen beogen de omzetting
in Belgisch recht van de bepalingen van IFD te voltooien.
Een eerste deel van IFD werd immers reeds omgezet
bij wet van 11 juli 2021.
Vóór de aanneming van IFD/IFR was een groot deel
van de prudentiële regeling van de kredietinstellingen
(CRD/CRR) eveneens van toepassing op bepaalde
beleggingsondernemingen. In Belgisch recht zijn dit de
beursvennootschappen.
In 2019 heeft de Europese wetgever voor beleggings-
ondernemingen een specifieke prudentiële regeling willen
vaststellen wegens de bijzondere aard van de risico's
die de meeste beleggingsondernemingen lopen en van
de risico's die zijzelf inhouden, in het bijzonder voor de
algehele financiële stabiliteit.
Bovendien heeft de Europese wetgever de beleg-
gingsondernemingen naargelang van de aard van hun
activiteiten en de waarde van hun activa ingedeeld in
verschillende klassen, waarop passende en evenredige
prudentiële regelingen van toepassing zijn. Deze onder-
verdeling in vier categorieën volgt uit IFR en is bijgevolg
rechtstreeks van toepassing.
De wetsontwerpen beogen een getrouwe omzetting van
IFD, hoewel gold-plating, in theorie, toegelaten is, vermits
IFD beschouwd wordt als een minimale harmonisatie.
De lidstaten kunnen dus strenger zijn, behalve voor de
aangelegenheden die expliciet aangemerkt worden als
een maximale harmonisatie, zoals dat het geval is voor
de bepalingen inzake het minimumaanvangskapitaal.
IFD bevat echter weinig opties voor de lidstaten.
Bij de omzetting van IFD is het cruciaal en raadzaam
gebleken om een zekere samenhang te bewaren met
de benadering die de Belgische wetgever heeft gevolgd
sinds de aanneming, in 1995, van de wet op het statuut
van en de controle op beleggingsondernemingen. Daarom
heeft de regering ervoor gekozen om de essentiële
kenmerken, en dus de verworvenheden, van de huidige
regeling voor beursvennootschappen en vennootschap-
pen voor vermogensbeheer en beleggingsadvies te
behouden voor zover IFD dit toelaat.
dans des lois séparées, des projets de loi séparés sont
également présentés ici, qui visent à transposer l’IFD à
la fois en ce qui concerne les sociétés de bourse et en
ce qui concerne les sociétés de gestion de portefeuille
et de conseil en investissement.
Les projets de loi à l’examen visent à finaliser la
transposition en droit belge des dispositions de l’IFD. En
effet, une première partie de l’IFD a déjà été transposée
par la loi du 11 juillet 2021.
Jusqu’à l’adoption de la directive IFD et du règle-
ment IFR, une grande partie du régime prudentiel des
établissements de crédit (CRD /CRR ) était également
applicable à certaines entreprises d’investissement. En
droit belge, ce sont les sociétés de bourse.
En 2019, le législateur européen a souhaité établir
un régime prudentiel spécifique pour les entreprises
d’investissement en raison de la nature particulière des
risques auxquels sont confrontées la plupart d’entre elles
et des risques qu’elles représentent, en particulier pour
la stabilité financière globale.
Par ailleurs, le législateur européen a opéré une dis-
tinction entre différentes classes d’entreprises d’inves-
tissement en fonction de la nature de leurs activités et
de la valeur de leurs actifs, auxquelles sont applicables
des régimes prudentiels appropriés et proportionnés.
Cette distinction entre quatre catégories d’entreprises
d’investissement découle de l’IFR et est par conséquent
directement applicable.
Les projets de loi visent à une transposition fidèle de
l’IFD, même si, en théorie, le gold plating est autorisé
étant donné que l’IFD est considérée comme étant
d’harmonisation minimale. Les États membres sont donc
autorisés à être plus stricts, sauf dans les matières expli-
citement visées comme étant d’harmonisation maximale
comme c’est le cas, par exemple pour les dispositions
en matière de capital initial minimuM. L’IFD contient peu
d’options pour les États membres.
Dans le cadre de l’exercice de transposition de l’IFD,
il apparaît crucial et opportun de maintenir une certaine
cohérence avec l’approche que le législateur belge a
adoptée depuis l’adoption, en 1995, de la loi relative au
statut et au contrôle des entreprises d’investissement.
C'est pourquoi le gouvernement a choisi de conserver,
dans la mesure où l’IFD le permet, les caractéristiques
essentielles, et donc les acquis, du régime actuel appli-
cable aux sociétés de bourse et aux sociétés de gestion
de portefeuille et de conseil en investissement.
5
2762/003
DOC 55
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
Het eerste ontwerp dat vandaag voorligt, heeft be-
trekking op de beursvennootschappen. De bepalingen
met betrekking tot het statuut van en de controle op de
beursvennootschappen zijn momenteel opgenomen in
Boek XII van de bankwet van 25 april 2014. Door middel
van de techniek van de verwijzing verklaart dit Boek een
groot deel van de bepalingen die initieel van toepassing
waren op de kredietinstellingen ook van toepassing zijn
op de beursvennootschappen. Deze wetgevingstechniek
had zijn verdiensten zolang de Europese prudentiële
regeling voor beursvennootschappen hoofdzakelijk ge-
baseerd was op die van de kredietinstellingen.
Ten gevolge van het nieuwe Europese kader voor
de beursvennootschappen wordt nu echter voorge-
steld om de beursvennootschappen uit de bankwet te
lichten en een nieuwe wet op het statuut van en het
toezicht op beursvennootschappen aan te nemen, die
de bepalingen van IFD die van toepassing zijn op de
beursvennootschappen zal omzetten. Het invoeren van
een specifieke wet voor de beursvennootschappen,
naast de bankwet, is dus een weerspiegeling van het
naast elkaar bestaan van twee verschillende prudentiële
regelingen op Europees niveau (CRD/CRR enerzijds en
IFD/IFR anderzijds).
De vennootschappen voor vermogensbeheer en be-
leggingsadvies vallen daarentegen vandaag reeds onder
een specifieke wet, de wet van 25 oktober 2016. Voor de
omzetting van IFD werkt het wetsontwerp daarom met
wijzigingen van voornoemde wet. Er is voor gekozen
om de structuur van de huidige wet zo min mogelijk te
wijzigen.
In welke nieuwigheden voorziet IFD?
Een eerste nieuwigheid betreft de maximale harmo-
nisatie van het minimumaanvangskapitaal. Een tweede
reeks nieuwigheden worden geïntroduceerd op het vlak
van de governance.
Om in overeenstemming te zijn met het nieuwe
Europese prudentiële kader worden de bestaande
criteria met betrekking tot het aantal werknemers, de
balans en de omzet vervangen door één criterium dat
gebaseerd is op de omvang van de activa.
IFD bepaalt daarenboven ook specifieke regels in-
zake de oprichting van specifieke comités door een
beleggingsonderneming, zoals een risicocomité, een
remuneratiecomité en een directiecomité.
De derde nieuwigheid situeert zich op het vlak van
het remuneratiebeleid. Het huidige remuneratiebeleid
bepaalt dat de variabele beloning in geen geval hoger
Le premier projet qui est présenté aujourd'hui concerne
les sociétés de bourse. Les dispositions relatives au
statut et au contrôle des sociétés de bourse sont ac-
tuellement reprises dans le Livre XII de la loi bancaire
du 25 avril 2014. Par le biais de la technique du renvoi,
ce Livre rend une grande partie des dispositions de la
loi bancaire initialement applicables aux établissements
de crédit également applicables aux sociétés de bourse.
Cette technique législative avait ses mérites aussi long-
temps qu’au niveau européen le régime prudentiel des
sociétés de bourse reposait, pour l’essentiel, sur celui
des établissements de crédit.
En raison du nouveau cadre européen applicable aux
sociétés de bourse, il est aujourd’hui proposé de retirer
les sociétés de bourse de la loi bancaire et d’adopter
une nouvelle loi relative au statut et au contrôle des
sociétés de bourse, qui viserait à transposer les dis-
positions de l’IFD qui sont applicables aux sociétés de
bourse. L’instauration d’une loi spécifique aux sociétés
de bourse, parallèlement à la loi bancaire, entend ainsi
traduire la coexistence de deux régimes prudentiels
distincts au niveau européen (CRD/CRR, d’une part,
et IFD/IFR, d’autre part).
Les sociétés de gestion de portefeuille et de conseil
en investissement sont quant à elles déjà régies actuel-
lement par une loi spécifique, la loi du 25 octobre 2016.
Pour la transposition d’IFD, le projet de loi qui leur
concerne procède par des modifications à ladite loi. Il
a été choisi de modifier le moins possible la structure
de la loi actuelle.
Quelles nouveautés IFD prévoit-elle?
Une première nouveauté est l’harmonisation maxi-
male du capital initial minimuM. Une deuxième série
de nouveautés est introduite dans le domaine de la
gouvernance.
Par souci de cohérence avec le nouveau cadre pru-
dentiel européen, les critères existants basés sur le
nombre d’employés, le bilan et le chiffre d’affaires sont
remplacés par un critère basé sur l’importance des actifs.
En outre, IFD prévoit également des règles spécifiques
concernant la constitution de comités spécifiques par
une entreprise d'investissement, tels qu'un comité des
risques, un comité de rémunération et un comité de
direction.
La troisième nouveauté se situe au niveau de la
politique de rémunération. La politique de rémunéra-
tion en vigueur prévoit que la rémunération variable
2762/003
DOC 55
6
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
mag zijn dan het hoogste van de volgende bedragen:
(i) 50 % van de vaste beloning of (ii) 50 000 euro, zon-
der dat dit bedrag hoger mag zijn dan dat van de vaste
beloning van die persoon.
IFD bepaalt dat de lidstaten ervoor zorgen dat beleg-
gingsondernemingen in hun beloningsbeleid de passende
verhoudingen vaststellen tussen de vaste en de variabele
component van de totale beloning, rekening houdend met
de bedrijfsactiviteiten van de beleggingsonderneming
(en de daaraan verbonden risico's), alsmede met de
impact die de betrokken categorieën personeel hebben
op het risicoprofiel van de beleggingsonderneming. Op
die manier schaft IFD het bestaande dubbele plafond
voor variabele beloning af.
Overweging 25 van IFD bepaalt echter dat de lidstaten
strengere nationale vereisten mogen opleggen inzake de
maximumratio tussen de variabele en de vaste onderdelen
van de beloning en dat zij een dergelijke maximumratio
kunnen opleggen aan alle beleggingsondernemingen
(of aan een deel ervan).
Er wordt voorgesteld om gebruik te maken van deze
(expliciet) door IFD geboden speelruimte en het plafond
voor de variabele component van de beloning te handha-
ven op een niveau dat vergelijkbaar is met het plafond dat
van toepassing is op kredietinstellingen, zoals overigens
thans ook het geval is. De handhaving van dit plafond
zal het dus mogelijk maken om een gelijk speelveld te
behouden ten aanzien van kredietinstellingen die ook
vermogensbeheeractiviteiten verrichten.
Wat de vennootschappen voor vermogensbeheer en
beleggingsadvies betreft, worden de betrokken bepalingen
van IFD getrouw omgezet. Er zij op gewezen dat deze
regels niet van toepassing worden verklaard op kleine,
niet-verbonden vennootschappen voor vermogensbeheer
en beleggingsadvies.
Een vierde nieuwigheid betreft het risicobeheer. IFD
onderwerpt de beursvennootschappen aan een vereen-
voudigde regeling voor de behandeling van risico’s die
zijn opgebouwd rond de risico’s voor de cliënten, voor
de markt en voor de beursvennootschap zelf, naast het
liquiditeitsrisico. De “grote” beursvennootschappen blij-
ven echter onderworpen aan de huidige regeling zoals
vastgesteld in de bankwet.
Dezelfde regels gelden voor de vennootschappen
voor vermogensbeheer en beleggingsadvies. Enkel
de verplichting voor het bestuursorgaan, om het tole-
rantieniveau voor risico’s van de onderneming vast te
leggen voor alle uitgeoefende activiteiten, geldt niet
est, en toute hypothèse, limitée au plus élevé des deux
montants suivants: (i) 50 % de la rémunération fixe; (ii)
50 000 euros, sans que ce montant ne puisse excéder
celui de la rémunération fixe.
IFD prévoit que les États membres veillent à ce que
les entreprises d’investissement définissent les ratios
appropriés entre les composantes variable et fixe de la
rémunération totale dans leurs politiques de rémunéra-
tion, en tenant compte des activités commerciales de
l’entreprise d’investissement (et des risques qui y sont
associés) ainsi que de l’incidence que les catégories
de personnel concernées ont sur le profil de risque de
l’entreprise d’investissement. Ce faisant, IFD supprime
le double plafond en vigueur visant à limiter la rémuné-
ration variable.
Le considérant n° 25 d’IFD précise néanmoins que les
États membres peuvent imposer des exigences natio-
nales plus strictes en ce qui concerne le ratio maximal
entre les composantes variable et fixe de la rémunéra-
tion, voire imposer un tel ratio à toutes les entreprises
d’investissement (ou à certaines d’entre elles).
Il est proposé de faire usage de cette marge de ma-
nœuvre (explicitement) prévue par IFD en maintenant
le plafond limitant la composante variable de la rému-
nération à un niveau similaire au plafond applicable
aux établissements de crédit, comme c’est d’ailleurs le
cas actuellement. Le maintien de ce plafond permettra
ainsi de maintenir un level playing field par rapport à
des établissements de crédit qui exercent également
des activités de gestion d’actifs.
En ce qui concerne les sociétés de gestion de porte-
feuille et de conseil en investissement, les dispositions
d’IFD en la matière sont transposées de manière fidèle.
Il est à noter que ces règles ne sont pas rendues appli-
cables aux petites sociétés de gestion de portefeuille
et de conseil en investissement non interconnectées.
Une quatrième nouveauté concerne la gestion des
risques. IFD soumet les sociétés de bourse à un régime
simplifié en matière de traitement des risques qui s’articule
autour des risques pour les clients, pour le marché et
pour la société de bourse elle-même, en plus du risque
de liquidité. Les sociétés de bourse “de taille importante”
restent, quant à elles, soumises au régime actuel prévu
dans la loi bancaire.
Les mêmes règles s’appliquent aux sociétés de gestion
de portefeuille et de conseil en investissement. Seule
l’obligation, pour l’organe d’administration, de fixer le
niveau de tolérance au risque de l’entreprise, pour
toutes les activités exercées, ne s’applique pas aux
7
2762/003
DOC 55
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
voor de kleine, niet-verweven vennootschappen voor
vermogensbeheer en beleggingsadvies.
Een vijfde en laatste nieuwigheid betreft het groeps-
toezicht. Inzake het groepstoezicht wordt op Europees
niveau een onderscheid gemaakt tussen:
— de beleggingsondernemingen die deel uitmaken
van een groep, bestaande uit een moederonderneming
en haar dochterondernemingen, die minstens een kre-
dietinstelling omvat (een “kredietinstellingsgroep”); en
— de beursvennootschappen die deel uitmaken van
een groep, bestaande uit een moederonderneming en
haar dochterondernemingen, zonder kredietinstellingen
(een “beleggingsondernemingsgroep”).
In het eerste geval blijft het toezicht op geconsoli-
deerde basis op Europees niveau geregeld in CRR en
CRD, waardoor het wetsontwerp betreffende de beurs-
vennootschappen hiervoor grotendeels verwijst naar
de omzetting van voornoemde richtlijn in de bankwet.
Voor het tweede geval heeft de Europese wetgever
een nieuwe regeling uitgewerkt in IFR en IFD, die in
het wetsontwerp betreffende de beursvennootschap-
pen wordt omgezet. Deze omzetting heeft betrekking
op zowel het toezicht op geconsolideerde basis op
beleggingsondernemingsgroepen, als het toezicht op
de naleving van het groepskapitaalcriterium voor beleg-
gingsondernemingsgroepen met eenvoudigere structuren
en risicoprofielen.
Daarnaast wordt meer algemeen opgemerkt dat de
huidige wetgeving, met name de bankwet, reeds zorgt
voor een goed uitgewerkt juridisch kader voor het toe-
zicht op groepen waar beursvennootschappen deel van
uitmaken en dat, om de continuïteit en het bestaande
niveau te bewaren, de inhoud van de huidige bepalin-
gen waar mogelijk behouden werd in het wetsontwerp
betreffende de beursvennootschappen.
In het wetsontwerp betreffende de vennootschappen
voor vermogensbeheer en beleggingsadvies wordt ge-
zorgd voor een getrouwe omzetting van de bepalingen
inzake het groepstoezicht. Deze bepalingen zullen
slechts van toepassing zijn in de hypothese van een
beleggingsondernemingsgroep zonder kredietinstelling
en zonder beursvennootschap.
petites sociétés de gestion de portefeuille et de conseil
en investissement non interconnectées.
Une cinquième et dernière nouveauté concerne la
surveillance des groupes. En ce qui concerne la sur-
veillance des groupes, la distinction est opérée au
niveau européen entre:
— les entreprises d’investissement qui font partie
d’un groupe constitué par une entreprise mère et ses
filiales, comprenant au moins un établissement de crédit
(un “groupe d’établissements de crédit”); et
— les entreprises d’investissement qui font partie
d’un groupe constitué par une entreprise mère et ses
filiales, ne comprenant aucun établissement de crédit
(un “groupe d’entreprises d’investissement”).
Dans le premier cas, au niveau européen, le contrôle
sur base consolidée reste réglementé par le règlement
et la directive sur les exigences de fonds propres, de
sorte que le projet de loi relative aux sociétés de bourse
renvoie largement à la transposition de ladite directive
faite dans la loi bancaire.
Pour le deuxième cas, le législateur européen a établi
un nouveau régime dans le règlement et la directive
concernant la surveillance prudentielle des entreprises
d’investissement, transposé par le projet de loi relative
aux sociétés de bourse. Cette transposition concerne
à la fois le contrôle sur base consolidée des groupes
d’entreprises d’investissement et le contrôle du respect
du test de capitalisation du groupe pour les groupes
d’entreprises d’investissement ayant une structure et
un profil de risques plus simples.
En outre, de manière générale, la législation actuelle
formée par la loi bancaire prévoit déjà un cadre juri-
dique bien développé pour la surveillance des groupes
dans lesquels sont inclues des sociétés de bourse et,
afin de préserver la continuité et le niveau existant, le
contenu des dispositions actuelles a été préservé dans
la mesure du possible dans le projet de loi relative aux
sociétés de bourse.
Une transposition fidèle des dispositions en matière
de surveillance des groupes est effectuée dans le projet
de loi relatif aux sociétés de gestion de portefeuille et
de conseil en investissement. Ces dispositions ne trou-
veront à s’appliquer que dans l’hypothèse d’un groupe
d’entreprises d’investissement n’incluant ni établissement
de crédit, ni société de bourse.
2762/003
DOC 55
8
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
II. — PROCEDURE
De heer Joy Donné (N-VA) merkt op dat hij voor-
eerst wil inhaken op een procedurekwestie. Hij verwijst
hierbij naar een opmerking van de Raad van State
(DOC 55 2763/001, blz. 426) over een aantal artikelen,
met name de artikelen 6, 15, 68, 70, 121, 208, 235, 236,
275 en 319, waarbij de Raad aangeeft dat deze artikelen
bepalingen bevatten betreffende de verwerking van per-
soonsgegevens die onder het toepassingsgebied van
de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG)
vallen. Deze bepalingen dienen bijgevolg volgens de
Raad van State aan de Gegevensbeschermingsautoriteit
(GBA) voorgelegd te worden. Dit heeft echter niet plaats-
gevonden aangezien er geen advies van de GBA aan
het parlementair stuk werd toegevoegd.
Bovendien vindt de spreker de uitleg die vermeld
wordt in de memorie van toelichting (DOC 55 2763/001,
blz. 20) onvoldoende. Vandaar dat de spreker deze com-
missie wil verzoeken om alsnog advies in te winnen bij
de GBA vooraleer de bespreking van de voorliggende
wetsontwerpen verder te zetten.
De heer Dieter Vanbesien (Ecolo-Groen) wenst het
antwoord van de vice-eersteminister af te wachten maar
hij vermoedt dat deze kwestie wel zal afgetoetst zijn bij
de GBA. Hij wil daarover dan wel bevestiging krijgen.
De heer Wouter Vermeersch (VB) sluit zich aan bij de
terechte opmerking van de heer Donné en hij kijkt uit
naar het antwoord van de vice-eersteminister.
De heer Vincent Van Peteghem, vice-eersteminister
en minister van Financiën, belast met de Coördinatie
van de fraudebestrijding, stipt aan dat enkel de wettelijke
of reglementaire ontwerpen die bepalingen bevatten
over de verwerking van persoonsgegevens vooraf ter
advies moeten worden voorgelegd aan de GBA. De
voorliggende wetsontwerpen bevatten geen bepalingen
waarvoor een dergelijk voorafgaand advies vereist is.
Wat het wetsontwerp betreffende de beursvennoot-
schappen betreft, werd het overgrote deel van het dis-
positief letterlijk overgenomen uit Boek XII van de wet
van 25 april 2014. Dit wetsontwerp vergt dus geen nieuwe
verwerkingen van persoonsgegevens ten opzichte van
degene die reeds van kracht waren. Hetzelfde geldt voor
het wetsontwerp betreffende de vennootschappen voor
vermogensbeheer en beleggingsadvies.
Er zij ook aan herinnerd dat de wetsontwerpen tot doel
hebben de bepalingen van een nieuwe Europese richtlijn
die van toepassing is op beleggingsondernemingen om
te zetten in Belgisch recht, namelijk de IFD Richtlijn.
De meeste bepalingen in het wetsontwerp vormen een
II. — PROCÉDURE
M. Joy Donné (N-VA) commence par soulever une
question de procédure. Il renvoie à cet égard à une obser-
vation du Conseil d’État concernant une série d’articles
(DOC 55 2763/001, p. 426), à savoir les articles 6, 15,
68, 70, 121, 208, 235, 236, 275 et 319, indiquant que
ces articles contiennent des dispositions relatives au
traitement de données à caractère personnel relevant
du champ d’application du Règlement général sur la
protection des données (RGPD). Le Conseil d’État sou-
ligne que ces dispositions doivent dès lors être soumises
à l’Autorité de protection des données (APD). Cela n’a
toutefois pas été fait, dès lors qu’aucun avis de l’APD
n’est joint au document parlementaire.
En outre, l’intervenant estime que les explications
mentionnées dans l’exposé des motifs sont insuffisantes
(DOC 55 2763/001, p. 20). C’est pourquoi le membre
demande à la commission de solliciter l’avis de l’APD
avant de poursuivre la discussion des projets de loi à
l’examen.
M. Dieter Vanbesien (Ecolo-Groen) souhaite attendre la
réponse du vice-premier ministre mais il suppose que les
dispositions visées auront fait l’objet d’une concertation
avec l’APD. Il aimerait toutefois en avoir la confirmation.
M. Wouter Vermeersch (VB) se rallie à l’observation
pertinente de M. Donné et il est curieux d’entendre la
réponse du vice-premier ministre.
M. Vincent Van Peteghem, vice-premier ministre et
ministre des Finances, chargé de la Coordination de
la lutte contre la fraude, indique que seuls les projets
de loi ou de réglementation contenant des dispositions
relatives au traitement de données à caractère personnel
doivent être soumis à l’APD. Les projets de loi à l’examen
ne contiennent aucune disposition nécessitant un avis
préalable de cette nature.
En ce qui concerne le projet de loi relatif aux sociétés
de bourse, la majeure partie du dispositif a été littéra-
lement reprise du Livre XII de la loi du 25 avril 2014. Le
projet de loi à l’examen ne requiert donc pas de nou-
veaux traitements de données à caractère personnel
par rapport à ceux qui étaient déjà en vigueur. Il en va
de même pour le projet de loi relatif aux sociétés de
gestion de portefeuille et de conseil en investissement.
Il est également rappelé que les projets de loi visent à
transposer en droit belge les dispositions d’une nouvelle
directive européenne qui s’applique aux entreprises
d’investissement, à savoir la directive IFD. La plupart
des dispositions contenues dans le projet de loi sont une
9
2762/003
DOC 55
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
getrouwe omzetting van deze richtlijn. Bijvoorbeeld, de
in de wetsontwerpen bepaalde openbaarmaking van
maatregelen vormen zo een verplichting voor de FSMA
en de NBB, wat perfect overeenstemt met de bepalingen
van de richtlijn.
In dit verband kan er tevens op gewezen worden dat
deze richtlijn niet aan de voorafgaande advies van de
European Data Protection Supervisor, de Europese
Toezichthouder voor gegevensbescherming werd
voorgelegd.
Welnu, overeenkomstig artikel 42, paragraaf 1 van de
Verordening (EU) 2018/1725 van het Europees Parlement
en de Raad van 23 oktober 2018 betreffende de be-
scherming van natuurlijke personen in verband met de
verwerking van persoonsgegevens door de instellingen,
organen en instanties van de Unie en betreffende het
vrije verkeer van die gegevens, raadpleegt de Europese
Commissie de Europese Toezichthouder voor gegevens-
bescherming wanneer er met haar voorstel gevolgen
zijn voor de bescherming van de rechten en vrijheden
van natuurlijke personen in verband met de verwerking
van persoonsgegevens.
Op Europees niveau wordt er dus ook duidelijk be-
schouwd dat de IFD-richtlijn geen dergelijke invloed
had op de bescherming van persoonsgegevens. Al
deze elementen strekken de vice-eersteminister ertoe
om te besluiten dat er geen bijkomend advies vereist
is van de GBA.
De heer Joy Donné (N-VA) stipt aan dat de nationale
wetgeving, met name de wet van 30 juli 2018, duidelijk
stelt dat in geval van een wetsontwerp waarin bepa-
lingen zijn opgenomen betreffende de verwerking van
persoonsgegevens er steevast advies moet ingewonnen
worden bij de GBA. Dit advies moet niet gevolgd worden
maar moet wel gevraagd worden.
Het is correct dat de voorliggende wetsontwer-
pen heel wat bepalingen hernemen die in de wet
van 25 april 2014 al voorkomen. Dat neemt niet weg
dat voorliggend wetsontwerp een nieuwe wilsuiting van
de wetgever wordt. De algemene verordening gege-
vensbescherming (AVG) is van toepassing vanaf 2018.
De Bankwet dateert van 2014. Bijgevolg gaat de rede-
nering van de regering niet op en blijft de spreker bij zijn
standpunt dat het advies had ingewonnen moeten worden.
Bijgevolg wil hij zijn verzoek tot advies ter stemming aan
de leden van deze commissie willen voorleggen zodat
de spreker niet enkel van de vice-eersteminister maar
ook van de leden van de meerderheid kan vernemen
waarom zij ervoor opteren om deze wettelijke verplichting
naast zich neer te leggen.
transposition fidèle de cette directive. Par exemple, la
publication de mesures prévues dans les projets de loi
constitue ainsi une obligation pour la FSMA et la BNB,
ce qui correspond parfaitement aux dispositions de la
directive.
À cet égard, on peut également souligner que cette
directive n’a pas été soumise à l’avis préalable du
Contrôleur européen de la protection des données
(European Data Protection Supervisor).
Or, conformément à l'article 42, § 1er du Règlement
(UE) 2018/1725 du Parlement européen et du Conseil
du 23 octobre 2018 relatif à la protection des personnes
physiques à l’égard du traitement des données à caractère
personnel par les institutions, organes et organismes
de l’Union et à la libre circulation de ces données, la
Commission consulte le Contrôleur européen de la
protection des données lorsque sa proposition a une
incidence sur la protection des droits et libertés des per-
sonnes physiques à l’égard du traitement des données
à caractère personnel.
Au niveau européen il a donc été également clairement
considéré que la directive IFD n’avait pas une incidence
de ce type sur la protection des données à caractère
personnel. Tous ces éléments incitent le vice-premier
ministre à conclure qu’un avis supplémentaire de l’APD
n’est pas requis.
M. Joy Donné (N-VA) souligne que la législation natio-
nale, à savoir la loi du 30 juillet 2018, prévoit clairement
que si un projet de loi contient des dispositions relatives
au traitement de données à caractère personnel, il
convient de systématiquement recueillir l’avis de l’APD.
Cet avis ne doit pas être suivi mais doit être sollicité.
Il est exact que les projets de loi à l’examen reprennent
de nombreuses dispositions qui figurent déjà dans la loi
du 25 avril 2014. Il n’en demeure pas moins que le projet
de loi à l’examen est une nouvelle expression de la volonté
du législateur. Le règlement général sur la protection des
données (RGPD) s’applique depuis 2018. La loi bancaire
date de 2014. Par conséquent, le raisonnement du gou-
vernement n’est pas pertinent et l'intervenant maintient
sa position selon laquelle il aurait fallu recueillir cet avis.
Par conséquent, il souhaite soumettre sa demande
d’avis au vote des membres de la commission pour que
l'intervenant puisse être informé non seulement par le
vice-premier ministre mais également par les membres
de la majorité des raisons pour lesquelles ils choisissent
de passer outre cette obligation légale.
2762/003
DOC 55
10
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
De heer Hugues Bayet (PS) stipt aan dat de omzetting
van de desbetreffende richtlijn reeds 1 jaar vertraging
heeft opgelopen. Hij merkt daarbij op dat het hierbij gaat
om een zeer betrouwbare omzetting van een Europese
richtlijn. Er zijn enkel twee kleine wijzigingen aangebracht
waarbij een wijziging betrekking heeft op de governance
waarbij de drempel van de geconsolideerde activa van
de variabele verloningen versoepeld werd op vraag van
de regulator om zo meer in lijn te zijn met de huidige
vigerende wetgeving in België.
Daarnaast is er de uitzondering voor de kleine struc-
turen betreffende de omkadering van de variabele verlo-
ning en meer bepaald de ratio ten aanzien van de vaste
verloning. Hierbij heeft de regulator aangedrongen op
een meer strikte toepassing.
Tot slot merkt de spreker op dat hij begrip heeft voor
de bezorgdheden van de spreker maar dat de wijze
waarop deze richtlijn werd omgezet ervoor zorgt dat
deze bezorgdheden niet geldig zijn.
De heer Joy Donné (N-VA) stipt aan dat er een wet-
telijke verplichting bestaat om dat advies op te vragen
los van de inhoud van de bepalingen. Hij vreest voor
een hellend vlak waarbij de bestaande verplichting tot
het verzoeken van advies wordt uitgehold en de leden
van deze commissie de rol van de GBA overnemen.
Kortom, de wettelijk verplichte procedure moet gevolgd
worden. De spreker herhaalt hierbij zijn vraag tot een
stemming over zijn verzoek.
De heer Christian Leysen (Open Vld) merkt op dat
hij erop staat om de bespreking van de voorliggende
wetsontwerpen aan te vatten en af te ronden. Bijgevolg
steunt hij de vraag van de heer Donné niet.
De heer Joy Donné (N-VA) merkt hierbij op dat de Raad
van State in zijn advies ondubbelzinnig de volgende pas-
sage heeft opgenomen: “Bijgevolg dienen die bepalingen
aan de GBA voorgelegd te worden.” (DOC 55 2763/001,
blz. 426). Het is een wettelijke verplichting die niet werd
nageleefd. Zijn fractie streeft ernaar om de wet te res-
pecteren en niet om de bespreking van de voorliggende
wetsontwerpen te vertragen.
De heer Marco Van Hees (PVDA-PTB) stelt vast dat
niet zozeer het standpunt van de heer Donné dan wel
het standpunt van de Raad van State ter discussie staat.
Hij vraagt zich af of er overleg heeft plaatsgevonden
tussen het kabinet van de vice-eersteminister en de
Raad van State en in welke mate het kabinet de Raad
van State heeft kunnen overtuigen van zijn standpunt.
Op basis van de wetteksten vreest de spreker dat dit
niet het geval is. Bijgevolg heeft hij de neiging om zich
aan te sluiten bij het standpunt van de Raad van State.
M. Hugues Bayet (PS) souligne que la transposition
de la directive concernée accuse déjà un an de retard.
À cet égard, il fait observer qu’il s’agit en l’occurrence
d’une transposition très fiable d’une directive européenne.
Seules deux petites modifications ont été apportées. Une
modification concerne la gouvernance, dans le cadre de
laquelle le seuil des actifs consolidés des rémunérations
variables a été assoupli à la demande du régulateur afin
d’être plus en conformité avec la législation actuellement
en vigueur en Belgique.
En outre, il existe une dérogation pour les petites
structures en ce qui concerne l’encadrement de la rému-
nération variable et en particulier le ratio par rapport à
la rémunération fixe. À cet égard, le régulateur a insisté
sur une application plus stricte.
Enfin, le membre fait observer qu’il comprend les
inquiétudes de l'intervenant précédent, mais que les
modalités de transposition de la directive ne justifient
pas ces préoccupations.
M. Joy Donné (N-VA) souligne que la loi oblige de
demander cet avis, indépendamment du contenu des
dispositions. Il craint une dérive par laquelle l'obligation
existante de demander un avis serait érodée et les
membres de cette commission s'arrogeraient le rôle
de l'APD. En bref, la procédure légale doit être suivie.
L'intervenant réitère sa demande de vote sur sa demande.
M. Christian Leysen (Open Vld) insiste pour entamer et
conclure la discussion des projets de loi à l'examen. Par
conséquent, il ne soutient pas la demande de M. Donné.
M. Joy Donné (N-VA) note que le Conseil d'État a inclus
sans équivoque dans son avis le passage suivant: "Par
conséquent, il y a lieu de soumettre ces dispositions à
l’APD." (DOC 55 2763/001, p. 426). Il s'agit d'une obli-
gation légale qui n'a pas été respectée. L'objectif de son
groupe est de faire respecter la loi et non de retarder la
discussion des projets de loi à l'examen.
M. Marco Van Hees (PVDA-PTB) constate que ce
n'est pas tant la position de M. Donné que celle du
Conseil d'État qui est en cause. Il se demande si une
concertation a eu lieu entre le cabinet du vice-premier
ministre et le Conseil d'État et dans quelle mesure le
cabinet a pu convaincre le Conseil d'État de son point de
vue. Sur la base des textes légaux, l'intervenant craint
que ce ne soit pas le cas. Par conséquent, il a tendance
à se rallier à la position du Conseil d'État.
11
2762/003
DOC 55
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
De heer Vincent Van Peteghem, vice-eersteminister
en minister van Financiën, belast met de Coördinatie
van de fraudebestrijding, merkt op dat het een interpre-
tatie betreft van de Raad van State van de bepalingen
in kwestie. Deze interpretatie werd niet gevolgd omdat
geen rekening werd gehouden met het feit dat het au
fond geen nieuwe gegevensverwerkingen betreft en met
het feit dat het een getrouwe omzetting van de richtlijn
betreft, waarvan de Europese wetgever ook aangeeft dat
er geen nieuwe verwerkingen zijn van persoonsgegevens.
Bovendien stipt de vice-eersteminister aan dat de NBB
en de FSMA gebonden zijn aan de Europese GDPR-
wetgeving waardoor op die manier de desbetreffende
persoonsgegevens worden beschermd.
Daarnaast geeft de vice-eersteminister aan dat hij
de bespreking van de voorliggende wetsontwerpen
verderzet omdat hij van mening is dat het verzoek tot
bijkomend advies bij de GBA niet nodig is aangezien de
bescherming van de verwerking van de persoonsgege-
vens in de opgenomen bepalingen reeds gegarandeerd
is binnen het bestaande wettelijke kader.
Bovendien moet het advies van de Raad van State,
net zoals het advies van de GBA, niet gevolgd worden.
De Raad van State verleent een advies op basis van
een interpretatie die niet gevolgd moet worden. De Raad
van State heeft geen bijkomende vraag aan het kabinet
van de vice-eersteminister voorgelegd. Het is evenwel zo
dat, wanneer men ervoor opteert om het advies van de
Raad van State niet te volgen, men verplicht is om deze
keuze te motiveren. Deze motivatie werd opgenomen in
de memorie van toelichting.
Tot slot haalt de vice-eersteminister aan dat de voor-
liggende wetsontwerpen een zeer getrouwe omzetting
van de Europese richtlijn bevatten waarvan de Europese
wetgever zelf aangeeft dat er geen nieuwe verwerkin-
gen van persoonsgegevens zijn. Dat is een voldoende
motivatie ten opzichte van het advies van de Raad van
State. Om deze reden meent de vice-eersteminister dat
er geen advies moet gevraagd worden aan de GBA en
wenst hij de bespreking van de voorliggende wetsont-
werpen verder te zetten.
De heer Marco Van Hees (PVDA-PTB) stelt vast dat
de vice-eersteminister vooral argumenten aanhaalt
over de opportuniteit van een advies van de GBA terwijl
de Raad van State in zijn advies wijst op de wettelijke
verplichting om een advies van de GBA in te winnen.
Waarom opteert de vice-eersteminister er dan voor om
de wet niet te volgen?
M. Vincent Van Peteghem, vice-premier ministre et
ministre des Finances, chargé de la Coordination de la
lutte contre la fraude, fait observer que l'on est face à
une interprétation par le Conseil d'État des dispositions
en question. Cette interprétation n'a pas été suivie car
elle ne tenait pas compte du fait que, sur le fond, les
dispositions ne concernent aucun nouveau traitement
de données et qu'il s'agit d'une transposition fidèle de
la directive, au sujet de laquelle le législateur européen
indique également qu'elle n'implique pas de nouveaux
traitements de données à caractère personnel.
Le vice-premier ministre ajoute que, la BNB et la
FSMA étant liées par la législation européenne relative
au RGPD, les données à caractère personnel concer-
nées sont protégées.
Il indique par ailleurs qu'il poursuit la discussion des
projets de loi à l'examen car il estime que la demande
d'avis supplémentaire à l'APD n'est pas nécessaire
dès lors que la protection du traitement des données
personnelles dont il est question dans les dispositions
mentionnées est déjà garantie dans le cadre légal existant.
De plus, comme l'avis de l'APD, l'avis du Conseil
d'État ne doit pas obligatoirement être suivi. Le Conseil
d'État formule un avis basé sur une interprétation qui
ne doit pas être suivie. Le Conseil d'État n'a pas posé
de question supplémentaire au cabinet du vice-premier
ministre. S'il choisit de ne pas suivre l'avis du Conseil
d'État, le gouvernement est toutefois tenu de motiver ce
choix, et cette motivation figure dans l'exposé des motifs.
Enfin, le vice-premier ministre rappelle que les projets
de loi à l'examen contiennent une transposition très
fidèle de la directive européenne, au sujet de laquelle
le législateur européen lui-même indique qu'elle ne
contient pas de nouveaux traitements de données à
caractère personnel. C'est une motivation suffisante à
l'égard de l'avis du Conseil d'État. Pour cette raison, le
vice-premier ministre estime qu'il n'est pas nécessaire
de demander l'avis de l'APD et il souhaite poursuivre la
discussion des projets de loi à l'examen.
M. Marco Van Hees (PVDA-PTB) constate que le vice-
premier ministre avance principalement des arguments
relatifs à l'opportunité d'un avis de l'APD, alors que le
Conseil d'État, dans son avis, insiste sur l'obligation
légale de recueillir ledit avis. Pourquoi le vice-premier
ministre choisit-il donc de ne pas respecter la loi?
2762/003
DOC 55
12
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
De heer Vincent Van Peteghem, vice-eersteminister
en minister van Financiën, belast met de Coördinatie
van de fraudebestrijding, stipt aan dat de Raad van
State aangeeft in zijn advies dat de vraag tot advies aan
de GBA zou kunnen gesteld worden op basis van het
feit dat dit kadert in de opdracht van de GBA. Het gaat
in se om de interpretatie van nieuwe verwerkingen van
persoonsgegevens. De Raad van State meent in zijn
advies dat er nieuwe verwerkingen zijn opgenomen van
persoonsgegevens in de voorliggende wetsontwerpen.
De vice-eersteminister meent echter dat er geen nieuwe
verwerking van persoonsgegevens heeft plaatsgevonden.
Bovendien werd er bij de opmaak van de richtlijn door
de bevoegde Europese autoriteit reeds aangegeven
dat er geen nieuwe verwerking van persoonsgegevens
plaatsvindt. Op basis van deze elementen volgt de
vice-eersteminister de interpretatie van de Raad van
State, met name dat er nieuwe verwerkingen zijn van
persoonsgegevens, niet. Bijgevolg is het verzoek tot
advies bij de GBA niet noodzakelijk.
De heer Joy Donné (N-VA) merkt op dat de vice-
eersteminister simpelweg een interpretatie maakt van
de interpretatie van de Raad van State. Hij stelt echter
vast dat, ondanks het feit dat er een wettekst, die reeds
bestond, wordt hernomen, er een nieuw regelgevend
kader betreffende de verwerking van persoonsgege-
vens is ingevoerd. Die oude wet is thans een nieuwe
wilsuiting sinds de inwerkingtreding van de algemene
verordening inzake gegevensverwerking. Dit betekent
dat de wettelijke verplichting tot aftoetsing effectief moet
nagekomen worden.
Daarnaast verwijst de spreker naar artikel 15 van
het wetsontwerp DOC 55 2763/001 waarbij de Raad
van State in zijn advies de volgende passage heeft
opgenomen: “Gelet op het bijzonder ruime doeleinde
dat met de verwerking wordt nagestreefd (het nagaan
van de professionele betrouwbaarheid en de passende
deskundigheid), laat artikel 15 van het voorontwerp voorts
na op zijn minst de categorieën van persoonsgegevens
vast te stellen die de Bank mag verwerken, alsook de
duur van de bewaring van die gegevens. Er wordt bo-
vendien op gewezen dat, wanneer een verwerking van
persoonsgegevens wordt geregeld, de verantwoordelijke
voor die verwerking dient te worden aangewezen, hetzij
in de wet, hetzij in een koninklijk uitvoeringsbesluit. Het
dispositief moet in het licht van deze opmerking worden
herzien.” (DOC 55 2763/001, blz. 433). De spreker bena-
drukt hierbij dat een aantal bepalingen in het kader van
het nieuwe wetgevend kader inzake de verwerking van
persoonsgegevens onder de loep van de GBA zouden
moeten genomen worden.
M. Vincent Van Peteghem, vice-premier ministre
et ministre des Finances, chargé de la Coordination
de la lutte contre la fraude et de la Loterie nationale,
souligne que le Conseil d’État indique dans son avis
que la demande d’avis à l’APD pourrait se fonder sur
le fait qu’elle relève de la mission de l’APD. Il s’agit de
l’interprétation des nouveaux traitements de données à
caractère personnel. Le Conseil d’État indique dans son
avis que de nouvelles formes de traitement de données
à caractère personnel sont prévues par les projets de loi
à l’examen. Le vice-premier ministre estime quant à lui
qu’aucun nouveau traitement de données à caractère
personnel n’a été prévu. Il a en outre déjà été indiqué,
lors de l’élaboration de la directive par l’autorité euro-
péenne compétente, qu’aucun nouveau traitement
de données à caractère personnel n’était prévu. Sur
la base de ces éléments, le vice-premier ministre ne
se joint pas à l’interprétation du Conseil d’État selon
laquelle de nouvelles formes de traitement de données
à caractère personnel seraient prévues. Il ne juge donc
pas nécessaire de demander l’avis de l’APD.
M. Joy Donné (N-VA) fait observer que le vice-pre-
mier ministre interprète tout simplement l’interprétation
du Conseil d’État. Il constate toutefois qu’un nouveau
cadre réglementaire concernant le traitement de don-
nées à caractère personnel a été prévu bien qu’un texte
préexistant ait été reproduit. Cette ancienne loi traduit
aujourd'hui une nouvelle volonté exprimée depuis l’entrée
en vigueur du règlement général sur le traitement des
données. Cela signifie que l’obligation légale d’évaluation
doit effectivement être respectée.
L’intervenant renvoie en outre à l’article 15 du projet
de loi DOC 55 2763/001, au sujet duquel le Conseil
d’État formule l’observation suivante dans son avis:
“Par ailleurs, compte tenu de la finalité particulièrement
large poursuivie par le traitement (la vérification de
l’honorabilité professionnelle et de l’expertise adéquate),
l’article 15 de l’avant‑projet reste en défaut de déterminer,
à tout le moins, les catégories de données à caractère
personnel qui pourront être traitées par la Banque, ainsi
que la durée de conservation de ces données. Il est par
ailleurs rappelé que, lorsqu’un traitement de données
à caractère personnel est organisé, il convient de dési-
gner, soit au sein de la loi, soit au sein d’un arrêté royal
d’exécution, le responsable du traitement concerné.
Le dispositif sera revu au regard de cette observation”
(DOC 55 2763/001, page 433). L’intervenant souligne à ce
sujet que plusieurs dispositions prévues dans le nouveau
cadre législatif concernant le traitement de données à
caractère personnel devraient être examinées par l’APD.
13
2762/003
DOC 55
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
De commissie verwerpt met 9 tegen 4 stemmen de
vraag om de voorliggende wetsontwerpen voor advies
in te dienen bij de GBA.
III. — ALGEMENE BESPREKING
A. Vragen en opmerkingen van de leden
De heer Joy Donné (N-VA) merkt op dat hier thans
lijvige wetsontwerpen voorliggen om de beleggings-
ondernemingen te reglementeren. Hoeveel Belgische
beursvennootschappen zijn er nog en hoeveel nieuwe
werden opgericht sinds 2014?
Het minimumkapitaal voor een beursvennootschap
wordt verlaagd tot op het niveau dat Richtlijn 2019/2034 be-
paalt. Hoeveel gold-plating bevat voorliggende wetgeving
nog ten aanzien van de Europese richtlijnen?
De kleine beursvennootschappen zijn niet verplicht
om een gespecialiseerd comité op te richten binnen de
raad van bestuur. De andere beursvennootschappen zijn
verplicht een risicocomité en een remuneratiecomité op
te richten. Daarnaast kan de NBB een auditcomité en
een benoemingscomité opleggen wanneer de beursven-
nootschap als significant wordt beschouwd, gezien haar
omvang of interne organisatie of gelet op de aard, de
schaal en de complexiteit van haar werkzaamheden, de
beursvennootschap binnen haar wettelijk bestuursorgaan
dit kan rechtvaardigen (art. 24 DOC 55 2763/001).
De NBB krijgt dus heel veel beleidsmarge maar die
wel een impact heeft op de kostenstructuur van een
beursvennootschap. We dienen toch op te letten dat
een goed bedoelde bescherming van de belegger uit-
eindelijk niet leidt tot een situatie waarbij de belegger
alleen maar een dure dienstverlening krijgt aangeboden
bij gebrek aan vernieuwing van het aanbod door nieuwe
fintechspelers.
Er wordt veel discretionaire bevoegdheid gelaten
aan de NBB over hoe een beursvennootschap zich
moet organiseren. Het monistisch bestuursmodel is het
uitgangspunt, het dualistisch model kan worden opge-
legd. Niet het dualistisch model zoals bepaald in het
Wetboek van vennootschappen en verenigingen waarbij
er een Raad van Toezicht en een directieraad is maar
het specifiek duaal systeem zoals we dat bij de banken
en verzekeringsmaatschappijen kennen. De bedoeling
van een dualistisch bestuursmodel is dat de Raad van
Toezicht de directieleden controleert. In het bank- en
La commission rejette par 9 voix contre 4 la demande
de soumettre les projets de loi à l’examen à l’avis de l’APD.
III. — DISCUSSION GÉNÉRALE
A. Questions et observations des membres
M. Joy Donné (N-VA) fait observer que d’épais projets
de loi visant à réglementer les entreprises d’investis-
sement sont actuellement à l’examen au sein de cette
commission. Combien de sociétés de bourse belges
reste-t-il et combien de nouvelles sociétés a-t-on créées
depuis 2014?
Le capital minimum prévu pour toute société de bourse
est ramené au niveau prévu par la directive 2019/2034.
Dans quelle mesure les dispositions à l'examen vont-
elles en outre trop loin dans la transposition des direc-
tives européennes (gold-plating)?
Les petites sociétés de bourse ne sont pas obligées
de mettre en place un comité spécialisé au sein du
conseil d’administration mais les autres sociétés de
bourse sont obligées de constituer un comité de risque
et un comité de rémunération. La BNB peut en outre
imposer à la société de bourse de constituer, au sein de
son organe légal d’administration, un comité d’audit et
un comité de nomination lorsqu’une société de bourse
présente, à l’appréciation de la Banque, une importance
significative au regard de sa taille, de son organisation
interne ou de la nature, de l’échelle et de la complexité
de ses activités (DOC 55 2763/001, art. 24).
La BNB se voit ainsi accorder une marge politique
considérable qui a toutefois un impact sur la structure des
coûts de la société de bourse. Il conviendrait cependant
de veiller à ce qu’une protection de l’investisseur bien
intentionnée ne crée pas une situation dans laquelle ce
dernier ne se voit proposer qu’un service onéreux faute
de renouvellement de l’offre par de nouveaux acteurs
de la FinTech.
Un large pouvoir discrétionnaire est accordé à la BNB
en ce qui concerne la manière dont la société de bourse
doit s’organiser. Le modèle d’administration moniste est
le point de départ, mais le modèle dualiste peut être
imposé. Il ne s’agit cependant pas du modèle dualiste
prévu par le Code des sociétés et des associations et qui
prévoit la constitution d’un conseil de surveillance et d’un
conseil de direction mais du système dual spécifique aux
banques et aux compagnies d’assurance. Tout modèle
d’administration dualiste a pour but que le conseil de
surveillance contrôle les membres de la direction. Dans
2762/003
DOC 55
14
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
verzekeringsmodel maken de leden van het directiecomité
deel uit van de Raad van Bestuur. Volgens de spreker
is de idee van een controleorgaan versus uitvoerend
orgaan onvolkomen. Kan de vice-eersteminister meer
duiding verschaffen bij zijn zienswijze hierover?
De heer Marco Van Hees (PVDA-PTB) stelt vast
dat dit wetsontwerp tot doel heeft de Europese
Richtlijn 2019/2034 betreffende het statuut van en het
toezicht op de beursvennootschappen om te zetten.
De richtlijn geeft een verkeerd signaal, aangezien ze
neerkomt op een versoepeling van vroegere eisen.
Vervolgens brengt de spreker twee aspecten van die
omzetting ter sprake.
Ten eerste verwijst de regering in artikel 17 van het
wetsontwerp (DOC 55 2763/001) naar de Europese
Richtlijn 2019/1937 inzake de bescherming van klok-
kenluiders. Die richtlijn is echter nog steeds niet omge-
zet in Belgisch recht; de vertraging bedraagt meer dan
zes maanden. Moet er niet eerst voor worden gezorgd
dat die richtlijn met betrekking tot de klokkenluiders wordt
omgezet alvorens werk te maken van nieuwe regels
voor de beursvennootschappen waarin sprake is van
een “een passend intern waarschuwingssysteem, dat
in overeenstemming is met de wetgeving tot omzetting
van Richtlijn (EU) 2019/1937”?
Het tweede aspect heeft betrekking op het belonings-
beleid dat aan bod komt in de artikelen 74 tot 78 van het
wetsontwerp (DOC 55 2763/001), en op de bijlage tot om-
zetting van de artikelen 30 tot 34 van Richtlijn 2019/2034,
die evenwel niet van toepassing zijn op de grote beursven-
nootschappen. Op die vennootschappen is artikel 79 van
het wetsontwerp van toepassing, waarin wordt verwezen
naar de artikelen 67 tot 71 van de wet van 25 april 2014 en
naar Bijlage II bij die wet.
Wat de bovengrens voor de bonus betreft, stelt de
spreker vast dat de Europese wetgever liever heeft dat
de beursvennootschappen zichzelf reguleren en zelf
bepalen hoe groot het aandeel van de bonus in de
beloning mag zijn. De regering heeft uiteindelijk beslist
de dubbele bovengrens te behouden, wat inhoudt dat
de variabele beloning nooit hoger mag zijn dan het
hoogste van de volgende bedragen: (i) 50 000 euro of
(ii) 50 % van de vaste beloning. Waarom maakt men
van deze omzetting geen gebruik om de bovengrens
voor de variabele beloning te verlagen? Waarom werd
geen vast bedrag vastgelegd als enige bovengrens (in
plaats van 50 % van de vaste beloning)?
Artikel 7 van de bijlage strekt ertoe te bepalen dat
indien het bedrag van de variabele beloning bijzonder
le modèle relatif aux banques et aux compagnies d’assu-
rance, les membres du comité de direction font partie
du conseil d’administration. L’intervenant estime que
l’idée de mettre en place un organe de contrôle contre
une organe exécutif est incomplète. Le vice-premier
ministre peut-il préciser sont point de vue à cet égard?
M. Marco Van Hees (PVDA-PTB) constate que
ce projet de loi transpose donc la directive euro-
péenne 2019/2034 concernant le statut et le contrôle
des sociétés de bourse. La directive donne un mauvais
signal puisqu’elle réduit les anciennes exigences.
Ensuite l’orateur aborde deux points de cette
transposition.
Premièrement, à l’article 17 du projet de loi
(DOC 55 2763/001), le gouvernement fait référence
à la directive européenne de protection des lanceurs
d’alerte 2019/1937. Toutefois, cette directive n’est tou-
jours pas transposée dans le droit belge et elle accuse
un retard de plus de 6 mois. Ne faut-il pas prévoir la
transposition de cette directive lanceurs d’alerte avant
de mettre en place ces nouvelles règles au niveau des
sociétés de bourse où l’on mentionne un “système adé-
quat d’alerte, conforme à la législation prise en vue de
la transposition de la directive (UE) 2019/1937”?
Deuxièmement, au sujet de la politique de rémuné-
ration prévue par les articles 74 à 78 du projet de loi
(DOC 55 2763/001), ainsi que l’annexe qui transposent
les articles 30 à 34 de la directive 2019/2034. Sauf pour
les sociétés de taille importante qui sont concernées
par l’article 79 du projet de loi qui fait référence aux
articles 67 à 71 de la loi du 25 avril 2014 et l’Annexe II
de cette loi.
Par rapport au plafond du bonus, l’orateur constate que
le législateur européen juge préférable que les sociétés
de bourse s’autorégulent et déterminent elles-mêmes
la limite de la part des bonus dans la rémunération.
Le gouvernement a finalement décidé de maintenir le
double plafond qui précise que la rémunération variable
ne pourra excéder le plus élevé des montants suivants:
(i) 50 000 euros ou (ii) 50 % de sa rémunération fixe.
Pourquoi ne pas profiter de cette transposition pour
abaisser le plafond de rémunération variable? Pourquoi
n’avoir pas fixé un montant fixe comme unique plafond
(et pas les 50 % du fixe)?
L’article 7 de l’annexe prévoit que si le montant de
la rémunération variable est particulièrement élevé, le
15
2762/003
DOC 55
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
hoog is, het percentage van de uit te stellen variabele
beloning 60 % moet bedragen. Kan de vice-eersteminister
aangeven wat onder “bijzonder hoog” moet worden
verstaan?
Voorts zou niet worden voorzien in een bovengrens voor
de vertrekvergoedingen, tenzij het remuneratiecomité een
met redenen omkleed advies uitbrengt of de algemene
vergadering daartoe de goedkeuring geeft. Waarom
komt er geen bovengrens voor de vertrekvergoedingen?
Met betrekking tot de beursvennootschappen die
financiële overheidssteun krijgen, is de spreker van
oordeel dat de desbetreffende artikelen, met name de
artikelen 17 en 18 van de bijlage (DOC 55 2763/001,
blz. 732), niet goed op elkaar zijn afgestemd. De spreker
zou de volgorde veeleer omkeren. De spreker maakt van
de gelegenheid gebruikt om de vice-eersteminister te
vragen of hij kan bevestigen dat die artikelen wel degelijk
aldus moeten worden gelezen.
Bij beursvennootschappen die uitzonderlijke overheids-
steun genieten, mag geen enkele variabele verloning
worden betaald aan een bestuurder, behalve aan een
persoon die specifiek is aangeworven om een herstruc-
tureringsplan ten uitvoer te leggen. Op die persoon past
men dan de regels van artikel 17 toe. Waarom kan die
specifiek voor de tenuitvoerlegging van een herstructure-
ringsplan aangeworven persoon een bonus krijgen? Zijn
er momenteel vennootschappen in die situatie (die met
andere woorden uitzonderlijke overheidssteun genieten)?
Wat wetsontwerp n° 2765 (DOC 55 2765/001) betreft,
legt de spreker uit dat in artikel 16 van het wetsontwerp het
startkapitaal voor de vennootschappen voor vermogens-
beheer en beleggingsadvies op 75 000 euro wordt vast-
gelegd. Dat startkapitaal was voorheen op 125 000 euro
vastgesteld. Vanuit prudentieel oogpunt gaat het bijgevolg
om een achteruitgang, die is ingegeven door de wil om
binnen de Unie een harmonisering door te voeren. Hoe
kan de vice-eersteminister die kapitaalvermindering
motiveren?
De heer Christian Leysen (Open Vld) stelt vast dat er
bij de omzetting van de Europese richtlijn niet aan gold-
plating wordt gedaan maar weliswaar toch een beetje
gold-plating wordt meegenomen. Vandaar dat hij zich
luidop afvraagt in welke mate het mogelijk zou geweest
zijn om de omzetting alsnog op een meer eenvoudige en
eenduidige wijze om te zetten teneinde de handhaving
van de regels te optimaliseren en de complexiteit ervan
te verminderen.
pourcentage de la rémunération variable à reporter doit
être de 60 %. Le vice-premier ministre peut-il définir
"particulièrement élevé"?
Par ailleurs, il n’est pas prévu de limite concernant les
indemnités de départ excepté l’avis motivé du comité de
rémunération ou l’approbation de l’assemblée générale.
Pourquoi pas de plafond aux indemnités de départ?
En ce qui concerne les sociétés de bourse bénéfi-
ciant d’un soutien financier des pouvoirs publics, l’ora-
teur explique que les articles concernés, à savoir les
articles 17 et 18 de l’annexe (DOC 2763/1, p. 732) sont
imbriqués de manière étrange. L’orateur aurait plutôt
inversé leur ordre. Du coup, pour être sûr de bien com-
prendre, le vice-premier ministre peut-il confirmer qu’il
faut lire ces articles ainsi?
Dans le cas de sociétés de bourse bénéficiant d’un
soutien financier exceptionnel des pouvoirs public,
aucune rémunération variable ne peut être versée à
aucun dirigeant, sauf une personne spécifiquement
engagée pour mettre en œuvre un plan de restructura-
tion. Et pour cette personne, on applique alors les règles
de l’article 17. Pourquoi cette personne spécifiquement
engagée pour mettre en œuvre un plan de restructura-
tion peut-elle recevoir un bonus? Y a-t-il actuellement
des sociétés qui sont dans cette situation (c’est-à-dire
qui bénéficient d’un soutien financier exceptionnel des
pouvoirs public)?
Par rapport au projet de loi n° 2765, l’orateur explique
que l’article 16 du projet de loi prévoit un capital initial
fixé à 75 000 euros pour les sociétés de gestion de
portefeuille et de conseil en investissement. Ce capital
initial était auparavant fixé à 125 000 euros. Il s’agit donc
d’un recul au niveau prudentiel sur base de la volonté
d’harmonisation au sein de l’Union. Comment le vice-
premier ministre motive-t-il cette réduction du capital?
M. Christian Leysen (Open Vld) constate que la trans-
position de la directive européenne n’est pas excessive
(gold-plating) mais qu’elle va néanmoins un peu trop loin.
C’est pourquoi il s’interroge sur la mesure dans laquelle
il aurait été possible de réaliser cette transposition de
manière plus simple et plus uniforme afin d’optimiser
l’application des règles et d’en réduire la complexité.
2762/003
DOC 55
16
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
B. Antwoorden van de vice-eersteminister
De heer Vincent Van Peteghem, vice-eersteminister
en minister van Financiën, belast met de Coördinatie van
de fraudebestrijding, merkt op dat er sinds 2011 maar
één beursvennootschap is bijgekomen en dat was
in 2015. Het aantal beursvennootschappen zit echter in
een dalende lijn. De voorbije jaren werden een aantal
kleine beursvennootschappen opgekocht door grotere
spelers en er hebben ook spelers de markt verlaten.
Zo is men geëvolueerd van 22 beursvennootschappen
in 2011 naar 14 in 2021.
Betreffende de voorbeelden van gold-plating, stipt
de vice-eersteminister aan dat de IFD-Richtlijn mini-
maal harmoniseert. De lidstaten kunnen dus strenger
zijn, behalve voor de aangelegenheden die expliciet
aangemerkt worden als een maximale harmonisatie,
zoals dat het geval is voor de bepalingen inzake het
minimumaanvangskapitaal.
Bij de omzetting van de IFD-Richtlijn is het echter
raadzaam gebleken om een zekere samenhang te bewa-
ren met de benadering die de Belgische wetgever heeft
gevolgd sinds de aanneming, in 1995, van de wet op het
statuut van en de controle op beleggingsondernemingen.
Daarom werd besloten de essentiële kenmerken, en
dus de verworvenheden, van de huidige regeling voor
beursvennootschappen en vennootschappen voor ver-
mogensbeheer en beleggingsadvies te behouden voor
zover de IFD-Richtlijn dit toelaat.
Een paar verbeteringen en toevoegingen zijn daar-
naast aangebracht in de wet van 25 oktober 2016 be-
treffende de vennootschappen voor vermogensbeheer
en beleggingsadvies met als bedoeling de coherentie
te verbeteren en een level playing field te creëren met
de regeling voor beursvennootschappen. Deze wijzi-
gingen worden echter uitsluitend aangebracht als ze
verantwoord blijken, meer bepaald rekening houdend
met de beperktere activiteiten van de vennootschappen
voor vermogensbeheer en beleggingsadvies.
Onder dit voorbehoud van handhaving van de ver-
worvenheden van de huidige regeling en het streven
naar een level playing field tussen de twee categorieën
beleggingsondernemingen, bevatten de wetsontwerpen
geen gold-plating.
Zoals gezegd, bij de omzetting van de IFD-Richtlijn is
het raadzaam gebleken om een zekere samenhang te be-
waren met de benadering die de Belgische wetgever heeft
gevolgd sinds de aanneming, in 1995, van de wet op het
statuut van en de controle op beleggingsondernemingen.
B. Réponses du vice-premier ministre
M. Vincent Van Peteghem, vice-premier ministre et
ministre des Finances, chargé de la Coordination de
la lutte contre la fraude, souligne que, depuis 2011, une
seule société de bourse a vu le jour, en 2015. Toutefois,
le nombre de sociétés de bourse est à la baisse. Ces
dernières années, plusieurs sociétés de bourse de petite
taille ont été rachetées par des concurrents de plus
grande taille, et certains acteurs ont en outre quitté le
marché. On est ainsi passé de 22 sociétés de bourse
en 2011 à 14 en 2021.
S’agissant des exemples de surréglementation (gold-
plating), le vice-premier ministre indique que la directive
IFD prévoit une harmonisation minimale. Les États
membres peuvent donc être plus stricts, sauf en ce
qui concerne les dispositions explicitement désignées
comme étant d’harmonisation maximale, comme c’est
par exemple le cas des dispositions relatives au capital
initial minimum.
Dans le cadre de la transposition de la directive IFD,
il a toutefois paru indiqué de conserver une certaine
cohérence avec l’approche suivie par le législateur belge
depuis l’adoption, en 1995, de la loi relative au statut et
au contrôle des entreprises d’investissement.
C'est pourquoi il a été décidé de conserver, dans la
mesure où la directive IFD le permet, les caractéristiques
essentielles, et donc les acquis du régime actuellement
applicable aux sociétés de bourse et aux sociétés de
gestion de portefeuille et de conseil en investissement.
Il a en outre été procédé à des améliorations et des
ajouts dans la loi du 25 octobre 2016 relative aux sociétés
de gestion de portefeuille et de conseil en investisse-
ment, en vue d’améliorer la cohérence de ce dispositif
avec celui applicable aux sociétés de bourse et de
les harmoniser. Ces modifications ne seront toutefois
apportées que si elles s’avèrent justifiées, compte tenu
notamment des activités plus limitées des sociétés de
gestion de portefeuille et de conseil en investissement.
Sous réserve du maintien des acquis du dispositif
actuel et de l’objectif de parvenir à une harmonisation
des dispositifs applicables aux deux catégories de entre-
prises d’investissement, les projets de loi à l’examen ne
comportent aucune surréglementation.
Comme indiqué précédemment, il est apparu oppor-
tun, dans le cadre de la transposition de la directive IFD,
de conserver une certaine cohérence avec l’approche
suivie par le législateur belge depuis l’adoption, en 1995,
de la loi relative au statut et au contrôle des entreprises
17
2762/003
DOC 55
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
De markt van de beursvennootschappen is zeer hete-
rogeen en vergt een gediversifieerde aanpak. Er zijn
structuren die concurreren met zakenbanken en daar-
naast kleine familiale structuren. De bedoeling van de
Europese wetgever is om een meer proportionele aanpak
te hebben voor de beleggingsondernemingen en deze
aanpak heeft de Belgische wetgever voortgezet.
Wat de beleidsruimte voor de NBB betreft, benadrukt
de vice-eersteminister dat elke beslissing van de NBB
terdege zal moeten worden verantwoord en wordt steeds
genomen met inachtneming van het algemeen geldend
evenredigheidsbeginsel.
De beslissing over het afwijken van het duaal systeem
van het wetboek van vennootschappen en verenigingen
werd genomen in 2021 voor de gehele financiële sector.
Deze wordt hier niet in vraag gesteld. Onder meer ge-
zien het Europees kader en de bestaande praktijk die
de sector zelf wenste te behouden, werd hiervan niet
van afgeweken.
Met betrekking tot de opmerkingen van de
heer Van Hees om eerst de richtlijn inzake de klok-
kenluiders om te zetten, merkt de vice-eersteminister
op dat de omzetting van de richtlijn klokkenluiders in
eerste instantie valt onder de bevoegdheid van zijn
collega’s van Economie, Justitie en Ambtenarenzaken.
Momenteel bestaat reeds een systeem van klokkenluiders
voor zowel de FSMA als de NBB ingevolge de relevante
Europese regelgeving.
Betreffende de opmerkingen aangaande de variabele
vergoeding, wijst de vice-eersteminister erop dat de
huidige regeling de Europese richtlijn volgt waarin de
marge wordt gelaten aan de instellingen om een vari-
abele verloning uit te keren. Ook vandaag is dit reeds
het geval. De wetgeving van vandaag wordt dus niet
gewijzigd. Er moet ook de mogelijkheid worden gebo-
den aan de ondernemingen in de Belgische sector om
concurrentieel aanwervingen te kunnen doen binnen
de Europese markt.
Met betrekking tot de opmerkingen en vragen van
de heer Van Hees aangaande de vennootschappen
die publieke steun kregen, stipt de vice-eersteminister
aan dat er vandaag geen beursvennootschappen zijn
die in dit geval verkeren.
Deze maatregel werd ingevoerd naar aanleiding van
de financiële crisis toen het niet evident is gebleken om
personen te vinden die een dergelijke hachelijke taak
op zich konden en wilden nemen.
d’investissement. Le marché des sociétés de bourse est
très hétérogène et nécessite une approche diversifiée.
En effet, il existe des structures qui sont en concurrence
avec des banques d’affaires, et des structures familiales
de petite taille. L’objectif du législateur européen est de
disposer d’une approche plus proportionnelle vis-à-vis
des entreprises d’investissement, et c’est cette approche
que le législateur belge entend continuer de suivre.
En ce qui concerne la marge de manœuvre de la
BNB, le vice-premier ministre souligne que chaque
décision de la BNB devra être dûment justifiée, et sera
toujours prise en tenant compte du principe général de
proportionnalité.
La décision de déroger au système dual du code des
sociétés et des entreprises a été prise en 2021 pour
l’ensemble du secteur financier. Cette décision n’est ici
pas remise en question. Il n’y a pas été dérogé, compte
tenu notamment du cadre européen et des pratiques
existantes que le secteur lui-même souhaite conserver.
En réponse à la remarque de M. Van Hees, qui sug-
gère de procéder tout d’abord à la transposition de la
directive sur la protection des lanceurs d'alerte, le vice-
premier ministre souligne que cette transposition relève
en premier lieu de la compétence de ses collègues de
l'Économie, de la Justice et de la Fonction publique. Il
existe déjà à l’heure actuelle pour la FSMA et la BNB
un système de lanceurs d’alerte qui se fonde sur la
réglementation européenne pertinente.
En ce qui concerne les observations relatives à la
rémunération variable, le vice-premier ministre indique
que la réglementation actuelle est conforme à la direc-
tive européenne, qui laisse aux institutions la possibilité
de verser une rémunération variable. C'est déjà ce qui
se passe aujourd’hui. La législation actuelle n'est donc
pas modifiée. Il faut également permettre aux entreprises
belges du secteur de recruter de manière compétitive
sur le marché européen.
En réponse aux remarques et questions de
M. Van Hees concernant les sociétés ayant bénéficié
d’une aide publique, le vice-premier ministre précise
qu'aucune entreprise cotée en bourse n’est dans ce
cas à l’heure actuelle.
Cette mesure a été introduite à la suite de la crise
financière, à une époque où il n'était pas facile de trouver
des personnes capables et désireuses d'assumer une
tâche aussi délicate.
2762/003
DOC 55
18
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
Inzake de opmerkingen omtrent het minimumaan-
vangskapitaal, merkt de vice-eersteminister op dat
deze bepaling inzake minimumaanvangskapitaal een
maximale harmonisatie behelst. De Belgische wetgever
kan hier niet van afwijken.
Wat het begrip “bijzonder hoog” betreft, legt de vice-
eersteminister uit dat die uit de richtlijn zelf komt en
dat de Europese wetgever ervoor heeft gekozen de
bevoegde overheden een zekere flexibiliteit te laten door
er geen expliciete criteria voor vast te leggen. Aangezien
men ervoor heeft geopteerd om de bepalingen van de
richtlijn trouw om te zetten, werd ervoor gekozen geen
nauwkeurigere criteria in de wet op te nemen. In voor-
komend geval zullen de regulatoren op het Europese
niveau via de Europese toezichtsagentschappen tot
een geharmoniseerde interpretatie van die omschrijving
kunnen komen. De EBA heeft ter zake trouwens reeds
richtsnoeren vastgesteld. (EBA Richtsnoeren van 22
november 2021 betreffende een degelijk belonings-
beleid overeenkomstig Richtlijn (EU) 2019/2034 (EBA/
GL/2021/13, nr. 257)).
Tot slot merkt de vice-eersteminister op dat de
Europese wetgever ervoor heeft geopteerd om een
grondige vereenvoudiging door te voeren in IFR, de
kapitaalsvereisten. Maar daarentegen is de Europese
wetgever er zich ook van bewust dat zelfs in kleine
structuren, niet kan bespaard worden op governance.
Daarom zijn er in IFD wel solide governancebepalin-
gen behouden die stroken ook met de aanpak van de
Belgische wetgever ter zake.
C. Replieken van de leden
De heer Joy Donné (N-VA) merkt op dat hij geen verde-
re vragen heeft maar hij wil meegeven dat zijn fractie voor
het geheel van de wetsontwerpen nrs. 2763 en 2765 zal
tegenstemmen wegens de procedurele fout aangezien
er door de regering geen advies werd ingewonnen bij
de GBA alhoewel dit wettelijk verplicht was.
De heer Marco Van Hees (PVDA-PTB) stelt vast
dat met betrekking tot de omzetting inzake de richtlijn
omtrent de klokkenluiders de vice-eersteminister de
hete aardappel doorschuift naar zijn collega-ministers
in de regering.
Met betrekking tot de notie “bijzonder hoog”, stelt
de spreker vast dat deze notie bijzonder flou is. Deze
regering kiest ervoor om deze onduidelijkheid te be-
houden. De spreker neemt hier akte van en besluit dat
dit een bijzonder eigenaardige manier is om wetteksten
te redigeren.
En ce qui concerne les commentaires relatifs au capital
initial minimum, le vice-premier ministre souligne que la
disposition prévue en la matière vise une harmonisation
maximale. Le législateur belge ne peut pas s'en écarter.
Par rapport à la notion “particulièrement élevée”,
le vice-premier ministre explique que cette notion de
“particulièrement élevé” provient de la directive même
et le législateur européen, en ne définissant pas les
critères, a choisi de laisser une certaine flexibilité aux
autorités compétentes. Etant donné le choix de trans-
poser fidèlement les dispositions de la directive, il a été
opté pour ne pas définir de critères plus précis dans
la loi. Cette notion pourra le cas échéant faire l’objet
d’une interprétation harmonisée entre régulateurs au
niveau européen via les agences européennes de super-
vision. Il existe d’ailleurs déjà des orientations d’EBA
en la matière. (Orientations EBA du 22 novembre 2021
sur les politiques de rémunération saines au titre de la
directive (UE) 2019/2034 (EBA/GL/2021/13, n° 257)).
Enfin, le vice-premier ministre fait observer que le
législateur européen a choisi de procéder à une sim-
plification approfondie dans l’IFR en ce qui concerne
les exigences de fonds propres. Cependant, le législa-
teur européen est également conscient que même les
petites structures ne peuvent pas faire l’économie de la
gouvernance. C’est pourquoi des dispositions solides en
matière de gouvernance ont été maintenues dans l’IFD.
Ces dispositions sont conformes à l’approche adoptée
par le législateur belge en la matière.
C. Répliques des membres
M. Joy Donné (N-VA) fait observer qu’il n’a pas d’autres
questions, mais tient à indiquer que son groupe votera
contre les projets de loi nos 2763 et 2765 en raison
d’une erreur de procédure, le gouvernement n’ayant
pas demandé l’avis de l’APD alors qu’il en avait l’obli-
gation légale.
M. Marco Van Hees (PVDA-PTB) constate qu’en ce
qui concerne la transposition de la directive relative aux
lanceurs d’alerte, le vice-premier renvoie la balle à ses
collègues ministres du gouvernement.
Quant à la notion de niveau particulièrement élevé,
l’intervenant constate qu’elle est particulièrement floue.
Le gouvernement fait le choix de conserver ce flou.
L’intervenant en prend acte et conclut en indiquant que
c’est une façon bien singulière de rédiger des textes de loi.
19
2762/003
DOC 55
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
IV. — ARTIKELSGEWIJZE BESPREKING EN
STEMMINGEN
A. Wetsontwerp DOC 55 2762/001
Artikel 1
Dit artikel bevat de grondwettelijke grondslag van
het wetsontwerp en geeft geen aanleiding tot verdere
opmerkingen.
Artikel 1 wordt eenparig aangenomen.
Artikelen 2 en 3
Deze artikelen geven geen aanleiding tot verdere
opmerkingen.
Artikel 2 wordt aangenomen met 10 stemmen
en 2 onthoudingen.
Artikel 3 wordt aangenomen met 9 stemmen
en 3 onthoudingen.
*
*
*
Het gehele wetsontwerp wordt, bij naamstemming,
aangenomen met 10 stemmen en 2 onthoudingen.
De naamstemming is als volgt:
Hebben voorgestemd:
N-VA: Joy Donné
Ecolo-Groen: Dieter Vanbesien, Gilles Vanden Burre
PS: Hugues Bayet, Ahmed Laaouej
MR: Marie-Christine Marghem, Benoît Piedboeuf
CD&V: Jan Briers
Open Vld: Christian Leysen
Vooruit: Joris Vandenbroucke
Hebben zich onthouden:
VB: Kurt Ravyts
PVDA-PTB: Marco Van Hees
IV. —DISCUSSION DES ARTICLES ET
VOTES
A. Projet de loi DOC 55 2762/001
Article 1er
Cet article fixe le fondement constitutionnel de la
compétence. Il ne donne lieu à aucune observation.
L’article 1er est adopté à l’unanimité.
Articles 2 et 3
Ces articles ne donnent lieu à aucune observation.
L’article 2 est adopté par 10 voix et 2 abstentions.
L’article 3 est adopté par 9 voix et 3 abstentions.
*
*
*
L’ensemble du projet de loi est adopté, par vote nomi-
natif, par 10 voix et 2 abstentions.
Résultat du vote nominatif:
Ont voté pour:
N-VA: Joy Donné
Ecolo-Groen: Dieter Vanbesien, Gilles Vanden Burre
PS: Hugues Bayet, Ahmed Laaouej
MR: Marie-Christine Marghem, Benoît Piedboeuf
CD&V: Jan Briers
Open Vld: Christian Leysen
Vooruit: Joris Vandenbroucke
Se sont abstenus:
VB: Kurt Ravyts
PVDA-PTB: Marco Van Hees
2762/003
DOC 55
20
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
B. Wetsontwerp DOC 55 2763/001
BOEK I
TOEPASSINGSGEBIED — DEFINITIES—
ALGEMENE BEPALINGEN
TITEL I
Toepassingsgebied
Artikel 1
Dit artikel bevat de grondwettelijke grondslag van
het wetsontwerp en geeft geen aanleiding tot verdere
opmerkingen.
Artikel 1 wordt eenparig aangenomen.
Art. 2
Dit artikel geeft geen aanleiding tot verdere
opmerkingen.
Artikel 2 wordt aangenomen met 9 stemmen
en 3 onthoudingen.
TITEL 2
Definities
Art. 3
Dit artikel geeft geen aanleiding tot verdere
opmerkingen.
Artikel 3 wordt aangenomen met 9 stemmen
en 3 onthoudingen.
BOEK II
BEURSVENNOOTSCHAPPEN NAAR BELGISCH
RECHT
TITEL I
Toegang tot het bedrijf
Artikelen 4 tot 43
Deze artikelen geven geen aanleiding tot verdere
opmerkingen.
B. Projet de loi DOC 55 2763/001
LIVRE IER
CHAMP D’APPLICATION — DÉFINITIONS
— GÉNÉRALITÉS
TITRE IER
Champ d’application
Article 1er
Cet article fixe le fondement constitutionnel de la
compétence du projet de loi. Il ne donne lieu à aucune
observation.
L’article 1er est adopté à l’unanimité.
Art. 2
Cet article ne donne lieu à aucune observation.
L’article 2 est adopté par 9 voix et 3 abstentions.
TITRE 2
Définitions
Art. 3
Cet article ne donne lieu à aucune observation.
L’article 3 est adopté par 9 voix et 3 abstentions.
LIVRE II
DES SOCIÉTÉS DE BOURSE DE DROIT BELGE
TITRE IER
De l’accès à l’activité
Articles 4 à 43
Ces articles ne donnent lieu à aucune observation.
21
2762/003
DOC 55
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
Artikelen 4 tot 5 worden achtereenvolgens aangeno-
men met 9 stemmen en 3 onthoudingen.
Artikel 6 wordt aangenomen met 9 tegen 2 stemmen
en 1 onthouding.
Artikelen 7 tot 14 worden achtereenvolgens aange-
nomen met 9 stemmen en 3 onthoudingen.
Artikel 15 wordt aangenomen met 9 tegen 2 stemmen
en 1 onthouding.
Artikelen 16 tot 43 worden achtereenvolgens aange-
nomen met 9 stemmen en 3 onthoudingen.
TITEL II
Bedrijfsuitoefeningsvoorwaarden
Artikelen 44 tot 119
Deze artikelen geven geen aanleiding tot verdere
opmerkingen.
Artikelen 44 tot 67 worden achtereenvolgens aange-
nomen met 9 stemmen en 3 onthoudingen.
Artikel 68 wordt aangenomen met 9 tegen 2 stemmen
en 1 onthouding.
Artikel 69 wordt aangenomen met 9 stemmen
en 3 onthoudingen.
Artikel 70 wordt aangenomen met 9 tegen 2 stemmen
en 1 onthouding.
Artikelen 71 tot 119 worden achtereenvolgens aange-
nomen met 9 stemmen en 3 onthoudingen.
TITEL III
Toezicht op de beursvennootschappen
Artikelen 120 tot 199
Deze artikelen geven geen aanleiding tot verdere
opmerkingen.
Artikel 120 wordt aangenomen met 9 stemmen
en 3 onthoudingen.
Artikel 121 wordt aangenomen met 9 tegen 2 stem-
men en 1 onthouding.
Les articles 4 à 5 sont successivement adoptés
par 9 voix et 3 abstentions.
L’article 6 est adopté par 9 voix contre 2 et une
abstention.
Les articles 7 à 14 sont successivement adoptés
par 9 voix et 3 abstentions.
L’article 15 est adopté par 9 voix contre 2 et une
abstention.
Les articles 16 à 43 sont successivement adoptés
par 9 voix et 3 abstentions.
TITRE II
Des conditions d’exercice de l’activité
Articles 44 à 119
Ces articles ne donnent lieu à aucune observation.
Les articles 44 à 67 sont successivement adoptés
par 9 voix et 3 abstentions.
L’article 68 est adopté par 9 voix contre 2 et
une abstention.
L’article 69 est adopté par 9 voix et 3 abstentions.
L’article 70 est adopté par 9 voix contre 2 et
une abstention.
Les articles 71 à 119 sont successivement adoptés
par 9 voix et 3 abstentions.
TITRE III
Contrôle des sociétés de bourse
Articles 120 à 199
Ces articles ne donnent lieu à aucune observation.
L’article 120 est adopté par 9 voix et 3 abstentions.
L’article 121 est adopté par 9 voix contre 2 et
une abstention.
2762/003
DOC 55
22
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
Artikelen 122 tot 199 worden achtereenvolgens aan-
genomen met 9 stemmen en 3 onthoudingen.
TITEL IV
Beëindiging van de vergunning
Artikelen 200 en 201
Deze artikelen geven geen aanleiding tot verdere
opmerkingen.
Artikelen 200 en 201 worden achtereenvolgens aan-
genomen met 9 stemmen en 3 onthoudingen.
TITEL V
Herstelmaatregelen
Artikelen 202 tot 208
Deze artikelen geven geen aanleiding tot verdere
opmerkingen.
Artikelen 200 en 207 worden achtereenvolgens aan-
genomen met 9 stemmen en 3 onthoudingen.
Artikel 208 wordt aangenomen met 9 tegen 2 stem-
men en 1 onthouding.
BOEK III
BEURSVENNOOTSCHAPPEN NAAR
BUITENLANDS RECHT
TITEL I
Inleidende bepaling
Art. 209
Dit artikel geen aanleiding tot verdere opmerkingen.
Artikel 209 wordt aangenomen met 9 stemmen
en 3 onthoudingen.
Les articles 122 à 199 sont successivement adoptés
par 9 voix et 3 abstentions.
TITRE IV
De la fin de l’agrément
Articles 200 et 201
Ces articles ne donnent lieu à aucune observation.
Les articles 200 et 201 sont successivement adoptés
par 9 voix et 3 abstentions.
TITRE V
Des mesures de redressement
Articles 202 à 208
Ces articles ne donnent lieu à aucune observation.
Les articles 202 à 207 sont successivement adoptés
par 9 voix et 3 abstentions.
L’article 208 est adopté par 9 voix contre 2 et
une abstention.
LIVRE III
DES SOCIÉTÉS DE BOURSE DE DROIT
ÉTRANGER
TITRE IER
Disposition liminaire
Art. 209
Cet article ne donne lieu à aucune observation.
L’article 209 est adopté par 9 voix et 3 abstentions.
23
2762/003
DOC 55
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
TITEL II
Bijkantoren in België van beursvennootschappen die
onder het recht van een andere lidstaat ressorteren
Artikelen 210 tot 224
Deze artikelen geven geen aanleiding tot verdere
opmerkingen.
Artikelen 210 tot 224 worden achtereenvolgens aan-
genomen met 9 stemmen en 3 onthoudingen.
TITEL III
Bijkantoren in België van beursvennootschappen van
derde landen
Artikelen 225 tot 234
Deze artikelen geven geen aanleiding tot verdere
opmerkingen.
Artikelen 225 tot 234 worden achtereenvolgens aan-
genomen met 9 stemmen en 3 onthoudingen.
BOEK IV
DWANGSOMMEN EN ANDERE
DWANGMAATREGELEN
Artikelen 235 tot 237
Deze artikelen geven geen aanleiding tot verdere
opmerkingen.
Artikelen 235 tot 236 worden achtereenvolgens aan-
genomen met 9 tegen 2 stemmen en 1 onthouding.
Artikel 237 wordt aangenomen met 9 stemmen
en 3 onthoudingen.
TITRE II
Des succursales en Belgique des sociétés de bourse
relevant du droit d’un autre État membre
Articles 210 à 224
Ces articles ne donnent lieu à aucune observation.
Les articles 210 à 224 sont successivement adoptés
par 9 voix et 3 abstentions.
TITRE III
Des succursales en Belgique de sociétés de bourse
de pays tiers
Articles 225 à 234
Ces articles ne donnent lieu à aucune observation.
Les articles 225 à 234 sont successivement adoptés
par 9 voix et 3 abstentions.
LIVRE IV
DES ASTREINTES ET AUTRES MESURES
COERCITIVES
Articles 235 à 237
Ces articles ne donnent lieu à aucune observation.
Les articles 235 à 237 sont successivement adoptés
par 9 voix contre 2 et une abstention.
L’article 237 est adopté par 9 voix et 3 abstentions.
2762/003
DOC 55
24
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
BOEK V
SANCTIES
TITEL I
Administratieve boetes
Art. 238
Er worden geen bijkomende opmerkingen geformu-
leerd bij dit artikel.
Artikel 238 wordt aangenomen met 9 stemmen
en 3 onthoudingen.
TITEL II
Strafrechtelijke sancties
Artikelen 239 tot 243
Deze artikelen geven geen aanleiding tot verdere
opmerkingen.
Artikelen 239 tot 243 worden achtereenvolgens aan-
genomen met 9 stemmen en 3 onthoudingen.
BOEK VI
REGELS VAN HET INTERNATIONAAL
PRIVAATRECHT INZAKE
SANERINGSMAATREGELEN EN
LIQUIDATIEPROCEDURES
TITEL I
Saneringsmaatregelen
Artikelen 244 tot 250
Deze artikelen geven geen aanleiding tot verdere
opmerkingen.
Artikelen 244 tot 250 worden achtereenvolgens aan-
genomen met 9 stemmen en 3 onthoudingen.
LIVRE V
DES SANCTIONS
TITRE IER
Des amendes administratives
Art. 238
Cet article ne donne lieu à aucune observation.
L’article 238 est adopté par 9 voix et 3 abstentions.
TITRE II
Des sanctions pénales
Articles 239 à 243
Ces articles ne donnent lieu à aucune observation.
Les articles 239 à 243 sont successivement adoptés
par 9 voix et 3 abstentions.
LIVRE VI
RÈGLES DE DROIT INTERNATIONAL PRIVÈ EN
MATIÈRE DE MESURES D’ASSAINISSEMENT ET
DE PROCÉDURES
DE LIQUIDATION
TITRE IER
Des mesures d’assainissement
Articles 244 à 250
Ces articles ne donnent lieu à aucune observation.
Les articles 244 à 250 sont successivement adoptés
par 9 voix et 3 abstentions.
25
2762/003
DOC 55
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
TITEL II
Liquidatieprocedures
Artikelen 251 tot 259
Deze artikelen geven geen aanleiding tot verdere
opmerkingen.
Artikelen 251 tot 259 worden achtereenvolgens aan-
genomen met 9 stemmen en 3 onthoudingen.
TITEL III
Regels die zowel voor de saneringsmaatregelen als
voor de liquidatie-procedures gelden
Artikelen 260 tot 269
Deze artikelen geven geen aanleiding tot verdere
opmerkingen.
Artikelen 260 tot 269 worden achtereenvolgens aan-
genomen met 9 stemmen en 3 onthoudingen.
TITEL IV
Aanvullende bepaling
Art. 270
Dit artikel geeft geen aanleiding tot bijkomende
opmerkingen.
Artikel 270 wordt aangenomen met 9 stemmen
en 3 onthoudingen.
BOEK VII
MATERIEELRECHTELIJKE ASPECTEN VAN
LIQUIDATIEPROCEDURES
Artikelen 271 tot 273
Deze artikelen geven geen aanleiding tot verdere
opmerkingen.
Artikelen 271 tot 273 worden achtereenvolgens aan-
genomen met 9 stemmen en 3 onthoudingen.
TITRE II
Des procédures de liquidation
Articles 251 à 259
Ces articles ne donnent lieu à aucune observation.
Les articles 251 à 259 sont successivement adoptés
par 9 voix et 3 abstentions.
TITRE III
Des règles communes aux mesures d’assainissement
et aux procédures de liquidation
Articles 260 à 269
Ces articles ne donnent lieu à aucune observation.
Les articles 260 à 269 sont successivement adoptés
par 9 voix et 3 abstentions.
TITRE IV
Disposition complémentaire
Art. 270
Cet article ne donne lieu à aucune observation.
L’article 270 est adopté par 9 voix et 3 abstentions.
LIVRE VII
ASPECTS DE DROIT MATÉRIEL DES
PROCÉDURES DE LIQUIDATION
Articles 271 à 273
Ces articles ne donnent lieu à aucune observation.
Les articles 271 à 273 sont successivement adoptés
par 9 voix et 3 abstentions.
2762/003
DOC 55
26
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
BOEK VIII
BELEGGERSBESCHERMINGSREGELINGEN
Artikelen 274 tot 278
Deze artikelen geven geen aanleiding tot verdere
opmerkingen.
Artikel 274 wordt aangenomen met 9 stemmen
en 3 onthoudingen.
Artikel 275 wordt aangenomen met 9 tegen 2 stem-
men en 1 onthouding.
Artikelen 276 tot 278 worden achtereenvolgens aan-
genomen met 9 stemmen en 3 onthoudingen.
BOEK IX
DIVERSE EN SLOT-, WIJZIGINGS-,
OVERGANGS- EN
OPHEFFINGSBEPALINGEN
TITEL I
Diverse bepaling
Art. 279
Dit artikel geeft geen aanleiding tot verdere
opmerkingen.
Artikel 279 wordt aangenomen met 9 stemmen
en 3 onthoudingen.
TITEL II
Slotbepaling
Art. 280
Dit artikel geeft geen aanleiding tot verdere
opmerkingen.
Artikel 280 wordt aangenomen met 9 stemmen
en 3 onthoudingen.
LIVRE VIII
DU SYSTÈME DE PROTECTION DES
INVESTISSEURS
Articles 274 à 278
Ces articles ne donnent lieu à aucune observation.
L’article 274 est adopté par 9 voix et 3 abstentions.
L’article 275 est adopté par 9 voix contre 2 et
une abstention.
Les articles 276 à 278 sont successivement adoptés
par 9 voix et 3 abstentions.
LIVRE IX
DISPOSITIONS DIVERSES, FINALES,
MODIFICATIVES, TRANSITOIRES ET
ABROGATOIRES
TITRE IER
Disposition diverse
Art. 279
Cet article ne donne lieu à aucune observation.
L’article 279 est adopté par 9 voix et 3 abstentions.
TITRE II
Disposition finale
Art. 280
Cet article ne donne lieu à aucune observation.
L’article 280 est adopté par 9 voix et 3 abstentions.
27
2762/003
DOC 55
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
TITEL III
Wijzigingsbepalingen
Artikelen 281 tot 422
Deze artikelen geven geen aanleiding tot verdere
opmerkingen.
Artikelen 281 tot 318 worden achtereenvolgens aan-
genomen met 9 stemmen en 3 onthoudingen.
Artikel 319 wordt aangenomen met 9 tegen 2 stem-
men en 1 onthouding.
Artikelen 320 tot 422 achtereenvolgens aangenomen
met 9 stemmen en 3 onthoudingen.
TITEL IV
Overgangsbepaling
Artikelen 423 en 424
Deze artikelen geven geen aanleiding tot verdere
opmerkingen.
Artikelen 423 en 424 worden achtereenvolgens aan-
genomen met 9 stemmen en 3 onthoudingen.
TITEL V
Opheffingsbepaling
Art. 425
Dit artikel geeft geen aanleiding tot verdere
opmerkingen.
Artikel 425 wordt aangenomen met 9 stemmen
en 3 onthoudingen.
BOEK X
INWERKINGTREDING
Artikelen 426 en 427
Deze artikelen geven geen aanleiding tot verdere
opmerkingen.
Artikelen 426 en 427 worden achtereenvolgens aan-
genomen met 9 stemmen en 3 onthoudingen.
TITRE III
Dispositions modificatives
Articles 281 à 422
Ces articles ne donnent lieu à aucune observation.
Les articles 281 à 318 sont successivement adoptés
par 9 voix et 3 abstentions.
L’article 319 est adopté par 9 voix contre 2 et
une abstention.
Les articles 320 à 422 sont successivement adoptés
par 9 voix et 3 abstentions.
TITRE IV
Disposition transitoire
Articles 423 et 424
Ces articles ne donnent lieu à aucune observation.
Les articles 423 et 424 sont successivement adoptés
par 9 voix et 3 abstentions.
TITRE V
Disposition abrogatoire
Art. 425
Cet article ne donne lieu à aucune observation.
L’article 425 est adopté par 9 voix et 3 abstentions.
LIVRE X
ENTRÉE EN VIGUEUR
Articles 426 et 427
Ces articles ne donnent lieu à aucune observation.
Les articles 426 et 427 sont successivement adoptés
par 9 voix et 3 abstentions.
2762/003
DOC 55
28
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
BIJLAGE
BELONINGSBELEID
Artikelen 1 tot 22
Deze artikelen geven geen aanleiding tot verdere
opmerkingen.
Artikelen 1 tot 22 worden achtereenvolgens aange-
nomen met 9 stemmen en 3 onthoudingen.
*
*
*
Het gehele wetsontwerp wordt, bij naamstemming,
aangenomen met 9 tegen 2 stemmen en 1 onthouding.
De naamstemming is als volgt:
Hebben voorgestemd:
Ecolo-Groen: Dieter Vanbesien, Gilles Vanden Burre
PS: Hugues Bayet, Ahmed Laaouej
MR: Marie-Christine Marghem, Benoît Piedboeuf
CD&V: Jan Briers
Open Vld: Christian Leysen
Vooruit: Joris Vandenbroucke
Hebben tegengestemd:
N-VA: Joy Donné
VB: Kurt Ravyts
Heeft zich onthouden:
PVDA-PTB: Marco Van Hees
ANNEXE
POLITIQUE DE RÉMUNÉRATION
Articles 1er à 22
Ces articles ne donnent lieu à aucune observation.
Les articles 1er à 22 sont successivement adoptés
par 9 voix et 3 abstentions.
*
*
*
L’ensemble du projet de loi est adopté par vote nomi-
natif par 9 voix contre 2 et une abstention.
Résultat du vote nominatif:
Ont voté pour:
Ecolo-Groen: Dieter Vanbesien, Gilles Vanden Burre
PS: Hugues Bayet, Ahmed Laaouej
MR: Marie-Christine Marghem, Benoît Piedboeuf
CD&V: Jan Briers
Open Vld: Christian Leysen
Vooruit: Joris Vandenbroucke
Ont voté contre:
N-VA: Joy Donné
VB: Kurt Ravyts
S’est abstenu:
PVDA-PTB: Marco Van Hees
29
2762/003
DOC 55
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
C. Wetsontwerp DOC 55 2765/001
HOOFDSTUK 1
Algemene bepalingen
Artikel 1
Dit artikel bevat de grondwettelijke grondslag van
het wetsontwerp en geeft geen aanleiding tot verdere
opmerkingen.
Artikel 1 wordt eenparig aangenomen.
Art. 2
Artikel 2 geeft geen aanleiding tot verdere opmerkingen.
Artikel 2 wordt aangenomen met 9 stemmen
en 3 onthoudingen.
HOOFDSTUK 2
Wijzigingen van de wet van 25 oktober
2016 betreffende de toegang tot het
beleggingsdienstenbedrijf en betreffende
het statuut van en het toezicht op de
vennootschappen voor vermogensbeheer en
beleggingsadvies
Artikelen 3 tot 92
Deze artikelen geven geen aanleiding tot verdere
opmerkingen.
Artikelen 3 tot 14 worden achtereenvolgens aange-
nomen met 9 stemmen en 3 onthoudingen.
Artikel 15 wordt aangenomen met 9 tegen 2 stemmen
en 1 onthouding.
Artikelen 16 tot 75 worden achtereenvolgens aange-
nomen met 9 stemmen en 3 onthoudingen.
Artikel 76 wordt aangenomen met 9 tegen 2 stemmen
en 1 onthouding.
Artikelen 77 en 78 worden achtereenvolgens aange-
nomen met 9 stemmen en 3 onthoudingen.
Artikel 79 wordt aangenomen met 9 tegen 2 stemmen
en 1 onthouding.
C. Projet de loi DOC 55 2765/001
CHAPITRE 1ER
Dispositions générales
Article 1er
Cet article fixe le fondement constitutionnel du projet
de loi et ne donne lieu à aucune observation.
L’article 1er est adopté à l’unanimité.
Art. 2
L’article 2 ne donne lieu à aucune observation.
L’article 2 est adopté par 9 voix et 3 abstentions.
CHAPITRE 2
Modifications de la loi du 25 octobre 2016 relative
à l’accès à l’activité de prestation de services
d’investissement et au statut et au contrôle des
sociétés de gestion de portefeuille et de conseil
en investissement
Articles 3 à 92
Ces articles ne donnent lieu à aucune observation.
Les articles 3 à 14 sont successivement adoptés
par 9 voix et 3 abstentions.
L’article 15 est adopté par 9 voix contre 2 et
une abstention.
Les articles 16 à 75 sont successivement adoptés
par 9 voix et 3 abstentions.
L’article 76 est adopté par 9 voix contre 2 et
une abstention.
Les articles 77 et 78 sont successivement adoptés
par 9 voix et 3 abstentions.
L’article 79 est adopté par 9 voix contre 2 et
une abstention.
2762/003
DOC 55
30
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
Artikelen 80 tot 92 worden achtereenvolgens aange-
nomen met 9 stemmen en 3 onthoudingen.
HOOFDSTUK 3
Wijzigingen in de wet van 2 augustus 2002
betreffende het toezicht op de financiële sector
en de financiële diensten
Artikelen 93 tot 97
Deze artikelen geven geen aanleiding tot bijkomende
opmerkingen.
Artikelen 93 tot 97 worden achtereenvolgens aange-
nomen met 9 stemmen en 3 onthoudingen.
HOOFDSTUK 4
Wijzigingen in de wet van 3 augustus 2012
betreffende de instellingen voor collectieve
belegging die voldoen aan de voorwaarden
van Richtlijn 2009/65/eg en de instellingen voor
belegging in schuldvorderingen
Art. 98
Dit artikel geeft geen aanleiding tot bijkomende
opmerkingen.
Artikel 98 wordt aangenomen met 9 stemmen
en 3 onthoudingen.
HOOFDSTUK 5
Wijzigingen in de wet van 19 april 2014
betreffende de alternatieve instellingen voor
collectieve belegging en hun beheerders
Art. 99
Dit artikel geeft geen aanleiding tot bijkomende
opmerkingen.
Les articles 80 à 92 sont successivement adoptés
par 9 voix et 3 abstentions.
CHAPITRE 3
Modifications à la loi du 2 août 2002 relative à la
surveillance du secteur financier et aux services
financiers
Articles 93 à 97
Ces articles ne donnent lieu à aucune observation.
Les articles 93 à 97 sont successivement adoptés
par 9 voix et 3 abstentions
CHAPITRE 4
Modifications à la loi du 3 août 2012 relative aux
organismes de placement collectif qui répondent
aux conditions de la directive 2009/65/ce et aux
organismes de placement en créances
Art. 98
Cet article ne donne lieu à aucune observation.
L’article 98 est adopté par 9 voix et 3 abstentions.
CHAPITRE 5
Modifications à la loi du 19 avril 2014 relative aux
organismes de placement collectifs alternatifs et
à leurs gestionnaires
Art. 99
Cet article ne donne lieu à aucune observation.
31
2762/003
DOC 55
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
Artikel 99 wordt aangenomen met 9 stemmen
en 3 onthoudingen.
*
*
*
Het gehele wetsontwerp wordt, met inbegrip van
een aantal legistieke verbeteringen, bij naamstemming,
aangenomen met 9 tegen 2 stemmen en 1 onthouding.
De naamstemming is als volgt:
Hebben voorgestemd:
Ecolo-Groen: Dieter Vanbesien, Gilles Vanden Burre
PS: Hugues Bayet, Ahmed Laaouej
MR: Marie-Christine Marghem, Benoît Piedboeuf
CD&V: Jan Briers
Open Vld: Christian Leysen
Vooruit: Joris Vandenbroucke
Hebben tegengestemd:
N-VA: Joy Donné
VB: Kurt Ravyts
Heeft zich onthouden:
PVDA-PTB: Marco Van Hees
De rapporteur,
De voorzitster,
Benoît PIEDBOEUF
Marie-Christine MARGHEM
L’article 99 est adopté par 9 voix et 3 abstentions.
*
*
*
L’ensemble du projet de loi est adopté, y compris
quelques corrections légistiques, par vote nominatif,
par 9 voix contre 2 et une abstention.
Le résultat du vote nominatif est le suivant:
Ont voté pour:
Ecolo-Groen: Dieter Vanbesien, Gilles Vanden Burre
PS: Hugues Bayet, Ahmed Laaouej
MR: Marie-Christine Marghem, Benoît Piedboeuf
CD&V: Jan Briers
Open Vld: Christian Leysen
Vooruit: Joris Vandenbroucke
Ont voté contre:
N-VA: Joy Donné
VB: Kurt Ravyts
S’est abstenu:
PVDA-PTB: Marco Van Hees
Le rapporteur,
La présidente,
Benoît PIEDBOEUF
Marie-Christine MARGHEM
Imprimerie centrale – Centrale drukkerij