Document 55K2762/003

🏛️ KAMER Legislatuur 55 📁 2762 Verslag 🌐 NL

Inhoud

2762/003 DOC 55 2762/003 DOC 55 07451 C H A M B R E 4 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E 6 juli 2022 6 juillet 2022 Chambre des représentants de Belgique Belgische Kamer van volksvertegenwoordigers Voir: Doc 55 2762/ (2021/2022): 001: Projet de loi. 002: Texte adopté par la commission. Doc 55 2763/ (2021/2022): 001: Projet de loi. Doc 55 2765/ (2021/2022): 001: Projet de loi. Zie: Doc 55 2762/ (2021/2022): 001: Wetsontwerp. 002: Tekst aangenomen door de commissie. Doc 55 2763/ (2021/2022): 001: Wetsontwerp. Doc 55 2765/ (2021/2022): 001: Wetsontwerp. NAMENS DE COMMISSIE VOOR FINANCIËN EN BEGROTING UITGEBRACHT DOOR DE HEER Benoît PIEDBOEUF FAIT AU NOM DE LA COMMISSION DES FINANCES ET DU BUDGET PAR M. Benoît PIEDBOEUF VERSLAG RAPPORT INHOUD SOMMAIRE Blz. Pages I. Exposé introductif...........................................................3 II. Procédure........................................................................8 III. Discussion générale......................................................13 IV. Discussion des articles et votes...................................19 I. Inleidende uiteenzetting..................................................3 II. Procedure........................................................................8 III. Algemene bespreking...................................................13 IV. Artikelsgewijze bespreking en stemmingen..................19 op het statuut van en het toezicht op beursvennootschappen voor wat betreft bepaalde versnelde procedures voor beroep bij de Raad van State relatif au statut et au contrôle des sociétés de bourse en ce qui concerne certaines procédures de recours accélérées auprès du Conseil d’État PROJET DE LOI WETSONTWERP Wetsontwerp op het statuut van en het toezicht op beursvennootschappen en houdende diverse bepalingen Projet de loi relatif au statut et au contrôle des sociétés de bourse et portant des dispositions diverses Wetsontwerp tot wijziging van de wet van 25 oktober 2016 betreffende de toegang tot het beleggingsdienstenbedrijf en betreffende het statuut van en het toezicht op de vennootschappen voor vermogensbeheer en beleggingsadvies, en houdende diverse andere bepalingen tot omzetting van Richtlijn (EU) 2019/2034 van het Europees Parlement en de Raad van 27 november 2019 betreffende het prudentiële toezicht op beleggingsondernemingen Projet de loi modifiant la loi du 25 octobre 2016 relative à l’accès à l’activité de prestation de services d’investissement et au statut et au contrôle des sociétés de gestion de portefeuille et de conseil en investissement et portant autres dispositions diverses visant à transposer la directive (UE) 2019/2034 du Parlement européen et du Conseil du 27 novembre 2019 concernant la surveillance prudentielle des entreprises d’investissement 2762/003 DOC 55 2 C H A M B R E 4 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E N-VA : Nieuw-Vlaamse Alliantie Ecolo-Groen : Ecologistes Confédérés pour l’organisation de luttes originales – Groen PS : Parti Socialiste VB : Vlaams Belang MR : Mouvement Réformateur CD&V : Christen-Democratisch en Vlaams PVDA-PTB : Partij van de Arbeid van België – Parti du Travail de Belgique Open Vld : Open Vlaamse liberalen en democraten Vooruit : Vooruit Les Engagés : Les Engagés DéFI : Démocrate Fédéraliste Indépendant INDEP-ONAFH : Indépendant – Onafhankelijk Abréviations dans la numérotation des publications: Afkorting bij de nummering van de publicaties: DOC 55 0000/000 Document de la 55e législature, suivi du numéro de base et numéro de suivi DOC 55 0000/000 Parlementair document van de 55e zittingsperiode + basisnummer en volgnummer QRVA Questions et Réponses écrites QRVA Schriftelijke Vragen en Antwoorden CRIV Version provisoire du Compte Rendu Intégral CRIV Voorlopige versie van het Integraal Verslag CRABV Compte Rendu Analytique CRABV Beknopt Verslag CRIV Compte Rendu Intégral, avec, à gauche, le compte rendu intégral et, à droite, le compte rendu analytique traduit des interventions (avec les annexes) CRIV Integraal Verslag, met links het definitieve integraal verslag en rechts het vertaalde beknopt verslag van de toespraken (met de bijlagen) PLEN Séance plénière PLEN Plenum COM Réunion de commission COM Commissievergadering MOT Motions déposées en conclusion d’interpellations (papier beige) MOT Moties tot besluit van interpellaties (beigekleurig papier) Composition de la commission à la date de dépôt du rapport/ Samenstelling van de commissie op de datum van indiening van het verslag Président/Voorzitter: Marie-Christine Marghem A. — Titulaires / Vaste leden: B. — Suppléants / Plaatsvervangers: N-VA Peter De Roover, Sander Loones, Wim Van der Donckt Peter Buysrogge, Kathleen Depoorter, Michael Freilich, Tomas Roggeman Ecolo-Groen Cécile Cornet, Dieter Vanbesien, Gilles Vanden Burre Wouter De Vriendt, Marie-Colline Leroy, Stefaan Van Hecke, Albert Vicaire PS Hugues Bayet, Malik Ben Achour, Ahmed Laaouej Mélissa Hanus, Christophe Lacroix, Patrick Prévot, Sophie Thémont VB Kurt Ravyts, Wouter Vermeersch Steven Creyelman, Erik Gilissen, Reccino Van Lommel MR Marie-Christine Marghem, Benoît Piedboeuf Nathalie Gilson, Florence Reuter, Vincent Scourneau CD&V N . Hendrik Bogaert, Leen Dierick PVDA-PTB Marco Van Hees Steven De Vuyst, Peter Mertens Open Vld Christian Leysen Egbert Lachaert, Jasper Pillen Vooruit Joris Vandenbroucke Melissa Depraetere, Vicky Reynaert 3 2762/003 DOC 55 C H A M B R E 4 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E Dames en Heren, Uw commissie heeft de voorliggende wetsont- werpen besproken tijdens haar vergadering van woensdag 29 juni 2021. De commissie heeft beslist om de wetsontwerpen nrs. 2762, 2763 en 2765 samen te voegen en er één bespreking aan te wijden. I. — INLEIDENDE UITEENZETTING De heer Vincent Van Peteghem, vice-eersteminister en minister van Financiën, belast met de Coördinatie van de fraudebestrijding, stipt aan dat de voorliggende wetsontwerpen de Europese Richtlijn “Investment Firms directive” 2019/2034 omzetten in Belgisch recht. Deze richtlijn diende te worden omgezet in Belgisch recht tegen 26 juni 2021. Wegens de complexiteit van deze richtlijn en het feit dat deze wordt omgezet mid- dels drie verschillende wetsontwerpen waarvan één een volledig nieuw wetboek creëert, heeft de regering vertraging opgelopen. Deze richtlijn vervolledigt op bepaalde punten het prudentieel kader dat vastgesteld werd door de Verordening 2019/2033 van het Europees Parlement en de Raad van 27 november 2019 betreffende prudentiële vereisten voor beleggingsondernemingen (“IFR”). Deze verordening is rechtstreeks van toepassing in Belgisch recht en vergt bijgevolg geen omzettingsmaatregelen. De vice-eersteminister herinnert eraan dat het Europese concept van “beleggingsonderneming” in het Belgisch recht betrekking heeft op de volgende entiteiten: 1) de beursvennootschappen, die in principe alle beleggingsdiensten en -activiteiten mogen verrichten en dus ook tegoeden van cliënten mogen aanhouden. Zij vallen onder het prudentieel toezicht van de Nationale Bank van België; en 2) de vennootschappen voor vermogensbeheer en beleggingsadvies, die maar een beperkter aantal beleg- gingsdiensten en -activiteiten mogen verrichten en in geen geval tegoeden van cliënten mogen aanhouden. Zij vallen onder het toezicht van de Autoriteit voor Financiële Diensten en Markten (“FSMA” genoemd). Vermits het statuut van en het toezicht op deze twee categorieën van beleggingsondernemingen in Belgisch Mesdames, Messieurs, Votre commission a examiné ces projets de loi au cours de sa réunion du mercredi 29 juin 2022. La commission a décidé de joindre les projets de loi n° 2762, 2763 et 2765 et de leur consacrer une seule discussion. I. — EXPOSÉ INTRODUCTIF M. Vincent Van Peteghem, vice-premier ministre et ministre des Finances, chargé de la Coordination de la lutte contre la fraude, indique que les projets de loi à l’examen visent à transposer en droit belge la direc- tive européenne 2019/2034 relative à la surveillance prudentielle des entreprises d’investissement. Cette directive devait être transposée en droit belge pour le 26 juin 2021. En raison de la complexité de cette directive et du fait qu'elle est transposée par le biais de trois projets de loi différents, dont l'un crée un Code complètement nouveau, le gouvernement a pris du retard. Cette directive complète certains points du cadre prudentiel mis en place par le règlement (UE) 2019/2033 du Parlement européen et du Conseil du 27 no- vembre 2019 concernant les exigences prudentielles applicables aux entreprises d’investissement (“IFR”). Ce règlement est directement applicable en droit belge et ne requiert donc pas de mesures de transposition. Le vice-premier ministre rappelle qu’en droit belge, le concept européen d’ “entreprise d’investissement” regroupe: 1) les sociétés de bourse, qui peuvent, en principe, fournir tous les services et exercer toutes les activités d’investissement, et donc aussi détenir les avoirs de leurs clients. Ces sociétés relèvent du contrôle prudentiel de la Banque nationale de Belgique; et 2) les sociétés de gestion de portefeuille et de conseil en investissement, qui ne peuvent fournir qu’un nombre plus limité de services et exercer qu’un nombre plus limité d’activités d’investissement, et qui ne peuvent en aucun cas détenir les avoirs de leurs clients. Elles relèvent du contrôle de l’Autorité des services et des marchés financiers (la FSMA). Le statut et la supervision de ces deux catégories d’entreprises d’investissement étant réglée en droit belge 2762/003 DOC 55 4 C H A M B R E 4 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E recht in afzonderlijke wetten opgenomen is, worden hier ook afzonderlijke wetsontwerpen voorgelegd, die tot doel hebben om IFD om te zetten enerzijds wat de beursvennootschappen betreft en anderzijds wat de vennootschappen voor vermogensbeheer en beleg- gingsadvies betreft. De voorliggende wetsontwerpen beogen de omzetting in Belgisch recht van de bepalingen van IFD te voltooien. Een eerste deel van IFD werd immers reeds omgezet bij wet van 11 juli 2021. Vóór de aanneming van IFD/IFR was een groot deel van de prudentiële regeling van de kredietinstellingen (CRD/CRR) eveneens van toepassing op bepaalde beleggingsondernemingen. In Belgisch recht zijn dit de beursvennootschappen. In 2019 heeft de Europese wetgever voor beleggings- ondernemingen een specifieke prudentiële regeling willen vaststellen wegens de bijzondere aard van de risico's die de meeste beleggingsondernemingen lopen en van de risico's die zijzelf inhouden, in het bijzonder voor de algehele financiële stabiliteit. Bovendien heeft de Europese wetgever de beleg- gingsondernemingen naargelang van de aard van hun activiteiten en de waarde van hun activa ingedeeld in verschillende klassen, waarop passende en evenredige prudentiële regelingen van toepassing zijn. Deze onder- verdeling in vier categorieën volgt uit IFR en is bijgevolg rechtstreeks van toepassing. De wetsontwerpen beogen een getrouwe omzetting van IFD, hoewel gold-plating, in theorie, toegelaten is, vermits IFD beschouwd wordt als een minimale harmonisatie. De lidstaten kunnen dus strenger zijn, behalve voor de aangelegenheden die expliciet aangemerkt worden als een maximale harmonisatie, zoals dat het geval is voor de bepalingen inzake het minimumaanvangskapitaal. IFD bevat echter weinig opties voor de lidstaten. Bij de omzetting van IFD is het cruciaal en raadzaam gebleken om een zekere samenhang te bewaren met de benadering die de Belgische wetgever heeft gevolgd sinds de aanneming, in 1995, van de wet op het statuut van en de controle op beleggingsondernemingen. Daarom heeft de regering ervoor gekozen om de essentiële kenmerken, en dus de verworvenheden, van de huidige regeling voor beursvennootschappen en vennootschap- pen voor vermogensbeheer en beleggingsadvies te behouden voor zover IFD dit toelaat. dans des lois séparées, des projets de loi séparés sont également présentés ici, qui visent à transposer l’IFD à la fois en ce qui concerne les sociétés de bourse et en ce qui concerne les sociétés de gestion de portefeuille et de conseil en investissement. Les projets de loi à l’examen visent à finaliser la transposition en droit belge des dispositions de l’IFD. En effet, une première partie de l’IFD a déjà été transposée par la loi du 11 juillet 2021. Jusqu’à l’adoption de la directive IFD et du règle- ment IFR, une grande partie du régime prudentiel des établissements de crédit (CRD /CRR ) était également applicable à certaines entreprises d’investissement. En droit belge, ce sont les sociétés de bourse. En 2019, le législateur européen a souhaité établir un régime prudentiel spécifique pour les entreprises d’investissement en raison de la nature particulière des risques auxquels sont confrontées la plupart d’entre elles et des risques qu’elles représentent, en particulier pour la stabilité financière globale. Par ailleurs, le législateur européen a opéré une dis- tinction entre différentes classes d’entreprises d’inves- tissement en fonction de la nature de leurs activités et de la valeur de leurs actifs, auxquelles sont applicables des régimes prudentiels appropriés et proportionnés. Cette distinction entre quatre catégories d’entreprises d’investissement découle de l’IFR et est par conséquent directement applicable. Les projets de loi visent à une transposition fidèle de l’IFD, même si, en théorie, le gold plating est autorisé étant donné que l’IFD est considérée comme étant d’harmonisation minimale. Les États membres sont donc autorisés à être plus stricts, sauf dans les matières expli- citement visées comme étant d’harmonisation maximale comme c’est le cas, par exemple pour les dispositions en matière de capital initial minimuM. L’IFD contient peu d’options pour les États membres. Dans le cadre de l’exercice de transposition de l’IFD, il apparaît crucial et opportun de maintenir une certaine cohérence avec l’approche que le législateur belge a adoptée depuis l’adoption, en 1995, de la loi relative au statut et au contrôle des entreprises d’investissement. C'est pourquoi le gouvernement a choisi de conserver, dans la mesure où l’IFD le permet, les caractéristiques essentielles, et donc les acquis, du régime actuel appli- cable aux sociétés de bourse et aux sociétés de gestion de portefeuille et de conseil en investissement. 5 2762/003 DOC 55 C H A M B R E 4 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E Het eerste ontwerp dat vandaag voorligt, heeft be- trekking op de beursvennootschappen. De bepalingen met betrekking tot het statuut van en de controle op de beursvennootschappen zijn momenteel opgenomen in Boek XII van de bankwet van 25 april 2014. Door middel van de techniek van de verwijzing verklaart dit Boek een groot deel van de bepalingen die initieel van toepassing waren op de kredietinstellingen ook van toepassing zijn op de beursvennootschappen. Deze wetgevingstechniek had zijn verdiensten zolang de Europese prudentiële regeling voor beursvennootschappen hoofdzakelijk ge- baseerd was op die van de kredietinstellingen. Ten gevolge van het nieuwe Europese kader voor de beursvennootschappen wordt nu echter voorge- steld om de beursvennootschappen uit de bankwet te lichten en een nieuwe wet op het statuut van en het toezicht op beursvennootschappen aan te nemen, die de bepalingen van IFD die van toepassing zijn op de beursvennootschappen zal omzetten. Het invoeren van een specifieke wet voor de beursvennootschappen, naast de bankwet, is dus een weerspiegeling van het naast elkaar bestaan van twee verschillende prudentiële regelingen op Europees niveau (CRD/CRR enerzijds en IFD/IFR anderzijds). De vennootschappen voor vermogensbeheer en be- leggingsadvies vallen daarentegen vandaag reeds onder een specifieke wet, de wet van 25 oktober 2016. Voor de omzetting van IFD werkt het wetsontwerp daarom met wijzigingen van voornoemde wet. Er is voor gekozen om de structuur van de huidige wet zo min mogelijk te wijzigen. In welke nieuwigheden voorziet IFD? Een eerste nieuwigheid betreft de maximale harmo- nisatie van het minimumaanvangskapitaal. Een tweede reeks nieuwigheden worden geïntroduceerd op het vlak van de governance. Om in overeenstemming te zijn met het nieuwe Europese prudentiële kader worden de bestaande criteria met betrekking tot het aantal werknemers, de balans en de omzet vervangen door één criterium dat gebaseerd is op de omvang van de activa. IFD bepaalt daarenboven ook specifieke regels in- zake de oprichting van specifieke comités door een beleggingsonderneming, zoals een risicocomité, een remuneratiecomité en een directiecomité. De derde nieuwigheid situeert zich op het vlak van het remuneratiebeleid. Het huidige remuneratiebeleid bepaalt dat de variabele beloning in geen geval hoger Le premier projet qui est présenté aujourd'hui concerne les sociétés de bourse. Les dispositions relatives au statut et au contrôle des sociétés de bourse sont ac- tuellement reprises dans le Livre XII de la loi bancaire du 25 avril 2014. Par le biais de la technique du renvoi, ce Livre rend une grande partie des dispositions de la loi bancaire initialement applicables aux établissements de crédit également applicables aux sociétés de bourse. Cette technique législative avait ses mérites aussi long- temps qu’au niveau européen le régime prudentiel des sociétés de bourse reposait, pour l’essentiel, sur celui des établissements de crédit. En raison du nouveau cadre européen applicable aux sociétés de bourse, il est aujourd’hui proposé de retirer les sociétés de bourse de la loi bancaire et d’adopter une nouvelle loi relative au statut et au contrôle des sociétés de bourse, qui viserait à transposer les dis- positions de l’IFD qui sont applicables aux sociétés de bourse. L’instauration d’une loi spécifique aux sociétés de bourse, parallèlement à la loi bancaire, entend ainsi traduire la coexistence de deux régimes prudentiels distincts au niveau européen (CRD/CRR, d’une part, et IFD/IFR, d’autre part). Les sociétés de gestion de portefeuille et de conseil en investissement sont quant à elles déjà régies actuel- lement par une loi spécifique, la loi du 25 octobre 2016. Pour la transposition d’IFD, le projet de loi qui leur concerne procède par des modifications à ladite loi. Il a été choisi de modifier le moins possible la structure de la loi actuelle. Quelles nouveautés IFD prévoit-elle? Une première nouveauté est l’harmonisation maxi- male du capital initial minimuM. Une deuxième série de nouveautés est introduite dans le domaine de la gouvernance. Par souci de cohérence avec le nouveau cadre pru- dentiel européen, les critères existants basés sur le nombre d’employés, le bilan et le chiffre d’affaires sont remplacés par un critère basé sur l’importance des actifs. En outre, IFD prévoit également des règles spécifiques concernant la constitution de comités spécifiques par une entreprise d'investissement, tels qu'un comité des risques, un comité de rémunération et un comité de direction. La troisième nouveauté se situe au niveau de la politique de rémunération. La politique de rémunéra- tion en vigueur prévoit que la rémunération variable 2762/003 DOC 55 6 C H A M B R E 4 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E mag zijn dan het hoogste van de volgende bedragen: (i) 50 % van de vaste beloning of (ii) 50 000 euro, zon- der dat dit bedrag hoger mag zijn dan dat van de vaste beloning van die persoon. IFD bepaalt dat de lidstaten ervoor zorgen dat beleg- gingsondernemingen in hun beloningsbeleid de passende verhoudingen vaststellen tussen de vaste en de variabele component van de totale beloning, rekening houdend met de bedrijfsactiviteiten van de beleggingsonderneming (en de daaraan verbonden risico's), alsmede met de impact die de betrokken categorieën personeel hebben op het risicoprofiel van de beleggingsonderneming. Op die manier schaft IFD het bestaande dubbele plafond voor variabele beloning af. Overweging 25 van IFD bepaalt echter dat de lidstaten strengere nationale vereisten mogen opleggen inzake de maximumratio tussen de variabele en de vaste onderdelen van de beloning en dat zij een dergelijke maximumratio kunnen opleggen aan alle beleggingsondernemingen (of aan een deel ervan). Er wordt voorgesteld om gebruik te maken van deze (expliciet) door IFD geboden speelruimte en het plafond voor de variabele component van de beloning te handha- ven op een niveau dat vergelijkbaar is met het plafond dat van toepassing is op kredietinstellingen, zoals overigens thans ook het geval is. De handhaving van dit plafond zal het dus mogelijk maken om een gelijk speelveld te behouden ten aanzien van kredietinstellingen die ook vermogensbeheeractiviteiten verrichten. Wat de vennootschappen voor vermogensbeheer en beleggingsadvies betreft, worden de betrokken bepalingen van IFD getrouw omgezet. Er zij op gewezen dat deze regels niet van toepassing worden verklaard op kleine, niet-verbonden vennootschappen voor vermogensbeheer en beleggingsadvies. Een vierde nieuwigheid betreft het risicobeheer. IFD onderwerpt de beursvennootschappen aan een vereen- voudigde regeling voor de behandeling van risico’s die zijn opgebouwd rond de risico’s voor de cliënten, voor de markt en voor de beursvennootschap zelf, naast het liquiditeitsrisico. De “grote” beursvennootschappen blij- ven echter onderworpen aan de huidige regeling zoals vastgesteld in de bankwet. Dezelfde regels gelden voor de vennootschappen voor vermogensbeheer en beleggingsadvies. Enkel de verplichting voor het bestuursorgaan, om het tole- rantieniveau voor risico’s van de onderneming vast te leggen voor alle uitgeoefende activiteiten, geldt niet est, en toute hypothèse, limitée au plus élevé des deux montants suivants: (i) 50 % de la rémunération fixe; (ii) 50 000 euros, sans que ce montant ne puisse excéder celui de la rémunération fixe. IFD prévoit que les États membres veillent à ce que les entreprises d’investissement définissent les ratios appropriés entre les composantes variable et fixe de la rémunération totale dans leurs politiques de rémunéra- tion, en tenant compte des activités commerciales de l’entreprise d’investissement (et des risques qui y sont associés) ainsi que de l’incidence que les catégories de personnel concernées ont sur le profil de risque de l’entreprise d’investissement. Ce faisant, IFD supprime le double plafond en vigueur visant à limiter la rémuné- ration variable. Le considérant n° 25 d’IFD précise néanmoins que les États membres peuvent imposer des exigences natio- nales plus strictes en ce qui concerne le ratio maximal entre les composantes variable et fixe de la rémunéra- tion, voire imposer un tel ratio à toutes les entreprises d’investissement (ou à certaines d’entre elles). Il est proposé de faire usage de cette marge de ma- nœuvre (explicitement) prévue par IFD en maintenant le plafond limitant la composante variable de la rému- nération à un niveau similaire au plafond applicable aux établissements de crédit, comme c’est d’ailleurs le cas actuellement. Le maintien de ce plafond permettra ainsi de maintenir un level playing field par rapport à des établissements de crédit qui exercent également des activités de gestion d’actifs. En ce qui concerne les sociétés de gestion de porte- feuille et de conseil en investissement, les dispositions d’IFD en la matière sont transposées de manière fidèle. Il est à noter que ces règles ne sont pas rendues appli- cables aux petites sociétés de gestion de portefeuille et de conseil en investissement non interconnectées. Une quatrième nouveauté concerne la gestion des risques. IFD soumet les sociétés de bourse à un régime simplifié en matière de traitement des risques qui s’articule autour des risques pour les clients, pour le marché et pour la société de bourse elle-même, en plus du risque de liquidité. Les sociétés de bourse “de taille importante” restent, quant à elles, soumises au régime actuel prévu dans la loi bancaire. Les mêmes règles s’appliquent aux sociétés de gestion de portefeuille et de conseil en investissement. Seule l’obligation, pour l’organe d’administration, de fixer le niveau de tolérance au risque de l’entreprise, pour toutes les activités exercées, ne s’applique pas aux 7 2762/003 DOC 55 C H A M B R E 4 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E voor de kleine, niet-verweven vennootschappen voor vermogensbeheer en beleggingsadvies. Een vijfde en laatste nieuwigheid betreft het groeps- toezicht. Inzake het groepstoezicht wordt op Europees niveau een onderscheid gemaakt tussen: — de beleggingsondernemingen die deel uitmaken van een groep, bestaande uit een moederonderneming en haar dochterondernemingen, die minstens een kre- dietinstelling omvat (een “kredietinstellingsgroep”); en — de beursvennootschappen die deel uitmaken van een groep, bestaande uit een moederonderneming en haar dochterondernemingen, zonder kredietinstellingen (een “beleggingsondernemingsgroep”). In het eerste geval blijft het toezicht op geconsoli- deerde basis op Europees niveau geregeld in CRR en CRD, waardoor het wetsontwerp betreffende de beurs- vennootschappen hiervoor grotendeels verwijst naar de omzetting van voornoemde richtlijn in de bankwet. Voor het tweede geval heeft de Europese wetgever een nieuwe regeling uitgewerkt in IFR en IFD, die in het wetsontwerp betreffende de beursvennootschap- pen wordt omgezet. Deze omzetting heeft betrekking op zowel het toezicht op geconsolideerde basis op beleggingsondernemingsgroepen, als het toezicht op de naleving van het groepskapitaalcriterium voor beleg- gingsondernemingsgroepen met eenvoudigere structuren en risicoprofielen. Daarnaast wordt meer algemeen opgemerkt dat de huidige wetgeving, met name de bankwet, reeds zorgt voor een goed uitgewerkt juridisch kader voor het toe- zicht op groepen waar beursvennootschappen deel van uitmaken en dat, om de continuïteit en het bestaande niveau te bewaren, de inhoud van de huidige bepalin- gen waar mogelijk behouden werd in het wetsontwerp betreffende de beursvennootschappen. In het wetsontwerp betreffende de vennootschappen voor vermogensbeheer en beleggingsadvies wordt ge- zorgd voor een getrouwe omzetting van de bepalingen inzake het groepstoezicht. Deze bepalingen zullen slechts van toepassing zijn in de hypothese van een beleggingsondernemingsgroep zonder kredietinstelling en zonder beursvennootschap. petites sociétés de gestion de portefeuille et de conseil en investissement non interconnectées. Une cinquième et dernière nouveauté concerne la surveillance des groupes. En ce qui concerne la sur- veillance des groupes, la distinction est opérée au niveau européen entre: — les entreprises d’investissement qui font partie d’un groupe constitué par une entreprise mère et ses filiales, comprenant au moins un établissement de crédit (un “groupe d’établissements de crédit”); et — les entreprises d’investissement qui font partie d’un groupe constitué par une entreprise mère et ses filiales, ne comprenant aucun établissement de crédit (un “groupe d’entreprises d’investissement”). Dans le premier cas, au niveau européen, le contrôle sur base consolidée reste réglementé par le règlement et la directive sur les exigences de fonds propres, de sorte que le projet de loi relative aux sociétés de bourse renvoie largement à la transposition de ladite directive faite dans la loi bancaire. Pour le deuxième cas, le législateur européen a établi un nouveau régime dans le règlement et la directive concernant la surveillance prudentielle des entreprises d’investissement, transposé par le projet de loi relative aux sociétés de bourse. Cette transposition concerne à la fois le contrôle sur base consolidée des groupes d’entreprises d’investissement et le contrôle du respect du test de capitalisation du groupe pour les groupes d’entreprises d’investissement ayant une structure et un profil de risques plus simples. En outre, de manière générale, la législation actuelle formée par la loi bancaire prévoit déjà un cadre juri- dique bien développé pour la surveillance des groupes dans lesquels sont inclues des sociétés de bourse et, afin de préserver la continuité et le niveau existant, le contenu des dispositions actuelles a été préservé dans la mesure du possible dans le projet de loi relative aux sociétés de bourse. Une transposition fidèle des dispositions en matière de surveillance des groupes est effectuée dans le projet de loi relatif aux sociétés de gestion de portefeuille et de conseil en investissement. Ces dispositions ne trou- veront à s’appliquer que dans l’hypothèse d’un groupe d’entreprises d’investissement n’incluant ni établissement de crédit, ni société de bourse. 2762/003 DOC 55 8 C H A M B R E 4 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E II. — PROCEDURE De heer Joy Donné (N-VA) merkt op dat hij voor- eerst wil inhaken op een procedurekwestie. Hij verwijst hierbij naar een opmerking van de Raad van State (DOC 55 2763/001, blz. 426) over een aantal artikelen, met name de artikelen 6, 15, 68, 70, 121, 208, 235, 236, 275 en 319, waarbij de Raad aangeeft dat deze artikelen bepalingen bevatten betreffende de verwerking van per- soonsgegevens die onder het toepassingsgebied van de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG) vallen. Deze bepalingen dienen bijgevolg volgens de Raad van State aan de Gegevensbeschermingsautoriteit (GBA) voorgelegd te worden. Dit heeft echter niet plaats- gevonden aangezien er geen advies van de GBA aan het parlementair stuk werd toegevoegd. Bovendien vindt de spreker de uitleg die vermeld wordt in de memorie van toelichting (DOC 55 2763/001, blz. 20) onvoldoende. Vandaar dat de spreker deze com- missie wil verzoeken om alsnog advies in te winnen bij de GBA vooraleer de bespreking van de voorliggende wetsontwerpen verder te zetten. De heer Dieter Vanbesien (Ecolo-Groen) wenst het antwoord van de vice-eersteminister af te wachten maar hij vermoedt dat deze kwestie wel zal afgetoetst zijn bij de GBA. Hij wil daarover dan wel bevestiging krijgen. De heer Wouter Vermeersch (VB) sluit zich aan bij de terechte opmerking van de heer Donné en hij kijkt uit naar het antwoord van de vice-eersteminister. De heer Vincent Van Peteghem, vice-eersteminister en minister van Financiën, belast met de Coördinatie van de fraudebestrijding, stipt aan dat enkel de wettelijke of reglementaire ontwerpen die bepalingen bevatten over de verwerking van persoonsgegevens vooraf ter advies moeten worden voorgelegd aan de GBA. De voorliggende wetsontwerpen bevatten geen bepalingen waarvoor een dergelijk voorafgaand advies vereist is. Wat het wetsontwerp betreffende de beursvennoot- schappen betreft, werd het overgrote deel van het dis- positief letterlijk overgenomen uit Boek XII van de wet van 25 april 2014. Dit wetsontwerp vergt dus geen nieuwe verwerkingen van persoonsgegevens ten opzichte van degene die reeds van kracht waren. Hetzelfde geldt voor het wetsontwerp betreffende de vennootschappen voor vermogensbeheer en beleggingsadvies. Er zij ook aan herinnerd dat de wetsontwerpen tot doel hebben de bepalingen van een nieuwe Europese richtlijn die van toepassing is op beleggingsondernemingen om te zetten in Belgisch recht, namelijk de IFD Richtlijn. De meeste bepalingen in het wetsontwerp vormen een II. — PROCÉDURE M. Joy Donné (N-VA) commence par soulever une question de procédure. Il renvoie à cet égard à une obser- vation du Conseil d’État concernant une série d’articles (DOC 55 2763/001, p. 426), à savoir les articles 6, 15, 68, 70, 121, 208, 235, 236, 275 et 319, indiquant que ces articles contiennent des dispositions relatives au traitement de données à caractère personnel relevant du champ d’application du Règlement général sur la protection des données (RGPD). Le Conseil d’État sou- ligne que ces dispositions doivent dès lors être soumises à l’Autorité de protection des données (APD). Cela n’a toutefois pas été fait, dès lors qu’aucun avis de l’APD n’est joint au document parlementaire. En outre, l’intervenant estime que les explications mentionnées dans l’exposé des motifs sont insuffisantes (DOC 55 2763/001, p. 20). C’est pourquoi le membre demande à la commission de solliciter l’avis de l’APD avant de poursuivre la discussion des projets de loi à l’examen. M. Dieter Vanbesien (Ecolo-Groen) souhaite attendre la réponse du vice-premier ministre mais il suppose que les dispositions visées auront fait l’objet d’une concertation avec l’APD. Il aimerait toutefois en avoir la confirmation. M. Wouter Vermeersch (VB) se rallie à l’observation pertinente de M. Donné et il est curieux d’entendre la réponse du vice-premier ministre. M. Vincent Van Peteghem, vice-premier ministre et ministre des Finances, chargé de la Coordination de la lutte contre la fraude, indique que seuls les projets de loi ou de réglementation contenant des dispositions relatives au traitement de données à caractère personnel doivent être soumis à l’APD. Les projets de loi à l’examen ne contiennent aucune disposition nécessitant un avis préalable de cette nature. En ce qui concerne le projet de loi relatif aux sociétés de bourse, la majeure partie du dispositif a été littéra- lement reprise du Livre XII de la loi du 25 avril 2014. Le projet de loi à l’examen ne requiert donc pas de nou- veaux traitements de données à caractère personnel par rapport à ceux qui étaient déjà en vigueur. Il en va de même pour le projet de loi relatif aux sociétés de gestion de portefeuille et de conseil en investissement. Il est également rappelé que les projets de loi visent à transposer en droit belge les dispositions d’une nouvelle directive européenne qui s’applique aux entreprises d’investissement, à savoir la directive IFD. La plupart des dispositions contenues dans le projet de loi sont une 9 2762/003 DOC 55 C H A M B R E 4 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E getrouwe omzetting van deze richtlijn. Bijvoorbeeld, de in de wetsontwerpen bepaalde openbaarmaking van maatregelen vormen zo een verplichting voor de FSMA en de NBB, wat perfect overeenstemt met de bepalingen van de richtlijn. In dit verband kan er tevens op gewezen worden dat deze richtlijn niet aan de voorafgaande advies van de European Data Protection Supervisor, de Europese Toezichthouder voor gegevensbescherming werd voorgelegd. Welnu, overeenkomstig artikel 42, paragraaf 1 van de Verordening (EU) 2018/1725 van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2018 betreffende de be- scherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens door de instellingen, organen en instanties van de Unie en betreffende het vrije verkeer van die gegevens, raadpleegt de Europese Commissie de Europese Toezichthouder voor gegevens- bescherming wanneer er met haar voorstel gevolgen zijn voor de bescherming van de rechten en vrijheden van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens. Op Europees niveau wordt er dus ook duidelijk be- schouwd dat de IFD-richtlijn geen dergelijke invloed had op de bescherming van persoonsgegevens. Al deze elementen strekken de vice-eersteminister ertoe om te besluiten dat er geen bijkomend advies vereist is van de GBA. De heer Joy Donné (N-VA) stipt aan dat de nationale wetgeving, met name de wet van 30 juli 2018, duidelijk stelt dat in geval van een wetsontwerp waarin bepa- lingen zijn opgenomen betreffende de verwerking van persoonsgegevens er steevast advies moet ingewonnen worden bij de GBA. Dit advies moet niet gevolgd worden maar moet wel gevraagd worden. Het is correct dat de voorliggende wetsontwer- pen heel wat bepalingen hernemen die in de wet van 25 april 2014 al voorkomen. Dat neemt niet weg dat voorliggend wetsontwerp een nieuwe wilsuiting van de wetgever wordt. De algemene verordening gege- vensbescherming (AVG) is van toepassing vanaf 2018. De Bankwet dateert van 2014. Bijgevolg gaat de rede- nering van de regering niet op en blijft de spreker bij zijn standpunt dat het advies had ingewonnen moeten worden. Bijgevolg wil hij zijn verzoek tot advies ter stemming aan de leden van deze commissie willen voorleggen zodat de spreker niet enkel van de vice-eersteminister maar ook van de leden van de meerderheid kan vernemen waarom zij ervoor opteren om deze wettelijke verplichting naast zich neer te leggen. transposition fidèle de cette directive. Par exemple, la publication de mesures prévues dans les projets de loi constitue ainsi une obligation pour la FSMA et la BNB, ce qui correspond parfaitement aux dispositions de la directive. À cet égard, on peut également souligner que cette directive n’a pas été soumise à l’avis préalable du Contrôleur européen de la protection des données (European Data Protection Supervisor). Or, conformément à l'article 42, § 1er du Règlement (UE) 2018/1725 du Parlement européen et du Conseil du 23 octobre 2018 relatif à la protection des personnes physiques à l’égard du traitement des données à caractère personnel par les institutions, organes et organismes de l’Union et à la libre circulation de ces données, la Commission consulte le Contrôleur européen de la protection des données lorsque sa proposition a une incidence sur la protection des droits et libertés des per- sonnes physiques à l’égard du traitement des données à caractère personnel. Au niveau européen il a donc été également clairement considéré que la directive IFD n’avait pas une incidence de ce type sur la protection des données à caractère personnel. Tous ces éléments incitent le vice-premier ministre à conclure qu’un avis supplémentaire de l’APD n’est pas requis. M. Joy Donné (N-VA) souligne que la législation natio- nale, à savoir la loi du 30 juillet 2018, prévoit clairement que si un projet de loi contient des dispositions relatives au traitement de données à caractère personnel, il convient de systématiquement recueillir l’avis de l’APD. Cet avis ne doit pas être suivi mais doit être sollicité. Il est exact que les projets de loi à l’examen reprennent de nombreuses dispositions qui figurent déjà dans la loi du 25 avril 2014. Il n’en demeure pas moins que le projet de loi à l’examen est une nouvelle expression de la volonté du législateur. Le règlement général sur la protection des données (RGPD) s’applique depuis 2018. La loi bancaire date de 2014. Par conséquent, le raisonnement du gou- vernement n’est pas pertinent et l'intervenant maintient sa position selon laquelle il aurait fallu recueillir cet avis. Par conséquent, il souhaite soumettre sa demande d’avis au vote des membres de la commission pour que l'intervenant puisse être informé non seulement par le vice-premier ministre mais également par les membres de la majorité des raisons pour lesquelles ils choisissent de passer outre cette obligation légale. 2762/003 DOC 55 10 C H A M B R E 4 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E De heer Hugues Bayet (PS) stipt aan dat de omzetting van de desbetreffende richtlijn reeds 1 jaar vertraging heeft opgelopen. Hij merkt daarbij op dat het hierbij gaat om een zeer betrouwbare omzetting van een Europese richtlijn. Er zijn enkel twee kleine wijzigingen aangebracht waarbij een wijziging betrekking heeft op de governance waarbij de drempel van de geconsolideerde activa van de variabele verloningen versoepeld werd op vraag van de regulator om zo meer in lijn te zijn met de huidige vigerende wetgeving in België. Daarnaast is er de uitzondering voor de kleine struc- turen betreffende de omkadering van de variabele verlo- ning en meer bepaald de ratio ten aanzien van de vaste verloning. Hierbij heeft de regulator aangedrongen op een meer strikte toepassing. Tot slot merkt de spreker op dat hij begrip heeft voor de bezorgdheden van de spreker maar dat de wijze waarop deze richtlijn werd omgezet ervoor zorgt dat deze bezorgdheden niet geldig zijn. De heer Joy Donné (N-VA) stipt aan dat er een wet- telijke verplichting bestaat om dat advies op te vragen los van de inhoud van de bepalingen. Hij vreest voor een hellend vlak waarbij de bestaande verplichting tot het verzoeken van advies wordt uitgehold en de leden van deze commissie de rol van de GBA overnemen. Kortom, de wettelijk verplichte procedure moet gevolgd worden. De spreker herhaalt hierbij zijn vraag tot een stemming over zijn verzoek. De heer Christian Leysen (Open Vld) merkt op dat hij erop staat om de bespreking van de voorliggende wetsontwerpen aan te vatten en af te ronden. Bijgevolg steunt hij de vraag van de heer Donné niet. De heer Joy Donné (N-VA) merkt hierbij op dat de Raad van State in zijn advies ondubbelzinnig de volgende pas- sage heeft opgenomen: “Bijgevolg dienen die bepalingen aan de GBA voorgelegd te worden.” (DOC 55 2763/001, blz. 426). Het is een wettelijke verplichting die niet werd nageleefd. Zijn fractie streeft ernaar om de wet te res- pecteren en niet om de bespreking van de voorliggende wetsontwerpen te vertragen. De heer Marco Van Hees (PVDA-PTB) stelt vast dat niet zozeer het standpunt van de heer Donné dan wel het standpunt van de Raad van State ter discussie staat. Hij vraagt zich af of er overleg heeft plaatsgevonden tussen het kabinet van de vice-eersteminister en de Raad van State en in welke mate het kabinet de Raad van State heeft kunnen overtuigen van zijn standpunt. Op basis van de wetteksten vreest de spreker dat dit niet het geval is. Bijgevolg heeft hij de neiging om zich aan te sluiten bij het standpunt van de Raad van State. M. Hugues Bayet (PS) souligne que la transposition de la directive concernée accuse déjà un an de retard. À cet égard, il fait observer qu’il s’agit en l’occurrence d’une transposition très fiable d’une directive européenne. Seules deux petites modifications ont été apportées. Une modification concerne la gouvernance, dans le cadre de laquelle le seuil des actifs consolidés des rémunérations variables a été assoupli à la demande du régulateur afin d’être plus en conformité avec la législation actuellement en vigueur en Belgique. En outre, il existe une dérogation pour les petites structures en ce qui concerne l’encadrement de la rému- nération variable et en particulier le ratio par rapport à la rémunération fixe. À cet égard, le régulateur a insisté sur une application plus stricte. Enfin, le membre fait observer qu’il comprend les inquiétudes de l'intervenant précédent, mais que les modalités de transposition de la directive ne justifient pas ces préoccupations. M. Joy Donné (N-VA) souligne que la loi oblige de demander cet avis, indépendamment du contenu des dispositions. Il craint une dérive par laquelle l'obligation existante de demander un avis serait érodée et les membres de cette commission s'arrogeraient le rôle de l'APD. En bref, la procédure légale doit être suivie. L'intervenant réitère sa demande de vote sur sa demande. M. Christian Leysen (Open Vld) insiste pour entamer et conclure la discussion des projets de loi à l'examen. Par conséquent, il ne soutient pas la demande de M. Donné. M. Joy Donné (N-VA) note que le Conseil d'État a inclus sans équivoque dans son avis le passage suivant: "Par conséquent, il y a lieu de soumettre ces dispositions à l’APD." (DOC 55 2763/001, p. 426). Il s'agit d'une obli- gation légale qui n'a pas été respectée. L'objectif de son groupe est de faire respecter la loi et non de retarder la discussion des projets de loi à l'examen. M. Marco Van Hees (PVDA-PTB) constate que ce n'est pas tant la position de M. Donné que celle du Conseil d'État qui est en cause. Il se demande si une concertation a eu lieu entre le cabinet du vice-premier ministre et le Conseil d'État et dans quelle mesure le cabinet a pu convaincre le Conseil d'État de son point de vue. Sur la base des textes légaux, l'intervenant craint que ce ne soit pas le cas. Par conséquent, il a tendance à se rallier à la position du Conseil d'État. 11 2762/003 DOC 55 C H A M B R E 4 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E De heer Vincent Van Peteghem, vice-eersteminister en minister van Financiën, belast met de Coördinatie van de fraudebestrijding, merkt op dat het een interpre- tatie betreft van de Raad van State van de bepalingen in kwestie. Deze interpretatie werd niet gevolgd omdat geen rekening werd gehouden met het feit dat het au fond geen nieuwe gegevensverwerkingen betreft en met het feit dat het een getrouwe omzetting van de richtlijn betreft, waarvan de Europese wetgever ook aangeeft dat er geen nieuwe verwerkingen zijn van persoonsgegevens. Bovendien stipt de vice-eersteminister aan dat de NBB en de FSMA gebonden zijn aan de Europese GDPR- wetgeving waardoor op die manier de desbetreffende persoonsgegevens worden beschermd. Daarnaast geeft de vice-eersteminister aan dat hij de bespreking van de voorliggende wetsontwerpen verderzet omdat hij van mening is dat het verzoek tot bijkomend advies bij de GBA niet nodig is aangezien de bescherming van de verwerking van de persoonsgege- vens in de opgenomen bepalingen reeds gegarandeerd is binnen het bestaande wettelijke kader. Bovendien moet het advies van de Raad van State, net zoals het advies van de GBA, niet gevolgd worden. De Raad van State verleent een advies op basis van een interpretatie die niet gevolgd moet worden. De Raad van State heeft geen bijkomende vraag aan het kabinet van de vice-eersteminister voorgelegd. Het is evenwel zo dat, wanneer men ervoor opteert om het advies van de Raad van State niet te volgen, men verplicht is om deze keuze te motiveren. Deze motivatie werd opgenomen in de memorie van toelichting. Tot slot haalt de vice-eersteminister aan dat de voor- liggende wetsontwerpen een zeer getrouwe omzetting van de Europese richtlijn bevatten waarvan de Europese wetgever zelf aangeeft dat er geen nieuwe verwerkin- gen van persoonsgegevens zijn. Dat is een voldoende motivatie ten opzichte van het advies van de Raad van State. Om deze reden meent de vice-eersteminister dat er geen advies moet gevraagd worden aan de GBA en wenst hij de bespreking van de voorliggende wetsont- werpen verder te zetten. De heer Marco Van Hees (PVDA-PTB) stelt vast dat de vice-eersteminister vooral argumenten aanhaalt over de opportuniteit van een advies van de GBA terwijl de Raad van State in zijn advies wijst op de wettelijke verplichting om een advies van de GBA in te winnen. Waarom opteert de vice-eersteminister er dan voor om de wet niet te volgen? M. Vincent Van Peteghem, vice-premier ministre et ministre des Finances, chargé de la Coordination de la lutte contre la fraude, fait observer que l'on est face à une interprétation par le Conseil d'État des dispositions en question. Cette interprétation n'a pas été suivie car elle ne tenait pas compte du fait que, sur le fond, les dispositions ne concernent aucun nouveau traitement de données et qu'il s'agit d'une transposition fidèle de la directive, au sujet de laquelle le législateur européen indique également qu'elle n'implique pas de nouveaux traitements de données à caractère personnel. Le vice-premier ministre ajoute que, la BNB et la FSMA étant liées par la législation européenne relative au RGPD, les données à caractère personnel concer- nées sont protégées. Il indique par ailleurs qu'il poursuit la discussion des projets de loi à l'examen car il estime que la demande d'avis supplémentaire à l'APD n'est pas nécessaire dès lors que la protection du traitement des données personnelles dont il est question dans les dispositions mentionnées est déjà garantie dans le cadre légal existant. De plus, comme l'avis de l'APD, l'avis du Conseil d'État ne doit pas obligatoirement être suivi. Le Conseil d'État formule un avis basé sur une interprétation qui ne doit pas être suivie. Le Conseil d'État n'a pas posé de question supplémentaire au cabinet du vice-premier ministre. S'il choisit de ne pas suivre l'avis du Conseil d'État, le gouvernement est toutefois tenu de motiver ce choix, et cette motivation figure dans l'exposé des motifs. Enfin, le vice-premier ministre rappelle que les projets de loi à l'examen contiennent une transposition très fidèle de la directive européenne, au sujet de laquelle le législateur européen lui-même indique qu'elle ne contient pas de nouveaux traitements de données à caractère personnel. C'est une motivation suffisante à l'égard de l'avis du Conseil d'État. Pour cette raison, le vice-premier ministre estime qu'il n'est pas nécessaire de demander l'avis de l'APD et il souhaite poursuivre la discussion des projets de loi à l'examen. M. Marco Van Hees (PVDA-PTB) constate que le vice- premier ministre avance principalement des arguments relatifs à l'opportunité d'un avis de l'APD, alors que le Conseil d'État, dans son avis, insiste sur l'obligation légale de recueillir ledit avis. Pourquoi le vice-premier ministre choisit-il donc de ne pas respecter la loi? 2762/003 DOC 55 12 C H A M B R E 4 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E De heer Vincent Van Peteghem, vice-eersteminister en minister van Financiën, belast met de Coördinatie van de fraudebestrijding, stipt aan dat de Raad van State aangeeft in zijn advies dat de vraag tot advies aan de GBA zou kunnen gesteld worden op basis van het feit dat dit kadert in de opdracht van de GBA. Het gaat in se om de interpretatie van nieuwe verwerkingen van persoonsgegevens. De Raad van State meent in zijn advies dat er nieuwe verwerkingen zijn opgenomen van persoonsgegevens in de voorliggende wetsontwerpen. De vice-eersteminister meent echter dat er geen nieuwe verwerking van persoonsgegevens heeft plaatsgevonden. Bovendien werd er bij de opmaak van de richtlijn door de bevoegde Europese autoriteit reeds aangegeven dat er geen nieuwe verwerking van persoonsgegevens plaatsvindt. Op basis van deze elementen volgt de vice-eersteminister de interpretatie van de Raad van State, met name dat er nieuwe verwerkingen zijn van persoonsgegevens, niet. Bijgevolg is het verzoek tot advies bij de GBA niet noodzakelijk. De heer Joy Donné (N-VA) merkt op dat de vice- eersteminister simpelweg een interpretatie maakt van de interpretatie van de Raad van State. Hij stelt echter vast dat, ondanks het feit dat er een wettekst, die reeds bestond, wordt hernomen, er een nieuw regelgevend kader betreffende de verwerking van persoonsgege- vens is ingevoerd. Die oude wet is thans een nieuwe wilsuiting sinds de inwerkingtreding van de algemene verordening inzake gegevensverwerking. Dit betekent dat de wettelijke verplichting tot aftoetsing effectief moet nagekomen worden. Daarnaast verwijst de spreker naar artikel 15 van het wetsontwerp DOC 55 2763/001 waarbij de Raad van State in zijn advies de volgende passage heeft opgenomen: “Gelet op het bijzonder ruime doeleinde dat met de verwerking wordt nagestreefd (het nagaan van de professionele betrouwbaarheid en de passende deskundigheid), laat artikel 15 van het voorontwerp voorts na op zijn minst de categorieën van persoonsgegevens vast te stellen die de Bank mag verwerken, alsook de duur van de bewaring van die gegevens. Er wordt bo- vendien op gewezen dat, wanneer een verwerking van persoonsgegevens wordt geregeld, de verantwoordelijke voor die verwerking dient te worden aangewezen, hetzij in de wet, hetzij in een koninklijk uitvoeringsbesluit. Het dispositief moet in het licht van deze opmerking worden herzien.” (DOC 55 2763/001, blz. 433). De spreker bena- drukt hierbij dat een aantal bepalingen in het kader van het nieuwe wetgevend kader inzake de verwerking van persoonsgegevens onder de loep van de GBA zouden moeten genomen worden. M. Vincent Van Peteghem, vice-premier ministre et ministre des Finances, chargé de la Coordination de la lutte contre la fraude et de la Loterie nationale, souligne que le Conseil d’État indique dans son avis que la demande d’avis à l’APD pourrait se fonder sur le fait qu’elle relève de la mission de l’APD. Il s’agit de l’interprétation des nouveaux traitements de données à caractère personnel. Le Conseil d’État indique dans son avis que de nouvelles formes de traitement de données à caractère personnel sont prévues par les projets de loi à l’examen. Le vice-premier ministre estime quant à lui qu’aucun nouveau traitement de données à caractère personnel n’a été prévu. Il a en outre déjà été indiqué, lors de l’élaboration de la directive par l’autorité euro- péenne compétente, qu’aucun nouveau traitement de données à caractère personnel n’était prévu. Sur la base de ces éléments, le vice-premier ministre ne se joint pas à l’interprétation du Conseil d’État selon laquelle de nouvelles formes de traitement de données à caractère personnel seraient prévues. Il ne juge donc pas nécessaire de demander l’avis de l’APD. M. Joy Donné (N-VA) fait observer que le vice-pre- mier ministre interprète tout simplement l’interprétation du Conseil d’État. Il constate toutefois qu’un nouveau cadre réglementaire concernant le traitement de don- nées à caractère personnel a été prévu bien qu’un texte préexistant ait été reproduit. Cette ancienne loi traduit aujourd'hui une nouvelle volonté exprimée depuis l’entrée en vigueur du règlement général sur le traitement des données. Cela signifie que l’obligation légale d’évaluation doit effectivement être respectée. L’intervenant renvoie en outre à l’article 15 du projet de loi DOC 55 2763/001, au sujet duquel le Conseil d’État formule l’observation suivante dans son avis: “Par ailleurs, compte tenu de la finalité particulièrement large poursuivie par le traitement (la vérification de l’honorabilité professionnelle et de l’expertise adéquate), l’article 15 de l’avant‑projet reste en défaut de déterminer, à tout le moins, les catégories de données à caractère personnel qui pourront être traitées par la Banque, ainsi que la durée de conservation de ces données. Il est par ailleurs rappelé que, lorsqu’un traitement de données à caractère personnel est organisé, il convient de dési- gner, soit au sein de la loi, soit au sein d’un arrêté royal d’exécution, le responsable du traitement concerné. Le dispositif sera revu au regard de cette observation” (DOC 55 2763/001, page 433). L’intervenant souligne à ce sujet que plusieurs dispositions prévues dans le nouveau cadre législatif concernant le traitement de données à caractère personnel devraient être examinées par l’APD. 13 2762/003 DOC 55 C H A M B R E 4 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E De commissie verwerpt met 9 tegen 4 stemmen de vraag om de voorliggende wetsontwerpen voor advies in te dienen bij de GBA. III. — ALGEMENE BESPREKING A. Vragen en opmerkingen van de leden De heer Joy Donné (N-VA) merkt op dat hier thans lijvige wetsontwerpen voorliggen om de beleggings- ondernemingen te reglementeren. Hoeveel Belgische beursvennootschappen zijn er nog en hoeveel nieuwe werden opgericht sinds 2014? Het minimumkapitaal voor een beursvennootschap wordt verlaagd tot op het niveau dat Richtlijn 2019/2034 be- paalt. Hoeveel gold-plating bevat voorliggende wetgeving nog ten aanzien van de Europese richtlijnen? De kleine beursvennootschappen zijn niet verplicht om een gespecialiseerd comité op te richten binnen de raad van bestuur. De andere beursvennootschappen zijn verplicht een risicocomité en een remuneratiecomité op te richten. Daarnaast kan de NBB een auditcomité en een benoemingscomité opleggen wanneer de beursven- nootschap als significant wordt beschouwd, gezien haar omvang of interne organisatie of gelet op de aard, de schaal en de complexiteit van haar werkzaamheden, de beursvennootschap binnen haar wettelijk bestuursorgaan dit kan rechtvaardigen (art. 24 DOC 55 2763/001). De NBB krijgt dus heel veel beleidsmarge maar die wel een impact heeft op de kostenstructuur van een beursvennootschap. We dienen toch op te letten dat een goed bedoelde bescherming van de belegger uit- eindelijk niet leidt tot een situatie waarbij de belegger alleen maar een dure dienstverlening krijgt aangeboden bij gebrek aan vernieuwing van het aanbod door nieuwe fintechspelers. Er wordt veel discretionaire bevoegdheid gelaten aan de NBB over hoe een beursvennootschap zich moet organiseren. Het monistisch bestuursmodel is het uitgangspunt, het dualistisch model kan worden opge- legd. Niet het dualistisch model zoals bepaald in het Wetboek van vennootschappen en verenigingen waarbij er een Raad van Toezicht en een directieraad is maar het specifiek duaal systeem zoals we dat bij de banken en verzekeringsmaatschappijen kennen. De bedoeling van een dualistisch bestuursmodel is dat de Raad van Toezicht de directieleden controleert. In het bank- en La commission rejette par 9 voix contre 4 la demande de soumettre les projets de loi à l’examen à l’avis de l’APD. III. — DISCUSSION GÉNÉRALE A. Questions et observations des membres M. Joy Donné (N-VA) fait observer que d’épais projets de loi visant à réglementer les entreprises d’investis- sement sont actuellement à l’examen au sein de cette commission. Combien de sociétés de bourse belges reste-t-il et combien de nouvelles sociétés a-t-on créées depuis 2014? Le capital minimum prévu pour toute société de bourse est ramené au niveau prévu par la directive 2019/2034. Dans quelle mesure les dispositions à l'examen vont- elles en outre trop loin dans la transposition des direc- tives européennes (gold-plating)? Les petites sociétés de bourse ne sont pas obligées de mettre en place un comité spécialisé au sein du conseil d’administration mais les autres sociétés de bourse sont obligées de constituer un comité de risque et un comité de rémunération. La BNB peut en outre imposer à la société de bourse de constituer, au sein de son organe légal d’administration, un comité d’audit et un comité de nomination lorsqu’une société de bourse présente, à l’appréciation de la Banque, une importance significative au regard de sa taille, de son organisation interne ou de la nature, de l’échelle et de la complexité de ses activités (DOC 55 2763/001, art. 24). La BNB se voit ainsi accorder une marge politique considérable qui a toutefois un impact sur la structure des coûts de la société de bourse. Il conviendrait cependant de veiller à ce qu’une protection de l’investisseur bien intentionnée ne crée pas une situation dans laquelle ce dernier ne se voit proposer qu’un service onéreux faute de renouvellement de l’offre par de nouveaux acteurs de la FinTech. Un large pouvoir discrétionnaire est accordé à la BNB en ce qui concerne la manière dont la société de bourse doit s’organiser. Le modèle d’administration moniste est le point de départ, mais le modèle dualiste peut être imposé. Il ne s’agit cependant pas du modèle dualiste prévu par le Code des sociétés et des associations et qui prévoit la constitution d’un conseil de surveillance et d’un conseil de direction mais du système dual spécifique aux banques et aux compagnies d’assurance. Tout modèle d’administration dualiste a pour but que le conseil de surveillance contrôle les membres de la direction. Dans 2762/003 DOC 55 14 C H A M B R E 4 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E verzekeringsmodel maken de leden van het directiecomité deel uit van de Raad van Bestuur. Volgens de spreker is de idee van een controleorgaan versus uitvoerend orgaan onvolkomen. Kan de vice-eersteminister meer duiding verschaffen bij zijn zienswijze hierover? De heer Marco Van Hees (PVDA-PTB) stelt vast dat dit wetsontwerp tot doel heeft de Europese Richtlijn 2019/2034 betreffende het statuut van en het toezicht op de beursvennootschappen om te zetten. De richtlijn geeft een verkeerd signaal, aangezien ze neerkomt op een versoepeling van vroegere eisen. Vervolgens brengt de spreker twee aspecten van die omzetting ter sprake. Ten eerste verwijst de regering in artikel 17 van het wetsontwerp (DOC 55 2763/001) naar de Europese Richtlijn 2019/1937 inzake de bescherming van klok- kenluiders. Die richtlijn is echter nog steeds niet omge- zet in Belgisch recht; de vertraging bedraagt meer dan zes maanden. Moet er niet eerst voor worden gezorgd dat die richtlijn met betrekking tot de klokkenluiders wordt omgezet alvorens werk te maken van nieuwe regels voor de beursvennootschappen waarin sprake is van een “een passend intern waarschuwingssysteem, dat in overeenstemming is met de wetgeving tot omzetting van Richtlijn (EU) 2019/1937”? Het tweede aspect heeft betrekking op het belonings- beleid dat aan bod komt in de artikelen 74 tot 78 van het wetsontwerp (DOC 55 2763/001), en op de bijlage tot om- zetting van de artikelen 30 tot 34 van Richtlijn 2019/2034, die evenwel niet van toepassing zijn op de grote beursven- nootschappen. Op die vennootschappen is artikel 79 van het wetsontwerp van toepassing, waarin wordt verwezen naar de artikelen 67 tot 71 van de wet van 25 april 2014 en naar Bijlage II bij die wet. Wat de bovengrens voor de bonus betreft, stelt de spreker vast dat de Europese wetgever liever heeft dat de beursvennootschappen zichzelf reguleren en zelf bepalen hoe groot het aandeel van de bonus in de beloning mag zijn. De regering heeft uiteindelijk beslist de dubbele bovengrens te behouden, wat inhoudt dat de variabele beloning nooit hoger mag zijn dan het hoogste van de volgende bedragen: (i) 50 000 euro of (ii) 50 % van de vaste beloning. Waarom maakt men van deze omzetting geen gebruik om de bovengrens voor de variabele beloning te verlagen? Waarom werd geen vast bedrag vastgelegd als enige bovengrens (in plaats van 50 % van de vaste beloning)? Artikel 7 van de bijlage strekt ertoe te bepalen dat indien het bedrag van de variabele beloning bijzonder le modèle relatif aux banques et aux compagnies d’assu- rance, les membres du comité de direction font partie du conseil d’administration. L’intervenant estime que l’idée de mettre en place un organe de contrôle contre une organe exécutif est incomplète. Le vice-premier ministre peut-il préciser sont point de vue à cet égard? M. Marco Van Hees (PVDA-PTB) constate que ce projet de loi transpose donc la directive euro- péenne 2019/2034 concernant le statut et le contrôle des sociétés de bourse. La directive donne un mauvais signal puisqu’elle réduit les anciennes exigences. Ensuite l’orateur aborde deux points de cette transposition. Premièrement, à l’article 17 du projet de loi (DOC 55 2763/001), le gouvernement fait référence à la directive européenne de protection des lanceurs d’alerte 2019/1937. Toutefois, cette directive n’est tou- jours pas transposée dans le droit belge et elle accuse un retard de plus de 6 mois. Ne faut-il pas prévoir la transposition de cette directive lanceurs d’alerte avant de mettre en place ces nouvelles règles au niveau des sociétés de bourse où l’on mentionne un “système adé- quat d’alerte, conforme à la législation prise en vue de la transposition de la directive (UE) 2019/1937”? Deuxièmement, au sujet de la politique de rémuné- ration prévue par les articles 74 à 78 du projet de loi (DOC 55 2763/001), ainsi que l’annexe qui transposent les articles 30 à 34 de la directive 2019/2034. Sauf pour les sociétés de taille importante qui sont concernées par l’article 79 du projet de loi qui fait référence aux articles 67 à 71 de la loi du 25 avril 2014 et l’Annexe II de cette loi. Par rapport au plafond du bonus, l’orateur constate que le législateur européen juge préférable que les sociétés de bourse s’autorégulent et déterminent elles-mêmes la limite de la part des bonus dans la rémunération. Le gouvernement a finalement décidé de maintenir le double plafond qui précise que la rémunération variable ne pourra excéder le plus élevé des montants suivants: (i) 50 000 euros ou (ii) 50 % de sa rémunération fixe. Pourquoi ne pas profiter de cette transposition pour abaisser le plafond de rémunération variable? Pourquoi n’avoir pas fixé un montant fixe comme unique plafond (et pas les 50 % du fixe)? L’article 7 de l’annexe prévoit que si le montant de la rémunération variable est particulièrement élevé, le 15 2762/003 DOC 55 C H A M B R E 4 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E hoog is, het percentage van de uit te stellen variabele beloning 60 % moet bedragen. Kan de vice-eersteminister aangeven wat onder “bijzonder hoog” moet worden verstaan? Voorts zou niet worden voorzien in een bovengrens voor de vertrekvergoedingen, tenzij het remuneratiecomité een met redenen omkleed advies uitbrengt of de algemene vergadering daartoe de goedkeuring geeft. Waarom komt er geen bovengrens voor de vertrekvergoedingen? Met betrekking tot de beursvennootschappen die financiële overheidssteun krijgen, is de spreker van oordeel dat de desbetreffende artikelen, met name de artikelen 17 en 18 van de bijlage (DOC 55 2763/001, blz. 732), niet goed op elkaar zijn afgestemd. De spreker zou de volgorde veeleer omkeren. De spreker maakt van de gelegenheid gebruikt om de vice-eersteminister te vragen of hij kan bevestigen dat die artikelen wel degelijk aldus moeten worden gelezen. Bij beursvennootschappen die uitzonderlijke overheids- steun genieten, mag geen enkele variabele verloning worden betaald aan een bestuurder, behalve aan een persoon die specifiek is aangeworven om een herstruc- tureringsplan ten uitvoer te leggen. Op die persoon past men dan de regels van artikel 17 toe. Waarom kan die specifiek voor de tenuitvoerlegging van een herstructure- ringsplan aangeworven persoon een bonus krijgen? Zijn er momenteel vennootschappen in die situatie (die met andere woorden uitzonderlijke overheidssteun genieten)? Wat wetsontwerp n° 2765 (DOC 55 2765/001) betreft, legt de spreker uit dat in artikel 16 van het wetsontwerp het startkapitaal voor de vennootschappen voor vermogens- beheer en beleggingsadvies op 75 000 euro wordt vast- gelegd. Dat startkapitaal was voorheen op 125 000 euro vastgesteld. Vanuit prudentieel oogpunt gaat het bijgevolg om een achteruitgang, die is ingegeven door de wil om binnen de Unie een harmonisering door te voeren. Hoe kan de vice-eersteminister die kapitaalvermindering motiveren? De heer Christian Leysen (Open Vld) stelt vast dat er bij de omzetting van de Europese richtlijn niet aan gold- plating wordt gedaan maar weliswaar toch een beetje gold-plating wordt meegenomen. Vandaar dat hij zich luidop afvraagt in welke mate het mogelijk zou geweest zijn om de omzetting alsnog op een meer eenvoudige en eenduidige wijze om te zetten teneinde de handhaving van de regels te optimaliseren en de complexiteit ervan te verminderen. pourcentage de la rémunération variable à reporter doit être de 60 %. Le vice-premier ministre peut-il définir "particulièrement élevé"? Par ailleurs, il n’est pas prévu de limite concernant les indemnités de départ excepté l’avis motivé du comité de rémunération ou l’approbation de l’assemblée générale. Pourquoi pas de plafond aux indemnités de départ? En ce qui concerne les sociétés de bourse bénéfi- ciant d’un soutien financier des pouvoirs publics, l’ora- teur explique que les articles concernés, à savoir les articles 17 et 18 de l’annexe (DOC 2763/1, p. 732) sont imbriqués de manière étrange. L’orateur aurait plutôt inversé leur ordre. Du coup, pour être sûr de bien com- prendre, le vice-premier ministre peut-il confirmer qu’il faut lire ces articles ainsi? Dans le cas de sociétés de bourse bénéficiant d’un soutien financier exceptionnel des pouvoirs public, aucune rémunération variable ne peut être versée à aucun dirigeant, sauf une personne spécifiquement engagée pour mettre en œuvre un plan de restructura- tion. Et pour cette personne, on applique alors les règles de l’article 17. Pourquoi cette personne spécifiquement engagée pour mettre en œuvre un plan de restructura- tion peut-elle recevoir un bonus? Y a-t-il actuellement des sociétés qui sont dans cette situation (c’est-à-dire qui bénéficient d’un soutien financier exceptionnel des pouvoirs public)? Par rapport au projet de loi n° 2765, l’orateur explique que l’article 16 du projet de loi prévoit un capital initial fixé à 75 000 euros pour les sociétés de gestion de portefeuille et de conseil en investissement. Ce capital initial était auparavant fixé à 125 000 euros. Il s’agit donc d’un recul au niveau prudentiel sur base de la volonté d’harmonisation au sein de l’Union. Comment le vice- premier ministre motive-t-il cette réduction du capital? M. Christian Leysen (Open Vld) constate que la trans- position de la directive européenne n’est pas excessive (gold-plating) mais qu’elle va néanmoins un peu trop loin. C’est pourquoi il s’interroge sur la mesure dans laquelle il aurait été possible de réaliser cette transposition de manière plus simple et plus uniforme afin d’optimiser l’application des règles et d’en réduire la complexité. 2762/003 DOC 55 16 C H A M B R E 4 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E B. Antwoorden van de vice-eersteminister De heer Vincent Van Peteghem, vice-eersteminister en minister van Financiën, belast met de Coördinatie van de fraudebestrijding, merkt op dat er sinds 2011 maar één beursvennootschap is bijgekomen en dat was in 2015. Het aantal beursvennootschappen zit echter in een dalende lijn. De voorbije jaren werden een aantal kleine beursvennootschappen opgekocht door grotere spelers en er hebben ook spelers de markt verlaten. Zo is men geëvolueerd van 22 beursvennootschappen in 2011 naar 14 in 2021. Betreffende de voorbeelden van gold-plating, stipt de vice-eersteminister aan dat de IFD-Richtlijn mini- maal harmoniseert. De lidstaten kunnen dus strenger zijn, behalve voor de aangelegenheden die expliciet aangemerkt worden als een maximale harmonisatie, zoals dat het geval is voor de bepalingen inzake het minimumaanvangskapitaal. Bij de omzetting van de IFD-Richtlijn is het echter raadzaam gebleken om een zekere samenhang te bewa- ren met de benadering die de Belgische wetgever heeft gevolgd sinds de aanneming, in 1995, van de wet op het statuut van en de controle op beleggingsondernemingen. Daarom werd besloten de essentiële kenmerken, en dus de verworvenheden, van de huidige regeling voor beursvennootschappen en vennootschappen voor ver- mogensbeheer en beleggingsadvies te behouden voor zover de IFD-Richtlijn dit toelaat. Een paar verbeteringen en toevoegingen zijn daar- naast aangebracht in de wet van 25 oktober 2016 be- treffende de vennootschappen voor vermogensbeheer en beleggingsadvies met als bedoeling de coherentie te verbeteren en een level playing field te creëren met de regeling voor beursvennootschappen. Deze wijzi- gingen worden echter uitsluitend aangebracht als ze verantwoord blijken, meer bepaald rekening houdend met de beperktere activiteiten van de vennootschappen voor vermogensbeheer en beleggingsadvies. Onder dit voorbehoud van handhaving van de ver- worvenheden van de huidige regeling en het streven naar een level playing field tussen de twee categorieën beleggingsondernemingen, bevatten de wetsontwerpen geen gold-plating. Zoals gezegd, bij de omzetting van de IFD-Richtlijn is het raadzaam gebleken om een zekere samenhang te be- waren met de benadering die de Belgische wetgever heeft gevolgd sinds de aanneming, in 1995, van de wet op het statuut van en de controle op beleggingsondernemingen. B. Réponses du vice-premier ministre M. Vincent Van Peteghem, vice-premier ministre et ministre des Finances, chargé de la Coordination de la lutte contre la fraude, souligne que, depuis 2011, une seule société de bourse a vu le jour, en 2015. Toutefois, le nombre de sociétés de bourse est à la baisse. Ces dernières années, plusieurs sociétés de bourse de petite taille ont été rachetées par des concurrents de plus grande taille, et certains acteurs ont en outre quitté le marché. On est ainsi passé de 22 sociétés de bourse en 2011 à 14 en 2021. S’agissant des exemples de surréglementation (gold- plating), le vice-premier ministre indique que la directive IFD prévoit une harmonisation minimale. Les États membres peuvent donc être plus stricts, sauf en ce qui concerne les dispositions explicitement désignées comme étant d’harmonisation maximale, comme c’est par exemple le cas des dispositions relatives au capital initial minimum. Dans le cadre de la transposition de la directive IFD, il a toutefois paru indiqué de conserver une certaine cohérence avec l’approche suivie par le législateur belge depuis l’adoption, en 1995, de la loi relative au statut et au contrôle des entreprises d’investissement. C'est pourquoi il a été décidé de conserver, dans la mesure où la directive IFD le permet, les caractéristiques essentielles, et donc les acquis du régime actuellement applicable aux sociétés de bourse et aux sociétés de gestion de portefeuille et de conseil en investissement. Il a en outre été procédé à des améliorations et des ajouts dans la loi du 25 octobre 2016 relative aux sociétés de gestion de portefeuille et de conseil en investisse- ment, en vue d’améliorer la cohérence de ce dispositif avec celui applicable aux sociétés de bourse et de les harmoniser. Ces modifications ne seront toutefois apportées que si elles s’avèrent justifiées, compte tenu notamment des activités plus limitées des sociétés de gestion de portefeuille et de conseil en investissement. Sous réserve du maintien des acquis du dispositif actuel et de l’objectif de parvenir à une harmonisation des dispositifs applicables aux deux catégories de entre- prises d’investissement, les projets de loi à l’examen ne comportent aucune surréglementation. Comme indiqué précédemment, il est apparu oppor- tun, dans le cadre de la transposition de la directive IFD, de conserver une certaine cohérence avec l’approche suivie par le législateur belge depuis l’adoption, en 1995, de la loi relative au statut et au contrôle des entreprises 17 2762/003 DOC 55 C H A M B R E 4 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E De markt van de beursvennootschappen is zeer hete- rogeen en vergt een gediversifieerde aanpak. Er zijn structuren die concurreren met zakenbanken en daar- naast kleine familiale structuren. De bedoeling van de Europese wetgever is om een meer proportionele aanpak te hebben voor de beleggingsondernemingen en deze aanpak heeft de Belgische wetgever voortgezet. Wat de beleidsruimte voor de NBB betreft, benadrukt de vice-eersteminister dat elke beslissing van de NBB terdege zal moeten worden verantwoord en wordt steeds genomen met inachtneming van het algemeen geldend evenredigheidsbeginsel. De beslissing over het afwijken van het duaal systeem van het wetboek van vennootschappen en verenigingen werd genomen in 2021 voor de gehele financiële sector. Deze wordt hier niet in vraag gesteld. Onder meer ge- zien het Europees kader en de bestaande praktijk die de sector zelf wenste te behouden, werd hiervan niet van afgeweken. Met betrekking tot de opmerkingen van de heer Van Hees om eerst de richtlijn inzake de klok- kenluiders om te zetten, merkt de vice-eersteminister op dat de omzetting van de richtlijn klokkenluiders in eerste instantie valt onder de bevoegdheid van zijn collega’s van Economie, Justitie en Ambtenarenzaken. Momenteel bestaat reeds een systeem van klokkenluiders voor zowel de FSMA als de NBB ingevolge de relevante Europese regelgeving. Betreffende de opmerkingen aangaande de variabele vergoeding, wijst de vice-eersteminister erop dat de huidige regeling de Europese richtlijn volgt waarin de marge wordt gelaten aan de instellingen om een vari- abele verloning uit te keren. Ook vandaag is dit reeds het geval. De wetgeving van vandaag wordt dus niet gewijzigd. Er moet ook de mogelijkheid worden gebo- den aan de ondernemingen in de Belgische sector om concurrentieel aanwervingen te kunnen doen binnen de Europese markt. Met betrekking tot de opmerkingen en vragen van de heer Van Hees aangaande de vennootschappen die publieke steun kregen, stipt de vice-eersteminister aan dat er vandaag geen beursvennootschappen zijn die in dit geval verkeren. Deze maatregel werd ingevoerd naar aanleiding van de financiële crisis toen het niet evident is gebleken om personen te vinden die een dergelijke hachelijke taak op zich konden en wilden nemen. d’investissement. Le marché des sociétés de bourse est très hétérogène et nécessite une approche diversifiée. En effet, il existe des structures qui sont en concurrence avec des banques d’affaires, et des structures familiales de petite taille. L’objectif du législateur européen est de disposer d’une approche plus proportionnelle vis-à-vis des entreprises d’investissement, et c’est cette approche que le législateur belge entend continuer de suivre. En ce qui concerne la marge de manœuvre de la BNB, le vice-premier ministre souligne que chaque décision de la BNB devra être dûment justifiée, et sera toujours prise en tenant compte du principe général de proportionnalité. La décision de déroger au système dual du code des sociétés et des entreprises a été prise en 2021 pour l’ensemble du secteur financier. Cette décision n’est ici pas remise en question. Il n’y a pas été dérogé, compte tenu notamment du cadre européen et des pratiques existantes que le secteur lui-même souhaite conserver. En réponse à la remarque de M. Van Hees, qui sug- gère de procéder tout d’abord à la transposition de la directive sur la protection des lanceurs d'alerte, le vice- premier ministre souligne que cette transposition relève en premier lieu de la compétence de ses collègues de l'Économie, de la Justice et de la Fonction publique. Il existe déjà à l’heure actuelle pour la FSMA et la BNB un système de lanceurs d’alerte qui se fonde sur la réglementation européenne pertinente. En ce qui concerne les observations relatives à la rémunération variable, le vice-premier ministre indique que la réglementation actuelle est conforme à la direc- tive européenne, qui laisse aux institutions la possibilité de verser une rémunération variable. C'est déjà ce qui se passe aujourd’hui. La législation actuelle n'est donc pas modifiée. Il faut également permettre aux entreprises belges du secteur de recruter de manière compétitive sur le marché européen. En réponse aux remarques et questions de M. Van Hees concernant les sociétés ayant bénéficié d’une aide publique, le vice-premier ministre précise qu'aucune entreprise cotée en bourse n’est dans ce cas à l’heure actuelle. Cette mesure a été introduite à la suite de la crise financière, à une époque où il n'était pas facile de trouver des personnes capables et désireuses d'assumer une tâche aussi délicate. 2762/003 DOC 55 18 C H A M B R E 4 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E Inzake de opmerkingen omtrent het minimumaan- vangskapitaal, merkt de vice-eersteminister op dat deze bepaling inzake minimumaanvangskapitaal een maximale harmonisatie behelst. De Belgische wetgever kan hier niet van afwijken. Wat het begrip “bijzonder hoog” betreft, legt de vice- eersteminister uit dat die uit de richtlijn zelf komt en dat de Europese wetgever ervoor heeft gekozen de bevoegde overheden een zekere flexibiliteit te laten door er geen expliciete criteria voor vast te leggen. Aangezien men ervoor heeft geopteerd om de bepalingen van de richtlijn trouw om te zetten, werd ervoor gekozen geen nauwkeurigere criteria in de wet op te nemen. In voor- komend geval zullen de regulatoren op het Europese niveau via de Europese toezichtsagentschappen tot een geharmoniseerde interpretatie van die omschrijving kunnen komen. De EBA heeft ter zake trouwens reeds richtsnoeren vastgesteld. (EBA Richtsnoeren van 22 november 2021 betreffende een degelijk belonings- beleid overeenkomstig Richtlijn (EU) 2019/2034 (EBA/ GL/2021/13, nr. 257)). Tot slot merkt de vice-eersteminister op dat de Europese wetgever ervoor heeft geopteerd om een grondige vereenvoudiging door te voeren in IFR, de kapitaalsvereisten. Maar daarentegen is de Europese wetgever er zich ook van bewust dat zelfs in kleine structuren, niet kan bespaard worden op governance. Daarom zijn er in IFD wel solide governancebepalin- gen behouden die stroken ook met de aanpak van de Belgische wetgever ter zake. C. Replieken van de leden De heer Joy Donné (N-VA) merkt op dat hij geen verde- re vragen heeft maar hij wil meegeven dat zijn fractie voor het geheel van de wetsontwerpen nrs. 2763 en 2765 zal tegenstemmen wegens de procedurele fout aangezien er door de regering geen advies werd ingewonnen bij de GBA alhoewel dit wettelijk verplicht was. De heer Marco Van Hees (PVDA-PTB) stelt vast dat met betrekking tot de omzetting inzake de richtlijn omtrent de klokkenluiders de vice-eersteminister de hete aardappel doorschuift naar zijn collega-ministers in de regering. Met betrekking tot de notie “bijzonder hoog”, stelt de spreker vast dat deze notie bijzonder flou is. Deze regering kiest ervoor om deze onduidelijkheid te be- houden. De spreker neemt hier akte van en besluit dat dit een bijzonder eigenaardige manier is om wetteksten te redigeren. En ce qui concerne les commentaires relatifs au capital initial minimum, le vice-premier ministre souligne que la disposition prévue en la matière vise une harmonisation maximale. Le législateur belge ne peut pas s'en écarter. Par rapport à la notion “particulièrement élevée”, le vice-premier ministre explique que cette notion de “particulièrement élevé” provient de la directive même et le législateur européen, en ne définissant pas les critères, a choisi de laisser une certaine flexibilité aux autorités compétentes. Etant donné le choix de trans- poser fidèlement les dispositions de la directive, il a été opté pour ne pas définir de critères plus précis dans la loi. Cette notion pourra le cas échéant faire l’objet d’une interprétation harmonisée entre régulateurs au niveau européen via les agences européennes de super- vision. Il existe d’ailleurs déjà des orientations d’EBA en la matière. (Orientations EBA du 22 novembre 2021 sur les politiques de rémunération saines au titre de la directive (UE) 2019/2034 (EBA/GL/2021/13, n° 257)). Enfin, le vice-premier ministre fait observer que le législateur européen a choisi de procéder à une sim- plification approfondie dans l’IFR en ce qui concerne les exigences de fonds propres. Cependant, le législa- teur européen est également conscient que même les petites structures ne peuvent pas faire l’économie de la gouvernance. C’est pourquoi des dispositions solides en matière de gouvernance ont été maintenues dans l’IFD. Ces dispositions sont conformes à l’approche adoptée par le législateur belge en la matière. C. Répliques des membres M. Joy Donné (N-VA) fait observer qu’il n’a pas d’autres questions, mais tient à indiquer que son groupe votera contre les projets de loi nos 2763 et 2765 en raison d’une erreur de procédure, le gouvernement n’ayant pas demandé l’avis de l’APD alors qu’il en avait l’obli- gation légale. M. Marco Van Hees (PVDA-PTB) constate qu’en ce qui concerne la transposition de la directive relative aux lanceurs d’alerte, le vice-premier renvoie la balle à ses collègues ministres du gouvernement. Quant à la notion de niveau particulièrement élevé, l’intervenant constate qu’elle est particulièrement floue. Le gouvernement fait le choix de conserver ce flou. L’intervenant en prend acte et conclut en indiquant que c’est une façon bien singulière de rédiger des textes de loi. 19 2762/003 DOC 55 C H A M B R E 4 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E IV. — ARTIKELSGEWIJZE BESPREKING EN STEMMINGEN A. Wetsontwerp DOC 55 2762/001 Artikel 1 Dit artikel bevat de grondwettelijke grondslag van het wetsontwerp en geeft geen aanleiding tot verdere opmerkingen. Artikel 1 wordt eenparig aangenomen. Artikelen 2 en 3 Deze artikelen geven geen aanleiding tot verdere opmerkingen. Artikel 2 wordt aangenomen met 10 stemmen en 2 onthoudingen. Artikel 3 wordt aangenomen met 9 stemmen en 3 onthoudingen. * *  * Het gehele wetsontwerp wordt, bij naamstemming, aangenomen met 10 stemmen en 2 onthoudingen. De naamstemming is als volgt: Hebben voorgestemd: N-VA: Joy Donné Ecolo-Groen: Dieter Vanbesien, Gilles Vanden Burre PS: Hugues Bayet, Ahmed Laaouej MR: Marie-Christine Marghem, Benoît Piedboeuf CD&V: Jan Briers Open Vld: Christian Leysen Vooruit: Joris Vandenbroucke Hebben zich onthouden: VB: Kurt Ravyts PVDA-PTB: Marco Van Hees IV. —DISCUSSION DES ARTICLES ET VOTES A. Projet de loi DOC 55 2762/001 Article 1er Cet article fixe le fondement constitutionnel de la compétence. Il ne donne lieu à aucune observation. L’article 1er est adopté à l’unanimité. Articles 2 et 3 Ces articles ne donnent lieu à aucune observation. L’article 2 est adopté par 10 voix et 2 abstentions. L’article 3 est adopté par 9 voix et 3 abstentions. * *  * L’ensemble du projet de loi est adopté, par vote nomi- natif, par 10 voix et 2 abstentions. Résultat du vote nominatif: Ont voté pour: N-VA: Joy Donné Ecolo-Groen: Dieter Vanbesien, Gilles Vanden Burre PS: Hugues Bayet, Ahmed Laaouej MR: Marie-Christine Marghem, Benoît Piedboeuf CD&V: Jan Briers Open Vld: Christian Leysen Vooruit: Joris Vandenbroucke Se sont abstenus: VB: Kurt Ravyts PVDA-PTB: Marco Van Hees 2762/003 DOC 55 20 C H A M B R E 4 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E B. Wetsontwerp DOC 55 2763/001 BOEK I TOEPASSINGSGEBIED — DEFINITIES— ALGEMENE BEPALINGEN TITEL I Toepassingsgebied Artikel 1 Dit artikel bevat de grondwettelijke grondslag van het wetsontwerp en geeft geen aanleiding tot verdere opmerkingen. Artikel 1 wordt eenparig aangenomen. Art. 2 Dit artikel geeft geen aanleiding tot verdere opmerkingen. Artikel 2 wordt aangenomen met 9 stemmen en 3 onthoudingen. TITEL 2 Definities Art. 3 Dit artikel geeft geen aanleiding tot verdere opmerkingen. Artikel 3 wordt aangenomen met 9 stemmen en 3 onthoudingen. BOEK II BEURSVENNOOTSCHAPPEN NAAR BELGISCH RECHT TITEL I Toegang tot het bedrijf Artikelen 4 tot 43 Deze artikelen geven geen aanleiding tot verdere opmerkingen. B. Projet de loi DOC 55 2763/001 LIVRE IER CHAMP D’APPLICATION — DÉFINITIONS — GÉNÉRALITÉS TITRE IER Champ d’application Article 1er Cet article fixe le fondement constitutionnel de la compétence du projet de loi. Il ne donne lieu à aucune observation. L’article 1er est adopté à l’unanimité. Art. 2 Cet article ne donne lieu à aucune observation. L’article 2 est adopté par 9 voix et 3 abstentions. TITRE 2 Définitions Art. 3 Cet article ne donne lieu à aucune observation. L’article 3 est adopté par 9 voix et 3 abstentions. LIVRE II DES SOCIÉTÉS DE BOURSE DE DROIT BELGE TITRE IER De l’accès à l’activité Articles 4 à 43 Ces articles ne donnent lieu à aucune observation. 21 2762/003 DOC 55 C H A M B R E 4 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E Artikelen 4 tot 5 worden achtereenvolgens aangeno- men met 9 stemmen en 3 onthoudingen. Artikel 6 wordt aangenomen met 9 tegen 2 stemmen en 1 onthouding. Artikelen 7 tot 14 worden achtereenvolgens aange- nomen met 9 stemmen en 3 onthoudingen. Artikel 15 wordt aangenomen met 9 tegen 2 stemmen en 1 onthouding. Artikelen 16 tot 43 worden achtereenvolgens aange- nomen met 9 stemmen en 3 onthoudingen. TITEL II Bedrijfsuitoefeningsvoorwaarden Artikelen 44 tot 119 Deze artikelen geven geen aanleiding tot verdere opmerkingen. Artikelen 44 tot 67 worden achtereenvolgens aange- nomen met 9 stemmen en 3 onthoudingen. Artikel 68 wordt aangenomen met 9 tegen 2 stemmen en 1 onthouding. Artikel 69 wordt aangenomen met 9 stemmen en 3 onthoudingen. Artikel 70 wordt aangenomen met 9 tegen 2 stemmen en 1 onthouding. Artikelen 71 tot 119 worden achtereenvolgens aange- nomen met 9 stemmen en 3 onthoudingen. TITEL III Toezicht op de beursvennootschappen Artikelen 120 tot 199 Deze artikelen geven geen aanleiding tot verdere opmerkingen. Artikel 120 wordt aangenomen met 9 stemmen en 3 onthoudingen. Artikel 121 wordt aangenomen met 9 tegen 2 stem- men en 1 onthouding. Les articles 4 à 5 sont successivement adoptés par 9 voix et 3 abstentions. L’article 6 est adopté par 9 voix contre 2 et une abstention. Les articles 7 à 14 sont successivement adoptés par 9 voix et 3 abstentions. L’article 15 est adopté par 9 voix contre 2 et une abstention. Les articles 16 à 43 sont successivement adoptés par 9 voix et 3 abstentions. TITRE II Des conditions d’exercice de l’activité Articles 44 à 119 Ces articles ne donnent lieu à aucune observation. Les articles 44 à 67 sont successivement adoptés par 9 voix et 3 abstentions. L’article 68 est adopté par 9 voix contre 2 et une abstention. L’article 69 est adopté par 9 voix et 3 abstentions. L’article 70 est adopté par 9 voix contre 2 et une abstention. Les articles 71 à 119 sont successivement adoptés par 9 voix et 3 abstentions. TITRE III Contrôle des sociétés de bourse Articles 120 à 199 Ces articles ne donnent lieu à aucune observation. L’article 120 est adopté par 9 voix et 3 abstentions. L’article 121 est adopté par 9 voix contre 2 et une abstention. 2762/003 DOC 55 22 C H A M B R E 4 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E Artikelen 122 tot 199 worden achtereenvolgens aan- genomen met 9 stemmen en 3 onthoudingen. TITEL IV Beëindiging van de vergunning Artikelen 200 en 201 Deze artikelen geven geen aanleiding tot verdere opmerkingen. Artikelen 200 en 201 worden achtereenvolgens aan- genomen met 9 stemmen en 3 onthoudingen. TITEL V Herstelmaatregelen Artikelen 202 tot 208 Deze artikelen geven geen aanleiding tot verdere opmerkingen. Artikelen 200 en 207 worden achtereenvolgens aan- genomen met 9 stemmen en 3 onthoudingen. Artikel 208 wordt aangenomen met 9 tegen 2 stem- men en 1 onthouding. BOEK III BEURSVENNOOTSCHAPPEN NAAR BUITENLANDS RECHT TITEL I Inleidende bepaling Art. 209 Dit artikel geen aanleiding tot verdere opmerkingen. Artikel 209 wordt aangenomen met 9 stemmen en 3 onthoudingen. Les articles 122 à 199 sont successivement adoptés par 9 voix et 3 abstentions. TITRE IV De la fin de l’agrément Articles 200 et 201 Ces articles ne donnent lieu à aucune observation. Les articles 200 et 201 sont successivement adoptés par 9 voix et 3 abstentions. TITRE V Des mesures de redressement Articles 202 à 208 Ces articles ne donnent lieu à aucune observation. Les articles 202 à 207 sont successivement adoptés par 9 voix et 3 abstentions. L’article 208 est adopté par 9 voix contre 2 et une abstention. LIVRE III DES SOCIÉTÉS DE BOURSE DE DROIT ÉTRANGER TITRE IER Disposition liminaire Art. 209 Cet article ne donne lieu à aucune observation. L’article 209 est adopté par 9 voix et 3 abstentions. 23 2762/003 DOC 55 C H A M B R E 4 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E TITEL II Bijkantoren in België van beursvennootschappen die onder het recht van een andere lidstaat ressorteren Artikelen 210 tot 224 Deze artikelen geven geen aanleiding tot verdere opmerkingen. Artikelen 210 tot 224 worden achtereenvolgens aan- genomen met 9 stemmen en 3 onthoudingen. TITEL III Bijkantoren in België van beursvennootschappen van derde landen Artikelen 225 tot 234 Deze artikelen geven geen aanleiding tot verdere opmerkingen. Artikelen 225 tot 234 worden achtereenvolgens aan- genomen met 9 stemmen en 3 onthoudingen. BOEK IV DWANGSOMMEN EN ANDERE DWANGMAATREGELEN Artikelen 235 tot 237 Deze artikelen geven geen aanleiding tot verdere opmerkingen. Artikelen 235 tot 236 worden achtereenvolgens aan- genomen met 9 tegen 2 stemmen en 1 onthouding. Artikel 237 wordt aangenomen met 9 stemmen en 3 onthoudingen. TITRE II Des succursales en Belgique des sociétés de bourse relevant du droit d’un autre État membre Articles 210 à 224 Ces articles ne donnent lieu à aucune observation. Les articles 210 à 224 sont successivement adoptés par 9 voix et 3 abstentions. TITRE III Des succursales en Belgique de sociétés de bourse de pays tiers Articles 225 à 234 Ces articles ne donnent lieu à aucune observation. Les articles 225 à 234 sont successivement adoptés par 9 voix et 3 abstentions. LIVRE IV DES ASTREINTES ET AUTRES MESURES COERCITIVES Articles 235 à 237 Ces articles ne donnent lieu à aucune observation. Les articles 235 à 237 sont successivement adoptés par 9 voix contre 2 et une abstention. L’article 237 est adopté par 9 voix et 3 abstentions. 2762/003 DOC 55 24 C H A M B R E 4 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E BOEK V SANCTIES TITEL I Administratieve boetes Art. 238 Er worden geen bijkomende opmerkingen geformu- leerd bij dit artikel. Artikel 238 wordt aangenomen met 9 stemmen en 3 onthoudingen. TITEL II Strafrechtelijke sancties Artikelen 239 tot 243 Deze artikelen geven geen aanleiding tot verdere opmerkingen. Artikelen 239 tot 243 worden achtereenvolgens aan- genomen met 9 stemmen en 3 onthoudingen. BOEK VI REGELS VAN HET INTERNATIONAAL PRIVAATRECHT INZAKE SANERINGSMAATREGELEN EN LIQUIDATIEPROCEDURES TITEL I Saneringsmaatregelen Artikelen 244 tot 250 Deze artikelen geven geen aanleiding tot verdere opmerkingen. Artikelen 244 tot 250 worden achtereenvolgens aan- genomen met 9 stemmen en 3 onthoudingen. LIVRE V DES SANCTIONS TITRE IER Des amendes administratives Art. 238 Cet article ne donne lieu à aucune observation. L’article 238 est adopté par 9 voix et 3 abstentions. TITRE II Des sanctions pénales Articles 239 à 243 Ces articles ne donnent lieu à aucune observation. Les articles 239 à 243 sont successivement adoptés par 9 voix et 3 abstentions. LIVRE VI RÈGLES DE DROIT INTERNATIONAL PRIVÈ EN MATIÈRE DE MESURES D’ASSAINISSEMENT ET DE PROCÉDURES DE LIQUIDATION TITRE IER Des mesures d’assainissement Articles 244 à 250 Ces articles ne donnent lieu à aucune observation. Les articles 244 à 250 sont successivement adoptés par 9 voix et 3 abstentions. 25 2762/003 DOC 55 C H A M B R E 4 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E TITEL II Liquidatieprocedures Artikelen 251 tot 259 Deze artikelen geven geen aanleiding tot verdere opmerkingen. Artikelen 251 tot 259 worden achtereenvolgens aan- genomen met 9 stemmen en 3 onthoudingen. TITEL III Regels die zowel voor de saneringsmaatregelen als voor de liquidatie-procedures gelden Artikelen 260 tot 269 Deze artikelen geven geen aanleiding tot verdere opmerkingen. Artikelen 260 tot 269 worden achtereenvolgens aan- genomen met 9 stemmen en 3 onthoudingen. TITEL IV Aanvullende bepaling Art. 270 Dit artikel geeft geen aanleiding tot bijkomende opmerkingen. Artikel 270 wordt aangenomen met 9 stemmen en 3 onthoudingen. BOEK VII MATERIEELRECHTELIJKE ASPECTEN VAN LIQUIDATIEPROCEDURES Artikelen 271 tot 273 Deze artikelen geven geen aanleiding tot verdere opmerkingen. Artikelen 271 tot 273 worden achtereenvolgens aan- genomen met 9 stemmen en 3 onthoudingen. TITRE II Des procédures de liquidation Articles 251 à 259 Ces articles ne donnent lieu à aucune observation. Les articles 251 à 259 sont successivement adoptés par 9 voix et 3 abstentions. TITRE III Des règles communes aux mesures d’assainissement et aux procédures de liquidation Articles 260 à 269 Ces articles ne donnent lieu à aucune observation. Les articles 260 à 269 sont successivement adoptés par 9 voix et 3 abstentions. TITRE IV Disposition complémentaire Art. 270 Cet article ne donne lieu à aucune observation. L’article 270 est adopté par 9 voix et 3 abstentions. LIVRE VII ASPECTS DE DROIT MATÉRIEL DES PROCÉDURES DE LIQUIDATION Articles 271 à 273 Ces articles ne donnent lieu à aucune observation. Les articles 271 à 273 sont successivement adoptés par 9 voix et 3 abstentions. 2762/003 DOC 55 26 C H A M B R E 4 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E BOEK VIII BELEGGERSBESCHERMINGSREGELINGEN Artikelen 274 tot 278 Deze artikelen geven geen aanleiding tot verdere opmerkingen. Artikel 274 wordt aangenomen met 9 stemmen en 3 onthoudingen. Artikel 275 wordt aangenomen met 9 tegen 2 stem- men en 1 onthouding. Artikelen 276 tot 278 worden achtereenvolgens aan- genomen met 9 stemmen en 3 onthoudingen. BOEK IX DIVERSE EN SLOT-, WIJZIGINGS-, OVERGANGS- EN OPHEFFINGSBEPALINGEN TITEL I Diverse bepaling Art. 279 Dit artikel geeft geen aanleiding tot verdere opmerkingen. Artikel 279 wordt aangenomen met 9 stemmen en 3 onthoudingen. TITEL II Slotbepaling Art. 280 Dit artikel geeft geen aanleiding tot verdere opmerkingen. Artikel 280 wordt aangenomen met 9 stemmen en 3 onthoudingen. LIVRE VIII DU SYSTÈME DE PROTECTION DES INVESTISSEURS Articles 274 à 278 Ces articles ne donnent lieu à aucune observation. L’article 274 est adopté par 9 voix et 3 abstentions. L’article 275 est adopté par 9 voix contre 2 et une abstention. Les articles 276 à 278 sont successivement adoptés par 9 voix et 3 abstentions. LIVRE IX DISPOSITIONS DIVERSES, FINALES, MODIFICATIVES, TRANSITOIRES ET ABROGATOIRES TITRE IER Disposition diverse Art. 279 Cet article ne donne lieu à aucune observation. L’article 279 est adopté par 9 voix et 3 abstentions. TITRE II Disposition finale Art. 280 Cet article ne donne lieu à aucune observation. L’article 280 est adopté par 9 voix et 3 abstentions. 27 2762/003 DOC 55 C H A M B R E 4 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E TITEL III Wijzigingsbepalingen Artikelen 281 tot 422 Deze artikelen geven geen aanleiding tot verdere opmerkingen. Artikelen 281 tot 318 worden achtereenvolgens aan- genomen met 9 stemmen en 3 onthoudingen. Artikel 319 wordt aangenomen met 9 tegen 2 stem- men en 1 onthouding. Artikelen 320 tot 422 achtereenvolgens aangenomen met 9 stemmen en 3 onthoudingen. TITEL IV Overgangsbepaling Artikelen 423 en 424 Deze artikelen geven geen aanleiding tot verdere opmerkingen. Artikelen 423 en 424 worden achtereenvolgens aan- genomen met 9 stemmen en 3 onthoudingen. TITEL V Opheffingsbepaling Art. 425 Dit artikel geeft geen aanleiding tot verdere opmerkingen. Artikel 425 wordt aangenomen met 9 stemmen en 3 onthoudingen. BOEK X INWERKINGTREDING Artikelen 426 en 427 Deze artikelen geven geen aanleiding tot verdere opmerkingen. Artikelen 426 en 427 worden achtereenvolgens aan- genomen met 9 stemmen en 3 onthoudingen. TITRE III Dispositions modificatives Articles 281 à 422 Ces articles ne donnent lieu à aucune observation. Les articles 281 à 318 sont successivement adoptés par 9 voix et 3 abstentions. L’article 319 est adopté par 9 voix contre 2 et une abstention. Les articles 320 à 422 sont successivement adoptés par 9 voix et 3 abstentions. TITRE IV Disposition transitoire Articles 423 et 424 Ces articles ne donnent lieu à aucune observation. Les articles 423 et 424 sont successivement adoptés par 9 voix et 3 abstentions. TITRE V Disposition abrogatoire Art. 425 Cet article ne donne lieu à aucune observation. L’article 425 est adopté par 9 voix et 3 abstentions. LIVRE X ENTRÉE EN VIGUEUR Articles 426 et 427 Ces articles ne donnent lieu à aucune observation. Les articles 426 et 427 sont successivement adoptés par 9 voix et 3 abstentions. 2762/003 DOC 55 28 C H A M B R E 4 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E BIJLAGE BELONINGSBELEID Artikelen 1 tot 22 Deze artikelen geven geen aanleiding tot verdere opmerkingen. Artikelen 1 tot 22 worden achtereenvolgens aange- nomen met 9 stemmen en 3 onthoudingen. * *  * Het gehele wetsontwerp wordt, bij naamstemming, aangenomen met 9 tegen 2 stemmen en 1 onthouding. De naamstemming is als volgt: Hebben voorgestemd: Ecolo-Groen: Dieter Vanbesien, Gilles Vanden Burre PS: Hugues Bayet, Ahmed Laaouej MR: Marie-Christine Marghem, Benoît Piedboeuf CD&V: Jan Briers Open Vld: Christian Leysen Vooruit: Joris Vandenbroucke Hebben tegengestemd: N-VA: Joy Donné VB: Kurt Ravyts Heeft zich onthouden: PVDA-PTB: Marco Van Hees ANNEXE POLITIQUE DE RÉMUNÉRATION Articles 1er à 22 Ces articles ne donnent lieu à aucune observation. Les articles 1er à 22 sont successivement adoptés par 9 voix et 3 abstentions. * *  * L’ensemble du projet de loi est adopté par vote nomi- natif par 9 voix contre 2 et une abstention. Résultat du vote nominatif: Ont voté pour: Ecolo-Groen: Dieter Vanbesien, Gilles Vanden Burre PS: Hugues Bayet, Ahmed Laaouej MR: Marie-Christine Marghem, Benoît Piedboeuf CD&V: Jan Briers Open Vld: Christian Leysen Vooruit: Joris Vandenbroucke Ont voté contre: N-VA: Joy Donné VB: Kurt Ravyts S’est abstenu: PVDA-PTB: Marco Van Hees 29 2762/003 DOC 55 C H A M B R E 4 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E C. Wetsontwerp DOC 55 2765/001 HOOFDSTUK 1 Algemene bepalingen Artikel 1 Dit artikel bevat de grondwettelijke grondslag van het wetsontwerp en geeft geen aanleiding tot verdere opmerkingen. Artikel 1 wordt eenparig aangenomen. Art. 2 Artikel 2 geeft geen aanleiding tot verdere opmerkingen. Artikel 2 wordt aangenomen met 9 stemmen en 3 onthoudingen. HOOFDSTUK 2 Wijzigingen van de wet van 25 oktober 2016 betreffende de toegang tot het beleggingsdienstenbedrijf en betreffende het statuut van en het toezicht op de vennootschappen voor vermogensbeheer en beleggingsadvies Artikelen 3 tot 92 Deze artikelen geven geen aanleiding tot verdere opmerkingen. Artikelen 3 tot 14 worden achtereenvolgens aange- nomen met 9 stemmen en 3 onthoudingen. Artikel 15 wordt aangenomen met 9 tegen 2 stemmen en 1 onthouding. Artikelen 16 tot 75 worden achtereenvolgens aange- nomen met 9 stemmen en 3 onthoudingen. Artikel 76 wordt aangenomen met 9 tegen 2 stemmen en 1 onthouding. Artikelen 77 en 78 worden achtereenvolgens aange- nomen met 9 stemmen en 3 onthoudingen. Artikel 79 wordt aangenomen met 9 tegen 2 stemmen en 1 onthouding. C. Projet de loi DOC 55 2765/001 CHAPITRE 1ER Dispositions générales Article 1er Cet article fixe le fondement constitutionnel du projet de loi et ne donne lieu à aucune observation. L’article 1er est adopté à l’unanimité. Art. 2 L’article 2 ne donne lieu à aucune observation. L’article 2 est adopté par 9 voix et 3 abstentions. CHAPITRE 2 Modifications de la loi du 25 octobre 2016 relative à l’accès à l’activité de prestation de services d’investissement et au statut et au contrôle des sociétés de gestion de portefeuille et de conseil en investissement Articles 3 à 92 Ces articles ne donnent lieu à aucune observation. Les articles 3 à 14 sont successivement adoptés par 9 voix et 3 abstentions. L’article 15 est adopté par 9 voix contre 2 et une abstention. Les articles 16 à 75 sont successivement adoptés par 9 voix et 3 abstentions. L’article 76 est adopté par 9 voix contre 2 et une abstention. Les articles 77 et 78 sont successivement adoptés par 9 voix et 3 abstentions. L’article 79 est adopté par 9 voix contre 2 et une abstention. 2762/003 DOC 55 30 C H A M B R E 4 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E Artikelen 80 tot 92 worden achtereenvolgens aange- nomen met 9 stemmen en 3 onthoudingen. HOOFDSTUK 3 Wijzigingen in de wet van 2 augustus 2002 betreffende het toezicht op de financiële sector en de financiële diensten Artikelen 93 tot 97 Deze artikelen geven geen aanleiding tot bijkomende opmerkingen. Artikelen 93 tot 97 worden achtereenvolgens aange- nomen met 9 stemmen en 3 onthoudingen. HOOFDSTUK 4 Wijzigingen in de wet van 3 augustus 2012 betreffende de instellingen voor collectieve belegging die voldoen aan de voorwaarden van Richtlijn 2009/65/eg en de instellingen voor belegging in schuldvorderingen Art. 98 Dit artikel geeft geen aanleiding tot bijkomende opmerkingen. Artikel 98 wordt aangenomen met 9 stemmen en 3 onthoudingen. HOOFDSTUK 5 Wijzigingen in de wet van 19 april 2014 betreffende de alternatieve instellingen voor collectieve belegging en hun beheerders Art. 99 Dit artikel geeft geen aanleiding tot bijkomende opmerkingen. Les articles 80 à 92 sont successivement adoptés par 9 voix et 3 abstentions. CHAPITRE 3 Modifications à la loi du 2 août 2002 relative à la surveillance du secteur financier et aux services financiers Articles 93 à 97 Ces articles ne donnent lieu à aucune observation. Les articles 93 à 97 sont successivement adoptés par 9 voix et 3 abstentions CHAPITRE 4 Modifications à la loi du 3 août 2012 relative aux organismes de placement collectif qui répondent aux conditions de la directive 2009/65/ce et aux organismes de placement en créances Art. 98 Cet article ne donne lieu à aucune observation. L’article 98 est adopté par 9 voix et 3 abstentions. CHAPITRE 5 Modifications à la loi du 19 avril 2014 relative aux organismes de placement collectifs alternatifs et à leurs gestionnaires Art. 99 Cet article ne donne lieu à aucune observation. 31 2762/003 DOC 55 C H A M B R E 4 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E Artikel 99 wordt aangenomen met 9 stemmen en 3 onthoudingen. * *  * Het gehele wetsontwerp wordt, met inbegrip van een aantal legistieke verbeteringen, bij naamstemming, aangenomen met 9 tegen 2 stemmen en 1 onthouding. De naamstemming is als volgt: Hebben voorgestemd: Ecolo-Groen: Dieter Vanbesien, Gilles Vanden Burre PS: Hugues Bayet, Ahmed Laaouej MR: Marie-Christine Marghem, Benoît Piedboeuf CD&V: Jan Briers Open Vld: Christian Leysen Vooruit: Joris Vandenbroucke Hebben tegengestemd: N-VA: Joy Donné VB: Kurt Ravyts Heeft zich onthouden: PVDA-PTB: Marco Van Hees De rapporteur, De voorzitster, Benoît PIEDBOEUF Marie-Christine MARGHEM L’article 99 est adopté par 9 voix et 3 abstentions. * *  * L’ensemble du projet de loi est adopté, y compris quelques corrections légistiques, par vote nominatif, par 9 voix contre 2 et une abstention. Le résultat du vote nominatif est le suivant: Ont voté pour: Ecolo-Groen: Dieter Vanbesien, Gilles Vanden Burre PS: Hugues Bayet, Ahmed Laaouej MR: Marie-Christine Marghem, Benoît Piedboeuf CD&V: Jan Briers Open Vld: Christian Leysen Vooruit: Joris Vandenbroucke Ont voté contre: N-VA: Joy Donné VB: Kurt Ravyts S’est abstenu: PVDA-PTB: Marco Van Hees Le rapporteur, La présidente, Benoît PIEDBOEUF Marie-Christine MARGHEM Imprimerie centrale – Centrale drukkerij

Vragen over dit document?

Stel uw vragen aan onze juridische AI-assistent

Open chatbot