Document 50K0212/001

🏛️ KAMER Legislatuur 50 📁 212 Wetsontwerp 🌐 NL

Inhoud

DOC 50 0212/001 DOC 50 0212/001 29 octobre 1999 CHAMBRE DES REPRÉSENTANTS DE BELGIQUE BELGISCHE KAMER VAN VOLKSVERTEGENWOORDIGERS 29 oktober 1999 S — 243 KAMER 2e ZITTING VAN DE 50e ZITTINGSPERIODE CHAMBRE 2e SESSION DE LA 50 e LÉGISLATURE 1999 2000 WETSONTWERP betreffende steunmaatregelen ten gunste van landbouwbedrijven getroffen door de dioxinecrisis (**) ______ PROJET DE LOI relatif à des mesures d’aide en faveur d’entreprises agricoles touchées par la crise de la dioxine (**) ______ ––––––––––––––– (**) De spoedbehandeling wordt door de regering gevraagd over- eenkomstig artikel 80 van de Grondwet. ––––––––––––––– (**) Le gouvernement demande l’urgence conformément à l’article 80 de la Constitution. 2 DOC 50 0212/001 KAMER 2e ZITTING VAN DE 50e ZITTINGSPERIODE CHAMBRE 2e SESSION DE LA 50 e LÉGISLATURE 1999 2000 Abréviations dans la numérotation des publications : DOC 50 0000/000 : Document parlementaire de la 50e législature, suivi du n° et du n° consécutif QRVA : Questions et Réponses écrites HA : Annales (Compte Rendu Intégral) CRA : Compte Rendu Analytique PLEN : Séance plénière COM : Réunion de commission Afkortingen bij de nummering van de publicaties : DOC 50 0000/000 : Parlementair document van de 50e zittingsperiode + het nummer en het volgnummer QRVA : Schriftelijke Vragen en Antwoorden HA : Handelingen (Integraal Verslag) BV : Beknopt Verslag PLEN : Plenum COM : Commissievergadering Publications officielles éditées par la Chambre des représentants Commandes : Place de la Nation 2 1008 Bruxelles Tél. : 02/ 549 81 60 Fax : 02/549 82 74 www.laChambre.be e-mail : aff.generales@laChambre.be Officiële publicaties, uitgegeven door de Kamer van volksvertegenwoordigers Bestellingen : Natieplein 2 1008 Brussel Tel. : 02/ 549 81 60 Fax : 02/549 82 74 www.deKamer.be e-mail : alg.zaken@deKamer.be AGALEV-ECOLO : Anders Gaan Leven / Écologistes Confédérés pour l’Organisation de luttes originales CVP : Christelijke Volkspartij FN : Front national PRL FDF MCC : Parti Réformateur libéral - Front démocratique francophone-Mouvement des Citoyens pour le Changement PS : Parti socialiste PSC : Parti social-chrétien SP : Socialistische Partij VLAAMS BLOK : Vlaams Blok VLD : Vlaamse Liberalen en Democraten VU&ID : Volksunie&ID21 DOC 50 0212/001 3 KAMER 2e ZITTING VAN DE 50e ZITTINGSPERIODE CHAMBRE 2e SESSION DE LA 50 e LÉGISLATURE 1999 2000 MEMORIE VAN TOELICHTING ______ DAMES EN HEREN, De ontdekking in de lente van dit jaar van dioxine- verontreiniging van bepaalde mengvoeders heeft de Europese en Belgische overheden ertoe genoopt een reeks uitzonderlijke maatregelen te nemen om te belet- ten dat potentieel gecontamineerde producten van dier- lijke oorsprong (vlees van gevogelte, varkens en runde- ren, eieren en bepaalde afgeleide producten) in de han- del komen of blijven. In het belang van het dierenwelzijn of de volksgezondheid heeft de overheid eveneens de vernietiging moeten organiseren van niet verontreinigde dieren of producten die werden geblokkeerd en die als gevolg daarvan hun gewicht of hun verbruiksdatum had- den overschreden, naargelang het geval. Bovendien werden soms excessieve beperkingen opgelegd door buitenlandse overheden. Talrijke ondernemingen uit de landbouw en voedings- sector hebben aanzienlijk inkomensverlies geleden als gevolg van de blokkering of de vernietiging van dieren of producten of als gevolg van de destabilisering van de relevante markten. Verschillende, zelfs intrinsiek ge- zonde ondernemingen kregen af te rekenen met cash- flow problemen die soms dermate ernstig waren dat hun voortbestaan erdoor wordt bedreigd. Deze crisissitua- tie bracht bovendien een reëel risico mee van signifi- cant verlies van arbeidsplaatsen in de betrokken secto- ren. Gezien de omvang en het uitzonderlijk karakter van deze moeilijkheden, heeft de Belgische regering een aantal steunmaatregelen genomen teneinde de meest dringende noden te lenigen. Deze maatregelen, die hierna worden samengevat, werden door de Europese Commissie goedgekeurd op grond van artikel 87(2)(b) (steunmaatregelen tot herstel van schade ingevolge « buitengewone gebeurtenissen ») of artikel 87(3)(c) (sectoriële steunmaatregelen) van het Verdrag tot op- richting van de Europese Gemeenschap (hierna het « EG-Verdrag »). De federale regering wenst deze actie voort te zetten binnen de door de Europese Commissie afgebakende grenzen. Deze federale maatregelen zullen gepaard gaan met steunmaatregelen die door de Gewesten bin- nen hun bevoegdheidssfeer zullen worden genomen. Indien nodig zal de federale regering hun een samenwerkingsakkoord voorstellen teneinde voor een goede coördinatie van de federale en gewestelijke ac- ties te zorgen en, in voorkomend geval, gezamenlijke initiatieven te ontwikkelen. De federale regering wenst EXPOSÉ DES MOTIFS ______ MESDAMES, MESSIEURS, La découverte, au printemps de cette année, d’une contamination de certains aliments composés pour ani- maux par des dioxines a amené les autorités européen- nes et belges à prendre une série de mesures excep- tionnelles en vue d’empêcher la commercialisation de produits d’origine animale potentiellement contaminés (viandes de volaille, porcs et bovins, œufs et certains produits dérivés). Dans l’intérêt du bien-être animal ou de la santé publique, les autorités ont également dû or- ganiser la destruction d’animaux ou de produits non con- taminés qui avaient fait l’objet de mesures de blocage et de ce fait avaient acquis un poids excessif ou dé- passé leur date de péremption, selon le cas. Des res- trictions, parfois excessives, ont par ailleurs été impo- sées par des autorités étrangères. De nombreuses entreprises des secteurs agricole et alimentaire ont subi des pertes de revenus considéra- bles en raison du blocage ou de la destruction d’ani- maux ou de produits ou à cause de la déstabilisation des marchés concernés. Plusieurs entreprises, même intrinsèquement saines, ont été confrontées à des diffi- cultés de cash-flow, parfois à ce point aiguës qu’elles menacent leur survie. Cette situation de crise amenait par ailleurs un risque réel de pertes d’emploi significati- ves dans les secteurs concernés. Devant l’ampleur et le caractère exceptionnel de ces difficultés, le gouvernement belge a mis en œuvre une série de mesures d’aide en vue de couvrir les besoins les plus pressants. Ces mesures, résumées ci-après, ont été approuvées par la Commission européenne sur pied de l’article 87(2)(b) (aides pour remédier à des « événements extraordinaires ») ou de l’article 87(3)(c) (aides sectorielles) du Traité instituant la Communauté européenne (ci-après le « Traité CE »). Le gouvernement fédéral souhaite poursuivre cette action dans les limites tracées par la Commission euro- péenne. Ces mesures fédérales s’accompagneront de mesures d’aide qui seront mises en œuvre par les Ré- gions dans leur sphère de compétence. En cas de be- soin, le gouvernement fédéral leur proposera un accord de coopération en vue d’assurer une bonne coordina- tion des actions fédérales et régionales et, le cas échéant, de développer des initiatives communes. Le gouvernement fédéral souhaite par ailleurs que les ac- 4 DOC 50 0212/001 KAMER 2e ZITTING VAN DE 50e ZITTINGSPERIODE CHAMBRE 2e SESSION DE LA 50 e LÉGISLATURE 1999 2000 bovendien dat de maatregelen van de overheid hand in hand gaan met een reële solidariteitsinspanning van- wege de betrokken sectoren. Dit wetsontwerp beoogt inzonderheid federale steun- verstrekking toe te laten aan landbouwbedrijven teneinde alle of een deel van de schade te dekken die zij tenge- volge van de dioxinecrisis hebben geleden en die nog niet is gedekt door andere federale en/of gewestelijke steun. Dit ontwerp beoogt eveneens een controle- mechanisme in te stellen om te verifiëren of de even- tuele cumulatie van federale en gewestelijke steun niet leidt tot een overcompensatie ten opzichte van de gele- den schade, waarbij overigens rekening dient te wor- den gehouden met eventuele vergoedingen ontvangen uit particuliere bron (verzekeringen, schadevergoe- dingen). De afwezigheid van een dergelijke overcom- pensatie vormt een belangrijke voorwaarde voor de goedkeuring van steun door de Europese Commissie. In zijn advies betreffende dit wetsontwerp merkt de Raad van State op dat het wetsontwerp het voorwerp moet zijn van overleg met de gewestregeringen over- eenkomstig artikel 6, § 3bis, 5°, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, en moet worden aangemeld bij de Europese Commissie krachtens artikel 88(3) van het EG-Verdrag. Het is in- derdaad vereist dat met de gewestregeringen overleg plaatsheeft omtrent « maatregelen die een weerslag hebben op het landbouwbeleid ». Evenwel slaat deze procedure niet op machtigingsbepalingen, doch wel op de materiële regels die de betreffende maatregelen vast- stellen. Dergelijke maatregelen kunnen voorkomen in uitvoeringsbesluiten van deze wet, die desgevallend het voorwerp zullen zijn van overleg met de gewest- regeringen. Overigens heeft informeel overleg met de gewestregeringen plaatsgehad aangaande verschil- lende acties in het kader van de dioxinecrisis; dit over- leg zal in de komende dagen en weken formeel worden verdergezet betreffende maatregelen te nemen krach- tens deze wet. Wat de aanmelding bij de Europese Commissie be- treft, dient eveneens het onderscheid te worden gemaakt tussen machtigingsbepalingen en werkelijke steun- maatregelen. Aanmelding van de kaderbepalingen van dit wetsontwerp zou zelfs niet ontvankelijk zijn onder artikel 88(3) van het EG-Verdrag. Het zijn de concrete steunplannen die in uitvoering van deze bepalingen zullen worden vastgesteld, die moeten worden aange- meld bij de Commissie en door haar moet worden goed- gekeurd vooraleer zij worden uitgevoerd. Evenwel dient te worden onderstreept dat, in haar beschikkingen tot goedkeuring van bestaande steunmaatregelen, de Com- missie heeft aanvaard dat de dioxinecrisis een buiten- gewone gebeurtenis is in de zin van artikel 87(2)(b) van tions des pouvoirs publics aillent de pair avec un effort réel de solidarité de la part des secteurs concernés. Le présent projet de loi vise notamment à autoriser l’octroi d’aides fédérales à des entreprises agricoles en vue de couvrir tout ou partie du dommage qu’elles ont subi à cause de la crise de la dioxine et qui n’est pas déjà couvert par d’autres aides fédérales et/ou régiona- les. Le présent projet vise également à instaurer un mécanisme de contrôle pour vérifier que l’éventuel cu- mul d’aides fédérales et régionales ne conduit pas à une surcompensation par rapport au dommage subi, compte tenu, par ailleurs, d’éventuelles indemnités re- çues de source privée (assurances, dommages-inté- rêts). L’absence d’une telle surcompensation constitue une condition importante à l’autorisation des aides par la Commission européenne. Dans son avis concernant le présent projet de loi, le Conseil d’État observe que le présent projet de loi de- vrait faire l’objet d’une concertation avec les gouverne- ments de région conformément à l’article 6, § 3bis, 5°, de la loi spéciale du 8 août 1980 de réformes institutionnelles, et être notifié à la Commission euro- péenne en vertu de l’article 88(3) du Traité CE. Il con- vient effectivement qu’une concertation avec les gou- vernements de région ait lieu à propos de « mesures qui ont une incidence sur la politique agricole ». Cepen- dant, cette procédure ne vise pas des dispositions d’habilitation mais bien des règles matérielles qui défi- nissent les mesures en question. De telles mesures pourront figurer dans des arrêtés d’exécution pris en vertu de la présente loi, qui, le cas échéant, feront l’ob- jet d’une concertation avec les gouvernements de ré- gion. Par ailleurs, une concertation informelle avec les gouvernements de région a eu lieu au sujet des diffé- rentes actions prises dans le cadre de la crise de la dioxine; cette concertation sera poursuivie de manière formelle, dans les prochains jours et semaines, à pro- pos des mesures à prendre en vertu de la présente loi. S’agissant de la notification à la Commission euro- péenne, il convient également de faire la distinction en- tre des dispositions d’habilitation et les véritables me- sures d’aide. La notification des dispositions cadres du présent projet de loi ne serait même pas recevable au titre de l’article 88(3) du Traité CE. Ce sont les plans d’aide concrets à prendre en exécution de ces disposi- tions qui devront être notifiés à la Commission et ap- prouvés par celle-ci préalablement à leur mise en œuvre. Il convient de souligner cependant que, dans des déci- sions approuvant des aides existantes, la Commission a admis que la crise de la dioxine constitue un événe- ment extraordinaire au sens de l’article 87(2)(b) du Trai- té CE ce qui implique que des aides destinées à remé- DOC 50 0212/001 5 KAMER 2e ZITTING VAN DE 50e ZITTINGSPERIODE CHAMBRE 2e SESSION DE LA 50 e LÉGISLATURE 1999 2000 het EG-Verdrag, hetgeen inhoudt dat steun tot herstel van de schade die er het gevolg van is, in beginsel is toegestaan. Overigens werd een eerdere versie van dit wetsont- werp aan de Europese Commissie meegedeeld op 13 september 1999. Deze maakt er melding van in haar beschikking van 13 oktober 1999 tot goedkeuring van bepaalde steunmaatregelen en drukt daarbij de wens uit dat naar aanleiding van dit wettelijk kader ook « een eenduidige methode wordt vastgesteld voor de bereke- ning van de door de verschillende marktdeelnemers geleden verliezen en van de in dat kader bedoelde steun- bedragen, waarbij ook een overzicht moet worden ge- geven van alle goedgekeurde regelingen, aan de hand waarvan eventuele gevallen van overcompensatie kun- nen worden geïdentificeerd ». De regering zal hierop toezien bij het opstellen van de uitvoeringsbesluiten, in- zonderheid deze krachtens de artikelen 6, § 1, 3°, en 18 van dit wetsontwerp. OVERZICHT VAN BESTAANDE FEDERALE STEUNMAATREGELEN Ter herinnering werden tot op heden de volgende steunmaatregelen op federaal vlak genomen : Landbouwsector Vijf soorten maatregelen werden genomen ten gun- ste van landbouwbedrijven getroffen door de dioxinecrisis, namelijk : a) de tenlasteneming door de Staat van de kosten voor vervoer, opslag en vernietiging van dieren en producten van dierlijke oorsprong die moeten worden vernietigd krachtens maatregelen genomen door de re- gering (ministerieel besluit van 1 juli 1999 tot wijziging van het ministerieel besluit van 18 juni 1999 betreffende de afmaking van dieren in het kader van de tijdelijke maatregelen ter bestrijding van de dioxineverspreiding en -besmetting; artikel 5 van het ministerieel besluit van 2 juli 1999 betreffende een terugvorderbaar voorschot aan de producenten waarvan de varkens het voorwerp van een bewarend beslag uitmaken in het kader van de dioxinebesmetting; artikel 5 van het ministerieel besluit van 9 juli 1999 betreffende een terugvorderbaar voor- schot aan de landbouwproducenten waarvan de eieren het voorwerp van een bewarend beslag of van een vernietigingsbevel uitmaken in het kader van de dioxinebesmetting); b) een vergoeding voor het rechtstreekse inko- mensverlies als gevolg van de afslachting of vernieti- ging van dieren of producten (ministerieel besluit van 16 juni 1999 betreffende een vergoeding voor de pro- ducenten van pluimvee in het kader van de dioxine- dier aux dommages qui en résultent sont en principe autorisées. Par ailleurs, une version antérieure du présent projet de loi a été communiquée à la Commission européenne le 13 septembre 1999. Celle-ci en fait état dans sa dé- cision du 13 octobre 1999 portant approbation de cer- taines aides, en exprimant le souhait que ce cadre législatif soit accompagné « d’une méthodologie claire de calcul des pertes subies par les différents opérateurs ainsi que des aides y envisagées, tout en comportant une vue d’ensemble des différents schémas adoptés qui permette, le cas échéant, d’identifier des éventuels cas de surcompensation ». Le gouvernement y veillera lors de la rédaction des arrêtés d’exécution, notamment ceux pris en vertu des articles 6, § 1er, 3°, et 18 du pré- sent projet de loi. APERÇU DES MESURES D’AIDE FÉDÉRALES EXISTANTES Pour rappel, jusqu’à ce jour, les mesures d’aide sui- vantes ont été mises en œuvre au niveau fédéral : Secteur agricole Cinq types de mesures ont été prises en faveur d’en- treprises agricoles touchées par la crise de la dioxine, à savoir : a) la prise en charge par l’État des coûts de trans- port, de stockage et de destruction d’animaux et de pro- duits d’origine animale qui doivent être détruits en vertu des mesures arrêtées par le gouvernement (arrêté mi- nistériel du 1er juillet 1999 modifiant l’arrêté ministériel du 18 juin 1999 relatif à la mise à mort d’animaux dans le cadre des mesures temporaires en vue de lutter con- tre la dispersion de la contamination par des dioxines; article 5 de l’arrêté ministériel du 2 juillet 1999 relatif à une avance récupérable aux producteurs dont les porcs font l’objet d’une saisie conservatoire dans le cadre de la contamination par des dioxines; article 5 de l’arrêté ministériel du 9 juillet 1999 relatif à une avance récupérable aux producteurs agricoles dont les œufs font l’objet d’une saisie conservatoire ou d’un ordre de destruction dans le cadre de la contamination par des dioxines); b) une indemnité pour les pertes de revenus direc- tes occasionnées par l’abattage ou la destruction d’ani- maux ou de produits (arrêté ministériel du 16 juin 1999 relatif à une indemnisation des producteurs de volailles dans le cadre de la contamination par des dioxines). 6 DOC 50 0212/001 KAMER 2e ZITTING VAN DE 50e ZITTINGSPERIODE CHAMBRE 2e SESSION DE LA 50 e LÉGISLATURE 1999 2000 besmetting). Voor varkens, runderen en eieren neemt de steun thans de vorm aan van renteloze voorschot- ten ten belope van 80 % van de kostprijs, tot maximum de marktprijs (ministerieel besluit van 1 juli 1999 betref- fende een terugvorderbaar voorschot aan de producen- ten waarvan de varkens het voorwerp van een afslachtingsbevel uitmaken in het kader van de dioxinebesmetting; voornoemde ministeriële besluiten van 2 en 9 juli 1999; ministerieel besluit van 9 juli 1999 betreffende een terugvorderbaar voorschot aan de pro- ducenten waarvan de runderen het voorwerp van een afslachtingsbevel uitmaken in het kader van de dioxinebesmetting). Bij beschikking van 13 oktober 1999 heeft de Europese Commissie de omzetting van deze voorschotten in definitieve vergoedingen toegestaan; c) renteloze voorschotten aan ondernemingen waar- van verontreinigde producten of producten met een ver- vallen verbruiksdatum werden vernietigd en die niet kun- nen genieten van de financiering bedoeld in punt b) (ko- ninklijk besluit van 22 juli 1999 tot instelling van een voorschot voor ondernemingen die rechtstreeks getrof- fen zijn door de dioxinecrisis van 1999); d) overbruggingskredieten die door kredietinstel- lingen worden toegekend aan intrinsiek gezonde land- bouwbedrijven met cash-flow problemen tengevolge van de dioxinecrisis. De voorwaarden en nadere regels van deze kredieten worden geregeld door een protocol ge- sloten op 25 augustus 1999 tussen de Staat en de Belgische Vereniging van Banken. Zij genieten een ge- deeltelijke Staatswaarborg ten belope van 50 % van hoofdsom en interesten; de totale enveloppe van deze kredieten is beperkt tot 25 miljard Belgische frank; e) de tenlasteneming door de Staat van de kosten van bepaalde analyses, inzonderheid de PCB-analyses uitgevoerd in het kader van de bijkomende tijdelijke certificering met het oog op het intracommunautaire verkeer en de uitvoer naar derde landen (ministerieel besluit van 4 oktober 1999 betreffende de tenlastename door de overheid van de kosten voor de analyses en de staalnames met het oog op de tijdelijke bijkomende certificering van pluimvee, runderen, varkens en som- mige producten ervan, in het intra-communautaire han- delsverkeer en bij de uitvoer). Het betreft de bijkomende certificering opgelegd door beschikking nr 1999/551/EG van de Europese Commissie van 6 augustus 1999, ver- lengd door beschikking nr 1999/601/EG van 1 septem- ber 1999 en vervangen door beschikking nr 1999/640/EG van 23 september 1999. Andere ondernemingen Er werden bepaalde parallelle maatregelen genomen ten gunste van ondernemingen stroomafwaarts van de landbouwsector, inzonderheid : a) de tenlasteneming door de Staat van de kosten voor vervoer, opslag en vernietiging van bepaalde voe- Pour les porcs, bovins et œufs, l’aide prend actuelle- ment la forme d’avances sans intérêt à concurrence de 80 % du prix de revient, plafonné au prix du marché (arrêté ministériel du 1er juillet 1999 relatif à une avance récupérable aux producteurs dont les porcs font l’objet d’un ordre d’abattage dans le cadre de la contamination par des dioxines; arrêtés ministériels des 2 et 9 juillet 1999 précités; arrêté ministériel du 9 juillet 1999 relatif à une avance récupérable aux producteurs dont les bovins font l’objet d’un ordre d’abattage dans le cadre de la contamination par des dioxines). Par sa décision du 13 octobre 1999, la Commission européenne a auto- risé la conversion de ces avances en indemnités défini- tives; c) des avances sans intérêt à des entreprises dont des produits contaminés ou périmés ont été détruits et qui ne peuvent pas bénéficier du financement visé au point b) (arrêté royal du 22 juillet 1999 instaurant une avance pour les entreprises qui sont touchées directe- ment par la crise de la dioxine de 1999); d) des crédits de soudure octroyés par des établis- sements de crédit à des entreprises agricoles intrinsè- quement saines connaissant des difficultés de cash-flow en raison de la crise de la dioxine. Les conditions et modalités de ces crédits sont réglées par un protocole conclu le 25 août 1999 entre l’État et l’Association belge des Banques. Ils bénéficient d’une garantie partielle de l’État, à concurrence de 50 % du montant principal et des intérêts; l’enveloppe totale de ces crédits est limi- tée à 25 milliards de francs belges; e) la prise en charge par l’État du coût de certaines analyses, notamment les analyses PCB effectuées dans le cadre de la certification complémentaire temporaire aux fins des échanges intracommunautaires et des ex- portations vers les pays tiers (arrêté ministériel du 4 oc- tobre 1999 concernant la prise en charge par l’autorité des coûts des analyses et des prises d’échantillons dans le cadre de la certification complémentaire temporaire des volailles, des bovins, des porcs et de certains de leurs produits dérivés, dans le cadre du marché intra- communautaire et de l’exportation). Il s’agit de la certi- fication complémentaire imposée par la décision n° 1999/551/CE de la Commission européenne du 6 août 1999, prolongée par la décision n° 1999/601/CE du 1er septembre 1999 et remplacée par la décision n° 1999/640/CE du 23 septembre 1999. Autres entreprises Certaines mesures parallèles ont été prises en fa- veur d’entreprises en aval du secteur agricole, notam- ment : a) la prise en charge par l’État des coûts de trans- port, de stockage et de destruction de certaines den- DOC 50 0212/001 7 KAMER 2e ZITTING VAN DE 50e ZITTINGSPERIODE CHAMBRE 2e SESSION DE LA 50 e LÉGISLATURE 1999 2000 dingsmiddelen van dierlijke oorsprong (ministerieel be- sluit van 2 juli 1999 tot instelling van een vergoedings- regeling voor sommige producten van dierlijke oorsprong in het kader van de verontreiniging met dioxine, vervan- gen door het ministerieel besluit van 16 september 1999 tot instelling van een vergoedingsregeling voor sommige voedingsmiddelen van dierlijke oorsprong die zich op het Belgisch grondgebied bevinden); b) een schadevergoeding van 80 % van de kostprijs, tot maximum de marktprijs, van bepaalde vernietigde vleessoorten en vleesproducten (ministerieel besluit van 16 augustus 1999 tot instelling van een vergoedings- regeling voor sommige voedingsmiddelen van dierlijke oorsprong afkomstig van runderen, varkens en gevo- gelte, vervangen door voornoemd ministerieel besluit van 16 september 1999); c) de tenlasteneming door de Staat van de kosten van bepaalde analyses (voornoemd ministerieel besluit van 4 oktober 1999 betreffende de laboratoriumonder- zoeken uitgevoerd in het kader van de dioxinecrisis). De uitgaven gedaan krachtens de hierboven samen- gevatte maatregelen bedroegen in het totaal ongeveer 3 miljard Belgische frank per 30 september 1999 (waar- van 2 miljard Belgische frank voor landbouwbedrijven en 1 miljard Belgische frank voor andere ondernemin- gen). Volgens de huidige voorzieningen zouden nog nieuwe uitgaven in de orde van 17 miljard Belgische frank kunnen worden gemaakt in uitvoering van deze maatregelen voor het laatste trimester van het jaar 1999 (waarvan ongeveer 4 miljard Belgische frank voor de landbouwsector). COMMENTAAR OP DE ARTIKELEN VAN HET WETSONTWERP Artikel 1 Dit artikel bepaalt dat dit wetsontwerp onder artikel 78 van de Grondwet ressorteert. Art. 2 en 3 Artikel 2 definieert bepaalde begrippen die in de wet worden gebruikt. Deze definities behoeven geen bijzon- dere commentaar. In antwoord op een bemerking van de Raad van State inzake de definitie van de term « dioxinecrisis » dient te worden opgemerkt dat deze in essentie overeenstemt met de definitie die de Europese Commissie er heeft aan gegeven voor de toepassing van artikel 87(2)(b) van het EG-Verdrag. Gevolg gevend aan een andere bemerking van de Raad van State wordt de tekst van voornoemd protocol van 25 augustus 1999 meegedeeld als bijlage bij dit wetsontwerp. rées alimentaires d’origine animale (arrêté ministériel du 2 juillet 1999 organisant l’octroi d’une indemnité pour certains produits d’origine animale dans le cadre de la contamination par la dioxine, remplacé par l’arrêté mi- nistériel du 16 septembre 1999 organisant l’octroi d’une indemnité pour certaines denrées alimentaires d’origine animale se trouvant sur le territoire belge); b) une indemnité de 80 % du prix de revient, pla- fonné au prix du marché, de certaines viandes et pro- duits de viande détruits (arrêté ministériel du 16 août 1999 organisant l’octroi d’une indemnité pour certaines denrées alimentaires d’origine animale provenant de bovins, de porcs et de volailles, remplacé par l’arrêté ministériel du 16 septembre 1999 précité); c) la prise en charge par l’État du coût de certaines analyses (arrêté ministériel du 4 octobre 1999 relatif aux analyses de laboratoire effectuées dans le cadre de la crise de la dioxine). Les dépenses engagées en vertu des mesures résu- mées ci-avant s’élevaient au total à environ 3 milliards de francs belges au 30 septembre 1999 (dont 2 milliards de francs belges pour des entreprises agricoles et 1 milliard de francs belges pour d’autres entreprises). Selon les prévisions actuelles, des dépenses nouvelles de l’ordre de 17 milliards de francs belges pourraient encore être engagées en exécution de ces mesures pour le dernier trimestre de l’année 1999 (dont environ 4 milliards de francs belges pour le secteur agricole). COMMENTAIRES DES ARTICLES DU PROJET DE LOI Article 1er Cet article précise que le présent projet de loi relève de l’article 78 de la Constitution. Art. 2 et 3 L’article 2 définit certains termes utilisés dans la loi. Ces définitions n’appellent pas de commentaires parti- culiers. En réponse à la remarque formulée par le Con- seil d’État à propos de la définition du terme « crise de la dioxine », il convient de noter que celle-ci correspond pour l’essentiel à la définition retenue par la Commis- sion européenne pour l’application de l’article 87(2)(b) du Traité CE. Pour faire suite à une autre remarque du Conseil d’État, le texte du protocole du 25 août 1999 précité est communiqué en annexe au présent projet de loi. 8 DOC 50 0212/001 KAMER 2e ZITTING VAN DE 50e ZITTINGSPERIODE CHAMBRE 2e SESSION DE LA 50 e LÉGISLATURE 1999 2000 Rekening houdend met het technisch karakter van de materie, machtigt artikel 3 de Koning om het begrip landbouwbedrijven te preciseren wat de volgende drie aspecten betreft : — De Koning kan bepalen in welke mate de definitie moet worden uitgebreid door verwijzing naar andere producten van dierlijke oorsprong die in Bijlage I bij het EG-Verdrag als landbouwproducten worden ingedeeld. Hierbij kan inzonderheid worden gedacht aan bepaalde zuivelproducten in eerste graad van bewerking. — De Koning dient eveneens vast te stellen in welke gevallen de gemengde landbouwbedrijven (teelt van ge- wassen in combinatie met het fokken van vee) moeten worden beschouwd als landbouwbedrijven voor de toe- passing van de wet. — Ten slotte kan Hij, in acht genomen de specifieke kenmerken van de landbouwsector, de gevallen bepa- len waarin meerdere entiteiten of exploitatie-eenheden voor doeleinden van de wet moeten worden behandeld als een enkel bedrijf. De regering neemt zich voor om aan de Koning voor te stellen om als een enkel bedrijf te beschouwen meerdere formeel onderscheiden enti- teiten waarvan het vee dat er wordt gefokt, toebehoort (i) aan echtgenoten of aan leden van hetzelfde gezin; (ii) aan een natuurlijke persoon en aan een of meer rechtspersonen waarvan de operationele leiding wordt waargenomen door deze natuurlijke persoon, zijn echt- genoot of een ander lid van zijn gezin; (iii) aan verbon- den ondernemingen in de zin van Hoofdstuk III, Afde- ling I, rubriek IV.A, van de bijlage bij het koninklijk be- sluit van 8 oktober 1976 met betrekking tot de jaar- rekening van de ondernemingen; (iv) aan geassocieerde ondernemingen in de zin van artikel 6 van het koninklijk besluit van 6 maart 1990 op de geconsolideerde jaar- rekening van de ondernemingen; en, in het algemeen, (v) aan ondernemingen met nauwe banden in rechte of in feite op het vlak van kapitaal of bestuur. Er is rekening gehouden met de opmerkingen van de Raad van State betreffende de redactie van artikel 3, 2° en 3°. Art. 4 Dit artikel beoogt een rechtsgrond te creëren voor de toekenning van federale steun ter vergoeding van alle of een deel van de schade die landbouwbedrijven heb- ben geleden tengevolge van de dioxinecrisis, bovenop het deel dat eventueel reeds werd vergoed door andere federale en/of gewestelijke overheidssteun of door ver- goedingen uit particuliere bron (verzekeringen, schade- vergoeding). Vanzelfsprekend zal deze steun enkel worden toe- gekend nadat de specifieke modaliteiten ervan door de Europese Commissie zijn goedgekeurd krachtens arti- kel 87 van het EG-Verdrag. Zoals eerder aangegeven Compte tenu de la technicité de la matière, l’article 3 habilite le Roi à préciser la notion d’entreprises agrico- les en ce qui concerne les trois aspects suivants : — Le Roi pourra déterminer dans quelle mesure la définition doit être élargie par référence à d’autres pro- duits d’origine animale que l’Annexe I au Traité CE clas- sifie comme des produits agricoles. L’on pourrait son- ger notamment à certains produits laitiers de première transformation. — Le Roi devra également établir dans quels cas les entreprises mixtes (culture et élevage associés) doi- vent être considérées comme des entreprises agricoles pour l’application de la loi. — Enfin, Il pourra définir, au regard des spécificités du secteur agricole, les cas dans lesquels plusieurs en- tités ou unités d’exploitation devront être traitées comme une seule entreprise aux fins de la loi. Le gouverne- ment envisage de proposer au Roi que soient ainsi con- sidérées comme une seule entreprise plusieurs entités formellement distinctes dont le bétail qui y est élevé appartient (i) à des conjoints ou aux membres du même ménage; (ii) à une personne physique et à une ou plu- sieurs personnes morales dont la direction opéra- tionnelle est assurée par cette personne physique, son conjoint ou un autre membre de son ménage; (iii) à des entreprises liées au sens du Chapitre III, Section Ire, ru- brique IV.A, de l’annexe à l’arrêté royal du 8 octobre 1976 relatif aux comptes annuels des entreprises; (iv) à des entreprises associées au sens de l’article 6 de l’ar- rêté royal du 6 mars 1990 relatif aux comptes consoli- dés des entreprises; et, de manière générale, (v) à des entreprises ayant des liens étroits en droit ou en fait sur le plan du capital ou de la gestion. Il a été tenu compte des remarques formulées par le Conseil d’État à propos du libellé de l’article 3, 2° et 3°. Art. 4 Cet article vise à établir une base légale pour l’octroi d’aides fédérales destinées à compenser tout ou partie du dommage que des entreprises agricoles ont subi à cause de la crise de la dioxine, en sus, le cas échéant, de la partie déjà compensée par d’autres aides publi- ques fédérales et/ou régionales ou par des indemnités de source privée (assurances, dommages-intérêts). Bien entendu, ces aides ne seront mises en œuvre qu’après que leurs modalités spécifiques auront été approuvées par la Commission européenne en vertu de l’article 87 du Traité CE. Comme indiqué ci-avant, la DOC 50 0212/001 9 KAMER 2e ZITTING VAN DE 50e ZITTINGSPERIODE CHAMBRE 2e SESSION DE LA 50 e LÉGISLATURE 1999 2000 heeft de Commissie reeds de toepasselijkheid erkend van artikel 87(2)(b) (steunmaatregelen tot herstel van schade ingevolge « buitengewone gebeurtenissen ») op steun toegekend in de landbouwsector omwille van de dioxinecrisis in België. Wanneer zich een buitengewone gebeurtenis voordoet in de zin van dit artikel, aanvaardt de Commissie in het algemeen dat de steun tot maxi- mum de volledige schade die door deze gebeurtenis werd veroorzaakt, mag dekken. De steun kan inzonderheid de vorm aannemen van een vergoeding in contanten of van een interestboni- ficatie op de kredieten toegekend met toepassing van voornoemd protocol van 25 augustus 1999. Er wordt voorgesteld om aan de Koning de zorg toe te vertrou- wen om de nadere regels van elk van deze vormen van steun te preciseren. Dit maakt het mogelijk om rekening te houden met de eventuele specifieke opmerkingen die de Europese Commissie in dit verband zou kunnen for- muleren. In antwoord op de bemerkingen van de Raad van State bij dit artikel dient op volgende punten te worden geattendeerd : — De aan de Koning opgedragen bevoegdheid is goed omkaderd door de begrenzing van de steun tot de geleden schade, door de budgettaire enveloppe die zal worden bepaald en waarvan het belangrijkste bestand- deel door het Parlement zal worden vastgesteld (zie de commentaar op artikel 9 hierna), en door de grond- voorwaarden bepaald in de artikelen 5 en 7. — De in artikelen 5 en 7 bepaalde voorwaarden vor- men inderdaad de grondvoorwaarden gesteld door de wet, waarvan de bijkomende voorwaarden en moda- liteiten bepaald door de Koning niet kunnen afwijken. — Men dient overigens aan de Koning een voldoende marge te laten om bijkomende voorwaarden te bepalen en zelfs andere modaliteiten van steun als deze aange- geven in artikel 4, lid 2, opdat Hij in voorkomend geval rekening kan houden met de voorwaarden die de Europese Commissie zou kunnen verbinden aan haar goedkeuring van de steun, alsook met de conclusies van het overleg met de gewestregeringen. — Uit de redactie van de artikelen 4, lid 1, en 5, 2°, volgt duidelijk dat de bewuste steun de geleden schade niet mag overtreffen rekening houdend met eventuele vergoedingen uit particuliere bron (verzekeringen, scha- devergoeding). De herhaling van dit punt in artikel 4, lid 1, zou de tekst van deze bepaling onnodig verzwa- ren. De regering is zich bewust van de praktische moei- lijkheden die zich kunnen stellen bij het meetellen van dergelijke vergoedingen; het komt de Koning toe hier- voor passende regelingen te treffen. Commission a déjà admis l’applicabilité de l’arti- cle 87(2)(b) (aides pour remédier à des « événements extraordinaires ») à des aides octroyées dans le sec- teur agricole en raison de la crise de la dioxine en Belgi- que. En cas de survenance d’un événement extraordi- naire au sens de cet article, la Commission admet en règle générale que les aides peuvent couvrir jusqu’à l’in- tégralité du dommage que cet événement a causé. Les aides pourront notamment prendre la forme d’une indemnité en espèces ou d’une bonification en intérêt sur les crédits octroyés en application du protocole du 25 août 1999 précité. Il est proposé de confier au Roi le soin de préciser les modalités de chacune de ces for- mes d’aide. Ceci permettra de tenir compte des éven- tuelles remarques spécifiques que la Commission euro- péenne pourrait formuler à ce propos. En réponse aux observations formulées par le Con- seil d’État à propos de cet article, il convient de noter les points suivants : — Le pouvoir délégué au Roi est bien encadré par la limitation des aides au dommage subi, par l’enve- loppe budgétaire qui sera constituée et dont la compo- sante principale sera définie par le Parlement (voir le commentaire de l’article 9 ci-après), et par les condi- tions de base définies aux articles 5 et 7. — Les conditions énoncées aux articles 5 et 7 cons- tituent bien des conditions de base définies par la loi, auxquelles les conditions et modalités complémentai- res fixées par le Roi ne pourront pas déroger. — Il convient, par ailleurs, de laisser au Roi une marge suffisante pour définir des conditions addition- nelles, voire d’autres modalités d’aide que celles men- tionnées à l’article 4, alinéa 2, afin qu’Il puisse tenir compte, le cas échéant, des conditions auxquelles la Commission européenne pourrait subordonner son ap- probation des aides, ainsi que des conclusions de la concertation avec les gouvernements de région. — Il ressort clairement de la rédaction des articles 4, alinéa 1er, et 5, 2°, que les aides en question ne peuvent dépasser le dommage subi après prise en compte d’éventuelles indemnités de source privée (assurances, dommages-intérêts). La répétition de ce point à l’arti- cle 4, alinéa 1er, alourdirait inutilement le texte de celui- ci. Le gouvernement est conscient des difficultés prati- ques que la prise en compte de telles indemnités pour- rait poser; il appartiendra au Roi de les régler au mieux. 10 DOC 50 0212/001 KAMER 2e ZITTING VAN DE 50e ZITTINGSPERIODE CHAMBRE 2e SESSION DE LA 50 e LÉGISLATURE 1999 2000 Art. 5 en 6 Overeenkomstig de eisen gesteld door de Europese Commissie in het kader van artikel 87 van het EG-Ver- drag, stelt artikel 5 van dit wetsontwerp de toekenning van nieuwe steun afhankelijk van het bewijs, te leveren door het betrokken landbouwbedrijf, van realiteit en omvang van de schade en het oorzakelijk verband tus- sen deze schade en de dioxinecrisis. Een andere essentiële voorwaarde volgens de Europese Commissie is de afwezigheid van overcom- pensatie ten opzichte van de geleden schade. Dit dient te worden gemeten aan de hand van het subsidie-equi- valent van de verschillende vormen van toegekende steun. Het komt de Koning toe de nadere regels voor de berekening ervan voor de verschillende vormen van steun te bepalen, met dien verstande dat deze moeten worden afgestemd op de berekeningsmethoden van het subsidie-equivalent die door de Europese Commissie worden weerhouden. De Commissie heeft bijvoorbeeld bepaald dat het subsidie-equivalent van de gedeelte- lijke Staatswaarborg toegekend met toepassing van voornoemd protocol van 25 augustus 1999 overeen- stemt met de rentevermindering door de deelnemende banken toegestaan ten opzichte van de gebruikelijke rentevoet (zie de commentaar op artikel 15 hierna), het- geen zich vertaalt in een subsidie-equivalent van maxi- mum 6,05 % van de hoofdsom van het krediet. Bovendien is het in de landbouwsector aangewezen om de beperkte middelen bij voorrang aan te wenden voor steun aan zelfstandige ondernemingen. Inderdaad is voor geïntegreerde bedrijven de nood aan steun, be- oordeeld op groepsbasis, over het algemeen minder dwingend. De regering neemt zich voor om aan de Vorst een besluit ter ondertekening voor te leggen dat het begrip economische zelfstandigheid definieert aan de hand van een reeks criteria die in wezen zijn ingegeven door deze opgenomen in artikel 2bis, § 2, 5°, van het decreet van de Vlaamse Gemeenschap van 23 januari 1991 inzake de bescherming van het leefmilieu tegen de verontreiniging door meststoffen, ingevoegd door het decreet van 20 december 1995. Om praktische redenen kan het nodig zijn dat de schade forfaitair wordt bepaald, volgens criteria die het best de reële schade benaderen. De regering stelt voor dat deze forfaitaire benadering inzonderheid uitgaat van de evolutie van de prijzen in de relevante markt, meer bepaald de prijzen in België vóór de dioxinecrisis. Er wordt eveneens voorgesteld om de landbouwbedrijven gebonden door contracten met gegarandeerde afname- prijzen uit het eventuele forfaitaire stelsel uit te sluiten. Deze bedrijven zullen steeds hun reële schade dienen aan te tonen. Indien deze schade volledig of gedeelte- lijk zou zijn vermeden door een correcte uitvoering van die contracten, zal de regering overwegen om steun met Art. 5 et 6 Conformément aux exigences imposées par la Com- mission européenne dans le cadre de l’article 87 du Traité CE, l’article 5 du présent projet de loi subordonne l’octroi des nouvelles aides à la preuve, à fournir par l’entreprise agricole concernée, de la réalité et de l’am- pleur du dommage et du lien de causalité entre ce dom- mage et la crise de la dioxine. Une autre condition essentielle aux yeux de la Com- mission européenne est l’absence de surcompensation par rapport au dommage subi. Ceci devra être mesuré à partir de l’équivalent-subvention des différentes aides octroyées. Il appartient au Roi d’en définir les modalités de calcul pour les différentes formes d’aide, étant pré- cisé que celles-ci devront s’aligner sur les méthodes de calcul de l’équivalent-subvention retenues par la Com- mission européenne. Par exemple, la Commission a déterminé que l’équivalent-subvention de la garantie d’État partielle accordée en application du protocole du 25 août 1999 précité correspond à la réduction d’intérêt consentie par les banques participantes par rapport au taux usuel (voir le commentaire de l’article 15 ci-après), ce qui se traduit en un équivalent-subvention maximal de 6,05 % du montant principal du crédit. En outre, dans le secteur agricole, il est indiqué de concentrer les ressources limitées sur le soutien d’en- treprises indépendantes. En effet, dans le cas d’entre- prises intégrées les besoins d’aide, jugés pour le groupe dans son ensemble, seront généralement moins pres- sants. Le gouvernement envisage de proposer à la signature du Souverain un arrêté qui définit la notion d’indépendance économique au moyen d’une série de critères qui s’inspirent, pour l’essentiel, de ceux repris à l’article 2bis, § 2, 5°, du décret de la Communauté fla- mande du 23 janvier 1991 relatif à la protection de l’en- vironnement contre la pollution due aux engrais, inséré par le décret du 20 décembre 1995. Pour des raisons pratiques, il pourra être nécessaire que le dommage soit établi de manière forfaitaire, sur la base de critères qui assurent la meilleure approximation du dommage réel. Le gouvernement propose que cette détermination forfaitaire soit basée notamment sur l’évo- lution des prix sur le marché concerné, plus spécifique- ment les prix en Belgique avant la crise de la dioxine. Il est également proposé d’exclure de l’éventuel régime forfaitaire les entreprises agricoles liées par des con- trats comportant des prix d’achat garantis. Ces entre- prises seront toujours tenues de prouver leur dommage réel. Si tout ou partie de ce dommage avait pu être évité par une exécution correcte de ces contrats, le gouver- DOC 50 0212/001 11 KAMER 2e ZITTING VAN DE 50e ZITTINGSPERIODE CHAMBRE 2e SESSION DE LA 50 e LÉGISLATURE 1999 2000 toepassing van artikel 4 toe te kennen mits subrogatie van de Staat in de rechten van het betrokken landbouw- bedrijf ten aanzien van diens co-contractant. Wat de bemerkingen van de Raad van State bij de artikelen 5 en 6 betreft, dient op volgende punten te wor- den gewezen : — De voorwaarde gesteld in artikel 5, 3°, ligt in de lijn van de beschikkingspraktijk van de Europese Com- missie inzake de toepassing van artikel 87 (2) (b) van het EG-Verdrag. Zij beoogt elke overtreding van beschik- kingen door de regering genomen in het kader van de dioxinecrisis (niet-eerbiediging van een maatregel van bewarend beslag, onregelmatigheid op het vlak van certificatie enz.). — Er is rekening gehouden met de opmerking van de Raad van State inzake de redactie van artikel 5, 4°. — Wat artikel 6, § 2, betreft, is het op praktisch vlak zeer moeilijk om voor eenzelfde onderneming een stel- sel van werkelijk bewijs voor een deel van de schade te combineren met een forfaitaire berekening van een an- der deel. — Het komt de Koning toe om, in voorkomend ge- val, toekenning van steun afhankelijk te stellen van inde- plaatsstelling van de Staat in de rechten van de begun- stigde ten aanzien van derden en de nadere regels er- van te preciseren. Art. 7 In antwoord op de bemerkingen van de Raad van State bij artikel 7 bevestigt de regering dat, zoals de tekst zelf van dit artikel aangeeft, de verzaking aan rech- ten en vorderingen een voorwaarde is voor de effec- tieve storting van de steun. Het is op dat tijdstip dat de begunstigde vrij zijn keuze zal kunnen bepalen, met vol- ledig inzicht in het bedrag van de steun die hem wordt aangeboden. Art. 8 Dit artikel beoogt de Staat te machtigen om dadingen aan te gaan in het kader van rechtsgeschillen waarin de aquiliaanse aansprakelijkheid van de Staat wordt ingeroepen voor schade geleden ten gevolge van de dioxinecrisis. Uiteraard impliceert dit geen enkele erken- ning van een fout door de Staat inzake het beheer van de crisis. Het zal overigens in het algemeen zeer moei- lijk zijn om een afdoend oorzakelijk verband te leggen tussen de vermeende foutieve handelingen van de Staat en de geleden schade. De regering vindt derhalve dat zij in een goede positie staat om zich te verdedigen in het aansprakelijkheidscontentieux. Er kan evenwel niet nement n’envisagera d’octroyer des aides en applica- tion de l’article 4 que moyennant subrogation de l’État dans les droits de l’entreprise agricole concernée à l’égard de son co-contractant. S’agissant des remarques du Conseil d’État à pro- pos des articles 5 et 6, il convient de noter les points suivants : — La condition énoncée à l’article 5, 3°, correspond à la jurisprudence de la Commission européenne rela- tive à l’application de l’article 87 (2) (b) du Traité CE. Elle vise toute infraction aux dispositions arrêtées par le gouvernement dans le cadre de la crise de la dioxine (non-respect d’une mesure de saisie conservatoire, ir- régularités en matière de certification, etc.). — Il a été tenu compte de la remarque du Conseil d’État à propos du libellé de l’article 5, 4°. — En ce qui concerne l’article 6, § 2, il est très diffi- cile sur le plan pratique de combiner, dans le chef d’une même entreprise, un régime de preuve réelle pour une partie du dommage et un calcul forfaitaire pour une autre partie. — Il appartiendra au Roi, le cas échéant, de subor- donner l’octroi de l’aide à la subrogation de l’État dans les droits du bénéficiaire à l’égard de tiers et d’en préci- ser les modalités. Art. 7 En réponse aux remarques formulées par le Conseil d’État à propos de l’article 7, le gouvernement confirme que, comme l’indique le libellé même de cet article, la renonciation aux droits et actions est une condition au versement effectif de l’aide. C’est à ce moment que le bénéficiaire pourra librement faire son choix, en parfaite connaissance du montant de l’aide qui lui est proposée. Art. 8 Cet article vise à autoriser l’État à transiger dans le cadre de litiges dans lesquels la responsabilité aquilienne de l’État est mise en cause pour des dom- mages subis en raison de la crise de la dioxine. Bien entendu, ceci n’implique aucune reconnaissance de faute de la part de l’État dans la gestion de la crise. Par ailleurs, il sera généralement très difficile d’établir un lien de causalité suffisant entre les actes prétendument fautifs de l’État et le dommage subi. Le gouvernement s’estime donc en bonne position pour se défendre dans les contentieux de responsabilité. Cependant, il ne peut pas être exclu qu’il puisse être dans l’intérêt de l’État de 12 DOC 50 0212/001 KAMER 2e ZITTING VAN DE 50e ZITTINGSPERIODE CHAMBRE 2e SESSION DE LA 50 e LÉGISLATURE 1999 2000 worden uitgesloten dat het in individuele gevallen in het belang van de Staat kan zijn om een dading aan te gaan en deze mogelijkheid moet worden voorzien. Art. 9 De regering stelt voor dat de in artikel 4 bedoelde steunmaatregelen worden gefinancierd uit twee bron- nen, namelijk een eenmalig begrotingskrediet ten laste van het begrotingsjaar 1999 en, voor het saldo, bepaalde bestemde ontvangsten. Aldus zal de regering binnenkort, in het kader van een afzonderlijk wetsontwerp tot aanpassing van de al- gemene uitgavenbegroting van het begrotingsjaar 1999, voorstellen om een eenmalig niet-gesplitst krediet in te schrijven, dat het grootste gedeelte van de te voorziene enveloppe zal dekken. Er zal worden bepaald dat de uitvoering van de betreffende betalingen kan worden opgedragen aan een gespecialiseerde instelling, volgens de termen van een overeenkomst tussen de Staat en deze instelling. Het saldo van de enveloppe zou worden gedekt door bepaalde bestemde ontvangsten, en voorgesteld wordt om hiertoe een begrotingsfonds op te richten, genoemd « Fonds voor de schadeloosstelling van landbouw- bedrijven getroffen door de dioxinecrisis », met toepas- sing van artikel 45 van de gecoördineerde wetten op de Rijkscomptabiliteit. Art. 10 tot 12 Deze artikelen betreffen de ontvangsten van het Fonds. Deze ontvangsten omvatten vrijwillige bijdragen, die worden toegevoegd aan de lijst van de aftrekbare giften krachtens artikel 104 van het Wetboek van de inkom- stenbelastingen 1992. Bovendien kan het Fonds worden gestijfd door een solidariteitsbijdrage ten laste van objectief bepaalde categorieën van ondernemingen in de landbouwsector en rechtstreekse of onrechtstreekse leveranciers en af- nemers van dergelijke ondernemingen. Er wordt voor- gesteld om de Koning te machtigen een dergelijke bij- drage in te voeren, met dien verstande dat, overeen- komstig de grondwettelijke beginselen, een dergelijk besluit wettelijke bekrachtiging behoeft binnen een korte termijn. De Europese Commissie oordeelt dat steun niet kan worden gefinancierd door parafiscale bijdragen die eveneens worden geheven op producten ingevoerd uit andere lidstaten. Om deze reden dient dit specifiek te worden uitgesloten. Het objectief van de regering is dat het Fonds kan worden gestijfd door vrijwillige of verplichte bijdragen transiger dans des cas individuels et il convient de pré- voir cette possibilité. Art. 9 Le gouvernement propose que les aides visées à l’ar- ticle 4 soient financées par une double voie, à savoir un crédit budgétaire unique à charge de l’année budgé- taire 1999 et, pour le surplus, par certaines recettes af- fectées. Ainsi, dans le cadre d’un projet de loi séparé portant ajustement du budget général des dépenses de l’an- née budgétaire 1999, le gouvernement proposera pro- chainement d’inscrire un crédit unique non dissocié qui couvrira la majeure partie de l’enveloppe à prévoir. Il sera prévu que l’exécution des paiements en question pourra être confiée à une institution spécialisée, selon les termes d’une convention entre l’État et cette institu- tion. Le solde de l’enveloppe serait couvert par certaines recettes affectées, et il est proposé à ces fins de créer un nouveau fonds budgétaire, appelé « Fonds d’indemnisation d’entreprises agricoles touchées par la crise de la dioxine », en application de l’article 45 des lois coordonnées sur la comptabilité de l’État. Art. 10 à 12 Ces articles traitent des recettes du Fonds. Ces recettes comprennent des contributions volon- taires, qui sont ajoutées à la liste des libéralités déductibles en vertu de l’article 104 du Code des im- pôts sur les revenus 1992. En outre, le Fonds pourra être alimenté par une coti- sation de solidarité à charge de catégories objectivement définies d’entreprises relevant du secteur agricole et de fournisseurs et de clients directs ou indirects de telles entreprises. Il est proposé d’habiliter le Roi à introduire une telle cotisation, étant entendu que, conformément aux principes constitutionnels, un tel arrêté sera sou- mis à confirmation légale dans un bref délai. La Com- mission européenne considère que des aides ne peu- vent pas être financées par des cotisations parafiscales grevant également des produits importés d’autres États membres. Pour cette raison, il y a lieu de l’exclure spécifiquement. L’objectif du gouvernement est que le Fonds puisse être alimenté par des contributions volontaires ou obli- DOC 50 0212/001 13 KAMER 2e ZITTING VAN DE 50e ZITTINGSPERIODE CHAMBRE 2e SESSION DE LA 50 e LÉGISLATURE 1999 2000 uit de particuliere sector voor ten minste 10 % à 15 % van het totale te financieren bedrag. Eventuele steun toegekend door de Europese Unie als gevolg van de dioxinecrisis zou eveneens in het Fonds worden gestort. Art. 13 en 14 Deze artikelen behoeven geen bijzondere commen- taar. Er dient evenwel te worden opgemerkt dat naast de steun waarvan hierboven sprake, de uitgaven die op het Fonds kunnen worden aangerekend, eveneens de bedragen omvatten die de Staat, in voorkomend geval, zou dienen te betalen ingevolge dadingen in het kader van geschillen met betrekking tot de vergoeding van schade geleden als gevolg van de dioxinecrisis en in- gevolge zijn waarborg met betrekking tot kredieten toe- gekend met toepassing van voornoemd protocol van 25 augustus 1999 (zie de commentaren op de artike- len 8 en 15). Wat de opmerking van de Raad van State bij arti- kel 13 betreft, meent de regering de mogelijkheid te moe- ten behouden om de uitvoering van de betalingen van het Fonds op te dragen aan een gespecialiseerde in- stelling teneinde in voorkomend geval te kunnen zor- gen voor een gegroepeerd beheer met de betalingen ingevolge het begrotingskrediet (zie de commentaar bij artikel 9 hiervoor). Art. 15 Dit artikel beoogt de rechtsgrond vast te leggen voor de toekenning van de gedeeltelijke Staatswaarborg op de kredieten door kredietinstellingen toegekend in uit- voering van het protocol gesloten op 25 augustus 1999 tussen de Staat en de Belgische Vereniging van Ban- ken. Dit protocol richt een systeem van over- bruggingskredieten in, ten belope van een totale maximumenveloppe van 25 miljard Belgische frank, die deelnemende Belgische of buitenlandse banken kun- nen toekennen, met een Staatswaarborg van 50 %, aan intrinsiek gezonde landbouwbedrijven met cash flow pro- blemen ingevolge een aanzienlijke daling van hun ver- koop wegens de destabilisering van de markt veroor- zaakt door de dioxinecrisis. Het bedrag van elk krediet is beperkt tot maximum 5 miljoen Belgische frank. De maximale looptijd ervan bedraagt zeven jaar en het kapitaal moet worden afge- lost in gelijke jaarlijkse schijven vanaf het einde van het derde jaar. De deelnemende banken zien af van hun gebruikelijke marge op de interestvoet, die zou worden beperkt tot de « Belgian prime rate » min 30 basispunten. gatoires du secteur privé à hauteur d’au moins 10 % à 15 % du montant total à financer. D’éventuelles aides octroyées par l’Union européenne en raison de la crise de la dioxine seraient également versées au Fonds. Art. 13 et 14 Ces articles n’appellent pas de commentaires parti- culiers. Il convient de noter cependant qu’à côté des aides dont question ci-avant, les dépenses imputables au Fonds comprennent également les montants que l’État pourrait, le cas échéant, être amené à payer en vertu de transactions conclues dans le cadre de litiges portant sur l’indemnisation des dommages subis à cause de la crise de la dioxine et en vertu de sa garantie rela- tive aux crédits octroyés en application du protocole du 25 août 1999 précité (voir les commentaires des arti- cles 8 et 15). S’agissant de la remarque du Conseil d’État à pro- pos de l’article 13, le gouvernement estime devoir main- tenir la possibilité de confier l’exécution des paiements du Fonds à une institution spécialisée en vue de pou- voir assurer, le cas échéant, une gestion centralisée avec celle des paiements en vertu du crédit budgétaire (voir le commentaire de l’article 9 ci-avant). Art. 15 Cet article vise à établir la base légale pour l’octroi de la garantie partielle de l’État aux crédits accordés par des établissements de crédit en exécution du proto- cole conclu le 25 août 1999 entre l’État et l’Association belge des Banques. Ce protocole organise un système de crédits de sou- dure, à concurrence d’une enveloppe totale maximale de 25 milliards de francs belges, que des banques bel- ges ou étrangères participantes pourront accorder, sous le bénéfice d’une garantie de l’État de 50 %, à des en- treprises agricoles intrinsèquement saines qui connais- sent des difficultés de cash-flow dues à une baisse im- portante de leurs ventes en raison de la déstabilisation du marché causée par la crise de la dioxine. Le montant de chaque crédit est limité à 5 millions de francs belges au plus. Sa durée maximale est de sept ans et le capital doit être amorti en tranches annuelles égales à partir de la fin de la troisième année. Les ban- ques participantes renoncent à leur marge habituelle sur le taux d’intérêt qui est plafonné au « Belgian prime rate » moins 30 points de base. Ainsi, l’effort du secteur 14 DOC 50 0212/001 KAMER 2e ZITTING VAN DE 50e ZITTINGSPERIODE CHAMBRE 2e SESSION DE LA 50 e LÉGISLATURE 1999 2000 Zo is de inspanning van de openbare sector (de Staats- waarborg van 50 %) gekoppeld aan een belangrijke in- spanning van de banksector, die nog steeds 50 % van het kredietrisico op zich neemt en een interestvoet toe- staat die zich in de buurt van de kostprijs situeert. Bo- vendien worden er beperkingen voorzien om te vermij- den dat de nieuwe kredieten zouden dienen tot her- financiering van lopende kredieten van de betrokken bank. Binnen de parameters bepaald door het protocol be- horen de toekenning en de opvolging van de kredieten tot de verantwoordelijkheid van de banken, die ertoe zijn gehouden de normale regels van voorzichtige kredietpolitiek toe te passen. Elk kredietdossier wordt door de banken aan het Belgisch Interventie- en Restitutiebureau ter goedkeuring voorgelegd, waarbij deze wordt geacht te zijn bekomen indien zij geen be- zwaar maakt binnen 15 dagen na ontvangst van het dossier. De goedkeuring van het Bureau brengt de toe- kenning van de Staatswaarborg met zich mee. De Staatswaarborg met betrekking tot de overbruggingskredieten van het protocol heeft aldus betrekking op een totaalbedrag van maximum 12,5 mil- jard Belgische frank in hoofdsom, gespreid over een ge- heel van individuele kredieten van maximum 5 miljoen Belgische frank toegekend aan bedrijven die behoren tot een traditioneel sterke sector, en die door de banken die de andere helft van het kredietrisico op zich nemen, als fundamenteel gezond worden beoordeeld. De rege- ring onderzoekt of het wenselijk is om het kredietrisico betreffende deze staatswaarborg bij een consortium van verzekeringsmaatschappijen te verzekeren. Deze steunmaatregel werd op 7 september jongstle- den door de Europese Commissie goedgekeurd krach- tens artikel 87(2)(b) van het EG-Verdrag. Art. 16 Dit artikel beoogt een duidelijke rechtsgrond vast te stellen voor de eventuele vergoeding van operatoren wier producten van dierlijke oorsprong (met inbegrip, in voorkomend geval, van stocks in het buitenland) wer- den vernietigd, geblokkeerd of uit de handel genomen ingevolge maatregelen die de Belgische overheid heeft genomen in het kader van de dioxinecrisis. Het betreft vooral de dringende maatregelen genomen in het be- lang van de volkgezondheid met toepassing van arti- kel 6bis van de wet van 24 januari 1977 betreffende de bescherming van de gezondheid van de verbruikers op het stuk van voedingsmiddelen en andere producten, ingevoegd door de wet van 22 maart 1989. De betrok- ken maatregelen werden hiervoor aangegeven. public (la garantie de l’État de 50 %) s’accompagne d’un effort important du secteur bancaire, qui assume tou- jours 50 % du risque de crédit et consent un taux d’inté- rêt qui se situe à un niveau proche du prix coûtant. Par ailleurs, des restrictions sont prévues en vue d’éviter que les nouveaux crédits ne servent à refinancer des crédits en cours de la banque concernée. Dans le respect des paramètres établis par le proto- cole, l’octroi et le suivi des crédits relèvent de la respon- sabilité des banques qui sont tenues d’appliquer les rè- gles normales de politique de crédit prudente. Chaque dossier de crédit est soumis par les banques au Bureau d’intervention et de restitution belge pour approbation, celle-ci étant réputée acquise à défaut d’objection dans les 15 jours suivant la réception du dossier. L’approba- tion du Bureau entraîne l’octroi de la garantie de l’État. La garantie de l’État relative aux crédits de soudure du protocole porte donc sur un montant total maximal de 12,5 milliards de francs en principal, réparti sur un ensemble de crédits individuels plafonnés à 5 millions de francs belges accordés à des entreprises relevant d’un secteur traditionnellement robuste et jugées fondamentalement saines par des banques assumant l’autre moitié du risque de crédit. Le gouvernement étu- die l’opportunité d’assurer le risque de crédit afférent à cette garantie de l’État auprès d’un consortium de com- pagnies d’assurance. Cette mesure d’aide a été approuvée le 7 septembre dernier par la Commission européenne en vertu de l’ar- ticle 87(2)(b) du Traité CE. Art. 16 Cet article vise à établir une base légale claire pour l’éventuelle indemnisation d’opérateurs dont les produits d’origine animale (y compris, le cas échéant, des stocks situés à l’étranger) ont été détruits, bloqués ou retirés du commerce à la suite de mesures prises par les auto- rités publiques belges dans le cadre de la crise de la dioxine. Il s’agit surtout de mesures urgentes prises dans l’intérêt de la santé publique en application de l’arti- cle 6bis de la loi du 24 janvier 1977 relative à la protec- tion de la santé des consommateurs en ce qui concerne les denrées alimentaires et les autres produits, inséré par la loi du 22 mars 1989. Les mesures en question ont été mentionnées ci-avant. DOC 50 0212/001 15 KAMER 2e ZITTING VAN DE 50e ZITTINGSPERIODE CHAMBRE 2e SESSION DE LA 50 e LÉGISLATURE 1999 2000 Art. 17 tot 19 De regering heeft er zich ten aanzien van de Europese Commissie toe verbonden om een controleprocedure a posteriori in te stellen teneinde te verifiëren of de cumu- latie van federale en gewestelijke steun (ongeacht of het al dan niet federale steun betreft toegekend met toe- passing van deze wet) niet leidt tot een overcompensa- tie ten opzichte van de schade die de ondernemingen hebben geleden als gevolg van de dioxinecrisis. De ar- tikelen 17 tot 19 van dit wetsontwerp richten deze controleprocedure in. Er wordt bepaald dat een even- tueel excedent van de steun zal worden aangerekend op de uitgekeerde federale steun, in omgekeerde chro- nologische volgorde, en aan het Fonds moet worden teruggestort. Wat de opmerking van de Raad van State bij arti- kel 19 betreft, deze bepaling is van essentieel belang in de ogen van de Europese Commissie en zij dient te wor- den gehandhaafd. De regering geeft er zich rekenschap van dat zij in theorie aanleiding zou kunnen geven tot toepassingsmoeilijkheden in geval van gelijkaardige maatregelen van Gewesten; dergelijke moeilijkheden zouden inderdaad kunnen worden geregeld in een samenwerkingsakkoord. Art. 20 en 21 Deze artikelen behoeven geen bijzondere commen- taar. * * * Dit, Dames en Heren, is de draagwijdte van het ontwerp van wet dat de regering de eer heeft u ter goedkeuring voor te leggen. De eerste minister, Guy VERHOFSTADT De vice-eerste minister en minister van Begroting, Maatschappelijke Integratie en Sociale Economie, Johan VANDE LANOTTE De minister van Consumentenzaken, Volksgezondheid en Leefmilieu, Magda AELVOET Art. 17 à 19 Le gouvernement s’est engagé à l’égard de la Com- mission européenne à instaurer une procédure de con- trôle a posteriori pour vérifier que le cumul d’aides fédé- rales et régionales (qu’il s’agisse ou non d’aides fédé- rales octroyées en application de la présente loi) ne mène pas à une surcompensation par rapport au dom- mage subi par les entreprises concernées à cause de la crise de la dioxine. Les articles 17 à 19 du présent projet de loi organisent cette procédure de contrôle. Il est prévu qu’un éventuel excédent d’aide sera imputé sur les aides fédérales versées, en ordre chronologi- que inverse, et devra être restitué au Fonds. S’agissant de la remarque du Conseil d’État à pro- pos de l’article 19, cette disposition est essentielle aux yeux de la Commission européenne et il convient de la maintenir. Le gouvernement est conscient du fait qu’elle pourrait en théorie donner lieu à des difficultés d’appli- cation en cas de mesures analogues prises par les Ré- gions; de telles difficultés pourraient en effet être réglées dans un accord de coopération. Art. 20 et 21 Ces articles n’appellent pas de commentaires parti- culiers. * * * Voici, Mesdames, Messieurs, la portée du projet de loi que le gouvernement a l’honneur de soumettre à votre approbation. Le premier ministre, Guy VERHOFSTADT Le vice-premier ministre et ministre du Budget, de l’Intégration sociale et de l’Économie sociale, Johan VANDE LANOTTE La ministre de la Protection de la Consommation, de la Santé publique et de l’Environnement, Magda AELVOET 16 DOC 50 0212/001 KAMER 2e ZITTING VAN DE 50e ZITTINGSPERIODE CHAMBRE 2e SESSION DE LA 50 e LÉGISLATURE 1999 2000 De minister van Landbouw en Middenstand, Jaak GABRIELS De minister van Financiën, Didier REYNDERS De minister van Economie en Wetenschappelijk Onderzoek, Rudy DEMOTTE De staatssecretaris voor Buitenlandse Handel, toegevoegd aan de minister van Buitenlandse Zaken, Pierre CHEVALIER Le ministre de l’Agriculture et des Classes moyennes, Jaak GABRIELS Le ministre des Finances, Didier REYNDERS Le ministre de l’Économie et de la Recherche scientifique, Rudy DEMOTTE Le secrétaire d’État au Commerce extérieur, adjoint au ministre des Affaires étrangères, Pierre CHEVALIER DOC 50 0212/001 17 KAMER 2e ZITTING VAN DE 50e ZITTINGSPERIODE CHAMBRE 2e SESSION DE LA 50 e LÉGISLATURE 1999 2000 VOORONTWERP VAN WET onderworpen aan het advies van de Raad van State ______ Voorontwerp van wet betreffende steunmaatregelen ten gunste van landbouwbedrijven getroffen door de dioxinecrisis ______ HOOFDSTUK 1 Algemeen Artikel 1 Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 78 van de Grondwet. Art. 2 Voor de toepassing van deze wet moet worden ver- staan onder : 1° « dioxinecrisis » : het geheel van buitengewone gebeurtenissen gevormd door de infiltratie van door dioxines verontreinigde grondstoffen in de diervoeder- keten, in België vastgesteld in 1999, door de maatrege- len die de overheid ingevolge deze vaststelling heeft genomen om te beletten dat potentieel gecontami- neerde, voor menselijke consumptie of vervoedering bestemde producten van dierlijke oorsprong in de han- del komen of blijven of om in het belang van de volks- gezondheid of het dierenwelzijn te zorgen voor de ver- nietiging van dieren of producten die werden geblok- keerd, en door de verstoring van de relevante markten ingevolge deze verontreiniging of deze maatregelen; 2° « landbouwbedrijf » : elke onderneming waarvan de hoofdactiviteit bestaat in de teelt van pluimvee, var- kens of runderen of de productie van eieren of melk; 3° « Protocol » : het protocol gesloten op 25 augus- tus 1999 tussen de Staat en de Belgische Vereniging van Banken betreffende de toekenning van overbrug- gingskredieten aan landbouwbedrijven getroffen door de dioxinecrisis; 4° « Verdrag » : het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap; 5° « Commissie » : de Commissie van de Europese Gemeenschappen; AVANT-PROJET DE LOI soumis à l’avis du Conseil d’État ______ Avant-projet de loi relatif à des mesures d’aide en faveur d’entreprises agricoles touchées par la crise de la dioxine ______ CHAPITRE PREMIER Généralités Article 1er La présente loi règle une matière visée à l’article 78 de la Constitution. Art. 2 Pour l’application de la présente loi, il y a lieu d’en- tendre par : 1° « crise de la dioxine » : l’ensemble des événe- ments extraordinaires constitués par l’entrée de matiè- res premières contaminées par des dioxines dans la chaîne alimentaire animale, constatée en Belgique en 1999, par les mesures prises par les autorités publiques suite à cette constatation en vue d’empêcher la commercialisation de produits d’origine animale potentiellement contaminés destinés à la consomma- tion humaine ou animale ou en vue d’assurer l’élimina- tion d’animaux ou de produits ayant fait l’objet de me- sures de blocage dans l’intérêt de la santé publique ou du bien-être animal, et par la perturbation des marchés concernés en raison de cette contamination ou de ces mesures; 2° « entreprise agricole » : toute entreprise dont l’ac- tivité principale consiste en l’élevage de volaille, porcs ou bovins ou en la production d’œufs ou de lait; 3° « Protocole » : le protocole conclu le 25 août 1999 entre l’État et l’Association belge des Banques relatif l’octroi de crédits de soudure à des entreprises agrico- les touchées par la crise de la dioxine; 4° « Traité » : le Traité instituant la Communauté européenne; 5° « Commission » : la Commission des Communau- tés européennes; 18 DOC 50 0212/001 KAMER 2e ZITTING VAN DE 50e ZITTINGSPERIODE CHAMBRE 2e SESSION DE LA 50 e LÉGISLATURE 1999 2000 6° « Fonds » : het Fonds voor de schadeloosstelling van landbouwbedrijven getroffen door de dioxinecrisis, opgericht door artikel 9. Art. 3 Voor de toepassing van deze wet kan de Koning, te- gen de voorwaarden die Hij vaststelt : 1° ondernemingen waarvan de hoofdactiviteit bestaat in de productie van andere producten van dierlijke oor- sprong die voorkomen in de lijst opgenomen als Bijlage I bij het Verdrag, gelijkstellen met landbouwbedrijven; 2° gemengde bedrijven gelijkstellen met landbouw- bedrijven; 3° de gevallen bepalen waarin meerdere entiteiten of exploitatie-eenheden dienen te worden beschouwd als één enkel landbouwbedrijf. HOOFDSTUK 2 Schadeloosstelling van landbouwbedrijven getrof- fen door de dioxinecrisis Art. 4 Binnen de grenzen toegestaan door de Commissie krachtens artikel 87 van het Verdrag en tegen de voor- waarden bepaald bij een in Ministerraad overlegd ko- ninklijk besluit, kan de Staat steun toekennen aan landbouwbedrijven teneinde alle of een deel van de schade te dekken die deze bedrijven hebben geleden ten gevolge van de dioxinecrisis, in de mate waarin deze schade niet wordt gedekt door andere federale of ge- westelijke overheidssteun. De in lid 1 bedoelde steun kan inzonderheid de vorm aannemen van een interestbonificatie op de kredieten toegekend met toepassing van het Protocol of van een vergoeding in contanten, volgens de nadere regels be- paald bij een in Ministerraad overlegd koninklijk besluit. Art. 5 Een landbouwbedrijf komt enkel in aanmerking voor steun met toepassing van artikel 4 voorzover het : 1° het bewijs levert van de geleden schade en van een rechtstreeks oorzakelijk verband tussen deze schade en de dioxinecrisis; 2° aantoont dat de gevraagde steun in subsidie-equi- valent de geleden schade niet overtreft, rekening hou- dend, in voorkomend geval, met alle andere federale en regionale overheidssteun die het bedrijf reeds heeft bekomen omwille van de dioxinecrisis, en met de ver- 6° « Fonds » : le Fonds d’indemnisation d’entrepri- ses agricoles touchées par la crise de la dioxine, insti- tué par l’article 9. Art. 3 Pour l’application de la présente loi, le Roi peut, aux conditions qu’Il fixe : 1° assimiler à des entreprises agricoles des entre- prises dont l’activité principale consiste en la produc- tion d’autres produits d’origine animale repris sur la liste figurant à l’Annexe I au Traité; 2° assimiler des entreprises mixtes à des entrepri- ses agricoles; 3° définir les cas dans lesquels plusieurs entités ou unités d’exploitation doivent être considérées comme une seule entreprise agricole. CHAPITRE 2 Indemnisation d’entreprises agricoles touchées par la crise de la dioxine Art. 4 Dans les limites autorisées par la Commission en vertu de l’article 87 du Traité et aux conditions définies par un arrêté royal délibéré en Conseil des ministres, l’État peut accorder des aides à des entreprises agrico- les en vue de couvrir tout ou partie du dommage subi par ces entreprises à cause de la crise de la dioxine, dans la mesure où ce dommage n’est pas couvert par d’autres aides publiques fédérales ou régionales. Les aides visées à l’alinéa 1er peuvent notamment prendre la forme d’une bonification en intérêt sur les crédits octroyés en application du Protocole ou d’une indemnité en espèces, selon les modalités définies par un arrêté royal délibéré en Conseil des ministres. Art. 5 Une entreprise agricole est éligible au bénéfice d’une aide en application de l’article 4 pour autant qu’elle : 1° fournisse la preuve du dommage subi et d’un lien de causalité direct entre ce dommage et la crise de la dioxine; 2° établisse que l’aide demandée ne dépasse pas en équivalent-subvention le dommage subi, compte tenu, le cas échéant, de toutes les autres aides publi- ques fédérales et régionales que l’entreprise a déjà ob- tenues en raison de la crise de la dioxine et de toutes DOC 50 0212/001 19 KAMER 2e ZITTING VAN DE 50e ZITTINGSPERIODE CHAMBRE 2e SESSION DE LA 50 e LÉGISLATURE 1999 2000 goedingen die het heeft verkregen of waarop het recht heeft krachtens verzekeringspolissen of bij wege van schadevergoeding ingevolge contractuele of buiten- contractuele aansprakelijkheid van derden; 3° geen onregelmatigheden heeft begaan ten aan- zien van de maatregelen genomen door de overheid in het kader van de dioxinecrisis; 4° de voorwaarden van economische zelfstandigheid vervult zoals bepaald bij een in Ministerraad overlegd koninklijk besluit. Art. 6 § 1. Bij een in Ministerraad overlegd besluit bepaalt de Koning : 1° de procedure voor de aanvraag van steun bedoeld in artikel 4 en voor het onderzoek van de betreffende aanvragen; 2° de nadere regels volgens welke de landbouw- bedrijven de elementen aangegeven in artikel 5, 1° en 2°, moeten aantonen; 3° de nadere regels voor de berekening van het sub- sidie-equivalent van de verschillende vormen van overheidssteun toegekend omwille van de dioxinecrisis en van de schade die de landbouwbedrijven tengevolge daarvan hebben geleden. § 2. De schade geleden tengevolge van de dioxinecrisis kan forfaitair worden bepaald op grond van objectieve indicatoren, behalve in het geval van landbouwbedrijven gebonden door contracten met ge- garandeerde afnameprijzen voor dieren die zij fokken of vetmesten, of voor producten van dierlijke oorsprong die zij produceren. Art. 7 Steun met toepassing van artikel 4 kan niet worden uitgekeerd vooraleer de begunstigde schriftelijk, zonder voorbehoud en onherroepelijk, heeft verzaakt aan elk recht en elke vordering tegen de Staat omwille van schade geleden tengevolge van de dioxinecrisis, noch, zo de begunstigde hiervoor reeds tegen de Staat een vordering tot schadevergoeding bij de rechtbanken had ingesteld, vooraleer de begunstigde afstand van geding heeft betekend aan de Staat. Art. 8 Tegen de voorwaarden bepaald bij een in Minister- raad overlegd koninklijk besluit kan de Staat dadingen aangaan in het kader van rechtsgeschillen betreffende de vergoeding van schade die ondernemingen bewe- ren te hebben geleden tengevolge van de dioxinecrisis. les indemnités qu’elle a reçues ou auxquelles elle a droit en vertu de polices d’assurances ou à titre de domma- ges-intérêts du chef de la responsabilité contractuelle ou extra-contractuelle de tiers; 3° n’ait pas commis d’irrégularités au regard des mesures prises par les autorités publiques dans le ca- dre de la crise de la dioxine; 4° remplisse les conditions d’indépendance écono- mique définies par arrêté royal délibéré en Conseil des ministres. Art. 6 § 1er. Par arrêté délibéré en Conseil des ministres, le Roi définit : 1° la procédure applicable aux demandes d’aides vi- sées à l’article 4 et à l’examen de ces demandes; 2° les modalités selon lesquelles les entreprises agri- coles doivent établir les éléments visés à l’article 5, 1° et 2°; 3° les modalités de calcul de l’équivalent-subvention des différentes formes d’aides publiques octroyées en raison de la crise de la dioxine et du dommage subi par les entreprises agricoles à cause de celle-ci. § 2. Le dommage subi à cause de la crise de la dioxine peut être déterminé sur une base forfaitaire à partir d’indicateurs objectifs, sauf dans le cas d’entre- prises agricoles liées par des contrats comportant des prix d’achat garantis pour des animaux qu’elles élèvent ou engraissent ou pour des produits d’origine animale qu’elles produisent. Art. 7 Il ne peut être procédé au versement d’une aide en application de l’article 4 avant que le bénéficiaire n’ait renoncé par écrit, sans réserve et de manière irrévoca- ble, à tout droit et toute action contre l’État en raison de dommages subis à cause de la crise de la dioxine ni, si le bénéficiaire avait déjà introduit une action en dom- mages-intérêts de ce chef contre l’État devant les tribu- naux, avant que le bénéficiaire n’ait signifié le désiste- ment d’instance à l’État. Art. 8 Aux conditions définies par un arrêté royal délibéré en Conseil des ministres, l’État peut transiger dans le cadre de litiges portant sur l’indemnisation de domma- ges que des entreprises prétendent avoir subis à cause de la crise de la dioxine. 20 DOC 50 0212/001 KAMER 2e ZITTING VAN DE 50e ZITTINGSPERIODE CHAMBRE 2e SESSION DE LA 50 e LÉGISLATURE 1999 2000 HOOFDSTUK 3 Financiering Art. 9 Met toepassing van artikel 45 van de wetten op de Rijkscomptabiliteit, gecoördineerd op 17 juli 1991, wordt bij het ministerie van Middenstand en Landbouw een begrotingsfonds ingesteld met de naam « Fonds voor de schadeloosstelling van landbouwbedrijven getroffen door de dioxinecrisis ». Het Fonds heeft ten doel om de uitgaven te dekken die voortvloeien uit de steun bedoeld in artikel 4, de dadingen bedoeld in artikel 8 en de Staatswaarborgen bedoeld in artikel 15, in de mate waarin deze uitgaven niet worden gedekt door een eenmalig krediet dat te dien einde zal worden ingeschreven in de algemene uitgavenbegroting van het begrotingsjaar 1999. Het Fonds wordt bestuurd door een raad waarvan de structuur, samenstelling en werking worden geregeld door een in Ministerraad overlegd koninklijk besluit. Art. 10 Het Fonds wordt gestijfd door : 1° de vrijwillige bijdragen; 2° de verplichte bijdragen opgelegd met toepassing van artikel 12; 3° in voorkomend geval, de steun toegekend door de Europese Unie omwille van de dioxinecrisis; 4° de terugvordering van federale steun met toepas- sing van artikel 19; 5° de interesten op thesauriebeleggingen van het Fonds. Art. 11 In artikel 104 van het Wetboek van de inkomstenbe- lastingen 1992 wordt een 4°ter ingevoegd, luidend als volgt : « 4°ter giften in geld aan het Fonds voor de schade- loosstelling van landbouwbedrijven getroffen door de dioxinecrisis ». Art. 12 Bij een in Ministerraad overlegd besluit kan de Ko- ning aan objectief bepaalde categorieën van onderne- mingen in de landbouwsector en rechtstreekse en on- rechtstreekse leveranciers en afnemers van dergelijke CHAPITRE 3 Financement Art. 9 En application de l’article 45 des lois sur la comptabi- lité de l’État, coordonnées le 17 juillet 1991, il est insti- tué au ministère des Classes moyennes et de l’Agricul- ture un fonds budgétaire dénommé « Fonds d’indemnisation d’entreprises agricoles touchées par la crise de la dioxine ». Le Fonds a pour but de couvrir les dépenses décou- lant des aides visées à l’article 4, des transactions vi- sées à l’article 8 et des garanties de l’État visées à l’ar- ticle 15, dans la mesure où ces dépenses ne sont pas couvertes par un crédit unique qui sera inscrit à ces fins au budget général des dépenses de l’année budgétaire 1999. Le Fonds est géré par un conseil dont la structure, la composition et le fonctionnement sont réglés par un ar- rêté royal délibéré en Conseil des ministres. Art. 10 Le Fonds est alimenté par : 1° les contributions volontaires; 2° les cotisations obligatoires imposées en applica- tion de l’article 12; 3° le cas échéant, les aides octroyées par l’Union européenne en raison de la crise de la dioxine; 4° les recouvrements d’aides fédérales en applica- tion de l’article 19; 5° les intérêts produits par les placements de tréso- rerie du Fonds. Art. 11 Dans l’article 104 du Code des impôts sur les reve- nus 1992, il est inséré un 4°ter, rédigé comme suit : « 4°ter les libéralités faites en argent au Fonds d’indemnisation d’entreprises agricoles touchées par la crise de la dioxine ». Art. 12 Par arrêté délibéré en Conseil des ministres, le Roi peut imposer à des catégories objectivement définies d’entreprises relevant du secteur agricole et à des four- nisseurs et clients directs et indirects de telles entrepri- DOC 50 0212/001 21 KAMER 2e ZITTING VAN DE 50e ZITTINGSPERIODE CHAMBRE 2e SESSION DE LA 50 e LÉGISLATURE 1999 2000 ondernemingen een solidariteitsbijdrage ten bate van het Fonds opleggen waarvan Hij de berekeningsbasis, het tarief en de inningsmodaliteiten bepaalt. Een bijdrage opgelegd met toepassing van lid 1 kan niet worden geheven op producten ingevoerd uit andere Lidstaten van de Europese Economische Ruimte. Der- gelijke bijdrage is niet als beroepskost aftrekbaar inzake inkomstenbelasting. Elk besluit dat krachtens dit artikel wordt vastgesteld, wordt geacht nooit uitwerking te hebben gehad indien het niet bij wet is bekrachtigd binnen de zes maanden na de datum van zijn inwerkingtreding. Art. 13 Op gezamenlijke voordracht van de ministers be- voegd voor Landbouw en Begroting stelt de Koning het bijzonder reglement betreffende het beheer van het Fonds vast. De uitvoering van de betalingen van het Fonds kan worden opgedragen aan een gespecialiseerde instel- ling. Art. 14 In de tabel gevoegd bij de wet van 27 december 1990 tot oprichting van begrotingsfondsen, gewijzigd bij de wetten van 6 augustus 1993, 24 december 1993, 21 de- cember 1994, 6 april 1995, 29 april 1996 en 23 maart 1998, wordt rubriek « 31 — Landbouw » aangevuld als volgt : Benaming van het organiek begrotingsfonds « 31-5 Fonds voor de schadeloosstelling van landbouwbedrijven getroffen door de dioxinecrisis » Aard van de toegewezen ontvangsten « De ontvangsten bedoeld in artikel 10 van de wet van … betreffende steunmaatregelen ten gunste van landbouwbedrijven getroffen door de dioxinecrisis » Aard van de gemachtigde uitgaven « De uitgaven bedoeld in de artikelen 4, 8 en 15 van voornoemde wet van …, alsmede de personeels en werkingskosten van het Fonds. ». HOOFDSTUK 4 Andere steunmaatregelen Art. 15 De kredieten die in uitvoering van het Protocol zijn toegekend door kredietinstellingen die ertoe zijn toege- treden, genieten de Staatswaarborg ten belope van 50 % ses une cotisation de solidarité au profit du Fonds dont Il fixe l’assiette, le taux et les modalités de perception. Une cotisation imposée en application de l’alinéa 1er ne peut grever des produits importés d’autres États membres de l’Espace économique européen. Une telle cotisation n’est pas déductible à titre de frais profes- sionnels en matière d’impôt sur les revenus. Tout arrêté pris en vertu du présent article est censé ne jamais avoir produit d’effets s’il n’a pas été confirmé par la loi dans les six mois de sa date d’entrée en vi- gueur. Art. 13 Sur la proposition conjointe des ministres qui ont l’Agriculture et le Budget dans leurs attributions, le Roi établit le règlement spécial relatif à la gestion du Fonds. L’exécution des paiements du Fonds peut être con- fiée à une institution spécialisée. Art. 14 Dans le tableau annexé à la loi du 27 décembre 1990 créant des fonds budgétaires, modifié par les lois des 6 août 1993, 24 décembre 1993, 21 décembre 1994, 6 avril 1995, 29 avril 1996 et 23 mars 1998, la rubrique « 31 — Agriculture » est complétée comme suit : Dénomination du fonds budgétaire organique « 31-5 Fonds d’indemnisation d’entreprises agrico- les touchées par la crise de la dioxine » Nature des recettes affectées « Les recettes visées à l’article 10 de la loi du … relative à des mesures d’aide en faveur d’entre- prises agricoles touchées par la crise de la dioxine » Nature des dépenses autorisées « Les dépenses visées aux articles 4, 8 et 15 de la loi du … précitée, ainsi que les frais de personnel et de fonctionnement du Fonds. ». CHAPITRE 4 Autres mesures d’aide Art. 15 Les crédits octroyés en exécution du Protocole par des établissements de crédit ayant adhéré à celui-ci, bénéficient de la garantie de l’État à concurrence de 22 DOC 50 0212/001 KAMER 2e ZITTING VAN DE 50e ZITTINGSPERIODE CHAMBRE 2e SESSION DE LA 50 e LÉGISLATURE 1999 2000 van hoofdsom en intresten (inclusief nalatigheids- intresten) van elk krediet van zodra het betrokken kredietdossier door het Belgisch Interventie- en Restitutiebureau is goedgekeurd, of wordt geacht te zijn goedgekeurd, overeenkomstig het Protocol. Het totaalbedrag van de in lid 1 bedoelde kredieten mag niet hoger zijn dan 25 000 000 000 (vijfentwintig miljard) frank in hoofdsom. Art. 16 Binnen de grenzen toegestaan door de Commissie krachtens artikel 87 van het Verdrag en tegen de voor- waarden bepaald bij een in Ministerraad overlegd ko- ninklijk besluit, kan de Staat voorschotten of vergoedin- gen toekennen aan ondernemingen wier producten van dierlijke oorsprong zijn vernietigd, in beslag genomen of uit de handel genomen ingevolge maatregelen die de Belgische overheid heeft genomen in het kader van de dioxinecrisis. HOOFDSTUK 5 Controlemaatregelen Art. 17 Het totaalbedrag van de federale overheidssteun die een onderneming ontvangt omwille van de dioxinecrisis, ongeacht of deze ook steun omvat toegekend met toe- passing van deze wet, mag in subsidie-equivalent niet de schade overtreffen die de onderneming heeft gele- den tengevolge van de dioxinecrisis, rekening houdend, in voorkomend geval, met alle gewestelijke overheids- steun die de onderneming omwille daarvan bekomt, en met alle vergoedingen die zij ontvangt krachtens verzekeringspolissen of bij wege van schadevergoeding ingevolge contractuele of buitencontractuele aanspra- kelijkheid van derden. De regels bepaald krachtens artikel 6 zijn van toe- passing op de vaststelling van het subsidie-equivalent van de verschillende vormen van overheidssteun toe- gekend omwille van de dioxinecrisis en van de schade die de ondernemingen tengevolge daarvan hebben ge- leden. Art. 18 De naleving van artikel 17 maakt het voorwerp uit van controles uitgevoerd door de ambtenaren en agen- ten van het ministerie van Middenstand en Landbouw aangeduid door de minister bevoegd voor Landbouw, 50 % du montant principal et des intérêts (y compris les intérêts de retard) de chaque crédit dès que le dossier de crédit en question a été approuvé par le Bureau d’in- tervention et de restitution belge, ou est réputé approuvé par celui-ci, conformément au Protocole. Le montant total des crédits visés à l’alinéa 1er ne peut dépasser 25 000 000 000 (vingt-cinq milliards) de francs en principal. Art. 16 Dans les limites autorisées par la Commission en vertu de l’article 87 du Traité et aux conditions définies par un arrêté royal délibéré en Conseil des ministres, l’État peut accorder des avances ou indemnités à des entreprises dont des produits d’origine animale ont été détruits, saisis ou retirés du commerce à la suite de mesures prises par les autorités publiques belges dans le cadre de la crise de la dioxine. CHAPITRE 5 Mesures de contrôle Art. 17 Le montant total des aides publiques fédérales qu’une entreprise reçoit en raison de la crise de la dioxine, que ces aides comprennent ou non des aides octroyées en application de la présente loi, ne peut pas en équiva- lent-subvention dépasser le dommage subi par l’entre- prise à cause de la crise de la dioxine, compte tenu, le cas échéant, de toutes les aides publiques régionales que l’entreprise obtient en raison de celle-ci et de tou- tes les indemnités qu’elle reçoit en vertu de polices d’as- surances ou à titre de dommages-intérêts du chef de la responsabilité contractuelle ou extra-contractuelle de tiers. Les règles arrêtées en vertu de l’article 6 s’appliquent à la détermination de l’équivalent-subvention des diffé- rentes formes d’aides publiques octroyées en raison de la crise de la dioxine et du dommage subi par les entre- prises à cause de celle-ci. Art. 18 Le respect de l’article 17 fait l’objet de contrôles ef- fectués par les fonctionnaires et agents du ministère des Classes moyennes et de l’Agriculture désignés par le ministre qui a l’Agriculture dans ses attributions, selon DOC 50 0212/001 23 KAMER 2e ZITTING VAN DE 50e ZITTINGSPERIODE CHAMBRE 2e SESSION DE LA 50 e LÉGISLATURE 1999 2000 volgens de nadere regels bepaald door de Koning. Deze ambtenaren en agenten kunnen van de betrokken on- dernemingen alle nodige inlichtingen vorderen; zij kun- nen overgaan tot een controle van hun rekeningen en boeken ter plaatse. Art. 19 Het eventuele overschot van de overheidssteun die een onderneming omwille van de dioxinecrisis heeft ontvangen ten opzichte van de schade die zij tenge- volge daarvan heeft geleden, wordt toegerekend op de ontvangen federale steun, in omgekeerde chronologi- sche volgorde, en moet aan het Fonds worden terug- gestort, vermeerderd met nalatigheidsinteresten aan Euribor op drie maanden. De terugvordering ervan ge- schiedt door toedoen van de administratie bevoegd voor de invordering van de belasting over de toegevoegde waarde. De artikelen 94 en 95 van de wetten op de Rijkscomptabiliteit, gecoördineerd op 17 juli 1991, zijn van toepassing op deze terugvordering. HOOFDSTUK 6 Slotbepalingen Art. 20 § 1. Worden gestraft met gevangenisstraf van één maand tot één jaar en met geldboete van 50 (vijftig) tot 10 000 (tienduizend) Belgische frank of met één van deze straffen alleen, zij die de controles uitgevoerd met toepassing van artikel 18 hinderen, weigeren aan de betrokken ambtenaren of agenten de informatie te ver- strekken die zij gehouden zijn hun mee te delen, of hun bewust verkeerde of onvolledige informatie verstrekken. § 2. De Koning kan strafsancties bepalen voor inbreu- ken op de bepalingen van de uitvoeringsbesluiten van deze wet die Hij aanduidt. Deze sancties mogen een gevangenisstraf van zes maanden en een geldboete van 10 000 (tienduizend) Belgische frank niet overschrijden. § 3. De bepalingen van het Eerste Boek van de Strafwetboek zijn van toepassing op de inbreuken be- doeld in §§ 1 en 2. Art. 21 Deze wet treedt in werking de dag waarop zij in het Belgisch Staatsblad wordt bekendgemaakt, met uitzon- dering van artikel 15, dat in werking treedt met ingang van 25 augustus 1999, en van artikel 16, dat in werking treedt met ingang van 1 juli 1999. les modalités fixées par le Roi. Ces fonctionnaires et agents peuvent requérir les entreprises en question de leur fournir toutes les informations nécessaires; ils peu- vent procéder à un contrôle de leurs comptes et livres sur place. Art. 19 L’excédent éventuel des aides publiques qu’une en- treprise a reçues en raison de la crise de la dioxine par rapport au dommage qu’elle a subi à cause de celle-ci est imputé sur les aides fédérales reçues en ordre chro- nologique inverse et doit être restitué au Fonds, majoré d’intérêts de retard au taux Euribor à trois mois. Le recouvrement en est poursuivi par l’administration qui a le recouvrement de la taxe sur la valeur ajoutée dans ses attributions. Les articles 94 et 95 des lois sur la comp- tabilité de l’État, coordonnées le 17 juillet 1991, sont applicables à ce recouvrement. CHAPITRE 6 Dispositions finales Art. 20 § 1er. Sont punis d’un emprisonnement d’un mois à un an et d’une amende de 50 (cinquante) à 10 000 (dix mille) francs belges ou d’une de ces peines seulement, ceux qui font obstacle aux contrôles effectués en appli- cation de l’article 18, refusent de donner aux fonction- naires ou agents concernés les informations qu’ils sont tenus de leur fournir ou leur donnent sciemment des informations inexactes ou incomplètes. § 2. Le Roi peut prévoir des sanctions pénales pour les infractions aux dispositions des arrêtés d’exécution de la présente loi qu’Il désigne. Ces sanctions ne peu- vent excéder une peine d’emprisonnement de six mois et une amende de 10 000 (dix mille) francs belges. § 3. Les dispositions du Livre premier du Code pénal sont applicables aux infractions visées aux §§ 1er et 2. Art. 21 La présente loi entre en vigueur le jour de sa publica- tion au Moniteur belge, à l’exception de l’article 15, qui produit ses effets le 25 août 1999, et de l’article 16, qui produit ses effets le 1er juillet 1999. 24 DOC 50 0212/001 KAMER 2e ZITTING VAN DE 50e ZITTINGSPERIODE CHAMBRE 2e SESSION DE LA 50 e LÉGISLATURE 1999 2000 ADVIES VAN DE RAAD VAN STATE ______ De RAAD VAN STATE, afdeling wetgeving, derde kamer, op 5 oktober 1999 door de minister van Land- bouw en Middenstand verzocht hem, binnen een ter- mijn van ten hoogste drie dagen, van advies te dienen over een voorontwerp van wet « betreffende steun- maatregelen ten gunste van landbouwbedrijven getrof- fen door de dioxinecrisis », heeft op 12 oktober 1999 het volgende advies gegeven : Volgens artikel 84, eerste lid, 2°, van de gecoördi- neerde wetten op de Raad van State moeten in de adviesaanvraag de redenen worden opgegeven tot sta- ving van het spoedeisend karakter ervan. In het onderhavige geval wordt het verzoek om spoed- behandeling gemotiveerd als volgt : « Overwegende dat de landbouwbedrijven zeer ern- stige schade lijden door de dioxinecrisis, dat tot op he- den de meest dringende steun werd toegekend aan de landbouwbedrijven ten laste van het Begrotingsfonds voor de gezondheid en de kwaliteit van de dieren en de dierlijke producten, dat de reeds toegekende steun even- wel niet volstaat om een billijke en doeltreffende steun te verlenen aan de landbouwbedrijven, waarvan het voortbestaan vaak wordt bedreigd. ». * * * Gelet op de korte termijn welke hem voor het geven van zijn advies wordt toegemeten, heeft de Raad van State zich moeten bepalen tot het maken van de hierna- volgende opmerkingen. STREKKING VAN HET ONTWERP Het voor advies voorgelegde voorontwerp van wet strekt er, blijkens de memorie van toelichting, toe « fe- derale steunverstrekking toe te laten aan landbouw- bedrijven teneinde alle of een deel van de schade te dekken die zij ten gevolge van de dioxinecrisis hebben geleden en die nog niet is gedekt door andere federale en/of gewestelijke steun ». Het ontwerp is ingedeeld in zes hoofdstukken, waar- van de inhoud in grote lijnen kan worden weergegeven als volgt : — hoofdstuk 1 bevat algemene bepalingen, waaron- der een aantal definities van in het ontwerp gehanteerde begrippen (artikel 2) en een machtiging aan de Koning om, onder door hem vast te stellen voorwaarden, het toepassingsgebied van het ontwerp uit te breiden tot AVIS DU CONSEIL D’ÉTAT ______ Le CONSEIL D’ÉTAT, section de législation, troisième chambre, saisi par le ministre de l’Agriculture et des Classes moyennes, le 5 octobre 1999, d’une demande d’avis, dans un délai ne dépassant pas trois jours, sur un avant-projet de loi « relatif à des mesures d’aide en faveur d’entreprises agricoles touchées par la crise de la dioxine », a donné le 12 octobre 1999 l’avis suivant : Conformément à l’article 84, alinéa 1er, 2°, des lois coordonnées sur le Conseil d’État, la demande d’avis doit indiquer les motifs qui en justifient le caractère ur- gent. En l’occurrence, l’urgence est motivée comme suit : « Overwegende dat de landbouwbedrijven zeer ernstige schade lijden door de dioxinecrisis, dat tot op heden de meest dringende steun werd toegekend aan de landbouwbedrijven ten laste van het Begrotingsfonds voor de gezondheid en de kwaliteit van de dieren en de dierlijke producten, dat de reeds toegekende steun evenwel niet volstaat om een billijke en doeltreffende steun te verlenen aan de landbouwbedrijven, waarvan het voortbestaan vaak wordt bedreigd. ». * * * Eu égard au bref délai qui lui est imparti pour donner son avis, le Conseil d’État a dû se limiter à formuler les observations suivantes. PORTÉE DU PROJET Selon l’exposé des motifs, l’avant-projet de loi sou- mis pour avis entend « autoriser l’octroi d’aides fédéra- les à des entreprises agricoles en vue de couvrir tout ou partie du dommage qu’elles ont subi à cause de la crise de la dioxine et qui n’est pas déjà couvert par d’autres aides fédérales et/ou régionales ». Le projet est divisé en six chapitres, dont la teneur peut être esquissée dans les grandes lignes comme suit : — le chapitre premier comprend des dispositions gé- nérales, dont un certain nombre de définitions des no- tions employées dans le projet (article 2) ainsi qu’une habilitation au Roi en vue d’étendre, aux conditions qu’il fixera, le champ d’application du projet à des entrepri- DOC 50 0212/001 25 KAMER 2e ZITTING VAN DE 50e ZITTINGSPERIODE CHAMBRE 2e SESSION DE LA 50 e LÉGISLATURE 1999 2000 andere ondernemingen en bedrijven dan landbouw- bedrijven als bedoeld in artikel 2 van het ontwerp (1) (artikel 3); — hoofdstuk 2 heeft betrekking op de voorwaarden waaronder de landbouwbedrijven getroffen door de dioxinecrisis een schadeloosstelling kunnen verkrijgen (artikelen 4, 5 en 7); voorts wordt in dit hoofdstuk mach- tiging gegeven aan de Koning om de procedure voor de aanvraag van steun nader te regelen (artikel 6) en wordt voorzien in de mogelijkheid voor de Staat om dadingen aan te gaan in het kader van rechtsgeschillen betref- fende vergoedingen van schade ten gevolge van de dioxinecrisis (artikel 8); — hoofdstuk 3 betreft de financiering van de steun- maatregelen; het voorziet in de oprichting van een begrotingsfonds als bedoeld in artikel 45 van de wetten op de rijkscomptabiliteit, gecoördineerd op 17 juli 1991, en regelt de werking ervan (artikelen 9, 10, 13 en 14); het voorziet voorts in de mogelijkheid voor de Koning om een solidariteitsbijdrage ten bate van dat fonds op te leggen aan « objectief bepaalde categorieën van on- dernemingen in de landbouwsector en rechtstreekse en onrechtstreekse leveranciers en afnemers van derge- lijke ondernemingen » (artikel 12); — in hoofdstuk 4 wordt voorzien in nog twee andere steunmaatregelen, namelijk het verlenen van de staats- waarborg voor een bepaald bedrag van kredieten die ter uitvoering van het protocol tussen de Staat en de Belgische Vereniging van Banken zijn toegekend door bepaalde kredietinstellingen (artikel 15) en het toeken- nen van voorschotten of vergoedingen aan ondernemin- gen wier producten van dierlijke oorsprong zijn vernie- tigd, in beslag genomen of uit de handel genomen ten gevolge van maatregelen die de Belgische overheid heeft genomen in het kader van de dioxinecrisis (arti- kel 16); — hoofdstuk 5 regelt de controle a posteriori van de toegekende steun (artikelen 17 tot 19); — hoofdstuk 6 bevat een strafbepaling (artikel 20) en regelt de inwerkingtreding van de ontworpen regeling (artikel 21). VOORAFGAANDE VORMVEREISTEN 1. Luidens artikel 6, § 3bis, 5°, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen dient er tussen de betrokken gewestregeringen en de ses autres qu’agricoles au sens de l’article 2 du pro- jet (1) (article 3); — le chapitre 2 a trait aux conditions auxquelles les entreprises agricoles touchées par la crise de la dioxine peuvent obtenir une indemnisation (articles 4, 5 et 7); en outre, ce chapitre habilite le Roi à régler plus avant la procédure applicable aux demandes d’aides (article 6) et prévoit la possibilité pour l’État de transiger dans le cadre de litiges portant sur l’indemnisation de domma- ges dus à la crise de la dioxine (article 8); — le chapitre 3 concerne le financement des mesu- res d’aide; il prévoit la création d’un fonds budgétaire au sens de l’article 45 des lois sur la comptabilité de l’État, coordonnées le 17 juillet 1991, et en règle le fonc- tionnement (articles 9, 10, 13 et 14); il prévoit en outre la possibilité pour le Roi d’imposer à « des catégories objectivement définies d’entreprises relevant du secteur agricole et à des fournisseurs et clients directs et indi- rects de telles entreprises » une cotisation de solidarité au profit du fonds (article 12); — le chapitre 4 prévoit encore deux autres mesures d’aide, à savoir l’octroi de la garantie de l’État pour un montant déterminé de crédits qui ont été alloués par certains établissements de crédit en exécution du pro- tocole conclu entre l’État et l’Association belge des ban- ques (article 15) et l’octroi d’avances ou d’indemnités à des entreprises dont des produits d’origine animale ont été détruits, saisis ou retirés du commerce à la suite de mesures prises par les autorités publiques belges dans le cadre de la crise de la dioxine (article 16); — le chapitre 5 règle le contrôle a posteriori de l’aide accordée (articles 17 à 19); — le chapitre 6 comprend une disposition pénale (ar- ticle 20) et règle l’entrée en vigueur de la réglementa- tion en projet (article 21). FORMALITÉS PRÉALABLES 1. Selon l’article 6, § 3bis, 5°, de la loi spéciale du 8 août 1980 de réformes institutionnelles, une concerta- tion associant les gouvernements de région concernés ––––––––––––––– (1) Artikel 2, 2°, geeft een erg restrictieve omschrijving van het begrip « landbouwbedrijf ». Als zodanig wordt voor de toepassing van de ontworpen wet namelijk alleen aangemerkt : « elke onderneming waarvan de hoofdactiviteit bestaat in de teelt van pluimvee, varkens of runderen of de productie van eieren of melk ». ––––––––––––––– (1) L’article 2, 2°, donne une définition très restrictive de la notion de « entreprise agricole ». En effet, seule « toute entreprise dont l’activité principale consiste en l’élevage de volaille, porcs ou bovins ou en la production d’œufs ou de lait » est qualifiée comme telle pour l’application de la loi en projet. 26 DOC 50 0212/001 KAMER 2e ZITTING VAN DE 50e ZITTINGSPERIODE CHAMBRE 2e SESSION DE LA 50 e LÉGISLATURE 1999 2000 federale overheid overleg te worden gepleegd over « de maatregelen die een weerslag hebben op het landbouw- beleid ». Blijkens de parlementaire voorbereiding van de voor- noemde bepaling is inzonderheid « overleg met de Ge- westen verplicht wanneer de federale overheid beslis- singen overweegt die gevolgen zouden kunnen hebben voor de regionale landbouwbevoegdheid » (1). De vraag dient dan ook te worden onderzocht of de ontworpen bepalingen, die behoren tot de residuaire bevoegdheid van de federale overheid, een weerslag kunnen hebben op één van de aangelegenheden in- zake het landbouwbeleid die door artikel 6, § 1, V, 1° tot 5°, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 aan de gewesten werden overgedragen. In casu kan bezwaarlijk worden betwist dat de ont- worpen federale maatregelen zulk een weerslag zullen hebben, meer bepaald op de bevoegdheid van de ge- westen inzake de aanvullende of suppletieve hulp aan landbouwbedrijven (artikel 6, § 1, V, 3°, van de bijzon- dere wet van 8 augustus 1980). De gewestregeringen zouden meer bepaald, rekening houdend met de voor- genomen federale maatregelen, kunnen beslissen hun beleid inzake aanvullende of suppletieve hulp aan landbouwbedrijven te herzien. Overigens wordt de mo- gelijkheid van een dergelijke weerslag bevestigd in de inleiding van de memorie van toelichting, waarin wordt gesteld dat « deze federale maatregelen zullen gepaard gaan met steunmaatregelen die door de Gewesten bin- nen hun bevoegdheidssfeer zullen worden genomen », en dat de federale regering, indien nodig, aan de ge- westen « een samenwerkingsakkoord (zal) voorstellen teneinde voor een goede coördinatie van de federale en gewestelijke acties te zorgen, en, in voorkomend geval, gezamenlijke initiatieven te ontwikkelen ». De conclusie moet dan ook zijn dat krachtens arti- kel 6, § 3bis, 5°, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 over de ontworpen regeling overleg moet worden gepleegd met de gewestregeringen. De gemachtigde van de regering heeft verklaard dat geen overleg heeft plaatsgehad. Aangezien de opmerkingen die in voorkomend geval door de gewestregeringen zouden worden geformu- leerd, tot een wijziging van het voorliggende ontwerp zouden kunnen leiden, dient te worden besloten dat zolang de overlegprocedure bedoeld in artikel 6, § 3bis, 5°, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 niet heeft plaatsgevonden, de voor advies voorgelegde tekst niet kan worden beschouwd als de definitieve tekst van het ontwerp. 2. Artikel 88, lid 3 (ex artikel 93, lid 3), van het EG- Verdrag schrijft voor dat de Commissie tijdig op de et l’autorité fédérale doit avoir lieu pour « les mesures qui ont une incidence sur la politique agricole ». Selon les travaux préparatoires relatifs à la disposi- tion précitée, « la concertation avec les régions est obli- gatoire » notamment « lorsque l’autorité fédérale envi- sage de prendre des décisions qui pourraient avoir des conséquences sur les compétences agricoles régiona- les » (1). Il s’impose dès lors d’examiner si les dispositions en projet qui relèvent de la compétence résiduelle de l’auto- rité fédérale, peuvent avoir une incidence sur l’une des matières relatives à la politique agricole qui ont été trans- férées aux régions par l’article 6, § 1er, V, 1° à 5°, de la loi spéciale du 8 août 1980. En l’espèce, il peut difficilement être contesté que les mesures fédérales en projet auront pareille incidence, plus particulièrement sur la compétence des régions en matière d’aide complémentaire ou supplétive aux en- treprises agricoles (article 6, § 1er, V, 3°, de la loi spé- ciale du 8 août 1980). Les gouvernements régionaux pourraient plus particulièrement, compte tenu des me- sures fédérales envisagées, décider de revoir leur poli- tique en matière d’aide complémentaire ou supplétive aux entreprises agricoles. L’éventualité d’une telle inci- dence est d’ailleurs confirmée dans l’introduction de l’ex- posé des motifs, qui porte que ces « mesures fédérales s’accompagneront de mesures d’aide qui seront mises en œuvre par les Régions dans leur sphère de compé- tence », et que le gouvernement fédéral proposera, en cas de besoin, aux régions, « un accord de coopération en vue d’assurer une bonne coordination des actions fédérales et régionales et, le cas échéant, de dévelop- per des initiatives communes ». Force est dès lors de conclure qu’en vertu de l’arti- cle 6, § 3bis, 5°, de la loi spéciale du 8 août 1980, la réglementation en projet doit faire l’objet d’une concerta- tion avec les gouvernements régionaux. Le délégué du gouvernement a déclaré qu’aucune concertation n’avait eu lieu. Étant donné que les observations qui seraient for- mulées le cas échéant par les gouvernements régio- naux pourraient conduire à une modification du présent projet, il convient de souligner que tant que la procé- dure de concertation visée à l’article 6, § 3bis, 5°, de la loi spéciale du 8 août 1980 n’est pas intervenue, le texte soumis pour avis ne peut être considéré comme la ver- sion définitive du projet. 2. L’article 88, paragraphe 3 (ex-article 93, paragra- phe 3), du Traité CE prescrit que la Commission doit ––––––––––––––– (1) Parl. St., Senaat, 1992-93, nr 558/1, blz. 28. ––––––––––––––– (1) Doc. parl., Sénat, 1992-93, n° 558/1, p. 28. DOC 50 0212/001 27 KAMER 2e ZITTING VAN DE 50e ZITTINGSPERIODE CHAMBRE 2e SESSION DE LA 50 e LÉGISLATURE 1999 2000 hoogte moet worden gebracht van elk voornemen tot invoering of wijziging van steunmaatregelen. Zoals het Hof van Justitie heeft overwogen, volgt uit artikel 88, lid 3, dat de voorgenomen maatregel tot invoering van steun aan de Commissie meegedeeld moet worden vooral- eer die maatregel in de interne rechtsorde is doorge- voerd (1). De gemachtigde van de regering heeft verklaard dat, wat het voorliggende ontwerp betreft, alsnog niet werd voldaan aan deze formaliteit, behoudens wat de steun- maatregel betreft bedoeld in artikel 15 van het ont- werp (2). Volgens de gemachtigde is tijdens de verga- deringen van de regeringscommissaris belast met de dioxineproblematiek met de ambtenaren van de Euro- pese Commissie gebleken dat de ambtenaren van mening waren dat het op dit ogenblik niet zinvol is een officiële aanmelding te doen, gezien waarschijnlijk nog veranderingen zullen worden aangebracht ten gevolge van de bespreking van het wetsontwerp in het Parlement en dat het aanbeveling verdient de ontworpen regeling samen met de uitvoeringsbesluiten als een geheel aan te melden. Zolang de in artikel 88, lid 3, van het EG-Verdrag bedoelde procedure haar beslag niet heeft gekregen, kan niet worden uitgesloten dat opmerkingen die in voor- komend geval door de Commissie kunnen worden ge- formuleerd, ook tot een wijziging van voorliggend ont- werp zouden kunnen leiden. Hieruit volgt dat de om advies voorgelegde tekst ook om die reden niet kan worden beschouwd als de definitieve tekst van het ont- werp. 3. Principieel kunnen voorontwerpen van wet, de- creet of ordonnantie en ontwerpen van reglementaire besluiten slechts met toepassing van artikel 3, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State aan de afdeling wetgeving worden voorgelegd nadat ze alle achtereenvolgende stadia van de administratieve voor- bereiding hebben doorgemaakt. Er kan evenwel uitzonderlijk worden aanvaard dat met betrekking tot ontwerpen als het onderhavige, in geval van verantwoorde spoed als bedoeld in artikel 84, eer- ste lid, 2°, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, van de hiervoren vermelde regel wordt afge- weken, onder het uitdrukkelijke voorbehoud evenwel dat aan de nog niet nageleefde vormvereisten wordt vol- daan en dat, mochten de aan de Raad van State voor- gelegde teksten ten gevolge hiervan nog wijzigingen être informée, en temps utile, de tous projets tendant à instituer ou à modifier des aides. Comme l’a considéré la Cour de justice, il résulte de l’article 88, paragraphe 3, que la mesure projetée tendant à instituer des aides doit être notifiée à la Commission avant qu’elle ne soit appliquée dans l’ordre juridique interne (1). Le délégué du gouvernement a déclaré qu’en ce qui concerne le présent projet, cette formalité n’avait pas encore été remplie, sauf pour ce qui est de la mesure visée à l’article 15 du projet (2). Selon le délégué, il est apparu au cours des réunions entre le commissaire du gouvernement chargé de la problématique de la dioxine et les fonctionnaires de la Commission européenne que ces derniers estimaient qu’il n’était pas opportun de pro- céder à une notification officielle pour l’heure, étant donné que d’autres modifications seront vraisemblable- ment apportées à la suite de la discussion du projet de loi au Parlement et qu’il était recommandé de notifier globalement la réglementation en projet ainsi que les arrêtés d’exécution. Tant que la procédure prescrite à l’article 88, para- graphe 3, du Traité CE ne sera pas terminée, il ne pourra être exclu que des observations formulées le cas échéant par la Commission, pourront également con- duire à une modification du présent projet. Il en résulte que, pour ce motif également, le texte soumis pour avis ne peut être considéré comme la version définitive du projet. 3. En principe, les avant-projets de loi, de décret ou d’ordonnance et les projets d’arrêtés réglementaires ne peuvent être soumis à la section de législation en appli- cation de l’article 3, § 1er, des lois coordonnées sur le Conseil d’État, qu’après avoir franchi tous les stades successifs de la préparation administrative. En ce qui concerne des projets tels que le projet de l’espèce, il peut toutefois se justifier à titre exceptionnel qu’en cas d’urgence motivée, visée à l’article 84, ali- néa 1er, 2°, des lois coordonnées sur le Conseil d’État, il soit dérogé à la règle susvisée, sous la réserve expresse, toutefois, que les formalités non encore accomplies le soient et que, si des modifications devaient encore être apportées aux textes soumis au Conseil d’État par suite de l’accomplissement de ces formalités, les dispositions ––––––––––––––– (1) Zie Hof van Justitie, arrest van 27 maart 1984, Commissie/Ita- lië, 169/82, Jur., 1984, (1603), blz. 1615, §§ 10-11. (2) De Belgische regering blijkt de Europese Commissie bij schrij- ven van 24 augustus 1999 in kennis te hebben gesteld van het proto- col tussen de Belgische Staat en de Belgische Vereniging van Ban- ken, waarin wordt voorzien in een steunmaatregel in de vorm van een staatswaarborg ten belope van 50 % van de hoofdsom en interesten. Deze aangemelde steunmaatregel werd op 7 september 1999 door de Commissie als verenigbaar met het EG-Verdrag beschouwd. ––––––––––––––– (1) Voir Cour de justice, arrêt du 27 mars 1984, Commission/Italie, 169/82, Rec., 1984, (1603), p. 1615, §§ 10-11. (2) Par lettre du 24 août 1999, le gouvernement belge a notifié à la Commission européenne le protocole conclu entre l’État belge et l’Association belge des banques prévoyant une mesure d’aide sous la forme d’une garantie de l’État à concurrence de 50 % du principal et des intérêts. Le 7 septembre 1999, la Commission a déclaré cette mesure d’aide compatible avec le Traité CE. 28 DOC 50 0212/001 KAMER 2e ZITTING VAN DE 50e ZITTINGSPERIODE CHAMBRE 2e SESSION DE LA 50 e LÉGISLATURE 1999 2000 ondergaan, de gewijzigde bepalingen voor een nieuw onderzoek aan de afdeling wetgeving worden voorge- legd. ALGEMENE OPMERKINGEN Ten aanzien van de bevoegdheid van de federale overheid 1. Het ontwerp heeft in hoofdzaak betrekking op steunmaatregelen ten aanzien van ondernemingen in de landbouwsector. Luidens artikel 6, § 1, VI, 1°, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 behoort de hulp aan ondernemin- gen weliswaar tot de bevoegdheid van de gewesten, doch ten aanzien van landbouwbedrijven zijn de gewes- ten enkel bevoegd voor de investeringshulp en voor de aanvullende of suppletieve hulp (zie artikel 6, § 1, V, eerste lid, 2° en 3°, van de bijzondere wet). Op grond van haar residuaire bevoegdheid inzake landbouw, is de federale overheid derhalve bevoegd voor steun aan de landbouwbedrijven. Er dient bijgevolg nader te worden onderzocht of de ontworpen maatregelen, inzonderheid die bedoeld in de artikelen 4 (gelezen in samenhang met artikel 3, 1° en 2°), 12, 15, 16 en 19 van het ontwerp, kunnen wor- den ingepast in de aldus omschreven bevoegdheid van de federale overheid. 2.1. De steun bedoeld in artikel 4 van het ontwerp wordt verleend aan landbouwbedrijven, zoals gedefini- eerd in artikel 2, 2°, van het ontwerp, of aan daarmee door de Koning gelijkgestelde bedrijven, krachtens de delegatie hem verleend in artikel 3, 1° en 2°, van het ontwerp. 2.1.1. Wat de in artikel 2, 2°, restrictief omschreven « landbouwbedrijven » betreft, kan uiteraard geen twij- fel rijzen over de vraag of ze kunnen worden ingepast in de residuaire bevoegdheid van de federale overheid in- zake landbouw. Die bevoegdheid strekt zich immers uit tot landbouwbedrijven in het algemeen en niet alleen tot die waarvan de hoofdactiviteit bestaat in de teelt van pluimvee, varkens of runderen of de productie van eie- ren of melk. 2.1.2. Artikel 3, 1°, van het ontwerp heeft betrekking op ondernemingen waarvan de hoofdactiviteit bestaat in de productie van andere producten van dierlijke oor- sprong (dan die bedoeld in artikel 2, 2°) welke voorko- men in de lijst opgenomen als bijlage I bij het EG-Ver- drag. Luidens artikel 32 (ex artikel 38), lid 1, van het Ver- drag wordt onder landbouwproducten verstaan « de voortbrengselen van bodem, veeteelt en visserij alsmede de producten in eerste graad van bewerking welke met de genoemde voortbrengselen rechtstreeks verband modifiées soient soumises pour un nouvel examen à la section de législation. OBSERVATIONS GÉNÉRALES Quant à la compétence de l’autorité fédérale 1. Le projet a principalement trait aux mesures d’aide accordées en faveur d’entreprises du secteur agricole. Aux termes de l’article 6, § 1er, VI, 1°, de la loi spé- ciale du 8 août 1980, l’aide aux entreprises relève cer- tes de la compétence des régions, mais en ce qui con- cerne les entreprises agricoles, les régions sont unique- ment compétentes en matière d’aide à l’investissement et d’aide complémentaire ou supplétive (voir l’article 6, § 1er, V, alinéa 1er, 2° et 3°, de la loi spéciale). En vertu de sa compétence résiduelle pour ce qui est de l’agriculture, l’autorité fédérale est dès lors compé- tente en matière d’aide aux entreprises agricoles. Il convient par conséquent d’examiner plus avant si les mesures en projet, notamment celles visées aux articles 4 (en combinaison avec l’article 3, 1° et 2°), 12, 15, 16 et 19 du projet, peuvent s’inscrire dans le cadre de la compétence ainsi définie de l’autorité fédérale. 2.1. L’aide visée à l’article 4 du projet est accordée aux entreprises agricoles, telles qu’elles sont définies à l’article 2, 2°, du projet, ou à des entreprises qui y sont assimilées par le Roi, en vertu de la délégation qui lui est donnée à l’article 3, 1° et 2°, du projet. 2.1.1. En ce qui concerne les « entreprises agrico- les », définies de façon restrictive à l’article 2, 2°, il ne peut évidemment pas y avoir de doutes quant à la ques- tion de savoir si elles peuvent s’inscrire dans le cadre de la compétence résiduelle de l’autorité fédérale en matière d’agriculture. Cette compétence s’étend en ef- fet aux entreprises agricoles en général et pas unique- ment à celles dont l’activité principale consiste en l’éle- vage de volaille, porcs ou bovins ou en la production d’œufs ou de lait. 2.1.2. L’article 3, 1°, du projet concerne les entrepri- ses dont l’activité principale consiste en la production d’autres produits d’origine animale (autres que ceux vi- sés à l’article 2, 2°) inscrits dans la liste figurant à l’annexe I au Traité CE. Aux termes de l’article 32 (ex-article 38), paragraphe 1er, du Traité, il convient d’entendre par pro- duits agricoles « les produits du sol, de l’élevage et de la pêcherie, ainsi que les produits de première transfor- mation qui sont en rapport direct avec ces produits ». DOC 50 0212/001 29 KAMER 2e ZITTING VAN DE 50e ZITTINGSPERIODE CHAMBRE 2e SESSION DE LA 50 e LÉGISLATURE 1999 2000 houden ». De voornoemde lijst bevat luidens artikel 32, lid 3, de producten die vallen onder de bepalingen van het Verdrag die betrekking hebben op de landbouw. Volgens de memorie van toelichting bij artikel 3 beo- gen de stellers van het ontwerp inzonderheid « bepaalde zuivelproducten in eerste graad van bewerking ». Vol- gens de toelichting van de gemachtigde van de rege- ring gaat het om producten waarvan de eerste verwer- king op het landbouwbedrijf zelf gebeurt. Men kan er bijgevolg in redelijkheid van uitgaan dat de ondernemingen bedoeld in artikel 3, 1°, van het ont- werp behoren tot de landbouwsector in de betekenis die daaraan bevoegdheidsrechtelijk moet worden ge- geven. 2.1.3. De gemengde bedrijven, waarvan sprake in artikel 3, 2°, van het ontwerp, zijn luidens de memorie van toelichting bedrijven waar de teelt van gewassen wordt gecombineerd met het fokken van vee. Ook deze bedrijven moeten derhalve geacht worden te behoren tot de landbouwsector. 2.2. Artikel 12 van het ontwerp machtigt de Koning om aan objectief bepaalde categorieën van onderne- mingen in de landbouwsector en aan rechtstreekse en onrechtstreekse leveranciers en afnemers van derge- lijke ondernemingen een « solidariteitsbijdrage » op te leggen. Die solidariteitsbijdrage moet worden gekwalifi- ceerd als een belasting. Voor het invoeren van een der- gelijke belasting is de federale overheid bevoegd op grond van artikel 170, § 1, van de Grondwet, ook indien ze zou worden opgelegd aan andere bedrijven dan landbouwbedrijven in de ruime zin. 2.3. Artikel 15 van het ontwerp strekt ertoe een staatswaarborg toe te kennen aan de kredieten die ter uitvoering van het protocol tussen de Staat en de Belgische Vereniging van Banken zijn toegekend door bepaalde kredietinstellingen. Overeenkomstig artikel 2 van dat protocol komt die staatswaarborg uitsluitend ten goede aan landbouwbedrijven als bedoeld in artikel 2, 2°, van het ontwerp. Vanuit het oogpunt van de bevoegd- heid van de federale overheid doet artikel 15 dus even- min een probleem rijzen. 2.4. Artikel 16 van het ontwerp voorziet in de moge- lijkheid voor de Staat om voorschotten of vergoedingen toe te kennen aan « ondernemingen » waarvan pro- ducten van dierlijke oorsprong zijn vernietigd, in beslag genomen of uit de handel genomen ten gevolge van maatregelen die de Belgische overheid heeft genomen in het kader van de dioxinecrisis. De vraag rijst of de stellers van het ontwerp met deze bepaling ook andere bedrijven dan landbouwbedrijven in de ruime zin op het oog hebben, en of, in bevesti- gend geval, de federale overheid bevoegd is om een dergelijke maatregel te nemen. Uit de memorie van toelichting en uit de verklaringen van de gemachtigde van de regering blijkt dat de ont- La liste précitée comprend, selon l’article 32, paragra- phe 3, les produits régis par les dispositions du Traité qui concernent l’agriculture. Selon le commentaire de l’exposé des motifs relatif à l’article 3, les auteurs du projet visent notamment « cer- tains produits laitiers de première transformation ». D’après les explications du délégué du gouvernement, il s’agit de produits dont la première transformation in- tervient dans l’entreprise agricole même. Par conséquent, il peut être raisonnablement consi- déré que les entreprises visées à l’article 3, 1°, du pro- jet relèvent du secteur agricole selon l’acception qui doit lui être donnée sur le plan de la répartition des compé- tences. 2.1.3. Les entreprises mixtes, dont il est question à l’article 3, 2°, du projet, sont, aux termes de l’exposé des motifs, des entreprises où la culture est associée à l’élevage. Ces entreprises doivent dès lors être également ré- putées relever du secteur agricole. 2.2. L’article 12 du projet habilite le Roi à imposer une « cotisation de solidarité » à certaines catégories objectivement définies d’entreprises relevant du secteur agricole et à des fournisseurs et clients directs et indi- rects de telles entreprises. Cette cotisation de solidarité doit être qualifiée d’impôt. L’autorité fédérale est com- pétente pour instaurer pareil impôt en vertu de l’arti- cle 170, § 1er, de la Constitution, même s’il était imposé à des entreprises autres que des entreprises agricoles au sens large. 2.3. L’article 15 du projet vise à accorder une garan- tie de l’État aux crédits alloués en exécution du proto- cole conclu entre l’État belge et l’Association belge des banques par certains établissements de crédit. Conformément à l’article 2 de ce protocole, cette ga- rantie de l’État bénéficie exclusivement aux entreprises agricoles au sens de l’article 2, 2°, du projet. Considéré sous l’angle de la compétence de l’autorité fédérale, l’ar- ticle 15 ne soulève donc pas davantage de problème. 2.4. L’article 16 du projet prévoit la possibilité pour l’État d’octroyer des avances ou des indemnités à des « entreprises » dont des produits d’origine animale ont été détruits, saisis ou retirés du commerce à la suite de mesures prises par les autorités publiques belges dans le cadre de la crise de la dioxine. La question se pose de savoir si, par cette disposi- tion, les auteurs du projet visent également des entre- prises autres qu’agricoles au sens large et si, dans l’af- firmative, l’autorité fédérale est compétente pour pren- dre pareille mesure. Il résulte de l’exposé des motifs ainsi que des expli- cations du délégué du gouvernement que la disposition 30 DOC 50 0212/001 KAMER 2e ZITTING VAN DE 50e ZITTINGSPERIODE CHAMBRE 2e SESSION DE LA 50 e LÉGISLATURE 1999 2000 worpen bepaling tot doel heeft een afdoende rechtsgrond te creëren voor een aantal ministeriële besluiten die werden genomen op grond van artikel 6bis van de wet van 24 januari 1977 betreffende de bescherming van de gezondheid van de verbruikers op het stuk van voe- dingsmiddelen en andere producten. De vergoedingen zouden ook betrekking hebben op bijvoorbeeld distri- butiebedrijven waar producten uit de rekken moesten worden gehaald. Voor een dergelijke maatregel kan de federale over- heid zich dan ook bezwaarlijk beroepen op haar residuaire bevoegdheid inzake landbouw. In zoverre de voorschotten of vergoedingen waarvan sprake in artikel 16 evenwel enkel een compensatie zijn voor financieel verlies geleden ten gevolge van de ver- nietiging, inbeslagname of het uit de handel nemen van producten omwille van redenen van volksgezondheid, kan deze bepaling gegrond worden op de (residuaire) bevoegdheid van de federale overheid inzake volksge- zondheid, zoals die kan worden afgeleid uit artikel 5, § 1, I, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980. 2.5. Luidens artikel 19 van het ontwerp wordt het eventuele overschot van de (totale) overheidssteun die een onderneming als gevolg van de dioxinecrisis heeft ontvangen ten opzichte van de schade die zij ten ge- volge daarvan heeft geleden, toegerekend op de ont- vangen federale steun, in omgekeerde chronologische volgorde, en moet dit overschot aan het in artikel 9 van het ontwerp bedoelde fonds worden teruggestort. Een dergelijke bepaling staat er niet aan in de weg dat de gewesten, in de uitoefening van hun bevoegd- heid inzake aanvullende of suppletieve hulp aan landbouwbedrijven (1), een gelijkaardige verrekenings- maatregel nemen. In dat geval zal de beoogde maatre- gel niet werkbaar blijken in de praktijk en aanleiding kunnen geven tot conflicten tussen de federale over- heid en de gewesten. Om dergelijke moeilijkheden te voorkomen, verdient het dan ook aanbeveling artikel 19 uit het ontwerp weg te laten en de bedoelde regeling op te nemen in een samenwerkingsakkoord, als bedoeld in artikel 92bis, § 1, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980. Een der- gelijk akkoord zal de instemming van de onderscheiden wetgevende vergaderingen behoeven, gelet op de fi- nanciële weerslag ervan. Ten aanzien van de aan de Koning toegekende be- voegdheden 1. Het ontwerp voorziet in een groot aantal bevoegd- heidstoewijzingen aan de Koning. Een aantal van deze machtigingen vallen binnen de normale verordenings- en projet vise à créer un fondement légal adéquat pour un certain nombre d’arrêtés ministériels qui ont été pris en vertu de l’article 6bis de la loi du 24 janvier 1977 re- lative à la protection de la santé des consommateurs en ce qui concerne les denrées alimentaires et les autres produits. Les indemnités concerneraient également, par exemple, les entreprises du secteur de la distribution où des produits ont dû être retirés des rayons. En ce qui concerne pareille mesure, l’autorité fédé- rale peut dès lors difficilement invoquer sa compétence résiduelle en matière d’agriculture. Dans la mesure où les avances ou indemnités, dont il est question à l’article 16, ne constituent toutefois qu’une compensation pour une perte financière subie à la suite de la destruction, de la saisie ou du retrait du commerce de produits pour des motifs de santé publique, cette dis- position peut se fonder sur la compétence (résiduelle) de l’autorité fédérale en matière de santé publique, telle que cette dernière peut être déduite de l’article 5, § 1er, I, de la loi spéciale du 8 août 1980. 2.5. Aux termes de l’article 19 du projet, l’excédent éventuel (du total) des aides publiques qu’une entre- prise a reçues en raison de la crise de la dioxine par rapport au dommage qu’elle a subi à cause de celle-ci est imputé sur les aides fédérales reçues en ordre chro- nologique inverse et doit être restitué au fonds visé à l’article 9 du projet. Pareille disposition n’empêche pas que les régions, dans l’exercice de leur compétence en matière d’aide complémentaire ou supplétive à des entreprises agri- coles (1), prennent une mesure d’imputation analogue. Dans ce cas, la mesure visée ne sera pas opérationnelle dans la pratique et pourra donner lieu à des conflits entre l’autorité fédérale et les régions. Pour éviter de telles difficultés, il est dès lors recom- mandé de distraire l’article 19 du projet et d’inscrire cette règle dans un accord de coopération au sens de l’article 92bis, § 1er, de la loi spéciale du 8 août 1980. Un tel accord nécessitera l’assentiment des différentes assemblées législatives vu son incidence financière. Quant aux pouvoirs attribués au Roi 1. Le projet prévoit un grand nombre d’attributions de pouvoir au Roi. Un certain nombre d’entre elles s’ins- crivent dans le cadre du pouvoir réglementaire normal ———————— (1) In de memorie van toelichting wordt overigens uitdrukkelijk aan- gekondigd dat ook de gewesten steunmaatregelen binnen hun bevoegdheidssfeer zullen nemen. ———————— (1) Dans l’exposé des motifs, il est d’ailleurs explicitement annoncé que les régions prendront également des mesures d’aide dans leur sphère de compétence. DOC 50 0212/001 31 KAMER 2e ZITTING VAN DE 50e ZITTINGSPERIODE CHAMBRE 2e SESSION DE LA 50 e LÉGISLATURE 1999 2000 bevoegdheid van de Koning of zijn ruimer, doch om- ringd met de traditionele waarborgen die bij zulke mach- tigingen zijn vereist. Dat is het geval met de delegaties bedoeld in de artikelen 3, 1° en 2°, 4, tweede lid, 6, § 1, 8, 9, derde lid, 13, 18 en 20. 2. Met betrekking tot een aantal andere bevoegd- heidsopdrachten welke het ontwerp aan de Koning ver- leent, dienen evenwel de volgende opmerkingen te worden gemaakt. 2.1. Luidens artikel 3, 3°, van het ontwerp kan de Koning de gevallen bepalen waarin verscheidene enti- teiten of exploitatie-eenheden dienen te worden be- schouwd als een enkel landbouwbedrijf. Om verenig- baar te zijn met de beginselen inzake de bevoegdheids- verdeling tussen de wetgever en de regering, dient die bepaling zo nauwkeurig mogelijk de grenzen van de delegatie aan te geven en behoort ze derhalve te wor- den aangevuld met de criteria waardoor de Koning zich zal moeten laten leiden bij het vaststellen van de be- doelde gevallen. In casu worden in de memorie van toe- lichting bij artikel 3 een aantal concrete criteria aange- reikt. Die criteria dienen in de tekst zelf van het ontwerp te worden opgenomen. 2.2. Artikel 4, eerste lid, van het ontwerp machtigt de Koning om de voorwaarden te bepalen waaronder de Staat steun kan toekennen aan landbouwbedrijven. Ook die bepaling is in al te vage en algemene termen gesteld (1). Bovendien is het niet duidelijk hoe de vast te stellen voorwaarden zich verhouden tot de in de artike- len 5 en 7 van het ontwerp opgelegde voorwaarden om steun te verkrijgen. Om de reden aangehaald sub 2.1 hiervoren, dient in de ontworpen bepaling te worden verduidelijkt welke soort voorwaarden men beoogt door de Koning te laten opleggen en welke de grenzen zijn waarbinnen de Ko- ning de hem verleende machtiging vermag uit te oefe- nen. 2.3. Artikel 5, 4°, van het ontwerp machtigt de Ko- ning om de voorwaarden te bepalen van economische zelfstandigheid, waaraan de landbouwbedrijven moe- ten voldoen om in aanmerking te komen voor de in arti- kel 4 bedoelde steun. Ook deze delegatie is in te alge- mene bewoordingen gesteld om bestaanbaar te zijn met de grondwettelijke regels die de verhouding tussen de wetgevende en de uitvoerende macht beheersen. De ontworpen bepaling dient derhalve te worden gepreci- seerd, mede in het licht van wat hieromtrent in de toe- lichting is gesteld. 2.4. Artikel 12 van het ontwerp strekt ertoe de Ko- ning te machtigen om ten bate van het in artikel 9 be- du Roi ou sont plus étendues, tout en étant entourées des garanties traditionnelles qui sont requises pour pa- reilles délégations. Tel est le cas des délégations visées dans les articles 3, 1° et 2°, 4, alinéa 2, 6, § 1er, 8, 9, alinéa 3, 13, 18 et 20. 2. Un certain nombre d’autres délégations données au Roi dans le projet appellent toutefois les observa- tions suivantes. 2.1. Selon l’article 3, 3°, du projet, le Roi peut définir les cas dans lesquels plusieurs entités ou unités d’ex- ploitation doivent être considérées comme une seule entreprise agricole. Pour se concilier avec les principes relatifs à la répartition des pouvoirs entre le législateur et le gouvernement, cette disposition doit indiquer le plus précisément possible les limites de la délégation et celle- ci doit dès lors être complétée par les critères qui de- vront guider le Roi dans la définition des cas visés. En l’espèce, l’exposé des motifs relatif à l’article 3 énumère un certain nombre de critères concrets. Ceux-ci doivent figurer dans le texte même du projet. 2.2. L’article 4, alinéa 1er, du projet habilite le Roi à fixer les conditions auxquelles l’État peut accorder des aides à des entreprises agricoles. La formulation de cette disposition est également trop vague et trop générale (1). En outre, le texte ne fait pas apparaître clairement com- ment les conditions à définir s’articulent avec les condi- tions imposées dans les articles 5 et 7 du projet pour obtenir des aides. Pour le motif exposé ci-dessus au 2.1, il y a lieu de préciser dans la disposition en projet quel est le type de conditions que le Roi est supposé imposer et quelles sont les limites dans lesquelles le Roi peut exercer la délégation qui lui est donnée. 2.3. L’article 5, 4°, du projet confère au Roi le pou- voir de fixer les conditions d’indépendance économique que doivent remplir les entreprises agricoles pour être admises au bénéfice de l’aide visée à l’article 4. Cette délégation est également formulée en termes trop gé- néraux pour être compatible avec les règles constitu- tionnelles qui régissent les rapports entre le pouvoir lé- gislatif et le pouvoir exécutif. La disposition en projet doit donc être précisée, notamment à la lumière des considérations la concernant qui figurent dans l’exposé des motifs. 2.4. L’article 12 du projet vise à permettre au Roi d’im- poser une cotisation de solidarité au profit du fonds visé ———————— (1) Ook in de toelichting bij dit artikel wordt geen enkele aanwij- zing verschaft over de werkelijke draagwijdte van de delegatie aan de Koning. ———————— (1) Les commentaires relatifs à cet article ne donnent pas davan- tage d’indication quant à la portée réelle de la délégation au Roi. 32 DOC 50 0212/001 KAMER 2e ZITTING VAN DE 50e ZITTINGSPERIODE CHAMBRE 2e SESSION DE LA 50 e LÉGISLATURE 1999 2000 doelde fonds een solidariteitsbijdrage op te leggen, welke kennelijk moet worden aangemerkt als een be- lasting. Die bepaling, die ertoe strekt aan de Koning een be- voegdheid op te dragen die door de Grondwet aan de wetgever is toevertrouwd, kan in casu in overeenstem- ming worden geacht met de rechtspraak van het Arbi- tragehof krachtens welke de federale wetgever de re- geling van een aangelegenheid die de Grondwet hem uitdrukkelijk voorbehoudt slechts aan de Koning kan op- dragen onder de dubbele voorwaarde dat de wetgever die machtiging uitdrukkelijk en ondubbelzinnig verleent en dat de met toepassing van de machtiging genomen besluiten binnen een redelijke termijn ter bekrachtiging worden voorgelegd aan de wetgever (1). Volgens de rechtspraak van het Arbitragehof is het niet met het grondwettelijke beginsel van de gelijkheid en de niet- discriminatie in overeenstemming te brengen dat met toepassing van zulk een machtiging genomen beslui- ten die niet binnen de in de machtigingswet gestelde termijn zijn bekrachtigd, uitwerking zouden behouden voor de periode tussen hun inwerkingtreding en de ui- terste datum waarop zij dienden te worden bekrachtigd, aangezien de bestemmelingen van die besluiten aldus op discriminerende wijze zouden kunnen worden ge- raakt door een maatregel zonder dat die het voorwerp heeft uitgemaakt van een beslissing genomen door een democratisch verkozen beraadslagende vergadering (2). Ook aan dat vereiste is in casu voldaan door de bepa- ling van artikel 12, derde lid, luidens welke, bij gebreke van bekrachtiging binnen zes maanden na de datum van hun inwerkingtreding, de bedoelde besluiten wor- den geacht nooit uitwerking te hebben gehad. 2.5. Artikel 16 van het ontwerp machtigt de Koning om voorwaarden te bepalen waaronder de Staat voor- schotten of vergoedingen kan toekennen aan onderne- mingen waarvan producten van dierlijke oorsprong zijn vernietigd, in beslag genomen of uit de handel geno- men ten gevolge van maatregelen die de Belgische over- heid heeft genomen in het kader van de dioxinecrisis. Zoals hiervoren (opmerking 2.4 in verband met de be- voegdheid van de federale overheid) reeds is opgemerkt, blijkt uit de memorie van toelichting en uit de verklarin- gen van de gemachtigde van de regering dat de ont- worpen bepaling tot doel heeft een afdoende rechtsgrond te creëren voor een aantal ministeriële besluiten die werden genomen op grond van artikel 6bis van de wet van 24 januari 1977 betreffende de bescherming van à l’article 9, laquelle doit manifestement être tenue pour un impôt. Cette disposition, qui vise à conférer au Roi un pou- voir que la Constitution a confié au législateur peut, en l’espèce, être jugée conforme à la jurisprudence de la Cour d’arbitrage, selon laquelle le législateur fédéral ne peut confier au Roi le soin de régler une matière que la Constitution lui réserve explicitement qu’à la double condition que le législateur lui délègue cette compétence expressément et de manière précise, et que les arrêtés royaux pris dans le cadre de cette délégation soient soumis, dans un délai raisonnable, au législateur, en vue de leur confirmation (1). Selon la jurisprudence de la Cour d’arbitrage, il n’est pas conciliable avec le prin- cipe constitutionnel d’égalité et de non-discrimination que des arrêtés pris en application d’une habilitation de l’espèce et qui ne sont pas confirmés dans les délais prévus par la loi de confirmation, continuent de sortir leurs effets pour la période séparant leur entrée en vi- gueur de la date ultime à laquelle ils auraient dû être confirmés, dès lors que les destinataires de ces arrêtés pourraient ainsi être affectés de manière discriminatoire par une mesure sans que celle-ci n’ait fait l’objet d’une décision prise par une assemblée délibérante démo- cratiquement élue (2). Il est également satisfait à cette condition, en l’espèce, par l’article 12, alinéa 3, selon lequel les arrêtés en question sont censés ne jamais avoir produit d’effets s’ils n’ont pas été confirmés par la loi dans les six mois de leur date d’entrée en vigueur. 2.5. L’article 16 du projet habilite le Roi à fixer des conditions dans lesquelles l’État peut accorder des avan- ces ou indemnités à des entreprises dont les produits d’origine animale ont été détruits, saisis ou retirés du commerce à la suite de mesures prises par les autori- tés publiques belges dans le cadre de la crise de la dioxine. Comme indiqué plus haut (observation 2.4 re- lative à la compétence de l’autorité fédérale), il ressort de l’exposé des motifs et des déclarations du délégué du gouvernement que la disposition en projet vise à conférer un fondement légal suffisant à un certain nom- bre d’arrêtés ministériels pris en vertu de l’article 6bis de la loi du 24 janvier 1977 relative à la protection de la santé des consommateurs en ce qui concerne les den- rées alimentaires et autres produits. Afin de prévenir ———————— (1) Arbitragehof, nr 52/99, 26 mei 1999, overw. B.3.3 en B.3.5; Arbitragehof, nr 68/99, 17 juni 1999, overw. B.5.3 en B.5.5. (2) Arbitragehof nr 18/98, 18 februari 1999, overw. B.9. ———————— (1) Cour d’arbitrage, n° 52/99, 26 mai 1999, cons. B.3.3 et B.3.5; Cour d’arbitrage, n° 68/99, 17 juin 1999, cons. B.5.3 et B.5.5. (2) Cour d’arbitrage, n° 18/98, 18 février 1998, cons. B.9. DOC 50 0212/001 33 KAMER 2e ZITTING VAN DE 50e ZITTINGSPERIODE CHAMBRE 2e SESSION DE LA 50 e LÉGISLATURE 1999 2000 de gezondheid van de verbruikers op het stuk van voe- dingsmiddelen en andere producten. Om iedere betwisting te vermijden bij de toetsing van die besluiten aan de aldus te creëren rechtsgrond, zou de ontworpen bepaling zodanig moeten worden aangevuld dat ze dui- delijk is afgestemd op de bedoelde besluiten. BIJZONDERE OPMERKINGEN Art. 2 1. Luidens de definitie van « dioxinecrisis » in de be- paling sub 1° hebben de in het ontwerp beoogde maat- regelen betrekking op het geheel van de buitengewone gebeurtenissen gevormd door de infiltratie van door dioxines verontreinigde grondstoffen in de diervoeder- keten, « in België vastgesteld in 1999 ». Zoals die be- paling geformuleerd is, worden alle gebeurtenissen be- oogd die zich voordoen tot 31 december 1999. Indien het de bedoeling van de stellers van het ontwerp is om de bewuste periode nauwkeuriger af te bakenen, dient dit nader gepreciseerd te worden. 2. Aan het in 3° bedoelde protocol van 25 augustus 1999 wordt middels de bepalingen van het ontwerp, minstens onrechtstreeks, een normatieve waarde toe- gekend (1). De tekst van dit protocol heeft niet het voor- werp uitgemaakt van enige bekendmaking, zodat noch de wetgever noch de rechtsonderhorigen er kennis kun- nen van hebben. Zonder dat daarom beroep moet worden gedaan op de techniek van de bijlage bij een normatieve tekst, ver- dient het toch aanbeveling de tekst van het protocol te voegen bij de documenten die samen met het vooront- werp van wet bij de Kamer van volksvertegenwoordi- gers zullen worden ingediend. Art. 3 Luidens de bepaling sub 2° kan de Koning, tegen de voorwaarden die hij vaststelt, « gemengde bedrijven » gelijkstellen met landbouwbedrijven. In de memorie van toelichting bij die bepaling wordt gepreciseerd dat in- zonderheid gedacht wordt aan bedrijven waar « teelt van gewassen in combinatie met het fokken van vee » plaats- heeft. Die precisering zou beter in de tekst zelf van de ontworpen bepaling worden opgenomen. Men schrijve bijvoorbeeld : « bedrijven die de teelt van gewassen combineren met het fokken van vee, gelijkstellen met landbouwbedrijven; ». toute contestation lors du contrôle de ces arrêtés à la lumière du fondement légal qui leur est ainsi conféré, il conviendrait de compléter la disposition en projet de manière à ce qu’elle indique clairement qu’elle concerne les arrêtés en question. OBSERVATIONS PARTICULIÈRES Art. 2 1. Selon la définition de la « crise de la dioxine » fi- gurant au 1°, les mesures visées par le projet se rap- portent à l’ensemble des événements extraordinaires constitués par l’entrée de matières premières contami- nées par des dioxines dans la chaîne alimentaire ani- male, « constatée en Belgique en 1999 ». Telle qu’elle est formulée, cette disposition se rapporte à tous les événements qui se seront produits jusqu’au 31 décem- bre 1999. Si l’intention des auteurs du projet est de dé- limiter plus rigoureusement la période en question, il convient qu’ils l’indiquent avec plus de précision. 2. Les dispositions du projet confèrent, à tout le moins indirectement (1), une valeur normative au protocole du 25 août 1999 visé au 3°. Le texte de ce protocole n’a pas fait l’objet d’une publication, de sorte que ni le légis- lateur, ni les justiciables ne peuvent en avoir connais- sance. Sans qu’il soit pour autant nécessaire de recourir à la technique consistant à joindre une annexe à un texte normatif, il est cependant recommandé de joindre le texte du protocole aux documents qui seront déposés à la Chambre des représentants en même temps que l’avant-projet de loi. Art. 3 Selon la disposition figurant au 2°, le Roi peut assi- miler des « entreprises mixtes » à des entreprises agri- coles aux conditions qu’il fixe. L’exposé des motifs pré- cise que cette disposition concerne notamment les en- treprises où « élevage » et « culture » sont associés. Il serait préférable que cette précision figure dans le texte même de la disposition en projet. On écrira par exem- ple : « assimiler à des entreprises agricoles des entre- prises associant la culture et l’élevage; ». –––––––––––– (1) Zie de artikelen 4, tweede lid, en 15 van het ontwerp. –––––––––––– (1) Voir les articles 4, alinéa 2, et 15 du projet. 34 DOC 50 0212/001 KAMER 2e ZITTING VAN DE 50e ZITTINGSPERIODE CHAMBRE 2e SESSION DE LA 50 e LÉGISLATURE 1999 2000 Art. 4 1. Luidens het bepaalde in het eerste lid kan de Staat steun toekennen aan landbouwbedrijven teneinde alle of een deel van de schade te dekken die deze bedrijven hebben geleden ten gevolge van de dioxinecrisis, « in de mate waarin deze schade niet wordt gedekt door an- dere federale of gewestelijke overheidssteun ». Uit de memorie van toelichting (en uit de artikelen 5, 2°, en 17, eerste lid, van het ontwerp) blijkt dat het de bedoeling is niet alleen rekening te houden met « an- dere federale of gewestelijke overheidssteun », maar ook met « vergoedingen uit particuliere bron (verzeke- ringen, schadevergoeding) ». Die precisering kan beter ook in de tekst zelf van ar- tikel 4, eerste lid, worden aangebracht. 2. Luidens het bepaalde in het tweede lid van arti- kel 4 van het ontwerp kan de bedoelde steun « inzon- derheid » de vorm aannemen van een interestbonificatie op de kredieten toegekend met toepassing van het voor- noemde protocol of van een vergoeding in contanten, en dit volgens de nadere regels bepaald bij een in de Ministerraad overlegd koninklijk besluit. De term « in- zonderheid » wijst erop dat een niet-exhaustieve opsom- ming van vormen van steun wordt bedoeld. Uit de toelichting bij het ontworpen artikel 4, tweede lid, lijkt daarentegen te kunnen worden opgemaakt dat de regering uitsluitend twee vormen van steun — na- melijk een vergoeding in contanten of een interestbonificatie op de kredieten toegekend met toe- passing van het voornoemde protocol — op het oog heeft. Indien de memorie van toelichting correct de bedoe- ling van de regering weergeeft, dient in artikel 4, tweede lid, het woord « inzonderheid » te worden geschrapt. Indien de regering integendeel zou opteren voor een niet-limitatieve lijst van vormen van steun, dient de in deze bepaling aan de Koning toegekende bevoegdheid gepreciseerd te worden, onder meer door het omschrij- ven van de grenzen waarbinnen hij via de hem verleende delegatie andere vormen van steun zou kunnen bepa- len. Art. 5 1. Luidens het bepaalde sub 2° van dit artikel moet de steunaanvrager, om te kunnen aantonen dat de steun de geleden schade niet overtreft, rekening houden « met alle andere federale en regionale overheidssteun die het bedrijf reeds heeft bekomen omwille van de dioxinecrisis, en met de vergoedingen die het heeft ver- kregen of waarop het recht heeft krachtens verzekerings- polissen of bij wege van schadevergoeding ingevolge contractuele of buitencontractuele aansprakelijkheid van Art. 4 1. Selon l’alinéa 1er, l’État peut accorder des aides à des entreprises agricoles en vue de couvrir tout ou par- tie du dommage subi par ces entreprises à cause de la crise de la dioxine, « dans la mesure où ce dommage n’est pas couvert par d’autres aides publiques fédéra- les ou régionales ». Il ressort de l’exposé des motifs (ainsi que des arti- cles 5, 2°, et 17, alinéa 1er, du projet) que l’intention n’est pas seulement de tenir compte « d’autres aides publi- ques fédérales ou régionales », mais aussi d’« indem- nités de source privée (assurances, dommages-inté- rêts) ». Il serait préférable que cette précision figure dans le texte même de l’article 4, alinéa 1er. 2. Selon l’alinéa 2 de l’article 4 du projet, les aides peuvent « notamment » prendre la forme d’une bonifi- cation en intérêt sur les crédits octroyés en application du protocole précité ou d’une indemnité en espèces, et ce selon les modalités définies par un arrêté royal déli- béré en Conseil des ministres. Le terme « notamment » suggère que la liste des types d’aide n’est pas exhaus- tive. En revanche, il semble pouvoir se déduire du com- mentaire relatif à l’article 4, alinéa 2, que le gouverne- ment n’envisage que deux formes d’aide, à savoir une indemnité en espèces ou une bonification en intérêt sur les crédits octroyés en application du protocole précité. Si l’exposé des motifs traduit fidèlement les intentions du gouvernement, il conviendra de supprimer le mot « notamment » à l’article 4, alinéa 2. Si, par contre, le gouvernement préfère adopter une liste non limitative de formes d’aide, le pouvoir conféré au Roi par cette disposition doit être précisé, notam- ment en définissant les limites dans lesquelles il pour- rait arrêter d’autres formes d’aide en vertu de la déléga- tion qui lui est conférée. Art. 5 1. Selon la disposition figurant au 2° de cet article, l’entreprise qui demande une aide doit, pour établir que l’aide ne dépasse pas le dommage subi, tenir compte de « toutes les autres aides publiques fédérales et ré- gionales qu’elle a déjà obtenues en raison de la crise de la dioxine et de toutes les indemnités qu’elle a re- çues ou auxquelles elle a droit en vertu de polices d’as- surances ou à titre de dommages-intérêts du chef de la responsabilité contractuelle ou extra-contractuelle de DOC 50 0212/001 35 KAMER 2e ZITTING VAN DE 50e ZITTINGSPERIODE CHAMBRE 2e SESSION DE LA 50 e LÉGISLATURE 1999 2000 derden ». De aanvrager zal aan die bepaling slechts kun- nen voldoen wanneer hij met zekerheid weet hoeveel die andere overheidssteun en de bedoelde vergoedin- gen bedragen. Dit heeft voor gevolg dat de in artikel 4 van het ontwerp bedoelde steun, vanuit chronologisch oogpunt, slechts als laatste kan worden toegekend. Zeker wanneer betwisting voor de rechter bestaat over de bedoelde vergoedingen, andere dan die van de over- heid, kan dit voor gevolg hebben dat het landbouwbedrijf heel lang op de federale overheidssteun moet wachten. De vraag rijst of zulks overeenstemt met de bedoe- ling van de stellers van het ontwerp, mede gelet op de a posteriori-controle, zoals die is geregeld in de artike- len 17 tot 19 van het ontwerp. 2. In artikel 5, 3°, wordt als voorwaarde om in aan- merking te komen voor steun, gesteld dat de aanvrager geen onregelmatigheden heeft begaan ten aanzien van de maatregelen welke de overheid in het kader van de dioxinecrisis heeft genomen. Daarover ondervraagd, heeft de gemachtigde van de regering verklaard dat als onregelmatigheden kunnen worden beschouwd « het onttrekken van dieren of dier- lijke producten aan bewarend beslag, het verbreken van het beslag, het geven van verkeerde inlichtingen, het knoeien met certificaten ». De draagwijdte van de ontworpen bepaling zou in die zin moeten worden gepreciseerd. Op zijn minst zouden in de memorie van toelichting een aantal voorbeelden van de bedoelde onregelmatigheden moeten worden opgenomen. 3. Luidens artikel 5, 4°, zullen de steunmaatregelen, bedoeld in artikel 4 van het ontwerp, enkel ten goede kunnen komen aan landbouwbedrijven of gelijkgestelde bedrijven, die onder meer voldoen aan de voorwaarden van economische zelfstandigheid zoals bepaald bij een in de Ministerraad overlegd koninklijk besluit. In de memorie van toelichting bij deze bepaling wordt in dit verband gesteld dat « het in de landbouwsector aangewezen (is) om de beperkte middelen bij voorrang aan te wenden voor steun aan zelfstandige onderne- mingen » en voorts dat « inderdaad … voor geïnte- greerde bedrijven de nood aan steun, beoordeeld op groepsbasis, over het algemeen minder dwingend (is) ». Het is de vraag of een dergelijk onderscheid in be- handeling — met name tussen zelfstandige onderne- mingen en de zogenaamde geïntegreerde bedrijven — in overeenstemming is met de grondwettelijke regels van de gelijkheid en de niet-discriminatie. Aangezien de bedoelde voorwaarden zullen worden vastgesteld in een uitvoeringsbesluit, kan de Raad van State zich thans niet uitspreken over die vraag. Hij wijst er evenwel op dat, om te voldoen aan het grondwettelijk gelijkheids- beginsel, er in ieder geval een voldoende objectief ver- tiers ». Les demandeurs ne pourront remplir cette con- dition que lorsqu’ils sauront avec exactitude à quel mon- tant s’élèveront les autres aides publiques et les indem- nités concernées. Il en découle, sur le plan chronologi- que, que les aides visées à l’article 4 du projet ne pour- ront être accordées qu’en dernier lieu. Ceci risque d’avoir comme conséquence, particulièrement si un juge est saisi d’un litige portant sur les indemnités en question, que les entreprises agricoles devront attendre très long- temps l’aide du gouvernement fédéral. La question est de savoir si telles sont bien les inten- tions des auteurs du projet, compte tenu notamment du contrôle a posteriori prévu par les articles 17 à 19 de celui-ci. 2. À l’article 5, 3°, il est précisé que pour être ad- mise au bénéfice de l’aide, une entreprise demanderesse ne peut avoir commis aucune irrégula- rité au regard des mesures prises par les autorités pu- bliques dans le cadre de la crise de la dioxine. Consulté à ce sujet, le délégué du gouvernement a déclaré que peuvent être considérées comme des irrégularités : « la soustraction d’animaux ou de produits d’origine animale à une saisie conservatoire, la rupture de la saisie, la fourniture de renseignements erronés, la falsification de certificats ». Il conviendrait de préciser la portée de la disposition en projet en ce sens. Il conviendrait à tout le moins que l’exposé des motifs cite certains exemples des irrégula- rités en question. 3. Selon l’article 5, 4°, seules seront admises au bé- néfice d’une aide, visée à l’article 4 du projet, les entre- prises agricoles et les entreprises assimilées qui rem- plissent notamment les conditions d’indépendance éco- nomique définies par arrêté royal délibéré en Conseil des ministres. À propos de cette disposition, l’exposé des motifs in- dique que « dans le secteur agricole, il est indiqué de concentrer les ressources limitées sur le soutien d’en- treprises indépendantes » et qu’« en effet, dans le cas d’entreprises intégrées, les besoins d’aide, jugés pour le groupe dans son ensemble, seront généralement moins pressants ». Se pose la question de savoir si une telle différence de traitement — c’est-à-dire entre entreprises indépen- dantes et entreprises dites intégrées — est conforme aux principes constitutionnels d’égalité et de non-discri- mination. Dès lors que ces conditions seront fixées par un arrêté d’exécution, le Conseil d’État ne peut se pro- noncer sur cette question à l’heure actuelle. Il souligne toutefois que pour satisfaire au principe constitutionnel d’égalité, il est nécessaire qu’il y ait un lien objectif suf- fisant entre les conditions d’indépendance économique 36 DOC 50 0212/001 KAMER 2e ZITTING VAN DE 50e ZITTINGSPERIODE CHAMBRE 2e SESSION DE LA 50 e LÉGISLATURE 1999 2000 band moet bestaan tussen het bedoelde vereiste van economische zelfstandigheid en de economische schade die de ontworpen steunmaatregelen beogen te lenigen. Art. 6 1. Luidens het bepaalde in paragraaf 2 van dit arti- kel kan de schade ten gevolge van de dioxinecrisis forfaitair worden bepaald op grond van objectieve indicatoren. Landbouwbedrijven gebonden door contrac- ten met gegarandeerde afnameprijzen worden uit dit forfaitaire stelsel uitgesloten. Die regeling komt erop neer dat bedrijven die met contractuele afnameprijzen werken en bedrijven die werken met niet vooraf bepaalde prijzen op een ver- schillende wijze worden behandeld. Die gedifferen- tieerde behandeling lijkt echter — in het licht van het gelijkheidsbeginsel — verantwoord te kunnen worden, omdat de ontworpen bepaling vooral betrekking blijkt te hebben op de bewijslast en geen rechtstreekse invloed lijkt te hebben op de steun die de betrokken bedrijven van de overheid ontvangen. 2. In de toelichting bij de ontworpen bepaling wordt uiteengezet dat de bedrijven die met contractuele afnameprijzen werken steeds hun reële schade dienen aan te tonen en dat, bovendien, in bepaalde gevallen slechts steun zal worden toegekend aan deze bedrij- ven mits « subrogatie van de Staat in de rechten van het betrokken landbouwbedrijf ten aanzien van diens co-contractant ». Die voorwaarde in verband met de (wettelijke) subrogatie komt niet tot uiting in de tekst van de ontwor- pen bepaling. 3. Ten slotte rijst de vraag of het de bedoeling van de stellers van het ontwerp is dat landbouwbedrijven die met contractuele afnameprijzen werken geen be- roep kunnen doen op de forfaitaire berekening van de schade, ook indien een deel van hun omzet zou gerea- liseerd worden buiten deze contracten met vaste afnameprijzen. Het ware meer in overeenstemming met het gelijkheidsbeginsel dat dergelijke bedrijven voor dat deel een beroep zouden kunnen doen op de forfaitaire berekeningswijze. Art. 7 Luidens dit artikel kan steun met toepassing van arti- kel 4 van het ontwerp niet worden uitgekeerd, vooral- eer de begunstigde zonder voorbehoud en onherroe- pelijk heeft verzaakt aan elk recht en elke vordering te- gen de Staat in verband met schade geleden ten ge- en question et le préjudice économique auquel les me- sures d’aide en projet entendent remédier. Art. 6 1. Selon le paragraphe 2 de cet article, le dommage subi à cause de la crise de la dioxine peut être déter- miné sur une base forfaitaire à partir d’indicateurs ob- jectifs. Les entreprises agricoles liées par des contrats comportant des prix d’achat garantis sont exclues de ce régime forfaitaire. Cette règle signifie que les entreprises qui pratiquent des prix d’achat contractuels et celles qui ne pratiquent pas des prix préalablement établis sont traitées différemment. Cependant, ce traitement différencié sem- ble pouvoir se justifier — au regard du principe d’éga- lité — en ce que la disposition en projet semble sur- tout se rapporter à la charge de la preuve et ne pas avoir de répercussion directe sur les aides que rece- vront les entreprises concernées des autorités. 2. L’exposé des motifs précise, au sujet de cette dis- position, que les entreprises qui pratiquent des prix d’achat garantis seront toujours tenues de prouver leur dommage réel et, en outre, que dans certains cas, il ne sera envisagé d’octroyer des aides à ces entreprises que moyennant « subrogation de l’État dans les droits de l’entreprise agricole concernée à l’égard de son co- contractant ». Cette condition, relative à la subrogation (légale), n’apparaît pas dans le texte de la disposition en projet. 3. Se pose enfin la question de savoir si l’intention des auteurs du projet est d’interdire aux entreprises agricoles qui pratiquent des prix d’achat contractuels d’avoir recours au calcul forfaitaire des dommages qu’el- les ont subis, même si elles réalisent une partie de leur chiffre d’affaires en dehors de ces contrats stipulant des prix d’achat fixes. Il serait plus conforme au principe d’égalité que ces entreprises puissent avoir recours au mode de calcul forfaitaire pour cette partie de leur chiffre d’affaires. Art. 7 Cet article prévoit qu’il ne peut être procédé au ver- sement d’une aide en application de l’article 4 du projet avant que le bénéficiaire n’ait renoncé, sans réserve et de manière irrévocable, à tout droit et toute action con- tre l’État en raison de dommages subis à cause de la DOC 50 0212/001 37 KAMER 2e ZITTING VAN DE 50e ZITTINGSPERIODE CHAMBRE 2e SESSION DE LA 50 e LÉGISLATURE 1999 2000 volge van de dioxinecrisis, noch vooraleer hij afstand heeft gedaan van eventuele hangende vorderingen tot schadevergoeding. Zoals de afdeling wetgeving van de Raad van State al heeft opgemerkt (1), geldt in een rechtsstaat het alge- meen rechtsbeginsel dat burgerlijke geschillen voor een rechter gebracht moeten kunnen worden. Dit grondrecht van toegang tot een rechter wordt trouwens, in verband met geschillen over burgerlijke rechten en verplichtin- gen, gewaarborgd bij artikel 6, lid 1, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) (2). Enerzijds mag dit recht niet louter theoretisch of illusoir zijn; het dient integendeel concreet en effectief te zijn (3). Anderzijds is het recht van toegang tot de rechter niet absoluut. Maar opdat een beperking aan dit grondrecht geoor- loofd zou zijn, onder meer in het licht van artikel 6, lid 1, van het EVRM, is ten minste vereist dat de beperking een wettig doel nastreeft en dat er een redelijk evenredigheidsverband bestaat tussen de gebruikte middelen en het beoogde doel (4). Volgens de gemachtigde van de regering wordt voor- zien in de verplichting om de bedoelde vorderingen te verzaken « in het belang van de schatkist, enerzijds, en in het belang van een doelmatig bestuur, anderzijds ». Bovendien moet de ontworpen bepaling allicht geacht worden zich mede in te schrijven in de algemene filoso- fie die aan het voorontwerp van wet ten grondslag ligt, met name « de afwezigheid van een (…) overcompen- satie », die « een belangrijke voorwaarde vormt voor de goedkeuring van steun door de Europese Commissie » (memorie van toelichting, inleiding, in fine). Op zich lijkt dit te kunnen worden aangemerkt als een wettig doel. De gebruikte middelen moeten evenwel nog in een redelijk evenredigheidsverband staan tot het beoogde doel. In dat verband moet vooreerst worden opgemerkt dat artikel 4 van het ontwerp geen garantie biedt dat de in die bepaling bedoelde staatssteun het geheel van de schade zal dekken welke de betrokkene heeft geleden : het eerste lid van dat artikel bepaalt integendeel uitdruk- kelijk dat steun kan worden toegekend teneinde alle of « een deel » van de schade te dekken. Vervolgens — en aansluitend bij de vorige opmer- king — moet erop worden gewezen dat de ontworpen crise de la dioxine, ni avant qu’il n’ait notifié le désiste- ment de toute action en réparation éventuellement en cours. Comme la section de législation du Conseil d’État l’a déjà indiqué (1), dans un État de droit, les contestations civiles, selon un principe général du droit, doivent pou- voir être portées devant un juge. En ce qui concerne les contestations relatives à des droits et obligations de caractère civil, ce droit fondamental d’accès au juge est d’ailleurs garanti par l’article 6, paragraphe 1er, de la Con- vention européenne de sauvegarde des droits de l’homme et des libertés fondamentales (CEDH) (2). D’une part, ce droit ne peut être purement théorique ou illusoire; il doit au contraire être concret et effectif (3). D’autre part, le droit d’accès au juge n’est pas absolu. Pour qu’une limitation du droit fondamental précité soit toutefois licite, notamment à la lumière de l’article 6, paragraphe 1er, de la CEDH, il est à tout le moins requis que la limitation tende à un but légitime et qu’il existe un rapport raisonnable de proportionnalité entre les moyens employés et le but visé (4). Selon le délégué du gouvernement, l’obligation de désistement en cause est prévue « dans l’intérêt du tré- sor, d’une part, et d’une administration efficace, d’autre part ». En outre, il convient sans doute de considérer que la disposition en projet s’inscrit notamment dans la philosophie générale de l’avant-projet de loi, à savoir « l’absence d’une (…) surcompensation », laquelle « constitue une condition importante à l’autorisation des aides par la Commission européenne » (exposé des motifs, introduction, in fine). Cela paraît, en soi, pouvoir constituer un but légitime. Les moyens employés doivent toutefois encore pré- senter un rapport raisonnable de proportionnalité avec le but visé. À cet égard, il convient tout d’abord de souligner que l’article 4 du projet ne garantit nullement que les aides de l’État, visées dans cette disposition, couvriront tous les dommages subis par les intéressés : l’alinéa 1er de cet article dispose, au contraire, de manière explicite que des aides peuvent être accordées en vue de cou- vrir tout « ou partie » du dommage subi. De plus — et pour faire suite à l’observation précé- dente —, il convient de souligner que la réglementa- –––––––––––– (1) Zie het advies van 10 en 13 oktober 1994, Parl. St., Senaat, 1994-1995, nr1218/1, blz. 234-235. (2) Zie, voor de erkenning van het beginsel, EHRM, 21 februari 1975, Golder, Publ. Cour, reeks A, vol. 18, blz. 12-18, §§ 26-36. (3) EHRM, 9 oktober 1979, Airey, o.c., vol. 32, blz. 12, § 24. (4) EHRM, 28 mei 1985, Ashingdane, o.c., vol. 93, blz. 24-25, § 57; EHRM, 8 juli 1986, Lithgow, o.c., vol. 102, blz. 71, § 194; EHRM, 21 september 1994, Fayed, o.c., vol. 294-B, § 65. –––––––––––– (1) Voir l’avis des 10 et 13 octobre 1994, Doc. parl., Sénat, 1994-1995, n° 1218/1, pp. 234-235. (2) Voir, pour la reconnaissance du principe, Cour européenne DH, 21 février 1975, Golder, Publ. Cour, série A, vol. 18, pp. 12-18, §§ 26- 36. (3) Cour européenne DH, 9 octobre 1979, Airey, o.c., vol. 32, p. 12, § 24. (4) Cour européenne DH, 28 mai 1985, Ashingdane, o.c., vol. 93, pp. 24-25, § 57; Cour européenne DH, 8 juillet 1986, Lithgow, o.c., vol. 102, p. 71, § 194; Cour européenne DH, 21 septembre 1994, Fayed, o.c., vol. 294-B, § 65. 38 DOC 50 0212/001 KAMER 2e ZITTING VAN DE 50e ZITTINGSPERIODE CHAMBRE 2e SESSION DE LA 50 e LÉGISLATURE 1999 2000 regeling evenmin garandeert dat de steunaanvrager, op het ogenblik waarop hij zijn keuze moet maken tussen het aanvaarden van de staatssteun of het uitoefenen van zijn vorderingen tot schadevergoeding op de Staat, een volledig inzicht heeft in wat hem als steun zal wor- den verleend (1). Bij gebreke van dergelijk inzicht, kan de keuze niet als geheel vrijwillig én ondubbelzinnig worden beschouwd, welke vrijwilligheid en ondubbel- zinnigheid twee minimale voorwaarden zijn opdat de « afstand » van het recht op een eerlijk proces, waartoe het recht van toegang tot de rechter behoort, aanvaard- baar zou zijn (2). Gelet op die gegevens dient ernstig voorbehoud te worden gemaakt over de vraag of de ontworpen rege- ling niet op onevenredige wijze het recht van toegang tot de rechter beperkt. Binnen de korte termijn welke hem voor het geven van zijn advies is toegemeten en bij ontstentenis van een voldoende inzicht in al de mo- gelijke situaties waarop de ontworpen regeling van toe- passing zou kunnen zijn, is het de Raad van State niet mogelijk op dit punt nader in te gaan. Art. 12 Deze bepaling machtigt de Koning een verplichte solidariteitsbijdrage op te leggen aan objectief bepaalde categorieën van ondernemingen in de landbouwsector en rechtstreekse en onrechtstreekse leveranciers en afnemers van deze ondernemingen. Of de aldus ontworpen regeling in al haar aspecten verzoenbaar is met het gelijkheidsbeginsel, zal slechts kunnen worden uitgemaakt op het ogenblik dat de Ko- ning van de hem verleende machtiging gebruikmaakt. Nochtans verdient het aanbeveling, reeds nu, ten behoeve van de Wetgevende Kamers, in de memorie van toelichting de nodige feitelijke gegevens aan te rei- ken ter verantwoording van de beleidskeuze om de landbouwsector in de ruime zin aan een solidariteits- bijdrage te onderwerpen. De ontworpen maatregel sluit immers niet uit dat landbouwbedrijven die zich niet inla- tion en projet ne garantit pas non plus que l’entreprise demanderesse aura pleinement connaissance des aides qui lui seront allouées lorsqu’elle devra choisir entre l’op- tion consistant à accepter les aides de l’État et celle consistant à exercer ses actions en réparation contre l’État (1). En l’absence de ces informations, le choix ne peut être considéré comme tout à fait libre et non équi- voque, alors que ces deux caractères constituent des conditions minimales à satisfaire pour que la renonciation à un procès équitable, dont relève le droit d’accès au juge, soit tolérable (2). Eu égard à ces considérations, il convient d’émettre de sérieuses réserves quant à la question de savoir si la réglementation en projet ne limite pas le droit d’accès au juge de manière disproportionnée. Vu la brièveté du délai qui lui est imparti pour rendre son avis et à défaut d’une connaissance suffisante de toutes les situations auxquelles la réglementation en projet pourrait s’appli- quer, le Conseil d’État n’est pas en mesure d’approfon- dir ce point. Art. 12 Cette disposition permet au Roi d’imposer une coti- sation de solidarité obligatoire à des catégories objectivement définies d’entreprises du secteur agricole et à des fournisseurs et clients directs et indirects de ces entreprises. Il ne sera possible de déterminer si la réglementation ainsi projetée se conciliera, sous tous ses aspects, avec le principe d’égalité que dès que le Roi fera usage de l’autorisation qui lui est conférée. Toutefois, il est d’ores et déjà recommandé d’inclure dans l’exposé des motifs, à l’intention des Chambres législatives, les éléments de faits qui justifient l’option politique de soumettre le secteur agricole, au sens large, à une cotisation de solidarité. En effet, la mesure en projet n’exclut pas que les entreprises agricoles qui ne pratiquent pas l’élevage, et qui ne portent donc aucune –––––––––––– (1) Het ontwerp bepaalt niet op welk ogenblik de betrokkene die keuze moet maken. Uit de bepaling van artikel 7 luidens welke de steun niet kan worden « uitgekeerd » vooraleer de betrokkene heeft verzaakt aan elke vordering, lijkt wel te kunnen worden opgemaakt dat die verzaking niet op het ogenblik van de aanvraag van staats- steun moet gebeuren. (2) Zie onder meer, J.-C. Soyer en M. de Salvia, « Article 6 », in L.-E. Pettiti, E. Decaux en P.-H. Imbert (eds.), La Convention européenne des droits de l’homme. Commentaire article par article, Parijs, Economica, 1995, blz. 243-244. –––––––––––– (1) Le projet ne précise pas à quel moment l’intéressé doit faire son choix. Il semble, en revanche, pouvoir se déduire de l’article 7, selon lequel il ne peut être procédé au « versement » d’aucune aide avant que le bénéficiaire n’ait renoncé à toute action, que cette renonciation ne doit pas avoir lieu au moment de la demande de l’aide de l’État. (2) Voir notamment J.-C. Soyer et M. de Salvia, « Article 6 » in L.-E. Pettiti, E. Decaux et P.-H. Imbert (eds), La Convention européenne des droits de l’homme. Commentaire article par article, Paris, Economica, 1995, pp. 243- 244. DOC 50 0212/001 39 KAMER 2e ZITTING VAN DE 50e ZITTINGSPERIODE CHAMBRE 2e SESSION DE LA 50 e LÉGISLATURE 1999 2000 ten met veeteelt, en derhalve geen verantwoordelijkheid dragen in de dioxinecrisis, ook onderworpen worden aan de verplichte solidariteitsbijdrage (1). Art. 13 In het tweede lid van dit artikel wordt bepaald dat de uitvoering van de « betalingen van het Fonds » kan wor- den opgedragen aan een gespecialiseerde instelling. In de memorie van toelichting bij artikel 9 van het ontwerp wordt gesteld dat, naar de bedoeling van de regering, de in artikel 4 bedoelde steunmaatregelen zouden worden gefinancierd uit twee bronnen, name- lijk, enerzijds, uit een eenmalig begrotingskrediet dat bij een afzonderlijk wetsontwerp in de algemene uitgaven- begroting van het begrotingsjaar 1999 zou worden in- geschreven en, anderzijds, wat het saldo betreft, uit bepaalde « bestemde ontvangsten » die zouden wor- den toegewezen aan het bij artikel 9 van het ontwerp opgerichte « Fonds voor de schadeloosstelling van landbouwbedrijven getroffen door de dioxinecrisis ». Uit die toelichting bij artikel 9 blijkt duidelijk dat alleen de uitvoering van de betalingen op het voornoemde een- malig begrotingskrediet zal worden opgedragen aan een gespecialiseerde instelling, en niet de uitvoering van de betalingen ten laste van het voornoemde fonds. Indien de toelichting correct de bedoeling van de re- gering weergeeft, dient artikel 13, tweede lid, uit het ontwerp te worden weggelaten. responsabilité dans la crise de la dioxine, soient égale- ment soumises à une cotisation de solidarité obliga- toire (1). Art. 13 À l’alinéa 2 de cet article, il est précisé que l’exécu- tion des « paiements du Fonds » peut être confiée à une institution spécialisée. On lit dans l’exposé des motifs, au sujet de l’article 9 du projet, que le gouvernement propose que les aides visées à l’article 4 soient financées par une double voie, à savoir un crédit budgétaire unique inscrit dans le bud- get général des dépenses de l’année budgétaire 1999 dans le cadre d’un projet de loi séparé et, pour le sur- plus, par certaines « recettes affectées » qui seraient versées au « Fonds d’indemnisation d’entreprises agri- coles touchées par la crise de la dioxine », institué par l’article 9 du projet. Il ressort clairement de ce commen- taire de l’article 9, que seule l’exécution des paiements relatifs au crédit budgétaire unique précité sera confiée à une institution spécialisée, et pas l’exécution des paie- ments à charge du fonds précité. Si l’exposé des motifs reflète fidèlement les intentions du gouvernement, il convient d’omettre l’article 13, ali- néa 2, du projet. –––––––––––– (1) Vergelijk met Arbitragehof, nr 70/96, 11 december 1996, waarin wordt geoordeeld dat het gelijkheidsbeginsel zich ertegen verzet dat de wetgever, om misbruiken door bepaalde vennootschappen te voor- komen, andere vennootschappen zou treffen waartegen men een dergelijk verwijt niet kan maken. –––––––––––– (1) Voir Cour d’arbitrage, n° 70/96, 11 décembre 1996, qui estime que le principe d’égalité s’oppose à ce que le législateur, en voulant éviter les abus de certaines sociétés, n’atteigne d’autres sociétés auxquelles un reproche similaire ne peut être fait. 40 DOC 50 0212/001 KAMER 2e ZITTING VAN DE 50e ZITTINGSPERIODE CHAMBRE 2e SESSION DE LA 50 e LÉGISLATURE 1999 2000 La chambre était composée de MM. : W. DEROOVER, président de chambre; D. ALBRECHT, J. SMETS, conseillers d'État; A. ALEN, H. COUSY, assesseurs de la section de législation; Mme : F. LIEVENS, greffier. La concordance entre la version française et la ver- sion néerlandaise a été vérifiée sous le contrôle de M. W. DEROOVER. Les rapports ont été présentés par Mme R. THIELEMANS, auditeur, et M. J. VAN NIEUWEN- HOVE, auditeur adjoint. La note du Bureau de Coordina- tion a été rédigée et exposée par Mme P. DE SOMERE, référendaire adjoint. Le Greffier, Le Président, F. LIEVENS W. DEROOVER De kamer was samengesteld uit HH. : W. DEROOVER, kamervoorzitter; D. ALBRECHT, J. SMETS, staatsraden; A. ALEN, H. COUSY, assessoren van de afdeling wetgeving; Mevr. : F. LIEVENS, griffier. De overeenstemming tussen de Nederlandse en de Franse tekst werd nagezien onder toezicht van de heer W. DEROOVER. De verslagen werden uitgebracht door mevrouw R. THIELEMANS, auditeur, en door de heer J. VAN NIEUWENHOVE, adjunct-auditeur. De nota van het Coördinatiebureau werd opgesteld door mevrouw P. DE SOMERE, adjunct-referendaris. De Griffier, De Voorzitter, F. LIEVENS W. DEROOVER DOC 50 0212/001 41 KAMER 2e ZITTING VAN DE 50e ZITTINGSPERIODE CHAMBRE 2e SESSION DE LA 50 e LÉGISLATURE 1999 2000 WETSONTWERP _____ ALBERT II, KONING DER BELGEN Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, ONZE GROET. Op de voordracht van Onze eerste minister, Onze vice-eerste minister en minister van Begroting, Maat- schappelijke Integratie en Sociale Economie, Onze mi- nister van Consumentenzaken, Volksgezondheid en Leefmilieu, Onze minister van Landbouw en Midden- stand, Onze minister van Financiën, Onze minister van Economie en Wetenschappelijk Onderzoek en de staats- secretaris voor Buitenlandse Handel, toegevoegd aan Onze minister van Buitenlandse Zaken, HEBBEN WIJ BESLOTEN EN BESLUITEN WIJ : Onze eerste minister, Onze vice-eerste minister en minister van Begroting, Maatschappelijke Integratie en Sociale Economie, Onze minister van Consumenten- zaken, Volksgezondheid en Leefmilieu, Onze minister van Landbouw en Middenstand, Onze minister van Fi- nanciën, Onze minister van Economie en Wetenschap- pelijk Onderzoek en de staatssecretaris voor Buiten- landse Handel, toegevoegd aan onze minister van Bui- tenlandse Zaken, zijn gelast het ontwerp van wet, waar- van de tekst hierna volgt, in Onze naam aan de Wet- gevende kamers voor te leggen en bij de Kamer van volksvertegenwoordigers in te dienen : HOOFDSTUK 1 Algemeen Artikel 1 Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 78 van de Grondwet. Art. 2 Voor de toepassing van deze wet moet worden ver- staan onder : 1° « dioxinecrisis » : het geheel van buitengewone gebeurtenissen gevormd door de infiltratie van door dioxines verontreinigde grondstoffen in de diervoeder- keten, in België vastgesteld in 1999, door de maatregelen die de overheid ingevolge deze vaststel- PROJET DE LOI _____ ALBERT II, ROI DES BELGES À tous, présents et à venir, SALUT. Sur la proposition de Notre premier ministre, de No- tre vice-premier ministre et ministre du Budget, de l’Intégration sociale et de l’Économie sociale, de Notre ministre de la Protection de la Consommation, de la Santé publique et de l’Environnement, de Notre minis- tre de l’Agriculture et des Classes moyennes, de Notre ministre des Finances, de Notre ministre de l’Économie et de la Recherche scientifique et du Secrétaire d’État au Commerce extérieur, adjoint à Notre ministre des Affaires étrangères, NOUS AVONS ARRÊTÉ ET ARRÊTONS : Notre premier ministre, Notre vice-premier ministre et ministre du Budget, de l’Intégration sociale et de l’Éco- nomie sociale, Notre ministre de la Protection de la Consommation, de la Santé publique et de l’Environne- ment, Notre ministre de l’Agriculture et des Classes moyennes, Notre ministre des Finances, Notre ministre de l’Économie et de la Recherche scientifique et le se- crétaire d’État au Commerce extérieur, adjoint à Notre ministre des Affaires étrangères, sont chargés de pré- senter, en Notre nom, aux Chambres législatives et de déposer à la Chambre des représentants, le projet de loi dont la teneur suit : CHAPITRE PREMIER Généralités Article 1er La présente loi règle une matière visée à l’article 78 de la Constitution. Art. 2 Pour l’application de la présente loi, il y a lieu d’en- tendre par : 1° « crise de la dioxine » : l’ensemble des événe- ments extraordinaires constitués par l’entrée de matières premières contaminées par des dioxines dans la chaîne alimentaire animale, constatée en Belgique en 1999, par les mesures prises par les autorités publi- 42 DOC 50 0212/001 KAMER 2e ZITTING VAN DE 50e ZITTINGSPERIODE CHAMBRE 2e SESSION DE LA 50 e LÉGISLATURE 1999 2000 ling heeft genomen om te beletten dat potentieel gecontamineerde, voor menselijke consumptie of vervoedering bestemde producten van dierlijke oor- sprong in de handel komen of blijven of om in het be- lang van de volksgezondheid of het dierenwelzijn te zorgen voor de vernietiging van dieren of producten die werden geblokkeerd, en door de verstoring van de rele- vante markten ingevolge deze verontreiniging of deze maatregelen; 2° « landbouwbedrijf » : elke onderneming waarvan de hoofdactiviteit bestaat in de teelt van pluimvee, var- kens of runderen of de productie van eieren of melk; 3° « Protocol » : het protocol gesloten op 25 augustus 1999 tussen de Staat en de Belgische Vereniging van Banken betreffende de toekenning van overbruggings- kredieten aan landbouwbedrijven getroffen door de dioxinecrisis; 4° « Verdrag » : het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap; 5° « Commissie » : de Commissie van de Europese Gemeenschappen; 6° « Fonds » : het Fonds voor de schadeloosstelling van landbouwbedrijven getroffen door de dioxinecrisis, opgericht door artikel 9. Art. 3 Voor de toepassing van deze wet kan de Koning, te- gen de voorwaarden die Hij vaststelt : 1° ondernemingen waarvan de hoofdactiviteit bestaat in de productie van andere producten van dierlijke oor- sprong die voorkomen in de lijst opgenomen als Bijlage I bij het Verdrag, gelijkstellen met landbouwbedrijven; 2° ondernemingen die akker- of tuinbouw combine- ren met één of meerdere activiteiten bedoeld in artikel 2, 2°, gelijkstellen met landbouwbedrijven; 3° de gevallen bepalen waarin, omwille van bindin- gen op functioneel, financieel of beheersvlak, meerdere entiteiten of exploitatie-eenheden dienen te worden be- schouwd als één enkel landbouwbedrijf. HOOFDSTUK 2 Schadeloosstelling van landbouwbedrijven getroffen door de dioxinecrisis Art. 4 Binnen de grenzen toegestaan door de Commissie krachtens artikel 87 van het Verdrag en tegen de voor- waarden bepaald bij een in Ministerraad overlegd ko- ques suite à cette constatation en vue d’empêcher la commercialisation de produits d’origine animale potentiellement contaminés destinés à la consomma- tion humaine ou animale ou en vue d’assurer l’élimina- tion d’animaux ou de produits ayant fait l’objet de me- sures de blocage dans l’intérêt de la santé publique ou du bien-être animal, et par la perturbation des marchés concernés en raison de cette contamination ou de ces mesures; 2° « entreprise agricole » : toute entreprise dont l’ac- tivité principale consiste en l’élevage de volaille, porcs ou bovins ou en la production d’œufs ou de lait; 3° « Protocole » : le protocole conclu le 25 août 1999 entre l’État et l’Association belge des Banques relatif l’octroi de crédits de soudure à des entreprises agrico- les touchées par la crise de la dioxine; 4° « Traité » : le Traité instituant la Communauté européenne; 5° « Commission » : la Commission des Commu- nautés européennes; 6° « Fonds » : le Fonds d’indemnisation d’entrepri- ses agricoles touchées par la crise de la dioxine, insti- tué par l’article 9. Art. 3 Pour l’application de la présente loi, le Roi peut, aux conditions qu’Il fixe : 1° assimiler à des entreprises agricoles des entre- prises dont l’activité principale consiste en la produc- tion d’autres produits d’origine animale repris sur la liste figurant à l’Annexe I au Traité; 2° assimiler à des entreprises agricoles des entre- prises qui combinent la culture de céréales ou l’horticul- ture avec une ou plusieurs activités visées à l’article 2, 2°; 3° définir les cas dans lesquels, en raison de liens fonctionnels ou financiers ou de liens sur le plan de la gestion, plusieurs entités ou unités d’exploitation doi- vent être considérées comme une seule entreprise agri- cole. CHAPITRE 2 Indemnisation d’entreprises agricoles touchées par la crise de la dioxine Art. 4 Dans les limites autorisées par la Commission en vertu de l’article 87 du Traité et aux conditions définies par un arrêté royal délibéré en Conseil des ministres, DOC 50 0212/001 43 KAMER 2e ZITTING VAN DE 50e ZITTINGSPERIODE CHAMBRE 2e SESSION DE LA 50 e LÉGISLATURE 1999 2000 ninklijk besluit, kan de Staat steun toekennen aan landbouwbedrijven teneinde alle of een deel van de schade te dekken die deze bedrijven hebben geleden ten gevolge van de dioxinecrisis, in de mate waarin deze schade niet wordt gedekt door andere federale of ge- westelijke overheidssteun. De in lid 1 bedoelde steun kan inzonderheid de vorm aannemen van een interestbonificatie op de kredieten toegekend met toepassing van het Protocol of van een vergoeding in contanten, volgens de nadere regels be- paald bij een in Ministerraad overlegd koninklijk besluit. Art. 5 Een landbouwbedrijf komt enkel in aanmerking voor steun met toepassing van artikel 4 voorzover het : 1° het bewijs levert van de geleden schade en van een rechtstreeks oorzakelijk verband tussen deze schade en de dioxinecrisis; 2° aantoont dat de gevraagde steun in subsidie-equi- valent de geleden schade niet overtreft, rekening hou- dend, in voorkomend geval, met alle andere federale en regionale overheidssteun die het bedrijf reeds heeft bekomen omwille van de dioxinecrisis, en met de ver- goedingen die het heeft verkregen of waarop het recht heeft krachtens verzekeringspolissen of bij wege van schadevergoeding ingevolge contractuele of buiten- contractuele aansprakelijkheid van derden; 3° geen onregelmatigheden heeft begaan ten aan- zien van de maatregelen genomen door de overheid in het kader van de dioxinecrisis; 4° de voorwaarden van economische zelfstandigheid ten aanzien van afnemers van vee en leveranciers ver- vult zoals bepaald bij een in Ministerraad overlegd ko- ninklijk besluit. Art. 6 § 1. Bij een in Ministerraad overlegd besluit bepaalt de Koning : 1° de procedure voor de aanvraag van steun bedoeld in artikel 4 en voor het onderzoek van de betreffende aanvragen; 2° de nadere regels volgens welke de landbouw- bedrijven de elementen aangegeven in artikel 5, 1° en 2°, moeten aantonen; 3° de nadere regels voor de berekening van het sub- sidie-equivalent van de verschillende vormen van overheidssteun toegekend omwille van de dioxinecrisis en van de schade die de landbouwbedrijven tengevolge daarvan hebben geleden. § 2. De schade geleden tengevolge van de dioxinecrisis kan forfaitair worden bepaald op grond van l’État peut accorder des aides à des entreprises agrico- les en vue de couvrir tout ou partie du dommage subi par ces entreprises à cause de la crise de la dioxine, dans la mesure où ce dommage n’est pas couvert par d’autres aides publiques fédérales ou régionales. Les aides visées à l’alinéa 1er peuvent notamment prendre la forme d’une bonification en intérêt sur les crédits octroyés en application du Protocole ou d’une indemnité en espèces, selon les modalités définies par un arrêté royal délibéré en Conseil des ministres. Art. 5 Une entreprise agricole est éligible au bénéfice d’une aide en application de l’article 4 pour autant qu’elle : 1° fournisse la preuve du dommage subi et d’un lien de causalité direct entre ce dommage et la crise de la dioxine; 2° établisse que l’aide demandée ne dépasse pas en équivalent-subvention le dommage subi, compte tenu, le cas échéant, de toutes les autres aides publi- ques fédérales et régionales que l’entreprise a déjà ob- tenues en raison de la crise de la dioxine et de toutes les indemnités qu’elle a reçues ou auxquelles elle a droit en vertu de polices d’assurances ou à titre de domma- ges-intérêts du chef de la responsabilité contractuelle ou extra-contractuelle de tiers; 3° n’ait pas commis d’irrégularités au regard des me- sures prises par les autorités publiques dans le cadre de la crise de la dioxine; 4° remplisse les conditions d’indépendance écono- mique à l’égard des preneurs de bétail et des fournis- seurs, telles que définies par arrêté royal délibéré en Conseil des ministres. Art. 6 § 1er. Par arrêté délibéré en Conseil des ministres, le Roi définit : 1° la procédure applicable aux demandes d’aides vi- sées à l’article 4 et à l’examen de ces demandes; 2° les modalités selon lesquelles les entreprises agri- coles doivent établir les éléments visés à l’article 5, 1° et 2°; 3° les modalités de calcul de l’équivalent-subvention des différentes formes d’aides publiques octroyées en raison de la crise de la dioxine et du dommage subi par les entreprises agricoles à cause de celle-ci. § 2. Le dommage subi à cause de la crise de la dioxine peut être déterminé sur une base forfaitaire à 44 DOC 50 0212/001 KAMER 2e ZITTING VAN DE 50e ZITTINGSPERIODE CHAMBRE 2e SESSION DE LA 50 e LÉGISLATURE 1999 2000 objectieve indicatoren, behalve in het geval van landbouwbedrijven gebonden door contracten met ge- garandeerde afnameprijzen voor dieren die zij fokken of vetmesten, of voor producten van dierlijke oorsprong die zij produceren. Art. 7 Steun met toepassing van artikel 4 kan niet worden uitgekeerd vooraleer de begunstigde schriftelijk, zonder voorbehoud en onherroepelijk, heeft verzaakt aan elk recht en elke vordering tegen de Staat omwille van schade geleden ten gevolge van de dioxinecrisis, noch, zo de begunstigde hiervoor reeds tegen de Staat een vordering tot schadevergoeding bij de rechtbanken had ingesteld, vooraleer de begunstigde afstand van geding heeft betekend aan de Staat. Art. 8 Tegen de voorwaarden bepaald bij een in Minister- raad overlegd koninklijk besluit kan de Staat dadingen aangaan in het kader van rechtsgeschillen betreffende de vergoeding van schade die ondernemingen bewe- ren te hebben geleden ten gevolge van de dioxinecrisis. HOOFDSTUK 3 Financiering Art. 9 Met toepassing van artikel 45 van de wetten op de Rijkscomptabiliteit, gecoördineerd op 17 juli 1991, wordt bij het ministerie van Middenstand en Landbouw een begrotingsfonds ingesteld met de naam « Fonds voor de schadeloosstelling van landbouwbedrijven getroffen door de dioxinecrisis ». Het Fonds heeft ten doel om de uitgaven te dekken die voortvloeien uit de steun bedoeld in artikel 4, de dadingen bedoeld in artikel 8 en de Staatswaarborgen bedoeld in artikel 15, in de mate waarin deze uitgaven niet worden gedekt door een eenmalig krediet dat te dien einde zal worden ingeschreven in de algemene uitgavenbegroting van het begrotingsjaar 1999. Het Fonds wordt bestuurd door een raad waarvan de structuur, samenstelling en werking worden geregeld door een in Ministerraad overlegd koninklijk besluit. partir d’indicateurs objectifs, sauf dans le cas d’entre- prises agricoles liées par des contrats comportant des prix d’achat garantis pour des animaux qu’elles élèvent ou engraissent ou pour des produits d’origine animale qu’elles produisent. Art. 7 Il ne peut être procédé au versement d’une aide en application de l’article 4 avant que le bénéficiaire n’ait renoncé par écrit, sans réserve et de manière irrévoca- ble, à tout droit et toute action contre l’État en raison de dommages subis à cause de la crise de la dioxine ni, si le bénéficiaire avait déjà introduit une action en dom- mages-intérêts de ce chef contre l’État devant les tribu- naux, avant que le bénéficiaire n’ait signifié le désiste- ment d’instance à l’État. Art. 8 Aux conditions définies par un arrêté royal délibéré en Conseil des ministres, l’État peut transiger dans le cadre de litiges portant sur l’indemnisation de domma- ges que des entreprises prétendent avoir subis à cause de la crise de la dioxine. CHAPITRE 3 Financement Art. 9 En application de l’article 45 des lois sur la comptabi- lité de l’État, coordonnées le 17 juillet 1991, il est institué au ministère des Classes moyennes et de l’Agri- culture un fonds budgétaire dénommé « Fonds d’indemnisation d’entreprises agricoles touchées par la crise de la dioxine ». Le Fonds a pour but de couvrir les dépenses décou- lant des aides visées à l’article 4, des transactions vi- sées à l’article 8 et des garanties de l’État visées à l’ar- ticle 15, dans la mesure où ces dépenses ne sont pas couvertes par un crédit unique qui sera inscrit à ces fins au budget général des dépenses de l’année budgétaire 1999. Le Fond est géré par un conseil dont la structure, la composition et le fonctionnement sont réglés par un ar- rêté royal délibéré en Conseil des ministres. DOC 50 0212/001 45 KAMER 2e ZITTING VAN DE 50e ZITTINGSPERIODE CHAMBRE 2e SESSION DE LA 50 e LÉGISLATURE 1999 2000 Art. 10 Het Fonds wordt gestijfd door : 1° de vrijwillige bijdragen; 2° de verplichte bijdragen opgelegd met toepassing van artikel 12; 3° in voorkomend geval, de steun toegekend door de Europese Unie omwille van de dioxinecrisis; 4° de terugvordering van federale steun met toepas- sing van artikel 19; 5° de interesten op thesauriebeleggingen van het Fonds. Art. 11 In artikel 104 van het Wetboek van de inkomstenbe- lastingen 1992 wordt een 4°ter ingevoegd, luidend als volgt : « 4°ter. giften in geld aan het Fonds voor de schade- loosstelling van landbouwbedrijven getroffen door de dioxinecrisis ». Art. 12 Bij een in Ministerraad overlegd besluit kan de Ko- ning aan objectief bepaalde categorieën van onderne- mingen in de landbouwsector en rechtstreekse en on- rechtstreekse leveranciers en afnemers van dergelijke ondernemingen een solidariteitsbijdrage ten bate van het Fonds opleggen waarvan Hij de berekeningsbasis, het tarief en de inningsmodaliteiten bepaalt. Een bijdrage opgelegd met toepassing van lid 1 kan niet worden geheven op producten ingevoerd uit andere lidstaten van de Europese Economische Ruimte. Der- gelijke bijdrage is niet als beroepskost aftrekbaar inzake inkomstenbelasting. Elk besluit dat krachtens dit artikel wordt vastgesteld, wordt geacht nooit uitwerking te hebben gehad indien het niet bij wet is bekrachtigd binnen de zes maanden na de datum van zijn inwerkingtreding. Art. 13 Op gezamenlijke voordracht van de ministers be- voegd voor Landbouw en Begroting stelt de Koning het bijzonder reglement betreffende het beheer van het Fonds vast. De uitvoering van de betalingen van het Fonds kan worden opgedragen aan een gespecialiseerde instel- ling. Art. 10 Le Fonds est alimenté par : 1° les contributions volontaires; 2° les cotisations obligatoires imposées en applica- tion de l’article 12; 3° le cas échéant, les aides octroyées par l’Union européenne en raison de la crise de la dioxine; 4° les recouvrements d’aides fédérales en applica- tion de l’article 19; 5° les intérêts produits par les placements de tréso- rerie du Fonds. Art. 11 Dans l’article 104 du Code des impôts sur les reve- nus 1992, il est inséré un 4°ter, rédigé comme suit : « 4°ter. les libéralités faites en argent au Fonds d’indemnisation d’entreprises agricoles touchées par la crise de la dioxine ». Art. 12 Par arrêté délibéré en Conseil des ministres, le Roi peut imposer à des catégories objectivement définies d’entreprises relevant du secteur agricole et à des four- nisseurs et clients directs et indirects de telles entrepri- ses une cotisation de solidarité au profit du Fonds dont Il fixe l’assiette, le taux et les modalités de perception. Une cotisation imposée en application de l’alinéa 1er ne peut grever des produits importés d’autres États membres de l’Espace économique européen. Une telle cotisation n’est pas déductible à titre de frais profes- sionnels en matière d’impôt sur les revenus. Tout arrêté pris en vertu du présent article est censé ne jamais avoir produit d’effets s’il n’a pas été confirmé par la loi dans les six mois de sa date d’entrée en vi- gueur. Art. 13 Sur la proposition conjointe des ministres qui ont l’Agriculture et le Budget dans leurs attributions, le Roi établit le règlement spécial relatif à la gestion du Fonds. L’exécution des paiements du Fonds peut être con- fiée à une institution spécialisée. 46 DOC 50 0212/001 KAMER 2e ZITTING VAN DE 50e ZITTINGSPERIODE CHAMBRE 2e SESSION DE LA 50 e LÉGISLATURE 1999 2000 Art. 14 In de tabel gevoegd bij de wet van 27 december 1990 tot oprichting van begrotingsfondsen, gewijzigd bij de wetten van 6 augustus 1993, 24 december 1993, 21 de- cember 1994, 6 april 1995, 29 april 1996 en 23 maart 1998, wordt rubriek « 31-Landbouw » aangevuld als volgt : Benaming van het organiek begrotingsfonds « 31-5 Fonds voor de schadeloosstelling van landbouwbedrijven getroffen door de dioxinecrisis ». Aard van de toegewezen ontvangsten « De ontvangsten bedoeld in artikel 10 van de wet van …………… betreffende steunmaatregelen ten gun- ste van landbouwbedrijven getroffen door de dioxinecrisis ». Aard van de gemachtigde uitgaven « De uitgaven bedoeld in de artikelen 4, 8 en 15 van voornoemde wet van …………, alsmede de personeels- en werkingskosten van het Fonds ». HOOFDSTUK 4 Andere steunmaatregelen Art. 15 De kredieten die in uitvoering van het Protocol zijn toegekend door kredietinstellingen die ertoe zijn toege- treden, genieten de Staatswaarborg ten belope van 50 % van hoofdsom en interesten (inclusief nalatigheids- interesten) van elk krediet van zodra het betrokken kredietdossier door het Belgisch Interventie- en Restitutiebureau is goedgekeurd, of wordt geacht te zijn goedgekeurd, overeenkomstig het Protocol. Het totaalbedrag van de in lid 1 bedoelde kredieten mag niet hoger zijn dan 25 000 000 000 (vijfentwintig miljard) Belgische frank in hoofdsom. Art. 16 Binnen de grenzen toegestaan door de Commissie krachtens artikel 87 van het Verdrag en tegen de voor- waarden bepaald bij een in Ministerraad overlegd ko- ninklijk besluit, kan de Staat voorschotten of vergoedin- gen toekennen aan ondernemingen wier producten van dierlijke oorsprong zijn vernietigd, in beslag genomen of uit de handel genomen ingevolge maatregelen die de Belgische overheid heeft genomen in het kader van de dioxinecrisis. Art. 14 Dans le tableau annexé à la loi du 27 décembre 1990 créant des fonds budgétaires, modifié par les lois des 6 août 1993, 24 décembre 1993, 21 décembre 1994, 6 avril 1995, 29 avril 1996 et 23 mars 1998, la rubrique « 31-Agriculture » est complétée comme suit : Dénomination du fonds budgétaire organique « 31-5 Fonds d’indemnisation d’entreprises agrico- les touchées par la crise de la dioxine ». Nature des recettes affectées « Les recettes visées à l’article 10 de la loi du ………… relative à des mesures d’aide en faveur d’entreprises agricoles touchées par la crise de la dioxine ». Nature des dépenses autorisées « Les dépenses visées aux articles 4, 8 et 15 de la loi du ………… précitée, ainsi que les frais de personnel et de fonctionnement du Fonds ». CHAPITRE 4 Autres mesures d’aide Art. 15 Les crédits octroyés en exécution du Protocole par des établissements de crédit ayant adhéré à celui-ci, bénéficient de la garantie de l’État à concurrence de 50 % du montant principal et des intérêts (y compris les intérêts de retard) de chaque crédit dès que le dossier de crédit en question a été approuvé par le Bureau d’in- tervention et de restitution belge, ou est réputé approuvé par celui-ci, conformément au Protocole. Le montant total des crédits visés à l’alinéa 1er ne peut dépasser 25 000 000 000 (vingt-cinq milliards) de francs belges en principal. Art. 16 Dans les limites autorisées par la Commission en vertu de l’article 87 du Traité et aux conditions définies par un arrêté royal délibéré en Conseil des ministres, l’État peut accorder des avances ou indemnités à des entreprises dont des produits d’origine animale ont été détruits, saisis ou retirés du commerce à la suite de mesures prises par les autorités publiques belges dans le cadre de la crise de la dioxine. DOC 50 0212/001 47 KAMER 2e ZITTING VAN DE 50e ZITTINGSPERIODE CHAMBRE 2e SESSION DE LA 50 e LÉGISLATURE 1999 2000 HOOFDSTUK 5 Controlemaatregelen Art. 17 Het totaalbedrag van de federale overheidssteun die een onderneming ontvangt omwille van de dioxinecrisis, ongeacht of deze ook steun omvat toegekend met toe- passing van deze wet, mag in subsidie-equivalent niet de schade overtreffen die de onderneming heeft gele- den ten gevolge van de dioxinecrisis, rekening houdend, in voorkomend geval, met alle gewestelijke overheids- steun die de onderneming omwille daarvan bekomt, en met alle vergoedingen die zij ontvangt krachtens verzekeringspolissen of bij wege van schadevergoeding ingevolge contractuele of buitencontractuele aanspra- kelijkheid van derden. De regels bepaald krachtens artikel 6 zijn van toe- passing op de vaststelling van het subsidie-equivalent van de verschillende vormen van overheidssteun toe- gekend omwille van de dioxinecrisis en van de schade die de ondernemingen ten gevolge daarvan hebben ge- leden. Art. 18 De naleving van artikel 17 maakt het voorwerp uit van controles uitgevoerd door de ambtenaren en agen- ten van het ministerie van Middenstand en Landbouw aangeduid door de minister bevoegd voor Landbouw, volgens de nadere regels bepaald door de Koning. Deze ambtenaren en agenten kunnen van de betrokken on- dernemingen alle nodige inlichtingen vorderen; zij kun- nen overgaan tot een controle van hun rekeningen en boeken ter plaatse. Art. 19 Het eventuele overschot van de overheidssteun die een onderneming omwille van de dioxinecrisis heeft ontvangen ten opzichte van de schade die zij ten ge- volge daarvan heeft geleden, wordt toegerekend op de ontvangen federale steun, in omgekeerde chronologi- sche volgorde, en moet aan het Fonds worden terug- gestort, vermeerderd met nalatigheidsinteresten aan Euribor op drie maanden. De terugvordering ervan ge- schiedt door toedoen van de administratie bevoegd voor de invordering van de belasting over de toegevoegde waarde. De artikelen 94 en 95 van de wetten op de Rijkscomptabiliteit, gecoördineerd op 17 juli 1991, zijn van toepassing op deze terugvordering. CHAPITRE 5 Mesures de contrôle Art. 17 Le montant total des aides publiques fédérales qu’une entreprise reçoit en raison de la crise de la dioxine, que ces aides comprennent ou non des aides octroyées en application de la présente loi, ne peut pas en équiva- lent-subvention dépasser le dommage subi par l’entre- prise à cause de la crise de la dioxine, compte tenu, le cas échéant, de toutes les aides publiques régionales que l’entreprise obtient en raison de celle-ci et de tou- tes les indemnités qu’elle reçoit en vertu de polices d’as- surances ou à titre de dommages-intérêts du chef de la responsabilité contractuelle ou extra-contractuelle de tiers. Les règles arrêtées en vertu de l’article 6 s’appliquent à la détermination de l’équivalent-subvention des diffé- rentes formes d’aides publiques octroyées en raison de la crise de la dioxine et du dommage subi par les entre- prises à cause de celle-ci. Art. 18 Le respect de l’article 17 fait l’objet de contrôles ef- fectués par les fonctionnaires et agents du ministère des Classes moyennes et de l’Agriculture désignés par le ministre qui a l’Agriculture dans ses attributions, selon les modalités fixées par le Roi. Ces fonctionnaires et agents peuvent requérir les entreprises en question de leur fournir toutes les informations nécessaires; ils peu- vent procéder à un contrôle de leurs comptes et livres sur place. Art. 19 L’excédent éventuel des aides publiques qu’une en- treprise a reçues en raison de la crise de la dioxine par rapport au dommage qu’elle a subi à cause de celle-ci est imputé sur les aides fédérales reçues en ordre chro- nologique inverse et doit être restitué au Fonds, majoré d’intérêts de retard au taux Euribor à trois mois. Le recouvrement en est poursuivi par l’administration qui a le recouvrement de la taxe sur la valeur ajoutée dans ses attributions. Les articles 94 et 95 des lois sur la comp- tabilité de l’État, coordonnées le 17 juillet 1991, sont applicables à ce recouvrement. 48 DOC 50 0212/001 KAMER 2e ZITTING VAN DE 50e ZITTINGSPERIODE CHAMBRE 2e SESSION DE LA 50 e LÉGISLATURE 1999 2000 HOOFDSTUK 6 Slotbepalingen Art. 20 § 1. Worden gestraft met gevangenisstraf van één maand tot één jaar en met geldboete van 50 (vijftig) tot 10 000 (tienduizend) Belgische frank of met één van deze straffen alleen, zij die de controles uitgevoerd met toepassing van artikel 18 hinderen, weigeren aan de betrokken ambtenaren of agenten de informatie te ver- strekken die zij gehouden zijn hun mee te delen, of hun bewust verkeerde of onvolledige informatie verstrekken. § 2. De Koning kan strafsancties bepalen voor inbreu- ken op de bepalingen van de uitvoeringsbesluiten van deze wet die Hij aanduidt. Deze sancties mogen een gevangenisstraf van zes maanden en een geldboete van 10 000 (tienduizend) Belgische frank niet overschrijden. § 3. De bepalingen van het Eerste Boek van de Strafwetboek zijn van toepassing op de inbreuken be- doeld in §§ 1 en 2. Art. 21 Deze wet treedt in werking de dag waarop zij in het Belgisch Staatsblad wordt bekendgemaakt, met uitzon- dering van artikel 15, dat in werking treedt met ingang van 25 augustus 1999, en van artikel 16, dat in werking treedt met ingang van 1 juli 1999. Gegeven te ………………… ALBERT VAN KONINGSWEGE : De eerste minister, Guy VERHOFSTADT De vice-eerste minister en minister van Begroting, Maatschappelijke Integratie en Sociale Economie, Johan VANDE LANOTTE CHAPITRE 6 Dispositions finales Art. 20 § 1er. Sont punis d’un emprisonnement d’un mois à un an et d’une amende de 50 (cinquante) à 10 000 (dix mille) francs belges ou d’une de ces peines seulement, ceux qui font obstacle aux contrôles effectués en appli- cation de l’article 18, refusent de donner aux fonction- naires ou agents concernés les informations qu’ils sont tenus de leur fournir ou leur donnent sciemment des informations inexactes ou incomplètes. § 2. Le Roi peut prévoir des sanctions pénales pour les infractions aux dispositions des arrêtés d’exécution de la présente loi qu’Il désigne. Ces sanctions ne peu- vent excéder une peine d’emprisonnement de six mois et une amende de 10 000 (dix mille) francs belges. § 3. Les dispositions du Livre premier du Code pé- nal sont applicables aux infractions visées aux §§ 1er et 2. Art. 21 La présente loi entre en vigueur le jour de sa publica- tion au Moniteur belge, à l’exception de l’article 15, qui produit ses effets le 25 août 1999, et de l’article 16, qui produit ses effets le 1er juillet 1999. Donné à …………… ALBERT PAR LE ROI : Le premier ministre, Guy VERHOFSTADT Le vice-premier ministre et ministre du Budget, de l’Intégration sociale et de l’Économie sociale, Johan VANDE LANOTTE DOC 50 0212/001 49 KAMER 2e ZITTING VAN DE 50e ZITTINGSPERIODE CHAMBRE 2e SESSION DE LA 50 e LÉGISLATURE 1999 2000 La ministre de la Protection de la Consommation, de la Santé publique et de l’Environnement, Magda AELVOET Le ministre de l’Agriculture et des Classes moyennes, Jaak GABRIELS Le ministre des Finances, Didier REYNDERS Le ministre de l’Économie et de la Recherche scientifique, Rudy DEMOTTE Le secrétaire d’État au Commerce extérieur, adjoint au ministre des Affaires étrangères, Pierre CHEVALIER De minister van Consumentenzaken, Volksgezondheid en Leefmilieu, Magda AELVOET De minister van Landbouw en Middenstand, Jaak GABRIELS De minister van Financiën, Didier REYNDERS De minister van Economie en Wetenschappelijk Onderzoek, Rudy DEMOTTE De staatssecretaris voor Buitenlandse Handel, toegevoegd aan de minister van Buitenlandse Zaken, Pierre CHEVALIER 50 DOC 50 0212/001 KAMER 2e ZITTING VAN DE 50e ZITTINGSPERIODE CHAMBRE 2e SESSION DE LA 50 e LÉGISLATURE 1999 2000 DOC 50 0212/001 51 KAMER 2e ZITTING VAN DE 50e ZITTINGSPERIODE CHAMBRE 2e SESSION DE LA 50 e LÉGISLATURE 1999 2000 52 DOC 50 0212/001 KAMER 2e ZITTING VAN DE 50e ZITTINGSPERIODE CHAMBRE 2e SESSION DE LA 50 e LÉGISLATURE 1999 2000 DOC 50 0212/001 53 KAMER 2e ZITTING VAN DE 50e ZITTINGSPERIODE CHAMBRE 2e SESSION DE LA 50 e LÉGISLATURE 1999 2000 54 DOC 50 0212/001 KAMER 2e ZITTING VAN DE 50e ZITTINGSPERIODE CHAMBRE 2e SESSION DE LA 50 e LÉGISLATURE 1999 2000 DOC 50 0212/001 55 KAMER 2e ZITTING VAN DE 50e ZITTINGSPERIODE CHAMBRE 2e SESSION DE LA 50 e LÉGISLATURE 1999 2000 56 DOC 50 0212/001 KAMER 2e ZITTING VAN DE 50e ZITTINGSPERIODE CHAMBRE 2e SESSION DE LA 50 e LÉGISLATURE 1999 2000 DOC 50 0212/001 57 KAMER 2e ZITTING VAN DE 50e ZITTINGSPERIODE CHAMBRE 2e SESSION DE LA 50 e LÉGISLATURE 1999 2000 58 DOC 50 0212/001 KAMER 2e ZITTING VAN DE 50e ZITTINGSPERIODE CHAMBRE 2e SESSION DE LA 50 e LÉGISLATURE 1999 2000 DOC 50 0212/001 59 KAMER 2e ZITTING VAN DE 50e ZITTINGSPERIODE CHAMBRE 2e SESSION DE LA 50 e LÉGISLATURE 1999 2000 Drukkerij-Imprimerie SCHAUBROECK — 9810 NAZARETH

Vragen over dit document?

Stel uw vragen aan onze juridische AI-assistent

Open chatbot