Inhoud
DOC 50 0212/001
DOC 50 0212/001
29 octobre 1999
CHAMBRE DES REPRÉSENTANTS
DE BELGIQUE
BELGISCHE KAMER VAN
VOLKSVERTEGENWOORDIGERS
29 oktober 1999
S — 243
KAMER
2e ZITTING VAN DE 50e ZITTINGSPERIODE
CHAMBRE 2e SESSION DE LA 50 e LÉGISLATURE
1999
2000
WETSONTWERP
betreffende steunmaatregelen ten gunste
van landbouwbedrijven getroffen
door de dioxinecrisis (**)
______
PROJET DE LOI
relatif à des mesures d’aide en faveur
d’entreprises agricoles touchées
par la crise de la dioxine (**)
______
–––––––––––––––
(**) De spoedbehandeling wordt door de regering gevraagd over-
eenkomstig artikel 80 van de Grondwet.
–––––––––––––––
(**) Le gouvernement demande l’urgence conformément à
l’article 80 de la Constitution.
2
DOC 50 0212/001
KAMER
2e ZITTING VAN DE 50e ZITTINGSPERIODE
CHAMBRE 2e SESSION DE LA 50 e LÉGISLATURE
1999
2000
Abréviations dans la numérotation des publications :
DOC 50 0000/000 :
Document parlementaire de la 50e
législature, suivi du n° et du n° consécutif
QRVA
:
Questions et Réponses écrites
HA
:
Annales (Compte Rendu Intégral)
CRA
:
Compte Rendu Analytique
PLEN
:
Séance plénière
COM
:
Réunion de commission
Afkortingen bij de nummering van de publicaties :
DOC 50 0000/000 :
Parlementair document van de 50e zittingsperiode +
het nummer en het volgnummer
QRVA
:
Schriftelijke Vragen en Antwoorden
HA
:
Handelingen (Integraal Verslag)
BV
:
Beknopt Verslag
PLEN
:
Plenum
COM
:
Commissievergadering
Publications officielles éditées par la Chambre des représentants
Commandes :
Place de la Nation 2
1008 Bruxelles
Tél. : 02/ 549 81 60
Fax : 02/549 82 74
www.laChambre.be
e-mail : aff.generales@laChambre.be
Officiële publicaties, uitgegeven door de Kamer van volksvertegenwoordigers
Bestellingen :
Natieplein 2
1008 Brussel
Tel. : 02/ 549 81 60
Fax : 02/549 82 74
www.deKamer.be
e-mail : alg.zaken@deKamer.be
AGALEV-ECOLO
:
Anders Gaan Leven / Écologistes Confédérés pour l’Organisation de luttes originales
CVP
:
Christelijke Volkspartij
FN
:
Front national
PRL FDF MCC
:
Parti Réformateur libéral - Front démocratique francophone-Mouvement des Citoyens pour le Changement
PS
:
Parti socialiste
PSC
:
Parti social-chrétien
SP
:
Socialistische Partij
VLAAMS BLOK
:
Vlaams Blok
VLD
:
Vlaamse Liberalen en Democraten
VU&ID
:
Volksunie&ID21
DOC 50 0212/001
3
KAMER
2e ZITTING VAN DE 50e ZITTINGSPERIODE
CHAMBRE 2e SESSION DE LA 50 e LÉGISLATURE
1999
2000
MEMORIE VAN TOELICHTING
______
DAMES EN HEREN,
De ontdekking in de lente van dit jaar van dioxine-
verontreiniging van bepaalde mengvoeders heeft de
Europese en Belgische overheden ertoe genoopt een
reeks uitzonderlijke maatregelen te nemen om te belet-
ten dat potentieel gecontamineerde producten van dier-
lijke oorsprong (vlees van gevogelte, varkens en runde-
ren, eieren en bepaalde afgeleide producten) in de han-
del komen of blijven. In het belang van het dierenwelzijn
of de volksgezondheid heeft de overheid eveneens de
vernietiging moeten organiseren van niet verontreinigde
dieren of producten die werden geblokkeerd en die als
gevolg daarvan hun gewicht of hun verbruiksdatum had-
den overschreden, naargelang het geval. Bovendien
werden soms excessieve beperkingen opgelegd door
buitenlandse overheden.
Talrijke ondernemingen uit de landbouw en voedings-
sector hebben aanzienlijk inkomensverlies geleden als
gevolg van de blokkering of de vernietiging van dieren
of producten of als gevolg van de destabilisering van de
relevante markten. Verschillende, zelfs intrinsiek ge-
zonde ondernemingen kregen af te rekenen met cash-
flow problemen die soms dermate ernstig waren dat hun
voortbestaan erdoor wordt bedreigd. Deze crisissitua-
tie bracht bovendien een reëel risico mee van signifi-
cant verlies van arbeidsplaatsen in de betrokken secto-
ren.
Gezien de omvang en het uitzonderlijk karakter van
deze moeilijkheden, heeft de Belgische regering een
aantal steunmaatregelen genomen teneinde de meest
dringende noden te lenigen. Deze maatregelen, die
hierna worden samengevat, werden door de Europese
Commissie goedgekeurd op grond van artikel 87(2)(b)
(steunmaatregelen tot herstel van schade ingevolge
« buitengewone gebeurtenissen ») of artikel 87(3)(c)
(sectoriële steunmaatregelen) van het Verdrag tot op-
richting van de Europese Gemeenschap (hierna het
« EG-Verdrag »).
De federale regering wenst deze actie voort te zetten
binnen de door de Europese Commissie afgebakende
grenzen. Deze federale maatregelen zullen gepaard
gaan met steunmaatregelen die door de Gewesten bin-
nen hun bevoegdheidssfeer zullen worden genomen.
Indien nodig zal de federale regering hun een
samenwerkingsakkoord voorstellen teneinde voor een
goede coördinatie van de federale en gewestelijke ac-
ties te zorgen en, in voorkomend geval, gezamenlijke
initiatieven te ontwikkelen. De federale regering wenst
EXPOSÉ DES MOTIFS
______
MESDAMES, MESSIEURS,
La découverte, au printemps de cette année, d’une
contamination de certains aliments composés pour ani-
maux par des dioxines a amené les autorités européen-
nes et belges à prendre une série de mesures excep-
tionnelles en vue d’empêcher la commercialisation de
produits d’origine animale potentiellement contaminés
(viandes de volaille, porcs et bovins, œufs et certains
produits dérivés). Dans l’intérêt du bien-être animal ou
de la santé publique, les autorités ont également dû or-
ganiser la destruction d’animaux ou de produits non con-
taminés qui avaient fait l’objet de mesures de blocage
et de ce fait avaient acquis un poids excessif ou dé-
passé leur date de péremption, selon le cas. Des res-
trictions, parfois excessives, ont par ailleurs été impo-
sées par des autorités étrangères.
De nombreuses entreprises des secteurs agricole et
alimentaire ont subi des pertes de revenus considéra-
bles en raison du blocage ou de la destruction d’ani-
maux ou de produits ou à cause de la déstabilisation
des marchés concernés. Plusieurs entreprises, même
intrinsèquement saines, ont été confrontées à des diffi-
cultés de cash-flow, parfois à ce point aiguës qu’elles
menacent leur survie. Cette situation de crise amenait
par ailleurs un risque réel de pertes d’emploi significati-
ves dans les secteurs concernés.
Devant l’ampleur et le caractère exceptionnel de ces
difficultés, le gouvernement belge a mis en œuvre une
série de mesures d’aide en vue de couvrir les besoins
les plus pressants. Ces mesures, résumées ci-après,
ont été approuvées par la Commission européenne sur
pied de l’article 87(2)(b) (aides pour remédier à des
« événements extraordinaires ») ou de l’article 87(3)(c)
(aides sectorielles) du Traité instituant la Communauté
européenne (ci-après le « Traité CE »).
Le gouvernement fédéral souhaite poursuivre cette
action dans les limites tracées par la Commission euro-
péenne. Ces mesures fédérales s’accompagneront de
mesures d’aide qui seront mises en œuvre par les Ré-
gions dans leur sphère de compétence. En cas de be-
soin, le gouvernement fédéral leur proposera un accord
de coopération en vue d’assurer une bonne coordina-
tion des actions fédérales et régionales et, le cas
échéant, de développer des initiatives communes. Le
gouvernement fédéral souhaite par ailleurs que les ac-
4
DOC 50 0212/001
KAMER
2e ZITTING VAN DE 50e ZITTINGSPERIODE
CHAMBRE 2e SESSION DE LA 50 e LÉGISLATURE
1999
2000
bovendien dat de maatregelen van de overheid hand in
hand gaan met een reële solidariteitsinspanning van-
wege de betrokken sectoren.
Dit wetsontwerp beoogt inzonderheid federale steun-
verstrekking toe te laten aan landbouwbedrijven teneinde
alle of een deel van de schade te dekken die zij tenge-
volge van de dioxinecrisis hebben geleden en die nog
niet is gedekt door andere federale en/of gewestelijke
steun. Dit ontwerp beoogt eveneens een controle-
mechanisme in te stellen om te verifiëren of de even-
tuele cumulatie van federale en gewestelijke steun niet
leidt tot een overcompensatie ten opzichte van de gele-
den schade, waarbij overigens rekening dient te wor-
den gehouden met eventuele vergoedingen ontvangen
uit particuliere bron (verzekeringen, schadevergoe-
dingen). De afwezigheid van een dergelijke overcom-
pensatie vormt een belangrijke voorwaarde voor de
goedkeuring van steun door de Europese Commissie.
In zijn advies betreffende dit wetsontwerp merkt de
Raad van State op dat het wetsontwerp het voorwerp
moet zijn van overleg met de gewestregeringen over-
eenkomstig artikel 6, § 3bis, 5°, van de bijzondere wet
van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, en
moet worden aangemeld bij de Europese Commissie
krachtens artikel 88(3) van het EG-Verdrag. Het is in-
derdaad vereist dat met de gewestregeringen overleg
plaatsheeft omtrent « maatregelen die een weerslag
hebben op het landbouwbeleid ». Evenwel slaat deze
procedure niet op machtigingsbepalingen, doch wel op
de materiële regels die de betreffende maatregelen vast-
stellen. Dergelijke maatregelen kunnen voorkomen in
uitvoeringsbesluiten van deze wet, die desgevallend het
voorwerp zullen zijn van overleg met de gewest-
regeringen. Overigens heeft informeel overleg met de
gewestregeringen plaatsgehad aangaande verschil-
lende acties in het kader van de dioxinecrisis; dit over-
leg zal in de komende dagen en weken formeel worden
verdergezet betreffende maatregelen te nemen krach-
tens deze wet.
Wat de aanmelding bij de Europese Commissie be-
treft, dient eveneens het onderscheid te worden gemaakt
tussen machtigingsbepalingen en werkelijke steun-
maatregelen. Aanmelding van de kaderbepalingen van
dit wetsontwerp zou zelfs niet ontvankelijk zijn onder
artikel 88(3) van het EG-Verdrag. Het zijn de concrete
steunplannen die in uitvoering van deze bepalingen
zullen worden vastgesteld, die moeten worden aange-
meld bij de Commissie en door haar moet worden goed-
gekeurd vooraleer zij worden uitgevoerd. Evenwel dient
te worden onderstreept dat, in haar beschikkingen tot
goedkeuring van bestaande steunmaatregelen, de Com-
missie heeft aanvaard dat de dioxinecrisis een buiten-
gewone gebeurtenis is in de zin van artikel 87(2)(b) van
tions des pouvoirs publics aillent de pair avec un effort
réel de solidarité de la part des secteurs concernés.
Le présent projet de loi vise notamment à autoriser
l’octroi d’aides fédérales à des entreprises agricoles en
vue de couvrir tout ou partie du dommage qu’elles ont
subi à cause de la crise de la dioxine et qui n’est pas
déjà couvert par d’autres aides fédérales et/ou régiona-
les. Le présent projet vise également à instaurer un
mécanisme de contrôle pour vérifier que l’éventuel cu-
mul d’aides fédérales et régionales ne conduit pas à
une surcompensation par rapport au dommage subi,
compte tenu, par ailleurs, d’éventuelles indemnités re-
çues de source privée (assurances, dommages-inté-
rêts). L’absence d’une telle surcompensation constitue
une condition importante à l’autorisation des aides par
la Commission européenne.
Dans son avis concernant le présent projet de loi, le
Conseil d’État observe que le présent projet de loi de-
vrait faire l’objet d’une concertation avec les gouverne-
ments de région conformément à l’article 6, § 3bis, 5°,
de la loi spéciale du 8 août 1980 de réformes
institutionnelles, et être notifié à la Commission euro-
péenne en vertu de l’article 88(3) du Traité CE. Il con-
vient effectivement qu’une concertation avec les gou-
vernements de région ait lieu à propos de « mesures
qui ont une incidence sur la politique agricole ». Cepen-
dant, cette procédure ne vise pas des dispositions
d’habilitation mais bien des règles matérielles qui défi-
nissent les mesures en question. De telles mesures
pourront figurer dans des arrêtés d’exécution pris en
vertu de la présente loi, qui, le cas échéant, feront l’ob-
jet d’une concertation avec les gouvernements de ré-
gion. Par ailleurs, une concertation informelle avec les
gouvernements de région a eu lieu au sujet des diffé-
rentes actions prises dans le cadre de la crise de la
dioxine; cette concertation sera poursuivie de manière
formelle, dans les prochains jours et semaines, à pro-
pos des mesures à prendre en vertu de la présente loi.
S’agissant de la notification à la Commission euro-
péenne, il convient également de faire la distinction en-
tre des dispositions d’habilitation et les véritables me-
sures d’aide. La notification des dispositions cadres du
présent projet de loi ne serait même pas recevable au
titre de l’article 88(3) du Traité CE. Ce sont les plans
d’aide concrets à prendre en exécution de ces disposi-
tions qui devront être notifiés à la Commission et ap-
prouvés par celle-ci préalablement à leur mise en œuvre.
Il convient de souligner cependant que, dans des déci-
sions approuvant des aides existantes, la Commission
a admis que la crise de la dioxine constitue un événe-
ment extraordinaire au sens de l’article 87(2)(b) du Trai-
té CE ce qui implique que des aides destinées à remé-
DOC 50 0212/001
5
KAMER
2e ZITTING VAN DE 50e ZITTINGSPERIODE
CHAMBRE 2e SESSION DE LA 50 e LÉGISLATURE
1999
2000
het EG-Verdrag, hetgeen inhoudt dat steun tot herstel
van de schade die er het gevolg van is, in beginsel is
toegestaan.
Overigens werd een eerdere versie van dit wetsont-
werp aan de Europese Commissie meegedeeld op
13 september 1999. Deze maakt er melding van in haar
beschikking van 13 oktober 1999 tot goedkeuring van
bepaalde steunmaatregelen en drukt daarbij de wens
uit dat naar aanleiding van dit wettelijk kader ook « een
eenduidige methode wordt vastgesteld voor de bereke-
ning van de door de verschillende marktdeelnemers
geleden verliezen en van de in dat kader bedoelde steun-
bedragen, waarbij ook een overzicht moet worden ge-
geven van alle goedgekeurde regelingen, aan de hand
waarvan eventuele gevallen van overcompensatie kun-
nen worden geïdentificeerd ». De regering zal hierop
toezien bij het opstellen van de uitvoeringsbesluiten, in-
zonderheid deze krachtens de artikelen 6, § 1, 3°, en
18 van dit wetsontwerp.
OVERZICHT VAN BESTAANDE
FEDERALE STEUNMAATREGELEN
Ter herinnering werden tot op heden de volgende
steunmaatregelen op federaal vlak genomen :
Landbouwsector
Vijf soorten maatregelen werden genomen ten gun-
ste van landbouwbedrijven getroffen door de
dioxinecrisis, namelijk :
a) de tenlasteneming door de Staat van de kosten
voor vervoer, opslag en vernietiging van dieren en
producten van dierlijke oorsprong die moeten worden
vernietigd krachtens maatregelen genomen door de re-
gering (ministerieel besluit van 1 juli 1999 tot wijziging
van het ministerieel besluit van 18 juni 1999 betreffende
de afmaking van dieren in het kader van de tijdelijke
maatregelen ter bestrijding van de dioxineverspreiding
en -besmetting; artikel 5 van het ministerieel besluit van
2 juli 1999 betreffende een terugvorderbaar voorschot
aan de producenten waarvan de varkens het voorwerp
van een bewarend beslag uitmaken in het kader van de
dioxinebesmetting; artikel 5 van het ministerieel besluit
van 9 juli 1999 betreffende een terugvorderbaar voor-
schot aan de landbouwproducenten waarvan de eieren
het voorwerp van een bewarend beslag of van een
vernietigingsbevel uitmaken in het kader van de
dioxinebesmetting);
b) een vergoeding voor het rechtstreekse inko-
mensverlies als gevolg van de afslachting of vernieti-
ging van dieren of producten (ministerieel besluit van
16 juni 1999 betreffende een vergoeding voor de pro-
ducenten van pluimvee in het kader van de dioxine-
dier aux dommages qui en résultent sont en principe
autorisées.
Par ailleurs, une version antérieure du présent projet
de loi a été communiquée à la Commission européenne
le 13 septembre 1999. Celle-ci en fait état dans sa dé-
cision du 13 octobre 1999 portant approbation de cer-
taines aides, en exprimant le souhait que ce cadre
législatif soit accompagné « d’une méthodologie claire
de calcul des pertes subies par les différents opérateurs
ainsi que des aides y envisagées, tout en comportant
une vue d’ensemble des différents schémas adoptés
qui permette, le cas échéant, d’identifier des éventuels
cas de surcompensation ». Le gouvernement y veillera
lors de la rédaction des arrêtés d’exécution, notamment
ceux pris en vertu des articles 6, § 1er, 3°, et 18 du pré-
sent projet de loi.
APERÇU DES MESURES D’AIDE
FÉDÉRALES EXISTANTES
Pour rappel, jusqu’à ce jour, les mesures d’aide sui-
vantes ont été mises en œuvre au niveau fédéral :
Secteur agricole
Cinq types de mesures ont été prises en faveur d’en-
treprises agricoles touchées par la crise de la dioxine, à
savoir :
a) la prise en charge par l’État des coûts de trans-
port, de stockage et de destruction d’animaux et de pro-
duits d’origine animale qui doivent être détruits en vertu
des mesures arrêtées par le gouvernement (arrêté mi-
nistériel du 1er juillet 1999 modifiant l’arrêté ministériel
du 18 juin 1999 relatif à la mise à mort d’animaux dans
le cadre des mesures temporaires en vue de lutter con-
tre la dispersion de la contamination par des dioxines;
article 5 de l’arrêté ministériel du 2 juillet 1999 relatif à
une avance récupérable aux producteurs dont les porcs
font l’objet d’une saisie conservatoire dans le cadre de
la contamination par des dioxines; article 5 de l’arrêté
ministériel du 9 juillet 1999 relatif à une avance
récupérable aux producteurs agricoles dont les œufs
font l’objet d’une saisie conservatoire ou d’un ordre de
destruction dans le cadre de la contamination par des
dioxines);
b) une indemnité pour les pertes de revenus direc-
tes occasionnées par l’abattage ou la destruction d’ani-
maux ou de produits (arrêté ministériel du 16 juin 1999
relatif à une indemnisation des producteurs de volailles
dans le cadre de la contamination par des dioxines).
6
DOC 50 0212/001
KAMER
2e ZITTING VAN DE 50e ZITTINGSPERIODE
CHAMBRE 2e SESSION DE LA 50 e LÉGISLATURE
1999
2000
besmetting). Voor varkens, runderen en eieren neemt
de steun thans de vorm aan van renteloze voorschot-
ten ten belope van 80 % van de kostprijs, tot maximum
de marktprijs (ministerieel besluit van 1 juli 1999 betref-
fende een terugvorderbaar voorschot aan de producen-
ten waarvan de varkens het voorwerp van een
afslachtingsbevel uitmaken in het kader van de
dioxinebesmetting; voornoemde ministeriële besluiten
van 2 en 9 juli 1999; ministerieel besluit van 9 juli 1999
betreffende een terugvorderbaar voorschot aan de pro-
ducenten waarvan de runderen het voorwerp van een
afslachtingsbevel uitmaken in het kader van de
dioxinebesmetting). Bij beschikking van 13 oktober 1999
heeft de Europese Commissie de omzetting van deze
voorschotten in definitieve vergoedingen toegestaan;
c) renteloze voorschotten aan ondernemingen waar-
van verontreinigde producten of producten met een ver-
vallen verbruiksdatum werden vernietigd en die niet kun-
nen genieten van de financiering bedoeld in punt b) (ko-
ninklijk besluit van 22 juli 1999 tot instelling van een
voorschot voor ondernemingen die rechtstreeks getrof-
fen zijn door de dioxinecrisis van 1999);
d) overbruggingskredieten die door kredietinstel-
lingen worden toegekend aan intrinsiek gezonde land-
bouwbedrijven met cash-flow problemen tengevolge van
de dioxinecrisis. De voorwaarden en nadere regels van
deze kredieten worden geregeld door een protocol ge-
sloten op 25 augustus 1999 tussen de Staat en de
Belgische Vereniging van Banken. Zij genieten een ge-
deeltelijke Staatswaarborg ten belope van 50 % van
hoofdsom en interesten; de totale enveloppe van deze
kredieten is beperkt tot 25 miljard Belgische frank;
e) de tenlasteneming door de Staat van de kosten
van bepaalde analyses, inzonderheid de PCB-analyses
uitgevoerd in het kader van de bijkomende tijdelijke
certificering met het oog op het intracommunautaire
verkeer en de uitvoer naar derde landen (ministerieel
besluit van 4 oktober 1999 betreffende de tenlastename
door de overheid van de kosten voor de analyses en de
staalnames met het oog op de tijdelijke bijkomende
certificering van pluimvee, runderen, varkens en som-
mige producten ervan, in het intra-communautaire han-
delsverkeer en bij de uitvoer). Het betreft de bijkomende
certificering opgelegd door beschikking nr 1999/551/EG
van de Europese Commissie van 6 augustus 1999, ver-
lengd door beschikking nr 1999/601/EG van 1 septem-
ber 1999 en vervangen door beschikking
nr 1999/640/EG van 23 september 1999.
Andere ondernemingen
Er werden bepaalde parallelle maatregelen genomen
ten gunste van ondernemingen stroomafwaarts van de
landbouwsector, inzonderheid :
a) de tenlasteneming door de Staat van de kosten
voor vervoer, opslag en vernietiging van bepaalde voe-
Pour les porcs, bovins et œufs, l’aide prend actuelle-
ment la forme d’avances sans intérêt à concurrence de
80 % du prix de revient, plafonné au prix du marché
(arrêté ministériel du 1er juillet 1999 relatif à une avance
récupérable aux producteurs dont les porcs font l’objet
d’un ordre d’abattage dans le cadre de la contamination
par des dioxines; arrêtés ministériels des 2 et 9 juillet
1999 précités; arrêté ministériel du 9 juillet 1999 relatif
à une avance récupérable aux producteurs dont les
bovins font l’objet d’un ordre d’abattage dans le cadre
de la contamination par des dioxines). Par sa décision
du 13 octobre 1999, la Commission européenne a auto-
risé la conversion de ces avances en indemnités défini-
tives;
c) des avances sans intérêt à des entreprises dont
des produits contaminés ou périmés ont été détruits et
qui ne peuvent pas bénéficier du financement visé au
point b) (arrêté royal du 22 juillet 1999 instaurant une
avance pour les entreprises qui sont touchées directe-
ment par la crise de la dioxine de 1999);
d) des crédits de soudure octroyés par des établis-
sements de crédit à des entreprises agricoles intrinsè-
quement saines connaissant des difficultés de cash-flow
en raison de la crise de la dioxine. Les conditions et
modalités de ces crédits sont réglées par un protocole
conclu le 25 août 1999 entre l’État et l’Association belge
des Banques. Ils bénéficient d’une garantie partielle de
l’État, à concurrence de 50 % du montant principal et
des intérêts; l’enveloppe totale de ces crédits est limi-
tée à 25 milliards de francs belges;
e) la prise en charge par l’État du coût de certaines
analyses, notamment les analyses PCB effectuées dans
le cadre de la certification complémentaire temporaire
aux fins des échanges intracommunautaires et des ex-
portations vers les pays tiers (arrêté ministériel du 4 oc-
tobre 1999 concernant la prise en charge par l’autorité
des coûts des analyses et des prises d’échantillons dans
le cadre de la certification complémentaire temporaire
des volailles, des bovins, des porcs et de certains de
leurs produits dérivés, dans le cadre du marché intra-
communautaire et de l’exportation). Il s’agit de la certi-
fication complémentaire imposée par la décision
n° 1999/551/CE de la Commission européenne du
6 août 1999, prolongée par la décision n° 1999/601/CE
du 1er septembre 1999 et remplacée par la décision
n° 1999/640/CE du 23 septembre 1999.
Autres entreprises
Certaines mesures parallèles ont été prises en fa-
veur d’entreprises en aval du secteur agricole, notam-
ment :
a) la prise en charge par l’État des coûts de trans-
port, de stockage et de destruction de certaines den-
DOC 50 0212/001
7
KAMER
2e ZITTING VAN DE 50e ZITTINGSPERIODE
CHAMBRE 2e SESSION DE LA 50 e LÉGISLATURE
1999
2000
dingsmiddelen van dierlijke oorsprong (ministerieel be-
sluit van 2 juli 1999 tot instelling van een vergoedings-
regeling voor sommige producten van dierlijke oorsprong
in het kader van de verontreiniging met dioxine, vervan-
gen door het ministerieel besluit van 16 september 1999
tot instelling van een vergoedingsregeling voor sommige
voedingsmiddelen van dierlijke oorsprong die zich op
het Belgisch grondgebied bevinden);
b) een schadevergoeding van 80 % van de kostprijs,
tot maximum de marktprijs, van bepaalde vernietigde
vleessoorten en vleesproducten (ministerieel besluit van
16 augustus 1999 tot instelling van een vergoedings-
regeling voor sommige voedingsmiddelen van dierlijke
oorsprong afkomstig van runderen, varkens en gevo-
gelte, vervangen door voornoemd ministerieel besluit
van 16 september 1999);
c) de tenlasteneming door de Staat van de kosten
van bepaalde analyses (voornoemd ministerieel besluit
van 4 oktober 1999 betreffende de laboratoriumonder-
zoeken uitgevoerd in het kader van de dioxinecrisis).
De uitgaven gedaan krachtens de hierboven samen-
gevatte maatregelen bedroegen in het totaal ongeveer
3 miljard Belgische frank per 30 september 1999 (waar-
van 2 miljard Belgische frank voor landbouwbedrijven
en 1 miljard Belgische frank voor andere ondernemin-
gen). Volgens de huidige voorzieningen zouden nog
nieuwe uitgaven in de orde van 17 miljard Belgische
frank kunnen worden gemaakt in uitvoering van deze
maatregelen voor het laatste trimester van het jaar 1999
(waarvan ongeveer 4 miljard Belgische frank voor de
landbouwsector).
COMMENTAAR OP DE ARTIKELEN VAN HET
WETSONTWERP
Artikel 1
Dit artikel bepaalt dat dit wetsontwerp onder artikel 78
van de Grondwet ressorteert.
Art. 2 en 3
Artikel 2 definieert bepaalde begrippen die in de wet
worden gebruikt. Deze definities behoeven geen bijzon-
dere commentaar. In antwoord op een bemerking van
de Raad van State inzake de definitie van de term
« dioxinecrisis » dient te worden opgemerkt dat deze in
essentie overeenstemt met de definitie die de Europese
Commissie er heeft aan gegeven voor de toepassing
van artikel 87(2)(b) van het EG-Verdrag. Gevolg gevend
aan een andere bemerking van de Raad van State wordt
de tekst van voornoemd protocol van 25 augustus 1999
meegedeeld als bijlage bij dit wetsontwerp.
rées alimentaires d’origine animale (arrêté ministériel
du 2 juillet 1999 organisant l’octroi d’une indemnité pour
certains produits d’origine animale dans le cadre de la
contamination par la dioxine, remplacé par l’arrêté mi-
nistériel du 16 septembre 1999 organisant l’octroi d’une
indemnité pour certaines denrées alimentaires d’origine
animale se trouvant sur le territoire belge);
b) une indemnité de 80 % du prix de revient, pla-
fonné au prix du marché, de certaines viandes et pro-
duits de viande détruits (arrêté ministériel du 16 août
1999 organisant l’octroi d’une indemnité pour certaines
denrées alimentaires d’origine animale provenant de
bovins, de porcs et de volailles, remplacé par l’arrêté
ministériel du 16 septembre 1999 précité);
c) la prise en charge par l’État du coût de certaines
analyses (arrêté ministériel du 4 octobre 1999 relatif aux
analyses de laboratoire effectuées dans le cadre de la
crise de la dioxine).
Les dépenses engagées en vertu des mesures résu-
mées ci-avant s’élevaient au total à environ 3 milliards de
francs belges au 30 septembre 1999 (dont 2 milliards de
francs belges pour des entreprises agricoles et
1 milliard de francs belges pour d’autres entreprises).
Selon les prévisions actuelles, des dépenses nouvelles
de l’ordre de 17 milliards de francs belges pourraient
encore être engagées en exécution de ces mesures pour
le dernier trimestre de l’année 1999 (dont environ
4 milliards de francs belges pour le secteur agricole).
COMMENTAIRES DES ARTICLES DU PROJET DE
LOI
Article 1er
Cet article précise que le présent projet de loi relève
de l’article 78 de la Constitution.
Art. 2 et 3
L’article 2 définit certains termes utilisés dans la loi.
Ces définitions n’appellent pas de commentaires parti-
culiers. En réponse à la remarque formulée par le Con-
seil d’État à propos de la définition du terme « crise de
la dioxine », il convient de noter que celle-ci correspond
pour l’essentiel à la définition retenue par la Commis-
sion européenne pour l’application de l’article 87(2)(b)
du Traité CE. Pour faire suite à une autre remarque du
Conseil d’État, le texte du protocole du 25 août 1999
précité est communiqué en annexe au présent projet
de loi.
8
DOC 50 0212/001
KAMER
2e ZITTING VAN DE 50e ZITTINGSPERIODE
CHAMBRE 2e SESSION DE LA 50 e LÉGISLATURE
1999
2000
Rekening houdend met het technisch karakter van
de materie, machtigt artikel 3 de Koning om het begrip
landbouwbedrijven te preciseren wat de volgende drie
aspecten betreft :
— De Koning kan bepalen in welke mate de definitie
moet worden uitgebreid door verwijzing naar andere
producten van dierlijke oorsprong die in Bijlage I bij het
EG-Verdrag als landbouwproducten worden ingedeeld.
Hierbij kan inzonderheid worden gedacht aan bepaalde
zuivelproducten in eerste graad van bewerking.
— De Koning dient eveneens vast te stellen in welke
gevallen de gemengde landbouwbedrijven (teelt van ge-
wassen in combinatie met het fokken van vee) moeten
worden beschouwd als landbouwbedrijven voor de toe-
passing van de wet.
— Ten slotte kan Hij, in acht genomen de specifieke
kenmerken van de landbouwsector, de gevallen bepa-
len waarin meerdere entiteiten of exploitatie-eenheden
voor doeleinden van de wet moeten worden behandeld
als een enkel bedrijf. De regering neemt zich voor om
aan de Koning voor te stellen om als een enkel bedrijf
te beschouwen meerdere formeel onderscheiden enti-
teiten waarvan het vee dat er wordt gefokt, toebehoort
(i) aan echtgenoten of aan leden van hetzelfde gezin;
(ii) aan een natuurlijke persoon en aan een of meer
rechtspersonen waarvan de operationele leiding wordt
waargenomen door deze natuurlijke persoon, zijn echt-
genoot of een ander lid van zijn gezin; (iii) aan verbon-
den ondernemingen in de zin van Hoofdstuk III, Afde-
ling I, rubriek IV.A, van de bijlage bij het koninklijk be-
sluit van 8 oktober 1976 met betrekking tot de jaar-
rekening van de ondernemingen; (iv) aan geassocieerde
ondernemingen in de zin van artikel 6 van het koninklijk
besluit van 6 maart 1990 op de geconsolideerde jaar-
rekening van de ondernemingen; en, in het algemeen,
(v) aan ondernemingen met nauwe banden in rechte of
in feite op het vlak van kapitaal of bestuur.
Er is rekening gehouden met de opmerkingen van de
Raad van State betreffende de redactie van artikel 3, 2°
en 3°.
Art. 4
Dit artikel beoogt een rechtsgrond te creëren voor de
toekenning van federale steun ter vergoeding van alle
of een deel van de schade die landbouwbedrijven heb-
ben geleden tengevolge van de dioxinecrisis, bovenop
het deel dat eventueel reeds werd vergoed door andere
federale en/of gewestelijke overheidssteun of door ver-
goedingen uit particuliere bron (verzekeringen, schade-
vergoeding).
Vanzelfsprekend zal deze steun enkel worden toe-
gekend nadat de specifieke modaliteiten ervan door de
Europese Commissie zijn goedgekeurd krachtens arti-
kel 87 van het EG-Verdrag. Zoals eerder aangegeven
Compte tenu de la technicité de la matière, l’article 3
habilite le Roi à préciser la notion d’entreprises agrico-
les en ce qui concerne les trois aspects suivants :
— Le Roi pourra déterminer dans quelle mesure la
définition doit être élargie par référence à d’autres pro-
duits d’origine animale que l’Annexe I au Traité CE clas-
sifie comme des produits agricoles. L’on pourrait son-
ger notamment à certains produits laitiers de première
transformation.
— Le Roi devra également établir dans quels cas
les entreprises mixtes (culture et élevage associés) doi-
vent être considérées comme des entreprises agricoles
pour l’application de la loi.
— Enfin, Il pourra définir, au regard des spécificités
du secteur agricole, les cas dans lesquels plusieurs en-
tités ou unités d’exploitation devront être traitées comme
une seule entreprise aux fins de la loi. Le gouverne-
ment envisage de proposer au Roi que soient ainsi con-
sidérées comme une seule entreprise plusieurs entités
formellement distinctes dont le bétail qui y est élevé
appartient (i) à des conjoints ou aux membres du même
ménage; (ii) à une personne physique et à une ou plu-
sieurs personnes morales dont la direction opéra-
tionnelle est assurée par cette personne physique, son
conjoint ou un autre membre de son ménage; (iii) à des
entreprises liées au sens du Chapitre III, Section Ire, ru-
brique IV.A, de l’annexe à l’arrêté royal du 8 octobre
1976 relatif aux comptes annuels des entreprises; (iv) à
des entreprises associées au sens de l’article 6 de l’ar-
rêté royal du 6 mars 1990 relatif aux comptes consoli-
dés des entreprises; et, de manière générale, (v) à des
entreprises ayant des liens étroits en droit ou en fait sur
le plan du capital ou de la gestion.
Il a été tenu compte des remarques formulées par le
Conseil d’État à propos du libellé de l’article 3, 2° et 3°.
Art. 4
Cet article vise à établir une base légale pour l’octroi
d’aides fédérales destinées à compenser tout ou partie
du dommage que des entreprises agricoles ont subi à
cause de la crise de la dioxine, en sus, le cas échéant,
de la partie déjà compensée par d’autres aides publi-
ques fédérales et/ou régionales ou par des indemnités
de source privée (assurances, dommages-intérêts).
Bien entendu, ces aides ne seront mises en œuvre
qu’après que leurs modalités spécifiques auront été
approuvées par la Commission européenne en vertu
de l’article 87 du Traité CE. Comme indiqué ci-avant, la
DOC 50 0212/001
9
KAMER
2e ZITTING VAN DE 50e ZITTINGSPERIODE
CHAMBRE 2e SESSION DE LA 50 e LÉGISLATURE
1999
2000
heeft de Commissie reeds de toepasselijkheid erkend
van artikel 87(2)(b) (steunmaatregelen tot herstel van
schade ingevolge « buitengewone gebeurtenissen ») op
steun toegekend in de landbouwsector omwille van de
dioxinecrisis in België. Wanneer zich een buitengewone
gebeurtenis voordoet in de zin van dit artikel, aanvaardt
de Commissie in het algemeen dat de steun tot maxi-
mum de volledige schade die door deze gebeurtenis
werd veroorzaakt, mag dekken.
De steun kan inzonderheid de vorm aannemen van
een vergoeding in contanten of van een interestboni-
ficatie op de kredieten toegekend met toepassing van
voornoemd protocol van 25 augustus 1999. Er wordt
voorgesteld om aan de Koning de zorg toe te vertrou-
wen om de nadere regels van elk van deze vormen van
steun te preciseren. Dit maakt het mogelijk om rekening
te houden met de eventuele specifieke opmerkingen die
de Europese Commissie in dit verband zou kunnen for-
muleren.
In antwoord op de bemerkingen van de Raad van
State bij dit artikel dient op volgende punten te worden
geattendeerd :
— De aan de Koning opgedragen bevoegdheid is
goed omkaderd door de begrenzing van de steun tot de
geleden schade, door de budgettaire enveloppe die zal
worden bepaald en waarvan het belangrijkste bestand-
deel door het Parlement zal worden vastgesteld (zie de
commentaar op artikel 9 hierna), en door de grond-
voorwaarden bepaald in de artikelen 5 en 7.
— De in artikelen 5 en 7 bepaalde voorwaarden vor-
men inderdaad de grondvoorwaarden gesteld door de
wet, waarvan de bijkomende voorwaarden en moda-
liteiten bepaald door de Koning niet kunnen afwijken.
— Men dient overigens aan de Koning een voldoende
marge te laten om bijkomende voorwaarden te bepalen
en zelfs andere modaliteiten van steun als deze aange-
geven in artikel 4, lid 2, opdat Hij in voorkomend geval
rekening kan houden met de voorwaarden die de
Europese Commissie zou kunnen verbinden aan haar
goedkeuring van de steun, alsook met de conclusies
van het overleg met de gewestregeringen.
— Uit de redactie van de artikelen 4, lid 1, en 5, 2°,
volgt duidelijk dat de bewuste steun de geleden schade
niet mag overtreffen rekening houdend met eventuele
vergoedingen uit particuliere bron (verzekeringen, scha-
devergoeding). De herhaling van dit punt in artikel 4,
lid 1, zou de tekst van deze bepaling onnodig verzwa-
ren. De regering is zich bewust van de praktische moei-
lijkheden die zich kunnen stellen bij het meetellen van
dergelijke vergoedingen; het komt de Koning toe hier-
voor passende regelingen te treffen.
Commission a déjà admis l’applicabilité de l’arti-
cle 87(2)(b) (aides pour remédier à des « événements
extraordinaires ») à des aides octroyées dans le sec-
teur agricole en raison de la crise de la dioxine en Belgi-
que. En cas de survenance d’un événement extraordi-
naire au sens de cet article, la Commission admet en
règle générale que les aides peuvent couvrir jusqu’à l’in-
tégralité du dommage que cet événement a causé.
Les aides pourront notamment prendre la forme d’une
indemnité en espèces ou d’une bonification en intérêt
sur les crédits octroyés en application du protocole du
25 août 1999 précité. Il est proposé de confier au Roi le
soin de préciser les modalités de chacune de ces for-
mes d’aide. Ceci permettra de tenir compte des éven-
tuelles remarques spécifiques que la Commission euro-
péenne pourrait formuler à ce propos.
En réponse aux observations formulées par le Con-
seil d’État à propos de cet article, il convient de noter
les points suivants :
— Le pouvoir délégué au Roi est bien encadré par
la limitation des aides au dommage subi, par l’enve-
loppe budgétaire qui sera constituée et dont la compo-
sante principale sera définie par le Parlement (voir le
commentaire de l’article 9 ci-après), et par les condi-
tions de base définies aux articles 5 et 7.
— Les conditions énoncées aux articles 5 et 7 cons-
tituent bien des conditions de base définies par la loi,
auxquelles les conditions et modalités complémentai-
res fixées par le Roi ne pourront pas déroger.
— Il convient, par ailleurs, de laisser au Roi une
marge suffisante pour définir des conditions addition-
nelles, voire d’autres modalités d’aide que celles men-
tionnées à l’article 4, alinéa 2, afin qu’Il puisse tenir
compte, le cas échéant, des conditions auxquelles la
Commission européenne pourrait subordonner son ap-
probation des aides, ainsi que des conclusions de la
concertation avec les gouvernements de région.
— Il ressort clairement de la rédaction des articles 4,
alinéa 1er, et 5, 2°, que les aides en question ne peuvent
dépasser le dommage subi après prise en compte
d’éventuelles indemnités de source privée (assurances,
dommages-intérêts). La répétition de ce point à l’arti-
cle 4, alinéa 1er, alourdirait inutilement le texte de celui-
ci. Le gouvernement est conscient des difficultés prati-
ques que la prise en compte de telles indemnités pour-
rait poser; il appartiendra au Roi de les régler au mieux.
10
DOC 50 0212/001
KAMER
2e ZITTING VAN DE 50e ZITTINGSPERIODE
CHAMBRE 2e SESSION DE LA 50 e LÉGISLATURE
1999
2000
Art. 5 en 6
Overeenkomstig de eisen gesteld door de Europese
Commissie in het kader van artikel 87 van het EG-Ver-
drag, stelt artikel 5 van dit wetsontwerp de toekenning
van nieuwe steun afhankelijk van het bewijs, te leveren
door het betrokken landbouwbedrijf, van realiteit en
omvang van de schade en het oorzakelijk verband tus-
sen deze schade en de dioxinecrisis.
Een andere essentiële voorwaarde volgens de
Europese Commissie is de afwezigheid van overcom-
pensatie ten opzichte van de geleden schade. Dit dient
te worden gemeten aan de hand van het subsidie-equi-
valent van de verschillende vormen van toegekende
steun. Het komt de Koning toe de nadere regels voor
de berekening ervan voor de verschillende vormen van
steun te bepalen, met dien verstande dat deze moeten
worden afgestemd op de berekeningsmethoden van het
subsidie-equivalent die door de Europese Commissie
worden weerhouden. De Commissie heeft bijvoorbeeld
bepaald dat het subsidie-equivalent van de gedeelte-
lijke Staatswaarborg toegekend met toepassing van
voornoemd protocol van 25 augustus 1999 overeen-
stemt met de rentevermindering door de deelnemende
banken toegestaan ten opzichte van de gebruikelijke
rentevoet (zie de commentaar op artikel 15 hierna), het-
geen zich vertaalt in een subsidie-equivalent van maxi-
mum 6,05 % van de hoofdsom van het krediet.
Bovendien is het in de landbouwsector aangewezen
om de beperkte middelen bij voorrang aan te wenden
voor steun aan zelfstandige ondernemingen. Inderdaad
is voor geïntegreerde bedrijven de nood aan steun, be-
oordeeld op groepsbasis, over het algemeen minder
dwingend. De regering neemt zich voor om aan de Vorst
een besluit ter ondertekening voor te leggen dat het
begrip economische zelfstandigheid definieert aan de
hand van een reeks criteria die in wezen zijn ingegeven
door deze opgenomen in artikel 2bis, § 2, 5°, van het
decreet van de Vlaamse Gemeenschap van 23 januari
1991 inzake de bescherming van het leefmilieu tegen
de verontreiniging door meststoffen, ingevoegd door het
decreet van 20 december 1995.
Om praktische redenen kan het nodig zijn dat de
schade forfaitair wordt bepaald, volgens criteria die het
best de reële schade benaderen. De regering stelt voor
dat deze forfaitaire benadering inzonderheid uitgaat van
de evolutie van de prijzen in de relevante markt, meer
bepaald de prijzen in België vóór de dioxinecrisis. Er
wordt eveneens voorgesteld om de landbouwbedrijven
gebonden door contracten met gegarandeerde afname-
prijzen uit het eventuele forfaitaire stelsel uit te sluiten.
Deze bedrijven zullen steeds hun reële schade dienen
aan te tonen. Indien deze schade volledig of gedeelte-
lijk zou zijn vermeden door een correcte uitvoering van
die contracten, zal de regering overwegen om steun met
Art. 5 et 6
Conformément aux exigences imposées par la Com-
mission européenne dans le cadre de l’article 87 du
Traité CE, l’article 5 du présent projet de loi subordonne
l’octroi des nouvelles aides à la preuve, à fournir par
l’entreprise agricole concernée, de la réalité et de l’am-
pleur du dommage et du lien de causalité entre ce dom-
mage et la crise de la dioxine.
Une autre condition essentielle aux yeux de la Com-
mission européenne est l’absence de surcompensation
par rapport au dommage subi. Ceci devra être mesuré
à partir de l’équivalent-subvention des différentes aides
octroyées. Il appartient au Roi d’en définir les modalités
de calcul pour les différentes formes d’aide, étant pré-
cisé que celles-ci devront s’aligner sur les méthodes de
calcul de l’équivalent-subvention retenues par la Com-
mission européenne. Par exemple, la Commission a
déterminé que l’équivalent-subvention de la garantie
d’État partielle accordée en application du protocole du
25 août 1999 précité correspond à la réduction d’intérêt
consentie par les banques participantes par rapport au
taux usuel (voir le commentaire de l’article 15 ci-après),
ce qui se traduit en un équivalent-subvention maximal
de 6,05 % du montant principal du crédit.
En outre, dans le secteur agricole, il est indiqué de
concentrer les ressources limitées sur le soutien d’en-
treprises indépendantes. En effet, dans le cas d’entre-
prises intégrées les besoins d’aide, jugés pour le groupe
dans son ensemble, seront généralement moins pres-
sants. Le gouvernement envisage de proposer à la
signature du Souverain un arrêté qui définit la notion
d’indépendance économique au moyen d’une série de
critères qui s’inspirent, pour l’essentiel, de ceux repris à
l’article 2bis, § 2, 5°, du décret de la Communauté fla-
mande du 23 janvier 1991 relatif à la protection de l’en-
vironnement contre la pollution due aux engrais, inséré
par le décret du 20 décembre 1995.
Pour des raisons pratiques, il pourra être nécessaire
que le dommage soit établi de manière forfaitaire, sur la
base de critères qui assurent la meilleure approximation
du dommage réel. Le gouvernement propose que cette
détermination forfaitaire soit basée notamment sur l’évo-
lution des prix sur le marché concerné, plus spécifique-
ment les prix en Belgique avant la crise de la dioxine. Il
est également proposé d’exclure de l’éventuel régime
forfaitaire les entreprises agricoles liées par des con-
trats comportant des prix d’achat garantis. Ces entre-
prises seront toujours tenues de prouver leur dommage
réel. Si tout ou partie de ce dommage avait pu être évité
par une exécution correcte de ces contrats, le gouver-
DOC 50 0212/001
11
KAMER
2e ZITTING VAN DE 50e ZITTINGSPERIODE
CHAMBRE 2e SESSION DE LA 50 e LÉGISLATURE
1999
2000
toepassing van artikel 4 toe te kennen mits subrogatie
van de Staat in de rechten van het betrokken landbouw-
bedrijf ten aanzien van diens co-contractant.
Wat de bemerkingen van de Raad van State bij de
artikelen 5 en 6 betreft, dient op volgende punten te wor-
den gewezen :
— De voorwaarde gesteld in artikel 5, 3°, ligt in de
lijn van de beschikkingspraktijk van de Europese Com-
missie inzake de toepassing van artikel 87 (2) (b) van
het EG-Verdrag. Zij beoogt elke overtreding van beschik-
kingen door de regering genomen in het kader van de
dioxinecrisis (niet-eerbiediging van een maatregel van
bewarend beslag, onregelmatigheid op het vlak van
certificatie enz.).
— Er is rekening gehouden met de opmerking van
de Raad van State inzake de redactie van artikel 5, 4°.
— Wat artikel 6, § 2, betreft, is het op praktisch vlak
zeer moeilijk om voor eenzelfde onderneming een stel-
sel van werkelijk bewijs voor een deel van de schade te
combineren met een forfaitaire berekening van een an-
der deel.
— Het komt de Koning toe om, in voorkomend ge-
val, toekenning van steun afhankelijk te stellen van inde-
plaatsstelling van de Staat in de rechten van de begun-
stigde ten aanzien van derden en de nadere regels er-
van te preciseren.
Art. 7
In antwoord op de bemerkingen van de Raad van
State bij artikel 7 bevestigt de regering dat, zoals de
tekst zelf van dit artikel aangeeft, de verzaking aan rech-
ten en vorderingen een voorwaarde is voor de effec-
tieve storting van de steun. Het is op dat tijdstip dat de
begunstigde vrij zijn keuze zal kunnen bepalen, met vol-
ledig inzicht in het bedrag van de steun die hem wordt
aangeboden.
Art. 8
Dit artikel beoogt de Staat te machtigen om dadingen
aan te gaan in het kader van rechtsgeschillen waarin
de aquiliaanse aansprakelijkheid van de Staat wordt
ingeroepen voor schade geleden ten gevolge van de
dioxinecrisis. Uiteraard impliceert dit geen enkele erken-
ning van een fout door de Staat inzake het beheer van
de crisis. Het zal overigens in het algemeen zeer moei-
lijk zijn om een afdoend oorzakelijk verband te leggen
tussen de vermeende foutieve handelingen van de Staat
en de geleden schade. De regering vindt derhalve dat
zij in een goede positie staat om zich te verdedigen in
het aansprakelijkheidscontentieux. Er kan evenwel niet
nement n’envisagera d’octroyer des aides en applica-
tion de l’article 4 que moyennant subrogation de l’État
dans les droits de l’entreprise agricole concernée à
l’égard de son co-contractant.
S’agissant des remarques du Conseil d’État à pro-
pos des articles 5 et 6, il convient de noter les points
suivants :
— La condition énoncée à l’article 5, 3°, correspond
à la jurisprudence de la Commission européenne rela-
tive à l’application de l’article 87 (2) (b) du Traité CE.
Elle vise toute infraction aux dispositions arrêtées par
le gouvernement dans le cadre de la crise de la dioxine
(non-respect d’une mesure de saisie conservatoire, ir-
régularités en matière de certification, etc.).
— Il a été tenu compte de la remarque du Conseil
d’État à propos du libellé de l’article 5, 4°.
— En ce qui concerne l’article 6, § 2, il est très diffi-
cile sur le plan pratique de combiner, dans le chef d’une
même entreprise, un régime de preuve réelle pour une
partie du dommage et un calcul forfaitaire pour une autre
partie.
— Il appartiendra au Roi, le cas échéant, de subor-
donner l’octroi de l’aide à la subrogation de l’État dans
les droits du bénéficiaire à l’égard de tiers et d’en préci-
ser les modalités.
Art. 7
En réponse aux remarques formulées par le Conseil
d’État à propos de l’article 7, le gouvernement confirme
que, comme l’indique le libellé même de cet article, la
renonciation aux droits et actions est une condition au
versement effectif de l’aide. C’est à ce moment que le
bénéficiaire pourra librement faire son choix, en parfaite
connaissance du montant de l’aide qui lui est proposée.
Art. 8
Cet article vise à autoriser l’État à transiger dans le
cadre de litiges dans lesquels la responsabilité
aquilienne de l’État est mise en cause pour des dom-
mages subis en raison de la crise de la dioxine. Bien
entendu, ceci n’implique aucune reconnaissance de
faute de la part de l’État dans la gestion de la crise. Par
ailleurs, il sera généralement très difficile d’établir un
lien de causalité suffisant entre les actes prétendument
fautifs de l’État et le dommage subi. Le gouvernement
s’estime donc en bonne position pour se défendre dans
les contentieux de responsabilité. Cependant, il ne peut
pas être exclu qu’il puisse être dans l’intérêt de l’État de
12
DOC 50 0212/001
KAMER
2e ZITTING VAN DE 50e ZITTINGSPERIODE
CHAMBRE 2e SESSION DE LA 50 e LÉGISLATURE
1999
2000
worden uitgesloten dat het in individuele gevallen in het
belang van de Staat kan zijn om een dading aan te gaan
en deze mogelijkheid moet worden voorzien.
Art. 9
De regering stelt voor dat de in artikel 4 bedoelde
steunmaatregelen worden gefinancierd uit twee bron-
nen, namelijk een eenmalig begrotingskrediet ten laste
van het begrotingsjaar 1999 en, voor het saldo, bepaalde
bestemde ontvangsten.
Aldus zal de regering binnenkort, in het kader van
een afzonderlijk wetsontwerp tot aanpassing van de al-
gemene uitgavenbegroting van het begrotingsjaar 1999,
voorstellen om een eenmalig niet-gesplitst krediet in te
schrijven, dat het grootste gedeelte van de te voorziene
enveloppe zal dekken. Er zal worden bepaald dat de
uitvoering van de betreffende betalingen kan worden
opgedragen aan een gespecialiseerde instelling, volgens
de termen van een overeenkomst tussen de Staat en
deze instelling.
Het saldo van de enveloppe zou worden gedekt door
bepaalde bestemde ontvangsten, en voorgesteld wordt
om hiertoe een begrotingsfonds op te richten, genoemd
« Fonds voor de schadeloosstelling van landbouw-
bedrijven getroffen door de dioxinecrisis », met toepas-
sing van artikel 45 van de gecoördineerde wetten op de
Rijkscomptabiliteit.
Art. 10 tot 12
Deze artikelen betreffen de ontvangsten van het
Fonds.
Deze ontvangsten omvatten vrijwillige bijdragen, die
worden toegevoegd aan de lijst van de aftrekbare giften
krachtens artikel 104 van het Wetboek van de inkom-
stenbelastingen 1992.
Bovendien kan het Fonds worden gestijfd door een
solidariteitsbijdrage ten laste van objectief bepaalde
categorieën van ondernemingen in de landbouwsector
en rechtstreekse of onrechtstreekse leveranciers en af-
nemers van dergelijke ondernemingen. Er wordt voor-
gesteld om de Koning te machtigen een dergelijke bij-
drage in te voeren, met dien verstande dat, overeen-
komstig de grondwettelijke beginselen, een dergelijk
besluit wettelijke bekrachtiging behoeft binnen een korte
termijn. De Europese Commissie oordeelt dat steun niet
kan worden gefinancierd door parafiscale bijdragen die
eveneens worden geheven op producten ingevoerd uit
andere lidstaten. Om deze reden dient dit specifiek te
worden uitgesloten.
Het objectief van de regering is dat het Fonds kan
worden gestijfd door vrijwillige of verplichte bijdragen
transiger dans des cas individuels et il convient de pré-
voir cette possibilité.
Art. 9
Le gouvernement propose que les aides visées à l’ar-
ticle 4 soient financées par une double voie, à savoir un
crédit budgétaire unique à charge de l’année budgé-
taire 1999 et, pour le surplus, par certaines recettes af-
fectées.
Ainsi, dans le cadre d’un projet de loi séparé portant
ajustement du budget général des dépenses de l’an-
née budgétaire 1999, le gouvernement proposera pro-
chainement d’inscrire un crédit unique non dissocié qui
couvrira la majeure partie de l’enveloppe à prévoir. Il
sera prévu que l’exécution des paiements en question
pourra être confiée à une institution spécialisée, selon
les termes d’une convention entre l’État et cette institu-
tion.
Le solde de l’enveloppe serait couvert par certaines
recettes affectées, et il est proposé à ces fins de créer
un nouveau fonds budgétaire, appelé « Fonds
d’indemnisation d’entreprises agricoles touchées par la
crise de la dioxine », en application de l’article 45 des
lois coordonnées sur la comptabilité de l’État.
Art. 10 à 12
Ces articles traitent des recettes du Fonds.
Ces recettes comprennent des contributions volon-
taires, qui sont ajoutées à la liste des libéralités
déductibles en vertu de l’article 104 du Code des im-
pôts sur les revenus 1992.
En outre, le Fonds pourra être alimenté par une coti-
sation de solidarité à charge de catégories objectivement
définies d’entreprises relevant du secteur agricole et de
fournisseurs et de clients directs ou indirects de telles
entreprises. Il est proposé d’habiliter le Roi à introduire
une telle cotisation, étant entendu que, conformément
aux principes constitutionnels, un tel arrêté sera sou-
mis à confirmation légale dans un bref délai. La Com-
mission européenne considère que des aides ne peu-
vent pas être financées par des cotisations parafiscales
grevant également des produits importés d’autres États
membres. Pour cette raison, il y a lieu de l’exclure
spécifiquement.
L’objectif du gouvernement est que le Fonds puisse
être alimenté par des contributions volontaires ou obli-
DOC 50 0212/001
13
KAMER
2e ZITTING VAN DE 50e ZITTINGSPERIODE
CHAMBRE 2e SESSION DE LA 50 e LÉGISLATURE
1999
2000
uit de particuliere sector voor ten minste 10 % à 15 %
van het totale te financieren bedrag.
Eventuele steun toegekend door de Europese Unie
als gevolg van de dioxinecrisis zou eveneens in het
Fonds worden gestort.
Art. 13 en 14
Deze artikelen behoeven geen bijzondere commen-
taar. Er dient evenwel te worden opgemerkt dat naast
de steun waarvan hierboven sprake, de uitgaven die op
het Fonds kunnen worden aangerekend, eveneens de
bedragen omvatten die de Staat, in voorkomend geval,
zou dienen te betalen ingevolge dadingen in het kader
van geschillen met betrekking tot de vergoeding van
schade geleden als gevolg van de dioxinecrisis en in-
gevolge zijn waarborg met betrekking tot kredieten toe-
gekend met toepassing van voornoemd protocol van
25 augustus 1999 (zie de commentaren op de artike-
len 8 en 15).
Wat de opmerking van de Raad van State bij arti-
kel 13 betreft, meent de regering de mogelijkheid te moe-
ten behouden om de uitvoering van de betalingen van
het Fonds op te dragen aan een gespecialiseerde in-
stelling teneinde in voorkomend geval te kunnen zor-
gen voor een gegroepeerd beheer met de betalingen
ingevolge het begrotingskrediet (zie de commentaar bij
artikel 9 hiervoor).
Art. 15
Dit artikel beoogt de rechtsgrond vast te leggen voor
de toekenning van de gedeeltelijke Staatswaarborg op
de kredieten door kredietinstellingen toegekend in uit-
voering van het protocol gesloten op 25 augustus 1999
tussen de Staat en de Belgische Vereniging van Ban-
ken.
Dit protocol richt een systeem van over-
bruggingskredieten in, ten belope van een totale
maximumenveloppe van 25 miljard Belgische frank, die
deelnemende Belgische of buitenlandse banken kun-
nen toekennen, met een Staatswaarborg van 50 %, aan
intrinsiek gezonde landbouwbedrijven met cash flow pro-
blemen ingevolge een aanzienlijke daling van hun ver-
koop wegens de destabilisering van de markt veroor-
zaakt door de dioxinecrisis.
Het bedrag van elk krediet is beperkt tot maximum
5 miljoen Belgische frank. De maximale looptijd ervan
bedraagt zeven jaar en het kapitaal moet worden afge-
lost in gelijke jaarlijkse schijven vanaf het einde van het
derde jaar. De deelnemende banken zien af van hun
gebruikelijke marge op de interestvoet, die zou worden
beperkt tot de « Belgian prime rate » min 30 basispunten.
gatoires du secteur privé à hauteur d’au moins 10 % à
15 % du montant total à financer.
D’éventuelles aides octroyées par l’Union européenne
en raison de la crise de la dioxine seraient également
versées au Fonds.
Art. 13 et 14
Ces articles n’appellent pas de commentaires parti-
culiers. Il convient de noter cependant qu’à côté des
aides dont question ci-avant, les dépenses imputables
au Fonds comprennent également les montants que
l’État pourrait, le cas échéant, être amené à payer en
vertu de transactions conclues dans le cadre de litiges
portant sur l’indemnisation des dommages subis à cause
de la crise de la dioxine et en vertu de sa garantie rela-
tive aux crédits octroyés en application du protocole du
25 août 1999 précité (voir les commentaires des arti-
cles 8 et 15).
S’agissant de la remarque du Conseil d’État à pro-
pos de l’article 13, le gouvernement estime devoir main-
tenir la possibilité de confier l’exécution des paiements
du Fonds à une institution spécialisée en vue de pou-
voir assurer, le cas échéant, une gestion centralisée avec
celle des paiements en vertu du crédit budgétaire (voir
le commentaire de l’article 9 ci-avant).
Art. 15
Cet article vise à établir la base légale pour l’octroi
de la garantie partielle de l’État aux crédits accordés
par des établissements de crédit en exécution du proto-
cole conclu le 25 août 1999 entre l’État et l’Association
belge des Banques.
Ce protocole organise un système de crédits de sou-
dure, à concurrence d’une enveloppe totale maximale
de 25 milliards de francs belges, que des banques bel-
ges ou étrangères participantes pourront accorder, sous
le bénéfice d’une garantie de l’État de 50 %, à des en-
treprises agricoles intrinsèquement saines qui connais-
sent des difficultés de cash-flow dues à une baisse im-
portante de leurs ventes en raison de la déstabilisation
du marché causée par la crise de la dioxine.
Le montant de chaque crédit est limité à 5 millions de
francs belges au plus. Sa durée maximale est de sept
ans et le capital doit être amorti en tranches annuelles
égales à partir de la fin de la troisième année. Les ban-
ques participantes renoncent à leur marge habituelle
sur le taux d’intérêt qui est plafonné au « Belgian prime
rate » moins 30 points de base. Ainsi, l’effort du secteur
14
DOC 50 0212/001
KAMER
2e ZITTING VAN DE 50e ZITTINGSPERIODE
CHAMBRE 2e SESSION DE LA 50 e LÉGISLATURE
1999
2000
Zo is de inspanning van de openbare sector (de Staats-
waarborg van 50 %) gekoppeld aan een belangrijke in-
spanning van de banksector, die nog steeds 50 % van
het kredietrisico op zich neemt en een interestvoet toe-
staat die zich in de buurt van de kostprijs situeert. Bo-
vendien worden er beperkingen voorzien om te vermij-
den dat de nieuwe kredieten zouden dienen tot her-
financiering van lopende kredieten van de betrokken
bank.
Binnen de parameters bepaald door het protocol be-
horen de toekenning en de opvolging van de kredieten
tot de verantwoordelijkheid van de banken, die ertoe
zijn gehouden de normale regels van voorzichtige
kredietpolitiek toe te passen. Elk kredietdossier wordt
door de banken aan het Belgisch Interventie- en
Restitutiebureau ter goedkeuring voorgelegd, waarbij
deze wordt geacht te zijn bekomen indien zij geen be-
zwaar maakt binnen 15 dagen na ontvangst van het
dossier. De goedkeuring van het Bureau brengt de toe-
kenning van de Staatswaarborg met zich mee.
De Staatswaarborg met betrekking tot de
overbruggingskredieten van het protocol heeft aldus
betrekking op een totaalbedrag van maximum 12,5 mil-
jard Belgische frank in hoofdsom, gespreid over een ge-
heel van individuele kredieten van maximum 5 miljoen
Belgische frank toegekend aan bedrijven die behoren
tot een traditioneel sterke sector, en die door de banken
die de andere helft van het kredietrisico op zich nemen,
als fundamenteel gezond worden beoordeeld. De rege-
ring onderzoekt of het wenselijk is om het kredietrisico
betreffende deze staatswaarborg bij een consortium van
verzekeringsmaatschappijen te verzekeren.
Deze steunmaatregel werd op 7 september jongstle-
den door de Europese Commissie goedgekeurd krach-
tens artikel 87(2)(b) van het EG-Verdrag.
Art. 16
Dit artikel beoogt een duidelijke rechtsgrond vast te
stellen voor de eventuele vergoeding van operatoren
wier producten van dierlijke oorsprong (met inbegrip, in
voorkomend geval, van stocks in het buitenland) wer-
den vernietigd, geblokkeerd of uit de handel genomen
ingevolge maatregelen die de Belgische overheid heeft
genomen in het kader van de dioxinecrisis. Het betreft
vooral de dringende maatregelen genomen in het be-
lang van de volkgezondheid met toepassing van arti-
kel 6bis van de wet van 24 januari 1977 betreffende de
bescherming van de gezondheid van de verbruikers op
het stuk van voedingsmiddelen en andere producten,
ingevoegd door de wet van 22 maart 1989. De betrok-
ken maatregelen werden hiervoor aangegeven.
public (la garantie de l’État de 50 %) s’accompagne d’un
effort important du secteur bancaire, qui assume tou-
jours 50 % du risque de crédit et consent un taux d’inté-
rêt qui se situe à un niveau proche du prix coûtant. Par
ailleurs, des restrictions sont prévues en vue d’éviter
que les nouveaux crédits ne servent à refinancer des
crédits en cours de la banque concernée.
Dans le respect des paramètres établis par le proto-
cole, l’octroi et le suivi des crédits relèvent de la respon-
sabilité des banques qui sont tenues d’appliquer les rè-
gles normales de politique de crédit prudente. Chaque
dossier de crédit est soumis par les banques au Bureau
d’intervention et de restitution belge pour approbation,
celle-ci étant réputée acquise à défaut d’objection dans
les 15 jours suivant la réception du dossier. L’approba-
tion du Bureau entraîne l’octroi de la garantie de l’État.
La garantie de l’État relative aux crédits de soudure
du protocole porte donc sur un montant total maximal
de 12,5 milliards de francs en principal, réparti sur un
ensemble de crédits individuels plafonnés à 5 millions
de francs belges accordés à des entreprises relevant
d’un secteur traditionnellement robuste et jugées
fondamentalement saines par des banques assumant
l’autre moitié du risque de crédit. Le gouvernement étu-
die l’opportunité d’assurer le risque de crédit afférent à
cette garantie de l’État auprès d’un consortium de com-
pagnies d’assurance.
Cette mesure d’aide a été approuvée le 7 septembre
dernier par la Commission européenne en vertu de l’ar-
ticle 87(2)(b) du Traité CE.
Art. 16
Cet article vise à établir une base légale claire pour
l’éventuelle indemnisation d’opérateurs dont les produits
d’origine animale (y compris, le cas échéant, des stocks
situés à l’étranger) ont été détruits, bloqués ou retirés
du commerce à la suite de mesures prises par les auto-
rités publiques belges dans le cadre de la crise de la
dioxine. Il s’agit surtout de mesures urgentes prises dans
l’intérêt de la santé publique en application de l’arti-
cle 6bis de la loi du 24 janvier 1977 relative à la protec-
tion de la santé des consommateurs en ce qui concerne
les denrées alimentaires et les autres produits, inséré
par la loi du 22 mars 1989. Les mesures en question
ont été mentionnées ci-avant.
DOC 50 0212/001
15
KAMER
2e ZITTING VAN DE 50e ZITTINGSPERIODE
CHAMBRE 2e SESSION DE LA 50 e LÉGISLATURE
1999
2000
Art. 17 tot 19
De regering heeft er zich ten aanzien van de Europese
Commissie toe verbonden om een controleprocedure a
posteriori in te stellen teneinde te verifiëren of de cumu-
latie van federale en gewestelijke steun (ongeacht of
het al dan niet federale steun betreft toegekend met toe-
passing van deze wet) niet leidt tot een overcompensa-
tie ten opzichte van de schade die de ondernemingen
hebben geleden als gevolg van de dioxinecrisis. De ar-
tikelen 17 tot 19 van dit wetsontwerp richten deze
controleprocedure in. Er wordt bepaald dat een even-
tueel excedent van de steun zal worden aangerekend
op de uitgekeerde federale steun, in omgekeerde chro-
nologische volgorde, en aan het Fonds moet worden
teruggestort.
Wat de opmerking van de Raad van State bij arti-
kel 19 betreft, deze bepaling is van essentieel belang in
de ogen van de Europese Commissie en zij dient te wor-
den gehandhaafd. De regering geeft er zich rekenschap
van dat zij in theorie aanleiding zou kunnen geven tot
toepassingsmoeilijkheden in geval van gelijkaardige
maatregelen van Gewesten; dergelijke moeilijkheden
zouden inderdaad kunnen worden geregeld in een
samenwerkingsakkoord.
Art. 20 en 21
Deze artikelen behoeven geen bijzondere commen-
taar.
*
* *
Dit, Dames en Heren, is de draagwijdte van het
ontwerp van wet dat de regering de eer heeft u ter
goedkeuring voor te leggen.
De eerste minister,
Guy VERHOFSTADT
De vice-eerste minister en minister van Begroting,
Maatschappelijke Integratie en Sociale Economie,
Johan VANDE LANOTTE
De minister van Consumentenzaken,
Volksgezondheid en Leefmilieu,
Magda AELVOET
Art. 17 à 19
Le gouvernement s’est engagé à l’égard de la Com-
mission européenne à instaurer une procédure de con-
trôle a posteriori pour vérifier que le cumul d’aides fédé-
rales et régionales (qu’il s’agisse ou non d’aides fédé-
rales octroyées en application de la présente loi) ne
mène pas à une surcompensation par rapport au dom-
mage subi par les entreprises concernées à cause de
la crise de la dioxine. Les articles 17 à 19 du présent
projet de loi organisent cette procédure de contrôle. Il
est prévu qu’un éventuel excédent d’aide sera imputé
sur les aides fédérales versées, en ordre chronologi-
que inverse, et devra être restitué au Fonds.
S’agissant de la remarque du Conseil d’État à pro-
pos de l’article 19, cette disposition est essentielle aux
yeux de la Commission européenne et il convient de la
maintenir. Le gouvernement est conscient du fait qu’elle
pourrait en théorie donner lieu à des difficultés d’appli-
cation en cas de mesures analogues prises par les Ré-
gions; de telles difficultés pourraient en effet être réglées
dans un accord de coopération.
Art. 20 et 21
Ces articles n’appellent pas de commentaires parti-
culiers.
*
* *
Voici, Mesdames, Messieurs, la portée du projet de
loi que le gouvernement a l’honneur de soumettre à votre
approbation.
Le premier ministre,
Guy VERHOFSTADT
Le vice-premier ministre et ministre du Budget, de
l’Intégration sociale et de l’Économie sociale,
Johan VANDE LANOTTE
La ministre de la Protection de la Consommation, de
la Santé publique et de l’Environnement,
Magda AELVOET
16
DOC 50 0212/001
KAMER
2e ZITTING VAN DE 50e ZITTINGSPERIODE
CHAMBRE 2e SESSION DE LA 50 e LÉGISLATURE
1999
2000
De minister van Landbouw en Middenstand,
Jaak GABRIELS
De minister van Financiën,
Didier REYNDERS
De minister van Economie en
Wetenschappelijk Onderzoek,
Rudy DEMOTTE
De staatssecretaris voor Buitenlandse Handel,
toegevoegd aan de minister van Buitenlandse Zaken,
Pierre CHEVALIER
Le ministre de l’Agriculture et des Classes moyennes,
Jaak GABRIELS
Le ministre des Finances,
Didier REYNDERS
Le ministre de l’Économie et de la
Recherche scientifique,
Rudy DEMOTTE
Le secrétaire d’État au Commerce extérieur, adjoint
au ministre des Affaires étrangères,
Pierre CHEVALIER
DOC 50 0212/001
17
KAMER
2e ZITTING VAN DE 50e ZITTINGSPERIODE
CHAMBRE 2e SESSION DE LA 50 e LÉGISLATURE
1999
2000
VOORONTWERP VAN WET
onderworpen aan het advies van de
Raad van State
______
Voorontwerp van wet betreffende
steunmaatregelen ten gunste van
landbouwbedrijven getroffen door de dioxinecrisis
______
HOOFDSTUK 1
Algemeen
Artikel 1
Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in
artikel 78 van de Grondwet.
Art. 2
Voor de toepassing van deze wet moet worden ver-
staan onder :
1° « dioxinecrisis » : het geheel van buitengewone
gebeurtenissen gevormd door de infiltratie van door
dioxines verontreinigde grondstoffen in de diervoeder-
keten, in België vastgesteld in 1999, door de maatrege-
len die de overheid ingevolge deze vaststelling heeft
genomen om te beletten dat potentieel gecontami-
neerde, voor menselijke consumptie of vervoedering
bestemde producten van dierlijke oorsprong in de han-
del komen of blijven of om in het belang van de volks-
gezondheid of het dierenwelzijn te zorgen voor de ver-
nietiging van dieren of producten die werden geblok-
keerd, en door de verstoring van de relevante markten
ingevolge deze verontreiniging of deze maatregelen;
2° « landbouwbedrijf » : elke onderneming waarvan
de hoofdactiviteit bestaat in de teelt van pluimvee, var-
kens of runderen of de productie van eieren of melk;
3° « Protocol » : het protocol gesloten op 25 augus-
tus 1999 tussen de Staat en de Belgische Vereniging
van Banken betreffende de toekenning van overbrug-
gingskredieten aan landbouwbedrijven getroffen door
de dioxinecrisis;
4° « Verdrag » : het Verdrag tot oprichting van de
Europese Gemeenschap;
5° « Commissie » : de Commissie van de Europese
Gemeenschappen;
AVANT-PROJET DE LOI
soumis à l’avis du
Conseil d’État
______
Avant-projet de loi relatif à des mesures d’aide en
faveur d’entreprises agricoles touchées par la
crise de la dioxine
______
CHAPITRE PREMIER
Généralités
Article 1er
La présente loi règle une matière visée à l’article 78
de la Constitution.
Art. 2
Pour l’application de la présente loi, il y a lieu d’en-
tendre par :
1° « crise de la dioxine » : l’ensemble des événe-
ments extraordinaires constitués par l’entrée de matiè-
res premières contaminées par des dioxines dans la
chaîne alimentaire animale, constatée en Belgique en
1999, par les mesures prises par les autorités publiques
suite à cette constatation en vue d’empêcher la
commercialisation de produits d’origine animale
potentiellement contaminés destinés à la consomma-
tion humaine ou animale ou en vue d’assurer l’élimina-
tion d’animaux ou de produits ayant fait l’objet de me-
sures de blocage dans l’intérêt de la santé publique ou
du bien-être animal, et par la perturbation des marchés
concernés en raison de cette contamination ou de ces
mesures;
2° « entreprise agricole » : toute entreprise dont l’ac-
tivité principale consiste en l’élevage de volaille, porcs
ou bovins ou en la production d’œufs ou de lait;
3° « Protocole » : le protocole conclu le 25 août 1999
entre l’État et l’Association belge des Banques relatif
l’octroi de crédits de soudure à des entreprises agrico-
les touchées par la crise de la dioxine;
4° « Traité » : le Traité instituant la Communauté
européenne;
5° « Commission » : la Commission des Communau-
tés européennes;
18
DOC 50 0212/001
KAMER
2e ZITTING VAN DE 50e ZITTINGSPERIODE
CHAMBRE 2e SESSION DE LA 50 e LÉGISLATURE
1999
2000
6° « Fonds » : het Fonds voor de schadeloosstelling
van landbouwbedrijven getroffen door de dioxinecrisis,
opgericht door artikel 9.
Art. 3
Voor de toepassing van deze wet kan de Koning, te-
gen de voorwaarden die Hij vaststelt :
1° ondernemingen waarvan de hoofdactiviteit bestaat
in de productie van andere producten van dierlijke oor-
sprong die voorkomen in de lijst opgenomen als Bijlage I
bij het Verdrag, gelijkstellen met landbouwbedrijven;
2° gemengde bedrijven gelijkstellen met landbouw-
bedrijven;
3° de gevallen bepalen waarin meerdere entiteiten
of exploitatie-eenheden dienen te worden beschouwd
als één enkel landbouwbedrijf.
HOOFDSTUK 2
Schadeloosstelling van landbouwbedrijven getrof-
fen door de dioxinecrisis
Art. 4
Binnen de grenzen toegestaan door de Commissie
krachtens artikel 87 van het Verdrag en tegen de voor-
waarden bepaald bij een in Ministerraad overlegd ko-
ninklijk besluit, kan de Staat steun toekennen aan
landbouwbedrijven teneinde alle of een deel van de
schade te dekken die deze bedrijven hebben geleden
ten gevolge van de dioxinecrisis, in de mate waarin deze
schade niet wordt gedekt door andere federale of ge-
westelijke overheidssteun.
De in lid 1 bedoelde steun kan inzonderheid de vorm
aannemen van een interestbonificatie op de kredieten
toegekend met toepassing van het Protocol of van een
vergoeding in contanten, volgens de nadere regels be-
paald bij een in Ministerraad overlegd koninklijk besluit.
Art. 5
Een landbouwbedrijf komt enkel in aanmerking voor
steun met toepassing van artikel 4 voorzover het :
1° het bewijs levert van de geleden schade en van
een rechtstreeks oorzakelijk verband tussen deze
schade en de dioxinecrisis;
2° aantoont dat de gevraagde steun in subsidie-equi-
valent de geleden schade niet overtreft, rekening hou-
dend, in voorkomend geval, met alle andere federale
en regionale overheidssteun die het bedrijf reeds heeft
bekomen omwille van de dioxinecrisis, en met de ver-
6° « Fonds » : le Fonds d’indemnisation d’entrepri-
ses agricoles touchées par la crise de la dioxine, insti-
tué par l’article 9.
Art. 3
Pour l’application de la présente loi, le Roi peut, aux
conditions qu’Il fixe :
1° assimiler à des entreprises agricoles des entre-
prises dont l’activité principale consiste en la produc-
tion d’autres produits d’origine animale repris sur la liste
figurant à l’Annexe I au Traité;
2° assimiler des entreprises mixtes à des entrepri-
ses agricoles;
3° définir les cas dans lesquels plusieurs entités ou
unités d’exploitation doivent être considérées comme
une seule entreprise agricole.
CHAPITRE 2
Indemnisation d’entreprises agricoles touchées
par la crise de la dioxine
Art. 4
Dans les limites autorisées par la Commission en
vertu de l’article 87 du Traité et aux conditions définies
par un arrêté royal délibéré en Conseil des ministres,
l’État peut accorder des aides à des entreprises agrico-
les en vue de couvrir tout ou partie du dommage subi
par ces entreprises à cause de la crise de la dioxine,
dans la mesure où ce dommage n’est pas couvert par
d’autres aides publiques fédérales ou régionales.
Les aides visées à l’alinéa 1er peuvent notamment
prendre la forme d’une bonification en intérêt sur les
crédits octroyés en application du Protocole ou d’une
indemnité en espèces, selon les modalités définies par
un arrêté royal délibéré en Conseil des ministres.
Art. 5
Une entreprise agricole est éligible au bénéfice d’une
aide en application de l’article 4 pour autant qu’elle :
1° fournisse la preuve du dommage subi et d’un lien
de causalité direct entre ce dommage et la crise de la
dioxine;
2° établisse que l’aide demandée ne dépasse pas
en équivalent-subvention le dommage subi, compte
tenu, le cas échéant, de toutes les autres aides publi-
ques fédérales et régionales que l’entreprise a déjà ob-
tenues en raison de la crise de la dioxine et de toutes
DOC 50 0212/001
19
KAMER
2e ZITTING VAN DE 50e ZITTINGSPERIODE
CHAMBRE 2e SESSION DE LA 50 e LÉGISLATURE
1999
2000
goedingen die het heeft verkregen of waarop het recht
heeft krachtens verzekeringspolissen of bij wege van
schadevergoeding ingevolge contractuele of buiten-
contractuele aansprakelijkheid van derden;
3° geen onregelmatigheden heeft begaan ten aan-
zien van de maatregelen genomen door de overheid in
het kader van de dioxinecrisis;
4° de voorwaarden van economische zelfstandigheid
vervult zoals bepaald bij een in Ministerraad overlegd
koninklijk besluit.
Art. 6
§ 1. Bij een in Ministerraad overlegd besluit bepaalt
de Koning :
1° de procedure voor de aanvraag van steun bedoeld
in artikel 4 en voor het onderzoek van de betreffende
aanvragen;
2° de nadere regels volgens welke de landbouw-
bedrijven de elementen aangegeven in artikel 5, 1° en
2°, moeten aantonen;
3° de nadere regels voor de berekening van het sub-
sidie-equivalent van de verschillende vormen van
overheidssteun toegekend omwille van de dioxinecrisis
en van de schade die de landbouwbedrijven tengevolge
daarvan hebben geleden.
§ 2. De schade geleden tengevolge van de
dioxinecrisis kan forfaitair worden bepaald op grond van
objectieve indicatoren, behalve in het geval van
landbouwbedrijven gebonden door contracten met ge-
garandeerde afnameprijzen voor dieren die zij fokken
of vetmesten, of voor producten van dierlijke oorsprong
die zij produceren.
Art. 7
Steun met toepassing van artikel 4 kan niet worden
uitgekeerd vooraleer de begunstigde schriftelijk, zonder
voorbehoud en onherroepelijk, heeft verzaakt aan elk
recht en elke vordering tegen de Staat omwille van
schade geleden tengevolge van de dioxinecrisis, noch,
zo de begunstigde hiervoor reeds tegen de Staat een
vordering tot schadevergoeding bij de rechtbanken had
ingesteld, vooraleer de begunstigde afstand van geding
heeft betekend aan de Staat.
Art. 8
Tegen de voorwaarden bepaald bij een in Minister-
raad overlegd koninklijk besluit kan de Staat dadingen
aangaan in het kader van rechtsgeschillen betreffende
de vergoeding van schade die ondernemingen bewe-
ren te hebben geleden tengevolge van de dioxinecrisis.
les indemnités qu’elle a reçues ou auxquelles elle a droit
en vertu de polices d’assurances ou à titre de domma-
ges-intérêts du chef de la responsabilité contractuelle
ou extra-contractuelle de tiers;
3° n’ait pas commis d’irrégularités au regard des
mesures prises par les autorités publiques dans le ca-
dre de la crise de la dioxine;
4° remplisse les conditions d’indépendance écono-
mique définies par arrêté royal délibéré en Conseil des
ministres.
Art. 6
§ 1er. Par arrêté délibéré en Conseil des ministres,
le Roi définit :
1° la procédure applicable aux demandes d’aides vi-
sées à l’article 4 et à l’examen de ces demandes;
2° les modalités selon lesquelles les entreprises agri-
coles doivent établir les éléments visés à l’article 5, 1°
et 2°;
3° les modalités de calcul de l’équivalent-subvention
des différentes formes d’aides publiques octroyées en
raison de la crise de la dioxine et du dommage subi par
les entreprises agricoles à cause de celle-ci.
§ 2. Le dommage subi à cause de la crise de la
dioxine peut être déterminé sur une base forfaitaire à
partir d’indicateurs objectifs, sauf dans le cas d’entre-
prises agricoles liées par des contrats comportant des
prix d’achat garantis pour des animaux qu’elles élèvent
ou engraissent ou pour des produits d’origine animale
qu’elles produisent.
Art. 7
Il ne peut être procédé au versement d’une aide en
application de l’article 4 avant que le bénéficiaire n’ait
renoncé par écrit, sans réserve et de manière irrévoca-
ble, à tout droit et toute action contre l’État en raison de
dommages subis à cause de la crise de la dioxine ni, si
le bénéficiaire avait déjà introduit une action en dom-
mages-intérêts de ce chef contre l’État devant les tribu-
naux, avant que le bénéficiaire n’ait signifié le désiste-
ment d’instance à l’État.
Art. 8
Aux conditions définies par un arrêté royal délibéré
en Conseil des ministres, l’État peut transiger dans le
cadre de litiges portant sur l’indemnisation de domma-
ges que des entreprises prétendent avoir subis à cause
de la crise de la dioxine.
20
DOC 50 0212/001
KAMER
2e ZITTING VAN DE 50e ZITTINGSPERIODE
CHAMBRE 2e SESSION DE LA 50 e LÉGISLATURE
1999
2000
HOOFDSTUK 3
Financiering
Art. 9
Met toepassing van artikel 45 van de wetten op de
Rijkscomptabiliteit, gecoördineerd op 17 juli 1991, wordt
bij het ministerie van Middenstand en Landbouw een
begrotingsfonds ingesteld met de naam « Fonds voor
de schadeloosstelling van landbouwbedrijven getroffen
door de dioxinecrisis ».
Het Fonds heeft ten doel om de uitgaven te dekken
die voortvloeien uit de steun bedoeld in artikel 4, de
dadingen bedoeld in artikel 8 en de Staatswaarborgen
bedoeld in artikel 15, in de mate waarin deze uitgaven
niet worden gedekt door een eenmalig krediet dat te
dien einde zal worden ingeschreven in de algemene
uitgavenbegroting van het begrotingsjaar 1999.
Het Fonds wordt bestuurd door een raad waarvan de
structuur, samenstelling en werking worden geregeld
door een in Ministerraad overlegd koninklijk besluit.
Art. 10
Het Fonds wordt gestijfd door :
1° de vrijwillige bijdragen;
2° de verplichte bijdragen opgelegd met toepassing
van artikel 12;
3° in voorkomend geval, de steun toegekend door
de Europese Unie omwille van de dioxinecrisis;
4° de terugvordering van federale steun met toepas-
sing van artikel 19;
5° de interesten op thesauriebeleggingen van het
Fonds.
Art. 11
In artikel 104 van het Wetboek van de inkomstenbe-
lastingen 1992 wordt een 4°ter ingevoegd, luidend als
volgt :
« 4°ter giften in geld aan het Fonds voor de schade-
loosstelling van landbouwbedrijven getroffen door de
dioxinecrisis ».
Art. 12
Bij een in Ministerraad overlegd besluit kan de Ko-
ning aan objectief bepaalde categorieën van onderne-
mingen in de landbouwsector en rechtstreekse en on-
rechtstreekse leveranciers en afnemers van dergelijke
CHAPITRE 3
Financement
Art. 9
En application de l’article 45 des lois sur la comptabi-
lité de l’État, coordonnées le 17 juillet 1991, il est insti-
tué au ministère des Classes moyennes et de l’Agricul-
ture un fonds budgétaire dénommé « Fonds
d’indemnisation d’entreprises agricoles touchées par la
crise de la dioxine ».
Le Fonds a pour but de couvrir les dépenses décou-
lant des aides visées à l’article 4, des transactions vi-
sées à l’article 8 et des garanties de l’État visées à l’ar-
ticle 15, dans la mesure où ces dépenses ne sont pas
couvertes par un crédit unique qui sera inscrit à ces fins
au budget général des dépenses de l’année budgétaire
1999.
Le Fonds est géré par un conseil dont la structure, la
composition et le fonctionnement sont réglés par un ar-
rêté royal délibéré en Conseil des ministres.
Art. 10
Le Fonds est alimenté par :
1° les contributions volontaires;
2° les cotisations obligatoires imposées en applica-
tion de l’article 12;
3° le cas échéant, les aides octroyées par l’Union
européenne en raison de la crise de la dioxine;
4° les recouvrements d’aides fédérales en applica-
tion de l’article 19;
5° les intérêts produits par les placements de tréso-
rerie du Fonds.
Art. 11
Dans l’article 104 du Code des impôts sur les reve-
nus 1992, il est inséré un 4°ter, rédigé comme suit :
« 4°ter les libéralités faites en argent au Fonds
d’indemnisation d’entreprises agricoles touchées par la
crise de la dioxine ».
Art. 12
Par arrêté délibéré en Conseil des ministres, le Roi
peut imposer à des catégories objectivement définies
d’entreprises relevant du secteur agricole et à des four-
nisseurs et clients directs et indirects de telles entrepri-
DOC 50 0212/001
21
KAMER
2e ZITTING VAN DE 50e ZITTINGSPERIODE
CHAMBRE 2e SESSION DE LA 50 e LÉGISLATURE
1999
2000
ondernemingen een solidariteitsbijdrage ten bate van
het Fonds opleggen waarvan Hij de berekeningsbasis,
het tarief en de inningsmodaliteiten bepaalt.
Een bijdrage opgelegd met toepassing van lid 1 kan
niet worden geheven op producten ingevoerd uit andere
Lidstaten van de Europese Economische Ruimte. Der-
gelijke bijdrage is niet als beroepskost aftrekbaar inzake
inkomstenbelasting.
Elk besluit dat krachtens dit artikel wordt vastgesteld,
wordt geacht nooit uitwerking te hebben gehad indien
het niet bij wet is bekrachtigd binnen de zes maanden
na de datum van zijn inwerkingtreding.
Art. 13
Op gezamenlijke voordracht van de ministers be-
voegd voor Landbouw en Begroting stelt de Koning het
bijzonder reglement betreffende het beheer van het
Fonds vast.
De uitvoering van de betalingen van het Fonds kan
worden opgedragen aan een gespecialiseerde instel-
ling.
Art. 14
In de tabel gevoegd bij de wet van 27 december 1990
tot oprichting van begrotingsfondsen, gewijzigd bij de
wetten van 6 augustus 1993, 24 december 1993, 21 de-
cember 1994, 6 april 1995, 29 april 1996 en 23 maart
1998, wordt rubriek « 31 — Landbouw » aangevuld als
volgt :
Benaming van het organiek begrotingsfonds
« 31-5 Fonds voor de schadeloosstelling van
landbouwbedrijven getroffen door de dioxinecrisis »
Aard van de toegewezen ontvangsten
« De ontvangsten bedoeld in artikel 10 van de wet
van … betreffende steunmaatregelen ten gunste van
landbouwbedrijven getroffen door de dioxinecrisis »
Aard van de gemachtigde uitgaven
« De uitgaven bedoeld in de artikelen 4, 8 en 15 van
voornoemde wet van …, alsmede de personeels en
werkingskosten van het Fonds. ».
HOOFDSTUK 4
Andere steunmaatregelen
Art. 15
De kredieten die in uitvoering van het Protocol zijn
toegekend door kredietinstellingen die ertoe zijn toege-
treden, genieten de Staatswaarborg ten belope van 50 %
ses une cotisation de solidarité au profit du Fonds dont
Il fixe l’assiette, le taux et les modalités de perception.
Une cotisation imposée en application de l’alinéa 1er
ne peut grever des produits importés d’autres États
membres de l’Espace économique européen. Une telle
cotisation n’est pas déductible à titre de frais profes-
sionnels en matière d’impôt sur les revenus.
Tout arrêté pris en vertu du présent article est censé
ne jamais avoir produit d’effets s’il n’a pas été confirmé
par la loi dans les six mois de sa date d’entrée en vi-
gueur.
Art. 13
Sur la proposition conjointe des ministres qui ont
l’Agriculture et le Budget dans leurs attributions, le Roi
établit le règlement spécial relatif à la gestion du Fonds.
L’exécution des paiements du Fonds peut être con-
fiée à une institution spécialisée.
Art. 14
Dans le tableau annexé à la loi du 27 décembre 1990
créant des fonds budgétaires, modifié par les lois des
6 août 1993, 24 décembre 1993, 21 décembre 1994,
6 avril 1995, 29 avril 1996 et 23 mars 1998, la rubrique
« 31 — Agriculture » est complétée comme suit :
Dénomination du fonds budgétaire organique
« 31-5 Fonds d’indemnisation d’entreprises agrico-
les touchées par la crise de la dioxine »
Nature des recettes affectées
« Les recettes visées à l’article 10 de la loi
du … relative à des mesures d’aide en faveur d’entre-
prises agricoles touchées par la crise de la dioxine »
Nature des dépenses autorisées
« Les dépenses visées aux articles 4, 8 et 15 de la loi
du … précitée, ainsi que les frais de personnel et de
fonctionnement du Fonds. ».
CHAPITRE 4
Autres mesures d’aide
Art. 15
Les crédits octroyés en exécution du Protocole par
des établissements de crédit ayant adhéré à celui-ci,
bénéficient de la garantie de l’État à concurrence de
22
DOC 50 0212/001
KAMER
2e ZITTING VAN DE 50e ZITTINGSPERIODE
CHAMBRE 2e SESSION DE LA 50 e LÉGISLATURE
1999
2000
van hoofdsom en intresten (inclusief nalatigheids-
intresten) van elk krediet van zodra het betrokken
kredietdossier door het Belgisch Interventie- en
Restitutiebureau is goedgekeurd, of wordt geacht te zijn
goedgekeurd, overeenkomstig het Protocol.
Het totaalbedrag van de in lid 1 bedoelde kredieten
mag niet hoger zijn dan 25 000 000 000 (vijfentwintig
miljard) frank in hoofdsom.
Art. 16
Binnen de grenzen toegestaan door de Commissie
krachtens artikel 87 van het Verdrag en tegen de voor-
waarden bepaald bij een in Ministerraad overlegd ko-
ninklijk besluit, kan de Staat voorschotten of vergoedin-
gen toekennen aan ondernemingen wier producten van
dierlijke oorsprong zijn vernietigd, in beslag genomen
of uit de handel genomen ingevolge maatregelen die
de Belgische overheid heeft genomen in het kader van
de dioxinecrisis.
HOOFDSTUK 5
Controlemaatregelen
Art. 17
Het totaalbedrag van de federale overheidssteun die
een onderneming ontvangt omwille van de dioxinecrisis,
ongeacht of deze ook steun omvat toegekend met toe-
passing van deze wet, mag in subsidie-equivalent niet
de schade overtreffen die de onderneming heeft gele-
den tengevolge van de dioxinecrisis, rekening houdend,
in voorkomend geval, met alle gewestelijke overheids-
steun die de onderneming omwille daarvan bekomt, en
met alle vergoedingen die zij ontvangt krachtens
verzekeringspolissen of bij wege van schadevergoeding
ingevolge contractuele of buitencontractuele aanspra-
kelijkheid van derden.
De regels bepaald krachtens artikel 6 zijn van toe-
passing op de vaststelling van het subsidie-equivalent
van de verschillende vormen van overheidssteun toe-
gekend omwille van de dioxinecrisis en van de schade
die de ondernemingen tengevolge daarvan hebben ge-
leden.
Art. 18
De naleving van artikel 17 maakt het voorwerp uit
van controles uitgevoerd door de ambtenaren en agen-
ten van het ministerie van Middenstand en Landbouw
aangeduid door de minister bevoegd voor Landbouw,
50 % du montant principal et des intérêts (y compris les
intérêts de retard) de chaque crédit dès que le dossier
de crédit en question a été approuvé par le Bureau d’in-
tervention et de restitution belge, ou est réputé approuvé
par celui-ci, conformément au Protocole.
Le montant total des crédits visés à l’alinéa 1er ne
peut dépasser 25 000 000 000 (vingt-cinq milliards) de
francs en principal.
Art. 16
Dans les limites autorisées par la Commission en
vertu de l’article 87 du Traité et aux conditions définies
par un arrêté royal délibéré en Conseil des ministres,
l’État peut accorder des avances ou indemnités à des
entreprises dont des produits d’origine animale ont été
détruits, saisis ou retirés du commerce à la suite de
mesures prises par les autorités publiques belges dans
le cadre de la crise de la dioxine.
CHAPITRE 5
Mesures de contrôle
Art. 17
Le montant total des aides publiques fédérales qu’une
entreprise reçoit en raison de la crise de la dioxine, que
ces aides comprennent ou non des aides octroyées en
application de la présente loi, ne peut pas en équiva-
lent-subvention dépasser le dommage subi par l’entre-
prise à cause de la crise de la dioxine, compte tenu, le
cas échéant, de toutes les aides publiques régionales
que l’entreprise obtient en raison de celle-ci et de tou-
tes les indemnités qu’elle reçoit en vertu de polices d’as-
surances ou à titre de dommages-intérêts du chef de la
responsabilité contractuelle ou extra-contractuelle de
tiers.
Les règles arrêtées en vertu de l’article 6 s’appliquent
à la détermination de l’équivalent-subvention des diffé-
rentes formes d’aides publiques octroyées en raison de
la crise de la dioxine et du dommage subi par les entre-
prises à cause de celle-ci.
Art. 18
Le respect de l’article 17 fait l’objet de contrôles ef-
fectués par les fonctionnaires et agents du ministère des
Classes moyennes et de l’Agriculture désignés par le
ministre qui a l’Agriculture dans ses attributions, selon
DOC 50 0212/001
23
KAMER
2e ZITTING VAN DE 50e ZITTINGSPERIODE
CHAMBRE 2e SESSION DE LA 50 e LÉGISLATURE
1999
2000
volgens de nadere regels bepaald door de Koning. Deze
ambtenaren en agenten kunnen van de betrokken on-
dernemingen alle nodige inlichtingen vorderen; zij kun-
nen overgaan tot een controle van hun rekeningen en
boeken ter plaatse.
Art. 19
Het eventuele overschot van de overheidssteun die
een onderneming omwille van de dioxinecrisis heeft
ontvangen ten opzichte van de schade die zij tenge-
volge daarvan heeft geleden, wordt toegerekend op de
ontvangen federale steun, in omgekeerde chronologi-
sche volgorde, en moet aan het Fonds worden terug-
gestort, vermeerderd met nalatigheidsinteresten aan
Euribor op drie maanden. De terugvordering ervan ge-
schiedt door toedoen van de administratie bevoegd voor
de invordering van de belasting over de toegevoegde
waarde. De artikelen 94 en 95 van de wetten op de
Rijkscomptabiliteit, gecoördineerd op 17 juli 1991, zijn
van toepassing op deze terugvordering.
HOOFDSTUK 6
Slotbepalingen
Art. 20
§ 1. Worden gestraft met gevangenisstraf van één
maand tot één jaar en met geldboete van 50 (vijftig) tot
10 000 (tienduizend) Belgische frank of met één van
deze straffen alleen, zij die de controles uitgevoerd met
toepassing van artikel 18 hinderen, weigeren aan de
betrokken ambtenaren of agenten de informatie te ver-
strekken die zij gehouden zijn hun mee te delen, of hun
bewust verkeerde of onvolledige informatie verstrekken.
§ 2. De Koning kan strafsancties bepalen voor inbreu-
ken op de bepalingen van de uitvoeringsbesluiten van
deze wet die Hij aanduidt. Deze sancties mogen een
gevangenisstraf van zes maanden en een geldboete van
10 000 (tienduizend) Belgische frank niet overschrijden.
§ 3. De bepalingen van het Eerste Boek van de
Strafwetboek zijn van toepassing op de inbreuken be-
doeld in §§ 1 en 2.
Art. 21
Deze wet treedt in werking de dag waarop zij in het
Belgisch Staatsblad wordt bekendgemaakt, met uitzon-
dering van artikel 15, dat in werking treedt met ingang
van 25 augustus 1999, en van artikel 16, dat in werking
treedt met ingang van 1 juli 1999.
les modalités fixées par le Roi. Ces fonctionnaires et
agents peuvent requérir les entreprises en question de
leur fournir toutes les informations nécessaires; ils peu-
vent procéder à un contrôle de leurs comptes et livres
sur place.
Art. 19
L’excédent éventuel des aides publiques qu’une en-
treprise a reçues en raison de la crise de la dioxine par
rapport au dommage qu’elle a subi à cause de celle-ci
est imputé sur les aides fédérales reçues en ordre chro-
nologique inverse et doit être restitué au Fonds, majoré
d’intérêts de retard au taux Euribor à trois mois. Le
recouvrement en est poursuivi par l’administration qui a
le recouvrement de la taxe sur la valeur ajoutée dans
ses attributions. Les articles 94 et 95 des lois sur la comp-
tabilité de l’État, coordonnées le 17 juillet 1991, sont
applicables à ce recouvrement.
CHAPITRE 6
Dispositions finales
Art. 20
§ 1er. Sont punis d’un emprisonnement d’un mois à
un an et d’une amende de 50 (cinquante) à 10 000 (dix
mille) francs belges ou d’une de ces peines seulement,
ceux qui font obstacle aux contrôles effectués en appli-
cation de l’article 18, refusent de donner aux fonction-
naires ou agents concernés les informations qu’ils sont
tenus de leur fournir ou leur donnent sciemment des
informations inexactes ou incomplètes.
§ 2. Le Roi peut prévoir des sanctions pénales pour
les infractions aux dispositions des arrêtés d’exécution
de la présente loi qu’Il désigne. Ces sanctions ne peu-
vent excéder une peine d’emprisonnement de six mois
et une amende de 10 000 (dix mille) francs belges.
§ 3. Les dispositions du Livre premier du Code pénal
sont applicables aux infractions visées aux §§ 1er et 2.
Art. 21
La présente loi entre en vigueur le jour de sa publica-
tion au Moniteur belge, à l’exception de l’article 15, qui
produit ses effets le 25 août 1999, et de l’article 16, qui
produit ses effets le 1er juillet 1999.
24
DOC 50 0212/001
KAMER
2e ZITTING VAN DE 50e ZITTINGSPERIODE
CHAMBRE 2e SESSION DE LA 50 e LÉGISLATURE
1999
2000
ADVIES VAN DE RAAD VAN STATE
______
De RAAD VAN STATE, afdeling wetgeving, derde
kamer, op 5 oktober 1999 door de minister van Land-
bouw en Middenstand verzocht hem, binnen een ter-
mijn van ten hoogste drie dagen, van advies te dienen
over een voorontwerp van wet « betreffende steun-
maatregelen ten gunste van landbouwbedrijven getrof-
fen door de dioxinecrisis », heeft op 12 oktober 1999
het volgende advies gegeven :
Volgens artikel 84, eerste lid, 2°, van de gecoördi-
neerde wetten op de Raad van State moeten in de
adviesaanvraag de redenen worden opgegeven tot sta-
ving van het spoedeisend karakter ervan.
In het onderhavige geval wordt het verzoek om spoed-
behandeling gemotiveerd als volgt :
« Overwegende dat de landbouwbedrijven zeer ern-
stige schade lijden door de dioxinecrisis, dat tot op he-
den de meest dringende steun werd toegekend aan de
landbouwbedrijven ten laste van het Begrotingsfonds
voor de gezondheid en de kwaliteit van de dieren en de
dierlijke producten, dat de reeds toegekende steun even-
wel niet volstaat om een billijke en doeltreffende steun
te verlenen aan de landbouwbedrijven, waarvan het
voortbestaan vaak wordt bedreigd. ».
*
*
*
Gelet op de korte termijn welke hem voor het geven
van zijn advies wordt toegemeten, heeft de Raad van
State zich moeten bepalen tot het maken van de hierna-
volgende opmerkingen.
STREKKING VAN HET ONTWERP
Het voor advies voorgelegde voorontwerp van wet
strekt er, blijkens de memorie van toelichting, toe « fe-
derale steunverstrekking toe te laten aan landbouw-
bedrijven teneinde alle of een deel van de schade te
dekken die zij ten gevolge van de dioxinecrisis hebben
geleden en die nog niet is gedekt door andere federale
en/of gewestelijke steun ».
Het ontwerp is ingedeeld in zes hoofdstukken, waar-
van de inhoud in grote lijnen kan worden weergegeven
als volgt :
— hoofdstuk 1 bevat algemene bepalingen, waaron-
der een aantal definities van in het ontwerp gehanteerde
begrippen (artikel 2) en een machtiging aan de Koning
om, onder door hem vast te stellen voorwaarden, het
toepassingsgebied van het ontwerp uit te breiden tot
AVIS DU CONSEIL D’ÉTAT
______
Le CONSEIL D’ÉTAT, section de législation, troisième
chambre, saisi par le ministre de l’Agriculture et des
Classes moyennes, le 5 octobre 1999, d’une demande
d’avis, dans un délai ne dépassant pas trois jours, sur
un avant-projet de loi « relatif à des mesures d’aide en
faveur d’entreprises agricoles touchées par la crise de
la dioxine », a donné le 12 octobre 1999 l’avis suivant :
Conformément à l’article 84, alinéa 1er, 2°, des lois
coordonnées sur le Conseil d’État, la demande d’avis
doit indiquer les motifs qui en justifient le caractère ur-
gent.
En l’occurrence, l’urgence est motivée comme suit :
« Overwegende dat de landbouwbedrijven zeer
ernstige schade lijden door de dioxinecrisis, dat tot op
heden de meest dringende steun werd toegekend aan
de landbouwbedrijven ten laste van het Begrotingsfonds
voor de gezondheid en de kwaliteit van de dieren en de
dierlijke producten, dat de reeds toegekende steun
evenwel niet volstaat om een billijke en doeltreffende
steun te verlenen aan de landbouwbedrijven, waarvan
het voortbestaan vaak wordt bedreigd. ».
*
*
*
Eu égard au bref délai qui lui est imparti pour donner
son avis, le Conseil d’État a dû se limiter à formuler les
observations suivantes.
PORTÉE DU PROJET
Selon l’exposé des motifs, l’avant-projet de loi sou-
mis pour avis entend « autoriser l’octroi d’aides fédéra-
les à des entreprises agricoles en vue de couvrir tout ou
partie du dommage qu’elles ont subi à cause de la crise
de la dioxine et qui n’est pas déjà couvert par d’autres
aides fédérales et/ou régionales ».
Le projet est divisé en six chapitres, dont la teneur
peut être esquissée dans les grandes lignes comme
suit :
— le chapitre premier comprend des dispositions gé-
nérales, dont un certain nombre de définitions des no-
tions employées dans le projet (article 2) ainsi qu’une
habilitation au Roi en vue d’étendre, aux conditions qu’il
fixera, le champ d’application du projet à des entrepri-
DOC 50 0212/001
25
KAMER
2e ZITTING VAN DE 50e ZITTINGSPERIODE
CHAMBRE 2e SESSION DE LA 50 e LÉGISLATURE
1999
2000
andere ondernemingen en bedrijven dan landbouw-
bedrijven als bedoeld in artikel 2 van het ontwerp (1)
(artikel 3);
— hoofdstuk 2 heeft betrekking op de voorwaarden
waaronder de landbouwbedrijven getroffen door de
dioxinecrisis een schadeloosstelling kunnen verkrijgen
(artikelen 4, 5 en 7); voorts wordt in dit hoofdstuk mach-
tiging gegeven aan de Koning om de procedure voor de
aanvraag van steun nader te regelen (artikel 6) en wordt
voorzien in de mogelijkheid voor de Staat om dadingen
aan te gaan in het kader van rechtsgeschillen betref-
fende vergoedingen van schade ten gevolge van de
dioxinecrisis (artikel 8);
— hoofdstuk 3 betreft de financiering van de steun-
maatregelen; het voorziet in de oprichting van een
begrotingsfonds als bedoeld in artikel 45 van de wetten
op de rijkscomptabiliteit, gecoördineerd op 17 juli 1991,
en regelt de werking ervan (artikelen 9, 10, 13 en 14);
het voorziet voorts in de mogelijkheid voor de Koning
om een solidariteitsbijdrage ten bate van dat fonds op
te leggen aan « objectief bepaalde categorieën van on-
dernemingen in de landbouwsector en rechtstreekse en
onrechtstreekse leveranciers en afnemers van derge-
lijke ondernemingen » (artikel 12);
— in hoofdstuk 4 wordt voorzien in nog twee andere
steunmaatregelen, namelijk het verlenen van de staats-
waarborg voor een bepaald bedrag van kredieten die
ter uitvoering van het protocol tussen de Staat en de
Belgische Vereniging van Banken zijn toegekend door
bepaalde kredietinstellingen (artikel 15) en het toeken-
nen van voorschotten of vergoedingen aan ondernemin-
gen wier producten van dierlijke oorsprong zijn vernie-
tigd, in beslag genomen of uit de handel genomen ten
gevolge van maatregelen die de Belgische overheid
heeft genomen in het kader van de dioxinecrisis (arti-
kel 16);
— hoofdstuk 5 regelt de controle a posteriori van de
toegekende steun (artikelen 17 tot 19);
— hoofdstuk 6 bevat een strafbepaling (artikel 20) en
regelt de inwerkingtreding van de ontworpen regeling
(artikel 21).
VOORAFGAANDE VORMVEREISTEN
1. Luidens artikel 6, § 3bis, 5°, van de bijzondere wet
van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen
dient er tussen de betrokken gewestregeringen en de
ses autres qu’agricoles au sens de l’article 2 du pro-
jet (1) (article 3);
— le chapitre 2 a trait aux conditions auxquelles les
entreprises agricoles touchées par la crise de la dioxine
peuvent obtenir une indemnisation (articles 4, 5 et 7);
en outre, ce chapitre habilite le Roi à régler plus avant
la procédure applicable aux demandes d’aides (article 6)
et prévoit la possibilité pour l’État de transiger dans le
cadre de litiges portant sur l’indemnisation de domma-
ges dus à la crise de la dioxine (article 8);
— le chapitre 3 concerne le financement des mesu-
res d’aide; il prévoit la création d’un fonds budgétaire
au sens de l’article 45 des lois sur la comptabilité de
l’État, coordonnées le 17 juillet 1991, et en règle le fonc-
tionnement (articles 9, 10, 13 et 14); il prévoit en outre
la possibilité pour le Roi d’imposer à « des catégories
objectivement définies d’entreprises relevant du secteur
agricole et à des fournisseurs et clients directs et indi-
rects de telles entreprises » une cotisation de solidarité
au profit du fonds (article 12);
— le chapitre 4 prévoit encore deux autres mesures
d’aide, à savoir l’octroi de la garantie de l’État pour un
montant déterminé de crédits qui ont été alloués par
certains établissements de crédit en exécution du pro-
tocole conclu entre l’État et l’Association belge des ban-
ques (article 15) et l’octroi d’avances ou d’indemnités à
des entreprises dont des produits d’origine animale ont
été détruits, saisis ou retirés du commerce à la suite de
mesures prises par les autorités publiques belges dans
le cadre de la crise de la dioxine (article 16);
— le chapitre 5 règle le contrôle a posteriori de l’aide
accordée (articles 17 à 19);
— le chapitre 6 comprend une disposition pénale (ar-
ticle 20) et règle l’entrée en vigueur de la réglementa-
tion en projet (article 21).
FORMALITÉS PRÉALABLES
1. Selon l’article 6, § 3bis, 5°, de la loi spéciale du
8 août 1980 de réformes institutionnelles, une concerta-
tion associant les gouvernements de région concernés
–––––––––––––––
(1) Artikel 2, 2°, geeft een erg restrictieve omschrijving van het
begrip « landbouwbedrijf ». Als zodanig wordt voor de toepassing van
de ontworpen wet namelijk alleen aangemerkt : « elke onderneming
waarvan de hoofdactiviteit bestaat in de teelt van pluimvee, varkens
of runderen of de productie van eieren of melk ».
–––––––––––––––
(1) L’article 2, 2°, donne une définition très restrictive de la notion
de « entreprise agricole ». En effet, seule « toute entreprise dont
l’activité principale consiste en l’élevage de volaille, porcs ou bovins
ou en la production d’œufs ou de lait » est qualifiée comme telle pour
l’application de la loi en projet.
26
DOC 50 0212/001
KAMER
2e ZITTING VAN DE 50e ZITTINGSPERIODE
CHAMBRE 2e SESSION DE LA 50 e LÉGISLATURE
1999
2000
federale overheid overleg te worden gepleegd over « de
maatregelen die een weerslag hebben op het landbouw-
beleid ».
Blijkens de parlementaire voorbereiding van de voor-
noemde bepaling is inzonderheid « overleg met de Ge-
westen verplicht wanneer de federale overheid beslis-
singen overweegt die gevolgen zouden kunnen hebben
voor de regionale landbouwbevoegdheid » (1).
De vraag dient dan ook te worden onderzocht of de
ontworpen bepalingen, die behoren tot de residuaire
bevoegdheid van de federale overheid, een weerslag
kunnen hebben op één van de aangelegenheden in-
zake het landbouwbeleid die door artikel 6, § 1, V, 1°
tot 5°, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 aan
de gewesten werden overgedragen.
In casu kan bezwaarlijk worden betwist dat de ont-
worpen federale maatregelen zulk een weerslag zullen
hebben, meer bepaald op de bevoegdheid van de ge-
westen inzake de aanvullende of suppletieve hulp aan
landbouwbedrijven (artikel 6, § 1, V, 3°, van de bijzon-
dere wet van 8 augustus 1980). De gewestregeringen
zouden meer bepaald, rekening houdend met de voor-
genomen federale maatregelen, kunnen beslissen hun
beleid inzake aanvullende of suppletieve hulp aan
landbouwbedrijven te herzien. Overigens wordt de mo-
gelijkheid van een dergelijke weerslag bevestigd in de
inleiding van de memorie van toelichting, waarin wordt
gesteld dat « deze federale maatregelen zullen gepaard
gaan met steunmaatregelen die door de Gewesten bin-
nen hun bevoegdheidssfeer zullen worden genomen »,
en dat de federale regering, indien nodig, aan de ge-
westen « een samenwerkingsakkoord (zal) voorstellen
teneinde voor een goede coördinatie van de federale
en gewestelijke acties te zorgen, en, in voorkomend
geval, gezamenlijke initiatieven te ontwikkelen ».
De conclusie moet dan ook zijn dat krachtens arti-
kel 6, § 3bis, 5°, van de bijzondere wet van 8 augustus
1980 over de ontworpen regeling overleg moet worden
gepleegd met de gewestregeringen.
De gemachtigde van de regering heeft verklaard dat
geen overleg heeft plaatsgehad.
Aangezien de opmerkingen die in voorkomend geval
door de gewestregeringen zouden worden geformu-
leerd, tot een wijziging van het voorliggende ontwerp
zouden kunnen leiden, dient te worden besloten dat
zolang de overlegprocedure bedoeld in artikel 6, § 3bis,
5°, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 niet heeft
plaatsgevonden, de voor advies voorgelegde tekst niet
kan worden beschouwd als de definitieve tekst van het
ontwerp.
2. Artikel 88, lid 3 (ex artikel 93, lid 3), van het EG-
Verdrag schrijft voor dat de Commissie tijdig op de
et l’autorité fédérale doit avoir lieu pour « les mesures
qui ont une incidence sur la politique agricole ».
Selon les travaux préparatoires relatifs à la disposi-
tion précitée, « la concertation avec les régions est obli-
gatoire » notamment « lorsque l’autorité fédérale envi-
sage de prendre des décisions qui pourraient avoir des
conséquences sur les compétences agricoles régiona-
les » (1).
Il s’impose dès lors d’examiner si les dispositions en
projet qui relèvent de la compétence résiduelle de l’auto-
rité fédérale, peuvent avoir une incidence sur l’une des
matières relatives à la politique agricole qui ont été trans-
férées aux régions par l’article 6, § 1er, V, 1° à 5°, de la
loi spéciale du 8 août 1980.
En l’espèce, il peut difficilement être contesté que les
mesures fédérales en projet auront pareille incidence,
plus particulièrement sur la compétence des régions en
matière d’aide complémentaire ou supplétive aux en-
treprises agricoles (article 6, § 1er, V, 3°, de la loi spé-
ciale du 8 août 1980). Les gouvernements régionaux
pourraient plus particulièrement, compte tenu des me-
sures fédérales envisagées, décider de revoir leur poli-
tique en matière d’aide complémentaire ou supplétive
aux entreprises agricoles. L’éventualité d’une telle inci-
dence est d’ailleurs confirmée dans l’introduction de l’ex-
posé des motifs, qui porte que ces « mesures fédérales
s’accompagneront de mesures d’aide qui seront mises
en œuvre par les Régions dans leur sphère de compé-
tence », et que le gouvernement fédéral proposera, en
cas de besoin, aux régions, « un accord de coopération
en vue d’assurer une bonne coordination des actions
fédérales et régionales et, le cas échéant, de dévelop-
per des initiatives communes ».
Force est dès lors de conclure qu’en vertu de l’arti-
cle 6, § 3bis, 5°, de la loi spéciale du 8 août 1980, la
réglementation en projet doit faire l’objet d’une concerta-
tion avec les gouvernements régionaux.
Le délégué du gouvernement a déclaré qu’aucune
concertation n’avait eu lieu.
Étant donné que les observations qui seraient for-
mulées le cas échéant par les gouvernements régio-
naux pourraient conduire à une modification du présent
projet, il convient de souligner que tant que la procé-
dure de concertation visée à l’article 6, § 3bis, 5°, de la
loi spéciale du 8 août 1980 n’est pas intervenue, le texte
soumis pour avis ne peut être considéré comme la ver-
sion définitive du projet.
2. L’article 88, paragraphe 3 (ex-article 93, paragra-
phe 3), du Traité CE prescrit que la Commission doit
–––––––––––––––
(1) Parl. St., Senaat, 1992-93, nr 558/1, blz. 28.
–––––––––––––––
(1) Doc. parl., Sénat, 1992-93, n° 558/1, p. 28.
DOC 50 0212/001
27
KAMER
2e ZITTING VAN DE 50e ZITTINGSPERIODE
CHAMBRE 2e SESSION DE LA 50 e LÉGISLATURE
1999
2000
hoogte moet worden gebracht van elk voornemen tot
invoering of wijziging van steunmaatregelen. Zoals het
Hof van Justitie heeft overwogen, volgt uit artikel 88, lid 3,
dat de voorgenomen maatregel tot invoering van steun
aan de Commissie meegedeeld moet worden vooral-
eer die maatregel in de interne rechtsorde is doorge-
voerd (1).
De gemachtigde van de regering heeft verklaard dat,
wat het voorliggende ontwerp betreft, alsnog niet werd
voldaan aan deze formaliteit, behoudens wat de steun-
maatregel betreft bedoeld in artikel 15 van het ont-
werp (2). Volgens de gemachtigde is tijdens de verga-
deringen van de regeringscommissaris belast met de
dioxineproblematiek met de ambtenaren van de Euro-
pese Commissie gebleken dat de ambtenaren van
mening waren dat het op dit ogenblik niet zinvol is een
officiële aanmelding te doen, gezien waarschijnlijk nog
veranderingen zullen worden aangebracht ten gevolge
van de bespreking van het wetsontwerp in het Parlement
en dat het aanbeveling verdient de ontworpen regeling
samen met de uitvoeringsbesluiten als een geheel aan
te melden.
Zolang de in artikel 88, lid 3, van het EG-Verdrag
bedoelde procedure haar beslag niet heeft gekregen,
kan niet worden uitgesloten dat opmerkingen die in voor-
komend geval door de Commissie kunnen worden ge-
formuleerd, ook tot een wijziging van voorliggend ont-
werp zouden kunnen leiden. Hieruit volgt dat de om
advies voorgelegde tekst ook om die reden niet kan
worden beschouwd als de definitieve tekst van het ont-
werp.
3. Principieel kunnen voorontwerpen van wet, de-
creet of ordonnantie en ontwerpen van reglementaire
besluiten slechts met toepassing van artikel 3, § 1, van
de gecoördineerde wetten op de Raad van State aan
de afdeling wetgeving worden voorgelegd nadat ze alle
achtereenvolgende stadia van de administratieve voor-
bereiding hebben doorgemaakt.
Er kan evenwel uitzonderlijk worden aanvaard dat met
betrekking tot ontwerpen als het onderhavige, in geval
van verantwoorde spoed als bedoeld in artikel 84, eer-
ste lid, 2°, van de gecoördineerde wetten op de Raad
van State, van de hiervoren vermelde regel wordt afge-
weken, onder het uitdrukkelijke voorbehoud evenwel dat
aan de nog niet nageleefde vormvereisten wordt vol-
daan en dat, mochten de aan de Raad van State voor-
gelegde teksten ten gevolge hiervan nog wijzigingen
être informée, en temps utile, de tous projets tendant à
instituer ou à modifier des aides. Comme l’a considéré
la Cour de justice, il résulte de l’article 88, paragraphe 3,
que la mesure projetée tendant à instituer des aides
doit être notifiée à la Commission avant qu’elle ne soit
appliquée dans l’ordre juridique interne (1).
Le délégué du gouvernement a déclaré qu’en ce qui
concerne le présent projet, cette formalité n’avait pas
encore été remplie, sauf pour ce qui est de la mesure
visée à l’article 15 du projet (2). Selon le délégué, il est
apparu au cours des réunions entre le commissaire du
gouvernement chargé de la problématique de la dioxine
et les fonctionnaires de la Commission européenne que
ces derniers estimaient qu’il n’était pas opportun de pro-
céder à une notification officielle pour l’heure, étant
donné que d’autres modifications seront vraisemblable-
ment apportées à la suite de la discussion du projet de
loi au Parlement et qu’il était recommandé de notifier
globalement la réglementation en projet ainsi que les
arrêtés d’exécution.
Tant que la procédure prescrite à l’article 88, para-
graphe 3, du Traité CE ne sera pas terminée, il ne pourra
être exclu que des observations formulées le cas
échéant par la Commission, pourront également con-
duire à une modification du présent projet. Il en résulte
que, pour ce motif également, le texte soumis pour avis
ne peut être considéré comme la version définitive du
projet.
3. En principe, les avant-projets de loi, de décret ou
d’ordonnance et les projets d’arrêtés réglementaires ne
peuvent être soumis à la section de législation en appli-
cation de l’article 3, § 1er, des lois coordonnées sur le
Conseil d’État, qu’après avoir franchi tous les stades
successifs de la préparation administrative.
En ce qui concerne des projets tels que le projet de
l’espèce, il peut toutefois se justifier à titre exceptionnel
qu’en cas d’urgence motivée, visée à l’article 84, ali-
néa 1er, 2°, des lois coordonnées sur le Conseil d’État, il
soit dérogé à la règle susvisée, sous la réserve expresse,
toutefois, que les formalités non encore accomplies le
soient et que, si des modifications devaient encore être
apportées aux textes soumis au Conseil d’État par suite
de l’accomplissement de ces formalités, les dispositions
–––––––––––––––
(1) Zie Hof van Justitie, arrest van 27 maart 1984, Commissie/Ita-
lië, 169/82, Jur., 1984, (1603), blz. 1615, §§ 10-11.
(2) De Belgische regering blijkt de Europese Commissie bij schrij-
ven van 24 augustus 1999 in kennis te hebben gesteld van het proto-
col tussen de Belgische Staat en de Belgische Vereniging van Ban-
ken, waarin wordt voorzien in een steunmaatregel in de vorm van een
staatswaarborg ten belope van 50 % van de hoofdsom en interesten.
Deze aangemelde steunmaatregel werd op 7 september 1999 door
de Commissie als verenigbaar met het EG-Verdrag beschouwd.
–––––––––––––––
(1) Voir Cour de justice, arrêt du 27 mars 1984, Commission/Italie,
169/82, Rec., 1984, (1603), p. 1615, §§ 10-11.
(2) Par lettre du 24 août 1999, le gouvernement belge a notifié à
la Commission européenne le protocole conclu entre l’État belge et
l’Association belge des banques prévoyant une mesure d’aide sous
la forme d’une garantie de l’État à concurrence de 50 % du principal
et des intérêts. Le 7 septembre 1999, la Commission a déclaré cette
mesure d’aide compatible avec le Traité CE.
28
DOC 50 0212/001
KAMER
2e ZITTING VAN DE 50e ZITTINGSPERIODE
CHAMBRE 2e SESSION DE LA 50 e LÉGISLATURE
1999
2000
ondergaan, de gewijzigde bepalingen voor een nieuw
onderzoek aan de afdeling wetgeving worden voorge-
legd.
ALGEMENE OPMERKINGEN
Ten aanzien van de bevoegdheid van de federale
overheid
1. Het ontwerp heeft in hoofdzaak betrekking op
steunmaatregelen ten aanzien van ondernemingen in
de landbouwsector.
Luidens artikel 6, § 1, VI, 1°, van de bijzondere wet
van 8 augustus 1980 behoort de hulp aan ondernemin-
gen weliswaar tot de bevoegdheid van de gewesten,
doch ten aanzien van landbouwbedrijven zijn de gewes-
ten enkel bevoegd voor de investeringshulp en voor de
aanvullende of suppletieve hulp (zie artikel 6, § 1, V,
eerste lid, 2° en 3°, van de bijzondere wet).
Op grond van haar residuaire bevoegdheid inzake
landbouw, is de federale overheid derhalve bevoegd voor
steun aan de landbouwbedrijven.
Er dient bijgevolg nader te worden onderzocht of de
ontworpen maatregelen, inzonderheid die bedoeld in de
artikelen 4 (gelezen in samenhang met artikel 3, 1°
en 2°), 12, 15, 16 en 19 van het ontwerp, kunnen wor-
den ingepast in de aldus omschreven bevoegdheid van
de federale overheid.
2.1. De steun bedoeld in artikel 4 van het ontwerp
wordt verleend aan landbouwbedrijven, zoals gedefini-
eerd in artikel 2, 2°, van het ontwerp, of aan daarmee
door de Koning gelijkgestelde bedrijven, krachtens de
delegatie hem verleend in artikel 3, 1° en 2°, van het
ontwerp.
2.1.1. Wat de in artikel 2, 2°, restrictief omschreven
« landbouwbedrijven » betreft, kan uiteraard geen twij-
fel rijzen over de vraag of ze kunnen worden ingepast in
de residuaire bevoegdheid van de federale overheid in-
zake landbouw. Die bevoegdheid strekt zich immers uit
tot landbouwbedrijven in het algemeen en niet alleen
tot die waarvan de hoofdactiviteit bestaat in de teelt van
pluimvee, varkens of runderen of de productie van eie-
ren of melk.
2.1.2. Artikel 3, 1°, van het ontwerp heeft betrekking
op ondernemingen waarvan de hoofdactiviteit bestaat
in de productie van andere producten van dierlijke oor-
sprong (dan die bedoeld in artikel 2, 2°) welke voorko-
men in de lijst opgenomen als bijlage I bij het EG-Ver-
drag.
Luidens artikel 32 (ex artikel 38), lid 1, van het Ver-
drag wordt onder landbouwproducten verstaan « de
voortbrengselen van bodem, veeteelt en visserij alsmede
de producten in eerste graad van bewerking welke met
de genoemde voortbrengselen rechtstreeks verband
modifiées soient soumises pour un nouvel examen à la
section de législation.
OBSERVATIONS GÉNÉRALES
Quant à la compétence de l’autorité fédérale
1. Le projet a principalement trait aux mesures d’aide
accordées en faveur d’entreprises du secteur agricole.
Aux termes de l’article 6, § 1er, VI, 1°, de la loi spé-
ciale du 8 août 1980, l’aide aux entreprises relève cer-
tes de la compétence des régions, mais en ce qui con-
cerne les entreprises agricoles, les régions sont unique-
ment compétentes en matière d’aide à l’investissement
et d’aide complémentaire ou supplétive (voir l’article 6,
§ 1er, V, alinéa 1er, 2° et 3°, de la loi spéciale).
En vertu de sa compétence résiduelle pour ce qui est
de l’agriculture, l’autorité fédérale est dès lors compé-
tente en matière d’aide aux entreprises agricoles.
Il convient par conséquent d’examiner plus avant si
les mesures en projet, notamment celles visées aux
articles 4 (en combinaison avec l’article 3, 1° et 2°), 12,
15, 16 et 19 du projet, peuvent s’inscrire dans le cadre
de la compétence ainsi définie de l’autorité fédérale.
2.1. L’aide visée à l’article 4 du projet est accordée
aux entreprises agricoles, telles qu’elles sont définies à
l’article 2, 2°, du projet, ou à des entreprises qui y sont
assimilées par le Roi, en vertu de la délégation qui lui
est donnée à l’article 3, 1° et 2°, du projet.
2.1.1. En ce qui concerne les « entreprises agrico-
les », définies de façon restrictive à l’article 2, 2°, il ne
peut évidemment pas y avoir de doutes quant à la ques-
tion de savoir si elles peuvent s’inscrire dans le cadre
de la compétence résiduelle de l’autorité fédérale en
matière d’agriculture. Cette compétence s’étend en ef-
fet aux entreprises agricoles en général et pas unique-
ment à celles dont l’activité principale consiste en l’éle-
vage de volaille, porcs ou bovins ou en la production
d’œufs ou de lait.
2.1.2. L’article 3, 1°, du projet concerne les entrepri-
ses dont l’activité principale consiste en la production
d’autres produits d’origine animale (autres que ceux vi-
sés à l’article 2, 2°) inscrits dans la liste figurant à
l’annexe I au Traité CE.
Aux termes de l’article 32 (ex-article 38),
paragraphe 1er, du Traité, il convient d’entendre par pro-
duits agricoles « les produits du sol, de l’élevage et de
la pêcherie, ainsi que les produits de première transfor-
mation qui sont en rapport direct avec ces produits ».
DOC 50 0212/001
29
KAMER
2e ZITTING VAN DE 50e ZITTINGSPERIODE
CHAMBRE 2e SESSION DE LA 50 e LÉGISLATURE
1999
2000
houden ». De voornoemde lijst bevat luidens artikel 32,
lid 3, de producten die vallen onder de bepalingen van
het Verdrag die betrekking hebben op de landbouw.
Volgens de memorie van toelichting bij artikel 3 beo-
gen de stellers van het ontwerp inzonderheid « bepaalde
zuivelproducten in eerste graad van bewerking ». Vol-
gens de toelichting van de gemachtigde van de rege-
ring gaat het om producten waarvan de eerste verwer-
king op het landbouwbedrijf zelf gebeurt.
Men kan er bijgevolg in redelijkheid van uitgaan dat
de ondernemingen bedoeld in artikel 3, 1°, van het ont-
werp behoren tot de landbouwsector in de betekenis
die daaraan bevoegdheidsrechtelijk moet worden ge-
geven.
2.1.3. De gemengde bedrijven, waarvan sprake in
artikel 3, 2°, van het ontwerp, zijn luidens de memorie
van toelichting bedrijven waar de teelt van gewassen
wordt gecombineerd met het fokken van vee.
Ook deze bedrijven moeten derhalve geacht worden
te behoren tot de landbouwsector.
2.2. Artikel 12 van het ontwerp machtigt de Koning
om aan objectief bepaalde categorieën van onderne-
mingen in de landbouwsector en aan rechtstreekse en
onrechtstreekse leveranciers en afnemers van derge-
lijke ondernemingen een « solidariteitsbijdrage » op te
leggen. Die solidariteitsbijdrage moet worden gekwalifi-
ceerd als een belasting. Voor het invoeren van een der-
gelijke belasting is de federale overheid bevoegd op
grond van artikel 170, § 1, van de Grondwet, ook indien
ze zou worden opgelegd aan andere bedrijven dan
landbouwbedrijven in de ruime zin.
2.3. Artikel 15 van het ontwerp strekt ertoe een
staatswaarborg toe te kennen aan de kredieten die ter
uitvoering van het protocol tussen de Staat en de
Belgische Vereniging van Banken zijn toegekend door
bepaalde kredietinstellingen. Overeenkomstig artikel 2
van dat protocol komt die staatswaarborg uitsluitend ten
goede aan landbouwbedrijven als bedoeld in artikel 2,
2°, van het ontwerp. Vanuit het oogpunt van de bevoegd-
heid van de federale overheid doet artikel 15 dus even-
min een probleem rijzen.
2.4. Artikel 16 van het ontwerp voorziet in de moge-
lijkheid voor de Staat om voorschotten of vergoedingen
toe te kennen aan « ondernemingen » waarvan pro-
ducten van dierlijke oorsprong zijn vernietigd, in beslag
genomen of uit de handel genomen ten gevolge van
maatregelen die de Belgische overheid heeft genomen
in het kader van de dioxinecrisis.
De vraag rijst of de stellers van het ontwerp met deze
bepaling ook andere bedrijven dan landbouwbedrijven
in de ruime zin op het oog hebben, en of, in bevesti-
gend geval, de federale overheid bevoegd is om een
dergelijke maatregel te nemen.
Uit de memorie van toelichting en uit de verklaringen
van de gemachtigde van de regering blijkt dat de ont-
La liste précitée comprend, selon l’article 32, paragra-
phe 3, les produits régis par les dispositions du Traité
qui concernent l’agriculture.
Selon le commentaire de l’exposé des motifs relatif à
l’article 3, les auteurs du projet visent notamment « cer-
tains produits laitiers de première transformation ».
D’après les explications du délégué du gouvernement,
il s’agit de produits dont la première transformation in-
tervient dans l’entreprise agricole même.
Par conséquent, il peut être raisonnablement consi-
déré que les entreprises visées à l’article 3, 1°, du pro-
jet relèvent du secteur agricole selon l’acception qui doit
lui être donnée sur le plan de la répartition des compé-
tences.
2.1.3. Les entreprises mixtes, dont il est question à
l’article 3, 2°, du projet, sont, aux termes de l’exposé
des motifs, des entreprises où la culture est associée à
l’élevage.
Ces entreprises doivent dès lors être également ré-
putées relever du secteur agricole.
2.2. L’article 12 du projet habilite le Roi à imposer
une « cotisation de solidarité » à certaines catégories
objectivement définies d’entreprises relevant du secteur
agricole et à des fournisseurs et clients directs et indi-
rects de telles entreprises. Cette cotisation de solidarité
doit être qualifiée d’impôt. L’autorité fédérale est com-
pétente pour instaurer pareil impôt en vertu de l’arti-
cle 170, § 1er, de la Constitution, même s’il était imposé
à des entreprises autres que des entreprises agricoles
au sens large.
2.3. L’article 15 du projet vise à accorder une garan-
tie de l’État aux crédits alloués en exécution du proto-
cole conclu entre l’État belge et l’Association belge des
banques par certains établissements de crédit.
Conformément à l’article 2 de ce protocole, cette ga-
rantie de l’État bénéficie exclusivement aux entreprises
agricoles au sens de l’article 2, 2°, du projet. Considéré
sous l’angle de la compétence de l’autorité fédérale, l’ar-
ticle 15 ne soulève donc pas davantage de problème.
2.4. L’article 16 du projet prévoit la possibilité pour
l’État d’octroyer des avances ou des indemnités à des
« entreprises » dont des produits d’origine animale ont
été détruits, saisis ou retirés du commerce à la suite de
mesures prises par les autorités publiques belges dans
le cadre de la crise de la dioxine.
La question se pose de savoir si, par cette disposi-
tion, les auteurs du projet visent également des entre-
prises autres qu’agricoles au sens large et si, dans l’af-
firmative, l’autorité fédérale est compétente pour pren-
dre pareille mesure.
Il résulte de l’exposé des motifs ainsi que des expli-
cations du délégué du gouvernement que la disposition
30
DOC 50 0212/001
KAMER
2e ZITTING VAN DE 50e ZITTINGSPERIODE
CHAMBRE 2e SESSION DE LA 50 e LÉGISLATURE
1999
2000
worpen bepaling tot doel heeft een afdoende rechtsgrond
te creëren voor een aantal ministeriële besluiten die
werden genomen op grond van artikel 6bis van de wet
van 24 januari 1977 betreffende de bescherming van
de gezondheid van de verbruikers op het stuk van voe-
dingsmiddelen en andere producten. De vergoedingen
zouden ook betrekking hebben op bijvoorbeeld distri-
butiebedrijven waar producten uit de rekken moesten
worden gehaald.
Voor een dergelijke maatregel kan de federale over-
heid zich dan ook bezwaarlijk beroepen op haar
residuaire bevoegdheid inzake landbouw.
In zoverre de voorschotten of vergoedingen waarvan
sprake in artikel 16 evenwel enkel een compensatie zijn
voor financieel verlies geleden ten gevolge van de ver-
nietiging, inbeslagname of het uit de handel nemen van
producten omwille van redenen van volksgezondheid,
kan deze bepaling gegrond worden op de (residuaire)
bevoegdheid van de federale overheid inzake volksge-
zondheid, zoals die kan worden afgeleid uit artikel 5,
§ 1, I, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980.
2.5. Luidens artikel 19 van het ontwerp wordt het
eventuele overschot van de (totale) overheidssteun die
een onderneming als gevolg van de dioxinecrisis heeft
ontvangen ten opzichte van de schade die zij ten ge-
volge daarvan heeft geleden, toegerekend op de ont-
vangen federale steun, in omgekeerde chronologische
volgorde, en moet dit overschot aan het in artikel 9 van
het ontwerp bedoelde fonds worden teruggestort.
Een dergelijke bepaling staat er niet aan in de weg
dat de gewesten, in de uitoefening van hun bevoegd-
heid inzake aanvullende of suppletieve hulp aan
landbouwbedrijven (1), een gelijkaardige verrekenings-
maatregel nemen. In dat geval zal de beoogde maatre-
gel niet werkbaar blijken in de praktijk en aanleiding
kunnen geven tot conflicten tussen de federale over-
heid en de gewesten.
Om dergelijke moeilijkheden te voorkomen, verdient
het dan ook aanbeveling artikel 19 uit het ontwerp weg
te laten en de bedoelde regeling op te nemen in een
samenwerkingsakkoord, als bedoeld in artikel 92bis, § 1,
van de bijzondere wet van 8 augustus 1980. Een der-
gelijk akkoord zal de instemming van de onderscheiden
wetgevende vergaderingen behoeven, gelet op de fi-
nanciële weerslag ervan.
Ten aanzien van de aan de Koning toegekende be-
voegdheden
1. Het ontwerp voorziet in een groot aantal bevoegd-
heidstoewijzingen aan de Koning. Een aantal van deze
machtigingen vallen binnen de normale verordenings-
en projet vise à créer un fondement légal adéquat pour
un certain nombre d’arrêtés ministériels qui ont été pris
en vertu de l’article 6bis de la loi du 24 janvier 1977 re-
lative à la protection de la santé des consommateurs
en ce qui concerne les denrées alimentaires et les autres
produits. Les indemnités concerneraient également, par
exemple, les entreprises du secteur de la distribution
où des produits ont dû être retirés des rayons.
En ce qui concerne pareille mesure, l’autorité fédé-
rale peut dès lors difficilement invoquer sa compétence
résiduelle en matière d’agriculture.
Dans la mesure où les avances ou indemnités, dont il
est question à l’article 16, ne constituent toutefois qu’une
compensation pour une perte financière subie à la suite
de la destruction, de la saisie ou du retrait du commerce
de produits pour des motifs de santé publique, cette dis-
position peut se fonder sur la compétence (résiduelle) de
l’autorité fédérale en matière de santé publique, telle que
cette dernière peut être déduite de l’article 5, § 1er, I, de
la loi spéciale du 8 août 1980.
2.5. Aux termes de l’article 19 du projet, l’excédent
éventuel (du total) des aides publiques qu’une entre-
prise a reçues en raison de la crise de la dioxine par
rapport au dommage qu’elle a subi à cause de celle-ci
est imputé sur les aides fédérales reçues en ordre chro-
nologique inverse et doit être restitué au fonds visé à
l’article 9 du projet.
Pareille disposition n’empêche pas que les régions,
dans l’exercice de leur compétence en matière d’aide
complémentaire ou supplétive à des entreprises agri-
coles (1), prennent une mesure d’imputation analogue.
Dans ce cas, la mesure visée ne sera pas opérationnelle
dans la pratique et pourra donner lieu à des conflits entre
l’autorité fédérale et les régions.
Pour éviter de telles difficultés, il est dès lors recom-
mandé de distraire l’article 19 du projet et d’inscrire cette
règle dans un accord de coopération au sens de
l’article 92bis, § 1er, de la loi spéciale du 8 août 1980.
Un tel accord nécessitera l’assentiment des différentes
assemblées législatives vu son incidence financière.
Quant aux pouvoirs attribués au Roi
1. Le projet prévoit un grand nombre d’attributions
de pouvoir au Roi. Un certain nombre d’entre elles s’ins-
crivent dans le cadre du pouvoir réglementaire normal
————————
(1) In de memorie van toelichting wordt overigens uitdrukkelijk aan-
gekondigd dat ook de gewesten steunmaatregelen binnen hun
bevoegdheidssfeer zullen nemen.
————————
(1) Dans l’exposé des motifs, il est d’ailleurs explicitement annoncé
que les régions prendront également des mesures d’aide dans leur
sphère de compétence.
DOC 50 0212/001
31
KAMER
2e ZITTING VAN DE 50e ZITTINGSPERIODE
CHAMBRE 2e SESSION DE LA 50 e LÉGISLATURE
1999
2000
bevoegdheid van de Koning of zijn ruimer, doch om-
ringd met de traditionele waarborgen die bij zulke mach-
tigingen zijn vereist. Dat is het geval met de delegaties
bedoeld in de artikelen 3, 1° en 2°, 4, tweede lid, 6, § 1,
8, 9, derde lid, 13, 18 en 20.
2. Met betrekking tot een aantal andere bevoegd-
heidsopdrachten welke het ontwerp aan de Koning ver-
leent, dienen evenwel de volgende opmerkingen te
worden gemaakt.
2.1. Luidens artikel 3, 3°, van het ontwerp kan de
Koning de gevallen bepalen waarin verscheidene enti-
teiten of exploitatie-eenheden dienen te worden be-
schouwd als een enkel landbouwbedrijf. Om verenig-
baar te zijn met de beginselen inzake de bevoegdheids-
verdeling tussen de wetgever en de regering, dient die
bepaling zo nauwkeurig mogelijk de grenzen van de
delegatie aan te geven en behoort ze derhalve te wor-
den aangevuld met de criteria waardoor de Koning zich
zal moeten laten leiden bij het vaststellen van de be-
doelde gevallen. In casu worden in de memorie van toe-
lichting bij artikel 3 een aantal concrete criteria aange-
reikt. Die criteria dienen in de tekst zelf van het ontwerp
te worden opgenomen.
2.2. Artikel 4, eerste lid, van het ontwerp machtigt
de Koning om de voorwaarden te bepalen waaronder
de Staat steun kan toekennen aan landbouwbedrijven.
Ook die bepaling is in al te vage en algemene termen
gesteld (1). Bovendien is het niet duidelijk hoe de vast te
stellen voorwaarden zich verhouden tot de in de artike-
len 5 en 7 van het ontwerp opgelegde voorwaarden om
steun te verkrijgen.
Om de reden aangehaald sub 2.1 hiervoren, dient in
de ontworpen bepaling te worden verduidelijkt welke
soort voorwaarden men beoogt door de Koning te laten
opleggen en welke de grenzen zijn waarbinnen de Ko-
ning de hem verleende machtiging vermag uit te oefe-
nen.
2.3. Artikel 5, 4°, van het ontwerp machtigt de Ko-
ning om de voorwaarden te bepalen van economische
zelfstandigheid, waaraan de landbouwbedrijven moe-
ten voldoen om in aanmerking te komen voor de in arti-
kel 4 bedoelde steun. Ook deze delegatie is in te alge-
mene bewoordingen gesteld om bestaanbaar te zijn met
de grondwettelijke regels die de verhouding tussen de
wetgevende en de uitvoerende macht beheersen. De
ontworpen bepaling dient derhalve te worden gepreci-
seerd, mede in het licht van wat hieromtrent in de toe-
lichting is gesteld.
2.4. Artikel 12 van het ontwerp strekt ertoe de Ko-
ning te machtigen om ten bate van het in artikel 9 be-
du Roi ou sont plus étendues, tout en étant entourées
des garanties traditionnelles qui sont requises pour pa-
reilles délégations. Tel est le cas des délégations visées
dans les articles 3, 1° et 2°, 4, alinéa 2, 6, § 1er, 8, 9,
alinéa 3, 13, 18 et 20.
2. Un certain nombre d’autres délégations données
au Roi dans le projet appellent toutefois les observa-
tions suivantes.
2.1. Selon l’article 3, 3°, du projet, le Roi peut définir
les cas dans lesquels plusieurs entités ou unités d’ex-
ploitation doivent être considérées comme une seule
entreprise agricole. Pour se concilier avec les principes
relatifs à la répartition des pouvoirs entre le législateur
et le gouvernement, cette disposition doit indiquer le plus
précisément possible les limites de la délégation et celle-
ci doit dès lors être complétée par les critères qui de-
vront guider le Roi dans la définition des cas visés. En
l’espèce, l’exposé des motifs relatif à l’article 3 énumère
un certain nombre de critères concrets. Ceux-ci doivent
figurer dans le texte même du projet.
2.2. L’article 4, alinéa 1er, du projet habilite le Roi à
fixer les conditions auxquelles l’État peut accorder des
aides à des entreprises agricoles. La formulation de cette
disposition est également trop vague et trop générale (1).
En outre, le texte ne fait pas apparaître clairement com-
ment les conditions à définir s’articulent avec les condi-
tions imposées dans les articles 5 et 7 du projet pour
obtenir des aides.
Pour le motif exposé ci-dessus au 2.1, il y a lieu de
préciser dans la disposition en projet quel est le type de
conditions que le Roi est supposé imposer et quelles
sont les limites dans lesquelles le Roi peut exercer la
délégation qui lui est donnée.
2.3. L’article 5, 4°, du projet confère au Roi le pou-
voir de fixer les conditions d’indépendance économique
que doivent remplir les entreprises agricoles pour être
admises au bénéfice de l’aide visée à l’article 4. Cette
délégation est également formulée en termes trop gé-
néraux pour être compatible avec les règles constitu-
tionnelles qui régissent les rapports entre le pouvoir lé-
gislatif et le pouvoir exécutif. La disposition en projet
doit donc être précisée, notamment à la lumière des
considérations la concernant qui figurent dans l’exposé
des motifs.
2.4. L’article 12 du projet vise à permettre au Roi d’im-
poser une cotisation de solidarité au profit du fonds visé
————————
(1) Ook in de toelichting bij dit artikel wordt geen enkele aanwij-
zing verschaft over de werkelijke draagwijdte van de delegatie aan de
Koning.
————————
(1) Les commentaires relatifs à cet article ne donnent pas davan-
tage d’indication quant à la portée réelle de la délégation au Roi.
32
DOC 50 0212/001
KAMER
2e ZITTING VAN DE 50e ZITTINGSPERIODE
CHAMBRE 2e SESSION DE LA 50 e LÉGISLATURE
1999
2000
doelde fonds een solidariteitsbijdrage op te leggen,
welke kennelijk moet worden aangemerkt als een be-
lasting.
Die bepaling, die ertoe strekt aan de Koning een be-
voegdheid op te dragen die door de Grondwet aan de
wetgever is toevertrouwd, kan in casu in overeenstem-
ming worden geacht met de rechtspraak van het Arbi-
tragehof krachtens welke de federale wetgever de re-
geling van een aangelegenheid die de Grondwet hem
uitdrukkelijk voorbehoudt slechts aan de Koning kan op-
dragen onder de dubbele voorwaarde dat de wetgever
die machtiging uitdrukkelijk en ondubbelzinnig verleent
en dat de met toepassing van de machtiging genomen
besluiten binnen een redelijke termijn ter bekrachtiging
worden voorgelegd aan de wetgever (1). Volgens de
rechtspraak van het Arbitragehof is het niet met het
grondwettelijke beginsel van de gelijkheid en de niet-
discriminatie in overeenstemming te brengen dat met
toepassing van zulk een machtiging genomen beslui-
ten die niet binnen de in de machtigingswet gestelde
termijn zijn bekrachtigd, uitwerking zouden behouden
voor de periode tussen hun inwerkingtreding en de ui-
terste datum waarop zij dienden te worden bekrachtigd,
aangezien de bestemmelingen van die besluiten aldus
op discriminerende wijze zouden kunnen worden ge-
raakt door een maatregel zonder dat die het voorwerp
heeft uitgemaakt van een beslissing genomen door een
democratisch verkozen beraadslagende vergadering (2).
Ook aan dat vereiste is in casu voldaan door de bepa-
ling van artikel 12, derde lid, luidens welke, bij gebreke
van bekrachtiging binnen zes maanden na de datum
van hun inwerkingtreding, de bedoelde besluiten wor-
den geacht nooit uitwerking te hebben gehad.
2.5. Artikel 16 van het ontwerp machtigt de Koning
om voorwaarden te bepalen waaronder de Staat voor-
schotten of vergoedingen kan toekennen aan onderne-
mingen waarvan producten van dierlijke oorsprong zijn
vernietigd, in beslag genomen of uit de handel geno-
men ten gevolge van maatregelen die de Belgische over-
heid heeft genomen in het kader van de dioxinecrisis.
Zoals hiervoren (opmerking 2.4 in verband met de be-
voegdheid van de federale overheid) reeds is opgemerkt,
blijkt uit de memorie van toelichting en uit de verklarin-
gen van de gemachtigde van de regering dat de ont-
worpen bepaling tot doel heeft een afdoende rechtsgrond
te creëren voor een aantal ministeriële besluiten die
werden genomen op grond van artikel 6bis van de wet
van 24 januari 1977 betreffende de bescherming van
à l’article 9, laquelle doit manifestement être tenue pour
un impôt.
Cette disposition, qui vise à conférer au Roi un pou-
voir que la Constitution a confié au législateur peut, en
l’espèce, être jugée conforme à la jurisprudence de la
Cour d’arbitrage, selon laquelle le législateur fédéral ne
peut confier au Roi le soin de régler une matière que la
Constitution lui réserve explicitement qu’à la double
condition que le législateur lui délègue cette compétence
expressément et de manière précise, et que les arrêtés
royaux pris dans le cadre de cette délégation soient
soumis, dans un délai raisonnable, au législateur, en
vue de leur confirmation (1). Selon la jurisprudence de
la Cour d’arbitrage, il n’est pas conciliable avec le prin-
cipe constitutionnel d’égalité et de non-discrimination
que des arrêtés pris en application d’une habilitation de
l’espèce et qui ne sont pas confirmés dans les délais
prévus par la loi de confirmation, continuent de sortir
leurs effets pour la période séparant leur entrée en vi-
gueur de la date ultime à laquelle ils auraient dû être
confirmés, dès lors que les destinataires de ces arrêtés
pourraient ainsi être affectés de manière discriminatoire
par une mesure sans que celle-ci n’ait fait l’objet d’une
décision prise par une assemblée délibérante démo-
cratiquement élue (2). Il est également satisfait à cette
condition, en l’espèce, par l’article 12, alinéa 3, selon
lequel les arrêtés en question sont censés ne jamais
avoir produit d’effets s’ils n’ont pas été confirmés par la
loi dans les six mois de leur date d’entrée en vigueur.
2.5. L’article 16 du projet habilite le Roi à fixer des
conditions dans lesquelles l’État peut accorder des avan-
ces ou indemnités à des entreprises dont les produits
d’origine animale ont été détruits, saisis ou retirés du
commerce à la suite de mesures prises par les autori-
tés publiques belges dans le cadre de la crise de la
dioxine. Comme indiqué plus haut (observation 2.4 re-
lative à la compétence de l’autorité fédérale), il ressort
de l’exposé des motifs et des déclarations du délégué
du gouvernement que la disposition en projet vise à
conférer un fondement légal suffisant à un certain nom-
bre d’arrêtés ministériels pris en vertu de l’article 6bis
de la loi du 24 janvier 1977 relative à la protection de la
santé des consommateurs en ce qui concerne les den-
rées alimentaires et autres produits. Afin de prévenir
————————
(1) Arbitragehof, nr 52/99, 26 mei 1999, overw. B.3.3 en B.3.5;
Arbitragehof, nr 68/99, 17 juni 1999, overw. B.5.3 en B.5.5.
(2) Arbitragehof nr 18/98, 18 februari 1999, overw. B.9.
————————
(1) Cour d’arbitrage, n° 52/99, 26 mai 1999, cons. B.3.3 et B.3.5;
Cour d’arbitrage, n° 68/99, 17 juin 1999, cons. B.5.3 et B.5.5.
(2) Cour d’arbitrage, n° 18/98, 18 février 1998, cons. B.9.
DOC 50 0212/001
33
KAMER
2e ZITTING VAN DE 50e ZITTINGSPERIODE
CHAMBRE 2e SESSION DE LA 50 e LÉGISLATURE
1999
2000
de gezondheid van de verbruikers op het stuk van voe-
dingsmiddelen en andere producten. Om iedere
betwisting te vermijden bij de toetsing van die besluiten
aan de aldus te creëren rechtsgrond, zou de ontworpen
bepaling zodanig moeten worden aangevuld dat ze dui-
delijk is afgestemd op de bedoelde besluiten.
BIJZONDERE OPMERKINGEN
Art. 2
1. Luidens de definitie van « dioxinecrisis » in de be-
paling sub 1° hebben de in het ontwerp beoogde maat-
regelen betrekking op het geheel van de buitengewone
gebeurtenissen gevormd door de infiltratie van door
dioxines verontreinigde grondstoffen in de diervoeder-
keten, « in België vastgesteld in 1999 ». Zoals die be-
paling geformuleerd is, worden alle gebeurtenissen be-
oogd die zich voordoen tot 31 december 1999. Indien
het de bedoeling van de stellers van het ontwerp is om
de bewuste periode nauwkeuriger af te bakenen, dient
dit nader gepreciseerd te worden.
2. Aan het in 3° bedoelde protocol van 25 augustus
1999 wordt middels de bepalingen van het ontwerp,
minstens onrechtstreeks, een normatieve waarde toe-
gekend (1). De tekst van dit protocol heeft niet het voor-
werp uitgemaakt van enige bekendmaking, zodat noch
de wetgever noch de rechtsonderhorigen er kennis kun-
nen van hebben.
Zonder dat daarom beroep moet worden gedaan op
de techniek van de bijlage bij een normatieve tekst, ver-
dient het toch aanbeveling de tekst van het protocol te
voegen bij de documenten die samen met het vooront-
werp van wet bij de Kamer van volksvertegenwoordi-
gers zullen worden ingediend.
Art. 3
Luidens de bepaling sub 2° kan de Koning, tegen de
voorwaarden die hij vaststelt, « gemengde bedrijven »
gelijkstellen met landbouwbedrijven. In de memorie van
toelichting bij die bepaling wordt gepreciseerd dat in-
zonderheid gedacht wordt aan bedrijven waar « teelt van
gewassen in combinatie met het fokken van vee » plaats-
heeft. Die precisering zou beter in de tekst zelf van de
ontworpen bepaling worden opgenomen. Men schrijve
bijvoorbeeld : « bedrijven die de teelt van gewassen
combineren met het fokken van vee, gelijkstellen met
landbouwbedrijven; ».
toute contestation lors du contrôle de ces arrêtés à la
lumière du fondement légal qui leur est ainsi conféré, il
conviendrait de compléter la disposition en projet de
manière à ce qu’elle indique clairement qu’elle concerne
les arrêtés en question.
OBSERVATIONS PARTICULIÈRES
Art. 2
1. Selon la définition de la « crise de la dioxine » fi-
gurant au 1°, les mesures visées par le projet se rap-
portent à l’ensemble des événements extraordinaires
constitués par l’entrée de matières premières contami-
nées par des dioxines dans la chaîne alimentaire ani-
male, « constatée en Belgique en 1999 ». Telle qu’elle
est formulée, cette disposition se rapporte à tous les
événements qui se seront produits jusqu’au 31 décem-
bre 1999. Si l’intention des auteurs du projet est de dé-
limiter plus rigoureusement la période en question, il
convient qu’ils l’indiquent avec plus de précision.
2. Les dispositions du projet confèrent, à tout le moins
indirectement (1), une valeur normative au protocole du
25 août 1999 visé au 3°. Le texte de ce protocole n’a
pas fait l’objet d’une publication, de sorte que ni le légis-
lateur, ni les justiciables ne peuvent en avoir connais-
sance.
Sans qu’il soit pour autant nécessaire de recourir à la
technique consistant à joindre une annexe à un texte
normatif, il est cependant recommandé de joindre le
texte du protocole aux documents qui seront déposés à
la Chambre des représentants en même temps que
l’avant-projet de loi.
Art. 3
Selon la disposition figurant au 2°, le Roi peut assi-
miler des « entreprises mixtes » à des entreprises agri-
coles aux conditions qu’il fixe. L’exposé des motifs pré-
cise que cette disposition concerne notamment les en-
treprises où « élevage » et « culture » sont associés. Il
serait préférable que cette précision figure dans le texte
même de la disposition en projet. On écrira par exem-
ple : « assimiler à des entreprises agricoles des entre-
prises associant la culture et l’élevage; ».
––––––––––––
(1) Zie de artikelen 4, tweede lid, en 15 van het ontwerp.
––––––––––––
(1) Voir les articles 4, alinéa 2, et 15 du projet.
34
DOC 50 0212/001
KAMER
2e ZITTING VAN DE 50e ZITTINGSPERIODE
CHAMBRE 2e SESSION DE LA 50 e LÉGISLATURE
1999
2000
Art. 4
1. Luidens het bepaalde in het eerste lid kan de Staat
steun toekennen aan landbouwbedrijven teneinde alle
of een deel van de schade te dekken die deze bedrijven
hebben geleden ten gevolge van de dioxinecrisis, « in
de mate waarin deze schade niet wordt gedekt door an-
dere federale of gewestelijke overheidssteun ».
Uit de memorie van toelichting (en uit de artikelen 5,
2°, en 17, eerste lid, van het ontwerp) blijkt dat het de
bedoeling is niet alleen rekening te houden met « an-
dere federale of gewestelijke overheidssteun », maar
ook met « vergoedingen uit particuliere bron (verzeke-
ringen, schadevergoeding) ».
Die precisering kan beter ook in de tekst zelf van ar-
tikel 4, eerste lid, worden aangebracht.
2. Luidens het bepaalde in het tweede lid van arti-
kel 4 van het ontwerp kan de bedoelde steun « inzon-
derheid » de vorm aannemen van een interestbonificatie
op de kredieten toegekend met toepassing van het voor-
noemde protocol of van een vergoeding in contanten,
en dit volgens de nadere regels bepaald bij een in de
Ministerraad overlegd koninklijk besluit. De term « in-
zonderheid » wijst erop dat een niet-exhaustieve opsom-
ming van vormen van steun wordt bedoeld.
Uit de toelichting bij het ontworpen artikel 4, tweede
lid, lijkt daarentegen te kunnen worden opgemaakt dat
de regering uitsluitend twee vormen van steun — na-
melijk een vergoeding in contanten of een
interestbonificatie op de kredieten toegekend met toe-
passing van het voornoemde protocol — op het oog
heeft.
Indien de memorie van toelichting correct de bedoe-
ling van de regering weergeeft, dient in artikel 4, tweede
lid, het woord « inzonderheid » te worden geschrapt.
Indien de regering integendeel zou opteren voor een
niet-limitatieve lijst van vormen van steun, dient de in
deze bepaling aan de Koning toegekende bevoegdheid
gepreciseerd te worden, onder meer door het omschrij-
ven van de grenzen waarbinnen hij via de hem verleende
delegatie andere vormen van steun zou kunnen bepa-
len.
Art. 5
1. Luidens het bepaalde sub 2° van dit artikel moet
de steunaanvrager, om te kunnen aantonen dat de steun
de geleden schade niet overtreft, rekening houden « met
alle andere federale en regionale overheidssteun die
het bedrijf reeds heeft bekomen omwille van de
dioxinecrisis, en met de vergoedingen die het heeft ver-
kregen of waarop het recht heeft krachtens verzekerings-
polissen of bij wege van schadevergoeding ingevolge
contractuele of buitencontractuele aansprakelijkheid van
Art. 4
1. Selon l’alinéa 1er, l’État peut accorder des aides à
des entreprises agricoles en vue de couvrir tout ou par-
tie du dommage subi par ces entreprises à cause de la
crise de la dioxine, « dans la mesure où ce dommage
n’est pas couvert par d’autres aides publiques fédéra-
les ou régionales ».
Il ressort de l’exposé des motifs (ainsi que des arti-
cles 5, 2°, et 17, alinéa 1er, du projet) que l’intention n’est
pas seulement de tenir compte « d’autres aides publi-
ques fédérales ou régionales », mais aussi d’« indem-
nités de source privée (assurances, dommages-inté-
rêts) ».
Il serait préférable que cette précision figure dans le
texte même de l’article 4, alinéa 1er.
2. Selon l’alinéa 2 de l’article 4 du projet, les aides
peuvent « notamment » prendre la forme d’une bonifi-
cation en intérêt sur les crédits octroyés en application
du protocole précité ou d’une indemnité en espèces, et
ce selon les modalités définies par un arrêté royal déli-
béré en Conseil des ministres. Le terme « notamment »
suggère que la liste des types d’aide n’est pas exhaus-
tive.
En revanche, il semble pouvoir se déduire du com-
mentaire relatif à l’article 4, alinéa 2, que le gouverne-
ment n’envisage que deux formes d’aide, à savoir une
indemnité en espèces ou une bonification en intérêt sur
les crédits octroyés en application du protocole précité.
Si l’exposé des motifs traduit fidèlement les intentions
du gouvernement, il conviendra de supprimer le mot
« notamment » à l’article 4, alinéa 2.
Si, par contre, le gouvernement préfère adopter une
liste non limitative de formes d’aide, le pouvoir conféré
au Roi par cette disposition doit être précisé, notam-
ment en définissant les limites dans lesquelles il pour-
rait arrêter d’autres formes d’aide en vertu de la déléga-
tion qui lui est conférée.
Art. 5
1. Selon la disposition figurant au 2° de cet article,
l’entreprise qui demande une aide doit, pour établir que
l’aide ne dépasse pas le dommage subi, tenir compte
de « toutes les autres aides publiques fédérales et ré-
gionales qu’elle a déjà obtenues en raison de la crise
de la dioxine et de toutes les indemnités qu’elle a re-
çues ou auxquelles elle a droit en vertu de polices d’as-
surances ou à titre de dommages-intérêts du chef de la
responsabilité contractuelle ou extra-contractuelle de
DOC 50 0212/001
35
KAMER
2e ZITTING VAN DE 50e ZITTINGSPERIODE
CHAMBRE 2e SESSION DE LA 50 e LÉGISLATURE
1999
2000
derden ». De aanvrager zal aan die bepaling slechts kun-
nen voldoen wanneer hij met zekerheid weet hoeveel
die andere overheidssteun en de bedoelde vergoedin-
gen bedragen. Dit heeft voor gevolg dat de in artikel 4
van het ontwerp bedoelde steun, vanuit chronologisch
oogpunt, slechts als laatste kan worden toegekend.
Zeker wanneer betwisting voor de rechter bestaat over
de bedoelde vergoedingen, andere dan die van de over-
heid, kan dit voor gevolg hebben dat het landbouwbedrijf
heel lang op de federale overheidssteun moet wachten.
De vraag rijst of zulks overeenstemt met de bedoe-
ling van de stellers van het ontwerp, mede gelet op de a
posteriori-controle, zoals die is geregeld in de artike-
len 17 tot 19 van het ontwerp.
2. In artikel 5, 3°, wordt als voorwaarde om in aan-
merking te komen voor steun, gesteld dat de aanvrager
geen onregelmatigheden heeft begaan ten aanzien van
de maatregelen welke de overheid in het kader van de
dioxinecrisis heeft genomen.
Daarover ondervraagd, heeft de gemachtigde van de
regering verklaard dat als onregelmatigheden kunnen
worden beschouwd « het onttrekken van dieren of dier-
lijke producten aan bewarend beslag, het verbreken van
het beslag, het geven van verkeerde inlichtingen, het
knoeien met certificaten ».
De draagwijdte van de ontworpen bepaling zou in die
zin moeten worden gepreciseerd. Op zijn minst zouden
in de memorie van toelichting een aantal voorbeelden
van de bedoelde onregelmatigheden moeten worden
opgenomen.
3. Luidens artikel 5, 4°, zullen de steunmaatregelen,
bedoeld in artikel 4 van het ontwerp, enkel ten goede
kunnen komen aan landbouwbedrijven of gelijkgestelde
bedrijven, die onder meer voldoen aan de voorwaarden
van economische zelfstandigheid zoals bepaald bij een
in de Ministerraad overlegd koninklijk besluit.
In de memorie van toelichting bij deze bepaling wordt
in dit verband gesteld dat « het in de landbouwsector
aangewezen (is) om de beperkte middelen bij voorrang
aan te wenden voor steun aan zelfstandige onderne-
mingen » en voorts dat « inderdaad … voor geïnte-
greerde bedrijven de nood aan steun, beoordeeld op
groepsbasis, over het algemeen minder dwingend (is) ».
Het is de vraag of een dergelijk onderscheid in be-
handeling — met name tussen zelfstandige onderne-
mingen en de zogenaamde geïntegreerde bedrijven —
in overeenstemming is met de grondwettelijke regels
van de gelijkheid en de niet-discriminatie. Aangezien de
bedoelde voorwaarden zullen worden vastgesteld in een
uitvoeringsbesluit, kan de Raad van State zich thans
niet uitspreken over die vraag. Hij wijst er evenwel op
dat, om te voldoen aan het grondwettelijk gelijkheids-
beginsel, er in ieder geval een voldoende objectief ver-
tiers ». Les demandeurs ne pourront remplir cette con-
dition que lorsqu’ils sauront avec exactitude à quel mon-
tant s’élèveront les autres aides publiques et les indem-
nités concernées. Il en découle, sur le plan chronologi-
que, que les aides visées à l’article 4 du projet ne pour-
ront être accordées qu’en dernier lieu. Ceci risque d’avoir
comme conséquence, particulièrement si un juge est
saisi d’un litige portant sur les indemnités en question,
que les entreprises agricoles devront attendre très long-
temps l’aide du gouvernement fédéral.
La question est de savoir si telles sont bien les inten-
tions des auteurs du projet, compte tenu notamment du
contrôle a posteriori prévu par les articles 17 à 19 de
celui-ci.
2. À l’article 5, 3°, il est précisé que pour être ad-
mise au bénéfice de l’aide, une entreprise
demanderesse ne peut avoir commis aucune irrégula-
rité au regard des mesures prises par les autorités pu-
bliques dans le cadre de la crise de la dioxine.
Consulté à ce sujet, le délégué du gouvernement a
déclaré que peuvent être considérées comme des
irrégularités : « la soustraction d’animaux ou de produits
d’origine animale à une saisie conservatoire, la rupture
de la saisie, la fourniture de renseignements erronés, la
falsification de certificats ».
Il conviendrait de préciser la portée de la disposition
en projet en ce sens. Il conviendrait à tout le moins que
l’exposé des motifs cite certains exemples des irrégula-
rités en question.
3. Selon l’article 5, 4°, seules seront admises au bé-
néfice d’une aide, visée à l’article 4 du projet, les entre-
prises agricoles et les entreprises assimilées qui rem-
plissent notamment les conditions d’indépendance éco-
nomique définies par arrêté royal délibéré en Conseil
des ministres.
À propos de cette disposition, l’exposé des motifs in-
dique que « dans le secteur agricole, il est indiqué de
concentrer les ressources limitées sur le soutien d’en-
treprises indépendantes » et qu’« en effet, dans le cas
d’entreprises intégrées, les besoins d’aide, jugés pour
le groupe dans son ensemble, seront généralement
moins pressants ».
Se pose la question de savoir si une telle différence
de traitement — c’est-à-dire entre entreprises indépen-
dantes et entreprises dites intégrées — est conforme
aux principes constitutionnels d’égalité et de non-discri-
mination. Dès lors que ces conditions seront fixées par
un arrêté d’exécution, le Conseil d’État ne peut se pro-
noncer sur cette question à l’heure actuelle. Il souligne
toutefois que pour satisfaire au principe constitutionnel
d’égalité, il est nécessaire qu’il y ait un lien objectif suf-
fisant entre les conditions d’indépendance économique
36
DOC 50 0212/001
KAMER
2e ZITTING VAN DE 50e ZITTINGSPERIODE
CHAMBRE 2e SESSION DE LA 50 e LÉGISLATURE
1999
2000
band moet bestaan tussen het bedoelde vereiste van
economische zelfstandigheid en de economische
schade die de ontworpen steunmaatregelen beogen te
lenigen.
Art. 6
1. Luidens het bepaalde in paragraaf 2 van dit arti-
kel kan de schade ten gevolge van de dioxinecrisis
forfaitair worden bepaald op grond van objectieve
indicatoren. Landbouwbedrijven gebonden door contrac-
ten met gegarandeerde afnameprijzen worden uit dit
forfaitaire stelsel uitgesloten.
Die regeling komt erop neer dat bedrijven die met
contractuele afnameprijzen werken en bedrijven die
werken met niet vooraf bepaalde prijzen op een ver-
schillende wijze worden behandeld. Die gedifferen-
tieerde behandeling lijkt echter — in het licht van het
gelijkheidsbeginsel — verantwoord te kunnen worden,
omdat de ontworpen bepaling vooral betrekking blijkt te
hebben op de bewijslast en geen rechtstreekse invloed
lijkt te hebben op de steun die de betrokken bedrijven
van de overheid ontvangen.
2. In de toelichting bij de ontworpen bepaling wordt
uiteengezet dat de bedrijven die met contractuele
afnameprijzen werken steeds hun reële schade dienen
aan te tonen en dat, bovendien, in bepaalde gevallen
slechts steun zal worden toegekend aan deze bedrij-
ven mits « subrogatie van de Staat in de rechten van
het betrokken landbouwbedrijf ten aanzien van diens
co-contractant ».
Die voorwaarde in verband met de (wettelijke)
subrogatie komt niet tot uiting in de tekst van de ontwor-
pen bepaling.
3. Ten slotte rijst de vraag of het de bedoeling van
de stellers van het ontwerp is dat landbouwbedrijven
die met contractuele afnameprijzen werken geen be-
roep kunnen doen op de forfaitaire berekening van de
schade, ook indien een deel van hun omzet zou gerea-
liseerd worden buiten deze contracten met vaste
afnameprijzen.
Het ware meer in overeenstemming met het
gelijkheidsbeginsel dat dergelijke bedrijven voor dat deel
een beroep zouden kunnen doen op de forfaitaire
berekeningswijze.
Art. 7
Luidens dit artikel kan steun met toepassing van arti-
kel 4 van het ontwerp niet worden uitgekeerd, vooral-
eer de begunstigde zonder voorbehoud en onherroe-
pelijk heeft verzaakt aan elk recht en elke vordering te-
gen de Staat in verband met schade geleden ten ge-
en question et le préjudice économique auquel les me-
sures d’aide en projet entendent remédier.
Art. 6
1. Selon le paragraphe 2 de cet article, le dommage
subi à cause de la crise de la dioxine peut être déter-
miné sur une base forfaitaire à partir d’indicateurs ob-
jectifs. Les entreprises agricoles liées par des contrats
comportant des prix d’achat garantis sont exclues de
ce régime forfaitaire.
Cette règle signifie que les entreprises qui pratiquent
des prix d’achat contractuels et celles qui ne pratiquent
pas des prix préalablement établis sont traitées
différemment. Cependant, ce traitement différencié sem-
ble pouvoir se justifier — au regard du principe d’éga-
lité — en ce que la disposition en projet semble sur-
tout se rapporter à la charge de la preuve et ne pas
avoir de répercussion directe sur les aides que rece-
vront les entreprises concernées des autorités.
2. L’exposé des motifs précise, au sujet de cette dis-
position, que les entreprises qui pratiquent des prix
d’achat garantis seront toujours tenues de prouver leur
dommage réel et, en outre, que dans certains cas, il ne
sera envisagé d’octroyer des aides à ces entreprises
que moyennant « subrogation de l’État dans les droits
de l’entreprise agricole concernée à l’égard de son co-
contractant ».
Cette condition, relative à la subrogation (légale),
n’apparaît pas dans le texte de la disposition en projet.
3. Se pose enfin la question de savoir si l’intention
des auteurs du projet est d’interdire aux entreprises
agricoles qui pratiquent des prix d’achat contractuels
d’avoir recours au calcul forfaitaire des dommages qu’el-
les ont subis, même si elles réalisent une partie de leur
chiffre d’affaires en dehors de ces contrats stipulant des
prix d’achat fixes.
Il serait plus conforme au principe d’égalité que ces
entreprises puissent avoir recours au mode de calcul
forfaitaire pour cette partie de leur chiffre d’affaires.
Art. 7
Cet article prévoit qu’il ne peut être procédé au ver-
sement d’une aide en application de l’article 4 du projet
avant que le bénéficiaire n’ait renoncé, sans réserve et
de manière irrévocable, à tout droit et toute action con-
tre l’État en raison de dommages subis à cause de la
DOC 50 0212/001
37
KAMER
2e ZITTING VAN DE 50e ZITTINGSPERIODE
CHAMBRE 2e SESSION DE LA 50 e LÉGISLATURE
1999
2000
volge van de dioxinecrisis, noch vooraleer hij afstand
heeft gedaan van eventuele hangende vorderingen tot
schadevergoeding.
Zoals de afdeling wetgeving van de Raad van State
al heeft opgemerkt (1), geldt in een rechtsstaat het alge-
meen rechtsbeginsel dat burgerlijke geschillen voor een
rechter gebracht moeten kunnen worden. Dit grondrecht
van toegang tot een rechter wordt trouwens, in verband
met geschillen over burgerlijke rechten en verplichtin-
gen, gewaarborgd bij artikel 6, lid 1, van het Europees
Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens
en de fundamentele vrijheden (EVRM) (2). Enerzijds mag
dit recht niet louter theoretisch of illusoir zijn; het dient
integendeel concreet en effectief te zijn (3). Anderzijds
is het recht van toegang tot de rechter niet absoluut.
Maar opdat een beperking aan dit grondrecht geoor-
loofd zou zijn, onder meer in het licht van artikel 6, lid 1,
van het EVRM, is ten minste vereist dat de beperking
een wettig doel nastreeft en dat er een redelijk
evenredigheidsverband bestaat tussen de gebruikte
middelen en het beoogde doel (4).
Volgens de gemachtigde van de regering wordt voor-
zien in de verplichting om de bedoelde vorderingen te
verzaken « in het belang van de schatkist, enerzijds, en
in het belang van een doelmatig bestuur, anderzijds ».
Bovendien moet de ontworpen bepaling allicht geacht
worden zich mede in te schrijven in de algemene filoso-
fie die aan het voorontwerp van wet ten grondslag ligt,
met name « de afwezigheid van een (…) overcompen-
satie », die « een belangrijke voorwaarde vormt voor de
goedkeuring van steun door de Europese Commissie »
(memorie van toelichting, inleiding, in fine). Op zich lijkt
dit te kunnen worden aangemerkt als een wettig doel.
De gebruikte middelen moeten evenwel nog in een
redelijk evenredigheidsverband staan tot het beoogde
doel.
In dat verband moet vooreerst worden opgemerkt dat
artikel 4 van het ontwerp geen garantie biedt dat de in
die bepaling bedoelde staatssteun het geheel van de
schade zal dekken welke de betrokkene heeft geleden :
het eerste lid van dat artikel bepaalt integendeel uitdruk-
kelijk dat steun kan worden toegekend teneinde alle of
« een deel » van de schade te dekken.
Vervolgens — en aansluitend bij de vorige opmer-
king — moet erop worden gewezen dat de ontworpen
crise de la dioxine, ni avant qu’il n’ait notifié le désiste-
ment de toute action en réparation éventuellement en
cours.
Comme la section de législation du Conseil d’État l’a
déjà indiqué (1), dans un État de droit, les contestations
civiles, selon un principe général du droit, doivent pou-
voir être portées devant un juge. En ce qui concerne les
contestations relatives à des droits et obligations de
caractère civil, ce droit fondamental d’accès au juge est
d’ailleurs garanti par l’article 6, paragraphe 1er, de la Con-
vention européenne de sauvegarde des droits de
l’homme et des libertés fondamentales (CEDH) (2).
D’une part, ce droit ne peut être purement théorique ou
illusoire; il doit au contraire être concret et effectif (3).
D’autre part, le droit d’accès au juge n’est pas absolu.
Pour qu’une limitation du droit fondamental précité soit
toutefois licite, notamment à la lumière de l’article 6,
paragraphe 1er, de la CEDH, il est à tout le moins requis
que la limitation tende à un but légitime et qu’il existe un
rapport raisonnable de proportionnalité entre les moyens
employés et le but visé (4).
Selon le délégué du gouvernement, l’obligation de
désistement en cause est prévue « dans l’intérêt du tré-
sor, d’une part, et d’une administration efficace, d’autre
part ». En outre, il convient sans doute de considérer
que la disposition en projet s’inscrit notamment dans la
philosophie générale de l’avant-projet de loi, à savoir
« l’absence d’une (…) surcompensation », laquelle
« constitue une condition importante à l’autorisation des
aides par la Commission européenne » (exposé des
motifs, introduction, in fine). Cela paraît, en soi, pouvoir
constituer un but légitime.
Les moyens employés doivent toutefois encore pré-
senter un rapport raisonnable de proportionnalité avec
le but visé.
À cet égard, il convient tout d’abord de souligner que
l’article 4 du projet ne garantit nullement que les aides
de l’État, visées dans cette disposition, couvriront tous
les dommages subis par les intéressés : l’alinéa 1er de
cet article dispose, au contraire, de manière explicite
que des aides peuvent être accordées en vue de cou-
vrir tout « ou partie » du dommage subi.
De plus — et pour faire suite à l’observation précé-
dente —, il convient de souligner que la réglementa-
––––––––––––
(1) Zie het advies van 10 en 13 oktober 1994, Parl. St., Senaat,
1994-1995, nr1218/1, blz. 234-235.
(2) Zie, voor de erkenning van het beginsel, EHRM, 21 februari
1975, Golder, Publ. Cour, reeks A, vol. 18, blz. 12-18, §§ 26-36.
(3) EHRM, 9 oktober 1979, Airey, o.c., vol. 32, blz. 12, § 24.
(4) EHRM, 28 mei 1985, Ashingdane, o.c., vol. 93, blz. 24-25, § 57;
EHRM, 8 juli 1986, Lithgow, o.c., vol. 102, blz. 71, § 194; EHRM,
21 september 1994, Fayed, o.c., vol. 294-B, § 65.
––––––––––––
(1) Voir l’avis des 10 et 13 octobre 1994, Doc. parl., Sénat, 1994-1995,
n° 1218/1, pp. 234-235.
(2) Voir, pour la reconnaissance du principe, Cour européenne DH,
21 février 1975, Golder, Publ. Cour, série A, vol. 18, pp. 12-18, §§ 26-
36.
(3) Cour européenne DH, 9 octobre 1979, Airey, o.c., vol. 32, p. 12,
§ 24.
(4) Cour européenne DH, 28 mai 1985, Ashingdane, o.c., vol. 93,
pp. 24-25, § 57; Cour européenne DH, 8 juillet 1986, Lithgow, o.c.,
vol. 102, p. 71, § 194; Cour européenne DH, 21 septembre 1994,
Fayed, o.c., vol. 294-B, § 65.
38
DOC 50 0212/001
KAMER
2e ZITTING VAN DE 50e ZITTINGSPERIODE
CHAMBRE 2e SESSION DE LA 50 e LÉGISLATURE
1999
2000
regeling evenmin garandeert dat de steunaanvrager, op
het ogenblik waarop hij zijn keuze moet maken tussen
het aanvaarden van de staatssteun of het uitoefenen
van zijn vorderingen tot schadevergoeding op de Staat,
een volledig inzicht heeft in wat hem als steun zal wor-
den verleend (1). Bij gebreke van dergelijk inzicht, kan
de keuze niet als geheel vrijwillig én ondubbelzinnig
worden beschouwd, welke vrijwilligheid en ondubbel-
zinnigheid twee minimale voorwaarden zijn opdat de
« afstand » van het recht op een eerlijk proces, waartoe
het recht van toegang tot de rechter behoort, aanvaard-
baar zou zijn (2).
Gelet op die gegevens dient ernstig voorbehoud te
worden gemaakt over de vraag of de ontworpen rege-
ling niet op onevenredige wijze het recht van toegang
tot de rechter beperkt. Binnen de korte termijn welke
hem voor het geven van zijn advies is toegemeten en
bij ontstentenis van een voldoende inzicht in al de mo-
gelijke situaties waarop de ontworpen regeling van toe-
passing zou kunnen zijn, is het de Raad van State niet
mogelijk op dit punt nader in te gaan.
Art. 12
Deze bepaling machtigt de Koning een verplichte
solidariteitsbijdrage op te leggen aan objectief bepaalde
categorieën van ondernemingen in de landbouwsector
en rechtstreekse en onrechtstreekse leveranciers en
afnemers van deze ondernemingen.
Of de aldus ontworpen regeling in al haar aspecten
verzoenbaar is met het gelijkheidsbeginsel, zal slechts
kunnen worden uitgemaakt op het ogenblik dat de Ko-
ning van de hem verleende machtiging gebruikmaakt.
Nochtans verdient het aanbeveling, reeds nu, ten
behoeve van de Wetgevende Kamers, in de memorie
van toelichting de nodige feitelijke gegevens aan te rei-
ken ter verantwoording van de beleidskeuze om de
landbouwsector in de ruime zin aan een solidariteits-
bijdrage te onderwerpen. De ontworpen maatregel sluit
immers niet uit dat landbouwbedrijven die zich niet inla-
tion en projet ne garantit pas non plus que l’entreprise
demanderesse aura pleinement connaissance des aides
qui lui seront allouées lorsqu’elle devra choisir entre l’op-
tion consistant à accepter les aides de l’État et celle
consistant à exercer ses actions en réparation contre
l’État (1). En l’absence de ces informations, le choix ne
peut être considéré comme tout à fait libre et non équi-
voque, alors que ces deux caractères constituent des
conditions minimales à satisfaire pour que la
renonciation à un procès équitable, dont relève le droit
d’accès au juge, soit tolérable (2).
Eu égard à ces considérations, il convient d’émettre
de sérieuses réserves quant à la question de savoir si
la réglementation en projet ne limite pas le droit d’accès
au juge de manière disproportionnée. Vu la brièveté du
délai qui lui est imparti pour rendre son avis et à défaut
d’une connaissance suffisante de toutes les situations
auxquelles la réglementation en projet pourrait s’appli-
quer, le Conseil d’État n’est pas en mesure d’approfon-
dir ce point.
Art. 12
Cette disposition permet au Roi d’imposer une coti-
sation de solidarité obligatoire à des catégories
objectivement définies d’entreprises du secteur agricole
et à des fournisseurs et clients directs et indirects de
ces entreprises.
Il ne sera possible de déterminer si la réglementation
ainsi projetée se conciliera, sous tous ses aspects, avec
le principe d’égalité que dès que le Roi fera usage de
l’autorisation qui lui est conférée.
Toutefois, il est d’ores et déjà recommandé d’inclure
dans l’exposé des motifs, à l’intention des Chambres
législatives, les éléments de faits qui justifient l’option
politique de soumettre le secteur agricole, au sens large,
à une cotisation de solidarité. En effet, la mesure en
projet n’exclut pas que les entreprises agricoles qui ne
pratiquent pas l’élevage, et qui ne portent donc aucune
––––––––––––
(1) Het ontwerp bepaalt niet op welk ogenblik de betrokkene die
keuze moet maken. Uit de bepaling van artikel 7 luidens welke de
steun niet kan worden « uitgekeerd » vooraleer de betrokkene heeft
verzaakt aan elke vordering, lijkt wel te kunnen worden opgemaakt
dat die verzaking niet op het ogenblik van de aanvraag van staats-
steun moet gebeuren.
(2) Zie onder meer, J.-C. Soyer en M. de Salvia, « Article 6 », in
L.-E. Pettiti, E. Decaux en P.-H. Imbert (eds.), La Convention
européenne des droits de l’homme. Commentaire article par article,
Parijs, Economica, 1995, blz. 243-244.
––––––––––––
(1) Le projet ne précise pas à quel moment l’intéressé doit faire
son choix. Il semble, en revanche, pouvoir se déduire de l’article 7,
selon lequel il ne peut être procédé au « versement » d’aucune aide
avant que le bénéficiaire n’ait renoncé à toute action, que cette
renonciation ne doit pas avoir lieu au moment de la demande de l’aide
de l’État.
(2) Voir notamment J.-C. Soyer et M. de Salvia, « Article 6 » in L.-E. Pettiti,
E. Decaux et P.-H. Imbert (eds), La Convention européenne des droits de
l’homme. Commentaire article par article, Paris, Economica, 1995, pp. 243-
244.
DOC 50 0212/001
39
KAMER
2e ZITTING VAN DE 50e ZITTINGSPERIODE
CHAMBRE 2e SESSION DE LA 50 e LÉGISLATURE
1999
2000
ten met veeteelt, en derhalve geen verantwoordelijkheid
dragen in de dioxinecrisis, ook onderworpen worden aan
de verplichte solidariteitsbijdrage (1).
Art. 13
In het tweede lid van dit artikel wordt bepaald dat de
uitvoering van de « betalingen van het Fonds » kan wor-
den opgedragen aan een gespecialiseerde instelling.
In de memorie van toelichting bij artikel 9 van het
ontwerp wordt gesteld dat, naar de bedoeling van de
regering, de in artikel 4 bedoelde steunmaatregelen
zouden worden gefinancierd uit twee bronnen, name-
lijk, enerzijds, uit een eenmalig begrotingskrediet dat bij
een afzonderlijk wetsontwerp in de algemene uitgaven-
begroting van het begrotingsjaar 1999 zou worden in-
geschreven en, anderzijds, wat het saldo betreft, uit
bepaalde « bestemde ontvangsten » die zouden wor-
den toegewezen aan het bij artikel 9 van het ontwerp
opgerichte « Fonds voor de schadeloosstelling van
landbouwbedrijven getroffen door de dioxinecrisis ». Uit
die toelichting bij artikel 9 blijkt duidelijk dat alleen de
uitvoering van de betalingen op het voornoemde een-
malig begrotingskrediet zal worden opgedragen aan een
gespecialiseerde instelling, en niet de uitvoering van de
betalingen ten laste van het voornoemde fonds.
Indien de toelichting correct de bedoeling van de re-
gering weergeeft, dient artikel 13, tweede lid, uit het
ontwerp te worden weggelaten.
responsabilité dans la crise de la dioxine, soient égale-
ment soumises à une cotisation de solidarité obliga-
toire (1).
Art. 13
À l’alinéa 2 de cet article, il est précisé que l’exécu-
tion des « paiements du Fonds » peut être confiée à
une institution spécialisée.
On lit dans l’exposé des motifs, au sujet de l’article 9
du projet, que le gouvernement propose que les aides
visées à l’article 4 soient financées par une double voie,
à savoir un crédit budgétaire unique inscrit dans le bud-
get général des dépenses de l’année budgétaire 1999
dans le cadre d’un projet de loi séparé et, pour le sur-
plus, par certaines « recettes affectées » qui seraient
versées au « Fonds d’indemnisation d’entreprises agri-
coles touchées par la crise de la dioxine », institué par
l’article 9 du projet. Il ressort clairement de ce commen-
taire de l’article 9, que seule l’exécution des paiements
relatifs au crédit budgétaire unique précité sera confiée
à une institution spécialisée, et pas l’exécution des paie-
ments à charge du fonds précité.
Si l’exposé des motifs reflète fidèlement les intentions
du gouvernement, il convient d’omettre l’article 13, ali-
néa 2, du projet.
––––––––––––
(1) Vergelijk met Arbitragehof, nr 70/96, 11 december 1996, waarin
wordt geoordeeld dat het gelijkheidsbeginsel zich ertegen verzet dat
de wetgever, om misbruiken door bepaalde vennootschappen te voor-
komen, andere vennootschappen zou treffen waartegen men een
dergelijk verwijt niet kan maken.
––––––––––––
(1) Voir Cour d’arbitrage, n° 70/96, 11 décembre 1996, qui estime
que le principe d’égalité s’oppose à ce que le législateur, en voulant
éviter les abus de certaines sociétés, n’atteigne d’autres sociétés
auxquelles un reproche similaire ne peut être fait.
40
DOC 50 0212/001
KAMER
2e ZITTING VAN DE 50e ZITTINGSPERIODE
CHAMBRE 2e SESSION DE LA 50 e LÉGISLATURE
1999
2000
La chambre était composée de
MM. :
W. DEROOVER, président de chambre;
D. ALBRECHT,
J. SMETS, conseillers d'État;
A. ALEN,
H. COUSY, assesseurs de la section de législation;
Mme :
F. LIEVENS, greffier.
La concordance entre la version française et la ver-
sion néerlandaise a été vérifiée sous le contrôle de
M. W. DEROOVER.
Les rapports ont été présentés par Mme
R. THIELEMANS, auditeur, et M. J. VAN NIEUWEN-
HOVE, auditeur adjoint. La note du Bureau de Coordina-
tion a été rédigée et exposée par Mme P. DE SOMERE,
référendaire adjoint.
Le Greffier,
Le Président,
F. LIEVENS
W. DEROOVER
De kamer was samengesteld uit
HH. :
W. DEROOVER, kamervoorzitter;
D. ALBRECHT,
J. SMETS, staatsraden;
A. ALEN,
H. COUSY, assessoren van de afdeling wetgeving;
Mevr. :
F. LIEVENS, griffier.
De overeenstemming tussen de Nederlandse en de
Franse tekst werd nagezien onder toezicht van de heer
W. DEROOVER.
De verslagen werden uitgebracht door mevrouw
R. THIELEMANS, auditeur, en door de heer J. VAN
NIEUWENHOVE, adjunct-auditeur. De nota van het
Coördinatiebureau werd opgesteld door mevrouw
P. DE SOMERE, adjunct-referendaris.
De Griffier,
De Voorzitter,
F. LIEVENS
W. DEROOVER
DOC 50 0212/001
41
KAMER
2e ZITTING VAN DE 50e ZITTINGSPERIODE
CHAMBRE 2e SESSION DE LA 50 e LÉGISLATURE
1999
2000
WETSONTWERP
_____
ALBERT II, KONING DER BELGEN
Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen,
ONZE GROET.
Op de voordracht van Onze eerste minister, Onze
vice-eerste minister en minister van Begroting, Maat-
schappelijke Integratie en Sociale Economie, Onze mi-
nister van Consumentenzaken, Volksgezondheid en
Leefmilieu, Onze minister van Landbouw en Midden-
stand, Onze minister van Financiën, Onze minister van
Economie en Wetenschappelijk Onderzoek en de staats-
secretaris voor Buitenlandse Handel, toegevoegd aan
Onze minister van Buitenlandse Zaken,
HEBBEN WIJ BESLOTEN EN BESLUITEN WIJ :
Onze eerste minister, Onze vice-eerste minister en
minister van Begroting, Maatschappelijke Integratie en
Sociale Economie, Onze minister van Consumenten-
zaken, Volksgezondheid en Leefmilieu, Onze minister
van Landbouw en Middenstand, Onze minister van Fi-
nanciën, Onze minister van Economie en Wetenschap-
pelijk Onderzoek en de staatssecretaris voor Buiten-
landse Handel, toegevoegd aan onze minister van Bui-
tenlandse Zaken, zijn gelast het ontwerp van wet, waar-
van de tekst hierna volgt, in Onze naam aan de Wet-
gevende kamers voor te leggen en bij de Kamer van
volksvertegenwoordigers in te dienen :
HOOFDSTUK 1
Algemeen
Artikel 1
Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in
artikel 78 van de Grondwet.
Art. 2
Voor de toepassing van deze wet moet worden ver-
staan onder :
1° « dioxinecrisis » : het geheel van buitengewone
gebeurtenissen gevormd door de infiltratie van door
dioxines verontreinigde grondstoffen in de diervoeder-
keten, in België vastgesteld in 1999, door de
maatregelen die de overheid ingevolge deze vaststel-
PROJET DE LOI
_____
ALBERT II, ROI DES BELGES
À tous, présents et à venir,
SALUT.
Sur la proposition de Notre premier ministre, de No-
tre vice-premier ministre et ministre du Budget, de
l’Intégration sociale et de l’Économie sociale, de Notre
ministre de la Protection de la Consommation, de la
Santé publique et de l’Environnement, de Notre minis-
tre de l’Agriculture et des Classes moyennes, de Notre
ministre des Finances, de Notre ministre de l’Économie
et de la Recherche scientifique et du Secrétaire d’État
au Commerce extérieur, adjoint à Notre ministre des
Affaires étrangères,
NOUS AVONS ARRÊTÉ ET ARRÊTONS :
Notre premier ministre, Notre vice-premier ministre
et ministre du Budget, de l’Intégration sociale et de l’Éco-
nomie sociale, Notre ministre de la Protection de la
Consommation, de la Santé publique et de l’Environne-
ment, Notre ministre de l’Agriculture et des Classes
moyennes, Notre ministre des Finances, Notre ministre
de l’Économie et de la Recherche scientifique et le se-
crétaire d’État au Commerce extérieur, adjoint à Notre
ministre des Affaires étrangères, sont chargés de pré-
senter, en Notre nom, aux Chambres législatives et de
déposer à la Chambre des représentants, le projet de
loi dont la teneur suit :
CHAPITRE PREMIER
Généralités
Article 1er
La présente loi règle une matière visée à l’article 78
de la Constitution.
Art. 2
Pour l’application de la présente loi, il y a lieu d’en-
tendre par :
1° « crise de la dioxine » : l’ensemble des événe-
ments extraordinaires constitués par l’entrée de
matières premières contaminées par des dioxines dans
la chaîne alimentaire animale, constatée en Belgique
en 1999, par les mesures prises par les autorités publi-
42
DOC 50 0212/001
KAMER
2e ZITTING VAN DE 50e ZITTINGSPERIODE
CHAMBRE 2e SESSION DE LA 50 e LÉGISLATURE
1999
2000
ling heeft genomen om te beletten dat potentieel
gecontamineerde, voor menselijke consumptie of
vervoedering bestemde producten van dierlijke oor-
sprong in de handel komen of blijven of om in het be-
lang van de volksgezondheid of het dierenwelzijn te
zorgen voor de vernietiging van dieren of producten die
werden geblokkeerd, en door de verstoring van de rele-
vante markten ingevolge deze verontreiniging of deze
maatregelen;
2° « landbouwbedrijf » : elke onderneming waarvan
de hoofdactiviteit bestaat in de teelt van pluimvee, var-
kens of runderen of de productie van eieren of melk;
3° « Protocol » : het protocol gesloten op 25 augustus
1999 tussen de Staat en de Belgische Vereniging van
Banken betreffende de toekenning van overbruggings-
kredieten aan landbouwbedrijven getroffen door de
dioxinecrisis;
4° « Verdrag » : het Verdrag tot oprichting van de
Europese Gemeenschap;
5° « Commissie » : de Commissie van de Europese
Gemeenschappen;
6° « Fonds » : het Fonds voor de schadeloosstelling
van landbouwbedrijven getroffen door de dioxinecrisis,
opgericht door artikel 9.
Art. 3
Voor de toepassing van deze wet kan de Koning, te-
gen de voorwaarden die Hij vaststelt :
1° ondernemingen waarvan de hoofdactiviteit bestaat
in de productie van andere producten van dierlijke oor-
sprong die voorkomen in de lijst opgenomen als Bijlage I
bij het Verdrag, gelijkstellen met landbouwbedrijven;
2° ondernemingen die akker- of tuinbouw combine-
ren met één of meerdere activiteiten bedoeld in artikel 2,
2°, gelijkstellen met landbouwbedrijven;
3° de gevallen bepalen waarin, omwille van bindin-
gen op functioneel, financieel of beheersvlak, meerdere
entiteiten of exploitatie-eenheden dienen te worden be-
schouwd als één enkel landbouwbedrijf.
HOOFDSTUK 2
Schadeloosstelling van landbouwbedrijven
getroffen door de dioxinecrisis
Art. 4
Binnen de grenzen toegestaan door de Commissie
krachtens artikel 87 van het Verdrag en tegen de voor-
waarden bepaald bij een in Ministerraad overlegd ko-
ques suite à cette constatation en vue d’empêcher la
commercialisation de produits d’origine animale
potentiellement contaminés destinés à la consomma-
tion humaine ou animale ou en vue d’assurer l’élimina-
tion d’animaux ou de produits ayant fait l’objet de me-
sures de blocage dans l’intérêt de la santé publique ou
du bien-être animal, et par la perturbation des marchés
concernés en raison de cette contamination ou de ces
mesures;
2° « entreprise agricole » : toute entreprise dont l’ac-
tivité principale consiste en l’élevage de volaille, porcs
ou bovins ou en la production d’œufs ou de lait;
3° « Protocole » : le protocole conclu le 25 août 1999
entre l’État et l’Association belge des Banques relatif
l’octroi de crédits de soudure à des entreprises agrico-
les touchées par la crise de la dioxine;
4° « Traité » : le Traité instituant la Communauté
européenne;
5° « Commission » : la Commission des Commu-
nautés européennes;
6° « Fonds » : le Fonds d’indemnisation d’entrepri-
ses agricoles touchées par la crise de la dioxine, insti-
tué par l’article 9.
Art. 3
Pour l’application de la présente loi, le Roi peut, aux
conditions qu’Il fixe :
1° assimiler à des entreprises agricoles des entre-
prises dont l’activité principale consiste en la produc-
tion d’autres produits d’origine animale repris sur la liste
figurant à l’Annexe I au Traité;
2° assimiler à des entreprises agricoles des entre-
prises qui combinent la culture de céréales ou l’horticul-
ture avec une ou plusieurs activités visées à l’article 2,
2°;
3° définir les cas dans lesquels, en raison de liens
fonctionnels ou financiers ou de liens sur le plan de la
gestion, plusieurs entités ou unités d’exploitation doi-
vent être considérées comme une seule entreprise agri-
cole.
CHAPITRE 2
Indemnisation d’entreprises agricoles touchées
par la crise de la dioxine
Art. 4
Dans les limites autorisées par la Commission en
vertu de l’article 87 du Traité et aux conditions définies
par un arrêté royal délibéré en Conseil des ministres,
DOC 50 0212/001
43
KAMER
2e ZITTING VAN DE 50e ZITTINGSPERIODE
CHAMBRE 2e SESSION DE LA 50 e LÉGISLATURE
1999
2000
ninklijk besluit, kan de Staat steun toekennen aan
landbouwbedrijven teneinde alle of een deel van de
schade te dekken die deze bedrijven hebben geleden
ten gevolge van de dioxinecrisis, in de mate waarin deze
schade niet wordt gedekt door andere federale of ge-
westelijke overheidssteun.
De in lid 1 bedoelde steun kan inzonderheid de vorm
aannemen van een interestbonificatie op de kredieten
toegekend met toepassing van het Protocol of van een
vergoeding in contanten, volgens de nadere regels be-
paald bij een in Ministerraad overlegd koninklijk besluit.
Art. 5
Een landbouwbedrijf komt enkel in aanmerking voor
steun met toepassing van artikel 4 voorzover het :
1° het bewijs levert van de geleden schade en van
een rechtstreeks oorzakelijk verband tussen deze
schade en de dioxinecrisis;
2° aantoont dat de gevraagde steun in subsidie-equi-
valent de geleden schade niet overtreft, rekening hou-
dend, in voorkomend geval, met alle andere federale
en regionale overheidssteun die het bedrijf reeds heeft
bekomen omwille van de dioxinecrisis, en met de ver-
goedingen die het heeft verkregen of waarop het recht
heeft krachtens verzekeringspolissen of bij wege van
schadevergoeding ingevolge contractuele of buiten-
contractuele aansprakelijkheid van derden;
3° geen onregelmatigheden heeft begaan ten aan-
zien van de maatregelen genomen door de overheid in
het kader van de dioxinecrisis;
4° de voorwaarden van economische zelfstandigheid
ten aanzien van afnemers van vee en leveranciers ver-
vult zoals bepaald bij een in Ministerraad overlegd ko-
ninklijk besluit.
Art. 6
§ 1. Bij een in Ministerraad overlegd besluit bepaalt
de Koning :
1° de procedure voor de aanvraag van steun bedoeld
in artikel 4 en voor het onderzoek van de betreffende
aanvragen;
2° de nadere regels volgens welke de landbouw-
bedrijven de elementen aangegeven in artikel 5, 1° en
2°, moeten aantonen;
3° de nadere regels voor de berekening van het sub-
sidie-equivalent van de verschillende vormen van
overheidssteun toegekend omwille van de dioxinecrisis
en van de schade die de landbouwbedrijven tengevolge
daarvan hebben geleden.
§ 2. De schade geleden tengevolge van de
dioxinecrisis kan forfaitair worden bepaald op grond van
l’État peut accorder des aides à des entreprises agrico-
les en vue de couvrir tout ou partie du dommage subi
par ces entreprises à cause de la crise de la dioxine,
dans la mesure où ce dommage n’est pas couvert par
d’autres aides publiques fédérales ou régionales.
Les aides visées à l’alinéa 1er peuvent notamment
prendre la forme d’une bonification en intérêt sur les
crédits octroyés en application du Protocole ou d’une
indemnité en espèces, selon les modalités définies par
un arrêté royal délibéré en Conseil des ministres.
Art. 5
Une entreprise agricole est éligible au bénéfice d’une
aide en application de l’article 4 pour autant qu’elle :
1° fournisse la preuve du dommage subi et d’un lien
de causalité direct entre ce dommage et la crise de la
dioxine;
2° établisse que l’aide demandée ne dépasse pas
en équivalent-subvention le dommage subi, compte
tenu, le cas échéant, de toutes les autres aides publi-
ques fédérales et régionales que l’entreprise a déjà ob-
tenues en raison de la crise de la dioxine et de toutes
les indemnités qu’elle a reçues ou auxquelles elle a droit
en vertu de polices d’assurances ou à titre de domma-
ges-intérêts du chef de la responsabilité contractuelle
ou extra-contractuelle de tiers;
3° n’ait pas commis d’irrégularités au regard des me-
sures prises par les autorités publiques dans le cadre
de la crise de la dioxine;
4° remplisse les conditions d’indépendance écono-
mique à l’égard des preneurs de bétail et des fournis-
seurs, telles que définies par arrêté royal délibéré en
Conseil des ministres.
Art. 6
§ 1er. Par arrêté délibéré en Conseil des ministres,
le Roi définit :
1° la procédure applicable aux demandes d’aides vi-
sées à l’article 4 et à l’examen de ces demandes;
2° les modalités selon lesquelles les entreprises agri-
coles doivent établir les éléments visés à l’article 5, 1°
et 2°;
3° les modalités de calcul de l’équivalent-subvention
des différentes formes d’aides publiques octroyées en
raison de la crise de la dioxine et du dommage subi par
les entreprises agricoles à cause de celle-ci.
§ 2. Le dommage subi à cause de la crise de la
dioxine peut être déterminé sur une base forfaitaire à
44
DOC 50 0212/001
KAMER
2e ZITTING VAN DE 50e ZITTINGSPERIODE
CHAMBRE 2e SESSION DE LA 50 e LÉGISLATURE
1999
2000
objectieve indicatoren, behalve in het geval van
landbouwbedrijven gebonden door contracten met ge-
garandeerde afnameprijzen voor dieren die zij fokken
of vetmesten, of voor producten van dierlijke oorsprong
die zij produceren.
Art. 7
Steun met toepassing van artikel 4 kan niet worden
uitgekeerd vooraleer de begunstigde schriftelijk, zonder
voorbehoud en onherroepelijk, heeft verzaakt aan elk
recht en elke vordering tegen de Staat omwille van
schade geleden ten gevolge van de dioxinecrisis, noch,
zo de begunstigde hiervoor reeds tegen de Staat een
vordering tot schadevergoeding bij de rechtbanken had
ingesteld, vooraleer de begunstigde afstand van geding
heeft betekend aan de Staat.
Art. 8
Tegen de voorwaarden bepaald bij een in Minister-
raad overlegd koninklijk besluit kan de Staat dadingen
aangaan in het kader van rechtsgeschillen betreffende
de vergoeding van schade die ondernemingen bewe-
ren te hebben geleden ten gevolge van de dioxinecrisis.
HOOFDSTUK 3
Financiering
Art. 9
Met toepassing van artikel 45 van de wetten op de
Rijkscomptabiliteit, gecoördineerd op 17 juli 1991, wordt
bij het ministerie van Middenstand en Landbouw een
begrotingsfonds ingesteld met de naam « Fonds voor
de schadeloosstelling van landbouwbedrijven getroffen
door de dioxinecrisis ».
Het Fonds heeft ten doel om de uitgaven te dekken
die voortvloeien uit de steun bedoeld in artikel 4, de
dadingen bedoeld in artikel 8 en de Staatswaarborgen
bedoeld in artikel 15, in de mate waarin deze uitgaven
niet worden gedekt door een eenmalig krediet dat te
dien einde zal worden ingeschreven in de algemene
uitgavenbegroting van het begrotingsjaar 1999.
Het Fonds wordt bestuurd door een raad waarvan de
structuur, samenstelling en werking worden geregeld
door een in Ministerraad overlegd koninklijk besluit.
partir d’indicateurs objectifs, sauf dans le cas d’entre-
prises agricoles liées par des contrats comportant des
prix d’achat garantis pour des animaux qu’elles élèvent
ou engraissent ou pour des produits d’origine animale
qu’elles produisent.
Art. 7
Il ne peut être procédé au versement d’une aide en
application de l’article 4 avant que le bénéficiaire n’ait
renoncé par écrit, sans réserve et de manière irrévoca-
ble, à tout droit et toute action contre l’État en raison de
dommages subis à cause de la crise de la dioxine ni, si
le bénéficiaire avait déjà introduit une action en dom-
mages-intérêts de ce chef contre l’État devant les tribu-
naux, avant que le bénéficiaire n’ait signifié le désiste-
ment d’instance à l’État.
Art. 8
Aux conditions définies par un arrêté royal délibéré
en Conseil des ministres, l’État peut transiger dans le
cadre de litiges portant sur l’indemnisation de domma-
ges que des entreprises prétendent avoir subis à cause
de la crise de la dioxine.
CHAPITRE 3
Financement
Art. 9
En application de l’article 45 des lois sur la comptabi-
lité de l’État, coordonnées le 17 juillet 1991, il est
institué au ministère des Classes moyennes et de l’Agri-
culture un fonds budgétaire dénommé « Fonds
d’indemnisation d’entreprises agricoles touchées par la
crise de la dioxine ».
Le Fonds a pour but de couvrir les dépenses décou-
lant des aides visées à l’article 4, des transactions vi-
sées à l’article 8 et des garanties de l’État visées à l’ar-
ticle 15, dans la mesure où ces dépenses ne sont pas
couvertes par un crédit unique qui sera inscrit à ces fins
au budget général des dépenses de l’année budgétaire
1999.
Le Fond est géré par un conseil dont la structure, la
composition et le fonctionnement sont réglés par un ar-
rêté royal délibéré en Conseil des ministres.
DOC 50 0212/001
45
KAMER
2e ZITTING VAN DE 50e ZITTINGSPERIODE
CHAMBRE 2e SESSION DE LA 50 e LÉGISLATURE
1999
2000
Art. 10
Het Fonds wordt gestijfd door :
1° de vrijwillige bijdragen;
2° de verplichte bijdragen opgelegd met toepassing
van artikel 12;
3° in voorkomend geval, de steun toegekend door
de Europese Unie omwille van de dioxinecrisis;
4° de terugvordering van federale steun met toepas-
sing van artikel 19;
5° de interesten op thesauriebeleggingen van het
Fonds.
Art. 11
In artikel 104 van het Wetboek van de inkomstenbe-
lastingen 1992 wordt een 4°ter ingevoegd, luidend als
volgt :
« 4°ter. giften in geld aan het Fonds voor de schade-
loosstelling van landbouwbedrijven getroffen door de
dioxinecrisis ».
Art. 12
Bij een in Ministerraad overlegd besluit kan de Ko-
ning aan objectief bepaalde categorieën van onderne-
mingen in de landbouwsector en rechtstreekse en on-
rechtstreekse leveranciers en afnemers van dergelijke
ondernemingen een solidariteitsbijdrage ten bate van
het Fonds opleggen waarvan Hij de berekeningsbasis,
het tarief en de inningsmodaliteiten bepaalt.
Een bijdrage opgelegd met toepassing van lid 1 kan
niet worden geheven op producten ingevoerd uit andere
lidstaten van de Europese Economische Ruimte. Der-
gelijke bijdrage is niet als beroepskost aftrekbaar inzake
inkomstenbelasting.
Elk besluit dat krachtens dit artikel wordt vastgesteld,
wordt geacht nooit uitwerking te hebben gehad indien
het niet bij wet is bekrachtigd binnen de zes maanden
na de datum van zijn inwerkingtreding.
Art. 13
Op gezamenlijke voordracht van de ministers be-
voegd voor Landbouw en Begroting stelt de Koning het
bijzonder reglement betreffende het beheer van het
Fonds vast.
De uitvoering van de betalingen van het Fonds kan
worden opgedragen aan een gespecialiseerde instel-
ling.
Art. 10
Le Fonds est alimenté par :
1° les contributions volontaires;
2° les cotisations obligatoires imposées en applica-
tion de l’article 12;
3° le cas échéant, les aides octroyées par l’Union
européenne en raison de la crise de la dioxine;
4° les recouvrements d’aides fédérales en applica-
tion de l’article 19;
5° les intérêts produits par les placements de tréso-
rerie du Fonds.
Art. 11
Dans l’article 104 du Code des impôts sur les reve-
nus 1992, il est inséré un 4°ter, rédigé comme suit :
« 4°ter. les libéralités faites en argent au Fonds
d’indemnisation d’entreprises agricoles touchées par la
crise de la dioxine ».
Art. 12
Par arrêté délibéré en Conseil des ministres, le Roi
peut imposer à des catégories objectivement définies
d’entreprises relevant du secteur agricole et à des four-
nisseurs et clients directs et indirects de telles entrepri-
ses une cotisation de solidarité au profit du Fonds dont
Il fixe l’assiette, le taux et les modalités de perception.
Une cotisation imposée en application de l’alinéa 1er
ne peut grever des produits importés d’autres États
membres de l’Espace économique européen. Une telle
cotisation n’est pas déductible à titre de frais profes-
sionnels en matière d’impôt sur les revenus.
Tout arrêté pris en vertu du présent article est censé
ne jamais avoir produit d’effets s’il n’a pas été confirmé
par la loi dans les six mois de sa date d’entrée en vi-
gueur.
Art. 13
Sur la proposition conjointe des ministres qui ont
l’Agriculture et le Budget dans leurs attributions, le Roi
établit le règlement spécial relatif à la gestion du Fonds.
L’exécution des paiements du Fonds peut être con-
fiée à une institution spécialisée.
46
DOC 50 0212/001
KAMER
2e ZITTING VAN DE 50e ZITTINGSPERIODE
CHAMBRE 2e SESSION DE LA 50 e LÉGISLATURE
1999
2000
Art. 14
In de tabel gevoegd bij de wet van 27 december 1990
tot oprichting van begrotingsfondsen, gewijzigd bij de
wetten van 6 augustus 1993, 24 december 1993, 21 de-
cember 1994, 6 april 1995, 29 april 1996 en 23 maart
1998, wordt rubriek « 31-Landbouw » aangevuld als
volgt :
Benaming van het organiek begrotingsfonds
« 31-5 Fonds voor de schadeloosstelling van
landbouwbedrijven getroffen door de dioxinecrisis ».
Aard van de toegewezen ontvangsten
« De ontvangsten bedoeld in artikel 10 van de wet
van …………… betreffende steunmaatregelen ten gun-
ste van landbouwbedrijven getroffen door de
dioxinecrisis ».
Aard van de gemachtigde uitgaven
« De uitgaven bedoeld in de artikelen 4, 8 en 15 van
voornoemde wet van …………, alsmede de personeels-
en werkingskosten van het Fonds ».
HOOFDSTUK 4
Andere steunmaatregelen
Art. 15
De kredieten die in uitvoering van het Protocol zijn
toegekend door kredietinstellingen die ertoe zijn toege-
treden, genieten de Staatswaarborg ten belope van 50 %
van hoofdsom en interesten (inclusief nalatigheids-
interesten) van elk krediet van zodra het betrokken
kredietdossier door het Belgisch Interventie- en
Restitutiebureau is goedgekeurd, of wordt geacht te zijn
goedgekeurd, overeenkomstig het Protocol.
Het totaalbedrag van de in lid 1 bedoelde kredieten
mag niet hoger zijn dan 25 000 000 000 (vijfentwintig
miljard) Belgische frank in hoofdsom.
Art. 16
Binnen de grenzen toegestaan door de Commissie
krachtens artikel 87 van het Verdrag en tegen de voor-
waarden bepaald bij een in Ministerraad overlegd ko-
ninklijk besluit, kan de Staat voorschotten of vergoedin-
gen toekennen aan ondernemingen wier producten van
dierlijke oorsprong zijn vernietigd, in beslag genomen
of uit de handel genomen ingevolge maatregelen die
de Belgische overheid heeft genomen in het kader van
de dioxinecrisis.
Art. 14
Dans le tableau annexé à la loi du 27 décembre 1990
créant des fonds budgétaires, modifié par les lois des
6 août 1993, 24 décembre 1993, 21 décembre 1994,
6 avril 1995, 29 avril 1996 et 23 mars 1998, la rubrique
« 31-Agriculture » est complétée comme suit :
Dénomination du fonds budgétaire organique
« 31-5 Fonds d’indemnisation d’entreprises agrico-
les touchées par la crise de la dioxine ».
Nature des recettes affectées
« Les recettes visées à l’article 10 de la loi
du ………… relative à des mesures d’aide en faveur
d’entreprises agricoles touchées par la crise de la
dioxine ».
Nature des dépenses autorisées
« Les dépenses visées aux articles 4, 8 et 15 de la loi
du ………… précitée, ainsi que les frais de personnel et
de fonctionnement du Fonds ».
CHAPITRE 4
Autres mesures d’aide
Art. 15
Les crédits octroyés en exécution du Protocole par
des établissements de crédit ayant adhéré à celui-ci,
bénéficient de la garantie de l’État à concurrence de
50 % du montant principal et des intérêts (y compris les
intérêts de retard) de chaque crédit dès que le dossier
de crédit en question a été approuvé par le Bureau d’in-
tervention et de restitution belge, ou est réputé approuvé
par celui-ci, conformément au Protocole.
Le montant total des crédits visés à l’alinéa 1er ne
peut dépasser 25 000 000 000 (vingt-cinq milliards) de
francs belges en principal.
Art. 16
Dans les limites autorisées par la Commission en
vertu de l’article 87 du Traité et aux conditions définies
par un arrêté royal délibéré en Conseil des ministres,
l’État peut accorder des avances ou indemnités à des
entreprises dont des produits d’origine animale ont été
détruits, saisis ou retirés du commerce à la suite de
mesures prises par les autorités publiques belges dans
le cadre de la crise de la dioxine.
DOC 50 0212/001
47
KAMER
2e ZITTING VAN DE 50e ZITTINGSPERIODE
CHAMBRE 2e SESSION DE LA 50 e LÉGISLATURE
1999
2000
HOOFDSTUK 5
Controlemaatregelen
Art. 17
Het totaalbedrag van de federale overheidssteun die
een onderneming ontvangt omwille van de dioxinecrisis,
ongeacht of deze ook steun omvat toegekend met toe-
passing van deze wet, mag in subsidie-equivalent niet
de schade overtreffen die de onderneming heeft gele-
den ten gevolge van de dioxinecrisis, rekening houdend,
in voorkomend geval, met alle gewestelijke overheids-
steun die de onderneming omwille daarvan bekomt, en
met alle vergoedingen die zij ontvangt krachtens
verzekeringspolissen of bij wege van schadevergoeding
ingevolge contractuele of buitencontractuele aanspra-
kelijkheid van derden.
De regels bepaald krachtens artikel 6 zijn van toe-
passing op de vaststelling van het subsidie-equivalent
van de verschillende vormen van overheidssteun toe-
gekend omwille van de dioxinecrisis en van de schade
die de ondernemingen ten gevolge daarvan hebben ge-
leden.
Art. 18
De naleving van artikel 17 maakt het voorwerp uit
van controles uitgevoerd door de ambtenaren en agen-
ten van het ministerie van Middenstand en Landbouw
aangeduid door de minister bevoegd voor Landbouw,
volgens de nadere regels bepaald door de Koning. Deze
ambtenaren en agenten kunnen van de betrokken on-
dernemingen alle nodige inlichtingen vorderen; zij kun-
nen overgaan tot een controle van hun rekeningen en
boeken ter plaatse.
Art. 19
Het eventuele overschot van de overheidssteun die
een onderneming omwille van de dioxinecrisis heeft
ontvangen ten opzichte van de schade die zij ten ge-
volge daarvan heeft geleden, wordt toegerekend op de
ontvangen federale steun, in omgekeerde chronologi-
sche volgorde, en moet aan het Fonds worden terug-
gestort, vermeerderd met nalatigheidsinteresten aan
Euribor op drie maanden. De terugvordering ervan ge-
schiedt door toedoen van de administratie bevoegd voor
de invordering van de belasting over de toegevoegde
waarde. De artikelen 94 en 95 van de wetten op de
Rijkscomptabiliteit, gecoördineerd op 17 juli 1991, zijn
van toepassing op deze terugvordering.
CHAPITRE 5
Mesures de contrôle
Art. 17
Le montant total des aides publiques fédérales qu’une
entreprise reçoit en raison de la crise de la dioxine, que
ces aides comprennent ou non des aides octroyées en
application de la présente loi, ne peut pas en équiva-
lent-subvention dépasser le dommage subi par l’entre-
prise à cause de la crise de la dioxine, compte tenu, le
cas échéant, de toutes les aides publiques régionales
que l’entreprise obtient en raison de celle-ci et de tou-
tes les indemnités qu’elle reçoit en vertu de polices d’as-
surances ou à titre de dommages-intérêts du chef de la
responsabilité contractuelle ou extra-contractuelle de
tiers.
Les règles arrêtées en vertu de l’article 6 s’appliquent
à la détermination de l’équivalent-subvention des diffé-
rentes formes d’aides publiques octroyées en raison de
la crise de la dioxine et du dommage subi par les entre-
prises à cause de celle-ci.
Art. 18
Le respect de l’article 17 fait l’objet de contrôles ef-
fectués par les fonctionnaires et agents du ministère des
Classes moyennes et de l’Agriculture désignés par le
ministre qui a l’Agriculture dans ses attributions, selon
les modalités fixées par le Roi. Ces fonctionnaires et
agents peuvent requérir les entreprises en question de
leur fournir toutes les informations nécessaires; ils peu-
vent procéder à un contrôle de leurs comptes et livres
sur place.
Art. 19
L’excédent éventuel des aides publiques qu’une en-
treprise a reçues en raison de la crise de la dioxine par
rapport au dommage qu’elle a subi à cause de celle-ci
est imputé sur les aides fédérales reçues en ordre chro-
nologique inverse et doit être restitué au Fonds, majoré
d’intérêts de retard au taux Euribor à trois mois. Le
recouvrement en est poursuivi par l’administration qui a
le recouvrement de la taxe sur la valeur ajoutée dans
ses attributions. Les articles 94 et 95 des lois sur la comp-
tabilité de l’État, coordonnées le 17 juillet 1991, sont
applicables à ce recouvrement.
48
DOC 50 0212/001
KAMER
2e ZITTING VAN DE 50e ZITTINGSPERIODE
CHAMBRE 2e SESSION DE LA 50 e LÉGISLATURE
1999
2000
HOOFDSTUK 6
Slotbepalingen
Art. 20
§ 1. Worden gestraft met gevangenisstraf van één
maand tot één jaar en met geldboete van 50 (vijftig) tot
10 000 (tienduizend) Belgische frank of met één van
deze straffen alleen, zij die de controles uitgevoerd met
toepassing van artikel 18 hinderen, weigeren aan de
betrokken ambtenaren of agenten de informatie te ver-
strekken die zij gehouden zijn hun mee te delen, of hun
bewust verkeerde of onvolledige informatie verstrekken.
§ 2. De Koning kan strafsancties bepalen voor inbreu-
ken op de bepalingen van de uitvoeringsbesluiten van
deze wet die Hij aanduidt. Deze sancties mogen een
gevangenisstraf van zes maanden en een geldboete van
10 000 (tienduizend) Belgische frank niet overschrijden.
§ 3. De bepalingen van het Eerste Boek van de
Strafwetboek zijn van toepassing op de inbreuken be-
doeld in §§ 1 en 2.
Art. 21
Deze wet treedt in werking de dag waarop zij in het
Belgisch Staatsblad wordt bekendgemaakt, met uitzon-
dering van artikel 15, dat in werking treedt met ingang
van 25 augustus 1999, en van artikel 16, dat in werking
treedt met ingang van 1 juli 1999.
Gegeven te …………………
ALBERT
VAN KONINGSWEGE :
De eerste minister,
Guy VERHOFSTADT
De vice-eerste minister en minister van Begroting,
Maatschappelijke Integratie en Sociale Economie,
Johan VANDE LANOTTE
CHAPITRE 6
Dispositions finales
Art. 20
§ 1er. Sont punis d’un emprisonnement d’un mois à
un an et d’une amende de 50 (cinquante) à 10 000 (dix
mille) francs belges ou d’une de ces peines seulement,
ceux qui font obstacle aux contrôles effectués en appli-
cation de l’article 18, refusent de donner aux fonction-
naires ou agents concernés les informations qu’ils sont
tenus de leur fournir ou leur donnent sciemment des
informations inexactes ou incomplètes.
§ 2. Le Roi peut prévoir des sanctions pénales pour
les infractions aux dispositions des arrêtés d’exécution
de la présente loi qu’Il désigne. Ces sanctions ne peu-
vent excéder une peine d’emprisonnement de six mois
et une amende de 10 000 (dix mille) francs belges.
§ 3. Les dispositions du Livre premier du Code pé-
nal sont applicables aux infractions visées aux §§ 1er et
2.
Art. 21
La présente loi entre en vigueur le jour de sa publica-
tion au Moniteur belge, à l’exception de l’article 15, qui
produit ses effets le 25 août 1999, et de l’article 16, qui
produit ses effets le 1er juillet 1999.
Donné à ……………
ALBERT
PAR LE ROI :
Le premier ministre,
Guy VERHOFSTADT
Le vice-premier ministre et ministre du Budget, de
l’Intégration sociale et de l’Économie sociale,
Johan VANDE LANOTTE
DOC 50 0212/001
49
KAMER
2e ZITTING VAN DE 50e ZITTINGSPERIODE
CHAMBRE 2e SESSION DE LA 50 e LÉGISLATURE
1999
2000
La ministre de la Protection de la Consommation, de
la Santé publique et de l’Environnement,
Magda AELVOET
Le ministre de l’Agriculture et des Classes moyennes,
Jaak GABRIELS
Le ministre des Finances,
Didier REYNDERS
Le ministre de l’Économie et de la
Recherche scientifique,
Rudy DEMOTTE
Le secrétaire d’État au Commerce extérieur, adjoint
au ministre des Affaires étrangères,
Pierre CHEVALIER
De minister van Consumentenzaken,
Volksgezondheid en Leefmilieu,
Magda AELVOET
De minister van Landbouw en Middenstand,
Jaak GABRIELS
De minister van Financiën,
Didier REYNDERS
De minister van Economie en
Wetenschappelijk Onderzoek,
Rudy DEMOTTE
De staatssecretaris voor Buitenlandse Handel,
toegevoegd aan de minister van Buitenlandse Zaken,
Pierre CHEVALIER
50
DOC 50 0212/001
KAMER
2e ZITTING VAN DE 50e ZITTINGSPERIODE
CHAMBRE 2e SESSION DE LA 50 e LÉGISLATURE
1999
2000
DOC 50 0212/001
51
KAMER
2e ZITTING VAN DE 50e ZITTINGSPERIODE
CHAMBRE 2e SESSION DE LA 50 e LÉGISLATURE
1999
2000
52
DOC 50 0212/001
KAMER
2e ZITTING VAN DE 50e ZITTINGSPERIODE
CHAMBRE 2e SESSION DE LA 50 e LÉGISLATURE
1999
2000
DOC 50 0212/001
53
KAMER
2e ZITTING VAN DE 50e ZITTINGSPERIODE
CHAMBRE 2e SESSION DE LA 50 e LÉGISLATURE
1999
2000
54
DOC 50 0212/001
KAMER
2e ZITTING VAN DE 50e ZITTINGSPERIODE
CHAMBRE 2e SESSION DE LA 50 e LÉGISLATURE
1999
2000
DOC 50 0212/001
55
KAMER
2e ZITTING VAN DE 50e ZITTINGSPERIODE
CHAMBRE 2e SESSION DE LA 50 e LÉGISLATURE
1999
2000
56
DOC 50 0212/001
KAMER
2e ZITTING VAN DE 50e ZITTINGSPERIODE
CHAMBRE 2e SESSION DE LA 50 e LÉGISLATURE
1999
2000
DOC 50 0212/001
57
KAMER
2e ZITTING VAN DE 50e ZITTINGSPERIODE
CHAMBRE 2e SESSION DE LA 50 e LÉGISLATURE
1999
2000
58
DOC 50 0212/001
KAMER
2e ZITTING VAN DE 50e ZITTINGSPERIODE
CHAMBRE 2e SESSION DE LA 50 e LÉGISLATURE
1999
2000
DOC 50 0212/001
59
KAMER
2e ZITTING VAN DE 50e ZITTINGSPERIODE
CHAMBRE 2e SESSION DE LA 50 e LÉGISLATURE
1999
2000
Drukkerij-Imprimerie SCHAUBROECK — 9810 NAZARETH