Document 50K0212/007

🏛️ KAMER Legislatuur 50 📁 212 Other 🌐 NL

Inhoud

CHAMBRE DES REPRÉSENTANTS DE BELGIQUE BELGISCHE KAMER VAN VOLKSVERTEGENWOORDIGERS 308 DOC 50 0212/007 DOC 50 0212/007 C H A M B R E 2 e S E S S I O N D E L A 5 0 e L É G I S L A T U R E K A M E R 2 e Z I T T I N G V A N D E 5 0 e Z I T T I N G S P E R I O D E 1999 2000 16 november 1999 16 novembre 1999 PROJET DE LOI WETSONTWERP betreffende steunmaatregelen ten gunste van landbouwbedrijven getroffen door de dioxinecrisis relatif à des mesures d’aide en faveur d’entreprises agricoles touchées par la crise de la dioxine VERSLAG NAMENS DE COMMISSIE VOOR HET BEDRIJFSLEVEN, HET WETENSCHAPSBELEID, HET ONDERWIJS, DE NATIONALE WETENSCHAPPE- LIJKE EN CULTURELE INSTELLINGEN, DE MIDDENSTAND EN DE LANDBOUW UITGEBRACHT DOOR DE HEER Jacques CHABOT RAPPORT COMMISSION DE L’ÉCONOMIE, DE LA POLITIQUE SCIENTIFIQUE, DE L’ÉDUCATION, DES INSTITUTIONS SCIENTIFIQUES ET CULTURELLES NATIONALES, DES CLASSES MOYENNES ET DE L’AGRICULTURE PAR M. Jacques CHABOT SOMMAIRE I. Exposé introductif du Ministre de l’Agriculture et des Classes moyennes . . . . . . . . . 3 II. Exposé du commissaire du gouvernement . . . . . . . . . . . . . . . . . . 4 III. Discussion générale . . . . . . . . . . . . . . 4 A. Observations des membres B. Réponses du ministre C. Répliques D. Auditions IV. Discussion des articles . . . . . . . . . . 39 V. Votes . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 66 Documents précédents : Doc 50 0212/ (1999-2000) : 001 : Projet de loi. 002 : Annexe. 003 : Amendements. 004 : Erratum. 005 et 006 : Amendements. Voir aussi : 008 : Texte adopté par la commission. Voorgaande documenten : Doc 50 0212/ (1999-2000) : 001 : Wetsontwerp. 002 : Bijlage. 003 : Amendementen. 004 : Erratum. 005 en 006 : Amendementen. Zie ook : 008 : Tekst aangenomen door de commissie. INHOUDSOPGAVE I. Inleiding door de Minister van Landbouw en Middenstand . . . . . . . . . . . . . . . . . 3 II. Uiteenzetting door de Regerings- commissaris . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 4 III. Algemene bespreking . . . . . . . . . . . . . 4 A. Opmerkingen van de leden B. Antwoorden van de minister C. Replieken D. Hoorzittingen IV. Artikelsgewijze bespreking . . . . . . . . 39 V. Stemmingen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 66 2 0212/007 DOC 50 C H A M B R E 2 e S E S S I O N D E L A 5 0 e L É G I S L A T U R E K A M E R 2 e Z I T T I N G V A N D E 5 0 e Z I T T I N G S P E R I O D E 1999 2000 Abréviations dans la numérotation des publications : DOC 50 0000/000 : Document parlementaire de la 50e législature, suivi du n° et du n° consécutif QRVA : Questions et Réponses écrites HA : Annales (Compte Rendu Intégral) CRA : Compte Rendu Analytique PLEN : Séance plénière COM : Réunion de commission Afkortingen bij de nummering van de publicaties : DOC 50 0000/000: Parlementair document van de 50e zittingsperiode + het nummer en het volgnummer QRVA : Schriftelijke Vragen en Antwoorden HA : Handelingen (Integraal Verslag) BV : Beknopt Verslag PLEN : Plenum COM : Commissievergadering Publications officielles éditées par la Chambre des représentants Commandes : Place de la Nation 2 1008 Bruxelles Tél. : 02/ 549 81 60 Fax : 02/549 82 74 www.laChambre.be e-mail : aff.generales@laChambre.be Officiële publicaties, uitgegeven door de Kamer van volksvertegenwoordigers Bestellingen : Natieplein 2 1008 Brussel Tel. : 02/ 549 81 60 Fax : 02/549 82 74 www.deKamer.be e-mail : alg.zaken@deKamer.be AGALEV-ECOLO : Anders gaan leven / Ecologistes Confédérés pour l’organisation de luttes originales CVP : Christelijke Volkspartij FN : Front National PRL FDF MCC : Parti Réformateur libéral - Front démocratique francophone-Mouvement des Citoyens pour le Changement PS : Parti socialiste PSC : Parti social-chrétien SP : Socialistische Partij VLAAMS BLOK : Vlaams Blok VLD : Vlaamse Liberalen en Democraten VU&ID : Volksunie&ID21 A. — Vaste leden / Membres titulaires VLD Yolande Avontroodt, Pierre Lano, Arnold Van Aperen. CVP Jos Ansoms, Simonne Creyf, Trees Pieters. Agalev-Ecolo Muriel Gerkens, Leen Laenens. PS Jacques Chabot, Bruno Van Grootenbrulle. PRL FDF MCC Anne Barzin, Philippe Collard. Vlaams Blok Roger Bouteca, Jaak Van den Broeck. SP Henk Verlinde. PSC Richard Fournaux. VU-ID Frieda Brepoels. B. — Plaatsvervangers / Membres uppléants Guy Hove, Georges Lenssen, Hugo Philtjens, Kathleen van der Hooft. Stefaan De Clerck, Greta D’Hondt, Dirk Pieters, Paul Tant. Martine Dardenne, Michèle Gilkinet, Simonne Leen. Claude Eerdekens, Guy Larcier, Charles Picqué. Robert Denis, Eric van Weddingen, Michel Wauthier. Gerolf Annemans, Koen Bultinck, Hagen Goyvaerts. Magda De Meyer, Daan Schalk. Raymond Langendries, Luc Paque. Dany Pieters, Karel Van Hoorebeke. Samenstelling van de commissie op datum van indiening van het verslag/ Composition de la commission à la date du dépôt du rapport : Voorzitter / Président : Jos Ansoms Regeringsleden / Membres du gouvernement : Guy Verhofstadt, eerste minister / premier ministre Jacques Gabriëls, minister van Landbouw en Middenstand / ministre de l’Agriculture et des Classes moyennes 3 0212/007 DOC 50 C H A M B R E 2 e S E S S I O N D E L A 5 0 e L É G I S L A T U R E K A M E R 2 e Z I T T I N G V A N D E 5 0 e Z I T T I N G S P E R I O D E 1999 2000 I. EXPOSE INTRODUCTIF DU MINISTRE DE L’AGRI- CULTURE ET DES CLASSES MOYENNES Le ministre de l’Agriculture et des Classes moyennes, M. Jacques Gabriëls, expose que les «tests PCB» établissent que 0,8% des échantillons analysés sont contaminés et que 25% parmi ceux-ci révèlent un taux de PCB supérieur aux normes admises par l’Organisation Mondiale de la Santé. Ces données chiffrées démontrent que la crise de la dioxine est désormais sous contrôle. Le gouvernement précédent a pris un certain nombre de mesures visant à indemniser les producteurs de viandes bovines, porcines et de volaille sous forme d’avances récupérables. Par décision du 13 octobre 1999, la Commission européenne a autorisé la conversion de ces avances en indemnités définitives qui ne préjugent pas des compléments d’indemnités alloués à la suite de l’introduction de demandes individuelles fondées notamment sur le préjudice économique encouru par les entreprises agricoles. L’octroi d’une aide fédérale destinée à compenser les dommages encourus par les entreprises agricoles se fonde sur les prix réels moyens des produits en cause pratiqués par les pays voisins au moment de la crise. En outre, il convient de tenir compte du préjudice résultant du temps d’élevage prolongé durant la crise. Le Conseil d’Etat n’a formulé aucune objection de principe à l’égard du projet de loi à l’examen et les Régions l’ont approuvé. Les arrêtés royaux pris en exécution du projet de loi, de nature organisationnelle par essence, seront communiqués au parlement. Ils devront permettre d’indemniser les entreprises agricoles touchées par la crise à partir de la fin de l’année. I. INLEIDING DOOR DE MINISTER VAN LANDBOUW EN MIDDENSTAND Minister van Landbouw en Middenstand de heer Jacques Gabriëls geeft aan dat volgens PCB-tests 0,8 % van de ontlede stalen wijzen op besmetting; het PCB- gehalte van 25 % van die stalen overschrijden de nor- men die door de Wereldgezondheidsorganisatie wor- den toegestaan. Die cijfergegevens tonen aan dat de dioxinecrisis voortaan bedwongen is. De vorige regering heeft een aantal maatregelen genomen om de producenten van rundvlees, varkens- vlees en pluimvee te vergoeden via terugvorderbare voorschotten. Bij beschikking van 13 oktober 1999 heeft de Euro- pese Commissie ingestemd met de omzetting van die voorschotten in definitieve schadevergoedingen zonder vooruit te lopen op individuele claims die voortvloeien uit de economische schade die door de landbouw- bedrijven werden geleden. Als berekeningsbasis voor de toekenning van fede- rale steun ter compensatie van de door de landbouw- bedrijven opgelopen schade gelden de echte gemid- delde prijzen van de producten in kwestie, zoals die op het tijdstip van de crisis in de buurlanden gehanteerd werden. Daarnaast moet rekening worden gehouden met de schade die werd geleden omdat tijdens de crisis langer moest worden gefokt. De Raad van State heeft geen principieel bezwaar gemaakt tegen het ter bespreking voorliggende wets- ontwerp; de gewesten hebben er zich niet tegen verzet. De koninklijke besluiten genomen tot uitvoering van het wetsontwerp, die per definitie van organisatorische aard zijn, zullen worden meegedeeld aan het parlement. Op grond van die besluiten moet het mogelijk zijn de landbouwbedrijven die te lijden hadden van de dioxinecrisis, vanaf eind dit jaar schadeloos te stellen. 4 0212/007 DOC 50 C H A M B R E 2 e S E S S I O N D E L A 5 0 e L É G I S L A T U R E K A M E R 2 e Z I T T I N G V A N D E 5 0 e Z I T T I N G S P E R I O D E 1999 2000 II. EXPOSE DU COMMISSAIRE DU GOUVERNEMENT Le commissaire du gouvernement, M. Freddy Willockx déclare que le projet de loi à l’examen a été notifié à la Commission européenne, le 25 octobre dernier. Les arrêtés d’exécution de la loi à venir feront l’objet d’une concertation entre le gouvernement et les Régions et seront communiqués aux autorités européennes. L’objectif du gouvernement est d’obtenir l’approbation de la Commission européenne au sujet de ces arrêtés dans les prochaines semaines. La Commission européenne ayant admis que la crise de la dioxine était assimilable à un événement extra- ordinaire au sens de l’article 87, (3), (c) du traité de Rome, l’indemnisation des opérateurs économiques lésés est susceptible de s’élever à 100% du préjudice encouru. L’impact budgétaire global à l’échelon fédéral de la crise est actuellement évalué à 25 milliards de francs. Ce montant sera réévalué en fonction des stocks qui ont été réellement bloqués à l’intérieur des frontières de même que des effets macro-économiques sur les recettes de l’Etat. La Banque nationale estime ces derniers à environ 0,6% du produit intérieur brut. Cet impact sera imputé sur le budget 1999. Le projet de loi en discussion renforce la base légale du régime des rachats. Le Conseil d’Etat a admis que les rachats effectués dans le cadre de la crise de la dioxine s’imposent pour des motifs de santé publique et a dès lors reconnu la compétence des autorités fédérales en cette matière. III. DISCUSSION GENERALE A. Observations des membres M. Yves Leterme (CVP) précise d’emblée que son parti contribuera à l’examen rapide du projet de loi eu égard aux circonstances difficiles vécues par les entreprises agro-alimentaires. L’objectif du projet en discussion doit, en tout état de cause, tendre à allouer une indemnisation complète à tous les opérateurs économiques préjudiciés du fait de la contamination à la dioxine. II. UITEENZETTING DOOR DE REGERINGSCOMMISSARIS Regeringscommissaris de heer Freddy Willockx ver- klaart dat het ter bespreking voorliggende wetsontwerp op 25 oktober 1999 de Europese Commissie ter kennis werd gebracht. De toekomstige uitvoeringsbesluiten van de wet, waarover de regering en de gewesten overleg zullen plegen, zullen worden meegedeeld aan de Europese instanties. Het is de vaste wil van de regering dat de Europese Commissie die besluiten nog voor het jaareinde goed- keurt. Aangezien diezelfde Commissie het ermee eens is dat de dioxinecrisis kan worden gelijkgesteld met een «buitengewone gebeurtenis» in de zin van artikel 87, (3), (c), van het Verdrag van Rome, zou de schadeloos- stelling van de benadeelde economische operatoren kunnen oplopen tot 100 % van de geleden schade. De weerslag van de dioxinecrisis op de federale be- groting wordt momenteel op 25 miljard frank geraamd. Dat bedrag zal worden bijgestuurd, afhankelijk van de voorraden die binnen de grenzen werkelijk geblokkeerd werden en van de macro-economische gevolgen voor de ontvangsten. Die gevolgen, welke de Nationale Bank op circa 0,6 % van het BBP raamt, komen ten laste van de begroting voor 1999. Dit wetsontwerp versterkt de wettelijke basis van de opkoopregeling. De Raad van State is het ermee eens dat de in het raam van de dioxinecrisis verrichte opko- pen om redenen van volksgezondheid noodzakelijk zijn; de Raad heeft terzake de bevoegdheid van de federale overheid erkend. III. ALGEMENE BESPREKING A. Opmerkingen van de leden De heer Yves Leterme (CVP) preciseert om te be- ginnen dat zijn partij zal bijdragen tot een snelle be- spreking van het wetsontwerp, gelet op de moeilijke si- tuatie waarin de bedrijven uit de landbouw- en voedingssector verkeren. Het ter bespreking voorlig- gende wetsontwerp moet er in ieder geval toe strekken een volledige schadeloosstelling toe te kennen aan alle economische operatoren die schade hebben geleden als gevolg van de dioxinebesmetting. 5 0212/007 DOC 50 C H A M B R E 2 e S E S S I O N D E L A 5 0 e L É G I S L A T U R E K A M E R 2 e Z I T T I N G V A N D E 5 0 e Z I T T I N G S P E R I O D E 1999 2000 Il conviendrait que les commissaires disposent du protocole conclu entre l’Etat et l’Association belge des banques réglant les modalités des crédits de soudure octroyés aux entreprises agricoles préjudiciées de même qu’un tableau récapitulatif relatif au nombre de dossiers d’indemnisation introduits à ce jour et aux montants réclamés. L’intervenant s’interroge sur les lignes de force et la teneur des arrêtés d’exécution des dispositions à l’examen dès lors que les premiers remboursements sont prévus avant la fin de l’année 1999. En principe, toute intention de mettre en place un régime d’aides doit être notifié à la Commission européenne. Comment s’organise dans la pratique la procédure de concertation entre le gouvernement et la Commission? De quelle manière la position de la Commission s’exprimera-t-elle au sujet des arrêtés d’exécution? Quid si cette instance s’oppose à l’un ou l’autre volet des arrêtés d’exécution? Il conviendrait de disposer d’une vue d’ensemble des mesures d’aides adoptées ou envisagées par les entités fédérées aux fins de vérifier leur compatibilité avec cel- les envisagées sur le plan fédéral. Il importe de souligner que le projet de loi à l’examen esquive la problématique de la responsabilité. Toutefois, il serait intéressant de connaître, par secteurs économiques, le nombre d’actions en réparation introduites devant les juridictions contre l’Etat belge. Etant favorable à une indemnisation intégrale de chaque dommage subi (dommages directs et indirects) par les opérateurs lésés, l’orateur s’oppose à la formulation de l’article 4 du projet en ce qu’il prévoit une indemnisation totale ou partielle du dommage subi par les entreprises agricoles. A cet égard, il y lieu de se référer à la déclaration du ministre de l’Agriculture et des Classes moyennes selon laquelle les indemnisations seront intégrales, de sorte que les opéra- teurs dédommagés puissent considérer que «la crise de la dioxine n’a pas eu lieu». Dès lors, les indemnités ne doivent pas être seulement octroyées aux entreprises dont l’activité prin- cipale consiste en l’élevage de volaille, porcs ou bovins ou en la production d’oeufs ou de lait. Dans quelle mes- ure les entreprises mixtes sont-elles fondées à former une demande en réparation? De commissieleden zouden moeten kunnen beschik- ken over het protocol dat werd afgesloten tussen de Staat en de Belgische Vereniging van Banken en dat de nadere regels vaststelt inzake de overbruggings- kredieten die worden toegekend aan de getroffen landbouwbedrijven, alsmede over een overzicht van de schadevergoedingsdossiers die tot op heden zijn inge- diend en van de gevorderde bedragen. De spreker heeft vragen bij de krachtlijnen en de in- houd van de uitvoeringsbesluiten van de besproken bepalingen aangezien de eerste terugbetalingen vóór eind 1999 zouden plaatsvinden. In principe moet de Europese Commissie in kennis worden gesteld van elk voornemen om een steun- regeling in het leven te roepen. Hoe verloopt de proce- dure van overleg tussen de regering en de Commissie in de praktijk ? Hoe zal de Commissie haar standpunt over de uitvoeringsbesluiten bekend maken ? Quid in- dien zij zich tegen een of ander onderdeel van de uitvoeringsbesluiten verzet ? De commissie zou moeten kunnen beschikken over een algemeen overzicht van de steunmaatregelen die de deelgebieden hebben goedgekeurd of die ze over- wegen, teneinde na te gaan of ze bestaanbaar zijn men die welke op federaal niveau worden gepland. Feit is overigens ook dat in het wetsontwerp het vraag- stuk van de verantwoordelijkheid niet aan bod komt. Het ware echter interessant te weten hoeveel vorde- ringen tot schadeloosstelling tegen de Belgische Staat bij de rechtbanken werden ingesteld, per economische sector. Aangezien de spreker voorstander is van een volle- dige vergoeding van elke (rechtstreekse en onrecht- streekse) schade die de operatoren hebben geleden, is hij gekant tegen de formulering van artikel 4 van het wetsontwerp omdat het voorziet in een volledige of ge- deeltelijke schadeloosstelling van de schade die de landbouwbedrijven hebben geleden. Er dient terzake te worden verwezen naar de verklaring van de minister van Landbouw en Middenstand, die heeft gezegd dat de schadeloosstellingen volledig zullen zijn, dat wil zeg- gen «als zou de dioxinecrisis niet hebben plaatsgehad». De schadeloosstellingen moeten derhalve niet alleen worden toegekend aan de bedrijven die hun activiteit toespitsen op het fokken van pluimvee, varkens of run- deren, of op de productie van eieren of melk. In hoe- verre mogen de gemengde bedrijven een eis om scha- devergoeding indienen ? 6 0212/007 DOC 50 C H A M B R E 2 e S E S S I O N D E L A 5 0 e L É G I S L A T U R E K A M E R 2 e Z I T T I N G V A N D E 5 0 e Z I T T I N G S P E R I O D E 1999 2000 L’intervenant met en exergue la difficulté pour le Roi de définir les cas dans lesquels plusieurs entités ou unités d’exploitation doivent être considérées comme une seule entreprise agricole et met en garde contre le risque du non respect du principe d’égalité. L’aide européenne octroyée directement aux entreprises agricoles est-elle ou non comprise dans l’énumération des aides publiques fédérales et régionales visées à l’article 5 du projet de loi? Le droit de subrogation conféré à l’Etat vise-t-il à la fois la responsabilité contractuelle et extra-contractuelle? S’agissant des irrégularités visées à l’article 5, 3°, du projet, le ministre peut-il préciser l’autorité compétente pour les constater? Quels sont les recours prévus? La notion d’«aide fédérale reçue en ordre chronologique inverse» visée à l’article 19 peut-elle être précisée au moyen d’exemples concrets? Un timing est-il déjà prévu concernant le dépôt du projet de loi adaptant le budget 1999 suite à l’impact de cette crise? Qu’en est-il de régime imposable des diverses aides publiques octroyées aux entreprises concernées? Dans quelle mesure l’octroi des aides est-il lié à la réduction progressive du cheptel porcin? Quelles sont les modalités de l’accord conclu entre le ministre de l’Agriculture et la Banque Nationale en ce qui concerne le paiement des indemnités aux opéra- teurs intéressés? M.Richard Fournaux (PSC) souhaite disposer d’un bilan provisoire des demandes d’indemnisation introduites à ce jour afin de vérifier la praticabilité de la procédure imposée aux entreprises concernées, eu égard à la rigueur des conditions auxquelles ces entreprises doivent satisfaire. L’intervenant craint qu’un certain nombre d’entreprises (les entreprises de première transformation, par exemple) ne puissent recourir à aucun type d’aide qu’elles soient régionales ou fédérales. Dès lors, il y a lieu d’organiser une concertation avec les Régions afin de s’assurer que les aides soient équitablement réparties. De spreker wijst op de moeilijkheid voor de Koning om de gevallen te bepalen waarin verscheidene exploi- tatie-afdelingen of -eenheden moeten worden be- schouwd als een enkel landbouwbedrijf; hij waarschuwt voor het gevaar van schending van het gelijkheids- beginsel. Maakt de Europese steun die rechtstreeks aan de landbouwbedrijven werd toegekend, deel uit van de in artikel 5 van het wetsontwerp bedoelde «federale en regionale overheidssteun» ? Heeft het aan de Staat verleende recht van indeplaats- stelling betrekking op zowel de contractuele als de buitencontractuele verantwoordelijkheid ? Kan de minister preciseren welke instantie bevoegd is om de in artikel 5, 3°, van het wetsontwerp bedoelde onregelmatigheden vast te stellen ? Wat zijn de beroeps- mogelijkheden ? Kan het in artikel 19 opgenomen begrip «federale steun in omgekeerde chronologische volgorde» worden verduidelijkt aan de hand van concrete voorbeelden ? Is reeds bepaald wanneer het wetsontwerp zal wor- den ingediend om de begroting voor 1999 aan te pas- sen als gevolg van die crisis ? Hoe staat het met de fiscale regeling voor de diverse vormen van overheidssteun die aan de betrokken be- drijven worden toegekend ? In hoeverre is de toekenning van steun gekoppeld aan de geleidelijke inkrimping van de varkensstapel ? Wat zijn de bepalingen van het akkoord tussen de minister van Landbouw en Middenstand en de Natio- nale Bank in verband met de betaling van de vergoe- dingen aan de betrokken operatoren ? De heer Richerd Fournaux (PSC) wenst te beschik- ken over een voorlopige balans van de thans ingediende aanvragen om schadeloosstelling, teneinde de haalbaarheid na te gaan van de aan de betrokken be- drijven opgelegde procedure, gelet op de strenge voor- waarden waaraan moet worden voldaan. De spreker vreest dat een aantal bedrijven (bijvoor- beeld de bedrijven voor eerste verwerking) geen en- kele steun kunnen krijgen, noch van de gewesten, noch van de federale overheid. Er dient derhalve overleg te worden gepleegd met de gewesten om zich ervan te vergewissen dat de steun billijk wordt verdeeld. 7 0212/007 DOC 50 C H A M B R E 2 e S E S S I O N D E L A 5 0 e L É G I S L A T U R E K A M E R 2 e Z I T T I N G V A N D E 5 0 e Z I T T I N G S P E R I O D E 1999 2000 Les critères imposés en ce qui concerne notamment l’indépendance économique et financière sont susceptibles de réduire assez sensiblement le nombre d’entreprises en difficulté suite à cette crise. Il conviendrait toutefois que le projet de loi consacre le principe d’une indemnisation intégrale et non à concurrence de 80% du préjudice réel. Enfin, l’intervenant n’est pas favorable au principe d’une deuxième cotisation de solidarité perçue au sein de la chaîne alimentaire dès lors que certaines entreprises alimentaires devraient l’acquitter sans pouvoir bénéficier d’aucune aide. Mme Muriël Gerkens (Agalev-Ecolo) fait observer que les entreprises agricoles de première tranformation sont en principe indemnisées par les autorités régionales. Ces entreprises sont-elles, d’une manière ou d’une autre, visées par le projet de loi à l’examen? Quels sont les critères précis permettant de déterminer l’indépendance des entreprises? De quel type d’aide les entreprises intégrées pourront- elles bénéficier? Seront-elles dédommagées sur la base d’un forfait ou du prix réel convenu avec les entreprises cocontractantes? L’exposé des motifs indique que l’aide est subordonnée à une subrogation de l’Etat dans les droits des entreprises à l’égard de leurs cocontractants au cas où les dommages auraient pu être évités par une application correcte du contrat. L’intervenante souhaite des précisions sur les hypothèses dans lesquelles pareille subrogation pourra s’appliquer. Une assistance est-elle prévue au bénéfice des agriculteurs afin de les aider à remplir les formalités prescrites? Mme Trees Pieters (CVP) fait observer que l’exposé des motifs énonce que des accords de coopération devront, en cas de besoin, être conclus entre le gouver- nement et les Régions en vue d’assurer une bonne coordination des actions fédérales et régionales. Il convient de prêter une attention particulière aux risques de cumul d’indemnités. L’intervenante demande que ces accords soient communiqués aux membres du parlement. Il en va de même pour les arrêtés royaux d’exécution, eu égard à l’important pouvoir d’habilitation conféré au Roi. Door de criteria die met name worden opgelegd op het vlak van de economische en financiële onafhanke- lijkheid, kan het aantal bedrijven dat door deze crisis in moeilijkheden te verkeert, vrij sterk afnemen. Het wets- ontwerp zou een volledige schadeloosstelling als be- ginsel moeten opnemen - en niet ten belope van 80 %. De spreker is het niet eens met het beginsel van een tweede solidariteitsbijdrage ten laste van de voedsel- productieketen, want bepaalde bedrijven zouden dan moeten bijdragen zonder ook op maar enige steun aan- spraak te kunnen maken. Mevrouw Muriël Gerkens (Agalev-Ecolo) merkt op dat de landbouwbedrijven die zich met de eerste verwer- king bezighouden in principe door de gewestelijke over- heid schadeloos worden gesteld. Slaat het ter bespre- king voorliggende wetsontwerp ook op die bedrijven ? Op grond van welke precieze criteria kan de onafhan- kelijkheid van de bedrijven worden bepaald ? Op wat voor steun zullen de geïntegreerde bedrijven kunnen rekenen ? Wordt dat een forfaitair bedrag, dan wel een vergoeding op grond van een reële prijs die met de medecontracterende bedrijven werd over- eengekomen? In de memorie van toelichting staat te lezen dat de steun afhankelijk wordt gemaakt van een indeplaats- stelling van de Staat in de rechten van de ondernemin- gen ten aanzien van hun medecontractanten, ingeval de schade had kunnen worden voorkomen door een correcte toepassing van de overeenkomst. De spreek- ster had graag geweten in welke gevallen die inde- plaatsstelling precies zal kunnen worden toegepast. Zullen de landbouwers de nodige bijstand krijgen om de voorgeschreven procedure tot een goed einde te brengen? Mevrouw Trees Pieters (CVP) merkt op dat volgens de memorie van toelichting zo nodig samenwerkings- akkoorden moeten worden gesloten tussen de federale regering en de gewesten, teneinde een vlotte coördina- tie tussen de federale en de gewestelijke initiatieven te waarborgen. Daarbij moet er scherp op worden toegezien dat er geen vergoedingen worden samengevoegd. De spreek- ster vraagt dat die akkoorden aan de parlementsleden zouden worden meegedeeld. Hetzelfde zou moeten gebeuren met de koninklijke besluiten tot uitvoering van de wet, gelet op de omvangrijke machtigingsbe- voegdheid waarover de Koning beschikt. 8 0212/007 DOC 50 C H A M B R E 2 e S E S S I O N D E L A 5 0 e L É G I S L A T U R E K A M E R 2 e Z I T T I N G V A N D E 5 0 e Z I T T I N G S P E R I O D E 1999 2000 La notion d’indépendance économique doit être interprétée à la lumière d’un décret adopté par la Région flamande et se réfère à la notion d’entreprise agricole familiale ou d’entreprise familiale d’élevage. La législation à l’examen étant de nature fédérale, l’on peut se demander si pareil renvoi est pertinent. Le gouvernement fonde les taux des indemnisations sur les prix réels du marché pratiqués avant la survenance de la crise de la dioxine. Toutefois, il y a lieu de constater que le secteur porcin se trouvait en difficulté à l’époque et que les prix pratiqués ne reflétaient pas la valeur marchande réelle. Cette circonstance sera-telle prise en considération? Les indemnisations seront différenciées selon que les entreprises agricoles sont indépendantes ou intégrées. Le ministre peut-il donner des précisions à ce sujet? L’intervenante souhaite que le ministre précise de manière exhaustive les dispositions relatives à la description du Fonds de solidarité de même que les notions de contributions volontaires et obligatoires. Des guichets seront-ils créés en vue d’assister les entreprises concernées? Le rééquilibrage budgétaire prévu en 1999 dérogera- t-il au pacte de stabilité? M. Frieda Brepoels (VU&ID) constate que le projet comporte trois grands volets : - crédits de soudure suivant protocole; - indemnisation; - fonds dioxine. Le texte du protocole doit encore être joint aux documents. Le protocole avec les banques a été approuvé dès le 25 août 1999. Les crédits de soudure ont toujours été proposés en attendant les indemnités prévues dans le cadre de l’indemnisation intégrale suivant le régime encore à élaborer. L’on peut s’interroger sur les raisons pour lesquelles le gouvernement n’a pas repris plus tôt le protocole précité dans un projet de loi, puisque les dossiers pour la demande de crédit doivent être introduits auprès de la banque dès avant le 1er décembre. On sème une grande confusion dans les rangs des agriculteurs, ainsi que l’atteste le nombre de demandes : 37 dossiers pour un montant de 77 millions, alors qu’il est prévu un maxi- mum de 25 milliards. Het begrip «economische onafhankelijkheid» moet worden ingevuld met inachtneming van een door het Vlaams Gewest uitgevaardigd decreet en refereert aan de begrippen «gezinslandbouwbedrijf» of «gezins- veeteeltbedrijf». Aangezien het ter bespreking voor- liggende wetsontwerp een federale aangelegenheid regelt, kan men zich afvragen of een dergelijke verwij- zing wel zin heeft. De regering baseert de omvang van de vergoedin- gen op de reële marktprijzen van vóór de dioxinecrisis. Terzake dient evenwel te worden opgemerkt dat de varkenssector toentertijd al in moeilijkheden verkeerde en dat de toenmalige prijzen niet de rele waarde van de producten weerspiegelden. De vergoedingen zullen worden aangepast, naarge- lang het om onafhankelijke of geïntegreerde landbouw- bedrijven gaat. Kan de minister een en ander nader toe- lichten? De spreekster had graag van de minister uitgebreid toelichting gekregen bij de bepalingen waarin het Solidariteitsfonds wordt beschreven, alsook bij de be- grippen «vrijwilige» en «verplichte» bijdragen. Zullen er aanspreekpunten worden opgericht, om de betrokken bedrijven bij te staan? Zal de in 1999 geplande budgettaire aanpassing een afwijking van het stabiliteitspact vereisen? Mevrouw Frieda Brepoels (VU&ID) stelt vast dat het ontwerp uiteenvalt in drie grote delen : - overbrugginskredieten via protocol; - schaderegeling; - dioxinefonds. De tekst van het protocol dient nog toegevoegd te worden aan de documenten. Het protocol met de banken werd reeds goedgekeurd op 25 augustus 1999; deze overbruggingskredieten werden steeds voorgesteld in afwachting van de uitke- ringen voor de nog uit te werken regeling van de inte- grale schadevergoeding. Het is de vraag waarom de regering dat protocol niet vroeger in een wetsontwerp heeft opgenomen, vermits de dossiers voor de kredietaanvraag reeds vóór 1 de- cember moeten ingediend worden bij de bank. Men creeërt veel onduidelijkheid bij de landbouwers, dit be- wijzen het aantal aanvragen : 37 dossiers voor een be- drag van 77 miljoen terwijl er maximaal 25 miljard is voorzien. 9 0212/007 DOC 50 C H A M B R E 2 e S E S S I O N D E L A 5 0 e L É G I S L A T U R E K A M E R 2 e Z I T T I N G V A N D E 5 0 e Z I T T I N G S P E R I O D E 1999 2000 Quel est l’état d’avancement des négociations entre l’Etat et les compagnies d’assurance? L’oratrice indique que le projet de loi à l’examen cons- titue la dixième version par rapport au texte originaire. La version qui fut transmise aux Régions diffère de celle examinée par les commissaires. Il conviendrait que la commission de l’Economie dispose de cette version de même que des procès-verbaux relatifs à la confé- rence interministérielle en ce que ceux-ci reflètent les souhaits des Régions au sujet des arrêtés d’exécution à élaborer dès lors qu’ils sont susceptibles d’avoir une incidence sur leur politique agricole. Quelle version du projet de loi a-t-elle été notifiée à la Commission européenne le 13 septembre 1999? L’intervenante est d’avis qu’un accord de coopéra- tion devra en tout état de cause être conclu entre le gouvernement fédéral et les régions aux fins d’assurer une bonne coordination des action fédérales et régio- nales singulièrement dans le cadre des recouvrements d’excédents d’aides publiques perçues par les entre- prises. L’on doit observer que 13 articles du projet doivent être exécutés par arrêté royal ou par arrêté ministériel. Il con- viendra d’analyser lors de la discussion des articles si le pouvoir réglementaire conféré au Roi et au ministre entre dans la sphère normale de leur compétence. Le projet de loi doit conférer un fondement juridique, en particulier par le biais de l’article 16, à une série de décisions prises par le Conseil des ministres visant à octroyer des avances et indemnités aux entreprises agri- coles. Cet article entrera en vigueur avec effet rétroactif au 1er juillet 1999. L’intervenante craint que les entreprises lésées ne puissent bénéficier de remboursements à court terme en raison de la rigueur des conditions imposées. Apporter la preuve d’un lien de causalité direct entre la crise de la dioxine et le dommage encouru est relati- vement complexe. En outre, ces entreprises doivent démontrer que l’aide demandée n’excède pas en équivalent-subvention le dommage subi compte tenu de toute autre forme d’aide, y compris celle perçue au titre de polices d’assurance privée. L’article 7 , lu en combinaison avec l’article 5 du pro- jet de loi ne permet pas de garantir un choix libre entre la solution consistant à accepter les aides d’Etat et celle consistant à intenter une action en dommages-intérêts Hoe staat het met de onderhandelingen tussen de Staat en de verzekeringsmaatschappijen? De spreekster stipt aan dat het ter bespreking voor- liggende wetsontwerp ten opzichte van de oorspronke- lijke tekst al aan zijn tiende versie toe is. De tekst die aan de gewesten werd bezorgd, verschilt van die welke de commissieleden thans bespreken. Het ware aangewezen dat de commissie voor het Bedrijfs- leven over die versie beschikt, alsook over de notulen van de interministeriële conferentie. Die notulen maken immers gewag van de desiderata van de gewesten in verband met de op te stellen uitvoeringsbesluiten, want die kunnen een weerslag hebben op hun landbouw- beleid. Welke versie van het wetsontwerp werd op 13 sep- tember 1999 naar de Europese Commissie verzonden? Volgens de spreekster moeten de federale regering en de gewesten hoe dan ook een samenwerkings- akkoord sluiten, teneinde te zorgen voor een goede coördinatie tussen de federale en de gewestelijke initia- tieven, met name op het stuk van de teruginning van overheidssteun die de ondernemingen te veel zouden hebben gekregen. Er zij op gewezen dat de tenuitvoerlegging van dertien artikelen van het ontwerp een koninklijk of een ministeri- eel besluit vereist. Tijdens de artikelsgewijze bespreking zal moeten worden nagegaan of die aan de Koning en aan de minister verleende regelgevende macht wel bin- nen hun normale bevoegdheidsdomein valt. Het wetsontwerp, en inzonderheid artikel 16, moet een juridische grondslag geven aan een reeks beslis- singen die de Ministerraad heeft genomen met het oog op de toekenning van voorschotten en schadeloosstel- lingen aan de landbouwbedrijven. Dat artikel zal met terugwerkende kracht ingaan op 1 juli 1999. De spreekster vreest dat de benadeelde bedrijven wegens de strenge voorwaarden op korte termijn geen aanspraak op schadeloosstelling zullen kunnen maken. Het ligt niet eenvoudig om een direct oorzakelijk ver- band tussen de dioxinecrisis en het opgelopen nadeel te bewijzen. Bovendien moeten de betrokken bedrijven aantonen dat de gevraagde steun in subsidie-equivalent niet ho- ger ligt dan de schade die werd geleden, rekening hou- dend met elke andere vorm van steun, inclusief die welke via privé-verzekeringspolissen werd ontvangen. Wie artikel 7 van het wetsontwerp naast artikel 5 legt, komt tot de vaststelling dat eerstgenoemd artikel geen waarborgen biedt inzake de vrije keuze tussen het aan- vaarden van staatssteun en het instellen van een vor- 10 0212/007 DOC 50 C H A M B R E 2 e S E S S I O N D E L A 5 0 e L É G I S L A T U R E K A M E R 2 e Z I T T I N G V A N D E 5 0 e Z I T T I N G S P E R I O D E 1999 2000 contre l’Etat. En effet , au moment du renoncement irré- vocable à toute action contre l’Etat ou à l’instant du dé- sistement d’instance, les intéressés n’auront à leur dis- position aucune estimation précise quant à l’importance de l’aide qui leur sera allouée. De quel délai dispose- ront les intéressés pour opérer leur choix? L’oratrice estime que solliciter l’effort de solidarité auprès du secteur agricole au sens large à raison de 10 à 15% de la contribution globale est injustifié .d’autant plus que le montant total des indemnisations ne peut à ce jour être évalué avec précision. La conversion des avances récupérables en indem- nités définitives opère-t-elle avec effet rétroactif? Ces indemnités représentent-elles 80% ou100% des avan- ces? Les avances sans intérêts peuvent elles être con- verties en indemnités définitives? A l’initiative de quelle autorité publique ces conver- sions interviendraient-elles? Quelle autorité indemnisera les coûts des analyses PCB visées par l’arrêté ministériel du 4 octobre 1999 de même que les frais liés à l’abattage de porcs néces- sité par ces analyses? Quelles sont les mesures concrètes qui ont été pri- ses en faveur d’entreprises en aval du secteur agricole en ce qui concerne les coûts de transport, de stockage et de destruction de certaines denrées alimentaires d’ori- gine animale ? Enfin , l’oratrice souhaite connaître les dernières pré- visions par secteur en ce qui concerne les nouvelles dépenses effectuées à partir du 1er octobre 1999 . M. Peter Vanhoutte (AGALEV-ECOLO) fait observer que la mise au point d’un régime d’indemnisation dans le cadre de la crise de la dioxine est une tâche difficile en raison de l’urgence commandée par la situation par- ticulièrement pénible que connaissent certaines entre- prises. Cette situation justifie pleinement la méthode de tra- vail appliquée jusqu’à présent par le gouvernement. L’in- tervenant préconise dès lors de poursuivre sur la même voie. Il se félicite par ailleurs des divers aspects retenus dans le projet de loi et qui annoncent les intentions du gouvernement quant à la future politique agricole. dering tot schadevergoeding tegen de Staat. Zodra de betrokkene namelijk onherroepelijk afziet van iedere vordering tegen de Staat, dan wel afstand doet van ge- ding, belandt hij in een situatie waarin hij zelfs bij bena- dering niet kan te weten komen op hoeveel steun hij zal kunnen rekenen. Binnen welke termijn zullen de betrok- kenen hun keuze moeten maken? De spreekster vindt het ongeoorloofd dat aan de landbouwsector in de ruime zin van het woord een solidariteitsbijdrage ten belope van 10 à 15 procent van de totale bijdrage wordt gevraagd, temeer daar vandaag nog niet nauwkeurig kan worden vastgelegd hoe hoog het totaalbedrag van de schadeloosstellingen zal liggen. Zal de omzetting van de terugvorderbare voorschot- ten in definitieve schadeloosstellingen met terugwer- kende kracht geschieden? Zullen die schadeloosstel- lingen 80 of 100 procent van de voorschotten bedragen? Zijn de renteloze voorschotten omzetbaar in defini- tieve schadeloosstellingen? Welke overheidsinstantie zal het initiatief nemen om die omzettingen te maken? Welke overheidsinstantie zal de op grond van het ministerieel besluit van 4 oktober 1999 uitgevoerde PCB- tests vergoeden, alsook de kosten die gepaard zijn ge- gaan met het slachten van varkens voor die tests? Welke concrete maatregelen werden genomen ten behoeve van ondernemingen die in de productieketen na de landbouwsector komen, met name inzake de kos- ten voor transport, opslag en vernietiging van bepaalde eetwaren van dierlijke oorsprong? Tot slot had de spreekster graag een laatste stand van zaken gekregen in verband met de nieuwe uitga- ven die sinds 1 oktober 1999 per sector werden ge- daan. Dhr. Peter Vanhoutte (AGALEV-ECOLO) stelt dat het uitwerken van een regeling inzake schadevergoeding in het kader van de dioxinecrisis een moeilijke opgave is, rekening houdend met de tijdsdruk die uitgaat van de bijzondere slechte situatie waarin sommige bedrij- ven verkeren. Dit verantwoordt meteen de tot nu toe gehanteerde werkwijze van de regering. Hij is er dan ook voorstan- der van die te blijven volgen. Overigens is hij tevreden met de verschillende as- pecten die in het wetsontwerp terug te vinden zijn en 11 0212/007 DOC 50 C H A M B R E 2 e S E S S I O N D E L A 5 0 e L É G I S L A T U R E K A M E R 2 e Z I T T I N G V A N D E 5 0 e Z I T T I N G S P E R I O D E 1999 2000 C’est ainsi que l’article 4 du projet de loi à l’examen prévoit que la totalité du dommage ne sera pas auto- matiquement indemnisée. Le secteur concerné assume en effet une part non négligeable de responsabilité. L’in- tervenant estime d’ailleurs que c’est à juste titre que le projet de loi à l’examen vise l’indemnisation des entre- prises familiales. Il attache également une grande im- portance au principe du lien direct de causalité. Les dif- férents acteurs ont une responsabilité collective et il n’appartient dès lors pas à l’autorité d’intervenir à tout propos pour aider un secteur donné à survivre. M. Pierre Lano (VLD) estime que, compte tenu de la gravité de la situation, il faut régler le plus rapidement possible la question de l’indemnisation des entreprises touchées par la crise. Le projet de loi à l’examen est dès lors d’une importance capitale pour le secteur con- cerné. Au demeurant, ce secteur n’est pas le seul à avoir souffert, la crise ayant en effet frappé l’ensemble de l’économie belge. Une certaine solidarité est dès lors de mise. Il s’est du reste avéré entre-temps que la res- ponsabilité de la crise n’incombe pas à une seule per- sonne, à une seule entreprise ni à un seul organisme, mais qu’elle est due à la mauvaise communication de l’information à tous les niveaux, et ce, dans toutes les directions. Au demeurant, la Commission européenne porte aussi sa part de responsabilité; étant donné qu’elle n’est pas intervenue au moment où il était possible d’agir. Cet aspect sera abordé lors de la création de l’agence fédérale ( ). Vu la technicité du projet à l’examen, l’inter- venant pose les questions suivantes: 1. Comment déterminera-t-on de manière précise le dommage subi? 2. Un montant de 25 milliards est prévu pour l’indem- nisation. Qu’adviendra-t-il s’il s’avère que ce montant est insuffisant? Comment calculera-t-on le montant de l’indemnité, qu’adviendra-t-il, d’une part, des sommes déjà versées à ce moment et, d’autre part, du dommage qui doit encore être indemnisé? M. Dirk Van der Maelen (SP) constate que certains secteurs, et en particulier le secteur laitier, avaient im- posé une diminution de prix aux agriculteurs dès le dé- but de la crise. Ce secteur a ainsi réalisé en fin de compte des bénéfices supplémentaires, du moins sur le mar- ché intérieur. Les éleveurs de vaches laitières pourraient également prétendre, en vertu de l’article 2 du projet de loi à l’examen, à une indemnisation non négligeable. Mais le secteur laitier pourrait, lui aussi, bénéficier d’une indemnisation en vertu de l’article 3 dudit projet. Sur la die een voorafspiegeling zijn van de intenties van de regering inzake het toekomstig landbouwbeleid. Zo voorziet artikel 4 van het voorliggend wetsontwerp dat niet automatisch alle schade ten volle zal worden vergoed. De betrokken sector draagt immers een niet te verwaarlozen verantwoordelijkheid. De spreker meent overigens dat het voorliggend wetsontwerp terecht de schadevergoeding van de gezinsgebonden bedrijven op het oog heeft. Voorts hecht hij groot belang aan het prin- cipe van het rechtstreeks oorzakelijk verband. Er is im- mers een gezamenlijke aansprakelijkheid van verschei- dene actoren en het is dan ook niet aan de overheid om te pas en te onpas bij te springen teneinde een bepaalde sector overeind te houden. Dhr. Pierre Lano (VLD) is de mening toegedaan dat men, gezien de ernst van de situatie, zo snel mogelijk werk moet maken van de regeling tot schadevergoe- ding voor de getroffen bedrijven. Het voorliggend wets- ontwerp is dan ook uiterst belangrijk voor de betrokken sector. Overigens heeft niet alleen die sector, maar de gehele Belgische economie, zwaar geleden. Enige soli- dariteit is dan ook gepast. Het is trouwens ondertussen duidelijk geworden dat de verantwoordelijkheid van de crisis niet bij één persoon, één bedrijf, noch één instel- ling te vinden is maar wel te zoeken is in een gebrek- kige communicatie op alle niveau’s en dit in alle richtin- gen. Overigens gaat de Europese Commissie ook niet geheel vrijuit, zij is immers niet tussengekomen op een moment dat dit mogelijk was. Toch moeten diegenen die aan de basis van de crisis liggen ook voor hun ver- antwoordelijkheid worden geplaatst. Dit aspect zal ter sprake komen bij de oprichting van het federaal agent- schap ( ). Ingaand op de techniciteit van het ontwerp stelt de spreker volgende vragen: 1. Hoe zal de schade precies worden bepaald? 2. Voor de schadevergoeding wordt een bedrag uit- getrokken van 25 miljard. Quid indien blijkt dat dit be- drag onvoldoende is? Hoe zal de schadevergoeding dan worden verrekend, wat met de op dat moment reeds uitbetaalde sommen enerzijds en de schade die nog te vergoeden is anderzijds. Dhr. Dirk Van der Maelen (SP) stelt vast dat bepaalde sectoren, in het bijzonder de zuivelsector, reeds van bij het begin van de crisis een prijsverlaging hadden opge- legd aan de boer. Zo heeft die sector zelf uiteindelijk, althans op de binnenlandse markt, een bijkomende winst opgestreken. De melkveehouders zouden ingevolge de toepassing van art. 2 van het voorliggend ontwerp ook aanspraak kunnen maken op een niet onbelangrijk be- drag aan schadevergoeding. Maar terzelfdertijd zou ook 12 0212/007 DOC 50 C H A M B R E 2 e S E S S I O N D E L A 5 0 e L É G I S L A T U R E K A M E R 2 e Z I T T I N G V A N D E 5 0 e Z I T T I N G S P E R I O D E 1999 2000 base de chiffres bruts, cette indemnisation s’élèverait à 400 millions de francs. L’intervenant estime dès lors que si le secteur laitier peut prétendre à une indemnisation, le montant de celle-ci devrait être déduit de la somme à laquelle le secteur laitier a droit. Le commissaire du gouvernement précise que l’arti- cle 3 du projet de loi à l’examen vise uniquement les entreprises dont l’activité première est exercée par l’agri- culteur même, par exemple, celles où l’on produit du beurre ou du yoghourt. L’industrie laitière n’est donc pas concernée en l’occurrence. Celle-ci relève d’ailleurs de la compétence des régions. L’intervenant réplique que l’on doit en tout cas pou- voir imputer d’une manière ou d’une autre l’indemnité de 400 millions de francs provenant de recettes fisca- les, qu’il s’agisse d’une matière régionale ou fédérale. Il s’intéresse également à la disposition qui prévoit que les entreprises pratiquant des prix d’achat contrac- tuels seront toujours tenues de prouver leur dommage réel et que dans certains cas, une aide ne sera accor- dée que moyennant subrogation de l’Etat dans les droits de l’entreprise concernée à l’égard de son co-contrac- tant. L’intervenant se rallie à cet égard à l’avis du Con- seil d’Etat et préconise d’inscrire explicitement l’obliga- tion de subrogation dans la loi. Enfin, il formule une observation concernant le cumul des indemnités. Des indemnités seront en effet versées tant au ni- veau fédéral qu’au niveau régional, ainsi que par des compagnies d’assurances privées. Il n’est dès lors pas exclu que des personnes indélicates se fassent éven- tuellement indemniser deux fois pour le même dom- mage. L’intervenant propose dès lors que le législateur crée, au sein du ministère de l’Agriculture, un point de signalement pour toutes les indemnités qui seront ver- sées dans le cadre de la crise de la dioxine. M. Robert Denis (PRL-FDF-MCC) soutient, au nom de son groupe, le projet de loi à l’examen, notamment parce qu’il permet de procéder rapidement aux indem- nisations rendues nécessaires par la crise de la dioxine et qu’il vient donc en aide à un secteur sinistré. Il appré- cie d’autant plus cette initiative du gouvernement que celui-ci, sans laisser s’écouler un temps précieux à at- tendre les résultats de la commission d’enquête «Dioxine», fait montre de sa fermeté et de sa réelle vo- lonté d’aider un secteur gravement touché. de zuivelsector, ingevolge de toepassing van art. 3 van het ontwerp, recht hebben op schadevergoeding. Op basis van ruwe gegevens zou dit neerkomen op een bedrag van 400 miljoen frank. De spreker meent dan ook dat indien de zuivelsector aanspraak kan maken op schadevergoeding, dit bedrag zou moeten worden afgetrokken van de som waarop de melksector recht heeft. De regeringscommissaris verduidelijkt dat men in art. 3 van het ontwerp enkel bedrijven bedoeld waar de eer- ste activiteit van de boer zelf wordt verricht, bvb. waar boter of yoghurt wordt gemaakt. Hierbij wordt de zuivel- industrie dus niet betrokken. Overigens ressorteert de zuivelnijverheid onder de bevoegdheid van de gewes- ten. De spreker repliceert dat men hoe dan ook de ver- goeding van 400 miljoen, afkomstig van belastingsgeld, op de één of andere wijze moet kunnen verrekenen, of het nu om een gewestelijke materie of een federale aan- gelegenheid gaat. Een andere vraag betreft de regeling die voorziet dat bedrijven die werken met contractuele afnameprijzen steeds hun reële schade dienen aan te tonen en dat in bepaalde gevallen slechts steun zal worden gegeven mits subrogatie van de Staat in de rechten van het be- trokken landbouwbedrijf ten aanzien van diens co- contractant. In dit verband treedt de spreker het advies van de Raad van State bij en is er voorstander van om de subrogatieplicht duidelijk in de wet te bepalen. Ten- slotte heeft de spreker nog een bedenking betreffende de samenloop van de schadevergoedingen. Er zullen namelijk zowel op federaal als op geweste- lijk niveau, alsook door private verzekeringsmaatschap- pijen vergoedingen worden uitgekeerd. Het is dan ook niet denkbeeldig dat malafide personen voor eenzelfde schadegeval zich eventueel tweemaal zullen laten ver- goeden. De spreker stelt dan ook voor om bij wet een meldpunt voor schadevergoedingen, uitgekeerd in het kader van de dioxinecrisis, op te richten bij het ministe- rie van Landbouw. Dhr. Robert Denis (PRL FDF MCC) steunt, in naam van zijn fractie het voorliggend wetsontwerp omdat het in de eerste plaats een snelle behandeling van de scha- devergoedingen inzake de dioxinecrisis toelaat en al- dus een zwaar getroffen sector tegemoet komt. Hij ap- precieert dit initiatief van de regering des te meer omdat, zonder kostbare tijd te laten voorbijgaan door de resul- taten van de onderzoekscommissie dioxine af te wach- ten, de regering hier blijk geeft van een krachtdadig optreden en een daadwerkelijke wil om een zwaar- gehavende sector uit de nood te helpen. 13 0212/007 DOC 50 C H A M B R E 2 e S E S S I O N D E L A 5 0 e L É G I S L A T U R E K A M E R 2 e Z I T T I N G V A N D E 5 0 e Z I T T I N G S P E R I O D E 1999 2000 Il est important, selon l’intervenant, que l’octroi d’indemnités soit lié au dommage réellement subi par suite de la crise de la dioxine. Il se rallie à cet égard à la proposition de M. Van der Maelen visant à centraliser l’enregistrement des indemnités octroyées afin d’éviter les doubles indemnisations. Il insiste par ailleurs auprès du ministre pour que le gouvernement s’attelle aussi rapidement à la mise en place d’une agence de sécurité alimentaire afin d’éviter à l’avenir ce genre de crises. M. Koen Bultinck (VLAAMS BLOK) juge le projet de loi en général beaucoup trop vague. Trop de points se- ront en effet réglés par arrêté royal. En ce qui concerne les indemnisations, s’il conçoit que l’on accorde une grande attention aux entreprises agricoles indépendantes, il se demande comment l’on définira ces entreprises. Il demande en outre quelle sera l’ampleur de l’indemnisation, si celle-ci sera intégrale ou non. L’intervenant demande également des préci- sions en ce qui concerne les conditions prévues pour obtenir des crédits de soudure. Il se demande par exem- ple si, eu égard aux conditions financières strictes, un jeune agriculteur qui a beaucoup investi dans son en- treprise ces dernières années pourra obtenir un tel cré- dit. Ce serait injuste qu’il ne puisse y prétendre. S’agis- sant de la création d’un fonds «dioxine», il estime logique que la cotisation de solidarité ne soit demandée ni par les agriculteurs, ni par le secteur des aliments pour bé- tail, qui ne manquera du reste pas de faire payer la note aux agriculteurs. Enfin, l’intervenant estime que les auteurs du projet de loi n’ont pas suffisamment tenu compte des observations formulées par le Conseil d’État en la matière. M. Jacques Chabot (PS) se félicite, au nom de son groupe, du dépôt du projet de loi à l’examen, parce qu’il répond aux besoins du secteur agricole qui a été grave- ment touché par la crise. Il souhaite toutefois attirer l’at- tention sur les points suivants: 1. Il faut veiller à ce que les entreprises agricoles ne cumulent pas les indemnités et/ou les interventions. Il fait dès lors sienne la proposition visant à rendre obli- gatoire l’enregistrement des indemnités versées dans le cadre de la crise de la dioxine. 2. Il faut bien définir la notion de dommage économi- que, étant donné que cette notion servira de base pour l’indemnisation. 3. En ce qui concerne le fait de soumettre les arrêtés d’exécution à la Commission européenne, l’intervenant demande quelle sera l’incidence sur les aides éventuel- Hij vindt het belangrijk dat men de uitkering van ver- goedingen koppelt aan de werkelijk geleden schade in- gevolge de dioxinecrisis. In dit verband treedt hij het voorstel van Dhr. Van der Maelen bij om via een cen- trale registratie van uitgekeerde vergoedingen een dub- bele uitkering te verkomen. Overigens dringt hij er bij de minister op aan dat de regering eveneens snel werk zou maken van de oprich- ting van een Agentschap voor de veiligheid van het voed- sel opdat dergelijke crises zouden kunnen worden voor- komen. Dhr. Koen Bultinck (VLAAMS BLOK), vindt het voor- liggende wetsontwerp in het algemeen veel te vaag. Er zal namelijk teveel bij K.B. worden geregeld. Wat de schadevergoeding betreft, gaat hij akkoord met het feit dat er een grote aandacht gaat naar de zelf- standige landbouwbedrijven maar hij vraagt zich af hoe die bedrijven zullen worden gedefinieerd. Verder wenst hij te vernemen wat de omvang van de schadevergoe- ding zal zijn, namelijk 100% of minder? De spreker wenst tevens verduidelijking omtrent de voorwaarden voor overbruggingskredieten. Rekening houdend met de strenge financiële voorwaarden terzake, zal, bvb. de jonge landbouwer die de laatste jaren veel in zijn bedrijf heeft geïnvesteerd, ervoor in aanmerking komen? Een negatief antwoord zou onrechtvaardig zijn. Wat de op- richting van een dioxinefonds betreft, meent hij dat het logisch is dat noch de landbouwers, noch de veevoeder- sector die overigens ongetwijfeld de factuur zal door- rekenen aan de landbouwers, vragende partij zijn voor een dergelijke solidariteitsbijdrage. Tenslotte is de spre- ker de mening toegedaan dat de indieners van het wetsontwerp te weinig rekening hebben gehouden met de opmerkingen van de Raad van State terzake. Dhr. Jacques Chabot (PS), verheugt zich, in naam van zijn fractie, over het voorliggend wetsontwerp om- dat het tegemoet komt aan de noden van de zwaar ge- troffen landbouwsector. Hij wenst evenwel op volgende punten de aandacht te vestigen: 1. Men moet er zich voor hoeden dat de landbouw- bedrijven de schadevergoedingen en/of tegemoetkomin- gen niet cumuleren. Hij treedt dan ook het voorstel tot het registreren van schadevergoedingen bij. 2. Het is nodig een het begrip economische schade goed te bepalen gezien dit begrip de grondslag voor schadevergoeding zal vormen. 3. Met betrekking tot het voorleggen van de te ne- men uitvoeringsbesluiten aan de Europese Commissie, vraagt spreker zich af wat de gevolgen zullen zijn voor 14 0212/007 DOC 50 C H A M B R E 2 e S E S S I O N D E L A 5 0 e L É G I S L A T U R E K A M E R 2 e Z I T T I N G V A N D E 5 0 e Z I T T I N G S P E R I O D E 1999 2000 les si la Commission ne marque pas son accord sur un ou plusieurs arrêtés royaux. L’ensemble du dispositif d’indemnisation sera-t-il menacé? 4. Il est important, en vue de prendre les arrêtés d’exé- cution nécessaires, d’établir, lors de l’examen du pré- sent projet, une distinction claire entre les entreprises autonomes et les entreprises intégrées. 5. Enfin, l’intervenant demande si le niveau fédéral pourrait prendre une initiative afin d’aider les intéressés à compléter les formulaires administratifs. Mme Annemie Van de Casteele (VU&ID) constate que la crise de la dioxine continue, aujourd’hui encore, à cau- ser des dommages. Elle souhaite par conséquent savoir jusqu’où on ira dans l’indemnisation des dommages su- bis. Comment délimitera-t-on la base à prendre en compte pour l’indemnisation? A titre d’illustration, elle attire l’at- tention sur le fait que l’actuelle obligation de certification continue de handicaper les exportations belges, ce qui nuit sérieusement à la compétitivité de nos entreprises. L’intervenante estime par conséquent que le gouverne- ment doit insister auprès des instances européennes pour que des normes aussi strictes soient imposées dans l’en- semble de l’Union. L’intervenante fait par ailleurs observer qu’il est logi- que, compte tenu des mesures d’aide prévues par le projet de loi à l’examen, que les compagnies d’assu- rances qui ont déjà établi des dossiers d’indemnisation observent de quel côté vient le vent avant de verser les indemnités prévues contractuellement. Le gouverne- ment tient-il compte de cet élément, de manière à évi- ter de présenter au contribuable l’addition qui incombe aux compagnies d’assurances? L’intervenante constate par ailleurs que la Commis- sion européenne a, sur la base de l’article 87 (2)(b) du Traité instituant la Communauté européenne, autorisé la Belgique à accorder des aides destinées à réparer des dommages causés par des «événements ex- traordinaires», mais elle voudrait savoir si la Commis- sion a subordonné cette autorisation à des conditions et si elle peut encore revenir sur la définition des «évé- nements extraordinaires». Enfin, elle s’interroge sur l’interprétation à donner à la notion d’entreprises dont l’activité principale consiste en la production d’autres produits repris sur la liste figu- rant à l’annexe 1 au Traité. Elle songe en particulier aux abattoirs, qui, bien que le Traité européen les assimile de eventuele uitkeringen indien de Commissie met één of meerdere van de Koninklijke Besluiten niet akkoord gaat. Wordt dan het gehele vergoedingsmechanisme op de helling geplaatst? 4. Het is belangrijk om, met het oog op de nodige uitvoeringsbesluiten, bij de bespreking van het voorlig- gende wetsontwerp een duidelijk onderscheid te ma- ken tussen de zelfstandige en de geïntegreerde bedrij- ven. 5. De spreker wenst tenslotte te vernemen of er van- uit het federaal niveau een initiatief kan worden geno- men om aan de rechthebbenden bijstand te verlenen bij het invullen van de administratieve formulieren? Mevr. Annemie Van de Casteele (VU&ID) stelt vast dat de schade ingevolge de dioxinecrisis tot op vandaag doorwerkt. Bijgevolg wenst zij te vernemen hoe ver men zal gaan bij het vergoeden van de opgelopen schade. Hoe zal de grondslag tot het uitkeren van schadever- goeding worden afgebakend? Ter illustratie wijst zij erop dat de huidige verplichte certifiëring tot op vandaag een handicap vormt voor de Belgische export hetgeen een ernstig concurrentienadeel betekent. De spreker meent dan ook dat de regering op Europees niveau er moet op aandringen dat dezelfde strenge normen over de ge- helen unie zouden worden opgelegd. De spreker vestigt er verder de aandacht op dat in- gevolge de voorgestelde regelingen zoals gelibelleerd in het voorliggende wetsontwerp, het logisch is dat de verzekeringsmaatschappijen die reeds schadedossiers hadden opgesteld, nu de kat uit de boom kijken alvo- rens de schadevergoedingen, waartoe zij contractueel gehouden zijn, uit te betalen. In hoeverre houdt de Re- gering daar rekening mee, opdat uiteindelijk niet de belastingbetaler de rekening van de verzekeringsmaat- schappijen zou betalen. Voorts stelt zij vast dat de Europese Commissie heeft aanvaardt dat België op grond van artikel 87 (2) (b) van het Verdrag steunmaatregelen tot herstel van schade ingevolge «buitengewone gebeurtenissen» neemt, maar spreker wenst te vernemen of daar voorwaarden zijn aan verbonden en of de Commissie op de bepaling van «buitengewone gebeurtenis» nog kan terugkomen. Tenslotte wijst zij op de interpretatie van onderne- mingen waarvan de hoofdactiviteiten bestaan in de productie van andere producten zoals opgenomen in bijlage 1 bij het Verdrag. Zij denkt hierbij in het bijzonder aan de slachthuizen die er tussenuit dreigen te vallen omdat zij volgens het Europese Verdrag wel gelijk- geschakeld worden met landbouwbedrijven maar waar- 15 0212/007 DOC 50 C H A M B R E 2 e S E S S I O N D E L A 5 0 e L É G I S L A T U R E K A M E R 2 e Z I T T I N G V A N D E 5 0 e Z I T T I N G S P E R I O D E 1999 2000 aux entreprises agricoles, risquent d’être laissés pour compte, étant donné qu’il n’est pas certain que le gou- vernement fédéral partage cette interprétation. Elle sou- haite connaître le point de vue du ministre à ce sujet. B. REPONSES DU MINISTRE DE L’AGRICULTURE Le ministre de l’Agriculture fournit les précisions sui- vantes. Répondant à une remarque formulée par un mem- bre, il précise que les pouvoirs publics ne sont pas seuls responsables de la crise de la dioxine. Il ressort des enquêtes qui ont été menées jusqu’à présent que les pouvoirs publics auraient sans doute mieux pu gérer la crise s’ils avaient fait preuve d’une plus grande vigilance, mais aucun lien de causalité n’a pu être établi. En ce qui concerne la numérotation des documents, il fait observer que la Commission européenne n’a auto- risé le gouvernement à prendre des mesures sur la base de l’article 87 du Traité CE qu’au mois d’août. La rédac- tion des textes a débuté à ce moment. L’avant-projet de loi a été transmis pour avis au Conseil d’État dans le courant du mois de septembre. Après avoir mis en oeuvre les observations du Conseil d’État, le gouver- nement a associé les régions à l’examen du texte en conseil des ministres. Bien que l’aide à l’Agriculture cons- titue une matière fédérale, certains aspects relèvent des compétences régionales et il s’indiquait dès lors de con- sulter ces entités. Enfin, le projet de loi à l’examen règle le cadre légis- latif pour l’octroi d’indemnités dans le cadre de la crise de la dioxine, mais la méthodologie devra être concréti- sée par arrêtés royaux. Il n’entre pas, à cet égard, dans les intentions du gouvernement de se substituer au lé- gislateur, mais il s’agit d’une méthode efficace pour ga- rantir l’exécution de la loi. - But du projet - Le but du projet reste la réparation intégrale des dom- mages subis à cause de la crise de la dioxine, et ce, à partir du début de la crise. Les interprétations erronées quant à l’importance des indemnités sont très probablement dues à une décision du gouvernement précédent concernant des avances récupérables à concurrence de 80 ou 60%. Le projet de loi à l’examen vise bel et bien la réparation intégrale des dommages. van het is niet duidelijk of de federale regering in die richting zal werken. Zij wenst het standpunt van de mi- nister terzake te kennen. B. ANTWOORDEN VAN DE MINISTER VAN LANDBOUW Voorafgaandelijk verduidelijkt de minister van Land- bouw het volgende; In antwoord op een opmerking van een van de le- den preciseert hij dat de verantwoordelijkheid voor de dioxinecrisis niet alleen bij de overheid ligt. De onder- zoeken die tot op heden zijn gevoerd tonen aan dat een alertere overheid de crisis wellicht beter had kunnen aanpakken, maar van een oorzakelijk verband is er geen sprake. Wat de nummering van de documenten betreft, wijst hij erop dat de regering pas in de maand augustus van de Europese Commissie de toestemming kreeg om maatregelen uit te werken op basis van artikel 87 van het Europees Verdrag. Vanaf die beslissing is men ge- start met het redigeren van de teksten. In de loop van de maand september heeft men het voorontwerp ter advies doorgestuurd naar de Raad van State. Na ver- werking van de opmerkingen van de Raad van State en bij de bespreking op de ministerraad heeft men over- leg gepleegd met de gewesten. Hoewel de steun aan de Landbouw een federale materie is, zijn er raakvlak- ken met de gewesten waardoor overleg aangewezen was. Tenslotte, het voorliggend wetsontwerp regelt de le- gale basis om schadevergoedingen in het kader van de dioxinecrisis uit te keren, maar de werkwijze zal moe- ten worden geconcretiseerd via Koninklijke Besluiten. Het is daarbij niet de bedoeling in de plaats te treden van de wetgever, het gaat wel om een efficiënte werk- wijze om de uitvoering van de wet te garanderen. - Doel van het ontwerp – Het streefdoel van het ontwerp blijft de volledige ver- goeding van de schade, opgelopen tengevolge van de dioxinecrisis, met als startpunt het begin van de crisis. De eventuele verkeerde interpretatie inzake de hoe- grootheid van de vergoeding is hoogstwaarschijnlijk te wijten aan een beslissing van de vorige regering inzake terugvorderbare voorschotten ten belope van 80 of 60%. In het voorliggend ontwerp wordt wel degelijk een volle- dige schadevergoeding beoogd. 16 0212/007 DOC 50 C H A M B R E 2 e S E S S I O N D E L A 5 0 e L É G I S L A T U R E K A M E R 2 e Z I T T I N G V A N D E 5 0 e Z I T T I N G S P E R I O D E 1999 2000 - Procédure - Les arrêtés d’exécution du projet de loi à l’examen régleront la mise en oeuvre concrète des indemnisa- tions. Les premières indemnités seront sans doute ver- sées dès avant la fin de l’année. Les dossiers estimés à quelque vingt mille pour le moment) ne pourront pas tous être traités complètement avant la fin de l’année. - Qui sera indemnisé? - Il est clair qu’il n’est pas évident de préciser qui sera indemnisé. Il est entendu que les indemnités ne pour- ront bénéficier à ceux qui se sont enrichis, d’une ma- nière ou d’une autre, à la suite de la crise. Un des arrê- tés royaux précisera comment faire la distinction. Les entreprises autonomes n’appartenant pas au secteur intégré pourront, par exemple, prétendre à une indem- nité. Par ailleurs, les entreprises liées par des contrats prévoyant des prix garantis et qui ont tout de même glo- balement subi des dommages pourront également pré- tendre à une indemnisation. - Concertation avec les régions - Le ministre précise qu’un accord a été conclu avec les régions. - Procédures juridiques en cours - Il sera donné communication du nombre de procé- dures qui ont été intentées à ce jour contre l’État belge depuis le début de la crise de la dioxine. - Indemnisation de tout ou partie du dommage - En vertu des articles 87 (2) (b) et 3 du Traité insti- tuant la Communauté européenne, le dommage subi peut être intégralement indemnisé. Le ministre précise toutefois que la formule «tout ou partie du dommage» doit permettre, lors de l’examen des dossiers, de refu- ser de verser des indemnités indues ou de récupérer des indemnités indûment versées. Le ministre précise que c’est précisément lors de l’examen de dossiers qu’il s’est avéré que la mesure consistant à indemniser inté- gralement le dommage ne pouvait pas être appliquée de manière linéaire. Indemnisation phasée Dans un premier temps, conformément à l’article 87 (1) et (2) du Traité de Rome, ce sont toutes les entrepri- ses dont les animaux ont été détruits qui seront indem- nisées. - Procedure - De uitvoeringsbesluiten genomen op grond van voor- liggend wetsontwerp zullen de uitkeringen concretise- ren. Wellicht worden de eerste vergoedingen nog voor het einde van dit jaar uitgekeerd. Een volledige afhandeling van alle dossiers, geraamd op een 20.000- tal, zal niet voor het einde het jaar zijn afgerond. - Wie wordt vergoed ? - Het is duidelijk dat het niet evident is te bepalen wie precies zal worden vergoed. Het is een uitgemaakte zaak dat de uitkeringen niet ten goede kunnen komen aan diegenen die zich ingevolge de crisis op een of andere wijze hebben verrijkt. Het precieze verschil wordt uitge- werkt in een van de KB’s. Hierbij zullen bvb. de zelf- standige bedrijven die niet tot de integratiesector beho- ren in aanmerking komen voor een vergoeding. Anderzijds zullen bedrijven met een prijsgarantiecontract die over het geheel genomen toch schade hebben ge- leden, eveneens in aanmerking kunnen komen. - Overleg met de gewesten - De minister verduidelijkt dat er met de gewesten een akkoord is. - Lopende juridische procedures - Het aantal procedures die vanaf het begin van de dioxinecrisis tot op heden zijn ingeleid tegen de Belgische staat zal worden meegedeeld. - Vergoeding: Deel van de schade of gehele schade - Op grond van de toepassing van art. 87 (2) (b) en 3 van het Europees Verdrag kan de gehele schade wor- den vergoed. De minister preciseert evenwel dat de libel- lering «ten dele of geheel» moet toelaten om tijdens de beoordeling van de dossiers de onrechtmatige uitkerin- gen te weren, of reeds uitgekeerde vergoedingen die onrechtmatig waren, terug te vorderen. De minister ver- duidelijkt dat juist de reeds behandelende dossiers heb- ben aangetoond dat de maatregel, uitkering van de ge- hele schade, niet lineair mag worden uitgevoerd. Gefaseerde schadeloosstelling In een eerste fase worden - overeenkomstig artikel 87 (1) en (2) van het Verdrag van Rome al die bedrijven vergoed waarvan de dieren zijn vernietigd. 17 0212/007 DOC 50 C H A M B R E 2 e S E S S I O N D E L A 5 0 e L É G I S L A T U R E K A M E R 2 e Z I T T I N G V A N D E 5 0 e Z I T T I N G S P E R I O D E 1999 2000 L’indemnisation phasée est préférable à l’indemnisa- tion linéaire, qui pourrait engendrer des situations iné- quitables et des complications ultérieures. Conformément au droit européen, l’indemnisation ne peut en tout état de cause excéder le dommage subi. Entrée en vigueur de la loi Il importe que la loi entre en vigueur dans les plus brefs délais, et ce, pour diverses raisons: en premier lieu, les indemnités qui seront versées en vertu de la loi en projet seront imputées sur le budget de 1999; en- suite, le gouvernement entend relancer le plus rapide- ment possible le secteur touché par la crise de la dioxine. Il est entendu que la plupart des modalités d’exécu- tion seront réglées par arrêté royal. Il n’est cependant pas question en l’occurrence d’une loi-cadre ou d’arrê- tés de pouvoirs spéciaux, étant donné que le Roi ne se voit conférer aucun autre pouvoir que ceux qui lui sont conférés par la loi. Le parlement sera tenu informé de façon permanente de l’état d’avancement et de la teneur des arrêtés d’exé- cution tant royaux que ministériels. Il est cependant pré- maturé de procéder à cette information au stade actuel, étant donné qu’on réfléchit encore à une formulation des modalités d’exécution aussi claire et pratique que possible. Imposabilité des indemnités En principe, les indemnités seront imposables. Tou- tefois, à l’instar de ce qui se passe pour d’autres primes accordées dans le secteur agricole, les associations agricoles et le ministre des Finances se concertent sur la manière dont ces indemnités seront imposées con- crètement. Démantèlement partiel du secteur agricole Les mesures exceptionnelles prises dans le cadre de la crise de la dioxine n’ont rien à voir avec le déman- tèlement prévu du secteur à concurrence de 20%. Ce démantèlement structurel constitue du reste une ma- tière régionale. Organisme de paiement La Banque nationale était disposée à fournir les fonds nécessaires aux indemnisations. On pourrait également faire appel, le cas échéant, au Bureau d’intervention et de restitution belge (BIRB), qui a une grande expérience en la matière. L’avantage de cette dernière solution, c’est qu’il ne faudrait pas s’adresser à la Banque nationale. De gefaseerde schadeloosstelling is te verkiezen boven een lineaire, die onrechtmatige toestanden en latere complicaties zou kunnen teweegbrengen. Alleszins mag luidens het Europees recht de scha- deloosstelling de geleden schade niet te boven gaan. Inwerkingtreding wet De wet moet zo snel mogelijk in werking treden, en dit om meerdere redenen : ten eerste zullen de vergoe- dingen die zullen worden uitbetaald ingevolge de ter bespreking voorliggende wet worden aangerekend op de begroting van 1999 ; ten tweede wil de regering de door de dioxinecrisis getroffen sector zo vlug mogelijk weer op de been helpen. De meeste uitvoeringsmodaliteiten worden uiteraard bij koninklijk besluit geregeld. Toch is hier geen sprake van kaderwet of van volmachtbesluiten vermits de Ko- ning geen andere bevoegdheden worden toegekend dan degene die de wet hem toekent. Het parlement zal permanent over de stand van za- ken en over de inhoud van de uitvoeringsbesluiten - zowel koninklijke als ministeriële - op de hoogte worden gehouden. Het is evenwel voorbarig dit in het huidig sta- dium te doen vermits nog wordt nagedacht over de manier waarop de uitvoeringsmodaliteiten zo praktisch en duidelijk mogelijk kunnen worden geformuleerd. Belastbaarheid schadeloosstellingen In principe zullen de vergoedingen belastbaar zijn. Zoals dat echter ook het geval is met andere landbouw- premies, overleggen de landbouworganisaties met de minister van Financiën over de manier waarop dit con- creet zal gebeuren. Afbouw landbouwsector De uitzonderlijke maatregelen, genomen in het ka- der van de dioxinecrisis, hebben geen uitstaans met de vooropgestelde afbouw van de sector ten belope van 20 %. Deze structurele afbouw is overigens een gewest- materie. Uitbetalingsinstelling De Nationale Bank was akkoord om de schade- bedragen beschikbaar te stellen. Evenwel kan het Bel- gische Interventie- en Restitutiebureau (BIRB), dat in deze materie op een ruime ervaring kan bogen, voor hetzelfde doel worden ingeschakeld. Dit zou als voor- deel hebben dat de Nationale Bank niet hoeft te wor- den aangesproken. 18 0212/007 DOC 50 C H A M B R E 2 e S E S S I O N D E L A 5 0 e L É G I S L A T U R E K A M E R 2 e Z I T T I N G V A N D E 5 0 e Z I T T I N G S P E R I O D E 1999 2000 Bilan réel des indemnisations Le premier ministre a déjà communiqué des chiffres à ce sujet. Il s’agit actuellement d’un montant de 1,8 milliard de francs. Mais les chiffres exacts - tels qu’ils ont été arrêtés à ce stade, mais peuvent encore évo- luer à la suite des arrêtés d’exécution - seront joints au présent rapport. Information des victimes Les organisations paysannes, dont les quatre plus importantes se sont regroupées au sein du «front agro», devront informer leurs membres des modalités de ver- sement des aides. Il va sans dire que les pouvoirs pu- blics soutiennent cette initiative. Tout dommage doit être prouvé. S’il n’est pas tenu compte de la souffrance morale endurée, c’est que celle- ci est difficile à évaluer et encore plus à prouver. Conférence interministérielle Cette conférence consiste actuellement en une réu- nion structurelle bimestrielle, au cours de laquelle les régions peuvent faire inscrire à l’ordre du jour les points qu’elles souhaitent voir aborder. Cotisation de solidarité Le commissaire du gouvernement précise que la cotisation de solidarité vise à alléger quelque peu la charge qui pèse sur les contribuables en mettant le sec- teur même à contribution. Les cotisations de solidarité peuvent être subdivisées en trois catégories : 1° La Fédération des industries alimentaires de Bel- gique (FIA) estime qu’un montant de 400 millions de francs établi sur une période de trois ans est envisa- geable, à condition, toutefois, que ce montant soit af- fecté à la réalisation de projets spécifiques, visant no- tamment à améliorer l’image des produits alimentaires belges à l’étranger. 2° Le secteur agricole même pourrait verser une con- tribution de 200 millions de francs pendant trois ans, ce qui représenterait une dépense de 1 OOO à 1 500 francs par an par agriculteur. Cette contribution serait toutefois liée à la demande de créer un fonds permettant de mieux faire face aux crises de ce type. Reële balans schadeloossstellingen De eerste minister heeft ter zake reeds cijfers mee- gedeeld. Thans gaat het om een bedrag van 1,8 miljard frank. De exacte cijfers - zoals die thans zijn vastgelegd maar ingevolge de uitvoeringsbesluiten nog kunnen evolueren - zullen evenwel bij dit verslag worden ge- voegd. Informatie slachtoffers De boerenorganisaties, waarvan de vier grootste zich hebben gegroepeerd in het agro-front, zullen hun leden op de hoogte moeten stellen van de manier waarop de uitbetaling in zijn werk zal gaan. De overheid steunt dit initiatief uiteraard. Alle schade moet worden bewezen. Dat het geleden leed hierbij niet in aanmerking komt, is te wijten aan het feit dat die moeilijk is in te schatten, laat staan aan te tonen. Interministeriële conferentie Deze conferentie is thans een tweemaandelijkse, structurele vergadering, waar de Gewesten punten die zij behandeld wensen te zien, op de dagorde kunnen plaatsen. Solidariteitsbijdrage De solidariteitsbijdrage is bedoeld, aldus de rege- ringscommissaris, om de last die op de schouders van de belastingbetaler ligt, enigszins te verlichten door bij- dragen uit de sector zelf. De solidariteitsbijdragen kunnen in drie categorieën worden ingedeeld : 1° voor de federatie van de Belgische voedings- industrie (FVB) is een bedrag van 400 miljoen frank gespreid over een periode van drie jaar bespreekbaar. Ze stelt evenwel als voorwaarde dat dit bedrag zou wor- den besteed aan specifieke projecten, onder meer ter verbetering van het imago van Belgische voedingsproducten in het buitenland. 2° De landbouwsector zou gedurende drie jaar 200 miljoen frank kunnen inbrengen. Dat zou iedere land- bouwer 1.000 à 1.500 frank per jaar kosten. Wel wordt dit gekoppeld aan de vraag om een fonds op te richten dat tot doel zou hebben soortgelijke crisissen beter op te vangen. 19 0212/007 DOC 50 C H A M B R E 2 e S E S S I O N D E L A 5 0 e L É G I S L A T U R E K A M E R 2 e Z I T T I N G V A N D E 5 0 e Z I T T I N G S P E R I O D E 1999 2000 3° Il sera demandé au secteur des aliments pour bétail de verser une somme de 120 millions. Il faudra encore obtenir des autres partenaires qu’ils versent quelque 280 millions de francs sur une période de trois ans. Le gouvernement espère que ce système pourra continuer à fonctionner sur une base volontaire, mais n’exclut pas de le rendre obligatoire si cela s’avérait nécessaire. Critère d’autonomie C’est le secteur lui-même qui a demandé de n’indem- niser que les entreprises autonomes. Un arrêté royal prévoira néanmoins la possibilité d’indemniser égale- ment les entreprises qui ne peuvent pas être qualifiées d’autonomes, mais qui prouvent qu’elles ont subi un dommage dû à la crise de la dioxine. Le seul critère existant a été repris du Plan lisier de la Région flamande (MAP). En Wallonie on n’a en effet encore jamais utilisé un tel critère. Les entreprises qui ont conclu des contrats compor- tant des prix d’achat garantis doivent fournir la preuve que, malgré l’existence de ces contrats, elles ont subi un dommage. Avances récupérables Le gouvernement a décidé que les avances versées aux éleveurs ne doivent pas être remboursées. Accord des régions Dans son avis, le Conseil d’État a estimé que l’ac- cord des régions était requis. Les gouvernements con- cernés ont donné leur accord. Dans les circonstances actuelles, il n’est dès lors plus nécessaire de conclure un accord de coopération. Estimation du dommage total Le commissaire du gouvernement indique que le dommage total est estimé approximativement à 25 mil- liards de francs à charge du budget fédéral de 1999. Il va sans dire que ce montant influence les dépenses globales de l’État et le pacte de stabilité. Au cours de la législature précédente, certaines dépenses exception- nelles de l’État ont été dissimulées sous la forme de montants débudgétisés. L’estimation du dommage total ne signifie pas que le gouvernement fixe une enveloppe à concurrence de ce montant, qui ne pourrait être dépassée. 3° De veevoedersector wordt gevraagd 120 miljoen frank op te hoesten. Een slordige 280 miljoen over een periode van drie jaar zullen nog bij andere partners moeten worden los- geweekt. De regering hoopt dit systeem vrijwillig te kunnen houden, maar sluit niet uit het verplichtend te maken indien dit nodig zou blijken. Zelfstandigheidscriterium Het is de sector zelf die heeft gevraagd alleen de zelfstandige bedrijven te vergoeden. Niettemin zal een koninklijk besluit voorzien in de mogelijkheid ook bedrij- ven die niet als zelfstandig kunnen worden bestempeld maar aantonen dat ze schade hebben geleden inge- volge de dioxinecrisis schadeloos te stellen. Het enige bestaande criterium werd uit het Vlaamse Mest Actie Plan (MAP) gehaald. In Wallonnië is derge- lijk criterium immers nog nooit gehanteerd geworden. De bedrijven die contracten hebben afgesloten met aankoopprijsgarantie moeten het bewijs leveren dat hun bedrijf ondanks het bestaan van die contracten schade heeft geleden. Terugvorderbare voorschotten De regering heeft beslist dat de aan kwekers uitbe- taalde voorschotten niet hoeven te worden terugbetaald. Instemming Gewesten Het advies van de Raad van State stelde dat de in- stemming van de Gewesten vereist was. De betreffende regeringen hebben die gegeven. Een samenwerkings- akkoord ter zake is in de huidige omstandigheden niet nodig. Raming totale schade De totale schade wordt ruw geschat, zo stelt de re- geringscommissaris, op 25 miljard frank ten laste van de federale begroting van 1999. Dit bedrag heeft uiter- aard een invloed op de totale overheidsuitgaven en op het stabiliteitspact. Tijdens de vorige legislatuur werden uitzonderlijke overheidsuitgaven weggemoffeld onder de vorm van gedebudgetteerde bedragen. De raming van de totale schade impliceert niet dat de regering een enveloppe ten belope hiervan samen- stelt, die niet overschreden zou kunnen worden. 20 0212/007 DOC 50 C H A M B R E 2 e S E S S I O N D E L A 5 0 e L É G I S L A T U R E K A M E R 2 e Z I T T I N G V A N D E 5 0 e Z I T T I N G S P E R I O D E 1999 2000 Le dommage économique - abstraction faite du dom- mage commercial résultant du manque à gagner - peut être estimé à 5 milliards de francs. Les estimations an- térieures des dommages, communiquées au manager de crise, M. Chaffart, étaient nettement supérieures, mais contenaient très probablement des postes repris deux fois. Le commissaire du gouvernement précise qu’il a été convenu avec les différents secteurs qu’ils rédige- raient un document coordonné. Jusqu’à présent, seule l’industrie de l’alimentation a dressé un tel inventaire général. Le document coordonné englobera tous les secteurs. Les mesures de rachat représentent 12 à 15 milliards de francs. Les garanties consenties par l’État à hauteur de 50% sur les crédits de soudure dans le cadre du protocole conclu avec l’Association belge des banques (DOC 50 212/002) se montent actuellement à 80 millions de francs. Ce montant - qui couvre quelque 70 dossiers - est tellement modeste que l’État ne sera même pas tenu de se réassurer. Le nombre d’entreprises intéressées par ce type de crédit sera d’ailleurs d’autant moins im- portant que l’autorité prévoit un régime d’indemnisation rapide. Le système sera éventuellement prolongé au- delà du 30 novembre prochain. Enfin, les frais de destruction s’élèvent à cinq mil- liards de francs. Le budget de 1999 sera ajusté à concurrence de ce montant, dont l’essentiel sera imputé soit au budget du département de la Santé publique (16,472 milliards de francs), soit à celui du département de l’Agriculture (9,153 milliards de francs). Un montant de quelque qua- tre à cinq milliards de francs sera économisé sur les remboursements de la dette publique. Le ministre du Budget rédigera une note à cet égard. Tous ces montants ne tiennent évidemment pas compte d’une perte de revenus de quelque 18 milliards de francs. Si l’on ajoute cette dernière somme au mon- tant prévu de 25 milliards de francs, on arrive à peu près aux chiffres cités par le manager de crise, M. Chaffart. Obligation d’information dans le chef des régions Étant donné qu’il est tenu compte des indemnisations accordées éventuellement par les régions, il convient de prévoir en la matière une obligation d’information dans le chef des régions afin d’assurer une transpa- rence maximale. On ne peut perdre de vue que les aides aux entrepri- ses, y compris dans le secteur des aliments pour bétail, relèvent de la compétence exclusive des régions. De economische schade - zonder hierbij echter de commerciële schade onder de vorm van winstderving te rekenen - kan worden geraamd op 5 miljard frank. De eerdere schaderamingen, die aan crisimanager Chaffart werden meegedeeld, lagen veel hoger, maar bevatten hoogstwaarschijnlijk posten die tweemaal werden aan- gerekend. De regeringscommissaris preciseert dat met de verschillende sectoren is afgesproken dat ze een gecoördineerd document zouden opstellen. Tot dusver had alleen de voedingsnijverheid een dergelijk overzicht gemaakt. Het gecoördineerd document zal alle secto- ren omvatten. De opkoopregelingen bedragen 12 à 15 miljard frank. De staatswaarborgen van 50 % op de overbruggings- kredieten ingevolge het Protocol met de Vereniging van Banken (Stuk nr. 212/2) bedragen thans circa 80 mil- joen frank. Dit bedrag - dat overeenstemt met zo’n 70 dossiers - is zo bescheiden dat de Staat er zich zelfs niet voor zal hoeven te herverzekeren. In de mate dat de overheid een snelle schaderegeling in het vooruit- zicht stelt, zullen trouwens minder belangstellenden voor dit type van kredieten opdagen. Het systeem zal na 30 november eerstkomend eventueel worden verlengd. Ten slotte bedragen de vernietigingskosten 5 miljard frank. De begroting van 1999 zal ten belope van dit bedrag worden aangepast, waarvan het grootste gedeelte het- zij op het budget van het departement Volksgezondheid (16,472 miljard frank), hetzij op dat van het departe- ment Landbouw (9,153 miljard frank) zal worden aan- gerekend. Ongeveer 4 à 5 miljard frank zullen worden bespaard op aflossingen van de overheidsschuld. De minister van Begroting zal hieromtrent een nota opstellen. In al deze bedragen wordt uiteraard geen rekening gehouden met zo’n 18 miljard inkomstenderving. Telt men dit laatste bedrag bij de vooropgestelde 25 miljard frank, dan komt men uit in de buurt van de cijfers van crisismanager Chaffart. Meldingsplicht Gewesten Aangezien met eventuele gewestelijke schadeloos- stellingen rekening wordt gehouden, past het dat de Gewesten ter zake een meldingsplicht hebben teneinde de grootst mogelijke doorzichtigheid te verzekeren. Er mag niet uit het oog worden verloren dat de steun aan de bedrijven een louter gewestelijke materie is, in- clusief in de veevoedersector. 21 0212/007 DOC 50 C H A M B R E 2 e S E S S I O N D E L A 5 0 e L É G I S L A T U R E K A M E R 2 e Z I T T I N G V A N D E 5 0 e Z I T T I N G S P E R I O D E 1999 2000 Par le passé, la Commission européenne a annulé une aide wallonne, la seule dont le ministre ait à ce jour connaissance au niveau des régions. Taux des crédits de soudure Les taux des crédits de soudure sont inférieurs de 1 % aux taux pratiqués sur le marché. Notification de la loi «dioxine» Il va de soi que le projet à l’examen est lié au projet de loi relatif à la sécurité alimentaire qui doit être dé- posé. Le commissaire du gouvernement ajoute que, vu l’urgence, le projet de loi à l’examen n’a néanmoins été notifié que de manière informelle à la Commission euro- péenne, et ce, le 13 septembre dernier. La direction générale VI de la Commission européenne a donné son accord informel. Cela est dû au fait qu’une notification formelle aurait empêché que la loi soit publiée au Moni- teur belge avant le 1er janvier 2000 et entre en vigueur immédiatement. Tests de dépistage de PCB Le système de certification ne sera plus obligatoire. Les fabricants d’aliments pour bétail devront toutefois se soumettre à des tests PCB, qui seront complétés chaque année par 12 000 tests comme programme de monitoring sur l’ensemble du secteur. C. RÉPLIQUES M. Yves Leterme (CVP) insiste sur l’écart important existant entre le chiffre de 25 milliards et les montants cités précédemment, alors que la crise faisait rage. Le fait que ce montant pourra être inscrit au budget de 1999, moyennant un ajustement, atteste une fois de plus l’ex- cellence de ce budget. Mme Frieda Brepoels (VU&ID) relève une discor- dance entre le texte du projet de loi transmis aux ré- gions et le texte à l’examen. Cette divergence porte con- crètement sur l’article 5, 4°, dans lequel les mots «à l’égard des preneurs de bétail et des fournisseurs» ont apparemment été supprimés. M. Pierre Lano (VLD) félicite le ministre et le commis- saire du gouvernement pour le travail effectué en fa- veur des petits agriculteurs. L’intervenant suggère au De Europese Commissie heeft in het verleden een Waalse steunmaatregel, de enige die de minister tot dusver bekend is op het niveau van de Gewesten, on- gedaan gemaakt. Tarieven overbruggingskredieten De tarieven voor de overbruggingskredieten liggen 1 % lager dan de markttarieven. Notificatie dioxinewet Uiteraard wordt dit wetsontwerp gekoppeld aan het in te dienen wetsontwerp inzake voedselveiligheid. Niettemin is, zo voegt de regeringscommissaris er- aan toe, om redenen van hoogdringendheid, het thans ter bespreking voorliggende wetsontwerp slechts infor- meel genotificeerd aan de Europese Commissie, en wel op 13 september jongstleden. Het directoraat-generaal VI van de Europese Commissie heeft informeel haar instemming gegeven. Een en ander heeft te maken met het feit dat een formele notificatie zou verhinderd heb- ben dat de wet voor 1 januari 2000 in het Belgisch Staats- blad verschijnt en onmiddellijk in werking treedt. PCB-testen Het certificatensysteem zal niet meer verplicht zijn. Aan de veevoederbedrijven zullen evenwel PCB-testen worden opgelegd, die aangevuld zullen worden met jaar- lijks 12.000 testen als monitoring over heel de sector. C. REPLIEKEN De heer Yves Leterme (CVP) onderstreept hoe schril de 25 miljard frank afsteken tegen eerder in volle crisis genoemde bedragen. Het feit dat dit bedrag op de be- groting van 1999 mits een aanpassing zal kunnen wor- den ingeschreven, toont nog maar eens aan hoe goed deze begroting was. Mevrouw Frieda Brepoels (VU&ID) wijst op een inconsistentie tussen de tekst van het wetsontwerp die werd voorgelegd aan de Gewesten en die welke thans ter bespreking voorligt. Het betreft concreet artikel 5, 4°, waarin de woorden «ten aanzien van afnemers en leveranciers» ogenschijnlijk zijn geschrapt. De heer Pierre Lano (VLD) feliciteert de minister en de regeringscommissaris voor het gepresteerde werk ten voordele van de kleine landbouwers. Spreker ver- 22 0212/007 DOC 50 C H A M B R E 2 e S E S S I O N D E L A 5 0 e L É G I S L A T U R E K A M E R 2 e Z I T T I N G V A N D E 5 0 e Z I T T I N G S P E R I O D E 1999 2000 gouvernement de procéder dès que possible au paie- ment des aides. Il serait utile de définir un montant en dessous duquel le dommage ne devrait pas être prouvé, et ce, pour permettre le traitement simultané de toute une série de dossiers. Les dossiers portant sur des montants de plusieurs millions pourraient ainsi faire l’ob- jet d’une attention toute particulière. M. Koen Bultinck (Vl. Blok) précise que s’il a déclaré que les pouvoirs publics étaient les principaux respon- sables de la crise, il n’a pas voulu dire qu’ils étaient les seuls coupables. L’intervenant se félicite que les taux des crédits de soudure soient inférieurs de 1 % aux taux du marché. M. Robert Denis (PRL FDF MCC) ne pense pas que l’on puisse sous-estimer une crise de cette ampleur. Les pertes indirectes sont en effet impossibles à évaluer. Le dispositif en projet tranche en tout cas nettement avec la manière peu transparente dont le gouvernement pré- cédent a tenté de juguler la crise. D. AUDITIONS 1. Audition de M. Devisch, président du « Boe- renbond » L’intervenant estime que s’il n’est nullement respon- sable de la crise de la dioxine, le secteur agricole subit par contre pleinement les conséquences économiques des mesures prises par le gouvernement afin de proté- ger la santé publique. En ce qui concerne le dommage subi par les entre- prises agricoles, il convient d’opérer la distinction entre les formes suivantes de dommage : - le dommage subi par les entreprises contaminées et bloquées, qui, à l’heure actuelle, n’a non seulement pas été indemnisé à 80%, mais pas même à 50%. Le prix de revient, qui a effectivement été indemnisé à 80%, ne comprend en effet ni le travail ni la valeur d’élevage des animaux éliminés. Les pouvoirs publics n’ont pas accédé à la demande d’indemnisation complémentaire en la matière, même pas dans le cadre du projet de loi à l’examen ; - le dommage économique se présentant sous la forme de pertes de parts de marché. D’après les cal- culs du Centrum voor Landbouweconomie, ce dom- mage s’élevait déjà à 7,5 milliards de francs fin août 1999. Force est de constater dans l’intervalle que, faute d’initiative énergique des pouvoirs publics en matière de stocks à l’étranger, les exportations de porcs et de volaille ne se sont pas redressées comme on l’avait oorlooft zich een wenk aan de regering teneinde de uit- betalingen zo vlot mogelijk te laten verlopen. Het zou nuttig zijn een schijf te bepalen beneden dewelke de schade niet moet worden aangetoond, om een hele reeks dossiers in een klap te regelen. Aan de miljoenen- dossiers zou dan des te meer zorg kunnen worden be- steed. De heer Koen Bultinck (Vl. Blok) preciseert dat hij de hoofdverantwoordelijkheid bij de overheid heeft gelegd, maar niet heeft bedoeld dat de overheid de enige schul- dige is. Spreker verheugt zich over het feit dat de tarie- ven inzake overbruggingskredieten 1 % lager liggen dan de commerciële tarieven. De heer Robert Denis (PRL FDF MCC) is niet van mening dat men een crisis van die omvang kan onder- schatten. Immers, de indirecte verliezen zijn onschat- baar. De regeling steekt in ieder geval schril af tegen de weinig doorzichtige aanpak waarmee de vorige rege- ring de crisis heeft gepoogd te bezweren. D. HOORZITTINGEN 1. Hoorzitting met de heer Devisch, voorzitter van de Boerenbond Volgens spreker treft de landbouwsector geenszins schuld aan de dioxinecrisis maar draagt hij daarente- gen ten volle de economische gevolgen van de maat- regelen die door de regering ter beveiliging van de volks- gezondheid werden getroffen. Wat de schade op de landbouwbedrijven betreft, moet een onderscheid worden gemaakt tussen volgende vor- men : - de schade op gecontamineerde en geblokkeerde bedrijven, die heden niet voor 80% , maar voor zelfs nog geen 50% werd vergoed. Immers, in de kostprijs die inderdaad voor 80 % werd vergoed, is noch de ar- beid, noch de fokwaarde van de opgeruimde dieren verrekend. Op de vraag naar een aanvullende schade- regeling terzake is de overheid niet ingegaan, ook niet naar aanleiding van het voorliggend wetsontwerp ; - de economische schade, onder de vorm van marktschade. Volgens de berekeningen van het Cen- trum voor Landbouweconomie bedroeg deze schade einde augustus 1999, reeds 7,5 miljard frank. Intussen moet er vastgesteld worden dat, bij gebrek aan door- tastend overheidsinitiatief inzake de stocks in het bui- tenland, de export van varkens en pluimvee zich niet heeft hersteld, zoals werd verwacht en voorzien. Dit 23 0212/007 DOC 50 C H A M B R E 2 e S E S S I O N D E L A 5 0 e L É G I S L A T U R E K A M E R 2 e Z I T T I N G V A N D E 5 0 e Z I T T I N G S P E R I O D E 1999 2000 escompté et prévu. Aussi s’impose-t-il de réévaluer le dommage subi au niveau du marché, qui sera nette- ment supérieur à la première estimation, qui s’élevait à 7,5 milliards de francs. Le dommage subi par les entreprises est donc énorme. Nombreuses sont dès lors celles dont la situa- tion est actuellement très précaire. Les crédits de sou- dure ne constituent qu’une solution provisoire : les det- tes devront être remboursées tôt ou tard. Seule une indemnisation intégrale et définitive permet en l’occur- rence de remédier à la situation. L’intervenant estime que le projet à l’examen, qui devrait constituer le fondement légal de l’indemnisation du dommage subi par les entreprises, appelle les ob- servations et critiques suivantes : A. Le principe de l’indemnisation intégrale Dès le départ, les responsables politiques avaient promis aux agriculteurs que tous les dommages (tant directs qu’indirects, comme, par exemple, les domma- ges subis au niveau des parts de marché) seraient in- demnisés. Or, le projet de loi à l’examen ne tient pas cette pro- messe. L’intervenant souligne à cet égard la formula- tion des articles 4, 5 et 9 : L’article 4 précise que l’État peut accorder (et non «accordera») des aides. En d’autres termes, même lors- que le projet aura été voté, il n’est pas sûr que des aides seront effectivement accordées. L’article précise en outre que l’État peut accorder des aides en vue de couvrir tout ou partie du dommage subi. Le gouvernement ne s’engage donc pas non plus, en l’occurrence, à indemniser intégralement les domma- ges subis, bien que les autorités européennes l’aient autorisé et que l’autorité fédérale en ait fait la promesse à plusieurs reprises. Il n’est par ailleurs précisé nulle part, même pas à l’article 9, à combien s’élèvera le crédit unique qui sera inscrit au budget de 1999 en vue de couvrir les dépen- ses découlant de ces aides. De même, on ignore également à combien s’élèvera le budget destiné à la réparation des dommages éco- nomiques, qui constituent pourtant les dommages les plus importants. Enfin, l’article 5, 1°, du projet prévoit que l’agriculteur devra fournir la preuve du lien de causalité direct entre le dommage et la crise de la dioxine. Indépendamment des problèmes liés à l’administration individuelle de la preuve, qui risquent d’être sérieux et d’entraîner l’en- lisement du dossier dans le maquis de l’administration, on peut en inférer que les dommages indirects ne pour- ront pas être indemnisés. betekent dat een herberekening van de marktschade zich opdringt, die veel hoger zal uitkomen dan het eerst geraamde bedrag van 7,5 miljard frank. De door de bedrijven opgelopen schade is dus enorm. Vele bedrijven bevinden zich momenteel dan ook in een zeer precaire situatie. De overbruggingskredieten bieden maar een tijdelijk oplossing ; de schuld moet vroeg of laat toch afgelost worden. Enkel een volledige en definitieve schaderegeling biedt hier soelaas. Wat het voorliggend wetsontwerp betreft, dat de wet- telijke basis zou moeten bieden voor de vergoeding van de opgelopen schade voor de bedrijven, dienen vol- gens spreker volgende bemerkingen en kritiek te wor- den geformuleerd : A. Het principe van de volledige schadevergoeding Van in het begin is door de beleidsverantwoordelijken aan de landbouwers beloofd dat alle schade (zowel rechtstreekse als onrechtstreekse zoals b.v. markt- schade) zal worden vergoed. Het voorliggend wetsontwerp vult echter deze belofte niet in. Spreker wijst hierbij op de formulering van de artikelen 4,5 en 9 : Artikel 4 bepaalt dat de Staat steun kan (niet « zal ») toekennen, m.a.w. zelfs na de goedkeuring van het ont- werp is men niet zeker dat er ook effectief steun zal worden toegekend. Daarenboven wordt er bepaald dat de Staat steun kan toekennen teneinde alle of een deel van de schade te dekken. Ook hier bestaat geen engagement tot vol- ledige schadevergoeding, terwijl de Europese overheid dit nochtans heeft toegestaan en de federale overheid die volledige schadevergoeding herhaaldelijk heeft toe- gezegd. Vervolgens wordt nergens verduidelijkt, ook niet in artikel 9, hoeveel het eenmalig krediet bedraagt dat in de begroting 1999 wordt ingeschreven ter dekking van de uitgaven van de steun. Hoeveel het budget voor de economische schade – nochtans de belangrijkste schade- bedraagt, is blijkbaar evenmin bekend. Tenslotte bepaalt artikel 5,1°, van het ontwerp dat de landbouwer het bewijs zal moeten leveren van het recht- streeks oorzakelijk verband tussen de schade en de dioxinecrisis. Onafgezien van de individuele bewijs- problematiek, die zeer complex dreigt te worden en kan verzanden in een admnistratieve verzwaring van het dossier, kan hieruit eigenlijk worden afgeleid dat onrecht- streekse schade niet voor vergoeding in aanmerking zou komen. 24 0212/007 DOC 50 C H A M B R E 2 e S E S S I O N D E L A 5 0 e L É G I S L A T U R E K A M E R 2 e Z I T T I N G V A N D E 5 0 e Z I T T I N G S P E R I O D E 1999 2000 L’intervenant demande dès lors que le projet à l’exa- men confirme l’indemnisation intégrale des dommages subis, d’une part, et précise, d’autre part, que l’État ver- sera effectivement les aides. Il demande par ailleurs davantage de clarté en ce qui concerne le budget et, en particulier, les crédits que les pouvoirs publics affecte- ront au paiement des indemnisations (y compris pour chacune des sous-rubriques). B. La nécessité de verser rapidement les indemnités Le dommage subi ne peut être réparé que par le ver- sement des indemnités promises. Il est capital, à cet égard, pour les entreprises concernées, que ces indem- nités soient versées rapidement. La situation est toutefois extrêmement floue à cet égard. Étant donné que le gouvernement annonce qu’il veut indemniser rapidement et intégralement, les en- treprises attendent dès lors que cette indemnisation in- tervienne effectivement à court terme. Le projet de loi à l’examen se borne à définir un ca- dre général qui devra être complété par des arrêtés d’exécution et qui devra ensuite, sans doute dans son ensemble, encore être soumis pour approbation à la Commission européenne. Cela prendra du temps. Si l’on examine la situation de manière réaliste, on constate que l’on peut s’attendre à ce que les indemnités soient versées au plus tôt au printemps 2000 et pas avant, comme certains responsables politiques persistent à l’af- firmer. L’orateur souhaite dès lors que les pouvoirs publics prennent leurs responsabilités en fixant, dans le projet à l’examen, la date limite à laquelle les indemnités de- vraient être versées (on pourrait proposer le 1er février 2000). Les indemnités qui n’auraient pas encore été versées à cette date devraient être majorées des inté- rêts légaux. L’orateur demande également que la date limite pour l’introduction de la demande de crédit «dioxine» soit reportée à la date limite de versement et que cette dis- position figure également dans le loi. Aujourd’hui, l’agriculteur ne sollicite pas de crédit «dioxine», alors que la demande en vue de l’obtention d’un tel crédit doit pourtant être faite avant le 1er décem- bre. C. Le principe de la solidarité obligatoire Si, en principe, l’orateur apporte son soutien à l’idée de solidarité, il ne peut toutefois pas marquer son ac- cord sur la cotisation de solidarité obligatoire prévue par le projet à l’examen pour les entreprises du secteur agricole et leurs fournisseurs et clients. Cela implique en effet que ce sont précisément les entreprises qui ne Speker vraagt derhalve dat het voorliggend ontwerp enerzijds de volledige vergoeding van de gelede schade zou bevestigen en anderzijds zou bepalen dat de Staat effectief zal betalen. Tevens wenst hij duidelijkheid over de begroting en meer in het bijzonder over de uitge- trokken kredieten die de overheid voor de vergoedin- gen (inclusief elk van de deelposten) zal reserveren. B. De noodzaak van een snelle uitbetaling van de vergoedingen De geleden schade kan enkel worden hersteld via de uitbetaling van de beloofde vergoedingen. Een snelle uitbetaling is hierbij van levensbelang voor de betrok- ken ondernemingen. De onduidelijkheid hierover is echter enorm. Daar de overheid aankondigt snel en volledig te vergoeden, is de verwachting bij de bedrijven dat dit ook op korte termijn effectief zal gebeuren. Het voorliggende ontwerp biedt enkel een kader dat nog ingevuld moet worden via uitvoeringbesluiten en dat vervolgens, wellicht in zijn geheel, nog voor goed- keuring aan de Europese Commissie moet worden over- gemaakt. Dit vergt tijd. Een realistische beoordeling van de stand van zaken leert ons dat de vergoedingen ten vroegste in de lente van 2000 mogen verwacht worden en niet vroeger, wat sommige beleidsverantwoordelijken blijven beweren. Spreker wenst derhalve dat de overheid haar verant- woordelijkheid zou opnemen door in het voorliggend ontwerp de datum te bepalen tegen dewelke de ver- goedingen uiterlijk moeten zijn uitbetaald (1februari 2000 kan hierbij voorgesteld worden). Op vergoedingen die tegen deze datum niet zijn uitbetaald, moeten de wette- lijke interesten worden aangerekend). Tevens vraagt spreker dat de uiterste datum voor in- diening van het dioxine krediet zou worden verschoven naar de uiterste datum van uitbetaling en dat deze be- paling mee in de wet zou worden opgenomen. Hierdoor vraagt de boer vandaag geen dioxinekrediet aan, terwijl de aanvraag hiervoor nochtans voor 1 de- cember moet gebeuren. C. Het principe van de verplichte solidariteit. Al steunt spreker in principe de idee van solidariteit, toch kan hij niet instemmen met de door het voorliggend wetsontwerp voorziene verplichte solidariteitsbijdrage voor de bedrijven in de landbouwsector en diens afne- mers en leveranciers. Zulks impliceert immers dat net deze bedrijven die geen enkele schuld treffen aan de 25 0212/007 DOC 50 C H A M B R E 2 e S E S S I O N D E L A 5 0 e L É G I S L A T U R E K A M E R 2 e Z I T T I N G V A N D E 5 0 e Z I T T I N G S P E R I O D E 1999 2000 sont absolument pas responsables de la crise qui sont soumises à une cotisation obligatoire dont le montant est du reste inconnu, alors que les entreprises respon- sables de la contamination par la dioxine de l’environ- nement en général, ne sont absolument pas touchées par cette mesure. Le Boerenbond estime qu’il ne peut être question d’une certaine solidarité de la part du secteur agricole qu’aux conditions suivantes: - les entreprises agricoles doivent être intégralement indemnisées; les garanties nécessaires à cet effet doi- vent figurer dans la loi; - la solidarité de la part du secteur prend la forme d’une cotisation volontaire limitée quant à son montant (la suggestion de M. Willockx, à savoir 200 millions de francs, étant un maximum); - les autres secteurs impliqués directement ou indi- rectement dans la problématique de la dioxine doivent également être disposés à faire preuve de solidarité. Les secteurs dont les entreprises sont responsables de la présence de dioxines dans l’environnement doivent en outre être contraints de poser un acte de solidarité. L’orateur demande dès lors que l’article 12 du projet à l’examen soit adapté en ce sens et qu’en tout cas, les entreprises agricoles ne relèvent pas du champ d’ap- plication de cet article. D. Autres observations L’intervenant attire l’attention sur le régime, selon lui inapplicable, de l’imputation d’autres aides ou indemni- tés auxquelles l’entreprise qui sollicite une aide peut prétendre: en vertu de ce régime, une aide fédérale ne peut être accordée qu’une fois que l’agriculteur connaît les montants des autres indemnités auxquelles il peut avoir droit (par exemple, dans le cadre de procédures judiciaires ou de polices d’assurances). Dans ces conditions, l’octroi d’indemnités peut s’éta- ler sur plusieurs années, ce qu’il convient d’éviter. L’in- tervenant demande dès lors que l’on vérifie a posteriori si l’intéressé n’a pas perçu d’aide excédentaire. Dans la mesure où l’agriculteur est indemnisé à 100%, le pro- blème de la surcompensation pourrait, par exemple, être résolu par l’instauration d’un mécanisme de subroga- tion, par lequel, après avoir indemnisé l’agriculteur, l’autorité reprendrait les droits de celui-ci à l’égard de tiers. Enfin, l’intervenant ne peut accepter que l’exposé des motifs fasse toujours mention d’un équivalent-subven- tion maximal de 6,05% du montant principal du crédit. Il convient de recalculer cet équivalent-subvention en fonc- tion de la durée du crédit, principe qui a été accepté par la Commission européenne. crisis, onderworpen worden aan een verplichte solidariteitsbijdrage, waarvan het bedrag trouwens on- bekend is, terwijl de bedrijven die aansprakelijk zijn voor de contaminatie van het milieu in het algemeen met dioxine, volledig buiten schot blijven. Voor de Boerenbond kan er enkel sprake zijn van een zekere solidariteit vanwege de landbouwsector onder de hiernavolgende voorwaarden : - de landbouwbedrijven worden volledig schadeloos gesteld ; de nodige garanties hiertoe worden in de wet zelf opgenomen ; - de solidariteit vanwege de sector bestaat uit een vrijwillige bijdrage die beperkt is in omvang (de sugges- tie van de heer Willockx, zijnde 200 miljoen frank, is een maximum) ; - de andere sectoren die in het dioxinedebat even- eens rechtstreeks of onrechtstreeks betrokken partijen zijn, dienen ook bereid te zijn tot solidariteit. Sectoren waarvan de bedrijven verantwoordelijk zijn voor dioxines in het milieu, moeten daarenboven onderworpen wor- den aan een verplichte solidariteit. Spreker vraagt derhalve dat artikel 12 van het voor- liggend ontwerp in die zin zou aangepast worden en dat alleszins de landbouwbedrijven uit de toepassings- veld van dat artikel zouden vallen. D. Andere bemerkingen Spreker vestigt de aandacht op de z.i. onwerkbare regeling inzake de verrekening van andere steungelden of vergoedingen waarop het landbouwbedrijf dat steun vraagt, recht kan hebben : die regeling impliceert dat pas federale steun kan worden toegekend nadat de land- bouwer de bedragen van andere vergoedingen waarop hij mogelijk recht heeft (b.v. ingevolge juridische proce- dures of verzekeringenpolissen) kent. Op die wijze kan de vergoedingsregeling jaren aan- slepen, wat vermeden moet worden. Spreker vraagt dan ook dat men a posteriori zou nagaan of de betrokkene niet teveel steun heeft ontvangen. In de mate dat de landbouwer 100% wordt vergoed, zou het probleem van overcompensatie bijvoorbeeld. opgelost kunnen worden door te voorzien in een mechanisme van indeplaats- stelling, waardoor de overheid, na vergoeding van de landbouwer, diens rechten t.a.v. derden overneemt. Tenslotte kan spreker niet instemmen met de bljvende vermelding in de memorie van toelichting van het sub- sidie -equivalent van maximum 6,05 % van de hoofd- som van het betrokken toegestane krediet. Dit subsi- die-equivalent dient herbekeken te worden in functie van de looptijd van het krediet, principe dat door de Euro- pese Commissie werd aanvaard. 26 0212/007 DOC 50 C H A M B R E 2 e S E S S I O N D E L A 5 0 e L É G I S L A T U R E K A M E R 2 e Z I T T I N G V A N D E 5 0 e Z I T T I N G S P E R I O D E 1999 2000 Dans la plupart des cas, le taux sera inférieur au pour- centage précité. Il convient d’adapter également le texte du projet en ce sens. Questions des membres M. Yves Leterme (CVP) se rallie aux observations de M. Devisch selon lesquelles certains responsables politiques suscitent de manière pour le moins inappropriée des attentes dans le chef des agriculteurs en termes d’indemnisation rapide du préjudice encouru dans leur chef suite à la crise de la dioxine. Il s’interroge ensuite sur le point de vue de l’intervenant à l’égard du traitement prioritaire que le gouvernement paraît vouloir réserver aux entreprises agricoles familiales. Quel sentiment a-t-il pu recueillir en la matière lors de ses contacts récents avec le gou- vernement ? L’orateur se demande également si M. Devisch a été impliqué dans la rédaction des arrêtés royaux d’exécution du texte proposé. Mme Muriël Gerkens (AGALEV-ECOLO) s’interroge sur la pertinence de l’assertion de M. Devisch, selon laquelle l’ensemble d’un secteur donné ne serait nullement responsable de la crise de la dioxine, dès lors que dans le cadre de certaines pratiques d’élevage, de manière à obtenir des prix bas, on accepte la livraison de farines dont l’origine n’est pas nécessairement connue ainsi que leur affectation à l’engraissement de volailles qui apparaissent impropres à la consommation dès qu’elles dépassent un certain poids. Ce qui met en doute leur qualité. La responsabilité est collective, y compris de la part des consommateurs que nous som- mes, que je suis. M. André Smets (PSC) croit savoir que le premier ministre et le ministre de l’Agriculture aurait promis une indemnisation à 100 % des agriculteurs victimes de la crise de la dioxine. Qu’en est-il réellement ? L’orateur souhaite également un dédommagement rapide par les pouvoirs publics, au vu de l’inquiétude qui règne dans le monde agricole. D’autre part, certains agriculteurs ressentent le prin- cipe de la cotisation de solidarité comme une punition collective. Dit zal in de meeste gevallen minder dan het voor- noemde percentage bedragen. De tekst van het ont- werp dient ook in die zin aangepast te worden. Vragen van de leden De heer Yves Leterme (CVP) valt de opmerkingen van de heer Devisch bij die stelt dat sommige beleidsmensen de landbouwers alleszins onterecht voorspiegelen dat zij een snelle schadeloosstelling voor de door de dioxinecrisis opgelopen schade mogen verwachten. Voorts stelt hij een aantal vragen rond het standpunt dat de spreker inneemt over de voorrangsbehandeling die de regering blijkbaar aan de familiale landbouwbedrijven wil toekennen. Onlangs heeft hij daarover een aantal contacten met de regering gehad; heeft hij daaruit kunnen opmaken hoe de regering tegen- over een en ander aankijkt ? De spreker vraagt zich tevens af of de heer Devisch bij de redactie van de koninklijke besluiten tot uitvoering van de voorgestelde tekst betrokken is geworden. Mevrouw Muriël Gerkens (AGALEV-ECOLO) heeft vrangen bij de pertinentie van de bewering van de heer Devisch, als zou een bepaalde sector in zijn geheel geenszins aansprakelijk zijn voor de dioxinecrisis, vooral daar sommige fokkers, om de inkoopprijs van veevoeder te drukken, er geen graten in zien om meel te aanvaarden waarvan de oorsprong niet altijd duidelijk is en dat te gebruiken om pluimvee vet te mesten dat niet voor consumptie geschikt blijkt zodra het een bepaald gewicht overschrijdt. Dat doet twijfels rijzen omtrent de kwaliteit van dat pluimvee. Het gaat om een gedeelde aansprakelijkheid, inclusief van de consumenten die wij allen zijn. Volgens de heer André Smets (PSC) zouden de eerste minister en de minister van Landbouw en Middenstand beloofd hebben dat de landbouwers die het slachtoffer zijn geweest van de dioxinecrisis ten belope van 100 % schadeloos zouden worden gesteld. Hoe staan de zaken in werkelijkheid ? Gelet op de ongerustheid in de landbouwsector wenst de spreker tevens dat de overheid de schade snel vergoedt. Anderzijds ervaren sommige landbouwers het prin- cipe van de solidariteitsbijdrage als een collectieve straf. 27 0212/007 DOC 50 C H A M B R E 2 e S E S S I O N D E L A 5 0 e L É G I S L A T U R E K A M E R 2 e Z I T T I N G V A N D E 5 0 e Z I T T I N G S P E R I O D E 1999 2000 Par ailleurs, des aides matérielles au remplissage de formulaires d’indemnisation s’avèrent capitales, au vu des difficultés qui ne manqueront pas d’apparaître. Enfin, il conviendrait de clarifier les critères de distinction – retenus par le gouvernement- entre entreprises agricoles, entreprises agricoles familiales, entreprises indépendantes, entreprises intégrées et ce, sous peine de ne pouvoir aboutir à aucune indemnisation. L’arbitraire n’est pas à exclure en la matière et ce système apparaît dès lors discutable. Mme Frieda Brepoels (VU&ID) constate que M. Devisch, en tant que président du BoerenBond, lorsqu’il évoque le secteur agricole, parle en tant que représen- tant d’une organisation de défense d’intérêts d’agriculteurs. Qu’en est-il des autres secteurs, où le Boerenbond est partie prenante ou avec lesquels il entretient des liens étroits ? L’intervenante relève également que M. Devisch a indiqué que son organisation pouvait souscrire au prin- cipe d’une cotisation de solidarité, sur une base volontaire. Quels sont les motifs qui étayent cette assertion ? A qui incomberait le paiement de ladite cotisation : aux agriculteurs, au Boerenbond ou organes satellites de cette organisation ? Mme Trees Pieters (CVP) souhaiterait obtenir du ministre des éclaircissements sur les concepts d’indemnisation totale ou partielle des dommages, s’agissant en particulier de dossiers déjà introduits et qui posent certains problèmes. * * * M. Devisch préconise l’application du principe selon lequel l’indemnisation du dommage doit être versée à ceux qui ont encouru le préjudice considéré. Il s’agit en premier lieu des entreprises agricoles indépendantes. N’entrent pas en ligne de compte les entreprises qui sont couvertes par un contrat conclu avec le fournisseur et aux termes duquel l’indemnisation du dommage incombe audit fournisseur. D’autre part, dans le cadre d’entreprises intégrées, lorsque le préjudice est subi par l’entreprise qui a constitué le groupe considéré, il conviendra de vérifier le niveau au sein duquel le dommage encouru devra être indemnisé. En toute hypothèse, une certaine expertise devra présider à la définition juridique des concepts, de façon à ce que l’indemnisation soit versée à ceux qui ont encouru le dommage. Hulp bij het invullen van de formulieren om een schadevergoeding aan te vragen blijkt van groot belang zijn rekening houdend met de moeilijkheden die onge- twijfeld zullen rijzen. Teneinde te voorkomen dat uiteindelijk niemand een vergoeding krijgt, dienen ten slotte de - door de rege- ring gehanteerde - criteria om een onderscheid te ma- ken tussen de landbouwbedrijven, de gezinslandbouw- bedrijven, de onafhankelijke bedrijven en de geïntegreerde bedrijven te worden verduidelijkt. De willekeur kan terzake niet worden uitgesloten en de re- geling is dan ook aanvechtbaar. Mevrouw Frieda Brepoels (VU&ID) stelt vast dat de heer Devisch, als voorzitter van de Boerenbond, wanneer hij het over de landbouwsector heeft, spreekt als vertegenwoordiger van een vereniging die belangen van landbouwers verdedigt. Hoe staan de zaken met de andere sectoren waarvan de Boerenbond deel uitmaakt of waarmee hij nauwe banden heeft ? De spreekster wijst er tevens op dat de heer Devisch heeft meegedeeld dat zijn organisatie het eens kan zijn met het principe van een vrijwillige solidariteitsbijdrage. Waarop berust die bewering ? Wie zou de bijdrage moeten betalen : de landbouwers, de Boerenbond of haar satellietorganisaties ? Mevrouw Trees Pieters (CVP) wenst dat de minister de begrippen volledige of gedeeltelijke schadeloosstelling verduidelijkt, meer in het bijzonder in verband met de dossiers die reeds zijn ingediend en die problemen doen rijzen. * * * Volgens de heer Devisch moet als principe gelden dat de vergoeding moet worden toegekend aan degenen die de voormelde schade hebben geleden. Het gaat in de eerste plaats om de onafhankelijke landbouwbedrijven. Het betreft niet de bedrijven die gedekt zijn door een contract met de leverancier dat bepaalt dat de vergoeding van de geleden schade voor zijn rekening komt. In het kader van geïntegreerde bedrijven zal, wanneer het bedrijf dat de bedoelde groep heeft opgericht de schade heeft geleden, moeten worden uitgemaakt op welk niveau die zal moeten worden vergoed. Voor de juridische omschrijving van de begrippen zal in ieder geval enige deskundigheid vereist zijn zodat de schadevergoeding wordt uitgekeerd aan degenen die de schade hebben geleden. 28 0212/007 DOC 50 C H A M B R E 2 e S E S S I O N D E L A 5 0 e L É G I S L A T U R E K A M E R 2 e Z I T T I N G V A N D E 5 0 e Z I T T I N G S P E R I O D E 1999 2000 L’orateur indique ensuite que si son organisation a été impliquée dans l’élaboration des calculs préalables des indemnisations, elle ne l’a par contre pas été dans la confection des arrêtés d’exécution du projet à l’examen. En réponse à Mme Gerkens, M. Devisch indique qu’on ne peut raisonnablement pas demander à chaque éleveur d’implanter un laboratoire dans son étable afin d’analyser le fourrage qu’il s’est procuré. D’autre part, l’élevage intensif se dissocie de plus en plus, en Belgique comme ailleurs, de l’agriculture traditionnelle. Par ailleurs, le fait de l’introduction frauduleuse de graisses impropres à la consommation dans la nourriture ani- male est étranger au système de production et on ne peut dès lors en inférer une coresponsabilité des agriculteurs. S’attachant à l’indemnisation du dommage, l’orateur signale que s’il apparaît indubitablement que celui-ci pourra être indemnisé dans sa totalité, il est préférable d’inscrire ce principe dans le texte proposé. En réponse à Mme Brepoels, M. Devisch indique que lorsqu’il évoque le terme secteur , il parle en tant que président du Boerenbond, au nom des agriculteurs que son organisation représente. Evoquant enfin le concept de solidarité, l’orateur indique qu’il convient de le dissocier du principe de responsabilité. 2. Audition de M. Ska, président de l’Alliance agricole belge (AAB) L’orateur estime que les arrêtés royaux d’exécution du projet à l’examen devraient être connus au plus vite, afin de pouvoir en débattre. D’autre part, il est anormal que l’indemnisation du préjudice subi par les agriculteurs ne s’opère qu’à concurrence de 80%. Par ailleurs, il convient de réactualiser le préjudice pris en compte et de revoir en tout cas la période de référence qui a été prise en considération pour l’établissement de celui-ci. Ceci s’impose surtout dans le secteur bovin, lequel subit encore violemment les conséquences de la crise de la dioxine. L’orateur est en outre d’avis qu’il est anormal de procéder à la compensation d’une partie des indemnités allouées suite à la crise de la dioxine, par le biais d’une retenue sur les crédits octroyés dans le cadre du protocole conclu le 25.08.1999 entre l’Etat fédéral et l’Association belge des banques. Il ne faut en effet pas De spreker preciseert vervolgens dat zijn organisatie werd betrokken bij de voorafgaande berekeningen van de schadevergoedingen maar niet bij de opstelling van de uitvoeringsbesluiten van het besproken wetsontwerp. In antwoord op een vraag van mevrouw Gerkens, stelt de heer Devisch dat men redelijkerwijs onmogelijk iedere kweker kan vragen in zijn stal een lab op te zetten om het hem geleverde veevoeder te analyseren. Bovendien wordt in België, net als elders, de kloof tussen intensieve kweek en de traditionele landbouw almaar groter. Voorts valt het frauduleus toevoegen van niet voor consumptie geschikte vetten in veevoeders volledig buiten het productiesysteem; de landbouwers daarvoor mee laten opdraaien, kan dus niet. De spreker heeft het vervolgens over de vergoeding van de schade. Staat onomstotelijk vast dat die schade integraal kan worden vergoed, dan is het zijns inziens verkieslijk zulks ook principieel in de voorgestelde tekst op te nemen. In aansluiting op de vraag van mevrouw Brepoels, stelt de heer Devisch dat, wanneer hij de term «sector» hanteert, hij daarbij spreekt als voorzitter van de Boerenbond, en namens de landbouwers die zijn organisatie vertegenwoordigt. De spreker heeft het ten slotte over het begrip «solidariteit». Volgens hem moet dat begrip worden losgekoppeld van het aansprakelijkheidsbeginsel. 2. Hoorzitting met de heer Ska, voorzitter van de Alliance agricole belge (AAB) De spreker is van oordeel dat de koninklijke besluiten tot uitvoering van het ter bespreking voorliggende wetsontwerp zo spoedig mogelijk zouden moeten worden opgesteld zodat ze kunnen worden besproken. Anderzijds is het niet normaal dat de door de landbouwers geleden schade slechts voor 80 % wordt vergoed. Voorts dient de schade opnieuw te worden berekend en moet in ieder geval de referentieperiode worden herzien die in aanmerking is genomen om die schade vast te stellen. Zulks is vooral nodig in de rundveesector, die nog ernstig te lijden heeft van de gevolgen van de dioxinecrisis. De spreker is ook van mening dat het niet normaal is dat een gedeelte van de vergoedingen die als gevolg van de dioxinecrisis worden toegekend, wordt gecompenseerd aan de hand van een inhouding op de kredieten die worden verleend in het kader van het protocol dat op 25 augustus 1999 werd afgesloten 29 0212/007 DOC 50 C H A M B R E 2 e S E S S I O N D E L A 5 0 e L É G I S L A T U R E K A M E R 2 e Z I T T I N G V A N D E 5 0 e Z I T T I N G S P E R I O D E 1999 2000 pénaliser les agriculteurs soucieux de résoudre leurs problèmes de trésorerie par la souscription d’ouvertures de crédits. L’orateur ne peut ensuite souscrire au principe du cofinancement par les agriculteurs du préjudice subi dans leur chef. Il récuse également la confusion entre l’indemnisation des dommages encourus et la création d’un Fonds permettant de faire face à l’avenir à toute crise semblable à celle de la dioxine. D’autre part, si on peut comprendre le principe de l’exclusion des « intégrateurs » du champ d’application de la procédure d’indemnisation, ces derniers étant en effet des industriels, il ne faut cependant pas perdre de vue que des agriculteurs – qui se situent au sein de systèmes intégrés- ont subi des préjudices suite à la crise de la dioxine. Il est donc anormal de ne pas tenir compte desdits dommages. L’intervenant préconise également une définition claire du statut d’agriculteur indépendant. Evoquant ensuite les entreprises agricoles pouvant prétendre aux indemnisations, l’orateur estime que la définition retenue par l’article 2, 2° est trop restrictive à cet égard. De nombreuses exploitations mixtes existent, qui combinent la culture de céréales avec l’élevage animal. De telles entreprises devraient pouvoir dès à présent prétendre aux indemnisations, sur la base du texte proposé et non en vertu d’un éventuel arrêté royal d’exécution du même texte. En ce qui concerne enfin la formule des crédits de soudure retenue dans le cadre du protocole bancaire précité, l’orateur regrette le manque de souplesse de celle-ci et souhaite une évaluation en la matière. Il préconise également un allongement de la période de référence considérée. Ledit protocole n’a en tout cas pas répondu aux besoins urgents des exploitations agricoles en termes de liquidités immédiates. 3. Audition de M. Champagne, président de l’Union professionnelle des agriculteurs (UPA) L’orateur fait valoir, au regard de l’analyse des faits, que la crise de la dioxine est la résultante d’un acci- dent, dont les agriculteurs sont victimes, et non un problème lié à une quelconque culpabilité ou non- culpabilité éventuelle. Cet accident ne peut également être confondu avec le concept d’épidémie, vu le contexte totalement différencié. tussen de federale Staat en de Belgische Vereniging van Banken. De landbouwers die hun financiële problemen wensen op te lossen door middel van kredietopeningen mogen immers niet worden bestraft. De spreker kan het ook niet eens zijn met het prin- cipe dat de landbouwers de door hen geleden schade medefinancieren. Voorts verwerpt hij de verwarring tussen de vergoeding van de geleden schade en de oprichting van een fonds dat in de toekomst de mogelijkheid zou moeten bieden om het hoofd te bieden aan elke crisis die vergelijkbaar is met de dioxinecrisis. Men kan anderzijds wel begrijpen dat de vergoedingsprocedure niet van toepassing is op «integratoren» omdat het industriëlen zijn, maar men mag niet uit het oog verliezen dat landbouwers - die deel uitmaken van geïntegreerde systemen - schade hebben geleden als gevolg van de dioxinecrisis. Het is dus niet normaal dat met die schade geen rekening wordt gehouden. De spreker stelt tevens voor het statuut van zelfstandig landbouwer duidelijk te omschrijven. Vervolgens heeft hij het over de landbouwbedrijven die aanspraak kunnen maken op een schadevergoeding. De spreker is van mening dat de definitie die artikel 2, 2°, daarover geeft, terzake al te beperkend is. Er bestaan tal van gemengde bedrijven die zich zowel met de verbouwing van graangewassen als met veeteelt bezighouden. Soortgelijke bedrijven zouden vanaf nu aanspraak op de schadevergoedingen moeten kunnen maken, op grond van de voorgestelde tekst, en niet conform een eventueel koninklijk besluit tot uitvoering van dezelfde tekst. Wat ten slotte de in voormeld bankprotocol opgenomen formule voor de overbruggingskredieten betreft, betreurt de spreker dat die formule niet soepel genoeg is en wil hij dat ze wordt gevalueerd. Hij stelt tevens voor de in aanmerking genomen refe- rentieperiode te verlengen. Voormeld protocol heeft hoe dan ook niet ingespeeld op de dringende behoeften van de landbouwbedrijven om onmiddellijk over vers geld te beschikken. 3. Hoorzitting met de heer Champagne, voorzitter van de UPA (Union professionnelle des agriculteurs) Na een analyse van de feiten voert de spreker aan dat de dioxinecrisis het gevolg is van een ongeval waarvan de landbouwers het slachtoffer zijn. Het gaat dus niet om een probleem waarbij eventueel enige schuldvraag aan de orde is. Voormeld incident mag evenmin met het begrip «epidemie» worden verward, aangezien het om iets totaal anders gaat. 30 0212/007 DOC 50 C H A M B R E 2 e S E S S I O N D E L A 5 0 e L É G I S L A T U R E K A M E R 2 e Z I T T I N G V A N D E 5 0 e Z I T T I N G S P E R I O D E 1999 2000 Eu égard à ce constat préalable, il n’est pas correct de ne retenir une indemnisation du préjudice qu’à concurrence de 80 %. Procédant du même constat, l’orateur peut comprendre l’existence du Fonds de solidarité mais estime qu’il est illogique d’y faire contribuer le secteur agricole. Il ne peut acquiescer au fait que les clients de l’agrofourniture participent à la création dudit Fonds. D’autre part, le texte proposé présente le mérite de reconnaître le droit au dédommagement des victimes du secteur agricole et de permettre une indemnisation effective, certes tardive, mais qui pourra être liquidée relativement rapidement au vu du mécanisme, retenu par l’article 6, de la détermination du dommage sur une base forfaitaire. Ce mécanisme permet en effet d’éviter l’établissement de dossiers précis dans chacune des exploitations touchées par la crise de la dioxine. Par ailleurs, étant donné que l’indemnisation ne pourra être liquidée que si elle est conforme aux critères retenus par la Commission européenne (et notamment à celui lié à la cause, à savoir la dioxine), il importe que les arrêtés d’exécution du texte proposé tiennent compte des prescriptions européennes. L’orateur estime également que s’il est peu probable de pouvoir encore prétendre à une indemnisation en 1999, il n’est pas indiqué de reporter celle-ci après Pâques 2000. Dès lors, le texte proposé, sous réserve des observation formulées ci-avant, devrait pouvoir être adopté le plus rapidement possible. En ce qui concerne l’évaluation du préjudice, l’orateur peut se rallier aux estimations, raisonnables selon lui, du ministère de l’Agriculture, à savoir 7,5 milliards de francs. Si l’on retient le principe de l’indemnisation totale, les fixations de plafonds budgétaires risquent toutefois de générer certaines difficultés d’application. 4. Audition de M. Adriaens, président de l’ « algemeen Boerensyndicaat »(ABS) Le projet de loi à l’examen vise à indemniser le sec- teur agricole, durement touché par la crise de la dioxine. L’intervenant constate cependant que les autorités bel- ges souhaitent minimiser les dommages subis par le secteur. Gelet op die voorafgaande vaststelling, is het onbillijk dat de schade maar tegen 80% wordt vergoed. Diezelfde vaststelling brengt ook mee dat de spreker er begrip voor opbrengt dat het Solidariteitsfonds werd opgericht; volgens hem is het echter onlogisch de landbouwsector daarin te doen bijdragen. Het feit dat de klanten van leveranciers van landbouwproducten meewerken aan de oprichting van dat Fonds, vindt in zijn ogen geen genade. Anderzijds heeft de voorgestelde tekst de verdienste het recht op schadeloosstelling van de slachtoffers uit de landbouwsector te erkennen en een - weliswaar vrij late - maar daadwerkelijke schadeloosstelling mogelijk te maken die bovendien vrij snel zal kunnen worden uitbetaald gelet op de in artikel 6 opgenomen regeling om de schade forfaitair vast te stellen. Dankzij die regeling hoeft voor elk van de door de dioxinecrisis getroffen bedrijven immers geen specifiek dossier te worden opgesteld. Gelet ook op het feit dat de schadeloosstelling pas kan worden uitbetaald als ze beantwoordt aan de door de Europese Commissie aangehouden criteria (en met name aan het oorzaakgebonden criterium - met name de dioxine - is het van belang dat de besluiten die in uitvoering van de voorgestelde tekst worden genomen, rekening houden met de Europese regelgeving. De spreker is ook van mening dat het weliswaar weinig waarschijnlijk is dat men nog in 1999 aanspraak kan maken op een schadeloosstelling, maar dat het niet wenselijk is dat die wordt uitgesteld tot na pasen van het jaar 2000. Derhalve zou de voorgestelde tekst, onder voorbehoud van de vorenstaande opmerkingen, zo spoedig mogelijk moeten kunnen worden goedgekeurd. Wat de raming van de schade betreft, kan de spreker instemmen met de volgens hem redelijke schattingen van het ministerie van Landbouw, te weten 7,5 miljard frank. Indien men uitgaat van het principe van een volledige schadeloosstelling dreigt het vaststellen van begrotingsplafonds echter moeilijkheden met zich te brengen op het stuk van de toepassing. 4. Hoorzitting van de heer Adriaens, voorzitter van het algemeen Boerensyndicaat (ABS) Het voorliggende wetsontwerp is een middel om de zwaar getroffen landbouwsector te vergoeden. Evenwel stelt spreker vast dat de Belgische overheid de door de sector geleden schade wenst te minimaliseren. 31 0212/007 DOC 50 C H A M B R E 2 e S E S S I O N D E L A 5 0 e L É G I S L A T U R E K A M E R 2 e Z I T T I N G V A N D E 5 0 e Z I T T I N G S P E R I O D E 1999 2000 Bien qu’en vertu de l’article 87, § 2, b, du Traité insti- tuant la Communauté européenne, les aides visant à remédier à des «événements extraordinaires» puissent en principe couvrir 100% des dommages subis, force est de constater que les autorités souhaitent limiter ces mesures de soutien. Le commissaire du gouvernement estime le préjudice subi par les agriculteurs à quelque 4 milliards de francs, alors que les experts du ministère de l’Agriculture et des Classes moyennes l’évaluent à 7,5 milliards de francs et que, selon des calculs effec- tués par le secteur, il s’élèverait à 10 milliards de francs. Il est par conséquent primordial que le législateur veille scrupuleusement à ce que les autorités procè- dent à une indemnisation correcte, c’est-à-dire complète, du dommage. D’autre part, on peut lire dans le commentaire de l’ar- ticle 8 du projet à l’examen, article qui donne à l’Etat la possibilité de transiger, que cette disposition n’implique aucune reconnaissance d’une faute de la part de l’Etat dans la gestion de la crise. Il importe cependant de rap- peler que, dans son avant-projet de rapport sur la crise de la dioxine, la Commission européenne se montre extrêmement critique à l’égard des autorités belges, qu’elle accuse d’être intervenus très lentement, de ma- nière incompétente et contradictoire, ce qui a entraîné une totale confusion et un préjudice. Par conséquent, l’intervenant peut difficilement com- prendre que le gouvernement «s’estime en bonne po- sition pour se défendre dans les contentieux de res- ponsabilité «, ainsi qu’il ressort du commentaire de l’article 8. En ce qui concerne les exploitations qui pratiquent des prix de vente garantis, l’intervenant souligne que 100% des exploitations du secteur des veaux, 85% des exploitations du secteur avicole et 75% des exploita- tions du secteur de l’élevage de porcs fonctionnent dans le cadre d’un tel système. Ces entreprises ont également subi des dommages et on ne doit pas leur dénier la possibilité d’obtenir des indemnisations en leur imposant une série de condi- tions supplémentaires. Il convient par conséquent que la condition de l’indépendance économique soit définie avec la plus grande prudence. Par ailleurs, l’intervenant est favorable à l’exercice, par l’Etat belge, d’un droit de subrogation à l’encontre des cocontractants qui n’ont pas respecté les conven- tions conclues dans le cadre de la loi relative à l’inté- gration verticale. Il convient que l’Etat fédéral, subro- geant les agriculteurs dans leurs droits, obtienne que les producteurs de composés alimentaires qui ont aban- donné les agriculteurs à leur triste sort soient tenus de leur verser des dédommagements. Hoewel de steunmaatregelen tot herstel van schade ingevolge « buitengewone gebeurtenissen » (artikel 87 , § 2, b) van het EG Verdrag) in principe l00 % van de geleden schade mogen dekken, moet men echter vast- stellen dat de overheid die steunmmaatregelen wenst te beperken. De regeringscommissaris schat de eco- nomische schade, opgelopen door de landbouwers op ongeveer 4 miljard frank, daar waar experten van het Ministerie van Lanbouw en Middenstand de schade ra- men op 7,5 miljard frank en berekeningen uit de sector zelf op 10 miljard frank uitkomen. Het is derhalve van het grootste belang dat de wet- gever nauwlettend toeziet dat de overheid overgaat tot een correcte, zijnde een volledige, vergoeding van de schade. Anderzijds, in de commentaar op artikel 8 van het voorliggende ontwerp, waarbij aan de Staat de moge- lijkheid wordt geboden om dadingen te sluiten, leest men dat dit geen enkele erkenning van fout door de Staat inzake het beheer van de crisis impliceert. Toch moet er worden op gewezen dat de Europese Commissie, in haar voorontwerp van rapport betreffende de dioxinecrisis, vernietigend is voor de Belgische overhe- den, welke zeer traag, onvakkundig en tegenstrijdig zijn opgetreden, met een totale verwarring en schade als gevolg. Spreker kan derhalve moeilijk begrijpen dat de rege- ring vindt « dat zij in een gooede positie staat om zich te verdedigen in het aansprakelijkheidscontentieux », aldus de memorie van Toelichting. Wat betreft de bedrijven die werken met vooraf ge- garandeerde afnameprijzen, wijst spreker erop dat 100 % van de kalversector, 85 % van de pluimveesector en 75 % van de varkenshouderij in een dergelijk stelsel functioneert. Dergelijke bedrijven hebben ook schade geleden en de mogelijkheid om schadevergoeding te bekomen mag niet onmogelijk worden gemaakt via een aantal extra opgelegde voorwaarden. De voorwaarde van economi- sche zelfstandigheid dient derhalve zeer omzichtig be- paald te worden. Voorts is spreker voorstander van een subrogatierecht voor de Belgische overheid tegen de co-contractanten die zich niet hebben gehouden aan de overeenkomsten afgesloten in het kader van de wet op de verticale inte- gratie. Mengvoederbedrijven die de landbouwers in de kou hebben laten staan, dienen ,via de federale Staat die in de rechten treedt van de landbouwers, tot scha- devergoeding gedwongen te worden . 32 0212/007 DOC 50 C H A M B R E 2 e S E S S I O N D E L A 5 0 e L É G I S L A T U R E K A M E R 2 e Z I T T I N G V A N D E 5 0 e Z I T T I N G S P E R I O D E 1999 2000 En ce qui concerne la cotisation de solidarité prévue à l’article 12 du projet de loi à l’examen, l’intervenant estime qu’il s’agit d’une forme d’imposition. Les éleveurs - qui sont les victimes de la crise - ne comprennent dès lors pas qu’il leur soit imposé de ver- ser une cotisation au profit du Fonds en question. L’ABS ne peut dès lors marquer son accord sur une telle coti- sation de solidarité. D’autre part, l’intervenant formule des objections à l’article 7 du projet de loi à l’examen. Cet article (qui dispose que le versement d’une aide est subordonné à la renonciation à tout droit et toute action contre l’Etat) n’est équitable que si l’aide forfaitaire correspond aux dommages réellement subis par les éleveurs. Enfin, l’intervenant précise qu’il est dans l’intérêt tant des éleveurs que de l’Etat belge que l’indemnisation intervienne rapidement et dans un bon esprit. Il demande par conséquent que le législateur ne dégage pas d’em- blée l’Etat et ses organes de toute forme de responsa- bilité dans la gestion de la crise. Contrairement à ce qui est affirmé dans l’exposé des motifs, il n’est pas si diffi- cile d’établir un lien de causalité suffisant entre l’atti- tude et les actes fautifs de l’Etat et le dommage subi. Questions des membres M. Yves Leterme (CVP) se demande si M. Adriaens prône, à l’article 4, alinéa premier de la disposition proposée, la suppression des mots « peut » et « ou partie du » et ce, afin que l’on puisse parvenir à une indemnisation totale du dommage. D’autre part, M. Adriaens ne pourrait-il souscrire à l’établissement d’une cotisation de solidarité qu’à condition que le produit de celle-ci soit affecté à des mesures produisant à l’avenir des effets positifs à l’égard du secteur de l’élevage ? M. Leterme souligne également que M. Adriaens a relevé d’une part, que le projet à l’examen se distanciait d’un raisonnement en termes de responsabilité et était à considérer comme un projet comportant des mesures de soutien économique et d’autre part, que le gouver- nement se déclarait en mesure de réfuter sa responsabilité. M. Pierre Lano (VLD) signale qu’en matière d’indemnisation du dommage subi par les entreprises, seules les pertes matérielles sont en mesure d’être indemnisées. Des facteurs immatériels, comme la perte de clientèle, la perte d’image, la diminution du nombre Wat de solidariteitsbijdrage betreft, zoals bepaald in artikel 12 van het voorliggend ontwerp, die is zij vol- gens spreker een vorm van belasting. Het is dan ook voor de veehouders onbegrijpelijk dat zij – slachtoffers van het hele gebeuren- moeten parti- ciperen aan het betrokken Fonds. Het A.B.S. kan der- halve met een dergelijke solidariteitsbijdrage niet ak- koord gaan. Verder heeft spreker bedenkingen bij artikel 7 van het voorliggende ontwerp. Dit artikel (dat bepaalt dat de steun afhankelijk wordt gesteld van een verzaking aan elk recht en elke vordering tegen de federale Staat) is enkel billijk indien de forfaitaire schadevergoeding in overeenstemming zal zijn met de reële schade geleden door de veehouders. Tenslotte wijst spreker erop dat het in het belang is van zowel de veehouders als de Belgische overheid dat de schaderegeling snel en welwillend tot stand komt. Hij vraagt dan ook dat de wetgever de Staat en zijn organen niet meteen ontlast van elke vorm van verant- woordelijkheid in het beheer van de crisis. In tegenstel- ling tot wat in de memorie van toelichting wordt bepaald, is het niet zo moeilijk om een afdoend oorzakelijk ver- band te leggen tussen de foutieve houding en handelin- gen van de Staat, en de geleden schade. Vragen van de leden De heer Yves Leterme (CVP) vraagt of de heer Adriaens voorstander is van de weglating in artikel 4, eerste lid, van de voorgestelde bepaling, van de woorden «kan» en «of een deel», met de bedoeling tot een volledige vergoeding van de schade te komen. Zou de heer Adriaens niet akkoord kunnen gaan met de invoering van een solidariteitsbijdrage, op voorwaarde dat de opbrengst daarvan besteed wordt aan maatregelen die in de toekomst gunstig zouden uitvallen voor de veeteeltsector ? De spreker benadrukt tevens dat de heer Adriaens er enerzijds op gewezen heeft dat de argumentatie van het aan de orde zijnde ontwerp de kwestie van de aansprakelijkheid in het midden laat en dat dit ontwerp moet worden beschouwd als omvattende economische steunmaatregelen en anderzijds verklaard heeft dat de regering naar eigen zeggen die aansprakelijkheid kan weerleggen. De heer Pierre Lano (VLD) merkt op dat inzake de vergoeding van de door de bedrijven geleden schade alleen die van de stoffelijke schade mogelijk is. Zo wordt geen rekening gehouden met de onstoffelijke schade zoals klantenverlies, aantasting van het imago, daling 33 0212/007 DOC 50 C H A M B R E 2 e S E S S I O N D E L A 5 0 e L É G I S L A T U R E K A M E R 2 e Z I T T I N G V A N D E 5 0 e Z I T T I N G S P E R I O D E 1999 2000 de livraisons, la recherche de nouveaux fournisseurs, etc. ne sont pas pris en compte. L’intervenant fait ensuite valoir que dans le cadre du projet à l’examen, le gouvernement a accompli le maxi- mum d’efforts, certainement à l’égard de l’agriculteur individuel. L’orateur se demande d’autre part si les agriculteurs sont opposés à l’instauration, à l’avenir, de la comptabilité totale. Une telle instauration n’aurait-elle pas simplifié le problème que l’on connaît actuellement et permis d’éviter la tenue de négociations entre l’agriculteur pris individuellement et l’administration ? Enfin, quel est le point de vue des organisations agricoles présentes à l’égard d’une indemnisation de type « pyramidal » (à savoir l’indemnisation prioritaire des entreprises -plus nombreuses- ayant subi un dommage moindre) ? * * * M. Adriaens se déclare effectivement favorable à la suppression, à l’article 4, alinéa premier du texte proposé, des termes « peut » et « ou partie du ». En ce qui concerne la cotisation de solidarité, l’orateur réitère son opposition à celle-ci, telle que prévue par le texte proposé . Il fait observer qu’ il existe déjà actuellement un Fonds sanitaire auquel chaque agriculteur verse une contribution substantielle. Il n’a pas d’objection à ce qu’une partie des contributions versées à ce Fonds soit affectée au règlement de la crise de la dioxine. Il est toutefois opposé à ce qu’une nouvelle forme de coresponsabilité soit mise à charge du secteur agricole qui a déjà été très fortement touché par la crise de la dioxine. Au demeurant, si une cotisation de solidarité devait être instaurée, le secteur de l’alimentation animale, soumis à celle-ci, ne manquerait pas de répercuter le coût de cette cotisation sur les prix. Evoquant enfin la comptabilité des entreprises agricoles, l’intervenant signale que de nombreuses entreprises procèdent déjà actuellement à une comptabilité complète de leurs opérations. Ce type de comptabilité, s’il ne doit pas être imposé de force, sera généralisé à relativement court terme. M. Devisch se rallie aux observations de M. Lano, selon lesquelles l’indemnisation – effectuée- du préjudice matériel laisse subsister le problème de l’indemnisation du dommage occasionné aux biens « immatériels », comme le développement de l’entreprise (qui a souvent nécessité des années d’efforts), la valeur d’élevage, etc.. Il n’en demeure pas van het aantal leveringen, zoeken naar nieuwe leveranciers enzovoort. De spreker vestigt er tevens de aandacht op dat de regering in het raam van het voorliggende ontwerp de grootst mogelijke inspanningen heeft geleverd, alleszins wat de individuele landbouwer betreft. Voorts is hij benieuwd of de landbouwers gekant zijn tegen de toekomstige invoering van een volledige boekhouding. Zou de invoering van die boekhoudmethode het huidige probleem niet eenvoudiger hebben gemaakt en had men er de onderhandelingen tussen de individuele landbouwers en de administratie niet mee kunnen voorkomen ? Ter afronding zou hij willen weten wat de aanwezige landbouworganisaties denken van een «piramidale» schadeloosstelling (prioritaire vergoeding van de - numeriek sterkere - bedrijven die minder schade hebben geleden). * * * De heer Adriaens bevestigt voorstander te zijn van de weglating, in artikel 4, eerste lid, van de voorgestelde tekst, van de woorden «kan» en «of een deel». Inzake de solidariteitsbijdrage herhaalt hij gekant te zijn tegen die bijdrage zoals zij door de voorgestelde tekst in uitzicht wordt gesteld. Momenteel bestaat reeds een Gezondheidsfonds waarin iedere landbouwer een substantiële bijdrage stort. De spreker heeft er niets op tegen dat een gedeelte van die bijdragen aan de vereffening van de factuur van de dioxinecrisis zou worden besteed. Die nieuwe vorm van mede- aansprakelijkheid mag echter in geen geval ten koste gaan van de landbouwsector die reeds zeer erg te lijden heeft gehad van de dioxinecrisis. Mocht zo’n solidariteitsbijdrage er toch komen, dan zou de daaraan onderworpen dierenvoedersector de kosten ten andere ongetwijfeld doorrekenen in zijn prijzen. Inzake de boekhouding van de landbouwbedrijven geeft de spreker ten slotte aan dat tal van bedrijven nu reeds een volledige boekhouding van hun transacties voeren. Hoewel dit type van boekhouding niet onder dwang mag worden opgelegd, zal het toch op betrekkelijk korte termijn veralgemeend zal worden. De heer Devisch is het eens met de opmerkingen van de heer Lano dat de reeds verrichte vergoeding van de stoffelijke schade geen oplossing aanreikt voor het probleem van de schade aan de «onstoffelijke» goederen zoals de ontwikkeling van het bedrijf (die vaak jarenlange inspanningen heeft gevergd), de «teeltwaarde» enz. Dit neemt echter niet weg dat de 34 0212/007 DOC 50 C H A M B R E 2 e S E S S I O N D E L A 5 0 e L É G I S L A T U R E K A M E R 2 e Z I T T I N G V A N D E 5 0 e Z I T T I N G S P E R I O D E 1999 2000 moins que le dommage aux biens matériels doit pouvoir dès à présent être indemnisé totalement. L’orateur craint d’autre part que le règlement des indemnisations des entreprises agricoles victimes de la crise de la dioxine (des dizaines de milliers en l’occurrence) nécessiterait un temps considérable si cette indemnisation devait exclusivement s’opérer sur la base de l’introduction de dossiers individuels. Une indemnisation forfaitaire de chacune des entreprises touchées est dès lors préférable en la matière et l’évaluation du dommage sur cette base peut - compte tenu des possibilités et outils actuels- être opérée rapidement de manière correcte. Des procédures de vérification pourraient être instaurées a posteriori, afin de contrôler l’exactitude des données fournies à l’appui de la demande d’indemnisation. D’autre part, un règlement forfaitaire n’empêche nullement tout agriculteur qui estime que ce forfait ne couvre pas le dommage qu’il a réellement subi, d’introduire une demande individuelle d’indemnisation, accompagnée de toutes les pièces et justificatifs nécessaires. L’orateur n’est pas favorable à une indemnisation de type pyramidal, étant donné que ce sont précisément les agriculteurs qui sont dans le plus grand besoin qui doivent pouvoir être indemnisés en premier lieu. * * * 5. Audition de M. Marstboom de l’Organisatie voor zelfstandige ondernemenrs (NCMV) M. Marstboom estime que l’attitude attentiste géné- ralisée de la plupart des entreprises non agricoles peut s’expliquer par le flou qui règne encore en ce qui con- cerne les mesures à prendre en matière d’aides au ni- veau régional. Étant donné que le dommage subi dépendra du stade de production dans lequel se trouve l’entreprise touchée par la crise, l’orateur préconise de retenir la définition plus large d’»entreprise agricole» qui est utilisée par la Commission européenne. Il met ensuite en garde contre le problème de liquidi- tés au sein des entreprises non agricoles. Les entrepri- ses concernées se situent en effet en aval dans la chaîne alimentaire et devront dès lors attendre encore plus long- temps pour que les mesures qui doivent encore être prises produisent leurs effets. En outre, elles ne sont pas en état de faire appel aux aides proposées, étant schade aan de stoffelijke goederen onmiddellijk volledig moet kunnen worden vergoed. Bovendien vreest de spreker dat, mocht de regeling van de schadeloosstelling van de landbouwbedrijven die het slachtoffer zijn van de dioxinecrisis (er zijn er tienduizenden), uitsluitend op grond van de indiening van individuele dossiers gebeuren, zij vrij veel tijd zou vergen. Een forfaitaire schadeloosstelling van elk van de getroffen bedrijven is dan ook te verkiezen en gelet op de huidige mogelijkheden en voorzieningen kan de raming van de schade op die basis snel en correct worden uitgevoerd. Achteraf zouden controleprocedures kunnen worden ingevoerd om de tot staving van de aanvraag om schadeloosstelling verstrekte gegevens op hun deugdelijkheid te toetsen. Aan de andere kant vormt een forfaitaire regeling voor geen enkele landbouwer die meent dat een dergelijke regeling de door hem werkelijk geleden schade niet volledig dekt, een hinderpaal om, met overlegging van alle noodzakelijke stukken en bewijsmateriaal, een individuele schadeclaim in te dienen. De spreker is geen voorstander van een «piramidale» schadeloosstelling, want het zijn precies de landbouwers die in de grootste nood zitten, die het eerst moeten worden vergoed. * * * 5. Hoorzitting met de heer Marstboom van de Organisatie voor zelfstandige Ondernemers (NCMV) De heer Marstboom meent de heersende afwach- tende houding van de meeste niet-landbouwbedrijven te kunnen verklaren door te verwijzen naar de onduide- lijkheid inzake de nog te nemen steunmaatregelen op gewestelijk vlak. Aangezien de geleden schade zal afhangen van het productiestadium waarin het getroffen bedrijf zich be- vindt, pleit hij voor het gebruik van de ruimere, door de Europese Commissie gebruikte, definitie van «land- bouwbedrijf». Voorts waarschuwt hij voor liquiditeitsproblemen bij de niet-landbouwbedrijven. De betrokken bedrijven bevinden zich immers stroomafwaarts in de voedsel- keten en zullen dus nog langer moeten wachten op de effecten van maatregelen die nog genomen moeten wor- den. Daarenboven zijn zij niet bij machte om een be- roep te doen op de voorgestelde hulp omdat zij niet in 35 0212/007 DOC 50 C H A M B R E 2 e S E S S I O N D E L A 5 0 e L É G I S L A T U R E K A M E R 2 e Z I T T I N G V A N D E 5 0 e Z I T T I N G S P E R I O D E 1999 2000 donné qu’elles ne sont pas en mesure de fournir les garanties nécessaires pour le reste des crédits non garantis par l’État. Enfin, l’orateur ne voit aucune objection de principe à l’instauration de la cotisation de solidarité proposée, mais souhaite quand même que toute la clarté soit d’abord faite sur les mesures en chantier. Questions des membres En réponse à une question de Mme Trees Pieters (CVP) concernant ses déclarations relatives à l’impos- sibilité pour les entreprises concernées de fournir des garanties pour les 50 % des crédits non garantis par l’État, l’orateur souligne que le secteur se caractérise par un grand nombre de petites et moyennes entreprise qui ploient en outre sous une importante charge d’in- vestissements. * * * M. Pierre Lano (VLD) s’étonne que l’orateur souhaite le report de l’instauration de la cotisation de solidarité, alors que, selon l’intervenant, c’est précisément cette cotisation qui permettra une indemnisation correcte. L’orateur répond que l’indemnisation des entreprises non agricoles, qui est une matière régionale, n’est pas en- core tout à fait acquise et il ajoute que la contribution réelle d’un secteur augmente à mesure que l’indemni- sation du dommage subi diminue. 6. Auditions de M. De Gendt de la Vereniging Varkenshouders (VEVA) Étant donné que les agriculteurs ne considèrent guère les avances sans intérêt et les crédits de soudure comme une aide, M. De Gendt estime que seule la prise en charge d’une grande partie des échantillons et des analyses est la seule véritable mesure d’aide. C’est pourquoi il défend l’idée de mesures d’aides concrètes et rapides en vertu desquelles l’indemnité serait calculée sur la base du prix de revient réel des animaux éliminés. L’intervenant ajoute qu’il convient que les dommages subis soient indemnisés intégralement. À cet égard, il demande en outre davantage de précisions quant aux modalités proposées. staat zijn de nodige waarborgen te leveren voor de res- terende niet door de Staat gewaarborgde kredieten. Ten slotte heeft spreker geen principieel bezwaar te- gen de voorgestelde solidariteitsbijdrage maar wenst hij toch eerst een volledige klaarheid betreffende de op stapel staande maatregelen. Vragen van de leden In zijn antwoord op de vraag van mevrouw Trees Pie- ters (CVP) om zijn stelling in verband met de onmoge- lijkheid van de betrokken bedrijven om de waarborgen te kunnen leveren voor de 50% niet door de Staat gewaarborgde kredieten toe te lichten, benadrukt spre- ker dat de sector gekenmerkt is door een groot aantal kleine en middelgrote ondernemingen die daarenboven gebukt gaan onder een zware investeringslast. * * * De heer Pierre Lano (VLD) verwondert zich over de wens om de solidariteitsbijdrage uit te stellen terwijl deze volgens hem precies de mogelijkheid schept op een correcte vergoeding. Spreker antwoordt dat de ver- goeding van niet-landbouwbedrijven, die een gewestelij- ke materie is, nog helemaal niet verworven is en voegt daaraan toe dat de feitelijke bijdrage van een sector verhoogt naarmate de vergoeding van de opgelopen schade afneemt. 6. Hoorzitting met de heer De Gendt van de Ver- eniging Varkenshouders (VEVA) Omdat de renteloze voorschotten en de overbruggingskredieten door de landbouwers nauwe- lijks als een steun ervaren worden, beschouwt de heer De Gendt slechts de tenlasteneming van een groot ge- deelte van de staalnames en analyses als een echte steunmaatregel. Daarom breekt hij een lans voor concrete en snelle steunmaatregelen met de werkelijke kostprijs van de opgeruimde dieren als basis voor de berekening van de vergoeding. Verder stelt spreker dat de geleden schade volledig vergoed moet worden. In deze context wenst hij daar- enboven meer duidelijkheid inzake de voorgestelde modaliteiten. 36 0212/007 DOC 50 C H A M B R E 2 e S E S S I O N D E L A 5 0 e L É G I S L A T U R E K A M E R 2 e Z I T T I N G V A N D E 5 0 e Z I T T I N G S P E R I O D E 1999 2000 Enfin, l’orateur ne peut accepter l’idée d’une cotisa- tion de solidarité dès lors que le secteur agricole n’est pas en faute et ne peut dès lors assumer une quelcon- que part de responsabilité. 7. Audition de MM. Van Parijs et Bossuyt du Verbond Pluimvee, Eieren en Konijnen (VEPEK) M. Van Parijs constate que le projet de loi à l’examen vise à exclure les entreprises intégrées du bénéfice de l’aide, à moins que le dommage ait été évité en tout ou en partie par une exécution correcte du contrat. Cela étant, il précise que le secteur de la volaille se compose à quelque 95% d’entreprises intégrées et il se demande quelles modalités permettront d’établir que l’agriculteur concerné a respecté ou non son contrat. L’orateur craint par ailleurs que les aviculteurs wal- lons soient exclus de l’aide. La notion d’»indépendance économique», définie dans le projet d’arrêté d’exécu- tion, est tirée du plan lisier flamand et il va de soi que les aviculteurs wallons n’ont pas pu s’adapter aux struc- tures imposées par ce plan. Il souligne ensuite le caractère uniforme de l’indem- nité de rachat fixée pour la volaille, qui ne correspond en rien au prix de revient réel des animaux. Enfin, l’orateur rappelle que le prix du marché prati- qué actuellement pour les poulets à rôtir est toujours inférieur au prix de revient du fait que les exportations ne se sont pas encore redressées. * * * M. Bossuyt demande à son tour que le montant de l’indemnité afférente aux animaux éliminés pour des raisons économiques soit relevé à concurrence des valeurs fixées dans le cadre du Fonds sanitaire. Il précise ensuite que les producteurs d’oeufs sont en fait doublement pénalisés : une première fois du fait de la modicité du prix auquel les casseries ont racheté les produits pendant les premiers jours de la crise et une seconde fois du fait que ces produits, qui ont été libérés dans l’intervalle, réapparaissent sur le marché. Enfin, l’intervenant demande que les couvoirs, qui sont des entreprises vivant essentiellement de l’expor- tation et avaient conclu en tant que tels des contrats leur offrant des débouchés, puissent également bénéfi- cier des aides prévues. Ten besluite kan spreker zich niet verzoenen met de voorgestelde solidariteisbijdrage aangezien de landbouwsector geen schuld treft en dus ook niet aan- sprakelijk gesteld kan worden. 7. Hoorzitting met de heren Van Parijs en Bossuyt van het Verbond Pluimvee, Eieren en Konijnen (VEPEK) De heer Van Parijs stelt vast dat het voorliggend wetsontwerp de geïntegreerde bedrijven van de steun wil uitsluiten tenzij de schade volledig of gedeeltelijk vermeden zou zijn door een correcte uitvoering van het contract. In deze context licht hij toe dat de pluim- veesector voor ongeveer 95% uit geïntegreerde bedrij- ven bestaat waarbij hij zich afvraagt volgens welke modalitieten men zal kunnen vaststellen of de betrok- ken landbouwer zijn contract al dan niet nageleefd heeft. Voorts vreest spreker dat de Waalse pluimveehouders uit de boot zullen vallen. De notie «economische zelf- standigheid», die in de ontwerptekst van het uitvoerings- besluit omschreven wordt, stamt immers uit het Vlaamse Mestactieplan en de Waalse pluimveehouders hebben zich vanzelfsprekend niet aan de door dit plan opge- legde structuren kunnen aanpassen. Vervolgens wijst hij op het uniforme karakter van de opkoopvergoeding voor het pluimvee die geenszins met de werkelijke kostprijs van de dieren overeenstemt. Ten slotte herinnert spreker eraan dat de huidige marktprijs voor braadkippen nog altijd onder de kost- prijs ligt omdat de export zich nog niet hersteld heeft. * * * Op zijn beurt wenst de heer Bossuyt de vergoeding voor de dieren die om economische redenen opgeruimd werden, op te trekken tot de in het Sanitair Fonds bepaal- de waarden. Voorts verduidelijkt hij dat de eierproducenten in feite tweemaal gestraft worden: een eerste maal ingevolge de minieme opkoopprijs waartegen de brekerijen de producten in de eerste dagen van de crisis opkochten, en een tweede maal omdat deze, inmiddels vrijgegeven, producten terug op de markt verschijnen. Ten slotte vraagt spreker dat de broeierijen, die hoofd- zakelijk van de export leven en als dusdanig afzetcontracten afgesloten hadden, eveneens in de voor- gestelde steunregeling opgenomen worden. 37 0212/007 DOC 50 C H A M B R E 2 e S E S S I O N D E L A 5 0 e L É G I S L A T U R E K A M E R 2 e Z I T T I N G V A N D E 5 0 e Z I T T I N G S P E R I O D E 1999 2000 8. Audition de M. Boulanger, représentant PROBILA-Bioforum M. Boulanger rappelle que malgré la fixation de nor- mes de production excluant toute graisse animale, le secteur biologique est également victime de la crise. Aussi l’intervenant estime-t-il inopportun, compte tenu des investissements spécifiques consentis par le sec- teur biologique afin de se conformer aux normes préci- tées, de soumettre également ce secteur à la cotisation de solidarité. Il attire également l’attention sur le fait que les pro- duits de l’agriculture biologique ont davantage de va- leur, de sorte qu’il ne lui paraît pas non plus équitable de prévoir une indemnité forfaitaire identique pour les produits biologiques et les produits traditionnels. Il souligne par ailleurs que la plupart des exploita- tions agricoles biologiques étant quasi forcément mix- tes, elles risquent de ne pouvoir bénéficier des aides. Enfin, l’intervenant demande que l’on indemnise la perte de débouchés résultant du blocage des produits par les entreprises situées en aval. Questions des membres Répondant à une question de Mme Kathleen van der Hooft (VLD) qui demande si le secteur biologique sou- haite un traitement distinct dans le cadre de la cotisa- tion de solidarité, l’orateur souligne que, s’il fait bien partie du secteur agricole, le secteur biologique ne porte, eu égard aux efforts qu’il fournit, aucune part de res- ponsabilité dans la survenance de la crise. En effet, celle- ci a précisément été provoquée par le secteur tradition- nel, qui ne s’est pas donné la peine de mettre en place les mécanismes de contrôle indispensables. * * * M. André Smets (PSC) demande où se situent les entreprises biologiques parmi les différentes formes possibles d’entreprises. L’orateur souligne que ces en- treprises n’adoptent pas de forme particulière et qu’el- les occupent principalement le segment des entrepri- ses agricoles familiales. * * * 8. Hoorzitting met de heer Boulanger van PROBILA-Bioforum De heer Boulanger herinnert eraan dat - ondanks de opgelegde productienormen waarbij elk dierlijk vet ge- weerd wordt - ook de bio-sector één van de slachtoffers van de crisis is. Daarom en rekening houdend met de specifieke in- vesteringen ingevolge de bovengenoemde normen, acht spreker het dan ook ongepast dat ook deze sector aan de solidariteitsbijdrage onderworpen zou worden. Hij wijst tevens op de hogere waarde van de produc- ten van de bio-sector zodat éénzelfde forfaitaire vergoe- ding voor zowel de biologische als de traditionele pro- ducten hem evenmin billijk lijkt. Voorts benadrukt hij dat de meeste biologische landbouwbedrijven omzeggens vanzelfsprekend ge- mengd zijn en daardoor van steun uitgesloten dreigen te worden. Ten slotte vraagt spreker een vergoeding voor het afzetverlies ingevolge de blokkering van de producten door de stroomafwaarts gelegen bedrijven. Vragen van de leden Op de vraag van Mevrouw Kathleen van der Hooft (VLD) of de bio-sector in het kader van de solidariteits- bijdrage een aparte behandeling wenst, antwoordt spre- ker dat de bio-sector wel degelijk deel uitmaakt van de landbouwsector maar in het licht van de geleverde inspanningen geen enkele schuld treft inzake de crisis. Deze werd immers precies veroorzaakt door de tradi- tionele sector die niet de moeite genomen heeft om de nodige controlemechanismen in te bouwen. * * * De heer André Smets (PSC) informeert naar de plaats van de bio-bedrijven in het kader van de verschillende mogelijke bedrijfsvormen. Spreker antwoordt dat deze bedrijven geen speciale vorm aannemen, enerzijds, en dat zij hoofdzakelijk in het segment van de familiale landbouwbedrijven gesitueerd worden, anderzijds. * * * 38 0212/007 DOC 50 C H A M B R E 2 e S E S S I O N D E L A 5 0 e L É G I S L A T U R E K A M E R 2 e Z I T T I N G V A N D E 5 0 e Z I T T I N G S P E R I O D E 1999 2000 Mme Pierrette Cahay (PRL FDF MCC) demande combien il y a d’entreprises biologiques et si l’on peut observer, en ce qui les concerne; une répartition géo- graphique et/ou sectorielle. M. Boulanger répond qu’il existe actuellement quelque 500 entreprises biologiques et qu’une centaine d’entreprises - essentiellement des entreprises d’élevage de bovins viennent s’ajouter tous les ans. * * * En réponse à la question de M. Pierre Lano (VLD) concernant l’éventuelle valeur ajoutée supérieure des produits «bio», l’orateur précise que le prix de revient des produits «bio» est de 30 à 50 % plus élevé que celui des produits du secteur traditionnel. 9. Audition de M. Van De Walle, président du Vlaams Agrarisch Centrum (VAC) M. Van De Walle considère que la crise de la dioxine est la conséquence logique de l’industrialisation de la production des denrées alimentaires production qui est aux mains de groupes guidés par le souci d’une renta- bilité maximale, obtenue par une production sans cesse croissante au moyen des aliments les moins coûteux. Il ajoute que, depuis des décennies déjà, le paysan est victime de ces pratiques sur le plan de concurrence. Sans pouvoir bénéficier des avantages du système, il pâtit en effet de la mauvaise image de marque et des pertes du secteur, sans compter qu’il est souvent con- fronté à de graves problèmes financiers. C’est la raison pour laquelle il demande avant tout que le dommage subi soit indemnisé intégralement à un prix du marché qui soit réaliste. Il fait en outre obser- ver que les agriculteurs apportent déjà leur contribution sur le plan fiscal et n’est dès lors pas disposé à verser la moindre cotisation supplémentaire. Il souhaite ensuite que les pouvoirs publics mettent rapidement un terme à la confusion qui règne en matière d’information. Il s’en- quiert également des mesures prévues pour les agri- culteurs des autres secteurs qui ont également été vic- times de la crise. Enfin, l’orateur se félicite que les agriculteurs écono- miquement indépendants soient indemnisés en priorité. Mevrouw Pierrette Cahay (PRL FDF MCC) wenst te vernemen hoeveel bio-bedrijven er zijn alsmede of er een geografische en/of sectoriële verdeling valt waar te nemen. De heer Boulanger antwoordt dat er momen- teel ongeveer 500 bio-bedrijven zijn en dat er jaarlijks een honderdtal nieuwe - hoofdzakelijk rundveebedrijven - aan de lijst toegevoegd worden. * * * Op de vraag van de heer Pierre Lano (VLD) inzake de mogelijke hogere toegevoegde waarde van de bio- producten stelt spreker dat ook de kostprijs van de bio- producten 30 à 50% hoger ligt dan deze van de traditio- nele sector. 9. Hoorzitting met de heer Van De Walle, voorzit- ter van het Vlaams Agrarisch Centrum (VAC) De heer Van De Walle beschouwt de dioxinecrisis als een logisch gevolg van de industrialisering van de voedselproductie die in handen is van groepen met de winstgevende jaarbalans als enige norm die een steeds hogere productie met het goedkoopste voeder wensen. Hij stelt verder dat de boer al decennialang het concurrentieel slachtoffer van deze praktijken is. Zon- der van de voordelen te kunnen genieten, moet hij im- mers mee opdraaien voor het slechte imago en de ver- liezen van de sector waarbij hij dikwijls met zware financiële problemen geconfronteerd wordt. Daarom eist hij vooreerst de vergoeding van de vol- ledige schade aan een realistische marktprijs. Daar- naast wijst hij erop dat de landbouwers reeds in het kader van de belastingen hun steentje bijdragen en is hij dan ook niet bereid tot enige extra-bijdrage. Hij wenst vervolgens dat de overheid snel een einde maakt aan de heersende verwarring inzake de informatiever- strekking. Hij informeert tevens naar de voorzieningen voor de landbouwers uit de andere sectoren die even- eens slachtoffer werden van de crisis. Ten besluite juicht spreker toe dat de economisch zelfstandige landbouwers voorrang krijgen. 39 0212/007 DOC 50 C H A M B R E 2 e S E S S I O N D E L A 5 0 e L É G I S L A T U R E K A M E R 2 e Z I T T I N G V A N D E 5 0 e Z I T T I N G S P E R I O D E 1999 2000 IV. ARTIKELSGEWIJZE BESPREKING Art. 1 De minister wijst erop dat dit artikel louter de grond- wettelijke basis vormt van het ter bespreking voorlig- gende ontwerp. Art. 2 De heren Yves Leterme en Jos Ansoms, alsook me- vrouw Trees Pieters (CVP) dienen een amendement nr. 1 (Stuk nr. 212/3) in teneinde de definitie van «landbouw- bedrijf» zodanig aan te passen dat ook zogenaamde «gemengde» bedrijven - waar moeilijk de «hoofd- activiteit» van andere activiteiten kan worden geschei- den - onder toepassing vallen van de wet en schade- loos gesteld kunnen worden. Thans lopen deze bedrijven het gevaar op geen enkele vergoeding aanspraak te kunnen maken. Aangezien in artikel 3, 2° deze moge- lijkheid wordt opengelaten - namelijk dat de gemengde bedrijven toch zoals de andere landbouwbedrijven in de zin van artikel 2, 2° zouden worden beschouwd - bij koninklijk besluit, is het van cruciaal belang over de uitvoeringsbesluiten ter zake te beschikken. Zij zullen immers het toepassingsgebied afbakenen. Het stemgedrag van de fractie van de indieners van dit amendement zal afhangen van wat onder toepassing valt van de wet, of niet. Voorts beantwoordt de definitie van «landbouwbedrijf» veeleer aan die van een «veeteeltbedrijf». Het telen van gewassen, dat in artikel 3 onder «akker- en tuinbouw» valt, zou best van meet af aan, in de definitie van artikel 2, 2°, worden opgeno- men. De heer Yves Leterme (CVP) vraagt zich ook af waarom alleen gewag wordt gemaakt van dioxineverontreiniging, en niet van verontreiniging door PCB’s ? De heer Richard Fournaux (PSC) dient een amen- dement nr. 28 (DOC 50 212/3) in opdat die bedrijven die de landbouw slechts als een van hun activiteiten beoefenen ook als «landbouwbedrijf» zouden worden erkend. Men kan niet half het slachtoffer zijn van de dioxinecrisis. Men is het of men is het niet. De hoe- grootheid van de schade zal overigens moeten worden aangetoond. Of men de landbouw als nevenactiviteit beoefent, of niet, kan en mag hier geen rol spelen. Er moet absoluut worden vermeden dat de getroffen be- drijven niet in aanmerking komen voor federale scha- deloosstelling omdat ze niet vallen onder de definitie van «landbouwbedrijf» en tevens geen beroep zouden IV. DISCUSSION DES ARTICLES Art. 1er Le ministre fait observer que cet article indique sim- plement la base constitutionnelle du projet à l’examen. Art. 2 MM. Yves Leterme et Jos Ansoms ainsi que Mme Trees Pieters (CVP) présentent un amendement (n° 1 - DOC 50 0212/003) tendant à adapter la définition d’»entreprise agricole» de manière à ce que les entre- prises «mixtes» - au sein desquelles il est difficile d’éta- blir une distinction entre l’activité principale et les autres activités - relèvent également du champ d’application de la loi et puissent être indemnisées. Dans la situation actuelle, ces entreprises risquent de ne pouvoir faire valoir aucun droit à une indemnisation. Étant donné qu’en vertu de l’article 3, 2°, cette possibilité est laissée au Roi- à savoir que les entreprises mixtes pourraient quand même être assimilées aux autres entreprises agricoles au sens de l’article 2, 2° - , il est capital de disposer des arrêtés d’exécution en la matière. Ceux-ci délimiteront en effet le champ d’application. Le groupe politique des auteurs de l’amendement adap- tera son vote en fonction de ce qui relèvera ou non du champ d’application de la loi. Par ailleurs, la définition d’«entreprise agricole» correspond plutôt à celle d’«entreprise d’élevage». Il serait préférable de repren- dre d’emblée dans la définition figurant à l’article 2, 2°, la culture de végétaux qui, à l’article 3, est reprise sous la dénomination «culture de céréales ou horticulture». M. Yves Leterme (CVP) demande aussi pour quelle raison il est seulement fait état de contamination par la dioxine et non de contamination par les PCB ? M. Richard Fournaux (PSC) présente un amende- ment (n° 28 - DOC 50 0212/003) visant à faire en sorte que les entreprises pour lesquelles l’agriculture ne cons- titue qu’une activité parmi d’autres soient également re- connues comme entreprises agricoles. L’on ne saurait être à moitié victime de la crise de la dioxine. On est victime ou on ne l’est pas. Il faudra d’ailleurs prouver l’ampleur du dommage. Le fait que l’on pratique ou non l’agriculture à titre accessoire ne saurait jouer de rôle en l’occurrence. Il faut absolument éviter que les entre- prises touchées ne puissent bénéficier d’aucune indem- nisation fédérale parce qu’elles ne relèvent pas de la définition d’«entrepise agricole» ni d’aucune aide régio- 40 0212/007 DOC 50 C H A M B R E 2 e S E S S I O N D E L A 5 0 e L É G I S L A T U R E K A M E R 2 e Z I T T I N G V A N D E 5 0 e Z I T T I N G S P E R I O D E 1999 2000 Centrale drukkerij van de Kamer - Imprimerie centrale de la Chambre kunnen doen op regionale steunmaatregelen omdat ze ook niet behoren tot de «niet-landbouwsector». Mevrouw Frieda Brepoels (VU&ID) dient een amen- dement nr. 13 (DOC 50 0212/003) in waarin zij de da- tum preciseert - einde mei 1999 - waarop de zogeheten «dioxinecrisis» van start is gegaan. Het Protocol afge- sloten met de banken maakt overigens gewag van «de eerste helft van 1999». De spreekster vreest dat an- dere gevallen, die strikt genomen niets met de dioxinecrisis te maken hebben, tersluiks ook onder toe- passing van de wet zouden vallen die geenszins voor die gevallen bedoeld is geweest. Meer bepaald is het overvloedig gebruik van «door» in de definitie van de dioxinecrisis verwarrend. Zijn alle gevallen die door het woordje «door» worden ingeleid equivalent ? In ieder geval kan de spreekster niet akkoord gaan met het feit dat artikel 3, 2° de mogelijkheid zal geven de definitie van artikel 2, 2° via een koninklijk besluit zodanig aan te passen dat in feite de wet wordt gewijzigd. De voorzitter vraagt of met «in 1999» wel degelijk «tot 31 december 1999» wordt bedoeld. De heer André Smets (PSC) vindt de bevoegdheids- verdeling tussen Europa, het federaal en het geweste- lijk niveau in hoge mate verwarrend, en vraagt zich af op dit niet beter gepreciseerd zou kunnen worden. De minister antwoordt het volgende : 1° Wat betreft het toepassingsgebied van de wet : de definitie van de «dioxinecrisis» is letterlijk overgenomen van de Europese beschikking, die door iedereen ge- raadpleegd kan worden in het Publicatieblad van de Europese Unie. De verwijzing naar het jaar 1999 bete- kent inderdaad dat het gaat over vaststellingen tot 31 december 1999. In ieder geval is de verwijzing naar «einde mei 1999», zoals voorgesteld door mevrouw Brepoels veel te eng, omdat ook gevallen werden ge- constateerd in juni en juli. Het Protocol, waarin de «eer- ste helft van 1999» wordt vermeld, werd in augustus afgesloten. Uiteraard kon men toen nog niet gewagen van het hele jaar 1999. Iedereen heeft niettemin belang bij een zo groot mogelijke elasticiteit ter zake. Het feit dat men naar dioxines verwijst en niet naar PCB’s impli- ceert geen verenging. Immers, het is de crisis die wordt geviseerd, niet deze of gene stof die aan de oorsprong ervan ligt. Voorts is het niet gezegd dat gemengde be- drijven a priori uit de boot vallen. Integendeel is het de bedoeling van de regering de gemengde bedrijven ook onder het toepassingsgebied van de wet te laten val- len, zij het met koninklijke of ministeriële besluiten, of via het aannemen van amendementen ter zake. nale parce qu’elles ne font pas non plus partie du sec- teur non agricole. Mme Frieda Brepoels (VU&ID) présente un amen- dement (n° 13, DOC 50 0212/003) précisant la date - fin mai 1999 - à laquelle la «crise de la dioxine» a dé- buté. Le protocole conclu avec les banques parle du reste de la «première moitié de 1999». L’intervenante craint que l’on applique la loi, en douce, à des cas qui n’ont, à strictement parler, rien à voir avec la crise de la dioxine et qui n’étaient pas du tout visés par la loi. Elle estime notamment que l’utilisation répétée du mot «par» dans la définition de la crise de la dioxine prête à confu- sion. Tous les cas introduits par ce mot sont-ils équiva- lents? L’intervenante ne peut en tout cas accepter que l’article 3, 2°, permette d’adapter, par arrêté royal, la définition figurant à l’article 2, 2°, au point de modifier en fait la loi. Le président demande si les termes «en 1999» si- gnifient bien «jusqu’au 31 décembre 1999». M. André Smets (PSC) estime que la répartition des compétences entre l’Europe, le niveau fédéral et le ni- veau régional prête grandement à confusion et se de- mande s’il ne serait pas possible de mieux préciser les compétences des différents niveaux de pouvoir. Le ministre répond comme suit: 1° En ce qui concerne le champ d’application de la loi: la définition de la «crise de la dioxine» est reprise textuellement de la décision européenne, dont chacun peut prendre connaissance dans le Journal Officiel de l’Union européenne. La référence à l’année 1999 signi- fie effectivement qu’il s’agit de constatations faites jus- qu’au 31 décembre 1999. La référence à «fin mai 1999», telle qu’elle est proposée par Mme Brepoels, est de toute façon beaucoup trop restrictive dès lors que des cas ont également été constatés en juin et en juillet. Le Pro- tocole, qui vise «la première moitié de 1999», a été con- clu en août et ne pouvait manifestement pas porter sur toute l’année 1999. Il est cependant dans l’intérêt de tous de disposer d’une élasticité maximale en la ma- tière. Le fait qu’il est question de dioxines et non de PCB ne constitue pas une restriction. C’est en effet la crise qui est visée, et non l’une ou l’autre substance à l’ori- gine de celle-ci. Rien ne dit par ailleurs que les entrepri- ses mixtes seront forcément exclues. Le gouvernement vise, au contraire, à inclure les entreprises mixtes dans le champ d’application de la loi, fût-ce par la voie d’arrê- tés royaux ou ministériels ou par l’adoption d’amende- ments à ce sujet. 41 0212/007 DOC 50 C H A M B R E 2 e S E S S I O N D E L A 5 0 e L É G I S L A T U R E K A M E R 2 e Z I T T I N G V A N D E 5 0 e Z I T T I N G S P E R I O D E 1999 2000 De regeringscommissaris voegt hieraan toe dat steeds sprake is geweest bijnotificaties van het jaar 1999. De buitengewone omstandigheden - die een af- wijking op basis van het Verdrag van Rome toestaan - zijn luidens Europa het gevolg van de uitzonderlijke maatregelen op sanitair en veterinair vlak genomen door de regering. Deze heeft echter op haar beurt gehan- deld omdat ze daar door de Europese instanties toe werd verplicht. Met klem wordt de bewering van de ver- tegenwoordiger van de Boerenbond weerlegd als zou de Belgische overheid vrerantwoordelijk zijn voor het blokkeren van voorraden in het buitenland. De autoritei- ten aldaar hebben daar hun redenen voor, waar de Belgische overheid geen invloed op heeft. De minister heeft er steeds voor gezorgd dat alle diensten in het buitenland correct werden geïnformeerd over de stand van zaken om de nodige stappen te kunnen zetten. De Belgishe overheid kan ter zake geen nalatigheid wor- den verweten. Wat de gemengde bedrijven betreft, is het ten zeerste de vraag of de Europese instanties zul- len accepteren dat bedrijven waarvan de omzet slechts ten belope van 1 % met landbouwactiviteiten te maken heeft, schadeloos worden gesteld. Een bedrijf waarvan de omzet slechts 10 % met landbouw wordt gerealiseerd zal minder thesaurieproblemen hebben dan een bedrijf dat 60 % van zijn omzet uit landbouwactiviteiten haalt. 2° Wat betreft de vergoedingspercentages : het is niet goed specifieke percentages te citeren. Per sector zijn ze, voor wat betreft de vernietiging van de voorra- den, overigens verschillend geweest : in de pluimvee- sector bedroeg het percentage 60 %, in de varkens- sector 80 % (met terugvorderbare voorschotten) en in de rundveesector 80 %. De economische schade, voor zover ze wordt aangetoond, kan meer bedragen dan de compensaties die men reeds heeft ontvangen. 3° Wat betreft de bevoegdheidsverdeling : dit is stof voor de staatshervorming, het is niet altijd duidelijk een grens te trekken tussen de federale en regionale be- voegdheden ter zake. Concreet echter kan de inter- ministeriële conferentie, die om de twee maand bijeen- komt, over grensgevallen uitsluitsel geven. De regeringscommissaris hanteert de volgende vuist- regel : al wat betreft de steun aan bedrijven is gewest- materie, maar landbouw en volksgezondheid vormen daar de uitzonderingen op. Zo bijvoorbeeld vallen de opkoopregelingen onder de bevoegdheid van volksge- zondheid. * * * Le commissaire du gouvernement ajoute que dans les notifications il a toujours été question de l’année 1999. Les circonstances exceptionnelles - qui autori- sent une dérogation sur la base du Traité de Rome - sont, selon les instances européennes, la conséquence des mesures exceptionnelles prises dans le domaine sanitaire et vétérinaire par le gouvernement. Celui-ci a toutefois agi à son tour, parce qu’il y était contraint par les instances européennes. L’intervenant réfute catégo- riquement les affirmations du représentant du Boerenbond, affirmations selon lesquelles les autorités belges seraient responsables du blocage de stocks à l’étranger. Les autorités étrangères ont leurs raisons d’agir de la sorte, raisons sur lesquelles les autorités belges ne peuvent exercer aucune influence. Le minis- tre a toujours veillé à ce que tous les services à l’étran- ger soient correctement informés de la situation afin qu’ils puissent entreprendre les démarches nécessai- res. On ne peut reprocher aucune négligence en la matière aux autorités belges. En ce qui concerne les entreprises mixtes, il paraît douteux que les instances européennes acceptent que des entreprises dont les activités agricoles ne représentent qu’un pour cent du chiffre d’affaires soient indemnisées. Une entreprise qui ne réalise que 10 % de son chiffre d’affaires dans l’agri- culture aura moins de problèmes de trésorerie qu’une entreprise dont les activités agricoles représentent 60 % du chiffre d’affaires. 2° En ce qui concerne les taux des indemnisations, il est inopportun de citer des taux spécifiques. Le pour- centage a d’ailleurs varié d’un secteur à l’autre en ce qui concerne la destruction des stocks: il a été fixé à 60% dans le secteur des volailles, à 80% dans le sec- teur des porcs (avec des avances récupérables) et à 80% dans le secteur des bovins. Les dommages éco- nomiques peuvent, à condition qu’ils soient prouvés, excéder les compensations déjà reçues. 3° En ce qui concerne la répartition des compéten- ces, il y a matière à une réforme institutionnelle, car il n’est pas toujours évident de délimiter les compéten- ces respectives de l’autorité fédérale et des régions dans le domaine en question. Concrètement, la conférence interministérielle, qui se réunit tous les deux mois, peut toutefois se prononcer sur les cas douteux. Le commissaire du gouvernement applique la règle suivante: tout ce qui concerne l’aide aux entreprises relève des régions, sauf lorsqu’il s’agit d’agriculture ou de santé publique. C’est ainsi, par exemple, que les me- sures de rachat sont du ressort de la Santé publique. * * * 42 0212/007 DOC 50 C H A M B R E 2 e S E S S I O N D E L A 5 0 e L É G I S L A T U R E K A M E R 2 e Z I T T I N G V A N D E 5 0 e Z I T T I N G S P E R I O D E 1999 2000 Tijdens een volgende vergadering herhaalt de minis- ter zijn verzet tegen het amendement nr. 1 (Stuk DOC 50 0212/003) door te argumenteren dat de regering het voorliggend wetsontwerp op àlle gemengde bedrijven wenst toe te passen maar dat de Europese Commissie deze zienswijze waarschijnlijk niet zal delen. De heer Yves Leterme (CVP) pleit voor een zo ruim mogelijke beschrijving van de notie “landbouwbedrijf”. Ten einde dit te verwezenlijken suggereert hij - zoals in het amendement nr. 36 (Stuk DOC 50 0212/005) - de Koning de inhoud van de betrokken notie te laten be- schrijven. Hij verwijst in deze context naar de talrijke gevallen waarin deze techniek in het voorliggend wets- ontwerp toegepast wordt. In zijn antwoord stelt de regeringscommissaris dat de Europese Commissie haar goedkeuring enkel laat afhangen van een bestaande wettekst en niet van een belofte om bepaalde materies later door de Koning te laten regelen. Hij voegt daaraan toe dat de bepalingen uit het voorliggend wetsontwerp waarin de Koning wel de bevoegdheid krijgt om op te treden, slaan op preciseringen die overeenstemmen met de bekommer- nis van de Europese Commissie. Art. 3 Mevrouw Frieda Brepoels (VU & ID) dient amende- ment nr. 14 (Doc. 0212/003) in. Ter schraging van haar amendement voert ze aan dat er geen reden is om de Koning bij wet te machtigen nog niet nader omschreven bedrijven gelijk te stellen met landbouwbedrijven. De regering wil de definitie van «landbouwbedrijven» uitbreiden tot de producenten van «bepaalde zuivelproducten in eerste graad van bewerking», met andere woorden tot de producenten van producten waar- van de eerste bewerking in het landbouwbedrijf zelf geschiedt. Het 2° van het amendement neemt gewoon de reeds overeenkomstig het advies van de Raad van State aangepaste tekst over. Dit amendement strekt ertoe het 3° van het ontwor- pen artikel 3 weg te laten, aangezien het niet duidelijk is waarom bepaalde exploitatie-eenheden als één landbouwbedrijf moeten worden beschouwd. Normaal gezien moet een en ander duidelijk blijken uit de milieu- vergunning, waarin ook het aantal toegelaten dieren staat vermeld. Au cours d’une réunion suivante, le ministre répète qu’il est opposé à l’amendement n° 1 (DOC 0212/003) en faisant valoir que le gouvernement entend appliquer le projet de loi à l’examen à toutes les entreprises mix- tes, mais que la Commission européenne ne partagera probablement pas cette manière de voir les choses. M. Yves Leterme (CVP) préconise qu’une définition aussi large que possible soit donnée à la notion d’«entreprise agricole». Pour qu’il en soit ainsi, il sug- gère - comme dans l’amendement n° 36 (DOC 212/005) - de laisser au Roi le soin de définir cette notion. Il ren- voie, à l’appui de sa suggestion, aux nombreux cas dans lesquels cette technique est appliquée dans le projet de loi à l’examen. Dans sa réponse, le commissaire du gouvernement indique que la Commission européenne ne subordonne son approbation qu’à l’existence d’une loi, et non à une promesse de faire régler certaines questions ultérieu- rement par le Roi. Il ajoute que les dispositions du pro- jet de loi à l’examen qui tendent à donner une habilita- tion au Roi concernent des précisions s’inscrivant dans la ligne de la préoccupation de la Commission euro- péenne. Art. 3 Mme Frieda Brepoels (VU&ID), présente l’amende- ment n° 14 (Doc. n° 0212/003). A l’appui de son amendement, l’auteur fait valoir que rien ne justifie que la loi délègue au Roi le pouvoir d’as- similer des entreprises non encore déterminées à des entreprises agricoles. Le gouvernement vise à étendre la définition d’entre- prises agricoles aux producteurs de «certains produits laitiers de première transformation », à savoir aux pro- ducteurs de produits dont la première transformation a lieu dans l’entreprise agricole proprement dite. Le point 2° du présent amendement reprend simple- ment le texte déjà adapté conformément à l’avis du Conseil d’Etat. Le présent amendement tend à supprimer le point 3° de l’article 3° en projet car il est difficile de justifier que certaines entités soient considérées comme une entre- prise agricole unique. Normalement, le permis d’envi- ronnement clarifie la situation et précise également le nombre d’animaux autorisés. 43 0212/007 DOC 50 C H A M B R E 2 e S E S S I O N D E L A 5 0 e L É G I S L A T U R E K A M E R 2 e Z I T T I N G V A N D E 5 0 e Z I T T I N G S P E R I O D E 1999 2000 De minister herinnert eraan dat de formulering van artikel 3 werd afgestemd op de wensen van de Euro- pese Commissie. Het ware niet aangewezen het 3° van artikel 3 weg te laten, aangezien via dat punt rekening kan worden ge- houden met de bijzondere kenmerken van de landbouw- sector, waarin verschillende exploitatie-eenheden als één bedrijf moeten worden behandeld. Dat is bijvoor- beeld het geval met productie-eenheden die op functio- neel vlak van elkaar verschillen, maar waarvan het vee de eigendom is van eenzelfde gezin. Bovendien mag dit artikel niet los worden gezien van de bepaling ter voorkoming van overmatige compensa- ties. In geen geval mag de gevraagde steun in subsidie- equivalent hoger liggen dan de geleden schade. Mevrouw Brepoels (VU & ID) vindt dat het begrip «for- meel afzonderlijke exploitatie-eenheid» nauwkeurig moet worden omschreven. Slaat dat begrip ook op de onafhankelijke afzonderlijke bedrijven en op de bedrij- ven die hun eigen milieuvergunning hebben? Bij wijze van voorbeeld kan men zich afvragen of het thans ter bespreking voorliggende artikel 3, 3°, van toe- passing is op twee onafhankelijke exploitatie-eenheden die respectievelijk door de twee echtgenoten en door hun zoon worden gerund, en die elk een eigen milieu- vergunning hebben. De minister stipt aan dat de punten (i) tot (v) in de commentaar bij de artikelen 2 en 3 van het wetsont- werp niet beperkend zijn. Derhalve is het niet uitgeslo- ten dat het door de spreekster aangehaalde voorbeeld onder de toepassingssfeer van artikel 3, 3E, kan vallen. De heren Yves Leterme en Jos Ansoms en mevrouw Trees Pieters (CVP) dienen amendement nr. 2 (Doc 50 0212/003) in, en verwijzen naar de tijdens de bespre- king van artikel 2 van het ontwerp gegeven ver- antwoording bij amendement nr. 1. Vervolgens dienen zij amendement nr. 3 (Doc 50 0212/003) in, omdat de in artikel 3, 3°, opgenomen be- paling onduidelijk is en verder niet meer in het wetsont- werp aan de orde komt. Mevrouw Trees Pieters (CVP) vraagt zich af of de re- gering uiteindelijk niet de bedoeling heeft, om via dat artikel 3, 3°, plafonds inzake schadeloosstelling op te leggen. De minister antwoordt ontkennend. De heren Richard Fournaux en Luc Paque (PSC) die- nen amendement nr. 35 (Doc 50 0212/005) in, dat er- toe strekt artikel 3, 2°, van het ontwerp weg te laten. Dat amendement vloeit voort uit amendement nr. 29. Le ministre rappelle que le libellé de l’article 3 se con- forme aux souhaits de la Commission européenne. Il ne convient pas de supprimer le point 3° de l’article 3 du projet dès lors qu’il permet de tenir compte des spécificités du secteur agricole, au sein duquel plusieurs entités doivent être traitées comme une seule entreprise. Tel est le cas, par exemple, d’entités distinctes sur le plan fonctionnel dont le bétail appartient aux membres d’un même ménage. En outre, cet article doit être lu en combinaison avec la disposition qui tend à éviter les surcompensations. L’aide demandée ne peut en aucun cas dépasser en équivalent-subvention le dommage subi. Mme Frieda Brepoels (VU&ID) souhaite que la no- tion d’entité formellement distincte soit strictement défi- nie. Les entreprises indépendantes distinctes de même que les entreprises titulaires de leur propre permis d’en- vironnement sont elles visées par cette notion ? A titre d’exemple, est-ce que deux entités indépen- dantes comprenant deux conjoints d’une part et leur fils d’autre part, dotées chacune de leur propre permis d’en- vironnement tombent sous le champ d’application de l’article 3, 3°, en projet ? Le ministre indique que les points (i) à (v) énoncés dans le commentaire des articles 2 et 3 du projet n’ont pas de caractère limitatif. Dès lors, il n’est pas exclu que l’exemple cité par l’intervenante puisse relever du champ d’application de l’article 3, 3°. MM. Yves Leterme, Jos Ansoms et Mme Trees Pieters (CVP) présentent l’amendement n° 2 (Doc. 50 0212/ 003) et se réfèrent à la justification de l’amendement n° 1 présenté lors de la discussion de l’article 2 du projet. Les mêmes auteurs présentent l’amendement n° 3 (Doc. 50 0212/003) au motif que la disposition conte- nue à l’article 3, 3°, n’est pas claire et qu’elle n’apparaît plus dans la suite du projet de loi. Mme Trees Pieters (CVP) se demande si en définitive l’intention du gouvernement n’est pas d’imposer des pla- fonds d’indemnisation par le biais de cet article 3, 3°. Le ministre répond par la négative. MM. Richard Fournaux et Luc Paque (PSC) présen- tent l’amendement n° 35 (Doc. 50 0212/004) tendant à abroger l’article 3, 2°, du projet. Le présent amende- ment est le corollaire de l’amendement n° 29. 44 0212/007 DOC 50 C H A M B R E 2 e S E S S I O N D E L A 5 0 e L É G I S L A T U R E K A M E R 2 e Z I T T I N G V A N D E 5 0 e Z I T T I N G S P E R I O D E 1999 2000 * * * Het amendement nr. 14 (Stuk 50 0212/005) wordt door de indienster ingetrokken. Het amendement nr. 2 (Stuk 50 0212/003) wordt door de indieners ingetrokken. Art. 4 De heren Yves Leterme en Jos Ansoms en mevrouw Trees Pieters (CVP) dienen amendement nr. 5 (Doc 50 0212/003) in, teneinde te voorkomen dat een landbou- wer die een overbruggingskrediet heeft aangegaan en daarop een interestbonificatie ontvangt, daardoor niet langer bijkomend een beroep zou kunnen doen op een vergoeding in contanten voor het deel van de schade dat nog niet door de interestbonificatie wordt gedekt. Dat kan beslist niet de bedoeling zijn. Om ervoor te zor- gen dat steun in de vorm van een interestbonificatie kan worden gecombineerd met een vergoeding in contan- ten, dient uitdrukkelijk te worden voorzien in de moge- lijkheid om diverse steunmaatregelen te genieten. Mevrouw Frieda Brepoels (VU & ID) stipt aan dat het woord «inzonderheid» volgens de Raad van State de idee oproept dat de lijst met vormen van steunmaatre- gelen niet uitputtend is. Gesteld dat de memorie van toelichting exact de bedoelingen van de regering weer- geeft, dan moet het woord «inzonderheid» worden weggelaten. Geeft de regering evenwel de voorkeur aan een niet-beperkende lijst met vormen van steun- maatregelen, dan ware het aangewezen de grenzen vast te leggen waarbinnen ander vormen van steun- maatregelen zullen kunnen worden goedgekeurd. De heren Yves Leterme en Jos Ansoms en mevrouw Trees Pieters (CVP) dienen amendement nr. 27 (Doc. 0212/005) in, dat ertoe strekt het woord «inzonderheid» weg te laten. Ter verantwoording verwijzen zij naar het advies terzake van de Raad van State. Volgens de regeringscommissaris behoren drie vor- men van steun tot de mogelijkheden. Naast de interestbonificaties en de vergoeding in contanten, kan de regering voorzien in gedeeltelijke of volledige kwijtschel- dingen van leningen, in de veronderstelling dat een welbe- paalde vorm van steun een andere niet uitsluit. De minister laat weten dat hij zal nagaan of de bij amendement nr. 5 aangereikte oplossing betere garan- ties op schadeloosstelling biedt dan de huidige tekst van het ter bespreking voorliggende artikel 4. * * * L’amendement n° 14 (DOC 50 0212/005) est retiré par son auteur. L’amendement n° 2 (DOC 50 0212/003) est retiré par ses auteurs. Art. 4 MM. Yves Leterme, Jos Ansoms et Mme Trees Pieters présentent l’amendement n° 5 (Doc. n° 0212/003) vi- sant à ne pas exclure qu’un agriculteur qui a souscrit un crédit de soudure pour lequel il bénéficie d’une boni- fication en intérêt puisse en outre prétendre à une in- demnité en espèce pour la part du dommage qui n’est pas encore couverte par une bonification en intérêt. Tel n’est certainement pas l’objectif poursuivi. Afin de per- mettre la combinaison d’une aide prenant la forme d’une bonification en intérêt et d’une indemnité en espèces, il y a lieu de prévoir expressément l’éventualité d’une plu- ralité d’aides. Mme Frieda Brepoels (VU & ID) souligne que le Con- seil d’Etat estime que le terme «notamment» suggère que la liste des types d’aide n’est pas exhaustive. Si l’exposé des motifs traduit fidèlement les intentions du gouvernement, il convient de supprimer le mot «notam- ment». Si le gouvernement préfère adopter une liste non limitative de formes d’aide, il convient de définir les limi- tes dans lesquelles d’autres types d’aides pourront être arrêtés. MM. Yves Leterme et Jos Ansoms et Mme Trees Pieters présentent l’amendement n° 27 (Doc. n° 212/ 004) tendant à supprimer le mot «notamment» et se réfèrent à l’avis du Conseil d’Etat sur ce point. Le commissaire du gouvernement indique que trois formes d’aides sont envisageables. Outre les bonifica- tions en intérêts et les indemnités en espèces, il est loisible au gouvernement de prévoir des remises par- tielles ou totales d’emprunts, étant entendu qu’une forme d’aide n’est pas exclusive d’une autre. Le ministre communique qu’il examinera si la solu- tion offerte par l’amendement nE 5 donne de meilleu- res garanties d’indemnisation que le libellé actuel de l’article 4 en projet. 45 0212/007 DOC 50 C H A M B R E 2 e S E S S I O N D E L A 5 0 e L É G I S L A T U R E K A M E R 2 e Z I T T I N G V A N D E 5 0 e Z I T T I N G S P E R I O D E 1999 2000 De heren Yves Leterme en Ansoms en mevrouw Trees Pieters dienen amendement nr. 4 (Doc. 0212/003) in, op grond waarvan de Staat aan de landbouwbedrijven steun zou verlenen die alle schade dekt. Ter verantwoording van dit amendement voeren de indieners aan dat de regering verscheidene malen heeft gezegd dat alle schade zou worden vergoed. De minis- ter van Landbouw en Middenstand heeft in Lokeren en in Brugge (30 augustus 1999) openlijk verklaard dat het wetsontwerp ertoe strekt dat «landbouwbedrijven in een situatie zouden worden gebracht alsof er nooit een di- oxinecrisis zou zijn geweest.» Artikel 4 van het wetsontwerp, dat bepaalt dat de steun de schade geheel of gedeeltelijk dekt, is in tegen- spraak met de belofte van een volledige schadeloos- stelling en dient derhalve te worden aangepast. Mevrouw Frieda Brepoels dient amendement nr. 15 (Doc. 0212/005) in, dat ertoe strekt het beginsel van een volledige vergoeding van de geleden schade in te voeren. De minister van Landbouw heeft immers ge- preciseerd dat de gedeeltelijke vergoeding alleen maar zou gelden voor bedrijven die geen recht hebben op een volledige vergoeding. Bovendien blijkt uit de inge- diende dossiers dat een dergelijke aanpak volkomen gerechtvaardigd is. De uitzonderingen op dat beginsel moeten zorgvuldig worden omschreven. De heren Richard Fournaux en Luc Paque (PSC) die- nen amendement nr. 30 (Doc. 0212/005) in, omdat zij willen voorkomen dat de regering het recht op schadeloosstelling via allerlei mechanismen zou uit- hollen. De heer Charles Michel (PRL FDF MCC) kant zich tegen amendement nr. 30, omdat aldus een recht op schadevergoeding ontstaat. In feite genieten de betrok- ken ondernemingen alleen maar het recht dat hun indi- vidueel dossier door de bevoegde instanties wordt on- derzocht. Op termijn zou de goedkeuring van dat amendement tot een golf van gerechtelijke procedures tegen de Staat leiden. De minister legt er de nadruk op dat de regering er- naar streeft de door de dioxinecrisis getroffen bedrijven zoveel mogelijk schadeloos te stellen. Het lijkt niet ge- past een lineaire verplichting tot vergoeding op te leg- gen. Nergens in de tekst wordt een volledige schade- loosstelling formeel uitgesloten. De vergoeding zal worden toegekend rekening hou- dend met de steun die, onder meer door middel van de overbruggingskredieten, reeds werd verleend sinds juli. MM. Yves Leterme et Jos Ansoms et Mme Trees Pieters présentent l’amendement n° 4 (Doc. n° 0212/ 003) tendant à ce que l’Etat accorde des aides aux en- treprises agricoles en vue de couvrir l’intégralité du dom- mage subi. A l’appui du présent amendement, les auteurs invo- quent que le gouvernement a affirmé à plusieurs repri- ses que tous les dommages seraient indemnisés. Le ministre de l’Agriculture et des Classes moyennes a déclaré publiquement à Lokeren et à Bruges (le 30 août 1999) que le projet de loi vise à « replacer les entrepri- ses agricoles dans la situation où elles se trouveraient si la crise de la dioxine n’avait jamais existé ». L’article 4 du projet de loi, qui prévoit que les aides visent à couvrir tout ou partie du dommage, est en con- tradiction avec la promesse d’indemnisation intégrale et doit dès lors être adapté en ce sens. Mme Frieda Brepoels présente l’amendement n° 15 (Doc. n° 0212/004) visant à consacrer le principe d’une indemnisation intégrale des dommages. En effet, le mi- nistre de l’Agriculture a précisé que seules les entrepri- ses n’ayant pas droit à une indemnisation intégrale se- raient partiellement indemnisées. De plus l’examen des dossiers introduits justifie pleinement une telle position. Les exceptions au principe doivent être décrites avec précision. MM. Richard Fournaux et Luc Paque (PSC) présen- tent l’amendement n° 30 (Doc. n° 0212/004) tendant à éviter que le Gouvernement fasse échec, par le biais d’une série de mécanismes, au droit à l’indemnisation. M. Charles Michel (PRL-FDF-MCC) s’oppose à l’amendement n° 30 en ce qu’il confère un droit à l’in- demnité. En réalité, les entreprises concernées ne bé- néficient que du droit à ce que leur dossier individuel soit examiné par l’administration. A terme, l’adoption de cet amendement donnerait lieu à une avalanche de procédures intentées contre l’Etat. Le ministre insiste sur le fait que l’ambition du gou- vernement est d’indemniser le plus complètement pos- sible les entreprises touchées par la crise de la dioxine. Imposer une obligation linéaire d’indemniser n’est pas opportune. Aucun élément du texte en discussion n’ex- clut formellement une indemnisation intégrale. Cette indemnisation interviendra en tenant compte des aides déjà octroyées à partir du mois de juillet, no- tamment par le biais des crédits de soudure. 46 0212/007 DOC 50 C H A M B R E 2 e S E S S I O N D E L A 5 0 e L É G I S L A T U R E K A M E R 2 e Z I T T I N G V A N D E 5 0 e Z I T T I N G S P E R I O D E 1999 2000 Indien men de zinsnede «kan de Staat steun toeken- nen» vervangt door «kent de Staat steun toe», zouden de organisaties die de belangen van de land- bouwbedrijven verdedigen kunnen geneigd zijn om zich op grond van die formulering te beroepen op een recht op vergoeding, gelet op de vrij ruime interpretatie van de begrippen landbouwbedrijf en geïntegreerd bedrijf. Die aanspraken zouden kennelijk indruisen tegen het doel van het wetsontwerp. Wat de geïntegreerde bedrijven betreft, wijst de regeringscommissaris erop dat omzichtig te werk moet worden gegaan omdat men thans niet kan garanderen dat de Europese instanties zullen instemmen met een volledige schadeloosstelling van al die bedrijven. Met hun amendement nr. 6 (Doc. 0212/003) beogen de heren Leterme en Ansoms en mevrouw Pieters strikte termijnen vast te stellen waarbinnen de vergoedingen aan de getroffen bedrijven moeten worden uitbetaald, gelet op de aard en de omvang van de schade. Indien men aan de bedrijven inzake de periode van uitbetaling van de vergoedingen garanties wil bieden, welke trou- wens van zeer groot belang zijn opdat ze een doeltref- fend bedrijfs- en herstelbeleid kunnen voeren (bijvoor- beeld met betrekking tot de noodzakelijke kredieten), moet in de wet zelf een uiterste datum van betaling worden vastgesteld, waarbij de overheid in geval van vertraging nalatigheidsinteresten moet betalen. De minister is tegen amendement nr. 6 gekant. De eerste betalingen moeten immers vóór het einde van het jaar 1999 plaatsvinden, maar het is heel moeilijk uit te maken hoeveel tijd de behandeling van de 20.000 vergoedingsdossiers in beslag zal nemen. Daarvoor moeten 57 bijkomende ambtenaren met arbeidscontract in dienst worden genomen. Het vaststellen van een ui- terste datum zou dus onrealistisch zijn. De voorzitter, de heer Jos Ansoms (CVP), vraagt of de termijn om een krediet te verkrijgen, die in principe op 1 december 1999 verstrijkt, zal worden verlengd. De minister antwoordt bevestigend. Er zal terzake binnenkort overleg worden gepleegd met de Belgische Vereniging van Banken. De Europese Commissie moet vooraf toestemming verlenen. Voorts heeft hij reeds meteen bij de aanvang van de crisis de getroffen bedrijven aangeraden een beroep te doen op de overbruggingskredieten om te voldoen aan hun liquiditeitsbehoeften. * * * Si l’on remplace les termes « l’Etat peut accorder des aides » par « l’Etat accorde des aides », les organisa- tions défendant les intérêts des entreprises agricoles, par exemple, pourraient tenter de se prévaloir d’un droit à indemnité sur le fondement d’un tel libellé eu égard à l’interprétation relativement extensive que reçoivent les notions d’entreprise agricole et d’entreprise intégrée. Ces prétentions s’opposeraient manifestement à l’ob- jectif du projet de loi . Le commissaire du gouvernement souligne qu’en ce qui concerne les entreprises intégrées, il y a lieu de faire de prudence en ce sens que l’on ne peur garantir aujourd’hui que les instances européennes accepteront l’indemnisation intégrale de la totalité d’entre elles. MM. Leterme et Ansoms et Mme Pieters présentent l’amendement n° 6 (Doc. n° 0212/003) tendant à pré- voir des délais rigoureux dans lesquels il convient de verser les indemnités aux entreprises lésées eu égard à la nature et à l’ampleur des dommages. Si l’on veut donner aux entreprises des garanties quant à la pé- riode de versement des indemnités, garanties qui sont indispensables pour qu’elles puissent mener une politi- que industrielle et de redressement efficace (par exem- ple, en ce qui concerne les crédits nécessaires), il con- vient d’inscrire dans la loi même une date ultime pour le paiement, tout retard donnant lieu au paiement d’inté- rêts moratoires de la part des autorités. Le ministre s’oppose à l’adoption de l’amendement n° 6. En effet, si les premiers paiements doivent inter- venir avant la fin de l’année 1999, il est très difficile d’éva- luer le temps que prendra le traitement des 20000 dos- siers d’indemnisation impliquant le recrutement de 57 agents contractuels complémentaires. Par conséquent, la fixation d’une date-butoir serait irréaliste. Le président, M. Jos Ansoms (CVP) demande si le délai pour obtenir un crédit qui, en principe vient à expi- ration le 1er décembre 1999, sera prolongé. Le ministre répond par l’affirmative. Une concerta- tion aura lieu prochainement à ce sujet avec l’Associa- tion belge des banques. Une autorisation préalable de la Commission européenne est nécessaire. Par ailleurs, il a, depuis le début de la crise, conseillé aux entreprises touchées de recourir aux crédits de soudure afin de faire face à leurs besoins en liquidité. * * * 47 0212/007 DOC 50 C H A M B R E 2 e S E S S I O N D E L A 5 0 e L É G I S L A T U R E K A M E R 2 e Z I T T I N G V A N D E 5 0 e Z I T T I N G S P E R I O D E 1999 2000 Mevrouw Frieda Brepoels (VU&ID) wenst vanwege de minister een verduidelijking betreffende de persbe- richten die stellen dat de verzekeringsmaatschappijen klaar zouden zijn om de schade ingevolge de dioxinecrisis te vergoeden maar geen schadeclaims zouden ontvangen. De minister antwoordt dat hij in het kader van de be- palingen van artikel 4 van voorliggend wetsontwerp de inlichtingen inzake de door de verzekeringsmaatschap- pijen uitbetaalde schadevergoedingen opgevraagd heeft maar dat deze nog niet in zijn bezit zijn. Het amendement nr. 5 (Stuk 0212/003) wordt door de indieners ingetrokken. Het amendement nr. 27 (Stuk 0212/005) wordt door de indieners ingetrokken. De heer Arnold Van Aperen c.s. dienen amendement nr. 38 (DOC 50 0212/006) in dat ertoe strekt in het tweede lid van het voorgestelde artikel de interestbonificatie te schrappen als één van de vormen waaronder steun verleend kan worden. De regerings- commissaris licht toe dat deze vergoedingsmethode, die bestaat uit een interestverlaging op een door de over- heid gegarandeerde lening, zonder voorwerp is aange- zien de privé-sector een rentevermindering heeft ver- leend. De litera C) van het amendement nr. 15 (Stuk 0212/ 005) wordt door de indienster ingetrokken. Art. 5 1° De heren Yves Leterme en Jos Ansoms en me- vrouw Trees Pieters dienen amendement nr. 7 (Doc. 0212/003) in, dat ertoe strekt de aan de landbouw- bedrijven opgelegde verplichting om te bewijzen dat er een rechtstreeks oorzakelijk verband bestaat tussen de geleden schade en de dioxinecrisis te doen vervallen omdat een dergelijke verplichting elke mogelijkheid tot schadeloosstelling van de onrechtstreekse schade (ver- lies van marktaandelen) dreigt uit te sluiten. Zowel uit de toelichting als uit publiekelijk door de regeringsleden gedane beloften en verklaringen blijkt echter dat het stellig de bedoeling is de schade die voort- vloeit uit het verlies van marktaandelen te vergoeden. Mevrouw Frieda Brepoels (VU&ID) dient amende- ment nr. 16 (Doc. 0212/005) in omdat het niet voor de hand ligt om een rechtstreeks oorzakelijk verband aan te tonen voor elke vorm van geleden schade in een ge- heel van buitengewone gebeurtenissen. Teneinde de Mme Frieda Brepoels (VU&ID) demande des préci- sions au ministre au sujet de certains articles de presse selon lesquels les compagnies d’assurances seraient prêtes à indemniser les dommages subis à cause de la crise de la dioxine mais qu’elles ne recevraient aucune demande d’indemnisation. Le ministre souligne qu’il a demandé, dans le cadre des dispositions de l’article 4 du projet de loi à l’exa- men, les informations relatives aux indemnisations ver- sées par les compagnies d’assurances mais que ces informations ne sont pas encore en sa possession. L’amendement n° 5 (DOC 50 0212/003) est retiré par les auteurs. L’amendement n° 27 (DOC 50 0212/005) est retiré par les auteurs. M. Arnold Van Aperen et consorts présentent un amendement n° 38, ( DOC 50 0212/006) visant à sup- primer, à l’alinéa 2 de l’article proposé, la bonification en intérêt comme forme d’aide possible. Le commis- saire du gouvernement fait observer que cette méthode d’indemnisation, qui consiste en une réduction du taux d’intérêt appliqué à un prêt garanti par l’autorité publi- que, est sans objet, étant donné que le secteur privé est le seul à avoir accordé une réduction d’intérêt. Le littera C) de l’amendement n° 15 (DOC 50 0212/ 005) est retiré par l’auteur. Art. 5 1° MM. Yves Leterme et Jos Ansoms et Mme Trees Pieters présentent l’amendement n° 7 (Doc. n° 0212/ 003) tendant à supprimer obligation pour les entrepri- ses agricoles de prouver un lien de causalité direct en- tre le dommage et la crise de la dioxine dès lors qu’une telle obligation risque d’exclure toute possibilité d’indem- nisation de dommages indirects (les pertes de parts de marché). Il ressort tant de l’exposé des motifs que des pro- messes et déclarations faites en public par les mem- bres du gouvernement que l’objectif est indubitablement d’indemniser les dommages résultant de la perte des parts de marché. Mme Frieda Brepoels (VU&ID) présente l’amende- ment n° 16 (Doc. nE 0212/004) au motif qu’il n’est pas évident d’établir l’existence d’un lien de causalité direct pour chaque type de dommage subi dans le cadre d’un ensemble d’événements extraordinaires. Aux fins de 48 0212/007 DOC 50 C H A M B R E 2 e S E S S I O N D E L A 5 0 e L É G I S L A T U R E K A M E R 2 e Z I T T I N G V A N D E 5 0 e Z I T T I N G S P E R I O D E 1999 2000 bewijsvoering te vergemakkelijken stelt de indiener voor dat geen oorzakelijk verband tussen de schade en de crisis wordt opgelegd. Met hun amendement nr. 30 (DOC 50 0212/005) be- ogen de heren Richard Fournaux en Luc Paque (PSC) te bepalen dat het bewijs van geleden schade wordt geleverd aan de hand van de berekeningsmethode van de forfaitaire schadeloosstelling. Die precisering stelt het landbouwbedrijf in staat om op objectieve wijze aan te tonen dat het voor steun in aanmerking komt, en biedt daarenboven de mogelijkheid om de dossiers inzake steunverlening sneller af te handelen. De heer Jacques Chabot (PS) wenst dat de minister de begrippen schade en oorzakelijk verband tussen de schade en de crisis nauwkeurig omschrijft. Wordt met schade bedoeld de abnormale dalingen van de bestel- lingen en het reputatieverlies ? De heer Charles Michel (PRL) vraagt of de bespro- ken bepaling moet worden uitgelegd in het licht van de rechtspraak met betrekking tot artikel 1382 van het Bur- gerlijk Wetboek die bepaalt wat moet worden verstaan onder het begrip rechtstreeks en onrechtstreeks oorza- kelijk verband. Is het verlies van marktaandelen een schade die een rechtstreeks oorzakelijk verband heeft met de dioxinecrisis ? De minister geeft aan dat het moeilijk te bepalen valt welke schade een landbouwbedrijf heeft geleden. Die schade vloeit vooral voort uit de vernietiging van het vee, de blokkering van de verkoop en de levering van veevoeder na de normale fokperiode die tijdens de cri- sis hebben plaatsgehad. Anderzijds hebben de Europese instanties geëist dat de getroffen bedrijven bewijzen dat er een rechtstreeks oorzakelijk verband is tussen de schade en de crisis. De minister kan niet garanderen dat de zogenaamde «marktschade» zal worden vergoed. Er zal met de Eu- ropese instanties moeten worden onderzocht of een ruime interpretatie van het begrip rechtstreeks oorza- kelijk verband de mogelijkheid zal bieden de bedrijven te vergoeden voor dat soort van schade. 2° De heren Leterme en Ansoms en mevrouw Pieters CVP) dienen amendement nr. 8 (Doc 50 0212/003) in. Als verantwoording van hun amendement voeren zij aan dat de huidige formulering van artikel 5, 2°, inhoudt dat de steun slechts zal kunnen worden toegekend wanneer de aanvrager met zekerheid weet hoeveel de andere overheids- en privé-vergoedingen zullen bedra- faciliter l’administration de la preuve, l’auteur propose de ne pas imposer un lien de causalité direct entre le dommage et la crise. MM. Richard Fournaux et Luc Paque (PSC) présen- tent l’amendement n° 30 (Doc 50 0212/004) visant à ce que la preuve du dommage subi soit déterminée par le calcul de l’indemnité forfaitaire. Cette précision permet à l’entreprise agricole d’objectiver son éligibilité à l’aide. Par ailleurs, elle permet une plus grande rapidité dans le traitement de l’octroi des aides. M. Jacques Chabot (PS) souhaite que le ministre définisse de manière précise le notion de dommage de même que celle du lien de causalité direct entre le dom- mage et la crise. Le dommage vise-t-il les baisses anor- males de commandes de même que la dépréciation d’une image de marque. M. Charles Michel demande si la disposition à l’exa- men doit être interprétée conformément à la jurispru- dence relative à l’article 1382 du Code civil déterminant ce qu’il y a lieu d’entendre par lien de causalité direct et indirect. La perte de marché constitue-t-elle un dom- mage ayant un lien de causalité direct avec la crise de la dioxine ? Le ministre relève la complexité de définir le dom- mage encouru par une entreprise agricole . Ce dernier résulte principalement de la destruction du bétail, du blocage des ventes et de la fourniture d’aliments pour bétail au delà de la période normale d’élevage enregis- trés pendant la crise. D’autre part, les instances européennes ont exigé que les entreprises lésées produisent la preuve d’un lien direct entre le dommage te la crise. Le ministre ne peut assurer que les pertes de mar- ché seront indemnisées. Il conviendra d’examiner avec les instances européennes si une interprétation large de la notion de lien de causalité direct permettra de dé- dommager les entreprises pour ce type de préjudice. 2° MM. Leterme et Ansoms et Mme Pieters (CVP) présentent l’amendement n° 8 (Doc 50 0212/003). A l’appui du présent amendement, les auteurs font valoir que la formulation actuelle de l’article 5, 2°, impli- que que les aides prévues ne pourront être octroyées que lorsque le demandeur saura avec certitude à quel montant s’élèveront les autres indemnités publiques et 49 0212/007 DOC 50 C H A M B R E 2 e S E S S I O N D E L A 5 0 e L É G I S L A T U R E K A M E R 2 e Z I T T I N G V A N D E 5 0 e Z I T T I N G S P E R I O D E 1999 2000 gen. Het vaststellen van dat bedrag kan maanden of zelfs jaren duren, zeker als rechtszaken werden aange- spannen. Dat is onaanvaardbaar en staat haaks op alle beloftes van een spoedige uitbetaling van alle vergoe- dingen. Bovendien druist die bepaling in tegen het in artikel 17 van het wetsontwerp vastgestelde principe van de controle a posteriori. Bijgevolg moet voor de beoordeling van de aanvra- gen om de steun waarin in het kader van het onderha- vige wetsontwerp wordt voorzien slechts rekening wor- den gehouden met de reeds ontvangen vergoedingen (ongeacht of het gaat om overheidssteun of om andere vergoedingen). De definitieve controle moet achteraf worden gedaan, met toepassing van de artikelen 17 tot 19 van het wetsontwerp. Mevrouw Frieda Brepoels dient om dezelfde rede- nen amendement nr. 17 (Doc 50 0212/005) in. Volgens de minister kunnen de in de amendementen nrs. 8 en 17 naar voren gebrachte bezwaren worden weggewerkt bij de toepassing van de artikel 6, § 2, van het wetsontwerp, dat betrekking heeft op het forfaitair bepalen van de schade op grond van objectieve indicatoren. Opgemerkt zij dat de Europese instanties van oor- deel zijn dat de controle a posteriori een uiterst redmid- del is. Bijgevolg moet aan die controle veel aandacht worden besteed tijdens de voorafgaande fase teneinde elke overmatige compensatie te voorkomen. Het is dus onontbeerlijk dat alle privé- of overheidsvergoedingen die een bedrijf heeft ontvangen of waarop het recht heeft, worden berekend voordat het steun krijgt op grond van artikel 4 van het wetsontwerp. Feit is dat risico’s zoals die welke voortvloeien uit een dioxinebesmetting maar door heel weinig verzekerings- polissen worden gedekt. De minister zal er bij de redactie van de uitvoerings- besluiten hoe dan ook op toezien dat de berekening van de schadevergoedingen (van overheidswege en van particuliere zijde) niet leidt tot grote vertragingen in de behandeling van de dossiers die werden ingediend ten- einde een in artikel 4 van het wetsontwerp bedoelde steun te verkrijgen. De heer Yves Leterme (CVP) vraagt dat met de wet- tekst zou worden ingegaan op de bezwaren die bij amen- dement nr. 8 aan bod komen. De minister verbindt er zich toe om voor artikel 5, 2°, te onderzoeken of een betere formulering mogelijk is. privées. La détermination de ce montant peut prendre des mois, voire des années, en particulier si des procé- dures judiciaires sont engagées. Cela est inacceptable et va à l’encontre de toutes les promesses de verse- ment rapide de toutes les indemnités. En outre, cette disposition est contraire au principe du contrôle a posteriori, énoncé à l’article 17 du projet. Par conséquent, il ne doit être tenu compte que des indemnités déjà perçues (qu’il s’agisse d’aides publi- ques ou d’autres indemnités) pour l’éligibilité aux aides prévues dans le cadre du projet à l’examen. Le con- trôle définitif doit être exercé a posteriori, par applica- tion des articles 17 à 19 du projet. Mme Frieda Brepoels présente l’amendement n° 17 (Doc 50 0212/004) pour les mêmes motifs que ceux qui sous-tendent l’amendement n° 8. Le ministre est d’avis que les objections mises en exergue par le biais des amendements n°s 8 et 17 sont susceptibles d’être levées lors de la mise en oeuvre de l’article 6, § 2, du projet, relatif à la détermination du dommage sur une base forfaitaire à partir d’indicateurs objectifs. Il y a lieu d’observer que les autorités européennes considèrent que le contrôle a posteriori constitue un ul- time recours. Dès lors, une attention accrue doit être apportée au cours de la phase préalable à ce contrôle afin d’éviter toute surcompensation. Il est donc indis- pensable de calculer toutes les indemnités d’origine privée ou publique qu’une entreprise a reçues ou aux- quelles elle a droit avant de bénéficier d’une aide au titre de l’article 4 du projet. On doit relever que très peu de polices d’assurance couvrent les risques tels que ceux résultant d’une con- tamination à la dioxine. En tout état de cause, le ministre veillera, dans le cadre de l’élaboration des arrêtés d’exécution, à ce que le calcul des indemnités d’origine publique et privée ne retarde pas sensiblement le traitement des dossiers in- troduits en vue de l’obtention d’une aide au titre de l’ar- ticle 4 du projet de loi. M. Yves Leterme (CVP) demande que le texte de loi rencontre les objections mises en exergue par l’amen- dement n°8. Le ministre s’engage à examiner si une meilleure for- mulation de l’article 5, 2° est possible. 50 0212/007 DOC 50 C H A M B R E 2 e S E S S I O N D E L A 5 0 e L É G I S L A T U R E K A M E R 2 e Z I T T I N G V A N D E 5 0 e Z I T T I N G S P E R I O D E 1999 2000 3° Mevrouw Brepoels (VU&ID) heeft vragen bij de precieze draagwijdte van het begrip «onregelmatighe- den». Slaat dat bijvoorbeeld ook op het verstrekken van onjuiste informatie of het voorleggen van valse certifi- caten ? De minister antwoordt bevestigend. In de memorie van toelichting zijn twee concrete voorbeelden opgeno- men, te weten niet-naleving van een maatregel van bewarend beslag en onregelmatigheden inzake certificatie. De heer Yves Leterme (CVP) vraagt welke verweer- middelen ter beschikking staan van een bedrijf dat een schadevergoeding zou worden ontzegd wegens het feit dat dit bedrijf een onregelmatigheid zou hebben begaan. De minister geeft aan dat een beslissing tot weige- ring een bestuurshandeling vormt; op grond daarvan heeft het bedrijf het recht om bij de Raad van State een vordering tot nietigverklaring in te stellen. 4° Mevrouw Frieda Brepoels (VU&ID) dient amende- ment nr. 18 (Doc. 0212/005) in, dat ertoe strekt te bepa- len dat ook de landbouwbedrijven die zijn gebonden door contracten met gegarandeerde afnameprijzen, in aanmerking komen voor het voordeel van de in artikel 4 van het wetsontwerp bedoelde steun, mits de Staat in de rechten treedt van het bedrijf ten opzichte van de medecontractant. De regering heeft in de commentaar bij de artikelen aangegeven ook dit geval te willen behandelen. De heren Fournaux en Paque (PSC) dienen amen- dement nr. 31 (Doc. 0212/005) in, dat strekt tot vergoe- ding van een zelfstandig bedrijf dat inkomensverlies heeft geleden ingevolge de wijziging of de opzegging van een contract. De heer Pierre Lano (VLD) dient amendement nr. 36 (Doc 50 0212/005) in, dat ertoe strekt te bepalen dat de landbouwbedrijven die uitdrukkelijk verklaren de bij ko- ninklijk besluit bepaalde voorwaarden van economische zelfstandigheid ten aanzien van afnemers van vee en leveranciers te vervullen, terzake in aanmerking komen. Met dit amendement wordt een controle a posteriori mogelijk. De minister geeft aan dat het koninklijk besluit tege- moet komt aan de verzuchtingen van de indieners van de amendementen nrs. 18, 31 en 36. Het amendement nr. 18 (Stuk 0212/005) wordt door de indienster ingetrokken. 3° Mme Brepoels s’interroge sur la portée exacte de la notion d’irrégularité. Cette notion comprend-elle les transmissions de fausses informations ou la production de faux certificats, par exemple ? Le ministre répond par l’affirmative. L’exposé des mo- tifs donne deux exemples concrets, à savoir le non-res- pect d’une mesure conservatoire et les irrégularités en matière de certification. M. Yves Leterme (CVP) demande quelles sont les voies de recours mises à la disposition d’une entreprise qui se voit refuser une indemnité au motif qu’elle aurait commis une irrégularité. Le ministre souligne que la décision de refus consti- tue un acte administratif et qu’elle ouvre le droit à un recours en annulation devant le Conseil d’Etat. 4° Mme Frieda Brepoels (VU&ID) présente l’amen- dement n° 18 (Doc. n° 0212/004) tendant à ce que les entreprises agricoles liées par des contrats comportant des prix d’achat garantis soient également éligibles au bénéfice d’une aide au titre de l’article 4 du projet moyen- nant subrogation des droits de l’entreprise à l’égard de son co-contractant. Le gouvernement a fait part de son intention de viser cette hypothèse dans le commentaire des articles. MM. Fournaux et Pâque présentent l’amendement n° 31 (Doc. n° 0212/005) tendant à ce qu’une entre- prise intégrée soit indemnisée suite à la modification ou à la rupture d’un contrat impliquant dans son chef une perte de revenus. M. Pierre Lano (VLD) présente l’amendement n° 36 (Doc 50 0212/005) visant à rendre éligible les entrepri- ses qui déclarent explicitement remplir les conditions d’indépendance économique à l’égard des preneurs de bétail et des fournisseurs telles que définies par arrêté royal. Le présent amendement permet un contrôle a posteriori. Le ministre indique que l’arrêté royal rencontre les préoccupations des auteurs des amendements n°s 18, 31 et 36. L’amendement n° 18 de Mme Brepoels (Doc. 50 0212/ 005) est retiré. 51 0212/007 DOC 50 C H A M B R E 2 e S E S S I O N D E L A 5 0 e L É G I S L A T U R E K A M E R 2 e Z I T T I N G V A N D E 5 0 e Z I T T I N G S P E R I O D E 1999 2000 Het amendement nr. 36 (Stuk 0212/005) wordt door de indiener ingetrokken. Art. 6 Mevr. Frieda Brepoels (VU-ID) dient amendement nr. 19 in . Het beoogt de vervanging van §2, die betrekking heeft op de forfaitaire vergoeding van schade op grond van objectieve indicatoren met uitzondering van de be- drijven gebonden door contracten met gegarandeerde afnameprijzen. De Raad van State meent dat de bepa- ling van het ontwerp geen afbreuk doet aan het gelijkheidsbeginsel omdat het vooral betrekking heeft op de bewijslast en geen rechtstreekse invloed lijkt te hebben op de steun die de betrokken bedrijven van de overheid ontvangen. De indiener van het amendement is van oordeel dat gezien het verschil in behandeling van bedrijven zich vooral toespitst op de bewijslast, het mogelijk moet zijn ook de bedrijven die zijn gebonden door vaste afnameprijzen aanspraak te laten maken op de forfaitaire vergoeding voor het deel van de omzet dat buiten die afnamecontracten valt. Amendement nr. 9 van Dhr. Yves Leterme, Mevr. Trees Pieters en Dhr. Jos Ansoms (CVP) gaat in dezelfde zin als het vorige amendement van dezelfde indieners. Mevr. Trees Pieters pleit ervoor dat het mogelijk moet zijn dat een bedrijf met een gemengde activiteit een gecombi- neerd schadedossier zou indienen. De minister antwoordt dat een combinatie van de re- geling voor één zelfde bedrijf in principe mogelijk moet zijn, hij zal daar later nog ten gronde op antwoorden. Mevr. Muriel Gerkens (AGALEV-ECOLO) wenst te vernemen of voor het berekenen van de schadevergoe- ding voor bedrijven die biologische producten produce- ren de prijzen van de biologische markt als referentie- prijs zal worden genomen. De minister antwoordt dat hij dit zal bespreken met DG 6 van de Europese Commissie om te zien of dit mogelijk is. * * * Het amendement nr. 19 (Stuk 0212/005) wordt door de indienster ingetrokken. Met betrekking tot het amendement nr. 9 (Stuk 0212/ 003) herhaalt mevrouw Trees Pieters (CVP) dat een bedrijf het recht moet hebben om een individueel dos- sier in te dienen in plaats van de forfaitaire schadever- goeding te aanvaarden. L’amendement n° 36 de M. Lano (Doc. 50 0212/005) est retiré. Art. 6 Mme Frieda Brepoels (VU-ID) présente un amende- ment (n° 19) tendant à remplacer le ‘ 2, qui permet de déterminer le dommage, en vue de son indemnisation, sur la base d’indicateurs objectifs, sauf dans le cas d’en- treprises agricoles liées par des contrats comportant des prix d’achat garantis. Le Conseil d’État estime que la disposition du projet respecte le principe d’égalité, étant donné qu’elle concerne surtout à la charge de la preuve et qu’elle n° semble pas avoir de répercussion directe sur les aides que les entreprises concernées recevront des pouvoirs publics. L’auteur de l’amende- ment estime qu’étant donné que la différence de traite- ment des entreprises se situe essentiellement au ni- veau de l’administration de la preuve, il doit être possible de permettre aux entreprises liées par des contrats com- portant des prix d’achat garantis d’avoir également re- cours au calcul forfaitaire pour la partie de leur chiffre d’affaires réalisée en dehors de ces contrats. L’amendement n°9 de M. Yves Leterme, Mme Trees Pieters et M. Jos Ansoms (CVP) a la même portée que l’amendement précédent des mêmes auteurs. Mme Trees Pieters insiste pour qu’une entreprise exerçant une activité mixte puisse introduire un dossier d’indem- nisation combiné. Le ministre précise qu’un système combiné doit en principe pouvoir s’appliquer pour une même entreprise et qu’il fournira encore des précisions à cet égard ulté- rieurement. Mme Muriel Gerkens (AGALEV-ECOLO) demande si, pour calculer l’indemnité à octroyer aux entreprises qui produisent des produits biologiques, on se basera sur le prix pratiqué sur le marché biologique. Le ministre répond qu’il se concertera avec la DG 6 de la Commission européenne, pour déterminer si cela est faisable. * * * L’amendement n° 19 de Mme Brepoels (Doc. 50 0212/ 005) est retiré. En ce qui concerne l’amendement n° 9 (Doc. 50 0212/ 003), Mme Trees Pieters (CVP) répète qu’une entre- prise doit avoir le droit d’introduire un dossier individuel au lieu d’accepter une indemnisation forfaitaire. 52 0212/007 DOC 50 C H A M B R E 2 e S E S S I O N D E L A 5 0 e L É G I S L A T U R E K A M E R 2 e Z I T T I N G V A N D E 5 0 e Z I T T I N G S P E R I O D E 1999 2000 De minister antwoordt dat de administratie niet in staat is om een toevloed van individuele dossiers in een re- delijke termijn te verwerken. Hij voegt daaraan toe dat de keuze voor deze manier van werken daarenboven ingegeven is door vragen dienaangaande vanuit de betrokken sectoren. De heer Arnold Van Aperen c.s. dienen amendement nr. 39 (DOC 50 0212/006) in ter aanvulling van de voor- gestelde ‘2 in de zin dat bedrijven die slechts gedeelte- lijk onder contract werken, een gemengde schadeclaim kunnen indienen. Art. 7 Mevr. Frieda Brepoels (VU&ID) licht amendement nr. 20 toe. Het beoogt het eerste lid aan te vullen met een bepaling die stelt dat de begunstigde eventueel verzaakt aan de aangeboden steun nadat hij van dat bedrag een volledig inzicht heeft gekregen. Zij stelt dat gezien de verzaking een voorwaarde is voor de effectieve storting van de steun, het normaal is dat de betrokkene dit moet kunnen doen met kennis van zaken en voornamelijk met inzicht in zijn concrete situatie. Overigens, gezien die zienswijze in de memorie van toelichting wordt weerge- geven, wordt die best voor alle duidelijkheid ook in de wet zelf opgenomen. De h. Charles Michel (PRL-FDF-MCC) dient amen- dement nr. 37 in. Hij verduidelijkt dat het amendement, dat van juridisch-technische aard is, ertoe strekt een gelijke behandeling te garanderen van bedrijven die nog geen vordering hebben ingesteld tegen de Staat en van diegene die wel reeds een vordering hebben ingediend. Daartoe dient het woord «geding» in fine van het artikel te worden vervangen door het woord «vordering». De h. Yves Leterme (CVP) dient amendement nr. 10 in tot schrapping van het artikel. Hij verantwoordt het als volgt : ingeval dat men in artikel 4 van het ontwerp de bepaling, die stelt dat de Staat steun kan toekennen aan bedrijven om alle of een deel van de schade te dek- ken, blijft behouden, zal men ook met artikel 7 juridi- sche problemen creëren. Het voldoet immers niet aan het evenredigheidsbeginsel van art. 6 van het EVRM, gezien bedrijven die ten dele worden vergoed, verplicht zullen zijn te verzaken aan verdere toegang tot de rech- ter. De minister is het hier niet mee eens. Hij argumen- teert dat art. 7 bedoeld is om te vermijden dat vele no- deloze procedures tegen de Staat zullen worden inge- leid. Le ministre répond que l’administration n’est pas en mesure de faire face à un afflux de dossiers individuels dans un délai raisonnable. Il ajoute que c’est d’ailleurs à la demande des secteurs concernés que cette for- mule a été retenue. M. Arnold Van Aperen et consorts présentent un amendement n° 39 ( DOC 50 0212/006) visant à com- pléter le ‘ 2 proposé, de manière à ce que les entrepri- ses qui n° travaillent qu’en partie sous contrat puissent introduire un dossier d’indemnisation combiné. Art. 7 Mme Frieda Brepoels (VU&ID) présente un amen- dement (n°20) visant à compléter l’alinéa 1er par une disposition prévoyant que le bénéficiaire renonce éven- tuellement à l’aide offerte lorsqu’il a pleinement con- naissance du montant de cette aide. Elle précise qu’étant donné que la renonciation constitue une condition du versement effectif de l’aide, il est normal que l’intéressé doive pouvoir opérer un choix en connaissance de cause et en ayant pleinement conscience de sa situation con- crète. Etant donné que cette précision est également apportée dans l’exposé des motifs, il est d’ailleurs pré- férable, dans un souci de clarté, de l’inscrire également dans le texte du projet. M. Charles Michel (PRL-FD-MCC) présente un amen- dement (n°37) d’ordre légistique visant à garantir un trai- tement identique aux entreprises qui n’ont pas encore introduit d’action contre l’Etat et à celles qui ont déjà entrepris une telle procédure. Il convient à cet effet de remplacer, à la fin de l’article, le mot «instance» par le mot «action». M. Yves Leterme (CVP) présente un amendement (n°10) visant à supprimer l’article. Il le justifie de la ma- nière suivante : si l’on maintient, à l’article 4 du projet, la disposition prévoyant que l’Etat peut accorder des aides à des entreprises agricoles en vue de couvrir tout ou partie du dommage subi, cela créera des problèmes juridiques à l’article 7. Celui-ci n° sera en effet pas con- forme au principe de proportionnalité inscrit à l’article 6 de la Convention européenne de sauvegarde des droits de l’homme et des libertés fondamentales, étant donné que les entreprises qui seront indemnisées en partie seront contraintes de renoncer à tout accès ultérieur au juge. Le ministre ne partage pas cet avis. Il argue que l’ar- ticle 7 vise à éviter que de nombreuses procédures inu- tiles soient engagées contre l’Etat. 53 0212/007 DOC 50 C H A M B R E 2 e S E S S I O N D E L A 5 0 e L É G I S L A T U R E K A M E R 2 e Z I T T I N G V A N D E 5 0 e Z I T T I N G S P E R I O D E 1999 2000 De voorzitter meent, refererend naar het advies van de Raad van State terzake dat een tekstwijziging zich hoe dan ook opdringt. Mevrouw Frieda Brepoels (VU&ID) wenst uitleg in- zake de berichten volgens dewelke de regering raad- slieden aangewezen zou hebben voor de verdediging van de voormalige betrokken ministers en daarvoor reeds provisies aangelegd zou hebben. De minister antwoordt dat het niet meer dan normaal is dat de overheid de verdediging ten laste neemt van ministers voor de daden die zij in het kader van hun openbaar ambt gesteld hebben. Art. 8 De h. Yves Leterme (CVP) stelt dat dit artikel zeer vergaand is inde mate dat aan het parlement een mach- tiging wordt gevraagd om een vrij belangrijke rechts- figuur, namelijk de dading, van toepassingsvoorwaarden te voorzien. Hij vraagt zich hierbij af of het Rekenhof de uitgaven van de Staat op basis van deze uit te werken rechtsregels wel zal goedkeuren. Overigens wenst de spreker te vernemen op welke begroting die uitgaven zullen worden aangerekend. De minister antwoordt dat art. 9 voorziet in de oprich- ting van een specifiek begrotingsfonds dat de uitgaven die voortvloeien uit o.a. de dading, zoals bedoeld in art. 8, zal dekken. Met betrekking tot de opportuniteit om aan de uitvoe- rende macht de uitwerking van de voorwaarden toe te vertrouwen, antwoordt de Regeringscommissaris dat de toepassing van de dading zeer limitatief zal zijn. De voorzitter, de h. Jos Ansoms (CVP) blijft erbij dat een dergelijke regeling juridisch gezien vragen oproept. Hij refereert naar de rechtspraktijk bij gemeentelijk be- stuur, waar het College van Burgemeester en Schepe- nen ook geen voorwaarden kan stellen voor het aan- gaan van dadingen. Art. 9 Mevr. Frieda Brepoels dient amendement nr. 21 in dat ertoe strekt het tweede lid aan te vullen met de be- paling de betalingen via het eenmalig krediet kunnen worden opgedragen aan een gespecialiseerde instel- ling. Overigens wenst de spreker te vernemen in hoe- verre art. 9, dat voorziet in de oprichting van een fonds, Se référant à l’avis du Conseil d’Etat en la matière, le président estime qu’il s’impose de toute manière de modifier le texte de l’article. Madame Frieda Brepoels (VU & ID) demande des éclaircissements concernant les informations selon les- quelles le gouvernement aurait désigné des conseils pour assurer la défense des anciens ministres concer- nés et aurait déjà constitué des provisions en vue de cette défense. Le ministre répond qu’il n’est que normal que le gou- vernement prenne en charge la défense des ministres pour les actes qu’ils ont accomplis dans le cadre de leurs fonctions. Art. 8 M. Yves Leterme (CVP) estime que la portée de cet article est très large, dans la mesure où il est demandé au Parlement d’assortir de conditions d’application un acte juridique assez important, à savoir la transaction. Il demande à cet égard si la Cour des comptes approu- vera effectivement les dépenses de l’État sur la base de ces règles juridiques à élaborer. Au demeurant, l’in- tervenant demande à quel budget ces dépenses seront imputées. Le ministre répond que l’article 9 prévoit l’institution d’un fonds budgétaire spécifique, qui couvrira les dé- penses afférentes, entre autres, aux transactions visées à l’article 8. En ce qui concerne l’opportunité de confier au pou- voir exécutif l’élaboration des conditions, le commissaire du gouvernement répond que l’on n° recourra à la tran- saction que de manière très limitative. Le président, M. Jos Ansoms (CVP), maintient qu’une telle réglementation suscite des questions sur le plan juridique. Il renvoie à la pratique juridique qui a cours au niveau communal et en vertu de laquelle le collège des bourgmestre et échevins n° peut pas non plus subor- donner les transactions à des conditions. Art. 9 Mme Frieda Brepoels présente un amendement (n° 21) qui tend à compléter l’alinéa 2 par une disposition prévoyant que l’exécution des paiements par le biais du crédit unique peut être confiée à une institution spécia- lisée. L’intervenante demande par ailleurs dans quelle mesure l’article 9, qui institue un fonds, diffère de l’arti- 54 0212/007 DOC 50 C H A M B R E 2 e S E S S I O N D E L A 5 0 e L É G I S L A T U R E K A M E R 2 e Z I T T I N G V A N D E 5 0 e Z I T T I N G S P E R I O D E 1999 2000 verschilt van art. 13 dat stelt dat dit fonds betalingen kan opdragen aan een gespecialiseerde instelling. De Regeringscommissaris antwoordt dat de regel- geving inzake het eenmalig krediet voortvloeit uit de politieke wil om de voorziene betalingen te begroten op het jaar 1999. Oorspronkelijk bleek het daartoe noodzakelijk dat men moest kunnen doorstorten naar een gespeciali- seerde instelling die niet de Staat is. Ondertussen blijkt dat men begrotingstechnisch de betaling kan vastleggen op het jaar 1999 op voorwaarde dat men effectief uitbetaalt voor eind december 2000. Op de vraag van mevr. Frieda Brepoels inzake het verschil tussen art. 9 en 13 antwoordt de Regerings- commissaris dat dit voortvloeit uit het principe d. van eenheid van het betalingsinstrument. De h. Charles Michel (PRL-FDF-MCC) vraagt wat de bestemming zal zijn van een eventueel positief saldo van het fonds. * * * Inzake de vrijwillige bijdragen in het zogenaamde «Dioxinefonds» deelt de regeringscommissaris tijdens een volgende vergadering mee dat het Verbond van Belgische Ondernemingen (VBO) de beslissingen van de gewestelijke overheden inzake de steun aan de niet- landbouwbedrijven afwacht vooraleer zich te verbinden. De landbouwsector heeft nog geen eenduidig antwoord gegeven betreffende zijn bijdrage van 200 miljoen BEF. De veevoedersector heeft reeds 120 van de voor- opgestelde 400 miljoen BEF toegezegd. De heer Yves Leterme (CVP) wijst op het feit dat ver- schillende actoren een voorwaardelijke vrijwillige bij- drage in het vooruitzicht stellen. Aangezien dit zijns in- ziens niet overeenstemt met de bepalingen uit het voorliggend wetsontwerp betreffende de vrijwillige bijdra- ge, vraagt hij zich af of de voorziene fiscale vrijstelling desgevallend op deze bijdragen toegepast zal kunnen worden. De regeringscommissaris wenst niet vooruit te lopen op zijn verslag aan de regering over het overleg terzake dat nog niet afgerond is. Hij stelt echter dat de desbe- treffende bijdragen zonder bezwaar in het zogenaamde «Dioxinefonds» gestort kunnen worden indien men er zich op hetzelfde ogenblik toe verbindt op andere begrotingsposten al dan niet acties te ondernemen die cle 13, qui dispose que ce fonds peut confier l’exécu- tion des paiements à une institution spécialisée. Le commissaire du gouvernement répond que la ré- glementation relative au crédit unique résulte de la vo- lonté politique d’inscrire les paiements prévus au bud- get de l’année 1999. Au départ, il paraissait nécessaire, à cet effet, de ver- ser les moyens financiers à une institution spécialisée distincte de l’État. Dans l’intervalle, il est apparu que, sous l’angle de la technique budgétaire, le paiement peut être inscrit à l’an- née 1999 pourvu qu’il soit effectivement exécuté avant fin décembre 2000. En réponse à Mme Frieda Brepoels, qui s’interroge sur la différence entre l’article 9 et l’article 13, le Com- missaire du gouvernement précise que cette différence découle du principe de l’unicité de l’instrument de paie- ment. M. Charles Michel (PRL-FDF-MCC) demande ce qu’il adviendrait d’un éventuel solde positif du fonds. * * * En ce qui concerne les contributions volontaires au «Fonds Dioxine», le commissaire du gouvernement fait savoir, au cours d’une réunion ultérieure, qu’avant de s’engager, la Fédération de entreprises de Belgique (FEB) attend de connaître les décisions des autorités régionales concernant les aides aux entreprises non agricoles. Le secteur agricole n’a pas encore donné de réponse claire en ce qui concerne sa contribution d’un montant de 200 millions de francs. Le secteur des fabri- cants d’aliments pour bétail a déjà promis de verser 120 millions de francs sur les 400 millions prévus. M. Yves Leterme (CVP) fait observer que plusieurs acteurs se déclarent prêts à verser une contribution volontaire à certaines conditions. Étant donné que l’in- tervenant estime que cela n° correspond pas aux dis- positions du projet à l’examen relatives à la contribution volontaire, il demande si, le cas échéant, l’exonération fiscale pourra être appliquée à ces contributions. Le commissaire du gouvernement n° souhaite pas anticiper sur son rapport au gouvernement au sujet de la concertation qui est toujours en cours en la matière. Il précise toutefois que rien n° s’oppose à ce que les contributions en question soient versées au «Fonds Dioxine» si l’on s’engage en même temps, sur d’autres postes budgétaires, à entreprendre ou non des actions 55 0212/007 DOC 50 C H A M B R E 2 e S E S S I O N D E L A 5 0 e L É G I S L A T U R E K A M E R 2 e Z I T T I N G V A N D E 5 0 e Z I T T I N G S P E R I O D E 1999 2000 in het aanpassingsblad van de begroting 2000 opgeno- men zullen worden. Spreker benadrukt ten slotte dat het parlement volledig van de genomen maatregelen op de hoogte gebracht zal worden. Het amendement nr. 21 (Stuk 0212/005) wordt door de indienster ingetrokken. Art. 10, 11 en 12 De bespreking van de artikelen 10, 11 en 12 bestaat in hoofdzaak het onderwerp inzake de verplichte solidariteitsbijdragen, die aan objectief bepaalde onder- nemingen in de landbouwsektor en aan rechtstreeks en onrechtstreekse leveranciers en afnemers van die onderneming zullen worden opgelegd, ten bate van het Fonds voor de schadeloosstelling van landbouw- bedrijven getroffen door de dioxinecrisis. Amendement nr. 22 op art. 10 en nr. 23 op art. 12 van mevr. Frieda Brepoels en nr. 32 op art. 10 en nr. 33 op art. 12 van de h. Richard Fournaux (PSC) beogen de verplichte bijdrage te schrappen. Mevr. Frieda Brepoels voert aan dat enerzijds de feitelijke gegevens die de verplichte solidariteitsbijdragen moeten verantwoorden nog niet duidelijk zijn. Bijgevolg kan men die ook niet toetsen aan het gelijkheidsbeginsel. Anderzijds, is de instelling van de verplichte bijdrage voorbarig zolang de gesprekken met de betrokken sectoren over een vrij- willige bijdrage niet zijn afgerond opdat men een zicht zou hebben op de totale te vergoeden schade. De h. Richard Fournaux (PSC) benadrukt dat de ver- plichte bijdrage neerkomt op een ontoelaatbare verkapte vorm van belastingen voor een reeds zwaar getroffen sector. De Regeringscommissaris antwoordt dat de gesprek- ken met de betrokken sectoren over de bijdragen aan het Fonds evolueren naar een consensus maar dat het tot nog toe te voorbarig is om zich over concrete gege- vens uit te spreken. De h. Smets (PSC) meent dat de weinige gegevens die tot op heden voorhanden zijn te vaag zijn om de instelling van een verplichte bijdrage te rechtvaardigen. Overigens is hij stellig gekant tegen de idee van een dergelijke bijdrage omdat de betrokken sector reeds te zwaar getroffen is. qui figureront dans le feuilleton d’ajustement du budget 2000. Enfin, l’intervenant souligne que le parlement sera informé de toutes les mesures qui seront prises. L’amendement n° 21 (Doc. 50 0212/005) de Mme Brepoels est retiré. Art. 10, 11 et 12 L’examen des articles 10, 11 et 12 se focalise sur les cotisations de solidarité obligatoires qui seront impo- sées à des catégories objectivement définies d’entre- prises relevant du secteur agricole et à des fournisseurs et clients directs et indirects de telles entreprises au profit du Fonds d’indemnisation d’entreprises agricoles touchées par la crise de la dioxine. L’amendement n° 22 à l’article 10 et l’amendement n° 23 à l’article 12 de Mme Frieda Brepoels ainsi que l’amendement n° 32 à l’article 10 et l’amendement n° 33 à l’article 12 de M. Richard Fourneaux (PSC) ten- dent à supprimer la cotisation obligatoire. Mme Frida Brepoels fait valoir que, d’une part, les éléments fac- tuels susceptibles de justifier la décision d’imposer des cotisations de solidarité obligatoires sont encore impré- cis. On ne peut dès lors examiner si la procédure sera compatible avec le principe d’égalité. La membre es- time que, d’autre part, l’instauration de la cotisation obli- gatoire est prématurée aussi longtemps que les discus- sions sont toujours en cours avec les secteurs concernés en vue d’une contribution volontaire et que l’on n’a aucune idée de l’ampleur des dommages qui devront être indemnisés. M. Richard Fournaux (PSC) souligne que l’instaura- tion de la cotisation obligatoire revient à frapper un sec- teur déjà sévèrement touché d’une forme inadmissible d’impôt larvé. Le commissaire du gouvernement répond qu’un con- sensus semble vouloir se dégager dans le cadre des discussions avec les secteurs concernés au sujet des contributions au Fonds, mais qu’il est encore trop tôt pour se prononcer sur des éléments concrets. M. Smets (PSC) estime que le peu de données dont on dispose à l’heure actuelle sont trop vagues pour jus- tifier l’établissement d’une cotisation obligatoire. Il est d’ailleurs résolument opposé à une telle cotisation, le secteur concerné étant déjà trop lourdement touché. 56 0212/007 DOC 50 C H A M B R E 2 e S E S S I O N D E L A 5 0 e L É G I S L A T U R E K A M E R 2 e Z I T T I N G V A N D E 5 0 e Z I T T I N G S P E R I O D E 1999 2000 De h. Yves Leterme (CVP) wenst te vernemen waar- voor de gelden van het Fonds bij uitsluiting zullen wor- den aangewend. De Regeringscommissaris antwoordt dat de precieze bestemming in de uitvoeringsbesluiten zal worden ge- preciseerd. De minister van Landbouw voegt eraan toe dat het beheer van het Fonds zal geschieden naar analogie van andere bestaande Fondsen en steeds in overleg met de betrokken sectoren. Overigens is het duidelijk dat het alleen maar kan worden aangewend voor steun en dadingen. De h. Yves Leterme meent dat de bepalingen in art.10, waar sprake van vrijwillige en verplichte bijdrage en in art. 11, waar men het, in het kader van art. 104 van het Wetboek op de inkomstenbelastingen heeft over giften, niet in overeenstemming zijn. De minister antwoordt dat hij de synergie tussen de artikelen 9, 10 en 11 zal nazien. Met betrekking tot de bepaling van art. 11, de fiscale aftrekbare giften aan het Fonds, merkt mevr. Frieda Brepoels op dat die bijdragen wellicht verwaarloosbaar zullen zijn rekening houdend met de reeds marginale «bijdragen». De h. Charles Michel merkt op dat de vrijwillige bij- dragen, zoals gesteld in art. 10 niet noodzakelijk een gift in de zin van art. 11 inhoudt. Beide begrippen zijn afzonderlijk te beschouwen. De h. Yves Leterme (CVP) dringt er op aan vooral niet af te wijken van de geest van het Wetboek van in- komstenbelasting, meer bepaald met betrekking tot art. 104 van dit Wetboek. Voorts licht hij amendement nr. 11 op art. 12 toe. Het beoogt de bepaling inzake de op te leggen solidariteits- bijdrage uit te breiden met betrekking tot de verantwoordelijken voor het verspreiden van dioxines en PCB’s, in het leefmilieu. Anderzijds wordt het toepassingsgebied ook versmald tot diegenen die een echte verantwoordelijkheid terzake dragen. Tenslotte dient hij amendement nr. 12 op art. 12, tweede lid, in dat ertoe strekt de verplichte bijdrage als beroepskost aftrekbaar te maken. M. Yves Leterme (CVP) demande quelle sera l’affec- tation exclusive des moyens du Fonds. Le commissaire du gouvernement répond que l’af- fectation précise sera déterminée par arrêtés d’exécu- tion. Le ministre de l’Agriculture précise que le Fonds sera géré comme d’autres Fonds existants et toujours en accord avec les secteurs concernés. Il est d’ailleurs évident que le Fonds n° pourra servir qu’à l’octroi d’aides et aux transactions. M. Yves Leterme estime qu’il n’y a pas de concor- dance entre les dispositions de l’article 10, qui concer- nent les contributions volontaires et les cotisations obli- gatoires, et celles de l’article 11, qui ont trait aux libéralités faites dans le cadre de l’article 104 du Code des impôts sur les revenus. Le ministre répond qu’il vérifiera la concordance en- tre les articles 9, 10 et 11. En ce qui concerne la disposition de l’article 11, qui a trait aux libéralités déductibles fiscalement, Mme Frieda Brepoels fait observer que ces contributions seront pro- bablement négligeables compte tenu des «contribu- tions» déjà marginales. M. Charles Michel fait observer que les contributions volontaires, visées à l’article 10, n° constituent pas né- cessairement une libéralité au sens de l’article 11. Il convient de considérer ces deux notions de façon dis- tincte. M. Yves Leterme (CVP) insiste afin que l’on n° dé- roge pas à l’esprit du Code des impôts sur les revenus, plus particulièrement en ce qui concerne l’article 104 de ce Code. L’intervenant commente par ailleurs l’amendement n° 11 à l’article 12, qui tend à élargir la disposition rela- tive à la cotisation obligatoire de solidarité à tous les acteurs responsables de la présence de dioxines et de PCB dans l’environnement. D’autre part, le champ d’ap- plication de la disposition est également restreint aux seuls acteurs qui portent une responsabilité réelle en la matière. Enfin, il présente un amendement (n° 12) à l’article 12, tendant à rendre la cotisation obligatoire déductible au titre des frais professionnels. 57 0212/007 DOC 50 C H A M B R E 2 e S E S S I O N D E L A 5 0 e L É G I S L A T U R E K A M E R 2 e Z I T T I N G V A N D E 5 0 e Z I T T I N G S P E R I O D E 1999 2000 De h. A. Van Aperen (VLD) merkt op dat bepaalde sanitair te betalen bijdragen in de landbouwsector veelal in de aftrekbare forfaits worden verrekend en niet als specifieke onkosten. Art. 13 Mevr. Frieda Brepoels dient amendement nr. 24 in. Zij meent dat het wetgevings-technisch beter is de in- houd van dit artikel onder te brengen bij artikel 9. De minister preciseert dat in artikel 9 o.a. de samen- stelling van de Raad van bestuur van het Fonds wordt geregeld, artikel 13 behandelt wel degelijk het beheer van dit Fonds. Een samenvoeging van beide artikelen dringt zoch niet op. * * * In het kader van de besprekingen van de amende- menten nrs. 22, A), en 32 (Stuk 0212/005) op artikel 10 van onderhavig ontwerp informeert de heer Yves Leter- me (CVP) naar de juistheid van de bewering als zou de regering de verplichte bijdrage als stok achter de deur houden voor het geval er bij de sectoren minder dan 1 miljard BEF aan vrijwillige bijdragen opgehaald zou worden. De minister beaamt dat dit inderdaad tot de mogelijkheden behoort maar wenst hierbij geen bedrag voorop te stellen. Inzake het amendement nr. 22, B), (Stuk 0212/005) stelt de minister dat het in zijn bedoeling ligt om met de gewestelijke overheden een wederzijdse melding over- een te komen met het oog op de eventuele terug- vordering van federale steun. Litera B) van het amendement nr. 22 (Stuk 0212/005) wordt vervolgens door de indienster ingetrokken. De heer Arnold Van Aperen c.s. dienen amendement nr. 40 (Stuk 0212/...) in dat ertoe strekt te verduidelijken dat de verschillende types van bijdragen die het zoge- naamde «Dioxinefonds» spijzen, facultatief zijn. * * * De heer Arnold Van Aperen c.s. dienen amendement nr. 41 (Stuk 0212/...) in dat de in het artikel 11 van on- derhavig ontwerp gebruikte notie «giften» nauwkeurig omschrijft. * * * M. A. Van Aperen (VLD) fait observer que, dans le secteur agricole, certaines cotisations sanitaires sont souvent comprises dans les forfaits déductibles et n° sont pas considérées comme des frais spécifiques. Art. 13 Mme Frieda Brepoels présente l’amendement n° 24. Elle estime qu’il est légistiquement préférable de repren- dre la teneur de cet article sous l’article 9. Le ministre précise que l’article 9 règle notamment la composition du conseil d’administration du Fonds et que l’article 13 traite, quant à lui, de la gestion du Fonds. Il n’y a pas lieu de fusionner ces deux articles. * * * Dans le cadre de la discussion des amendements nos 22, A), et 32 (DOC 50 0212/005) présentés à l’arti- cle 10 du projet à l’examen, M. Yves Leterme (CVP) de- mande s’il est exact que le gouvernement a conçu la cotisation obligatoire comme une menace potentielle pour le cas où les contributions volontaires des sec- teurs n’atteindraient pas un milliard de francs. Le ministre confirme que cette éventualité n’est ef- fectivement pas à exclure, mais refuse de citer un mon- tant à ce propos. Pour ce qui est de l’amendement n° 22, B), (DOC 50 0212/005), le ministre fait observer qu’il envi- sage d’organiser une information réciproque avec les autorités régionales en vue du recouvrement éventuel d’aides fédérales. Le littera B) de l’amendement n° 22 (DOC 50 0121/ 005) est ensuite retiré par son auteur. M. Arnold Van Aperen et consorts présentent un amendement (n° 40, DOC 50 0212/006) tendant à pré- ciser que les différents types de contribution alimentant le «Fonds Dioxine» sont facultatifs. * * * M. Arnold Van Aperen et consorts présentent un amendement (n° 41, DOC 50 0212/006) tendant à mieux définir la notion de «libéralités» visée à l’article 11 du projet de loi à l’examen. * * * 58 0212/007 DOC 50 C H A M B R E 2 e S E S S I O N D E L A 5 0 e L É G I S L A T U R E K A M E R 2 e Z I T T I N G V A N D E 5 0 e Z I T T I N G S P E R I O D E 1999 2000 Mevrouw Trees Pieters (CVP) vreest in het kader van de bespreking van het amendement nr . 11 (Stuk 0212/ 003) op het ontworpen artikel 12 dat het parlement bui- tenspel gezet zal worden indien het aanwijzen van de sectoren die verplicht zullen moeten bijdragen, aan de Koning overgelaten zal worden. Zij stelt in deze context ook vast dat de voorliggende tekst geen beperkingen inhoudt betreffende de sectoren die een bijdrage zullen moeten leveren. De heer Richard Fourneaux (PSC) voegt daaraan toe dat de onderhavige tekst neerkomt op een blanco-che- que van de volledige voedingssector aan de regering. Hierbij zal volgens spreker iedereen, ook diegenen die geen schuld treft, wel moeten bijdragen terwijl helemaal niet vaststaat dat ook iedereen steun zal kunnen genie- ten. Hij stelt daarenboven vast dat de vroeger aange- haalde bedragen inzake de kostprijs van de crisis ho- ger lagen dan deze die nu circuleren, hetgeen hem noopt te besluiten dat er hier een belasting ingevoerd wordt waarvan niemand weet hoeveel zij zal moeten opbren- gen. De heer Yves Leterme (CVP) vreest dat de toets van de krachtens de voorliggende tekst uitgevoerde selec- tie aan het gelijkheidsbeginsel bijzonder moeilijk zal zijn. Hij is daarenboven de mening toegedaan dat hierbij de techniek van de volmachten aangewend wordt. De heer André Smets (PSC) stelt vast dat de kost- prijs van de dioxinecrisis vóór de verkiezingen van 13 juni 1999 op 100 miljard BEF geraamd werd en dat dit bedrag nu tot 25 miljard BEF herleid werd. Voorts waar- schuwt hij ervoor dat - omdat hem geen enkele schuld treft - de kleine landbouwer deze verplichte bijdrage zal aanvoelen als een collectieve straf. De heer Pierre Lano (VLD) stelt dat het nauwkeurig beantwoorden van de schuldvraag nog ettelijke maan- den in beslag zal nemen, enerzijds, en dat de bijdrage die van de verschillende sectoren gevraagd wordt, ei- genlijk niet meer dan symbolisch is, anderzijds. De heer Pieter Vanhoutte (Ecolo-Agalev) meent dat niet alleen de Staat mag opdraaien voor de schade inge- volge de dioxinecrisis. Deze crisis is volgens spreker immers veroorzaakt door de manier waarop er aan land- bouw gedaan wordt waarbij ook de verbruiker, die als- maar goedkopere landbouwproducten vraagt, ook zijn steentje moet bijdragen. Mevrouw Yolande Avontroodt (VLD) herinnert eraan dat het bovengenoemde bedrag van 100 miljard BEF naar voren geschoven werd door de heer Chaffart, die door de vorige regering als onafhankelijk deskundige aangetrokken werd. Mme Trees Pieters (CVP) exprime la crainte, dans le cadre de la discussion de l’amendement n° 11 (DOC 50 0212/003) à l’article 12 du projet de loi, que le Parle- ment soit court-circuité si la loi charge le Roi de dési- gner les secteurs tenus de verser une cotisation. Elle constate également, à ce propos, que le texte à l’exa- men n° contient aucune restriction en ce qui concerne les secteurs qui devront verser une cotisation. M. Richard Fourneaux (PSC) ajoute que le texte à l’examen revient à autoriser le gouvernement à préle- ver le montant qu’il veut auprès de l’ensemble du sec- teur de l’alimentation. L’intervenant ajoute qu’en outre, tous, y compris ceux qui n° sont coupables de rien, de- vront verser une cotisation, alors qu’il n’est nullement acquis que tous pourront également bénéficier d’une aide. Il constate encore que les montants cités anté- rieurement pour chiffrer le coût de la crise étaient supé- rieurs aux montants cités actuellement, ce qui l’amène à conclure que l’on va, en l’occurrence, instaurer une cotisation dont personne n° sait combien elle devra rap- porter. M. Yves Leterme (CVP) craint qu’il soit particulière- ment difficile d’effectuer une sélection, conformément au texte à l’examen, sans enfreindre le principe d’éga- lité. Il estime en outre que le gouvernement utilise, en l’occurrence, la technique de la délégation de pouvoir. M. André Smets (PSC) constate que le coût de la crise de la dioxine était estimé à 100 milliards de francs avant les élections du 13 juin 1999, mais que ce coût n’est plus estimé qu’à 25 milliards de francs aujourd’hui. Il prévient par ailleurs que le petit agriculteur - qui n’est nullement coupable de la crise - considérera cette coti- sation obligatoire comme une sanction collective. M. Pierre Lano (VLD) estime qu’il faudra encore de nombreux mois avant de pouvoir répondre avec préci- sion à la question de savoir qui est coupable et que la contribution qui est demandée aux divers secteurs n’a en fait qu’une valeur symbolique. M. Peter Vanhoutte (Ecolo-Agalev) estime que l’État n° doit pas être le seul à prendre en charge le dom- mage dû à la crise de la dioxine. L’intervenant estime que cette crise est en effet due à la manière dont on pratique l’agriculture et que le consommateur, qui de- mande constamment des produits agricoles moins chers, doit également apporter sa contribution. Mme Yolande Avontroodt (VLD) rappelle que le mon- tant précité de 100 milliards de francs a été avancé par M. Chaffart, qui avait été engagé comme expert indé- pendant par le gouvernement précédent. 59 0212/007 DOC 50 C H A M B R E 2 e S E S S I O N D E L A 5 0 e L É G I S L A T U R E K A M E R 2 e Z I T T I N G V A N D E 5 0 e Z I T T I N G S P E R I O D E 1999 2000 De minister antwoordt dat het zeer moeilijk zal zijn om de schuld te bewijzen en dat de regering daarom een brede interpretatiemogelijkheid vraagt. Hij ontkent dat de techniek van de volmacht gebruikt wordt omdat elke genomen maatregel binnen de 6 maanden door het parlement bekrachtigd moet worden. Ten slotte stelt hij dat de som van de 25 miljard BEF, waarvan sprake in onderhavig ontwerp, de gederfde overheidsinkomsten en de steunmaatregelen van de andere overheden het door de heer Chaffart genoemde bedrag van 100 mil- jard BEF zal benaderen. Bij de bespreking van het amendement nr. 12 (Stuk 0212/003) ontgaat het de heer Yves Leterme (CVP) waarom de de verplichte bijdrage niet en de vrijwillige bijdrage wel fiscaal aftrekbaar gemaakt wordt. Hij stelt dat de netto-bijdrage van de betrokken sectoren immers nog slechts 500 miljoen BEF zal bedragen indien zij hun vrijwillige bijdragen tot 1 miljard BEF optrekken. De minister beaamt dat het niet fiscaal aftrekbaar maken van de verplichte bijdragen inderdaad een incentive is om de vrijwillige bijdragen te maximalise- ren. Art. 14 In verband met dit artikel preciseert de minister dat de uitgaven die op het Fonds kunnen worden aangere- kend - naast de steun waarover sprake in het vorige artikel - ook de bedragen omvatten die de Staat even- tueel dient te betalen op grond van dadingen in het raam van geschillen inzake de vergoeding van schade gele- den als gevolg van de dioxinecrisis en op grond van de Staatswaarborg voor de kredieten die met toepassing van het protocol van 25 augustus 1999 werden toege- kend. De heer Yves Leterme (CVP) vraagt hoeveel perso- nen het Fonds in dienst zal nemen. De minister antwoordt dat het Fonds, gelijklopend met het DG3-bestuur van het departement Landbouw, vol- gens de eerste ramingen zowat 20 000 dossiers zal moeten verwerken. Daartoe werd op jaarbasis voorzien in budgettaire middelen voor 57 eenheden voltijdse be- trekkingen. Met inbegrip van de kosten voor de aan- koop van informaticamateriaal, wordt de begroting voor de personeelskosten op een bedrag tussen 196 en 210 miljoen frank geraamd. De personeelsbehoeften zullen uiteraard minder groot Le ministre répond qu’il sera très difficile de prouver l’existence d’une faute dans le chef d’un acteur déter- miné et que le gouvernement demande dès lors qu’on lui accorde une large faculté d’interprétation. Il se dé- fend de recourir à la technique des pouvoirs spéciaux, parce que chaque mesure prise devra être confirmée par le Parlement dans les six mois. Enfin, il précise qu’en additionnant le montant de 25 milliards de francs, dont il est question dans le projet à l’examen, à la moins- value de recettes pour l’État et au montant des aides des autres autorités, on obtient un montant proche des 100 milliards cités par M. Chaffart. Lors de la discussion de l’amendement n° 12 (DOC 0212/003), M. Yves Leterme (CVP) déclare ne pas com- prendre pourquoi la cotisation volontaire doit être dé- ductible et pas la contribution obligatoire. Il estime que le montant net de la contribution des secteurs concer- nés n° s’élèvera en effet qu’à 500 millions de francs s’ils portent à un milliard de francs le montant de leur contri- bution volontaire. Le ministre confirme que le fait de ne pas rendre dé- ductible le montant des cotisations obligatoires vise en effet à inciter les secteurs à maximiser le montant de leurs contributions volontaires. Art.14 Le ministre précise à cet article qu’à côté des aides dont question à l’article précédent, les dépenses impu- tables au Fonds comprennent également les montants que l’Etat pourrait, le cas échéant, être amené à payer en vertu de transactions conclues dans le cadre de liti- ges portant sur l’indemnisation des dommages subis à cause de la crise de la dioxine et en vertu de sa garan- tie relative aux crédits octroyés en application du proto- cole du 25août 1999. M. Yves Leterme (CVP) demande combien de per- sonnes travailleront au Fonds. Le ministre répond que selon les premières estima- tions, le personnel du Fonds devra traiter quelque 20 000 dossiers parallèlement à l’administration de la DG3 du département de l’Agriculture. Pour traiter ces dossiers, 57 équivalents temps plein sur base annuelle ont été budgétés. En ce compris les frais liés à l’acqui- sition de matériel informatique, le budget des frais de personnel est estimé à un montant de 196 à 210 mil- lions. 60 0212/007 DOC 50 C H A M B R E 2 e S E S S I O N D E L A 5 0 e L É G I S L A T U R E K A M E R 2 e Z I T T I N G V A N D E 5 0 e Z I T T I N G S P E R I O D E 1999 2000 zijn mochten veel «forfaitaire» dossiers worden inge- diend. Ten behoeve van mevrouw Brepoels preciseert de minister nog dat hij bij de minister van Begroting een voorstel zal ingedienen in verband met de personeelssterkte die vereist is om de 20 000 te ver- wachten dossiers te verwerken. Om personeel aan te werven werden tijdens de vakantieperiode reeds bijkomende kredieten ten belope van 83,5 miljoen frank aangevraagd om het hoofd te bieden aan de dioxinecrisis. De heer Charles Michel (PRL FDF MCC) is van me- ning dat de artikelen 9 en 14 strijdig met elkaar zijn. Artikel 14 wekt immers de indruk als zouden de perso- neels- en de werkingskosten door het Fonds kunnen worden gedragen, terwijl artikel 9 duidelijk preciseert welke uitgaven precies ten laste van het Fonds vallen. Wie zal dan uiteindelijk voor die kosten opdraaien ? Het Fonds of een andere begroting ? De minister antwoordt dat de regering doelbewust in beide mogelijkheden heeft voorzien. Hij erkent evenwel dat artikel 9 een meer beperkte draagwijdte heeft dan artikel 14. Hij vestigt de aandacht op de volgende zinsne- de van artikel 9: «Het Fonds heeft ten doel om de uitga- ven te dekken die voortvloeien uit de steun bedoeld in ...». Die uitgaven slaan ook op personeelskosten. Volgens de heer André Smets (PSC) moeten twee Fondsen worden opgericht: een fonds voor de uitbeta- ling van de schadevergoedingen en een provisioneel fonds dat de betrokkenen doet inzien dat er baat is om een reserve aan te leggen. Volgens de spreker zullen de landbouwers niet echt happig zijn om dat Fonds te stijven als ze merken dat hun bijdragen worden gebruikt om het personeel te betalen. De minister wijst op de kern van de zaak : de opge- brachte solidariteit moet ertoe leiden dat de slachtof- fers van de crisis worden vergoed. Mevrouw Frieda Brepoels (VU&ID) merkt op dat het om een begrotingsfonds gaat. Zij vraagt zich dan ook af waarom wordt bepaald dat het Fonds wordt beheerd door een raad waarvan structuur, samenstelling en wer- king bij een in Ministerraad overlegd koninklijk besluit worden geregeld. Is een dergelijke procedure de regel voor een begrotingsfonds ? De regeringscommissaris memoreert dat aanvanke- lijk was bepaald dat de hele financiering zou worden gedragen door een Fonds met het statuut van een Si de nombreux dossiers sont introduits sur base for- faitaire, il va de soi que les besoins en personnel seront moindres. Le ministre précise encore à Mme Brepoels qu’il va soumettre au ministre du Budget une proposition rela- tive aux besoins en personnel pour traiter les 20.000 dossiers attendus. En ce qui concerne le personnel , des crédits sup- plémentaires de l’ordre de 83,5 millions ont déjà été demandés pendant les vacances pour faire face à la crise de la dioxine. M. Charles Michel (PRL FDF MCC) estime qu’il existe une incompatibilité entre les articles 9 et 14. En effet, à la lecture de l’article 14, on a l’impression que les frais de personnel et les frais de fonctionnement sont sus- ceptibles d’être pris en charge par le Fonds alors que l’article 9 précise clairement quelles sont les dépenses à charge du Fonds. Qui prendra dès lors ces frais en charge, le Fonds ou un autre budget ? Le ministre répond que le gouvernement a délibéré- ment prévu les deux possibilités. Il concède cependant que l’article 9 est plus restreint que l’article 14. Il attire l’attention sur la partie de phrase de l’article 9 « Le Fonds a pour but de couvrir les dépenses découlant des aides visées … ». Ces dépenses concernent également des frais en personnel. M. André Smets (PSC) est d’avis qu’il faudrait créer deux Fonds, à savoir un Fonds chargé des indemnisa- tions et un Fonds provisionnel. Un Fonds provisionnel permettrait, en effet, de faire comprendre aux person- nes concernées qu’elles ont intérêt à ce qu’une réserve soit constituée. L’intervenant estime qu’il n’est pas très motivant pour les agriculteurs qui devront cotiser à ce Fonds, de voir que leurs cotisations servent à payer du personnel. Le ministre estime que l’essentiel est que la solida- rité ait pour résultat que les victimes de la crise soient indemnisées. Mme Frieda Brepoels (VU&ID) demande pour quel- les raisons, dès lors qu’il s’agit d’un Fonds budgétaire, il est prévu que le Fonds soit géré par un conseil dont la structure, la composition et le fonctionnement sont ré- glés par un arrêté royal délibéré en Conseil des minis- tres. Cette procédure est-elle normale pour un Fonds budgétaire ? Le commissaire du gouvernement rappelle qu’au départ, il avait été prévu que tout le financement soit supporté par un Fonds ayant le statut de parastatal. Le 61 0212/007 DOC 50 C H A M B R E 2 e S E S S I O N D E L A 5 0 e L É G I S L A T U R E K A M E R 2 e Z I T T I N G V A N D E 5 0 e Z I T T I N G S P E R I O D E 1999 2000 parastatale instelling. Nadien is de regering van optie veranderd en koos ze voor een begrotingsfonds. Zulks neemt niet weg dat het Fonds door vertegenwoordigers van de diverse departementen, alsmede door vertegen- woordigers van de betrokken sectoren wordt beheerd. De gekozen beheersformule zal afhangen van de aard van de bijdragen die het Fonds zullen stijven. De minister preciseert nog dat de overige fondsen, met name het Fonds voor de gezondheid en de produc- tie van de dieren, het Fonds voor de productie en de bescherming van planten en plantaardige producten en het Fonds voor de grondstoffen, tevens begrotings- fondsen zijn waar een raad advies geeft. In die geest werd ook dit ontwerp geredigeerd. Iedere beslissing nopens uitgaven ten laste van het Fonds ressorteert onder de minister van Landbouw. De minister erkent dat de term «raad» aanleiding tot ver- warring kan geven. In casu gaat het echter alleen om een adviesorgaan, hoegenaamd niet om een raad van bestuur in de gebruikelijke zin van het woord. In aansluiting op die precisering merkt de heer Yves Leterme (CVP) op dat het, omwille van de duidelijk- heid, aangewezen ware artikel 9, laatste lid, anders te formuleren. De minister verklaart dat de diverse artikelen met be- trekking tot het Fonds met elkaar in overeenstemming zullen worden gebracht, waarbij rekening zal worden ge- houden met de in commissie gemaakte opmerkingen. Art. 15 De minister verklaart dat dit artikel de wettelijke grondslagbiedt voor het verlenen van de gedeeltelijke Staatswaarborg voor de kredieten die door krediet- instellingen zijn toegekend in uitvoering van het op 25 augustus 1999 tussen de Belgische Vereniging van Banken en de Staat gesloten protocol. Het totale be- drag voor die overbruggingskredieten mag niet hoger liggen dan 25 miljard frank. De heer Leterme (CVP) vraagt wat moet worden ver- staan onder de zinsnede naar luid waarvan de goed- keuring van het Belgisch Interventie- en Restitutiebureau (BIRB) wordt geacht te zijn verworven. De minister preciseert dat het daarbij om een auto- matische toekenning gaat. Tekent het BIRB uiterlijk 15 dagen na ontvangst van het dossier geen bezwaar aan, dan wordt het geacht het dossier te hebben goedge- keurd. gouvernement a ensuite changé d’avis et a opté pour un Fonds budgétaire. Cela n’empêche pas que le Fonds soit géré par des représentants des différents départe- ments ainsi que par des représentants des secteurs concernés. La formule de gestion dépendra de la na- ture des cotisations qui alimenteront le Fonds. Le ministre précise encore que les autres Fonds , à savoir le Fonds de la santé et de la production des ani- maux, le Fonds pour la production et la protection des végétaux et des produits végétaux et le Fonds des ma- tières premières, sont également des Fonds budgétai- res où un conseil donne des avis. C’est dans cette même philosophie que le présent projet a été rédigé. Toute décision de dépenses à charge du Fonds res- sort de la compétence du ministre de l’Agriculture. Le ministre concède que le terme « conseil » crée la con- fusion. Il s’agit ici simplement d’un organe d’avis et non pas d’un conseil d’administration au sens habituel du terme. A la suite de cette précision, M. Yves Leterme (CVP) fait remarquer qu’il serait indiqué, pour plus de clarté, de modifier la rédaction du dernier alinéa de l’article 9. Le ministre déclare que les différents articles relatifs au Fonds seront mis en concordance en tenant compte des remarques formulées en commission. Art. 15 Le ministre explique que cet article crée la base lé- gale pour l’octroi de la garantie partielle de l’Etat aux crédits accordés par des établissements de crédit en exécution du protocole conclu le 25 août 1999 entre l’Etat et l’Association belge des Banques. L’enveloppe totale maximale de ces crédits de soudure ne peut dé- passer 25 milliards. M. Yves Leterme (CVP) demande ce qu’il faut enten- dre par « l’approbation du Bureau d’intervention et de restitution belge (BIRB) est réputée acquise ». Le ministre précise qu’il s’agit d’un octroi automati- que. Si le BIRB ne fait pas valoir d’objection dans les 15 jours suivant la réception du dossier, il est censé l’avoir approuvé. 62 0212/007 DOC 50 C H A M B R E 2 e S E S S I O N D E L A 5 0 e L É G I S L A T U R E K A M E R 2 e Z I T T I N G V A N D E 5 0 e Z I T T I N G S P E R I O D E 1999 2000 Art. 16 Dit artikel onderbouwt wettelijk de eventuele schade- vergoeding voor operatoren wier producten van dier- lijke oorsprong als gevolg van door de Belgische over- heid in het raam van de dioxinecrisis genomen maatregelen vernietigd, geblokkeerd of uit de handel genomen werden. Daarbij gaat het dan vooral om spoedeisende maatregelen die in het belang van de volksgezondheid werden genomen. Mevrouw Brepoels (VU&ID) dient amendement nr. 25 (Doc. 0212/005) in, dat ertoe strekt, conform het advies van de Raad van State, in dat artikel aan te geven dat de voorschotten alleen een compensatie mogen zijn voor financieel verlies geleden ten gevolge van de vernieti- ging, de inbeslagname of het uit de handel nemen van producten om redenen van volksgezondheid. Het amendement heeft ten doel binnen de perken van de federale bevoegdheden te blijven. De minister kan akkoord gaan met de inhoud van het amendement., maar na verder onderzoek besluit hij dat de precisering overbodig is. De heer Leterme (CVP) vraagt of dit artikel ook slaat op producten waarvan de houdbaarheidsdatum verstre- ken is, vernietigd noch in beslag genomen werden en in de handel gebleven zijn. De regeringscommissaris antwoordt dat dit een van de knelpunten is waarover nog moet worden overlegd met de sector; hetzelfde geldt voor het vraagstuk van de geblokkeerde voorraden en de producten die, hoe- wel ze niet besmet waren, niet langer houdbaar zijn. De besluiten die in een eventuele schadeloosstelling voor die producten voorzien, zullen worden genomen op basis van dit artikel. Art. 17 Dit artikel bepaalt dat het totaalbedrag van de fede- rale overheidssteun die een bedrijf omwille van de dioxinecrisis ontvangt, in subsidie-equivalent niet hoger mag liggen dan de schade die het heeft geleden, waar- bij in voorkomend geval rekening wordt gehouden met alle gewestelijke overheidssteun en met alle vergoedin- gen die dat bedrijf krachtens verzekeringspolissen heeft ontvangen. Art. 18 De minister onderstreept dat de ambtenaren en agen- ten van het ministerie van Middenstand en Landbouw op de toepassing van het vorige artikel zullen toezien. Art. 16 Cet article établit une base légale pour l’éventuelle indemnisation d’opérateurs dont les produits d’origine animale ont été détruits, bloqués ou retirés du commerce à la suite de mesures prises par les autorités publiques belges dans le cadre de la crise de la dioxine. Il s’agit surtout de mesures urgentes prises dans l’intérêt de la santé publique. Mme Frieda Brepoels (VU&ID) dépose un amende- ment n°25 (Doc. n°212/5) visant à préciser à cet article, conformément à une remarque du Conseil d’Etat, que les avances ne peuvent constituer qu’une compensa- tion pour les pertes financières subies à la suite de la destruction des produits, de leur saisie ou de leur retrait du commerce pour des raisons de santé publique. L’amendement a pour but de rester dans les limites des compétences fédérales. Le ministre ne s’oppose pas à la teneur de l’amen- dement, mais après examen approfondie il estime que la précision énoncée est superflue. M. Yves Leterme (CVP) demande si les produits pé- rimés qui qui n’ont pas été détruits ni saisis et qui sont restés dans le commerce sont également concernés par cet article. Le commissaire du gouvernement répond qu’il s’agit là d’un des problèmes qui doivent encore faire l’objet d’une concertation avec le secteur, ainsi que le problème des stocks bloqués et des produits non contaminés mais périmés. Les arrêtés prévoyant l’indemnisation éventuelle pour ces produits seront pris sur base du présent article. Art.17 Cet article stipule que le montant total des aides publiques fédérales qu’une entreprises reçoit ne peut pas en équivalent-subvention dépasser le dommage subi par l’entreprise compte tenu, le cas échéant, de toutes les aides publiques régionales et de toutes les indemnités perues en vertu de polices d’assurance. Art.18 Le ministre souligne que l’application de l’article pré- cédent fait l’objet de contrôles effectués par les fonc- tionnaires et agents du ministère des Classes moyen- nes et de l’Agriculture. 63 0212/007 DOC 50 C H A M B R E 2 e S E S S I O N D E L A 5 0 e L É G I S L A T U R E K A M E R 2 e Z I T T I N G V A N D E 5 0 e Z I T T I N G S P E R I O D E 1999 2000 In antwoord op een vraag van de heer Jos Ansoms (CVP) merkt de minister op dat die ambtenaren niet dezelfde zijn als diegenen die zijn belast met de afwik- keling van de vergoedingsdossiers. Art. 19 Dit artikel komt tegemoet aan een eis van de Euro- pese Commissie. Het maakt de terugvordering moge- lijk van het eventuele overschot van de overheidssteun die een bedrijf heeft ontvangen, ten opzichte van de schade die het heeft geleden. De aan het Fonds terug- gestorte bedragen zullen worden verhoogd met nalatigheidsinteresten. De regeringscommissaris stelt met klem dat dit arti- kel van vitaal belang is voor de Europese Commissie. Om dit artikel uitvoering te kunnen geven, is het niet uitgesloten dat een samenwerkingsovereenkomst tus- sen de federale Staat en de gewesten vereist is. Mevrouw Brepoels (VU&ID) dient amendement nr. 26 (Doc. 0212/005) in, dat ertoe strekt dit artikel weg te laten. Die bepaling zou immers conflicten kunnen doen rijzen tussen de federale Staat en de gewesten, moch- ten die een soortgelijke beslissing nemen. Het lid stelt derhalve voor om dit knelpunt op te lossen via een samenwerkingsovereenkomst, dat aan de parlementen zou moeten worden voorgelegd. De heer Leterme (CVP) vraagt of de regering een voorbeeld kan geven van toerekening op in omgekeerde chronologische volgorde ontvangen overheidssteun. Voorts is hij niet te vinden voor de heffing van nalatigheidsinteresten : het zou kunnen dat sommige bedrijven te goeder trouw vergoedingen hebben ont- vangen waarvan het bedrag hoger ligt dan 100 % van de geleden schade. Is dat ook de wens van de Europese Commissie ? De minister geeft aan dat als een bedrijf wegens schade meer dan 100 % schadeloosstelling ontvangen heeft, volgens de Commissie nalatigheidsinteresten verschuldigd zijn. Om die interesten te beperken, zal de laatst ontvangen vergoeding de eerste zijn die wordt teruggevorderd. De heer Charles Michel (PRL FDF MCC) vraagt hoe bij de berekening van de nalatigheidsinteresten het be- ginpunt zal worden bepaald. Hij wijst er bovendien op dat de Staat, om nalatigheidsinteresten te kunnen vorderen, schuldeiser moet zijn en dat die schuld invorderbaar moet zijn. Vanaf wanneer is de schuld invorderbaar ? Il précise à M. Jos Ansoms (CVP) qu’il s’agit de fonc- tionnaires différents de ceux chargés d’examiner les dossiers d’indemnisation. Art.19 Cet article répond à une exigence de la Commission européenne en permettant le recouvrement de l’excé- dent éventuel des aides publiques perçues par une en- treprise par rapport au dommage qu’elle a subi. Les montants restitués au Fonds seront majorés d’intérêts de retard. Le commissaire du gouvernement insiste sur le fait que cet article est vital pour la Commission européenne. Il n’est pas exclu qu’un accord de coopération entre l’Etat fédéral et les régions soit nécessaire pour rendre cet article opérationnel. Mme Frieda Brepoels (VU&ID) introduit un amende- ment n°26 (Doc. n°212/5) tendant à supprimer cet arti- cle. Elle est d’avis que la disposition est susceptible de créer des conflits entre l’Etat fédéral et les régions au cas où ces dernières prendraient une mesure similaire. Elle suggère dès lors de résoudre le problème par le biais d’un accord de coopération et de soumettre cet accord aux assemblées législatives. M. Yves Leterme (CVP) demande au gouvernement de citer un exemple d’imputation sur les aides reçues en ordre chronologique inverse. Il déclare, en outre, qu’il n’est pas favorable à la per- ception d’intérêts de retard en raison du fait que certai- nes entreprises peuvent avoir perçu, de bonne foi, des indemnités supérieures à 100% des dommages subis. Est-ce là également un souhait de la Commission euro- péenne ? Le ministre précise que la Commission est d’avis que des intérêts de retard doivent être réclamés à partir du moment où une entreprise a perçu des indemnités su- périeures à 100%. Ainsi, la dernière indemnité perçue sera la première a être réclamée afin de limiter les inté- rêts de retard. M. Charles Michel (PRL FDF MCC) demande de quelle manière sera déterminé le point de départ du calcul des intérêts de retard. Il rappelle, en outre, que pour pouvoir réclamer des intérêts de retard, il faut que l’Etat soit créancier d’une dette et que cette dette soit exigible. A partir de quel moment la dette sera-t-elle exigible ? 64 0212/007 DOC 50 C H A M B R E 2 e S E S S I O N D E L A 5 0 e L É G I S L A T U R E K A M E R 2 e Z I T T I N G V A N D E 5 0 e Z I T T I N G S P E R I O D E 1999 2000 De minister herinnert aan het standpunt van de Eu- ropese Commissie : als een bedrijf meer dan 100 % steun genoten heeft, moet het het teveel ontvangen bedrag terugbetalen. De datum van de berekening van de nalatigheidsint- eresten wordt bepaald op grond van de datum waarop dat overschot geïnd wordt. De strekking van het wetsontwerp steunt op het vol- gende beginsel : wenst een bedrijf vergoeding wegens economische schade, dan moet het vooraf aangeven welke vergoedingen het reeds voor andere soorten van schade ontvangen heeft. * * * Mevrouw Brepoels (VU&ID) zegt haar amendement nr. 25 te zullen intrekken als de minister zich ertoe ver- bindt met de gewesten een samenwerkingsakkoord te sluiten om te voorkomen dat de federale en de gewest- overheden analoge verrekeningsmaatregelen nemen. De minister geeft zijn voornemen te kennen om in verband met de verrekeningsmaatregelen informeel overleg te plegen met de gewesten. Dat overleg zal even- wel niet uitmonden in een officieel samenwerkings- akkoord in de zin van de bijzondere wet van 1980. Het beginsel van de restitutie in omgekeerde chro- nologische volgorde van ontvangen steun impliceert dat de restitutie plaatsvindt door bij voorrang de laatst ont- vangen steun terug te betalen. Art. 20 Dit artikel bepaalt de sancties tegen de personen die de met toepassing van artikel 18 verrichte controles dwarsbomen, weigeren te voldoen aan de verplichting om de betrokken ambtenaren of agenten informatie te verstrekken of de betrokkenen bewust verkeerd of on- volledig informeren. Art. 21 Dit artikel stelt de datum vast waarop de wet in wer- king treedt. De heer Yves Leterme (CVP) deelt mee dat zijn partij toen ze aan de werkzaamheden heeft deelgenomen blijk heeft gegeven van een constructieve ingesteldheid. Hij begrijpt evenwel niet waarom de regering geen reke- ning heeft gehouden met de gegronde bezwaren die de betrokken sector heeft verwoord omtrent soms essen- tiële punten van het wetsontwerp. Le ministre rappelle que la Commission européenne estime qu’à partir du moment où une entreprise a perçu une aide supérieure à 100%, elle doit rembourser le surplus perçu. La date de calcul des intérêts de retard sera la date de perception de ce surplus. La philosophie du présent projet est basée sur le prin- cipe suivant : si une entreprise souhaite réclamer des dommages économiques, elle doit déclarer d’avance quelles indemnités elle a déjà perçues pour d’autres types de dommages. * * * Mme Frieda Brepoels (VU-ID) déclare retirer son amendement n° 26 si le ministre s’engage à conclure un accord de coopération avec les Régions afin d’éviter que les autorités fédérales et régionales ne prennent des mesures d’imputation analogues. Le ministre indique qu’il a l’intention de procéder à une concertation informelle avec les Régions en ce qui concerne les mesures d’imputation. Cette concertation ne débouchera pas sur un accord officiel de coopéra- tion au sens de la loi spéciale de 1980. Le principe de restitution d’aides reçues en ordre chronologique inverse implique que la restitution s’opère en remboursant prioritairement sur les aides reçues en dernier lieu. Art.20 Cet article fixe les sanctions auxquelles s’exposent les personnes qui font obstacle aux contrôles effectués en application de l’article 18, qui refusent de donner aux fonctionnaires ou agents concernés les informa- tions qu’ils sont tenus de leur fournir ou qui leur don- nent sciemment des informations inexactes ou incom- plètes. Art.21 Cet article fixe la date d’entrée en vigueur de la loi. M. Yves Leterme (CVP) expose que son parti a parti- cipé aux travaux en faisant preuve d’un esprit construc- tif. Il ne comprend toutefois pas les raisons pour les- quelles le gouvernement n’a pas tenu compte des objections fondées, sur des points parfois essentiels du projet de loi, exprimées par le secteur concerné. 65 0212/007 DOC 50 C H A M B R E 2 e S E S S I O N D E L A 5 0 e L É G I S L A T U R E K A M E R 2 e Z I T T I N G V A N D E 5 0 e Z I T T I N G S P E R I O D E 1999 2000 De heer Koen Bultinck (Vlaams Blok) neemt akte van het voornemen van de minister om de bedrijven die schade hebben geleden zo spoedig voor 100% van die schade te vergoeden. Hij betreurt evenwel de ruime bevoegdheidsdelegatie die het wetsontwerp aan de Ko- ning verleent. Mevrouw Brepoels (VU&ID) had gewenst dat het par- lement een veel actievere rol zou spelen bij de uitwer- king van wetgeving met betrekking tot de dioxinecrisis. De minister verbindt zich ertoe aan de leden de uitvoeringsbesluiten bij het wetsontwerp te bezorgen voordat het in plenum wordt besproken. M. Koen Bultinck (Vlaams Blok) prend acte de l’in- tention du ministre d’indemniser dans les meilleurs dé- lais les entreprises lésées à concurrence de 100% des dommages encourus. Il regrette toutefois l’ampleur du pouvoir de délégation conféré au Roi par ce projet de loi . Mme Frieda Brepoels (VU-ID) aurait souhaité que le parlement joue un rôle beaucoup plus actif dans le ca- dre de l’élaboration de la législation relative à la crise de la dioxine. Le ministre s’ engage à transmettre aux membres les arrêtés d’exécution du projet de loi préalablement à sa discussion en séance plénière. 66 0212/007 DOC 50 C H A M B R E 2 e S E S S I O N D E L A 5 0 e L É G I S L A T U R E K A M E R 2 e Z I T T I N G V A N D E 5 0 e Z I T T I N G S P E R I O D E 1999 2000 STEMMINGEN Artikel 1 Artikel 1 wordt aangenomen met 12 stemmen en 2 onthoudingen. Art. 2 Amendement nr. 13 van mevrouw Brepoels wordt verworpen met 13 tegen 1 stem. Amendement nr. 1 van de heer Leterme c.s. wordt verworpen met 9 tegen 4 stemmen en 1 onthouding. Amendement nr. 28 van de heer Fournaux c.s. wordt verworpen met 12 stemmen tegen 1. Artikel 2 wordt aangenomen met 9 tegen 2 stemmen en 3 onthoudingen. Art. 3 Amendement nr. 14 van mevrouw Brepoels wordt in- getrokken. Amendement nr. 2 van de heer Leterme c.s. wordt ingetrokken. Amendement nr. 34 van de heer Fournaux c.s. wordt verworpen met 10 stemmen en 4 onthoudingen. Amendement nr. 35 van de heer Leterme c.s. wordt verworpen met 10 tegen 4 stemmen. Amendement nr. 3 van de heer Leterme c.s. wordt verworpen met dezelfde stemming. Artikel 3 wordt aangenomen met 10 tegen 2 stem- men en 2 onthoudingen. Art. 4 Amendement nr. 4 van de heer Leterme c.s. wordt verworpen met 9 tegen 4 stemmen en 1 onthouding. Amendement nr. 29 van de heer Fournaux c.s. wordt verworpen met dezelfde stemming. De amendementen nrs. 5 en 27 van de heer Leterme c.s. worden ingetrokken. Amendement nr. 38 van de heer Van Aperen c.s. wordt eenparig aangenomen. Amendement nr. 6 van de heer Leterme c.s. wordt verworpen met 10 tegen 5 stemmen en 1 onthouding. Amendement nr. 15 van mevrouw Brepoels wordt verworpen met 10 tegen 6 stemmen. Artikel 4, zoals het geamendeerd is, wordt aangeno- men met 10 tegen 4 stemmen en 2 onthoudingen. Art. 5 Amendement nr. 16 van mevrouw Brepoels wordt verworpen met 10 tegen 6 stemmen. VOTES Art.1er L’article 1er est adopté par 12 voix et 2 abstentions. Art.2 L’amendement n°13 de Mme Brepoels est rejeté par 13 voix contre une. L’amendement n°1 de M. Leterme cs est rejeté par 9 voix contre 4 et une abstention. L’amendement n°28 de M. Fournaux cs est rejeté par 12 voix contre une. L’article 2 est adopté par 9 voix contre 2 et 3 absten- tions. Art.3 L’amendement n°14 de Mme Brepoels est retiré. L’amendement n°2 de M. Leterme cs est retiré. L’amendement n°34 de M. Fournaux cs est rejeté par 10 voix et 4 abstentions. L’amendement n°35 de M. Leterme cs est rejeté par 10 voix contre 4. L’amendement n°3 de M. Leterme cs est rejeté par le même vote. L’article 3 est adopté par 10 voix contre 2 et 2 abs- tentions. Art.4 L’amendement n°4 de M. Leterme cs est rejeté par 9 voix contre 4 et une abstention. L’amendement n°29 de M. Fournaux cs est rejeté par le même vote. Les amendements n°5 et 27 de M. Leterme cs sont retirés. L’amendement n°38 de M. Van Aperen cs est adopté à l’unanimité. L’amendement n°6 de M. Leterme cs est rejeté par 10 voix contre 5 et une abstention. L’amendement n°15 de Mme Brepoels est rejeté par 10 voix contre 6. L’article 4, tel qu’amendé, est adopté par 10 voix con- tre 4 et 2 abstentions. Art.5 L’amendement n°16 de Mme Brepoels est rejeté par 10 voix contre 6. 67 0212/007 DOC 50 C H A M B R E 2 e S E S S I O N D E L A 5 0 e L É G I S L A T U R E K A M E R 2 e Z I T T I N G V A N D E 5 0 e Z I T T I N G S P E R I O D E 1999 2000 Amendement nr. 7 van de heer Leterme c.s. wordt verworpen met 10 tegen 5 stemmen en 1 onthouding. Amendement nr. 30 van de heer Fournaux c.s. wordt verworpen met 10 tegen 3 stemmen en 3 onthoudin- gen. Amendement nr. 31 van de heer Fournaux c.s. wordt verworpen met 10 tegen 5 stemmen en 1 onthouding. Amendement nr. 8 van de heer Leterme c.s. wordt verworpen met 10 tegen 6 stemmen. Amendement nr. 17 van mevrouw Brepoels wordt verworpen met dezelfde stemming. Amendement nr. 18 van mevrouw Brepoels wordt in- getrokken. Amendement nr. 36 van de heer Lano wordt inge- trokken. Artikel 5 wordt aangenomen met 10 tegen 3 stem- men en 3 onthoudingen. Art. 6 Amendement nr. 9 van de heer Leterme c.s. wordt verworpen met 10 tegen 6 stemmen. Amendement nr. 19 van mevrouw Brepoels wordt in- getrokken. Amendement nr. 39 van de heer Van Aperen c.s. wordt aangenomen met 11 stemmen en 5 onthoudingen. Het aldus gewijzigde artikel 6 wordt aangenomen met 10 stemmen en 6 onthoudingen. Art. 7 Amendement nr. 10 van de heer Leterme c.s. wordt verworpen met 11 tegen 6 stemmen. Amendement nr. 20 van mevrouw Brepoels wordt eenparig aangenomen. Amendement nr. 37 van de heer Michel wordt een- parig aangenomen. Artikel 7, zoals het werd gewijzigd, wordt aangeno- men met 11 tegen 3 stemmen en 3 onthoudingen. Art. 8 Artikel 8 wordt aangenomen met 11 stemmen en 6 onthoudingen. Art. 9 Amendement nr. 21 van mevrouw Brepoels wordt in- getrokken. Artikel 9 wordt aangenomen met 14 tegen 1 stem en 2 onthoudingen. L’amendement n°7 de M. Leterme cs est rejeté par 10 voix contre 5 et une abstention. L’amendement n°30 de M. Fournaux cs est rejeté par 10 voix contre 3 et 3 abstentions. L’amendement n°31 de M. Fournaux cs est rejeté par 10 voix contre 5 et une abstention. L’amendement n°8 de M. Leterme cs est rejeté par 10 voix contre 6. L’amendement n°17 de Mme Brepoels est rejeté par le même vote. L’amendement n°18 de Mme Brepoels est retiré. L’amendement n°36 de M. Lano est retiré. L’article 5 est adopté par 10 voix contre 3 et 3 abs- tentions. Art.6 L’amendement n°9 de M. Leterme est rejeté par 10 voix contre 6. L’amendement n°19 de Mme Brepoels est retiré. L’amendement n°39 de M. Van Aperen cs est adopté par 11 voix et 5 abstentions. L’article 6, ainsi modifié, est adopté par 10 voix et 6 abstentions. Art.7 L’amendement n°10 de M. Leterme et cs est rejeté par 11 voix contre 6. L’amendement n°20 de Mme Brepoels est adopté à l’unanimité. L’amendement n°37 de M. Michel est adopté à l’una- nimité. L’article 7, tel que modifié, est adopté par 11 voix con- tre 3 et 3 abstentions. Art.8 L’article 8 est adopté par 11 voix et 6 abstentions. Art.9 L’amendement n°21 de Mme Brepoels est retiré. L’article 9 est adopté par 14 voix contre une et 2 abs- tentions. 68 0212/007 DOC 50 C H A M B R E 2 e S E S S I O N D E L A 5 0 e L É G I S L A T U R E K A M E R 2 e Z I T T I N G V A N D E 5 0 e Z I T T I N G S P E R I O D E 1999 2000 Art. 10 Amendement nr. 22 van mevrouw Brepoels wordt verworpen met 10 tegen 4 stemmen en 3 onthoudin- gen. Amendement nr. 32 van de heer Fournaux c.s. wordt verworpen met dezelfde stemming. Amendement nr. 40 van de heer Van Aperen c.s. wordt aangenomen met 15 stemmen en 2 onthoudingen. Artikel 10, zoals het werd gewijzigd, wordt aangeno- men met 10 tegen 2 stemmen en 5 onthoudingen. Art. 11 Amendement nr. 41 van de heer Van Aperen c.s. wordt aangenomen met 15 stemmen en 2 onthoudingen. Het aldus geamendeerde artikel 11 wordt aangeno- men met 13 stemmen en 4 onthoudingen. Art. 12 Amendement nr. 23 van mevrouw Brepoels wordt verworpen met 10 tegen 7 stemmen. Amendement nr. 33 van de heer Fournaux c.s. wordt verworpen met dezelfde stemming. De amendementen nrs. 11 en 12 van de heer Leter- me c.s. worden verworpen met 10 tegen 6 stemmen en 1 onthouding. Artikel 12 wordt aangenomen met 10 tegen 5 stem- men en 2 onthoudingen. Art. 13 Amendement nr. 24 van mevrouw Brepoels wordt in- getrokken. Artikel 13 wordt aangenomen met 13 tegen 1 stem en 3 onthoudingen. Art. 14 Artikel 14 wordt aangenomen met 15 stemmen en 2 onthoudingen. Art. 15 Artikel 15 wordt aangenomen met 15 stemmen en 2 onthoudingen. Art. 16 Amendement nr. 25 van mevrouw Brepoels wordt verworpen met 10 tegen 1 stem en 6 onthoudingen. Artikel 16 wordt aangenomen met 14 stemmen en 3 onthoudingen. Art.10 L’amendement n°22 de Mme Brepoels est rejeté par 10 voix contre 4 et 3 abstentions. L’amendement n°32 de MM. Fournaux cs est rejeté par le même vote. L’amendement n°40 de M. Van Aperen cs est adopté par 15 voix et 2 abstentions. L’article 10, tel que modifié, est adopté par 10 voix contre 2 et 5 abstentions. Art.11 L’amendement n°41 de M. Van Aperen cs est adopté par 15 voix et 2 abstentions. L’article 11, tel qu’amendé, est adopté par 13 voix et 4 abstentions. Art.12 L’amendement n°23 de Mme Brepoels est rejeté par 10 voix contre 7. L’amendement n°33 de MM. Fournaux cs est rejeté par le même vote. Les amendements n°11 et 12 de M. Leterme et cs sont rejetés par 10 voix contre 6 et une abstention. L’article 12 est adopté par 10 voix contre 5 et 2 abs- tentions. Art.13 L’amendement n°24 de Mme Brepoels est retiré. L’article 13 est adopté par 13 voix contre une et 3 abstentions. Art.14 L’article 14 est adopté par 15 voix et 2 abstentions. Art.15 L’article 15 est adopté par 15 voix et 2 abstentions. Art.16 L’amendement n°25 de Mme Brepoels est rejeté par 10 voix contre une et 6 abstentions. L’article 16 est adopté par 14 voix et 3 abstentions. 69 0212/007 DOC 50 C H A M B R E 2 e S E S S I O N D E L A 5 0 e L É G I S L A T U R E K A M E R 2 e Z I T T I N G V A N D E 5 0 e Z I T T I N G S P E R I O D E 1999 2000 Art. 17 Artikel 17 wordt aangenomen met 14 stemmen en 3 onthoudingen. Art. 18 Artikel 18 wordt aangenomen met 15 stemmen en 2 onthoudingen. Art. 19 Artikel 19 wordt aangenomen met 10 stemmen en 7 onthoudingen. Amendement nr. 26 van mevrouw Brepoels, dat er- toe strekt dat artikel weg te laten, komt derhalve te ver- vallen. Art. 20 Artikel 20 wordt aangenomen met 11 stemmen en 6 onthoudingen. Art. 21 Artikel 21 wordt aangenomen met 15 stemmen en 2 onthoudingen. Het gehele wetsontwerp, zoals het werd geamen- deerd, wordt aangenomen met 10 tegen 4 stemmen en 3 onthoudingen. De rapporteur, De voorzitter, Jacques CHABOT Jos ANSOMS Art.17 L’article 17 est adopté par 14 voix et 3 abstentions. Art.18 L’article 18 est adopté par 15 voix et 2 abstentions. Art.19 L’article 19 est adopté par 10 voix et 7 abstentions. En conséquence, l’amendement n°26 de Mme Brepoels tendant à supprimer l’article, devient sans objet. Art.20 L’article 20 est adopté par 11 voix et 6 abstentions. Art.21 L’article 21 est adopté par 15 voix et 2 abstentions. L’ensemble du présent projet, tel qu’amendé, est adopté par 10 voix contre 4 et 3 abstentions. Le rapporteur, Le président, Jacques CHABOT Jos ANSOMS Centrale drukkerij van de Kamer - Imprimerie centrale de la Chambre

Vragen over dit document?

Stel uw vragen aan onze juridische AI-assistent

Open chatbot